diff options
Diffstat (limited to 'old/69120-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69120-0.txt | 13510 |
1 files changed, 0 insertions, 13510 deletions
diff --git a/old/69120-0.txt b/old/69120-0.txt deleted file mode 100644 index 0a88d4f..0000000 --- a/old/69120-0.txt +++ /dev/null @@ -1,13510 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Naar den Equator, by M. T. H. Perelaer - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Naar den Equator - Een kwart eeuw tusschen de keerkringen - -Author: M. T. H. Perelaer - -Release Date: October 9, 2022 [eBook #69120] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from images made available by the - HathiTrust Digital Library.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAAR DEN EQUATOR *** - - - - - - EEN KWART EEUW TUSSCHEN DE KEERKRINGEN - - NAAR DEN EQUATOR - - MET EEN VOORSPEL: - - VAN PASTOOR SOLDAAT - - DOOR - M. T. H. PERELAER - Gepd Hoofdofficier van het Nederl. Indische leger. - Schrijver van „Borneo van Zuid naar Noord” - - - ROTTERDAM - UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” - 1884 - - - - - - - - -VOORWOORD. - - -Na de verschillende aanvallen, die mijn „Borneo van Zuid naar Noord” te -verduren heeft gehad, en waarbij men hoofdzakelijk nevenzaken aangetast -heeft, met het kennelijk, zelfs eens met het erkend doel om de -waarheidsliefde omtrent de hoofdzaak in verdenking te brengen, zal een -klein woord vooraf niet ondienstig zijn. - -Toen ik met den Directeur der Uitgevers-Maatschappij „Elsevier” dezen -mijn nieuwen arbeid „Een kwart eeuw tusschen de Keerkringen” besprak, -vroeg hij mij of die eene autobiographie zoude worden, en antwoordde ik -hem, dat het leven van één mensch, hoe veelbewogen het ook geweest zij, -hoogst zelden voldoende stof leverde om ook maar één boekdeel te -vullen. Dat er zoo iets dus in mijn arbeid niet mocht gezocht worden! -„Neen,” voegde ik er bij, „ik wil uit veler leven een greep doen, ook -hier en daar uit het mijne, waar mij dat gepast zal voorkomen. Die -grepen zal ik door middel van een lichten romantischen draad tot een -geheel trachten te verwerken, waardoor een aanschouwelijk beeld -ontstaan zal—zoo hoop ik althans—van wat het leven in -Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt. Ik zou mijn werk op het -voetspoor van Alfred de Vigny: „Grandeurs et servitudes dans l’armée -des Indes Orientales Néerlandaises” hebben willen betitelen, hadde ik -daardoor geen plagiaat gepleegd en ware het mij mogelijk geweest dien -titel naar mijn zin in goed Nederlandsch over te brengen.” - -Het doel van den arbeid, waarmede ik ander maal voor het publiek treed, -is daarbij voldoende omschreven en heb ik bij de mededeeling daarvan -niets te voegen, dan alleen de betuiging, dat ik—om mijne krachten niet -te verspillen in een afmattenden strijd,—geene enkele recensie zal -beantwoorden, die zich ten doel mocht stellen de geloofwaardigheid van -de geleverde verhalen aan te vallen of verdacht te maken. Om de -recensenten bij hun arbeid dadelijk te gemoet te komen, verklaar ik dat -die verhalen verdicht zijn en dat het derhalve noodelooze moeite zal -zijn, zich in gissingen omtrent namen of omtrent andere bijzonderheden -te verdiepen. Overigens hoop ik dat de welwillende lezers in die -bladzijden zullen vinden, wat ik getracht heb er in neer te leggen: het -aanschouwelijk beeld namelijk van wat het leven in Nederlandsch-Indië -den krijgsman aanbiedt, waarvan ik hier boven sprak en eene aansporing -voor hen, die leeken zijn op koloniaal gebied, om met onze zoo schoone -Koloniën meer bekend te geraken. - - - Den Haag, 20 November 1883. - - DE SCHRIJVER. - - - - - - -INHOUD. - - - Voorspel: VAN PASTOOR SOLDAAT. - - I. Op Slavante Bladz. 3 - II. Te Rolduc 22 - III. Een man over boord 44 - IV. Bij het Koloniaal Werfdepôt 65 - - - NAAR DEN EQUATOR. - - I. Naar zee 97 - II. In de Noordzee—Kennismaking 115 - III. Verdere kennismaking.—In het Kanaal 134 - IV. De Atlantische Oceaan 153 - V. Eene stortzee 172 - VI. Dobberende bij de Canarische eilanden 191 - VII. Tusschen de keerkringen 210 - VIII. De muiterij 230 - IX. Eene lijkplechtigheid aan boord 249 - X. Naar Brazilië’s hoofdstad 268 - XI. Weer naar zee 287 - XII. Een onderhoud.—Bruinvisschen 306 - XIII. Storm.—Om de zuid 324 - XIV. Kaapsche duiven en Albatrossen 340 - XV. In den Zuidoostpassaat 354 - XVI. Straat Sunda 367 - - - AANTEEKENINGEN 385 - - - - - - - - -VOORSPEL: - -VAN PASTOOR SOLDAAT - - -I. - -OP SLAVANTE. - - -Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., -was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de -nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen, bijzonder -levendig. - -Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den -genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28ste Pruisische -linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—een matinée -musicale en de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de -heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het -hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino -verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht -maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene -liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd. - -Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het -lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, -rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het -traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de ruischende -waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet -ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de -koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een -afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel -chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar -die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer -dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of -kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De -meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, -dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste -tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker -etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was. - -Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de -aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele -dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van -het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, -ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.... men kon toch niet -weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende -van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene -bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt -bleef. - -Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau -uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en -dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die -reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke -geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene -dartele jeugd van beiderlei kunne, hier stoeiend en plagend, daar -elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar -overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op -de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons -Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst -met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben. - -En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer -ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem -vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn -gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, -en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne -maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een -bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, -die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig -ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten -brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van -jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne -volle ontwikkeling vertoonden. - -Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet. - -Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het -Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, -die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend -kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij -eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig -paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die -muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, -of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden, klonk nu zacht -gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen -onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs -die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met -het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden -zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld -worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” -struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke -geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang -veroorzaakt. - -De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang -veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen. - -Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter -familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het -volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. -Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand -leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de -afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van -straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder -belangwekkend is. - -Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was -van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend -waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden -overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden. - -De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien -of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink -ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen -ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna -nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien hij sprak. Hij hield -dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen -op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, -en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar -zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog -zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het -eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van -het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven -in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, -waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals -zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander -linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij -breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen -van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij -zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit -omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als -wilden zij ijdele blikken afweren. - -Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den -Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. -Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die -kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen -gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite -gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als -een matinée musicale is, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te -wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat -hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij -daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar -vergaan zal, had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. -Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf -toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet -was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar -gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten -pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met -vuur: „In viam pacis.... In nomine Domini!” [1] een gebed, dat hem als -„itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de -vacantie verstrekt was. - -Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder -te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet -verboden scheen. - -„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. -„Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te -laten hooren.” - -„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. -„Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel -liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer [2], het „pangue -langua” [3] is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.” - -„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den -onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn -wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat -vaarwel te zeggen.” - -„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met -vuur. „Niets, het allerminst die wereld”... - -„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem -achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn -schouders rustte. - -Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak. - -De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was -deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in -persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag -zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij -het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van -keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij -over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan -werd. - -„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen -hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak. - -„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.” - -„En waar komt gij vandaan?” - -„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, -terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden -begroette. - -Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder. - -„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België -te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was, „en ben nu zoo wat aan -het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar -naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het -groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar -Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!” - -„Maar hoe komt ge thans hier?” - -„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van -Luik aan. Ik vernam in de „Levrier” [4], dat er heden namiddag te -Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd -zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen. Ik -had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van -Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van -vergelijking te maken.” - -„Gij!... Frank, gij?...” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem. - -„Ja... ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen -heb.” - -„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons -allen!...” - -„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het -gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was -dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te -Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. -Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb -mijn punten van vergelijking nog te maken.” - -„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman. - -„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in -het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner -vergelijkingen verlangen.” - -Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het -ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven. - -De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s -overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, -noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem. - -„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet -ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de -jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel -bespeurd. Haar was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij -hem telkens aandoet.” - -„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den -onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. -„Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja -onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden -der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van -Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te -begeven!” - -De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in -weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had. - -De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn -vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden -op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden -langs de omheiningsmuren niet. - -„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief -bekje!” - -„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder. - -„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende -uitroep. - -Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te -beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij -iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en -bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien -geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve -bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar -opmerkte. - -„Vade retro Satanas!” [5] prevelde hij met een soort grimmigen moed, -wanneer zijn blik dien van de eene of andere schalksche schoone -kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien -langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van -spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als -satan verzocht werd achteruit te wijken. - -Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de -sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis -zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed: - -„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!” [6] - -Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der -Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen -na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die -spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop -neer te slaan. - -„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling -als in een dankgebed uit. - -Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen -laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet -Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde -maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude -lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in -vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor: - -„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.” - -„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank. - -„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman. - -„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men -boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele -Maasdal overziet?” - -„O! veel fraaier!” - -„Is het ver van hier?” - -„Neen, vlak bij.” - -„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich -zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij... wel, dan -zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen -zoeken het schoone!” - -Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. -De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een -waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee -takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in -zuidelijke richting voortging. - -„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad. - -„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang -van den Sint Pietersberg.” - -„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. -Morgen wellicht.” - -Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, -en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar -plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn -vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een -hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van -het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne -rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan -Frank een kreet van bewondering. - -Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien -kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde -zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en -hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op een soort van -bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den -bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd -passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde -met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas -overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige -vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest -dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. -Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten -onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, -allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden -met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en -zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en -met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene -allerliefste omlijsting vonden. - -Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar -zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van -die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar -vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden, -vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het -zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en -waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met -het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg -lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen -door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien -kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een -hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die -aangaven dat eene stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken -behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van -aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was. - -Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den -overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten -zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de -Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk -zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde -water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht, -strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder -meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het -grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp -Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken -lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer -in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij -die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van -het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het -zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé -aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied. - -Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch -landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen -getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij, -haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met -aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een -verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden -met hare zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige -bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen -van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met -vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte, -die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’ -heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts -uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg -evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de -schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een -open oog voor natuurschoon had, moest boeien. - -„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik -dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat -het zijn nut heeft.... op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je -ouders hadden blijven zitten, dan.... dan had ik althans dat gezicht -gemist.” - -Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar -voorshands niet op. - -Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden, -vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok. - -„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij. - -Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit, -terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven -de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken. - -„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu -zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een -zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich -de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim -uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die -fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg.... -Herman....” - -Geen antwoord. - -„Zeg, Herman!.... Zie je dat?” - -Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen: - -„Waar zit hij?” - -Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem, -maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In -den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de -armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde: - -„Sub tuum presidium....”[6] - -„Confugimus sancta Dei genetrix,”[6] viel Frank lachend in. „Het is bij -mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te -stellen! Maar, waar kijk je naar?.... Drommels! wat een paar mooie -meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te -aanvaarden! Zoo, zoo!” - -Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen, -die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het -schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook -aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden -bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op -weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst, -die allerbekoorlijkst mocht heeten. - -Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai -gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen -daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij -de andere donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een -paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd -worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas -geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde -wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker -verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde -voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets -vernomen had. - -„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als -uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des -verbonds....!” - -Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome -uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden -te verkrijgen. - -„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij. - -„Die dames?....” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet -niet, wie je bedoelt.... Ik ken ze niet.” - -Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm. - -„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben -eenigszins vermoeid.” - -Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar -boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij -de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de -twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De -beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was, -te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde, -stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank voelde het lichaam -van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames -traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging -voorbij. - -„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank. - -„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het -hart. - -„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.” - -„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets -hartstochtelijks in zijne stem. - -„Waarom niet?” - -„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld -dat ik geestelijke word, en....” - -„Zoo?... Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping -in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer -dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane, -die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?” - -„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de -voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige -overtuiging. - -„Mijn raad zou zijn: dat ge trachtet te weten te komen, wie die jonge -dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik -geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een -biechtstoel.” - -„St!... de ouwe lui kunnen ons hooren.” - -Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar -Herman’s ouders gezeten waren. - -„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe -vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche -jonge dames gevestigd?” - -„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven heeft,” -antwoordde Frank met vuur. „Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien, -nietwaar Herman?” - -Deze trok onverschillig de schouders op. - -„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon -daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene -heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot -mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen -gekomen.” - -„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon. - -„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb -er niet op gelet.” - -„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij -prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!” - -Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin -was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het -gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij -aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen -in vond. - -„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan. -Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?” - -Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig. - -„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar -de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is -Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze. - -De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken -handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en -verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven. - -Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot -achter de ooren deed blozen. - -De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als -toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende: Sie sollen ihn -nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig -sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever de -Marseillaise of de Brabançonne, en kon dat niet, dan het Wien -Neêrland’s bloed gehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen -onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het -Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers -bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de -familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog -stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling -van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche -flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden -aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche -bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans -voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale -gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte: - - - - Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours! - Patrie du houblon, je t’aimerai toujours! - Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre! - Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre! -O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la - [bierre et le bonheur - La lalala la la la lalala la la! - - - - - - - - -II. - -TE ROLDUC. - - -Ettelijke maanden waren sedert de matinée musicale voorbijgegaan, -waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der -seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en -daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was -de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van -menschelijke dwaasheid. - -Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij -daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een -engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en -had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op -hetgeen in dat hart omging. - -„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de -eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder -had of althans gehad had. - -„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem -sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods. -Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!” - -De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen der H. Kerk -te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en -dikwijls het Brood der engelen te nuttigen. - -„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke -gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze -standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te -beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend. -Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd -bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden, -haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder -uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van -onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de -geheele ziel.” - -En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de -reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad -ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van -onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in -al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort, -dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de -Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed -onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening -geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat -gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der -zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de -liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle -wereldsche geneugten gesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts -ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?... Hij! liefde koesteren -voor een schepsel?... Hij?... de bruidegom des Heeren!... Nooit!... -nooit! - -„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte [7] waarin -hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte. -„Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls -dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten, -als weigerden zij er akte van te nemen. - -De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het -verboden beeld voor zijne ziel! - -Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s -weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags -en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene -vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de -omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden -waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij -mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk -de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit -een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalte hare gestalte -niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja -teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige -oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding -te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy [8] groot gelijk -had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde: - -„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik -ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.” - -De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd -vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen. - -Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld -Lydia’s trekken aan. Bad hij de litanie van alle Heiligen, dan gebeurde -het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met -even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.” [9] - -Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke -jaarlijksche retraite plaats. Dat was het tijdperk om voor goed van -alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift -volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die -negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde -hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar -paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij -onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dien -retraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk -gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest, -en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene -algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd -werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar -heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die -algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als -uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte -aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke -beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht -om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn: retro Satanas alle -succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde -bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen -avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet -tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen. -De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht, -gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de -vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en.... -eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel -was bepaald als probaat aan te bevelen. - -Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was -hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden -mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf -van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen -van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over -zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden. -Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de -Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich -vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen: -des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen -Herman in het taaleigen van de inrichting: qu’il était un saint jeune -homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist, -beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een -verklikker was. - -De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had -Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne -godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te -Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”, -bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de -bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters -Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den -Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de -„lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten -Donderdag in de O. L. Vrouwekerk, ter herinnering aan de instelling van -het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde -op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte -zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de -voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen -volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes, -die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo -verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg, -zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij -den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat -hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te -krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te -moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie -visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was -de overwinning niet volkomen! - -De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten -aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc -midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld -prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk -verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en -Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate -fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe -geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in: - - - C’est le mois de Marie, - C’est le mois le plus beau! - A la Vierge chérie - Disons un chant nouveau! - - -wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten -aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten -zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die -werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht -volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden, -en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de -Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene -algemeene verheerlijking oplosten. - -Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het -over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij -Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht -had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren. -In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods -genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder -te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd -was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te -wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe -welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine -kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat -verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij -schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in -Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden, -ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor -den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de -bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad. - -Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van -al die jongelieden gebracht was. Toch had Professor Jansen zich met de -meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het -meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden -op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den -inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering -gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was -Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat -der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen -gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van -Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij -daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan -het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste -schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische -uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen -met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron -is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een -kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in -zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van -iederen omgang met het andere geslacht te onthouden. - -De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden. - - - -Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”. - -„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd. - -Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy -den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te -hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde -hij naar de spreekkamer. - -Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den -rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te -pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een -dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur -daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s -moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks -zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de -Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met -onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes, -die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde -had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of -opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken. - -Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe -om haar te begroeten. - -„Waar blijft Henri?” zei de een. - -„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig. - -„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den -portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd -heeft?” - -Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit -oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen -hunner mama’s besloten. - -Boven moederliefde gaat niets! - -Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen -stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen -te betrachten. Deze keerde zich juist om. - -„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond. - -Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te -smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor -de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas -binnengekomen jongelingen gevestigd was. - -Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste -vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het -seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen -rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman -in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek -toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel -van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar -innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien -wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben. - -Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den -jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der -Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich -volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt -hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den -jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien -verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent -hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel -wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad -zij op hem toe: - -„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand -vatte. - -Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de -oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige -woestheid, en fluisterde zacht: - -„Neen, het is niets! Het is al weer over!.... Eene duizeligheid... dat -is alles!... In Gods naam, wees stil... Laat mijne moeder er niets van -merken. Zij zou zich ongerust maken.” - -Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw, -die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder -zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok. - -In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie -binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de -wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten -gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk -deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk, -of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand -groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen, -terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen -van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan. -De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed, -er vuurvonken uit zijne neusspits spoten. - -Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd, -was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig -maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den -neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te -voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met -kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het -snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder -tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en -was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius -te blijven. - -Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en -in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal. -Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had -veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen -glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden. -„Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen. - -Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten -en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders -gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in -een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten -mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het -„parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen. -Geen hunner had een „compareat” [10] ondergaan, d.w.z. dat hij op -„numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend -personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder -goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde -een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het -verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan -dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur -heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen -bestonden. - -„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens -rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek -gebracht.” - -Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de -hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”, -waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de -verschillende klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de -„dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door -hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen. -Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene -onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van -het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die -ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren. - -„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is -meer dan armoede, dat is naaktheid.” - -Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik -bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te -overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift -in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het -voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer -liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen. - -Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den -directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het -gesticht door de noordoosterpoort. - -Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s -door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare -aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons -volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun -beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te -bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij -spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er -heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen -somwijlen op het onverwachtst blozen deed, zonder dat er oorzaken toe -bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat -geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond -wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op -haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het -ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar -die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van -den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje. - -Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen -verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en -vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag. -Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog -geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders -haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander -allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia -wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste -mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje -in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder. - -De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar -frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links -strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker -naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk -ruischte. - -„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren -veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe. - -De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd -ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen van het gesticht, daalde -daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen -een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden -afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen -beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en -fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van -den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg -tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes -heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een -kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den -top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan -Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist -daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te -knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die -zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderde veel -meer de gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de -keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde. - -Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal -gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp -gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij -insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de -dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naar Düsseldorf voerde, en in die -dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer -gewichtige gemeenschapsader was. - -Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje -bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die -zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de -weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet -vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men -eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in het Gasthaus -van Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar -evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken -aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had -gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij -zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen -vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit -verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen -die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij -voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het -seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig, -dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne -wangen duidelijk zichtbaar waren. - -Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te -luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een -glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere -studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die -den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige -verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H. -Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De -jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te -kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan, -alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een -zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde, -en werden alsdan door hunne medeleerlingen „monsieur le philosophe” -geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie” -(wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het -evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is. - -Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der -philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de -kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de -regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia -proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus -tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij -straks den directeur Peeters had zien doen. - -Zoo spoedden die zalige uren voort. - -Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele -tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen, -Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds -lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap -bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de -onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars -door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De -dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen -aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer -vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond. - -In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber -en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu -en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst -naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid -gevoelde. Het arme kind kon onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak -zij van die sombere gemoedsstemming was. - -Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw -Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder -op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik -aan. - -„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.” - -Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op -het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam -plaats op de voorbank. - -„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf. - -Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor -een ui aan. - -„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.” - -„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een -glimlach. - -„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem. -„Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!” - -In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan -ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over -zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in -aantocht. - -„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder. -„Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders -wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.” - -„Het is geen scherts, mameer!” - -„Maar, je plan dan om priester te worden?” - -„Ik word geen priester!” - -„Geen priester?” - -„Neen!” - -Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw -Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken. - -„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in -vertwijfeling. - -„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij -zijn neus tot bloedens toe wreef. - -„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder -den directeur aan te zien. - -„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag -blijven!” - -De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar -tot onwaarheid spreken was hij niet in staat. - -„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij -haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende. - -Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden -trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen. - -„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge -meisje. - -„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij -heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij -het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over -denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan -den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!” - -„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende -Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!” - -„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!” - -De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit -afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op -eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den -geestelijken heer schrikkelijk in de ooren. - -Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander -aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een -van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij -in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en -dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan -verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het: Vere dignum et justum -est [11] zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad: ecce -agnus Dei, qui tollit peccata mundi. [12] O! als zij dat eens in -werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie -verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij -begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest. - -„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen -sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met -ons vieren....” - -„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den -bok gaan zitten.” - -In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg -geven. - -„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den -arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake -wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die -is slechts het gevolg van een oogenblik.” - -„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik gevoel het, nimmer -zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.” - -De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van -boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan -vroeger. - -„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang -geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde -richting.... Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis -brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou -meenen, dat ge weggejaagd waart!” - -„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!” - -„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst -te veel aan uwe reputatie. Kort en goed....” - -Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.... Zij hervatte een poos -daarna, maar met tranen in de oogen: - -„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des -Heeren zoudt gewijd hebben....” - -„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden -mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in -dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!” - -De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De -directeur sloeg een kruis. - -„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn -wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een -stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe -bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch -verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.” - -„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak -van mijn geweten!” - -„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste -stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!...” - -„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën -voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen...?” - -De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde -haar zoon niet, maar ging voort. - -„... Dan blijft ge volkomen vrij.” - -„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling. - -„Ik!... ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks -gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood -denken.... hoe zou ik raad kunnen geven?....” - -Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar -haar gelaat in hare handen. - -„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw -Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.... mijn -jongen.... houd moed.... Vaarwel!” - -Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het -rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar -voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind -had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den -grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door -zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep -over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog -verdwenen. - - - - - - - - -III. - -EEN MAN OVER BOORD. - - -Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de -kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten -geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van -het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet -op: - -„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!” - -En voort ijlde hij de kerk uit. - -Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De -leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de -kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich -vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder -zich ter ruste zou begeven. - -Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam, -liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en -sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo -eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde -was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere -kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn -„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap -vergetelheid te zoeken. - -Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den -directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten. -Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus -tuas Domine, commendo spiritum meum” [13] weerklonken had, en de -leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven, -sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem, -welke van innige ontroering trilde: - -„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!” - -Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk -statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het -vierstemmig koraal: - -„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!” [14] - -Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op -zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte -volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu -eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de -eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven, -krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale -gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en -prevelde: - -„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!” - -Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te -zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden -zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde. -Hij wist niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de -profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los. - -„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit. - -Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde, -boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen: - -„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer! -Heer, verhoor mijne stem!” - -„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder -die gewelven naar boven. - -„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe -oogen vinden?” mompelde Herman. - -Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk! -Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal -vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen -zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op. - -„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar -eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig -aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik -heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!” - -Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij -weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn -kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den -directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat -in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach -en prevelde hij: - -„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp -heeft het de profundis verwonnen.” - -Ja, het de profundis had overwonnen, evenwel niet zooals de directeur -dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg -ontwaren. - -Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere -verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog -vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens -genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op -hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn -biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de -wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te -geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in -staat van genade te sterven. - -Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere -maatschappelijke staat een sacerdoce was, een priesterschap, mits de -verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er -nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardiger sacerdoce bestond -dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur -hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij -juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des -Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich -onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen. - -Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn -martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat -nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander -mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een -derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen -maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer -ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd -zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen, die wat te dikwijls -volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of -wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals. -Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn. -Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk -verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd -nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de -wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij -den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die -verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet -verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een -misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen. - -Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende -malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten: -doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er -begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was, -dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te -pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden -geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op -een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H. -Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder -daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood -geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed -ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter -bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke -aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij -een gruwel in hunne oogen.” - -Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden -bezoedeld! - -Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan -daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen -gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns -biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het -onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en -verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte -ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en -hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen. - -Zoo naderde de vacantie. - -Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe -teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n -gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het -liet hem vrij koud. - -„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten -dag met soetsappig gelaat op. - -Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te -kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke -andere oorzaken hij die ongenade te wijten had. - -Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten -van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne -Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van -Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne -toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep -zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van -Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was, -ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige -dorpen afkomstig, die den weg naar de plaats hunner inwoning -gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen, -en vernam Herman hun lied: - - - „Adieu! berceau de mon enfance! - Adieu Rolduc, aimable lieu! - Rolduc! où regne l’innocence! - La paix et le bonheur adieu! - Je pars pour consoler un père! - Adieu riant exil des bois! - Je suis au bout de ma carrière! - Salut! pour la dernière fois!” - - -„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga -den vrede des harten en het geluk te gemoet!” - -Hij volgde het fraaie gezang met de lippen. - -„Ja, waarlijk, dat Rolduc was: un riant exil des bois! Maar toch zing -ik met geestdrift: Salut! pour la dernière fois!” - -Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer -tegen het middaguur in het ouderlijke huis aan. - -Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had -hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij -met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het -seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle -moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die -onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het -allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en -zoon gevoerd. - -Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbij aansloeg: de -gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen, -een van die telgen, die zij in haren schoot gedragen, die zij gezoogd -had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden. -Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want -zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar -echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet -kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem, -die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te -nemen. - -Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke -smeekingen: - -„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij. Ik heb Lydia zoo -lief, zoo onuitsprekelijk lief!” - -Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat -Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij -dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te -keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij -kortweg: - -„Neen! mameer, dat kan niet!” - -Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou -intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis -van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets! - -„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord. - -„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder -niet zonder eenige ergernis. - -„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte -stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij -een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over -nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te -Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.” - -„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van -wilskracht. „Dat nooit!” - -Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had. - -„Nooit?....” vroeg hij met bevende stem. - -„Nooit!” was het even besliste antwoord. - -„Maar, mameer....” - -„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!” - -„Maar....” - -„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!” - -„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom. - -„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor -wetenschappelijke opleiding noodig is!” - -„Een andere loopbaan?.... Ik wilde mij aan de studie der -rechtsgeleerdheid wijden.” - -De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen. - -„De rechtsgeleerdheid!....” riep zij uit. „Was het mij niet -voorspeld?.... Nooit! nooit!” - -„Maar, mameer....” - -„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt. - -„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel -gelegenheden aan om....” - -„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der -rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.” - -„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het -droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst -der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te -maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen -slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend -is, om bij het onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer -waarde toekennen dan zij verdient.” - -„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene -Hoogeschool vertrekt!” - -„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?” - -„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te -gemoet zoudt snellen!” - -„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep -Herman uit. „Maar.... zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat -ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?....” - -„Dat is mijne zaak.” - -„Mameer!....” - -„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!” - -„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan....” - -„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het -geldt het heil der Kerk!” - -„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere -betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil -der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde -werd?” - -„Laat af! ik zeg het u niet.” - -„Mameer!....” - -Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de -zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de -oogen. - -„Mameer!....” herhaalde hij. - -De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde -zij: - -„Laat af!.... ik zeg het niet.” - -Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn -knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen -arm om haren hals, drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende -koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn -nog kortgeknipt hoofd dwarrelden. - -„Moeder!....” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de -liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie -was uw raadgever?” - -Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar -geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij -mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed. - -„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar. - -„Directeur Peeters!....” kreet de jongman met ontzetting. - -Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner -moeder gevonden had. - -„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen -uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.” - -„Mijne godsdienstige gevoelens?....” - -„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer -zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een -bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!” - -„Maar, dat is niet waar!....” - -„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u -blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te -nemen, met een Kant, met een Schopenhauer, met een Renan, met een -Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen -een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.” - -„O! dat is te erg!....” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te -erg!” - -„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare -bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er -mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de -noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet, -welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de -plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert, -gij uwe studiën niet voort zult zetten!” - -„Mameer!....” kreet de jongeling ontzet. - -„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!” - -Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op. - -„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?” -barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke -gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door -delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen -bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn -pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik -eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne -ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen -toch eindigen?....” - -Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het -teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord -gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te -Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te -beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna -men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo -liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent -zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in zijn woorden -een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover -hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele -geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in -de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar -gedaan was. - -Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne -studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden -ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige -vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt: - -„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!” - -„Om het even,” troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching, -zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam. „Mijne Lydia blijft -mij!” - -Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven. - -Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden, -maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een -bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds -„mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk -ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien. - -Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het -wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op -een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het -was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de -daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg -op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde -hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem -ook bespeurd had, was niet minder bewogen dan hij. Zij evenwel kwam uit -den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel -gaande gemaakt was. - -Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek -bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst -een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht. -Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de -dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje -onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het -„Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het -binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen -meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij -de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige -genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer -heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de -adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het -einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van -Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften -verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een -zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van -kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren -verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen -aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen. -Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren -biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te -weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje -aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den biechtstoel -gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene -ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie” -hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als -onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind -gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien, -wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der -zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij -maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd -gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof. - -„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met -opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier -malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis. -Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo -gelukkig u ontmoet te hebben!” - -Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette -daar niet op; maar ging voort: - -„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij, -wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen -spreken?” - -„Alleen spreken?.... mijnheer Herman.... wat vraagt ge?” - -„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het -gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u -slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden....” - -„Tot mijne ouders wenden?.... waarom?” - -Herman keek haar op die vraag met open mond aan. - -„Waarom?.... waarom?....” stamelde hij. - -„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm. - -„Wel, om....” - -Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar -mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te -houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede. - -„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel -geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V. -wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen -vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?” - -Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was, -haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant -uit, opgegaan waren: - -„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?....” vroeg het jonge meisje. - -„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde -Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven” „om -mij tot uwe ouders te mogen wenden.” - -„En ik vroeg u, waarom?” - -„Waarom?”... - -De deern voelde zijn arm trillen. - -„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!” -antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende. - -„Om ... mijne ... hand ... te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten -uiterste verwonderd en hare woorden afmetende. - -„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd. - -„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.” - -„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u -allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.” - -„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken die uitdrukkingen van -„mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze -op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat -ook nooit worden.” - -Dat was op den man af. - -„Maar lieve Lyd...” - -„Alweer?” - -„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.” - -„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een -gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.” - -„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch, -hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne -moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?” - -„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek -nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in -tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie -uwer medeleerlingen compromitteerdet.” - -„Vergeef mij Lydia....” - -„Alweer?...” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng -mogelijk trachtte te maken. - -„O! vergeef mij!... Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne -stem. - -„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?” - -„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch -zoo zacht mogelijk. - -„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder... De -priesterstand... is zoo’n schoone stand...” sprak zij met aarzeling in -hare stem. - -Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar -rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest. - -„Lydia, wijs mij niet af... Gij beseft niet, wat gij doet...” smeekte -hij. - -Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar. - -„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u -onuitsprekelijk!” - -„Ik u niet!” - -„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een -ander?” - -„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu -wordt gij onbescheiden...” - -„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch -beproeven uwe liefde te verwerven....” - -„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u -nimmer beminnen.” - -„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid. - -Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn. -Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven. - -„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht. - -Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om -hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich -zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die -gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen. - -„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid, -terwijl hij haar bij den arm greep. - -„Welnu... ja!...” - -„Wien?... Zeg mij zijn naam!...” - -„O! dat gaat te ver!...” riep het jonge meisje. „Laat mij los, -mijnheer!” - -En zich los rukkende vervolgde zij: - -„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans wel alleen laten -gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!” - -En vlug als eene hinde spoedde zij voort. - -„God geve u sterkte!...” herhaalde hij. „God!... God!...” - -Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij -oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de -Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den Kleinen Straat -inslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen. - -„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne -schreden terug. - -Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij -een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf -hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders -te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze, een -eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle -geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en -had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die -inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar -toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te -verwerven, veranderde hij van houding. - -„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets -aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken -willen dwingen. Dan..!” - -Hier aarzelde hij een oogenblik. - -„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet -terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen...” - -„Wat heeft die tegen mij?” - -„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon -harer beste vriendin. Maar zij deelt den wensch dier vriendin: zij zou -u zoo gaarne geestelijk zien worden.” - -„Dat word ik nimmer!” - -„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het -hoofd.” - -„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?...” - -De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op. - -„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op -uwe medewerking rekenen?” - -„Volstrekt niet!” - -„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?” - -„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben -broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer, -ik ben...” - -„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word -ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder -kerkmeester zijn?” - -„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren -oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van -geheel Limburg!” - -„Hoe dat?” - -Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver -gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem -zwaar begon te wegen. - -„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is -hier geweest...” - -„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de -handen aan het voorhoofd bracht. - -„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij -zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd -was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel -begrijpen?... Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe -teleurstelling. Maar... het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn -eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder -aan! Het is geheel overbodig!” - -Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke -kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning: - -„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die -priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!” - - - - - - - - -IV. - -BIJ HET KOLONIAAL WERFDEPÔT. - - -Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek -uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te -veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens -een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij -stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder. -Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou -bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen -genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden, -vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het -strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den -directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook -geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van -huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing -met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou -zijn, ja te gronde zou gaan. - -Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de -onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op -de geestesslapheid zijns vaders. - -„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne -stem. - -„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder. - -„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst -ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!” - -„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het -inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.” - -„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden, -dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.” - -Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten -diep na. - -„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De -militaire stand is eene zeer eervolle.” - -Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene -niet even eervolle? - -„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op. - -„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling. - -„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?” - -„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord. - -„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u -tegenvallen.” - -„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.... kan het, met -de eerste gelegenheid naar Nederlandsch-Indië!” - -„Naar den Oost!”.... kreet mevrouw Riethoven. - -„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem. - -„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!” - -„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre -oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd -der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort -priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht.... -vergetelheid te vinden!” - -„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder. - -„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt -nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om -dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle -maanden in bedenking neemt.” - -„Mompeer!....” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie -maanden is...” - -„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met -nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw, -dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een -eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.” - -„En die is?” - -„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad -zult behaald hebben.” - -„Maar!...” - -„Zonder die belofte geene toestemming, mijn zoon!” was het bedaarde -antwoord. - -Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven. -Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie -maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel -bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de -heer Riethoven veel. - -De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den -biechtstoel uit te storten. - -„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!” - -„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu -die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet -dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd -worden! mijne zuster.” - -„Naar den Oost! Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord -heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?” - -„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome -antwoord. - -Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het -bedehuis. - -Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht -terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde -dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig -tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn -voornemen getrouw. Er was niets aan te doen. - -De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn -terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo, -Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming -bracht. - - - -„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant -van het vaste kader te Harderwijk tot een troep mannen, die hem in de -kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt -omringden. „Stilte daar voor den drommel!” - -Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo -fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan -te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog. -Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat -gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich -vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven. -Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche -papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest -uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om -gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der -Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het: damned rascal van -een Engelschman met het verfluchter Schweinhund van een Duitscher: -elders het: sacré nom d’un chien van een Franschman met het: zaide ge -zot! begot! zulle! van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar -door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste -lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van -de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om -het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje -gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets -van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de -hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen. - -Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die -woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en -stond dat tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te -Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer -Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk -na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt -om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden. - -Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het -garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans -bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van -burger in krijgsman te voltooien. - -„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de -kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten -knippen.” - -„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman. - -„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?....” was het barre -antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil -voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds -gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er -kranig uitzien!” - -Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen -gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en -stond hem die niet kwaad. - -„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich -zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het -seminarie. Waarachtig, les extrêmes se touchent.” - -„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op -de lippen. - -„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig. - -„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te -worden?” - -„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding. - -„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is? -Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder -handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte -graven.” - -„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.” - -„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je -doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb -je je kleeren al verkocht?” - -„Neen, nog niet.” - -„Wat moet je er voor hebben?” - -Een paar joden waren nabij getreden. - -„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl -hij de panden van Hermans jaquette betastte. - -„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal. - -„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van -den kornel!” - -„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!” - -De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en -bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig. - -„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij -tot den jongen man. - -„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig, -Nah!” - -„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal. - -„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem. - -Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en -toen hij Herman in het oog kreeg: - -„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je -weet wat ik je gezegd heb?” - -Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien -onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den -kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om -dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren -had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een -kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een -koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf. - -„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij. - -„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval -hij. „De officier van kleeding is er.” - -Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk -stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen -troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een -getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen -komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn -gezag te hulp. - -„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem, -„wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in -de politiekamer!” - -Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan -geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in -rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen -bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde. -Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij -werden daarna in een nabijgelegen gang geleid, waar de -administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De -monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele -troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te -ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd -werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam. - -Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was -hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en -waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, -toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben -om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op -hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn -mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste -paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene -kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo -gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. -Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen -kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op -tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch -met een zucht: - -„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!” - -„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, -achter hem. - -Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was -wel reden toe. - -„Jij hier Frank?” riep hij uit. - -„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg. - -„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!” - -„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde -hij lachende. „Maar laat mij je eens bekijken..... Het is om het uit te -schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte -kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een -luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken -stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen -fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, -en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig -verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo -echt lummelachtig te voorschijn treedt... O! dat Lydia je zoo eens kon -zien! Kerel, je moet je laten photografeeren!” - -Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante -ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet -trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien -man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds -had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had -geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt -was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren -geworden, niet veel over. - -Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, -maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar -Harderwijk wenschte te gaan, om in Nederlandsch-Indië de militaire -loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn -pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee -maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair -schrijver op het bureau van den kolonel kommandant. - -„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. -„Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik -de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.” - -„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de -manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!....” - -„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je -burgerkleeren aan den onder-adjudant.” - -„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar... -men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.” - -„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig -gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in -uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.” - -„Aan den dubbelen!... Wie is dat?” - -„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult -het je niet beklagen.” - -Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het -kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in -eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie -in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. -Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd -onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, -die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en -zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, -welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die -dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden -zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor -zorgde er voor, dat zijn beschermeling, nadat hij afgeëxerceerd was, -van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan -stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor -aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn -nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te -verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg. - -Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen -voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed -dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de -wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die -aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, -wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen -burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat -voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de -engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der -handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank -had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, -alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel -overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat -van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de -engagements-acte vroeg in te zien: - -„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, -dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de -Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.” - -„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met -zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den -kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde. - -„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig -antwoord van dien officier. - -„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen -glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. -Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige -doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou -dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.” - -Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde -zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den -sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar -vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij: - -„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!” - -Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die -gevoelig: - -„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den -grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne -verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne -geheele toekomst verloren geweest.” - -Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die -dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen. - -„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. -„Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende -zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de -kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst -ergerlijk verwoest geworden.” [15] - -„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En... wat zal nu met dien -sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.... Me dunkt, dat die -man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!” - -„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang -hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en -daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar -voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral -goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.” - -„Met zijne vrouw?...” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend -aankijkende. - -„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist -zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,” dan zul je mij later wel -begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De -sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een -adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel -gauw korporaal en onderofficier.” - -„Ook eene vrouwengeschiedenis?” - -„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.” - -Herman maakte een gebaar van walging. - -„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het -doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de -steenrots viel.” - -„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare -leerstellingen.” - -„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te -schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.” - -En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden. - -In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. -Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste -holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander -gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit -maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, -die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig -konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van -voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het -hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der -maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne -naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig -kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een -soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam -door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan. - -Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het -garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend -gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don -Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. -Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke -jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn -adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht -was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche -Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak -nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren -en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en -de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene -aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen -bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten -verrichten. - -„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan. - -Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er -niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel -klonk steeds de vraag: - -„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de -West?” - -„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met -zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige -manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, -sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong -juist hartelijk mede: - - - Sla, kroten en andijvie! - - -toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie -aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem -tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd -verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. -„Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij -hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve -kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide -kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter -gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, -waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden -waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, -en had hem hartelijk de hand gedrukt.” - -„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de -algemeene instemming. - -Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te -Harderwijk was, niet van Excellenties bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo -zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen -hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von -Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze -droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste -zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, -slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te -nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf -weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de -dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het -gewone „present” beantwoord te worden. - -„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en -overzag de gelederen. - -„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je -naam afgeroepen wordt?” - -„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt....” - -In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, -wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire -wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet -oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde. - -Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die -een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, -dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en -zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij -kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van -Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in -staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, -van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, -van.... ja! van wat niet al? En al heerschte er ook al veel -overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag -hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem -bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste -brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die -hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. -Gelukkig stond Frank hem ter zijde. - -„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten -leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om -bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed -rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid -of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te -plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, -omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan -bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap -niet te versmaden is.” - -En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die -hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke -aangetrokken, dienst bij het Nederlandsch-Indische leger genomen -hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene -eervolle loopbaan te scheppen. - -Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te -lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn -natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere -mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden -aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij -te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook -meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort -feniks te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie -bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde -militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig -vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der -soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij -toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat -zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander -gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen...” - -„Bah!... bah!...” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich -de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, -hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd -werd, ver van zich wierp. - -„Bah!... hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?” - -„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende -aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!” - -Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne -indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, -en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die -bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd -een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen. - -De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam -ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer -bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die -behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten -galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in -kamertjes verdeeld, en stelde die ter beschikking van de koloniale -helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te -hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die -drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel -invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra -ondervinden. - -Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de -oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette. - -„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon. - -Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op. - -„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd -met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal -onderofficieren aangesteld, en.... hij is er niet bij.” - -„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei -de weduwe glimlachend tot hare kleindochter. - -„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, -evenwel met een blosje op de wangen. - -„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde -den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan. - -„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw -Ebtuin. - -„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf. - -„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe. - -Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een -kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was. - -„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt -ge nimmer gezien.” - -„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een -kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen -werd. - -„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie. - -„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te -veel.” - -„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met -sluwen glimlach. - -„Op mijne rekening?... Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een -paar maanden aan boord van het schip te zitten.” - -„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met -Frank in de deur van den winkel stond te praten. - -Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat -hij schudde. - -„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak -Herman ietwat gebelgd. - -„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord -drukkende. - -„Zoo’n vraag!” - -„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw -Ebstein met een grijnslach. - -„Maar ik begrijp niet....” - -„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat -we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, -zeg?” - -„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.... Wat die pendule....” - -„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, -dus?...” - -Herman knikte toestemmend. - -Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der 3de kompagnie na -terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij -de navolgende bataillons-orde voor: - -„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt -alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: -de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die -bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.” - -„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak -de sergeant-majoor na die voorlezing. - -Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals -verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de -lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te -voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde -hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep: - -„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!” - -Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en -zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den -schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers -daarop kantelden. - -„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer -gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw. - -„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig. - -De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene -huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit -de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel -toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe -krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op -zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak -die kompagnie’s moeder met bewogen stem, terwijl hij den nieuwbakken -sergeant de hand reikte: - -„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!” - -Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, -hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der -sergeant-majoors-vrouw uitlokte. - -Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne -verwondering te kennen over die uitkomst. - -„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman. - -„Ja, maar.... dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten -aanstellen?” - -„Ze kan meer dan dat? Maar.... als ge het geheim van die geschiedenis -niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel -het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het -zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer -hernomen zal hebben.” - -Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman -en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De -dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer -onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en -des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten, -om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren, -in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl, -wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene -manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden, -om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der -priesteressen van de walgelijkste ontucht te sleuren. Tooneelen hadden -dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar -die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch -soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad -van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der -openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare -haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen -losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen, -uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren. - -Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner -bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne -voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich -niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende -vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld. - -De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden -dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan -den dag. - -„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier -gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die -uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel, -perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek -hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten, -meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter -sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een -tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen, -dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min -mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.... Ik vroeg laatst aan zoo’n -ongelukkige, of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het -antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik -ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de -Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste -kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God, -God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?... Het is soms om -aan de toekomst te twijfelen.” - -„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in -andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg -daartoe open.” - -„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische -bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen, -terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek -uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver -drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.” - -Frank zette een half spottend gezicht. - -„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik -reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het -vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben, -steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!”” - -Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek -naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op -een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel -verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen -medegaan.” - -„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak -Herman, „om afscheid van hen te nemen.” - -„Dan moet ge verlof vragen.” - -„Juist dat wilde ik doen.” - -„Hoeveel tijd wenschtet gij te hebben,” vroeg Frank. - -„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij -dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.” - -„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe -terugkomst uit.” - - - -Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid -van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor -alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou -weldra zijne ouders derven. - -Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag, -die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken -uit: - -„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen. - -„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen -kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de -soutane zou hebben mogen bewegen.” - -„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne -schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!” - -„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman -ernstig. - -„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader. - -„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een -plaatsvervanger te stellen.” - -„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven. - -„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik -mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.” - -Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar -doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters -op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou. -Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd -had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een -suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van -Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar, -dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die -eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien -afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke -kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat -verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren, -zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land, -waaromtrent hare ziel uitspraak deed: dat hij, die vader en moeder -vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.... met één -woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar -tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien -kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog -het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen. - -„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo -noodig!” - -Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden -werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop. - -„Wel, wat is uwe beslissing?” - -Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl -hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige -woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield. - -„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen. - -Herman liet haar uit zijn armen los. - -„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig. -„Dan is mijn lot beslist!” - -Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen -Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn -binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat -militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de -verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar -traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op -toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand. - -„A Dieu!” stamelde Herman met een snik. - -„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo -gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A -Dieu!” - -Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en -vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene -uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen -Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op, -en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht -hield, reciteerde hij: - - - „Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden! - Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet. - Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden! - En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!...” - - -„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!....” - -De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikken beletten haar eenig -geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het -overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap -weten te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden. -Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met -diep berouw herdacht. - -Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken -was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden -legden hem de handen op het hoofd. - -„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem. - -„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel -schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande. - -Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin -het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts. -Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat -was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer -weer. - - - EINDE VAN HET VOORSPEL. - - - - - - - - -NAAR DEN EQUATOR - - -I. - -NAAR ZEE. - - -„Ziet ge nog niets in de verte?” - -„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag. „Ik tuur, tuur al, -maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg [16] een zeil te -ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.” - -„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de -aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de -afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren -reeds hier kunnen zijn.” - -„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den -noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen -voorzeker moeten laveeren.” - -„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten -het Kanaal mee kunnen komen.” - -„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de -barometer staat hoog. Maar... daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag -met volle zeilen, daar voorbij den Balg....” - -„Laat zien! Geef hier den kijker.... Jawel!... dat zijn ze. Eene kaag -met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager -eene tweede. Geen twijfel meer! Stuurman, laat den kok dadelijk -erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels -zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!” - -„Best kapitein!” klonk het antwoord. - -Dat gesprek werd op den 17den October 185. gevoerd aan dek van de -Fernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de -kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander -toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken, -dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die -hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en -dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar, -en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement -suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de -trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat -detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet -weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op -zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De -levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar -ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder -in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke -kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te -overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar -bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor -een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het -voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had. - -Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De manschappen hadden -zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het -verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig -gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat -een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen -doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden -moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en -slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de -aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen -mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige -soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in -dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden. - -Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen -geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken -oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig -begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen -men evenwel het Enkhuizer zand [17] genaderd was, kromp de wind nog -meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en -maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, -slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, -en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere -scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland -Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen -ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan -brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat -ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. -Een ware kwelling dus, niets meer! - -Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te -bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op -met volle zeilen tusschen Lutjeswaard [18] en het Balgzand door, de -haven van Nieuwediep binnen gestevend. - -Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half -onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och, -zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden! - -Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den -spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er -nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder -redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was -voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder -het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen -poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat -af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant, -wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van -zijn schakot en ... vertrok. - -„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen -zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert -de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee -gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in -bakken in!” - -Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en -volvoerden de gegeven orders. - -„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!” - -En een oogenblik later: - -„Met rotten rechts!” - -Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst -op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken -ingedeeld. - -De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die -tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In -dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij -dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een -baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een -oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden -van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de -onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige -manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst -van bakszeuntje. - -Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den -sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op -den detachements-kommandant, die een teeken gaf. - -„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier. - -Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en -ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes -werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het -tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende -kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit -de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval -gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei -daalden. - -„Verd...! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te -doldriftig had willen stillen. - -„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag. - -Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste -oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat -scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels -tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen, -die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij -de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een -gejuich steeg andermaal op. - -„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier. - -„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar. - -„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd -opschept!” - -„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.” - -„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt -Hollandsch!” - -„Neen, het is Amerikaansch!” - -„Neen, Hollandsch!” - -„Neen Amer.....” - -„Ahoi!....” klonk het boven. „Halen! die tros!” - -Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong - - - „De baggerman, die arme sul!” - - -„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere -stemmen aan. - -„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den -mond nog half gevuld met erwtensoep. - -„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,” -antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen -afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan -er spoedig van door!” - -„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik -had ook zoo’n honger!” - -En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in -den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen. - -De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van -kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de -vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden -matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of -aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te -spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de -menigte, die hem soms den weg versperde, en riep: - -„Mien zeun! woar is mien zeun?” - -„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het -varkenshok. - -Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat -oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij -onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende. - -„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in -elkanders armen. - -Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. De Fernandina Maria Emma -was aan den Hercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke -wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en -een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep -weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar -binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel -met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij -die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het -schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende. - -„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij wanhopig hare armen -om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield. - -„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van -den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen -keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen. - -„Dag moeder!” klonk het hier. - -„Dag Trui!” klonk het daar. - -Plotseling liet het kommando zich hooren: - -„Loopplanken en uithouwers op den wal!” - -Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten, -hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich -langzaam van de kade verwijderde, en, door den Hercules getrokken, zich -statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw -zoowel aan boord, als aan wal. - -„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant. - -„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein. - -Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een -sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en -wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den -hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen. - -„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zeg moeder goedendag!” - -Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en -daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij -zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte. - -„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!” - -Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar -politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden, -om aan de kreten van den detachements-kommandant en den -scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord -teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over. - -Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het -moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof -tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou -den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte -volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de -vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden; -rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van -matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet -hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die -overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een -schip nimmer ontbreken. - -Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen -voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen -wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van de -Fernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans -voorbij voer, weerklonk het: - - - „Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,” - - -den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen -elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en -neer te halen. - -Eindelijk stevende het fregat, steeds door den Hercules gesleept, de -haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst -hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen, -sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om tusschen Texel en -Noordholland door, de Noordzee te bereiken. - -Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over -de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die -daar aan bakboord [19] voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren -er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien -dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die -naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun -weemoed in een diepen zucht lucht gaven. - -„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte -Herman. - -„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer -zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst -de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had. - -„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.” - -„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.” - -„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen -grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop -latende. - -„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?” - -Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij -de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem -ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog -gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den -gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland -sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in -dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne -gevoelsoogen zag hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen -badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op -den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en -snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw, -ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug, -schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op. - -„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!” - -Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder -op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien -arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor, -die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te -voorschijn tooverden. - -„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!” -fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming. - -Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord -geklonken: - -„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne -moeder! Ik wil terug naar Lydia!” - -Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld -ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog. -Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier -natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte -haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek -haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat, -alsof zij vroeg: - -„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste -gelukkig maken?” - -O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof hij ze zag aan de -lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog -donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke -vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel -zich niet te vergissen! Maar.... welke schrik beving die twee vrouwen? -Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.... De deur ging open. -Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was -bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog -krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk. -Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging. -Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder -zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat -priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën -aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen -overdekten. - -„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!” - -„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende. - -Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem. - -„Ik?...” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets -vraagdet.” - -„O ja!... Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden -van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen? -of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?” - -„Ik terug?... Ik!...” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch -hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!” - -Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig -droombeeld weg te vegen. - -„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle -herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!” - -Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. De -Hercules stoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge -fregat in zijn kielzog. Aller oogen aan boord waren op den -vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst -van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard. -Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver -zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den -noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich -daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het -land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs -onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee -ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op -het zandige strand kwam breken. - -De Fernandina Maria Emma was nu in het Schulpengat, de voornaamste -toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die -om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de -Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar -het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het -achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken. -Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien, -die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van den Hercules -gevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en -beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het -zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo -krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug. - -Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast. [20] Onder de aanwakkerende -bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot de -Fernandina Maria Emma in zuidelijke richting levendig en dartel vooruit -op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht, -voor haar uitspreidde. - -„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek -tot den kapitein. - -„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman. - -„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne -passagiers over. - -„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren, -de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe. - -„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl die -welkomstgroet met een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de -wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden, -als zij zich thans instelde. - -Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en -de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te -zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende -streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en -veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende, -de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt. - -„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door -dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid, -die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot -aan!” [21] - -Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op -last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer -zijn instrument en blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar -krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah -beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een -groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en -een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem -omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H. [22] die de -kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken. - -De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht -weldra den dag zou vervangen. - -„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje -jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!” - -Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en -gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst -overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans -voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de -nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol -bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest, -uiterst goed te stade zoude komen. - -De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een -lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en -daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter -gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak -zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te -kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van de -Fernandina Maria Emma stevige latten met klampen aangebracht waren. - -Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen -verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van -den noodigen knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste -aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler -handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan -ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die -landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk -ging, lag voor de hand. - -Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te -geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de -gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat -wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken -grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen -in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt -vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak -zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg -optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over -de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het -lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat -onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met -een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te -vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel -gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren -levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het -tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen -sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd -buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner -makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner -hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene tuimeling verdacht -was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen -worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die -gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen -aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest -grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks -te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich -ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten. - -„Kom, nog eens probeeren, boontje, [23] dan zal het wel lukken,” klonk -het hier. - -„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen -aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.” - -„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!” - -En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de -lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid -zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in. - -„Kijk zoo!” herhaalde hij. - -Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever -gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking -gekomen was. - -„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort -verontschuldiging voor zijne onhandigheid. - -„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde -Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong. - -Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten, -die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van -het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was -zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels -gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren -onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het -uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat -hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het -luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van -teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een -concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam -aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche -bestaan gezocht en gevonden had. - - - - - - - - -II. - -IN DE NOORDZEE.—KENNISMAKING. - - -Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat -dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde -gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen -gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht -zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten -uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te -waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een -waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal -bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge -consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens -het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere -waterverspilling, tegen te gaan. - -Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie -stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op -dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van -water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met -honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan -van een groot schip verbonden, zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra -naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde -gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te -kooi [24]; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze -laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met -hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin -Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed -deed. - -„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog -zeer kort in het soldatenpak gestoken. - -„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl -hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet -verhuizen. - -„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig. - -„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos. -„Wat zie je daar bij de kim.” - -„Bij de kim....?” - -„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat -zie je daar?” - -Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren. -Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie -kustlichten zichtbaar. - -„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat. - -„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat -daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar -bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het -galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog -een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder. [25] Begrijp je nu?” - -„Neen, nog niet goed.” - -„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des -nachts den weg te wijzen.” - -„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?” - -De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag. - -„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden -slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle -zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je -ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar -rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster -te loopen.” - -Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren -kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer. - -Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten -mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te -zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en -bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan -boord, een kapitein van het Nederlandsch-Indische leger, die van verlof -naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas -van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het -detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een -militairen apotheker. - -De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet -te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij -een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was -gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd -hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen -vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke -zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die -onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten vergeten werden. -Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde -gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de -geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield, -en de straf dienovereenkomstig bepaalde. - -Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde -officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school -gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren, -waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er -ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston -geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan -het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne -bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het -worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene -jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven. -Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst -was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid -en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich -smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en -was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet -ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen. - -„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei -kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne -medeofficieren bespot werd. - -„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te -Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich -daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.” - -Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd. - -„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij. - -De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van -nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne -donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met -veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn -schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van -oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een -handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met -eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant -gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven, -alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had -daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij -de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant -geweest waren. - -De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met -gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel -ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als -vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene -tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn -sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook -iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te -verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij -het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen -wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te -hooren bevelen: - -„Die Zunge!” - -En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijne -teenen omhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat -lichaamsdeel, hetwelk hem soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn -bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij -weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te -laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong -mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens -afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum” -ondergaan, om tot officier van gezondheid bij het Nederlandsch-Indische -leger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich -anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid -te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der -koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de -uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van -gezondheid. - -De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch, -met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid -had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top -tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten -hem plagen wilden, dan klonk het: - -„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug [26] om te herboriseeren?” - -Of wel: - -„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou -je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena -[27] groeit?” - -Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet -vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes -snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje -meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug. - -„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant -Leidermooi. - -„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het -tusschendek is vol gestuwd.” - -„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.” -[28] - -„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam, -„waarop de adressen luidden: - -„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.”” - -„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren. - -„Alleen Groenewald!” - -„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een -heer of een dame is?” - -„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het -snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan -te kort geschoten zijn, niet waar dokter?” - -„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat -saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch. -„Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter -liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so -etwas.....” - -„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden -van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en -victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou -opstijgen, te onderscheiden.” - -„Aber, kapitein....” - -„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld -gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in -ontwikkeling toegenomen.” - -„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss, -ich habe mij nicht vergist.” - -En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap -verschenen. - -„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.....” - -De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er -leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel -was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts -de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren. - -Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden -over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina -Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo -alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een -troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer -slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar -beneden. - -„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor. - -Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de -apotheker gelijk zou hebben. - -„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1en stuurman, die thans -het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?” - -„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder -de passagiers.” - -„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne -luitenants. - -„Een mama met hare twee dochters.” - -„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in. - -„Puik!” - -„Jong?” - -„Achttien en twintig jaren, reken ik.” - -„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe -heeten zij?” - -„Groenew...” - -Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze -officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met -den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van -den fokkemast. [29] Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te -samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden. -Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en -voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder, -bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het -schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand -[30] door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van -het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende -baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen -in te nemen. - -„Grietje [31] geien!” klonk het schorre kommando van den 1en stuurman. - -De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit -alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord -ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel -uitmaakte. - -„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!” - -Toen die zeilen geborgen waren: - -„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1e stuurman. - -De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog -niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van -Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den -scheeps-kapitein iets toe. - -„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando. - -De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje -trekken. Weldra hingen de genoemde zeilen slap en waren gedeeltelijk -gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil -en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer. - -Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos -gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood -gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het -aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet -beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor -het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene -slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het -water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden, -totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde -hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht -geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door -lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd. - -„Twaalf en een halve vaâm!” [32] klonk zijne stem luid over de -watervlakte. - -Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het -bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd -moest toeschijnen. - -De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en -het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het -voorschip gegaan. - -„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers. - -„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar -reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de -hoogte was. - -„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat -verwonderd. - -„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken -wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was -twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan......” - -„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den -looder. - -De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het -stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag -west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend. - -„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte. - -„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg -Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?” - -„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne -zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit -uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken -schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles -is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand -is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit -een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar -waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard -is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den -onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan -blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt -dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v. -twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de -grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.” - -Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht wijdden, daar -bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer -wel een oogenblik mag bezighouden. - -De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den -echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen -rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet -minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door -goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het -verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral -met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne -gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch -toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had -eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij -steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den -omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken, -die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij -was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat -uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van -zijn schip. - -„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te -zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar -verkocht worden, akelig en zeeziek!” - -De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke -jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en -waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou -komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien. - -„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein Butteling, „dan -zal ik eerst schik in mijn leven hebben!” - -Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord -waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen -op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten -aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega -van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had, -lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met -allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen -aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen -gevallen was en zich erg bezeerd had. - -De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke -zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden -hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne -leermeesters alle eer aan. De 1e stuurman Abels had zoo’n voorliefde -voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen -begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om -een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen. - -„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water -te vullen,” verklaarde hij. - -Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven -werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren -en.... ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te -laden. - -Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman -Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij. - -Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan -het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte -schets omtrent dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij -was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op -den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn -achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige -overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest -genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig -gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament -overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates -als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar, -scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met -vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De -recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen -groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak -verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen -likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij -een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der -geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er -waarachtig niet op na. - -„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een -geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!” - -Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een -stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt, -achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut, -o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken -lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt, -den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen. - -Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten! - -Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten. - -Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten. - -Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten. - -Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het -middel was onfeilbaar! - -„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie -van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die -te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare -lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze -gezagvoerder!” - -Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op, -maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel, -hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de -lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat -eene ziekte aan boord uitbrak. - -Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in -het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden -weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De -uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te -voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden -noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande -zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel -scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de -golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg -uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende -wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het -schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het -zoogenaamde kielzog, hetwelk door zijn wit schuim zich, tot zoover het -oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde. - -Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de -passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar -kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods -aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten -der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere -wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten. - -Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de -sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in -zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de -aangenaamste. Hoewel het onderofficieren-verblijf in het tusschendek -door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden, -had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de -inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in -de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te -samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten -konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit -hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het -dek gezocht. - -„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet -uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en -het warmer zal worden?” - -„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof -zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan -boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den -vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen, -de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver verwijderd ben -en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug -zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als -nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten -slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had -er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren -van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij -van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier -moet vervolgen!” - -„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt -over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne -moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de -gelegenheid om te vergeten.” - -„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen -van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd -geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal -herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde -in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal -wedergeven.” - -„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van -vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik, -dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.” - -„Hoedat zoo?” - -„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen -de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen -vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen -opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat -zij met hare ouders aan boord waren.” - -Herman zuchtte, maar antwoordde niet. - -„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den -geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel -overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?” - -„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste -afscheid, dat ik van haar nam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je -hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar -den hemel wees met het woord à Dieu op de lippen, alsof zij mij wreed -en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk, -voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van -genegenheid voor mij ondervonden!” - -„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die -overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.” - -De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een -oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en -weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich -nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche -Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den -Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos -naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee -oprees. Het was evenwel donker. Niets was er te onderscheiden, dan de -schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone. - -„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren -zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.” - -Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de -andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van -eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen. -Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen, -maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken. -Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten -nog eenige uren rust te vinden. - - - - - - - - -III. - -VERDERE KENNISMAKING.—IN HET KANAAL. - - -Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek -kwamen, scheen de zon vroolijk en hield de Fernandina Maria Emma voor -Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen, -die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die -vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun -grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen -enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag, -dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde -binnenstevenen. - -Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en -bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de -krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op -te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook, -die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met -hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en -daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met -hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning -opleverden. Opzij, voor en achter van de Fernandina Maria Emma wemelde -het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen -had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de -Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker -lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een -gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel -ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de -driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan -eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden. -Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten -dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en -schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door -elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners, -kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in -den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk -van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld -het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden -opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden -en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den -scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de -oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en -gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der -volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen -zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan, -wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als -eene slang zoude gekronkeld hebben. - -„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide -onderofficieren, die nog steeds over de verschansing gebogen, het -panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen. - -„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming. - -„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak -Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker -banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander -snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen -en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen, -die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die -kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten -band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen -aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl -de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder -onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een -panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier -waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze -zeeëngte te samen geperst wordt.” - -De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg -nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar -ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar -daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De -twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat -twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing -gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen. - -„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het -woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste -bijzonderheden van het fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den -voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd. -Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht, -ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en...?” - -De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne -hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze, -hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van -beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van -officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en -haar ongedwongen schudde en antwoordde: - -„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen -kennis met u te maken!” - -En op Frank wijzende, vervolgde hij: - -„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.” - -De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker -aan de beide onderofficieren voortelde: - -„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,” -zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide -jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte. - -„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie -zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige -toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare -zuiverheid van detailleering trof.” - -Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde. - -„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?” -vroeg hij aan stuurman Bagman. - -„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben Dungeness dwars -van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar -bakboord vooruit is Beachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn, -dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.” - -Een schel gefluit klonk over het dek. - -„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van -kapitein Butteling zich hooren. - -Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden -evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee: - -„De loodskotter!” riep hij. - -En weg was hij. - -Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein -vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde, -hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was. - -„Wenden!” klonk het commando. - -Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die -langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd -rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer -vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den -loodskotter te gemoet. - -„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als -zoo’n schip is, omgaan.” - -Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag -gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige -kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie -tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen. - -„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie -zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te -praten?” - -„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren. - -„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston. - -„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend. -„Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de -passagiersklasse, waarin iemand reist.” - -En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit -kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren. - -„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar -middenscheeps bij de verschansing staan?” - -„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels -met een glimlach. - -„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam. - -„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of -dekpassagiers aan boord.” - -„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.” - -„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer -eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het -detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg [33] copieus gedineerd -en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te -hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen -toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar -bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen -gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des -rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen -zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.” - -De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het -achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen -toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene -kennismaking aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd -zoude blijven. - -Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter -beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter. -Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis. - -„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak -kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat. - -Beiden glimlachten ongedwongen. - -„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden -gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik -u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan....” - -„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein -Van Dam met een spottenden glimlach. - -„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te -beantwoorden, het - - - Iö vivat! nostrorum sanitas! - - -klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat het - - - Dum nihil est in poculo! [34] - - -eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen....” - -Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem. - -„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij. - -„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux -esprits se rencontrent! Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi -gegaan....” - -„Gebracht!” verbeterde Behren. - -„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort. „En in den slaap -hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.” - -„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had -nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen -werpen.” - -„Sjtt!... sjtt!... daar komen de dames,” zei Behren. - -„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om -strijd. - -„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.” - -„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam. - -„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst. - -„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even -ernstig gezicht. „Maar stil.... daar komen ze. Wij zullen zien of de -koksmaat gelijk had. Kijk, kijk, ik geloof het niet.” - -Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten -hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander -stond. - -„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht, -dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer. - -En zich tot kapitein Van Dam wendende: - -„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik -heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee -dochters.” - -Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de -jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij -bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge, -Hannius, Slierendrecht en Leidermooi. - -Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald -toegetreden, en ving een gesprek aan, zooals alle gesprekken in -dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden, -namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz. - -Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel -begreep. - -Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames -toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te -praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een -morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche -schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen. -Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje -en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen -strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in -een dikke kondeh [35] opgebonden had, begon hier en daar te grijzen, -terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd -haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige -uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden -iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar -naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer -beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk -gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te -maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch -sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig -Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was. - -Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare -kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die -haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met -zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren, die ook voor -meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om -hen naar hare hand te zetten. - -Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half -Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch -uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de -teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de -vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren -Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig -geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de -Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor -herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de -terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen -over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te -stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met -de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den -reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam -was het fregatschip Fernandina Maria Emma als een solied en snelzeilend -vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende -koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en -van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het -diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn -dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest -schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip -laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en -gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij -tegen de reis met de Fernandina Maria Emma eenigermate opgezien, omdat, -zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord -waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters -achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de -officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op -zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die -dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar -gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en -welbezeildheid als de Fernandina Maria Emma aanbood, zoodat hij tot de -reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust -zijner dochters gegrond genoemd kon worden? - -De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring -jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene -bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke -ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het -duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere -beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven. - -Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes -telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten -volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene -volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat -schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn -van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de -strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op -de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht -en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door -hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking. -Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan -marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer leven en bezieling -geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine -krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig -over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare -gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een -Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het -oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne -geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste -tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en -haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst -lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone -aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker -appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden -voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar -overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid -en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld, -vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en -veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk -vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde. - -Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare -gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene -brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos, -maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen -eigenaardig blond cendré noemen. Als de wind in die lieve krullen -speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was -het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets -etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer -zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden iets ijls en iets -vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en -waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was. - -Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo -levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat -uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk -prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde -perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel -andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred -even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te -bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs, -iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster -hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder, -die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid. - -Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer -kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en -mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste -kennismaking met de overige passagiers der Fernandina Maria Emma -zorgvuldig geganteerd waren. - -Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers -behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke -verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank -Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte -van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond -evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de -zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de -liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren. - -„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!” - -Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de -oppervlakte der zee. - -„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning -aan boord reeds onderscheiden.” - -In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van -Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in. - -„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep -laatstgenoemde tot de twee onderofficieren. - -Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als -mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers -en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de -klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar -passen vooruitgetreden was. - -„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen -met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden. - -„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet -zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal -de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de -brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de -passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand -stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk -behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te -Shoreham, waar de loods landen zal.” - -„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten -onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen -ten uitvoer te brengen. - -Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement -verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij -instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die -naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij -met de familie Groenewald alleen aan het dek. - -„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post -wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de -jonge meisjes. - -„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding. - -„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid, -het oog op den rijzigen onder-officier slaande. - -„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en -zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen -gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.” - -„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien -tot hare zuster. - -„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger -blosje als gewoonlijk hare wangen verfde. - -„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank. - -„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.” - -„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja -waarlijk veel.” - -„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met -een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal -daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen -hebben.” - -„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar....” - -„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.” - -„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!” - -En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de -passagiers om de tafel zaten en in hunne schrijverijen verdiept waren. -Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en -bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij -snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal -of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier -en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te -verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam. - -Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement -gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met -den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op het -achterdek gehad. - -De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of -stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het -schouwspel, hetwelk thans het dek van de Fernandina Maria Emma aanbood, -was hoogst eigenaardig. - -Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik -op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te -hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te -schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en -waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er -zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij -misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker -diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken, -het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten -overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige, -die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende uitvinder -van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de -eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte -zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen -zijner uitvinding! - -Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den -bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te -schrijven. - -Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de -loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op -bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast -[36], zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer -maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat -door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap -aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche -couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De -loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om -in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te -verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen, -zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den -scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen. - -„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten. - -Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de -kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de -heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds -in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames. - -„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt -ongeduldig.” - -„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins -hooghartig. „Ik kan niet vliegen.” - -„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan -uwe belofte van straks, sergeant.” - -Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen. -Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond. - -„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap. - -„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk -met het pakket klaar.” - -Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden. - -„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in -de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!” - -Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden. -Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar -vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna -noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat -geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken -zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het -glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke -pruim uit den mond, en sprak: - -„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!” - -De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde -zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg: - -„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?” - -„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een -lijvig pakket ter hand stelde. - -In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke buiging aan Herman -overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een -vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief -overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje -toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten. - -Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde -Frank: - -„Wat een dotje! Wat een dotje!” - -Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen -daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal -daarnaar vroeg. - -Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen -jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een -hand. - -„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af. - -Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den -loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en -verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden -voor den wind gebrast en de Fernandina Maria Emma hervatte haren koers -als een flink fregat, dat zij was. - -Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als -de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods -na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en -langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe -zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met -eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de -laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg -was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den -geboortegrond verbond, verbroken was. - - - - - - - - -IV. - -IN DEN ATLANTISCHEN OCEAAN. - - -Lang lagen de opvarenden van de Fernandina Maria Emma, nog over de -verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het -bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en -hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods -nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen. - -Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter -bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de -Engelsche kust. - -„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein -Butteling. - -Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de -loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van de -Fernandina Maria Emma achterna. Helaas! die boot was nog maar als een -stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat -stipje was verdwenen. - -„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de -naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven, -en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te -zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat -gevoelde. - -Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met -gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en -verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij -den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl -verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een -glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand -uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden -behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking. - -Terwijl de Fernandina Maria Emma den loodskotter te gemoet geloopen -was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin -zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend. -Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het -fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou -zijn. - -Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van -Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen -er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men -vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds -werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een -der booten stevende zoo dicht langs de Fernandina Maria Emma, dat de -opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden -begroeten. - -„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi -tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond -hunne demie tasse op een der boulevards te Parijs slurpen, en -waarschijnlijk in het théatre Français een der klassieke -kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich -zoo gunstig onderscheidt.” - -De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij -vroeg evenwel: - -„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer -Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij -door velen veroordeeld wordt.” - -„De wufte, de onz.... de minder passende,” hernam de jongman na een -korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht. -Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij -toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!” - -„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk -Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje. - -„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn -Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen -auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als -Shakespeare.” - -„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid -stond, in. „O, dat kunt gij niet meenen!” - -„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er -tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan de Phèdre, aan de Iphigenie, -aan de Andromaque en aan de Athalie van Racine; aan de Cinna, aan de -Heraclius, en aan de Horaces van Corneille; aan de Zaïre en aan de -Sémiramis, van Voltaire; aan de Henri VIII van Chénier; en, om tot den -tegenwoordigen tijd over te gaan, aan de Hernani van Victor Hugo?” - -Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te -hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen -haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar -verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met -een bekoorlijken glimlach antwoordde zij: - -„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk -geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar, -wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en -bevallige versificatie betreft.” - -De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds -ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het -eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het -fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden -op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen -de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om het fokkezeil -gelegenheid te geven vollen dienst te doen. - -„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schip voor den wind liep. - -De log werd uitgeworpen. - -„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien -had, „ze gaan visschen!” - -„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan. - -Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar -Nederland gemaakt had, wist wel beter. - -„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar -wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.” - -„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee -zusters: „Komt mede, dames.” - -Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos -geholpen, bezig met loggen was. - -„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach. - -„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere -geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien -matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan -het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd, -bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de -loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de -hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand, -die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het onderste -recipiënt is overgegaan, dan roept die jongen....” - -„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht. - -De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het -naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep: - -„Acht knoopen!” - -„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik -in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen. - -„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in -die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 × -15,425 M. heeft afgelegd.” - -„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden -glimlach. - -„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het -schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante -snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 × -14808 M. of acht mijlen zal afleggen.” - -„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw -Groenewald, gij zijt voor zeem.... voor zeevrouw in de wieg gelegd!” -verbeterde hij. - -„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos, -die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog -zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.” - -De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij -gierden het althans uit. - -„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine -Wacht?” - -„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat. - -„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje. - -„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap. - -„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje -voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder -hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt de -voormiddagwacht genoemd. Van 12–4 heet de achtermiddagwacht. Daarop -volgt de platvoet, de eerste wacht, de hondenwacht en eindelijk de -dagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?” - -„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,” -antwoordde de stuurman lachende. - -„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot -gezelschap had, dan....” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn -binnen en opgerold had. - -„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman. - -Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het -jonge meisje, verwijderde zich Janmaat. - -„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had, -dat zijn schip slechts acht mijlen liep. - -„Voorlij-zeilspieren uit!... Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando. - -„Gaat ge er een melkmeisje [37] van maken?” vroeg kapitein Van Dam aan -den gezagvoerder. - -„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet -wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien -hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik -het Kanaal uit was.” - -De Fernandina Maria Emma stevende thans langs de zuidkust van Wight. De -krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk -zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige -heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd. -Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later -Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief. -Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien -toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond. - -Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen -men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en -zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte; -men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het -vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den -heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger. -Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de -Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen -verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het -westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers -met de Fernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat -wil zeggen, dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet. -De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen -aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en -onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den -handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek der -Fernandina Maria Emma geen enkele kiel meer te ontwaren was. De -zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip -verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in -de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan -bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard. - -„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting -dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke -klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.” - -Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het -westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep -de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den -invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel -merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde -geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den -vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die -het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te -veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die -bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar -beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden -en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich -veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens -een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen, had zich een sneedje -brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast -verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke -schouwspel te verliezen. - -Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden -en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren. -De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne -rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee -dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats -aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren -Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen -aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast -Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren, -naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de -scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te -snijden. - -„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede -de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde. - -Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied, -hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te -veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant -Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was. - -Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde -zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed -geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans -zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert -een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in -hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op -zijne passagiers, door kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door -luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das -Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het -midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk, -welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter -Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en -behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het -gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken. -Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige -genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de -hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona -brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo -lekker was het. - -Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje -liet zich voelen, de Fernandina Maria Emma lag in katzjammer, zooals de -zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te -wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid -tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele -ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek, -dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien. -Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien, -dat bij de zwarte duisternis nog al afstak. - -„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde -stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche -provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het -Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij -dat eilandje te boven zijn.” - -Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het dek. Toen hij van -tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing, -waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende -liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de -beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast -innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. De Fernandina -Maria Emma lag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en -haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de -jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout -behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer -oploeven te verhelpen. - -In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die -komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend -oog in den donkeren nacht. - -Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte -bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat, -dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode -licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord, -dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die -thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd. - -„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn -buiten! Laat het nu maar waaien!” - -Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De -zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden -nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen -aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden -zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit -alle macht te blazen. Het was een gehuil in het staand en loopend want -van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te -worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige -bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de -kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de -gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren -vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer -zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen: - -„Hoort den wind eens huilen!” - -Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die -wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer -gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De -golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den -scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter, -hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds -kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht -afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op -klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het -schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was -nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars -inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was -het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel -geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren -alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en -kapitein Van Dam. - -Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der -jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel -beweging de kwaal te bestrijden. Enkelen lagen op de kajuitskap en bij -de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur: - -„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet -meegedaan!” - -Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich. - -„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein -Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. -Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, -of het schip zal water overkrijgen.” - -Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. -Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en -met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn -kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, -daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat -boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over -de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die -daar aan dek waren, in het aangezicht woei. - -„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing -gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek -gekregen had. - -Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water -achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, -naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam. - -De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind -geholpen. - -„Ik ben.... (hik).... door en door.... nat,” kreet Behrtje met -naargeestige stem. - -Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond. - -„Het is... (hik)... alsof ik... (hik)... in ’t... water.” - -„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan. - -De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag -ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen -opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar -beneden te begeven. - -„Dat ’s nummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames. - -Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en -glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven -onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra -gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna -Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die -groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog -het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij. - -„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den -jongen luitenant. - -Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te -sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat -hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te -openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in -het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand -voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer -en strompelde toen naar beneden. - -Van harte lachten hem de beide meisjes uit. - -„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar -kapitein Van Dam zelf lachende. - -„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te -zien.” - -Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis -stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen -schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere -lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen -om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij -slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig -medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te -gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, -die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de -lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er -oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij -zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om -handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij -is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging -van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, -vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, -in een ijleren dampkring vervoerd wordt. - -Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het -licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, -en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht -door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd -daarin door kapitein Van Dam gevolgd. - - - -Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was -nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het -vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate te -verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het -bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen -aandrang nog ruim elf mijlen. - -De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek -bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts -weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard -gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman -Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf -geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te -midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en -ongedeerd blijven gevoelen. - -Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het -lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en -daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten -de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke -wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch -al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren -doortrokken, dat het niet uit te houden was. - -„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne -hangmat hing te wiegelen. - -Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog -zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje -van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In -een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman -gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje [38] -gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot -gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord stond, en -waarboven de koebrug zich uitstrekte. - -Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag -afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het -touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van -het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? -Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. -Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. -Ja, vooral Slavante! - -„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek -aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?” - -„Lichtenberg,” antwoordde Herman. - -„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?” - -„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, -dat ik Lydia voor het eerst zag.” - -„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste -vriendin van je moeder?” - -„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor -dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor -mij.” - -„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman. - -Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak -hij de armen uit. - -Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke -herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne -herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke -overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had -zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet. - -„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, -den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou -wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, -die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd -heeft.” - -Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na -de herinneringen kwamen de droombeelden, les chateaux en Espagne, -zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet -overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! -de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, -dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden -hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië -wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene -veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der -overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den -hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat -Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij -het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich -voorzeker heldhaftig gedragen!.... misschien wel de Militaire -Willems-Orde verwerven! - -„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel -op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia -verschijn.....” - -„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.... -maar.... dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze -omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen....” - -„Schei uit! in Gods naam,” kreet Herman. - -„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf van twaalf jaren in -Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk -in.....” - -„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman. - -Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en -het nachtelijke duister verdreef. - - - - - - - - -V. - -EENE STORTZEE. - - -Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. -Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig -geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met -veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam -zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om -hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen. - -„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende. - -Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne -hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, -om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel. - -„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij -zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te -kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en -aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden -verdreven worden.” - -Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de vloer daar beneden met -kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende -atmospheer eenigermate zuiverde. - -De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind -aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het -luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel -ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte -wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel -wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze -rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die -heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller -voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog -over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, -hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter -bijzette. - -De Fernandina Maria Emma bevond zich nog op de Gronden, waardoor de -zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk -zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van -Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op -de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van -honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op -de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij -hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij -groote schepen, zoo als de Fernandina Maria Emma was, eene zeer -moeielijke beweging. - -Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate -de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen -boden hierbij een droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte -heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een -beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door -eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf -aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij -tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af -tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de -straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de -tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, -teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de -hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels -deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der -baren verblindend wit deed schitteren. - -Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van -den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de -beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek -verschijnen zagen. - -„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank. - -Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep: - -„Grijpen en vasthouden!” - -Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde -eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de -verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide -onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de -bij hen staande pardoens [39] gegrepen. Zij konden evenwel niet -beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen -werden, en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en -over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop -aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek -had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht -van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, -maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen -toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den -kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel -poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en -vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, -terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het -woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar -houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen -door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de -monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat -oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar -voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en -Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij -hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende -pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote -boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist -ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. -Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met -de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed -over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de -andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op -Adelien toegesprongen, en redde die uit meer wezenlijk gevaar. Toen het -schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan -bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en -lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank -haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel -had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van -dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, -waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren -redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te -halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor -zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn. - -Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te -vertellen. - -Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen -was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen -haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels -toegeschoten waren, in de kajuit. - -Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve -meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze -kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van -stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich -toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en -betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering -gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk -had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving -en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef -voor de jongelieden door die redding ten top steeg. - -De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. -Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne -stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei -wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het -overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook -opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, -en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa -verzwolgen. - -Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit -geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het -tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op -gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord -en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden -gegrepen en overeind geholpen werden. - -Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in -den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol -van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen -konden uitpompen. - -Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat -een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar -meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te -krijgen niet meer zoo groot was. - -De koers was nu zuid-zuidwest. - -Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, -waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich -toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich. - -Het onaangename weder, dat de Fernandina Maria Emma bij het uitkomen -van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het -volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. -Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de -zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo -omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de -Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De -deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer -zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip -gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het -naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in -kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden -Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; -kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de -marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het -schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge -deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van -de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve -kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog -maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog -iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op -het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te -krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de -hangmatten de zeeziekte uitvieren. - -Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond -zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte. - -Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het want. Van een -bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar -snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond -het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in -het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ -noorderbreedte en 16°30′ westerlengte. - -Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen. - -In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat -kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet -bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, -dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel -nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind -weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger -kregen. - -Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep -het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het -westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven. - -Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen -licht bakboord over. - -Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden -zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De -hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar -vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat -het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De -knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, -hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met -God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen. - -Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje te halen, en -ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een -Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een -Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde -er geen een. - -Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek -vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat -zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het -schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige -spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte -te lijden had gehad, dan hij zelf. - -„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge -zaagt bepaald bleek om je neus, man!” - -„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van -Dam met een glimlach. - -„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald. - -„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar -omstandigheden al vroeg in de weer.” - -„Naar omstandigheden?... Hebben de dames het ook te kwaad gehad?” - -„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi -te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.” - -„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston. - -De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik -verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant -morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De -heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar -ontkomen waren. - -„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme -meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.” - -„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets -heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar -gedeeld hebben.” - -„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach. - -„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” -vulde Adelien aan. - -„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd -hebben,” vroeg Denniston. - -„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit. - -„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het -achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, -„was het een storm?” - -„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, -het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.” - -„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met -belangstelling. - -Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de -hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede -de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den -nek kreeg. - -„Het is... (hik) alsof ik... (hik)... in ’t water... (hik)... gelegen -heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep. - -„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen...” zei Emma. - -„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een -teederen blik op Adelien werpende. - -„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?” - -„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans -toi!” - -„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.....” - -Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters -wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een -oogenblik met kapitein Van Dam sprak. - -„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem. - -De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing -in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de -grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, -scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij -vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire -houding de bevelen van hunnen kommandant af. - -„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de -kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en -Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!” - -De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien -kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij -gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van -hunnen chef. - -„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer -Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank -brengen voor de redding mijner kinderen.” - -Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte -de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen -ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en -onverholen hunnen dank uitspraken. - -Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het -hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij -gebloosd had of verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid -kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk -zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle -kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm -en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid. - -„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide -jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve -meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten. - -„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit. „Ik werd door de woeste golven -over het dek voortgerold!” - -„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei -Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. -Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven -verschuldigd!” - -„Maar, wat is er toch gebeurd?” vroeg luitenant Leidermooi. - -De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde -met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en -op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de -hand drukkende, zeide hij: - -„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u -groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van -kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral -het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de -kajuitstafel met ons te willen deelen.” - -De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op -de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve -geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide -onderofficieren, zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat -Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde: - -„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te -bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de -gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan -dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer -Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte -gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen -kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.” - -De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord. - -„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien -gered te hebben!” - -Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat -hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten -opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan -ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen -geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de -heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in -een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende -wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen -luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener -hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat -een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg -het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. -Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, -die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd worden, en -een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag -omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, -en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne -aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie -wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden -luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen. - -„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag -is, zijt gij mijne gasten! Sapada!...” Ouder gewoonte wilde hij roepen: -Sapada! bawa minoeman! [40] Bij het eerste woord bedacht hij zich -evenwel en riep glimlachende: - -„Hofmeester, breng madera!” - -„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling -lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.” - -„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht -bocht zal aanreiken.” - -„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,” -antwoordde kapitein Butteling. - -„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw -Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, -nietwaar kapitein?” - -„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, -mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, -dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek -morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.” - -En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, -bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ -westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal -afgelegd. - -Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera te zamen, en was -het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer -één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen. - -„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl. - -„Ja, mijnheer,” was het antwoord. - -„En lekker?” - -„Overheerlijk!” - -De beide onderofficieren spitsten de ooren. - -„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde. „Wat -wonderlijke naam!” - -Het meisje glimlachte. - -„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van -dat kostje is nog prozaïscher.” - -„Wat is het dan toch?” - -„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. -Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met -uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst -overtogen waren.” - -De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas -goeden wijn, uitmuntend gevonden. - -Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, -terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. -Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de -gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid -te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo -aangenaam mogelijk te maken. - -Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich -kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende -pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen -daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden waren van meening, -dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer -mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd -hen bij het heengaan nog meegegeven. - -Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de -gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te -herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd -besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee -onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en -waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten -stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele -gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch -zich eene toespeling op haar veroorloofde. - -Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds -ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle -kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het -afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen -nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze -mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, -van dag en nacht. - -Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat -fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen. - -„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg -Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij -ook kent, le printemps d’un proscrit te binnen. Hoe vaak heb ik dat -gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in de gelegenheid zou -komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen -toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig -overeenkomt met het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is -mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen -overluid in mijn brein vernemen.” - -En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne -ontboezeming niet te laten vernemen: - - - . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - „O qui pourra jamais voir sans être attendri - L’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre, - Ce mélange confus du soleil et de l’ombre, - Ces combats indécis de la nuit et du jour, - Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour, - Ce brillant occident où le soleil étale - Sa chevelure d’or et sa robe d’opale, - Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur, - Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.” - - -Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de -heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten -ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer -van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde: - -„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek -doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?” - -„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald. - -„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij -aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne -koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.” - -„En die is?....” - -„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien -wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze -Emma lang niet onverschillig is?” - -Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere: - -„Is het dat alleen wat u weerhoudt?” - -„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde -hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik -geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderen te -laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog -eene toekomst moeten scheppen....” - -„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend -vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te -laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de -andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong -Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, -dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk -door de wereld te komen. Maar....” - -„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald. - -„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou -ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, -opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk -onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren -om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan -te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee -onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft -ons zekerheid omtrent hun verleden?” - -„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te -nemen?” - -„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. -„Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten -wij nog nadere kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter -oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij -zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere -kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons -niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te -ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid -tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de -redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig -geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de -jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over -onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!” - -„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, -die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was. - - - - - - - - -VI. - -DOBBERENDE BIJ DE CANARISCHE EILANDEN [41]. - - -De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na -zonsopgang op den 27sten October riep de matroos, dien hij in den -fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden: - -„Land vooruit!” - -„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot -eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht. - -„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk. - -De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. -Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen -leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, -aan het bezaanwant vast. - -„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die -bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van -Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, -anders was hij thans reeds te zien.” - -Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde -bijgevolg betrekkelijk snel. Het eiland Palma met zijn regelmatigen -kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, -wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde -langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene -donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog -niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van -Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, -eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude -bevinden. - - - -Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen -was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels -oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de -omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, -zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het -officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een -wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met -de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie -[42] houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en -inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de -tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling -van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend -detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van -opmerkingsgave bedeeld te zijn. - -Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij -Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te -onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de -onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken -ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te -betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder -verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan. - -Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant -Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere -bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel -verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort -ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat -ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen -was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, -gesteund door de nabijheid van den detachements-kommandant in de eerste -dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige -luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar -onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke -en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire -verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging -der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten. - -Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde -onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de -grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken -geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en -welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in -afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden. - -Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder -de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten -Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen -apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus ook le langage des -fleurs behandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de -vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje -geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, -de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. -Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij -een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, -liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.... te houden. Hij had ondeugend er -nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames -waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht -geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische -voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien -tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een -surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. -Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte -had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den -patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste -toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de -kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had -daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der -ziekte bij velen zeer bevorderd. - -Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des -voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed -worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige -spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende -hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden. - -Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam -dat noemde, ingesteld, en werd een ieder dus dien eigen morgen van -negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven -het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der -zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op -deze breedte balsamiek deden gevoelen. - -Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de -hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der -werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals -hij verkoos. - -Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij -den horizon, nagenoeg dwars van de Fernandina Maria Emma gekomen, die -met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle -hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren, -hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien -machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien -opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel -opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid -der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in -den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer -gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den -kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op -den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende. - -„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de -passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had -laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den -fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners -dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste -top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872 -voet hoog. De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.” - -„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op. - -„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, de Senhora Dolorès, -gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden -gemaakt.” - -„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de -jonge meisjes. - -„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar....” en naar de zon -wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij -wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het -bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het -gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen -wat ik weet.” - -Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te -manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den -chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had. -Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′ -noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal -41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg -in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen -af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond -volkomen windstilte heerschte. De Fernandina Maria Emma dobberde toen -voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal -mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in -dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste, -evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die -hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water -belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende. In -het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne -statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp -begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in -den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam -lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die -daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In -die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze -niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter -zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog -langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig -aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en -neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot -monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder, -en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland -vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim -doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds -eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder -werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen. - -„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie -panorama te bewonderen stond. - -„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van -Diepbrugge een halfdekje sloeg [43] en in het voorbijgaan Herman’s -ontboezeming opgevangen hadden, en nu bij de beide sergeanten staan -bleven. „Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!” - -„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in -brand staat en in vlammen opgaat.” - -„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin zich de sombere -omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge -op. - -„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen -naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het -hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te -vermengen.” - -„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar -prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij -daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne -lengteribben duidelijk onderscheiden.” - -In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden. - -„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?” -vroeg Behren hem. - -„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op -het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom -jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.” - -Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de -gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de -uitnoodiging aannamen. - -Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de -andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden -rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders -gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang? -Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten -was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank -Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven. -Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat -kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard -hadden. - -„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden -te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg -gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe, -langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik -ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren; -van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus: - -„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een -der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou -zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het -is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog -te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het -eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de -bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de -verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene -nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder -baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen....” - -„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam. - -„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den -noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de -zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico de -Teyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn -top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der -zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder -op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.” - -„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.” - -„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de -gezagvoerder. - -„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden” -meende Denniston. - -„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in -1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier -op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en -waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds -bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke -tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad, -hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het -onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk -in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet -een paar maanden later is.” - -„Waarom?” was de algemeene vraag. - -„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April -toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar -(suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de -zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt -maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij -hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.” - -„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald. - -„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet -als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde. -Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt -ben.” - -„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen. - -„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het niet gebracht. Die -zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de -„narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus -ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij -nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker -onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs -tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische -plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de -cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten, -alsmede uitgestrekte velden van suikerriet [44] haren eigenaardigen -stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den -gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en -kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden -van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, -aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen -eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons -vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele -laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de -fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der -naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner -van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet -de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de -inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten -tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag -bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den -verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli -en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.” - -„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den -drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de -bestijging des bergs ondernomen, kapitein?” - -„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar -ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die -lichtjes fonkelen.” - -„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op. - -„Het gas!...” antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen, -zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs -geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren -ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne -binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet -mij....?” - -Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik. - -„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den -windwijzer op den top van den grooten mast wees. - -„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,” -antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen -geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen -bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die -bries toch geen koers zetten.” - -De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de -geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met -aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner -bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam -hij: - -„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming -aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?” - -„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom -van Orotava gezien hebt?” - -„Welzeker.” - -„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?” - -„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te -kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een -wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende. -Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim -76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel -heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven -den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich -in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden -bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte -van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van -dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm -vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds -heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom -staat, voelt men zich klein en nietig [45]. - -„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet -vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen -op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.” - -„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den -apotheker. - -„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als -het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch -verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben -kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet malsch -zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland -gelegen geweest ware.” - -„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt. - -„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche -tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en -volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld -verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te -brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva -zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote -natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van -6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden. -Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt -sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen, -het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als -tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.” - -„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?” -vroeg Adelien. - -„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde -Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij -reuzen of mammouthsboomen heette; maar door de geleerden Wellingtonia -gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke -exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M. -bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten -dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.” - -„Verbazend!” zeiden de jonge dames. - -„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen -zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij hebben toch geen geboorteregister of -stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek -zien?” - -Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om. -Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe. - -„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij. - -De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen -had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd -had. - -Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend -uit. - -„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de -gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den -landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over -denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.” - -„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma. - -„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,” -antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman. -Voert het schip zijne lichten?” - -„Ja, kapitein.” - -En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan -stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die -lichten helder brandden. - -Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks -middernacht, eer dat zij in het vaarwater van de Fernandina Maria Emma -waren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen -tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer -dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat -gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een -afdropen om zich te kooi te begeven. - -Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich -aan de blikken van de opvarenden van de Fernandina Maria Emma voordeed. -De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren -gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen -houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het -dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den -vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à -600 M. straal rondom de Fernandina Maria Emma dobberden. Het was een -prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte -te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang -weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die -vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan -de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om -elkander te bespieden. - -„Daar is een Engelschman, en.... daar nog een!” riep kapitein -Butteling. - -„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan. - -„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een -Hollander!” - -„Waar? waar? ....” vroeg kapitein Butteling met eenige drift. - -„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over -stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.” - -Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep -stuurman Abels plotseling uit: - -„Maar, dat is de stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild -is!” - -„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers. - -„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang stuurman aan -boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als de -Fernandina Maria Emma.” - -Men scheen aan boord van de stad Leiden ons fregat ook herkend te -hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de -beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de -landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij -elkander—de stad Leiden was geen 300 M van de Fernandina Maria Emma -verwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi, -die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een -kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de -windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche -bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur -later aan boord van het fregat terug met de tijding dat de stad Leiden -bij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm -beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en -men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point [46] vrijgeloopen -was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de -Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig -en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in -het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer -zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal -te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht -dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot -de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest. - -„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen -stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook -mededeelde. - -Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein -Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek, -of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te -vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel -verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het -zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers -te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der -verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot -verdubbelde waakzaamheid. - -Eindelijk woei den 28en October eene westelijke bries, die hoewel niet -sterk, toch zoo veel door stond, dat de Fernandina Maria Emma de -zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen. -Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling; -want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed, -terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op -zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de -wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd -gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone -gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen -fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap -Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden -zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige -deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven, -braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte -zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer -neerploften. - -Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het -schip kaap Becerro, de zuidpunt van het eiland Gomera, te boven was -gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen. - -„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels, -nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en -daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien. - -En zich tot zijne passagiers wendende: - -„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas -Teneriffe [47] zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat -wil ik wel bekennen.” - -Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat -volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein -Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het -gehoor te zijn. - -„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden -toon. - -De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen. - -Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald -beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren -gegaan waren. - -Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den -scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen.... - -„Maar, waar is de stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?” -viel hem de heer Groenewald in de rede. - -„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden -Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als -die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is -hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu in katzjammer te -dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend -waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.” - - - - - - - - -VII. - -TUSSCHEN DE KEERKRINGEN. - - -„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman -was op de brik Senhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds -verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche -zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.” - -„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van -Diepbrugge. - -„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische -eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede -haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling -beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het -noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is, -en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust -stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten. - -„Bij een dier reizen der Senhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die -zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en -zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd. -Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de -Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met de meeste moeite -Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen. -Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle -zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben, -trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij -vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een -noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat -wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden -aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den -kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij -dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een -volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij -vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een -bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien -vorm niet aangenomen had. De Senhora Dolorès overdekte zich dan ook met -zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de -zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed. -Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam -evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde, -integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen -we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten. -Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een -ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet -dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater. -Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht -en zou de Senhora Dolorès in veilig water aangekomen zijn. De kapitein -wreef zich in de handen en beantwoordde mijn verzoek om een der ankers -gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging -alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te -brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te -hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel -meende ik, dat de Senhora Dolorès den bakboord-wal meer naderde. Ik -deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede. - -„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins -verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon -zijn.” - -„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen -kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele -klippen.” - -„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op -die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks -bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al -meer en meer. - -„Toch zag de kapitein van de Senhora Dolorès het gevaar nog niet in. -Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd, -dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van -Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het -vaartuig plotseling een lichten schok ondervond. - -„„Wij stooten!” riep ik uit. - -„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid. -„Klaar bij het anker!” - -„Het lood viel. De lijn liep uit. - -„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het. - -„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te -zijn. De kapitein kwam naar mij toe. - -„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn -wij tegen een boomstam gedreven.” - -„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den -tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal -de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet -zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en -sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden -behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende. - -„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld. - -„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den -plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het -baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik -door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel -daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei -weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en -daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het -voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid -aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar -ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte -der Senhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te -schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend -geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende -beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen -bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in -die oogenblikken. - -„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles -gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit -het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het een -dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook -weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare -kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een -onmetelijken kolk verslonden. - -„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat -er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop de -Senhora Dolorès gestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot -gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast. - -„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.... ik -weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een -onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee -gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met -verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier -botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het -mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet -los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop -vast. - -„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk -hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn -gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de -kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel -kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij -tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den -wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die -beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer -geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te zijn; -maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven! -Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een -sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij -diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op -den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon -houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd, -totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold -kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende -oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke -vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen -en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de -scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden. -Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn -hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water -mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het -had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven. - -„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep -mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen. -Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij -wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke -hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij -donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn -terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik -de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee -terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende. - -„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een -volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en -had het strand verlaten. Ik was gered. - -„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd. -Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de -hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar -dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, een heretico, was, ontdeed -men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de -noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij -langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en -Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen -overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, de Virgen purissima, -dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan -boord van de Santa Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar -ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar -Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en -heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel -begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik de Fernandina -Maria Emma in veilig water zag en met een zucht van verlichting -uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.” - -„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien -Groenewald. - -„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel -of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind -van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran -Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die -dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts ik door den Corregidor [48] -opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het -arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer -ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig -geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat -hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.” - -„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend. - -„Hoeveel koppen waren aan boord van de Senhora Dolorès?” vroeg kapitein -Van Dam. - -„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde -meisje,” antwoordde kapitein Butteling. - -„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is -schrikkelijk!” - -Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel -verzwakt en liep de Fernandina Maria Emma uiterst langzaam. Toen de -middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′ -noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte. - -De wind viel al meer en meer. Op den 29sten October bevond men zich op -26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts -ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd. - -Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek -kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel -vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich -begonnen te vullen. - -„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij -wel vaart gaan maken!” - -De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al -de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden. -Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig het -water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp. - -Daags daarna, dus den 31sten October, sneed de Fernandina Maria Emma -zoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft. - -„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den -reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij -tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen! -daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan -bereiken wij al gauw den Equator.” - -De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op -de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat. -Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den -verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt. -Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was -evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer -hij met tegenspoed te kampen had. - -De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de -waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter -elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug -genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet -sterk doorstaat, niet te versmaden was. - -Den 6den November evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en -weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat de -Fernandina Maria Emma zich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′ -westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer, -totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te -dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd -werd. - -Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke -wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later -geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen. -De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle -voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel -al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het -geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het -onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen -daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral -werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en -verwelkomd. - -„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den -scheepsgezagvoerder. - -„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat -treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven, -zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.” - -„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend. - -„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes -westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer -zwak, bijna onmerkbaar.” - -„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de -windstilte aanhield!” - -„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige -reis lag de Fernandina Maria Emma ruim drie weken, nagenoeg op dezelfde -plek. Maar.... wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger -treffen, kijk maar.” - -Hij wees naar het zuidoosten. - -Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij hare nadering -veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd -lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets -later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en -eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het -water rustte. - -„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die -scherp in zuidelijke richting uitkeek. - -Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde: - -„Bovenbramzeilen en grietje geien!” - -Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk. -Toen de eerste ploeg klaar was: - -„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando. - -„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach. - -„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein -Butteling. „Kijk maar!” - -In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek, -maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die -evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den -fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver. - -„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „De Fernandina -Maria Emma is gereed haar te ontvangen.” - -De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste -windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien -aanval, maar hervatte onmiddellijk koers. - -„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe. - -Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk -zweepte de wind woedend de golven omhoog, floot door het want, dreigde -alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de -donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste -bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit, -terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne -inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die -viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die -vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die -dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water -vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren. - -Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek -van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met -den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd -niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van -kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen -en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde -zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een -stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het -regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een -groot aantal handen bedrijvig om het dek van de Fernandina Maria Emma -in eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken -zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk -weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen, -die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz. -afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg -blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch; -en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk wel -een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen -hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit -den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak. - -Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte. -De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en -weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten -liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het -touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, die weldra bijgezet -waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan. - -„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien -passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe -meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.” - -Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8 -November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan, -dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was, -en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat -laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening -gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal -windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich -nog niet krachtig had laten gelden. - -Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman -Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de -jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt -en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer -Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant -en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die -autoriteiten wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te -vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag -niet gehouden werd. - -Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit -van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders -de toegezegde mededeelingen. - -„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant -Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op -de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in -het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene -heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben, -ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug -vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet -het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het -tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat -daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus -daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de -bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne -nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der -sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een -waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven -geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden. - -„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een -opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en -daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens -van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van -Iquique gehoord.” - -Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op. - -„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de -Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.” - -„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den -dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.” - -„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder -bezorgdheid. - -„Ik denk dat wij den 11en of 12en den evenaar zullen snijden,” -antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.” - -„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal -geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en -verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten -sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht -zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers -achteruit werpen en die....” - -Hier aarzelde Herman een oogenblik. - -„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort -toch.” - -„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen -bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is -er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te -werpen....” - -„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend. - -„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden -zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd -wordt, dat bij weigering de stuurlieden Abels en Bagman daartoe te -noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.” - -„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van -Dam. - -„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene -beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek, -waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat -koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op -het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar -een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.” - -„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van -Dam. - -„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het -meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers -schuilen.” - -„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw -te zetten,” meende kapitein Butteling. - -„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers. -Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.” - -„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling. - -„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar -zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen -aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een -Hollander, die in het complot betrokken schijnt.” - -„En die naam is?” - -„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.” - -Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel -in alles, wat in de gegeven omstandigheden maar te bedenken was. Hij -had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en -sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne -scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek, -waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper -gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen -van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit -bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat -driemaal daags verstrekt werd, op te zamelen. Ieder militair was -verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen -sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren -bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals -in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat -evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf -vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene -kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig, -die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan -had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke -gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn -naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever -uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene -onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden -mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het -buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts -voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een -andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne -beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen. - -Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem achter den fokkemast -sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel -verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door -een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk -telkenmale met een dubbeltje betaalde. Die bijzonderheid wist men toen -niet; maar vernam die eerst later. - -Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord -hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met -geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van -den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding -eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een -zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot, -de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven; -terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak -was, de belhamels te ontmaskeren. - -„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks -na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te -willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.” - -„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam. - -„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen -uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.” - -Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren -vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma -Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het -maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder -voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk -zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel -geen argwaan en toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner -verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat -Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet -aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde. - -Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar -antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij -haar lachend in het voorbijgaan in het oor: - -„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed -worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide -onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.” - -Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden. -Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet -nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze -opving. - -„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer -niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage -van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus -voor zijne dochters kunnen doen.” - -Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn -onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg: -of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van -voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de -officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch -trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht. - -„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.... Nu, des te beter; -dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan -stilstaande, vroeg hij dien: - -„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?” - -„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij -eerbiedig het militair salut maakte. - -„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen -verdienen, nietwaar?” - -De oogen van den jood schitterden van hebzucht. - -„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij. - -„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam. - -De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van -kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den -detachements-kommandant niet ontsnapte. - -Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel -stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende, -bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht: - -„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren -den 20en Juli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader -is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.” - -„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein. - -„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.” - -Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is -officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst. -Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar -Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft.... -Hier staat nog eene potloodaanteekening;... laat zien... Is een -eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.” - -„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit. - -Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er -werd aan de deur geklopt. - -„Binnen!” riep hij. - - - - - - - - -VIII. - -DE MUITERIJ. - - -Het was Nathan Zondervan, die de deur opende. - -„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij. - -„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het -patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.” - -De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop -zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven -op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die -beweging ontstelde de jood zichtbaar. - -„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik -geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?” - -„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die -veel onrust verried. - -„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?” - -„Ikke?... Nhiks, khapthein!” - -„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van -een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan -krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om -schreeuwt; dan stop ik je daarenboven in het kabelgat [49] in de -boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad. -Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?” - -„Ikke?... khapt....” - -„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt -deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te -vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar -Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?” - -„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood. - -„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl -hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor -den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te -staan?” - -„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de -knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.” - -En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen, -maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat -waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd, -afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder; -terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste -gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten. - -„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein -Van Dam. - -„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen, -khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn. -Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan -moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke -khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe ghing, moest ik -ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen. -Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?” - -„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in -den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te -komen.” - -„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door -het vier lhoopen!” - -„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier -uitziet; maar.... geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar -word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het -kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterk -henneppen dasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen -voorgelezen, nietwaar? Hij, die....” - -„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!” - -„Dat is dus begrepen... Ja nog wat. Van de geringste verandering in de -gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in -’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu, -opgepast en uitgerukt, marsch!” - -„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke -segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?” - -„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je -schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan -de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die -voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu -uitgerukt, marsch!” - -„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat -worden?” - -De reis ging verder voorspoedig. Op den 10den November bevond zich de -Fernandina Maria Emma bij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en -op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen -afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De -zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te -gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude -worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling -evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de -soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van -boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel -eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd -had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de -uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen, -tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne -plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne -voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die -Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te -voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den -kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen -terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee -glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels -rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het -meerendeel in diepe rust zoude zijn. - -„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood. - -„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten -hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.” - -De dag van den 11en brak onder die omstandigheden aan. Reeds bij -zonsopgang, werden al de vlaggen aan alle toppen geheschen en wapperden -vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog -aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, de Fernandina Maria Emma lag -bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar -dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn, -dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het -grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren -zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede -Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich -van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn -roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil -benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over -het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die -daar geschiedden, in het oog te houden. - -Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten -met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel -van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne -rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met -hun gedonder feestelijk vervulden. - -Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit -wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein -Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het -zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de -passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook -de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even -hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne -manschappen, die hem met luide kreten omringden en de hand, die hij hen -toestak, voor het oog althans met innigheid drukten. - -Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling -niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik -nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed -afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag -overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken. - -„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan -Emma en Adelien Groenewald. - -„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt -een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal -passeeren.” - -„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen -de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de -scheepsofficieren van de....” - -„Johanna Christina,” vulde Adelien aan. - -„Van de Johanna Christina.” - -„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen -glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.” - -„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?” -vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker -overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter -lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank -Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten. - -„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem -voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest -buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen -elkander raakten. - -Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar -gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij -zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman -terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd. - -„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend. - -„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!” - -Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen -Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren -hals voelde. - -„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit. - -„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu -nader trad. - -„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de -stuurman. - -„De linie?” vroeg de apotheker verbluft. - -„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?” - -Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam -hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten. - -„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het -oog bracht. - -„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!” - -Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret. - -„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden -was. - -„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman. - -„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge. - -In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston had hem -den kijker afgenomen en keek ook er door. - -„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij. - -„Hoerah voor de linie!” - -„Hoe ziet zij er uit?” - -„Heeft zij een pantalon collant aan?” - -„Of een crinolien?” - -„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische -gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht. - -Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie -te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret. - -Eindelijk kwam de kijker bij kapitein Van Dam. - -„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een -nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft -die te veel „bezaanschoot aan” gehad.” - -Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. Kapitein Van -Dam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor -het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens -gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht -bracht. - -„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de -apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene -zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.” - -Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn -snakerij ten deel viel. - -Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van -Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende, -boog hij zich tot hem. - -„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder -ander. - -De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend. - -„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de -zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd, -dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te -vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.” - -Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein: - -„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?” - -„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier -Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te -overhandigen.” - -Het briefje was niet dichtgemaakt. - -„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier. - -„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed -om heen te gaan. - -„Blijf nog een oogenblik, sergeant.... Ziehier, wat de fuselier -Zondervan mij schrijft: - -„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een -klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap -naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het -logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken -of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de -aanvallers langs den trap te hulp komen.” - -„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s -allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?” - -„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de -bedoelde twee zijn Duitschers, die de hoop koesteren, eenmaal den -officiersrang te verwerven.” - -„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden, -in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de -toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers -gemakkelijk te doen, niet waar?” - -„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen -vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om, -dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der -manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet -eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.” - -„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de -verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende. -Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe -collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er -niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de -onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van -mij ontvangen.” - -Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de -middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat -zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het -schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd. - -De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het -detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken -met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk -bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn; -maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam -meer uitgereikt. - -Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik, leege -teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den -spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te -laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver -konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker -van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der -vlammen in de spelende golven. - -Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren -[50] afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een -fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd -nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke -kanonschoten besloten werd. - -Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze, -onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister -kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide -hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip -bestreken. - -Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd -het langzamerhand stil op het dek. - -„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar -er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof -een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die -gewaarwording steunen kan.” - -„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman. -„Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens -ook al laat.” - -Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen -wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen -hare mama haar riep. - -„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de -hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.” - -„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij, -terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood -durfde drukken. - -Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi -waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de -omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte -om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston, -Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok, -naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen -om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te -springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen -zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van -Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de -scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren. - -„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd -ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de -onderofficieren er mee te bewapenen.” - -Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd -het weer doodstil op het dek. - -„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De -schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk -voor.” - -„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser -afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er -niets gaat gebeuren.” - -„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid vind ik -onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.... Zouden wij niet een -whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.” - -„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te -voorschijn haalde. - -Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de -diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder -rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de -spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug -voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden -werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil, -alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van -den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad -naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde. - -Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het -geluid der klok weerklonk en sloeg een glas. - -„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig. -„Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.” - -Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was, -viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort. - -„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is -honderd, vijf honneurs is.....” - -De klok sloeg twee glazen. - -De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het -dek vernomen werden. - -„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman. - -„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord. - -Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige kerel, had den -man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze -beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den -schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte. - -„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!” - -Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de -ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan -de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht -begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong -uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de -rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de -linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen. - -Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de -volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen -en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet -in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig -nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te -bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak -met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk; -beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden. - -Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot -beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat -hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan -den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had, -dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die -omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met een -soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl -zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken. - -Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers -zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun -logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De -verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en -kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het -wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling: - -„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!” - -De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den -kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van -kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden. - -Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een -twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of -beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op -tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman -buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men -vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers -kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij. - -Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het -onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de -verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te -vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op -zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal -onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval -onschadelijk te maken, eene geduchte versterking had gekregen. De -aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot, -dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel -grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die -hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht -der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk -helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht -met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de -meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die -bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in. - -„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het -Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te -laden.” - -„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,” -riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil....” - -Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist -voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo -geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee -anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden. -Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het -boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos -terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in -bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel -dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had -gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte, -daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers -den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar -dadelijk handgemeen met de overige passagiers; maar kapitein Van Dam, -den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn -gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen. - -„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij. - -Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het -geknetter bij het spannen der hanen. - -„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het -tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!” - -Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van -verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich -tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep -stoof eene schrede voorwaarts. - -„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!” - -Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog -vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van -doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend. -Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar -daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep. - -„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!” - -„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!” - -Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman -Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend -met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de -Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich -aangesloten. Ook de manschappen van de wacht waren de matrozen op het -dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee -troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van -geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken -te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende -scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij -handgemeen raakte. - -„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van -Dam. - -„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren. - -„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein. - -Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der -belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te -bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag -gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen. - -„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later, -als die muiterij ter sprake kwam. - -Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers -uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook -zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de -schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te -verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen -gegrepen en onschadelijk gemaakt. - -Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne -maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het -onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het -tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de -passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door -kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd om bij eene vernieuwde -uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere -helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der -vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke -kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele -levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de -verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door -den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds -bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot. -Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te -leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn -terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf -goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand -van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke -kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen -was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was -zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij -werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was -een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en -waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd -eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de -laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te -zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels -allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren, -begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende -bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben. - - - - - - - - -IX. - -EENE LIJKPLECHTIGHEID AAN BOORD. - - -De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak, -geleek het dek van de Fernandina Maria Emma wel op het kamp eener -rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip -stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer -niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in -zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont -in de hand. - -Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een -voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te -bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar -naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek -zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen -werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden -stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de -redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige -daarvan en eischte de opgave der schuldigen. - -Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in hun doodsangst al -menige bekentenis gedaan en menige bijzonderheid aan het licht -gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om -aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal -manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk -zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast -zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een -korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met -de manschappen van het detachement te beletten. - -De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking -op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven -blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om -kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis. - -„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u -zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw -verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia -er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag -verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende -omstandigheid in aanmerking komen.” - -„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl -hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?” - -De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op -het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel -gegeven. - -„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het -ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was -gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe. - -„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.... Zondervan!.... Hemel! hij -beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!” - -Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven -liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem -onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest, -en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige -verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat -iemand het wist. - -Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van -eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag -gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de -overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd -tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag -aan de gaffel halfstok gehaald. - -De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants -Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl -Behren daarbij als secretaris diende. - -Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een -gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim -bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar -het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van -het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat -donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem -openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om -handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens -verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten -hadden kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand -aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het -Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van -handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om -tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat -dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn, -en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed -gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld -hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam, -afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was, -hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven; -zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met -wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht -had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest, -het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om -schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek -bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne -vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest -eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te -bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te -maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein -opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat -gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde, -uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan -de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed -te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal -ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche -regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en -dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der -vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk -meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet -ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte, -zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en -met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te -kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan -boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne -hand bezoedeld zoude hebben. - -Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van -Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord -aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald -was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten -voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden -overgeleverd zijn. - -Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest -opschrijven. - -Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de -gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden? - -Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de -ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders -gezocht. - -Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude -zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar -allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen -zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden; -zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden -bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en -tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme -aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten -hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren -angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten. - -Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte -in. - -Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad, -ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de -kerk een weinig kwam opruimen. - -„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge -dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als -schoothondjes.” - -Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en -denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer -bijzonderheden aandrong, antwoordde hij: - -„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te -gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden -om ook zoo te doen.” - -Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De -gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest, -om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek, -ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of -eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die -op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht -door de patrijspoortjes [51] gloorde, week de onrust eenigermate en -vielen zij in slaap. - -Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de -nachtelijke gebeurtenissen zoo veel mogelijk verwijderd. Het was nabij -het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met -het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden, -de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu. -Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde -halfstok. - -„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor -het oog afnam. - -Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok. - -Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier -Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug -afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden. - -„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter -Van Pinksteren. - -„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig. - -„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?” - -„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander -is bij het gevecht omgekomen.” - -Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen -de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de -trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was, -zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip -gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet -nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die -op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den -overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik -naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een -slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd. - -Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij -gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde -een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna -klonk de stem van den eersten stuurman: - -„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!” - -De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de -verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank -rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste -manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens -te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept, -hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts -eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep, -al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen. - -Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen -het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder -eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den -scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond. -Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel, -alsof er niets gebeurd was. - -„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling. - -De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene -extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te -nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug -te nemen. - -Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij: - -„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′ -westerlengte in 2200 vademen water!” - -Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan uitgesproken -werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept. - -De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten, -die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had -kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen -jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen -jenever verschacherde. - -„Er worden toch korte metten aan boord met een mensch gemaakt. Tegen -het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de -haaien,” merkte de heer Groenewald op. - -„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein -Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang -te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn. -Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de -verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne -opvarenden!” - -„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende -de oudste der dames Groenewald. - -„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden, -juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna -onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij -niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat -wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede -gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze -flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij -mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.” - -De Fernandina Maria Emma repte zich intusschen voort. De -zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen -gemiddeld 52 mijlen in het etmaal; hetgeen bij de scherp gebraste -zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na -den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het -schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp -met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een -kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was. -Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en -waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg -aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den -reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den -horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen, -die hun geboortegrond verlieten. - -Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de -donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij -was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden -waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander -sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende -punten te verdeelen. Phosphoresceerde [52] de zee daarbij, wat in deze -warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk -zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was -die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de -daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was -daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, -afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich -over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid -met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het -donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing -boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van -gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich -uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en -kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de -golfjes, die dartelend tegen de scheepswanden opspatten, waren aan -schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen. - -Op den 15en November—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm -geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd -had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die -zich in het hemelteeken de Schorpioen, evenwel dicht bij den Schutter -bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de -zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit -te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de -zonnetent opgerold en middels den spinnekop [53] omhoog gehaald was, -kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en -frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee -allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing -gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en -quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij -eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in -gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren, -om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten. -Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den -koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de -harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid -bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder -haar moederlijk oog mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens -overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen -weemoed vermengd: - - - „Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!” - - -zong toch Van der Hoop. - -„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het -schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart -van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden. - -„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei -Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare -schuine vlakken weerspiegelt.” - -„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven -opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water -niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of -katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult -en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar -metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.” - -„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.... O! -wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle -bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke -nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!” - -De jongman scheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling -hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel -oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde. - -„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar -Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare -opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde. - -En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood -was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende -visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op -elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich -zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des -waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon -schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water, -alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij -iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een -lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin -zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen -bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan -gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te -willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren. -Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en -eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers -zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade -te slaan. - -„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar -lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna -onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van -verrukking ondervond. - -Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats -nemende, over de verschansing. - -„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.” - -Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds -naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne -aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere -oorzaak bewogen, zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem -opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke -levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd, -stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en -dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en -de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms -schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was -het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan -den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de -overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel -langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het -kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen. - -Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school -visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen. -De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een -schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een -oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge -beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen -jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het -begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering -niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak -beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de -verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank -met iets angstigs in zijne stem fluisterde: - -„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht -verloort, ware redding onmogelijk!” - -Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien -zacht, boog zich naar Frank en antwoordde zoo zacht, dat niemand der -naastbijzijnde personen iets kon hooren: - -„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!” - -In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild, -onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander -onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de -lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest -waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest, -dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat -overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee, -daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de -hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was -bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht -hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden -zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het -meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed -zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald -vroeg: - -„Wat zouden dat voor visschen zijn?” - -„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken -van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s -hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was. - -Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames, -hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had. -Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en -onmerkbaren glimlach beantwoord. - -„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald geantwoord. -„Maar.... daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen -inlichten.” - -„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij. - -„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald -hare vraag. - -Abels keek over boord. - -„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!” - -En naar den kajuitstrap stormende: - -„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!” - -In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op -het dek. - -„Mooi!” - -„Prachtig!” - -„Heerlijk!” - -„Overschoon!” - -Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de -nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden. -Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid -om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten. - -„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat -zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op. - -„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat -prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die -visschen noemt men makreelen. [54] Zoo als gij ziet, worden zij tot -ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij -vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl -de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; -maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan -in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena -ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier -visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, -zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel -worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden...” - -„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers. - -De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door -elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk -door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte. - -„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!” - -En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun -lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het -van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de -makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide -haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en -neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het -kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef. - -„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien [55]” verklaarde kapitein -Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden -rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een -wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in -iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig -zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste -beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of -neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu -het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten -voor dat de verminderende warmtegraad van het water hen daartoe -noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem -is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door -die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.” - -„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht. - -„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk; -daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord -laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou -zulks te doen zijn.” - -„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom, -laat ons ons partijtje vervolgen.” - -„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?” -vroeg Van Diepbrugge nog. - -„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche -zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het -voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn [56], waarvan eene -soort door den zeeman boniet [57] genaamd te zijn. Nimmer toch werd -zoo’n haai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in -zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de -stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen -bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de -waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen -zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien -krijgen.” - -„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht. - -„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet -worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de -vliegende visschen in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen -en ook de bonieten in de nabijheid.” - -„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van -Diepbrugge. - -„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang -waargenomen. Dan....” - -„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg -kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber -uitspelen.” - -Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven -naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het -dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het -tijd was om te gaan rusten. - - - - - - - - -X. - -NAAR BRAZILIË’S HOOFDSTAD. - - -Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die -hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder -niet ontsnapt. - -„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij -zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne -gemeenschappelijke hut alleen waren. - -„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald. - -Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen -had. - -„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden, -dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had -kunnen doen.” - -„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?” - -„Hoe meent ge dat?” - -„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.” - -„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?” - -„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein -toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen -doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te -stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden. Nu -kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed -administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen -zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.” - -„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken -borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle -huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met -mij eens?” - -„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n -onderofficier.... zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den -neus niet tegen ophalen?” - -„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden -eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te -bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de -hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot -in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed -voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere. -Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van -het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar? -Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te -bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de -keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een -onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en -eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij -moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een -mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen, -wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke -voorteekenen gesloten, bezegelt.” - -„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het -in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van -zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de -denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het -is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne -kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.” - -„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die -heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij -zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want -er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou -verschrikkelijk wezen!” - -„Maar... gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer -Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?” - -„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven -is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.... ik -vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid -als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel -te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de -liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.” - -„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het -gebeuren, nietwaar? Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il! -Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die -jongelieden?” - -„Juist, manlief.” - -„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet -mijne meening gevestigd zijn.” - -Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het -zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk -hunner lieve kinderen. - -De Fernandina Maria Emma vervolgde flink hare reis. Het is waar, de -zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende -het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op -zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was. - -Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag -geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van -honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een -flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden -gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een -eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te -zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan -weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit -een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een -derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde -verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek, -waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij -van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten, -kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz. -door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan -het oog onttrokken werden. - -„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om -insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman -Abels. - -„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet; -maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne -vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden [58] en zooveel anderen -uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de -doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als zij uit het water springen, -spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die -evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de -vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar -daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers, -die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer -hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te -keeren.” - -„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.” - -„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels! -zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen. -Zoo’n visch is een lekker hapje.” - -En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde; -daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip, -schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het -touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal -kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en -door janmaat buit gemaakt werden. - -Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te -worden, ten einde die in liquor te bewaren. Eene tweede school streek -evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij -die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de -verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong -toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee -visschen in de hand. - -„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te -mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die -vlinders onder de visschen.” - -„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de -Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik -weisz.” - -„Vooruit dan maar!” - -„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij -zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der -Pharyngognati....” - -De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van -de onderkaak niet bedwingen. - -„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar -in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.” - -Allen lachten. - -„Aber, ik weisz niks meer.” - -„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren. - -„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik -je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval -blootstellen.” - -„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort, -„maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde -borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt, -diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen, -gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er -bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo....” - -Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker. - -„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man. -Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam. - -„Waarvan de hoogvliegers [59] de meest bekende soort zijn. Deze worden -ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een -zilverwitten buik. Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker -hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika -met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet. -Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch -niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik -heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld -navolging zal vinden.” - -Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek -opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit -lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende -visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en -uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen. - -Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den -Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen -om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen. - -Den 17en November had het middagbestek aangegeven dat de Fernandina -Maria Emma zich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte -bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene -samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam -verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun -tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den -scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen, -die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester -hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen. -Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden -ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De -geneesheeren verklaarden dat het meest ernstige te vreezen stond, -wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel, -behandeld konden worden. - -De beide kapiteins keken elkander aan. - -„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt -niet te aarzelen.” - -„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is -er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al -vertraging berokkenen.” - -En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop. - -„Naar Bahia afhouden, dat op den 12den graad zuiderbreedte ligt, zou op -onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van, -dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23° -zuiderbreedte en ongeveer.... laat zien.... op 43° westerlengte. Welnu, -wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen -mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij -binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de -bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die -verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders -als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.” - -Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de -equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende -de Fernandina Maria Emma het Amerikaansche vasteland te gemoet. - -Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den -18den November stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′ -westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed -doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim -gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast -zat: - -„Land! stuurboord vooruit!” - -Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van -Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig -dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die -onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken. -Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en -keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den -horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk -als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd, -bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden -vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich -onmogelijk vergissen. - -Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den -horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al -zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden -was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle -schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige, -sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van -uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel -lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt -werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende -gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was -zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp -tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd -eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte. - -„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?” -vroeg een der passagiers aan kapitein Butteling, die met zijn kijker -den blik over de zeeoppervlakte liet waren. - -„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne -kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste -Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet -Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.” - -„Een zeil!” riep de uitkijk. - -„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper. - -„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast. - -Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen -peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die -vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van -den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een -wit stipje dat ontwaard werd. - -„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant -brassen!” - -Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak -op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods -aan boord stapte. - -Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het -landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van -het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band -ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid -van huizen verrieden. De Fernandina Maria Emma naderde nog meer. Zij -was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne -blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij -naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den -bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht. -Een bergwand rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij -een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder. -Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het -schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd. -Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren -voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene -voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de -eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna -kreeg de Fernandina Maria Emma den ingang der fraaiste baai van de -wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en -fluisterde hem iets in het oor. - -„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando. - -In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood -klaar: - -„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal. - -Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het -kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het -voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het, -terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der -baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed -was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de -Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd. -Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen -onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het -fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog -boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de -blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het -binnenkomen werd het oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai -gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd, -welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte -der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde, -verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort -Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam -gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding -moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en -Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten -zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio -Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken. - -Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig -voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste -breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan -het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw -water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs -opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd -omgeven was. - -Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een -langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene -landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland -verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de -hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers -een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan -zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien -te hebben, niet verzadigen konden. - -De Fernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen, dewijl de wind -in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha -Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats der -oorlogsschepen uitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige -kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap, -waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven, -groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende -steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars -had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland -gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen. [60] - -Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie -aan boord. De Fernandina Maria Emma kwam evenwel uit Europa en had -geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar -den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra -gestreken en gereed om te vertrekken. - -„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers. - -„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant -Denniston dit insgelijks te doen.” - -„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald. - -„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder -het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. -Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om -vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik -wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De -gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.” - -De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van -kapitein Butteling. Zelfs de dames Groenewald stapten in, en namen -plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te -brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan -kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te -vragen om mede naar den wal te gaan. - -„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n -gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb -bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, -hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, -gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders -handelen.” - -De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder -teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje -medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren -lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was de Fernandina -Maria Emma door eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker -opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om -aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. -Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de -handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat -verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn, [61] aan boord gebracht -werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk -zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar -de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die -venters verdwenen waren. - -Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne -passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte -zijner zending naar den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede -portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten -medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel -bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten -konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden. - -Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert de -Fernandina Maria Emma het Nieuwediep verlaten had, hadden èn de -equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten -vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, -bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek -schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den -kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling -gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden -wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat -kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, -alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; -en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in -de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om -later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat -eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar -den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren -er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de -lekkerbekken gevonden; maar.... de voorraad, door de reeders tot -uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen -het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één -varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en -was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas- of Nieuwjaarsdag -een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, -toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een -viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou -geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en -eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid -aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu -eenige afwisseling kon gebracht worden. - -De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich -geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter -ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en -neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste. - -Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van -ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de -aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede -lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere -levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had -zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van -het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds -boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien. - -Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet -naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, -werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn -van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten -aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord -zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden -ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling -zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp -hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen. - -De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den -scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner -beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen -doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan -boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder -het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite -om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun -uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen -deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te -verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg. - -„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een -glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op -verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van -dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters -drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te -Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, -dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou het mijzelven niet -vergeven.” - -„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames. - -„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik -u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten -antwoord. - -Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen -staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo -aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra -te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de -naoogenden aan boord. - -Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord -terug waren. - -Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het -verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met -de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun -eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die -aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de -groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en -tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te -zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn -gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het -gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven -geheschen. - -Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene -kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de -sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door -een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. -Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen -van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. De Fernandina Maria -Emma aldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, -de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den -gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden -vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers -naar het zuidoosten zette. - -Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de -passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar -bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan -door. Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te -doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden -heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof de -Fernandina Maria Emma een noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en -het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen. - -„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van -tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten -den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die -vertraging niet.” - -Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er -dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, -eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius -verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de -kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de -approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, -jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio -Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der -opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van -vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke -lucht, die zich over het dek verspreidde, van de beefsteak, die zich de -kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de -passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in -weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied -bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige -knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar -voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim -het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd. - - - - - - - - -XI. - -WEER NAAR ZEE. - - -Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop de -Fernandina Maria Emma de baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te -vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het -langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek -van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven -en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op -het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij -waren. - -„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de -jonge meisjes. - -„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma. - -„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde -Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de -omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk -genoten.” - -Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna -onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het -lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had -mogen deelnemen. - -„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius. - -„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij -niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien -heeft?” vroeg Frank aan Adelien. - -Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo -talrijk gezelschap het woord alleen te voeren. - -„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij -schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een -meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.” - -„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. -„Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar -onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht op -bijzonderheden vestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.... -daarvan den schijn aannemen.” - -„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet -veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans -met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij -mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.” - -„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker -met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van -gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het -landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de -verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had -voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude -verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in -hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die menigvuldige villa’s, -die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; -maar....” - -„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare -stem. - -„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora -treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij -daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan -ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal -gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne -bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te -bewonderen gaf.” - -„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, -hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer -binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, -zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een -nieuw wonder te aanschouwen gaf.” - -„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren -voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht -ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een -jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel -aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik -vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens -ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio -Janeiro!” - -„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!” - -„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo -schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte -bamboebosschen aangetroffen worden!” - -Ja, de apotheker was er van door. - -„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te -overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat -gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is -oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.” - -„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?” - -„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij -hetgeen gij gisteren gezien hebt.” - -„Ik heb bloemen en struiken gezien, die....” - -„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft -meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam. - -De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, -dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking -der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten -uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten. - -„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde -kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim -in den mond stak. - -„Pas op, er zijn doornen aan!” - -„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge -meisje. - -„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare -handjes te huis hield. - -„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? -Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de -prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet -voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis -noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk -en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die -bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden en -stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn -omgekeerd eivormig, geknepen en....” - -De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn -stokpaardje ontnam. - -„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen -geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je -Caesa...caeso... Hoe heet je dat ding ook?” - -„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.” - -„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama...” - -„Pulcherrima, kapitein.” - -„Nu, pulcherrima dan... is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de -Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier -alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De -Javaantjes houden veel van die plant.” - -„Waarom?” - -„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging -kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van -Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een -aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.” - -De beide Esculapen keken elkander aan. - -„Wij weten het niet,” betuigden beiden. - -„Weet jullie dat ook niet?... Wel dat weet in Indië iedere baboe en -iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien -geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?” - -„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter -Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s -wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia -Caesalpiniae pulcherrimae?” - -„Wel, om schoon schip te maken.” - -„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of -zwabber?” - -„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde -werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.” [62] - -Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de -laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten. - -„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. -Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht -ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae -medegebracht?” - -„O! meer dan genoeg voor eene proef!” - -„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.” - -„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijne beefsteak klaar is,” zei -kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen... Daarbij, het wordt -tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het -middaguur nabij is.” - -Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken -gegeven, dat het kwart voor twaalf was. - -„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben -den wal nog in het gezicht.” - -„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?” - -Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog -achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; -maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die -opdoemde. - -„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij. - -Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het fregat op 24° 19′ -zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte. - -Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank -Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio -Janeiro niet voltooid had. - -„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, -„dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de -geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. -Maar.... wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren -zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. -Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik -overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door -eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de -partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats -genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?” - -Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de -kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en -was misschien ook wel het meest gewenschte. - -Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest -waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd -hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals -de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft -ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven -geen lekkerder beefsteak hadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard -had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het -eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders de -beefsteak veel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben. - -„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein in het ootje -genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een -tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader -waarschijnlijk school gegaan.” - -Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen -de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman -Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor: - -„De traditioneele schildpadsoep!” - -„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, -„dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het -hoofd bij wijze van slaapmuts!” - -De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel -verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd -was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die -dienst voor schildpadvleesch moesten doen. - -De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende -potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, -alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd -gevoelde. - -„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep -voorzet?” vroeg kapitein Butteling. - -„Echte schildpadsoep!.... Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, -„is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?” - -„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? -Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met -levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene -monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt -haar lot af te wachten.” - -„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep zullen krijgen. In -afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.” - -„Maar....” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep -naar binnen te werken. „Maar.... kapitein Butteling. Is uwe schildpad -eene ware, geene nagemaakte?” - -Allen lachten. - -„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte -zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal -wegen.” - -„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. -„Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!” - -Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle -eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was -de voorgediende roastbeef uitmuntend en zoo malsch als boter bevonden. -De opmerking daaromtrent bleef niet uit. - -„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij -de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in -papaya-bladeren doen wikkelen.” - -„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de -bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.” - -„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien -daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een -goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats -van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die -bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is -het nog zoo taai.” - -„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?” - -„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige rijpe vruchten, -die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?” - -„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom -geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de -onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze -peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.” - -„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich -in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.” - -Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die -haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan -vonden. - -„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij. - -Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo -donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee -niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het -want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde, -dat het schip eene vaart van elf mijlen had. - -„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op. - -„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben -we niet te klagen. Maar.... de barometer daalt langzaam maar gestadig. -En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger -zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.” - -De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie, -waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo -ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde -van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of -alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie Groenewald -zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje -sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden? -Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel -innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de -geredden en hare redders. - -„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan -Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro -zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te -vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die -keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier -plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter -schreef: - - - Vedi Napoli e poi muori (Napels zien en daarna sterven.) - - -noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en -Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers -afgeschilderd worden, er bij halen.” - -„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma; -„maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan -die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand -aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door -een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige -der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van -vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden -bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar -bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt -gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de -plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u -eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje -door de Preanger Regentschappen in West Java, of een tochtje door de -Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren, -die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro -achterstaan. - -„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou -leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die -in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige -baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan. -„Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet -de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.” - -„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de -Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een -schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich -te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument -aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een -druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van -eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij -als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste -huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout -opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts -schaars van trottoirs voorzien zijn.” - -„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert, -juffrouw Adelien,” zei Frank. - -„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft -alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is -te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.” - -„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met -een glimlach voort, „bedoelde ik de oude stad, die wel van de nieuwe -stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze -van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden -Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en -liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den -Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer -landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een -prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro -de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt -en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk -paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa -Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar -den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten -westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht -heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang -tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig -terrein, dat hij evenwel beheerscht.” - -„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne -seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had. - -„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel -gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen -natuurlijk medegerekend zijn.” - -„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners -telt Rio Janeiro dan wel?” - -„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde -Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en -bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.” - -„Waaronder ongeveer 50,000 slaven,” vulde de heer Groenewald aan. - -Een schril gefluit weerklonk over het dek. - -„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman -Abels over het dek hooren. - -Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken -en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen -van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester -aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip -bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind -soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der -bovenstengen met recht gevreesd kon worden. - -„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den -stuurman. - -„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen -tijd slecht weer hebben.” - -„Eene mooie voorspelling!” zei Emma. - -„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten? -Maar.... mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden -te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij -den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij -volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over -te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal.... -gedoopt te worden.” - -„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende. - -„Ja, maar dat niet alleen.... ook om andermaal over het dek gerold of -over de versch....” - -„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met -geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!” - -„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde -Frank met niet minder vuur. - -Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen -druk. - -„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier -redders niet. Maar.... het mocht eens minder goed afloopen.” - -„Zoodat gij meent, dat er gevaar best....” - -De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een -golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de -verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat -het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef. -Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte, -vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig, -vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen, -op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig -van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met -de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende, -zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op -de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken -door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een -ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets -ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit -gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk -bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het -jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een -kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare -moeder van het gebeurde kennis te geven. - - - -Toen den volgenden morgen—23 November—de dag aanbrak, waren het groot -en het bezaanzeil gegeid, en lag de Fernandina Maria Emma onder hare -marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost -op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven -zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat -bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om -voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden, -dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield -zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de -masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde -het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een -onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die -beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen -bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende -baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin -verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de -waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element -wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die -het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen -egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken -met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen -dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de -oppervlakte der zee. - -Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het -schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen -afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in -horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan -dek kwamen, zochten dan ook in allerijl een oppertje, niet om zich voor -den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige -stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige -oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten. - -Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen, -had de Fernandina Maria Emma eene vaart van twaalf mijlen. - -„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam. - -„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord, „maar gedurende de -hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het -grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en -drie man aan het stuurrad niet te veel waren.” - -„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg -bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de -zeeziekte zoude krijgen. - -„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve -bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en -alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is -aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait -er storm.” - -„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te -slaan?” vroeg Leidermooi. - -„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam -dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar.... -ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.” - -„Stormvogels?” vroeg Hannius. - -„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen [63],” antwoordde stuurman -Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op -een afstand wel iets van een zwaluw hebben. Zij vliegen steeds.... -Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet! -Sta nu maar vast.” - -„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van -Dam geruststellend, „en....” - -„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.” - -„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien -hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen, -niet waar?” - -„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu -wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken. -Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken, -misschien morgen of overmorgen al.” - -De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om -het schip en verdwenen in noordelijke richting. - -Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen, -dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en -vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in -het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en -zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip -steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan -tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder -blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij -moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo -aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer; -integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa -Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen, -geheel in zijn demi-saison; terwijl hij de regenmantels zijner dames op -den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen -gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen. -Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te -ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den -kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om -hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van -haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te -brengen. Het middagbestek toonde aan dat de Fernandina Maria Emma op -27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer -was steeds langzaam dalende. - -De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten, -verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring -gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland. - -De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De -kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich -aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn. - - - - - - - - -XII. - -EEN ONDERHOUD—BRUINVISSCHEN. - - -„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij -dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om -naar boven te gaan. - -„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord. - -„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.” - -„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de -vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet -vallen. „Neen, ik ga naar boven.” - -„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.” - -„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat -wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en -weer trippelen.” - -Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels -verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten -achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen, -zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen -kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek -schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer. -De anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de -verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te -vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of -dominospel of ook wel met lezen onledig hielden. - -De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman -ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen -tot zich. - -„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,” -sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer -ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij -zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.” - -Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou. - -„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden -van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van -die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid -ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om -uwe toekomst te verzekeren.” - -Frank boog met dankbaar gebaar. - -„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden -leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige -inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij -ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid -dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene -of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van -het koloniale leger bracht?” - -„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen -toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden -er niet aan, ooit den militairen rok aan te trekken. Ik had de studie -der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons -vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader -op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele -welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde. -Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte -mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat -naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen -besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger, -vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met -dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te -volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen, -die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.” - -„Maar uw vriend Riethoven?” - -„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende. -Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij -leerde evenwel een meisje kennen, en.... ja en.... toen liet hij die -vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht -te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid -bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat -zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat -hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij -naar Harderwijk en....” - -„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen -bracht? Het heilige vuur ontbrak u...” - -„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde -Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer -toewijding in de gelederen dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze -oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals -helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders -militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer -familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer -jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later, -toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand -geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk -hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden, -die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding, -zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen -zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen, -dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!” - -Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem, -dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen, -die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij -het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen. - -Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem -aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te -verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn -kind wenschte toe te vertrouwen. - -„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel -aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.... als u nu -eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt -gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te -zeggen?” - -„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer -Groenewald?....” - -„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!” -antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen -krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de -luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts -één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet -alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer -omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen -aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten. -Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan, -aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene -loopbaan voor de andere te verwisselen?” - -„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart -begon te popelen, met aandoening. - -„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben -bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den -Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te -verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter -te beginnen.” - -„Bij u in dienst treden.... mijnheer Groenewald?...” vroeg Frank, voor -wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees. - -„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene -remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?....” - -„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht, -dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene -zaak om met een ja of een neen af te doen.... Gij zult mij dus -vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.... Ik moet -daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.... uw voorstel betrof -toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?....” - -De heer Groenewald knikte ja. - -„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.” - -„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord -gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke -weken voor u.” - -„Maar.... intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer -Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en -derhalve.... iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou -kunnen maken.” - -„En die bekentenis is?” - -„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de -plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog -ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.... het gevoel dat mij -overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest, -dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens -beproefd heb er mij aan te onttrekken.” - -„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het -gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat -oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord -keek. - -„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.... De gedachte, dat gij mij -later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben, -zou mij onverdragelijk wezen.” - -„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met -die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.” - -Frank greep zijn moed met beide handen. - -„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter -opgevat, en....” - -„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem. - -Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends -op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel -dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid. - -„En....” wilde de jonkman voortgaan. - -„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij -voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden. - -„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank. - -„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer -Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders -niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.” - -Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den -jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot -geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar -en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en -een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren -nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken. - -„Zoodat?...” riep Frank aarzelend uit. - -„Zoodat?... ja, wat zoodat?...” hernam de heer Groenewald door die -vraag verrast. „Zoodat.... het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die -ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal -kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien, -onze dochters aan officieren af te staan.” - -Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen -het achterdek op en neer, zonder een woord te spreken. Adeliens vader -eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst -gehandeld. - -Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte, -die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan -stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen, -steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou -omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze -wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe -zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen -onzacht tegen de verschansing aankwamen. - -Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen. - -„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is -natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend -Riethoven spreken.... wij waren steeds vrienden... en.” - -„Is hij met uw hartgeheim bekend?” - -Frank knikte bevestigend. - -„En... zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?” - -„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den -tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft -nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.” - -De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit -van den wind verloren. - -Beneden had intusschen een ander tooneel plaats. - -Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma -in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren -te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide -waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige -woorden aan hare dochter mededeelde, wat het doel was van het gaan van -den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman -en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de -betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden. -Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den -boezem harer moeder en rispelde zacht: - -„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!” - -Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte -haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje, -alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo -gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige -oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken. -Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig -gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart -opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken, -die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden -schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke -lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die -kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene -aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en -die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen, -voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met -zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand, -naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste -vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting, -die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging -als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het -jonge meisje om. Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken -schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield -nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed -nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van -aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor -Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten -belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die -verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne -schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten -blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld! -Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder -en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is -bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de -woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik -heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke -vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige -heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den -moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer -ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger, -dan die tusschen man en vrouw! - -In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten -indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer -Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De -zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of -genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien -daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank -verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het -samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n belangrijk gesprek te -voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was. - -„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.” - -„Zij schijnen het druk te hebben.... althans met wandelen,” antwoordde -Adelien glimlachend.... „Hoort ze eens heen en weer trappelen.” - -Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan -stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en -moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te -vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te -koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke -besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het -onderhoud te maken. - -„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te -brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe -genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien -alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat -steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere -beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!” - -Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van -het dek verdwenen. - - - -Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde -weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden -kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten -geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon -somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte -golven bescheen, en het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog -meer deed uitkomen. - -„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston, -toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels. - -„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de -stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik -te twijfelen....” - -„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had. - -„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij -daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen -reeds geborgen.” - -„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam. - -„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.... „maar.... -kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.... Verwenschte dieren, ik -zou ze wel kunnen doodschieten!” - -„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de -richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is -alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk, -hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!... zie... het komt hier heen. Wat -is dat toch, stuurman?” - -Stuurman Abels keek in de aangeduide richting. - -„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met -zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.” - -„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston. - -„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan -hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al -meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als -thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.” - -„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven -op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan -hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!” - -Al de opvarenden van de Fernandina Maria Emma hadden hunne aandacht aan -het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen -der equipage en de passagiers achteruit lagen over de -stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze -naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in -dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de -zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam. -Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven -zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht -was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of -andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven -verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn -glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen -staart. - -De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te -voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en -waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip -plaatsten, om te pogen een visch te verrassen. - -„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee -te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!” - -De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij -het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij -voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het -voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs -beide zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin -de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit, -doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om -het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij -zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en -onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden. - -Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het -voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den -bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan -zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en -was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren -een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen -bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek. - -„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames. - -„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel -zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.” - -Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het -aandachtig. - -„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam -aan den Esculaap. - -De Germaan lette op die scherts niet. - -„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de -vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is....” - -„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in. - -.... „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol -aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken, -en tusschen de keerkringen....” - -„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam -er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de -bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen. -Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes” [64]. - -„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en -is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als -alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte -rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de -overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is -zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen -zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben....” - -Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte, -onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid -der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet. -Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen. - -Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals -geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen -bestendig toe. - -„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen, -als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder. - -„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van -Dam. - -„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer -binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die -aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.” - -Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24sten November, op -31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte. - -Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren -voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden. -In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend -te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen, -in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen. - -„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op, -terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de -kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een -van nabij willen zien.” - -„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen -bieden,” zei Denniston galant. - -Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid -moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk -toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn -collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren -vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter -den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel -vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren -spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen -veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den -haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in -bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag, -alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij -overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn -spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het -water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop -springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd -om hen te krijgen, liet ontwaren. - -„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan -stuurman Ellenbaan. - -„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche -Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling -opkomende lachbui. - -„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een -oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag -van Denniston gehoord had, er bij. - -„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie -zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn, -hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen, -zullen aantreffen.” - -Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een -geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven. - -„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog -nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord -geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het -gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar -eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk -op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op -hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen -snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den -ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of -over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn. -Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien -dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk -van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet -verschalken.” - -De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar -pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en -de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma -kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon. - - - - - - - - -XIII. - -STORM.—OM DE ZUID. - - -De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende -beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein de -Fernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio -Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen. - -„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij -moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop [65] zijn.” - -„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het -schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den -golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.” - -„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op. - -„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor -den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein -Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans -naar beneden gingen.” - -Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek. -Alleen zij, die de wacht hadden, zaten op het voorschip achter een -oppertje geborgen voor den woesten wind. - -Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het -zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het -steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild -werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed, -alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel -niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden, -met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan -opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen -waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op -de been te blijven. - -Bij het middagbestek van dien dag—den 25sten November—stond het schip -op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg -onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd. - -Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de -tafel van slingerlatten [66] voorzien, om te beletten dat bij de -bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert -eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende -voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden, [67] die boven de -tafel zweefden, uit de hand te zetten. - -„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van -Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de -soep lastig worden.” - -„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De -barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens -kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.” - -„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroeg Van Dam. - -„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit -weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan -er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het -thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de -kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te -houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.” - -„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald. - -„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust. -„Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de -erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle -maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit -met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.” - -„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht. - -„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien -Groenewald in de handen klappende. - -„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein -Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het -vuur kan houden.” - -„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor -ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald. - -„Voorzeker, mevrouw.” - -„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer -aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige -moeder. - -De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek. - -„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling. - -„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston. -„Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?” - -„Scheepsbeschuit!” - -„Met?....” - -„Met scheepsbeschuit!” - -„Zonder koffij?” - -„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan. - -„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die -scheepsbeschuit door te spoelen.” - -„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water -[68] uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling. - -„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch? -Waaruit zal die bestaan?” - -„Uit scheepsbeschuit!” - -„Met?....” - -„Met sardijntjes.” - -„En?....” - -„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water -uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapitein Van Dam uit. - -„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet -waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?” - -„Uit scheepsbeschuit!” - -„Met?...” - -„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt -vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.” - -„Daar is ten minste variatie in al die gerookte lekkernijen.” - -„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma -Groenewald. - -„Maar, kapitein Butteling....” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar -zooeven: afgewisseld met al die lekkere gerookte zaken. Hebben wij dus -het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?” - -„Ai!... ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de -gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij -daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de -oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte -vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo -laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel -lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te -zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag -met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht -weer zullen hebben en.... daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit -met... gerookte lekkernijen rekening dienen te houden.” - -„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch -uit den koers, niet waar?” - -„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber. - -„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?” - -„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den -Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij -Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van -kaap de Goede Hoop op den 39sten graad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb -mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.” - -„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam. - -„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis -daardoor zal maken. Gij zult zien. De Stad Leiden lag bij ons bij de -Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te -veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft -getroffen als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier -dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio -Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat -wij voor haar op de reede van Batavia zijn.” [69] - -„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?” -vroeg Behren. - -„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman; -maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken, -die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in -staat.” - -„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere -reis te maken is, zooals gij beweert.” - -„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al -kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische -mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad -nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een -lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne -waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil -geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te -leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn -hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede -gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit -een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen -lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten -bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45sten -breedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen, -waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.” - -Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den -kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk op, trad in zijne kajuit, -om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek, -waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden. - -De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren -achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware -met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn -boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik -hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken -wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een -afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen. - -„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling. - -„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van -Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade -te slaan. - -„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven, -want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een -zwaar werk.” - -Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de -noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog -waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek -waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar -boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn -stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan -overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op -het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige -vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar -boven bekend te maken. - -Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen -zeilen dicht te reven. Wat kracht moesten die vuisten niet uitoefenen -om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de -riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar -boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen -zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas -gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder -de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest -klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig -niet te veel waren. - -„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij -dat weer, in evenwicht te houden?” - -Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid -verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer. - -„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een -oorlam verdiend hebben.” - -„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij -een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was. - -„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan -stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer -behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het -achterdek verscheen. - -„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was -het antwoord van den zeeman. - -„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.” - -„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve -bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het -marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij -van gereefde marszeilskoelte spreken; had hij twee reven laten nemen, -dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven -gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.” - -„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?” - -„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer -naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast, -had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus -onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde -marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?” - -„Nu, wat dan?” - -„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.” - -„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den -scheepsgezagvoerder. - -„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.” - -Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een -bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige -Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende -wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk -de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie -stuurlieden hadden hunne zuidwesters [70] op en over de ooren -getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij -elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood. - -„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak -kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan -zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.” - -Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene presenning over de -trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan. -Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die -presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading -beneden te houden. - -Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het -bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die -oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst -waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had -voor Hem, in wiens hand aller bestaan was. - -Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een -Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk -halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag -rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die -van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar -beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven -te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de -soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield -in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat -woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die -zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene -langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den -scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten -te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk -gesteld worden. - -„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de -kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de -stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel -weggeslagen.” - -„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet -uit te houden!” - -Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer -dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen. - -„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed -vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!” - -Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook -langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens -poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle -zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten -oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip -met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de -mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen. - -„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman -Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee -matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onze Fernandina -Maria Emma er niet zeer aantrekkelijk uit.” - -„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt -zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!” - -„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren. - -„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens -loggen?” - -„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem. - -Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd -uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen -zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman -Abels: - -„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we -meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.” - -De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met -moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij -den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij -beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de -kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich -daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden -die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer, -zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en -waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen. -Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het -voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee -lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer -opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die, -bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren -gekomen, wreven. - -„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren. - -Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer. - -„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!” -raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een -nagelpen der verschansing vast hield. - -„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap -vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den -boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.” - -„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde kapitein -Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te -breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot -levensgevaar. Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten -bijwonen!” - -„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk. - -„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi. - -„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel -op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke -verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord -gespoeld heeft.” - -„En?....” vroegen de passagiers ademloos. - -„En.... Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben -den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.” - -„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren. - -„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch -dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn -tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het -schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om -een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot -te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den -boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op -zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den -ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te -doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen? -Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot -moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot -overlaten!” - -„Schrikkelijk! schrikkelijk!” - -„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij -zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk -voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in -zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer -hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met -een kort: „niets aan te doen?” - -„Vreeselijk!” - -„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein -Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook, -staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen -sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden -zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen, -ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het -meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen....” - -Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe, -fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit -naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en -woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die -in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel -brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van -bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo -somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend -geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden -kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche -doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht -spoedde de kapitein naar beneden. - -„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de -haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei -Abels. - -De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de -woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het -dek. - -„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der -kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof, -dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil -bijzetten.” - -Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer -veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd. - -„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het -niet?” - -„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat -kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten -inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.” - -De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil -na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos -ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven. - -„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het -dichtgereefde voormarszeil bijzetten!” - -Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam -maakte den gezagvoerder daar attent op. - -„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart -maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is -nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk -zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten -loggen.” - -Het schip liep toen vijftien mijlen. - -De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon -het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal -door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van -den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te -verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het -dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet. - -„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer -Groenewald op dat gezicht. - -„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend. - -Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat de -Fernandina Maria Emma op 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte -stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd. - - - - - - - - -XIV. - -KAAPSCHE DUIVEN EN ALBATROSSEN. - - -De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. De Fernandina Maria -Emma had het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam -de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds -onder zijne gereefde mars-, bagijne-, groot- en fokzeilen, en konden de -passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok -groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke -snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen -bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen. - -Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds -uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven, -volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam -rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende -dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den -anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in -die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren. - -Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het schip des morgens -omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter -nauwernood vier mijlen in de wacht. - -Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te -maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan -de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet -geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de -spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien, -ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen -honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te -doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij -dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de -watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om -vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den -bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het -dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend -hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook -op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve -duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in -bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met -vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij -een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd, -krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren -belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan -draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip, -beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen, -stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken, -slokten, schreeuwden en krijschten daarbij, vochten woedend met -elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas -strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten -natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas, -tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder -evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen. - -Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames -de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij -menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren. - -Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat -men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en -Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij -voor de twee meisjes neerzetten. - -„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier -fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan -haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet -aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve -vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek -gevoelig te treffen. - -„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de -nabijheid bevond, met lachende stem. - -„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma -lachende. - -„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is -niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk...” - -De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige -pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner -vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en -hals, en eindigde met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken, -dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan. - -„Kijk....” herhaalde stuurman Ellenbaan. - -„O!...” zei Emma met walging. - -Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij -koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn -verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw -had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare -wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij -een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje -verder een weg baande. - -„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene -tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar -beneden om zich te reinigen. - -„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter -Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam -reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de -ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der -Longipennes....” - -„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam... Langepennis? -Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?” - -Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren: - -„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot -de orde der Natatores....” - -„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die -Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze....” - -En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne -nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee -paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten -hooren. - -„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen -kwaad!” - -„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig. - -„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel -daar op het dek.” - -Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen, -die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten. - -„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal -tegenhield. „Ik wil ze opzetten!” - -„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel -bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar -geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze -over boord smeet. - -„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter. - -De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die -onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de -vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en -rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in -de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen -volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht -verdwenen. - -„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank -Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge -meisje te verbinden en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met -eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds -bij zich droeg. - -„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne -taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige -lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar -zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward. -Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te -komen aanbieden.” - -„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare -zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder -stond. - -„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?” - -Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord. - -„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar -voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde. - -Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen -van het jonge meisje. - -Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon -te maken. - -„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en -kwalijkriekend cadeau achtergelaten!” - -„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een -schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders -dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!” - -„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren. - -„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die -braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik -evenwel minder aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den -mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen; -maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die -vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en -die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe -overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde -gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.” - -„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!” -merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het -schip.” - -„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben. -Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van -ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen -voorbijstevenen zullen.” - -„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien. - -„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op -die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van -zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.” - -„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de -richting van het noorden wees. - -Allen keken uit. - -Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in -grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de -vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich, -verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en -zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks -golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij -zich tot op een vijftig voet daarboven, draaiden daar in onberispelijk -afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare -onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart -naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand -het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het -kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten. - -„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die -intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat -wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens, -welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte -snavel zij hebben!” - -„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij -heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en -gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons -ongemeen prachtiger zijn.” - -„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te -berde. - -„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen -die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.” - -„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius. „Veranderen zij -dan?” - -„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze -het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die -fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd -worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche -ganzen.” - -„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen -zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.” - -„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou -begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk -krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels -verhalen.” - -„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als -onze raven, maar zij zijn veel grooter.” - -„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald. - -„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling. - -„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius, „en wel de Diomedea -fuliginosa.” - -„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne -onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor. - -„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan -ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig -als... als... Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?” - -„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend. - -„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne -haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de -vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden -teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen. - -„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen, -is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de -loglijn wel voor gebezigd te worden.” - -„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol -greep. - -„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk eens naar de lucht. Ik -ga den barometer eens raadplegen.” - -De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te -werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij -de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de -noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve -niets komen. - -Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu -dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat -de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd -op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men -passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door -de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere -omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de -oppervlakte der zee verhief. - -In den morgen van den 2den December werd het oostelijk halfrond -bereikt, dat wil zeggen: dat de Fernandina Maria Emma den meridiaan van -Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende, -gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het -middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2° -10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen -afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December -sneed de Fernandina Maria Emma den meridiaan van de Kaap de Goede Hoop -en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en -20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte -zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond -werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen -en manschappen eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige -Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein -Butteling nog een flink rantsoen bier voegde. - -Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag. -Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch -verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden -uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren -geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste -Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten -slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen -verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak” [71] met -keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op -de Fernandina Maria Emma een ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke -stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best -deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een -prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op -deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men -dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en -kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk -moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien -waaien. - -Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke -uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de -kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren -onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar -achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het -viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen -hadden, dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd -mocht worden. - -Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al -uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit -hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en -de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman -uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal -eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet -alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders -veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen -nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel -van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien -eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een -koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de -betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na -zoo’n wandeling smaakte. - -„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de -lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van -onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop, -zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg, -België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland -geschiedt.” - -Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een -landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de -pandoppo, in de binnengallerij, in de spen [72] op het erf; en schetste -de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder -verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout -verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet minder verlichte -bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief -spel verrukten. - -„Het moet daar lief in die eenzaamheid wezen,” merkte Frank op, voor -wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in -zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt -niet aan dien greep trachtte te ontwringen. - -„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer -Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van -bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig -wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren -op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven -geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden, -maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze -gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer -er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en -mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche -bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook -verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op -Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!” - -Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen -pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die -dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke, -het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen -doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het -donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef -voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in -zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die gemoedsrust te -storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en -stond op. - -„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.” - -„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond -en de beide jongelieden de hand reikte. - -Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een -lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die -aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met -plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler, -als het kon, de woorden uitgesproken: - -„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.” - -Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met -die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik -te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten, -elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander -onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van -innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten -juichen. - - - - - - - - -XV. - -IN DEN ZUIDOOSTPASSAAT. - - -Toen op den 8sten December de dag aanbrak, en de opvarenden der -Fernandina Maria Emma aan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de -mars van den fokkemast: - -„Land vooruit!” - -Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar -doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst -als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe -omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien -loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het -helderste wit. - -„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den -derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan -onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik, -onder den 51sten lengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat -ongeveer op 70° ligt.” - -„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het -zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.” - -„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald. - -„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,” -antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die -witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks -onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder -krijgen.” - -Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer -en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en -verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en -hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en -gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden. - -„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte -kapitein Van Dam. - -„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op -ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan -zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet -overbodig mag heeten.” - -Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk -zich voor het oog opdeed, maar ook de bijzonderheden daarvan -waarneembaar. De Fernandina Maria Emma stevende recht op eene kaap aan, -die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een -voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een -bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en -geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op -de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste -waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik -ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die -groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten tusschen -die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop -afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld, -evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn, -eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen -te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels, -die in talrijke vluchten om dat land scheerden. - -Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en -37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den -wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen. - -„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.” - -„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein -Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?” - -„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans -noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.” - -„Hoe heet dit eiland dan?” - -„Dit is het eiland Marion.” [73] - -„Wien behoort het?” - -„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen -zeevogels, die er om zwerven.” - -Toen de Fernandina Maria Emma kaap Crosier gerond had, stevende zij -zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee -mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn -bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en -met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door -zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe -rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid -van menschelijke wezens verried, was te bespeuren. Niets dan sneeuw en -ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de -hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde -overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van -het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene -eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette. - -Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het -eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen. -Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst -vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en -dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen -beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het -schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan -den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die -kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt -met vetganzen [74], die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten -rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk -langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten. -Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed -waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot -uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige -veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren -het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang -lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te -vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en -waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en -repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem -en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij -alsdan met pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs -de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge -bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en -vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het -land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in -hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche -duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water. - -„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan -kapitein Butteling. - -„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij -maken ongeveer acht mijlen.” - -„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge. - -„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?” - -„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten. -Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik -en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien -Berlijnschen lekkerbek herinneren: - - - „Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.” - - -„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg -kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat -een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een -ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene -geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan -hebben.” - -„Waarom niet?” - -„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar -geacht moeten worden.” - -„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston. - -„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en -meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar -jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd. -Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en -zelfs lekker te noemen.” - -De Fernandina Maria Emma repte zich. Het was zoo omstreeks een uur, -toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich -zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden -stoof. De wind sneed letterlijk. - -„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig. - -Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de -zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij -was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op -ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was -niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat -het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in -het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370 -voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim -verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate -gezicht van die sneeuw-, ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot -opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van -land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan -lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier -eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de -beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur -weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd. - -Onverdroten vervolgde de Fernandina Maria Emma haren koers. Zij bleef -nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen; -maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de -koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid, -een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen -op den 10den December de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip -bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′ -oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te -hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd: -oostnoordoost drie kwart oost tot den 17en December, toen noordoost -half noord voorgelegd werd. - -Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′ -oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was, -gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd. - -Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26 -November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een -enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden toch -handsome genoemd werd. Den 22sten December evenwel, kort nadat het -middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′ -oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in -het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit -alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas -gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen -het weer losbarstte, de Fernandina Maria Emma met gereefden fok en -dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig -binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al -hol stond, zich in hooge golven uit het zuidwesten verhief. -Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander -inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer -onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die -noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge -baren aan. - -Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer -zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de -eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met -een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte, -verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen -eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein -ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren -en den kajuitstrap met presennings beschermen. - -Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis; -maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de -kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel -spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De -keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de -heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen. -Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de -kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand -deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een -maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen. - -„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den -matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam -mededeelen. - -„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde deze. „Dat weer is -wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit -met ham.” - -„Smakelijk eten!” riepen allen. - -„Waarom geen gerookte zalm?” - -„Waarom geene saucisse de Boulogne?” - -„Waarom geene gerookte tong?” - -„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?” - -Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam. -Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens -mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord -geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in -het victualieruim af te dalen. - -Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel -verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een -bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken -met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de -slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn -diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de -soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet -van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde -scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een -flink kakebeensvermogen noodig. - -Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te -minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht -kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den -storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt -zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder. - -Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder -aangenaam, daar bij de zwakte der bries het schip nog maar weinig steun -in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet -waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm -weldra vergeten was. - -„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman -Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder -goed treffen.” - -„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien -Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.” - -„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman. - -„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje. - -„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels. - -„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over -heeft,” voegde Leidermooi er bij. - -„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.” - -„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw -Groenewald,” betuigden beiden. - -Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht -was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast -staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek -schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij -intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst -beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar -zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud -medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer -Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van -de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet -genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen. - -„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere -loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank. - -„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere -van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de -beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die -door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet -genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.” - -„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven -van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets -ondeugends in zijne stem. - -„Wat bedoelt gij daarmeê?” - -„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt -hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.” - -Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de -gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde -zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af -naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het -bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere -oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden, -staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de -schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!” - -„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw -Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij -vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te -veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou -zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat -hebben?” - -„Drommels, de liefde ziet niet naar....” - -„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik -het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik -geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van -maken.... ja, misschien in de toekomst;... later... als ik meer -vergeten zal hebben. Maar... daarvoor is Emma Groenewald te goed, te -edel, te rein.” - -Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank -keek zijn vriend verbaasd aan. - -„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet -meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook -eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?” - -„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen -verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik -blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen -kan.” - -„Maar... welken raad zoudt gij mij geven?” - -„Gij?... gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en -voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of -beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een -wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al -strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is -eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!” - -„Dus gij zoudt mij raden?...” - -„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen -onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt -mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij -treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles -verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed, uw brein of -dat van Adelien niet bestormen? Zullen....” - -„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je -woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen -staat.” - - - - - - - - -XVI. - -STRAAT SUNDA. - - -Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had de -Fernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat -gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de -keerkringen. Op den 24sten toch stond het fregat bij het middagbestek -op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost -een achtste oost voor. - -Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren -nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen -hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s -waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven. - -„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St. -Paul en Amsterdam,” [75] vertelde stuurman Bagman. - -Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde -in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het -middagbestek, op zondag den 27sten December, bevond het fregat zich op -12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het -einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner heerschte dan ook een -zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte. - -„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij -gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het -dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in -de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn -de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk -volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn, -waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik -grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te -kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op -voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen -de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover -ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die -twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede -jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te -nemen en daarbij iedereen voor zich innamen. - -„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben -die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van het -gesmede complot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle -behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige -onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verraden konden worden, -dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk -werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de -geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij -als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij -lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig, -dat die jongelieden zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel, -waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de -militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan -zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen -vervullen. - -„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt -worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de -lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te -hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat -zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen, -en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank -zullen zijn. - -„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te -doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord -kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat -onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het -dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden. -Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten -te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den -jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijke -Fernandina Maria Emma verhoed hebben, het tooneel te zijn van een -jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne -tijdige hulp ontbroken hadde. - -„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om -u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de -toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone -Nederlandsch-Indië!”” - -Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door -den waardigen zeeman uitgesproken, aller instemming verwierf? Kapitein -Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de -jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames -Groenewald gevolgd werd. - -„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege. - -Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen -opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden -bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden -daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede -meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven. - -Toen, na het diner, de traditioneele kop koffie aan het dek verorberd -en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone -speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van -de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar -niet rouwig om. - -„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is -of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en -van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die -ijstoppen en thans....” - -„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar -de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw -Groenewald ernstig. - -„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in -eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee....” - -„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der -Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog -niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond -vergeleken zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar -geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.” - -„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet, -dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt -dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen, -in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de -niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs -bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de -eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons -Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap, -dus benoorden den 70sten graad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij -de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij -zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht -pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat -drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.” - -„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg -Herman. - -„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen -ongelijk had, toen ik er op duidde, dat de Fernandina Maria Emma op de -grenzen der IJszee geweest is.” - -„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de -wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield. -„Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe -tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde -stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw -zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon -zijt, juffrouw Groenewald.” - -Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen -niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment -streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had -toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij -zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de -bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het -maagdelijk hart omging. - -Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken, -hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat -hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare -beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het -donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank -zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken -had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur, -met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was, -begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel -maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang -tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was, -om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van -een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen -en hem fluisterend te vragen: - -„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!” - -Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een -afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het -lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare -leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne -lippen in een innigen kus op elkander sloten: - -„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben -overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring -zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!” - -„Goeden nacht, mijn Frank!” - -Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof. - -„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien -dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe -voornemens handelen, zeg Frank?” - -„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart -geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo -onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!” - -„En een kus ontfutselen?” - -„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig -lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven -beminnen.” - -„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke -aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich -ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat -gij bezit, volgen.” - -„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom, -laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.” - - - -De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer -af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek -op den 27sten werd bevonden, dat de Fernandina Maria Emma in het -laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28sten kromp dat tot 30, -op den 29sten tot 26 en op den 30sten tot 22 mijlen in. Op -laatstgenoemden datum wees het middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en -102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost -geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd. - -„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan -kapitein Butteling. - -„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins -aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor -zonsondergang.” - -De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg, -zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene -menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de -nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders -zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de -staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een -zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen: -marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl -niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er -van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort -zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het -dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend -met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen -zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld -met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een -behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die -inktvisschen zag, zeide zij: - -„Dat zijn tjoemi-tjoemi, [76] die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel -uiterst lekker smaken.” - -„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston. - -Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de -beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te -slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren. - -„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de -gebruikelijke entrée en matière over wind, weer, gelegenheid, hoop van -aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in -den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen -hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat -gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch -op de hoogte gesteld, nietwaar?” - -Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte. - -„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?” - -„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik -heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan -aannemen.” - -„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden. -Luistert, gij krijgt....” - -„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel -hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk -ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.” - -„Maar dat is waanzin.” - -„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die -stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring -niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik -u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht, -verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald, -geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van -dat besluit, ongeschonden blijve!” - -Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de -hand. - -„En gij?” vroeg hij aan Frank. - -„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen -te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.” - -Hij boog en ging naar voren. - -„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank. - -„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat -ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u -mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is -mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet -waar?....” - -„Neen, maar ga voort.” - -„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel....” - -„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te -verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt, -kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.” - -„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten -uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming -werkzaam gesteld te worden aan; maar.... niet dadelijk....” - -„Niet dadelijk!... Hoe bedoelt gij dat?” - -„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels -naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus -slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt -niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere -militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal -onder die omstandigheid later, wanneer de roes der wittebroodsweken -doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal -komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne -verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot -zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat -rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij -duidelijk vertolkt werd: zij trouwde met een sergeant, met wien zij -kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk, -welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt -mij het bloed naar het hoofd, dan....” - -„Maar ge zult niet als sergeant met mijne....” - -„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat -door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen -geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil -daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij -mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar -verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en -dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder -schitterende omstandigheden vond...” - -„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?” - -„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen -treden.” - -„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te -doorworstelen hebben.” - -„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank, -zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal -mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om -den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden luitenant -benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder -ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan -te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die -mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij -te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal -op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner -Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de -epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met -te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal -kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking -waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de -vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en -tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.” - -Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken. -Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid: - -„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel. -Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral -ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel -teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.... toch meen ik er -op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw -doel bereiken zult.” - -„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren -in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om -bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben -thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik -erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet -moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren moeten wachten, alvorens mijn -vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw -zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de -genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen -verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet -trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende -dien tijd met haar te staan....” - -„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met -nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle -deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij -de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij -gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij -lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen -ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden -van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik, -zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de -hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat -ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik -toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet -anders handelen kan en mag, dan ik doe.” - -Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk. - -„Brassen!” klonk het kommando over het dek. - -Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de -jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het -watervlak gekluisterd hield. - -„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het -vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en -op het dek verscheen. - -En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. De -Fernandina Maria Emma hervatte koers en stevende noordoost op. De -passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den -volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen. - - - -De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en -slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der -dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden der Fernandina Maria -Emma op het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste -gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring -der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen. - -„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein -Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des -hemels toenam. - -In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim -zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde. -In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip, -touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud -overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds -meer dan over de helft boven den horizont gestegen. - -„Land vooruit!” klonk het uit den mast. - -Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich -al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland -bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten -volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn -kijker. - -„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een streek meer -noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.” - -„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam. -„Gaat gij de Behouden Passage door?” - -„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt, -gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet -om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn, -laat ik het fregat een paar streken oploeven.” - -Tegen het middaguur stevende de Fernandina Maria Emma met volle zeilen -Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries -ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng -Blimbieng [77] de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te -bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden -afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en -105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap -van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte -bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van -bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog -eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en -richtte het fregat daarop den steven. - -„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi. - -„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is -Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.” - -„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe -Seboekoe,” zei kapitein Butteling. - -„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie -groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe -watervlak voordoen!” - -De Fernandina Maria Emma vervolgde statig haren koers. Verscheidene -schepen waren in het gezicht, en stevenden, evenals zij, -noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel -het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling: -„Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die -bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.” - -„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe -Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die -bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij -die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer -dat het fregat zooveel vaart maakt.” - -„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord. - -„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein -Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma -wel een risje mangistan [78] zouden lusten.” - -„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen. - -„Of een bos pisang[44], of eenige doerianpitten, [79] met haar dik -machtig moes omgeven.” - -„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen. - -Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus -tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht -toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen. - -„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik -morgen ochtend u het: slamat tahoen baroe [80] op Batavia’s reede te -kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang, -ramboetan [81], doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij -voort!” - -In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe Krakatoea en -zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg. - -„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,” -merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij -met wijngaarden overdekt is.” - -„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is -bijna geheel met maritja beplant.” - -„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal -kostbaar wezen.” - -„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van -Dam gebelgd. - -„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker. -„De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende -heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot -de piperaceën....” - -„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa... hoe heet het ook -weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die -hooge berg daar ginds in het noorden heet.” - -„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe -pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die -ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.” - -De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de -verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt -maakte. In dit oogenblik stevende de Fernandina Maria Emma tusschen het -eiland Dwars-in-den-weg en den Javawal door. Rakelings bijna scheerde -het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland, -dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en -stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas hoek te ronden. Het -was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne -passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep. - -Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te -temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds -voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden -Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s -reede vallen. - -„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw -ingetreden jaar!” - -Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van de Fernandina Maria -Emma gewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich -tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien -en Frank gebruik om een handdruk te wisselen. - -„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd, -toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.” - -„En gij, dierbare Adelien, op mij!” - -Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte -vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren -later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het -fregat [82] om het detachement militairen over te voeren, en waren -weldra de tijdelijke opvarenden van de Fernandina Maria Emma, die voor -een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en -stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn? - -O! wij zullen den lezer niet laten smachten! - - - EINDE - - VAN „NAAR DEN EQUATOR.” - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN. - - -[1] In viam pacis.... In nomine Domini! (bladz. 8). Dit is het begin -van een gebed, dat door vrome Katholieken als reisgebed gepreveld -wordt. Die woorden beteekenen: Op den weg des vredes.... In naam des -Heeren! - -[2] Mompeer, mameer, momfreer en maseur, (bladz. 8) zijn Maastrichter -uitdrukkingen, afkomstig van de Fransche uitdrukkingen: mon père, ma -mère, mon frère, ma soeur. Het komieke ten dezen is, dat de -bezittelijke voornaamwoorden daarbij behouden blijven, al hebben ze -geen recht van bestaan. Zoo zal een Maastrichtenaar zich uitdrukken: -„Wie geit et met eure mompeer? Hoe vaart uw vader?” of: „ig hub eur -maseur gepuund. Ik heb uwe zuster gezoend.” - -[3] Pangue lingua (bladz. 8) zijn de beginwoorden van een lofzang, die -veelal bij de opheffing van of bij den zegen met de Hostie aangeheven -wordt. - -[4] De „Lévrier” (bladz. 9) is sedert jaren het voornaamste hotel van -Maastricht. - -[5] Vade retro Satanas (bladz. 11) beteekent: Wijk terug, o Satan. - -[6] Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix (bladz. 17) -beteekent: „Onder uwe hoede nemen wij onze toevlucht, o Heilige moeder -Gods.” Is het begin van een gebed tot Maria. - -[7] Crypte, (bladz. 24). Zoo wordt een onderaardsch gedeelte eener -Roomsche kerk genoemd, hetwelk gewoonlijk onder het koor aangetroffen -wordt. Niet alle Roomsche kerken hebben evenwel Crypten. - -[8] De Eerw. heer Canoy, (bladz. 24) destijds professeur en -philosophie, was een der humaanste en liefderijkste docenten te Rolduc. - -[9] Sancta Lydia, ora pro nobis (bladz. 25) beteekent: Heilige Lydia, -bid voor ons. - -[10] Compareat (bladz. 33) beteekent: dat hij verschijne! - -[11] Vere dignum et justum est (bladz. 41) beteekent: het is inderdaad -waardig en billijk. Het zijn de eerste woorden van een indrukwekkenden -gebedzang, die gedurende het misoffer de consecratie der Hostie -voorafgaat. - -[12] Ecce agnus Dei qui tollit peccata mundi (bladz. 41) beteekent: Zie -hier het lam Gods, dat de zonden der wereld draagt. - -[13] In manus tuas Domine, commendo spiritum meum (bladz. 45) -beteekent: In uwe handen, o Heer, beveel ik mijnen geest. - -[14] De profondis clamavi ad te Domine, Domine exaudi vocem meam -(bladz. 45) beteekent: Uit de diepte heb ik tot u geroepen, o Heer! -Heer, verhoor mijne stem. Is het beginvers van een psalm. - -[15] Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden, (bladz. 77). -Thans is het aannemen van handgeld geen beletsel meer om officier te -worden. Die naam van handgeld is ook veranderd en heet thans premie. - -[16] De Balg (bladz. 97) is eene uitgestrekte zandbank, die oostwaarts -van Nieuwediep in de Zuiderzee gelegen is. - -[17] Het Enkhuizer zand (bladz. 99) is eene belangrijke zandbank, die -zich in de Zuiderzee tusschen Enkhuizen en het eiland Urk uitstrekt. - -[18] Lutjeswaard (bladz. 100) is eene zandbank in de Zuiderzee ten -noorden van het eiland Wieringen. - -[19] Bakboord (bladz. 106) wordt de linker- en stuurboord de rechterzij -van het schip genoemd. - -[20] Brassen (bladz. 109) is de benaming van het stellen der razeilen -in de gewenschte richting om den wind op te vangen. Vierkant brassen is -de ras loodrecht op de lengteas van het schip brengen. Geschiedt -wanneer de wind vlak van achteren inkomt. - -[21] Bezaanschoot aan! (bladz. 110). Het aanhalen van den schoot van -het bezaanzeil, duidt steeds op goed weer en goede gelegenheid. Daarom -wordt veelal na die manoeuvre aan de bemanning een extra oorlam -verstrekt. Dientengevolge heeft het commando van: bezaanschoot aan! de -beteekenis van eene extra verstrekking van jenever gekregen. - -[22] A. V. H. (bladz. 111) de voorletters eener handelsfirma te -Rotterdam, is het merk van een der beste jeneversoorten, die naar Indië -verscheept worden. Die drie kapitale letters hebben daar eene treurige -vermaardheid. - -[23] Boontje (bladz. 113). Boon, of liever witte boon, was destijds een -schimpnaam, die door het volk in Nederland jegens militairen, maar -vooral jegens infanteristen, gebezigd werd. - -[24] Te kooi (bladz. 116). De zeelieden noemen hunne hangmat of -slaapstede kooi. De wacht te kooi beteekent dus: in bed liggen. - -[25] Noord-Hinder (bladz. 116) is eene zandbank in de Noordzee, waarop -een lichtschip op 51° 47′ noorderbreedte en op 2° 38′ oosterlengte van -Greenwich gelegen is. In de nabijheid liggen de banken West- en -Oost-Hinder, Fairybank en Bligh Bhinks. - -[26] De koebrug (bladz. 120). Op de Fernandina Maria Emma stond de -groote boot op het dek tusschen den grooten- en fokkemast gesjord. -Boven die boot was eene stelling aangebracht, waarop waarlooze stengen, -raas, rondhouten, enz. geborgen lagen, die als het ware eene brug boven -die boot vormden. Die brug werd koebrug genoemd. - -[27] Rosa Damascena (bladz. 120) is de geleerde naam van onze Perzische -roos. - -[28] Kerk (bladz. 121) is een vertrek in het achtergedeelte van het -schip, waarop de hutten der passagiers uitgang hebben. Bij groote -passagiers-stoombooten wordt dat vertrek met den naam salon bestempeld. - -[29] Fokkemast (bladz. 123) is de naam van den voorsten mast. De tweede -heet groote mast en de derde, bij een fregat zooals de Fernandina Maria -Emma was, heet kruismast. - -[30] Sandettie en Goodwin’s sand (bladz. 123) zijn zandbanken in de -Noordzee meer onder de Engelsche kust. Eerstgenoemde nagenoeg in het -midden van het vaarwater tusschen Ramsgate en Duinkerken gelegen. - -[31] Grietje geien (bladz. 123). Een fregat heeft aan den kruismast de -navolgende vierkante zeilen: beneden het bezaanzeil, daarboven het -bagijnezeil, verder het kruiszeil en daarboven het grietje; aan den -grooten mast: het grootzeil, het groot marszeil, het groot bramzeil en -het groot bovenbramzeil; en aan den fokkemast: de fok, het -voormarszeil, het voorbramzeil en het voorboven bramzeil. - -[32] Vaam (bladz. 124) of vadem is eene lengtemaat gelijk aan 1.83 M. - -[33] Den Burg (bladz. 139) was destijds en is nog, meen ik, het -voornaamste logement te Nieuwediep. - -[34] Dum nihil est in poculo! (bladz. 140) beteekent: Wijl niets meer -in den beker is! - -[35] Kondeh (bladz. 142). In Indië kammen, zoowel de Europeesche dames -als de vrouwen des lands, zich het haar glad naar achteren, en binden -den geheelen haardos, die gewoonlijk rijk en prachtig moet genoemd -worden, in een wrong tegen het achterhoofd op, alwaar hij met een paar -haarspelden bevestigd wordt. Die zoo opgebonden wrong wordt kondeh -genoemd. - -[36] Zeilen tegengebrast (bladz. 150). Tegenbrassen noemt men de zeilen -zoo stellen, dat de wind aan den voorkant invalt. Wanneer een gedeelte -der zeilen voor den wind en de andere tegengebrast zijn, dan -vernietigen die beide krachten elkander en blijft het schip nagenoeg -stationnair. - -[37] Een melkmeisje er van maken (bladz. 159). Wanneer het schip aan -beide zijden lijzeilen voert, hetgeen slechts met zeer ruimen wind kan -geschieden, dan wordt de vergelijking van het melkmeisje, met hare -melkemmers aan weerszijden, gemaakt. - -[38] Een oppertje (bladz. 168) komt van opperwal, welke term door de -zeelieden gebezigd wordt, om een eiland, eene kust, eene landtong, eene -kaap, enz. te beduiden, die boven den heerschenden wind ligt en dus -daartegen dekt. Achter zoo’n opperwal ligt een schip veilig. -Overdrachtelijk wordt nu aan boord ieder voorwerp een oppertje genoemd, -dat tegen den wind beschut. - -[39] Pardoens (bladz. 174). De stengen, de verlengstukken der masten, -worden voor gesteund door de stagen en zijdelings-achterwaarts door de -pardoens. Stagen en pardoens bestaan uit zwaar touwwerk, evenwel van -mindere dikte dan dat, waaruit het want bestaat. - -[40] Sapada, bawa minoeman! (bladz. 185) beteekent: Hei daar, breng -drank! Het woord sapada is verbasterd van si apa ada, hetgeen -beteekent: Wie is er? een gewone uitdrukking in Indië om een bediende -te roepen. - -[41] Dobberende bij de Canarische eilanden (bladz. 191). De schrijver -bracht in October 1872 met het schip Kosmopoliet III vier dagen -tusschen de Canarische eilanden door. De bijzonderheden bij die -gelegenheid omtrent Teneriffe opgeteekend, worden hier weergegeven. Het -verhaal van de schipbreuk der Senhora Dolorès is overgenomen uit het -journaal van een scheepsgezagvoerder, die mij dat later toevertrouwde. -De aardrijkskundige bijzonderheden van die aanteekeningen en van dat -journaal werden bij het terneerstellen van dit verhaal getoetst aan de -zeekaart: the Canary-Islands surveyed by Captn A. T. E. Vidal and -Lieutt Arlett R. N. Officers of H. M. S. Etna. - -[42] Theorie houden (bladz. 192) wordt in de Indische militaire wereld -genoemd: het geestdoodend opdreunen van de van buiten geleerde -reglementen. - -[43] Een halfdekje slaan (bladz. 197) beteekent: Het halfdek—dat -gedeelte van het dek, hetwelk zich tusschen den grooten mast en den -spiegel uitstrekt—op en neer wandelen. - -[44] Cocospalm (bladz. 201) = Cocos nucifera; Dadelpalm = Phoenix -dactylifera; Drakenbloedboom = Dracaena draco; Pisang-soorten = -Musaceën, waaronder de Musa paradisiaca. - -[45] De drakenbloedboom te Orotava (bladz. 203) bestaat niet meer. -Ongeveer twaalf jaren geleden werd hij door een orkaan midden -doorgescheurd en werden zijne overblijfselen voor en na voor brandhout -gebezigd. - -[46] Kaap Clear en Mizen Point (bladz. 207) zijn de zuidelijkste en -zuidwestelijkste punten van Ierland. - -[47] Teneriffe-wijn (bladz. 209) is een soort Madeira-wijn. - -[48] Corregidor (bladz. 217). Zoo werd in Spanje en in de koloniën van -dat rijk, voor de invoering der nieuwe gemeentewet, de voorzitter van -den stedelijken raad genoemd, die behalve met het bestuur tevens met de -rechtspraak belast was. - -[49] Het kabelgat (bladz. 231) is een nauw hok voor den fokkemast, -waarin gewoonlijk kabels, touwwerk, oude zeilen, enz. geborgen worden. -Wordt veelal gebruikt tot arrestkamer om weerspannigen te straffen. - -[50] Blikvuren (bladz. 240) zijn vuurwerkerssignalen met gekleurd -licht. - -[51] De patrijspoortjes (bladz. 254) zijn de luiken of vensters in de -zijden van het schip, waardoor licht en lucht toetreden kan. De naam -patrijspoort is waarschijnlijk eene verbastering van batterijpoort. - -[52] Het phosphoresceeren der zee (bladz. 258) wordt veroorzaakt door -microscopische zeedieren, waaronder de Noctiluca miliaris eene hoofdrol -vervult. Bijna alle groepen van zeedieren evenwel, als: infusoriën, -polypen, actiniën, kwallen, medusen, zeesterren, huidzakdieren, -schelpdieren, raderdiertjes en kreeftensoorten, werken daartoe mede. - -[53] Spinnekop (bladz. 259) wordt genoemd: een blok met ingeschoren -lijntjes, waaraan de zonnetent bevestigd is. Door dit blok, hetwelk -gewoonlijk aan een der stagen bevestigd is, kan de zonnetent op- en -neergehaald worden. Het geheel lijkt veel op eene spin in haar web. - -[54] Makreelen (bladz. 264) = Scomber scombrus. - -[55] Menschen-haaien (bladz. 265) = Squalus carchrias. - -[56] Thonijn (bladz. 266) = Thynnus vulgaris. - -[57] Boniet (bladz. 266) = Thynnus pelamys. - -[58] De Doraden (bladz. 271) behooren tot de Makreelen (Scomberoïdei). -De geleerden noemen die vischsoort met den algemeenen naam Coryphaena. -Er zijn vele Coryphaenae-soorten, waarvan de C. pelagica de meest -menigvuldige in den Atlantischen Oceaan is en de C. hippurus in de -Middellandsche zee. - -[59] De hoogvlieger (bladz. 273). Onder de vliegende visschen is de -Exocoetus volitans. - -[60] De op bladz. 277–280 en later volgende mededeelingen omtrent Rio -Janeiro zijn getrokken uit een manuscript-dagboek van een officier van -het Ned. Ind. leger, dat door den schrijver getoetst werd aan het werk: -South America by A. Gallenga London. Chapman and Hall Limited 193 -Piccadilly, en aan de zeekaart: Rio de Janeiro Harbour from a chart by -J. de Lamare Captn Brazilian navy 1847, with additions and corrections -by Captn E. O. Stanley, G. H. Richards and Lieutt C. Bullock R. N. - -[61] Palmwijn (bladz. 281). De hier bedoelde is afkomstig van de -Mauritia vinifera, wel het grootste, prachtigste en nuttigste specimen -van de palmsoorten. Wordt in geheel Brazilië, maar vooral langs de -Amazone in uitgestrekte bosschen, aangetroffen. - -[62] Djarak (bladz. 292) = Ricinus communis. - -[63] Stormzwaluwen (bladz. 303) heeten bij de geleerden Procellaria -pelagica. - -[64] Ikan poes (bladz. 320). Ikan beteekent visch. Het woord poes is -afkomstig van het geluid, hetwelk de visch maakt bij het uitblazen van -de lucht door het spuitgat, hetwelk hij boven op het hoofd heeft. Van -dat woord poes heeft de Dajak het woord mapoes vervaardigd in de -beteekenis van: proestend, met gedruisch en ver wegspuwen. - -[65] Kaap Agulhas, de zuidelijkste punt van Afrika, ligt op 32° 23′ -zuiderbreedte en 19° 44′ oosterlengte niet ver van de Kaap de Goede -Hoop (bladz. 324). - -[66] Slingerlatten (bladz. 325) zijn latten, nagenoeg drie vingeren -breed, die loodrecht op en langs den rand der tafel geplaatst worden. -Met het tafelblad tot bodem vormen zij een soort bak, waarin borden -enz. betrekkelijk veilig staan. - -[67] Slingerborden (bladz. 325) zijn in den regel schijfvormige -plankjes, die door middel van drie touwtjes, welke zich in het -ophangspunt vereenigen, aan de dekbalken bengelen. Die slingerborden -hebben voldoende zwaarte om steeds loodrecht te blijven hangen, welke -hellingen het schip ook bij het slingeren en stampen aanneemt. - -[68] IJzerhoudend water (bladz. 327). De watervoorraad aan boord is -gewoonlijk besloten in ijzeren ketels, waarin het water eene -roodachtige kleur en eenen onaangenamen smaak verkrijgt. - -[69] Die voorspelling kwam uit (bladz. 329). De Stad Leiden kwam drie -dagen na de.... Fernandina Maria Emma—laten wij dien naam ook in de -aanteekeningen blijven behouden—op Batavia’s reede aan. - -[70] Zuidwesters (bladz. 332) zijn bolvormige petten, gewoonlijk van -geölied doek vervaardigd, die eene ver achteruitstekende klep van -achteren hebben, zoodanig aangebracht, dat zij nek en ooren uitstekend -beschut. - -[71] Jan in den zak (bladz. 350) is eene koeksoort van meeldeeg, dat in -een zak gekookt wordt. Behoort tot de lekkernijen aan boord. - -[72] Spen (bladz. 351) is op Java eene verbastering van dispens. - -[73] Marion (bladz. 356). In December 1872 stevende de schrijver met -het schip Kosmopoliet III langs het eiland Marion. De hiervermelde -bijzonderheden werden toen opgeteekend en thans getoetst aan de -zeekaart: Prince Edward Islands by Captn L. S. N. R. Nares of H. M. S. -Challenger. - -[74] Vetganzen (bladz. 357), ook Pingouïnen genaamd, behooren tot de -familie der Alcinae. Bij de geleerden heeten zij Aptenodytes -Patagonica. - -[75] De eilanden Sint Paul en Amsterdam (bladz. 367) liggen in den -Indischen Oceaan op 37° zuiderbreedte. - -[76] De tjoemi-tjoemi of inktvisch (bladz. 374), is een weekdier uit de -klasse der Cephalopoda (koppootigen) en uit de afdeeling der Decapoda -(tienpootigen). Bij de geleerden heet hij in het algemeen Sepia, -waarvan de Sepia officinalis wel de meest talrijke soort is. - -[77] Tandjoeng Blimbieng (bladz. 381) beteekent de Blimbieng-kaap. -Blimbieng is oen boom, die van 15 tot 20 voet hoog wordt. Hij heet bij -de geleerden Averrhoa carambola, en hoort tot de order der Oxalideeën -(klaver-zuringachtige). De vrucht—eene bes—is zeer smakelijk, vrij -groot, vijfhoekig met scherpe randen, en heeft eene zeer dunne, groene -schil, die bij het rijp worden geel wordt. Er zijn twee soorten: de -Blimbieng manies—de bovenbedoelde—en de Blimbieng assem, Averrhoa -Bilimbi. - -[78] Mangistan (bladz. 382) = Garcinia Mangostana, eene overheerlijke -vrucht, die door een Engelschman Sir E. Tennent vergeleken werd met: -welriekende sneeuw. - -[79] Doerian of Doeren (bladz. 382) = Doerio Zebethinus, eene lekkere, -maar zeer sterk riekende vrucht. Wij vonden ergens door een Franschman -omtrent die vrucht opgeteekend: „Il a tout à la fois la saveur de -plusieurs fruits et légumes, de la crême et en même temps une odeur de -concombre et d’ail, en sorte qu’il semble d’abord fétide et repoussant; -mais il parait qu’on s’y fait peu à peu et qu’on le trouve ensuite -délicieux.” Wij onderschrijven die uitspraak ten volle. - -[80] Slamat tahoen baroe (bladz. 382) = nieuwjaars-heilwensch. - -[81] Ramboetan (bladz. 382) = Nephelium lappaceum, ook eene zeer -gewilde vrucht. - -[82] Tien kojangs prauwen (bladz. 384) zijn vaartuigen, die tien -kojangs kunnen laden. Een kojang = 30 pikols. Een pikol = 61,76125 -kilogram. Een tien kojangs prauw kan dus ruim 18528 kilogrammen laden. -Het zijn logge vaartuigen met een mast, die een gaffel- en een -kluiverzeil voert. - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAAR DEN EQUATOR *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
