summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69120-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69120-0.txt')
-rw-r--r--old/69120-0.txt13510
1 files changed, 0 insertions, 13510 deletions
diff --git a/old/69120-0.txt b/old/69120-0.txt
deleted file mode 100644
index 0a88d4f..0000000
--- a/old/69120-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,13510 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Naar den Equator, by M. T. H. Perelaer
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Naar den Equator
- Een kwart eeuw tusschen de keerkringen
-
-Author: M. T. H. Perelaer
-
-Release Date: October 9, 2022 [eBook #69120]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- book was produced from images made available by the
- HathiTrust Digital Library.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAAR DEN EQUATOR ***
-
-
-
-
-
- EEN KWART EEUW TUSSCHEN DE KEERKRINGEN
-
- NAAR DEN EQUATOR
-
- MET EEN VOORSPEL:
-
- VAN PASTOOR SOLDAAT
-
- DOOR
- M. T. H. PERELAER
- Gepd Hoofdofficier van het Nederl. Indische leger.
- Schrijver van „Borneo van Zuid naar Noord”
-
-
- ROTTERDAM
- UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”
- 1884
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Na de verschillende aanvallen, die mijn „Borneo van Zuid naar Noord” te
-verduren heeft gehad, en waarbij men hoofdzakelijk nevenzaken aangetast
-heeft, met het kennelijk, zelfs eens met het erkend doel om de
-waarheidsliefde omtrent de hoofdzaak in verdenking te brengen, zal een
-klein woord vooraf niet ondienstig zijn.
-
-Toen ik met den Directeur der Uitgevers-Maatschappij „Elsevier” dezen
-mijn nieuwen arbeid „Een kwart eeuw tusschen de Keerkringen” besprak,
-vroeg hij mij of die eene autobiographie zoude worden, en antwoordde ik
-hem, dat het leven van één mensch, hoe veelbewogen het ook geweest zij,
-hoogst zelden voldoende stof leverde om ook maar één boekdeel te
-vullen. Dat er zoo iets dus in mijn arbeid niet mocht gezocht worden!
-„Neen,” voegde ik er bij, „ik wil uit veler leven een greep doen, ook
-hier en daar uit het mijne, waar mij dat gepast zal voorkomen. Die
-grepen zal ik door middel van een lichten romantischen draad tot een
-geheel trachten te verwerken, waardoor een aanschouwelijk beeld
-ontstaan zal—zoo hoop ik althans—van wat het leven in
-Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt. Ik zou mijn werk op het
-voetspoor van Alfred de Vigny: „Grandeurs et servitudes dans l’armée
-des Indes Orientales Néerlandaises” hebben willen betitelen, hadde ik
-daardoor geen plagiaat gepleegd en ware het mij mogelijk geweest dien
-titel naar mijn zin in goed Nederlandsch over te brengen.”
-
-Het doel van den arbeid, waarmede ik ander maal voor het publiek treed,
-is daarbij voldoende omschreven en heb ik bij de mededeeling daarvan
-niets te voegen, dan alleen de betuiging, dat ik—om mijne krachten niet
-te verspillen in een afmattenden strijd,—geene enkele recensie zal
-beantwoorden, die zich ten doel mocht stellen de geloofwaardigheid van
-de geleverde verhalen aan te vallen of verdacht te maken. Om de
-recensenten bij hun arbeid dadelijk te gemoet te komen, verklaar ik dat
-die verhalen verdicht zijn en dat het derhalve noodelooze moeite zal
-zijn, zich in gissingen omtrent namen of omtrent andere bijzonderheden
-te verdiepen. Overigens hoop ik dat de welwillende lezers in die
-bladzijden zullen vinden, wat ik getracht heb er in neer te leggen: het
-aanschouwelijk beeld namelijk van wat het leven in Nederlandsch-Indië
-den krijgsman aanbiedt, waarvan ik hier boven sprak en eene aansporing
-voor hen, die leeken zijn op koloniaal gebied, om met onze zoo schoone
-Koloniën meer bekend te geraken.
-
-
- Den Haag, 20 November 1883.
-
- DE SCHRIJVER.
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Voorspel: VAN PASTOOR SOLDAAT.
-
- I. Op Slavante Bladz. 3
- II. Te Rolduc 22
- III. Een man over boord 44
- IV. Bij het Koloniaal Werfdepôt 65
-
-
- NAAR DEN EQUATOR.
-
- I. Naar zee 97
- II. In de Noordzee—Kennismaking 115
- III. Verdere kennismaking.—In het Kanaal 134
- IV. De Atlantische Oceaan 153
- V. Eene stortzee 172
- VI. Dobberende bij de Canarische eilanden 191
- VII. Tusschen de keerkringen 210
- VIII. De muiterij 230
- IX. Eene lijkplechtigheid aan boord 249
- X. Naar Brazilië’s hoofdstad 268
- XI. Weer naar zee 287
- XII. Een onderhoud.—Bruinvisschen 306
- XIII. Storm.—Om de zuid 324
- XIV. Kaapsche duiven en Albatrossen 340
- XV. In den Zuidoostpassaat 354
- XVI. Straat Sunda 367
-
-
- AANTEEKENINGEN 385
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORSPEL:
-
-VAN PASTOOR SOLDAAT
-
-
-I.
-
-OP SLAVANTE.
-
-
-Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185.,
-was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de
-nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen, bijzonder
-levendig.
-
-Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den
-genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28ste Pruisische
-linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—een matinée
-musicale en de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de
-heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het
-hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino
-verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht
-maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene
-liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.
-
-Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het
-lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf,
-rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het
-traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de ruischende
-waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet
-ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de
-koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een
-afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel
-chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar
-die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer
-dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of
-kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De
-meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier,
-dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste
-tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker
-etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.
-
-Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de
-aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele
-dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van
-het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid,
-ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.... men kon toch niet
-weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende
-van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene
-bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt
-bleef.
-
-Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau
-uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en
-dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die
-reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke
-geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene
-dartele jeugd van beiderlei kunne, hier stoeiend en plagend, daar
-elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar
-overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op
-de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons
-Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst
-met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.
-
-En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer
-ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem
-vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn
-gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken,
-en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne
-maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een
-bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen,
-die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig
-ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten
-brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van
-jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne
-volle ontwikkeling vertoonden.
-
-Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.
-
-Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het
-Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren,
-die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend
-kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij
-eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig
-paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die
-muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper,
-of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden, klonk nu zacht
-gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen
-onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs
-die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met
-het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden
-zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld
-worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen”
-struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke
-geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang
-veroorzaakt.
-
-De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang
-veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.
-
-Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter
-familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het
-volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden.
-Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand
-leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de
-afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van
-straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder
-belangwekkend is.
-
-Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was
-van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend
-waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden
-overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.
-
-De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien
-of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink
-ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen
-ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna
-nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien hij sprak. Hij hield
-dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen
-op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek,
-en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar
-zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog
-zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het
-eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van
-het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven
-in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed,
-waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals
-zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander
-linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij
-breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen
-van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij
-zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit
-omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als
-wilden zij ijdele blikken afweren.
-
-Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den
-Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden.
-Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die
-kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen
-gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite
-gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als
-een matinée musicale is, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te
-wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat
-hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij
-daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar
-vergaan zal, had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen.
-Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf
-toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet
-was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar
-gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten
-pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met
-vuur: „In viam pacis.... In nomine Domini!” [1] een gebed, dat hem als
-„itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de
-vacantie verstrekt was.
-
-Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder
-te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet
-verboden scheen.
-
-„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader.
-„Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te
-laten hooren.”
-
-„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist.
-„Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel
-liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer [2], het „pangue
-langua” [3] is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”
-
-„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den
-onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn
-wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat
-vaarwel te zeggen.”
-
-„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met
-vuur. „Niets, het allerminst die wereld”...
-
-„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem
-achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn
-schouders rustte.
-
-Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.
-
-De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was
-deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in
-persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag
-zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij
-het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van
-keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij
-over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan
-werd.
-
-„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen
-hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.
-
-„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”
-
-„En waar komt gij vandaan?”
-
-„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach,
-terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden
-begroette.
-
-Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.
-
-„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België
-te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was, „en ben nu zoo wat aan
-het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar
-naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het
-groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar
-Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”
-
-„Maar hoe komt ge thans hier?”
-
-„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van
-Luik aan. Ik vernam in de „Levrier” [4], dat er heden namiddag te
-Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd
-zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen. Ik
-had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van
-Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van
-vergelijking te maken.”
-
-„Gij!... Frank, gij?...” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.
-
-„Ja... ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen
-heb.”
-
-„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons
-allen!...”
-
-„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het
-gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was
-dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te
-Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis.
-Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb
-mijn punten van vergelijking nog te maken.”
-
-„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.
-
-„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in
-het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner
-vergelijkingen verlangen.”
-
-Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het
-ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.
-
-De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s
-overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm,
-noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.
-
-„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet
-ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de
-jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel
-bespeurd. Haar was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij
-hem telkens aandoet.”
-
-„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den
-onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem.
-„Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja
-onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden
-der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van
-Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te
-begeven!”
-
-De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in
-weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.
-
-De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn
-vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden
-op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden
-langs de omheiningsmuren niet.
-
-„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief
-bekje!”
-
-„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.
-
-„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende
-uitroep.
-
-Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te
-beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij
-iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en
-bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien
-geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve
-bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar
-opmerkte.
-
-„Vade retro Satanas!” [5] prevelde hij met een soort grimmigen moed,
-wanneer zijn blik dien van de eene of andere schalksche schoone
-kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien
-langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van
-spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als
-satan verzocht werd achteruit te wijken.
-
-Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de
-sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis
-zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:
-
-„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!” [6]
-
-Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der
-Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen
-na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die
-spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop
-neer te slaan.
-
-„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling
-als in een dankgebed uit.
-
-Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen
-laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet
-Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde
-maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude
-lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in
-vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:
-
-„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”
-
-„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.
-
-„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.
-
-„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men
-boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele
-Maasdal overziet?”
-
-„O! veel fraaier!”
-
-„Is het ver van hier?”
-
-„Neen, vlak bij.”
-
-„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich
-zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij... wel, dan
-zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen
-zoeken het schoone!”
-
-Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein.
-De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een
-waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee
-takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in
-zuidelijke richting voortging.
-
-„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.
-
-„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang
-van den Sint Pietersberg.”
-
-„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet.
-Morgen wellicht.”
-
-Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd,
-en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar
-plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn
-vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een
-hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van
-het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne
-rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan
-Frank een kreet van bewondering.
-
-Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien
-kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde
-zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en
-hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op een soort van
-bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den
-bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd
-passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde
-met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas
-overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige
-vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest
-dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken.
-Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten
-onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken,
-allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden
-met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en
-zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en
-met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene
-allerliefste omlijsting vonden.
-
-Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar
-zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van
-die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar
-vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden,
-vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het
-zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en
-waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met
-het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg
-lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen
-door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien
-kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een
-hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die
-aangaven dat eene stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken
-behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van
-aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.
-
-Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den
-overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten
-zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de
-Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk
-zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde
-water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht,
-strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder
-meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het
-grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp
-Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken
-lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer
-in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij
-die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van
-het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het
-zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé
-aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.
-
-Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch
-landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen
-getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij,
-haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met
-aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een
-verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden
-met hare zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige
-bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen
-van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met
-vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte,
-die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’
-heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts
-uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg
-evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de
-schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een
-open oog voor natuurschoon had, moest boeien.
-
-„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik
-dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat
-het zijn nut heeft.... op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je
-ouders hadden blijven zitten, dan.... dan had ik althans dat gezicht
-gemist.”
-
-Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar
-voorshands niet op.
-
-Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden,
-vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.
-
-„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.
-
-Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit,
-terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven
-de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.
-
-„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu
-zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een
-zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich
-de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim
-uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die
-fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg....
-Herman....”
-
-Geen antwoord.
-
-„Zeg, Herman!.... Zie je dat?”
-
-Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:
-
-„Waar zit hij?”
-
-Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem,
-maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In
-den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de
-armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:
-
-„Sub tuum presidium....”[6]
-
-„Confugimus sancta Dei genetrix,”[6] viel Frank lachend in. „Het is bij
-mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te
-stellen! Maar, waar kijk je naar?.... Drommels! wat een paar mooie
-meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te
-aanvaarden! Zoo, zoo!”
-
-Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen,
-die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het
-schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook
-aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden
-bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op
-weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst,
-die allerbekoorlijkst mocht heeten.
-
-Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai
-gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen
-daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij
-de andere donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een
-paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd
-worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas
-geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde
-wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker
-verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde
-voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets
-vernomen had.
-
-„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als
-uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des
-verbonds....!”
-
-Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome
-uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden
-te verkrijgen.
-
-„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.
-
-„Die dames?....” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet
-niet, wie je bedoelt.... Ik ken ze niet.”
-
-Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.
-
-„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben
-eenigszins vermoeid.”
-
-Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar
-boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij
-de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de
-twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De
-beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was,
-te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde,
-stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank voelde het lichaam
-van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames
-traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging
-voorbij.
-
-„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.
-
-„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het
-hart.
-
-„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”
-
-„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets
-hartstochtelijks in zijne stem.
-
-„Waarom niet?”
-
-„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld
-dat ik geestelijke word, en....”
-
-„Zoo?... Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping
-in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer
-dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane,
-die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”
-
-„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de
-voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige
-overtuiging.
-
-„Mijn raad zou zijn: dat ge trachtet te weten te komen, wie die jonge
-dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik
-geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een
-biechtstoel.”
-
-„St!... de ouwe lui kunnen ons hooren.”
-
-Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar
-Herman’s ouders gezeten waren.
-
-„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe
-vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche
-jonge dames gevestigd?”
-
-„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven heeft,”
-antwoordde Frank met vuur. „Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien,
-nietwaar Herman?”
-
-Deze trok onverschillig de schouders op.
-
-„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon
-daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene
-heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot
-mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen
-gekomen.”
-
-„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.
-
-„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb
-er niet op gelet.”
-
-„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij
-prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”
-
-Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin
-was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het
-gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij
-aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen
-in vond.
-
-„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan.
-Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”
-
-Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.
-
-„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar
-de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is
-Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.
-
-De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken
-handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en
-verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.
-
-Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot
-achter de ooren deed blozen.
-
-De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als
-toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende: Sie sollen ihn
-nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig
-sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever de
-Marseillaise of de Brabançonne, en kon dat niet, dan het Wien
-Neêrland’s bloed gehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen
-onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het
-Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers
-bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de
-familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog
-stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling
-van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche
-flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden
-aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche
-bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans
-voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale
-gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:
-
-
-
- Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!
- Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!
- Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!
- Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!
-O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la
- [bierre et le bonheur
- La lalala la la la lalala la la!
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-TE ROLDUC.
-
-
-Ettelijke maanden waren sedert de matinée musicale voorbijgegaan,
-waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der
-seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en
-daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was
-de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van
-menschelijke dwaasheid.
-
-Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij
-daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een
-engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en
-had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op
-hetgeen in dat hart omging.
-
-„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de
-eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder
-had of althans gehad had.
-
-„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem
-sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods.
-Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”
-
-De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen der H. Kerk
-te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en
-dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.
-
-„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke
-gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze
-standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te
-beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend.
-Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd
-bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden,
-haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder
-uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van
-onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de
-geheele ziel.”
-
-En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de
-reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad
-ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van
-onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in
-al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort,
-dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de
-Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed
-onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening
-geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat
-gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der
-zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de
-liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle
-wereldsche geneugten gesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts
-ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?... Hij! liefde koesteren
-voor een schepsel?... Hij?... de bruidegom des Heeren!... Nooit!...
-nooit!
-
-„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte [7] waarin
-hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte.
-„Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls
-dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten,
-als weigerden zij er akte van te nemen.
-
-De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het
-verboden beeld voor zijne ziel!
-
-Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s
-weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags
-en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene
-vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de
-omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden
-waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij
-mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk
-de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit
-een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalte hare gestalte
-niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja
-teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige
-oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding
-te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy [8] groot gelijk
-had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:
-
-„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik
-ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”
-
-De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd
-vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.
-
-Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld
-Lydia’s trekken aan. Bad hij de litanie van alle Heiligen, dan gebeurde
-het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met
-even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.” [9]
-
-Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke
-jaarlijksche retraite plaats. Dat was het tijdperk om voor goed van
-alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift
-volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die
-negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde
-hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar
-paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij
-onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dien
-retraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk
-gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest,
-en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene
-algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd
-werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar
-heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die
-algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als
-uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte
-aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke
-beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht
-om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn: retro Satanas alle
-succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde
-bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen
-avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet
-tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen.
-De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,
-gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de
-vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en....
-eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel
-was bepaald als probaat aan te bevelen.
-
-Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was
-hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden
-mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf
-van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen
-van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over
-zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden.
-Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de
-Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich
-vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:
-des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen
-Herman in het taaleigen van de inrichting: qu’il était un saint jeune
-homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist,
-beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een
-verklikker was.
-
-De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had
-Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne
-godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te
-Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”,
-bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de
-bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters
-Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den
-Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de
-„lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten
-Donderdag in de O. L. Vrouwekerk, ter herinnering aan de instelling van
-het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde
-op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte
-zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de
-voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen
-volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes,
-die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo
-verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg,
-zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij
-den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat
-hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te
-krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te
-moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie
-visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was
-de overwinning niet volkomen!
-
-De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten
-aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc
-midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld
-prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk
-verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en
-Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate
-fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe
-geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:
-
-
- C’est le mois de Marie,
- C’est le mois le plus beau!
- A la Vierge chérie
- Disons un chant nouveau!
-
-
-wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten
-aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten
-zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die
-werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht
-volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden,
-en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de
-Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene
-algemeene verheerlijking oplosten.
-
-Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het
-over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij
-Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht
-had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren.
-In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods
-genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder
-te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd
-was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te
-wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe
-welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine
-kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat
-verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij
-schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in
-Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden,
-ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor
-den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de
-bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.
-
-Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van
-al die jongelieden gebracht was. Toch had Professor Jansen zich met de
-meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het
-meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden
-op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den
-inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering
-gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was
-Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat
-der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen
-gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van
-Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij
-daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan
-het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste
-schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische
-uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen
-met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron
-is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een
-kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in
-zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van
-iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.
-
-De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.
-
-
-
-Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.
-
-„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.
-
-Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy
-den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te
-hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde
-hij naar de spreekkamer.
-
-Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den
-rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te
-pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een
-dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur
-daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s
-moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks
-zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de
-Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met
-onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes,
-die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde
-had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of
-opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.
-
-Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe
-om haar te begroeten.
-
-„Waar blijft Henri?” zei de een.
-
-„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.
-
-„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den
-portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd
-heeft?”
-
-Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit
-oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen
-hunner mama’s besloten.
-
-Boven moederliefde gaat niets!
-
-Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen
-stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen
-te betrachten. Deze keerde zich juist om.
-
-„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.
-
-Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te
-smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor
-de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas
-binnengekomen jongelingen gevestigd was.
-
-Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste
-vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het
-seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen
-rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman
-in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek
-toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel
-van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar
-innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien
-wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.
-
-Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den
-jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der
-Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich
-volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt
-hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den
-jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien
-verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent
-hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel
-wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad
-zij op hem toe:
-
-„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand
-vatte.
-
-Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de
-oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige
-woestheid, en fluisterde zacht:
-
-„Neen, het is niets! Het is al weer over!.... Eene duizeligheid... dat
-is alles!... In Gods naam, wees stil... Laat mijne moeder er niets van
-merken. Zij zou zich ongerust maken.”
-
-Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw,
-die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder
-zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.
-
-In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie
-binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de
-wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten
-gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk
-deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk,
-of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand
-groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen,
-terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen
-van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan.
-De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed,
-er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.
-
-Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd,
-was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig
-maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den
-neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te
-voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met
-kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het
-snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder
-tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en
-was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius
-te blijven.
-
-Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en
-in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal.
-Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had
-veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen
-glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden.
-„Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.
-
-Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten
-en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders
-gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in
-een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten
-mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het
-„parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen.
-Geen hunner had een „compareat” [10] ondergaan, d.w.z. dat hij op
-„numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend
-personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder
-goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde
-een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het
-verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan
-dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur
-heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen
-bestonden.
-
-„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens
-rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek
-gebracht.”
-
-Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de
-hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”,
-waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de
-verschillende klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de
-„dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door
-hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen.
-Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene
-onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van
-het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die
-ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.
-
-„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is
-meer dan armoede, dat is naaktheid.”
-
-Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik
-bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te
-overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift
-in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het
-voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer
-liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.
-
-Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den
-directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het
-gesticht door de noordoosterpoort.
-
-Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s
-door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare
-aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons
-volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun
-beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te
-bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij
-spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er
-heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen
-somwijlen op het onverwachtst blozen deed, zonder dat er oorzaken toe
-bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat
-geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond
-wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op
-haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het
-ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar
-die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van
-den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.
-
-Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen
-verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en
-vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag.
-Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog
-geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders
-haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander
-allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia
-wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste
-mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje
-in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.
-
-De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar
-frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links
-strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker
-naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk
-ruischte.
-
-„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren
-veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.
-
-De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd
-ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen van het gesticht, daalde
-daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen
-een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden
-afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen
-beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en
-fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van
-den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg
-tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes
-heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een
-kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den
-top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan
-Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist
-daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te
-knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die
-zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderde veel
-meer de gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de
-keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.
-
-Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal
-gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp
-gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij
-insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de
-dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naar Düsseldorf voerde, en in die
-dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer
-gewichtige gemeenschapsader was.
-
-Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje
-bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die
-zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de
-weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet
-vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men
-eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in het Gasthaus
-van Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar
-evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken
-aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had
-gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij
-zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen
-vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit
-verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen
-die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij
-voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het
-seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig,
-dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne
-wangen duidelijk zichtbaar waren.
-
-Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te
-luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een
-glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere
-studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die
-den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige
-verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H.
-Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De
-jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te
-kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan,
-alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een
-zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde,
-en werden alsdan door hunne medeleerlingen „monsieur le philosophe”
-geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie”
-(wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het
-evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.
-
-Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der
-philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de
-kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de
-regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia
-proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus
-tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij
-straks den directeur Peeters had zien doen.
-
-Zoo spoedden die zalige uren voort.
-
-Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele
-tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen,
-Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds
-lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap
-bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de
-onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars
-door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De
-dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen
-aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer
-vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.
-
-In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber
-en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu
-en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst
-naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid
-gevoelde. Het arme kind kon onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak
-zij van die sombere gemoedsstemming was.
-
-Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw
-Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder
-op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik
-aan.
-
-„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”
-
-Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op
-het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam
-plaats op de voorbank.
-
-„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.
-
-Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor
-een ui aan.
-
-„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”
-
-„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een
-glimlach.
-
-„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem.
-„Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”
-
-In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan
-ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over
-zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in
-aantocht.
-
-„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder.
-„Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders
-wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”
-
-„Het is geen scherts, mameer!”
-
-„Maar, je plan dan om priester te worden?”
-
-„Ik word geen priester!”
-
-„Geen priester?”
-
-„Neen!”
-
-Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw
-Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.
-
-„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in
-vertwijfeling.
-
-„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij
-zijn neus tot bloedens toe wreef.
-
-„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder
-den directeur aan te zien.
-
-„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag
-blijven!”
-
-De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar
-tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.
-
-„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij
-haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.
-
-Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden
-trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.
-
-„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge
-meisje.
-
-„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij
-heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij
-het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over
-denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan
-den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”
-
-„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende
-Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”
-
-„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”
-
-De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit
-afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op
-eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den
-geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.
-
-Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander
-aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een
-van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij
-in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en
-dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan
-verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het: Vere dignum et justum
-est [11] zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad: ecce
-agnus Dei, qui tollit peccata mundi. [12] O! als zij dat eens in
-werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie
-verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij
-begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.
-
-„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen
-sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met
-ons vieren....”
-
-„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den
-bok gaan zitten.”
-
-In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg
-geven.
-
-„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den
-arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake
-wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die
-is slechts het gevolg van een oogenblik.”
-
-„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik gevoel het, nimmer
-zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”
-
-De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van
-boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan
-vroeger.
-
-„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang
-geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde
-richting.... Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis
-brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou
-meenen, dat ge weggejaagd waart!”
-
-„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”
-
-„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst
-te veel aan uwe reputatie. Kort en goed....”
-
-Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.... Zij hervatte een poos
-daarna, maar met tranen in de oogen:
-
-„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des
-Heeren zoudt gewijd hebben....”
-
-„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden
-mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in
-dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”
-
-De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De
-directeur sloeg een kruis.
-
-„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn
-wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een
-stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe
-bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch
-verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”
-
-„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak
-van mijn geweten!”
-
-„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste
-stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!...”
-
-„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën
-voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen...?”
-
-De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde
-haar zoon niet, maar ging voort.
-
-„... Dan blijft ge volkomen vrij.”
-
-„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.
-
-„Ik!... ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks
-gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood
-denken.... hoe zou ik raad kunnen geven?....”
-
-Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar
-haar gelaat in hare handen.
-
-„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw
-Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.... mijn
-jongen.... houd moed.... Vaarwel!”
-
-Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het
-rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar
-voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind
-had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den
-grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door
-zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep
-over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog
-verdwenen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-EEN MAN OVER BOORD.
-
-
-Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de
-kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten
-geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van
-het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet
-op:
-
-„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”
-
-En voort ijlde hij de kerk uit.
-
-Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De
-leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de
-kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich
-vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder
-zich ter ruste zou begeven.
-
-Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam,
-liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en
-sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo
-eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde
-was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere
-kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn
-„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap
-vergetelheid te zoeken.
-
-Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den
-directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten.
-Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus
-tuas Domine, commendo spiritum meum” [13] weerklonken had, en de
-leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven,
-sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem,
-welke van innige ontroering trilde:
-
-„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”
-
-Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk
-statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het
-vierstemmig koraal:
-
-„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!” [14]
-
-Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op
-zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte
-volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu
-eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de
-eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven,
-krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale
-gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en
-prevelde:
-
-„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”
-
-Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te
-zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden
-zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde.
-Hij wist niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de
-profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.
-
-„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.
-
-Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde,
-boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:
-
-„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer!
-Heer, verhoor mijne stem!”
-
-„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder
-die gewelven naar boven.
-
-„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe
-oogen vinden?” mompelde Herman.
-
-Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk!
-Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal
-vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen
-zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.
-
-„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar
-eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig
-aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik
-heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”
-
-Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij
-weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn
-kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den
-directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat
-in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach
-en prevelde hij:
-
-„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp
-heeft het de profundis verwonnen.”
-
-Ja, het de profundis had overwonnen, evenwel niet zooals de directeur
-dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg
-ontwaren.
-
-Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere
-verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog
-vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens
-genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op
-hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn
-biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de
-wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te
-geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in
-staat van genade te sterven.
-
-Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere
-maatschappelijke staat een sacerdoce was, een priesterschap, mits de
-verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er
-nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardiger sacerdoce bestond
-dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur
-hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij
-juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des
-Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich
-onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.
-
-Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn
-martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat
-nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander
-mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een
-derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen
-maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer
-ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd
-zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen, die wat te dikwijls
-volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of
-wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals.
-Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn.
-Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk
-verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd
-nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de
-wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij
-den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die
-verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet
-verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een
-misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.
-
-Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende
-malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten:
-doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er
-begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was,
-dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te
-pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden
-geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op
-een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H.
-Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder
-daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood
-geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed
-ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter
-bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke
-aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij
-een gruwel in hunne oogen.”
-
-Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden
-bezoedeld!
-
-Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan
-daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen
-gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns
-biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het
-onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en
-verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte
-ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en
-hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.
-
-Zoo naderde de vacantie.
-
-Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe
-teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n
-gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het
-liet hem vrij koud.
-
-„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten
-dag met soetsappig gelaat op.
-
-Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te
-kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke
-andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.
-
-Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten
-van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne
-Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van
-Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne
-toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep
-zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van
-Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was,
-ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige
-dorpen afkomstig, die den weg naar de plaats hunner inwoning
-gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen,
-en vernam Herman hun lied:
-
-
- „Adieu! berceau de mon enfance!
- Adieu Rolduc, aimable lieu!
- Rolduc! où regne l’innocence!
- La paix et le bonheur adieu!
- Je pars pour consoler un père!
- Adieu riant exil des bois!
- Je suis au bout de ma carrière!
- Salut! pour la dernière fois!”
-
-
-„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga
-den vrede des harten en het geluk te gemoet!”
-
-Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.
-
-„Ja, waarlijk, dat Rolduc was: un riant exil des bois! Maar toch zing
-ik met geestdrift: Salut! pour la dernière fois!”
-
-Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer
-tegen het middaguur in het ouderlijke huis aan.
-
-Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had
-hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij
-met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het
-seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle
-moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die
-onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het
-allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en
-zoon gevoerd.
-
-Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbij aansloeg: de
-gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen,
-een van die telgen, die zij in haren schoot gedragen, die zij gezoogd
-had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden.
-Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want
-zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar
-echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet
-kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem,
-die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te
-nemen.
-
-Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke
-smeekingen:
-
-„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij. Ik heb Lydia zoo
-lief, zoo onuitsprekelijk lief!”
-
-Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat
-Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij
-dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te
-keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij
-kortweg:
-
-„Neen! mameer, dat kan niet!”
-
-Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou
-intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis
-van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!
-
-„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.
-
-„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder
-niet zonder eenige ergernis.
-
-„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte
-stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij
-een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over
-nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te
-Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”
-
-„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van
-wilskracht. „Dat nooit!”
-
-Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.
-
-„Nooit?....” vroeg hij met bevende stem.
-
-„Nooit!” was het even besliste antwoord.
-
-„Maar, mameer....”
-
-„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”
-
-„Maar....”
-
-„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”
-
-„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.
-
-„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor
-wetenschappelijke opleiding noodig is!”
-
-„Een andere loopbaan?.... Ik wilde mij aan de studie der
-rechtsgeleerdheid wijden.”
-
-De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.
-
-„De rechtsgeleerdheid!....” riep zij uit. „Was het mij niet
-voorspeld?.... Nooit! nooit!”
-
-„Maar, mameer....”
-
-„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.
-
-„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel
-gelegenheden aan om....”
-
-„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der
-rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”
-
-„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het
-droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst
-der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te
-maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen
-slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend
-is, om bij het onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer
-waarde toekennen dan zij verdient.”
-
-„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene
-Hoogeschool vertrekt!”
-
-„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”
-
-„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te
-gemoet zoudt snellen!”
-
-„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep
-Herman uit. „Maar.... zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat
-ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?....”
-
-„Dat is mijne zaak.”
-
-„Mameer!....”
-
-„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”
-
-„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan....”
-
-„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het
-geldt het heil der Kerk!”
-
-„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere
-betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil
-der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde
-werd?”
-
-„Laat af! ik zeg het u niet.”
-
-„Mameer!....”
-
-Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de
-zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de
-oogen.
-
-„Mameer!....” herhaalde hij.
-
-De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde
-zij:
-
-„Laat af!.... ik zeg het niet.”
-
-Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn
-knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen
-arm om haren hals, drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende
-koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn
-nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.
-
-„Moeder!....” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de
-liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie
-was uw raadgever?”
-
-Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar
-geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij
-mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.
-
-„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.
-
-„Directeur Peeters!....” kreet de jongman met ontzetting.
-
-Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner
-moeder gevonden had.
-
-„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen
-uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”
-
-„Mijne godsdienstige gevoelens?....”
-
-„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer
-zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een
-bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”
-
-„Maar, dat is niet waar!....”
-
-„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u
-blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te
-nemen, met een Kant, met een Schopenhauer, met een Renan, met een
-Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen
-een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”
-
-„O! dat is te erg!....” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te
-erg!”
-
-„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare
-bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er
-mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de
-noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet,
-welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de
-plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert,
-gij uwe studiën niet voort zult zetten!”
-
-„Mameer!....” kreet de jongeling ontzet.
-
-„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”
-
-Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.
-
-„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?”
-barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke
-gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door
-delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen
-bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn
-pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik
-eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne
-ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen
-toch eindigen?....”
-
-Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het
-teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord
-gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te
-Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te
-beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna
-men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo
-liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent
-zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in zijn woorden
-een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover
-hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele
-geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in
-de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar
-gedaan was.
-
-Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne
-studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden
-ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige
-vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:
-
-„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”
-
-„Om het even,” troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching,
-zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam. „Mijne Lydia blijft
-mij!”
-
-Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.
-
-Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden,
-maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een
-bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds
-„mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk
-ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.
-
-Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het
-wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op
-een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het
-was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de
-daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg
-op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde
-hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem
-ook bespeurd had, was niet minder bewogen dan hij. Zij evenwel kwam uit
-den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel
-gaande gemaakt was.
-
-Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek
-bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst
-een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht.
-Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de
-dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje
-onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het
-„Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het
-binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen
-meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij
-de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige
-genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer
-heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de
-adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het
-einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van
-Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften
-verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een
-zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van
-kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren
-verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen
-aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen.
-Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren
-biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te
-weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje
-aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den biechtstoel
-gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene
-ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie”
-hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als
-onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind
-gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien,
-wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der
-zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij
-maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd
-gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.
-
-„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met
-opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier
-malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis.
-Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo
-gelukkig u ontmoet te hebben!”
-
-Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette
-daar niet op; maar ging voort:
-
-„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij,
-wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen
-spreken?”
-
-„Alleen spreken?.... mijnheer Herman.... wat vraagt ge?”
-
-„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het
-gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u
-slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden....”
-
-„Tot mijne ouders wenden?.... waarom?”
-
-Herman keek haar op die vraag met open mond aan.
-
-„Waarom?.... waarom?....” stamelde hij.
-
-„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.
-
-„Wel, om....”
-
-Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar
-mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te
-houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.
-
-„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel
-geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V.
-wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen
-vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”
-
-Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was,
-haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant
-uit, opgegaan waren:
-
-„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?....” vroeg het jonge meisje.
-
-„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde
-Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven” „om
-mij tot uwe ouders te mogen wenden.”
-
-„En ik vroeg u, waarom?”
-
-„Waarom?”...
-
-De deern voelde zijn arm trillen.
-
-„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!”
-antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.
-
-„Om ... mijne ... hand ... te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten
-uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.
-
-„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.
-
-„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”
-
-„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u
-allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”
-
-„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken die uitdrukkingen van
-„mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze
-op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat
-ook nooit worden.”
-
-Dat was op den man af.
-
-„Maar lieve Lyd...”
-
-„Alweer?”
-
-„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”
-
-„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een
-gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”
-
-„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch,
-hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne
-moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”
-
-„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek
-nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in
-tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie
-uwer medeleerlingen compromitteerdet.”
-
-„Vergeef mij Lydia....”
-
-„Alweer?...” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng
-mogelijk trachtte te maken.
-
-„O! vergeef mij!... Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne
-stem.
-
-„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”
-
-„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch
-zoo zacht mogelijk.
-
-„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder... De
-priesterstand... is zoo’n schoone stand...” sprak zij met aarzeling in
-hare stem.
-
-Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar
-rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.
-
-„Lydia, wijs mij niet af... Gij beseft niet, wat gij doet...” smeekte
-hij.
-
-Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.
-
-„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u
-onuitsprekelijk!”
-
-„Ik u niet!”
-
-„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een
-ander?”
-
-„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu
-wordt gij onbescheiden...”
-
-„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch
-beproeven uwe liefde te verwerven....”
-
-„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u
-nimmer beminnen.”
-
-„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.
-
-Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn.
-Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.
-
-„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.
-
-Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om
-hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich
-zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die
-gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.
-
-„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid,
-terwijl hij haar bij den arm greep.
-
-„Welnu... ja!...”
-
-„Wien?... Zeg mij zijn naam!...”
-
-„O! dat gaat te ver!...” riep het jonge meisje. „Laat mij los,
-mijnheer!”
-
-En zich los rukkende vervolgde zij:
-
-„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans wel alleen laten
-gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”
-
-En vlug als eene hinde spoedde zij voort.
-
-„God geve u sterkte!...” herhaalde hij. „God!... God!...”
-
-Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij
-oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de
-Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den Kleinen Straat
-inslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.
-
-„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne
-schreden terug.
-
-Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij
-een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf
-hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders
-te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze, een
-eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle
-geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en
-had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die
-inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar
-toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te
-verwerven, veranderde hij van houding.
-
-„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets
-aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken
-willen dwingen. Dan..!”
-
-Hier aarzelde hij een oogenblik.
-
-„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet
-terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen...”
-
-„Wat heeft die tegen mij?”
-
-„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon
-harer beste vriendin. Maar zij deelt den wensch dier vriendin: zij zou
-u zoo gaarne geestelijk zien worden.”
-
-„Dat word ik nimmer!”
-
-„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het
-hoofd.”
-
-„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?...”
-
-De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.
-
-„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op
-uwe medewerking rekenen?”
-
-„Volstrekt niet!”
-
-„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”
-
-„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben
-broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer,
-ik ben...”
-
-„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word
-ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder
-kerkmeester zijn?”
-
-„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren
-oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van
-geheel Limburg!”
-
-„Hoe dat?”
-
-Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver
-gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem
-zwaar begon te wegen.
-
-„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is
-hier geweest...”
-
-„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de
-handen aan het voorhoofd bracht.
-
-„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij
-zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd
-was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel
-begrijpen?... Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe
-teleurstelling. Maar... het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn
-eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder
-aan! Het is geheel overbodig!”
-
-Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke
-kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:
-
-„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die
-priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-BIJ HET KOLONIAAL WERFDEPÔT.
-
-
-Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek
-uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te
-veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens
-een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij
-stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder.
-Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou
-bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen
-genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden,
-vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het
-strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den
-directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook
-geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van
-huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing
-met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou
-zijn, ja te gronde zou gaan.
-
-Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de
-onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op
-de geestesslapheid zijns vaders.
-
-„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne
-stem.
-
-„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.
-
-„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst
-ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”
-
-„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het
-inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”
-
-„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden,
-dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”
-
-Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten
-diep na.
-
-„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De
-militaire stand is eene zeer eervolle.”
-
-Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene
-niet even eervolle?
-
-„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.
-
-„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.
-
-„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”
-
-„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.
-
-„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u
-tegenvallen.”
-
-„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.... kan het, met
-de eerste gelegenheid naar Nederlandsch-Indië!”
-
-„Naar den Oost!”.... kreet mevrouw Riethoven.
-
-„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.
-
-„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”
-
-„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre
-oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd
-der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort
-priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht....
-vergetelheid te vinden!”
-
-„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.
-
-„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt
-nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om
-dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle
-maanden in bedenking neemt.”
-
-„Mompeer!....” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie
-maanden is...”
-
-„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met
-nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw,
-dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een
-eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”
-
-„En die is?”
-
-„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad
-zult behaald hebben.”
-
-„Maar!...”
-
-„Zonder die belofte geene toestemming, mijn zoon!” was het bedaarde
-antwoord.
-
-Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven.
-Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie
-maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel
-bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de
-heer Riethoven veel.
-
-De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den
-biechtstoel uit te storten.
-
-„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”
-
-„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu
-die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet
-dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd
-worden! mijne zuster.”
-
-„Naar den Oost! Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord
-heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”
-
-„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome
-antwoord.
-
-Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het
-bedehuis.
-
-Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht
-terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde
-dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig
-tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn
-voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.
-
-De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn
-terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo,
-Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming
-bracht.
-
-
-
-„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant
-van het vaste kader te Harderwijk tot een troep mannen, die hem in de
-kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt
-omringden. „Stilte daar voor den drommel!”
-
-Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo
-fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan
-te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog.
-Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat
-gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich
-vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven.
-Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche
-papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest
-uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om
-gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der
-Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het: damned rascal van
-een Engelschman met het verfluchter Schweinhund van een Duitscher:
-elders het: sacré nom d’un chien van een Franschman met het: zaide ge
-zot! begot! zulle! van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar
-door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste
-lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van
-de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om
-het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje
-gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets
-van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de
-hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.
-
-Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die
-woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en
-stond dat tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te
-Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer
-Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk
-na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt
-om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.
-
-Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het
-garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans
-bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van
-burger in krijgsman te voltooien.
-
-„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de
-kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten
-knippen.”
-
-„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.
-
-„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?....” was het barre
-antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil
-voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds
-gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er
-kranig uitzien!”
-
-Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen
-gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en
-stond hem die niet kwaad.
-
-„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich
-zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het
-seminarie. Waarachtig, les extrêmes se touchent.”
-
-„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op
-de lippen.
-
-„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.
-
-„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te
-worden?”
-
-„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.
-
-„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is?
-Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder
-handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte
-graven.”
-
-„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”
-
-„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je
-doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb
-je je kleeren al verkocht?”
-
-„Neen, nog niet.”
-
-„Wat moet je er voor hebben?”
-
-Een paar joden waren nabij getreden.
-
-„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl
-hij de panden van Hermans jaquette betastte.
-
-„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.
-
-„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van
-den kornel!”
-
-„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”
-
-De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en
-bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.
-
-„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij
-tot den jongen man.
-
-„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig,
-Nah!”
-
-„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.
-
-„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.
-
-Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en
-toen hij Herman in het oog kreeg:
-
-„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je
-weet wat ik je gezegd heb?”
-
-Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien
-onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den
-kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om
-dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren
-had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een
-kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een
-koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.
-
-„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.
-
-„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval
-hij. „De officier van kleeding is er.”
-
-Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk
-stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen
-troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een
-getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen
-komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn
-gezag te hulp.
-
-„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem,
-„wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in
-de politiekamer!”
-
-Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan
-geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in
-rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen
-bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde.
-Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij
-werden daarna in een nabijgelegen gang geleid, waar de
-administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De
-monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele
-troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te
-ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd
-werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.
-
-Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was
-hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en
-waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom,
-toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben
-om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op
-hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn
-mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste
-paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene
-kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo
-gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar.
-Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen
-kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op
-tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch
-met een zucht:
-
-„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”
-
-„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen,
-achter hem.
-
-Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was
-wel reden toe.
-
-„Jij hier Frank?” riep hij uit.
-
-„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.
-
-„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”
-
-„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde
-hij lachende. „Maar laat mij je eens bekijken..... Het is om het uit te
-schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte
-kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een
-luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken
-stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen
-fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen,
-en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig
-verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo
-echt lummelachtig te voorschijn treedt... O! dat Lydia je zoo eens kon
-zien! Kerel, je moet je laten photografeeren!”
-
-Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante
-ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet
-trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien
-man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds
-had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had
-geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt
-was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren
-geworden, niet veel over.
-
-Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest,
-maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar
-Harderwijk wenschte te gaan, om in Nederlandsch-Indië de militaire
-loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn
-pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee
-maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair
-schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.
-
-„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij.
-„Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik
-de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”
-
-„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de
-manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!....”
-
-„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je
-burgerkleeren aan den onder-adjudant.”
-
-„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar...
-men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”
-
-„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig
-gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in
-uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”
-
-„Aan den dubbelen!... Wie is dat?”
-
-„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult
-het je niet beklagen.”
-
-Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het
-kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in
-eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie
-in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht.
-Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd
-onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur,
-die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en
-zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen,
-welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die
-dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden
-zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor
-zorgde er voor, dat zijn beschermeling, nadat hij afgeëxerceerd was,
-van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan
-stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor
-aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn
-nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te
-verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.
-
-Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen
-voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed
-dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de
-wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die
-aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen,
-wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen
-burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat
-voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de
-engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der
-handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank
-had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen,
-alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel
-overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat
-van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de
-engagements-acte vroeg in te zien:
-
-„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt,
-dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de
-Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”
-
-„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met
-zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den
-kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.
-
-„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig
-antwoord van dien officier.
-
-„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen
-glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen.
-Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige
-doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou
-dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”
-
-Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde
-zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den
-sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar
-vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:
-
-„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”
-
-Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die
-gevoelig:
-
-„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den
-grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne
-verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne
-geheele toekomst verloren geweest.”
-
-Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die
-dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.
-
-„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan.
-„Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende
-zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de
-kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst
-ergerlijk verwoest geworden.” [15]
-
-„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En... wat zal nu met dien
-sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.... Me dunkt, dat die
-man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”
-
-„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang
-hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en
-daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar
-voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral
-goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”
-
-„Met zijne vrouw?...” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend
-aankijkende.
-
-„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist
-zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,” dan zul je mij later wel
-begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De
-sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een
-adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel
-gauw korporaal en onderofficier.”
-
-„Ook eene vrouwengeschiedenis?”
-
-„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”
-
-Herman maakte een gebaar van walging.
-
-„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het
-doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de
-steenrots viel.”
-
-„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare
-leerstellingen.”
-
-„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te
-schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”
-
-En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.
-
-In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen.
-Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste
-holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander
-gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit
-maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er,
-die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig
-konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van
-voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het
-hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der
-maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne
-naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig
-kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een
-soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam
-door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.
-
-Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het
-garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend
-gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don
-Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten.
-Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke
-jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn
-adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht
-was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche
-Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak
-nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren
-en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en
-de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene
-aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen
-bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten
-verrichten.
-
-„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.
-
-Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er
-niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel
-klonk steeds de vraag:
-
-„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de
-West?”
-
-„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met
-zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige
-manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet,
-sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong
-juist hartelijk mede:
-
-
- Sla, kroten en andijvie!
-
-
-toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie
-aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem
-tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd
-verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande.
-„Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij
-hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve
-kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide
-kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter
-gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden,
-waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden
-waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest,
-en had hem hartelijk de hand gedrukt.”
-
-„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de
-algemeene instemming.
-
-Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te
-Harderwijk was, niet van Excellenties bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo
-zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen
-hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von
-Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze
-droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste
-zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving,
-slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te
-nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf
-weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de
-dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het
-gewone „present” beantwoord te worden.
-
-„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en
-overzag de gelederen.
-
-„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je
-naam afgeroepen wordt?”
-
-„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt....”
-
-In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd,
-wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire
-wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet
-oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.
-
-Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die
-een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren,
-dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en
-zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij
-kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van
-Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in
-staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal,
-van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht,
-van.... ja! van wat niet al? En al heerschte er ook al veel
-overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag
-hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem
-bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste
-brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die
-hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had.
-Gelukkig stond Frank hem ter zijde.
-
-„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten
-leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om
-bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed
-rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid
-of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te
-plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders,
-omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan
-bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap
-niet te versmaden is.”
-
-En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die
-hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke
-aangetrokken, dienst bij het Nederlandsch-Indische leger genomen
-hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene
-eervolle loopbaan te scheppen.
-
-Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te
-lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn
-natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere
-mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden
-aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij
-te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook
-meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort
-feniks te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie
-bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde
-militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig
-vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der
-soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij
-toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat
-zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander
-gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen...”
-
-„Bah!... bah!...” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich
-de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje,
-hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd
-werd, ver van zich wierp.
-
-„Bah!... hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”
-
-„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende
-aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”
-
-Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne
-indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen,
-en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die
-bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd
-een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.
-
-De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam
-ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer
-bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die
-behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten
-galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in
-kamertjes verdeeld, en stelde die ter beschikking van de koloniale
-helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te
-hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die
-drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel
-invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra
-ondervinden.
-
-Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de
-oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.
-
-„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.
-
-Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.
-
-„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd
-met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal
-onderofficieren aangesteld, en.... hij is er niet bij.”
-
-„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei
-de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.
-
-„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende,
-evenwel met een blosje op de wangen.
-
-„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde
-den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.
-
-„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw
-Ebtuin.
-
-„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.
-
-„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.
-
-Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een
-kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.
-
-„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt
-ge nimmer gezien.”
-
-„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een
-kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen
-werd.
-
-„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.
-
-„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te
-veel.”
-
-„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met
-sluwen glimlach.
-
-„Op mijne rekening?... Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een
-paar maanden aan boord van het schip te zitten.”
-
-„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met
-Frank in de deur van den winkel stond te praten.
-
-Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat
-hij schudde.
-
-„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak
-Herman ietwat gebelgd.
-
-„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord
-drukkende.
-
-„Zoo’n vraag!”
-
-„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw
-Ebstein met een grijnslach.
-
-„Maar ik begrijp niet....”
-
-„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat
-we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende,
-zeg?”
-
-„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.... Wat die pendule....”
-
-„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven,
-dus?...”
-
-Herman knikte toestemmend.
-
-Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der 3de kompagnie na
-terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij
-de navolgende bataillons-orde voor:
-
-„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt
-alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt:
-de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die
-bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”
-
-„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak
-de sergeant-majoor na die voorlezing.
-
-Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals
-verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de
-lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te
-voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde
-hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:
-
-„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”
-
-Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en
-zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den
-schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers
-daarop kantelden.
-
-„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer
-gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.
-
-„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.
-
-De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene
-huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit
-de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel
-toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe
-krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op
-zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak
-die kompagnie’s moeder met bewogen stem, terwijl hij den nieuwbakken
-sergeant de hand reikte:
-
-„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”
-
-Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment,
-hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der
-sergeant-majoors-vrouw uitlokte.
-
-Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne
-verwondering te kennen over die uitkomst.
-
-„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.
-
-„Ja, maar.... dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten
-aanstellen?”
-
-„Ze kan meer dan dat? Maar.... als ge het geheim van die geschiedenis
-niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel
-het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het
-zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer
-hernomen zal hebben.”
-
-Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman
-en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De
-dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer
-onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en
-des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten,
-om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren,
-in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl,
-wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene
-manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden,
-om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der
-priesteressen van de walgelijkste ontucht te sleuren. Tooneelen hadden
-dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar
-die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch
-soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad
-van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der
-openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare
-haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen
-losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen,
-uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.
-
-Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner
-bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne
-voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich
-niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende
-vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.
-
-De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden
-dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan
-den dag.
-
-„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier
-gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die
-uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel,
-perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek
-hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten,
-meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter
-sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een
-tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen,
-dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min
-mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.... Ik vroeg laatst aan zoo’n
-ongelukkige, of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het
-antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik
-ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de
-Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste
-kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God,
-God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?... Het is soms om
-aan de toekomst te twijfelen.”
-
-„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in
-andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg
-daartoe open.”
-
-„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische
-bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen,
-terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek
-uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver
-drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”
-
-Frank zette een half spottend gezicht.
-
-„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik
-reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het
-vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben,
-steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””
-
-Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek
-naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op
-een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel
-verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen
-medegaan.”
-
-„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak
-Herman, „om afscheid van hen te nemen.”
-
-„Dan moet ge verlof vragen.”
-
-„Juist dat wilde ik doen.”
-
-„Hoeveel tijd wenschtet gij te hebben,” vroeg Frank.
-
-„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij
-dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”
-
-„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe
-terugkomst uit.”
-
-
-
-Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid
-van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor
-alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou
-weldra zijne ouders derven.
-
-Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag,
-die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken
-uit:
-
-„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.
-
-„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen
-kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de
-soutane zou hebben mogen bewegen.”
-
-„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne
-schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”
-
-„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman
-ernstig.
-
-„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.
-
-„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een
-plaatsvervanger te stellen.”
-
-„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.
-
-„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik
-mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”
-
-Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar
-doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters
-op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou.
-Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd
-had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een
-suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van
-Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar,
-dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die
-eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien
-afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke
-kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat
-verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren,
-zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land,
-waaromtrent hare ziel uitspraak deed: dat hij, die vader en moeder
-vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.... met één
-woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar
-tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien
-kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog
-het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.
-
-„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo
-noodig!”
-
-Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden
-werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.
-
-„Wel, wat is uwe beslissing?”
-
-Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl
-hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige
-woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.
-
-„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.
-
-Herman liet haar uit zijn armen los.
-
-„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig.
-„Dan is mijn lot beslist!”
-
-Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen
-Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn
-binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat
-militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de
-verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar
-traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op
-toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.
-
-„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.
-
-„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo
-gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A
-Dieu!”
-
-Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en
-vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene
-uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen
-Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op,
-en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht
-hield, reciteerde hij:
-
-
- „Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!
- Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.
- Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!
- En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!...”
-
-
-„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!....”
-
-De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikken beletten haar eenig
-geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het
-overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap
-weten te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden.
-Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met
-diep berouw herdacht.
-
-Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken
-was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden
-legden hem de handen op het hoofd.
-
-„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.
-
-„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel
-schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.
-
-Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin
-het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts.
-Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat
-was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer
-weer.
-
-
- EINDE VAN HET VOORSPEL.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NAAR DEN EQUATOR
-
-
-I.
-
-NAAR ZEE.
-
-
-„Ziet ge nog niets in de verte?”
-
-„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag. „Ik tuur, tuur al,
-maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg [16] een zeil te
-ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”
-
-„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de
-aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de
-afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren
-reeds hier kunnen zijn.”
-
-„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den
-noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen
-voorzeker moeten laveeren.”
-
-„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten
-het Kanaal mee kunnen komen.”
-
-„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de
-barometer staat hoog. Maar... daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag
-met volle zeilen, daar voorbij den Balg....”
-
-„Laat zien! Geef hier den kijker.... Jawel!... dat zijn ze. Eene kaag
-met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager
-eene tweede. Geen twijfel meer! Stuurman, laat den kok dadelijk
-erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels
-zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”
-
-„Best kapitein!” klonk het antwoord.
-
-Dat gesprek werd op den 17den October 185. gevoerd aan dek van de
-Fernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de
-kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander
-toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken,
-dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die
-hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en
-dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar,
-en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement
-suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de
-trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat
-detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet
-weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op
-zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De
-levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar
-ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder
-in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke
-kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te
-overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar
-bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor
-een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het
-voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.
-
-Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De manschappen hadden
-zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het
-verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig
-gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat
-een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen
-doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden
-moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en
-slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de
-aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen
-mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige
-soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in
-dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.
-
-Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen
-geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken
-oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig
-begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen
-men evenwel het Enkhuizer zand [17] genaderd was, kromp de wind nog
-meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en
-maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof,
-slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was,
-en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere
-scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland
-Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen
-ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan
-brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat
-ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden.
-Een ware kwelling dus, niets meer!
-
-Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te
-bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op
-met volle zeilen tusschen Lutjeswaard [18] en het Balgzand door, de
-haven van Nieuwediep binnen gestevend.
-
-Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half
-onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och,
-zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!
-
-Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den
-spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er
-nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder
-redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was
-voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder
-het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen
-poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat
-af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant,
-wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van
-zijn schakot en ... vertrok.
-
-„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen
-zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert
-de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee
-gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in
-bakken in!”
-
-Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en
-volvoerden de gegeven orders.
-
-„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”
-
-En een oogenblik later:
-
-„Met rotten rechts!”
-
-Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst
-op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken
-ingedeeld.
-
-De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die
-tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In
-dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij
-dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een
-baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een
-oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden
-van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de
-onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige
-manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst
-van bakszeuntje.
-
-Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den
-sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op
-den detachements-kommandant, die een teeken gaf.
-
-„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.
-
-Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en
-ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes
-werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het
-tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende
-kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit
-de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval
-gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei
-daalden.
-
-„Verd...! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te
-doldriftig had willen stillen.
-
-„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.
-
-Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste
-oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat
-scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels
-tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen,
-die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij
-de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een
-gejuich steeg andermaal op.
-
-„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.
-
-„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.
-
-„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd
-opschept!”
-
-„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”
-
-„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt
-Hollandsch!”
-
-„Neen, het is Amerikaansch!”
-
-„Neen, Hollandsch!”
-
-„Neen Amer.....”
-
-„Ahoi!....” klonk het boven. „Halen! die tros!”
-
-Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong
-
-
- „De baggerman, die arme sul!”
-
-
-„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere
-stemmen aan.
-
-„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den
-mond nog half gevuld met erwtensoep.
-
-„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,”
-antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen
-afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan
-er spoedig van door!”
-
-„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik
-had ook zoo’n honger!”
-
-En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in
-den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.
-
-De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van
-kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de
-vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden
-matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of
-aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te
-spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de
-menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:
-
-„Mien zeun! woar is mien zeun?”
-
-„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het
-varkenshok.
-
-Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat
-oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij
-onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.
-
-„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in
-elkanders armen.
-
-Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. De Fernandina Maria Emma
-was aan den Hercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke
-wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en
-een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep
-weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar
-binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel
-met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij
-die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het
-schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.
-
-„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij wanhopig hare armen
-om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.
-
-„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van
-den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen
-keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.
-
-„Dag moeder!” klonk het hier.
-
-„Dag Trui!” klonk het daar.
-
-Plotseling liet het kommando zich hooren:
-
-„Loopplanken en uithouwers op den wal!”
-
-Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten,
-hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich
-langzaam van de kade verwijderde, en, door den Hercules getrokken, zich
-statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw
-zoowel aan boord, als aan wal.
-
-„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.
-
-„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.
-
-Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een
-sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en
-wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den
-hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.
-
-„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zeg moeder goedendag!”
-
-Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en
-daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij
-zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.
-
-„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”
-
-Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar
-politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden,
-om aan de kreten van den detachements-kommandant en den
-scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord
-teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.
-
-Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het
-moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof
-tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou
-den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte
-volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de
-vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden;
-rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van
-matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet
-hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die
-overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een
-schip nimmer ontbreken.
-
-Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen
-voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen
-wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van de
-Fernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans
-voorbij voer, weerklonk het:
-
-
- „Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”
-
-
-den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen
-elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en
-neer te halen.
-
-Eindelijk stevende het fregat, steeds door den Hercules gesleept, de
-haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst
-hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen,
-sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om tusschen Texel en
-Noordholland door, de Noordzee te bereiken.
-
-Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over
-de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die
-daar aan bakboord [19] voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren
-er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien
-dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die
-naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun
-weemoed in een diepen zucht lucht gaven.
-
-„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte
-Herman.
-
-„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer
-zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst
-de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.
-
-„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”
-
-„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”
-
-„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen
-grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop
-latende.
-
-„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”
-
-Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij
-de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem
-ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog
-gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den
-gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland
-sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in
-dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne
-gevoelsoogen zag hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen
-badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op
-den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en
-snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw,
-ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug,
-schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.
-
-„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”
-
-Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder
-op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien
-arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor,
-die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te
-voorschijn tooverden.
-
-„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!”
-fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.
-
-Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord
-geklonken:
-
-„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne
-moeder! Ik wil terug naar Lydia!”
-
-Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld
-ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog.
-Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier
-natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte
-haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek
-haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat,
-alsof zij vroeg:
-
-„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste
-gelukkig maken?”
-
-O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof hij ze zag aan de
-lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog
-donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke
-vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel
-zich niet te vergissen! Maar.... welke schrik beving die twee vrouwen?
-Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.... De deur ging open.
-Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was
-bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog
-krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk.
-Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging.
-Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder
-zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat
-priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën
-aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen
-overdekten.
-
-„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”
-
-„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.
-
-Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.
-
-„Ik?...” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets
-vraagdet.”
-
-„O ja!... Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden
-van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen?
-of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”
-
-„Ik terug?... Ik!...” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch
-hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”
-
-Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig
-droombeeld weg te vegen.
-
-„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle
-herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”
-
-Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. De
-Hercules stoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge
-fregat in zijn kielzog. Aller oogen aan boord waren op den
-vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst
-van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard.
-Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver
-zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den
-noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich
-daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het
-land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs
-onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee
-ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op
-het zandige strand kwam breken.
-
-De Fernandina Maria Emma was nu in het Schulpengat, de voornaamste
-toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die
-om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de
-Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar
-het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het
-achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken.
-Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien,
-die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van den Hercules
-gevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en
-beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het
-zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo
-krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.
-
-Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast. [20] Onder de aanwakkerende
-bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot de
-Fernandina Maria Emma in zuidelijke richting levendig en dartel vooruit
-op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht,
-voor haar uitspreidde.
-
-„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek
-tot den kapitein.
-
-„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.
-
-„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne
-passagiers over.
-
-„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren,
-de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.
-
-„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl die
-welkomstgroet met een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de
-wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden,
-als zij zich thans instelde.
-
-Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en
-de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te
-zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende
-streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en
-veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende,
-de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.
-
-„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door
-dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid,
-die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot
-aan!” [21]
-
-Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op
-last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer
-zijn instrument en blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar
-krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah
-beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een
-groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en
-een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem
-omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H. [22] die de
-kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.
-
-De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht
-weldra den dag zou vervangen.
-
-„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje
-jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”
-
-Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en
-gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst
-overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans
-voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de
-nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol
-bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest,
-uiterst goed te stade zoude komen.
-
-De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een
-lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en
-daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter
-gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak
-zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te
-kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van de
-Fernandina Maria Emma stevige latten met klampen aangebracht waren.
-
-Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen
-verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van
-den noodigen knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste
-aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler
-handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan
-ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die
-landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk
-ging, lag voor de hand.
-
-Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te
-geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de
-gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat
-wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken
-grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen
-in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt
-vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak
-zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg
-optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over
-de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het
-lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat
-onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met
-een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te
-vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel
-gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren
-levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het
-tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen
-sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd
-buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner
-makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner
-hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene tuimeling verdacht
-was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen
-worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die
-gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen
-aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest
-grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks
-te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich
-ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.
-
-„Kom, nog eens probeeren, boontje, [23] dan zal het wel lukken,” klonk
-het hier.
-
-„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen
-aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”
-
-„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”
-
-En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de
-lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid
-zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.
-
-„Kijk zoo!” herhaalde hij.
-
-Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever
-gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking
-gekomen was.
-
-„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort
-verontschuldiging voor zijne onhandigheid.
-
-„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde
-Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.
-
-Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten,
-die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van
-het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was
-zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels
-gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren
-onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het
-uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat
-hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het
-luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van
-teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een
-concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam
-aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche
-bestaan gezocht en gevonden had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-IN DE NOORDZEE.—KENNISMAKING.
-
-
-Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat
-dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde
-gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen
-gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht
-zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten
-uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te
-waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een
-waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal
-bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge
-consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens
-het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere
-waterverspilling, tegen te gaan.
-
-Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie
-stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op
-dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van
-water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met
-honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan
-van een groot schip verbonden, zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra
-naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde
-gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te
-kooi [24]; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze
-laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met
-hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin
-Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed
-deed.
-
-„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog
-zeer kort in het soldatenpak gestoken.
-
-„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl
-hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet
-verhuizen.
-
-„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.
-
-„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos.
-„Wat zie je daar bij de kim.”
-
-„Bij de kim....?”
-
-„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat
-zie je daar?”
-
-Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren.
-Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie
-kustlichten zichtbaar.
-
-„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.
-
-„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat
-daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar
-bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het
-galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog
-een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder. [25] Begrijp je nu?”
-
-„Neen, nog niet goed.”
-
-„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des
-nachts den weg te wijzen.”
-
-„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”
-
-De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.
-
-„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden
-slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle
-zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je
-ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar
-rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster
-te loopen.”
-
-Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren
-kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.
-
-Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten
-mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te
-zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en
-bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan
-boord, een kapitein van het Nederlandsch-Indische leger, die van verlof
-naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas
-van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het
-detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een
-militairen apotheker.
-
-De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet
-te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij
-een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was
-gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd
-hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen
-vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke
-zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die
-onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten vergeten werden.
-Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde
-gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de
-geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield,
-en de straf dienovereenkomstig bepaalde.
-
-Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde
-officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school
-gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren,
-waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er
-ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston
-geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan
-het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne
-bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het
-worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene
-jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven.
-Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst
-was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid
-en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich
-smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en
-was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet
-ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.
-
-„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei
-kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne
-medeofficieren bespot werd.
-
-„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te
-Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich
-daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”
-
-Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.
-
-„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.
-
-De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van
-nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne
-donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met
-veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn
-schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van
-oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een
-handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met
-eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant
-gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven,
-alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had
-daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij
-de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant
-geweest waren.
-
-De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met
-gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel
-ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als
-vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene
-tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn
-sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook
-iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te
-verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij
-het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen
-wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te
-hooren bevelen:
-
-„Die Zunge!”
-
-En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijne
-teenen omhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat
-lichaamsdeel, hetwelk hem soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn
-bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij
-weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te
-laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong
-mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens
-afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum”
-ondergaan, om tot officier van gezondheid bij het Nederlandsch-Indische
-leger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich
-anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid
-te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der
-koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de
-uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van
-gezondheid.
-
-De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch,
-met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid
-had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top
-tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten
-hem plagen wilden, dan klonk het:
-
-„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug [26] om te herboriseeren?”
-
-Of wel:
-
-„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou
-je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena
-[27] groeit?”
-
-Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet
-vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes
-snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje
-meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.
-
-„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant
-Leidermooi.
-
-„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het
-tusschendek is vol gestuwd.”
-
-„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”
-[28]
-
-„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam,
-„waarop de adressen luidden:
-
-„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””
-
-„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.
-
-„Alleen Groenewald!”
-
-„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een
-heer of een dame is?”
-
-„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het
-snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan
-te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”
-
-„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat
-saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch.
-„Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter
-liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so
-etwas.....”
-
-„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden
-van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en
-victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou
-opstijgen, te onderscheiden.”
-
-„Aber, kapitein....”
-
-„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld
-gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in
-ontwikkeling toegenomen.”
-
-„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss,
-ich habe mij nicht vergist.”
-
-En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap
-verschenen.
-
-„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.....”
-
-De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er
-leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel
-was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts
-de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.
-
-Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden
-over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina
-Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo
-alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een
-troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer
-slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar
-beneden.
-
-„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.
-
-Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de
-apotheker gelijk zou hebben.
-
-„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1en stuurman, die thans
-het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”
-
-„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder
-de passagiers.”
-
-„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne
-luitenants.
-
-„Een mama met hare twee dochters.”
-
-„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.
-
-„Puik!”
-
-„Jong?”
-
-„Achttien en twintig jaren, reken ik.”
-
-„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe
-heeten zij?”
-
-„Groenew...”
-
-Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze
-officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met
-den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van
-den fokkemast. [29] Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te
-samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden.
-Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en
-voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder,
-bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het
-schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand
-[30] door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van
-het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende
-baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen
-in te nemen.
-
-„Grietje [31] geien!” klonk het schorre kommando van den 1en stuurman.
-
-De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit
-alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord
-ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel
-uitmaakte.
-
-„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”
-
-Toen die zeilen geborgen waren:
-
-„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1e stuurman.
-
-De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog
-niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van
-Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den
-scheeps-kapitein iets toe.
-
-„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.
-
-De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje
-trekken. Weldra hingen de genoemde zeilen slap en waren gedeeltelijk
-gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil
-en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.
-
-Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos
-gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood
-gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het
-aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet
-beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor
-het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene
-slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het
-water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden,
-totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde
-hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht
-geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door
-lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.
-
-„Twaalf en een halve vaâm!” [32] klonk zijne stem luid over de
-watervlakte.
-
-Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het
-bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd
-moest toeschijnen.
-
-De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en
-het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het
-voorschip gegaan.
-
-„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.
-
-„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar
-reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de
-hoogte was.
-
-„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat
-verwonderd.
-
-„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken
-wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was
-twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan......”
-
-„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den
-looder.
-
-De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het
-stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag
-west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.
-
-„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.
-
-„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg
-Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”
-
-„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne
-zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit
-uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken
-schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles
-is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand
-is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit
-een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar
-waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard
-is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den
-onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan
-blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt
-dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v.
-twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de
-grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”
-
-Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht wijdden, daar
-bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer
-wel een oogenblik mag bezighouden.
-
-De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den
-echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen
-rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet
-minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door
-goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het
-verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral
-met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne
-gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch
-toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had
-eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij
-steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den
-omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken,
-die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij
-was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat
-uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van
-zijn schip.
-
-„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te
-zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar
-verkocht worden, akelig en zeeziek!”
-
-De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke
-jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en
-waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou
-komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.
-
-„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein Butteling, „dan
-zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”
-
-Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord
-waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen
-op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten
-aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega
-van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had,
-lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met
-allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen
-aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen
-gevallen was en zich erg bezeerd had.
-
-De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke
-zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden
-hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne
-leermeesters alle eer aan. De 1e stuurman Abels had zoo’n voorliefde
-voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen
-begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om
-een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.
-
-„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water
-te vullen,” verklaarde hij.
-
-Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven
-werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren
-en.... ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te
-laden.
-
-Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman
-Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.
-
-Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan
-het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte
-schets omtrent dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij
-was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op
-den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn
-achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige
-overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest
-genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig
-gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament
-overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates
-als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar,
-scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met
-vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De
-recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen
-groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak
-verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen
-likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij
-een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der
-geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er
-waarachtig niet op na.
-
-„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een
-geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”
-
-Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een
-stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt,
-achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut,
-o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken
-lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt,
-den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.
-
-Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten!
-
-Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.
-
-Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.
-
-Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.
-
-Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het
-middel was onfeilbaar!
-
-„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie
-van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die
-te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare
-lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze
-gezagvoerder!”
-
-Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op,
-maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel,
-hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de
-lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat
-eene ziekte aan boord uitbrak.
-
-Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in
-het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden
-weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De
-uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te
-voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden
-noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande
-zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel
-scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de
-golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg
-uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende
-wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het
-schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het
-zoogenaamde kielzog, hetwelk door zijn wit schuim zich, tot zoover het
-oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.
-
-Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de
-passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar
-kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods
-aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten
-der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere
-wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.
-
-Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de
-sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in
-zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de
-aangenaamste. Hoewel het onderofficieren-verblijf in het tusschendek
-door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden,
-had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de
-inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in
-de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te
-samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten
-konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit
-hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het
-dek gezocht.
-
-„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet
-uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en
-het warmer zal worden?”
-
-„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof
-zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan
-boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den
-vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen,
-de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver verwijderd ben
-en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug
-zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als
-nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten
-slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had
-er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren
-van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij
-van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier
-moet vervolgen!”
-
-„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt
-over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne
-moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de
-gelegenheid om te vergeten.”
-
-„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen
-van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd
-geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal
-herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde
-in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal
-wedergeven.”
-
-„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van
-vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik,
-dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”
-
-„Hoedat zoo?”
-
-„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen
-de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen
-vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen
-opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat
-zij met hare ouders aan boord waren.”
-
-Herman zuchtte, maar antwoordde niet.
-
-„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den
-geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel
-overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”
-
-„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste
-afscheid, dat ik van haar nam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je
-hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar
-den hemel wees met het woord à Dieu op de lippen, alsof zij mij wreed
-en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk,
-voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van
-genegenheid voor mij ondervonden!”
-
-„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die
-overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”
-
-De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een
-oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en
-weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich
-nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche
-Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den
-Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos
-naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee
-oprees. Het was evenwel donker. Niets was er te onderscheiden, dan de
-schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.
-
-„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren
-zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”
-
-Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de
-andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van
-eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.
-Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen,
-maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken.
-Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten
-nog eenige uren rust te vinden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-VERDERE KENNISMAKING.—IN HET KANAAL.
-
-
-Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek
-kwamen, scheen de zon vroolijk en hield de Fernandina Maria Emma voor
-Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen,
-die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die
-vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun
-grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen
-enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag,
-dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde
-binnenstevenen.
-
-Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en
-bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de
-krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op
-te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook,
-die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met
-hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en
-daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met
-hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning
-opleverden. Opzij, voor en achter van de Fernandina Maria Emma wemelde
-het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen
-had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de
-Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker
-lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een
-gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel
-ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de
-driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan
-eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden.
-Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten
-dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en
-schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door
-elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners,
-kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in
-den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk
-van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld
-het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden
-opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden
-en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den
-scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de
-oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en
-gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der
-volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen
-zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan,
-wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als
-eene slang zoude gekronkeld hebben.
-
-„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide
-onderofficieren, die nog steeds over de verschansing gebogen, het
-panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.
-
-„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.
-
-„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak
-Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker
-banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander
-snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen
-en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen,
-die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die
-kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten
-band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen
-aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl
-de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder
-onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een
-panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier
-waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze
-zeeëngte te samen geperst wordt.”
-
-De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg
-nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar
-ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar
-daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De
-twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat
-twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing
-gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.
-
-„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het
-woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste
-bijzonderheden van het fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den
-voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd.
-Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht,
-ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en...?”
-
-De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne
-hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze,
-hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van
-beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van
-officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en
-haar ongedwongen schudde en antwoordde:
-
-„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen
-kennis met u te maken!”
-
-En op Frank wijzende, vervolgde hij:
-
-„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”
-
-De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker
-aan de beide onderofficieren voortelde:
-
-„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,”
-zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide
-jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.
-
-„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie
-zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige
-toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare
-zuiverheid van detailleering trof.”
-
-Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.
-
-„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?”
-vroeg hij aan stuurman Bagman.
-
-„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben Dungeness dwars
-van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar
-bakboord vooruit is Beachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn,
-dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”
-
-Een schel gefluit klonk over het dek.
-
-„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van
-kapitein Butteling zich hooren.
-
-Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden
-evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:
-
-„De loodskotter!” riep hij.
-
-En weg was hij.
-
-Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein
-vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde,
-hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.
-
-„Wenden!” klonk het commando.
-
-Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die
-langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd
-rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer
-vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den
-loodskotter te gemoet.
-
-„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als
-zoo’n schip is, omgaan.”
-
-Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag
-gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige
-kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie
-tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.
-
-„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie
-zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te
-praten?”
-
-„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.
-
-„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.
-
-„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend.
-„Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de
-passagiersklasse, waarin iemand reist.”
-
-En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit
-kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.
-
-„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar
-middenscheeps bij de verschansing staan?”
-
-„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels
-met een glimlach.
-
-„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.
-
-„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of
-dekpassagiers aan boord.”
-
-„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”
-
-„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer
-eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het
-detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg [33] copieus gedineerd
-en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te
-hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen
-toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar
-bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen
-gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des
-rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen
-zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”
-
-De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het
-achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen
-toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene
-kennismaking aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd
-zoude blijven.
-
-Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter
-beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter.
-Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.
-
-„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak
-kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.
-
-Beiden glimlachten ongedwongen.
-
-„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden
-gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik
-u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan....”
-
-„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein
-Van Dam met een spottenden glimlach.
-
-„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te
-beantwoorden, het
-
-
- Iö vivat! nostrorum sanitas!
-
-
-klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat het
-
-
- Dum nihil est in poculo! [34]
-
-
-eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen....”
-
-Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.
-
-„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.
-
-„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux
-esprits se rencontrent! Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi
-gegaan....”
-
-„Gebracht!” verbeterde Behren.
-
-„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort. „En in den slaap
-hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”
-
-„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had
-nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen
-werpen.”
-
-„Sjtt!... sjtt!... daar komen de dames,” zei Behren.
-
-„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om
-strijd.
-
-„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”
-
-„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.
-
-„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.
-
-„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even
-ernstig gezicht. „Maar stil.... daar komen ze. Wij zullen zien of de
-koksmaat gelijk had. Kijk, kijk, ik geloof het niet.”
-
-Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten
-hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander
-stond.
-
-„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht,
-dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.
-
-En zich tot kapitein Van Dam wendende:
-
-„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik
-heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee
-dochters.”
-
-Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de
-jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij
-bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge,
-Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.
-
-Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald
-toegetreden, en ving een gesprek aan, zooals alle gesprekken in
-dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden,
-namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.
-
-Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel
-begreep.
-
-Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames
-toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te
-praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een
-morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche
-schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen.
-Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje
-en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen
-strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in
-een dikke kondeh [35] opgebonden had, begon hier en daar te grijzen,
-terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd
-haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige
-uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden
-iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar
-naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer
-beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk
-gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te
-maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch
-sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig
-Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.
-
-Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare
-kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die
-haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met
-zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren, die ook voor
-meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om
-hen naar hare hand te zetten.
-
-Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half
-Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch
-uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de
-teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de
-vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren
-Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig
-geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de
-Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor
-herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de
-terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen
-over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te
-stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met
-de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den
-reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam
-was het fregatschip Fernandina Maria Emma als een solied en snelzeilend
-vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende
-koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en
-van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het
-diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn
-dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest
-schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip
-laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en
-gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij
-tegen de reis met de Fernandina Maria Emma eenigermate opgezien, omdat,
-zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord
-waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters
-achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de
-officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op
-zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die
-dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar
-gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en
-welbezeildheid als de Fernandina Maria Emma aanbood, zoodat hij tot de
-reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust
-zijner dochters gegrond genoemd kon worden?
-
-De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring
-jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene
-bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke
-ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het
-duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere
-beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.
-
-Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes
-telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten
-volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene
-volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat
-schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn
-van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de
-strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op
-de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht
-en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door
-hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking.
-Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan
-marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer leven en bezieling
-geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine
-krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig
-over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare
-gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een
-Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het
-oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne
-geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste
-tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en
-haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst
-lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone
-aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker
-appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden
-voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar
-overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid
-en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld,
-vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en
-veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk
-vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.
-
-Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare
-gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene
-brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos,
-maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen
-eigenaardig blond cendré noemen. Als de wind in die lieve krullen
-speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was
-het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets
-etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer
-zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden iets ijls en iets
-vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en
-waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.
-
-Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo
-levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat
-uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk
-prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde
-perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel
-andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred
-even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te
-bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs,
-iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster
-hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder,
-die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.
-
-Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer
-kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en
-mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste
-kennismaking met de overige passagiers der Fernandina Maria Emma
-zorgvuldig geganteerd waren.
-
-Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers
-behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke
-verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank
-Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte
-van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond
-evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de
-zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de
-liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.
-
-„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”
-
-Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de
-oppervlakte der zee.
-
-„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning
-aan boord reeds onderscheiden.”
-
-In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van
-Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.
-
-„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep
-laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.
-
-Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als
-mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers
-en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de
-klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar
-passen vooruitgetreden was.
-
-„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen
-met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.
-
-„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet
-zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal
-de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de
-brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de
-passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand
-stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk
-behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te
-Shoreham, waar de loods landen zal.”
-
-„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten
-onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen
-ten uitvoer te brengen.
-
-Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement
-verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij
-instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die
-naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij
-met de familie Groenewald alleen aan het dek.
-
-„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post
-wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de
-jonge meisjes.
-
-„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.
-
-„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid,
-het oog op den rijzigen onder-officier slaande.
-
-„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en
-zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen
-gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”
-
-„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien
-tot hare zuster.
-
-„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger
-blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.
-
-„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.
-
-„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”
-
-„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja
-waarlijk veel.”
-
-„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met
-een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal
-daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen
-hebben.”
-
-„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar....”
-
-„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”
-
-„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”
-
-En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de
-passagiers om de tafel zaten en in hunne schrijverijen verdiept waren.
-Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en
-bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij
-snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal
-of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier
-en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te
-verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.
-
-Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement
-gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met
-den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op het
-achterdek gehad.
-
-De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of
-stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het
-schouwspel, hetwelk thans het dek van de Fernandina Maria Emma aanbood,
-was hoogst eigenaardig.
-
-Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik
-op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te
-hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te
-schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en
-waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er
-zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij
-misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker
-diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken,
-het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten
-overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige,
-die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende uitvinder
-van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de
-eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte
-zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen
-zijner uitvinding!
-
-Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den
-bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te
-schrijven.
-
-Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de
-loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op
-bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast
-[36], zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer
-maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat
-door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap
-aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche
-couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De
-loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om
-in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te
-verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen,
-zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den
-scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.
-
-„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.
-
-Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de
-kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de
-heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds
-in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.
-
-„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt
-ongeduldig.”
-
-„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins
-hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”
-
-„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan
-uwe belofte van straks, sergeant.”
-
-Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen.
-Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.
-
-„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.
-
-„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk
-met het pakket klaar.”
-
-Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.
-
-„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in
-de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”
-
-Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden.
-Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar
-vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna
-noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat
-geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken
-zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het
-glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke
-pruim uit den mond, en sprak:
-
-„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”
-
-De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde
-zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:
-
-„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”
-
-„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een
-lijvig pakket ter hand stelde.
-
-In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke buiging aan Herman
-overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een
-vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief
-overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje
-toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.
-
-Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde
-Frank:
-
-„Wat een dotje! Wat een dotje!”
-
-Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen
-daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal
-daarnaar vroeg.
-
-Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen
-jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een
-hand.
-
-„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.
-
-Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den
-loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en
-verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden
-voor den wind gebrast en de Fernandina Maria Emma hervatte haren koers
-als een flink fregat, dat zij was.
-
-Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als
-de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods
-na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en
-langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe
-zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met
-eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de
-laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg
-was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den
-geboortegrond verbond, verbroken was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-IN DEN ATLANTISCHEN OCEAAN.
-
-
-Lang lagen de opvarenden van de Fernandina Maria Emma, nog over de
-verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het
-bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en
-hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods
-nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.
-
-Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter
-bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de
-Engelsche kust.
-
-„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein
-Butteling.
-
-Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de
-loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van de
-Fernandina Maria Emma achterna. Helaas! die boot was nog maar als een
-stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat
-stipje was verdwenen.
-
-„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de
-naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven,
-en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te
-zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat
-gevoelde.
-
-Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met
-gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en
-verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij
-den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl
-verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een
-glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand
-uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden
-behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.
-
-Terwijl de Fernandina Maria Emma den loodskotter te gemoet geloopen
-was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin
-zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend.
-Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het
-fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou
-zijn.
-
-Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van
-Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen
-er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men
-vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds
-werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een
-der booten stevende zoo dicht langs de Fernandina Maria Emma, dat de
-opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden
-begroeten.
-
-„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi
-tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond
-hunne demie tasse op een der boulevards te Parijs slurpen, en
-waarschijnlijk in het théatre Français een der klassieke
-kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich
-zoo gunstig onderscheidt.”
-
-De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij
-vroeg evenwel:
-
-„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer
-Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij
-door velen veroordeeld wordt.”
-
-„De wufte, de onz.... de minder passende,” hernam de jongman na een
-korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht.
-Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij
-toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”
-
-„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk
-Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.
-
-„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn
-Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen
-auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als
-Shakespeare.”
-
-„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid
-stond, in. „O, dat kunt gij niet meenen!”
-
-„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er
-tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan de Phèdre, aan de Iphigenie,
-aan de Andromaque en aan de Athalie van Racine; aan de Cinna, aan de
-Heraclius, en aan de Horaces van Corneille; aan de Zaïre en aan de
-Sémiramis, van Voltaire; aan de Henri VIII van Chénier; en, om tot den
-tegenwoordigen tijd over te gaan, aan de Hernani van Victor Hugo?”
-
-Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te
-hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen
-haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar
-verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met
-een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:
-
-„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk
-geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar,
-wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en
-bevallige versificatie betreft.”
-
-De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds
-ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het
-eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het
-fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden
-op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen
-de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om het fokkezeil
-gelegenheid te geven vollen dienst te doen.
-
-„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schip voor den wind liep.
-
-De log werd uitgeworpen.
-
-„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien
-had, „ze gaan visschen!”
-
-„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.
-
-Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar
-Nederland gemaakt had, wist wel beter.
-
-„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar
-wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”
-
-„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee
-zusters: „Komt mede, dames.”
-
-Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos
-geholpen, bezig met loggen was.
-
-„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.
-
-„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere
-geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien
-matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan
-het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd,
-bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de
-loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de
-hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand,
-die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het onderste
-recipiënt is overgegaan, dan roept die jongen....”
-
-„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.
-
-De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het
-naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:
-
-„Acht knoopen!”
-
-„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik
-in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.
-
-„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in
-die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 ×
-15,425 M. heeft afgelegd.”
-
-„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden
-glimlach.
-
-„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het
-schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante
-snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 ×
-14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”
-
-„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw
-Groenewald, gij zijt voor zeem.... voor zeevrouw in de wieg gelegd!”
-verbeterde hij.
-
-„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos,
-die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog
-zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”
-
-De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij
-gierden het althans uit.
-
-„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine
-Wacht?”
-
-„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.
-
-„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.
-
-„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.
-
-„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje
-voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder
-hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt de
-voormiddagwacht genoemd. Van 12–4 heet de achtermiddagwacht. Daarop
-volgt de platvoet, de eerste wacht, de hondenwacht en eindelijk de
-dagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”
-
-„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,”
-antwoordde de stuurman lachende.
-
-„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot
-gezelschap had, dan....” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn
-binnen en opgerold had.
-
-„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.
-
-Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het
-jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.
-
-„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had,
-dat zijn schip slechts acht mijlen liep.
-
-„Voorlij-zeilspieren uit!... Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.
-
-„Gaat ge er een melkmeisje [37] van maken?” vroeg kapitein Van Dam aan
-den gezagvoerder.
-
-„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet
-wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien
-hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik
-het Kanaal uit was.”
-
-De Fernandina Maria Emma stevende thans langs de zuidkust van Wight. De
-krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk
-zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige
-heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd.
-Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later
-Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief.
-Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien
-toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.
-
-Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen
-men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en
-zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte;
-men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het
-vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den
-heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger.
-Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de
-Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen
-verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het
-westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers
-met de Fernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat
-wil zeggen, dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet.
-De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen
-aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en
-onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den
-handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek der
-Fernandina Maria Emma geen enkele kiel meer te ontwaren was. De
-zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip
-verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in
-de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan
-bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.
-
-„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting
-dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke
-klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”
-
-Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het
-westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep
-de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den
-invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel
-merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde
-geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den
-vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die
-het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te
-veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die
-bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar
-beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden
-en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich
-veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens
-een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen, had zich een sneedje
-brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast
-verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke
-schouwspel te verliezen.
-
-Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden
-en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren.
-De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne
-rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee
-dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats
-aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren
-Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen
-aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast
-Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren,
-naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de
-scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te
-snijden.
-
-„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede
-de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.
-
-Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied,
-hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te
-veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant
-Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.
-
-Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde
-zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed
-geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans
-zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert
-een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in
-hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op
-zijne passagiers, door kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door
-luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das
-Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het
-midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk,
-welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter
-Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en
-behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het
-gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken.
-Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige
-genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de
-hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona
-brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo
-lekker was het.
-
-Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje
-liet zich voelen, de Fernandina Maria Emma lag in katzjammer, zooals de
-zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te
-wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid
-tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele
-ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek,
-dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien.
-Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien,
-dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.
-
-„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde
-stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche
-provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het
-Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij
-dat eilandje te boven zijn.”
-
-Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het dek. Toen hij van
-tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing,
-waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende
-liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de
-beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast
-innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. De Fernandina
-Maria Emma lag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en
-haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de
-jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout
-behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer
-oploeven te verhelpen.
-
-In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die
-komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend
-oog in den donkeren nacht.
-
-Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte
-bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat,
-dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode
-licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord,
-dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die
-thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.
-
-„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn
-buiten! Laat het nu maar waaien!”
-
-Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De
-zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden
-nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen
-aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden
-zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit
-alle macht te blazen. Het was een gehuil in het staand en loopend want
-van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te
-worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige
-bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de
-kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de
-gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren
-vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer
-zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:
-
-„Hoort den wind eens huilen!”
-
-Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die
-wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer
-gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De
-golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den
-scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter,
-hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds
-kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht
-afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op
-klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het
-schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was
-nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars
-inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was
-het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel
-geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren
-alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en
-kapitein Van Dam.
-
-Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der
-jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel
-beweging de kwaal te bestrijden. Enkelen lagen op de kajuitskap en bij
-de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:
-
-„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet
-meegedaan!”
-
-Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.
-
-„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein
-Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed.
-Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren,
-of het schip zal water overkrijgen.”
-
-Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen.
-Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en
-met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn
-kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste,
-daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat
-boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over
-de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die
-daar aan dek waren, in het aangezicht woei.
-
-„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing
-gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek
-gekregen had.
-
-Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water
-achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen,
-naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.
-
-De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind
-geholpen.
-
-„Ik ben.... (hik).... door en door.... nat,” kreet Behrtje met
-naargeestige stem.
-
-Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.
-
-„Het is... (hik)... alsof ik... (hik)... in ’t... water.”
-
-„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.
-
-De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag
-ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen
-opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar
-beneden te begeven.
-
-„Dat ’s nummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.
-
-Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en
-glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven
-onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra
-gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna
-Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die
-groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog
-het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.
-
-„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den
-jongen luitenant.
-
-Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te
-sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat
-hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te
-openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in
-het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand
-voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer
-en strompelde toen naar beneden.
-
-Van harte lachten hem de beide meisjes uit.
-
-„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar
-kapitein Van Dam zelf lachende.
-
-„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te
-zien.”
-
-Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis
-stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen
-schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere
-lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen
-om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij
-slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig
-medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te
-gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting,
-die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de
-lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er
-oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij
-zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om
-handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij
-is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging
-van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is,
-vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther,
-in een ijleren dampkring vervoerd wordt.
-
-Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het
-licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen,
-en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht
-door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd
-daarin door kapitein Van Dam gevolgd.
-
-
-
-Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was
-nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het
-vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate te
-verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het
-bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen
-aandrang nog ruim elf mijlen.
-
-De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek
-bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts
-weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard
-gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman
-Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf
-geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te
-midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en
-ongedeerd blijven gevoelen.
-
-Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het
-lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en
-daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten
-de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke
-wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch
-al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren
-doortrokken, dat het niet uit te houden was.
-
-„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne
-hangmat hing te wiegelen.
-
-Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog
-zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje
-van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In
-een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman
-gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje [38]
-gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot
-gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord stond, en
-waarboven de koebrug zich uitstrekte.
-
-Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag
-afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het
-touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van
-het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden?
-Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen.
-Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt.
-Ja, vooral Slavante!
-
-„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek
-aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”
-
-„Lichtenberg,” antwoordde Herman.
-
-„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”
-
-„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen,
-dat ik Lydia voor het eerst zag.”
-
-„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste
-vriendin van je moeder?”
-
-„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor
-dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor
-mij.”
-
-„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.
-
-Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak
-hij de armen uit.
-
-Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke
-herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne
-herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke
-overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had
-zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.
-
-„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren,
-den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou
-wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad,
-die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd
-heeft.”
-
-Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na
-de herinneringen kwamen de droombeelden, les chateaux en Espagne,
-zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet
-overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O!
-de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen,
-dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden
-hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië
-wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene
-veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der
-overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den
-hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat
-Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij
-het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich
-voorzeker heldhaftig gedragen!.... misschien wel de Militaire
-Willems-Orde verwerven!
-
-„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel
-op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia
-verschijn.....”
-
-„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan....
-maar.... dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze
-omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen....”
-
-„Schei uit! in Gods naam,” kreet Herman.
-
-„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf van twaalf jaren in
-Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk
-in.....”
-
-„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.
-
-Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en
-het nachtelijke duister verdreef.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-EENE STORTZEE.
-
-
-Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek.
-Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig
-geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met
-veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam
-zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om
-hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.
-
-„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.
-
-Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne
-hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen,
-om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.
-
-„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij
-zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te
-kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en
-aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden
-verdreven worden.”
-
-Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de vloer daar beneden met
-kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende
-atmospheer eenigermate zuiverde.
-
-De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind
-aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het
-luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel
-ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte
-wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel
-wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze
-rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die
-heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller
-voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog
-over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim,
-hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter
-bijzette.
-
-De Fernandina Maria Emma bevond zich nog op de Gronden, waardoor de
-zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk
-zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van
-Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op
-de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van
-honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op
-de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij
-hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij
-groote schepen, zoo als de Fernandina Maria Emma was, eene zeer
-moeielijke beweging.
-
-Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate
-de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen
-boden hierbij een droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte
-heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een
-beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door
-eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf
-aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij
-tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af
-tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de
-straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de
-tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen,
-teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de
-hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels
-deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der
-baren verblindend wit deed schitteren.
-
-Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van
-den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de
-beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek
-verschijnen zagen.
-
-„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.
-
-Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:
-
-„Grijpen en vasthouden!”
-
-Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde
-eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de
-verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide
-onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de
-bij hen staande pardoens [39] gegrepen. Zij konden evenwel niet
-beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen
-werden, en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en
-over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop
-aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek
-had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht
-van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder,
-maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen
-toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den
-kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel
-poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en
-vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen,
-terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het
-woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar
-houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen
-door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de
-monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat
-oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar
-voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en
-Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij
-hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende
-pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote
-boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist
-ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen.
-Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met
-de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed
-over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de
-andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op
-Adelien toegesprongen, en redde die uit meer wezenlijk gevaar. Toen het
-schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan
-bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en
-lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank
-haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel
-had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van
-dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht,
-waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren
-redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te
-halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor
-zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.
-
-Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te
-vertellen.
-
-Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen
-was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen
-haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels
-toegeschoten waren, in de kajuit.
-
-Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve
-meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze
-kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van
-stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich
-toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en
-betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering
-gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk
-had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving
-en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef
-voor de jongelieden door die redding ten top steeg.
-
-De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt.
-Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne
-stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei
-wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het
-overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook
-opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen,
-en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa
-verzwolgen.
-
-Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit
-geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het
-tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op
-gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord
-en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden
-gegrepen en overeind geholpen werden.
-
-Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in
-den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol
-van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen
-konden uitpompen.
-
-Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat
-een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar
-meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te
-krijgen niet meer zoo groot was.
-
-De koers was nu zuid-zuidwest.
-
-Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt,
-waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich
-toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.
-
-Het onaangename weder, dat de Fernandina Maria Emma bij het uitkomen
-van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het
-volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte.
-Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de
-zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo
-omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de
-Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De
-deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer
-zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip
-gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het
-naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in
-kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden
-Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden;
-kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de
-marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het
-schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge
-deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van
-de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve
-kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog
-maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog
-iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op
-het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te
-krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de
-hangmatten de zeeziekte uitvieren.
-
-Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond
-zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.
-
-Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het want. Van een
-bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar
-snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond
-het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in
-het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′
-noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.
-
-Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.
-
-In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat
-kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet
-bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo,
-dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel
-nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind
-weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger
-kregen.
-
-Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep
-het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het
-westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.
-
-Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen
-licht bakboord over.
-
-Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden
-zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De
-hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar
-vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat
-het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De
-knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld,
-hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met
-God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.
-
-Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje te halen, en
-ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een
-Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een
-Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde
-er geen een.
-
-Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek
-vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat
-zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het
-schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige
-spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte
-te lijden had gehad, dan hij zelf.
-
-„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge
-zaagt bepaald bleek om je neus, man!”
-
-„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van
-Dam met een glimlach.
-
-„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.
-
-„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar
-omstandigheden al vroeg in de weer.”
-
-„Naar omstandigheden?... Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”
-
-„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi
-te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”
-
-„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.
-
-De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik
-verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant
-morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De
-heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar
-ontkomen waren.
-
-„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme
-meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”
-
-„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets
-heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar
-gedeeld hebben.”
-
-„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.
-
-„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,”
-vulde Adelien aan.
-
-„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd
-hebben,” vroeg Denniston.
-
-„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.
-
-„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het
-achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen,
-„was het een storm?”
-
-„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen,
-het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”
-
-„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met
-belangstelling.
-
-Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de
-hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede
-de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den
-nek kreeg.
-
-„Het is... (hik) alsof ik... (hik)... in ’t water... (hik)... gelegen
-heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.
-
-„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen...” zei Emma.
-
-„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een
-teederen blik op Adelien werpende.
-
-„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”
-
-„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans
-toi!”
-
-„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.....”
-
-Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters
-wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een
-oogenblik met kapitein Van Dam sprak.
-
-„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.
-
-De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing
-in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de
-grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden,
-scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij
-vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire
-houding de bevelen van hunnen kommandant af.
-
-„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de
-kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en
-Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”
-
-De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien
-kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij
-gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van
-hunnen chef.
-
-„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer
-Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank
-brengen voor de redding mijner kinderen.”
-
-Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte
-de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen
-ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en
-onverholen hunnen dank uitspraken.
-
-Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het
-hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij
-gebloosd had of verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid
-kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk
-zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle
-kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm
-en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.
-
-„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide
-jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve
-meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.
-
-„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit. „Ik werd door de woeste golven
-over het dek voortgerold!”
-
-„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei
-Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept.
-Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven
-verschuldigd!”
-
-„Maar, wat is er toch gebeurd?” vroeg luitenant Leidermooi.
-
-De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde
-met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en
-op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de
-hand drukkende, zeide hij:
-
-„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u
-groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van
-kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral
-het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de
-kajuitstafel met ons te willen deelen.”
-
-De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op
-de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve
-geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide
-onderofficieren, zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat
-Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:
-
-„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te
-bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de
-gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan
-dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer
-Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte
-gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen
-kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”
-
-De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.
-
-„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien
-gered te hebben!”
-
-Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat
-hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten
-opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan
-ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen
-geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de
-heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in
-een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende
-wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen
-luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener
-hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat
-een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg
-het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen.
-Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam,
-die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd worden, en
-een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag
-omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer,
-en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne
-aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie
-wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden
-luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.
-
-„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag
-is, zijt gij mijne gasten! Sapada!...” Ouder gewoonte wilde hij roepen:
-Sapada! bawa minoeman! [40] Bij het eerste woord bedacht hij zich
-evenwel en riep glimlachende:
-
-„Hofmeester, breng madera!”
-
-„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling
-lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”
-
-„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht
-bocht zal aanreiken.”
-
-„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”
-antwoordde kapitein Butteling.
-
-„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw
-Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien,
-nietwaar kapitein?”
-
-„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was,
-mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden,
-dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek
-morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”
-
-En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd,
-bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′
-westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal
-afgelegd.
-
-Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera te zamen, en was
-het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer
-één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.
-
-„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.
-
-„Ja, mijnheer,” was het antwoord.
-
-„En lekker?”
-
-„Overheerlijk!”
-
-De beide onderofficieren spitsten de ooren.
-
-„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde. „Wat
-wonderlijke naam!”
-
-Het meisje glimlachte.
-
-„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van
-dat kostje is nog prozaïscher.”
-
-„Wat is het dan toch?”
-
-„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels.
-Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met
-uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst
-overtogen waren.”
-
-De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas
-goeden wijn, uitmuntend gevonden.
-
-Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend,
-terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden.
-Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de
-gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid
-te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo
-aangenaam mogelijk te maken.
-
-Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich
-kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende
-pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen
-daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden waren van meening,
-dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer
-mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd
-hen bij het heengaan nog meegegeven.
-
-Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de
-gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te
-herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd
-besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee
-onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en
-waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten
-stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele
-gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch
-zich eene toespeling op haar veroorloofde.
-
-Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds
-ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle
-kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het
-afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen
-nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze
-mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker,
-van dag en nacht.
-
-Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat
-fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.
-
-„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg
-Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij
-ook kent, le printemps d’un proscrit te binnen. Hoe vaak heb ik dat
-gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in de gelegenheid zou
-komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen
-toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig
-overeenkomt met het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is
-mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen
-overluid in mijn brein vernemen.”
-
-En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne
-ontboezeming niet te laten vernemen:
-
-
- . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
- „O qui pourra jamais voir sans être attendri
- L’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,
- Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,
- Ces combats indécis de la nuit et du jour,
- Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,
- Ce brillant occident où le soleil étale
- Sa chevelure d’or et sa robe d’opale,
- Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,
- Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”
-
-
-Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de
-heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten
-ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer
-van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:
-
-„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek
-doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”
-
-„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.
-
-„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij
-aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne
-koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”
-
-„En die is?....”
-
-„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien
-wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze
-Emma lang niet onverschillig is?”
-
-Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:
-
-„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”
-
-„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde
-hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik
-geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderen te
-laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog
-eene toekomst moeten scheppen....”
-
-„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend
-vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te
-laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de
-andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong
-Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten,
-dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk
-door de wereld te komen. Maar....”
-
-„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.
-
-„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou
-ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag,
-opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk
-onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren
-om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan
-te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee
-onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft
-ons zekerheid omtrent hun verleden?”
-
-„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te
-nemen?”
-
-„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald.
-„Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten
-wij nog nadere kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter
-oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij
-zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere
-kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons
-niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te
-ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid
-tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de
-redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig
-geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de
-jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over
-onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”
-
-„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald,
-die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-DOBBERENDE BIJ DE CANARISCHE EILANDEN [41].
-
-
-De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na
-zonsopgang op den 27sten October riep de matroos, dien hij in den
-fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:
-
-„Land vooruit!”
-
-„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot
-eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.
-
-„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.
-
-De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets.
-Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen
-leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek,
-aan het bezaanwant vast.
-
-„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die
-bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van
-Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig,
-anders was hij thans reeds te zien.”
-
-Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde
-bijgevolg betrekkelijk snel. Het eiland Palma met zijn regelmatigen
-kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt,
-wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde
-langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene
-donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog
-niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van
-Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren,
-eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude
-bevinden.
-
-
-
-Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen
-was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels
-oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de
-omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op,
-zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het
-officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een
-wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met
-de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie
-[42] houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en
-inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de
-tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling
-van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend
-detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van
-opmerkingsgave bedeeld te zijn.
-
-Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij
-Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te
-onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de
-onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken
-ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te
-betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder
-verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.
-
-Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant
-Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere
-bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel
-verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort
-ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat
-ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen
-was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten,
-gesteund door de nabijheid van den detachements-kommandant in de eerste
-dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige
-luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar
-onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke
-en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire
-verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging
-der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.
-
-Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde
-onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de
-grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken
-geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en
-welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in
-afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.
-
-Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder
-de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten
-Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen
-apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus ook le langage des
-fleurs behandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de
-vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje
-geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam,
-de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen.
-Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij
-een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae,
-liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.... te houden. Hij had ondeugend er
-nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames
-waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht
-geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische
-voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien
-tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een
-surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn.
-Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte
-had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den
-patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste
-toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de
-kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had
-daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der
-ziekte bij velen zeer bevorderd.
-
-Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des
-voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed
-worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige
-spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende
-hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.
-
-Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam
-dat noemde, ingesteld, en werd een ieder dus dien eigen morgen van
-negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven
-het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der
-zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op
-deze breedte balsamiek deden gevoelen.
-
-Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de
-hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der
-werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals
-hij verkoos.
-
-Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij
-den horizon, nagenoeg dwars van de Fernandina Maria Emma gekomen, die
-met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle
-hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren,
-hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien
-machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien
-opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel
-opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid
-der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in
-den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer
-gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den
-kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op
-den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.
-
-„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de
-passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had
-laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den
-fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners
-dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste
-top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872
-voet hoog. De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”
-
-„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.
-
-„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, de Senhora Dolorès,
-gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden
-gemaakt.”
-
-„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de
-jonge meisjes.
-
-„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar....” en naar de zon
-wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij
-wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het
-bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het
-gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen
-wat ik weet.”
-
-Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te
-manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den
-chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had.
-Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′
-noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal
-41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg
-in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen
-af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond
-volkomen windstilte heerschte. De Fernandina Maria Emma dobberde toen
-voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal
-mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in
-dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste,
-evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die
-hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water
-belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende. In
-het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne
-statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp
-begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in
-den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam
-lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die
-daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In
-die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze
-niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter
-zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog
-langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig
-aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en
-neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot
-monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder,
-en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland
-vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim
-doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds
-eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder
-werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.
-
-„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie
-panorama te bewonderen stond.
-
-„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van
-Diepbrugge een halfdekje sloeg [43] en in het voorbijgaan Herman’s
-ontboezeming opgevangen hadden, en nu bij de beide sergeanten staan
-bleven. „Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”
-
-„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in
-brand staat en in vlammen opgaat.”
-
-„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin zich de sombere
-omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge
-op.
-
-„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen
-naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het
-hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te
-vermengen.”
-
-„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar
-prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij
-daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne
-lengteribben duidelijk onderscheiden.”
-
-In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.
-
-„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?”
-vroeg Behren hem.
-
-„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op
-het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom
-jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”
-
-Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de
-gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de
-uitnoodiging aannamen.
-
-Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de
-andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden
-rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders
-gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang?
-Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten
-was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank
-Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven.
-Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat
-kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard
-hadden.
-
-„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden
-te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg
-gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe,
-langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik
-ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren;
-van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:
-
-„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een
-der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou
-zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het
-is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog
-te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het
-eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de
-bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de
-verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene
-nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder
-baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen....”
-
-„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.
-
-„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den
-noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de
-zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico de
-Teyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn
-top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der
-zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder
-op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”
-
-„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”
-
-„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de
-gezagvoerder.
-
-„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden”
-meende Denniston.
-
-„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in
-1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier
-op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en
-waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds
-bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke
-tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad,
-hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het
-onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk
-in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet
-een paar maanden later is.”
-
-„Waarom?” was de algemeene vraag.
-
-„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April
-toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar
-(suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de
-zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt
-maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij
-hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”
-
-„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.
-
-„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet
-als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde.
-Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt
-ben.”
-
-„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.
-
-„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het niet gebracht. Die
-zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de
-„narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus
-ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij
-nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker
-onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs
-tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische
-plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de
-cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten,
-alsmede uitgestrekte velden van suikerriet [44] haren eigenaardigen
-stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den
-gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en
-kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden
-van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië,
-aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen
-eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons
-vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele
-laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de
-fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der
-naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner
-van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet
-de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de
-inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten
-tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag
-bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den
-verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli
-en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”
-
-„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den
-drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de
-bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”
-
-„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar
-ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die
-lichtjes fonkelen.”
-
-„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.
-
-„Het gas!...” antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen,
-zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs
-geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren
-ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne
-binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet
-mij....?”
-
-Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.
-
-„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den
-windwijzer op den top van den grooten mast wees.
-
-„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,”
-antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen
-geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen
-bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die
-bries toch geen koers zetten.”
-
-De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de
-geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met
-aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner
-bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam
-hij:
-
-„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming
-aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”
-
-„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom
-van Orotava gezien hebt?”
-
-„Welzeker.”
-
-„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”
-
-„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te
-kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een
-wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende.
-Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim
-76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel
-heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven
-den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich
-in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden
-bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte
-van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van
-dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm
-vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds
-heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom
-staat, voelt men zich klein en nietig [45].
-
-„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet
-vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen
-op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”
-
-„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den
-apotheker.
-
-„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als
-het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch
-verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben
-kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet malsch
-zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland
-gelegen geweest ware.”
-
-„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.
-
-„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche
-tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en
-volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld
-verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te
-brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva
-zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote
-natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van
-6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden.
-Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt
-sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen,
-het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als
-tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”
-
-„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?”
-vroeg Adelien.
-
-„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde
-Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij
-reuzen of mammouthsboomen heette; maar door de geleerden Wellingtonia
-gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke
-exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M.
-bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten
-dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”
-
-„Verbazend!” zeiden de jonge dames.
-
-„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen
-zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij hebben toch geen geboorteregister of
-stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek
-zien?”
-
-Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om.
-Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.
-
-„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.
-
-De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen
-had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd
-had.
-
-Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend
-uit.
-
-„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de
-gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den
-landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over
-denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”
-
-„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.
-
-„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,”
-antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman.
-Voert het schip zijne lichten?”
-
-„Ja, kapitein.”
-
-En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan
-stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die
-lichten helder brandden.
-
-Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks
-middernacht, eer dat zij in het vaarwater van de Fernandina Maria Emma
-waren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen
-tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer
-dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat
-gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een
-afdropen om zich te kooi te begeven.
-
-Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich
-aan de blikken van de opvarenden van de Fernandina Maria Emma voordeed.
-De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren
-gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen
-houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het
-dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den
-vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à
-600 M. straal rondom de Fernandina Maria Emma dobberden. Het was een
-prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte
-te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang
-weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die
-vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan
-de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om
-elkander te bespieden.
-
-„Daar is een Engelschman, en.... daar nog een!” riep kapitein
-Butteling.
-
-„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.
-
-„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een
-Hollander!”
-
-„Waar? waar? ....” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.
-
-„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over
-stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”
-
-Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep
-stuurman Abels plotseling uit:
-
-„Maar, dat is de stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild
-is!”
-
-„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.
-
-„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang stuurman aan
-boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als de
-Fernandina Maria Emma.”
-
-Men scheen aan boord van de stad Leiden ons fregat ook herkend te
-hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de
-beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de
-landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij
-elkander—de stad Leiden was geen 300 M van de Fernandina Maria Emma
-verwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi,
-die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een
-kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de
-windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche
-bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur
-later aan boord van het fregat terug met de tijding dat de stad Leiden
-bij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm
-beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en
-men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point [46] vrijgeloopen
-was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de
-Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig
-en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in
-het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer
-zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal
-te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht
-dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot
-de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.
-
-„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen
-stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook
-mededeelde.
-
-Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein
-Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek,
-of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te
-vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel
-verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het
-zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers
-te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der
-verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot
-verdubbelde waakzaamheid.
-
-Eindelijk woei den 28en October eene westelijke bries, die hoewel niet
-sterk, toch zoo veel door stond, dat de Fernandina Maria Emma de
-zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen.
-Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling;
-want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed,
-terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op
-zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de
-wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd
-gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone
-gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen
-fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap
-Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden
-zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige
-deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven,
-braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte
-zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer
-neerploften.
-
-Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het
-schip kaap Becerro, de zuidpunt van het eiland Gomera, te boven was
-gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.
-
-„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels,
-nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en
-daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.
-
-En zich tot zijne passagiers wendende:
-
-„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas
-Teneriffe [47] zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat
-wil ik wel bekennen.”
-
-Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat
-volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein
-Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het
-gehoor te zijn.
-
-„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden
-toon.
-
-De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.
-
-Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald
-beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren
-gegaan waren.
-
-Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den
-scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen....
-
-„Maar, waar is de stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?”
-viel hem de heer Groenewald in de rede.
-
-„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden
-Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als
-die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is
-hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu in katzjammer te
-dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend
-waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-TUSSCHEN DE KEERKRINGEN.
-
-
-„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman
-was op de brik Senhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds
-verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche
-zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”
-
-„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van
-Diepbrugge.
-
-„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische
-eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede
-haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling
-beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het
-noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is,
-en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust
-stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.
-
-„Bij een dier reizen der Senhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die
-zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en
-zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd.
-Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de
-Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met de meeste moeite
-Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen.
-Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle
-zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben,
-trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij
-vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een
-noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat
-wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden
-aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den
-kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij
-dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een
-volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij
-vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een
-bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien
-vorm niet aangenomen had. De Senhora Dolorès overdekte zich dan ook met
-zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de
-zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed.
-Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam
-evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde,
-integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen
-we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten.
-Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een
-ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet
-dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater.
-Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht
-en zou de Senhora Dolorès in veilig water aangekomen zijn. De kapitein
-wreef zich in de handen en beantwoordde mijn verzoek om een der ankers
-gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging
-alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te
-brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te
-hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel
-meende ik, dat de Senhora Dolorès den bakboord-wal meer naderde. Ik
-deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.
-
-„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins
-verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon
-zijn.”
-
-„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen
-kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele
-klippen.”
-
-„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op
-die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks
-bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al
-meer en meer.
-
-„Toch zag de kapitein van de Senhora Dolorès het gevaar nog niet in.
-Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd,
-dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van
-Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het
-vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.
-
-„„Wij stooten!” riep ik uit.
-
-„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid.
-„Klaar bij het anker!”
-
-„Het lood viel. De lijn liep uit.
-
-„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.
-
-„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te
-zijn. De kapitein kwam naar mij toe.
-
-„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn
-wij tegen een boomstam gedreven.”
-
-„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den
-tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal
-de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet
-zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en
-sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden
-behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.
-
-„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.
-
-„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den
-plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het
-baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik
-door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel
-daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei
-weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en
-daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het
-voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid
-aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar
-ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte
-der Senhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te
-schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend
-geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende
-beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen
-bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in
-die oogenblikken.
-
-„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles
-gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit
-het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het een
-dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook
-weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare
-kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een
-onmetelijken kolk verslonden.
-
-„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat
-er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop de
-Senhora Dolorès gestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot
-gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.
-
-„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.... ik
-weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een
-onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee
-gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met
-verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier
-botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het
-mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet
-los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop
-vast.
-
-„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk
-hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn
-gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de
-kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel
-kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij
-tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den
-wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die
-beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer
-geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te zijn;
-maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven!
-Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een
-sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij
-diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op
-den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon
-houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd,
-totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold
-kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende
-oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke
-vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen
-en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de
-scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden.
-Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn
-hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water
-mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het
-had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.
-
-„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep
-mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen.
-Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij
-wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke
-hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij
-donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn
-terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik
-de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee
-terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.
-
-„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een
-volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en
-had het strand verlaten. Ik was gered.
-
-„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd.
-Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de
-hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar
-dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, een heretico, was, ontdeed
-men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de
-noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij
-langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en
-Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen
-overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, de Virgen purissima,
-dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan
-boord van de Santa Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar
-ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar
-Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en
-heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel
-begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik de Fernandina
-Maria Emma in veilig water zag en met een zucht van verlichting
-uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”
-
-„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien
-Groenewald.
-
-„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel
-of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind
-van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran
-Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die
-dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts ik door den Corregidor [48]
-opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het
-arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer
-ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig
-geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat
-hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”
-
-„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.
-
-„Hoeveel koppen waren aan boord van de Senhora Dolorès?” vroeg kapitein
-Van Dam.
-
-„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde
-meisje,” antwoordde kapitein Butteling.
-
-„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is
-schrikkelijk!”
-
-Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel
-verzwakt en liep de Fernandina Maria Emma uiterst langzaam. Toen de
-middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′
-noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.
-
-De wind viel al meer en meer. Op den 29sten October bevond men zich op
-26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts
-ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.
-
-Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek
-kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel
-vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich
-begonnen te vullen.
-
-„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij
-wel vaart gaan maken!”
-
-De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al
-de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden.
-Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig het
-water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.
-
-Daags daarna, dus den 31sten October, sneed de Fernandina Maria Emma
-zoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.
-
-„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den
-reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij
-tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen!
-daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan
-bereiken wij al gauw den Equator.”
-
-De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op
-de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat.
-Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den
-verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt.
-Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was
-evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer
-hij met tegenspoed te kampen had.
-
-De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de
-waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter
-elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug
-genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet
-sterk doorstaat, niet te versmaden was.
-
-Den 6den November evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en
-weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat de
-Fernandina Maria Emma zich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′
-westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer,
-totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te
-dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd
-werd.
-
-Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke
-wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later
-geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen.
-De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle
-voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel
-al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het
-geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het
-onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen
-daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral
-werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en
-verwelkomd.
-
-„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den
-scheepsgezagvoerder.
-
-„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat
-treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven,
-zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”
-
-„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.
-
-„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes
-westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer
-zwak, bijna onmerkbaar.”
-
-„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de
-windstilte aanhield!”
-
-„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige
-reis lag de Fernandina Maria Emma ruim drie weken, nagenoeg op dezelfde
-plek. Maar.... wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger
-treffen, kijk maar.”
-
-Hij wees naar het zuidoosten.
-
-Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij hare nadering
-veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd
-lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets
-later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en
-eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het
-water rustte.
-
-„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die
-scherp in zuidelijke richting uitkeek.
-
-Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:
-
-„Bovenbramzeilen en grietje geien!”
-
-Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk.
-Toen de eerste ploeg klaar was:
-
-„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.
-
-„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.
-
-„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein
-Butteling. „Kijk maar!”
-
-In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek,
-maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die
-evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den
-fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.
-
-„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „De Fernandina
-Maria Emma is gereed haar te ontvangen.”
-
-De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste
-windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien
-aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.
-
-„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.
-
-Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk
-zweepte de wind woedend de golven omhoog, floot door het want, dreigde
-alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de
-donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste
-bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit,
-terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne
-inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die
-viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die
-vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die
-dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water
-vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.
-
-Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek
-van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met
-den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd
-niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van
-kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen
-en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde
-zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een
-stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het
-regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een
-groot aantal handen bedrijvig om het dek van de Fernandina Maria Emma
-in eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken
-zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk
-weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen,
-die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz.
-afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg
-blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch;
-en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk wel
-een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen
-hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit
-den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.
-
-Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte.
-De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en
-weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten
-liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het
-touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, die weldra bijgezet
-waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.
-
-„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien
-passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe
-meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”
-
-Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8
-November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan,
-dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was,
-en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat
-laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening
-gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal
-windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich
-nog niet krachtig had laten gelden.
-
-Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman
-Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de
-jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt
-en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer
-Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant
-en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die
-autoriteiten wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te
-vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag
-niet gehouden werd.
-
-Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit
-van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders
-de toegezegde mededeelingen.
-
-„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant
-Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op
-de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in
-het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene
-heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben,
-ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug
-vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet
-het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het
-tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat
-daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus
-daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de
-bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne
-nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der
-sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een
-waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven
-geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.
-
-„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een
-opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en
-daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens
-van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van
-Iquique gehoord.”
-
-Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.
-
-„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de
-Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”
-
-„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den
-dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”
-
-„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder
-bezorgdheid.
-
-„Ik denk dat wij den 11en of 12en den evenaar zullen snijden,”
-antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”
-
-„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal
-geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en
-verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten
-sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht
-zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers
-achteruit werpen en die....”
-
-Hier aarzelde Herman een oogenblik.
-
-„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort
-toch.”
-
-„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen
-bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is
-er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te
-werpen....”
-
-„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.
-
-„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden
-zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd
-wordt, dat bij weigering de stuurlieden Abels en Bagman daartoe te
-noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”
-
-„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van
-Dam.
-
-„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene
-beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek,
-waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat
-koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op
-het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar
-een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”
-
-„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van
-Dam.
-
-„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het
-meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers
-schuilen.”
-
-„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw
-te zetten,” meende kapitein Butteling.
-
-„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers.
-Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”
-
-„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.
-
-„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar
-zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen
-aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een
-Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”
-
-„En die naam is?”
-
-„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”
-
-Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel
-in alles, wat in de gegeven omstandigheden maar te bedenken was. Hij
-had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en
-sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne
-scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek,
-waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper
-gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen
-van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit
-bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat
-driemaal daags verstrekt werd, op te zamelen. Ieder militair was
-verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen
-sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren
-bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals
-in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat
-evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf
-vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene
-kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig,
-die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan
-had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke
-gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn
-naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever
-uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene
-onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden
-mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het
-buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts
-voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een
-andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne
-beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.
-
-Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem achter den fokkemast
-sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel
-verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door
-een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk
-telkenmale met een dubbeltje betaalde. Die bijzonderheid wist men toen
-niet; maar vernam die eerst later.
-
-Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord
-hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met
-geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van
-den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding
-eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een
-zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot,
-de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven;
-terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak
-was, de belhamels te ontmaskeren.
-
-„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks
-na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te
-willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”
-
-„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.
-
-„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen
-uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”
-
-Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren
-vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma
-Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het
-maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder
-voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk
-zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel
-geen argwaan en toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner
-verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat
-Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet
-aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.
-
-Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar
-antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij
-haar lachend in het voorbijgaan in het oor:
-
-„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed
-worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide
-onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”
-
-Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden.
-Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet
-nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze
-opving.
-
-„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer
-niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage
-van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus
-voor zijne dochters kunnen doen.”
-
-Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn
-onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg:
-of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van
-voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de
-officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch
-trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.
-
-„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.... Nu, des te beter;
-dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan
-stilstaande, vroeg hij dien:
-
-„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”
-
-„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij
-eerbiedig het militair salut maakte.
-
-„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen
-verdienen, nietwaar?”
-
-De oogen van den jood schitterden van hebzucht.
-
-„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.
-
-„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.
-
-De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van
-kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den
-detachements-kommandant niet ontsnapte.
-
-Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel
-stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende,
-bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:
-
-„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren
-den 20en Juli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader
-is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”
-
-„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.
-
-„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”
-
-Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is
-officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst.
-Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar
-Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft....
-Hier staat nog eene potloodaanteekening;... laat zien... Is een
-eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”
-
-„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.
-
-Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er
-werd aan de deur geklopt.
-
-„Binnen!” riep hij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE MUITERIJ.
-
-
-Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.
-
-„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.
-
-„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het
-patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”
-
-De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop
-zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven
-op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die
-beweging ontstelde de jood zichtbaar.
-
-„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik
-geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”
-
-„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die
-veel onrust verried.
-
-„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”
-
-„Ikke?... Nhiks, khapthein!”
-
-„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van
-een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan
-krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om
-schreeuwt; dan stop ik je daarenboven in het kabelgat [49] in de
-boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad.
-Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”
-
-„Ikke?... khapt....”
-
-„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt
-deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te
-vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar
-Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”
-
-„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.
-
-„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl
-hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor
-den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te
-staan?”
-
-„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de
-knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”
-
-En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen,
-maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat
-waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd,
-afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder;
-terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste
-gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.
-
-„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein
-Van Dam.
-
-„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen,
-khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn.
-Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan
-moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke
-khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe ghing, moest ik
-ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen.
-Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”
-
-„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in
-den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te
-komen.”
-
-„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door
-het vier lhoopen!”
-
-„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier
-uitziet; maar.... geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar
-word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het
-kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterk
-henneppen dasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen
-voorgelezen, nietwaar? Hij, die....”
-
-„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”
-
-„Dat is dus begrepen... Ja nog wat. Van de geringste verandering in de
-gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in
-’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu,
-opgepast en uitgerukt, marsch!”
-
-„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke
-segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”
-
-„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je
-schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan
-de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die
-voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu
-uitgerukt, marsch!”
-
-„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat
-worden?”
-
-De reis ging verder voorspoedig. Op den 10den November bevond zich de
-Fernandina Maria Emma bij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en
-op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen
-afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De
-zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te
-gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude
-worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling
-evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de
-soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van
-boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel
-eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd
-had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de
-uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen,
-tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne
-plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne
-voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die
-Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te
-voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den
-kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen
-terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee
-glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels
-rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het
-meerendeel in diepe rust zoude zijn.
-
-„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.
-
-„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten
-hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”
-
-De dag van den 11en brak onder die omstandigheden aan. Reeds bij
-zonsopgang, werden al de vlaggen aan alle toppen geheschen en wapperden
-vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog
-aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, de Fernandina Maria Emma lag
-bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar
-dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn,
-dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het
-grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren
-zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede
-Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich
-van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn
-roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil
-benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over
-het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die
-daar geschiedden, in het oog te houden.
-
-Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten
-met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel
-van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne
-rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met
-hun gedonder feestelijk vervulden.
-
-Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit
-wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein
-Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het
-zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de
-passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook
-de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even
-hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne
-manschappen, die hem met luide kreten omringden en de hand, die hij hen
-toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.
-
-Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling
-niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik
-nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed
-afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag
-overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.
-
-„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan
-Emma en Adelien Groenewald.
-
-„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt
-een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal
-passeeren.”
-
-„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen
-de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de
-scheepsofficieren van de....”
-
-„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.
-
-„Van de Johanna Christina.”
-
-„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen
-glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”
-
-„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?”
-vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker
-overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter
-lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank
-Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.
-
-„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem
-voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest
-buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen
-elkander raakten.
-
-Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar
-gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij
-zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman
-terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.
-
-„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.
-
-„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”
-
-Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen
-Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren
-hals voelde.
-
-„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.
-
-„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu
-nader trad.
-
-„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de
-stuurman.
-
-„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.
-
-„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”
-
-Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam
-hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.
-
-„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het
-oog bracht.
-
-„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”
-
-Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.
-
-„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden
-was.
-
-„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.
-
-„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.
-
-In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston had hem
-den kijker afgenomen en keek ook er door.
-
-„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.
-
-„Hoerah voor de linie!”
-
-„Hoe ziet zij er uit?”
-
-„Heeft zij een pantalon collant aan?”
-
-„Of een crinolien?”
-
-„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische
-gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.
-
-Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie
-te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.
-
-Eindelijk kwam de kijker bij kapitein Van Dam.
-
-„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een
-nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft
-die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”
-
-Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. Kapitein Van
-Dam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor
-het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens
-gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht
-bracht.
-
-„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de
-apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene
-zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”
-
-Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn
-snakerij ten deel viel.
-
-Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van
-Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende,
-boog hij zich tot hem.
-
-„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder
-ander.
-
-De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.
-
-„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de
-zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd,
-dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te
-vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”
-
-Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:
-
-„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”
-
-„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier
-Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te
-overhandigen.”
-
-Het briefje was niet dichtgemaakt.
-
-„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.
-
-„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed
-om heen te gaan.
-
-„Blijf nog een oogenblik, sergeant.... Ziehier, wat de fuselier
-Zondervan mij schrijft:
-
-„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een
-klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap
-naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het
-logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken
-of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de
-aanvallers langs den trap te hulp komen.”
-
-„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s
-allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”
-
-„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de
-bedoelde twee zijn Duitschers, die de hoop koesteren, eenmaal den
-officiersrang te verwerven.”
-
-„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden,
-in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de
-toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers
-gemakkelijk te doen, niet waar?”
-
-„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen
-vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om,
-dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der
-manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet
-eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”
-
-„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de
-verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende.
-Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe
-collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er
-niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de
-onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van
-mij ontvangen.”
-
-Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de
-middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat
-zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het
-schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.
-
-De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het
-detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken
-met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk
-bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn;
-maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam
-meer uitgereikt.
-
-Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik, leege
-teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den
-spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te
-laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver
-konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker
-van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der
-vlammen in de spelende golven.
-
-Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren
-[50] afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een
-fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd
-nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke
-kanonschoten besloten werd.
-
-Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze,
-onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister
-kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide
-hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip
-bestreken.
-
-Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd
-het langzamerhand stil op het dek.
-
-„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar
-er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof
-een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die
-gewaarwording steunen kan.”
-
-„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman.
-„Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens
-ook al laat.”
-
-Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen
-wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen
-hare mama haar riep.
-
-„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de
-hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”
-
-„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij,
-terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood
-durfde drukken.
-
-Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi
-waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de
-omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte
-om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston,
-Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok,
-naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen
-om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te
-springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen
-zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van
-Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de
-scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.
-
-„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd
-ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de
-onderofficieren er mee te bewapenen.”
-
-Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd
-het weer doodstil op het dek.
-
-„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De
-schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk
-voor.”
-
-„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser
-afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er
-niets gaat gebeuren.”
-
-„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid vind ik
-onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.... Zouden wij niet een
-whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”
-
-„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te
-voorschijn haalde.
-
-Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de
-diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder
-rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de
-spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug
-voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden
-werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil,
-alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van
-den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad
-naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.
-
-Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het
-geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.
-
-„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig.
-„Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”
-
-Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was,
-viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.
-
-„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is
-honderd, vijf honneurs is.....”
-
-De klok sloeg twee glazen.
-
-De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het
-dek vernomen werden.
-
-„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.
-
-„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.
-
-Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige kerel, had den
-man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze
-beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den
-schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.
-
-„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”
-
-Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de
-ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan
-de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht
-begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong
-uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de
-rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de
-linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.
-
-Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de
-volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen
-en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet
-in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig
-nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te
-bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak
-met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk;
-beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.
-
-Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot
-beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat
-hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan
-den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had,
-dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die
-omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met een
-soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl
-zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.
-
-Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers
-zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun
-logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De
-verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en
-kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het
-wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:
-
-„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”
-
-De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den
-kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van
-kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.
-
-Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een
-twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of
-beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op
-tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman
-buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men
-vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers
-kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.
-
-Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het
-onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de
-verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te
-vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op
-zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal
-onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval
-onschadelijk te maken, eene geduchte versterking had gekregen. De
-aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot,
-dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel
-grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die
-hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht
-der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk
-helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht
-met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de
-meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die
-bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.
-
-„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het
-Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te
-laden.”
-
-„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,”
-riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil....”
-
-Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist
-voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo
-geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee
-anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden.
-Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het
-boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos
-terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in
-bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel
-dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had
-gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte,
-daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers
-den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar
-dadelijk handgemeen met de overige passagiers; maar kapitein Van Dam,
-den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn
-gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.
-
-„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.
-
-Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het
-geknetter bij het spannen der hanen.
-
-„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het
-tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”
-
-Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van
-verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich
-tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep
-stoof eene schrede voorwaarts.
-
-„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”
-
-Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog
-vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van
-doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend.
-Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar
-daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.
-
-„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”
-
-„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”
-
-Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman
-Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend
-met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de
-Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich
-aangesloten. Ook de manschappen van de wacht waren de matrozen op het
-dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee
-troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van
-geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken
-te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende
-scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij
-handgemeen raakte.
-
-„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van
-Dam.
-
-„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.
-
-„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.
-
-Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der
-belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te
-bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag
-gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.
-
-„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later,
-als die muiterij ter sprake kwam.
-
-Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers
-uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook
-zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de
-schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te
-verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen
-gegrepen en onschadelijk gemaakt.
-
-Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne
-maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het
-onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het
-tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de
-passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door
-kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd om bij eene vernieuwde
-uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere
-helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der
-vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke
-kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele
-levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de
-verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door
-den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds
-bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot.
-Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te
-leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn
-terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf
-goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand
-van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke
-kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen
-was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was
-zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij
-werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was
-een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en
-waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd
-eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de
-laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te
-zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels
-allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren,
-begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende
-bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-EENE LIJKPLECHTIGHEID AAN BOORD.
-
-
-De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak,
-geleek het dek van de Fernandina Maria Emma wel op het kamp eener
-rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip
-stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer
-niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in
-zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont
-in de hand.
-
-Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een
-voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te
-bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar
-naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek
-zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen
-werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden
-stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de
-redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige
-daarvan en eischte de opgave der schuldigen.
-
-Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in hun doodsangst al
-menige bekentenis gedaan en menige bijzonderheid aan het licht
-gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om
-aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal
-manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk
-zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast
-zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een
-korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met
-de manschappen van het detachement te beletten.
-
-De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking
-op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven
-blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om
-kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.
-
-„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u
-zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw
-verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia
-er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag
-verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende
-omstandigheid in aanmerking komen.”
-
-„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl
-hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”
-
-De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op
-het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel
-gegeven.
-
-„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het
-ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was
-gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.
-
-„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.... Zondervan!.... Hemel! hij
-beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”
-
-Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven
-liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem
-onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest,
-en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige
-verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat
-iemand het wist.
-
-Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van
-eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag
-gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de
-overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd
-tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag
-aan de gaffel halfstok gehaald.
-
-De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants
-Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl
-Behren daarbij als secretaris diende.
-
-Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een
-gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim
-bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar
-het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van
-het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat
-donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem
-openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om
-handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens
-verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten
-hadden kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand
-aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het
-Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van
-handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om
-tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat
-dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn,
-en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed
-gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld
-hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam,
-afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was,
-hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven;
-zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met
-wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht
-had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest,
-het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om
-schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek
-bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne
-vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest
-eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te
-bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te
-maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein
-opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat
-gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde,
-uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan
-de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed
-te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal
-ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche
-regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en
-dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der
-vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk
-meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet
-ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte,
-zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en
-met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te
-kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan
-boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne
-hand bezoedeld zoude hebben.
-
-Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van
-Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord
-aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald
-was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten
-voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden
-overgeleverd zijn.
-
-Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest
-opschrijven.
-
-Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de
-gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?
-
-Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de
-ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders
-gezocht.
-
-Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude
-zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar
-allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen
-zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden;
-zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden
-bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en
-tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme
-aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten
-hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren
-angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.
-
-Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte
-in.
-
-Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad,
-ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de
-kerk een weinig kwam opruimen.
-
-„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge
-dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als
-schoothondjes.”
-
-Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en
-denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer
-bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:
-
-„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te
-gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden
-om ook zoo te doen.”
-
-Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De
-gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest,
-om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek,
-ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of
-eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die
-op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht
-door de patrijspoortjes [51] gloorde, week de onrust eenigermate en
-vielen zij in slaap.
-
-Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de
-nachtelijke gebeurtenissen zoo veel mogelijk verwijderd. Het was nabij
-het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met
-het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden,
-de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu.
-Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde
-halfstok.
-
-„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor
-het oog afnam.
-
-Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.
-
-Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier
-Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug
-afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.
-
-„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter
-Van Pinksteren.
-
-„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.
-
-„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”
-
-„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander
-is bij het gevecht omgekomen.”
-
-Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen
-de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de
-trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was,
-zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip
-gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet
-nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die
-op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den
-overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik
-naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een
-slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.
-
-Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij
-gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde
-een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna
-klonk de stem van den eersten stuurman:
-
-„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”
-
-De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de
-verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank
-rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste
-manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens
-te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept,
-hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts
-eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep,
-al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.
-
-Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen
-het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder
-eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den
-scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond.
-Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel,
-alsof er niets gebeurd was.
-
-„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.
-
-De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene
-extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te
-nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug
-te nemen.
-
-Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:
-
-„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′
-westerlengte in 2200 vademen water!”
-
-Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan uitgesproken
-werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.
-
-De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten,
-die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had
-kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen
-jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen
-jenever verschacherde.
-
-„Er worden toch korte metten aan boord met een mensch gemaakt. Tegen
-het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de
-haaien,” merkte de heer Groenewald op.
-
-„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein
-Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang
-te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn.
-Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de
-verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne
-opvarenden!”
-
-„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende
-de oudste der dames Groenewald.
-
-„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden,
-juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna
-onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij
-niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat
-wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede
-gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze
-flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij
-mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”
-
-De Fernandina Maria Emma repte zich intusschen voort. De
-zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen
-gemiddeld 52 mijlen in het etmaal; hetgeen bij de scherp gebraste
-zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na
-den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het
-schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp
-met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een
-kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was.
-Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en
-waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg
-aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den
-reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den
-horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen,
-die hun geboortegrond verlieten.
-
-Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de
-donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij
-was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden
-waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander
-sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende
-punten te verdeelen. Phosphoresceerde [52] de zee daarbij, wat in deze
-warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk
-zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was
-die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de
-daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was
-daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd,
-afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich
-over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid
-met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het
-donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing
-boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van
-gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich
-uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en
-kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de
-golfjes, die dartelend tegen de scheepswanden opspatten, waren aan
-schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.
-
-Op den 15en November—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm
-geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd
-had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die
-zich in het hemelteeken de Schorpioen, evenwel dicht bij den Schutter
-bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de
-zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit
-te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de
-zonnetent opgerold en middels den spinnekop [53] omhoog gehaald was,
-kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en
-frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee
-allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing
-gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en
-quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij
-eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in
-gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren,
-om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten.
-Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den
-koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de
-harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid
-bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder
-haar moederlijk oog mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens
-overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen
-weemoed vermengd:
-
-
- „Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”
-
-
-zong toch Van der Hoop.
-
-„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het
-schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart
-van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.
-
-„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei
-Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare
-schuine vlakken weerspiegelt.”
-
-„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven
-opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water
-niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of
-katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult
-en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar
-metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”
-
-„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.... O!
-wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle
-bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke
-nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”
-
-De jongman scheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling
-hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel
-oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.
-
-„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar
-Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare
-opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.
-
-En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood
-was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende
-visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op
-elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich
-zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des
-waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon
-schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water,
-alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij
-iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een
-lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin
-zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen
-bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan
-gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te
-willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren.
-Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en
-eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers
-zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade
-te slaan.
-
-„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar
-lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna
-onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van
-verrukking ondervond.
-
-Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats
-nemende, over de verschansing.
-
-„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”
-
-Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds
-naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne
-aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere
-oorzaak bewogen, zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem
-opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke
-levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd,
-stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en
-dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en
-de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms
-schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was
-het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan
-den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de
-overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel
-langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het
-kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.
-
-Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school
-visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen.
-De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een
-schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een
-oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge
-beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen
-jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het
-begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering
-niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak
-beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de
-verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank
-met iets angstigs in zijne stem fluisterde:
-
-„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht
-verloort, ware redding onmogelijk!”
-
-Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien
-zacht, boog zich naar Frank en antwoordde zoo zacht, dat niemand der
-naastbijzijnde personen iets kon hooren:
-
-„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”
-
-In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild,
-onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander
-onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de
-lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest
-waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest,
-dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat
-overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee,
-daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de
-hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was
-bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht
-hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden
-zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het
-meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed
-zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald
-vroeg:
-
-„Wat zouden dat voor visschen zijn?”
-
-„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken
-van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s
-hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.
-
-Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames,
-hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had.
-Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en
-onmerkbaren glimlach beantwoord.
-
-„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald geantwoord.
-„Maar.... daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen
-inlichten.”
-
-„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.
-
-„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald
-hare vraag.
-
-Abels keek over boord.
-
-„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”
-
-En naar den kajuitstrap stormende:
-
-„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”
-
-In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op
-het dek.
-
-„Mooi!”
-
-„Prachtig!”
-
-„Heerlijk!”
-
-„Overschoon!”
-
-Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de
-nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden.
-Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid
-om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.
-
-„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat
-zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.
-
-„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat
-prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die
-visschen noemt men makreelen. [54] Zoo als gij ziet, worden zij tot
-ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij
-vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl
-de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen;
-maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan
-in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena
-ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier
-visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig,
-zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel
-worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden...”
-
-„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.
-
-De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door
-elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk
-door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.
-
-„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”
-
-En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun
-lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het
-van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de
-makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide
-haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en
-neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het
-kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.
-
-„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien [55]” verklaarde kapitein
-Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden
-rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een
-wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in
-iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig
-zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste
-beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of
-neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu
-het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten
-voor dat de verminderende warmtegraad van het water hen daartoe
-noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem
-is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door
-die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”
-
-„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.
-
-„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk;
-daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord
-laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou
-zulks te doen zijn.”
-
-„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom,
-laat ons ons partijtje vervolgen.”
-
-„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?”
-vroeg Van Diepbrugge nog.
-
-„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche
-zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het
-voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn [56], waarvan eene
-soort door den zeeman boniet [57] genaamd te zijn. Nimmer toch werd
-zoo’n haai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in
-zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de
-stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen
-bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de
-waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen
-zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien
-krijgen.”
-
-„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.
-
-„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet
-worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de
-vliegende visschen in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen
-en ook de bonieten in de nabijheid.”
-
-„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van
-Diepbrugge.
-
-„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang
-waargenomen. Dan....”
-
-„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg
-kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber
-uitspelen.”
-
-Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven
-naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het
-dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het
-tijd was om te gaan rusten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-NAAR BRAZILIË’S HOOFDSTAD.
-
-
-Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die
-hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder
-niet ontsnapt.
-
-„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij
-zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne
-gemeenschappelijke hut alleen waren.
-
-„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.
-
-Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen
-had.
-
-„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden,
-dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had
-kunnen doen.”
-
-„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”
-
-„Hoe meent ge dat?”
-
-„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”
-
-„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”
-
-„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein
-toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen
-doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te
-stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden. Nu
-kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed
-administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen
-zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”
-
-„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken
-borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle
-huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met
-mij eens?”
-
-„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n
-onderofficier.... zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den
-neus niet tegen ophalen?”
-
-„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden
-eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te
-bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de
-hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot
-in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed
-voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere.
-Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van
-het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar?
-Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te
-bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de
-keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een
-onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en
-eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij
-moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een
-mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen,
-wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke
-voorteekenen gesloten, bezegelt.”
-
-„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het
-in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van
-zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de
-denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het
-is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne
-kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”
-
-„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die
-heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij
-zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want
-er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou
-verschrikkelijk wezen!”
-
-„Maar... gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer
-Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”
-
-„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven
-is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.... ik
-vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid
-als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel
-te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de
-liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”
-
-„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het
-gebeuren, nietwaar? Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!
-Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die
-jongelieden?”
-
-„Juist, manlief.”
-
-„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet
-mijne meening gevestigd zijn.”
-
-Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het
-zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk
-hunner lieve kinderen.
-
-De Fernandina Maria Emma vervolgde flink hare reis. Het is waar, de
-zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende
-het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op
-zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.
-
-Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag
-geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van
-honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een
-flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden
-gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een
-eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te
-zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan
-weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit
-een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een
-derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde
-verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek,
-waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij
-van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten,
-kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz.
-door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan
-het oog onttrokken werden.
-
-„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om
-insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman
-Abels.
-
-„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet;
-maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne
-vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden [58] en zooveel anderen
-uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de
-doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als zij uit het water springen,
-spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die
-evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de
-vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar
-daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers,
-die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer
-hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te
-keeren.”
-
-„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”
-
-„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels!
-zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen.
-Zoo’n visch is een lekker hapje.”
-
-En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde;
-daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip,
-schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het
-touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal
-kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en
-door janmaat buit gemaakt werden.
-
-Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te
-worden, ten einde die in liquor te bewaren. Eene tweede school streek
-evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij
-die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de
-verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong
-toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee
-visschen in de hand.
-
-„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te
-mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die
-vlinders onder de visschen.”
-
-„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de
-Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik
-weisz.”
-
-„Vooruit dan maar!”
-
-„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij
-zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der
-Pharyngognati....”
-
-De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van
-de onderkaak niet bedwingen.
-
-„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar
-in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”
-
-Allen lachten.
-
-„Aber, ik weisz niks meer.”
-
-„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.
-
-„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik
-je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval
-blootstellen.”
-
-„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort,
-„maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde
-borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt,
-diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen,
-gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er
-bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo....”
-
-Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.
-
-„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man.
-Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.
-
-„Waarvan de hoogvliegers [59] de meest bekende soort zijn. Deze worden
-ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een
-zilverwitten buik. Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker
-hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika
-met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet.
-Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch
-niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik
-heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld
-navolging zal vinden.”
-
-Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek
-opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit
-lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende
-visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en
-uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.
-
-Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den
-Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen
-om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.
-
-Den 17en November had het middagbestek aangegeven dat de Fernandina
-Maria Emma zich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte
-bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene
-samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam
-verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun
-tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den
-scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen,
-die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester
-hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen.
-Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden
-ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De
-geneesheeren verklaarden dat het meest ernstige te vreezen stond,
-wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel,
-behandeld konden worden.
-
-De beide kapiteins keken elkander aan.
-
-„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt
-niet te aarzelen.”
-
-„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is
-er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al
-vertraging berokkenen.”
-
-En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.
-
-„Naar Bahia afhouden, dat op den 12den graad zuiderbreedte ligt, zou op
-onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van,
-dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23°
-zuiderbreedte en ongeveer.... laat zien.... op 43° westerlengte. Welnu,
-wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen
-mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij
-binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de
-bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die
-verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders
-als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”
-
-Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de
-equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende
-de Fernandina Maria Emma het Amerikaansche vasteland te gemoet.
-
-Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den
-18den November stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′
-westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed
-doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim
-gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast
-zat:
-
-„Land! stuurboord vooruit!”
-
-Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van
-Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig
-dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die
-onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken.
-Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en
-keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den
-horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk
-als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd,
-bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden
-vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich
-onmogelijk vergissen.
-
-Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den
-horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al
-zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden
-was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle
-schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige,
-sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van
-uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel
-lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt
-werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende
-gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was
-zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp
-tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd
-eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.
-
-„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?”
-vroeg een der passagiers aan kapitein Butteling, die met zijn kijker
-den blik over de zeeoppervlakte liet waren.
-
-„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne
-kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste
-Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet
-Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”
-
-„Een zeil!” riep de uitkijk.
-
-„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.
-
-„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.
-
-Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen
-peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die
-vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van
-den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een
-wit stipje dat ontwaard werd.
-
-„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant
-brassen!”
-
-Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak
-op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods
-aan boord stapte.
-
-Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het
-landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van
-het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band
-ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid
-van huizen verrieden. De Fernandina Maria Emma naderde nog meer. Zij
-was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne
-blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij
-naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den
-bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht.
-Een bergwand rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij
-een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder.
-Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het
-schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd.
-Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren
-voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene
-voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de
-eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna
-kreeg de Fernandina Maria Emma den ingang der fraaiste baai van de
-wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en
-fluisterde hem iets in het oor.
-
-„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.
-
-In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood
-klaar:
-
-„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.
-
-Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het
-kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het
-voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het,
-terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der
-baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed
-was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de
-Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd.
-Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen
-onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het
-fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog
-boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de
-blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het
-binnenkomen werd het oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai
-gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd,
-welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte
-der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde,
-verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort
-Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam
-gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding
-moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en
-Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten
-zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio
-Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.
-
-Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig
-voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste
-breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan
-het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw
-water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs
-opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd
-omgeven was.
-
-Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een
-langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene
-landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland
-verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de
-hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers
-een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan
-zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien
-te hebben, niet verzadigen konden.
-
-De Fernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen, dewijl de wind
-in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha
-Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats der
-oorlogsschepen uitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige
-kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap,
-waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven,
-groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende
-steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars
-had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland
-gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen. [60]
-
-Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie
-aan boord. De Fernandina Maria Emma kwam evenwel uit Europa en had
-geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar
-den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra
-gestreken en gereed om te vertrekken.
-
-„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.
-
-„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant
-Denniston dit insgelijks te doen.”
-
-„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.
-
-„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder
-het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn.
-Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om
-vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik
-wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De
-gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”
-
-De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van
-kapitein Butteling. Zelfs de dames Groenewald stapten in, en namen
-plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te
-brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan
-kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te
-vragen om mede naar den wal te gaan.
-
-„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n
-gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb
-bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd,
-hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn,
-gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders
-handelen.”
-
-De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder
-teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje
-medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren
-lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was de Fernandina
-Maria Emma door eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker
-opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om
-aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen.
-Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de
-handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat
-verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn, [61] aan boord gebracht
-werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk
-zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar
-de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die
-venters verdwenen waren.
-
-Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne
-passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte
-zijner zending naar den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede
-portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten
-medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel
-bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten
-konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.
-
-Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert de
-Fernandina Maria Emma het Nieuwediep verlaten had, hadden èn de
-equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten
-vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep,
-bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek
-schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den
-kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling
-gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden
-wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat
-kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht,
-alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden;
-en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in
-de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om
-later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat
-eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar
-den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren
-er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de
-lekkerbekken gevonden; maar.... de voorraad, door de reeders tot
-uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen
-het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één
-varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en
-was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas- of Nieuwjaarsdag
-een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op,
-toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een
-viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou
-geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en
-eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid
-aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu
-eenige afwisseling kon gebracht worden.
-
-De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich
-geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter
-ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en
-neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.
-
-Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van
-ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de
-aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede
-lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere
-levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had
-zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van
-het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds
-boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.
-
-Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet
-naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was,
-werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn
-van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten
-aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord
-zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden
-ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling
-zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp
-hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.
-
-De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den
-scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner
-beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen
-doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan
-boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder
-het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite
-om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun
-uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen
-deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te
-verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.
-
-„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een
-glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op
-verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van
-dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters
-drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te
-Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel,
-dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou het mijzelven niet
-vergeven.”
-
-„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.
-
-„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik
-u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten
-antwoord.
-
-Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen
-staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo
-aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra
-te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de
-naoogenden aan boord.
-
-Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord
-terug waren.
-
-Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het
-verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met
-de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun
-eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die
-aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de
-groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en
-tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te
-zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn
-gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het
-gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven
-geheschen.
-
-Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene
-kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de
-sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door
-een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden.
-Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen
-van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. De Fernandina Maria
-Emma aldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden,
-de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den
-gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden
-vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers
-naar het zuidoosten zette.
-
-Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de
-passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar
-bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan
-door. Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te
-doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden
-heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof de
-Fernandina Maria Emma een noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en
-het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.
-
-„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van
-tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten
-den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die
-vertraging niet.”
-
-Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er
-dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden,
-eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius
-verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de
-kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de
-approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen,
-jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio
-Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der
-opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van
-vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke
-lucht, die zich over het dek verspreidde, van de beefsteak, die zich de
-kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de
-passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in
-weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied
-bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige
-knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar
-voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim
-het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-WEER NAAR ZEE.
-
-
-Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop de
-Fernandina Maria Emma de baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te
-vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het
-langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek
-van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven
-en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op
-het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij
-waren.
-
-„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de
-jonge meisjes.
-
-„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.
-
-„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde
-Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de
-omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk
-genoten.”
-
-Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna
-onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het
-lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had
-mogen deelnemen.
-
-„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.
-
-„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij
-niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien
-heeft?” vroeg Frank aan Adelien.
-
-Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo
-talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.
-
-„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij
-schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een
-meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”
-
-„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius.
-„Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar
-onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht op
-bijzonderheden vestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of....
-daarvan den schijn aannemen.”
-
-„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet
-veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans
-met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij
-mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”
-
-„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker
-met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van
-gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het
-landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de
-verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had
-voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude
-verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in
-hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die menigvuldige villa’s,
-die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen;
-maar....”
-
-„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare
-stem.
-
-„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora
-treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij
-daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan
-ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal
-gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne
-bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te
-bewonderen gaf.”
-
-„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat,
-hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer
-binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon,
-zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een
-nieuw wonder te aanschouwen gaf.”
-
-„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren
-voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht
-ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een
-jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel
-aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik
-vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens
-ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio
-Janeiro!”
-
-„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”
-
-„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo
-schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte
-bamboebosschen aangetroffen worden!”
-
-Ja, de apotheker was er van door.
-
-„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te
-overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat
-gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is
-oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”
-
-„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”
-
-„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij
-hetgeen gij gisteren gezien hebt.”
-
-„Ik heb bloemen en struiken gezien, die....”
-
-„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft
-meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.
-
-De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil,
-dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking
-der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten
-uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.
-
-„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde
-kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim
-in den mond stak.
-
-„Pas op, er zijn doornen aan!”
-
-„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge
-meisje.
-
-„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare
-handjes te huis hield.
-
-„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen?
-Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de
-prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet
-voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis
-noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk
-en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die
-bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden en
-stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn
-omgekeerd eivormig, geknepen en....”
-
-De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn
-stokpaardje ontnam.
-
-„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen
-geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je
-Caesa...caeso... Hoe heet je dat ding ook?”
-
-„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”
-
-„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama...”
-
-„Pulcherrima, kapitein.”
-
-„Nu, pulcherrima dan... is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de
-Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier
-alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De
-Javaantjes houden veel van die plant.”
-
-„Waarom?”
-
-„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging
-kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van
-Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een
-aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”
-
-De beide Esculapen keken elkander aan.
-
-„Wij weten het niet,” betuigden beiden.
-
-„Weet jullie dat ook niet?... Wel dat weet in Indië iedere baboe en
-iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien
-geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”
-
-„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter
-Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s
-wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia
-Caesalpiniae pulcherrimae?”
-
-„Wel, om schoon schip te maken.”
-
-„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of
-zwabber?”
-
-„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde
-werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.” [62]
-
-Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de
-laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.
-
-„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen.
-Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht
-ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae
-medegebracht?”
-
-„O! meer dan genoeg voor eene proef!”
-
-„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”
-
-„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijne beefsteak klaar is,” zei
-kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen... Daarbij, het wordt
-tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het
-middaguur nabij is.”
-
-Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken
-gegeven, dat het kwart voor twaalf was.
-
-„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben
-den wal nog in het gezicht.”
-
-„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”
-
-Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog
-achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien;
-maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die
-opdoemde.
-
-„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.
-
-Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het fregat op 24° 19′
-zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.
-
-Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank
-Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio
-Janeiro niet voltooid had.
-
-„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach,
-„dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de
-geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen.
-Maar.... wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren
-zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen.
-Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik
-overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door
-eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de
-partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats
-genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”
-
-Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de
-kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en
-was misschien ook wel het meest gewenschte.
-
-Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest
-waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd
-hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals
-de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft
-ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven
-geen lekkerder beefsteak hadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard
-had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het
-eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders de
-beefsteak veel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.
-
-„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein in het ootje
-genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een
-tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader
-waarschijnlijk school gegaan.”
-
-Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen
-de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman
-Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:
-
-„De traditioneele schildpadsoep!”
-
-„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had,
-„dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het
-hoofd bij wijze van slaapmuts!”
-
-De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel
-verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd
-was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die
-dienst voor schildpadvleesch moesten doen.
-
-De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende
-potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid,
-alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd
-gevoelde.
-
-„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep
-voorzet?” vroeg kapitein Butteling.
-
-„Echte schildpadsoep!.... Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren,
-„is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”
-
-„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo?
-Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met
-levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene
-monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt
-haar lot af te wachten.”
-
-„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep zullen krijgen. In
-afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”
-
-„Maar....” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep
-naar binnen te werken. „Maar.... kapitein Butteling. Is uwe schildpad
-eene ware, geene nagemaakte?”
-
-Allen lachten.
-
-„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte
-zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal
-wegen.”
-
-„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift.
-„Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”
-
-Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle
-eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was
-de voorgediende roastbeef uitmuntend en zoo malsch als boter bevonden.
-De opmerking daaromtrent bleef niet uit.
-
-„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij
-de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in
-papaya-bladeren doen wikkelen.”
-
-„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de
-bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”
-
-„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien
-daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een
-goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats
-van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die
-bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is
-het nog zoo taai.”
-
-„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”
-
-„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige rijpe vruchten,
-die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”
-
-„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom
-geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de
-onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze
-peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”
-
-„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich
-in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”
-
-Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die
-haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan
-vonden.
-
-„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.
-
-Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo
-donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee
-niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het
-want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde,
-dat het schip eene vaart van elf mijlen had.
-
-„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.
-
-„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben
-we niet te klagen. Maar.... de barometer daalt langzaam maar gestadig.
-En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger
-zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”
-
-De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie,
-waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo
-ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde
-van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of
-alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie Groenewald
-zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje
-sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden?
-Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel
-innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de
-geredden en hare redders.
-
-„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan
-Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro
-zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te
-vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die
-keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier
-plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter
-schreef:
-
-
- Vedi Napoli e poi muori (Napels zien en daarna sterven.)
-
-
-noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en
-Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers
-afgeschilderd worden, er bij halen.”
-
-„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma;
-„maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan
-die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand
-aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door
-een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige
-der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van
-vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden
-bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar
-bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt
-gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de
-plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u
-eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje
-door de Preanger Regentschappen in West Java, of een tochtje door de
-Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren,
-die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro
-achterstaan.
-
-„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou
-leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die
-in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige
-baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan.
-„Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet
-de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”
-
-„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de
-Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een
-schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich
-te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument
-aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een
-druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van
-eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij
-als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste
-huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout
-opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts
-schaars van trottoirs voorzien zijn.”
-
-„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert,
-juffrouw Adelien,” zei Frank.
-
-„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft
-alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is
-te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”
-
-„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met
-een glimlach voort, „bedoelde ik de oude stad, die wel van de nieuwe
-stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze
-van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden
-Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en
-liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den
-Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer
-landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een
-prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro
-de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt
-en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk
-paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa
-Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar
-den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten
-westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht
-heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang
-tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig
-terrein, dat hij evenwel beheerscht.”
-
-„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne
-seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.
-
-„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel
-gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen
-natuurlijk medegerekend zijn.”
-
-„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners
-telt Rio Janeiro dan wel?”
-
-„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde
-Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en
-bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”
-
-„Waaronder ongeveer 50,000 slaven,” vulde de heer Groenewald aan.
-
-Een schril gefluit weerklonk over het dek.
-
-„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman
-Abels over het dek hooren.
-
-Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken
-en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen
-van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester
-aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip
-bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind
-soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der
-bovenstengen met recht gevreesd kon worden.
-
-„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den
-stuurman.
-
-„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen
-tijd slecht weer hebben.”
-
-„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.
-
-„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten?
-Maar.... mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden
-te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij
-den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij
-volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over
-te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal....
-gedoopt te worden.”
-
-„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.
-
-„Ja, maar dat niet alleen.... ook om andermaal over het dek gerold of
-over de versch....”
-
-„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met
-geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”
-
-„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde
-Frank met niet minder vuur.
-
-Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen
-druk.
-
-„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier
-redders niet. Maar.... het mocht eens minder goed afloopen.”
-
-„Zoodat gij meent, dat er gevaar best....”
-
-De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een
-golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de
-verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat
-het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef.
-Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte,
-vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig,
-vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen,
-op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig
-van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met
-de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende,
-zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op
-de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken
-door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een
-ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets
-ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit
-gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk
-bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het
-jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een
-kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare
-moeder van het gebeurde kennis te geven.
-
-
-
-Toen den volgenden morgen—23 November—de dag aanbrak, waren het groot
-en het bezaanzeil gegeid, en lag de Fernandina Maria Emma onder hare
-marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost
-op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven
-zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat
-bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om
-voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden,
-dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield
-zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de
-masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde
-het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een
-onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die
-beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen
-bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende
-baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin
-verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de
-waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element
-wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die
-het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen
-egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken
-met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen
-dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de
-oppervlakte der zee.
-
-Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het
-schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen
-afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in
-horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan
-dek kwamen, zochten dan ook in allerijl een oppertje, niet om zich voor
-den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige
-stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige
-oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.
-
-Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen,
-had de Fernandina Maria Emma eene vaart van twaalf mijlen.
-
-„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.
-
-„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord, „maar gedurende de
-hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het
-grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en
-drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”
-
-„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg
-bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de
-zeeziekte zoude krijgen.
-
-„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve
-bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en
-alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is
-aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait
-er storm.”
-
-„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te
-slaan?” vroeg Leidermooi.
-
-„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam
-dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar....
-ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”
-
-„Stormvogels?” vroeg Hannius.
-
-„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen [63],” antwoordde stuurman
-Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op
-een afstand wel iets van een zwaluw hebben. Zij vliegen steeds....
-Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet!
-Sta nu maar vast.”
-
-„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van
-Dam geruststellend, „en....”
-
-„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”
-
-„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien
-hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen,
-niet waar?”
-
-„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu
-wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken.
-Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken,
-misschien morgen of overmorgen al.”
-
-De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om
-het schip en verdwenen in noordelijke richting.
-
-Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen,
-dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en
-vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in
-het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en
-zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip
-steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan
-tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder
-blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij
-moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo
-aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer;
-integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa
-Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen,
-geheel in zijn demi-saison; terwijl hij de regenmantels zijner dames op
-den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen
-gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen.
-Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te
-ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den
-kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om
-hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van
-haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te
-brengen. Het middagbestek toonde aan dat de Fernandina Maria Emma op
-27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer
-was steeds langzaam dalende.
-
-De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten,
-verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring
-gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.
-
-De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De
-kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich
-aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-EEN ONDERHOUD—BRUINVISSCHEN.
-
-
-„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij
-dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om
-naar boven te gaan.
-
-„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.
-
-„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”
-
-„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de
-vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet
-vallen. „Neen, ik ga naar boven.”
-
-„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”
-
-„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat
-wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en
-weer trippelen.”
-
-Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels
-verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten
-achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen,
-zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen
-kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek
-schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer.
-De anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de
-verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te
-vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of
-dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.
-
-De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman
-ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen
-tot zich.
-
-„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,”
-sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer
-ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij
-zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”
-
-Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.
-
-„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden
-van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van
-die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid
-ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om
-uwe toekomst te verzekeren.”
-
-Frank boog met dankbaar gebaar.
-
-„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden
-leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige
-inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij
-ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid
-dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene
-of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van
-het koloniale leger bracht?”
-
-„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen
-toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden
-er niet aan, ooit den militairen rok aan te trekken. Ik had de studie
-der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons
-vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader
-op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele
-welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde.
-Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte
-mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat
-naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen
-besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger,
-vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met
-dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te
-volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen,
-die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”
-
-„Maar uw vriend Riethoven?”
-
-„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende.
-Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij
-leerde evenwel een meisje kennen, en.... ja en.... toen liet hij die
-vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht
-te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid
-bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat
-zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat
-hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij
-naar Harderwijk en....”
-
-„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen
-bracht? Het heilige vuur ontbrak u...”
-
-„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde
-Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer
-toewijding in de gelederen dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze
-oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals
-helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders
-militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer
-familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer
-jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later,
-toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand
-geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk
-hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden,
-die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding,
-zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen
-zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen,
-dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”
-
-Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem,
-dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen,
-die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij
-het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.
-
-Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem
-aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te
-verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn
-kind wenschte toe te vertrouwen.
-
-„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel
-aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.... als u nu
-eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt
-gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te
-zeggen?”
-
-„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer
-Groenewald?....”
-
-„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!”
-antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen
-krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de
-luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts
-één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet
-alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer
-omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen
-aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten.
-Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan,
-aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene
-loopbaan voor de andere te verwisselen?”
-
-„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart
-begon te popelen, met aandoening.
-
-„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben
-bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den
-Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te
-verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter
-te beginnen.”
-
-„Bij u in dienst treden.... mijnheer Groenewald?...” vroeg Frank, voor
-wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.
-
-„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene
-remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?....”
-
-„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht,
-dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene
-zaak om met een ja of een neen af te doen.... Gij zult mij dus
-vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.... Ik moet
-daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.... uw voorstel betrof
-toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?....”
-
-De heer Groenewald knikte ja.
-
-„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”
-
-„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord
-gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke
-weken voor u.”
-
-„Maar.... intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer
-Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en
-derhalve.... iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou
-kunnen maken.”
-
-„En die bekentenis is?”
-
-„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de
-plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog
-ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.... het gevoel dat mij
-overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest,
-dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens
-beproefd heb er mij aan te onttrekken.”
-
-„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het
-gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat
-oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord
-keek.
-
-„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.... De gedachte, dat gij mij
-later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben,
-zou mij onverdragelijk wezen.”
-
-„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met
-die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”
-
-Frank greep zijn moed met beide handen.
-
-„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter
-opgevat, en....”
-
-„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.
-
-Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends
-op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel
-dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.
-
-„En....” wilde de jonkman voortgaan.
-
-„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij
-voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.
-
-„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.
-
-„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer
-Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders
-niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”
-
-Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den
-jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot
-geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar
-en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en
-een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren
-nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.
-
-„Zoodat?...” riep Frank aarzelend uit.
-
-„Zoodat?... ja, wat zoodat?...” hernam de heer Groenewald door die
-vraag verrast. „Zoodat.... het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die
-ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal
-kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien,
-onze dochters aan officieren af te staan.”
-
-Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen
-het achterdek op en neer, zonder een woord te spreken. Adeliens vader
-eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst
-gehandeld.
-
-Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte,
-die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan
-stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen,
-steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou
-omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze
-wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe
-zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen
-onzacht tegen de verschansing aankwamen.
-
-Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.
-
-„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is
-natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend
-Riethoven spreken.... wij waren steeds vrienden... en.”
-
-„Is hij met uw hartgeheim bekend?”
-
-Frank knikte bevestigend.
-
-„En... zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”
-
-„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den
-tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft
-nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”
-
-De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit
-van den wind verloren.
-
-Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.
-
-Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma
-in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren
-te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide
-waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige
-woorden aan hare dochter mededeelde, wat het doel was van het gaan van
-den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman
-en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de
-betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden.
-Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den
-boezem harer moeder en rispelde zacht:
-
-„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”
-
-Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte
-haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje,
-alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo
-gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige
-oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken.
-Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig
-gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart
-opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken,
-die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden
-schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke
-lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die
-kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene
-aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en
-die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen,
-voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met
-zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand,
-naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste
-vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting,
-die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging
-als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het
-jonge meisje om. Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken
-schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield
-nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed
-nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van
-aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor
-Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten
-belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die
-verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne
-schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten
-blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld!
-Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder
-en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is
-bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de
-woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik
-heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke
-vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige
-heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den
-moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer
-ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger,
-dan die tusschen man en vrouw!
-
-In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten
-indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer
-Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De
-zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of
-genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien
-daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank
-verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het
-samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n belangrijk gesprek te
-voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.
-
-„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”
-
-„Zij schijnen het druk te hebben.... althans met wandelen,” antwoordde
-Adelien glimlachend.... „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”
-
-Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan
-stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en
-moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te
-vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te
-koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke
-besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het
-onderhoud te maken.
-
-„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te
-brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe
-genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien
-alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat
-steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere
-beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”
-
-Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van
-het dek verdwenen.
-
-
-
-Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde
-weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden
-kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten
-geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon
-somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte
-golven bescheen, en het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog
-meer deed uitkomen.
-
-„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston,
-toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.
-
-„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de
-stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik
-te twijfelen....”
-
-„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.
-
-„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij
-daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen
-reeds geborgen.”
-
-„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.
-
-„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.... „maar....
-kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.... Verwenschte dieren, ik
-zou ze wel kunnen doodschieten!”
-
-„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de
-richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is
-alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk,
-hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!... zie... het komt hier heen. Wat
-is dat toch, stuurman?”
-
-Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.
-
-„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met
-zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”
-
-„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.
-
-„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan
-hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al
-meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als
-thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”
-
-„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven
-op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan
-hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”
-
-Al de opvarenden van de Fernandina Maria Emma hadden hunne aandacht aan
-het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen
-der equipage en de passagiers achteruit lagen over de
-stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze
-naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in
-dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de
-zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam.
-Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven
-zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht
-was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of
-andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven
-verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn
-glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen
-staart.
-
-De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te
-voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en
-waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip
-plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.
-
-„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee
-te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”
-
-De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij
-het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij
-voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het
-voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs
-beide zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin
-de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit,
-doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om
-het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij
-zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en
-onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.
-
-Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het
-voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den
-bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan
-zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en
-was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren
-een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen
-bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.
-
-„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.
-
-„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel
-zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”
-
-Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het
-aandachtig.
-
-„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam
-aan den Esculaap.
-
-De Germaan lette op die scherts niet.
-
-„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de
-vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is....”
-
-„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in.
-
-.... „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol
-aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken,
-en tusschen de keerkringen....”
-
-„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam
-er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de
-bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen.
-Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes” [64].
-
-„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en
-is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als
-alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte
-rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de
-overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is
-zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen
-zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben....”
-
-Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte,
-onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid
-der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet.
-Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.
-
-Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals
-geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen
-bestendig toe.
-
-„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen,
-als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.
-
-„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van
-Dam.
-
-„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer
-binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die
-aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”
-
-Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24sten November, op
-31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.
-
-Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren
-voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden.
-In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend
-te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen,
-in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.
-
-„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op,
-terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de
-kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een
-van nabij willen zien.”
-
-„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen
-bieden,” zei Denniston galant.
-
-Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid
-moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk
-toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn
-collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren
-vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter
-den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel
-vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren
-spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen
-veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den
-haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in
-bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag,
-alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij
-overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn
-spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het
-water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop
-springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd
-om hen te krijgen, liet ontwaren.
-
-„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan
-stuurman Ellenbaan.
-
-„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche
-Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling
-opkomende lachbui.
-
-„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een
-oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag
-van Denniston gehoord had, er bij.
-
-„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie
-zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn,
-hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen,
-zullen aantreffen.”
-
-Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een
-geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.
-
-„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog
-nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord
-geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het
-gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar
-eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk
-op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op
-hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen
-snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den
-ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of
-over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn.
-Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien
-dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk
-van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet
-verschalken.”
-
-De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar
-pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en
-de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma
-kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-STORM.—OM DE ZUID.
-
-
-De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende
-beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein de
-Fernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio
-Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.
-
-„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij
-moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop [65] zijn.”
-
-„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het
-schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den
-golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”
-
-„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.
-
-„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor
-den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein
-Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans
-naar beneden gingen.”
-
-Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek.
-Alleen zij, die de wacht hadden, zaten op het voorschip achter een
-oppertje geborgen voor den woesten wind.
-
-Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het
-zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het
-steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild
-werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed,
-alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel
-niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden,
-met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan
-opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen
-waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op
-de been te blijven.
-
-Bij het middagbestek van dien dag—den 25sten November—stond het schip
-op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg
-onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.
-
-Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de
-tafel van slingerlatten [66] voorzien, om te beletten dat bij de
-bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert
-eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende
-voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden, [67] die boven de
-tafel zweefden, uit de hand te zetten.
-
-„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van
-Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de
-soep lastig worden.”
-
-„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De
-barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens
-kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”
-
-„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroeg Van Dam.
-
-„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit
-weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan
-er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het
-thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de
-kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te
-houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”
-
-„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.
-
-„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust.
-„Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de
-erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle
-maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit
-met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”
-
-„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.
-
-„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien
-Groenewald in de handen klappende.
-
-„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein
-Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het
-vuur kan houden.”
-
-„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor
-ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.
-
-„Voorzeker, mevrouw.”
-
-„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer
-aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige
-moeder.
-
-De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.
-
-„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.
-
-„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston.
-„Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”
-
-„Scheepsbeschuit!”
-
-„Met?....”
-
-„Met scheepsbeschuit!”
-
-„Zonder koffij?”
-
-„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.
-
-„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die
-scheepsbeschuit door te spoelen.”
-
-„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water
-[68] uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.
-
-„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch?
-Waaruit zal die bestaan?”
-
-„Uit scheepsbeschuit!”
-
-„Met?....”
-
-„Met sardijntjes.”
-
-„En?....”
-
-„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water
-uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapitein Van Dam uit.
-
-„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet
-waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”
-
-„Uit scheepsbeschuit!”
-
-„Met?...”
-
-„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt
-vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”
-
-„Daar is ten minste variatie in al die gerookte lekkernijen.”
-
-„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma
-Groenewald.
-
-„Maar, kapitein Butteling....” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar
-zooeven: afgewisseld met al die lekkere gerookte zaken. Hebben wij dus
-het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”
-
-„Ai!... ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de
-gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij
-daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de
-oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte
-vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo
-laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel
-lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te
-zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag
-met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht
-weer zullen hebben en.... daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit
-met... gerookte lekkernijen rekening dienen te houden.”
-
-„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch
-uit den koers, niet waar?”
-
-„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.
-
-„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”
-
-„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den
-Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij
-Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van
-kaap de Goede Hoop op den 39sten graad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb
-mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”
-
-„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.
-
-„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis
-daardoor zal maken. Gij zult zien. De Stad Leiden lag bij ons bij de
-Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te
-veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft
-getroffen als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier
-dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio
-Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat
-wij voor haar op de reede van Batavia zijn.” [69]
-
-„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?”
-vroeg Behren.
-
-„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman;
-maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken,
-die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in
-staat.”
-
-„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere
-reis te maken is, zooals gij beweert.”
-
-„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al
-kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische
-mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad
-nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een
-lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne
-waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil
-geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te
-leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn
-hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede
-gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit
-een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen
-lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten
-bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45sten
-breedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen,
-waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”
-
-Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den
-kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk op, trad in zijne kajuit,
-om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek,
-waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.
-
-De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren
-achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware
-met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn
-boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik
-hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken
-wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een
-afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.
-
-„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.
-
-„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van
-Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade
-te slaan.
-
-„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven,
-want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een
-zwaar werk.”
-
-Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de
-noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog
-waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek
-waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar
-boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn
-stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan
-overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op
-het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige
-vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar
-boven bekend te maken.
-
-Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen
-zeilen dicht te reven. Wat kracht moesten die vuisten niet uitoefenen
-om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de
-riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar
-boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen
-zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas
-gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder
-de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest
-klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig
-niet te veel waren.
-
-„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij
-dat weer, in evenwicht te houden?”
-
-Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid
-verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.
-
-„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een
-oorlam verdiend hebben.”
-
-„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij
-een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.
-
-„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan
-stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer
-behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het
-achterdek verscheen.
-
-„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was
-het antwoord van den zeeman.
-
-„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”
-
-„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve
-bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het
-marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij
-van gereefde marszeilskoelte spreken; had hij twee reven laten nemen,
-dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven
-gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”
-
-„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”
-
-„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer
-naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast,
-had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus
-onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde
-marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”
-
-„Nu, wat dan?”
-
-„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”
-
-„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den
-scheepsgezagvoerder.
-
-„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”
-
-Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een
-bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige
-Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende
-wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk
-de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie
-stuurlieden hadden hunne zuidwesters [70] op en over de ooren
-getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij
-elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.
-
-„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak
-kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan
-zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”
-
-Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene presenning over de
-trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan.
-Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die
-presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading
-beneden te houden.
-
-Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het
-bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die
-oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst
-waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had
-voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.
-
-Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een
-Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk
-halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag
-rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die
-van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar
-beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven
-te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de
-soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield
-in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat
-woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die
-zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene
-langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den
-scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten
-te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk
-gesteld worden.
-
-„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de
-kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de
-stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel
-weggeslagen.”
-
-„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet
-uit te houden!”
-
-Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer
-dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.
-
-„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed
-vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”
-
-Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook
-langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens
-poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle
-zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten
-oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip
-met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de
-mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.
-
-„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman
-Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee
-matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onze Fernandina
-Maria Emma er niet zeer aantrekkelijk uit.”
-
-„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt
-zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”
-
-„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.
-
-„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens
-loggen?”
-
-„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.
-
-Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd
-uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen
-zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman
-Abels:
-
-„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we
-meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”
-
-De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met
-moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij
-den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij
-beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de
-kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich
-daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden
-die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer,
-zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en
-waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen.
-Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het
-voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee
-lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer
-opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die,
-bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren
-gekomen, wreven.
-
-„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.
-
-Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.
-
-„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!”
-raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een
-nagelpen der verschansing vast hield.
-
-„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap
-vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den
-boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”
-
-„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde kapitein
-Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te
-breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot
-levensgevaar. Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten
-bijwonen!”
-
-„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.
-
-„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.
-
-„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel
-op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke
-verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord
-gespoeld heeft.”
-
-„En?....” vroegen de passagiers ademloos.
-
-„En.... Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben
-den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”
-
-„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.
-
-„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch
-dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn
-tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het
-schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om
-een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot
-te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den
-boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op
-zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den
-ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te
-doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen?
-Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot
-moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot
-overlaten!”
-
-„Schrikkelijk! schrikkelijk!”
-
-„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij
-zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk
-voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in
-zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer
-hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met
-een kort: „niets aan te doen?”
-
-„Vreeselijk!”
-
-„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein
-Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook,
-staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen
-sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden
-zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen,
-ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het
-meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen....”
-
-Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe,
-fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit
-naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en
-woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die
-in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel
-brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van
-bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo
-somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend
-geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden
-kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche
-doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht
-spoedde de kapitein naar beneden.
-
-„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de
-haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei
-Abels.
-
-De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de
-woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het
-dek.
-
-„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der
-kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof,
-dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil
-bijzetten.”
-
-Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer
-veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.
-
-„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het
-niet?”
-
-„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat
-kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten
-inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”
-
-De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil
-na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos
-ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.
-
-„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het
-dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”
-
-Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam
-maakte den gezagvoerder daar attent op.
-
-„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart
-maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is
-nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk
-zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten
-loggen.”
-
-Het schip liep toen vijftien mijlen.
-
-De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon
-het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal
-door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van
-den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te
-verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het
-dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.
-
-„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer
-Groenewald op dat gezicht.
-
-„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.
-
-Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat de
-Fernandina Maria Emma op 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte
-stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-KAAPSCHE DUIVEN EN ALBATROSSEN.
-
-
-De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. De Fernandina Maria
-Emma had het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam
-de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds
-onder zijne gereefde mars-, bagijne-, groot- en fokzeilen, en konden de
-passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok
-groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke
-snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen
-bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.
-
-Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds
-uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven,
-volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam
-rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende
-dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den
-anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in
-die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.
-
-Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het schip des morgens
-omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter
-nauwernood vier mijlen in de wacht.
-
-Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te
-maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan
-de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet
-geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de
-spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien,
-ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen
-honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te
-doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij
-dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de
-watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om
-vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den
-bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het
-dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend
-hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook
-op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve
-duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in
-bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met
-vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij
-een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd,
-krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren
-belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan
-draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip,
-beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen,
-stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken,
-slokten, schreeuwden en krijschten daarbij, vochten woedend met
-elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas
-strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten
-natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas,
-tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder
-evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.
-
-Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames
-de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij
-menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.
-
-Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat
-men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en
-Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij
-voor de twee meisjes neerzetten.
-
-„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier
-fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan
-haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet
-aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve
-vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek
-gevoelig te treffen.
-
-„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de
-nabijheid bevond, met lachende stem.
-
-„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma
-lachende.
-
-„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is
-niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk...”
-
-De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige
-pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner
-vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en
-hals, en eindigde met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken,
-dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.
-
-„Kijk....” herhaalde stuurman Ellenbaan.
-
-„O!...” zei Emma met walging.
-
-Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij
-koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn
-verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw
-had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare
-wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij
-een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje
-verder een weg baande.
-
-„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene
-tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar
-beneden om zich te reinigen.
-
-„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter
-Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam
-reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de
-ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der
-Longipennes....”
-
-„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam... Langepennis?
-Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”
-
-Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:
-
-„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot
-de orde der Natatores....”
-
-„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die
-Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze....”
-
-En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne
-nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee
-paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten
-hooren.
-
-„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen
-kwaad!”
-
-„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.
-
-„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel
-daar op het dek.”
-
-Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen,
-die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.
-
-„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal
-tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”
-
-„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel
-bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar
-geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze
-over boord smeet.
-
-„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.
-
-De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die
-onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de
-vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en
-rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in
-de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen
-volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht
-verdwenen.
-
-„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank
-Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge
-meisje te verbinden en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met
-eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds
-bij zich droeg.
-
-„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne
-taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige
-lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar
-zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward.
-Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te
-komen aanbieden.”
-
-„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare
-zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder
-stond.
-
-„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”
-
-Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.
-
-„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar
-voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.
-
-Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen
-van het jonge meisje.
-
-Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon
-te maken.
-
-„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en
-kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”
-
-„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een
-schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders
-dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”
-
-„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.
-
-„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die
-braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik
-evenwel minder aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den
-mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen;
-maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die
-vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en
-die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe
-overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde
-gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”
-
-„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!”
-merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het
-schip.”
-
-„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben.
-Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van
-ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen
-voorbijstevenen zullen.”
-
-„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.
-
-„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op
-die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van
-zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”
-
-„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de
-richting van het noorden wees.
-
-Allen keken uit.
-
-Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in
-grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de
-vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich,
-verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en
-zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks
-golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij
-zich tot op een vijftig voet daarboven, draaiden daar in onberispelijk
-afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare
-onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart
-naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand
-het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het
-kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.
-
-„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die
-intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat
-wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens,
-welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte
-snavel zij hebben!”
-
-„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij
-heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en
-gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons
-ongemeen prachtiger zijn.”
-
-„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te
-berde.
-
-„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen
-die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”
-
-„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius. „Veranderen zij
-dan?”
-
-„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze
-het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die
-fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd
-worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche
-ganzen.”
-
-„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen
-zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”
-
-„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou
-begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk
-krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels
-verhalen.”
-
-„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als
-onze raven, maar zij zijn veel grooter.”
-
-„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.
-
-„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.
-
-„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius, „en wel de Diomedea
-fuliginosa.”
-
-„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne
-onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.
-
-„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan
-ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig
-als... als... Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”
-
-„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.
-
-„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne
-haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de
-vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden
-teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.
-
-„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen,
-is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de
-loglijn wel voor gebezigd te worden.”
-
-„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol
-greep.
-
-„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk eens naar de lucht. Ik
-ga den barometer eens raadplegen.”
-
-De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te
-werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij
-de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de
-noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve
-niets komen.
-
-Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu
-dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat
-de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd
-op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men
-passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door
-de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere
-omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de
-oppervlakte der zee verhief.
-
-In den morgen van den 2den December werd het oostelijk halfrond
-bereikt, dat wil zeggen: dat de Fernandina Maria Emma den meridiaan van
-Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende,
-gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het
-middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2°
-10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen
-afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December
-sneed de Fernandina Maria Emma den meridiaan van de Kaap de Goede Hoop
-en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en
-20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte
-zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond
-werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen
-en manschappen eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige
-Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein
-Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.
-
-Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag.
-Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch
-verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden
-uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren
-geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste
-Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten
-slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen
-verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak” [71] met
-keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op
-de Fernandina Maria Emma een ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke
-stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best
-deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een
-prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op
-deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men
-dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en
-kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk
-moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien
-waaien.
-
-Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke
-uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de
-kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren
-onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar
-achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het
-viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen
-hadden, dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd
-mocht worden.
-
-Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al
-uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit
-hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en
-de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman
-uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal
-eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet
-alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders
-veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen
-nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel
-van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien
-eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een
-koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de
-betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na
-zoo’n wandeling smaakte.
-
-„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de
-lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van
-onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop,
-zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg,
-België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland
-geschiedt.”
-
-Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een
-landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de
-pandoppo, in de binnengallerij, in de spen [72] op het erf; en schetste
-de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder
-verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout
-verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet minder verlichte
-bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief
-spel verrukten.
-
-„Het moet daar lief in die eenzaamheid wezen,” merkte Frank op, voor
-wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in
-zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt
-niet aan dien greep trachtte te ontwringen.
-
-„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer
-Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van
-bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig
-wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren
-op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven
-geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden,
-maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze
-gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer
-er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en
-mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche
-bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook
-verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op
-Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”
-
-Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen
-pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die
-dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke,
-het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen
-doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het
-donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef
-voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in
-zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die gemoedsrust te
-storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en
-stond op.
-
-„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”
-
-„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond
-en de beide jongelieden de hand reikte.
-
-Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een
-lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die
-aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met
-plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler,
-als het kon, de woorden uitgesproken:
-
-„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”
-
-Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met
-die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik
-te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten,
-elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander
-onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van
-innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten
-juichen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-IN DEN ZUIDOOSTPASSAAT.
-
-
-Toen op den 8sten December de dag aanbrak, en de opvarenden der
-Fernandina Maria Emma aan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de
-mars van den fokkemast:
-
-„Land vooruit!”
-
-Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar
-doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst
-als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe
-omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien
-loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het
-helderste wit.
-
-„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den
-derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan
-onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik,
-onder den 51sten lengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat
-ongeveer op 70° ligt.”
-
-„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het
-zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”
-
-„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.
-
-„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,”
-antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die
-witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks
-onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder
-krijgen.”
-
-Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer
-en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en
-verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en
-hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en
-gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.
-
-„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte
-kapitein Van Dam.
-
-„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op
-ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan
-zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet
-overbodig mag heeten.”
-
-Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk
-zich voor het oog opdeed, maar ook de bijzonderheden daarvan
-waarneembaar. De Fernandina Maria Emma stevende recht op eene kaap aan,
-die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een
-voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een
-bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en
-geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op
-de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste
-waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik
-ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die
-groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten tusschen
-die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop
-afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld,
-evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn,
-eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen
-te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels,
-die in talrijke vluchten om dat land scheerden.
-
-Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en
-37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den
-wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.
-
-„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”
-
-„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein
-Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”
-
-„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans
-noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”
-
-„Hoe heet dit eiland dan?”
-
-„Dit is het eiland Marion.” [73]
-
-„Wien behoort het?”
-
-„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen
-zeevogels, die er om zwerven.”
-
-Toen de Fernandina Maria Emma kaap Crosier gerond had, stevende zij
-zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee
-mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn
-bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en
-met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door
-zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe
-rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid
-van menschelijke wezens verried, was te bespeuren. Niets dan sneeuw en
-ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de
-hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde
-overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van
-het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene
-eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.
-
-Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het
-eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen.
-Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst
-vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en
-dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen
-beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het
-schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan
-den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die
-kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt
-met vetganzen [74], die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten
-rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk
-langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten.
-Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed
-waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot
-uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige
-veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren
-het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang
-lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te
-vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en
-waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en
-repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem
-en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij
-alsdan met pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs
-de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge
-bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en
-vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het
-land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in
-hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche
-duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.
-
-„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan
-kapitein Butteling.
-
-„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij
-maken ongeveer acht mijlen.”
-
-„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.
-
-„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”
-
-„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten.
-Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik
-en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien
-Berlijnschen lekkerbek herinneren:
-
-
- „Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”
-
-
-„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg
-kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat
-een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een
-ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene
-geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan
-hebben.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar
-geacht moeten worden.”
-
-„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.
-
-„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en
-meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar
-jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd.
-Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en
-zelfs lekker te noemen.”
-
-De Fernandina Maria Emma repte zich. Het was zoo omstreeks een uur,
-toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich
-zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden
-stoof. De wind sneed letterlijk.
-
-„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.
-
-Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de
-zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij
-was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op
-ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was
-niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat
-het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in
-het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370
-voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim
-verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate
-gezicht van die sneeuw-, ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot
-opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van
-land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan
-lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier
-eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de
-beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur
-weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.
-
-Onverdroten vervolgde de Fernandina Maria Emma haren koers. Zij bleef
-nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen;
-maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de
-koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid,
-een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen
-op den 10den December de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip
-bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′
-oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te
-hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd:
-oostnoordoost drie kwart oost tot den 17en December, toen noordoost
-half noord voorgelegd werd.
-
-Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′
-oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was,
-gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.
-
-Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26
-November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een
-enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden toch
-handsome genoemd werd. Den 22sten December evenwel, kort nadat het
-middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′
-oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in
-het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit
-alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas
-gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen
-het weer losbarstte, de Fernandina Maria Emma met gereefden fok en
-dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig
-binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al
-hol stond, zich in hooge golven uit het zuidwesten verhief.
-Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander
-inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer
-onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die
-noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge
-baren aan.
-
-Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer
-zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de
-eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met
-een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte,
-verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen
-eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein
-ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren
-en den kajuitstrap met presennings beschermen.
-
-Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis;
-maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de
-kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel
-spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De
-keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de
-heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen.
-Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de
-kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand
-deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een
-maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.
-
-„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den
-matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam
-mededeelen.
-
-„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde deze. „Dat weer is
-wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit
-met ham.”
-
-„Smakelijk eten!” riepen allen.
-
-„Waarom geen gerookte zalm?”
-
-„Waarom geene saucisse de Boulogne?”
-
-„Waarom geene gerookte tong?”
-
-„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”
-
-Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam.
-Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens
-mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord
-geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in
-het victualieruim af te dalen.
-
-Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel
-verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een
-bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken
-met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de
-slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn
-diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de
-soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet
-van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde
-scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een
-flink kakebeensvermogen noodig.
-
-Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te
-minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht
-kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den
-storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt
-zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.
-
-Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder
-aangenaam, daar bij de zwakte der bries het schip nog maar weinig steun
-in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet
-waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm
-weldra vergeten was.
-
-„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman
-Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder
-goed treffen.”
-
-„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien
-Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”
-
-„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.
-
-„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.
-
-„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.
-
-„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over
-heeft,” voegde Leidermooi er bij.
-
-„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”
-
-„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw
-Groenewald,” betuigden beiden.
-
-Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht
-was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast
-staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek
-schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij
-intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst
-beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar
-zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud
-medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer
-Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van
-de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet
-genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.
-
-„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere
-loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.
-
-„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere
-van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de
-beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die
-door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet
-genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”
-
-„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven
-van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets
-ondeugends in zijne stem.
-
-„Wat bedoelt gij daarmeê?”
-
-„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt
-hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”
-
-Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de
-gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde
-zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af
-naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het
-bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere
-oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden,
-staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de
-schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”
-
-„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw
-Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij
-vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te
-veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou
-zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat
-hebben?”
-
-„Drommels, de liefde ziet niet naar....”
-
-„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik
-het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik
-geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van
-maken.... ja, misschien in de toekomst;... later... als ik meer
-vergeten zal hebben. Maar... daarvoor is Emma Groenewald te goed, te
-edel, te rein.”
-
-Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank
-keek zijn vriend verbaasd aan.
-
-„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet
-meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook
-eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”
-
-„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen
-verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik
-blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen
-kan.”
-
-„Maar... welken raad zoudt gij mij geven?”
-
-„Gij?... gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en
-voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of
-beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een
-wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al
-strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is
-eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”
-
-„Dus gij zoudt mij raden?...”
-
-„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen
-onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt
-mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij
-treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles
-verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed, uw brein of
-dat van Adelien niet bestormen? Zullen....”
-
-„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je
-woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen
-staat.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-STRAAT SUNDA.
-
-
-Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had de
-Fernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat
-gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de
-keerkringen. Op den 24sten toch stond het fregat bij het middagbestek
-op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost
-een achtste oost voor.
-
-Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren
-nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen
-hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s
-waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.
-
-„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St.
-Paul en Amsterdam,” [75] vertelde stuurman Bagman.
-
-Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde
-in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het
-middagbestek, op zondag den 27sten December, bevond het fregat zich op
-12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het
-einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner heerschte dan ook een
-zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.
-
-„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij
-gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het
-dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in
-de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn
-de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk
-volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn,
-waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik
-grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te
-kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op
-voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen
-de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover
-ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die
-twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede
-jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te
-nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.
-
-„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben
-die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van het
-gesmede complot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle
-behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige
-onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verraden konden worden,
-dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk
-werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de
-geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij
-als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij
-lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig,
-dat die jongelieden zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel,
-waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de
-militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan
-zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen
-vervullen.
-
-„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt
-worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de
-lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te
-hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat
-zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen,
-en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank
-zullen zijn.
-
-„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te
-doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord
-kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat
-onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het
-dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden.
-Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten
-te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den
-jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijke
-Fernandina Maria Emma verhoed hebben, het tooneel te zijn van een
-jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne
-tijdige hulp ontbroken hadde.
-
-„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om
-u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de
-toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone
-Nederlandsch-Indië!””
-
-Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door
-den waardigen zeeman uitgesproken, aller instemming verwierf? Kapitein
-Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de
-jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames
-Groenewald gevolgd werd.
-
-„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.
-
-Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen
-opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden
-bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden
-daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede
-meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.
-
-Toen, na het diner, de traditioneele kop koffie aan het dek verorberd
-en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone
-speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van
-de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar
-niet rouwig om.
-
-„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is
-of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en
-van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die
-ijstoppen en thans....”
-
-„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar
-de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw
-Groenewald ernstig.
-
-„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in
-eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee....”
-
-„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der
-Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog
-niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond
-vergeleken zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar
-geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”
-
-„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet,
-dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt
-dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen,
-in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de
-niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs
-bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de
-eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons
-Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap,
-dus benoorden den 70sten graad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij
-de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij
-zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht
-pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat
-drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”
-
-„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg
-Herman.
-
-„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen
-ongelijk had, toen ik er op duidde, dat de Fernandina Maria Emma op de
-grenzen der IJszee geweest is.”
-
-„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de
-wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield.
-„Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe
-tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde
-stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw
-zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon
-zijt, juffrouw Groenewald.”
-
-Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen
-niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment
-streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had
-toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij
-zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de
-bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het
-maagdelijk hart omging.
-
-Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken,
-hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat
-hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare
-beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het
-donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank
-zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken
-had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur,
-met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was,
-begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel
-maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang
-tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was,
-om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van
-een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen
-en hem fluisterend te vragen:
-
-„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”
-
-Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een
-afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het
-lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare
-leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne
-lippen in een innigen kus op elkander sloten:
-
-„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben
-overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring
-zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”
-
-„Goeden nacht, mijn Frank!”
-
-Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.
-
-„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien
-dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe
-voornemens handelen, zeg Frank?”
-
-„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart
-geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo
-onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”
-
-„En een kus ontfutselen?”
-
-„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig
-lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven
-beminnen.”
-
-„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke
-aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich
-ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat
-gij bezit, volgen.”
-
-„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom,
-laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”
-
-
-
-De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer
-af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek
-op den 27sten werd bevonden, dat de Fernandina Maria Emma in het
-laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28sten kromp dat tot 30,
-op den 29sten tot 26 en op den 30sten tot 22 mijlen in. Op
-laatstgenoemden datum wees het middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en
-102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost
-geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.
-
-„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan
-kapitein Butteling.
-
-„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins
-aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor
-zonsondergang.”
-
-De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg,
-zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene
-menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de
-nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders
-zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de
-staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een
-zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen:
-marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl
-niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er
-van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort
-zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het
-dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend
-met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen
-zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld
-met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een
-behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die
-inktvisschen zag, zeide zij:
-
-„Dat zijn tjoemi-tjoemi, [76] die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel
-uiterst lekker smaken.”
-
-„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.
-
-Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de
-beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te
-slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.
-
-„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de
-gebruikelijke entrée en matière over wind, weer, gelegenheid, hoop van
-aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in
-den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen
-hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat
-gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch
-op de hoogte gesteld, nietwaar?”
-
-Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.
-
-„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”
-
-„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik
-heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan
-aannemen.”
-
-„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden.
-Luistert, gij krijgt....”
-
-„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel
-hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk
-ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”
-
-„Maar dat is waanzin.”
-
-„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die
-stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring
-niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik
-u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht,
-verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald,
-geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van
-dat besluit, ongeschonden blijve!”
-
-Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de
-hand.
-
-„En gij?” vroeg hij aan Frank.
-
-„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen
-te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”
-
-Hij boog en ging naar voren.
-
-„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.
-
-„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat
-ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u
-mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is
-mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet
-waar?....”
-
-„Neen, maar ga voort.”
-
-„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel....”
-
-„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te
-verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt,
-kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”
-
-„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten
-uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming
-werkzaam gesteld te worden aan; maar.... niet dadelijk....”
-
-„Niet dadelijk!... Hoe bedoelt gij dat?”
-
-„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels
-naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus
-slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt
-niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere
-militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal
-onder die omstandigheid later, wanneer de roes der wittebroodsweken
-doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal
-komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne
-verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot
-zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat
-rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij
-duidelijk vertolkt werd: zij trouwde met een sergeant, met wien zij
-kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk,
-welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt
-mij het bloed naar het hoofd, dan....”
-
-„Maar ge zult niet als sergeant met mijne....”
-
-„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat
-door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen
-geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil
-daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij
-mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar
-verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en
-dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder
-schitterende omstandigheden vond...”
-
-„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”
-
-„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen
-treden.”
-
-„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te
-doorworstelen hebben.”
-
-„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank,
-zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal
-mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om
-den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden luitenant
-benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder
-ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan
-te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die
-mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij
-te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal
-op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner
-Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de
-epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met
-te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal
-kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking
-waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de
-vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en
-tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”
-
-Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken.
-Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:
-
-„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel.
-Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral
-ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel
-teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.... toch meen ik er
-op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw
-doel bereiken zult.”
-
-„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren
-in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om
-bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben
-thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik
-erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet
-moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren moeten wachten, alvorens mijn
-vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw
-zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de
-genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen
-verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet
-trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende
-dien tijd met haar te staan....”
-
-„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met
-nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle
-deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij
-de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij
-gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij
-lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen
-ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden
-van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik,
-zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de
-hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat
-ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik
-toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet
-anders handelen kan en mag, dan ik doe.”
-
-Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.
-
-„Brassen!” klonk het kommando over het dek.
-
-Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de
-jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het
-watervlak gekluisterd hield.
-
-„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het
-vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en
-op het dek verscheen.
-
-En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. De
-Fernandina Maria Emma hervatte koers en stevende noordoost op. De
-passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den
-volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.
-
-
-
-De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en
-slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der
-dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden der Fernandina Maria
-Emma op het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste
-gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring
-der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.
-
-„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein
-Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des
-hemels toenam.
-
-In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim
-zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde.
-In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip,
-touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud
-overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds
-meer dan over de helft boven den horizont gestegen.
-
-„Land vooruit!” klonk het uit den mast.
-
-Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich
-al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland
-bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten
-volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn
-kijker.
-
-„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een streek meer
-noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”
-
-„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam.
-„Gaat gij de Behouden Passage door?”
-
-„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt,
-gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet
-om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn,
-laat ik het fregat een paar streken oploeven.”
-
-Tegen het middaguur stevende de Fernandina Maria Emma met volle zeilen
-Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries
-ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng
-Blimbieng [77] de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te
-bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden
-afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en
-105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap
-van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte
-bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van
-bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog
-eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en
-richtte het fregat daarop den steven.
-
-„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.
-
-„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is
-Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”
-
-„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe
-Seboekoe,” zei kapitein Butteling.
-
-„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie
-groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe
-watervlak voordoen!”
-
-De Fernandina Maria Emma vervolgde statig haren koers. Verscheidene
-schepen waren in het gezicht, en stevenden, evenals zij,
-noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel
-het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling:
-„Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die
-bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”
-
-„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe
-Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die
-bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij
-die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer
-dat het fregat zooveel vaart maakt.”
-
-„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.
-
-„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein
-Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma
-wel een risje mangistan [78] zouden lusten.”
-
-„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.
-
-„Of een bos pisang[44], of eenige doerianpitten, [79] met haar dik
-machtig moes omgeven.”
-
-„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.
-
-Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus
-tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht
-toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.
-
-„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik
-morgen ochtend u het: slamat tahoen baroe [80] op Batavia’s reede te
-kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang,
-ramboetan [81], doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij
-voort!”
-
-In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe Krakatoea en
-zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.
-
-„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,”
-merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij
-met wijngaarden overdekt is.”
-
-„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is
-bijna geheel met maritja beplant.”
-
-„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal
-kostbaar wezen.”
-
-„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van
-Dam gebelgd.
-
-„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker.
-„De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende
-heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot
-de piperaceën....”
-
-„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa... hoe heet het ook
-weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die
-hooge berg daar ginds in het noorden heet.”
-
-„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe
-pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die
-ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”
-
-De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de
-verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt
-maakte. In dit oogenblik stevende de Fernandina Maria Emma tusschen het
-eiland Dwars-in-den-weg en den Javawal door. Rakelings bijna scheerde
-het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland,
-dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en
-stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas hoek te ronden. Het
-was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne
-passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.
-
-Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te
-temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds
-voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden
-Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s
-reede vallen.
-
-„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw
-ingetreden jaar!”
-
-Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van de Fernandina Maria
-Emma gewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich
-tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien
-en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.
-
-„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd,
-toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”
-
-„En gij, dierbare Adelien, op mij!”
-
-Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte
-vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren
-later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het
-fregat [82] om het detachement militairen over te voeren, en waren
-weldra de tijdelijke opvarenden van de Fernandina Maria Emma, die voor
-een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en
-stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?
-
-O! wij zullen den lezer niet laten smachten!
-
-
- EINDE
-
- VAN „NAAR DEN EQUATOR.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-[1] In viam pacis.... In nomine Domini! (bladz. 8). Dit is het begin
-van een gebed, dat door vrome Katholieken als reisgebed gepreveld
-wordt. Die woorden beteekenen: Op den weg des vredes.... In naam des
-Heeren!
-
-[2] Mompeer, mameer, momfreer en maseur, (bladz. 8) zijn Maastrichter
-uitdrukkingen, afkomstig van de Fransche uitdrukkingen: mon père, ma
-mère, mon frère, ma soeur. Het komieke ten dezen is, dat de
-bezittelijke voornaamwoorden daarbij behouden blijven, al hebben ze
-geen recht van bestaan. Zoo zal een Maastrichtenaar zich uitdrukken:
-„Wie geit et met eure mompeer? Hoe vaart uw vader?” of: „ig hub eur
-maseur gepuund. Ik heb uwe zuster gezoend.”
-
-[3] Pangue lingua (bladz. 8) zijn de beginwoorden van een lofzang, die
-veelal bij de opheffing van of bij den zegen met de Hostie aangeheven
-wordt.
-
-[4] De „Lévrier” (bladz. 9) is sedert jaren het voornaamste hotel van
-Maastricht.
-
-[5] Vade retro Satanas (bladz. 11) beteekent: Wijk terug, o Satan.
-
-[6] Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix (bladz. 17)
-beteekent: „Onder uwe hoede nemen wij onze toevlucht, o Heilige moeder
-Gods.” Is het begin van een gebed tot Maria.
-
-[7] Crypte, (bladz. 24). Zoo wordt een onderaardsch gedeelte eener
-Roomsche kerk genoemd, hetwelk gewoonlijk onder het koor aangetroffen
-wordt. Niet alle Roomsche kerken hebben evenwel Crypten.
-
-[8] De Eerw. heer Canoy, (bladz. 24) destijds professeur en
-philosophie, was een der humaanste en liefderijkste docenten te Rolduc.
-
-[9] Sancta Lydia, ora pro nobis (bladz. 25) beteekent: Heilige Lydia,
-bid voor ons.
-
-[10] Compareat (bladz. 33) beteekent: dat hij verschijne!
-
-[11] Vere dignum et justum est (bladz. 41) beteekent: het is inderdaad
-waardig en billijk. Het zijn de eerste woorden van een indrukwekkenden
-gebedzang, die gedurende het misoffer de consecratie der Hostie
-voorafgaat.
-
-[12] Ecce agnus Dei qui tollit peccata mundi (bladz. 41) beteekent: Zie
-hier het lam Gods, dat de zonden der wereld draagt.
-
-[13] In manus tuas Domine, commendo spiritum meum (bladz. 45)
-beteekent: In uwe handen, o Heer, beveel ik mijnen geest.
-
-[14] De profondis clamavi ad te Domine, Domine exaudi vocem meam
-(bladz. 45) beteekent: Uit de diepte heb ik tot u geroepen, o Heer!
-Heer, verhoor mijne stem. Is het beginvers van een psalm.
-
-[15] Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden, (bladz. 77).
-Thans is het aannemen van handgeld geen beletsel meer om officier te
-worden. Die naam van handgeld is ook veranderd en heet thans premie.
-
-[16] De Balg (bladz. 97) is eene uitgestrekte zandbank, die oostwaarts
-van Nieuwediep in de Zuiderzee gelegen is.
-
-[17] Het Enkhuizer zand (bladz. 99) is eene belangrijke zandbank, die
-zich in de Zuiderzee tusschen Enkhuizen en het eiland Urk uitstrekt.
-
-[18] Lutjeswaard (bladz. 100) is eene zandbank in de Zuiderzee ten
-noorden van het eiland Wieringen.
-
-[19] Bakboord (bladz. 106) wordt de linker- en stuurboord de rechterzij
-van het schip genoemd.
-
-[20] Brassen (bladz. 109) is de benaming van het stellen der razeilen
-in de gewenschte richting om den wind op te vangen. Vierkant brassen is
-de ras loodrecht op de lengteas van het schip brengen. Geschiedt
-wanneer de wind vlak van achteren inkomt.
-
-[21] Bezaanschoot aan! (bladz. 110). Het aanhalen van den schoot van
-het bezaanzeil, duidt steeds op goed weer en goede gelegenheid. Daarom
-wordt veelal na die manoeuvre aan de bemanning een extra oorlam
-verstrekt. Dientengevolge heeft het commando van: bezaanschoot aan! de
-beteekenis van eene extra verstrekking van jenever gekregen.
-
-[22] A. V. H. (bladz. 111) de voorletters eener handelsfirma te
-Rotterdam, is het merk van een der beste jeneversoorten, die naar Indië
-verscheept worden. Die drie kapitale letters hebben daar eene treurige
-vermaardheid.
-
-[23] Boontje (bladz. 113). Boon, of liever witte boon, was destijds een
-schimpnaam, die door het volk in Nederland jegens militairen, maar
-vooral jegens infanteristen, gebezigd werd.
-
-[24] Te kooi (bladz. 116). De zeelieden noemen hunne hangmat of
-slaapstede kooi. De wacht te kooi beteekent dus: in bed liggen.
-
-[25] Noord-Hinder (bladz. 116) is eene zandbank in de Noordzee, waarop
-een lichtschip op 51° 47′ noorderbreedte en op 2° 38′ oosterlengte van
-Greenwich gelegen is. In de nabijheid liggen de banken West- en
-Oost-Hinder, Fairybank en Bligh Bhinks.
-
-[26] De koebrug (bladz. 120). Op de Fernandina Maria Emma stond de
-groote boot op het dek tusschen den grooten- en fokkemast gesjord.
-Boven die boot was eene stelling aangebracht, waarop waarlooze stengen,
-raas, rondhouten, enz. geborgen lagen, die als het ware eene brug boven
-die boot vormden. Die brug werd koebrug genoemd.
-
-[27] Rosa Damascena (bladz. 120) is de geleerde naam van onze Perzische
-roos.
-
-[28] Kerk (bladz. 121) is een vertrek in het achtergedeelte van het
-schip, waarop de hutten der passagiers uitgang hebben. Bij groote
-passagiers-stoombooten wordt dat vertrek met den naam salon bestempeld.
-
-[29] Fokkemast (bladz. 123) is de naam van den voorsten mast. De tweede
-heet groote mast en de derde, bij een fregat zooals de Fernandina Maria
-Emma was, heet kruismast.
-
-[30] Sandettie en Goodwin’s sand (bladz. 123) zijn zandbanken in de
-Noordzee meer onder de Engelsche kust. Eerstgenoemde nagenoeg in het
-midden van het vaarwater tusschen Ramsgate en Duinkerken gelegen.
-
-[31] Grietje geien (bladz. 123). Een fregat heeft aan den kruismast de
-navolgende vierkante zeilen: beneden het bezaanzeil, daarboven het
-bagijnezeil, verder het kruiszeil en daarboven het grietje; aan den
-grooten mast: het grootzeil, het groot marszeil, het groot bramzeil en
-het groot bovenbramzeil; en aan den fokkemast: de fok, het
-voormarszeil, het voorbramzeil en het voorboven bramzeil.
-
-[32] Vaam (bladz. 124) of vadem is eene lengtemaat gelijk aan 1.83 M.
-
-[33] Den Burg (bladz. 139) was destijds en is nog, meen ik, het
-voornaamste logement te Nieuwediep.
-
-[34] Dum nihil est in poculo! (bladz. 140) beteekent: Wijl niets meer
-in den beker is!
-
-[35] Kondeh (bladz. 142). In Indië kammen, zoowel de Europeesche dames
-als de vrouwen des lands, zich het haar glad naar achteren, en binden
-den geheelen haardos, die gewoonlijk rijk en prachtig moet genoemd
-worden, in een wrong tegen het achterhoofd op, alwaar hij met een paar
-haarspelden bevestigd wordt. Die zoo opgebonden wrong wordt kondeh
-genoemd.
-
-[36] Zeilen tegengebrast (bladz. 150). Tegenbrassen noemt men de zeilen
-zoo stellen, dat de wind aan den voorkant invalt. Wanneer een gedeelte
-der zeilen voor den wind en de andere tegengebrast zijn, dan
-vernietigen die beide krachten elkander en blijft het schip nagenoeg
-stationnair.
-
-[37] Een melkmeisje er van maken (bladz. 159). Wanneer het schip aan
-beide zijden lijzeilen voert, hetgeen slechts met zeer ruimen wind kan
-geschieden, dan wordt de vergelijking van het melkmeisje, met hare
-melkemmers aan weerszijden, gemaakt.
-
-[38] Een oppertje (bladz. 168) komt van opperwal, welke term door de
-zeelieden gebezigd wordt, om een eiland, eene kust, eene landtong, eene
-kaap, enz. te beduiden, die boven den heerschenden wind ligt en dus
-daartegen dekt. Achter zoo’n opperwal ligt een schip veilig.
-Overdrachtelijk wordt nu aan boord ieder voorwerp een oppertje genoemd,
-dat tegen den wind beschut.
-
-[39] Pardoens (bladz. 174). De stengen, de verlengstukken der masten,
-worden voor gesteund door de stagen en zijdelings-achterwaarts door de
-pardoens. Stagen en pardoens bestaan uit zwaar touwwerk, evenwel van
-mindere dikte dan dat, waaruit het want bestaat.
-
-[40] Sapada, bawa minoeman! (bladz. 185) beteekent: Hei daar, breng
-drank! Het woord sapada is verbasterd van si apa ada, hetgeen
-beteekent: Wie is er? een gewone uitdrukking in Indië om een bediende
-te roepen.
-
-[41] Dobberende bij de Canarische eilanden (bladz. 191). De schrijver
-bracht in October 1872 met het schip Kosmopoliet III vier dagen
-tusschen de Canarische eilanden door. De bijzonderheden bij die
-gelegenheid omtrent Teneriffe opgeteekend, worden hier weergegeven. Het
-verhaal van de schipbreuk der Senhora Dolorès is overgenomen uit het
-journaal van een scheepsgezagvoerder, die mij dat later toevertrouwde.
-De aardrijkskundige bijzonderheden van die aanteekeningen en van dat
-journaal werden bij het terneerstellen van dit verhaal getoetst aan de
-zeekaart: the Canary-Islands surveyed by Captn A. T. E. Vidal and
-Lieutt Arlett R. N. Officers of H. M. S. Etna.
-
-[42] Theorie houden (bladz. 192) wordt in de Indische militaire wereld
-genoemd: het geestdoodend opdreunen van de van buiten geleerde
-reglementen.
-
-[43] Een halfdekje slaan (bladz. 197) beteekent: Het halfdek—dat
-gedeelte van het dek, hetwelk zich tusschen den grooten mast en den
-spiegel uitstrekt—op en neer wandelen.
-
-[44] Cocospalm (bladz. 201) = Cocos nucifera; Dadelpalm = Phoenix
-dactylifera; Drakenbloedboom = Dracaena draco; Pisang-soorten =
-Musaceën, waaronder de Musa paradisiaca.
-
-[45] De drakenbloedboom te Orotava (bladz. 203) bestaat niet meer.
-Ongeveer twaalf jaren geleden werd hij door een orkaan midden
-doorgescheurd en werden zijne overblijfselen voor en na voor brandhout
-gebezigd.
-
-[46] Kaap Clear en Mizen Point (bladz. 207) zijn de zuidelijkste en
-zuidwestelijkste punten van Ierland.
-
-[47] Teneriffe-wijn (bladz. 209) is een soort Madeira-wijn.
-
-[48] Corregidor (bladz. 217). Zoo werd in Spanje en in de koloniën van
-dat rijk, voor de invoering der nieuwe gemeentewet, de voorzitter van
-den stedelijken raad genoemd, die behalve met het bestuur tevens met de
-rechtspraak belast was.
-
-[49] Het kabelgat (bladz. 231) is een nauw hok voor den fokkemast,
-waarin gewoonlijk kabels, touwwerk, oude zeilen, enz. geborgen worden.
-Wordt veelal gebruikt tot arrestkamer om weerspannigen te straffen.
-
-[50] Blikvuren (bladz. 240) zijn vuurwerkerssignalen met gekleurd
-licht.
-
-[51] De patrijspoortjes (bladz. 254) zijn de luiken of vensters in de
-zijden van het schip, waardoor licht en lucht toetreden kan. De naam
-patrijspoort is waarschijnlijk eene verbastering van batterijpoort.
-
-[52] Het phosphoresceeren der zee (bladz. 258) wordt veroorzaakt door
-microscopische zeedieren, waaronder de Noctiluca miliaris eene hoofdrol
-vervult. Bijna alle groepen van zeedieren evenwel, als: infusoriën,
-polypen, actiniën, kwallen, medusen, zeesterren, huidzakdieren,
-schelpdieren, raderdiertjes en kreeftensoorten, werken daartoe mede.
-
-[53] Spinnekop (bladz. 259) wordt genoemd: een blok met ingeschoren
-lijntjes, waaraan de zonnetent bevestigd is. Door dit blok, hetwelk
-gewoonlijk aan een der stagen bevestigd is, kan de zonnetent op- en
-neergehaald worden. Het geheel lijkt veel op eene spin in haar web.
-
-[54] Makreelen (bladz. 264) = Scomber scombrus.
-
-[55] Menschen-haaien (bladz. 265) = Squalus carchrias.
-
-[56] Thonijn (bladz. 266) = Thynnus vulgaris.
-
-[57] Boniet (bladz. 266) = Thynnus pelamys.
-
-[58] De Doraden (bladz. 271) behooren tot de Makreelen (Scomberoïdei).
-De geleerden noemen die vischsoort met den algemeenen naam Coryphaena.
-Er zijn vele Coryphaenae-soorten, waarvan de C. pelagica de meest
-menigvuldige in den Atlantischen Oceaan is en de C. hippurus in de
-Middellandsche zee.
-
-[59] De hoogvlieger (bladz. 273). Onder de vliegende visschen is de
-Exocoetus volitans.
-
-[60] De op bladz. 277–280 en later volgende mededeelingen omtrent Rio
-Janeiro zijn getrokken uit een manuscript-dagboek van een officier van
-het Ned. Ind. leger, dat door den schrijver getoetst werd aan het werk:
-South America by A. Gallenga London. Chapman and Hall Limited 193
-Piccadilly, en aan de zeekaart: Rio de Janeiro Harbour from a chart by
-J. de Lamare Captn Brazilian navy 1847, with additions and corrections
-by Captn E. O. Stanley, G. H. Richards and Lieutt C. Bullock R. N.
-
-[61] Palmwijn (bladz. 281). De hier bedoelde is afkomstig van de
-Mauritia vinifera, wel het grootste, prachtigste en nuttigste specimen
-van de palmsoorten. Wordt in geheel Brazilië, maar vooral langs de
-Amazone in uitgestrekte bosschen, aangetroffen.
-
-[62] Djarak (bladz. 292) = Ricinus communis.
-
-[63] Stormzwaluwen (bladz. 303) heeten bij de geleerden Procellaria
-pelagica.
-
-[64] Ikan poes (bladz. 320). Ikan beteekent visch. Het woord poes is
-afkomstig van het geluid, hetwelk de visch maakt bij het uitblazen van
-de lucht door het spuitgat, hetwelk hij boven op het hoofd heeft. Van
-dat woord poes heeft de Dajak het woord mapoes vervaardigd in de
-beteekenis van: proestend, met gedruisch en ver wegspuwen.
-
-[65] Kaap Agulhas, de zuidelijkste punt van Afrika, ligt op 32° 23′
-zuiderbreedte en 19° 44′ oosterlengte niet ver van de Kaap de Goede
-Hoop (bladz. 324).
-
-[66] Slingerlatten (bladz. 325) zijn latten, nagenoeg drie vingeren
-breed, die loodrecht op en langs den rand der tafel geplaatst worden.
-Met het tafelblad tot bodem vormen zij een soort bak, waarin borden
-enz. betrekkelijk veilig staan.
-
-[67] Slingerborden (bladz. 325) zijn in den regel schijfvormige
-plankjes, die door middel van drie touwtjes, welke zich in het
-ophangspunt vereenigen, aan de dekbalken bengelen. Die slingerborden
-hebben voldoende zwaarte om steeds loodrecht te blijven hangen, welke
-hellingen het schip ook bij het slingeren en stampen aanneemt.
-
-[68] IJzerhoudend water (bladz. 327). De watervoorraad aan boord is
-gewoonlijk besloten in ijzeren ketels, waarin het water eene
-roodachtige kleur en eenen onaangenamen smaak verkrijgt.
-
-[69] Die voorspelling kwam uit (bladz. 329). De Stad Leiden kwam drie
-dagen na de.... Fernandina Maria Emma—laten wij dien naam ook in de
-aanteekeningen blijven behouden—op Batavia’s reede aan.
-
-[70] Zuidwesters (bladz. 332) zijn bolvormige petten, gewoonlijk van
-geölied doek vervaardigd, die eene ver achteruitstekende klep van
-achteren hebben, zoodanig aangebracht, dat zij nek en ooren uitstekend
-beschut.
-
-[71] Jan in den zak (bladz. 350) is eene koeksoort van meeldeeg, dat in
-een zak gekookt wordt. Behoort tot de lekkernijen aan boord.
-
-[72] Spen (bladz. 351) is op Java eene verbastering van dispens.
-
-[73] Marion (bladz. 356). In December 1872 stevende de schrijver met
-het schip Kosmopoliet III langs het eiland Marion. De hiervermelde
-bijzonderheden werden toen opgeteekend en thans getoetst aan de
-zeekaart: Prince Edward Islands by Captn L. S. N. R. Nares of H. M. S.
-Challenger.
-
-[74] Vetganzen (bladz. 357), ook Pingouïnen genaamd, behooren tot de
-familie der Alcinae. Bij de geleerden heeten zij Aptenodytes
-Patagonica.
-
-[75] De eilanden Sint Paul en Amsterdam (bladz. 367) liggen in den
-Indischen Oceaan op 37° zuiderbreedte.
-
-[76] De tjoemi-tjoemi of inktvisch (bladz. 374), is een weekdier uit de
-klasse der Cephalopoda (koppootigen) en uit de afdeeling der Decapoda
-(tienpootigen). Bij de geleerden heet hij in het algemeen Sepia,
-waarvan de Sepia officinalis wel de meest talrijke soort is.
-
-[77] Tandjoeng Blimbieng (bladz. 381) beteekent de Blimbieng-kaap.
-Blimbieng is oen boom, die van 15 tot 20 voet hoog wordt. Hij heet bij
-de geleerden Averrhoa carambola, en hoort tot de order der Oxalideeën
-(klaver-zuringachtige). De vrucht—eene bes—is zeer smakelijk, vrij
-groot, vijfhoekig met scherpe randen, en heeft eene zeer dunne, groene
-schil, die bij het rijp worden geel wordt. Er zijn twee soorten: de
-Blimbieng manies—de bovenbedoelde—en de Blimbieng assem, Averrhoa
-Bilimbi.
-
-[78] Mangistan (bladz. 382) = Garcinia Mangostana, eene overheerlijke
-vrucht, die door een Engelschman Sir E. Tennent vergeleken werd met:
-welriekende sneeuw.
-
-[79] Doerian of Doeren (bladz. 382) = Doerio Zebethinus, eene lekkere,
-maar zeer sterk riekende vrucht. Wij vonden ergens door een Franschman
-omtrent die vrucht opgeteekend: „Il a tout à la fois la saveur de
-plusieurs fruits et légumes, de la crême et en même temps une odeur de
-concombre et d’ail, en sorte qu’il semble d’abord fétide et repoussant;
-mais il parait qu’on s’y fait peu à peu et qu’on le trouve ensuite
-délicieux.” Wij onderschrijven die uitspraak ten volle.
-
-[80] Slamat tahoen baroe (bladz. 382) = nieuwjaars-heilwensch.
-
-[81] Ramboetan (bladz. 382) = Nephelium lappaceum, ook eene zeer
-gewilde vrucht.
-
-[82] Tien kojangs prauwen (bladz. 384) zijn vaartuigen, die tien
-kojangs kunnen laden. Een kojang = 30 pikols. Een pikol = 61,76125
-kilogram. Een tien kojangs prauw kan dus ruim 18528 kilogrammen laden.
-Het zijn logge vaartuigen met een mast, die een gaffel- en een
-kluiverzeil voert.
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAAR DEN EQUATOR ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.