summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69020-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69020-0.txt')
-rw-r--r--old/69020-0.txt3237
1 files changed, 0 insertions, 3237 deletions
diff --git a/old/69020-0.txt b/old/69020-0.txt
deleted file mode 100644
index 391acae..0000000
--- a/old/69020-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3237 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0373: De krankzinnige,
-by Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 0373: De krankzinnige
-
-Authors: Kurt Matull
- Theo Blakensee
- Felix Hageman
-
-Release Date: September 20, 2022 [eBook #69020]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: the Online Distributed Proofreading Team at
- https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0373: DE
-KRANKZINNIGE ***
-
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 373 DE KRANKZINNIGE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE KRANKZINNIGE.
-
-HOOFDSTUK I.
-
-DE MAN BIJ DE PERISTYLE.
-
-
-Het was omstreeks kwart voor achten in den avond.
-
-De vroege herfst had zich op ruwe wijze ingezet, en een gure wind deed
-de Londenaren, die niet voor hun vermaak of om een andere reden de
-straat moesten opzoeken, snel huiswaarts gaan.
-
-Sedert een half uur was het tot overmaat gaan regenen en een dier
-verraderlijke Londensche misten scheen op komst te zijn.
-
-Het asphalt glom in het schijnsel der tallooze lantaarns en dof klonken
-de hoeven van de paarden der huurrijtuigen, die schouwburgbezoekers
-naar hun plaats van bestemming moesten brengen. Voor het Garrick
-Theater was het een onophoudelijk komen en gaan van voertuigen van
-allerlei aard, ouderwetsche cabs, welke men bijna niet meer zag in de
-Engelsche hoofdstad, vierwielige rijtuigen of broughams, huurauto’s,
-glanzende equipages en prachtige eigen auto’s.
-
-En het was geen wonder, want de aanplakbiljetten vermeldden voor dien
-avond het optreden van een bekwame buitenlandsche actrice, die zelfs in
-het kieskeurige land van den dollar grooten roem had geoogst.
-
-Geen enkele Londenaar, die zichzelf respecteerde en die over voldoende
-middelen beschikte om den zeer hoogen entrée-prijs te betalen, zou het
-in den zin hebben gekregen, dien avond niet in het Garrick Theater
-aanwezig te zijn.
-
-Men wist, dat men daar de bekende premiere-gangers zou aantreffen, die
-geen enkele eerste voorstelling overslaan, evenmin als het optreden van
-een buitenlandsche ster, wier naam door de bladen reeds lang te voren
-was verkondigd.
-
-De voorgevel van den schouwburg glansde van licht.
-
-Alle electrische lantaarns waren aangestoken en straalden hun licht uit
-over den breeden verkeersweg.
-
-Men zag telkens een auto stil houden en dan verdwenen de inzittenden al
-spoedig onder het gewelf van de ruime peristyle, gedragen door een
-tiental zuilen.
-
-Een paar baliekluivers, oogluikend toegelaten omdat er oorlogsinvaliden
-onder bleken te zijn, schoten dan haastig toe om het portier van het
-voorrijdend rijtuig te openen in de hoop van een fooi.
-
-Onder die gelegenheidsportiers was ook een oud man met reeds sterk
-grijzend haar en die blijkbaar niet al te best ter been bleek te zijn.
-
-Want de arme stakkerd kwam meestal eenige oogenblikken te laat
-aansukkelen, als een ander hem reeds voor was geweest.
-
-Dan bleef hij op eenige passen afstand staan en keek droevig toe, hoe
-een meer bijdehande en jonger concurrent met de fooi ging strijken.
-
-Hij scheen den moed niet op te geven, hoewel het duidelijk te zien was,
-dat de steeds toenemende vermoeidheid het hem voortdurend moeilijker
-maakte, vlug genoeg toe te schieten teneinde een portier te openen.
-
-Nu en dan nam hij zijn hoed af, een tot den draad versleten
-hoofddeksel, om zijn voorhoofd met een zakdoek af te wisschen.
-
-Dan pas kon men goed zien, hoe vermagerd zijn gelaat, hoe ingevallen
-zijn wangen waren, hoe koortsig zijn oogen gloeiden.
-
-Kleine zweetdruppels parelden op het gerimpelde voorhoofd, ondanks de
-gure koude.
-
-De man droeg geen overjas en had den kraag van zijn armelijk buis zoo
-hoog mogelijk opgeslagen.
-
-Om zijn dunnen hals was een roode zakdoek geknoopt.
-
-De man droeg de kleederen van een haveloozen schooier en toch was er
-iets in zijn geheele voorkomen, dat er op wees, dat deze man niet
-steeds in deze armzalige omstandigheden had verkeerd.
-
-Hij scheen er dan ook nog een restje van ijdelheid, van zorg voor zijn
-uiterlijk op na te houden, want zijn gelaat was zorgvuldig geschoren.
-
-Het was reeds bij achten en nog altijd had de oude geen kans gezien een
-paar penningen te verdienen.
-
-Zijn gelaat verkreeg langzamerhand een zorgelijke, smartelijke
-uitdrukking, en het was ook of er schrik op te lezen viel....
-
-Hij steunde zich met de hand tegen een der pilaren en hoestte.
-
-Daarbij drukte hij de andere hand op de borst, alsof het hem pijn deed.
-
-Zoo stond hij daar gebukt, het jammerlijk toonbeeld van ouderdom en
-ziekte.
-
-Weer kwam er een groote auto aanrijden.
-
-Het was een prachtige, blauw gelakte Limousine, en behoorde blijkbaar
-aan een zeer rijk man.
-
-Aan het stuurwiel zat een chauffeur van reusachtigen lichaamsbouw, een
-ware Hercules, met breede schouders, een nek als een stier en de
-vuisten, die het stuurwiel omklemd hielden, leken wel geschikt om er
-steenen mee te kloppen.
-
-Ditmaal scheen het geluk den ouden man gunstig te zullen zijn. De
-vluggere collega’s hielden zich juist bezig met andere auto’s en het
-veld scheen dan toch eindelijk vrij te zijn.
-
-Met haastige stappen kwam de oude man naderbij.
-
-Maar juist werd van binnenuit het portier reeds geopend door een hand
-die in fijn glacé-leder gestoken was.
-
-De grijsaard slaakte een smartelijken zucht, dit was blijkbaar meer dan
-hij verdragen kon.
-
-Hij wankelde, tastte tevergeefs naar een steun en zakte toen alsof hij
-een rustig plaatsje zocht om te sterven langzaam langs het glanzende
-hout van de auto ineen.
-
-Onmiddellijk snelden er eenige suppoosten toe, die dien bewustelooze
-wilden weg dragen. Men moest tot iederen prijs den rijkaard den aanblik
-van dezen flauw gevallen schooier besparen.
-
-Maar dadelijk liet zich uit de auto een bevelende stem hooren, die
-riep:
-
-„Laat dien man liggen, ik zal naar hem omzien,” en op hetzelfde
-oogenblik stapte een heer van rijzigen lichaamsbouw, zeer elegant
-gekleed, uit de auto.
-
-Hij kon omstreeks veertig jaar zijn, maar dat was alleen te zien aan
-zijn haar, dat aan de slapen lichtelijk begon te grijzen, want zijn
-gang was zoo licht en veerkrachtig als die van een jongeling. Zijn
-grijze oogen hadden een glans als van metaal en al zijn bewegingen
-verrieden den geoefenden sportman.
-
-Onmiddellijk weken de suppoosten terug.
-
-Zij hadden den bezoeker herkend.
-
-Dadelijk werd zijn naam in het rond gefluisterd, terwijl het aantal
-nieuwsgierigen zich om den ouden man verdrong.
-
-„Lord Aberdeen. Dat is Lord Aberdeen,” ging het zacht van mond tot
-mond.
-
-Inderdaad, het was de zonderlinge weldoener, de schatrijke filantroop,
-bij duizenden Londenaren van aangezicht bekend en die letterlijk werd
-aangebeden door even zooveel ongelukkigen, die hij niet alleen met
-goeden raad, maar ook met daad had bijgestaan.
-
-En niemand van al die rampzaligen die hij van den afgrond had gered
-vermoedde ook maar een seconde, dat zich achter Lord Aberdeen niemand
-anders verborg dan de Groote Onbekende, Lord Edward Lister, alias John
-Raffles, de langgezochte Gentleman-Inbreker, de schrik van Scotland
-Yard.
-
-Wie zou dit ook hebben durven denken.
-
-Wie zou het onzinnig denkbeeld hebben durven uiten, dat de man in zijn
-deftige kleederen met zijn scherp besneden aristocratisch gelaat en die
-over fabelachtige rijkdommen scheen te beschikken, dezelfde man was, op
-wiens aanhouding reeds sedert eenige jaren een premie van 1000 pond
-sterling was gesteld.
-
-Men zou dengeen, die zooiets waagde te opperen, eenvoudig voor gek
-hebben verklaard. Achter zijn lordschap was een jonge man verschenen,
-met helder blauwe oogen en een blozend gelaat. Dat was Charly Brand, de
-secretaris van Lord Aberdeen, maar veel meer de trouwe vriend van den
-Gentleman-Inbreker, die de meeste van diens gevaarlijke en opwindende
-avonturen had gedeeld.
-
-Raffles had zich reeds over den ouden man heen gebukt en richtte nu op
-zachten toon eenige woorden tot Charly Brand, die met innig medelijden
-op den armen ouden man neerkeek. Toen hief hij het hoofd op, en vroeg
-den portier die naderbij was gekomen en wat ruimte poogde te maken:
-
-„Weet gij, wie die ongelukkige is?”
-
-„Zijn naam weet ik niet, Mylord,” antwoordde de man. „Wel weet ik, dat
-hij hier sedert een paar weken geregeld komt, om de portieren van de
-auto’s open te maken. Het lukt hem maar zelden, maar wij laten hem maar
-wat begaan. Het is zoo’n oude stumperd. Als Mylord het veroorlooft,
-zullen wij hem wel gauw ergens heen dragen.”
-
-Er scheen een scherpe opmerking op de lippen van John Raffles te
-liggen, maar hij bedwong zich en zeide:
-
-„Wij zullen hem slechts wat terzijde leggen, dan kan ik zien, wat hem
-scheelt.”
-
-De portier haalde de schouders op. Maar hij deed het zoo, dat niemand
-het zag. Want met een Lord, zelfs al haalde hij zulke dwaze kuren met
-een ouden bedelaar uit, moest men altijd een weinig voorzichtig zijn.
-
-En zoo werd de nog altijd bewustelooze grijsaard terzijde van de
-peristyle gedragen en daar opnieuw neergelegd, maar ditmaal op een dik
-kleed, hetwelk Charly snel uit de auto had gehaald.
-
-Tevens had hij Henderson, zoo was de naam van den reusachtigen
-chauffeur, gelast om met de auto in de zijstraat die langs den
-schouwburg loopt, te wachten.
-
-Raffles had zich opnieuw over den grijsaard heen gebogen.
-
-Het was nu reeds over achten en daar de deuren aanstonds gesloten
-zouden worden hadden zich eenige van de lieden, die zooeven de auto’s
-bestormd hadden, rondom de kleine groep opgesteld.
-
-En Charly bukte zich op zijn beurt voorover en vroeg op zachten toon
-aan Raffles:
-
-„Wat zou den ouden stakkerd schelen?”
-
-„Ik denk dat het hem aan voedsel scheelt,” antwoordde Raffles op
-scherpen toon. „Die arme man is eenvoudig neergezakt, omdat hij honger
-heeft.”
-
-„Dat kan wel waar zijn, mijnheer,” liet nu een stem zich hooren, die
-bleek toe te behooren aan een der gelegenheidsportiers.
-
-Raffles richtte zich een weinig uit zijn gebukte houding op en keek den
-man in het gelaat.
-
-Het was geen fraai gelaat, maar hij vertoonde de goedheid des harten,
-die ook het leelijkste gelaat iets aantrekkelijks geeft.
-
-„Hoe weet je dat, man?” vroeg Raffles.
-
-„Ik woon in zijn straat, mijnheer. Ik ken hem wel van aanzien.”
-
-„Dan weet gij misschien ook wel zijn naam?” vroeg Raffles op levendigen
-toon.
-
-De man scheen even te moeten bezinnen en antwoordde toen:
-
-„Hij moet Lark heeten, Edwin Lark.”
-
-„Zijn adres?”
-
-„Hij woont in de Crescent street.”
-
-„Het nummer?”
-
-„Dat weet ik niet, mijnheer.”
-
-„Maar zoudt ge het mij kunnen aanwijzen?”
-
-„O, wat dat betreft,....”
-
-„Zoudt ge mij dan willen vergezellen en mij er aanstonds heen brengen?
-Ik wil u gaarne voor hetgeen gij hier mocht verzuimen, schadeloos
-stellen.”
-
-De man krabde zich even achter het oor en zeide toen met ver
-opgetrokken wenkbrauwen:
-
-„De zaak is, mijnheer, om elf uur moet ik hier weer terug zijn, want
-dan gaat de schouwburg uit en dan moet ik de portieren weer open doen.”
-
-„Dan laat gij de portieren voor dezen keer maar eens aan een ander
-over,” hernam Raffles glimlachend. „Ik herhaal u, dat het u geen
-windeieren zal leggen.”
-
-„In dat geval kunt u op mij rekenen, mijnheer,” hernam de man. „Ik zou
-het graag voor niets doen, want ik mag dien ouden snuiter wel lijden,
-maar als ik zonder geld bij moeder de vrouw thuis kom, dan zwaait er
-wat.”
-
-„Dat kan ik mij begrijpen,” zeide Raffles met een zacht lachje. „Uw
-naam?”
-
-„Bill Tower en met uw welnemen, oud gediende, Victoria kruis, twee
-eervolle vermeldingen, vijf maal gewond, waarvan de laatste maal zoo
-leelijk, dat ze me niet meer wilden terug hebben. Dat was bij Pervys in
-België.”
-
-Bill Tower had dit alles op den natuurlijksten toon van de wereld
-gezegd.
-
-Hij scheen het volgens den loop der dingen te vinden, dat hij zijn
-bloed voor zijn land had geplengd en nu in den guren regen moest staan
-omdat er geen werk en geen plaats meer voor hem was. Raffles keek
-eenige seconden strak voor zich uit.
-
-En Charly kon duidelijk zien, dat zijn lippen zich krampachtig
-vertrokken.
-
-Edwin Lark lag intusschen nog altijd onbewegelijk op de dikke deken
-uitgestrekt, zonder besef van hetgeen er rondom hem gebeurde.
-
-Toen hief Raffles het hoofd weder naar Tower op en vroeg:
-
-„Had de ongelukkige man geen ander werk, dan hetgeen hij hier deed?”
-
-„Neen, mijnheer, tenminste niet voor zoover ik weet. Hij moet vroeger
-modellenmaker zijn geweest, maar hij is drie vingers kwijt geraakt.”
-
-„Een ongeluk?” vroeg Charly meewarig.
-
-„Het is maar wat je een ongeluk belieft te noemen, mijnheer,” riep Bill
-Tower op schamperen toon uit. „Ze zijn hem in den oorlog afgeschoten.”
-
-„Wat, heeft deze man in den wereldoorlog meegestreden?” riep Raffles
-uit.
-
-„Zeker, als vrijwilliger. Hij was korporaal, toen hij gewond en
-afgekeurd werd. Nu krijgt hij een half pond in de week pensioen.”
-
-„Maar hoe oud is deze man dan wel?” riep Charly Brand verwonderd uit.
-
-„Niet ouder dan vijf en veertig jaar, mijnheer,” antwoordde Tower.
-
-„Kom, laten wij hier niet onzen tijd verpraten,” riep Raffles op bijna
-ruwen toon. „Die man moet voor alles eten. Vriend Tower, wij gaan nu
-eerst naar mijn huis om daar den ongelukkige bij te brengen, en dan
-zullen wij hem gezamenlijk naar zijn woning brengen. Zijn familie zal
-wel in de grootste ongerustheid over hem verkeeren.”
-
-„Dat denk ik haast niet, mijnheer,” zeide Tower hoofdschuddend.
-
-„Wat? Je wilt toch niet zeggen, dat de familie van dezen ouden man zich
-niets aan hem laat gelegen liggen?” riep Raffles op verontwaardigden
-toon. „Het zou een schande zijn.”
-
-„Dat is de zaak niet, mijnheer. Lark heeft een dochter, een heel mooi
-meisje tusschen twee haakjes, maar het arme kind is krankzinnig. Zij
-zou er niet eens besef van hebben als haar vader niet meer thuis kwam.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-DE KRANKZINNIGE.
-
-
-Gedurende eenige oogenblikken werd er niet gesproken.
-
-Toen zei Raffles op zachten toon:
-
-„Dat is verschrikkelijk. Kom snel vriend Tower. Ik wil weten, wat
-hieraan te doen is. Help mij eens dien ongelukkige naar mijn auto te
-dragen.”
-
-Raffles en Tower namen Lark op en tot stomme verbazing van de
-omstanders, bijna even arme en hongerige stakkerds als de bezwijmde
-grijsaard, droeg de deftige schatrijke Lord met den armen invalide het
-lichaam van den schooier naar de wachtende auto, die getuigde van den
-rijkdom haars bezitters.
-
-Charly volgde met de plaid, die dadelijk over Lark werd uitgespreid.
-
-Wat Henderson betreft, hij toonde niet het minste spoor van verbazing.
-Blijkbaar was hij aan dergelijke tooneeltjes wel gewend....
-
-Tower stapte, op uitnoodiging van Raffles, in en keek dadelijk zijn
-oogen uit aan de fraaie inrichting van den wagen.
-
-Raffles gaf den chauffeur een kort bevel. Het portier klapte dicht en
-in snelle vaart ging het door de straten van Londen, die nu veel minder
-druk waren, daar alle schouwburgen thans waren aangegaan.
-
-Een kwartier later stond de auto stil voor een fraai heerenhuis in de
-Regentstreet, dicht bij Pall Mall.
-
-Charly ijlde vooruit teneinde de voordeur te ontsluiten en behoedzaam
-droeg de reusachtige chauffeur het geheel beweginglooze lichaam naar
-binnen, terwijl Raffles en Tower op hun beurt het huis betraden, nadat
-Henderson den bewustelooze naar een der slaapkamers had gebracht en
-daar op het bed had neer gelegd.
-
-Bill Tower was een eenvoudige ziel, en hij slaakte telkens kleine
-uitroepen van verbazing, toen hij door de marmeren vestibule schreed en
-over de dikke wijnroode looper de prachtige trap besteeg, en overal
-fraaie beelden en schilderijen, wandtapijten en kostbare vazen
-ontwaarde.
-
-Een bejaarde bediende was Raffles tegemoet getreden.
-
-Het was Gaston, de grijze kamerbediende van Lord Aberdeen.
-
-Ook hij verbaasde zich niet uitermate over hetgeen hij te zien kreeg,
-hetgeen weer de verwondering opwekte van Bill Tower, die van de eene
-ontroering in de andere verviel.
-
-En toen Charly hem eindelijk in de groote ontvangsalon liet, die
-slechts zeer weinig gebruikt werd, daar Raffles een afkeer had van
-groote gezelschappen, toen kende zijn bewondering geen grenzen.
-
-Hij keek met groote oogen naar de schoone wandversiering, gobelins van
-groote kunstwaarde, naar de kostbare beelden, naar de dikke fluweelen
-gordijnen voor de ramen en naar den gladden parketvloer, hier en daar
-met Smyrna-tapijten bedekt.
-
-Met open mond stond hij stil voor den kolossalen haard, half in den
-schoorsteen ingebouwd.
-
-En hij slaakte bijna een schreeuw van schrik, toen hij zich liet
-neervallen op een gemakkelijken stoel en half wegzakte in de mollige
-zitting.
-
-Intusschen had Raffles zich nog altijd aan den bewusteloozen grijsaard
-gewijd.
-
-En hier, waar hij alle geneesmiddelen dicht bij de hand had, slaagde
-hij er tamelijk spoedig in, de levensgeesten van den ongelukkige weder
-op te wekken.
-
-Het was half tien, toen Edward Lark de oogen opsloeg en met
-verwilderden blik de hem vreemde kamer rond zag.
-
-Ten slotte vestigde hij ze op het gelaat van den man, die zich over hem
-had heengebogen, met een kleine flacon in de hand.
-
-„Waar ben ik hier toch,” stamelde de oude man met zwakke stem. „Ik
-droom toch niet?”
-
-„Je bent hier bij goede vrienden, en je droomt niet, Edwin Lark,”
-antwoordde Raffles op vriendelijken toon. „Je bent heel zwak en je
-moogt nu niet te veel praten.”
-
-En hierop deelde Raffles Lark met enkele woorden mede, wat er met hem
-geschied was onder de peristyle van den Garrick-schouwburg.
-
-Lark had zwijgend toegeluisterd en keek Raffles nu met omfloerste oogen
-aan.
-
-„Ik dank u, dat gij u over mij ontfermd hebt, mijnheer,” stamelde hij.
-„Ik—ik—geloof dat ik mij dwaas gedragen heb, maar de zaak is—ik
-gevoelde mij—mij zeer flauw en dan die koude....”
-
-Raffles keek hem zwijgend aan.
-
-Blijkbaar belette hem zijn trots, ronduit te bekennen, dat hij van
-honger in zwijm was gevallen.
-
-Juist op dat oogenblik trad Charly Brand binnen.
-
-Raffles richtte op fluisterenden toon eenige woorden tot hem en
-dadelijk verliet de jonge man het vertrek weder, om een oogenblik later
-terug te keeren met een blad, waarop eenige schalen, een glas en een
-flesch wijn.
-
-Met groote oogen keek Lark toe.
-
-Een blos begon zijn vermagerde wangen te kleuren.
-
-Hij zag hoe Raffles de flesch ontkurkte en een glas met donkerrooden
-wijn vol schonk.
-
-Hij zag ook hoe de jonge man, dien hij niet kende, bezig was met het
-snijden van koud vleesch.
-
-En ondanks zichzelf kwam het water hem in den mond.
-
-Nu trad Raffles glimlachend met het glas in de hand op het bed toe en
-zeide op bemoedigenden toon:
-
-„Drink eens wat van den wijn, mijn waarde Lark. Hij zal u goed doen en
-dan moet ge wat eten. Niet te veel echter, want dan zou het u kunnen
-schaden.”
-
-„Maar mijnheer—ik weet niet, of....” begon Lark stotterend, terwijl de
-blos op zijn wangen nog dieper werd.
-
-„Ik weet wat u thans bezielt, mijn vriend,” hernam Raffles met zachten
-aandrang. „Maar ge moogt u niet door uw gevoel van eigenwaarde laten
-weerhouden om dit van mij aan te nemen, en als gij u versterkt hebt,
-deel mij dan eens mede, wat ik verder voor u doen kan. Het is toch
-dwaas, dat iemand van uw kennis en stand op deze bitter harde wijze
-zijn brood moet verdienen.”
-
-Lark keek Raffles met schuwen blik aan en zeide toen:
-
-„Hoe weet gij....”
-
-„Men heeft mij op de hoogte gebracht, mijn vriend. Gij zijt vroeger
-modellenmaker geweest en door uw ernstige wonde, in den oorlog
-opgedaan, kunt gij thans dat fraaie beroep niet meer uitoefenen. Ik
-weet nog meer van u en gij moet mij toestaan u te helpen.”
-
-Een oogenblik bleef Lark onbewegelijk liggen.
-
-Toen begonnen zijn lippen te trillen en eensklaps barstte hij in een
-hartstochtelijk snikken uit, dat zijn geheele vermagerde lichaam deed
-schokken.
-
-Met de gezonde hand greep hij die van Raffles en riep snikkend:
-
-„Hoe lang is het niet geleden, mijnheer, dat men op deze wijze tot mij
-armen ouden man sprak. O ik ben inderdaad nog niet zoo oud, maar ik ben
-een grijsaard door lijden en nu ik u aanzie, ja, nu herken ik u. Gij
-zijt Lord Aberdeen, dien ik reeds eerder op de trappen van den
-schouwburg heb gezien, en dien men mij dadelijk heeft aangewezen. Nu
-begrijp ik ook, waaraan ik het te danken heb, dat ik zoo liefderijk ben
-opgenomen. Ik dank u. Ik dank u....”
-
-De oude man stamelde zijn dankbaarheid uit in onsamenhangende woorden,
-overstelpt door dezen onverwachten keer in zijn leven, want hij had
-reeds al te veel over Lord Aberdeen hooren spreken, om niet te weten,
-dat deze zonderling zijn beschermeling niet halverwege in den steek
-liet.
-
-Maar eindelijk kwam hij toch in zooverre weder tot bedaren, dat hij een
-weinig van den wijn en van het versterkend voedsel kon nuttigen.
-
-Toen werd de brave Tower er bij geroepen en zoodra Lark hem zag,
-begreep hij wel van wien de man, die hem in zijn woning had opgenomen,
-die bijzonderheden uit zijn leven kende.
-
-Hij keek zijn collega eens glimlachend aan en zeide met een
-aandoenlijke poging om te schertsen:
-
-„Daar lig ik nu Tower, als een prins.”
-
-„Ja, daar lig je nu, Lark, en als ik me niet bedrieg, dan is de ergste
-tijd nu voor je voorbij, man.”
-
-Tower meende het zeker goed. Hij was niet bijzonder fijngevoelig, de
-brave kerel.
-
-En er lag ook een ietsje van naijver in zijn stem, toen hij die woorden
-uitsprak.
-
-Raffles had een scherp gehoor en die klank was hem niet ontgaan.
-
-Hij keek Tower eens onderzoekend aan en vroeg:
-
-„Wel vriend, hoe staan de zaken. Wat doe je voor den kost?”
-
-„Wat er zooal te doen valt, mijnheer,” antwoordde de man. „Sjouwen aan
-de haven, nu eens in de steenkolen, dan weer in het graan, of soms in
-het ijzer.”
-
-„Dus je bent los werkman?”
-
-„Erg los, mijnheer, erg los,” antwoordde Tower met een grimmig lachje.
-„Het kon bijna niet losser. Ik heb niet veel adem overgehouden moet u
-weten, al zie ik er ook sterk uit. Er zit een gat in mijn borst. Daarom
-krijg ik niet voldoende lucht meer en word ik gauw moe.”
-
-„Een gat?” vroeg Raffles verbaasd. „Wat voor een gat dan?”
-
-„Wel, natuurlijk een kogelschot, mijnheer,” antwoordde Tower.
-
-„Dus jij bent ook al in den oorlog gewond,” riep Charly uit.
-
-„Bij het laatste offensief, mijnheer. Ik had volle vijf jaar gediend.
-En bij de laatste bestorming van de Hindenburglinie kreeg ik drie
-kogels bijna tegelijk, een in mijn dij, een in mijn wang—daarom ben ik
-nu zoo’n mooie jongen, en een in mijn borst. Ze hebben me opgelapt,
-zooals u ziet, maar de man van vroeger ben ik toch nooit meer
-geworden.”
-
-„Wat was je vroeger?” vroeg Raffles.
-
-„Sjouwer, mijnheer, maar niet los, hoor, niet los. Ik kon toen tien uur
-per dag de zwaarste vrachten sjouwen, zonder moe te worden, maar nu
-gaat het niet meer, neen, het gaat niet meer.”
-
-Hij scheen ergens even diep over na te denken en vervolgde toen met een
-zucht: „En daarom neem ik er van alles bij waar, mijnheer, waarbij ik
-mijn gemak kan nemen. Zooals dat baantje van vanavond.”
-
-Raffles wierp snel Charly een veelbeteekenenden blik toe en zeide toen
-op zachten toon:
-
-„Ik weet mij op dit oogenblik niet juist te herinneren, wie het gezegd
-heeft, dat ook een gewonnen oorlog niets dan ellende en armoede brengt.
-Maar de man had duizendmaal gelijk. Waar we ook het oog heen wenden,
-zien we de vreeselijke gevolgen van dien gevloekten oorlog.”
-
-Hij staarde even met gefronste wenkbrauwen voor zich uit en richtte
-toen de vraag tot Tower:
-
-„Ben je getrouwd?”
-
-„Ik heb een vrouw en zes kinderen.”
-
-„Nu, ik zal je in ieder geval niet vergeten, vriend Tower. Je hebt mij
-en onzen vriend Lark hedenavond een grooten dienst bewezen en nu geloof
-ik, dat onze zieke reeds ver genoeg is, om naar zijn woning te worden
-vervoerd. Heeft het u goed gesmaakt, waarde Lark?”
-
-„Uitstekend, mijnheer. Ik wil er geen geheim meer van maken. In langen
-tijd had ik geen vleesch geproefd. Ik was den smaak ervan geheel
-vergeten.”
-
-„Dan zullen wij wel eens zien, of wij je dien smaak niet weder spoedig
-kunnen bijbrengen,” zeide Raffles vriendelijk.
-
-Hij wendde zich weder tot Charly en zeide iets op zachten toon, waarop
-de jonge man weder het vertrek verliet.
-
-Eenige minuten later werd Lark door Henderson weder naar beneden en in
-de wachtende auto gedragen, waarin nu Raffles en Tower plaats namen.
-
-Charly, die bij den wagen de wacht had gehouden begaf zich weder in
-huis, en de auto zette zich in beweging, nadat Henderson zich de
-Crescentstraat als adres had laten opgeven.
-
-Bijna drie kwartier later reed de wagen een nauwe stille straat in een
-der volksbuurten in.
-
-De huizen waren oud en vervallen.
-
-Henderson bracht de auto tot staan en wachtte tot Tower naast hem zou
-komen plaats nemen, teneinde het huis aan te wijzen, waar Lark woonde.
-
-Eenige minuten nadat de wagen zich weder in beweging had gesteld, stond
-hij stil voor een huis, dat nog ouder en vuiler scheen te zijn, dan
-alle anderen in deze armoedige straat.
-
-Raffles sprong uit de auto, en hielp Lark, die nog zeer zwak was, op
-zijn beurt om uit te stappen, waarbij hij hem den arm bood.
-
-Men behoefde zich niet de moeite te geven om aan te schellen, want de
-huisdeur stond open.
-
-Raffles wendde zich nu tot Tower en zeide op gedempten toon, terwijl
-hij hem een goudstuk in de hand drukte:
-
-„Het spreekt, vriend Tower, dat wij verplicht zijn, u uw winstderving
-van hedenavond te vergoeden. Gij kunt nauwelijks op tijd bij den
-schouwburg terug zijn, om daar de portiers der auto’s weder te openen.
-Neem dit dus als vergoeding en noem mij het nummer van uw huis. Het
-mocht eens te pas komen.”
-
-„No. 67, mijnheer,” zeide Tower met een grijns van blijdschap op zijn
-breed goedig gezicht. „Als er iets voor mijnheer te sjouwen valt, dat
-niet al te zwaar is, dan houd ik mij gerecommandeerd.”
-
-Tower tikte aan zijn pet en was het volgend oogenblik in de duisternis
-verdwenen.
-
-Terwijl Henderson de auto op een hoek van een breedere straat deed
-postvatten, besteeg Raffles met zijn beschermeling de steile trappen
-van het oude huis, niet veel beter dan een krot.
-
-Het kostte heel wat moeite, maar ten slotte bereikten de twee dan toch
-de vierde verdieping.
-
-Op het gerucht van hun schreden ging op het donkere portaal een deur
-open.
-
-En in het lichtschijnsel vertoonde zich een mannelijke gestalte.
-
-Een welluidende stem vroeg: „Is u daar, mijnheer Lark?”
-
-„Ja, ik ben het, Jack,” antwoordde de oude man. „Is alles goed met
-Nelly?”
-
-„Alles in orde mijnheer Lark, maar u is niet alleen?”
-
-„Neen, ik breng iemand mee, een goed vriend, Jack. Een heel goed
-vriend.”
-
-De beide mannen hadden nu het portaal bereikt en stonden voor de deur,
-die werd open gehouden door een jongen man met een sympathiek doch
-zwaarmoedig gelaat, ongeveer vijf en twintig jaar oud en zeer eenvoudig
-gekleed, hoewel men zien kon dat hij aan zijn schamele kleedij alle
-mogelijke zorg besteedde.
-
-De drie mannen traden nu een zeer eenvoudig maar armelijk gemeubeld
-vertrek binnen.
-
-De verlichting bestond uit een kleine petroleumlamp.
-
-Maar het was toch licht genoeg om een withouten tafel, een paar rieten
-stoelen en een ijzeren veldbed te kunnen onderscheiden.
-
-Voor de ramen hingen een paar oude tot op den draad versleten lappen,
-bij wijze van gordijnen.
-
-De vloer was kaal en liet de vermolmde planken zien.
-
-Aan de tafel zat een jong meisje.
-
-Zij kon ongeveer twintig jaar zijn.
-
-Heur haar was buitengewoon weelderig en blauwzwart.
-
-In het bleeke smalle gelaat, dat vroeger zeer schoon geweest moest
-zijn, schitterden met ongewonen gloed twee donkere oogen, onder
-onberispelijk geteekende wenkbrauwen.
-
-Het meisje scheen te spelen met een spel kaarten, waarvan zij huisjes
-en allerlei voorwerpen bouwde, welke zij dan met een schril lachje
-telkens omver wierp.
-
-Raffles was een uitnemend geneesheer. Op den eersten blik zag hij aan
-de geheele uitdrukking van het bleeke gelaat, dat dit de dochter van
-Lark moest zijn.
-
-Het was de uitdrukking van den waanzin....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-HET VERHAAL VAN EDWIN LARK.
-
-
-Het rampzalige jonge meisje had ternauwernood het hoofd opgeheven, toen
-zij de deur hoorde open gaan.
-
-Maar toch liet zij een kinderachtig geluid van vreugde hooren, toen zij
-haar vader herkende. Er sluimerde dus nog een vonk der edele rede
-achter dat hooge voorhoofd, nog ongerimpeld en blank.
-
-Lark was haastig op zijn dochter toegetreden en streelde haar met
-innige liefde over haar prachtig haar.
-
-Toen wendde hij zich tot Raffles, die bescheiden bij de deur was
-blijven staan en zeide bewogen:
-
-„Dit is mijn eenig kind, mijnheer, mijn dochter Nelly. Dit jonge mensch
-heet Jack Fieldman.
-
-„Hij is onze trouwe vriend, al jaren. Ik behoef volstrekt geen geheim
-te maken van onze omstandigheden, mijnheer, en hier waar ge bij zijt,
-wil ik het zeggen, dat Jack met onwankelbare trouw ons terzijde is
-blijven staan, toen alles om ons heen in puin stortte.”
-
-„Zeg dat toch niet, mijnheer Lark. Ik deed dit alles zoo innig graag
-voor U en voor Nelly. Zij was immers mijn collega.”
-
-„Uw collega?” vroeg Raffles verwonderd, terwijl hij naderbij trad en
-Jack de hand toestak. „Wat is dan uw beroep als ik vragen mag.”
-
-„Hij is onderwijzer, mijnheer,” antwoordde Lark inplaats van Jack. „En
-hij zou professor zijn, als hij maar zijn studiën had kunnen voltooien,
-zooals het behoort.”
-
-„Wat heeft hem dan belet om dat te doen?” vroeg Raffles vol
-belangstelling.
-
-Maar het volgende oogenblik had hij reeds berouw van zijn vraag.
-
-Jack werd bloedrood en wendde zich af.
-
-„Ik heb u gekwetst. Ik zie het,” zeide Raffles op zachten toon. „Neem
-het mij niet kwalijk. Ik begrijp het nu. Maar laat mij dan zeggen, dat
-armoede volstrekt geen schande is, en dat iemand, als gij schijnt te
-zijn, voor niemand het hoofd behoeft te buigen. Wat was uw studie
-onderwerp?”
-
-„De schoone letteren, mijnheer,” antwoordde Jack met schitterende
-oogen, maar met trillende lippen. „O, ik kan u niet zeggen, hoe
-heerlijk ik het had gevonden, als ik had kunnen uit studeeren—het mocht
-niet.”
-
-Raffles keek even in het open schrander gelaat en vroeg toen weder:
-
-„Gij zijt zeker aan een openbare school?”
-
-„Ja, mijnheer.”
-
-„Ja, dan kan ik mij voorstellen, dat u de middelen ontbreken, u aan uw
-lievelingsstudie te wijden,” hernam Raffles. „Boeken zijn nog al duur
-en het bezoeken van een universiteit kost handen vol geld.”
-
-Hij wendde nu den blik naar het meisje, aan de tafel, dat reeds weder
-in haar spel verdiept was en luid in de handen klapte wanneer het haar
-gelukt was, een fraai huisje van de kaarten te bouwen, en zeide:
-
-„Miss Nelly is dus onderwijzeres geweest, voor dit vreeselijk ongeluk
-haar trof?”
-
-„Ja, mijnheer. Aan een kostschool.”
-
-Raffles stond even in gedachten verdiept en zeide toen op meewarigen
-toon:
-
-„Dat alles is wel verschrikkelijk—zulk een schoon, lieftallig jong
-meisje.”
-
-Lark glimlachte flauwtjes, toen hij op eenigszins matten toon zeide:
-
-„Nelly is geen jong meisje, mijnheer. Ze is getrouwd.”
-
-„Wat zegt ge daar?” riep Raffles in de grootste verbazing uit.
-„Getrouwd? Hoe komt het dan dat haar man niet voor haar zorgt?”
-
-„Dat zou hij misschien, neen zeker wel doen, mijnheer, als hij maar
-wist dat ze in dien toestand is geraakt.”
-
-„Weet hij dat dan niet,” riep Raffles uit, wiens verbazing ieder
-oogenblik toenam. „Hebt gij het hem dan niet dadelijk mede gedeeld? Was
-hij er dan niet bij, toen uw dochter door dit vreeselijke werd
-overvallen?”
-
-„Neen, mijnheer, daar was hij niet bij, die arme Donald.”
-
-„Maar hebt gij het hem dan niet geschreven? Al was hij aan het andere
-einde van de wereld—als hij haar lief heeft, zou hij toch dadelijk
-gekomen zijn, en hij zou haar nimmer meer hebben verlaten.”
-
-„Wij hebben hem eenmaal geschreven. Er kwam geen antwoord. De tweede
-brief kwam terug met het opschrift op de enveloppe: „Vertrokken, met
-onbekende bestemming.” Nu weten wij niet waar hij is.”
-
-Langen tijd bleef het stil na deze woorden.
-
-Raffles begreep niets van hetgeen hij zooeven vernomen had, maar hij
-zag wel in, dat hier een geheim bestond, een droevig geheim, dat
-misschien voor een gedeelte de oorzaak zou kunnen verklaren van den
-noodlottigen waanzin, waardoor de jonge vrouw was aangegrepen.
-
-„Ik denk er niet aan, mij in uw familiezaken te mengen,” begon hij
-weder op zachten toon, „maar gij wilt mij zeker wel zeggen, of uw
-ongelukkige dochter kinderen heeft?”
-
-„Eén mijnheer.”
-
-„En woont dat kind ook bij u aan huis? Of hebt gij het misschien onder
-de hoede gesteld van familieleden, die beter dan gij in staat zullen
-zijn, er voor te waken en het op te voeden?”
-
-De mond van den ouden man begon zenuwachtig te trekken en hij scheen de
-grootste moeite te hebben, zijn tranen te bedwingen, toen hij op doffen
-toon antwoordde:
-
-„Wij weten niet waar het kind, waar de kleine Richard is, mijnheer.”
-
-Nu kon Raffles onmogelijk een luiden kreet van verbazing weerhouden.
-
-Hij staarde Lark ongeloofelijk aan als vreesde hij, dat ook de oude man
-aan een tijdelijke zinsverbijstering leed en herhaalde toen:
-
-„Gij weet het niet? Gij weet dus niet waar de vader, en evenmin waar
-zijn kind is. Weet hij dat dan?”
-
-„Hij weet het ook niet, mijnheer—of er zou een toevallige omstandigheid
-moeten plaats vinden, die ondenkbaar is. Maar neem plaats en dan zal ik
-het u alles verhalen. Gij hebt daarop het volle recht. En we hebben
-volstrekt niets te verzwijgen.”
-
-„Ik wil het niet weten, mijn waarde Lark, indien het u ook maar de
-minste opoffering zou kosten het mij mede te deelen,” hernam Raffles op
-vasten toon. „Ik vermoed haast, dat hier een vreeselijk geheim schuilt,
-nietwaar?”
-
-„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer,” hernam de oude man zuchtend. „Het
-is een raadsel voor ons allen. Maar laat ik u naar vervolg verhalen.
-Het zal mij misschien pijn doen, een oude wonde open te rijten, maar ik
-acht mij gelukkig een man in vertrouwen te nemen, die getoond heeft,
-zijn medemenschen te willen helpen, wanneer zij in nood en ellende
-verkeeren. Wat Jack betreft, hij is op de hoogte van de geheele zaak en
-hij heeft zelfs zijn beetje spaargeld uitgegeven, om te trachten eenig
-spoor van den knaap terug te vinden.”
-
-De jonge man had den spreker snel het zwijgen willen opleggen, maar hij
-kwam te laat.
-
-Nu vergenoegde hij er zich mede, afkeurend zijn hoofd te schudden.
-
-Raffles had hem op den schouder geklopt en zeide op ernstigen toon:
-
-„Het is heel mooi van u, wat gij gedaan hebt, mijnheer Fieldman. Zoo
-iets vindt men ten huidige dage niet vaak meer en nu uw verhaal, Lark.
-Wie weet kan ik u nog wel van dienst zijn.”
-
-„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” vroeg de oude man, terwijl hij
-schielijk het hoofd ophief en Raffles met zijn schier uitgedoofde
-zwakke oogen aanzag. „Ik vrees.... ik vrees....”
-
-Hij had zich aan de tafel neergezet, en nam liefkoozend een der kleine
-blanke handen van de jonge vrouw in de zijne.
-
-Toen begon hij:
-
-„Ik zeide u reeds, dat mijn dochter onderwijzeres was aan een
-kostschool. Haar huwelijk, dat zes jaren geleden gesloten werd, hielden
-wij voorloopig geheim, want ik moet u zeggen, dat mijn schoonzoon en
-mijn kind het in den aanvang alles behalve breed hadden. Zij hadden
-weinig anders dan hun liefde, en al was die oneindig groot, men kan er
-niet alleen van leven. Natuurlijk zou mijn Nelly op de kostschool
-dadelijk worden ontslagen, zoodra het bekend werd, dat zij gehuwd was
-en omdat de twee jonge lieden haar salaris in den eersten tijd niet
-konden missen, zoo verzwegen zij hun huwelijk.”
-
-„Niemand wist dus daar iets van?” vroeg Raffles die aandachtig
-toeluisterde.
-
-„Niemand, behalve Jack, ik en nog een paar naaste bloedverwanten.”
-
-„En de ouders van uw schoonzoon natuurlijk,” gaf Raffles te kennen.
-
-„Neen, die wisten het niet,” zeide de oude man op zachten, onzekeren
-toon.
-
-„Wisten die het niet?” kwam Raffles verwonderd. „Hij behoefde zich toch
-voor zijn keuze niet te schamen.”
-
-Lark richtte zich fier op en zijn oogen schitterden, toen hij uitriep:
-
-„Neen zeker, dat behoefde hij niet en hij deed het ook niet. De zaak
-is, dat hij in onmin leefde met zijn ouders. Hij had zijn vader na een
-hevigen twist verlaten, naar het schijnt. Ik moet u zeggen, dat ik er
-nooit het ware van geweten heb, en mijn kind trouwens ook niet. Donald
-was daaromtrent zeer gesloten. Ik weet zeker, dat hij op zijn beurt een
-geheim te verbergen had, dat hem zwaar op het hart drukte.”
-
-Lark wachtte even, scheen zijn gedachten te verzamelen en vervolgde
-toen:
-
-„Ik hield bijzonder veel van hem en Nelly aanbad hem als het ware.
-
-„Hun huwelijk was zoo gelukkig als men het maar verlangen kon. Zij
-waren voor elkander geschapen. Ik....”
-
-Maar hij kon niet voortgaan, want Jack was plotseling opgestaan en
-zeide op eenigszins schorren toon:
-
-„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Lark, en ook gij Mylord, ik moet nog
-een bepaald aantal schriften van mijn leerlingen nazien. Ik hoop, dat
-gij mij verontschuldigt.”
-
-„Slechts dan, wanneer gij mij belooft, dat gij mij dezer dagen eens
-komt opzoeken,” zeide Raffles, terwijl hij den jongen man, wiens gelaat
-verbazend bleek was geworden, de hand toestak. „Ik stel me voor, dat er
-wellicht aan de studiezaak wel een mouw te passen is.”
-
-De hand die hij vasthield, beefde en de oogen van Jack Fieldman
-glansden vochtig, toen hij ten antwoord gaf:
-
-„Ik—ik zal gaarne komen, Mylord. Adieu mijnheer Lark.”
-
-De jonge man wierp een snellen blik op de jonge vrouw, die het hoofd
-had opgeheven en hem kinderlijk toelachte, en Raffles meende te zien,
-dat zijn gelaat zich smartelijk vertrok.
-
-Nog eenigen tijd nadat de deur achter Jack Fieldman was dicht gevallen,
-bleef het stil in het vertrek.
-
-Men hoorde niets dan het lichte gerucht van de kaarten, waarmede de
-krankzinnige speelde.
-
-Toen hernam Lark, na een blik op de dichte deur geworpen te hebben, op
-fluisterenden toon:
-
-„Gij zult het wellicht zelf reeds gemerkt hebben, Mylord. De arme
-jongen is nog steeds doodelijk verliefd op mijn dochter....”
-
-„Zoo iets meende ik in zijn blik te hebben gezien,” zeide Raffles op
-zachten toon. „Was dat al zoo, toen Nelly nog.... nog normaal was?”
-
-„Ja. Zij is altijd een goede vriendin voor hem geweest. Eenigen tijd
-waren zij aan dezelfde school verbonden. Zij heeft hem menigmaal
-ernstig onderhouden en hem bezworen, toch geen voet te geven aan het
-gevoel, dat zij nimmer zou kunnen beantwoorden. Maar hij wilde niet
-luisteren. Hij bleef haar aanbidden. Ook nog, toen zij reeds gehuwd
-was. Maar zijn liefde was rein en zuiver. Hij viel haar nimmer lastig.
-Pas toen het verschrikkelijke geschiedde en zij het verstand verloor,
-kwam hij mij zijn diensten aanbieden. Hij was voor dien tijd slechts
-zelden aangekomen. Blijkbaar wilde hij liever geen getuige zijn van
-haar geluk, al gunde hij het haar ook van harte. Een zeldzame jongen,
-Mylord. Een zeldzame jongen.”
-
-„Ja, wel zeldzaam,” bevestigde Raffles met een hoofdknikje. „Maar ga nu
-voort met uw verhaal, waarnaar ik met de grootste belangstelling
-luister.”
-
-„Wel, in den aanvang ging het goed, al had het beter gekund. Donald
-vond tamelijk spoedig een betrekking, die voor hem geschikt was, al
-leverde die niet al te veel op. Met wat zij als onderwijzeres
-verdiende, kon zij rond komen. Ik was toen nog modellenmaker en
-verdiende een goed loon. Ik was niet onbekwaam in mijn vak, ziet gij.
-En toen kwam die vreeselijke oorlog....”
-
-Lark streelde eenigen tijd over de zwarte lokken van zijn kind en ging
-met bevende stem voort:
-
-„Dat veranderde alles. Donald werd vrij spoedig opgeroepen, de kleine
-Richard was toen twee jaar oud, maar een wonder scheen hem te
-beschermen. Hij werd slechts licht gewond bij verschillende aanvallen
-en kon dan telkens overkomen, om hier te worden verpleegd in bijzijn
-van zijn vrouw en zijn kind, die hem iederen dag mochten bezoeken. Ik
-zelf werd tenslotte ook nog opgeroepen, toen men letterlijk iedereen te
-hulp riep, om den laatsten stormaanval op de sterke Duitsche linies te
-ondernemen. Gij weet nu, wat ik daaruit heb overgehouden. Wat Donald
-betreft, hij werd op het allerlaatste oogenblik zwaar gewond. Een paar
-dagen maar voor de wapenstilstand onderteekend werd. Gij kunt u de
-wanhoop van Nelly voorstellen. Zij hield zoo innig veel van hem. Maar
-gelukkig kwamen spoedig berichten, die meldden dat zijn leven in ieder
-geval geen gevaar zou loopen, en al zou de genezing heel langzaam in
-haar werk gaan, er was echter geen sprake van, dat hij vervoerd zou
-mogen worden. Hij werd naar een hospitaal, dicht achter de linie
-vervoerd. Chantilly heette de plaats. O, ik zou dien naam niet kunnen
-vergeten, al zou ik het willen. Hij is als met een stalen stift in mijn
-hersens gegrift.”
-
-Weer wachtte de oude man even.
-
-Zijn oogen hadden een strakke uitdrukking gekregen en de pupillen
-hadden zich verwijd.
-
-Nadat hij eenigen tijd in gedachten verzonken had gezeten, steeds met
-de eene hand over de zwarte lokken van het waanzinnige meisje
-streelend, ging hij voort:
-
-„Omstreeks een half jaar geleden kon Nelly eindelijk gehoor geven aan
-haar hartewensch, naar Frankrijk gaan, om daar haar zieken echtgenoot
-te bezoeken. Ze hadden een gelukje gehad, ziet gij. Op een loterijlot
-was een prijs gevallen, iets van tachtig pond. Toen stond ons besluit
-vast. Wij zouden met ons drieën naar Frankrijk gaan. O, geloof maar,
-dat Nelly het eerder, reeds veel eerder zou hebben gedaan, indien het
-slechts mogelijk ware geweest. Maar wij moesten in dien tijd zeer
-zuinig zijn, want ik was onbekwaam om te werken en alles wat ik
-beproefd had, liep op niets uit. Ik was en bleef een invalide, die voor
-de gemeenschap niets meer waard is. Wij maakten dus alles voor de reis
-in gereedheid en scheepten ons in naar Calais....”
-
-„Een oogenblik. Ge hadt zeker uw schoonzoon van te voren gewaarschuwd?”
-
-„Neen, dat deden wij niet. Wij wilden hem verrassen. Het ging hem reeds
-veel beter en over twee weken zou hij uit het ziekenhuis worden
-ontslagen. Ons plan was dan ook die weken met hem door te brengen en
-een kleine reis langs de slagvelden te maken.”
-
-„Toen gij op reis ging, hoe lang was het toen geleden, dat gij het
-laatst van Donald gehoord had?”
-
-„Twee weken. Toen schreef hij ons nog een langen brief, waarin al zijn
-vurige liefde voor vrouw en kind aan den dag kwam. Ik bewaar dien brief
-als een heilig aandenken.”
-
-„Was het een militair hospitaal, waarin uw schoonzoon verpleegd werd?”
-
-„Het was een ziekenhuis van de stad.”
-
-„Ik dank u, zoudt ge nu verder willen gaan?”
-
-„Wij kwamen zonder ongevallen in Calais aan. Mijn dochter sprak
-voortreffelijk Fransch en in mijn dienstjaren daar ginds heb ik ook een
-mondje Fransch leeren spreken. Wij reisden eerst naar Parijs,
-overnachtten daar en gingen den volgenden dag verder en toen wij uit
-den trein stapten aan het station van Chantilly, toen gebeurde het
-ongeloofelijke.”
-
-Lark hijgde van opwinding, toen hij deze woorden uitsprak. Zijn mond
-was krampachtig vertrokken en zijn oogen hadden een uitdrukking van
-vrees en tevens van woeste wraakzucht.
-
-„Gij zoudt gelooven, dat zooiets in een beschaafden staat onmogelijk
-was, Mylord. Want het gebeurde bijna op klaarlichten dag. Dicht bij het
-station stond een auto gereed. Daarin zaten drie mannen, de pet diep in
-de oogen gedrongen. Ik weet het nog heel nauwkeurig. Het is in mijn
-ziel gegrift. Een van de mannen sprong er uit en draaide den motor op
-gang. Natuurlijk zou dat in gewone omstandigheden niets beteekend
-hebben, en ik zag het dan ook, zonder het bepaald te zien. De tweede
-man, die uit de auto sprong, snelde regelrecht op ons toe en greep den
-kleinen Richard. Het geschiedde zoo snel, dat wij nog niet eens
-beseften, wat er eigenlijk aan de hand was, toen reeds de auto in
-pijlsnelle vaart weg reed. Ik zal u niet beschrijven, hoe mijn dochter
-deze plotselinge, onverklaarbare ontvoering opnam. Het was
-verschrikkelijk. Zij gilde, zij gedroeg zich als een waanzinnige, zij
-rukte zich de haren uit, en dadelijk kwamen van alle kanten menschen op
-haar gegil aanloopen. Wij moesten haar naar een apotheek brengen en
-haar bijbrengen. Natuurlijk was aanstonds de politie gewaarschuwd en
-naar alle richtingen werden telegrammen gezonden. Pas veel later
-vernamen wij dat de auto onderweg van gedaante veranderd moest zijn en
-dat ook de roovers zich vermomd hadden. Maar de ergste slag zou nog
-voor ons te wachten staan. Veel later dan wij gedacht hadden begaven
-wij ons naar het ziekenhuis. Gij kunt wel begrijpen in welken toestand.
-Maar wij moesten den vader toch op de hoogte gaan brengen, eer alle
-hoop vervlogen scheen, om de roovers nog snel in te halen.”
-
-Lark snakte naar adem en had moeite zijn stem te beheerschen, toen hij
-uitriep:
-
-„Toen wij aan het ziekenhuis kwamen, vernamen wij daar, dat Donald
-reeds een week geleden was vertrokken. Men wist ook niet wanneer en of
-hij wel zou terug keeren, want hij had volstrekt niets gezegd.”
-
-Raffles keek den ouden man met groote verbazing aan. Wat hij ook
-verwacht mocht hebben, die mededeeling zeker niet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-NADERE INLICHTINGEN.
-
-
-Lark had het hoofd op de borst laten zinken en tranen druppelden over
-zijn ingevallen wangen.
-
-Zijn stem had allen klank verloren, toen hij stamelde:
-
-„Dat was meer, dan Nelly kon verdragen, die reeds geheel overstuur was
-door de ontvoering van den kleinen Richard. De plotselinge mededeeling
-beroofde haar van het verstand. Gij kunt u mijn toestand zeker wel
-voorstellen, Mylord. Daar ginds in een vreemd land met slechts een
-geringe reispenning, die spoedig zou zijn geslonken tot niets als wij
-er al te lang bleven. Mijn besluit was dan ook spoedig genomen. Ik
-deelde aan de politie van Chantilly dadelijk mede, wat er geschied was,
-met gebruikmaking van een tolk, want de hevige ontsteltenis scheen mij
-beroofd te hebben van mijn geheele kennis van de Fransche taal. Ik gaf
-mijn adres op aan de directie van het hospitaal en daarop ging ik met
-mijn ongelukkig kind naar Londen terug. O, die reis zal ik nimmer
-vergeten. Denk eens, slechts weinige dagen tevoren waren wij innig
-gelukkig over datzelfde kanaal gekomen, in het vooruitzicht, nu spoedig
-allen weder vereenigd te kunnen worden en nu keerde ik terug met een
-krankzinnige en zonder kleinkind.”
-
-„Ja, dat moet vreeselijk voor u geweest zijn,” zei Raffles op zachten
-toon. „En daarna hebt gij niets meer van uw schoonzoon gehoord?”
-
-„Niets. Ik zeide u reeds zooeven dat ik een paar malen geschreven had,
-meenende dat hij nu wel terug gekeerd zou zijn van zijn zonderlinge
-afwezigheid waarvan ik niets begreep. Ik kreeg geen antwoord. Jack is
-mij bij dit alles trouw behulpzaam geweest, want ik kende geen Fransch
-en stelde de brieven, die ik naderhand eveneens aan de directie van het
-ziekenhuis richtte, op. Wat Nelly betreft—ik wendde mij, teruggekomen,
-dadelijk tot een der beste psychiaters, maar hij kon mij slechts zeer
-weinig troost geven—van genezing langs den natuurlijken weg kon geen
-sprake zijn—er bestond echter een zeer geringe kans, dat mijn kind even
-plotseling haar verstand weder zou terug krijgen als zij het verloren
-had, wanneer een of andere zeer hevige aandoening haar plotseling
-aangreep.”
-
-„Ja, zooiets komt meer voor, wanneer de waanzin veroorzaakt is door
-plotselinge schrik of ontzetting,” zeide Raffles met een hoofdknik. „De
-gevallen zijn echter zeldzaam, dat moet ik er bij voegen. En wilt gij
-mij nu toestemmen, u eenige vragen te stellen?”
-
-„Vraag wat gij wilt, Mylord—ik zal er zoo goed mogelijk op antwoorden.”
-
-„Hebt gij u niet aanstonds in verbinding gesteld van de ouders van
-Donald Webster?”
-
-„Hoe kon ik dat, Mylord?” riep de oude man wanhopig. „Ik wist niet eens
-waar zij woonden.”
-
-„Dat had Donald u dus nimmer gezegd?”
-
-„Nooit.”
-
-„Wist u dochter het niet?”
-
-„Dat weet ik niet—maar ik geloof het niet. Donald bewaarde steeds een
-streng stilzwijgen aangaande zijn vroeger leven en zijn ouders. En
-Nelly aanbad hem. Zij dacht er niet over, hem te vragen naar dingen,
-die hem blijkbaar zeer pijnlijk waren.”
-
-„Toen de roof van den kleinen Richard te Chantilly plaats had—werd toen
-in het geheel niet door de roovers gesproken—ik meen—hebt gij niet
-kunnen waarnemen van welke nationaliteit zij waren?”
-
-„Zij spraken Engelsch, Mylord!” riep Lark uit. „Dat weet ik met de
-meeste beslistheid. Het waren Engelschen! Twee hunner waren dat zeker.”
-
-„Nu, het is niet veel, maar het is tenminste een aanknoopingspunt.”
-
-Raffles zat eenigen tijd in diepe gedachten verzonken en hernam toen:
-
-„Uw schoonzoon heeft dus in het leger gediend—welken rang had hij
-bereikt?”
-
-„Hij was kapitein, toen hij gewond werd, Mylord.”
-
-„Bij welk regiment stond hij?”
-
-„Bij het 127-ste, van de Argyll en Sutherland Highlanders.”
-
-„En was hij daar kapitein bij?” vroeg Raffles met eenige verbazing.
-„Indien ik mij niet vergis, dienen bij het regiment van dien naam zoo
-goed als uitsluitend officieren van adel.”
-
-„Dat meende ik ook Mylord—maar ik verzeker u, dat Donald volstrekt niet
-van adel was. O! dat wijst immers zijn naam reeds uit.”
-
-„Ja—natuurlijk,” hernam Raffles nadenkend. „Zeg eens hebt gij hier
-misschien de oproeping bij de hand—ik meen van Webster, om zich bij
-zijn regiment te voegen?”
-
-„Zulk een oproeping is hier bij mijn weten nooit ontvangen, Mylord!
-Donald is het voor geweest en heeft zich dadelijk ter beschikking
-gesteld van de legerautoriteiten.”
-
-„Goed en wel—maar dan moet er toch later een bericht zijn afgezonden.
-Dat geschiedt steeds. Men plaatst u maar niet aanstonds ergens, nadat
-gij u zijt komen aanmelden!”
-
-„Ik wil u gaarne gelooven, Mylord—maar ik heb zulk een oproeping nooit
-gezien—Nelly zeker ook niet.”
-
-„Nu dan heeft Webster ze zeker in de bus gevonden, of op andere wijze
-in handen gekregen, zonder dat gij het gemerkt hebt,” hernam Raffles
-peinzend. „Webster was zeker nog heel jong, toen hij met uw dochter
-trouwde?”
-
-„Twee-en-twintig jaar, Mylord!”
-
-„Dat is wel zeer jong! Hij heeft natuurlijk eerst als soldaat gediend
-en is door zijn buitengewone bekwaamheid tot kapitein opgeklommen?”
-
-„Neen, hij kwam dadelijk als luitenant bij zijn regiment.”
-
-„Als luitenant,” herhaalde Raffles, wiens verbazing toenam. „Hoe is dat
-mogelijk. Dan moet hij op de militaire academie geweest zijn.”
-
-„Dat kan ik u niet zeggen, Mylord. Ik weet het niet.”
-
-„Hij sprak daar dus nooit over?”
-
-„Nooit.”
-
-„Merkwaardig,” mompelde Raffles voor zich heen. „Wat kan hier achter
-schuilen.”
-
-Hij keek den ouden man een oogenblik aandachtig aan en vroeg toen
-weder:
-
-„Hebt gij hier misschien nog eenige uitrustingstukken, die aan uw
-schoonzoon hebben toebehoord?”
-
-„Ja, er moet in die kast daar ginds nog een pet en een korte jas
-hangen.”
-
-Lark was reeds opgestaan en ging de kast openen.
-
-Hij zocht even tusschen de kleedingstukken en haalde toen een korte
-militaire jas en een pet te voorschijn, welke hij voor Raffles op de
-tafel neder legde.
-
-Deze bekeek de pet en de schouderkleeding van de jas even en zeide toen
-op een toon, die geen tegenspraak duldde:
-
-„Het is, zooals ik dacht, mijn waarde Lark. Uw schoonzoon heeft de
-militaire academie bezocht en de leerlingen van die school behooren
-voor het overgroote deel tot den adel.”
-
-„Maar dat is bijna onmogelijk, Mylord,” riep Lark uit. „De naam Webster
-is toch zeker geen adellijke naam.”
-
-„Neen, dat is het zeker niet,” zeide Raffles glimlachend. „Maar wie
-zegt U dat het zijn werkelijke naam was?”
-
-Lark antwoordde niet dadelijk, maar keek Raffles met groote oogen vol
-verbazing aan.
-
-Toen barstte hij uit:
-
-„Niet zijn eigen naam, Mylord? Maar wat zou hem dan toch wel kunnen
-bewegen mijn kind onder een valschen naam te trouwen?”
-
-„Ik zeg niet, dat hij het gedaan heeft, waarde Lark. Ik denk het zelfs
-niet. Maar hoe dan ook. Wij kunnen hieromtrent zekerheid verkrijgen.”
-
-„Op welke wijze dan?”
-
-„Eenvoudig door de registers van den Burgerlijken Stand in te zien.”
-
-„Maar als hij zijn waren naam genoemd had, dan zou Nelly dien toch
-hebben moeten hooren,” riep Lark uit, die er nu hoe langer hoe minder
-van begreep.
-
-„Dat is volstrekt niet noodzakelijk. Hij kan zijn papieren op het
-stadhuis heel goed in orde hebben gemaakt, zonder dat zij er bij was.”
-
-Raffles zweeg nu geruimen tijd, terwijl de oude man in diepe gedachten
-verzonken was en stond toen eensklaps op, terwijl hij zeide:
-
-„Luister eens, mijn waarde Lark. Er schuilt achter dit alles een
-geheim, dat gij gaarne zoudt oplossen, nietwaar?”
-
-„Maar dat spreekt vanzelf, Mylord,” antwoordde Lark. „Ik weet volstrekt
-niet wat ik van dit alles denken moet.”
-
-„Op dit oogenblik weet ik weinig meer dan gij, al vermoed ik wel het
-een en ander.”
-
-„Donald heeft nooit iets laten blijken, dat hij een ander was, dan
-waarvoor hij zich uitgaf.”
-
-„Dan had hij zeer bijzondere redenen, het verborgen te houden,” hernam
-Raffles op ernstigen toon. „En nu moet ik u nog enkele dingen vragen,
-alvorens u te verlaten. Onder welke omstandigheden leerde Donald uw
-dochter kennen?”
-
-„Heel eenvoudig. Hij jaagde met eenige vrienden in de buurt van de
-kostschool waar zij les gaf. Zij maakte juist een wandeling met een
-klasse en bij die gelegenheid verstuikte zij erg haar voet, toen zij
-over een groote kei uitgleed. Hij hielp haar en later....”
-
-„Ja, ja, ik begrijp het wel,” zeide Raffles glimlachend. „Zoo, zoo, dat
-was dus nog in den tijd dat Donald zich aan het edele jachtvermaak kon
-wijden. En zeg mij nu eens, van welken aard de betrekking was, welke
-hij hier in het begin van zijn huwelijk kreeg.”
-
-„Machineteekenaar op een fabriek, Mylord. Ik meen dat hij voor officier
-bij de genie gestudeerd had, maar wegens de hoogloopende twist met zijn
-vader, die hem iedere ondersteuning onthield, kon hij zijn studie niet
-voortzetten. Nu, ik geloof niet dat de goede Donald voor iets anders
-geschikt zou zijn, dan voor kantoorwerk,” voegde de oude man er
-glimlachend aan toe. „Hij had zulke fijne dameshanden. Het was
-heelemaal een heer, op en top.”
-
-„Ei zoo. Luister eens, mijn waarde Lark. Na alles wat ge mij van hem
-verteld hebt, gevoel ik veel sympathie voor uw schoonzoon, en daarom
-wil ik alles in het werk stellen om zijn spoor en dat van den kleinen
-Richard terug te vinden. Ik zal geen moeite sparen. Het geldt hier het
-levensgeluk van een geheel gezin en ik ruik hier een misdadig opzet,
-waarvan ik de beteekenis slechts half vermoed....”
-
-Lark had met tranen in de oogen de hand van zijn weldoener gegrepen en
-riep nu uit:
-
-„Dat is meer dan waarop ik ooit had durven hopen, Mylord. O, ge weet
-niet wat het zeggen wil wegens nijpend geldgebrek niet in staat te zijn
-zelf een onderzoek in te stellen naar lieden, die u het dierbaarst hier
-op aarde zijn. Zeker, de Fransche recherche zal moeite doen, het spoor
-te vinden, maar tot dusverre zijn haar pogingen toch vruchteloos
-geweest.”
-
-„De Fransche recherche beschikt wellicht niet over de middelen,
-waarover ik beschik, Lark,” hernam Raffles glimlachend. „Wij spreken
-dus af, dat ik met mijn trouwen secretaris, mijnheer Brand, reeds
-morgen naar Frankrijk vertrek en ik beloof u dat ik u aanstonds bericht
-zal zenden per telegraaf, zoodra ik iets ontdekt heb.”
-
-„Dan moge de hemel u beloonen, Mylord,” zeide de oude man met trillende
-lippen.
-
-„Het is echter noodzakelijk, dat gij uw krachten spaart, waarde Lark.
-Gij zult mij nu veroorloven, daarvoor te zorgen. Nog heden zal ik met
-een mijner vrienden spreken, die een groote fabriek heeft en waar juist
-een betrekking vacant is, welke gij zeer goed zoudt kunnen vervullen en
-die u een behoorlijk loon zal opleveren. Neen, bedank me niet, het
-heeft niets te beteekenen. Morgen ontvangt ge nader bericht van mij.”
-
-Raffles drukte den man, die weende van vreugde om dezen plotselingen
-ommekeer in zijn droef bestaan, krachtig de hand en had het volgende
-oogenblik het vertrek verlaten.
-
-Terwijl hij naar de wachtende auto liep, mompelde hij voor zich heen:
-
-„Nu zal het zaak zijn, die vriend met die groote fabriek inderdaad te
-vinden. Nu, dit is mijn minste zorg. Op de Windsor-club zullen wel
-eenige leden zijn, die hun vice-president Lord William Aberdeen gaarne
-van dienst zullen zijn.”
-
-Henderson stond met de groote auto nog juist op dezelfde plaats te
-wachten.
-
-„Snel naar huis, Henderson,” beval Raffles. „Heb je goed op het huis
-gelet, waar ik zooeven ben binnen gegaan?”
-
-„Ik zou het met gebonden oogen weten te vinden, Mylord.”
-
-„Goed zoo, je zult er dadelijk weer heen moeten om een flinken voorraad
-levensmiddelen te brengen aan dien ongelukkigen man en ook wat geld.”
-
-Raffles stapte in en de auto zette zich in beweging.— — —
-
-Een half uur later ongeveer stond de wagen weder voor het heerenhuis in
-de Regentstreet stil.
-
-Raffles vond Charly in de bibliotheekkamer, een zeer groot vertrek,
-waarvan de vier wanden schuil gingen achter zeer hooge boekenkasten,
-welker bovenste planken men slechts kon bereiken, door middel van een
-rollende ladder.
-
-Er bevonden zich hier meer dan veertien duizend boeken en een groot
-aantal daarvan was van wetenschappelijken aard.
-
-Want de Gentleman-Inbreker was niet alleen een man van verfijnden
-smaak, die zijn heerlijke Stradivarius-viool op meesterlijke wijze
-bespeelde, zeer goed schilderde, en een uitgebreide kennis van
-wereld-literatuur had, maar hij zou, indien het hem lustte, als
-geneesheer mogen practiseeren, wijl hij zijn studies reeds jaren
-geleden voltooid had.
-
-Tenslotte was hij een volleerd chemicus en bezat ook de ingenieurkunst
-slechts weinig geheimen voor hem.
-
-Charly Brand was dadelijk opgestaan van de sofa, waar hij lag te lezen
-en begroette Raffles met een krachtigen handdruk.
-
-„Is alles in orde met je nieuwen beschermeling?” vroeg hij.
-
-„Lichamelijk is alles met hem in orde,” antwoordde Raffles. „Maar voor
-die man zich gelukkig kan rekenen, zal er nog heel wat moeten
-geschieden. Er is in zijn leven of liever in dat van zijn rampzalige
-dochter een geheim, dat om opheldering vraagt.”
-
-En nu deelde Raffles Charly alles mede, wat hij in de woning van den
-armen man vernomen had.
-
-„Een vreemde geschiedenis. Welk doel zou Webster er mede gehad hebben,
-zijn naam te verzwijgen, zelfs voor zijn eigen vrouw.”
-
-„Ja, wie kan dat zeggen? Hij zal er wel een grondige reden voor hebben
-gehad.”
-
-„Waarop steun je eigenlijk je vermoeden, dat de naam Webster niet zijn
-eigen naam is?”
-
-„Wel, er zijn verscheidene dingen, die voor mijn opvatting pleiten,”
-antwoordde Raffles. „Het begon reeds bij zijn trouwen. Zijn vrouw heeft
-blijkbaar nooit een blik kunnen slaan in zijn papieren, die zeker zijn
-ware identiteit zouden aantoonen. Hij kende geen bepaald vak, had voor
-officier gestudeerd maar had de studie moeten opgeven wegens een twist
-met zijn vader, die voor het geld zorgde.
-
-„Zijn handen waren fijn en welverzorgd, een bewijs, dat hij nog nimmer
-handenarbeid had verricht. Hij bezocht de militaire academie, waar
-bijna alleen adellijke jongelui komen en het regiment, waar hij
-dadelijk als luitenant bij geplaatst werd, is er een, dat geen
-burgerlijke officieren duldt. En als men hem zal oproepen, dan is het
-oproepingsbevel nergens te vinden, want natuurlijk zou daar zijn ware
-naam op vermeld staan, en dien wilde hij tot iederen prijs voor zijn
-vrouw verborgen houden naar het schijnt.”
-
-„Je kunt wel gelijk hebben, Edward,” hernam Charly peinzend, „maar ik
-zou toch wel meer tastbare bewijzen willen hebben.”
-
-„Wel, die kunnen wij morgen zoeken op het stadhuis.”
-
-„Op het stadhuis?”
-
-„Natuurlijk. Als hij niet wil, dat zijn huwelijk volkomen onwettig zou
-zijn dan moest hij in ieder geval onder zijn eigen naam trouwen. Men
-heeft hem trouwens natuurlijk om zijn familie-papieren gevraagd. Welnu,
-dan hebben wij niets anders te doen dan in de registers van den
-burgerlijken stand naar den naam Lark te zoeken.”
-
-„Welzeker!” riep Charly uit. „Daar had ik niet aan gedacht! Op die
-wijze moet je zijn eigen naam vinden. Maar dat zal ons toch niet kunnen
-verklaren, waarom die man verdwenen is. Wat kan hem bewogen hebben, zoo
-eensklaps van vrouw en kind te vluchten.”
-
-„Wie zegt, dat hij gevlucht is?” kwam Raffles bedaard. „Er kan wel iets
-anders met hem geschied zijn.”
-
-„Iets anders?” herhaalde Charly verbaasd.
-
-„Zeker! Hij kan bijvoorbeeld een ongeluk gehad hebben, of men heeft hem
-overvallen, misschien wel gedood—in ieder geval kunnen wij aannemen,
-dat zijn terugkeer naar het ziekenhuis verhinderd is door
-omstandigheden, niet van zijn wil afhankelijk.”
-
-„Natuurlijk kunnen wij dat!” riep Charly uit. „Maar ik begrijp niet
-goed, waarom men hem uit het ziekenhuis liet gaan, terwijl hij nog niet
-geheel genezen kon zijn, anders zou hij er niet terug behoeven te
-komen!”
-
-„Dat is niet zoo heel verwonderlijk. Wanneer een militair uit een
-ziekenhuis wordt ontslagen dan moet hij zich in menig geval nog eens
-komen aanmelden. Bovendien stond hier de zaak anders. Naar het schijnt
-heeft Webster, zooals wij hem tot nader order zullen blijven noemen,
-verlof gevraagd om het ziekenhuis te verlaten, blijkbaar voor een
-gewichtige zaak, waarover hij zich echter niet nader schijnt te hebben
-uitgelaten, met de belofte, dat hij zou terug keeren, teneinde zijn
-rustkuur geheel uit te maken. Daar hij zoo goed als genezen was, heeft
-men daar ginds in Chantilly niet het minste bezwaar gemaakt, aan zijn
-verzoek gehoor te geven. Nu, wij zullen dit alles spoedig genoeg tot in
-bijzonderheden weten.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg Charly.
-
-„Wel, wij gaan morgen, zoodra hier in Londen ons onderzoek is
-afgeloopen, naar Chantilly. Ik heb het Lark beloofd.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-BELANGRIJKE ONTDEKKINGEN.
-
-
-Wanneer de avontuurlijke geest van den Gentleman-Inbreker hem tot een
-of andere onderneming noopte, dan rustte hij niet, of hij had er een
-begin van uitvoering aan gegeven, zooals het met een rechtsterm heet.
-
-Zijn scherp vernuft had aanstonds verraad en misdaad vermoed achter de
-vreemde omstandigheden, welke gepaard gingen met het raadselachtige
-vertrek van kapitein Webster uit het ziekenhuis van Chantilly en
-ontvoering van diens zoontje in dezelfde Fransche plaats.
-
-En zijn rechtvaardigheidsgevoel—zijn edel hart—ook al zou hij het zelf
-nimmer hebben willen toegeven—brachten hem er toe zich dadelijk in
-dienst te stellen van den ongelukkigen man, die zoo vreeselijk en
-plotseling door het noodlot was getroffen, juist toen eindelijk het
-geluk weder zijn intrede in zijn huis zou doen, na bange jaren van
-onzekerheid en vrees.
-
-Zoo geschiedde het dan ook, dat hij reeds den volgenden morgen, door
-Charly Brand vergezeld, zeer vroeg naar het stadhuis reed, teneinde
-daar zijn onderzoek te beginnen.
-
-Alleen het noemen van zijn naam was voldoende, hem aanstonds toegang te
-geven tot het reusachtige archief, waar hem een der klerken ter
-beschikking werd gesteld.
-
-En nu begon het doorbladeren van eenige lijvige folianten, waarbij ook
-Raffles en Charly zich niet onbetuigd lieten, maar dapper meezochten,
-nadat de klerk op de hoogte was gebracht.
-
-Het duurde lang, daar men alleen den naam van de vrouw wist, maar juist
-toen de Fransche ouderwetsche hangklok in het deftige vertrek de eerste
-van zijn tien slagen liet hooren, liet Charly een luiden kreet hooren
-en riep uit:
-
-„Ik heb het gevonden, Mylord.”
-
-„Laat eens hooren,” verzocht Raffles, wiens blijdschap zich alleen
-verried door een weinig verhoogde gelaatskleur.
-
-Charly hief het zware register een weinig naar het licht van het hooge
-raam, waarbij hij stond en las met zijn heldere stem voor:
-
-
- „„Op 23 Mei 1914 gehuwd Donald Reginald Armstrong Sealyham, zoon
- van Armstrong Geoffrey John Graaf Sealyham, zeventiende Hertog van
- Sutherford, met Petronella Mary Stefany Lark, dochter van Edwin
- William Lark” en dan komen de jaren der geboorte en zoo meer.”
-
-
-Raffles was naderbij getreden en luisterde aandachtig.
-
-Zijn gelaat verried echter volstrekt geen verbazing.
-
-Klaarblijkelijk had hij iets dergelijks verwacht.
-
-Toen Charly het zware boek weder neder legde, trad Raffles er op toe,
-en schreef snel alle namen over, benevens den datum van het huwelijk.
-
-Met een tevreden gelaat klapte hij zijn notitieboekje weder dicht en
-zeide, zich tot den klerk wendend:
-
-„Dat was een vervelend werk voor je, vriend. Ziehier een kleinigheid,
-om je daarvoor te troosten.”
-
-En hij drukte den man een goudstuk in de hand, welke rijke gift den
-klerk nog jaren later met groote geestdrift van zijne Lordschap William
-Aberdeen deed gewagen.
-
-Maar reeds hadden Raffles en Charly het machtige gebouw weder verlaten,
-waar zij zulke kostbare inlichtingen hadden verkregen.
-
-Toen zij weder op straat stonden, zeide Raffles:
-
-„Het schijnt dus dat mijn vermoeden juist is geweest. Onze jeugdige
-vriend Donald Sealyham schijnt het ouderlijk huis vol verbittering den
-rug te hebben toegekeerd en zelfs zijn naam te hebben willen vergeten.
-En nu zullen wij eens spoedig in onze eigen boekerij opzoeken, of wij
-niets anders omtrent de Sealyhams kunnen vinden.”
-
-Zij stonden nu voor de wachtende auto met den onverstoorbaren Henderson
-achter het stuurwiel, en de reus kreeg bevel hen weder naar de
-Regentstreet te rijden.
-
-Daar gekomen begaven zij zich aanstonds naar de bibliotheek, waar
-Charly uit een der kleinere kasten een uit fraai juchtleder gebonden
-boek nam, dat uitsluitend gewijd was aan den Engelschen adel.
-
-Hij zocht even in het register en bladerde haastig in het boek.
-
-Na even te hebben gezocht, riep hij uit:
-
-„Hier heb ik al, wat wij noodig hebben. Graven van Sealyham, sedert
-1476 Hertogen van Sutherford. Een der oudste geslachten van Schotland,
-veel grondbezit. De mannelijke afstammelingen dienden veeltijds bij het
-leger of de magistratuur. En wacht eens. Hier heb ik Graaf Armstrong
-Geoffrey John, den vader van onzen kapitein. Zoo, Donald schijnt zijn
-eenige zoon te zijn.”
-
-„Dat wist ik,” zeide Raffles, die in een gemakkelijken stoel had plaats
-genomen en met de beenen over elkander geslagen, kalm zijn sigaret
-rookte.
-
-„Wist je dat?” vroeg Charly verbaasd. „Hoe kon je dat weten?”
-
-„Eenvoudig door te redeneeren. Als hij niet de eenige zoon was,
-behoefde men zijn kind niet te ontvoeren, want dat zou dan geen doel
-hebben.”
-
-„Daar begrijp ik niets van,” riep Charly verbluft uit.
-
-„Je zult het later wel begrijpen. Misschien reeds vandaag al,”
-antwoordde Raffles glimlachend. „Lees maar eens verder. Ik wilde weten,
-waar de oude graaf op dit oogenblik verblijf houdt.”
-
-Charly vestigde zijn oog weder op de bladzijde, welke hij had
-opgeslagen en vervolgde:
-
-„Dit is een uitgave van het jaar 1918. In dat jaar woonde hij op zijn
-landgoed bij Hastings, op de zuidkust van Engeland. Hij schijnt een
-groot jager te zijn en houdt niet bijzonder veel van de stad en haar
-vermaken.”
-
-„Leeft zijn vrouw nog?”
-
-„Ja,” zeide Charly, na een blik in het boek te hebben geworpen,
-„tenminste nog in het jaar 1918.”
-
-„Dan gaan wij er nu dadelijk heen. Het treft, dat Hastings als het ware
-op onzen weg naar Frankrijk ligt.”
-
-„Denk je daar misschien Donald te vinden?”
-
-Raffles keek Charly hoofdschuddend aan en antwoordde:
-
-„Als ik dat dacht, zou ik rijp zijn voor een gekkenhuis, mijn waarde.
-Geloof je, dat Donald Sealyham zijn vrouw dan al dien tijd zonder
-bericht zou laten, terwijl uit alles blijkt, dat hij haar innig lief
-had? Geloof je dat hij daar een, twee, drie weer vrede maakt met zijn
-vader? Neen, ik weet wel bijna zeker, dat wij hem daar niet zullen
-vinden. Maar de vader kon ons misschien een aanwijzing geven—wie weet
-of hij zelf wel iets weet van de zonderlinge verdwijning van zijn
-eenigen zoon. Kun je soms in dat boek nazien of de oude graaf ook nog
-in den oorlog heeft gediend?”
-
-„Hij is tenminste kolonel van een regiment Horseguards.”
-
-„Hoe oud is hij?”
-
-„Een en zestig jaar.”
-
-„Dan is het heel goed mogelijk, dat hij ook aan den wereldoorlog heeft
-deelgenomen, want toen die uitbrak was hij pas vijf en vijftig. En nu
-wij weten, wat we willen weten, laten wij ons reisvaardig maken,
-Charly. Wij gaan met de reisauto naar Hastings. Henderson zal ons
-rijden. Wie weet of wij hem in Frankrijk nog niet noodig hebben.”
-
-„Dat zou ik wel denken, want de ontvoerders van den kleinen Richard
-zijn natuurlijk schurken geweest.”
-
-„Dat spreekt vanzelf, maar ik ben er van overtuigd, dat zij niet voor
-eigen rekening optraden, maar in opdracht van derden. Nu, dat zullen
-wij nog wel uitvinden. Zorg er voor, dat er vermommingen worden mede
-genomen en ik zou ook Busto, den braven speurhond, wel willen
-medenemen. Misschien kan hij ons nog van dienst zijn.”
-
-„Wanneer wil je vertrekken?”
-
-Raffles raadpleegde even zijn horloge en antwoordde toen:
-
-„Dadelijk na de lunch. Dan hebben wij nog tijd alles voor onze kleine
-onderneming in orde te maken.”
-
-Hij was uit den stoel opgesprongen. Een en al veerkracht en
-ondernemingsgeest.
-
-Zijn grijze oogen schitterden opgewekt in het scherp geteekende gelaat.
-
-Charly, aangestoken door dien ijver, haastte zich, Henderson op de
-hoogte te gaan brengen van de aanstaande reis.
-
-Zooals hij wel had kunnen voorzien, bleef de reus over die mededeeling
-volkomen kalm.
-
-Een reisje met de auto naar Frankrijk beteekende in het geheel niets.
-Maar hij zou evenmin eenige verwondering aan den dag hebben gelegd,
-indien Charly hem was komen zeggen, dat hij zich gereed moest houden,
-om over een kwartier naar Peking of Nova Zembla scheep te gaan.
-
-Hij begaf zich dus naar zijn heiligdom, de groote garage, die achter in
-den tuin stond, en begon de reisauto, een grooten grijsgelakten wagen,
-die plaats bood voor acht personen, gereed te maken.
-
-Charly haastte zich naar de slaapkamer en pakte daar zijn valies en een
-koffer met dubbelen bodem, waarin de noodige zaken voor een vermomming
-verborgen konden worden.
-
-Om half een werd geluncht en een half uur later droeg Henderson de
-bagage in de auto.
-
-Raffles en Charly vergewischten zich nog eens dat zij hun revolvers
-niet vergeten hadden en daarop stapten zij in.
-
-Henderson had zijn bevelen reeds gekregen en stuurde den wagen met
-vaste hand door de drukke straten van Londen.
-
-Een half uur later reed de auto door de zuidelijke voorsteden en
-bereikte toen den breeden lommerrijken straatweg, die naar de zuidkust
-voert.
-
-Hoewel de herfst reeds had ingezet, was het weder nog bestendig en
-zeldzaam warm.
-
-Het was dan ook een verrukkelijke tocht en de beide vrienden genoten
-volop en spraken weinig, verzonken als zij waren in den aanblik van het
-schoone landschap van deze streken van Old England.
-
-Henderson „hield niet van treuzelen,” zooals hij het plat uitgedrukt
-noemde en zoo bereikte de groote reiswagen reeds drie uur later de oude
-fraaie havenstad Hastings.
-
-Na eenige informaties wisten de reizigers daar tamelijk spoedig te
-ontdekken waar het landgoed van Graaf Sealyham gelegen was.
-
-Het heette „Primros Castle” en was gelegen aan een grooten zijweg van
-den straatweg, van Londen naar Hastings.
-
-De auto moest dus weder op haar weg terug keeren. Na een half uur
-rijden werd een zijweg ingeslagen en geen kwartier later zagen de drie
-mannen de torens van het grafelijke kasteel boven het geboomte
-uitrijzen.
-
-Primros Castle bleek een uitstekend bewaard gebleven specimen van
-middeleeuwsche bouwkunst te zijn en er was slechts weinig aan
-gerestaureerd.
-
-Alleen was er in den lateren tijd een vleugel bijgebouwd, die in stijl
-eenigszins afweek van het oorspronkelijke gebouw. Een machtig kasteel
-met torens, kanteelen en overblijfselen van de oude vestinggracht, die
-er in vroegere eeuwen omheen had geloopen.
-
-Rondom het kasteel strekte zich een groot park uit, dat door een hoog
-hek van den weg was gescheiden.
-
-De auto stond stil.
-
-Henderson verliet zijn zetel en belde aan.
-
-Het duurde eenigen tijd voor er een oude bediende verscheen, met licht
-haar en gebogen rug.
-
-De man naderde langzaam en liep blijkbaar niet al te goed.
-
-Hij moest minstens zeventig jaar zijn en was blijkbaar reeds een
-menschenleeftijd in dienst van het grafelijk geslacht der Sealyhams.
-
-Eindelijk stond hij voor het hek.
-
-Het scheen of hij met wantrouwenden blik de groote auto en hare
-inzittenden monsterde.
-
-„Is je meester thuis en te spreken, mijn vriend?” vroeg Raffles vanuit
-de auto.
-
-„Mijn meester is thuis, maar ik weet niet of hij ontvangt,” antwoordde
-de oude bediende met slepende stem.
-
-„Ga dan eens spoedig vragen. Zeg dat het een zaak van het grootste
-gewicht geldt. Hier is mijn kaartje.”
-
-Henderson nam het visitekaartje aan, dat Raffles uit een kleine
-marokijne portefeuille had genomen en gaf het den bediende.
-
-Deze wierp er tersluiks een blik op en zeide: „Ik zal uw verzoek gaan
-overbrengen, Mylord.”
-
-En met die woorden strompelde hij weg.
-
-Raffles wierp Charly een veelbeteekenenden blik toe, en zeide op
-zachten toon:
-
-„Naar het schijnt ontvangt de graaf niet veel bezoeken. Die oude
-bediende scheen onze komst maar half aangenaam te vinden.”
-
-„En wat is het hier stil en bijna droevig,” zeide Charly, die een blik
-in het geheel verlaten park had geworpen, waar de hooge boomen roerloos
-te droomen schenen.
-
-„Ja, het lijkt het verblijf van de smart,” hernam Raffles op gedempten
-toon. „Het is of hier alle vreugde voor goed verdwenen is, door een of
-andere booze macht.”
-
-Het duurde vrij lang voor de bediende weder verscheen.
-
-Zonder een woord te spreken, opende hij niet zonder moeite het groote
-hek, zoodat de auto kon binnen rijden en langs het oprijpad het breede
-terras kon bereiken.
-
-Hier werden de bezoekers opgewacht door een buttler, die al weinig
-jonger scheen te zijn dan de bediende die het hek had geopend.
-
-Raffles en Charly stegen uit en beklommen het terras.
-
-De buttler boog zwijgend voor hen, begeleidde hen door de groote hall,
-waar een gedempt licht heerschte, door een aantal breede gangen en
-langs eenige trappen naar de tweede verdieping van het kasteel.
-
-Op dien ganschen weg waren zij niemand tegen gekomen.
-
-Geen enkel gerucht deed zich hooren in het groote huis.
-
-En Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat het niets anders moest
-zijn geweest in het betooverde kasteel van de schoone slaapster....
-
-Eindelijk stond de buttler stil voor een hooge eikenhouten deur.
-
-Hij klopte aan en opende tegelijk de deur.
-
-„Lord William Aberdeen,” kondigde hij met een matte stem aan.
-
-De twee vrienden traden binnen en de buttler sloot de deur weder achter
-hen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-DE OUDE VADER.
-
-
-Zij bevonden zich in een vertrek met een hooge uit eikenhouten balken
-bestaande zoldering.
-
-Ook de wanden waren tot manshoogte met eikenhout beschoten, dat door
-den tijd bijna zwart was geworden.
-
-In een der wanden bevond zich een reusachtige schoorsteen, waar ondanks
-de warmte daarbuiten een groot haardvuur brandde.
-
-Dicht bij een der drie groote ramen stond een man, wiens haar zoo wit
-was als sneeuw.
-
-Hij moest vroeger een rijzig man zijn geweest, maar de jaren, of de
-smart hadden hem voor zijn tijd gebogen.
-
-Zijn gelaat had een strenge, maar tevens zwaarmoedige uitdrukking.
-
-Het was zeer bleek en met diepe rimpels doorploegd.
-
-Die man was graaf Armstrong Sealyham.
-
-Hij kwam zijn bezoekers een paar passen tegemoet en daarbij kon Raffles
-waarnemen, dat hij moeilijk liep en zich daarbij van een stok moest
-bedienen. Blijkbaar was hij in den oorlog gewond.
-
-Met een heesche stem zeide de graaf:
-
-„Neem plaats, heeren en zeg mij, aan welke reden ik wel de eer van uw
-bezoek moet toeschrijven. Ik wil er geen geheim van maken, dat dit huis
-niet gewend is, gasten, of zelfs gewone bezoekers te zien. Het is geen
-opgewekt huis, ziet gij?”
-
-De oude graaf had deze woorden op bitteren toon gezegd, terwijl hij een
-zenuwachtige beweging met de linkerhand maakte.
-
-Raffles en Charly hadden plaats genomen.
-
-En nu begon de Groote Onbekende op ernstigen en zachten toon:
-
-„Ik hoop, graaf, dat gij ons niet zult beschouwen als onbescheiden
-indringers, mijn secretaris, mijnheer Brand en mij. Wat ons hierheen
-brengt, dat is oprechte belangstelling in.... in een uwer naaste
-bloedverwanten.”
-
-„Een mijner naaste bloedverwanten,” herhaalde graaf Sealyham langzaam
-en op doffen toon. „Gij moet u vergissen. Ik heb in het geheel geen
-bloedverwanten, Mylord.”
-
-„Zoo? Dan zou ik mij dus hebben vergist? Ik meende zeker te weten, dat
-gij een volwassen zoon hadt.”
-
-Deze weinigen woorden schenen den ouden man hevig te treffen.
-
-Hij wankelde, drukte de hand op het hart en liet een kreunenden zucht
-hooren.
-
-Maar daarop herstelde hij zich aanstonds weder en keek Raffles met
-doordringenden blik aan, zoo mogelijk nog bleeker dan tevoren.
-
-„Ik weet niet, wat gij bedoelt, Mylord, ik heb geen zoon,” zeide hij.
-
-„Kom graaf, zou uw geheugen u parten spelen,” hernam Raffles
-hoofdschuddend. „Gij hebt een zoon, die Donald heet, die als kapitein
-bij een regiment Argyll en Sutherland Highlanders aan den oorlog heeft
-deel genomen, die juist even voor het sluiten van den wapenstilstand
-gewond werd en sindsdien verpleegd werd in het militaire ziekenhuis te
-Chantilly in Frankrijk, vanwaar hij een paar maanden geleden met
-onbekende bestemming weder vertrokken is.”
-
-Met gebogen hoofd en een diep smartelijke uitdrukking op het witte
-gelaat had de oude graaf toegeluisterd, maar bij de laatste woorden
-hief hij eensklaps het hoofd op en keek Raffles met een starenden blik
-aan.
-
-Hij deed een paar stappen op den bezoeker toe, en zeide toen met
-bevende stem:
-
-„Ik zeg u dat ik geen zoon meer heb, Mylord. Hij is dood.”
-
-„Misschien is hij dood voor u, graaf, en dat is bitter te betreuren,”
-zeide Raffles op ernstigen toon, „maar ik verzeker u, dat Donald zich
-nog slechts weinige maanden bevond in het ziekenhuis te Chantilly.”
-
-„In het ziekenhuis te Chantilly?” herhaalde de graaf als het ware
-automatisch terwijl een verschrikte schuwe uitdrukking in zijn oogen
-kwam. „Maar dat is onmogelijk,” barstte hij uit. „Hij is dood, zeg ik
-u, gesneuveld bij Permes, bij de laatste bestorming. Geen zes maanden
-geleden is het geschied.”
-
-„Waarom denkt gij dat?” vroeg Raffles, den ouden man strak aanziende,
-daar hij vreesde, dat de onzekerheid omtrent het lot van den verstooten
-zoon hem misschien van zijn verstand had beroofd.
-
-„Waarom ik het denk?” schreeuwde de oude graaf nu, bevende over al zijn
-leden. „Waarom ik het denk? Wilt gij mij gek maken? Ik heb er toch de
-bewijzen van.”
-
-„Welke bewijzen?”
-
-„De officieele aankondiging van zijn dood, onderteekend door zijn
-regimentschef Sir Easton.”
-
-„Als dat zoo is, graaf, als dat inderdaad zoo is, dan heeft hier een
-laaghartig bedrog plaats gehad,” riep Raffles op luiden toon. „Dan
-heeft men u met een doel, dat ik begin te doorzien, op de ellendigste
-wijze om den tuin geleid. Want dan zeg ik u, dat dat bewijs niets waard
-is, dat de aankondiging vervalscht is.”
-
-Raffles had nog niet geheel uitgesproken, of de graaf stiet een doffen
-kreet uit, waarin alles weerklonk, wat zijn vaderhart in de laatste
-maanden had gemarteld, berouw, vrees, toorn, smart.... en zou
-neergestort zijn, wanneer Charly niet haastig was opgevlogen en hem in
-zijn armen had opgevangen.
-
-Dadelijk droegen de beide mannen den ongelukkigen man naar een breede
-lage sofa, terwijl Raffles aan het schelkoord trok, dat naast de deur
-hing.
-
-Even later trad de bejaarde buttler binnen, die een uitroep van schrik
-liet hooren en op zijn meester wilde toeijlen.
-
-Maar Raffles weerhield hem met een gebaar en beval:
-
-„Breng water, alsmede vlugzout, snel. Uw meester is flauw gevallen.”
-
-De man snelde heen en keerde spoedig terug met het gevraagde.
-
-Raffles en Charly hadden intusschen de kleederen van den bewustelooze
-los gemaakt om hem zooveel mogelijk lucht te verschaffen.
-
-Zij maakten nu zijn pols nat en wreven zijn slapen met azijn en water,
-terwijl Charly hem een kleine flacon met vlugzout onder den neus hield.
-
-Na enkele minuten kwam graaf Armstrong weder bij.
-
-Hij sloeg langzaam de oogen op en scheen Raffles tot diens blijdschap
-dadelijk te herkennen.
-
-Hij richtte zich overeind, door de beide bezoekers gesteund, en
-mompelde op zwakken toon:
-
-„Ik geloof, dat ik zooeven mijn bewustzijn heb verloren, Mylord. Neem
-het mij niet kwalijk. Het voegt een oud soldaat niet, maar het was
-sterker dan ik. Wat gij daar zeidet greep mij vreeselijk aan.”
-
-Hij had den buttler in het oog gekregen, die nog altijd ongerust aan
-het voeteneinde van de sofa stond en vervolgde met sidderende stem:
-
-„Denk eens aan, Mice—Mylord Aberdeen zeide mij daareven, dat mijnheer
-Donald niet gevallen is.”
-
-„Niet gevallen?” stamelde de buttler, bevend van ontroering. „Zou dat
-mogelijk zijn, graaf?”
-
-„Het is niet alleen mogelijk, vriend, het is zoo,” zeide Raffles.
-
-„Dat—dat is bijna te mooi om waar te kunnen zijn, graaf,” kwam het
-bevend over de lippen van den getrouwen dienaar. „Mag ik het dadelijk
-over vertellen graaf en mevrouw de gravin, moet het haar niet aanstonds
-worden mede gedeeld?”
-
-„Dat in geen geval,” riep Raffles haastig uit. „En spreek er vooral met
-niemand over. Het is van het grootste belang, dat er voorloopig niets
-bekend wordt, dat mijnheer Donald niet door den vijand gevallen is.
-Later zal u wel blijken, waarom. En laat mij nu nog even met den graaf
-alleen. Ik heb zeer gewichtige en naar ik hoop goede dingen met hem te
-bespreken.”
-
-De oude buttler verwijderde zich haastig, misschien wel om de tranen te
-verbergen, die hem naar de oogen waren gedrongen, nadat hij nog een
-schuwen, haast smeekenden blik op zijn meester had geworpen, die niet
-aan het scherpe oog van John Raffles was ontgaan.
-
-Zoodra de deur achter den getrouwen bediende was dichtgevallen, richtte
-de oude graaf zich geheel op en vroeg op hartstochtelijken toon:
-
-„Wat weet gij nu, Mylord. Wat vermoedt gij. Waarom denkt gij, dat men
-mij bedrogen heeft en wat zou daar de reden van kunnen zijn.”
-
-„Ik zal het u zeggen, graaf. Maar laat mij beginnen met u mede te
-deelen, dat ik hier optreed, niet namens mijzelf, maar voor iemand, die
-u zeer na aan het hart moet liggen, uw kleinzoon.”
-
-„Mijn....” begon de graaf, maar hij beëindigde den zin niet, maar
-verborg het gelaat in de handen en liet een kermenden zucht hooren.
-
-„Ja, graaf, uw zoon is gehuwd en heeft een kind, maar denkt niet dat
-gij nu reeds aan de grens staat uwer smarten. Neen, er wacht u nog meer
-droefheid, maar laat ik u alles in volgorde verhalen, het zal dan aan u
-staan of u mij vertrouwen wilt en mij zeggen hoe het mogelijk was, dat
-gij niet eens geweten hebt, waar uw zoon zich ophield.”
-
-En nu deelde Raffles den graaf mede, op welke wijze hij in kennis was
-gekomen met Edwin Lark en diens rampzalige dochter.
-
-Hij verheelde niet, niets van de armoede, welke hij in de kleine woning
-in de Crescent-street had aangetroffen, niets van den toestand waarin
-de vrouw van Donald zich bevond.
-
-Graaf Armstrong had met strakke oogen en onbewegelijk gelaat
-toegeluisterd.
-
-Toen Raffles alles had medegedeeld bleef de ongelukkige man geruimen
-tijd als een steenen beeld zitten, ten prooi aan diepe smart.
-
-Gekrenkte trots, ouderliefde, wrok en mededoogen voerden fellen strijd
-op zijn gelaat.
-
-Eindelijk hief hij het hoofd op en begon:
-
-„Het is edel van u, dat gij u in dienst van dien armen man hebt willen
-stellen, Mylord, en nu zult gij ook alles hooren. Wie weet kunt gij mij
-enkele raadselachtige zaken ophelderen, die mij volkomen duister zijn.”
-
-Hij wreef zich met de vermagerde hand over de oogen en vervolgde:
-
-„Gij zult natuurlijk reeds geraden hebben, dat een hevige twist mij van
-mijn eenigen zoon heeft vervreemd. Wij beiden hebben een trotsch,
-onafhankelijk karakter en buigen doen wij niet spoedig, ook niet voor
-elkander. Het is spoedig verteld. Een zestal jaren geleden ontmoette
-mijn zoon een onderwijzeresje van een kostschool, louter door toeval.
-Laat ik dadelijk zeggen, dat dit de vrouw moest zijn, die thans zoo
-vreeselijk getroffen is in haar verstand. Hij deelde mij mede, dat hij
-haar wilde huwen. Gij zijt zelf van adel, Mylord, gij kunt misschien
-beseffen, met welke kracht ik mij tegen die verbintenis verzette. Daar
-kwam bij, dat ik juist een andere keuze voor mijn zoon had gedaan, maar
-hij wilde niet toegeven. Er vielen harde woorden over, van die woorden,
-die een kloof ondempbaar schijnen te maken....”
-
-Weer wachtte de oude graaf even om met een pijnlijken zucht te
-vervolgen:
-
-„Ik ontstak in hevige drift en joeg hem weg. Ik onthield hem zelfs zijn
-toelage, zoodat hij dadelijk de militaire academie moest verlaten, toen
-hij juist den rang van luitenant had behaald. Hij ging, zelf bleek van
-woede en drift en wij hebben elkander sedert dien vreeselijken dag
-nimmer terug gezien. Ik wist zelfs niet dat hij gehuwd was, ofschoon ik
-het wel kon vermoeden. Om haar immers had hij zijn vader en moeder
-verlaten.”
-
-„Zij zijn gelukkig geweest, graaf,” zeide Raffles op zachten toon.
-
-„Dat—dat is— — —” stamelde de oude man, „het verheugt mij, dat het zoo
-gegaan is. Maar laat ik verder gaan. De oorlog brak uit. Natuurlijk nam
-ik dadelijk dienst. Ik ontving hier ook den oproep aan mijn zoon, maar
-kon het stuk niet opzenden, daar ik immers niet wist waar hij
-vertoefde.”
-
-„Daarom dus is die oproep nooit te Londen ontvangen,” mompelde Raffles
-zacht voor zich heen.
-
-„Ik vernam echter reeds weinige dagen later dat mijn zoon zich dadelijk
-bij zijn regiment had aangemeld, en toen Mylord, toen greep er
-langzamerhand een groote verandering in mijn binnenste plaats. Het
-besef dat mijn eenig kind zou kunnen sneuvelen, voor ik hem had terug
-gezien, de smart van mijn arme vrouw, die met den dag vermagerde, het
-inzicht dat ik toch misschien niet geheel en al in mijn recht was
-geweest, toen ik mijn zoon verbood te doen, wat hij als zijn
-levensgeluk beschouwde, dat alles deed mij het hoofd buigen. Ik stond
-mijn vrouw toe, dat zij Donald schreef....”
-
-„Gij hadt hem dus tenslotte meenen te vinden?”
-
-„Na verloop van tijd wist ik tenminste waar zijn regiment was, een
-streek in Vlaanderen, na den ongelukkigen veldtocht op Gallipoli te
-hebben gemaakt.”
-
-„Wanneer schreef de gravin voor de eerste maal op uw verzoek?”
-
-„Ongeveer twee jaar na het uitbreken van den oorlog.”
-
-„Wist gij dan toen zeker dat uw zoon nog in leven was?”
-
-„Ja, wij lazen in de bladen, dat hij eervol vermeld was.”
-
-„Dat geschiedde natuurlijk onder zijn waren naam?”
-
-„Ja, het stond in de Times en andere groote bladen. Op dien brief
-hebben wij echter nimmer antwoord ontvangen.”
-
-De oude graaf zuchtte diep en wischte de oogen af.
-
-Daarop vervolgde hij.
-
-„Mijn vrouw schreef nog tweemaal. Daarop schreef ik zelf. Ik wachtte
-bijna een maand en schreef nogmaals en steeds geen antwoord. Zijn trots
-scheen hem nog altijd te beheerschen en toch zweer ik u, dat ik hem
-gaarne aan het hart had gedrukt, in dien tijd. Maar toen geschiedde er
-iets nog veel ergers. Ik zelf werd zwaar gewond en moest den dienst
-verlaten. Mijn vrouw deelde het Donald onmiddelijk mede en meende
-stellig, dat hij nu wel komen moest. Het kon immers slecht met zijn
-vader zijn afgeloopen. Maar hij kwam niet. Mijn vrouw schreef hem een
-smeekenden brief. Hij bleef weg.”
-
-„Hoe—wist gij zeker, dat hij toen nog in leven moest zijn?”
-
-„Mijn neef, die bij de administratie was, kwam ons vaak bezoeken en
-deelde het mij mede. Hij was bij dezelfde brigade, jaren achtereen.”
-
-„Uw neef behoorde dus tot dat regiment.”
-
-„Ja.”
-
-„Wat was zijn functie, meer in het bijzonder?”
-
-„Hij was bij den veldpost-dienst.”
-
-„Hoe heet uw neef?”
-
-„Edward Little.”
-
-„Waar is hij nu. Ik zou hem zelf gaarne eenige vragen stellen.”
-
-„Dat kan ik u niet zeggen. Wij hebben hem nu in geruimen tijd niet
-gezien. Wellicht blijft hij uit een gevoel van tact weg in den eersten
-tijd.”
-
-„Een gevoel van tact,” herhaalde Raffles. „Hoe zoo?”
-
-„Wel, hij is mijn eenige erfgenaam. Hij moet mijn fortuin en titel
-erven.”
-
-„Ei zoo.
-
-„Dat wil natuurlijk zeggen, wanneer Donald inderdaad niet meer tot de
-levenden zou behooren.”
-
-„O Mylord, ik wenschte zoo vurig, dat gij in het gelijk zoudt worden
-gesteld. Maar hoe kan ik nog twijfelen met het doodsbericht in de lade
-van mijn schrijfbureau.”
-
-„Zou ik die aankondiging eens mogen zien?” vroeg Raffles. „Geloof mij,
-het is geen nieuwsgierigheid. Ik wil mij slechts overtuigen of het stuk
-wel echt is.”
-
-Graaf Armstrong stond op en strompelde naar zijn groote schrijftafel,
-dat tusschen twee der ramen stond.
-
-Hij haalde een sleutelbos te voorschijn, opende een lade, zocht daar
-even in en trok toen een papier naar zich toe, dat hij ontvouwde en
-Raffles toestak.
-
-Deze onderzocht het papier nauwkeurig en zeide na eenigen tijd:
-
-„Het formulier is zonder eenigen twijfel echt. De mededeeling draagt
-het gebruikelijke hoofd en het is ontwijfelbaar officieel briefpapier
-van het regiment, waarbij uw zoon stond. Nu blijft slechts de vraag te
-beantwoorden, wie dit stuk heeft geschreven, of onderteekend.”
-
-„Het is de onderteekening van den regimentschef Sir Easton, Mylord.”
-
-„Het is te betreuren, dat hij niet zelf meer in staat is om te zeggen,
-of hij zelf inderdaad dit stuk heeft geteekend, in ieder geval staat
-het als een paal boven water, dat uw zoon leefde, toen dit stuk
-verzonden werd, graaf.”
-
-„Maar wie kan dat gedaan hebben?” riep graaf Armstrong op wanhopigen
-toon. „Welke laaghartige schurk kan ons zoo ellendig bedrogen hebben en
-met welk doel.”
-
-„Wel graaf, dat moet natuurlijk iemand geweest zijn, die er groot
-belang bij had, dat gij uw zoon inderdaad dood waande. Uw neef, om maar
-eens iemand te noemen.”
-
-Het was goed, dat een stoel in de nabijheid van den ouden man stond,
-want hij had niet de kracht zich overeind te houden bij het hooren van
-deze woorden.
-
-„Mijn neef,” fluisterde hij op heeschen toon, de handen tot vuisten
-gebald. „Dat zou ongelooflijk zijn. Hij was altijd goed en voorkomend
-voor ons. Hij wist ons steeds te troosten als wij ons over het
-stilzwijgen van onzen zoon beklaagden. Hij wist zelf niet wat hij er
-van moest denken.”
-
-„Was uw neef rijk?” vroeg Raffles, zonder acht te slaan op den uitroep
-van den ouden man.
-
-„Hij was in ieder geval welgesteld, maar ik wil wel erkennen dat hij
-zeer veel geld noodig had.”
-
-„Hij was zeker reeds een tamelijk bejaard man?”
-
-„Waarom denkt gij dat. Hij is nog geen dertig.”
-
-„O, ik dacht het, omdat hij in het leger een post bekleedde, die hem
-ver van ieder gevaar hield,” zeide Raffles losjes.
-
-„Ach, Edward Little behoorde niet tot de sterksten,” zeide graaf
-Armstrong vergoelijkend. „Hij meende, dat hij zijn land ook op die
-wijze van nut kon zijn.”
-
-„Ja, ja, ieder zijn meug. Dus die jonge man wordt nu van welgesteld
-zeer rijk, nietwaar, natuurlijk tenzij blijkt, dat uw zoon nog leeft en
-terug gevonden wordt. Er is echter iets, dat mij bij deze gansche zaak
-niet geheel en al duidelijk is. Als uw zoon aan zijn vrouw en
-schoonvader alleen bekend was onder den naam Webster, hoe konden zij
-dan weten, dat hij ziek lag in een hospitaal te Chantilly, waar hij
-immers opgenomen moest zijn onder den naam van zijn vader?”
-
-„De eenige oplossing is, dat hij zijn regimentschef in het geheim heeft
-genomen en hem verzocht heeft zijn aangenomen naam ook onder dienst te
-mogen blijven dragen, natuurlijk behalve in officieele stukken.”
-
-Raffles bleef even in gedachten zitten en vervolgde toen:
-
-„Kende uw neef en uw zoon elkander goed?”
-
-„Zij kenden elkander, maar zij hebben nooit al te goed met elkander
-overweg gekund,” antwoordde de oude graaf. „Hun karakters liepen nog al
-uiteen.”
-
-„Het is dus mogelijk, dat zij onder dienst in aanraking met elkander
-zijn geweest?”
-
-„Dat is zelfs zeker. Edward schreef ons vaak, dat hij mijn zoon had
-gezien of gesproken.”
-
-„En hij zorgde voor de brieven, nietwaar?”
-
-„Ja, dat was zijn taak.”
-
-„Hij zou dus bijvoorbeeld brieven kunnen beletten hun bestemming te
-bereiken, eenvoudig door vernietiging.”
-
-Graaf Armstrong gaf geen antwoord en staarde Raffles geruimen tijd met
-een uitdrukking van hevige afschuw in zijn oogen aan. Toen barste hij
-uit:
-
-„Ik durf—ik kan niet gelooven, wat gij mij daar te verstaan wilt geven,
-Mylord. Het is te afschuwelijk om er aan te denken.”
-
-„O, het menschelijk gemoed heeft zeer diepe en duistere afgronden,
-graaf,” zeide Raffles schouderophalend. „De boosheid van het
-menschelijk hart is menigmaal niet te peilen. Het moet voor uw neef
-inderdaad vrij gemakkelijk zijn geweest, bij het uitzoeken der brieven,
-de uwe, zoowel als de zijne te verduisteren. Hij had natuurlijk ook
-briefpapier, met het hoofd van het regiment er op gedrukt, onder zijn
-berusting.”
-
-Aan zooveel laagheid scheen hij nimmer te hebben gedacht.
-
-„Luister graaf,” hernam Raffles met vaste stem. „Het staat voor mij
-vast, dat wij hier te doen hebben met een sluw bedacht complot. Het was
-natuurlijk niet voldoende, dat uw zoon van het tooneel verdween—ook
-zijn zoon moest verdwijnen en geve God dat het niet voor goed is
-geweest.”
-
-Graaf Armstrong werd lijkbleek en wilde iets zeggen, toen de deur weder
-geopend werd en de buttler met zijn vlakke stem aandiende:
-
-„Mijnheer Edward Little vraagt, of u hem ontvangen kunt.”
-
-Charly stond reeds op, teneinde zich bescheiden terug te trekken, maar
-Raffles wendde zich fluisterend tot den ouden graaf en zeide, zoodat de
-buttler het niet kon hooren:
-
-„Ik verzoek u dringend, uw neef hier te ontvangen—in onze
-tegenwoordigheid. Praat echter vooral niet over hetgeen wij zooeven
-hebben behandeld. Hij mag niet het geringste vermoeden. Laat het
-voorkomen, alsof wij hier juist in de buurt zijn gekomen en u een
-beleefdheidsbezoek komen brengen.”
-
-De graaf knikte en zeide tot den buttler, die op den drempel van de
-deur was blijven wachten:
-
-„Verzoek mijn neef hier te komen.”
-
-De buttler ging heen en liet een oogenblik later Edward Little binnen
-treden.
-
-Hij was een man van dertig jaar ongeveer, maar die er ouder uitzag, met
-slappe trekken, dun gezaaid haar, en een weinig gebogen rug.
-
-Hij bleef een oogenblik in de deuropening stil staan toen hij de hem
-onbekende bezoekers ontwaarde en fronste even de wenkbrauwen.
-
-Toen trad hij met uitgestrekte hand op den graaf toe en zeide
-opgeruimd:
-
-„Goeden dag, oom. Lang geleden sinds ik u gezien heb. Ik maak gebruik
-van de gelegenheid dat ik hier in de buurt ben, om u even de hand te
-komen drukken.”
-
-„Daar doe je goed aan, Edward,” zeide de graaf, zonder zijn neef aan te
-zien. „Laat ik je even voorstellen aan Lord William Aberdeen en zijn
-secretaris, mijnheer Charles Brand, die hier een huis hebben gehuurd en
-mij de eer bewijzen van hun eerste bezoek.”
-
-De heeren bogen zwijgend voor elkander en Raffles keek in een paar
-eigenaardig schitterende groenzwarte oogen, die in het geheel niet bij
-het bleeke fletse gelaat schenen te passen.
-
-Hij wilde een nietszeggende beleefdheidsfrase uiten, toen een zwak
-gekreun hem haastig het hoofd deed omwenden.
-
-De oude graaf had zijn hand op het hart gedrukt en scheen een
-bezwijming nabij.
-
-Raffles schoot toe, om hem te ondersteunen, maar de graaf weerde hem
-glimlachend af en zeide op zachten toon:
-
-„Het gaat al weer over—laat maar—ik ken die aanvallen—de dokter weet
-niet wat het is—ik denk dat het de naderende ouderdom zal zijn.”
-
-Raffles keek den graaf onderzoekend aan, schudde even het hoofd en
-daarop zetten de heeren zich, om een gesprek over de jacht te beginnen.
-
-Little scheen echter veel haast te hebben, want hij stond na een
-kwartier reeds weder op, en zeide, terwijl hij een klein pakje uit den
-zak haalde en het zijn oom overhandigde:
-
-„Hier is uw tabak, oom. Ik heb ze ditmaal zelf maar meegebracht,
-inplaats van ze u te sturen, zooals gewoonlijk. Ik moet nu afscheid van
-u nemen, want ik heb een afspraak met eenige vrienden. Over eenige
-dagen hoop ik een paar dagen te komen logeeren.”
-
-Hij drukte zijn oom de hand, boog stijf voor Raffles en Charly en
-verliet het vertrek.
-
-Onmiddellijk trad Raffles op den graaf toe en fluisterde:
-
-„Geef mij die tabak mede. En beloof mij, dat gij nimmer meer iets zult
-aanraken, wat door de handen van dien man is gegaan.”
-
-„Groote God, wat wilt gij zeggen, Mylord?” vroeg graaf Armstrong,
-bleeker dan een lijk.
-
-„Voorloopig vermoed ik nog slechts, graaf. En nu verlaten wij u. Kom
-snel mede, mijnheer Brand. Wij moeten weten, waar die Edward Little
-blijft.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-HET WONDER DER LIEFDE.
-
-
-Dadelijk verlieten de beide vrienden het kasteel en zij kwamen juist
-bijtijds buiten, om te zien, hoe Edward Little in een kleinen
-jachtwagen wegreed, die met twee fraaie paarden bespannen was.
-
-„Rijdt dat wagentje na, Henderson,” beval Raffles zich tot den reus
-wendend, „maar zorg zooveel doenlijk, dat die man ons niet ziet.”
-
-De twee vrienden stapten in en de auto zette zich in beweging.
-
-Het jachtwagentje was het groote hek reeds uitgereden, dat door den
-bediende met het witte haar voor hem werd open gehouden.
-
-De man wilde het juist weer sluiten, toen hij de groote auto zag
-aankomen.
-
-Henderson stuurde den wagen behendig door het hek en reed den straatweg
-op, het jachtwagentje achterna, waar, behalve Edward Little, nog een
-groom zat, die echter gelukkig naast zijn meester en niet op het
-achterbankje gezeten was, daar hij in dat geval de auto voortdurend zou
-hebben gezien.
-
-Binnen tien minuten wist Raffles, dat Little naar Hastings reed.
-
-Een uur later hield het jachtwagentje voor het station stil, waarop
-Little van den bok sprong, na den groom te teugels te hebben
-overgegeven.
-
-Zonder om te zien trad hij het stationsgebouw binnen, terwijl de groom
-dadelijk met het wagentje weg reed.
-
-„Ga hem na, Charly, en tracht er achter te komen, naar welke stad hij
-reist,” zeide Raffles op zachten toon. „Vertoon je echter zoo min
-mogelijk, want wij mogen tot geen prijs zijn achterdocht gaande maken.”
-
-Charly wipte uit de auto en verdween op zijn beurt in het groote
-gebouw.
-
-Hij bleef nog geen volle vijf minuten weg.
-
-Toen hij weder naar de auto terug keerde vertoonde zijn jong knap
-gezicht een tevreden uitdrukking.
-
-„Ik weet het en hij heeft mij niet gezien,” zeide hij. „Hij gaat naar
-Dover.”
-
-„Regelrecht naar Frankrijk dus?” riep Raffles uit. „Nu, hij geeft ons
-in ieder geval een goede kans.”
-
-Hij boog zich voorover en zeide op gedempten toon tot Henderson:
-
-„James—over een kwartier gaat er een trein naar Dover—ik wilde gaarne
-dat wij er nog voor den trein waren.”
-
-„Dan zullen wij er voor den trein zijn, Mylord,” antwoordde de reus
-eenvoudig.
-
-„Je wilt dus naar Frankrijk gaan?” vroeg Charly, toen de auto zich in
-beweging gezet had met een snelheid, die veel beloofde voor den rit
-langs den verlaten straatweg.
-
-„Ja, ik wil zien, wat die man daar gaat uitvoeren, terwijl hij zijn oom
-zeide, dat hij hier in de buurt zou blijven.”
-
-„Maar onze passen?”
-
-„Maak je niet ongerust—ik heb nog steeds een drietal passen, die een
-volle maand geldig blijven.”
-
-„Maar hij zal ons daar ginds herkennen en ook onze auto aan boord van
-het Kanaalschip.”
-
-„De auto gaat niet mee. Wij zullen daarginds wel een zeer snellen wagen
-huren. Wat ons uiterlijk betreft—dat kunnen wij in Frankrijk veranderen
-en wij zullen ons zoo weinig mogelijk aan dek vertoonen gedurende den
-overtocht.”
-
-Reeds suisde de auto in bliksemsnelle vaart langs den breeden
-straatweg, die van Hastings naar Dover voert, en nog geen half uur
-later snorde zij reeds langs de havenstad Rye.
-
-Henderson hield zijn woord—de groote auto reed Dover binnen, volle vijf
-en twintig minuten voor de trein uit Hastings daar moest aankomen.
-
-Dadelijk werd de auto in een garage gestald.
-
-De koffers werden naar de aanlegplaats van de boot gebracht, die over
-vijf kwartier zou vertrekken, en de drie mannen scheepten zich in,
-nadat hun passen waren geviseerd.
-
-Door een der patrijspoorten van de rookkamer hield Raffles de loopbrug
-in het oog.
-
-Zijn geduld werd spoedig beloond, want een kwartier voor het vertrek
-van de boot kwam Edward Little aan boord, slechts voorzien van een
-klein handvalies, dat zich reeds in het jachtwagentje had bevonden.
-
-Raffles en zijn beide reisgenooten hielden zich gedurende den ganschen
-overtocht benedendeks op, en bleven zoodoende uit het gezicht van
-Little, die aan dek was gebleven.
-
-Het was bijna elf uur in den avond, toen de boot in de haven van Calais
-meerde.
-
-Langzaam verlieten de reizigers de boot, want ook nu moesten de passen
-worden nagezien, hetgeen tamelijk veel tijd in beslag nam.
-
-Maar de drie reizigers hadden hun maatregelen genomen, opdat Little hen
-niet zou ontgaan, en zij zagen hem dan ook, na de visitatie, een auto
-aanroepen en eenige woorden met den chauffeur wisselen.
-
-„Hij zal zich wel naar het station laten rijden,” zeide Raffles op
-zachten toon tot Charly. „Snel hem achterna. Hij mag ons in geen geval
-ontsnappen.”
-
-„Gaat er dan nog een trein naar Parijs?”
-
-„Er gaan nog treinen in verschillende richtingen. Stop chauffeur.”
-
-Dit laatste bevel gold den chauffeur van een huurauto, die juist met
-zijn wagen stil stond.
-
-„Het spijt mij mijnheer, maar ik ben besteld,” zeide de man.
-
-„Voor wien?” vroeg Raffles ongeduldig.
-
-„Voor den nieuwen Peruaanschen gezant, die met de boot moet zijn
-aangekomen.”
-
-„Het is spijtig voor den Peruaanschen gezant—maar dan zal hij op een
-andere auto moeten wachten,” zeide Raffles kalm. „Ik heb geen tijd te
-verliezen. Vijftig francs voor jou als je gindsche auto achterna rijdt
-en bijhoudt.”
-
-Of het nu kwam, dat de chauffeur de finantieele positie van den
-Peruaanschen gezant niet zeer hoog schatte of om een andere reden—hij
-opende kalmpjes het portier door even achter zich te reiken en zeide
-langs zijn neus:
-
-„Stap maar in, heeren.”
-
-Raffles en zijn beide metgezellen lieten het zich geen tweemaal zeggen,
-maar stapten vlug in de auto, die weg reed, juist toen een kruier
-schreeuwend en wenkend kwam aanloopen, blijkbaar in opdracht van den
-woedenden gezant, die zich aldus een der zeer weinige voertuigen zag
-ontnemen.
-
-De beide auto’s reden door Calais, maar tot verbazing van Raffles ging
-de rit niet naar het station.
-
-Integendeel, de auto, waarin Little had plaats genomen, scheen de stad
-aan de zuidzijde te willen verlaten.
-
-„Waar gaat hij toch heen?” riep Charly verbaasd uit.
-
-„Ik vermoed haast, dat hij naar een plek gaat, die niet ver van Calais
-verwijderd en moeilijk per spoor te bereiken is,” antwoordde Raffles.
-
-Hij had onder het spreken de hand in den zak gestoken en haalde er nu
-het pakje tabak uit, dat Little voor zijn oom had meegebracht.
-
-Hij opende het voor een klein gedeelte, nam er voorzichtig tusschen de
-vingertoppen een weinig uit, en bracht het aan zijn neus.
-
-„Wat doe je daar?” vroeg Charly nieuwsgierig.
-
-„Ik ruik aan de tabak, in de verwachting, dat ik er wel iets vreemds
-aan zal ruiken,” antwoordde Raffles.
-
-„Waarom?”
-
-„Omdat ik denk, dat die tabak vergiftigd is.”
-
-„Maar dat zou verschrikkelijk zijn,” riep Charly vol afschuw uit. „Hoe
-kwam je op die gedachte?”
-
-„Omdat ik den ouden graaf aandachtig heb gadegeslagen toen hij die
-zonderlinge flauwte kreeg, terwijl zijn neef in het vertrek was. Ik ken
-die aanvallen en die verandering van het gelaat—zij worden veroorzaakt
-door een langzaam voortsluipende kwaal, die weder haar oorzaak vindt in
-een gestadige slooping van de longen. En daaraan is deze tabak zeer
-waarschijnlijk schuldig, mijn waarde.”
-
-„Maar dan zou die Little een schurk van de ergste soort zijn, Mylord?”
-barstte Henderson vol verontwaardiging uit.
-
-„Daar heb ik dan ook geen oogenblik aan getwijfeld, vriend James,”
-zeide Raffles droogjes.
-
-Intusschen had de auto de stad reeds bijna verlaten.
-
-Zij stond stil en de chauffeur boog zich naar achteren en riep door het
-openstaande portier:
-
-„Waar nu heen patroon. De andere wagen is de stad uitgereden.”
-
-„Volg hem, al ging hij regelrecht naar de hel,” beval Raffles kortaf.
-„Doe je lichten uit—de boete betaal ik graag. En honderd francs voor
-jou, als we de andere auto kunnen volgen zonder dat het gemerkt wordt.
-Wij zijn een bijzonder grooten ellendeling op het spoor, vriend. Laat
-je dat een aansporing zijn om op je tellen en je beurs te passen.”
-
-Zonder nog iets te zeggen, keerde de chauffeur zich weer om en voort
-stoof de auto langs den donkeren weg, die naar het zuiden voerde.
-
-Een uur verstreek.
-
-Er werd weinig of niet gesproken.
-
-De drie mannen begrepen allen als bij ingeving, dat zij de ontknooping
-van het drama naderden.
-
-Eindelijk hield de auto opnieuw stil.
-
-Raffles stak zijn hoofd uit het portier.
-
-„Waarom stop je chauffeur?” vroeg hij op zachten toon.
-
-„Omdat zij daar ginds het ook gedaan hebben, patroon.”
-
-In de verte schenen enkele lichten te glinsteren.
-
-„Waar zijn we hier ergens?” vroeg Raffles.
-
-„Die lichtjes, dat is Wissant, aan de kust, een paar kilometer van Kaap
-Gris Nez. U kunt hier het klotsen van de branding duidelijk hooren.”
-
-Inderdaad—uit de verte klonk het dof, eentonig gegrom van de golven,
-die de rotsige kust beukten.
-
-Raffles bedacht zich niet lang.
-
-Hij wendde zich tot Henderson en zeide:
-
-„Neem den hond mee en volg hem Henderson, maar in ieder geval onderneem
-je niets op eigen gezag, tenzij je leven gevaar mocht loopen. Vlug—voor
-hij uit het gezicht is. Hij heeft jou nog niet gezien en je moet je
-bovendien zoo goed mogelijk verborgen houden. Geef het bekende sein als
-het noodig is.”
-
-De reus stapte uit, nam Busto aan de lijn mede, nadat Raffles op
-zachten toon een paar woorden tot het schrandere dier gesproken had, en
-verdween in de duisternis.
-
-Raffles wendde zich tot den chauffeur, die van dit alles niets scheen
-te begrijpen en zeide:
-
-„Honderd vijftig francs voor jou, als je hier op onze terugkomst blijft
-wachten. Het zal niet langer duren dan een uur denk ik. Hier zijn er
-vast honderd op afrekening, want je behoeft ons niet op ons eerlijk
-gezicht te gelooven.”
-
-De man knikte tevreden, nestelde zich op zijn bak in zijn dikke deken
-en maakte zich gereed een tukje te doen.
-
-Raffles en Charly spoedden zich weg.
-
-Het was bijna één uur in den nacht, toen zij door het als slapende
-stadje Wissant, weinig meer dan een dorp, liepen.
-
-Steeds duidelijker werd de machtige stem van den Oceaan, die zich hier
-te pletter liep op de klippen van Bretagne.
-
-Raffles en Charly wisselden geen woord met elkander.
-
-Met hun blikken trachtten zij de dikke duisternis te doorboren, die in
-de geheel verlaten straten heerschte.
-
-In de verte meenden zij nu en dan voetstappen te hooren die zich
-haastig verwijderden.
-
-Binnen een half uur waren zij het dorp in zijn geheele lengte
-doorgegaan en bevonden zich weder in het vrije veld.
-
-De weg steeg langzaam.
-
-Links ontwaarden de beide mannen vaag akkers, waar de winterrogge in
-dichte halmen bijeen stond, maar ter rechterzijde was het uitzicht
-geheel afgesloten door de hooge klippen.
-
-En steeds bleef de weg stijgen.
-
-Nu en dan stonden de beide mannen even stil, om te luisteren naar de
-geluiden die door het nachtelijk duister tot hen doordrongen.
-
-Van de voetstappen vernamen zij reeds sedert eenige minuten niets meer.
-
-En toch moest Little dezen weg zijn langs gegaan, omdat er geen andere
-was.
-
-En plotseling klonk door den stillen nacht de klagende roep van den
-wielewaal....
-
-Beide mannen hadden elkander aangestooten.
-
-„Het sein,” zeide Raffles zachtjes. „Het kwam van den kant van de zee.
-Wij zullen nog verder moeten stijgen.”
-
-Snel vervolgden beide mannen hun weg.
-
-Nog een kwartier klommen zij verder—en twee malen wees de roep van den
-wielewaal hun den goeden weg—Henderson waakte.
-
-Eindelijk bereikten zij den bovenkant van de rotsen, en nu breidde zich
-diep onder hun voeten de zee uit, omrand door een gordel van wit
-schuim—dat was de branding, die daar beneden, honderd meter lager,
-tegen de klippen sloeg, met een hel, dreunend geluid, machtig als de
-donder.
-
-Plotseling maakte Charly een bliksemsnelle beweging naar zijn
-revolverzak—zijn scherp oog had een gedaante ontdekt, die zich
-behoedzaam van de rots los maakte en naderbij scheen te komen.
-
-Maar een zachte stem zeide op waarschuwenden toon:
-
-„Ik ben het Mylord. Alles is in orde.”
-
-Het volgend oogenblik trad Henderson uit de schaduw van de rots te
-voorschijn en Busto sprong kwispelstaartend, maar zonder geluid te
-geven tegen zijn meester op.
-
-„Je hebt hem dus kunnen volgen, James?” vroeg Raffles fluisterend.
-
-„Ja, Mylord.”
-
-„Waar is hij dan nu?”
-
-„In een vervallen hut, daar boven op de rots om een kromming van den
-weg. Gij kunt haar van hier niet zien. Ik durfde niet verder gaan, want
-ik geloof, dat er zich daar nog meer personen bevinden, die de wacht
-houden, dicht bij de deur. Busto gromde tenminste, zooals hij altijd
-doet, wanneer er vijanden in de buurt zijn.”
-
-„Zouden wij niet die hut langs een omweg kunnen bereiken, zonder dat de
-bandieten het bemerken?” vroeg Charly.
-
-„Misschien wel, mijnheer Brand,” antwoordde de reus. „Het is wel een
-weinig gevaarlijk—maar wij zouden kunnen probeeren, aan de zijde van de
-zee tegen de rots op te klauteren en zoo de hut aan de achterzijde
-bereiken. Zij is zoo wrak, dat ik kans zou zien, haar omver te duwen.”
-
-„Laten wij dat dan probeeren—maar snel om Godswil. Wie weet wat die
-schurk van plan is.”
-
-„Maar wat denk je dan toch eigenlijk, Edward?” vroeg Charly.
-
-„Wat ik denk? Natuurlijk dat de ellendeling op deze afgelegen plek,
-door geen sterveling bezocht, zijn twee slachtoffers opgesloten houdt.
-En nu geen tijd verloren met praten. Er moet gehandeld worden. Jij
-nadert de hut zoo voorzichtig mogelijk aan de voorzijde, Charly.
-Henderson en ik zullen de rots aan de zijde van de zee beklimmen. Op
-die wijze omsingelen wij hen.”
-
-Dadelijk daalden Raffles en Henderson den weg af, tot zij een geschikte
-plek gevonden hadden, om langs de rots omhoog te klauteren, die hier
-weinig steil was.
-
-Niettemin was het een zeer bezwaarlijke arbeid, die aan minder
-krachtige en geoefende mannen zeker niet gelukt zou zijn.
-
-Stap voor stap naderden de twee mannen de hut aan de achterzijde.
-
-Zij vertoonden zich als een vormelooze zwarte massa boven de rots.
-
-Henderson was de voorste en bijna had hij den rand bereikt.... toen
-zijn voet op een grooten steen trapte die van rotspunt tot rotspunt
-rollend met luid geraas in zee viel.
-
-Onmiddellijk verschenen er twee mannen om den hoek van de hut, om te
-zien, wat er gaande was.
-
-Een hunner zag het hoofd van Henderson boven den rand van de rots
-uitsteken.
-
-Met een gebrul van woede vloog hij op dat hoofd toe en begon er uit
-alle macht op te trappen, terwijl hij schreeuwde:
-
-„Verraad, verraad, schiet je revolver af, Jim. Daar beneden is er nog
-een.”
-
-Henderson spande zich tot het uiterste in.
-
-Hij gevoelde, dat hij verloren zou zijn, als hij nog eenige van de
-vreeselijke trappen op het ongedekte hoofd kreeg.
-
-Hij stak met een vlug gebaar de rechterhand uit en wist het been van
-zijn belager te grijpen.
-
-Hij trok er aan—de ander verloor zijn evenwicht—struikelde, trachtte
-zich staande te houden en stortte toen met een rauwen gil, die door de
-rotsen weerkaatst werd, voorover in zee, daarbij strijkelings langs het
-lichaam van Raffles schietend.
-
-Henderson had zich met een laatste krachtinspanning op de rots weten te
-werken, juist toen de tweede bandiet zijn revolver had getrokken en op
-Raffles aanlegde.
-
-Het schot ging af, maar de kogel verloor zich in de ruimte.
-
-Henderson had den ellendeling om het middel gevat en smeet hem met
-zooveel geweld tegen den wand der hut, dat hij bewusteloos bleef
-liggen.
-
-Intusschen was de deur open gevlogen en in de opening verscheen Edward
-Little, gewaarschuwd door het schieten.
-
-Met een kreet van dierlijke woede keerde hij dadelijk in de hut terug
-en wierp de deur achter zich in het slot.
-
-„Naar binnen, Charly, naar binnen,” schreeuwde Raffles, die op zijn
-beurt de bovenzijde van de rots had bereikt en begreep wat er daar
-binnen zou geschieden.
-
-Charly kwam aansnellen maar hij wierp zich tevergeefs uit alle macht
-tegen de gesloten deur.
-
-Toen kwam Henderson hem te hulp.
-
-Hij smeet zijn zwaar lichaam uit alle macht tegen de deur, die
-splinterend open vloog.
-
-Hij stormde naar binnen.
-
-Uit den kelder klonk smartelijk hulpgeroep.
-
-Nog een trap en een tweede deur barstte open.
-
-Juist op tijd vloog Henderson naar binnen, om te beletten, dat Little
-zich met een spits mes in de vuist op een kleinen knaap wierp, die
-weerloos was tegen den schurk.
-
-Hij vatte den bandiet bij de schouders en had hem in een ommezien
-ontwapend—
-
-En wanneer Raffles niet bijtijds was binnen getreden, dan zou Edward
-Little waarschijnlijk zijn lage daden hier ter plaatse met zijn leven
-hebben betaald.
-
-Na eenig zoeken vond men in een ander onderaardsch gewelf den
-ongelukkigen Donald Sealyham half versuft, die met tranen in de oogen
-zijn redders omhelsde.
-
-„Het was zijn doel, mij hier krankzinnig te doen worden,” riep hij uit.
-„En als het nog eenige weken had moeten duren, dan was ik het hier in
-die eeuwige duisternis ook geworden.”
-
-En nu volgde een reeks van vragen en antwoorden, op zenuwachtigen toon
-geuit—en daarop het wederzien van vader en zoon, die niet wisten, dat
-zij zich zoo dicht in elkanders nabijheid hadden bevonden....
-
-Een half uur later waren de beide gewonde schelmen veilig langs den weg
-naar omlaag gebracht, en de auto vervoerde het geheele gezelschap naar
-Calais, waar de politie van het gebeurde in kennis werd gesteld.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Een week later las Raffles met aandoening een brief, waarin Donald
-Sealyham vol innige dankbaarheid schreef, dat hij zich met zijn vader
-had verzoend en dat zijn geliefde vrouw op den weg der beterschap was.
-Het plotseling wederzien, dat Raffles hem had aangeraden, had haar
-verstand als bij tooverslag doen terug keeren.
-
-Wat Edward Little betreft—de rechtbank veroordeelde hem drie weken
-later tot levenslange tuchthuisstraf wegens poging tot vergiftiging en
-moord....
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0373: DE
-KRANKZINNIGE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.