summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69013-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69013-0.txt')
-rw-r--r--old/69013-0.txt28426
1 files changed, 0 insertions, 28426 deletions
diff --git a/old/69013-0.txt b/old/69013-0.txt
deleted file mode 100644
index 06dd3b2..0000000
--- a/old/69013-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,28426 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De afstamming van den mensch en de
-seksueele teeltkeus (deel 1 van 2), by Charles Darwin
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus (deel 1
- van 2)
-
-Author: Charles Darwin
-
-Translator: H. Hartogh Heijs van Zouteveen
-
-Release Date: September 19, 2022 [eBook #69013]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH
-EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS (DEEL 1 VAN 2) ***
-
-
-
-
-
- DE AFSTAMMING
- VAN
- DEN MENSCH
- DE SEKSUEELE TEELTKEUS,
-
-
- DOOR
- CHARLES DARWIN.
-
- Naar de tweede herziene en veel vermeerderde Engelsche uitgave,
- (13de duizend), omgewerkt en van aanteekeningen voorzien,
-
- DOOR
- Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
- EERSTE DEEL.
-
- Arnhem-Nijmegen—Gebr. E. & M. COHEN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-Darwin’s Biologische Meesterwerken.
-
-III. De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.
-
-
-EERSTE DEEL.
-
-VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK
-door Dr. H. H. H. van Zouteveen blz. 1.
-
-VOORREDE VAN DE 2DE ENGELSCHE UITGAAF 5.
-
-INLEIDING 7.
-
-
-EERSTE GEDEELTE.
-
-De Afstamming van den Mensch.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
-
- Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.
- —Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere
- diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—
- Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar,
- geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen
- van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van
- den mensch blz. 11.
-
-AANTEEKENINGEN 33.
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM
-HEEFT ONTWIKKELD.
-
- Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.
- —Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij
- den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
- invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd
- gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de
- ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—
- Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke
- teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste
- geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn
- lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den
- opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het
- gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering
- der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—
- Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van
- den mensch blz. 52.
-
-AANTEEKENINGEN 99.
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.
-
- Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den
- minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn
- aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot
- navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—
- Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren
- gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen,
- zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de
- werkzaamheid van geesten, bijgeloof blz. 111.
-
-AANTEEKENINGEN 149.
-
-OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,
-door Dr. H. H. H. van Zouteveen 164.
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.—VERVOLG.
-
- Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van
- gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige
- leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is
- een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen
- andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen
- worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven
- worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De
- belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde
- maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke
- neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken
- vermelde feiten leiden blz. 180.
-
-AANTEEKENINGEN 215.
-
-WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH,
-door Dr. H. H. H. van Zouteveen 226.
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS
-GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.
-
- De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke
- teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke
- vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden
- stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken
- invloed uit—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat
- verkeerden blz. 237.
-
-AANTEEKENINGEN 260.
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
-
- Plaats van den mensch in het dierenrijk—Het natuurlijke stelsel
- berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe
- waarde—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den
- mensch en de apen—Rang van den mensch in het natuurlijke
- stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid
- van fossiele verbindingsleden—Lagere trappen in den stamboom van
- den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede
- uit het maaksel van zijn lichaam—Voormalige tweeslachtigheid
- (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit blz. 264.
-
-AANTEEKENINGEN 289.
-
-
-BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.
-
-STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN
-HET MENSCHELIJK GESLACHT, door Dr. P. Harting, in leven Hoogleeraar te
-Utrecht blz. 323.
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE MENSCHENRASSEN.
-
- De aard en waarde van soortkenmerken.—Toepassing op de
- menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der
- zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten
- (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van
- kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest
- tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den
- mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras
- stamt niet af van een enkel paar.—Het uit sterven van rassen.—Het
- ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed
- van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke
- teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele
- teeltkeus blz. 329.
-
-AANTEEKENINGEN 370.
-
-VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET
-MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN, door
-Professor Huxley, F. R. S. 389.
-
-AANTEEKENING 399.
-
-HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE
-VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, door Dr. H. H. H. van
-Zouteveen 400.
-
-AANTEEKENINGEN 430.
-
-
-TWEEDE GEDEELTE.
-
-De Seksueele Teeltkeus.
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
- Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat
- van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk
- door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het
- mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje
- uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke
- teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in
- overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de
- sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van
- erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de
- seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de
- verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele
- dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke
- sekse door natuurlijke teeltkeus blz. 434.
-
-AANTEEKENINGEN 501.
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE LAGERE KLASSEN VAN HET
-DIERENRIJK.
-
- Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende
- kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren
- (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer
- ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen dan op
- volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren;
- sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda) blz. 511.
-
-AANTEEKENINGEN 528.
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
-
- Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—
- Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet
- wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de seksen.—
- Springstaarten (Thysanura).—Tweelingen (Diptera).—Halfvleugeligen
- (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen (Homoptera); alleen de mannetjes
- bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—
- Rechtvleugeligen (Orthoptera); de muziekwerktuigen der mannetjes
- van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid; kleuren.—
- Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele kleurverschillen.—
- Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid en kleuren.
- —Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige bezitten groote
- horens, die blijkbaar tot versiering strekken; gevechten;
- sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen blz. 531.
-
-AANTEEKENINGEN 570.
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG.—ORDE DER
-SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).
-
- Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan
- beide seksen gemeen of het schitterendst bij de mannetjes.—
- Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de rechtstreeksche
- werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming
- geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—
- Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—
- Oorzaken van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.
- —Nabootsing, vrouwelijke Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn
- dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en
- slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der
- Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten blz. 575.
-
-AANTEEKENINGEN 607.
-
-
-SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.
-
-DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, door C. Darwin (vertaald uit Nature,
-vol. XXI, 1880, blz. 237) blz. 612.
-
-AANTEEKENINGEN 614.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DARWINS BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN.
-
-III. DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
-
-VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK
-DOOR Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
-Charles Darwin zegt in zijn autobiographie (voorkomende in het in 1888
-verschenen werk van zijn zoon Francis Darwin „The Life and Letters of
-Charles Darwin”) omtrent zijn werk over de afstamming van den mensch
-het volgende:
-
-„Mijn „Descent of Man” (Afstamming van den Mensch) verscheen in 1871.
-Zoodra ik, in het jaar 1837 of 1838, overtuigd was geworden, dat de
-soorten veranderlijke voortbrengselen der natuur zijn, kon ik mij niet
-losmaken van het geloof, dat ook de mensch aan de zelfde wet
-onderworpen moest zijn. Ik verzamelde daarom aanteekeningen over dat
-onderwerp voor mijn eigen genoegen, en het duurde lang, eer ik het
-voornemen opvatte ze uit te geven. Ofschoon in de „Origin of Species”
-(Ontstaan der Soorten) nergens over de afstamming van een enkele
-bepaalde soort wordt gesproken, achtte ik het toch het best, opdat geen
-man van eer mij zou kunnen beschuldigen, dat ik mijn gevoelen verzweeg,
-daarin te vermelden, dat door dit werk „licht zou worden geworpen op
-den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis.” [1] Het zou
-nutteloos en schadelijk voor het succes van het boek zijn geweest, zoo
-ik, zonder eenige bewijzen te geven, met mijn overtuiging omtrent zijn
-oorsprong had gepronkt.
-
-„Toen ik echter bevond, dat vele natuuronderzoekers de leer van de
-ontwikkeling der soorten volkomen aannamen, scheen het mij raadzaam al
-de aanteekeningen, die ik bezat, uit te werken en een bijzondere
-verhandeling omtrent den oorsprong van den mensch uit te geven. Ik was
-des te meer belust zulks te doen, omdat het mij gelegenheid gaf tot
-uitvoerige bespreking van de seksueele teeltkeus—een onderwerp, waarin
-ik altijd zeer veel belang had gesteld. Dit onderwerp, en dat van het
-varieeren der huisdieren en cultuurplanten [2], benevens de oorzaken en
-wetten van het varieeren, de erfelijkheid en het kruisen der planten
-met elkander, zijn de eenige onderwerpen, waarover ik in staat ben
-geweest zoo uitvoerig te schrijven, dat ik alle bouwstoffen gebruikte,
-die ik er over had verzameld. [3] Het schrijven van de „Descent of Man”
-hield mij drie jaar bezig, maar gelijk gewoonlijk ging een gedeelte van
-dien tijd verloren door mijn slechte gezondheid, en een ander gedeelte
-daarvan werd verbruikt door het voor de pers gereed maken van nieuwe
-uitgaven van vroegere werken en andere kleinere verhandelingen. Een
-tweede en veel vermeerderde uitgaaf van de „Descent” verscheen in
-1874.”
-
-In het tweede deel van de „Life and Letters of Charles Darwin”, waarin
-één hoofdstuk geheel en twee hoofdstukken gedeeltelijk aan de „Descent
-of Man” zijn gewijd, deelt Francis Darwin o.a. nog mede, dat in
-Februari 1867, toen het handschrift van het boek over „The Variation of
-Animals and Plants under Domestication” (Het Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten) naar den drukker was gezonden, zijn vader een
-„Hoofdstuk over den Mensch” begon te schrijven, maar spoedig bevond,
-dat het onder zijn handen zoo aangroeide, dat hij besloot het
-afzonderlijk uit te geven als een „zeer klein boekje.” Die arbeid werd
-echter afgebroken door de noodzakelijkheid om de proeven van de
-„Variation of Animals and Plants” te verbeteren en door eenige
-botanische onderzoekingen, en niet vóór het volgende jaar kon hij hem
-weder opvatten en zich geheel daaraan wijden.
-
-Uit het bovenstaande volgt de nauwe samenhang van de „Afstamming van
-den Mensch” met het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-waarvan het oorspronkelijk slechts een hoofdstuk zou zijn. Evenzoo
-hangt het „Varieeren der Huisdieren enz.” weder ten nauwste zamen met
-het „Ontstaan der Soorten”, welke het uitbreidt en met nadere bewijzen
-versterkt. Zoo vormen deze drie werken een ondeelbaar geheel. De
-seksueele teeltkeus, in de beide eerstverschenen werken slechts ter
-loops vermeld, wordt in dit derde uitvoerig behandeld.
-
-Ik had, toen de derde druk van mijn Nederlandsche bewerking van de
-„Afstamming van den Mensch” verscheen, mij niet durven vleien, dat ze
-reeds in 1889 geheel uitverkocht en een vierde druk noodzakelijk zou
-zijn. Ik onderstel, dat bijna ieder, die dezen vierden druk leest,
-eerst de drie eerste deelen dezer serie, bevattende het Ontstaan der
-Soorten, het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten en eenige
-kleinere biologische geschriften zal hebben gelezen, hetgeen hem het
-recht begrip van het onderhavige werk veel gemakkelijker zal maken.
-Voor hen die deze drie eerste deelen niet hebben gelezen, zullen
-enkelen der aanteekeningen, welke ik achter de hoofdstukken van dit
-werk heb bijgevoegd, waarschijnlijk veel verduidelijken. Die
-aanteekeningen zijn grootendeels de zelfde als in den vorigen druk;
-zeer enkele zijn naar het „Ontstaan der Soorten” en het „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten” overgebracht, een paar der minst
-beduidende geschrapt, een paar andere verplaatst en bijgewerkt en
-enkele nieuwe bijgevoegd. Al te uitvoerig kon dit echter niet
-geschieden, om het boek niet al te lijvig te doen worden.
-
-De van Darwin’s meening gedeeltelijk afwijkende gevoelens omtrent den
-oorsprong der hoogste geestvermogens, welke Wallace in zijn
-„Darwinism”, 1889, heeft publiek gemaakt, mochten hier wegens de groote
-beteekenis die Wallace voor het Darwinisme heeft en wegens de
-belangrijkheid van zijn boven aangehaald werk, waaraan wij in onze
-aanteekeningen op „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” zoo
-menige aanvulling en uitbreiding van Darwins leer en zoo menige
-scherpzinnige opmerking hebben ontleend, hier niet worden doodgezwegen,
-ofschoon wij in geenen deele met de door Wallace gegeven verklaring van
-het ontstaan dier vermogens kunnen instemmen.
-
-Ook Wallace’s, van die van Darwin afwijkende, in het zelfde werk
-uiteengezette meening omtrent de seksueele teeltkeus, en in verband
-daarmede omtrent de beteekenis der kleur in de organische wereld in het
-algemeen, vereischten een nadere uiteenzetting.
-
-Verder scheen het ons wenschelijk, een overzicht in dit werk in te
-lasschen van Julius Lippert’s beschouwingen over den oorsprong der
-spraak en taal.
-
-Een paar kleine geschriften van Darwin, die totdusver nog niet in het
-Nederlandsch waren verschenen, zijn ter behoorlijker plaatse
-ingelascht.
-
-Eindelijk heeft mijne verhandeling over het oorspronkelijk vaderland
-van den mensch en de oudste volksverhuizingen eenige uitbreiding en
-wijziging ondergaan, waardoor tevens gelegenheid ontstond over eenige
-in nauw verband daarmede staande vraagstukken eenigszins uitvoeriger te
-bespreken.
-
-
-
-
-
-VOORREDE VAN DE 2de ENGELSCHE UITGAAF.
-
-
-Gedurende de achtereenvolgende herdrukken van de eerste, in 1871
-verschenen uitgaaf van dit werk, was ik in staat om onderscheidene
-belangrijke verbeteringen aan te brengen; en thans, nu er meer tijd is
-verloopen, heb ik mijn voordeel gedaan met de vuurproef, die het boek
-had ondergaan en gebruik gemaakt van al de kritieken die mij gegrond
-schenen te zijn. Ik ben ook aan een groot aantal correspondenten de
-mededeeling verschuldigd van een verwonderlijk aantal nieuwe feiten en
-opmerkingen. Deze zijn zoo talrijk geweest, dat ik alleen de meest
-belangrijke heb kunnen gebruiken, en van deze, zoowel als van de
-belangrijkste verbeteringen, zal ik een lijst hierachter laten volgen.
-Eenige nieuwe houtsneden zijn in het werk opgenomen, en vier der oude
-zijn vervangen door betere, naar het leven geteekend door den heer T.
-W. Wood. Ik moet vooral de aandacht vestigen op eenige opmerkingen, die
-ik aan de vriendelijkheid van Prof. Huxley verschuldigd ben (gegeven
-als een Supplement op het einde van het Eerste Gedeelte) over den aard
-der verschillen tusschen de hersenen van den mensch en die der hoogere
-apen. Ik ben bijzonder blijde geweest, dat ik die opmerkingen kon
-mededeelen, omdat over dat onderwerp op het vasteland in de
-allerlaatste jaren onderscheidene verhandelingen zijn verschenen, en
-dat de belangrijkheid daarvan in sommige gevallen door populaire
-schrijvers erg is overdreven.
-
-Ik veroorloof mij bij deze gelegenheid op te merken, dat mijn critici
-dikwijls verzekeren, dat ik alle veranderingen in het lichamelijk
-maaksel en de geestvermogens uitsluitend daaraan toeschrijf, dat de
-natuur bepaalde zoogenaamd spontane verscheidenheden voor de
-voortplanting uitkiest; terwijl ik toch, zelfs in de eerste uitgaaf van
-het „Ontstaan der Soorten”, duidelijk uitsprak, dat men groot gewicht
-moet hechten aan de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, zoowel
-ten opzichte van het lichaam als van den geest. Ik schreef ook een
-zekere hoeveelheid wijzigingen toe aan de rechtstreeksche en
-voortdurende werking van gewijzigde levensvoorwaarden. Ook moeten wij
-eenigen invloed toeschrijven aan nu en dan voorkomende atavismen, en
-moeten ook datgene niet vergeten, wat ik correlatie van groei heb
-genoemd, waarmede ik bedoelde, dat verschillende deelen van het
-organisme op de eene of andere onbekende wijze zoodanig met elkander in
-verband staan, dat als één daarvan verandert, ook de anderen het doen;
-en indien veranderingen in het eene door natuurlijke teeltkeus worden
-opgehoopt (en dus grooter gemaakt), ook andere deelen wijzigingen
-zullen ondergaan. Ook is door verscheidene critici gezegd, dat ik,
-bevonden hebbende dat vele bijzonderheden in het maaksel van den mensch
-niet door natuurlijke teeltkeus konden worden verklaard, de seksueele
-teeltkeus had uitgevonden; ik gaf echter een vrij duidelijke schets van
-dit beginsel in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, en
-verklaarde toen reeds, dat het op den mensch kon worden toegepast. Dit
-onderwerp (de seksueele teeltkeus) wordt in het onderhavige werk
-uitvoerig behandeld, eenvoudig omdat mij daarin voor het eerst
-gelegenheid daartoe werd gegeven. Ik ben getroffen geweest door de
-gelijkenis van velen der halfgunstige critieken omtrent de seksueele
-teeltkeus met die, welke in het eerst omtrent de natuurlijke teeltkeus
-verschenen; zooals, dat zij wellicht eenige weinige bijzonderheden kon
-verklaren, maar zeker niet in zoo uitgebreiden zin toepasselijk was,
-als ik meende. Mijn overtuiging omtrent het vermogen der seksueele
-teeltkeus blijft ongeschokt, doch het is waarschijnlijk, of nagenoeg
-zeker, dat onderscheidenen mijner besluiten later onjuist zullen worden
-bevonden; dit kan moeilijk anders, wanneer men een onderwerp voor de
-eerste maal behandelt. Als de natuuronderzoekers gemeenzaam zijn
-geworden met het denkbeeld van seksueele teeltkeus, zal deze, naar ik
-vermeen, veel meer algemeen worden aangenomen; en zij heeft reeds een
-volkomen gunstig onthaal gevonden bij verscheidene bevoegde
-beoordeelaars.
-
-
-Down, Beckenham, Kent,
-September 1874.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH;
-EN OVER
-TEELTKEUS MET BETREKKING TOT DE SEKSE.
-
-
-INLEIDING.
-
-
-De aard van het volgende werk zal het beste worden begrepen door een
-korte mededeeling der redenen, die mij aanleiding gaven het te
-schrijven. Gedurende vele jaren verzamelde ik aanteekeningen over den
-oorsprong of afstamming van den mensch, zonder eenig voornemen om iets
-over dat onderwerp in het licht te geven, of liever met het stellige
-voornemen om niets daarover in het licht te geven, daar ik meende, dat
-ik daardoor het vooroordeel tegen mijn beschouwingen slechts zou doen
-toenemen. Het scheen mij voldoende, in de eerste uitgaaf van mijn
-„Ontstaan der Soorten” aan te stippen, dat door dit werk „licht zou
-worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis”,
-en hierin ligt opgesloten, dat elk algemeen besluit omtrent de wijze,
-waarop de organische wezens op aarde zijn verschenen, ook op den mensch
-toepasselijk is. Op dit oogenblik echter verschijnt de zaak in een
-geheel ander daglicht. Als een zoo beroemd natuuronderzoeker als Carl
-Vogt niet schroomt om in zijn toespraak als President van het Nationale
-Instituut van Genève (1869) te zeggen: „personne, en Europe au moins,
-n’ose plus soutenir la création indépendante et de toutes pièces des
-espèces”, dan is het duidelijk, dat ten minste een groot aantal
-natuuronderzoekers moeten aannemen, dat de tegenwoordig levende soorten
-de gewijzigde afstammelingen van andere soorten zijn; en dit is vooral
-het geval met de jonge en opkomende natuuronderzoekers. Het grootste
-gedeelte van hen nemen de werking der natuurlijke teeltkeus aan, schoon
-sommigen beweren, of het met recht is, moet de toekomst beslissen, dat
-ik de belangrijkheid er van veel te hoog heb geschat. Van de oudere en
-geëerde hoofden in de natuurwetenschap zijn ongelukkig velen nog
-tegenstanders van de ontwikkelingstheorie in welken vorm dan ook.
-
-Ten gevolge van de beschouwingen, die tegenwoordig door de meeste
-natuuronderzoekers worden aangenomen, en die ten laatste, evenals in
-elk ander geval, door andere menschen zullen worden gedeeld, ben ik er
-toe gekomen om mijn aanteekeningen bijeen te brengen, om daardoor te
-zien in hoeverre de algemeene besluiten, waartoe ik in mijn vorige
-werken kwam, op den mensch toepasselijk waren. Dit scheen mij des te
-wenschelijker, daar ik met opzet deze beschouwingen nog nooit op ééne
-enkele soort, afzonderlijk genomen, had toegepast. Als wij onze
-aandacht tot een bepaalden vorm beperken, zijn wij beroofd van de
-gewichtige bewijsgronden, welke worden afgeleid uit den aard der
-verwantschappen, die geheele groepen van organismen onderling
-verbinden—hun geographische verspreiding, zoowel in vroegere tijdvakken
-als tegenwoordig, en hun geologische opeenvolging. De homologe
-structuur(1), embryologische ontwikkeling en rudimentaire organen(2)
-van een soort, hetzij het de mensch of eenig ander dier zij, waarop
-onze aandacht is gevestigd, blijven ter overweging over; maar deze
-groote klassen van feiten leveren, dunkt mij, overvloedige en afdoende
-bewijsgronden op ten gunste van het beginsel van trapsgewijze
-ontwikkeling. De sterke steun, dien de andere bewijsgronden daaraan nog
-geven, moet echter steeds in acht worden genomen.
-
-Het eenige doel van dit werk is om na te gaan, eerstens, of de mensch,
-evenals elke andere diersoort, van dezen of genen vroeger bestaan
-hebbenden vorm afstamt; ten tweede, de wijze, waarop hij zich heeft
-ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen tusschen de
-zoogenaamde menschenrassen. Daar ik mij tot deze punten wil beperken,
-zal het niet noodig zijn de verschilpunten tusschen de onderscheidene
-rassen uitvoerig te beschrijven—een hoogst uitgebreid onderwerp, dat in
-vele uitnemende werken grondig is besproken. De hooge oudheid van het
-menschelijk geslacht is sedert korten tijd bewezen door de
-onderzoekingen van een menigte uitstekende mannen, te beginnen met den
-heer Boucher de Perthes(3); en dit is een onmisbare grondslag voor het
-begrijpen van deszelfs oorsprong. Ik zal daarom dit feit voor bewezen
-houden, en mijn lezers verwijzen naar de bewonderenswaardige
-verhandelingen van Sir Charles Lyell(4), Sir John Lubbock en anderen.
-Ik zal ook geen gelegenheid hebben om meer te doen dan te zinspelen op
-de hoegrootheid van het verschil tusschen den mensch en de
-anthropomorphe apen; want Prof. Huxley heeft volgens de meening van
-zeer bevoegde rechters overtuigend aangetoond, dat de mensch in elk
-afzonderlijk zichtbaar kenmerk minder verschilt van de hoogere apen,
-dan deze van de lagere leden der zelfde orde van de Primaten.
-
-Dit werk bevat bijna geen enkel nieuw feit omtrent den mensch; maar
-daar de besluiten, waartoe ik na een ruwe optelling kwam, mij
-belangrijk voorkwamen, dacht ik, dat ook anderen er wellicht belang in
-konden stellen. Men heeft dikwijls met het meeste zelfvertrouwen
-verzekerd, dat de oorsprong van den mensch nimmer bekend kan worden;
-maar onwetendheid leidt dikwijls meer tot zelfvertrouwen dan grondige
-kennis; slechts zij die weinig weten, en geenszins zij die veel weten,
-verzekeren zoo stellig, dat het eene of andere vraagstuk nimmer door de
-wetenschap zal worden opgelost. Het besluit, dat de mensch gezamenlijk
-met andere soorten van den eenen of anderen ouden, lageren en
-uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet nieuw. Lamarck kwam reeds
-lang geleden tot dit besluit, dat onlangs door verscheidene beroemde
-natuurkundigen en wijsgeeren is verdedigd; bij voorbeeld door Wallace,
-Huxley, Lyell, Vogt, Lubbock, Büchner, Rolle enz. [4], en vooral door
-Haeckel. Deze laatste natuuronderzoeker heeft, behalve zijn groot werk
-„Generelle Morphologie” (1866) onlangs (1868, met een tweede uitgaaf in
-1870) zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte” uitgegeven, waarin hij de
-afstamming van den mensch uitvoerig bespreekt. (5) Ware dit werk in het
-licht verschenen, voor mijn geschrift geheel was geschreven, dan zou ik
-het waarschijnlijk nooit hebben voltooid. Bijna al de besluiten,
-waartoe ik ben gekomen, vind ik door dezen natuuronderzoeker bevestigd,
-wiens kennis op vele punten veel vollediger is dan de mijne. Overal
-waar ik eenig feit of gevoelen uit Prof. Haeckel’s geschriften hieraan
-heb toegevoegd, geef ik zulks in den tekst op; andere opgaven laat ik
-zooals zij oorspronkelijk in mijn handschrift stonden, nu en dan in de
-noten naar zijn werken verwijzende, als een bevestiging van de meer
-twijfelachtige of belangrijke punten.
-
-Sinds vele jaren scheen het mij zeer waarschijnlijk, dat de seksueele
-teeltkeus een groote rol had gespeeld bij het differentieeren der
-menschenrassen; maar in mijn „Ontstaan der Soorten” stelde ik mij
-tevreden met slechts te zinspelen op dit geloof. Toen ik er toe kwam,
-om dit gevoelen op den mensch toe te passen, vond ik het volstrekt
-noodig dit geheele onderwerp zeer uitvoerig te behandelen. [5] Ten
-gevolge daarvan is het tweede gedeelte van dit werk, dat over de
-teeltkeus met betrekking tot de sekse handelt, tot een, in vergelijking
-van het eerste gedeelte, zeer onevenredige lengte aangegroeid, maar dit
-kon niet worden vermeden.
-
-Ik was eerst voornemens bij deze deelen nog een verhandeling te voegen
-over het uitdrukken der verschillende gemoedsaandoeningen bij den
-mensch en de lagere dieren. Mijn aandacht werd reeds vele jaren geleden
-op dit onderwerp gevestigd door het bewonderenswaardige werk van Sir
-Charles Bell. Deze beroemde ontleedkundige beweert, dat de mensch
-sommige spieren alleen bezit, ten einde daarmede zijn
-gemoedsaandoeningen uit te drukken. Daar dit gevoelen klaarblijkelijk
-in tegenspraak is met het geloof, dat de mensch van dezen of genen
-lageren vorm afstamt, was het noodig, dat ik het behandelde. Ik
-wenschte eveneens uit te maken, in hoeverre de gemoedsaandoeningen door
-de verschillende menschenrassen op de zelfde wijze worden uitgedrukt.
-Met het oog op de lengte van het onderhavige werk, heb ik echter
-gemeend, dat het beter was mijn verhandeling, die gedeeltelijk is
-voltooid, voor een afzonderlijke uitgave te bewaren.
-
-
-Ch. DARWIN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE GEDEELTE.
-
-DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
-
- Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.
- —Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere
- diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—
- Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar,
- geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen
- van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch.
-
-
-Hij die wil beslissen, of de mensch een gewijzigde afstammeling is van
-dezen of genen vorm die vroeger heeft bestaan, zal waarschijnlijk eerst
-onderzoeken, of er bij den mensch verschillen bestaan, in hoe geringen
-graad dan ook, ten opzichte van het maaksel van zijn lichaam en van
-zijn geestvermogens; zoo ja, of die verschillen op zijn afstammelingen
-worden overgeplant volgens de zelfde wetten, die zich bij de lagere
-diersoorten doen gelden; zooals b.v. het overplanten van kenmerken op
-den zelfden ouderdom, de zelfde sekse. Verder nog, of die verschillen,
-zoover wij daarover bij onze geringe kennis kunnen oordeelen, het
-gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken, of zij worden beheerscht
-door de zelfde wetten als bij andere organismen; b.v. door
-correlatie(6), door de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik,
-enz.? Is de mensch onderhevig aan gelijksoortige misvormingen, die het
-gevolg zijn van stilstand in de ontwikkeling(7), van reduplicatie van
-deelen(8) enz., en blijkt uit een van zijn anomalieën het terugkeeren
-tot eenig vroeger en ouder type van organisatie?(9) Men zou natuurlijk
-ook moeten vragen, of de mensch, evenals zoovele andere dieren, het
-aanzijn heeft gegeven aan verscheidenheden en onder-rassen, die maar
-weinig van elkander verschillen, of aan rassen, die zooveel verschil
-opleveren, dat men moet betwijfelen, of het geen onderscheidene soorten
-zijn? Hoe zijn die rassen over de wereld verspreid; en hoe wijzigen zij
-elkander, zoowel in de eerste als in de volgende generaties, wanneer
-zij zich vermengen? En evenzoo is het met vele andere punten.
-
-Hij die dit onderzoekt, zou dan tot de volgende gewichtige vraag komen:
-streeft de mensch naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat daardoor
-somtijds een hevige strijd voor het leven ontstaat, en dus de
-voordeelige wijzigingen, hetzij van lichaam of ziel, behouden blijven
-en de schadelijke uitsterven? Benadeelen de rassen of soorten van
-menschen (welken naam men daarvoor ook wil gebruiken) elkander en
-verdringt het ééne het andere, zoodat er eenigen ten laatste geheel
-worden uitgeroeid? Wij zullen zien, dat al deze vragen, zooals ook
-duidelijk is ten opzichte van de meesten daarvan, bevestigend moeten
-worden beantwoord, op de zelfde wijze als bij de lagere diersoorten. De
-verschillende bovenvermelde beschouwingen kunnen echter zeer gepast tot
-later worden uitgesteld; en eerst willen wij zien, in hoeverre het
-maaksel van het menschelijk lichaam meer of minder duidelijke sporen
-van zijn afstamming van dezen of genen lageren vorm vertoont. In de
-twee volgende hoofdstukken zullen wij de geestvermogens van den mensch
-met die van de lagere diersoorten vergelijken.
-
-Maaksel van het menschelijk lichaam.—Het is algemeen bekend, dat de
-mensch is gebouwd volgens den zelfden grondvorm of type als de andere
-zoogdieren. Al de beenderen van zijn geraamte kunnen worden vergeleken
-met de overeenkomstige beenderen in een aap, vleêrmuis of zeehond.
-Evenzoo is het met zijn spieren, zenuwen, bloedvaten of ingewanden. De
-hersenen, het belangrijkste van alle organen, volgen de zelfde wet,
-zooals Huxley en andere ontleedkundigen hebben aangetoond. Bischoff
-[6], een getuige die tot onze tegenpartij behoort, geeft toe, dat elke
-hoofd-spleet en winding in de hersenen van den mensch overeenstemt met
-een spleet of winding in de hersenen van een orang-oetan, maar, voegt
-hij er bij, er is geen tijdstip van hun ontwikkeling, waarop zij
-volmaakt overeenkomen; dit kon men ook niet verwachten; want dan zouden
-hun geestvermogens de zelfde moeten zijn. Vulpian [7] merkt op: „Les
-différences réelles, qui existent entre l’encéphale de l’homme et celui
-des singes supérieurs, sont bien minimes. Il ne faut pas se faire
-d’illusions à cet égard. L’homme est bien plus près des singes
-anthropomorphes par les caractères anatomiques de son cerveau, que
-ceux-ci ne le sont non seulement des autres mammifères, mais même de
-certains quadrumanes, des guenons et des macaques.”(10) Het zou echter
-overtollig zijn hier verdere bijzonderheden op te geven omtrent de
-overeenkomst, die tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren in het
-maaksel der hersenen en van alle andere lichaamsdeelen bestaat.
-
-Het is echter wellicht de moeite waard eenigszins meer in het bijzonder
-enkele punten te behandelen, die niet rechtstreeks of niet zoo
-duidelijk in verband staan met het maaksel, doch waardoor deze
-overeenstemming of verwantschap goed wordt aangetoond.
-
-De mensch kan zekere ziekten, zooals watervrees, koepokken, droes,
-enz., van de lagere diersoorten overnemen of ze aan hen mededeelen; en
-dit feit bewijst de groote gelijkvormigheid van hun weefsel en bloed,
-zoowel in den fijneren bouw als in samenstelling, veel duidelijker dan
-de vergelijking ervan onder het beste mikroskoop, of door middel van de
-beste scheikundige ontleding. Apen zijn vatbaar voor vele
-niet-besmettelijke ziekten, waaraan ook wij onderhevig zijn; zoo vond
-Rengger [8], die lang en zorgvuldig den Cebus Azarae in zijn vaderland
-gadesloeg, dat dit dier voor verkoudheid vatbaar was, met de gewone
-verschijnselen, en dat, wanneer die verkoudheid zich dikwijls
-herhaalde, zij aanleiding gaf tot tering. Deze apen leden ook aan
-beroerten, ontsteking in de ingewanden en grauwe staar. De jongen
-stierven dikwijls aan de koorts, wanneer zij hunne melktanden verloren.
-Geneesmiddelen hadden bij hen de zelfde uitwerking als bij ons. Vele
-soorten van apen houden zeer veel van thee, koffie en geestrijke
-dranken; ook rooken ze, zooals ik zelf heb gezien, met smaak tabak.
-Brehm beweert, dat de inboorlingen van Noord-Oost-Afrika de wilde
-bavianen vangen door bakken met zwaar bier neêr te zetten, waardoor zij
-dronken worden gemaakt. Hij heeft er eenigen, die hij in gevangen staat
-bezat, in dien toestand gezien, en hij geeft een lachwekkend verhaal
-van hun gedrag en wonderlijke grimassen. Den volgenden dag waren ze
-zeer verdrietig en neêrslachtig; zij hadden hoofdpijn, hielden hun kop
-met beide handen vast en zagen er beklagenswaardig uit; als men hun
-bier of wijn voorhield, wendden zij zich met walging af, maar
-limoen-sap dronken zij met smaak. [9] Een Amerikaansche aap, een
-Ateles-soort, die van brandewijn dronken was geweest, wilde dien nooit
-meer aanraken en handelde dus verstandiger dan menig mensch. Deze
-kleine feiten bewijzen hoeveel overeenkomst er moet zijn tusschen de
-smaakzenuwen van apen en menschen, en hoeveel overeenkomst er is in de
-wijze, waarop hun geheele zenuwstelsel wordt aangedaan.
-
-De mensch wordt gekweld door inwendige parasieten en soms met
-noodlottig gevolg; hij wordt ook geteisterd door uitwendige parasieten,
-die allen tot de zelfde genera of families behooren, als die waarmede
-andere zoogdieren zijn behept. De mensch is evenals andere zoogdieren,
-vogels en zelfs insekten [10] aan die geheimzinnige wet onderworpen,
-die zekere normale processen zooals de zwangerschap en evenzoo de
-ontwikkeling en den duur van vele ziekten volgens tijdperken doet
-plaats hebben, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn.
-(11) Zijn wonden herstellen door het zelfde genezingsproces; en de
-stompen, die bij afzetting van zijn ledematen overblijven, hebben,
-voornamelijk in een vroege embryonale periode, een zeker
-regeneratievermogen, evenals bij de laagste diersoorten. [11]
-
-Bij alle zoogdieren is er in het geheele verloop van de voortplanting
-der soort, die hoogst belangrijke functie, een treffende overeenkomst
-van het oogenblik af, dat het mannetje het eerst zijn begeerlijkheid
-toont [12] tot aan de geboorte en de voeding van de jongen toe. De apen
-komen bijna even hulpeloos ter wereld als onze eigene kinderen (13) en
-bij zekere genera is er in het uiterlijk aanzien evenveel verschil
-tusschen de jongen en de volwassenen, als tusschen onze kinderen en hun
-volwassen ouders. [13] Sommige schrijvers hebben als een belangrijk
-verschil aangevoerd, dat bij den mensch de jongen veel later volwassen
-worden dan bij eenig ander dier; maar, wanneer wij de menschenrassen
-beschouwen die tusschen de keerkringen wonen, is het verschil niet
-groot; want van den orang wordt algemeen aangenomen, dat hij niet
-volwassen is voor zijn 10de of 15de jaar. [14] De man verschilt van de
-vrouw in grootte, lichaamskracht, behaardheid enz. zoowel als in
-inborst op de zelfde wijze, als de beide seksen van vele andere
-zoogdieren. Kortom men kan bijna niet te ver gaan in het aannemen van
-een zeer nauwe overeenkomst in het algemeene maaksel, in de fijnere
-structuur der weefsels, de chemische samenstelling en in constitutie
-bij den mensch en de hoogere diersoorten, voornamelijk de
-anthropomorphe apen. (14)
-
-
-Embryonale ontwikkeling.—De mensch ontwikkelt zich uit een eitje dat
-ongeveer 1⁄50 centimeter middellijn heeft en in geen enkel opzicht van
-de eitjes van andere dieren verschilt. De embryo zelf kan in een zeer
-vroeg tijdperk van zijn ontwikkeling nauwelijks van dien van andere
-gewervelde dieren worden onderscheiden. In dat tijdperk vormen de
-slagaderen boogsgewijze takken, als ware het om het bloed naar kieuwen
-te voeren, die bij de hoogere gewervelde dieren niet aanwezig zijn,
-hoewel aan beide zijden van den hals nog spleten voorkomen (f, g, Fig.
-1) waardoor hun vroegere plaats wordt aangegeven. In een eenigszins
-later tijdperk, waarop de ledematen zich ontwikkelen, „ontstaan”,
-zooals de beroemde Von Baer opmerkt, „de pooten der hagedissen en
-zoogdieren, de vleugels en pooten der vogels en evenzoo de handen en
-voeten van den mensch, allen uit den zelfden grondvorm.” „Alleen in de
-latere tijdperken van zijn ontwikkeling”, zegt Prof. Huxley [15],
-„vertoont het jonge menschelijke wezen bepaalde verschillen met een
-jongen aap, terwijl deze laatste in de wijze van zijn ontwikkeling
-evenveel van den hond verschilt, als de mensch. Hoe onaangenaam deze
-laatste bewering ons ook moge verrassen, zij is volkomen juist en
-onwederlegbaar te bewijzen.”
-
-Daar sommigen mijner lezers wellicht nimmer een afbeelding van een
-embryo hebben gezien, geef ik er hier een van dien van den mensch en
-een andere van dien van den hond, beide ongeveer in het zelfde vroege
-tijdperk hunner ontwikkeling, zorgvuldig gekopiëerd uit twee werken van
-onbetwistbare nauwkeurigheid. [16] (Fig. 1)
-
-Na de voorgaande getuigenissen, afgelegd door zoo groote autoriteiten,
-zou het overtollig zijn, als ik van mijn zijde een groot aantal
-nageschreven bijzonderheden mededeelde om aan te toonen, dat de
-menschelijke embryo zeer veel op dien van andere zoogdieren gelijkt. Er
-dient echter te worden bijgevoegd, dat de menschelijke embryo eveneens
-in verschillende bijzonderheden van zijn maaksel gelijkt op sommige
-lagere vormen, wanneer deze volwassen zijn. Zoo bestaat b.v. het hart
-eerst slechts uit een eenvoudig kloppend vat; de uitwerpselen worden
-door een cloaca (15) ontlast, en het koekoeksbeen (os coccyx) steekt
-uit als een ware staart, „zich aanmerkelijk voorbij de rudimentaire
-beenen uitstrekkende.” [17] Bij de embryo’s van alle luchtademende
-gewervelde dieren komen zekere klieren, de corpora Wolffiana genaamd,
-overeen met de nieren van volwassen visschen en hebben de zelfde
-functie. [18] Zelfs in een later tijdperk van de embryonale
-ontwikkeling kan men sommige treffende punten van overeenkomst tusschen
-den mensch en de lagere dieren opmerken. Bischoff zegt, dat de
-hersenwindingen bij een menschelijken foetus aan het einde van de
-zevende maand ongeveer de zelfde mate van ontwikkeling bezitten, als
-bij een volwassen baviaan. [19] Prof. Owen merkt op [20], dat de groote
-teen, „die bij het staan of loopen het steunpunt vormt, wellicht de
-meest karakteristieke bijzonderheid in het maaksel van den mensch is”;
-maar in een embryo van ongeveer 2.5 c.M. lengte vond Prof. Wyman [21],
-„dat de groote teen korter dan de anderen was, en in plaats van
-evenwijdig met hen te loopen, aan de zijde van den voet met een hoek
-uitstak, op deze wijze overeenkomende met den blijvenden toestand van
-dit deel bij de vierhandige zoogdieren.” Ik wil besluiten met een
-aanhaling van Huxley [22], die na te hebben gevraagd of de mensch op
-een andere wijze ontstaat dan een hond, vogel, kikvorsch of visch,
-zegt: „Het antwoord is geen oogenblik twijfelachtig; zonder quaestie
-zijn de wijze van ontstaan en de vroege ontwikkelingstrappen van den
-mensch gelijk aan die van de dieren die op de ladder onmiddellijk
-beneden hem staan: zonder twijfel staat hij in dit opzicht veel dichter
-bij de apen, dan de apen bij den hond.”
-
-
-Rudimentaire organen.—Dit onderwerp, hoewel eigenlijk niet belangrijker
-dan de twee laatsten, zal om verscheidene redenen hier uitvoeriger
-worden behandeld. [23] Men kan niet ééne van de hoogere diersoorten
-noemen, die niet een of ander in rudimentairen toestand verkeerend deel
-bezit, en de mensch maakt geen uitzondering op dien regel. De
-rudimentaire organen moet men onderscheiden van die, welke in wordenden
-toestand verkeeren, hoewel in sommige gevallen de onderscheiding niet
-gemakkelijk is. De eersten zijn òf bepaald nutteloos, zooals de tepels
-der mannelijke zoogdieren of de snijtanden der herkauwende dieren, die
-nooit door het tandvleesch komen; òf zij bewijzen zoo weinig dienst aan
-hun tegenwoordige bezitters, dat wij niet kunnen onderstellen, dat zij
-onder de tegenwoordig bestaande voorwaarden tot ontwikkeling zijn
-gekomen. De organen die in den laatstgenoemden toestand verkeeren, zijn
-strikt genomen niet rudimentair, maar zij streven er naar het te
-worden. Wordende organen integendeel, hoewel niet geheel ontwikkeld,
-zijn voor hun bezitters van groot nut, en voor verdere ontwikkeling
-vatbaar. Rudimentaire organen zijn in hooge mate variabel, en dit is
-gedeeltelijk te begrijpen, daar zij nutteloos of bijna nutteloos, en
-dus niet langer aan den invloed van de natuurlijke teeltkeus
-onderworpen zijn. Zij verdwijnen dikwijls geheel. Wanneer dit gebeurt,
-kunnen zij evenwel nu en dan opnieuw verschijnen door atavisme; en deze
-bijzonderheid is zeer opmerkenswaardig.
-
-Het niet-gebruiken gedurende dat tijdperk in het leven, waarin een
-orgaan hoofdzakelijk gebruikt wordt, en dit is meestal de volwassen
-leeftijd, gepaard aan overerving in een overeenkomstig levenstijdperk,
-schijnen de hoofdoorzaken te zijn geweest van het rudimentair worden
-van organen. De term „niet-gebruiken” heeft niet alleen betrekking op
-de verminderde werking der spieren, maar sluit ook in zich een
-verminderden toevoer van bloed naar een deel of orgaan, omdat het aan
-minder afwisseling van drukking onderworpen, of omdat het in een of
-ander opzicht op den duur minder in werking is gebracht. Bij de ééne
-sekse kunnen echter deelen in rudimentairen toestand voorkomen, die bij
-de andere sekse in normalen toestand te vinden zijn; en zulke
-rudimentaire organen zijn, zooals wij later zullen zien, dikwijls op
-een andere wijze ontstaan. In sommige gevallen zijn organen kleiner
-geworden door natuurlijke teeltkeus, omdat zij voor de diersoort, die
-een andere levenswijze had aangenomen, nadeelig werden. Het
-verkleiningsproces wordt waarschijnlijk dikwijls in de hand gewerkt
-door de twee beginselen van compensatie (16) en spaarzaamheid van
-groei; maar de laatste stadiën van de verkleining, nadat onbruik alles
-heeft gedaan, wat men er billijkheidswijze aan kan toeschrijven, en
-wanneer de besparing, die door spaarzaamheid van groei kan worden
-verkregen, zeer gering is, zijn moeilijk te begrijpen. [24] Het
-voorgoed en geheel en al verdwijnen van een deel, dat reeds nutteloos
-en zeer in omvang verminderd was, in welk geval noch compensatie noch
-spaarzaamheid in het spel kunnen komen, is misschien verklaarbaar met
-behulp van de hypothese van de pangenesis, en waarschijnlijk op geen
-andere wijze. Maar, daar het geheele onderwerp der rudimentaire organen
-uitvoerig is behandeld en toegelicht in mijn vorige werken [25], behoef
-ik daarover niets meer te zeggen.
-
-Men heeft in vele deelen van het menschelijk lichaam rudimenten van
-verschillende spieren opgemerkt [26]; en niet weinige spieren die bij
-de eene of andere lagere diersoort steeds aanwezig zijn, kan men nu en
-dan bij den mensch in zeer verkleinden toestand waarnemen. Iedereen
-moet hebben opgemerkt, dat verscheidene dieren, vooral paarden, het
-vermogen bezitten om hun huid te bewegen of te doen trillen; dit wordt
-veroorzaakt door den panniculus carnosus. Overblijfsels van deze spier,
-en in werkzamen toestand, worden in verschillende deelen van ons
-lichaam gevonden; b.v. op het voorhoofd dat—waardoor de wenkbrauwen
-worden in de hoogte gebracht. De platysma myoides, die in den hals zeer
-ontwikkeld voorkomt, behoort ook tot dit stelsel, maar kan niet
-willekeurig in beweging worden gebracht. Prof. Turner te Edinburgh
-heeft nu en dan, naar hij mij meêdeelde, op vijf verschillende
-plaatsen, namelijk in de oksels, bij de schouders enz., spierbundels
-ontdekt, die allen tot het stelsel van den panniculus moeten worden
-teruggebracht. Hij heeft ook aangetoond [27], dat de musculus sternalis
-of sternalis brutorum, die geen verlenging van den rectus abdominalis,
-maar zeer nauw met den panniculus verwant is, over meer dan 600
-lichamen berekend, in een verhouding van ongeveer 3 perct. voorkwam.
-Hij voegt er bij, dat „deze spier een uitstekend voorbeeld geeft van
-het feit, dat toevallig voorkomende en rudimentaire organen bijzonder
-onderhevig zijn aan verscheidenheid in hun ligging.
-
-Enkele menschen bezitten het vermogen om de spieren die onder hun
-schedelhuid liggen, te kunnen samentrekken, en deze spieren verkeeren
-in een veranderlijken en gedeeltelijk rudimentairen slaat. M. A. De
-Candolle heeft mij een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van het lang
-voortbestaan of de overerving van dat vermogen, en tevens van een
-ongewone ontwikkeling daarvan. Hij kent een familie, waarvan één lid,
-nu het hoofd van een huisgezin, toen hij jong was, alleen door de
-beweging van zijn schedelhuid, verscheidene zware boeken van zijn hoofd
-kon werpen; dikwijls won hij weddenschappen door het verrichten van dit
-kunststuk. Zijn vader, zijn oom, zijn grootvader en zijn drie kinderen
-bezitten allen het zelfde vermogen in buitengewone mate. Acht
-generaties te voren was deze familie in twee takken verdeeld geworden,
-zoodat het hoofd van bovengenoemden tak een neef in den zevenden graad
-was van het hoofd van den anderen tak. Die verre neef woont in een
-ander gedeelte van Frankrijk, en toen men hem vroeg, of hij het zelfde
-vermogen bezat, toonde hij dadelijk, dat dit het geval was. Dit
-voorbeeld geeft een duidelijke toelichting van het feit, hoe
-standvastig een geheel nutteloos vermogen kan worden overgeërfd.
-
-De uitwendige spieren die dienen om het geheele uitwendige oor te
-bewegen, en de inwendige spieren die de verschillende deelen ervan in
-beweging brengen, en die allen tot het stelsel van den panniculus
-behooren, verkeeren bij den mensch in een rudimentairen toestand. Zij
-vertoonen ook verschillen in ontwikkeling of ten minste in functie. Ik
-heb iemand gezien, die zijn ooren naar voren kon trekken, en een ander
-die ze naar achteren kon trekken [28]; en uit hetgeen een van die
-menschen mij meêdeelde, is het waarschijnlijk, dat de meesten van ons
-na herhaalde proefnemingen het vermogen om de ooren te bewegen min of
-meer terug zouden krijgen, wanneer wij ze dikwijls aanraakten en er
-onze aandacht op vestigden. Het vermogen om de ooren te bewegen en ze
-naar alle kanten te kunnen richten, bewijst zonder twijfel aan vele
-dieren den grootsten dienst, omdat zij daardoor kunnen bemerken van
-welken kant het gevaar hen bedreigt; maar ik heb nooit gehoord van
-iemand die het vermogen bezat om zijn ooren omhoog te steken—de eenige
-beweging die een mensch van nut kon zijn. Men kan het geheele
-uitwendige oor als rudimentair beschouwen met al zijn plooien en
-uitstekende punten (helix en anti-helix, tragus en anti-tragus enz.),
-die bij de lagere diersoorten het oor, wanneer het omhoog staat, kracht
-en steun geven, zonder het veel zwaarder te maken. Sommige schrijvers
-denken evenwel, dat het kraakbeen van het oor dient om trillingen over
-te brengen op de gehoorzenuw; maar de heer Toynbee [29] komt, na al de
-bewijzen die hiervoor worden aangevoerd, te hebben nagegaan, tot het
-besluit dat het uitwendige oor geen bepaald nut heeft. De ooren van den
-chimpanzee en den orang gelijken opmerkelijk veel op die van den
-mensch; en de oppassers in den Londenschen dierentuin hebben mij
-verzekerd, dat deze dieren ze nooit bewegen of omhoog steken, zoodat
-zij, wat hun functie betreft, in even rudimentairen staat verkeeren als
-bij den mensch. Waarom deze dieren, evenals de voorouders van den
-mensch, het vermogen om hun ooren omhoog te steken verloren hebben,
-kunnen wij niet zeggen. Het kan zijn, hoewel deze beschouwingswijze mij
-niet geheel voldoet, dat zij door hun gewoonte om in boomen te leven en
-door hun groote kracht maar weinig aan gevaren waren blootgesteld, en
-dus gedurende vrij langen tijd hun ooren maar weinig bewogen, waardoor
-langzamerhand het vermogen om ze te bewegen verloren ging. Dit zou een
-dergelijk geval zijn als dat van die groote logge vogels, die,
-oceanische eilanden (17) bewonende en daar niet blootgesteld zijnde aan
-de aanvallen van roofdieren, het vermogen hebben verloren om hun
-vleugels tot vliegen te gebruiken.
-
-De beroemde beeldhouwer Woolner deelt mij een kleine bijzonderheid mede
-van het uitwendige oor, die hij dikwijls zoowel bij vrouwen als bij
-mannen heeft opgemerkt, en waarvan hij de beteekenis volkomen begreep.
-Zijn aandacht werd er het eerst op gevestigd toen hij aan het beeld van
-een kabouter werkte, waaraan hij puntige ooren had gegeven. Daardoor
-werd hij er toe gebracht de ooren van verschillende aapsoorten, en
-vervolgens nog zorgvuldiger die van den mensch te beschouwen. De
-bijzonderheid bestaat uit een kleine, stompe punt, die op den naar
-binnen omgevouwen rand of helix uitsteekt. De heer Woolner maakte een
-nauwkeurig model van zulk een geval, en zond mij nevensgaande teekening
-(Fig. 2). Deze punten steken niet alleen naar binnen uit, maar dikwijls
-ook een weinig naar buiten, zoodat zij zichtbaar worden wanneer men het
-hoofd recht van voren of van achteren ziet. Zij verschillen in grootte
-en ook een weinig in stand, daar zij nu eens iets hooger, dan weder
-iets lager staan; ook komen zij soms voor aan het eene oor en niet aan
-het andere. (18) Zij zijn niet beperkt tot den mensch; want ik nam ze
-eens waar bij een der spinapen (Ateles Beelzebuth) in den Londenschen
-dierentuin, en Dr. E. Ray Lankester deelt mij een ander geval mede bij
-een chimpanzee in den Hamburgschen dierentuin. De helix bestaat
-duidelijk uit den uitersten rand van het oor, die naar binnen
-omgevouwen is; en dit omvouwen schijnt eenigszins in verband te staan
-met het voortdurend naar achteren drukken van het geheele uitwendige
-oor. Bij vele apen die in hun orde geen hooge plaats innemen, zooals
-bavianen en sommige soorten van het geslacht Macacus [30], is het
-bovendeel van het oor een weinig gepunt en de rand in het geheel niet
-naar binnen omgevouwen; maar werd de rand op die wijze omgevouwen, dan
-zou noodzakelijk een kleine punt naar binnen en waarschijnlijk ook een
-weinig naar buiten uitsteken; en dit geloof ik, dat in vele gevallen
-hun oorsprong is. Daarentegen houdt Prof. L. Meyer in een dergelijke,
-onlangs gepubliceerde verhandeling [31] vol, dat het geheele geval
-slechts een toevallige afwijking is; en dat de uitsteeksels werkelijk
-niet als rudimenten moeten worden opgevat, maar alleen zijn ontstaan,
-doordat het inwendige kraakbeen ter weêrszijden van deze punten niet
-tot volkomen ontwikkeling is gekomen. Ik ben bereid aan te nemen, dat
-dit in vele gevallen de juiste verklaring is, zooals in die, welke door
-Prof. Meyer zijn afgebeeld en waarin er verscheidene kleine puntjes
-zijn of de geheele rand gegolfd is. In heb zelf, door de
-vriendelijkheid van Dr. L. Down, het oor gezien van een microcephalen
-idioot, bij ’t welk er een uitsteeksel is aan de buitenzijde van de
-helix, en niet op den naar binnen omgevouwen rand, zoodat deze punt in
-geen betrekking kan staan tot een vroegere punt van het oor. Toch komt
-mijn oorspronkelijke meening, dat de punten sporen zijn van de spitsen
-van vroegere overeindstaande en gepunte ooren, mij in sommige gevallen
-nog waarschijnlijk voor. Ik denk zulks wegens het veelvuldig voorkomen
-daarvan, en omdat hun plaats algemeen overeenstemt met die van de spits
-van een gepunt oor. In één geval, waarvan mij een photogram is
-gezonden, is het uitsteeksel zoo groot, dat, wanneer men onderstelt, in
-overeenstemming met de meening van Prof. Meyer, dat het oor volkomen
-werd gemaakt door de gelijkmatige ontwikkeling van het kraakbeen over
-de geheele uitgebreidheid van den rand, het ten volle een derde van het
-geheele oor zou bedekken. Twee gevallen zijn mij medegedeeld, één uit
-Noord-Amerika en het andere uit Engeland, waarin het bovengedeelte van
-den rand volstrekt niet naar binnen omgevouwen, maar gepunt is, zoodat
-de omtrek ervan zeer sterk gelijkt op dien van het gepunte oor van een
-gewoon viervoetig dier. In één dezer gevallen, dat bij een jong kind
-was, vergeleek de vader het oor met de teekening [32] welke ik heb
-gegeven van het oor van een aap, den Cynopithecus niger, en zegt, dat
-hun omtrekken nauwkeurig overeenstemmen. Indien in deze beide gevallen
-de randen op de gewone wijze waren omgevouwen, moest er een naar binnen
-loopend uitsteeksel zijn gevormd. Ik mag er bijvoegen, dat in twee
-andere gevallen de omtrek nog eenigszins gepunt blijft, hoewel de rand
-van het bovenste gedeelte van het oor op de gewone wijze naar binnen is
-omgevouwen—bij één daarvan echter zeer weinig. De volgende houtsnede
-(Fig. 3.) is een nauwkeurige copie van een photogram van den foetus van
-een orang (die Dr. Nitsche zoo vriendelijk was mij te zenden), waarop
-men kan zien hoe verschillend de gepunte omtrek van het oor in dit
-tijdperk is van het oor van een volwassen orang, dat over het algemeen
-zeer sterk op een menschenoor gelijkt. Het is duidelijk dat als de
-spits van zulk een oor werd omgevouwen, als het gedurende zijn verdere
-ontwikkeling niet sterk veranderde, een naar binnen uitstekende punt
-zou ontstaan. Over het algemeen komt het mij waarschijnlijk voor, dat
-de punten in quaestie in sommige gevallen, zoowel bij den mensch als
-bij de apen, rudimenten van een vroegeren toestand zijn.
-
-De membrana nictitans of het derde ooglid (19) met zijn bijbehoorende
-spieren en andere deelen, is bijzonder goed ontwikkeld bij vogels, en
-door zijn functie voor hen van groot gewicht, daar het snel over den
-geheelen oogbol kan worden getrokken. Men vindt het bij sommige
-reptielen en amphibieën en bij sommige visschen, zooals de haaien. In
-de twee lagere afdeelingen van de klasse der zoogdieren, namelijk bij
-de snaveldieren (Monotremata) en bij de buideldieren, en ook bij enkele
-hoogere zoogdieren, zooals bij den walrus, komt het eveneens goed
-ontwikkeld voor. Maar bij den mensch, de apen en de meeste andere
-zoogdieren, bestaat het, naar door alle ontleedkundigen wordt
-aangenomen, alleen rudimentair en vormt de zoogenaamde plica
-semilunaris. [33]
-
-De reukzin is voor de meeste zoogdieren van het hoogste
-gewicht—sommigen, zooals de herkauwende dieren, waarschuwt hij voor
-gevaar; anderen, zooals de verscheurende dieren, helpt hij hun prooi
-vinden; bij nog anderen, zooals het wilde zwijn, dient hij voor beide
-die doeleinden. Maar de reukzin is, zoo van eenig, dan toch van zeer
-weinig nut, zelfs voor de wilden, bij wie hij in ’t algemeen meer
-ontwikkeld is dan bij de beschaafde rassen. Hij waarschuwt hen niet
-voor gevaren, en doet hun hun voedsel niet vinden; hij verhindert niet,
-dat de Eskimo’s in de meest bedorven lucht leven, noch dat vele wilden
-half verrot vleesch eten. Zij die gelooven aan het beginsel van
-trapsgewijze ontwikkeling, zullen niet gereedelijk toegeven, dat de
-mensch dien zin oorspronkelijk slechts in die mate heeft verkregen,
-waarin hij hem tegenwoordig bezit. Ongetwijfeld heeft hij dien zin in
-verzwakten en dus gedeeltelijk rudimentairen toestand van den eenen of
-anderen voorouder geërfd, die er zeer veel nut van had en hem
-voortdurend gebruikte. Wij kunnen daaruit misschien de zeer juiste
-opmerking van Dr. Maudsley [34] begrijpen, als hij zegt, dat de reuk
-bij den mensch „bijzonder dienstig is om de gedachte aan en het beeld
-van vergeten tooneelen en plaatsen levendig in het geheugen terug te
-roepen”; want bij dieren waarbij dit zintuig ontwikkeld is, zooals
-honden en paarden, zien wij, dat oude herinneringen van personen en
-plaatsen in nauw verband staan met hun reuk.
-
-De mensch verschilt zeer van al de andere Primaten, doordat hij bijna
-geheel onbehaard is. Over het grootste gedeelte van het lichaam vindt
-men bij den man slechts enkele korte haren, hier en daar verspreid; bij
-de vrouw slechts fijn dons. Bij individu’s, die tot het zelfde ras
-behooren, vindt men veel verschil in behaardheid, niet alleen wat het
-getal der haren aangaat, maar ook in de plaats waar zij groeien; zoo
-zijn de schouders van sommige Europeanen geheel kaal, terwijl zich
-daarop bij andere dikke bossen haar vertoonen. [35] (20) Het valt bijna
-niet te betwijfelen, of de haren, die zoo ongelijk over het lichaam
-verspreid zijn, zijn slechts rudimenten van het harig bekleedsel, dat
-de lagere diersoorten geheel bedekt. Deze voorstelling krijgt te meer
-waarschijnlijkheid, wanneer men bedenkt, dat fijne, korte, licht
-gekleurde haren op armen en beenen en andere lichaamsdeelen nu en dan
-overgaan in „dicht opeenstaande, lange, eenigszins grove, donkere
-haren”, wanneer zij abnormaal worden gevoed dicht bij plekken, die zich
-sinds lang in ontstoken toestand bevinden.
-
-De heer Paget [36] deelt mij mede, dat menschen die tot de zelfde
-familie behooren, dikwijls in hun wenkbrauwen enkele haren hebben, die
-langer zijn dan de overige, zoodat deze kleine bijzonderheid schijnt te
-worden overgeërfd. Deze haren vertegenwoordigen klaarblijkelijk de
-vibrissae (21), die bij velen van de lagere diersoorten als tastorganen
-worden gebruikt. Bij een jongen chimpanzee heb ik opgemerkt, dat enkele
-rechtopstaande, vrij lange haren boven de oogen uitstaken, op de plaats
-waar de ware wenkbrauwen zouden hebben gestaan, wanneer zij aanwezig
-waren geweest.
-
-Het fijne, wollige haar, het zoogenaamde lanugo, waarmede de
-menschelijke foetus gedurende de zesde maand dicht bedekt wordt, levert
-een nog opmerkenswaardiger geval op. Het ontwikkelt zich eerst in de
-vijfde maand, op de wenkbrauwen en op het gelaat, voornamelijk rondom
-den mond, waar het veel langer is dan op het hoofd. Eschricht [37] vond
-een knevel van deze soort bij een vrouwelijken foetus; dit is evenwel
-niet zoo verwonderlijk, als men op het eerste gezicht zou denken, want
-de twee seksen hebben, wat uiterlijke kenmerken aangaat, gedurende het
-eerste tijdperk van hun ontwikkeling over het algemeen veel
-overeenkomst met elkander. De richting en rangschikking der haren zijn
-op alle deelen van het lichaam van den foetus de zelfde als bij den
-volwassen mensch, maar zijn aan veel verschil onderhevig. De geheele
-oppervlakte, zelfs voorhoofd en ooren daaronder begrepen, is dicht met
-haar bezet; maar het is een veelbeteekenend feit, dat de palmen der
-handen en de voetzolen geheel kaal zijn, evenals de onderste deelen van
-alle vier de ledematen bij de meeste lagere dieren. Daar dit alles
-moeielijk aan een toevalligen samenloop van omstandigheden kan worden
-toegeschreven, moeten wij de wollige bedekking van den foetus
-beschouwen als de rudimentaire vertegenwoordiger van het blijvende
-harige bekleedsel der zoogdieren, die behaard ter wereld komen. Er zijn
-drie of vier gevallen opgeteekend van personen, die bij hun geboorte
-hun geheele lichaam en gelaat dik bedekt hadden met fijne, lange haren;
-en deze vreemde toestand is in hooge mate erfelijk en gaat gepaard met
-een abnormalen toestand der tanden. [38] Prof. Alex. Brandt bericht
-mij, dat hij het haar van een zoodanig man, vijf-en-dertig jaren oud,
-heeft vergeleken met het wolhaar van een foetus, en het geheel
-gelijksoortig heeft bevonden; daarom kan, naar hij opmerkt, het geval
-worden toegeschreven aan een stilstand in de ontwikkeling van het haar,
-gepaard met het voortdurend groeien daarvan. Een dokter van een
-kinderhospitaal heeft mij verzekerd, dat bij vele teêre kinderen de rug
-met vrij lange zijdeachtige haren bedekt is; en zulke gevallen behooren
-waarschijnlijk tot de zelfde categorie.
-
-Het schijnt, dat de achterste maaltanden of kiezen van verstand bij de
-meer beschaafde menschenrassen een neiging bezitten om rudimentair te
-worden. Deze kiezen zijn iets kleiner dan de andere maaltanden, zooals
-ook het geval is met de overeenkomstige tanden van den chimpanzee en
-den orang; en zij hebben slechts twee afzonderlijke wortels. Zij komen
-niet voor het zevende jaar door het tandvleesch heên, en tandmeesters
-hebben mij verzekerd, dat zij veel meer aan verrotting onderhevig zijn
-en vroeger uitvallen dan de andere tanden. Het is ook opmerkelijk, dat
-bij die tanden meer verschil bestaat, zoowel in vorm als in het
-tijdperk van hun ontwikkeling, dan bij de andere. [39] Bij de
-Melanesische rassen daarentegen hebben de kiezen van verstand
-gewoonlijk drie afzonderlijke wortels en zijn ze doorgaans gezond; in
-grootte verschillen zij bij deze minder van de andere maaltanden dan
-bij de Kaukasische rassen. [40] Prof. Schaaffhausen geeft van dit
-verschil tusschen genoemde rassen de volgende reden: „het gedeelte van
-de kaak, waar de laatste kiezen komen, wordt bij de beschaafde rassen
-voortdurend korter” [41], en dit steeds korter worden, geloof ik, dat
-men veilig daaraan kan toeschrijven, dat beschaafde menschen zich
-steeds met zachte, gekookte spijzen voeden en dat zij dus hun kaken
-minder gebruiken. Van den heer Brace heb ik vernomen, dat het
-tegenwoordig in de Vereenigde Staten een vrij algemeene gewoonte is
-geworden, den kinderen eenige maaltanden uit te trekken, omdat de kaak
-niet groot genoeg wordt voor de volledige ontwikkeling van het normale
-getal. [42]
-
-Wat het darmkanaal betreft, heb ik slechts één rudimentair deel vermeld
-gevonden, namelijk het wormvormige aanhangsel van den blinden darm. De
-blinde darm is een tak of diverticulum van het darmkanaal, die blind
-eindigt, en is bij velen van de lagere plantetende zoogdieren
-buitengewoon lang. Bij de tot de buideldieren behoorende koala is hij
-zelfs meer dan driemaal zoo lang als het lichaam. [43] Somtijds loopt
-hij in een trapsgewijze dunner wordende punt uit, en somtijds wordt hij
-ook door vernauwingen in deelen verdeeld. Het schijnt, dat ten gevolge
-van een veranderden leefregel of van andere gewoonten de blinde darm
-bij vele dieren veel korter is geworden, terwijl het wormvormig
-aanhangsel als een rudiment van het verkorte deel is overgebleven. Dat
-dit aanhangsel een rudiment is, kunnen wij afleiden uit zijn geringe
-grootte en de verschillen, die het, zooals Prof. Canestrini [44] heeft
-bewezen, bij den mensch vertoont. Somtijds ontbreekt het geheel en al,
-andere malen is het daarentegen bijzonder ontwikkeld. De opening ervan
-is somtijds over de helft, somtijds over twee derden van de lengte
-gesloten; het uiteinde is dan plat en zonder inwendige holte. Bij den
-orang is dit aanhangsel lang en samengerold; bij den mensch neemt het
-zijn oorsprong aan het uiteinde van den korten blinden darm, is
-gewoonlijk 10 tot 12.5 c.M. lang en heeft slechts 8 m.M. middellijn.
-Niet alleen is dit aanhangsel nutteloos, maar het veroorzaakt somtijds
-den dood; hiervan heb ik onlangs twee gevallen gehoord: dit wordt
-veroorzaakt door kleine, harde voorwerpen, zooals zaadjes, die in de
-opening ervan dringen en daar ontsteking veroorzaken. [45]
-
-Bij de vierhandigen en eenige andere orden van zoogdieren, in het
-bijzonder bij de verscheurende dieren, is er een opening aan het
-benedeneinde van het opperarmbeen, foramen supra-condyloïdeum genaamd,
-door welke de groote zenuw en dikwijls ook de groote slagader van het
-voorste lid heêngaan. In het opperarmbeen van den mensch is er, zooals
-Dr. Struthers [46] en anderen hebben aangetoond, doorgaans een spoor
-van deze opening en somtijds is zij vrij goed ontwikkeld en wordt dan
-door een haakvormig uitsteeksel van het been en een daaraan verbonden
-band gevormd. Wanneer deze opening er is, gaat de groote zenuw er
-altijd door, en dit bewijst duidelijk, dat zij homoloog met een
-rudiment van het foramen supra-condyloïdeum der lagere diersoorten is.
-Prof. Turner schat, naar hij mij mededeelde, dat zij aanwezig is bij
-één percent van de skeletten uit onzen tijd; in oude tijden schijnt zij
-veelvuldiger te zijn geweest. De heer Busk [47] heeft hiervan de
-volgende bewijzen bijeengebracht: Prof. Broca „vond deze opening bij
-vier en een half percent van de armbeenderen, die in het „Cimétière du
-Sud” te Parijs werden verzameld; en in het hol van Orrony, waarvan de
-inhoud tot den Bronstijd (22) moet worden gebracht, bezaten acht
-opperarmbeenderen van de twee-en-dertig haar; hij gelooft echter dat
-deze buitengewone verhouding daaraan is toe te schrijven, dat het een
-soort van familiegraf was.” De heer Dupont vond, dat 30 percent van de
-beenderen uit de holen van de Lesse, die tot het Rendiertijdperk (23)
-behooren, deze opening bezaten; terwijl de heer Leguay in een soort van
-dolmen te Argenteuil beenderen vond, waarvan vijf-en-twintig percent
-aldus waren doorboord. De heer Pruner-Bey vond, dat bij de beenderen
-van Vauréal 26 percent de opening bezaten. Wij mogen hier niet
-onvermeld laten, dat de heer Pruner-Bey mededeelt, dat die
-bijzonderheid bij de Guanche-skeletten wordt opgemerkt. (24) Het feit,
-dat oude rassen in dit en vele andere gevallen, veelvuldiger
-voorbeelden opleveren van vormen welke op die van lagere diersoorten
-gelijken, dan de nieuwere rassen, verdient opmerking. (25) Een van de
-hoofdredenen schijnt te wezen, dat in de lange rij van afstammelingen
-de oude rassen iets nader bij hun verwijderde op dieren gelijkende
-voorouders staan dan de tegenwoordige.
-
-Hoewel het koekoeksbeen bij den mensch niet tot staart dient,
-vertegenwoordigt het bij hem met eenige wervels, die wij later zullen
-beschrijven, volkomen dat deel van de overige gewervelde dieren. In een
-vroeg embryonaal tijdperk is het vrij, en strekt zich, zooals men in
-Fig. 1, een menschelijk embryo voorstellende, kan zien, tot voorbij de
-onderste ledematen uit. In sommige zeldzame en abnormale gevallen,
-heeft men volgens Isidore Geoffroy en anderen opgemerkt, dat het zelfs
-na de geboorte een klein uitwendig rudiment van een staart vormde. [48]
-(26) Het koekoeksbeen is kort, bestaat gewoonlijk slechts uit vier
-wervels en deze verkeeren in een rudimentairen toestand; want met
-uitzondering van den bovensten bestaan zij alleen uit het
-wervellichaam. [49] Zij zijn voorzien van eenige spieren, waarvan er
-een, naar mij door Prof. Turner is medegedeeld, door Theile
-uitdrukkelijk is beschreven als een rudimentaire herhaling van de
-uitstrekkende spier van den staart, die bij vele zoogdieren zoo
-bijzonder ontwikkeld is.
-
-Het ruggemerg strekt zich bij den mensch benedenwaarts slechts tot de
-laatste rug- of eerste lendenwervels uit; maar een op een draad
-gelijkend deel (het filum terminale) loopt door de as van dat gedeelte
-van het wervelkanaal, dat in het heiligbeen is gelegen, en zelfs over
-den rug van de koekoeksbeentjes naar beneden. Het bovenste gedeelte van
-dezen draad is, naar Prof. Turner mij mededeelt, ongetwijfeld homoloog
-met het ruggemerg, maar het onderste gedeelte bestaat waarschijnlijk
-alleen uit de pia mater of het vaatachtige bekleedende vlies. Zelfs in
-dit geval kan men zeggen, dat het koekoeksbeen een overblijfsel bezit
-van zulk een belangrijk deel als het ruggemerg, al is het dan ook niet
-langer in een beenig kanaal omsloten. Het volgende feit, dat ik ook aan
-Prof. Turner ben verschuldigd, toont hoe volkomen het koekoeksbeen met
-den waren staart der lagere dieren overeenkomt. Luschka heeft onlangs
-aan het uiteinde der koekoeksbeenderen een zeer eigenaardig samengerold
-lichaam ontdekt, dat een voortzetting vormt van den middelsten slagader
-van het heiligbeen, en deze ontdekking gaf aan Krause en Meyer
-aanleiding om den staart van een aap (Macacus) en van een kat te
-onderzoeken: in beide vonden zij, hoewel niet aan het uiteinde, een
-dergelijk samengerold lichaam.
-
-Het voortplantingsstelsel vertoont verschillende rudimentaire deelen,
-maar deze verschillen in één belangrijk opzicht van de voorgaande
-gevallen. Wij hebben hier niet te doen met een overblijfsel dat bij de
-soort in haar tegenwoordigen toestand doelloos is, maar met een deel
-dat bij de ééne sekse altijd tegenwoordig en noodig is, terwijl het bij
-de andere slechts rudimentair is ontwikkeld. Toch is het voorkomen van
-zulke rudimentaire deelen, als men uitgaat van het geloof aan de
-afzonderlijke schepping van elke soort, even moeilijk te verklaren, als
-in de voorgaande gevallen. Later zal ik op deze rudimentaire deelen
-moeten terugkomen, en zal aantoonen, dat hun tegenwoordigheid over het
-algemeen uitsluitend van overerving afhangt, dat namelijk deelen, door
-de ééne sekse verkregen, gedeeltelijk op de andere zijn overgeplant. Ik
-wil hier slechts eenige voorbeelden van dergelijke rudimentaire deelen
-geven. Het is algemeen bekend, dat bij de mannetjes van alle
-zoogdieren, de mensch niet uitgezonderd, rudimentaire tepels worden
-gevonden; er bestaan verschillende voorbeelden, dat deze zich goed
-ontwikkeld en overvloedig melk opgeleverd hebben. (27) Een wezenlijke
-identiteit bij de twee seksen wordt ook daardoor aangetoond, dat zij
-bij beide somtijds sympathetisch opzwellen gedurende een aanval van de
-mazelen. Het is tegenwoordig algemeen erkend, dat de vesicula
-prostatica (28), die bij vele mannelijke zoogdieren is opgemerkt,
-homoloog is met de vrouwelijke baarmoeder en den daarmede verbonden
-doorgang. Het is onmogelijk Leuckart’s uitnemende beschrijving van dit
-orgaan en zijn redeneering te lezen, zonder te worden overtuigd van de
-juistheid van zijn besluit. Dit is vooral duidelijk in het geval van
-die zoogdieren, bij welke de ware vrouwelijke baarmoeder tweehoornig
-is, want bij de mannetjes van deze is ook de vesicula vorksgewijze
-verdeeld. [50] Nog enkele andere, tot het voortplantingsstelsel
-behoorende rudimentaire deelen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
-[51]
-
-De beteekenis van de drie bovenvermelde groote klassen van feiten is
-onmiskenbaar. Het zou echter overtollig zijn den keten van bewijzen, in
-het breede in mijn „Ontstaan der Soorten” gegeven, hier uitvoerig te
-herhalen. De homologe bouw van het geheele geraamte der ledematen in de
-zelfde dierklasse kan worden begrepen, als wij aannemen, dat zij
-afstammen van een gemeenschappelijken stamvader, en daarna door
-langzame verandering voor gewijzigde levensvoorwaarden geschikt zijn
-geworden. Bij elke andere beschouwingswijze is de typische overeenkomst
-tusschen de hand van een mensch en een aap, den poot van een paard, den
-zwempoot van een zeehond, den vleugel van een vledermuis volkomen
-onverklaarbaar. Het is geen wetenschappelijke verklaring te beweren,
-dat zij allen volgens het zelfde ideale plan zijn gevormd. Ten opzichte
-van de ontwikkeling kunnen wij duidelijk begrijpen, uitgaande van het
-beginsel, dat verschillen in een vrij laat embryonaal tijdperk
-ontstonden en in een overeenkomstig tijdperk werden overgeërfd, hoe het
-komt, dat embryo’s van hoogst verschillende diervormen, toch meer of
-minder volkomen het maaksel van hun gemeenschappelijken stamvader
-hebben kunnen bewaren. Geen andere verklaring is ooit gegeven van het
-verwonderlijke feit, dat de embryo’s van een mensch, een hond, een
-zeehond, een vledermuis, een reptiel enz. in den beginne nauwelijks van
-elkander kunnen worden onderscheiden. Om het bestaan van rudimentaire
-organen te begrijpen, hebben wij slechts te onderstellen, dat een
-vroegere voorvader die deelen in volkomen staat bezat, en dat zij onder
-veranderde levensvoorwaarden zeer werden verkleind, hetzij alleen
-doordat zij niet werden gebruikt, hetzij doordat de natuur die
-individu’s voor de voortplanting uitkoos, welke het minst waren
-overladen met een overtollig deel, geholpen door de overige boven
-aangegeven middelen.
-
-Op die wijze kunnen wij begrijpen, wat de reden is van het feit, dat de
-mensch en al de overige gewervelde dieren volgens het zelfde algemeene
-type zijn gevormd, waarom zij de zelfde vroege ontwikkelingstrappen
-doorloopen en waarom sommige rudimentaire deelen bij hen allen
-voorkomen. Bij gevolg moeten wij onbewimpeld hun gemeenschappelijke
-afstamming aannemen; aan een andere beschouwingswijze de voorkeur
-geven, is aannemen, dat ons eigen maaksel en dat van alle ons
-omringende dieren slechts een valstrik is, gespannen om ons oordeel van
-den goeden weg af te brengen. Dit besluit wordt zeer versterkt, als wij
-de leden van de geheele dierlijke reeks beschouwen, en letten op de
-bewijzen, afgeleid van hun verwantschappen of klassificatie, hun
-geographische verspreiding en geologische opeenvolging. (29) Het zijn
-alleen ons natuurlijk vooroordeel en die hoogmoed, die onze voorouders
-deed verklaren, dat zij van halfgoden afstamden, die er ons toe leiden
-dit besluit te betwijfelen. De tijd zal echter weldra aanbreken, dat
-men het vreemd zal vinden, dat natuuronderzoekers, die goed bekend
-waren met de vergelijkende ontleedkunde en met de
-ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch en van andere zoogdieren,
-hebben kunnen gelooven, dat elke soort door een afzonderlijke
-scheppingshandeling was voortgebracht.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) „Homologe structuur.” Er bestaat in het wetenschappelijk
-taalgebruik een groot verschil tusschen homologie en analogie. Homoloog
-noemt men die deelen, welke volgens het zelfde algemeene type gebouwd
-en op de zelfde wijze met de overige deelen verbonden zijn, en dus uit
-een vergelijkend anatomisch oogpunt met elkander overeenkomen, al
-verschilt hun gebruik geheel. Zoo zijn b.v. de hand van een mensch, de
-vleugel van een vledermuis, de graafpoot van een mol homoloog, evenzoo
-de zwemblaas van een visch en de longen van een zoogdier. Twee soorten
-vertoonen dus een homologe structuur, wanneer de deelen waaruit het
-lichaam van de eene bestaat, homoloog zijn met de deelen van het
-lichaam van de andere. Bij eene en de zelfde soort merkt men tusschen
-de beide seksen een homologe structuur op. Analoog noemt men die
-deelen, welke tot de zelfde functie dienen, al komen zij uit een
-vergelijkend anatomisch oogpunt volstrekt niet overeen. Zoo zijn b.v.
-de vleugels van een vogel analoog met die van een vlinder, daar beide
-dienen om te vliegen, en is, hoewel beide pooten zijn, de poot van een
-vogel volstrekt niet homoloog met die van een vlinder [52]; evenzoo
-zijn de longen van een zoogdier analoog met de kieuwen van een visch,
-daar beide ademhalingswerktuigen zijn, enz. Twee deelen kunnen
-natuurlijk ook tegelijkertijd homoloog en analoog zijn, b.v. de armen
-van een mensch en de voorpooten van een aap, de vleugels van een vogel
-en die van een vledermuis, enz.
-
-Ook in één en het zelfde dierlijke lichaam merkt men op, dat sommige
-deelen, volgens het zelfde type gebouwd, op de zelfde wijze met andere
-deelen verbonden en dus homoloog zijn. Zoo zijn b.v. de wervels
-homologe deelen, evenzoo de ribben. In dezen zin zijn de voorste
-ledematen van een gewerveld dier homoloog met de achterste, en de
-linkerhelft van het lichaam met de rechterhelft. R. Owen noemt deze
-soort van homologie homotypie en bezigt het woord homologie alleen bij
-vergelijking van overeenkomstige deelen van verschillende soorten of
-seksen.
-
-(2) „Rudimentaire organen.” Gelijk aan de lezers van het „Ontstaan der
-Soorten” en van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” bekend
-is, merkt men dikwijls op, dat organen, die bij de eene diersoort in
-geheel ontwikkelden toestand voorkomen en tot bepaalde functiën dienen,
-bij andere soorten in groei achtergebleven en door onvolledige
-ontwikkeling ook in vorm veranderd zijn. Somtijds hebben zij dan bij
-die tweede soort geen of gering nut, ja kunnen in enkele gevallen zelfs
-schadelijk worden; zij zijn om zoo te zeggen slechts daar als
-vertegenwoordigers der ontwikkelde organen en bewijzen de eenheid van
-type der twee soorten. Dergelijke onvolledig ontwikkelde deelen noemt
-men rudimentaire organen. Evenzoo komen sommige organen die bij de eene
-sekse goed ontwikkeld zijn, bij de andere gewoonlijk slechts in
-rudimentairen toestand voor (b.v. de zogklieren bij den mensch). Ook
-vindt men bij volwassen individu’s organen, die gedurende het foetale
-leven goed ontwikkeld waren, in rudimentairen staat terug. Zoo zijn de
-vasa aberrantia van de ballen bij den man en de zoogenaamde lichamen of
-organen van Rosenmüller bij de vrouw rudimenten van de corpora
-Wolffiana of primordiaalnieren van den embryo. Evenzoo zijn, wanneer
-men bij een en het zelfde individu homotype organen vergelijkt, bij het
-eene sommige deelen slechts rudimentair aanwezig, die bij het andere
-volkomen ontwikkeld zijn. Zoo zijn de beentjes van het staartbeen
-slechts rudimenten van wervels.
-
-Ten vorigen jare heeft W. Pfitsner een anatomische verhandeling, „Die
-kleine Zehe”, uitgegeven, waarin hij er op wijst, dat de kleine teen
-bij den mensch rudimentair begint te worden. Deze teen behoort
-eigenlijk uit drie kootjes te bestaan, maar bij 36% der Duitschers zijn
-de beide laatste kootjes met elkander vergroeid (hoewel de grens er
-tusschen nog zichtbaar is) en wel in den regel aan beide voeten, bij
-ruim 41% der vrouwen en 31% der mannen. De druk van het schoeisel kan
-de oorzaak hiervan niet zijn (tenzij men hier aan de overerving eener
-verworven eigenschap mag denken), daar deze vergroeiing even veelvuldig
-voorkomt bij embryo’s (van de vijfde maand af) en bij kinderen van 1–7
-jaar als bij volwassenen, en daarenboven behooren de personen, wier
-lijken op de snijkamers kunnen worden onderzocht, zelden tot die
-kringen der maatschappij, welke gewoon zijn nauwe schoenen te dragen.
-Het eindresultaat zal wel zijn, dat op den duur de kleine teen bij
-allen slechts uit twee kootjes zal bestaan, en naar schrijver meent,
-zou dit de eerste stap zijn tot volkomen rudimentair worden van den
-kleinen teen. Schrijver acht het terecht wenschelijk, dat deze in dit
-opzicht ook bij volken die geen schoenen of sandalen dragen, wordt
-onderzocht. Hij wijst er op, dat men ook bij levenden door strekking en
-buiging van den kleinen teen gemakkelijk kan onderzoeken of de laatste
-kootjes daarvan al dan niet met elkander vergroeid zijn.
-
-Een der merkwaardigste rudimentaire organen, dat ook bij den mensch
-voorkomt, is de zoogenaamde pijnappelklier, door Descartes nog voor „de
-verblijfplaats der redelijke ziel” gehouden.
-
-In 1886 is door de Graaf [53] en Spencer [54] gelijktijdig aangetoond,
-dat de zoogenaamde pijnappelklier (epiphyse) in de hersenen het
-rudiment is van een derde oog, dat bij de vroege voorouders der
-gewervelde dieren als zoodanig werd gebruikt. Bij sommige fossiele
-amphibieën (Labyrinthodonten) en hagedissen komt in den schedel een gat
-voor (een rudiment daarvan is bij de levende dieren dezer klasse de
-zoogenaamde parietaalopening), waar de gezichtszenuw met de epiphyse
-was verbonden. Bij de embryo’s der tegenwoordige amphibieën en
-reptielen begint het derde oog zich als een blaas aan het uiteinde van
-een veelal lang uitgegroeiden steel te ontwikkelen, maar wordt later
-door de hersenvliezen geheel van zijn steel gescheiden. De steel
-verandert daarna in de epiphyse en uit het oog wordt bij de amphibieën
-de zoogenaamde Stiedasche voorhoofdsklier gevormd, die bij de geboorte
-onder de epidermis in de lederhuid ligt, terwijl het bij de reptielen
-als een uit cellen bestaande blaas, die nog pigment en een soort van
-lens bezit, tusschen de hersenvliezen blijft liggen. Uit den steel
-ontwikkelt zich na de afsnoering de pijnappelklier. Bij den hazelworm
-(Anguis fragilis) herinnert de genoemde blaas zeer aan het oog van
-hoogontwikkelde ongewervelde dieren (b.v. inktvisschen).
-
-Spencer vond bij Hatteria punctata (een Nieuw-Zeelandsch reptiel) en
-later ook bij Iguana, Cameleon vulgaris en Lacerta agilis het derde
-oog, klein maar duidelijk herkenbaar en volkomen ontwikkeld, ofschoon
-de lens troebel is, en door een gezichtszenuw met de epiphyse
-verbonden, in de zoogenaamde parietaalopening liggen. Een dikke laag
-bindweefsel scheidt het van de huid, die de parietaalopening bedekt.
-Ofschoon die huid ter plaatse der opening naar binnen gedrukt is, kan
-het derde oog ook bij deze dieren dus niet meer tot zien dienen. Ook
-Spencer merkt de gelijkenis met het oog van sommige ongewervelde dieren
-op („Nature”, 13 Mei 1886).
-
-Uitvoeriger besprak Spencer zijn ontdekking in „Quart. Journ. of
-Microsc. Science”, vol. 27, waar hij de resultaten van zijn onderzoek
-bij 29 soorten van hagedissen mededeelt en bewijst, dat men hier zeer
-zeker met een rudimentair, tegenwoordig in ontwikkeling achteruitgegaan
-orgaan te doen heeft.
-
-Reeds vroeger had Rabl. Rückhard er op gewezen, dat bij de reusachtige
-zeehagedissen uit de liasformatie in de parietaalopening een zintuig
-had gelegen, dat ongetwijfeld met de epiphyse in betrekking stond en
-volgens hem waarschijnlijk tot waarneming der stralende warmte had
-gediend.
-
-De Zwitsersche geleerde Béraneck geeft toe, dat het parietaalorgaan bij
-de reptielen eens als derde oog heeft gefungeerd, maar houdt het er
-voor, dat het alleen bij die klasse der gewervelde dieren zich tot een
-gezichtswerktuig heeft ontwikkeld en bij de overigen een andere functie
-heeft.
-
-Leydig, die reeds zeventien jaren geleden het bedoelde orgaan waarnam,
-hield het niet voor een gezichtswerktuig, maar rekende het tot de
-huidzintuigen, hetgeen door Spencers ontdekking van een directe
-zenuwverbinding daarvan met de epiphyse bij Hatteria enz., wat de
-reptielen aangaat, voor weêrlegd mag worden gehouden. Leydig wijst
-daarbij op de bijzondere ontwikkeling der voorhoofdsklier bij de
-visschen uit de groep der Scopeliden, waar die geheel gelijkt op de
-zoogenaamde „nevenoogen”, welke ook bij andere visschen, gelijk
-Chauliodus, voorkomen en op de bij de enkelvoudige oogen der
-arthropoden en de bij andere ongewervelde dieren aangewezen gevallen,
-waarbij gezichtsorganen en beker- of knopvormige organen zoo kunnen
-samenhangen, dat men, om zich deze betrekking duidelijk te maken, zijn
-toevlucht heeft genomen tot de uitdrukking overgangszintuigen.
-
-Er bestaan ongetwijfeld bij sommige andere dieren zintuigen, die de
-mensch mist (zie J. Lubbock, „Sense in Animals”, 1889), en zulke
-zintuigen kunnen ook bij de stamouders der gewervelde dieren hebben
-bestaan. Van de indrukken en wijze van werking van zintuigen die wij
-missen, kunnen wij ons evenmin een heldere voorstelling maken als een
-blindgeborene van het licht of een geboren doofstomme van het geluid.
-
-Bij de Scopeliden zijn de nevenoogen zeker geen gezichtsorganen, maar
-dienen als lichtgevende organen, waardoor haar in de duistere diepten
-van den Oceaan het zien mogelijk wordt gemaakt (Emery, „Die
-augenähnlichen Organe der Fische”, Bonn, 1881; „Reports of the
-Scientific Results of the Expedition of the Challenger, Zoology”, vol.
-XXII).
-
-Waarschijnlijk zal eens blijken, dat het derde oog homoloog is met de
-pigmentvlek van Amphioxus en het oog der Ascidiënlarven. [55] Het feit,
-dat er in de pijnappelklier zelfs bij den mensch nog een rudiment van
-bewaard is gebleven, is een sterk bewijs voor den samenhang der
-gewervelde dieren en van ’s menschen afstamming van een lageren vorm.
-
-(3) „te beginnen met den heer Boucher de Perthes.” De Fransche geleerde
-Boucher de Perthes was de eerste, die de aandacht vestigde op
-voortbrengselen van menschelijke nijverheid, die tot een geologisch
-tijdvak, ouder dan het tegenwoordige (het postpliocene tijdvak of
-diluvium) opklimmen. Hij gaf in 1847 in zijn „Antiquités Celtiques et
-Antédiluviennes” beschrijvingen en afbeeldingen van zeer ruw bewerkte
-vuursteenen wapenen uit het diluvium der Somme-vallei, na in 1846 in
-zijn werk „De l’Industrie Primitive ou les Arts et leur Origine” reeds
-te hebben medegedeeld, dat hij dergelijke wapenen aldaar gevonden had.
-Men sloeg eerst weinig geloof aan zijne bewering, tot de waarheid
-daarvan in 1853 door Dr. Rigollot en later door de Engelsche geleerden
-Dr. Falconer, Joseph Evans en Joseph Prestwich, die een onderzoek op de
-plaats zelve instelden, boven allen twijfel verheven werd. Deze
-vuursteenen wapenen zijn voor ons even ontwijfelbare bewijzen van ’s
-menschen bestaan in de voorwereld, als de voetstappen der wilden het
-voor Robinson Crusoë waren van het bezoeken van zijn eiland door andere
-menschen. Zij zijn, om met een Engelsch hoogleeraar te spreken, even
-duidelijke producten van menschelijke nijverheid, als de messen van
-Sheffield. Boucher de Perthes had ook het geluk de eerste te zijn, die
-een deel van een menschelijk geraamte—de beroemde onderkaak van
-Moulin-Quignon—in een gestratifieerde diluviale laag ontdekte.
-Merkwaardige en overtuigende bewijzen voor het bestaan van den mensch
-gedurende het postpliocene tijdvak zijn de later gevonden, door
-tijdgenooten vervaardigde, afbeeldingen van diluviale dieren, onder
-anderen van den holenbeer (Fig. 4) en van den mammouth (zie de
-steendrukplaat in het Album der Natuur 1867, blz. 366).
-
-Dat niet alleen in de Oude Wereld, maar ook in Amerika de mensch reeds
-gedurende het diluvium tegelijk met uitgestorven diersoorten leefde, is
-volkomen zeker. In mijn artikelen over „De Voorhistorische Menschen in
-Amerika” („Album der Natuur”, 1870 en 71) heb ik daaromtrent reeds het
-een en ander medegedeeld. In 1889 heeft Dr. Abbott op de vergadering
-van de „American Association for the Advancement of Science” een
-overzicht gegeven van de tot het jaar toe in Noord-Amerika gevonden
-wapens en werktuigen uit den oudsten steentijd of palaeolithische
-periode. [56] De gewichtigste vondsten zijn bij Trenton aan de „Little
-Falls” (Minnesota) en in het dal van de kleine Miami bij Loveland
-(Ohio) gedaan. Op het ras, waaraan deze steenen wapens en werktuigen
-moeten worden toegeschreven, komen wij later terug. Abbott bewijst, dat
-het eind der ijsperiode slechts het minimum van tijd aangeeft, die
-tusschen het tijdvak der palaeolithischen mensch in Noord-Amerika en
-den tegenwoordigen tijd is verstreken. De erosie van de rotskloof
-waardoor de Niagara stroomt, is eerst begonnen, nadat de ruw bewerkte
-vuursteenen van Trenton en Madisonville in den bodem bedolven waren.
-Gedurende den ijstijd werden gedeelten van Noord-Amerika door den
-mensch bewoond, wiens tijdgenooten o.a. de mastodon, de mammouth en het
-sedert veel verder naar het noorden terug geweken rendier waren.
-
-Op nog ouder sporen van den mensch in Californië, die tot het tertiaire
-tijdvak opklimmen, komen wij later terug.
-
-(4) Zie Charles Lyell’s beroemd werk over de oudheid van den mensch,
-door Dr. T. C. Winkler in onze taal overgezet, onder den titel van „De
-Geologische Bewijzen voor de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”,
-Zalt-Bommel, bij Joh. Noman en Zoon, 1864.
-
-(5) Het uitvoerigst, duidelijkst en grondigst bespreekt Haeckel den
-oorsprong, de afstamming en ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch in
-zijn „Anthropogenie oder Entwickelungsgeschichte des Menschen.
-Gemeinverständliche wissenschaftliche Vorträge über die Grundzüge der
-menschlichen Keimes- und Stammes-geschichte”, waarvan de derde
-omgewerkte uitgaaf in 1877, bij W. Engelmann te Leipzig verscheen. Een
-achtste omgewerkte en uitgebreide uitgaaf van de „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” verscheen in 1889.
-
-(6) „Correlatie.” Hieronder verstaat men, gelijk aan de lezers der drie
-vorige deelen van Darwin’s Biologische Meesterwerken bekend is, het
-feit, dat zoowel bij den mensch als bij de dieren sommige deelen in zoo
-innig verband met elkander staan, dat wanneer het eene zekere
-wijzigingen vertoont of abnormaal ontwikkeld is, zulks ook met het
-andere het geval is, zonder dat wij ons in de meeste gevallen
-rekenschap van de oorzaak kunnen geven. Vooral homotype deelen
-vertoonen correlatie; wanneer een individu b.v. aan de linkerhand meer
-dan vijf vingers heeft, zal het meestal ook aan de rechterhand een even
-groot aantal bezitten (Correlatie tusschen de beide homotype
-lichaamshelften), en daarenboven ook aan de voeten dikwijls een
-abnormaal aantal teenen hebben (Correlatie tusschen de homotype voorste
-en achterste ledematen). Een voorbeeld hiervan vindt men in de achtste
-aanteekening op dit hoofdstuk. Ook het feit, dat een abnormaal
-ontwikkeld lichaamsdeel meestal in zijn afwijking den normalen bouw van
-een ander daarmede homotyp deel teruggeeft, draagt den naam van
-correlatie. Als b.v. de spieren van den arm abnormaal ontwikkeld zijn,
-vindt men er dikwijls den normalen bouw van de spieren van het been in
-terug en omgekeerd ook niet-abnormaal ontwikkelde deelen vertoonen
-correlatie, daar bepaalde wijzigingen in het eene met overeenkomstige
-wijzigingen in het andere gepaard gaan. Zoo bestaat er bij den mensch
-correlatie tusschen het haar, de huid en de oogen. Personen met donker
-gekleurde huid hebben toch gewoonlijk donker haar en donkere oogen,
-terwijl blond en vooral rood haar gepaard gaan met bijzonder blanke
-huid en lichte oogen. Evenzoo gaat groote lengte der ledematen
-gewoonlijk gepaard met groote lengte van het hoofd en van het lichaam,
-en het geheele dier neemt rankere vormen aan, zooals wij aan onze
-windhonden kunnen opmerken. Zie verder over Correlatie: Hoofdstuk II
-van dit werk en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned.
-Vert., Deel II, blz. 370.
-
-(7) Misvorming ten gevolge van „stilstand in de ontwikkeling.” De
-Duitschers noemen dit „Hemmungsbildung.” Wanneer volwassen individuen
-misvormingen vertoonen, die bij den embryo of den foetus op zeker
-tijdstip zijner ontwikkeling normaal voorkomen, dan wordt zulks
-toegeschreven aan een storing, een stilstand in de ontwikkeling van het
-misvormde orgaan, die begonnen is op het tijdstip, waarop den embryo of
-de foetus normaal den waargenomen vorm vertoont. Op elke 500 menschen
-vindt men er b.v. gemiddeld één met een hazenlip, nog minder vindt men
-er, die een dubbele hazenlip hebben; eindelijk zijn er nog zeldzamer
-voorbeelden van verhemelten, die zoo zijn gespleten, dat de neusholte
-met de mondholte samenhangt. Dit zijn allen echter vormen, die ieder
-mensch gedurende het foetale leven heeft doorloopen. De enkele en
-dubbele hazenlip, het gespleten verhemelte van sommige menschen zijn
-derhalve misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling
-(Hemmungsbildungen).
-
-(8) „Reduplicatie van deelen.” Er worden soms, zoowel bij de dieren als
-bij den mensch individu’s geboren, die zekere deelen in grooter getal
-bezitten, dan zulks in normalen toestand bij de soort waartoe zij
-behooren, wordt waargenomen. Zoo zijn dikwerf kinderen waargenomen, die
-aan handen of voeten een grooter aantal vingers of teenen bezaten, dan
-gewoonlijk. Het sterkst mij hiervan bekende geval is dat van een
-persoon, die aan elken voet 12 teenen en aan elke hand tevens 12
-vingers had (Hyrtl, „Handboek der Topographische Ontleedkunde”, Ned.
-Vertaling van Dr. E. Hanlo, Deel II, blz. 626). Een ander voorbeeld van
-een dergelijke reduplicatie van deelen leveren ons de tepels. „De
-gevallen van overtallige borsten of tepels naast de normale, of in de
-okselholte, in de lies, op den rug enz. zijn bij het vrouwelijke
-geslacht zeer dikwijls waargenomen” (ibid., Deel I, blz. 529). Soms
-heeft ééne klier zelfs meer dan éénen tepel.
-
-(9) „Terugkeer tot een vroeger en ouder type van organisatie.” Het
-atavisme berust meestal op een stilstand in de ontwikkeling
-(Hemmungsbildung). Volgens de denkbeelden van de voorstanders der
-ontwikkelingstheorie toch beantwoordt de reeks van ontwikkelingsphasen,
-welke een diersoort gedurende het foetale leven doorloopt, verkort aan
-die, welke de soort zelve bij haar ontwikkeling heeft doorloopen. Een
-merkwaardig voorbeeld van atavisme door stilstand in de ontwikkeling
-bij den mensch leveren de zoogenaamde microcephalen, waarover Carl Vogt
-een uitnemende verhandeling heeft geschreven. Op zeker tijdstip van
-zijn ontwikkeling bezit de menschelijke foetus hersenen, die niet meer
-ontwikkeld zijn dan die van een aap. Heeft op dit tijdstip een
-stilstand in de ontwikkeling plaats, dan wordt er een kind geboren, dat
-de laatste ontwikkelingsphase van den menschelijken typus niet heeft
-medegemaakt, een kind, dat atavisme, dat in zijn hersenen den normalen
-toestand der hersenen van de naaste stamouders van het menschelijk
-geslacht vertoont, een microcephaal of aapmensch (deze laatste
-uitdrukking is door den volksmond gevonden). Zijn de hersenen van
-dergelijke microcephalen aapachtig ontwikkeld, hun gelaat is
-menschelijk, maar vertoont het type van een zoo laag en dierlijk
-menschenras, dat de laagste Papoea van den tegenwoordigen tijd in
-vergelijking zeer ontwikkeld mag heeten. De zoogenaamde Azteken, ook
-hier te lande rondgevoerd, waren niets anders dan dergelijke
-microcephalen, die een roodhuid tot vader en een negerin tot moeder
-hadden. (Zie over de Microcephalen de bekroonde prijsverhandeling van
-Carl Vogt in „Archiv für Anthropologie”, Bd. II, Brunswijk, 1867, blz.
-129–285, met 26 groote steendrukplaten, 74 afbeeldingen van schedels
-bevattende.)
-
-(10) Hoogst merkwaardig zijn in dit opzicht de afbeeldingen, die Vogt
-in het eerste deel zijner „Vorlesungen über den Menschen”, Giessen,
-1863, geeft. Zie aldaar Fig. 36, 37, 61, 62, 67, 69. Het zal wellicht
-niet ongepast zijn, hier een kort overzicht te geven van den strijd,
-die voor ettelijke jaren over het maaksel der hersenen bij den mensch
-en de apen tusschen Professor Owen aan de eene en Prof. Huxley en vele
-andere geleerden aan de andere zijde plaats had, een strijd, waarin de
-Nederlandsche hoogleeraren Schroeder van der Kolk en Vrolik zich
-bijzonder onderscheidden. Tot het jaar 1857 waren alle beroemde
-ontleedkundigen, die zich met het maaksel der hersenen van de apen
-hadden bezig gehouden, Cuvier, Tiedeman, Sandifort, Vrolik, J. G. St.
-Hilaire, Schroeder van der Kolk, Gratiolet enz. het daarover eens, dat
-die hersenen volgens het zelfde type waren gebouwd als die van den
-mensch. In 1857 echter beweerde Owen in een in het tijdschrift van de
-Linnean Society afgedrukte verhandeling, dat de hersenen van de apen
-zich van die van den mensch zouden onderscheiden, doordat de groote
-hersenen bij de eersten de kleine niet geheel overdekken (als men ze
-van boven beschouwde) en door het gemis van den achtersten hoorn der
-zijdelingsche hersenholte en van den Hippocampus minor. Huxley kwam
-hier tegen op, en het bleek dat Owen ongelijk had. Owen beriep zich
-onder anderen op een afbeelding, door Schroeder van der Kolk en Vrolik
-van de hersenen van den chimpanzee gegeven, doch waarvan de
-onnauwkeurigheid door Gratiolet was aangetoond. Schroeder van der Kolk
-en Vrolik verklaarden echter, dat zij, hoewel groote tegenstanders van
-alle vormen van de leer der trapsgewijze ontwikkeling, de waarheid
-boven alles lief hadden; dat zij daarom, op gevaar af van steun te
-geven aan theorieën, die zij bestreden, het hun plicht achtten openlijk
-te protesteeren tegen het misbruik, dat Owen van hun autoriteit maakte,
-en de volkomen juistheid van de kritiek van Gratiolet erkenden. Zij
-gaven daarenboven nieuwe en juiste afbeeldingen van de hersenen van den
-orang en toonden het werkelijk bestaan van de betwiste deelen in een
-der zittingen van de Academie van Wetenschappen te Amsterdam aan, met
-het gevolg, dat „la présence des parties contestées y a été
-universellement reconnue par les anatomistes présents à la séance.” De
-onjuistheid der beweringen van Owen werd daarenboven door meerdere
-dissecties van hersenen van vele verschillende aapsoorten door Prof.
-Huxley zelf, door Prof. Rolleston F. R. S., de heeren Marshal F. R. S.,
-Flower en Turner, allen ontleedkundigen, volkomen bewezen. De
-onnauwkeurigheid der eerste afbeelding van Schroeder van der Kolk en
-Vrolik was daaraan te wijten dat het nageteekende voorwerp in alcohol
-werd bewaard, en daardoor de deelen waren misvormd.
-
-(11) „Man is subject like other animals, birds and even insects to that
-mysterious law, which causes certain normal processes, such as
-gestation as well as the maturation and duration of various diseases to
-follow lunar periods.”
-
-Het beste voorbeeld van een normaal proces dat aan maandelijksche
-perioden is gebonden, leveren ons de maandstonden der vrouw. Zwangere
-vrouwen lijden soms, ten tijde dat de maandstonden zouden moeten plaats
-hebben, aan witten vloed. Men heeft ook maandelijks periodiek
-terugkeerende neusbloedingen en maagbloedingen waargenomen, die dan de
-plaats der maandstonden bekleeden. Darwin schijnt echter werkelijk aan
-een geheimzinnig verband tusschen den loop der hemellichamen en de
-lichaamsverrichtingen van menschen en dieren te hebben geloofd en het
-periodiek terugkeeren van sommige normale en abnormale verschijnselen
-met de omwenteling der maan om de aarde in verband te hebben gebracht.
-Hij tracht daarvan in Hoofdstuk VI zelfs een verklaring te geven. Deze
-meening komt ons hoogst onwaarschijnlijk, ja onhoudbaar voor. Die
-perioden toch zijn bij verschillende individu’s van verschillende
-lengte. Zoo zijn er vrouwen, die elke veertien dagen, andere, die
-slechts om de zes weken menstrueeren. Ook bij het zelfde individu zijn
-die perioden niet altijd volkomen regelmatig.
-
-(12) Boitard (aangehaald door Houzeau, „Facultés mentales des Animaux”,
-1872, tome I, blz. 399) verhaalt, dat in den Jardin des Plantes te
-Parijs, een choak-kama (Cynocephalus porcarius) uit zijn kooi ontsnapte
-en den oppasser Richard gevaarlijk verwondde, zoodat niemand hem durfde
-naderen. De dochter van Richard, die de voorliefde van den aap voor
-haar kende, liep naar den anderen kant van de kooi, riep een jongen die
-dicht daarbij aan het werk was en verzocht dezen haar een kus te geven.
-Toen de aap hem dit zag doen, uitte hij een verschrikkelijken kreet van
-jaloerschheid en sprong in de kooi om den jongen door de tralies heen
-te straffen.
-
-Leo quoque odoratu mulieres a viris distinguit, atque his illas
-praeferre videtur. Narravit mihi domitor quidam animalium, se leonis in
-caveam non ingredi solere, antequam mulieris menstruantis pollutum
-panniculum sub veste sua abscondidisset; qua re leonis animum adeo
-leniri dixit, ut leonis (non esurientis) caveam intrare minime
-periculosum esset. Panni odor igitur, superans odorem masculinum,
-efficere videtur ut leo virum odorari nequeat, atque domitorem, ut ita
-dicam, feminam oleat. Misschien beweerde derhalve ook Plinius niet ten
-onrechte, dat een leeuw mannen meer dan vrouwen aanbrult. (Plin.,
-„Hist. Nat”, lib. VIII, cap. XIX, 16).
-
-(13) Merkwaardig zijn in dit opzicht de waarnemingen van A. R. Wallace,
-die gedurende meer dan drie maanden een levend jong van een orang-oetan
-bezat. Zie: „Insulinde: het Land van den Orang-Oetan en den
-Paradijsvogel”, door Alfred Russel Wallace; uit het Engelsch vertaald
-en van aanteekeningen voorzien door Prof. P. J. Veth, Amsterdam, P. N.
-van Kampen, 1870, Deel I, blz. 73 v.v.
-
-(14) De dieren, die het meest op den mensch gelijken, zijn de apen. Elk
-spiertje of zenuwtje van den mensch vindt zijn homoloog deel bij den
-aap. Niet alleen komt het skelet om zoo te zeggen beentje voor beentje
-overeen; of liever, niet alleen verschillen de skeletten der
-verschillende aapsoorten onderling meer, dan zij van dat van den mensch
-verschillen, maar ook in alle andere deelen van de bewerktuiging vindt
-men de meest merkwaardige overeenkomst. Zoo vindt men b.v. de fijne
-ribbetjes op de binnenzijde onzer vingers op die der apen weder, en de
-rangschikking dier ribbetjes gelijkt bij hen meer op die bij den
-mensch, naarmate de aapsoort in andere kenmerken meer tot den mensch
-nadert. Van alle dieren zijn behalve den mensch de apen de eenigen, die
-aan de extremiteiten, zoogenaamde tastlichaampjes (corpuscula tactus),
-de organen van onzen tastzin, bezitten, de eenigen, wier oog de fovea
-centralis en de gele vlek op het netvlies (macula lutea) vertoont; ook
-het wezenlijk deel van het inwendig gehoorwerktuig stemt bij de ware
-apen in alle belangrijks punten volkomen overeen met dat van den
-mensch; bij de halfapen of Lemuriden daarentegen, en bij de overige
-dieren wijkt het daarvan geheel af. Het tandstelsel, een zoo belangrijk
-zoölogisch kenmerk, gelijkt bij de apen der Oude Wereld meer op dat van
-den mensch, dan op dat van de apen der Nieuwe Wereld. De wijfjes van
-sommige apen zijn de eenige dieren die maandstonden hebben, evenals de
-vrouw.
-
-De apen die het meest op den mensch gelijken, en zich o.a. door het
-volkomen gemis van een staart kenmerken, noemt men de anthropomorphen
-(van ἄντηρωπος mensch, en μορφὴ vorm). Tot de anthropomorphen worden
-gebracht: de Gorilla en de Chimpanzee, die alleen in het westen van
-tropisch Afrika worden gevonden, de Orang oetan, tot Borneo en Sumatra
-beperkt, en de langarmige apen of Gibbons, die in Achter-Indië en in
-het Aziatisch gewest van Insulinde leven. (Zie: Insulinde, door A. R.
-Wallace, Nederl. vertaling van Prof. Veth, Deel I, blz. 12).
-
-De apen zijn vierhandig, dat wil zeggen, dat zij vier handen hebben. Op
-het eerste gezicht zou men denken, dat hierin de apen hooger zijn
-georganiseerd, dan de mensch, daar de hand een hooger ontwikkeld orgaan
-is, dan de voet. Maar ook hier geldt de oeconomische wet van de
-verdeeling van den arbeid; twee functies in één orgaan vereenigd,
-wijzen op een lager staand organisme. De voet is het werktuig van het
-gaan, de hand is een grijpwerktuig. Hierin is dus de mensch den aap
-vooruit.
-
-Echter is de scheiding tusschen mensch en aap hierin niet zoo scherp,
-als men wellicht gelooft. De voet van den mensch vormt een
-veêrkrachtigen boog, waarop het gewicht van geheel het lichaam rust;
-maar op dezen regel zijn vele uitzonderingen. Men weigert in onze
-legers vele zoogenaamde platvoeten en de voet van den neger vormt geen
-ontwikkelden boog. Er zijn ook overgangen ten opzichte van het gebruik
-van den grooten teen: bij de lagere rassen kunnen de voeten bijna als
-handen worden gebruikt; de Nieuw-Hollanders sleepen bv. met hun voet
-lansen van 10 voet lengte achter zich. Bij den gorilla begint de voet
-zich te welven, de vingers der achterhanden worden een soort van
-teenen, en Huxley merkt terecht op, dat de voet van den gorilla minder
-verschilt van dien van den mensch, dan van die der andere apen.
-
-Het valt eigenlijk te betwijfelen, of men wel het recht heeft, een
-enkele aapsoort vierhandig te noemen. Neemt men als kenmerkend verschil
-tusschen hand en voet aan, dat bij den laatsten de groote teen niet
-opponibel aan de overige teenen is, dan zijn de achterhanden der apen
-geen voeten. Neemt men echter de inwendige anatomische structuur als
-kenmerk aan, dan zijn de achterhanden der apen evenmin handen als de
-voeten van den mensch. De menschelijke voet onderscheidt zich van de
-hand door de volgende anatomische verschillen.
-
-1o. Door de rangschikking der beenderen van den voetwortel.
-
-2o. Doordat de buigende en uitstrekkende spieren der teenen kort zijn,
-dat wil zeggen, dat de vleezige deelen dier spieren niet liggen in het
-been, dat met den voorarm overeenkomt, maar in den rug en de zool van
-den voet, die met den rug en de palm van de hand overeenkomen.
-
-3o. Door het uitsluitend bezit der spier, die men peronaeus longus
-noemt.
-
-Nu heeft Huxley aangewezen, dat de achterhanden der apen in deze drie
-kenmerken met de voeten van den mensch overeenkomen. De tegenwerping
-van Lucae, dat de twee laatstgenoemde kenmerken ook aan de achterpooten
-van den leeuw worden waargenomen, kan het feit niet ontzenuwen, dat de
-achterste ledematen van den aap werkelijk op de zelfde wijze van de
-voorste ledematen onderscheiden zijn als die van den mensch. De term
-vierhandig is dus eigenlijk verkeerd, en de zoölogen, die zoo
-verschillende wezens als den zeehond, den leeuw en den beer tot de
-zelfde orde brengen, hebben niet het minste recht om den mensch, als
-tweehandig, van de orde der vierhandigen te scheiden. Deze laatsten
-zijn ook tweehandig, en wij moeten dus terugkeeren tot het denkbeeld
-van Linnaeus, en den mensch met de apen in ééne orde, die der Primaten,
-vereenigen. [57] Zie over dit punt Huxley, „Evidence as to Man’s Place
-in Nature.”
-
-In 1886 verscheen te Parijs het werk van J. Deniker, „Recherches
-anatomiques et embryologiques sur les singes anthropoïdes.” De
-schrijver kwam ook daarin tot het resultaat, dat zoowel bij den embryo
-als bij het volwassen individu, de verschillen tusschen den mensch en
-de hoogere apen niet grooter zijn dan die tusschen deze laatsten en de
-lagere apen.
-
-(15) „Cloaca.” Hieronder verstaat men de gemeenschappelijke holte,
-waardoor bij de Monotremata (de laagste orde der zoogdieren), de
-vogels, reptielen en amphibieën en ook bij sommige visschen (de
-Selachieërs en Lepidosiren) zoowel de vaste als de vloeibare
-uitwerpselen worden afgevoerd, omdat daarin zoowel het uiteinde van het
-darmkanaal als de pisleiders en de geslachtsopeningen uitmonden.
-
-(16) „Compensatie van groei.” Hierdoor verstaat men, dat, als een deel
-zich buitengewoon ontwikkelt, andere deelen doorgaans slecht zijn
-ontwikkeld. Zoo gaat b.v. een buitengewone ontwikkeling der
-lichaamsharen bij den mensch dikwijls gepaard met onvolkomenheden in
-het tandstelsel (vergelijk aanteekening 20, blz. 48); mannen, wier
-zogklieren zoo ontwikkeld zijn, dat zij melk geven, hebben weinig
-ontwikkelde geslachtsdeelen (vergelijk aanteekening 27, blz. 50).
-Evenzoo schijnt de ontwikkeling van den schedel en van de hersenen die
-van den staart en zelfs van het aangezicht te belemmeren en sleept de
-ontwikkeling van een hoornachtigen bek de verdwijning der tanden met
-zich. De buitengewoon sterke ontwikkeling der achterste ledematen gaat
-dikwijls gepaard met bijzonder kleine voorste ledematen (b.v. bij den
-Kangoeroe, de Struisachtige Vogels, enz.)
-
-(17) „Oceanische eilanden.” Oceanische eilanden zijn die, welke in den
-ruimen Oceaan verre van het vasteland liggen en van dit laatste door
-diepe zeeën zijn gescheiden. Men noemt ze aldus ter onderscheiding van
-de Continentale, welke laatsten in de nabijheid van het vasteland zijn
-gelegen en gewoonlijk door ondiepten daarmede samenhangen, zoodat men
-ze als door natuuromwentelingen daarvan afgescheurde stukken kan
-beschouwen. De continentale eilanden zijn meestal langwerpig van
-gedaante, bezitten geologisch dikwijls het karakter van de naburige
-kusten van het vasteland en hun fauna vertoont met die van dit laatste
-een grootere of geringere overeenkomst. De oceanische eilanden zijn òf
-boven den zeespiegel uitstekende toppen van onderzeesche gebergten en
-van vulkanischen aard, òf koraaleilanden; zij bezitten soms eigene
-diersoorten en hun fauna kenmerkt zich door volkomen gebrek of groote
-armoede aan zoogdieren (behalve vledermuizen) en vorschachtige dieren
-(Batrachii); zij zijn meestal rondachtig van gedaante en liggen
-gewoonlijk ook in cirkelvormige groepen bijeen, terwijl de continentale
-eilanden dikwijls reeksen vormen.
-
-(18) Ik heb opgemerkt, dat als men het oor van personen die dit uitwas
-niet bezitten, op de aangeduide plaats bevoelt, men aldaar dikwijls nog
-als laatste spoor er van, een klein kraakbeenig knobbeltje kan
-bemerken.
-
-Deze punten aan het oor schijnen de verbeeldingskracht van het publiek
-sterk te hebben getroffen. Een recensent in „Nature” (April 6, 1872)
-stelt voor ze angulus Woolnerianus te noemen. Darwin schreef aan
-Woolner („Life and Letters”, chapt. VIII), dat zeker Duitscher trotsch
-was ze zeer ontwikkeld te bezitten, en Darwin een photogram van zijn
-ooren wilde zenden!
-
-(19) „De membrana nictitans of het derde ooglid.” Bij de dieren,
-waarbij het goed ontwikkeld is, is het zichtbaar als een verticaal
-geplaatst vlies aan den binnenhoek van het oog, aan de achterzijde van
-de twee horizontale oogleden.
-
-(20) Nog sterker worden deze verschillen in behaardheid, wanneer men
-verschillende menschenrassen met elkander vergelijkt. Het is bekend,
-dat er stammen bestaan, die geen of bijna geen baard bezitten.
-Daarentegen leeft aan de monden van den Amoer en vooral op de
-Kurilische eilanden en het Japansche eiland Jesso, een volksstam, de
-Aino’s genaamd, wier geheele lichaam bijzonder ruig en met zwarte of
-rosse haren bedekt is. De zeer dichte, dikwijls twee voet lange baard
-van de mannen van dezen stam bedekt om zoo te zeggen het geheele gelaat
-met uitzondering van neus en oogen.
-
-De dwergstammen, die Stanley op zijn tocht tot ontzet van Emin pacha in
-het groote woud aan den Congo aantrof, zijn met haren van meer dan een
-centimeter lengte bedekt.
-
-In Birma leeft een sterk behaarde familie, (door Darwin in het
-„Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” vermeld) die op den rug
-nog langer en zwaarder haar bezit dan op de borst, en zoo een
-hoofdkenmerk van de beharing der zoogdieren teruggeeft. Wallace
-(„Contributions to the Theory of Natural Selection”. London, 1870)
-beschouwt dit echter eerder als een monstruositeit, dan als een echt
-atavisme, omdat ook het aangezicht, het voorhoofd en de ooren geheel
-met haar bedekt, en de tanden zeer onvolkomen ontwikkeld zijn. Wij
-moeten tegen het eerste argument aanvoeren, dat bij de zoogdieren die
-nog lager dan de apen staan, en ook onder deze zijn er ongetwijfeld,
-die aan een voormaligen toestand van het type mensch beantwoorden
-(vergelijk Hoofdstuk VI van dit werk), het aangezicht, het voorhoofd,
-en het grootste gedeelte der ooren met haren bedekt zijn.
-
-(21) „Vibrissae.” Eigenlijk zijn dit lange, stijve, dikke haren, die
-aan de lippen van vele zoogdieren gehecht zijn, en tot wier wortel
-takken van het vijfde zenuwpaar (nervus trigeminus) loopen. Het zijn
-tastorganen en men heeft waargenomen, dat katten ongeschikt worden om
-muizen te vangen, als men ze wegsnijdt, en dat konijnen zich zonder
-behulp der oogen door middel van deze haren in enge gangen een weg
-weten te banen. Soms komen dergelijke tastharen in de wenkbrauwen voor.
-
-(22) „Bronstijd.” Ten einde de voortgaande ontwikkeling der menschheid,
-van haar eerste verschijning in Europa af tot den historischen tijd
-toe, goed te kunnen uiteenzetten, hebben de archaeologen drie
-hoofdtijdperken aangenomen, die echter onmogelijk scherp begrensd en
-vaneengescheiden kunnen worden, maar integendeel allengs in elkander
-overgaan en altijd onderling door overgangstijdperken zijn verbonden.
-Deze drie hoofdtijdvakken zijn: 1o. De Steentijd, gekenschetst door
-volkomen onbekendheid met de metalen; 2o. De Bronstijd, zoo genoemd,
-daar het metaal, dat voornamelijk werd gebruikt, het brons was en men
-het ijzer nog niet kende; 3o. De IJzertijd, die den overgang vormt tot
-de historische tijden.
-
-(23) „Rendiertijdperk.” Daar de steentijd zeer lang geduurd heeft en
-overgangen tot zeer verschillende trappen van beschaving bevat, wordt
-hij in drie afdeelingen onderscheiden, waarvan de beide eersten tot in
-het postpliocene of diluviale tijdvak (het geologische tijdvak, dat het
-onze voorafgaat) reiken. Deze drie afdeelingen zijn: 1o. De Oudste
-Steentijd of het Tijdperk van den Mammouth en den Holenbeer; 2o. De
-Middelste Steentijd of het Tijdperk van het Rendier en de overige
-Noordsche Dieren; 3o. De Jongste Steentijd of het Tijdperk der
-Huisdieren en Geslepen Steenen Werktuigen. Men noemt dezen laatsten
-Steentijd ook wel Neolithische Periode en wat daaraan voorafgaat
-Palaeolithische Periode.
-
-Aan den jongsten steentijd sluit zich de Bronstijd aan. Het wordt meer
-en meer zeker, dat men vóór het tijdperk van den mammouth een nog
-ouderen, Tertiairen Steentijd moet aannemen. Zie over dat alles: le
-Hon, „l’Homme Fossile en Europe”, Paris et Bruxelles, 1868 (liefst niet
-de zeer slechte Nederl. Vertaling), Ch. Lyell, „De Geol. Bewijzen voor
-de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”, Nederl. Vertaling van
-Winkler, mijn brochure, „De Voorhistorische Mensch in Europa”, ’s
-Gravenhage, 1869 en mijn bewerking van Dr. Büchners „Feiten en
-Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
-
-(24) De Guanchen waren de oorspronkelijke bewoners der Canarische
-eilanden en met de Berbers (Kabylen) verwant. Ook bij Egyptische
-mummiën komt de hier besproken opening zeer veelvuldig voor.
-
-(25) Dit schijnt vooral in hooge mate het geval te zijn geweest bij de
-menschenrassen, die gedurende het postpliocene of diluvatie tijdvak
-Europa bevolkten. Bijna alle menschelijke geraamten of onderdeelen van
-geraamten uit dat tijdvak die tot dusverre gevonden zijn, vertoonen in
-het eene of andere opzicht toenadering tot lagere, en wel meer bepaald
-tot aapachtige vormen. Als voorbeelden daarvan zullen wij hier iets
-omtrent een zestal dergelijke overblijfselen mededeelen, namelijk
-omtrent het menschelijk geraamte uit de grot in het Neanderdal, omtrent
-den schedel van Eguisheim, de onderkaak van la Naulette, de onderkaak
-uit het Schipkahol in Moravië, de menschelijke geraamten uit de grot
-van Eyzies in Périgord en die uit de grot „Betche aux Roches” bij Spy
-(provincie Namen) in België, die allen worden gebracht tot den tijd,
-dat de mammouth en vele andere uitgestorven diersoorten nog in Centraal
-Europa leefden.
-
-Nabij Dusseldorf ligt een diepe bergkloof, het Neanderdal geheeten. In
-een in dat dal gelegen kleine grot ontdekte Dr. Fühlrott in 1857 een
-menschelijken schedel, die door een leemlaag van anderhalf meter diepte
-werd bedekt. Waarschijnlijk lag het geheele geraamte aldaar bedolven,
-maar de werklieden hebben bij het uitgraven door onoplettendheid
-waarschijnlijk een groot deel der beenderen weggeworpen; want men heeft
-slechts de grootste kunnen verzamelen.
-
-Er zijn geleerden geweest, die betwijfelden, of de Neanderdalbeenderen
-werkelijk van een mensch uit het postpliocene tijdperk afkomstig waren,
-omdat men in de grot volstrekt geen beenderen van uitgestorven
-diersoorten vond. De leem in de grot kwam echter volkomen overeen met
-die, waarin men in andere grotten beenderen van uitgestorven
-diersoorten aantreft; de beenderen van den Neanderdalmensch kleven
-sterk aan de tong en zijn met kleine puntjes bezet, die, met de loupe
-onderzocht, dendriten bleken te zijn; in de nabijheid van de grot
-eindelijk heeft men in den zelfden leem beenderen van den mammouth en
-den holenbeer gevonden. De meeste geologen hielden het er daarom steeds
-voor, dat zij wel degelijk aan een tijdgenoot van deze dieren hebben
-toebehoord, en sedert het bekend worden der beenderen uit de grot bij
-Spy kan zulks niet meer worden betwijfeld.
-
-Van den Neanderdalschedel (Fig. 5) zijn slechts het voorhoofdsbeen, de
-beide wandbeenderen, een gedeelte van een slaapbeen en het bovenste
-gedeelte van het achterhoofdsbeen bewaard gebleven. Hij kenmerkt zich
-door een buitengewone ontwikkeling der voorhoofdsboezems, dat wil
-zeggen, door het sterk vooruitspringen der wenkbrauwbogen, die door een
-diepe groeve van het voorhoofd gescheiden zijn (dit is ook een kenmerk
-der anthropomorphe apen), de schedelbeenderen zijn buitengewoon dik,
-het voorhoofd is smal en zoo weinig ontwikkeld, dat het bijna de helft
-overschrijdt van den afstand, die in dit opzicht tusschen een
-hedendaagsch Europeaan en een volwassen [58] chimpanzee bestaat (Fig.
-6); zulk een mensch zou, bij zijn leven gezien, bijna geen voorhoofd
-hebben vertoond; de indrukken der kauwspieren op de slaapbeenderen zijn
-zeer ontwikkeld, hetgeen op een groote ontwikkeling der kaken wijst.
-
-Prof. Schaaffhausen, die in Müller’s Archiv etc. 1858 een hoogst
-interessante verhandeling, getiteld: „Zur Kenntniß der ältesten
-Rassenschädel”, heeft geplaatst, merkt daarenboven op, dat de beenderen
-der armen en beenen van den Neanderdalmensch naar verhouding even lang
-zijn als die van een hedendaagsch Europeaan van de zelfde lengte (de
-Neanderdalbeenderen hebben aan een individu van middelbare grootte
-toebehoord), maar dat ze veel dikker zijn dan deze, terwijl daarenboven
-de sterke ontwikkeling der spierindruksels op die beenderen bewijst,
-dat het individu, waarvan het skelet afkomstig is, in de
-noodzakelijkheid verkeerde zijn spieren veel meer te gebruiken en te
-oefenen dan wij.
-
-Prof. Schaaffhausen meent, dat de Neanderdalschedel een minder
-ontwikkeld verstand aanduidt, dan dat van de door de natuur het meest
-misdeelde negerstammen, met andere woorden, dat het de bestiaalste van
-alle bekende menschenschedels is.
-
-Huxley zegt van dezen schedel o.a. het volgende: „Hoe men dezen schedel
-ook moge beschouwen, overal zien wij apen-kenmerken, die hem tot den
-aapachtigsten van alle bekende schedels maken”; en wat verder: „De
-Neanderdalbeenderen kunnen echter op geenerlei wijze worden beschouwd
-als overblijfselen van een menschelijk wezen, dat het midden houdt
-tusschen mensch en aap. Zij bewijzen het bestaan van een mensch, van
-wiens schedel men kan zeggen, dat hij eenigermate tot den apentypus
-terugkeert, zooals bij sommige tuimelaars [59] de vederen van hun
-oorspronkelijk ras, de wilde duif (Columba livia) zich opnieuw
-vertoonen.”
-
-De schedel van Eguisheim bestaat uit een menschelijk voorhoofdsbeen en
-wandbeen, die door Dr. Faudel in het löss (een diluviale kleilaag) van
-de Rijn-vallei te Eguisheim nabij Colmar zijn gevonden. Deze
-overblijfselen waren vergezeld van beenderen van het reuzenhert, den
-mammouth en den Europeeschen bison (Bison Europaeus). Hij komt in zijn
-kenmerken bijna volkomen met den Neanderdalschedel overeen, maar is nog
-veel minder gewelfd (Fig. 7).
-
-P. Belsanti („Studi sur alcuni Carratteri Regressive del Cranio
-Humano”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1888) heeft de volgende
-kenmerken, die bij de lagere menschenrassen veelvuldig en bij de
-hoogere slechts zeldzaam voorkomen, als de gewichtigste aapachtige
-kenmerken van den menschelijken schedel aangegeven: 1. Duidelijke
-veelhoekigheid van den schedel; 2. Atrophie der neusbeenderen; 3.
-Hoefijzervorm van het beenig verhemelte; 5. Zeer ontwikkelde
-beenlijsten; 6. Eenvoudigheid der schedelnaden; 7. Groote ontwikkeling
-van het voorhoofduitsteeksel des slaapbeens; 8. Achterovergebogen
-vleugels van het wiggebeen; 9. Wormsche beentjes in het wiggebeen; 10.
-Naar achteren toe geregeld in grootte toenemen der kiezen.
-
-De onderkaak van la Naulette (Fig. 8) is door den heer Edouard Dupont
-in 1866 in de grot van la Naulette nabij Dinant gevonden. De bekende
-anthropoloog Broca heeft in een der zittingen (30 Aug.) van het
-palaeo-anthropologische Congres te Parijs van 1867 een merkwaardig
-betoog over deze onderkaak gehouden, waaraan wij het volgende ontleenen
-[60]:
-
-„Het lichaam van de onderkaak der anthropomorphe apen onderscheidt zich
-van dat van menschelijke onderkaken door de volgende kenmerken: 1o. Het
-volstrekt ontbreken van de kin; als men de streek van de kin in profil
-beziet, beschrijft zij, in plaats van vooruit te steken, een sterk naar
-achteren buigende bocht; 2o. Het volstrekt ontbreken der vier apophyses
-genianae [61]; en niet alleen ontbreken deze, maar zij worden vervangen
-door een holte, in welke de kintongspier (musculus genioglossus) zich
-vasthecht; 3o. Zeer groote dikte van het lichaam van de kaak in
-vergelijking met zijn hoogte; 4o. Elliptische vorm van den tandboog,
-wiens beide takken in plaats van parabolisch, dat wil zeggen divergent
-te zijn, zooals bij den mensch, integendeel naar achteren toe op de
-wijze van een hoefijzer convergent worden, zoodat de laatste kies
-dichter bij de mediaanlijn [62] ligt, dan de eerste; 5o. Aanmerkelijke
-grootte en breedte van den hoektand, in vergelijking met de afmetingen
-der naburige tanden; 6o. Eindelijk is, juist andersom als bij den
-mensch, waar het volumen der ware kiezen afneemt van de eerste tot de
-tweede en van de tweede tot de kies van verstand, de eerste ware kies
-der apen kleiner dan de tweede en deze wederom kleiner dan de derde.”
-
-„Al deze aapachtige kenmerken vindt men aan de onderkaak van la
-Naulette terug...” [63]
-
-„Het is dan ook niet te verwonderen, dat de vereeniging van al deze
-aapachtige kenmerken wel eens heeft doen betwijfelen, of het werkelijk
-een menschelijke onderkaak was, en dat zelfs Pruner-Bey daarover een
-oogenblik heeft geaarzeld. Tegenwoordig is, ik herhaal het, echter geen
-twijfel meer mogelijk, vooral sedert men aan andere kaken van oude
-rassen, of van hedendaagsche lagere rassen afkomstig, eenigen der
-kenmerken van de onderkaak van la Naulette heeft waargenomen.”
-
-„Zelfs Pruner-Bey is getroffen geworden door de vele punten van
-overeenkomst, die bestaan tusschen deze onderkaak en die, welke de
-Marquis de Vibraye in de grot van Arcy heeft gevonden, en die ook van
-het tijdperk van den mammouth dagteekent. Verscheidene andere
-onderkaken, in de dolmens van het tijdperk der geslepen steenen
-werktuigen gevonden, vormen overgangen tusschen de type van la Naulette
-en die der hedendaagsche Europeanen.”
-
-Ook in het Schipkahol in Moravië is een stuk van een diluviale
-menschelijke onderkaak, op die van la Naulette gelijkende, gevonden (K.
-J. Maska, „Der diluviale Mensch in Möhren”, Neutitscheim, 1886). Over
-deze kaak schreef ik een artikel, „Een Aapachtige Menschelijke
-Onderkaak” in „Isis”, 1881, blz. 120, waaraan het volgende is ontleend:
-
-„De zelfde laag bevatte mammouthsbeenderen en ruwe steenen werktuigen.
-Slechts het voorste gedeelte der kaak met drie snijtanden, den hoektand
-en de beide valsche kiezen der rechterzijde waren voorhanden. De
-laatste drie tanden steken nog onontwikkeld in de kaak, maar zijn
-zichtbaar, omdat de voorste wand der kaak ontbreekt. Wat vooreerst aan
-deze kaak opvalt, is haar grootte en dikte. De ontwikkeling der tanden
-komt overeen met die bij een kind van acht jaar, doch de kaak en de
-tanden zijn zoo groot als die van een volwassen mensch. Slechts de
-snijtanden hebben gewisseld, de na deze wisselende tanden ontwikkelen
-zich in de kaak, gelijk dat bij den mensch de regel is; eerst zou de
-eerste valsche kies, dan de hoektand, eindelijk de tweede valsche kies
-zijn doorgebroken. De hoogte van de kaak in de mediaanlijn is tot aan
-den rand der tandkassen 30, tot aan het boveneinde der snijtanden 39
-m.M. Aan den schedel van een zevenjarig kind bedragen deze maten 23 en
-30, bij een negenjarig meisje 24 en 33, bij een twaalfjarigen knaap 22
-en 31, bij acht onderkaken van volwassen mannen bedroeg de hoogte der
-kaak tot aan den rand der tandkassen gemiddeld 31 m.M. Het stuk
-onderkaak is aan zijn onderkant in de mediaanlijn 14 m.M. dik, onder
-den hoektand is de dikte 15 m.M. Aan een gewone volwassen onderkaak
-bedraagt de dikte op eerstgenoemde plaats omstreeks 11 m.M. Als men de
-slijtvlakte der snijtanden horizontaal plaatst, wijkt het onderste
-gedeelte van de prognathe kaak zoozeer naar achteren, dat een kin niet
-voorhanden is. Het achtervlak der symphysis is schuin geplaatst, gelijk
-zulks in hoogere mate bij de anthropomorphe apen het geval is, en in
-minderen graad bij wilden voorkomt, doch ook bij fossiele menschelijke
-overblijfselen reeds is waargenomen, gelijk bij de kaak van la
-Naulette, met welke de kaak uit het Schipkahol vele punten van
-overeenkomst vertoont.
-
-„De vorm der snijtanden stemt overeen met de meerdere dikte van de
-prognathe kaak, de breedste plaats der wortels meet van voren naar
-achteren 8½ m.M., terwijl de gewone breedte op deze plaats omstreeks 6
-m.M. is. Ook zijn de tanden naar voren convex gekromd, de kromming komt
-overeen met een straal van 27 m.M. lengte. De spina mentalis interna
-ontbreekt, in de plaats daarvan is, evenals bij de anthropomorphe apen,
-een holte aanwezig, aan den ondersten rand waarvan men nauwelijks
-eenige oneffenheden kan voelen. Sterk ontwikkeld zijn de ruwe plaatsen,
-waar zich de m. digastrici aanhechten, hetgeen tot een overeenkomstig
-sterke ontwikkeling van hun antagonisten, de kauwspieren aan den
-schedel, doet besluiten. Al deze kenmerken zijn aan de kaak van la
-Naulette voorhanden, doch sterker ontwikkeld. Het is waarschijnlijk,
-dat de kaak van het Schipkahol ook die aapachtige eigenaardigheid had,
-dat haar tandlijn niet horizontaal was, maar van de valsche kiezen naar
-de snijtanden omhoog liep, en haar lichaam van voren hooger was dan aan
-de zijden, omdat de snede der buitenste snijtanden naar buiten schuin
-afloopt. Opmerkelijk is nog de grootte van den hoektand, waarvan de
-emailkroon 13,5 m.M. lang is. Bij de fossiele onderkaak van Helde
-steekt de hoektand 3,5 m.M. boven de valsche kiezen uit. Volgens meting
-aan tien mannelijke Europeesche volwassen schedels met niet of
-nauwelijks afgesleten tanden kreeg men voor de emailkroon van den
-hoektand 11.5 m.M. Slechts eens vond men onder meer dan 50 schedels de
-kroon van den hoektand 14 m.M. lang.
-
-„Met lagere organisatie stemt altijd een snellere ontwikkeling overeen.
-Alle zoogdieren komen met tanden ter wereld. Reeds uit de
-omstandigheid, dat een orang van 0.4 M hoogte nog zijn geheele
-melkgebit, een van 0.7 M. echter reeds 14 blijvende tanden heeft, kan
-men besluiten, dat ook bij deze dieren het wisselen der tanden vroeger
-plaats heeft dan bij den mensch. De grootte van het voorste gedeelte
-van de kaak kan eenvoudig als een aapachtig kenmerk worden opgevat, en
-dat des te eer, omdat onafhankelijk daarvan nog andere aapachtige
-kenmerken aan die kaak voorhanden zijn. Het uiterlijk van het grijsgele
-been met daarop zittende kleine zwarte vertakte vlekjes vindt men vaak
-bij holenbeenderen. Het email der tanden gelijkt geheel op dat der
-diluviale holendieren, het vertoont overlangsche scheuren met zwarte
-infiltraties; naast deze vertoonen zich blauwachtige en op andere
-plaatsen gele vlekken.”
-
-In de grot van Eyzies (Périgord) zijn door Lartet fils
-menschenbeenderen uit het tijdperk van den mammouth gevonden, die voor
-het meerendeel van drie individu’s afkomstig waren, en ook door Broca
-onderzocht zijn. Vooral de scheenbeenderen en ellepijpen van deze
-individu’s zijn hoogst merkwaardig. „Deze scheenbeenderen”, zegt Broca
-[64], „vertoonen in de hoogste mate dien op het lemmet van een sabel
-gelijkenden vorm, welke het gevolg is van een zijdelingsche afplatting,
-en de scheenbeenderen der groote apen kenmerkt. Wij kennen dit kenmerk
-reeds, dat wij voor het eerst in Mei 1864 hebben opgemerkt aan de
-scheenbeenderen uit het dolmen van Chamant (Oise), vervolgens bij die
-van het dolmen van Maintenon (Eure-et-Loir) en dat men overigens,
-zoowel in Frankrijk als in den vreemde, bij een groot aantal
-scheenbeenderen uit het tijdperk der geslepen steenen werktuigen heeft
-teruggevonden...”
-
-... „Herinneren wij ons ten laatste, dat de heer Busk, wiens
-onderzoekingen van 1863 dagteekenen, heeft opgemerkt, dat alle
-scheenbeenderen in groot aantal in de grotten van Gibraltar gevonden,
-op de zelfde wijze afgeplat zijn als die uit de grot van Eyzies. Deze
-vorm, zoo verschillend van dien der hedendaagsche scheenbeenderen,
-schijnt dus aan vele voorhistorische rassen eigen te zijn geweest.”
-
-De ellepijpen uit de grot van Eyzies vertoonen onder de
-halvemaansgewijze insnijding een eigenaardige kromming, waarvan Broca
-(l. l. blz. 22) zegt: „Deze kromming komt overeen met die, welke men
-aan het boveneinde van de ellepijp van sommige anthropomorphe apen
-waarneemt.”
-
-De opmerkingen van Broca over de onderkaak van la Naulette en de
-beenderen van Eyzies kunnen volstrekt niet van partijdigheid ten
-voordeele van ’s menschen afstamming uit lagere vormen worden
-beschuldigd, daar zij van een beslist tegenstander der Darwinistische
-begrippen afkomstig zijn.
-
-Drie jaren geleden beschreven de Belgische geleerden M. Fraipont en M.
-Lohest [65] twee menschelijke skeletten, in Juni 1868 in het hol
-„Betche aux Roches” bij Spy (provincie Namen) met beenderen van
-diluviale zoogdieren (mammouth, neushoorn, holenhyena enz.) gevonden en
-wier schedels geheel overeenkwamen met den Neanderdalschedel. De
-onderkaken dezer skeletten komen zeer goed overeen met den vorm, dien
-Schaaffhausen aan de onderste helft van het gelaat van den door hem
-gereconstrueerden Neanderdalmensch heeft gegeven. Zij hebben geen kin,
-zijn plomp, van voren 41 m.M. hoog, de naar boven gaande tak vormt met
-het lichaam der onderkaak een rechten hoek. In haar voornaamste
-kenmerken stemmen die onderkaken geheel met die van la Naulette en
-Schipkahol overeen. Uit den eigenaardigen vorm van het dijbeen en het
-kniegewricht besluiten Fraipont en Lohest, dat de Spymenschen, en
-ongetwijfeld ook de Neanderdalmensch niet volkomen rechtop hebben
-geloopen, maar veeleer op de wijze der anthropomorphe apen met
-eenigszins gebogen knieën. Armen en beenen waren kort, de
-lichaamshoogte ongeveer die der tegenwoordige Laplanders.
-
-Deze skeletten van Spy zijn daarom zoo belangrijk, omdat daaraan deelen
-bewaard waren gebleven, die aan de menschelijke overblijfselen van het
-Neanderdal enz. ontbraken.
-
-De stelling van de Quatrefages, Hauy en de Mortillet, dat de
-Neanderdalschedel met dien van Cannstatt (een dergelijke schedel, die
-vroeger gevonden maar later beschreven is), Eguisheim, de kaken van la
-Naulette, het Schipkahol enz. van een bepaald menschenras—het ras van
-Cannstatt of Neanderdal, ook wel ras van Chelles genoemd—afkomstig
-zijn, dat van alle thans levende menschenrassen verschilt en beneden
-deze staat, wordt door de geraamten van Spy op schitterende wijze
-bevestigd. De meening van Virchow, die in den Neanderdalschedel een
-pathologisch gewijzigden individueelen vorm wilde zien, wordt daardoor
-geheel onhoudbaar.
-
-(26) In „Kosmos” V. Jahrg. (1881), Heft 7, blz. 13, vindt men hierover
-een merkwaardig artikel van Dr. E. Krause met afbeeldingen van
-gestaarte menschen, hun staarten afzonderlijk op grooter schaal, enz.
-getiteld: „Die schwanzartigen Bildungen beim Menschen. Nach den
-Untersuchungen von Dr. Bartels, Prof. Ecker, Dr. Ornstein u. a.” Meer
-algemeen dan een werkelijken staart vindt men als laatste spoor daarvan
-een sterke beharing in de kruis- en stuitstreek (Trichosis sacralis).
-Vooral bij Grieksche recruten wordt die veelvuldig opgemerkt. Deze
-„staart„haren kunnen soms zoo lang worden, dat men ze vlechten en om
-het lichaam heên van voren samenknoopen kan! Dr. Krause meent, dat aan
-dergelijke gevallen de voorstellingen der faunen en van Silenus in de
-Oud-Grieksche kunst zijn ontleend.
-
-(27) Humboldt en Bonpland zagen in Zuid-Amerika in Arenas, een
-arbeider, met name Francisco Lucano, 32 jaar oud, die zijn kind met
-eigen borst voedde, daar de moeder kort na de geboorte was overleden.
-Een tweede geval wordt door Dr. Schmelzer („Wurtemburg,
-Correspondenzblatt”, Bd. VI, no. 33) medegedeeld, en betrof een
-22jarigen jongen man, die dagelijks twee ons zuivere melk afscheidde,
-en Jarjavay beroept zich op de geschiedenis (die door
-Carpentier-Méricourt bekend is geworden) van dien matroos, bij wien het
-zuigen van zijn kind, dat hij in wanhoop over den dood zijner vrouw
-tegen de naakte borst drukte, een zoo overvloedige afscheiding van melk
-teweegbracht, dat hij het kind zelf zoogde. Mannen met vrouwelijke
-borsten zouden geen levendige geslachtsdrift vertoonen, en weinig
-ontwikkelde geslachtsdeelen bezitten. Bédor wil hun zelfs daarom van
-regeeringswege het huwelijk laten verbieden. (Hyrtl, „Handboek der
-Topogr. Ontleedkunde”, Nederl. vertaling van Dr. E. Hanlo. Deel I, blz.
-530, Burdach. „Die Physiologie als Erfahrungswissenschaft”, Humboldt,
-April 1888, blz. 158.)
-
-(28) „Vesicula prostatica.” Een blind zakje, dat bij den mensch
-tusschen de openingen van de afvoerende buizen der ballen in de
-pisblaas uitmondt, en later bij verschillende andere zoogdieren is
-opgemerkt. Door de onderzoekingen van Weber en Huschke heeft het als
-overblijfsel van een in de vrucht aanwezige mannelijke baarmoeder,
-waarvoor genoemde ontleedkundigen het verklaarden, een gewichtige
-morphologische beteekenis verkregen. Zie: E. H. Weber in het „Bericht
-der Versamml. der Naturforscher in Braunschweig”, 1842, blz. 64;
-Huschke in zijn uitgave van „S. T. von Soemmering’s Lehre von dem
-Eingeweide”, Leipzig, 1844, enz.
-
-(29) Men vergelijke over deze en andere „Bewijzen vóór de theorie van
-Darwin” ook het aldus getitelde werkje van G. J. Romanes, in het
-Nederl. vertaald door P. F. Spaink, Amsterdam, J. F. Sikken, 1884.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM
-HEEFT ONTWIKKELD.
-
- Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.
- —Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij
- den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
- invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd
- gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de
- ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—
- Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke
- teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste
- geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn
- lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den
- opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het
- gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering
- der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—
- Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van
- den mensch.
-
-
-De mensch is tegenwoordig ongetwijfeld zeer variabel. Geen twee
-individu’s van het zelfde ras zijn volkomen aan elkander gelijk. Als
-wij millioenen personen met elkander vergelijken, zal elk hunner
-gelaatstrekken vertoonen, welke van die der overige verschillen. Een
-even groote verscheidenheid heerscht in de verhoudingen en afmetingen
-der verschillende lichaamsdeelen; vooral in de lengte der beenen
-bestaat veel verschil. [66] Hoewel in sommige deelen der wereld een
-lange, in andere een korte schedel het meest voorkomt, bestaat er toch
-een groote verscheidenheid van schedelvorm, zelfs binnen de grenzen van
-één en het zelfde ras, b.v. onder de inboorlingen van Amerika en van
-Zuid-Australië, welke laatste waarschijnlijk een ras zijn, „even zuiver
-en homogeen van bloed, gewoonten en taal als eenig ander ter
-wereld”,—en zelfs onder de bewoners van een zoo beperkt grondgebied als
-de Sandwich-eilanden. [67] Een uitstekend tandmeester verzekert mij,
-dat er bijna evenveel verschil is tusschen de tanden van verschillende
-personen als tusschen hun gelaatstrekken. De voornaamste slagaderen
-loopen zoo dikwijls in abnormale richtingen, dat men het voor
-chirurgale doeleinden nuttig heeft gevonden om te berekenen, hoe
-dikwijls bij 12000 personen elke richting voorkomt. [68] De spieren
-zijn bij uitstek variabel: zoo vond prof. Turner [69], dat onder
-vijftig lijken er geen twee waren waarbij de spieren van den voet
-volkomen overeenstemden, en bij sommigen daarvan waren de afwijkingen
-zeer groot. Prof. Turner merkt hierbij op, dat het vermogen om
-doelmatige bewegingen te maken in overeenstemming met deze
-verschillende afwijkingen moet zijn gewijzigd. De heer J. Wood [70]
-heeft het voorkomen van 295 verscheidenheden in het spierstelsel van 36
-individu’s opgeteekend, en in een ander stel van 36 personen vond hij
-niet minder dan 558 verscheidenheden, de beide zijden van het lichaam
-voor één rekenende. In dit laatste stel bevond hij, dat niet een der 36
-lichamen „geheel vrij was van afwijkingen van de standaardbeschrijving
-van het spierstelsel, zooals die in ontleedkundige boeken wordt
-gegeven.” Een enkel lichaam vertoonde het buitengewone aantal van 25
-afwijkingen. Ééne en de zelfde spier verschilt soms op vele wijzen; zoo
-beschrijft prof. Macalister [71] niet minder dan 20 verscheidenheden
-van den palmaris accessorius.
-
-De beroemde oude ontleedkundige Wolff [72] wijst er met nadruk op, dat
-de ingewanden veel meer verschillen opleveren dan de uitwendige deelen:
-Nulla particula, quae non aliter et aliter in aliis se habeat
-hominibus. Hij heeft zelfs een verhandeling geschreven over de keus van
-typische voorbeelden voor afbeeldingen van ingewanden. Een onderzoek
-naar den idealen vorm van de lever, de longen, de nieren enz., alsof
-het ’s menschen goddelijk gelaat ware, klinkt ons vreemd in de ooren.
-
-De variabiliteit of verscheidenheid der geestvermogens bij menschen van
-het zelfde ras, om van de grootere verschillen tusschen de menschen van
-verschillende rassen niet te spreken, is zoo algemeen bekend, dat
-hierover geen woord behoeft te worden gezegd. Evenzoo is het bij de
-lagere dieren, zooals in het laatste hoofdstuk met enkele voorbeelden
-is aangetoond. Brehm wijst er met nadruk op, dat onder de apen die hij
-in Afrika in gevangen staat bezat, elk individu zijn bijzonderen aanleg
-en karakter had; hij vermeldt éénen baviaan, die merkwaardig was wegens
-zijn hoog ontwikkeld verstand; en evenzoo wezen mij de oppassers in den
-Londenschen dierentuin een Amerikaanschen aap aan, die zich door zijn
-verstand onderscheidde. Ook Rengger wijst met nadruk op de
-verscheidenheid in de verschillende geestvermogens bij apen van eene en
-de zelfde soort, die hij in Paraguay bezat, en deze verscheidenheid,
-zegt hij, is gedeeltelijk aangeboren en gedeeltelijk het gevolg van de
-wijze, waarop zij zijn behandeld en opgevoed. [73]
-
-Ik heb elders [74] zoo uitvoerig over de erfelijkheid gesproken, dat
-het nauwelijks noodig is daarover iets hieraan toe te voegen. Ten
-opzichte der overerving zoowel van de geringste als van de meest
-belangrijke kenmerken is bij den mensch een grooter aantal feiten
-bekend, dan bij een der lagere dieren; hoewel ten opzichte dezer
-laatste het aantal feiten al groot genoeg is. Zoo is ten opzichte van
-de geestvermogens bij onze honden, paarden en andere huisdieren, de
-erfelijkheid duidelijk genoeg. Behalve bijzondere smaken en gewoonten
-zijn ook verstand in het algemeen, moed, een goed of een slecht
-karakter enz. ongetwijfeld erfelijk. Bij den mensch zien wij dergelijke
-feiten in bijna elke familie; wij weten tegenwoordig door de
-bewonderenswaardige onderzoekingen van den heer Galton [75], dat het
-genie, hetwelk een verwonderlijk samengestelde vereeniging van hooge
-vermogens in zich sluit, neiging tot erfelijkheid bezit; en van den
-anderen kant is het maar al te zeker, dat krankzinnigheid en zwakke
-geestvermogens eveneens bij bepaalde families veelvuldig voorkomen.
-
-Ten opzichte van de oorzaken van de variabiliteit zijn wij in allen
-gevalle zeer onwetend; maar zoowel bij den mensch als bij de lagere
-dieren kunnen wij zien, dat zij eenigszins in verband staan met de
-levensvoorwaarden waaraan elke soort gedurende verscheidene generaties
-is blootgesteld geweest. Tamme dieren vertoonen grooter verschillen dan
-die, welke in den natuurstaat leven; en dit schijnt te worden
-veroorzaakt door den verschillenden en veranderden aard van hun
-levensvoorwaarden. De verschillende menschenrassen gelijken in dit
-opzicht op tamme dieren, en het zelfde is het geval met individu’s van
-één en het zelfde ras, die over een zeer groot grondgebied zijn
-verspreid, zooals b.v. het Amerikaansche ras. Wij zien den invloed van
-de verscheidenheid der levensvoorwaarden bij de meer beschaafde volken,
-waarvan de leden tot verschillende rangen en standen behooren en
-verschillende beroepen uitoefenen, en daardoor ook minder op elkander
-gelijken dan de leden van onbeschaafde volksstammen. De onderlinge
-gelijkenis der wilden is echter dikwijls overdreven, ja, kan in sommige
-gevallen nauwelijks worden gezegd te bestaan. [76] Zelfs indien wij
-alleen de levensvoorwaarden beschouwen waaraan hij onderworpen is
-geweest, is het desniettemin toch een dwaling om den mensch „in veel
-grooter mate getemd” [77] te noemen, dan eenig ander dier. Sommige
-wilde rassen, zooals de Nieuw-Hollanders zijn niet aan meer
-verschillende levensvoorwaarden blootgesteld dan menige diersoort, die
-een zeer groote geographische verspreiding heeft. In een ander en veel
-belangrijker opzicht verschilt de mensch zeer van alle eigenlijke tamme
-dieren; want men heeft nooit door stelselmatige of onbewuste teeltkeus
-toezicht gehouden op zijn voortplanting. Geen menschenras en geen
-vereeniging van menschen is ooit door andere menschen zoo volkomen
-onder het juk gebracht, dat sommige individu’s gespaard bleven en dus
-onbewust voor de voortplanting werden uitgekozen, omdat zij op de eene
-of andere wijze nuttiger waren voor hun meesters. Evenmin zijn sommige
-mannelijke en vrouwelijke individu’s met voordacht uitgekozen en met
-elkander gepaard, behalve in het welbekende geval van de Pruisische
-grenadiers, en in dit geval gehoorzaamde de mensch, zooals te
-verwachten was aan de wet der stelselmatige teeltkeus; want men
-verzekert, dat vele lange mannen werden voortgebracht in de dorpen die
-de grenadiers met hun lange vrouwen bewoonden. Te Sparta was ook een
-vorm van teeltkeus in gebruik; want de wet schreef voor, dat men alle
-kinderen kort na de geboorte moest onderzoeken, de welgemaakte en
-krachtige bewaren, en de andere aan hun lot overlaten en zoo laten
-omkomen. [78] (1)
-
-Indien wij alle menschenrassen beschouwen als tot eene enkele soort
-behoorende, dan is de geographische verspreiding dier soort verbazend
-groot; maar ook sommige afzonderlijke rassen, zooals het Amerikaansche
-en Polynesische, hebben een groote geographische verspreiding. Het is
-een bekende wet, dat soorten die een groote geographische verspreiding
-hebben, veel meer verscheidenheden vertoonen, dan soorten die tot een
-klein grondgebied beperkt zijn; en de verscheidenheden van den mensch
-kunnen meer naar waarheid worden vergeleken met die van dieren, welke
-een groote geographische verspreiding bezitten, dan met die van getemde
-dieren.
-
-Niet alleen schijnt de veranderlijkheid bij den mensch en de lagere
-dieren het gevolg te zijn van de zelfde algemeene oorzaken, maar bij
-beiden worden de zelfde kenmerken op geheel overeenkomstige wijze
-aangedaan. Dit is door Godron en Quatrefages tot in zulke kleine
-bijzonderheden bewezen, dat ik hier slechts naar hun werken behoef te
-verwijzen. [79] De monstruositeiten, die trapsgewijze overgaan in
-geringe afwijkingen, zijn eveneens bij den mensch en de lagere dieren
-zoo overeenkomstig, dat voor beide de zelfde klassificatie en de zelfde
-uitdrukkingen kunnen worden gebezigd, zooals men in Isidore Geoffroy
-St.-Hilaire’s groot werk [80] kan zien. Dit is een noodwendig gevolg
-daarvan, dat in het geheele dierenrijk de veranderingen door de zelfde
-wetten worden beheerscht. In mijn werk over het varieeren der
-huisdieren heb ik de wetten der variatie in het grove tot de volgende
-rubrieken trachten te brengen:—De rechtstreeksche en bepaalde werking
-van de levensvoorwaarden, die wordt aangetoond, doordat alle individu’s
-van eene en de zelfde soort onder de zelfde omstandigheden op de zelfde
-wijs varieeren. De uitwerkselen van lang voortgezet gebruik of onbruik
-van deelen. De samenhang tusschen homotype deelen. De variabiliteit van
-deelen die in een zeker aantal voorkomen. Compensatie van groei, maar
-van deze wet heb ik in het geval van den mensch geen goede voorbeelden
-gevonden. De uitwerkselen van mechanischen druk van het eene deel op
-het andere, zooals van de bekkenbeenderen der moeder op den schedel van
-de ongeboren vrucht. Stilstand in ontwikkeling, leidende tot de
-verkleining of het geheel verdwijnen van deelen. Het opnieuw
-verschijnen van lang verloren kenmerken door atavisme. Eindelijk
-correlatieve variatie. Al deze zoogenaamde wetten zijn even goed op den
-mensch als op de lagere dieren en de meesten er van zelfs op planten
-toepasselijk. Het zou overbodig zijn ze hier allen te bespreken [81];
-maar verscheidenen daarvan zijn zoo belangrijk voor ons, dat er een
-aanmerkelijke ruimte aan moet worden gewijd.
-
-
-
-De rechtstreeksche en bepaalde werking van veranderde
-levensvoorwaarden.—Dit is een zeer moeilijk onderwerp. Het kan niet
-worden ontkend, dat veranderde levensvoorwaarden eenige, en soms groote
-uitwerking hebben op organismen van alle soorten en het komt op het
-eerste gezicht waarschijnlijk voor, dat, indien een daartoe voldoende
-tijdruimte gegeven was, dit steeds het geval zou zijn. Het is mij
-echter niet gelukt duidelijke bewijzen voor de waarheid van deze
-gevolgtrekking te vinden; en er kunnen geldige redenen tegen worden
-aangevoerd, voor zoover ten minste de tallooze deelen aangaat, die tot
-bepaalde doeleinden zijn ingericht. Ongetwijfeld veroorzaken echter
-veranderde levensvoorwaarden een bijna onbepaald bedrag van vlottende
-variabiliteit, waardoor de geheele organisatie eenigszins plastisch
-wordt gemaakt.
-
-In de Vereenigde Staten werden meer dan 1.000.000 soldaten die in den
-laatsten oorlog dienden, gemeten, en daarbij de Staten opgeteekend
-waarin zij waren geboren en opgevoed. [82] Door dit verbazende aantal
-waarnemingen is bewezen, dat sommige plaatselijke invloeden
-rechtstreeks terugwerken op de lengte van het lichaam; en verder leeren
-wij er uit, dat „de Staat, waarin de groei grootendeels heeft plaats
-gevonden, en de Staat van de geboorte, die de afkomst aanwijst, een
-kennelijken invloed op de lichaamsgrootte schijnt uit te oefenen.” Zoo
-is b.v. bewezen „dat het verblijf in de Westelijke Staten gedurende het
-tijdperk van den groei gewoonlijk een toeneming der lichaamsgrootte ten
-gevolge heeft.” Van den anderen kant is het zeker, dat bij matrozen hun
-levenswijze den groei belemmert, zooals blijkt „uit het groote verschil
-in lengte tusschen soldaten en matrozen op den leeftijd van 17 en 18
-jaar.” De heer B. A. Gould beijverde zich om den aard te bepalen van de
-invloeden, die aldus op de lichaamsgrootte werken; maar hij verkreeg
-slechts negatieve resultaten, namelijk, dat zij in geen betrekking
-stonden tot het klimaat, de hoogte van het land, den aard van den
-bodem, noch zelfs „in eenige merkbare mate” tot de overvloedigheid van
-of het gebrek aan de gemakken van het leven. Dit laatste besluit is in
-volkomen tegenspraak met dat, waartoe Villermé werd geleid door de
-statistiek van de lengte der lotelingen in verschillende deelen van
-Frankrijk. Als wij de verschillen in lichaamsgrootte vergelijken
-tusschen de Polynesische opperhoofden en de lagere volksklassen van de
-zelfde eilanden, of tusschen de bewoners van de vruchtbare vulkanische
-en de lage dorre koraaleilanden van den zelfden oceaan [83], of
-eindelijk tusschen de Vuurlanders op de oostelijke en westelijke kusten
-van hun land, waar de middelen van bestaan zeer verschillend zijn, dan
-is het bijna onmogelijk om niet tot het besluit te komen, dat beter
-voedsel en grooter levensgemakken wel degelijk van invloed zijn op de
-lichaamsgrootte. De boven aangehaalde getuigenissen bewijzen echter,
-hoe moeilijk het is tot eenig nauwkeurig resultaat te komen. Dr. Beddoe
-heeft onlangs bewezen, dat bij de bewoners van Groot Brittannië het
-verblijf in steden en sommige ambachten een nadeeligen invloed op de
-lichaamsgrootte uitoefenen; en hij komt tot het besluit, dat de
-gevolgen daarvan tot op zekere hoogte erfelijk zijn, zooals eveneens in
-de Vereenigde Staten het geval is. Dr. Beddoe gelooft verder, dat
-overal waar een „ras zijn maximum van physische ontwikkeling bereikt,
-het ook tot zijn toppunt van energie en zedelijke kracht klimt.” [84]
-
-Of uitwendige toestanden eenige verdere rechtstreeksche uitwerking op
-den mensch hebben, is niet bekend. Men zou hebben mogen verwachten dat
-klimatologische verschillen een kennelijken invloed zouden hebben
-gehad, daar de longen en nieren door een lagere temperatuur, en de
-lever en de huid door een hoogere, tot grooter werkzaamheid worden
-gebracht. [85] Men dacht vroeger, dat de kleur der huid en de aard van
-het haar door licht of warmte werden bepaald; en hoewel het moeilijk
-valt te loochenen, dat daardoor eenige invloed wordt uitgeoefend, zijn
-toch bijna alle waarnemers het tegenwoordig eens, dat die invloed zeer
-gering is geweest, zelfs na een gedurende vele generaties voortgezette
-inwerking. Dit onderwerp zal echter meer in het bijzonder worden
-behandeld, wanneer wij over de verschillende menschenrassen zullen
-spreken. Er bestaan gronden om aan te nemen, dat bij onze huisdieren
-koude en vochtigheid rechtstreeks op den haargroei inwerken, maar bij
-den mensch ken ik daarvoor volstrekt geen bewijzen.
-
-
-
-Gevolgen van vermeerderd gebruik of onbruik van deelen.—Iedereen weet,
-dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen
-onbruik, of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het oog
-wordt vernield, neemt dikwijls de gezichtszenuw in omvang af. Als een
-slagader wordt afgebonden, neemt niet slechts de middellijn der
-zijdelingsche kanalen, maar ook de dikte en sterkte van hun weefsel
-toe. Als door een ziekte de eene nier ophoudt te werken, neemt de
-andere in grootte toe en doet dubbel werk. Beenderen nemen niet alleen
-in dikte, maar ook in lengte toe; wanneer zij een grooter gewicht
-dragen. [86] Het geregeld uitoefenen van sommige bedrijven veroorzaakt
-veranderingen in de verhoudingen van verscheidene lichaamsdeelen. Zoo
-bewees de door de regeering der Vereenigde Staten benoemde commissie
-[87] ten duidelijkste, dat de beenen der matrozen, die in den oorlog
-aldaar werden gebruikt, 0.65 centimeter langer waren dan die der
-soldaten, hoewel de gemiddelde lichaamslengte der matrozen kleiner was,
-terwijl hun armen 2.76 centimeter korter en daarom met betrekking tot
-hun lichaamslengte naar evenredigheid nog veel korter waren. De
-kortheid van hun armen is blijkbaar het gevolg van het grooter gebruik,
-dat zij er van maken, en is een onverwacht resultaat; matrozen
-gebruiken echter hun armen voornamelijk om te trekken en niet om
-gewichten te dragen. De omtrek van den hals en de diepte van de wreef
-zijn grooter, de omtrek van de borstkas, van het middel en de heupen
-daarentegen kleiner bij matrozen, dan bij soldaten.
-
-Of de verschillende bovengemelde wijzigingen erfelijk zouden worden,
-wanneer de zelfde levenswijze gedurende vele generaties werd
-voortgezet, is niet bekend, doch is waarschijnlijk. Rengger [88]
-schrijft de dunne beenen en de dikke armen van de Payaguas-Indianen
-daaraan toe, dat opeenvolgende generaties bijna hun geheele leven in
-kano’s hebben doorgebracht, waarbij hun onderste ledematen zonder
-beweging bleven. Andere schrijvers zijn in andere dergelijke gevallen
-tot het zelfde besluit gekomen. (2) Volgens Cranz [89], die langen tijd
-bij de Eskimo’s leefde, „gelooven de inboorlingen, dat vernuft en
-behendigheid in het zeehonden vangen (hun hoogste kunst en deugd)
-erfelijk is; en werkelijk is daar iets waars in, want de zoon van een
-vermaard zeehondenvanger onderscheidt zich daarin gewoonlijk, zelfs al
-verloor hij zijn vader, toen hij nog slechts een klein kind was.” In
-dit geval schijnt echter geestelijke aanleg evenzoo goed te worden
-overgeërfd als lichamelijk maaksel. Men beweert, dat de handen van
-Engelsche boeren bij de geboorte grooter zijn, dan die van de hoogere
-burgerklasse. [90] Wegens de correlatie die ten minste in sommige
-gevallen [91] bestaat tusschen de ontwikkeling der ledematen en die der
-kaken, is het mogelijk, dat bij klassen welke niet met hun handen en
-voeten werken, de kaken daardoor in grootte zouden afnemen. Dat de
-kaken over het algemeen kleiner zijn bij ontwikkelde en beschaafde
-menschen dan bij menschen, die hard moeten werken, en bij wilden, is
-zeker. Bij wilden werkt echter, zooals de heer Herbert Spencer [92]
-heeft opgemerkt, het grooter gebruik van de kaken bij het kauwen van
-grof ongekookt voedsel op rechtstreeksche wijze op de kauwspieren en de
-beenderen, waaraan deze zijn vastgehecht, in. Bij kinderen is lang voor
-de geboorte de huid aan de voetzolen dikker dan op eenige andere plaats
-van het lichaam [93]; en het valt moeilijk te betwijfelen, dat dit het
-gevolg is van de overgeërfde gevolgen der drukking gedurende een lange
-reeks van geslachten.
-
-Iedereen weet, dat horlogemakers en graveurs een neiging hebben om
-bijziende te worden, terwijl zeelieden en vooral wilden over het
-algemeen verziende zijn. [94] Bijziendheid en verziendheid nu hebben
-ongetwijfeld een neiging tot erfelijkheid. [95] De minderheid van
-Europeanen, in vergelijking met wilden, in scherpte van het gezicht en
-van de andere zinnen, is ongetwijfeld het opeengestapeld en overgeërfd
-gevolg van verminderd gebruik gedurende vele generaties; want Rengger
-[96] verzekert, dat hij herhaaldelijk Europeanen heeft waargenomen, die
-met de wilde Indianen waren grootgebracht en hun geheele leven bij hen
-hadden doorgebracht, en toch in scherpte van zinnen voor hen
-onderdeden. De zelfde dierkundige merkt op, dat de schedelholten,
-bestemd voor de opneming der verschillende zintuigen bij de
-inboorlingen van Amerika, grooter zijn dan bij Europeanen, en dit wijst
-ongetwijfeld op een overeenkomstig verschil in afmetingen der zintuigen
-zelven. Blumenbach heeft eveneens de aandacht gevestigd op den grooten
-omvang der neusholten in de schedels van Amerikaansche inboorlingen, en
-brengt dit feit in verband met de opmerkelijke scherpte van hun
-reukvermogen. De Mongolen der vlakten van Noord-Azië hebben, volgens
-Pallas, verwonderlijk volmaakte zinnen, en Prichard gelooft, dat de
-groote breedte hunner schedels, over de jukbeenderen gemeten, een
-gevolg is van hun hoog ontwikkelde zintuigen. (3) [97]
-
-De Quechua-Indianen bewonen de hoogvlakten van Peru, en Alcide
-d’Orbigny getuigt [98], dat zij, door onophoudelijk een zeer verdunde
-lucht in te ademen, borstkassen en longen van buitengewone afmetingen
-hebben verkregen. Ook de cellen van de longen zijn grooter en talrijker
-dan bij Europeanen. Men heeft de juistheid dezer waarnemingen
-betwijfeld; doch de heer Forbes mat zorgvuldig verscheidene Aymara’s,
-een verwanten stam, die op een hoogte van 3300 tot 5000 meter leeft; en
-hij deelt mij mede [99], dat zij in den omtrek en de lengte van hun
-romp sterk afwijken van de menschen van alle rassen die hij heeft
-gezien. In de tabel van zijn metingen wordt de geheele lengte van elk
-persoon gelijk aan duizend gesteld, en de overige metingen tot dezen
-standaard herleid. Het blijkt dan, dat de uitgestrekte armen van de
-Aymara’s korter zijn dan die van Europeanen, en veel korter dan die van
-negers. De beenen zijn ook korter en vertoonen de merkwaardige
-bijzonderheid, dat bij elken opgemeten Aymara het dijbeen korter is dan
-het scheenbeen. Gemiddeld staat de lengte van het dijbeen tot die van
-het scheenbeen als 211 tot 252; terwijl bij twee tegelijkertijd gemeten
-Europeanen de dijbeenderen zich tot de scheenbeenderen verhielden als
-244 tot 230, en bij drie negers als 258 tot 241. Het opperarmbeen is
-eveneens korter in verhouding tot den voorarm. De heer Forbes bracht
-mij op het denkbeeld, dat deze verkorting van dat deel van het lid,
-hetwelk het dichtst bij het lichaam ligt, een geval van compensatie is
-met betrekking tot de sterke vermeerdering in lengte van den romp. De
-Aymara’s vertoonen in hun maaksel nog eenige andere eigenaardigheden,
-b.v. het zeer weinig uitsteken van den hiel.
-
-Deze menschen zijn zoo volkomen geacclimatiseerd in hun koude en hooge
-woonplaats, dat, toen weleer de Spanjaarden hen naar de lage oostelijke
-vlakten brachten, en wanneer zij nu, door hoog loon in verzoeking
-gebracht, van hun bergen afdalen naar de goudwasscherijen, de sterfte
-onder hen tot een schrikbarende hoogte klimt. Toch vond de heer Forbes
-eenige weinige huisgezinnen van zuiver bloed, die gedurende twee
-generaties in leven waren gebleven; en hij merkte op, dat zij hun
-kenmerkende eigenaardigheden nog hadden geërfd. Het was echter
-duidelijk te zien, zelfs zonder meting, dat deze eigenaardigheden allen
-afgenomen waren; en bij meting bleek, dat hun romp niet zoo lang was
-als die hunner stamgenooten van de hooge bergvlakte, terwijl hun
-dijbeenderen een weinig langer waren geworden, evenals ook, hoewel in
-mindere mate, hun scheenbeenderen. De juiste afmetingen kan men vinden
-in de verhandeling van den heer Forbes. Na deze belangrijke
-waarnemingen kan het dunkt mij, niet worden betwijfeld, dat een
-gedurende vele generaties voortgezet verblijf op groote hoogte een
-directe en indirecte neiging tot erfelijke wijzigingen in de
-verhoudingen van het lichaam ten gevolge heeft. [100]
-
-Hoewel de mensch gedurende de latere trappen zijner ontwikkeling niet
-moge zijn gewijzigd door het vermeerderde of verminderde gebruik van
-deelen, toonen de bovengemelde feiten, dat zijn vatbaarheid daarvoor
-niet verloren is gegaan, en wij weten met zekerheid, dat de zelfde wet
-bij lagere dieren doorgaat. Wij mogen daaruit bij gevolg afleiden, dat,
-toen in een lang geleden tijdperk de voorouders van den mensch, in een
-overgangstoestand verkeerden en bezig waren om van viervoetige in
-tweevoetige dieren te veranderen, de natuurlijke teeltkeus
-waarschijnlijk in groote mate werd geholpen door de overgeërfde
-gevolgen van het vermeerderde of verminderde gebruik van de
-verschillende deelen van het lichaam.
-
-
-
-Stilstand in de ontwikkeling.—Stilstand in de ontwikkeling verschilt
-daarin van stilstand in den groei, dat de deelen doorgaan met groeien,
-ofschoon zij hun vroegeren ontwikkelingstoestand behouden.
-Verschillende misvormingen behooren tot deze afdeeling, en van sommigen
-daarvan weet men, dat zij erfelijk zijn, zooals b.v. een gespleten
-verhemelte. Voor ons doel zal het genoeg zijn te verwijzen naar den
-stilstand in de ontwikkeling der hersenen bij microcephale idioten,
-zooals die in Vogt’s groote verhandeling worden beschreven. [101] Hun
-schedels zijn kleiner en de hersenwindingen minder ingewikkeld, dan bij
-normale menschen. De voorhoofdsboezem, of het vooruitsteken der
-wenkbrauwbogen, is sterk ontwikkeld, en de kaken vertoonen een
-„schrikbarende” mate van prognathisme; zoodat deze idioten eenigszins
-gelijken op de laagste typen van het menschelijk geslacht. Hun verstand
-en hun meeste geestvermogens zijn uiterst zwak. Zij kunnen niet leeren
-spreken en zijn geheel buiten staat hun aandacht lang op iets te
-vestigen, daarentegen hebben zij veel neiging tot nabootsing. Zij zijn
-sterk en opmerkelijk bedrijvig, daar zij voortdurend springen en
-rondhuppelen, en grimassen maken. Zij klimmen dikwijls op handen en
-voeten de trap op; en houden merkwaardig veel van het klimmen op
-meubels en in de boomen. Dit herinnert ons, hoe gaarne de meeste
-jongens in de boomen klimmen, en dit laatste herinnert ons weder, met
-hoeveel vermaak lammeren en jonge geiten, oorspronkelijk in bergstreken
-levende dieren, op elk heuveltje, hoe klein ook, rondspringen. Idioten
-gelijken ook in sommige andere opzichten op de lagere dieren; zoo zijn
-er verscheidene voorbeelden aangeteekend, dat zij elken mondvol voedsel
-zorgvuldig beroken, voor zij hem opaten. Van éénen idioot wordt
-vermeld, dat hij dikwijls, als hij zich luisde, zijn mond gebruikte om
-zijn handen te helpen. Zij hebben dikwijls vuile gewoonten en geen
-begrip van wat betamelijk is, en er zijn verschillende gevallen
-opgeteekend van opmerkelijke behaardheid van hun lichaam. [102]
-
-
-
-Atavisme.—Vele gevallen die hier moeten worden opgesomd, zouden tot de
-vorige afdeeling kunnen zijn gebracht. Wanneer een orgaan in zijn
-ontwikkeling blijft stilstaan, maar voortgaat met groeien totdat het
-nauwkeurig gelijkt op een overeenkomstig orgaan van een of ander lager
-en volwassen lid van de zelfde groep, mogen wij zulks altijd
-eenigermate als een geval van atavisme beschouwen. De lagere leden van
-een groep geven ons eenig denkbeeld van het maaksel van den
-gemeenschappelijken stamvader van de groep; en het is moeielijk te
-gelooven, dat een deel, in welks ontwikkeling een stilstand was
-ontstaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven, in
-staat zou zijn om zoodanig met groeien voort te gaan, dat het ten
-laatste zijn bijzondere functie kon vervullen, wanneer het dit vermogen
-van voortgaanden groei niet had verkregen gedurende den eenen of
-anderen vroegeren toestand van bestaan, toen zijn thans exceptioneel en
-door stilstand in de ontwikkeling veroorzaakt maaksel normaal was. De
-eenvoudige hersenen van een microcephalen idioot kunnen, in zoover zij
-op die van een aap gelijken, worden gezegd een geval van atavisme te
-zijn. [103] Er zijn andere gevallen, die nog volkomener in onze
-tegenwoordige afdeeling over atavisme passen. Sommige vormen, die bij
-de lagere leden van de groep waartoe de mensch behoort, geregeld
-voorkomen, worden nu en dan ook bij dezen laatsten waargenomen, hoewel
-men ze niet bij den normalen menschelijken embryo aantreft, of, wanneer
-zij bij den normalen embryo worden gevonden, zich op abnormale wijze
-ontwikkelen, hoewel die wijze van ontwikkeling bij de lagere leden der
-zelfde groep normaal is. Deze opmerkingen zullen duidelijker worden
-gemaakt door de volgende voorbeelden.
-
-Bij de verschillende zoogdieren klimt de baarmoeder van een dubbel
-orgaan met twee gescheiden openingen en twee doorgangen, zooals bij de
-buideldieren, trapsgewijze op tot een enkelvoudig orgaan, dat geen
-andere teekenen van tweevoudigheid vertoont dan een kleine inwendige
-plooi zooals bij de apen en den mensch. De knaagdieren vertoonen een
-volledige rij van overgangen tusschen deze beide uitersten. Bij alle
-zoogdieren ontwikkelt zich de baarmoeder oorspronkelijk uit
-enkelvoudige buizen, waarvan de onderste deelen de hoornen vormen, en
-wordt, volgens de woorden van Dr. Farre, „door de samengroeiing van de
-beide hoornen aan hun benedenste uiteinden het lichaam van de
-baarmoeder bij den mensch gevormd; terwijl bij die dieren, bij welke
-geen middelste gedeelte of lichaam bestaat, de hoornen onverbonden
-blijven. Naarmate de ontwikkeling der baarmoeder voortgaat, worden de
-beide hoornen hoe langer hoe korter, tot zij ten laatste geheel
-verdwijnen, of zich als het ware in het lichaam van de baarmoeder
-oplossen.” Zelfs op zulk een hoogen ontwikkelingstrap als die der
-lagere apen en hun verwanten, de Lemuriden, zijn de hoeken van de
-baarmoeder nog tot hoornen verlengd.
-
-Nu zijn bij vrouwen anomalieën niet zeer zeldzaam, waarbij de volwassen
-baarmoeder van hoornen voorzien of gedeeltelijk in twee organen
-verdeeld is; en dergelijke gevallen herhalen, volgens Owen, „in hun
-ontwikkeling den graad van concentratie” die door sommige knaagdieren
-wordt bereikt. Hier hebben wij misschien een voorbeeld van een
-eenvoudigen stilstand in de ontwikkeling van den embryo, met
-voortgaanden groei en volledige geschiktwording van het orgaan voor
-zijn functie; want elke zijde van de gedeeltelijke dubbele baarmoeder
-is geschikt om bij de zwangerschap haar eigenaardige taak te vervullen.
-
-In andere en meer zeldzame gevallen worden twee afgescheiden
-baarmoederlijke holten gevormd, elk met haar eigen opening en doorgang.
-[104] Deze ontwikkelingstrap wordt door een normaal embryo niet
-doorloopen, en het is moeielijk te gelooven, ofschoon het misschien
-niet onmogelijk is, dat twee eenvoudige, kleine, primitieve buisjes de
-kunst zouden verstaan (als ik mij zoo eens mag uitdrukken) om zich te
-ontwikkelen tot twee afgescheiden baarmoeders, elk met een goed
-gevormde opening en doorgang, en beide voorzien van talrijke spieren,
-zenuwen, klieren en vaten, als zij niet vroeger een dergelijken
-ontwikkelingsgang hadden doorloopen, zooals bij de tegenwoordig levende
-buideldieren het geval is. Niemand zal beweren, dat een zoo volkomen
-orgaan als de abnormale dubbele baarmoeder bij de vrouw alleen als een
-gevolg van het toeval kan worden beschouwd. Het beginsel van atavisme,
-waardoor sinds lang verloren en om zoo te zeggen slapende kenmerken
-opnieuw in het leven worden teruggeroepen, zou echter de volkomen
-ontwikkeling van het orgaan kunnen verklaren, zelfs wanneer een
-ontzaglijk lange tijd was verloopen sedert die ontwikkelingswijze
-normaal bij de voorouders van den mensch voorkwam.
-
-Professor Canestrini [105] komt, na het voorgaande en verschillende
-dergelijke gevallen te hebben besproken, tot het zelfde besluit waartoe
-ik zooeven kwam. Hij voegt er, als een ander voorbeeld, het jukbeen
-bij, dat bij sommige vierhandige en andere zoogdieren normaal uit twee
-deelen bestaat. Dit is ook het geval bij den menschelijken foetus van
-twee maanden; en ook soms door stilstand in de ontwikkeling bij den
-volwassen mensch, meer in het bijzonder bij de lagere prognathische
-rassen. Hieruit besluit Canestrini, dat bij den eenen of anderen
-vroegeren voorvader van den mensch dit been normaal uit twee deelen
-bestond, die later met elkander tot één geheel vergroeiden. Bij den
-mensch bestaat het voorhoofdsbeen uit één stuk, maar bij den embryo en
-bij kinderen, en bij bijna alle lagere zoogdieren bestaat het uit twee
-stukken, die door een afzonderlijken naad worden gescheiden. Deze naad
-blijft soms bij den volwassen mensch min of meer duidelijk bestaan en
-veelvuldiger bij oude dan bij nieuwere schedels, vooral, zooals
-Canestrini heeft opgemerkt, bij die, welke uit het diluvium zijn
-opgegraven en tot het brachycephale type behooren. Hij komt hier weder
-tot het zelfde besluit als in het overeenkomstige geval van de
-jukbeenderen. In dit en in andere gevallen die wij hier moeten
-mededeelen, schijnt de reden dat oude rassen in sommige kenmerken
-veelvuldiger tot de lagere dieren naderen dan de nieuwere rassen, te
-zijn, dat deze laatste in de lange lijn van afstamming op een iets
-grooter afstand staan van hun voormalige half-menschelijke voorouders.
-
-Verschillende andere anomalieën bij den mensch, meer of min met de
-voorgaande overeenkomende, zijn door verschillende schrijvers [106]
-voor atavismen verklaard; maar deze schijnen niet weinig twijfelachtig,
-want wij moeten uiterst laag in de reeks der zoogdieren afdalen, vóór
-wij dergelijke vormen normaal aanwezig vinden.
-
-Bij den mensch zijn de hoektanden werktuigen die volkomen geschikt zijn
-voor het kauwen. Dat zij echter werkelijk met de hondstanden van andere
-zoogdieren overeenkomen, wordt, zooals Owen [107] opmerkt, „aangetoond
-door de kegelvormige kroon, die in een stompe punt eindigt, aan de
-buitenzijde bol, aan de binnenzijde plat of eenigszins hol is, aan de
-basis van welk oppervlak een geringe verhevenheid is. De kegelvorm is
-het best uitgedrukt bij de Melanesische rassen, vooral bij het
-Nieuw-Hollandsche. De hoektand is dieper en met een sterker wortel
-ingeplant dan de snijtanden.” Desniettemin dient deze tand den mensch
-niet meer als een bijzonder wapen om zijn vijanden of zijn prooi vaneen
-te scheuren; hij kan dus, voor zoover zijn eigenlijke bestemming
-aangaat, als rudimentair worden beschouwd. In iedere groote verzameling
-van menschelijke schedels kan men er enkele vinden [108], waarvan de
-hoektanden aanmerkelijk boven de andere uitsteken op de zelfde wijze
-maar in mindere mate, dan bij de anthropomorphen. In deze gevallen
-bevinden zich tusschen de tanden van de eene kaak open plaatsen tot
-opneming van de hoektanden der andere kaak. Bij een door Wagner
-afgebeelden Kafferschedel merkt men een verbazend groote dergelijke
-tusschenruimte op. [109] Wanneer men in aanmerking neemt, hoe weinig
-oude schedels in vergelijking met nieuwere schedels bestudeerd zijn, is
-het een belangrijk feit, dat in ten minste drie gevallen de hoektanden
-sterk uitsteken, en bij de kaak van la Naulette zijn zij, naar men
-zegt, zeer groot. [110]
-
-Bij de anthropomorphe apen hebben alleen de mannetjes volkomen
-ontwikkelde hondstanden; maar bij den vrouwelijken gorilla en in
-mindere mate bij den vrouwelijken orang steken deze tanden aanmerkelijk
-boven de andere uit; het feit, dat vrouwen, zooals men mij heeft
-verzekerd, sterk uitstekende hoektanden hebben, is daarom geen ernstige
-tegenwerping tegen het geloof, dat hun nu en dan voorkomende groote
-ontwikkeling bij den mensch een geval van atavisme, van terugkeer tot
-de kenmerken van een op een aap gelijkenden voorvader is. Hij die met
-verachting het geloof verwerpt, dat de gedaante van zijn eigen
-hoektanden en hun nu en dan waargenomen groote ontwikkeling bij andere
-menschen daardoor worden veroorzaakt, dat onze vroegere voorouders van
-deze vreeselijke wapens voorzien zijn geweest, zal waarschijnlijk zijn
-afkomst duidelijk toonen door den neus op te trekken. Want hoewel hij
-noch het voornemen, noch het vermogen meer heeft om deze tanden als
-wapenen te gebruiken, zal hij onbewust zijn bromspieren, zooals Sir
-Bell [111] ze noemt, optrekken, even alsof hij ze voor den aanval wilde
-ontblooten gelijk een hond, die zich voorbereidt tot het gevecht.
-
-Vele spieren die aan de apen of andere zoogdieren eigen zijn, komen
-soms ook bij den mensch in ontwikkelden toestand voor. Professor
-Vlacovich [112] onderzocht veertig mannelijke lijken, en vond bij
-negentien daarvan een spier, door hem musculus ischio-pubicus genoemd;
-bij drie andere was er een band welke deze spier vertegenwoordigde; en
-bij de overige achttien geen spoor daarvan. Dertig vrouwelijke lijken
-onderzoekende, vond hij, dat alleen bij twee daarvan deze spier aan
-beide zijden ontwikkeld was, maar bij drie andere bestond de
-rudimentaire band. Deze spier schijnt daarom veel algemeener te zijn
-bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse, en wanneer men het
-beginsel der afstamming van den mensch van dezen of genen lageren vorm
-aanneemt, kan haar tegenwoordigheid worden begrepen; want zij is bij
-verschillende lagere dieren ontdekt, en bij deze allen dient zij
-uitsluitend om het mannetje bij de paring behulpzaam te zijn.
-
-De heer J. Wood heeft in zijne gewichtige reeks verhandelingen [113]
-een groot aantal wijzigingen van het spierstelsel bij den mensch, die
-op de normale inrichting daarvan bij lagere dieren gelijken, nauwkeurig
-beschreven.
-
-Wanneer men alleen de spieren beschouwt welke volkomen gelijken op die,
-welke bij onze naaste verwanten, de apen, steeds voorkomen, zijn zij
-nog te talrijk om hier zelfs maar te worden opgenoemd. Bij een enkel
-mannelijk lijk, dat een sterken lichaamsbouw en welgevormden schedel
-bezat, werden niet minder dan zeven wijzigingen in het spierstelsel
-waargenomen, die allen geheel overeenkwamen met spieren welke aan
-verschillende soorten van apen eigen zijn. Deze man had b.v. aan beide
-zijden van zijn hals een waren en krachtigen „levator claviculae”,
-zooals die bij alle aapsoorten wordt gevonden, en welke, naar men zegt,
-bij één van de zestig menschen voorkomt. [114] Daarenboven had die man
-„een bijzondere afvoerende spier van het middelhandsbeen der pink”,
-die, zooals Prof. Huxley en de heer Flower hebben aangetoond, bij de
-hoogere en lagere apen standvastig voorkomt. Ik wil er nog twee
-gevallen bijvoegen; de musculus acromio-basilaris wordt bij alle
-zoogdieren die beneden den mensch staan, gevonden, en schijnt in
-verband te staan met een viervoetigen gang, en hij komt voor bij
-omstreeks één van de zestig menschen. In de onderste ledematen vond de
-heer Bradley een abductor ossis metatarsi quinti in beide voeten van
-den mensch; deze spier was tot dien tijd toe bij den mensch niet
-opgeteekend, maar is altijd aanwezig bij de anthropomorphe apen. De
-handen en armen van den mensch vertoonen in hooge mate een eigenaardig
-maaksel; maar hun spieren zijn uiterst onderhevig aan wijzigingen
-waardoor zij op de overeenkomstige spieren bij de lagere dieren gaan
-gelijken. [115] Dergelijke gelijkenissen zijn of volledig en volmaakt
-of onvolmaakt, en vormen in dit laatste geval blijkbaar overgangen.
-Sommige wijzigingen zijn meer algemeen bij den man en andere bij de
-vrouw, zonder dat wij in staat zijn hiervan de oorzaak aan te wijzen.
-De heer Wood maakt, na verscheidene gevallen te hebben beschreven, de
-volgende belangrijke opmerking:
-
-„Aanmerkelijke afwijkingen van het gewone type van het spierstelsel
-loopen in lijnen of richtingen, die men moet onderstellen, dat eenigen
-onbekenden factor aanduiden die hoogst belangrijk is voor een
-begrijpelijke kennis van algemeene en wetenschappelijke ontleedkunde.”
-[116]
-
-Dat deze onbekende factor atavisme of terugkeer tot een vroegeren
-toestand van bestaan is, mag men voor hoogst waarschijnlijk houden. Het
-is volkomen ongeloofelijk, dat een mensch door zuiver toeval in de
-abnormale ontwikkeling van niet minder dan zeven zijner spieren op
-zekere apen zou gelijken, indien er geen bloedverwantschap tusschen hen
-bestond. Indien daarentegen de mensch afstamt van een of ander op een
-aap gelijkend wezen, kan er geen gegronde reden worden opgegeven,
-waarom sommige spieren niet plotseling opnieuw zouden verschijnen na
-een tusschenruimte van vele duizenden generaties, op de zelfde wijze
-als bij paarden, ezels en muildieren donker gekleurde strepen
-plotseling opnieuw verschijnen op de pooten en schouders na een
-tusschenruimte van honderden of waarschijnlijker duizenden geslachten.
-
-Deze verschillende gevallen van atavisme zijn zoo nauw verwant met die
-van rudimentaire organen, in het eerste hoofdstuk medegedeeld, dat het
-bij velen van hen onverschillig zou zijn geweest, in welk der beide
-hoofdstukken zij werden besproken. Zoo kan men zeggen, dat een van
-hoornen voorziene menschelijke baarmoeder in rudimentairen staat den
-normalen toestand van het zelfde orgaan bij sommige zoogdieren
-vertegenwoordigt. Sommige deelen die bij den mensch rudimentair zijn,
-zooals het koekoeksbeen bij beide seksen en de tepels bij de mannelijke
-sekse, zijn altijd tegenwoordig, terwijl andere, zooals het foramen
-supra condyloideum alleen nu en dan verschijnen, en daarom onder de
-afdeeling atavisme zouden kunnen zijn gebracht. Deze verschillende
-atavistische vormingen verraden, even goed als de strikt rudimentaire,
-’s menschen afstamming van dezen of genen lagen vorm op onmiskenbare
-wijze. (6)
-
-
-
-Correlatie.—Bij den mensch zoowel als bij de lagere dieren bestaat er
-een zoo innig verband tusschen vele organen, dat als het eene deel
-afwijkingen vertoont, ook het andere dit doet, zonder dat wij daarvan
-in de meeste gevallen de oorzaak kunnen aangeven. Wij kunnen niet
-zeggen of het eene deel het andere bestuurt, dan wel of beide door
-eenig vroeger ontwikkeld deel worden bestuurd. I. Geoffroy drukt er
-herhaaldelijk op, dat er tusschen verschillende monstruositeiten een
-dergelijk innig verband bestaat.
-
-Vooral homotype deelen veranderen dikwijls tegelijkertijd, zooals wij
-zien aan de tegenovergestelde lichaamshelften, en aan de bovenste en
-onderste ledematen, Meckel merkte reeds voor langen tijd op, dat
-wanneer de spieren van den arm van haar gewoon type afwijken, zij bijna
-altijd die van het been nabootsen, en evenzoo gaat het omgekeerd met de
-spieren van het been. De zintuigen van het gezicht en het gehoor, de
-tanden en de haren, de kleur der huid en van het haar, de kleur en het
-gestel staan op de zelfde wijze min of meer met elkander in verband.
-[117] Prof. Schaaffhausen vestigde het eerst de aandacht op de
-betrekking, die er blijkbaar bestaat tusschen een gespierden
-lichaamsbouw en sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, die zoo kenmerkend
-zijn voor de lagere menschenrassen.
-
-Behalve de wijzigingen, die met meer of minder waarschijnlijkheid tot
-de voorgaande afdeelingen kunnen worden gebracht, is er nog een groote
-klasse van wijzigingen, die men spontane zou kunnen noemen, want ten
-gevolge onzer onwetendheid ontstaan zij schijnbaar zonder eenige
-aanleidende oorzaken. Men kan echter bewijzen, dat dergelijke
-wijzigingen, hetzij zij bestaan in geringe individueele verschillen of
-in sterk in het oog vallende en plotselinge afwijkingen van maaksel,
-veel meer afhangen van het gestel van het organisme dan van den aard
-der levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geworden. [118]
-
-
-
-Bedrag van den aanwas der bevolking.—Er zijn voorbeelden bekend van
-beschaafde volken, b.v. in de Vereenigde Staten, die hun aantal in
-vijf-en-twintig jaren hebben verdubbeld; en volgens een berekening van
-Euler zou dit in iets meer dan twaalf jaren kunnen geschieden. [119]
-Volgens de eerste verhouding zou de tegenwoordige bevolking der
-Vereenigde Staten, namelijk dertig millioen menschen (7), in 657 jaar
-den geheelen aardbol, zoowel het land als den oceaan, zoo dicht
-bedekken, dat op elk viertal vierkante meters negentien menschen zouden
-moeten staan. Het voornaamste of fundamenteele beletsel tegen de
-voortdurende vermeerdering van het menschelijk geslacht is de
-moeielijkheid om zijn levensonderhoud te verkrijgen en op aangename
-wijze te leven. Dat dit het geval is, mogen wij afleiden uit hetgeen
-wij b.v. in de Vereenigde Staten zien, waar het levensonderhoud
-gemakkelijk te verkrijgen en waar overvloed van ruimte is. Indien in
-Groot-Brittannië plotseling het levensonderhoud tweemaal gemakkelijker
-was te verkrijgen en de ruimte verdubbelde, zou ook het aantal
-Engelschen en Schotten spoedig verdubbeld zijn. Bij beschaafde volken
-werkt het bovengenoemde voornaamste beletsel voornamelijk door het
-aantal huwelijken te beperken. Ook de groote sterfte van kinderen in de
-armste klassen is zeer belangrijk, zoowel als de grootere sterfte op
-alle leeftijden en aan verschillende ziekten der bewoners van
-overbevolkte en slecht ingerichte huizen. De uitwerkselen van
-vreeselijke epidemieën en oorlogen worden spoedig vereffend, en meer
-dan vereffend, bij volken die onder gunstige voorwaarden zijn
-geplaatst. Bij de uiterst arme klassen werkt ook de landverhuizing als
-een tijdelijk beletsel, maar op niet zeer uitgebreide wijze.
-
-Er bestaat reden om te vermoeden, zooals Malthus heeft opgemerkt, dat
-de vruchtbaarheid tegenwoordig geringer is bij wilde dan bij beschaafde
-rassen. Wij weten daarvan niets met zekerheid, want bij wilden bestaan
-geen volkstellingen; maar volgens de overeenstemmende getuigenissen van
-zendelingen en anderen, die lang bij dergelijke volken hebben gewoond,
-schijnen hun huisgezinnen gewoonlijk klein en slechts zelden groot te
-zijn. Dit moet, naar men beweert, wellicht daaraan worden
-toegeschreven, dat de vrouwen de kinderen gedurende zeer langen tijd
-zoogen; maar het is zeer waarschijnlijk, dat wilden, die dikwijls vele
-vermoeienissen doorstaan, en niet zooveel voedzame spijs krijgen als
-beschaafde menschen, tegenwoordig minder vruchtbaar zijn. Ik heb in een
-vroeger werk [120] aangetoond, dat al onze tamme zoogdieren en vogels,
-en al de planten die wij verbouwen, vruchtbaarder zijn dan de
-overeenkomstige soorten in den natuurstaat. Het is geen gegronde
-tegenwerping tegen dit besluit, dat dieren als men ze plotseling van
-een overvloed van voedsel voorziet of vetmest, en dat de meeste
-planten, als men ze zeer plotseling uit een zeer schralen in een zeer
-vetten bodem overplant, min of meer onvruchtbaar worden. Wij konden
-daarom verwachten, dat beschaafde volken, die in zekeren zin in hooge
-mate getemd zijn, vruchtbaarder zouden zijn dan wilden. Het is ook
-waarschijnlijk, dat de vermeerderde vruchtbaarheid van beschaafde
-volken, evenals bij onze tamme dieren een erfelijk kenmerk zou worden;
-het is ten minste bekend, dat bij den mensch de aanleg om tweelingen
-voort te brengen, in sommige families erfelijk is. [121]
-
-Niettegenstaande wilden minder kinderen schijnen voort te brengen dan
-beschaafde menschen, zouden zij ongetwijfeld snel vermeerderen, indien
-hun aantal niet door sommige oorzaken krachtig werd beperkt. De
-Santali-stammen, die de heuvels van Indië bewonen, hebben voor korten
-tijd een goed bewijs daarvan geleverd; want de heer Hunter [122] heeft
-aangetoond, dat hun aantal in buitengewone mate is toegenomen, sedert
-de koepokinenting bij hen is ingevoerd, andere besmettelijke ziekten
-zijn getemperd en de oorlog krachtig is bedwongen. Die toeneming zou
-echter niet mogelijk zijn geweest, wanneer deze ruwe menschen zich niet
-in de naburige districten verspreid en zich daar als werklieden hadden
-verhuurd. Wilden huwen bijna altijd, maar nemen daarbij een soort van
-voorzichtig zelfbedwang in acht; want zij huwen gewoonlijk niet op den
-jongstmogelijken leeftijd. Men eischt dikwijls van de jonge mannen het
-bewijs, dat zij een vrouw kunnen onderhouden, en over het algemeen
-moeten zij eerst den prijs verdienen, dien zij voor haar aan haar
-ouders moeten betalen. Bij wilden beperkt de moeielijkheid om voedsel
-te verkrijgen hun aantal op een veel meer rechtstreeksche wijze dan bij
-beschaafde menschen; want alle stammen hebben periodiek zware
-hongersnooden door te staan. In zulke tijden zijn de wilden genoodzaakt
-veel slecht voedsel te verslinden, en het kan bijna niet missen, dat
-hun gezondheid hierdoor wordt benadeeld. Vele verhalen zijn medegedeeld
-van hun hangbuiken en vermagerde ledematen na en gedurende
-hongersnooden. Zij zijn dan ook genoodzaakt veel rond te trekken,
-terwijl hun kinderen, naar men mij in Nieuw-Holland verzekerde, in
-grooten getale omkomen. Daar de hongersnooden periodiek zijn, omdat zij
-voornamelijk van de jaargetijden afhangen, moet het aantal zielen van
-alle stammen beurtelings af- en toenemen. Hun aantal kan niet
-voortdurend en regelmatig vermeerderen, omdat er geen kunstmatige
-vermeerdering van den voorraad voedsel plaats vindt. Door den nood
-gedrongen, overschrijden de wilden elkanders grondgebied, waarvan
-oorlog het gevolg is; maar zij zijn werkelijk bijna voortdurend in
-oorlog met hun naburen. Zij zijn aan vele ongelukken te land en te
-water blootgesteld bij hun zoeken naar hun voedsel, en in sommige
-landen hebben zij veel te lijden van de groote roofdieren. Zelfs in
-Indië zijn geheele districten ontvolkt geworden door de verwoestingen
-van tijgers.
-
-Malthus heeft deze verschillende beletsels van hun vermeerdering
-besproken; maar hij hecht niet genoeg gewicht aan dat, hetwelk
-waarschijnlijk het belangrijkste van allen is, namelijk kindermoord,
-vooral van vrouwelijke kinderen, en de gewoonte om miskraam te
-verwekken. Deze practijken heerschen nog heden in vele deelen der
-wereld, en in vroegeren tijd schijnt de kindermoord, zooals de heer
-M’Lennan [123] heeft aangetoond, op nog uitgebreider schaal plaats te
-hebben gehad. De oorzaak van deze practijken schijnt te zijn geweest,
-dat de wilden de moeielijkheid of liever de onmogelijkheid inzagen om
-alle kinderen die werden geboren, te onderhouden. Bij de voorgaande
-beletsels kan ook de losbandigheid worden gevoegd, maar deze is niet
-het gevolg van het gebrek aan levensmiddelen; er bestaat echter reden
-om aan te nemen, dat zij in sommige gevallen (zooals in Japan) met
-voordacht is aangemoedigd als een middel om den aanwas der bevolking
-tegen te gaan.
-
-Als wij terugzien tot een uiterst lang geleden tijdvak, moet de mensch,
-voor hij tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, meer door
-instinkt en minder door rede zijn geleid, dan de tegenwoordige wilden.
-Onze vroege half-menschelijke voorouders moeten geen kindermoord hebben
-bedreven; want de instinkten der lagere dieren zijn nooit zoo
-verdorven, dat zij hen geregeld leiden tot de vernietiging van hun
-eigen kroost. Geen voorzichtig zelfbedwang moet het aantal huwelijken
-hebben beperkt, en de beide seksen moeten zich op jeugdigen leeftijd
-vrijelijk hebben vermengd. Daartoe moet bij de voorouders van den
-mensch een streven naar snelle vermeerdering zijn ontstaan; maar
-beletsels van den eenen of anderen aard, hetzij periodiek of
-voortdurend werkende, moeten de toeneming van hun getal nog krachtiger
-hebben tegengegaan dan bij de tegenwoordige wilden. Van welken aard
-deze beletsels eigenlijk zijn geweest, kunnen wij evenmin zeggen als
-bij de meeste andere dieren. Wij weten, dat paarden en hoornvee, die
-geen zeer vruchtbare dieren zijn, toen zij voor het eerst in Z.-Amerika
-waren losgelaten, zich verbazend hebben vermeerderd. De olifant, die
-zich het langzaamst van alle bekende dieren voortplant, zou in weinige
-duizendtallen van jaren de geheele wereld bevolken. De vermeerdering
-van elke aapsoort moet door de eene of andere oorzaak worden
-tegengegaan, maar niet, zooals Brehm opmerkt, door de aanvallen van
-roofdieren. Niemand zal beweren, dat het voortplantingsvermogen der
-wilde paarden en van het hoornvee van Amerika in den beginne in eenige
-merkbare mate toenam, of dat, naarmate elke landstreek dicht werd
-bevolkt, dit zelfde vermogen afnam. Ongetwijfeld werken in dit geval en
-in alle andere vele beletselen samen, en de aard dier beletsels
-verschilt naar omstandigheden; de belangrijkste van alle zijn
-waarschijnlijk periodieke hongersnooden, veroorzaakt door ongunstige
-jaargetijden. Evenzoo zal het zijn gegaan met de vroege voorouders van
-den mensch.
-
-
-
-Natuurlijke teeltkeus.—Wij hebben nu gezien, dat de mensch variabel is
-naar lichaam en geest, en dat die veranderingen, hetzij direct of
-indirect, het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en aan de
-zelfde algemeene wetten gehoorzamen als bij de lagere dieren. De mensch
-heeft zich wijd en zijd over den aardbodem verspreid en moet gedurende
-zijn onophoudelijke verhuizingen [124] aan de meest verschillende
-levensvoorwaarden zijn onderworpen geweest. De bewoners van Vuurland,
-de Kaap de Goede Hoop en van Diemensland in het eene halfrond en die
-der poolstreken in het andere, moeten vele luchtstreken zijn
-doorgetrokken, en hun gewoonten vele malen hebben veranderd, voor zij
-hun tegenwoordige woonplaats bereikten. [125] Bij de vroege voorouders
-van den mensch moet ook, evenals bij alle andere dieren, de neiging
-hebben bestaan om in sterkere mate te vermeerderen dan hun
-voedingsmiddelen; zij moeten daarom somtijds zijn blootgesteld geweest
-aan een strijd om het leven, en bijgevolg aan de strenge wet der
-natuurlijke teeltkeus. Voordeelige veranderingen van alle soorten
-zullen dus, hetzij somtijds, hetzij gewoonlijk, behouden zijn gebleven,
-en nadeelige te gronde zijn gegaan. Ik bedoel hier niet sterk in het
-oog springende afwijkingen van maaksel die slechts nu en dan met lange
-tusschenpoozen verschijnen, maar slechts eenvoudige individueele
-verschillen. Wij weten b.v., dat bij de spieren onzer handen en voeten
-die ons vermogen van beweging bepalen, evenals bij die der lagere
-dieren [126] zeer vele individueele verschillen voorkomen. Indien
-derhalve de op apen gelijkende voorouders van den mensch, welke de eene
-of andere landstreek bewoonden, vooral wanneer die landstreek eenige
-verandering in haar toestand onderging, in twee even groote afdeelingen
-waren verdeeld, dan zou die helft, waartoe al de individu’s behoorden
-welke door hun vermogen van beweging het best geschikt waren om hun
-levensonderhoud te verkrijgen of om zich te verdedigen, kans hebben om
-voor een grooter gedeelte te blijven leven en meer kroost voort te
-brengen dan de andere minder goed begaafde helft.
-
-De mensch is in den wildsten staat waarin hij nu bestaat, het meest
-heerschende dier, dat ooit op aarde is verschenen. Hij heeft zich over
-een grootere uitgestrektheid verspreid dan eenige andere
-hooggeorganiseerde vorm, en alle andere zijn voor hem teruggeweken. Hij
-is deze verbazende meerderheid blijkbaar verschuldigd aan zijn
-verstandelijke vermogens, zijn sociale gewoonten, die er hem toe
-brengen om zijn makkers te helpen en te verdedigen, en aan zijn
-lichamelijk maaksel. De hooge belangrijkheid dezer kenmerken is bewezen
-door de einduitkomst van den strijd om het leven. Door zijn
-verstandelijke vermogens heeft zich de gearticuleerde spraak
-ontwikkeld; en hiervan heeft voornamelijk zijn verwonderlijke
-vooruitgang afgehangen. Hij heeft verschillende wapenen, werktuigen,
-vallen enz. uitgevonden, en is in staat die te gebruiken tot zijn
-verdediging, om zijn prooi te dooden of te vangen en zich op andere
-wijzen voedsel te verschaffen. Hij heeft vlotten of kano’s gemaakt om
-daarin te visschen of naar naburige vruchtbare eilanden over te steken.
-Hij heeft de kunst uitgevonden om vuur te maken, waardoor harde en
-vezelige wortels verteerbaar en vergiftige wortels en kruiden
-onschadelijk kunnen worden gemaakt. Deze laatste uitvinding,
-waarschijnlijk, met uitzondering der spraak, de grootste, die ooit door
-den mensch is gedaan, dagteekent van vóór de morgenschemering der
-geschiedenis. Deze verschillende uitvindingen, waardoor de mensch in
-den meest onbeschaafden staat zoo machtig is geworden, zijn het
-rechtstreeksche gevolg van de ontwikkeling zijner vermogens van
-waarneming, geheugen, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en rede. Ik
-kan daarom niet begrijpen, hoe de heer Wallace [127] kan volhouden,
-dat: „de natuurlijke teeltkeus den wilde slechts zou hebben kunnen
-begiftigen met hersenen, niet veel meer ontwikkeld dan die van een
-aap.”
-
-Hoewel de verstandelijke vermogens en sociale gewoonten van den mensch
-hoogst belangrijk voor hem zijn, moeten wij echter ook de
-belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel niet gering schatten, aan
-welk onderwerp het nog overige gedeelte van dit hoofdstuk zal zijn
-gewijd. De ontwikkeling van de verstandelijke en sociale of zedelijke
-vermogens zal in het volgende hoofdstuk worden besproken.
-
-Zelfs om een hamer met juistheid te gebruiken, is geen gemakkelijke
-zaak, zooals ieder die timmeren heeft geleerd, zal toegeven. Om met een
-steenworp zoo juist het doel te treffen als zulks een Vuurlander kan,
-wanneer hij zich verdedigt of vogels doodt, vereischt de volledigste
-bedrevenheid in het gezamenlijk gebruik van de spieren, de hand, den
-arm en den schouder, om van fijn tastgevoel niet te spreken. Bij het
-werpen met een steen of speer en bij vele andere handelingen moet
-iemand vast op zijn voeten staan, en dit vereischt weder de volkomene
-samenwerking van verscheidene spieren. Uit een stuk vuursteen het
-ruwste werktuig te hakken, of met een been een van weêrhaken voorziene
-speer of haak te vormen, vereischt het gebruik van een volkomen
-gevormde hand; want, zooals een zeer bevoegd rechter, de heer
-Schoolcraft [128] opmerkt, bewijst het vervaardigen van messen, lansen
-of pijlpunten uit stukjes steen: „buitengewone bekwaamheid en
-langdurige oefening.” Wij nebben een bewijs hiervan in het feit, dat de
-oorspronkelijke mensch de verdeeling van den arbeid toepaste; ieder man
-vervaardigde niet zijn eigen vuursteenen werktuigen of grof aardewerk,
-maar bepaalde individu’s schijnen zich met dergelijk werk te hebben
-beziggehouden, en ontvingen ongetwijfeld de opbrengst van de jacht in
-ruil. De oudheidkundigen zijn overtuigd, dat een verbazend lange tijd
-moet zijn verloopen vóór onze voorouders op het denkbeeld kwamen, hun
-ruw bewerkte vuursteenen werktuigen te slijpen en te polijsten. Het
-valt moeielijk te betwijfelen, dat een op een mensch gelijkend dier,
-dat in het bezit was van een hand en arm, volkomen genoeg om een steen
-met juistheid te werpen of een vuursteen in een ruw werktuig te
-vervormen, als het zich voldoende oefende, bijna alles zou kunnen
-maken, voor zoover daarvoor slechts werktuigelijke behendigheid wordt
-vereischt, wat een beschaafd man kan maken. In dit opzicht zou men het
-maaksel der hand kunnen vergelijken met dat der stemorganen, welke bij
-de apen worden gebruikt tot het voortbrengen van verschillende
-signaalkreten, of, zooals bij één soort, van muzikale tonen, terwijl
-bij den mensch geheel overeenkomstige stemorganen door de overgeërfde
-gevolgen van het gebruik geschikt zijn geworden tot het voortbrengen
-van een gearticuleerde spraak.
-
-Als wij ons nu wenden tot die dieren, welke het nauwst met den mensch
-verwant zijn en ons daarom het best een voorstelling geven van onze
-vroege voorouders, dan vinden wij, dat bij de apen de handen volgens
-het zelfde algemeene model gebouwd zijn als bij ons, maar dat zij veel
-minder volkomen ingericht zijn voor verschillende gebruiken. Hun handen
-zijn minder goed geschikt om te loopen dan de pooten van een hond,
-zooals men kan zien aan die apen, welke op den buitenrand van de
-inwendige vlakte hunner handen, of op de knokkels van hun omgebogen
-vingers loopen, zooals de chimpanzee en orang. [129] Hun handen zijn
-echter bewonderenswaardig goed geschikt om de boomen te beklimmen. De
-apen grijpen dunne takken of touwen met den duim aan de eene zijde en
-de vingers en de binnenvlakte der hand aan de andere zijde, evenals wij
-zulks doen. Zij kunnen evenzoo ook tamelijk dikke voorwerpen, zooals
-den hals eener flesch, naar den bek brengen. De bavianen keeren met hun
-handen steenen om en graven er wortels mede op. Zij pakken noten,
-insekten en andere kleine voorwerpen tusschen hun duim en vingers en
-halen ongetwijfeld op de zelfde wijze eieren en de jongen uit de nesten
-der vogels. De Amerikaansche apen slaan de wilde oranjeappelen tegen de
-takken, tot de schil barst, en pellen die dan met de vingers van beide
-handen af. Andere apen openen mosselschelpen met hun beide duimen. Met
-hun vingers trekken zij dorens en stekels uit en maken zij jacht op
-elkanders luizen.
-
-In den natuurstaat breken zij harde vruchten met behulp van steenen.
-Zij rollen steenen naar beneden, of werpen daarmede naar hun vijanden;
-zij volbrengen echter deze verschillende handelingen hoogst onhandig,
-en zij zijn, zoo als ik zelf heb gezien, volstrekt niet in staat om een
-steen met juistheid te werpen. [130]
-
-Het schijnt mij verre van waar, dat, omdat „de voorwerpen door apen op
-onhandige wijze worden aangegrepen, een veel minder volkomen
-grijpwerktuig” hun evenveel dienst zou hebben bewezen, als hun
-tegenwoordige handen. Van den anderen kant zie ik geen reden om te
-twijfelen, dat een op meer volkomen wijze ingerichte hand voordeelig
-voor hen zou zijn geweest, mits, en het is belangrijk dit aan te
-teekenen, hun handen daardoor niet minder geschikt werden gemaakt om in
-de boomen te klimmen. Wij mogen vermoeden, dat een volmaakte hand
-nadeelig voor het klimmen zou zijn geweest, daar die apen, welke het
-meest uitsluitend in de boomen leven, namelijk Ateles in Amerika en
-Hylobates in Azië, hetzij zeer verkleinde en zelfs rudimentaire duimen,
-of gedeeltelijk samengegroeide vingers hebben, zoodat hun handen in
-eenvoudige grijphaken zijn veranderd. [131]
-
-Zoodra het eene of andere voormalige lid van de groote reeks der
-Primaten er door een verandering in zijn wijze om zich voedsel te
-verschaffen of door een verandering in den toestand van zijn
-geboorteland toe kwam om wat minder in de boomen en wat meer op den
-grond te leven, moest zijn manier van loopen worden gewijzigd, en in
-dit geval moest hij hetzij meer volkomen viervoetig of tweevoetig
-worden. De bavianen bezoeken dikwijls heuvelachtige en rotsachtige
-landstreken en beklimmen alleen uit noodzakelijkheid hooge boomen
-[132]; en zij hebben bijna den gang van een hond verkregen. De mensch
-alleen is tweevoetig geworden, en wij kunnen, dunkt mij, gedeeltelijk
-nagaan, hoe hij zijn opgerichten gang heeft verkregen, die een der
-meest aanmerkelijke verschillen tusschen hem en zijn naaste verwanten
-vormt. De mensch zou zijn tegenwoordige heerschersplaats in de wereld
-niet hebben kunnen verkrijgen zonder het gebruik zijner handen, die zoo
-bewonderenswaardig geschikt zijn om de bevelen van zijn wil uit te
-voeren. Zooals Sir G. Bell opmerkt, „vervangt de hand alle werktuigen
-en geeft door haar gemeenschap met het verstand den mensch heerschappij
-over alles.” [133] De handen en armen konden echter moeilijk volmaakt
-genoeg worden om er wapenen mede te vervaardigen, of om er steenen en
-speren met juistheid mede naar een doelwit te werpen, zoolang zij
-gewoonlijk werden gebruikt om op te loopen en het geheele gewicht van
-het lichaam te dragen, of zoolang zij, zooals reeds hierboven opgemerkt
-is, voornamelijk waren ingericht om goed in de boomen te klimmen. Zulk
-een ruwe behandeling zou ook het tastgevoel hebben verstompt, waarvan
-hun fijner gebruik grootendeels afhangt. Om deze oorzaken alleen zou
-het reeds een voordeel voor den mensch zijn geweest om een tweevoetig
-dier te zijn geworden, maar voor vele handelingen is het bijna
-noodzakelijk, dat beide armen en het geheele lichaam vrij zijn, en
-daarvoor moest hij stevig op zijn voeten staan. Om dit groote voordeel
-te verkrijgen, zijn de voeten plat gemaakt en heeft de groote teen een
-bijzondere wijziging ondergaan, hoewel dit het verlies van het
-grijpvermogen ten gevolge heeft gehad. Het is overeenkomstig het
-beginsel van de verdeeling van den physiologischen arbeid, dat in het
-geheele dierenrijk heerscht, dat, toen de handen zich tot volmaakte
-grijptuigen ontwikkelden, de voeten zich ontwikkelden tot volmaakte
-werktuigen om op te staan en te loopen. Bij sommige wilden heeft de
-voet echter zijn grijpvermogen nog niet geheel verloren, zooals blijkt
-uit hun wijzen om boomen te beklimmen en uit andere doeleinden, waartoe
-zij hun voeten gebruiken. [134] (8)
-
-Als het een voordeel is voor den mensch zijn handen en armen vrij te
-hebben en stevig op zijn voeten te staan, en dit kan niet betwijfeld
-worden wegens den uitnemenden uitslag, waarmede hij den strijd om het
-leven heeft gestreden, dan kan ik geen reden zien, waarom het voor de
-voorouders van den mensch niet voordeelig zou zijn geweest om meer en
-meer rechtopgaand of tweevoetig te worden. Zij zouden daardoor
-geschikter zijn geworden om zich met steenen of knuppels te verdedigen,
-om hun prooi aan te vallen, of op andere wijze voedsel te verkrijgen.
-De best gebouwde individu’s zouden op den langen duur het best zijn
-geslaagd en in grooter aantal zijn blijven leven. Als de gorilla en
-eenige weinige verwante vormen waren uitgestorven, zou men met groote
-kracht en schijnbare waarheid hebben kunnen aanvoeren, dat een
-viervoetig dier niet trapsgewijze in een tweevoetig kon zijn veranderd,
-daar alle individu’s in een tusschen die beiden instaanden toestand
-allerellendigst slecht ingericht zouden zijn geweest voor het loopen.
-Wij weten echter, en dit is wel waard om er eens over na te denken, dat
-verschillende soorten van apen tegenwoordig in dien tusschenliggenden
-toestand verkeeren, en niemand betwijfelt, dat zij over het geheel goed
-zijn ingericht voor de voorwaarden waaronder zij leven. Zoo loopt de
-gorilla met een zijdelings wankelenden gang; maar gewoonlijk rust hij
-bij het loopen op zijn gesloten handen. De langarmige apen gebruiken
-soms hun armen als krukken, en slingeren hun lichaam tusschen dezelve
-vooruit, en sommige soorten van Hylobates kunnen, zonder het te hebben
-geleerd, tamelijk snel rechtop loopen. Zij bewegen zich echter onhandig
-en met veel minder zekerheid dan de mensch. Wij zien, om kort te gaan,
-bij de tegenwoordig levende apen verschillende overgangen tusschen een
-wijze van loopen, volkomen gelijk aan die van een viervoetig dier, en
-die van een tweevoetig dier of mensch. Toen de voorouders van den
-mensch rechtopgaande werden, doordat hun handen en armen meer en meer
-werden gewijzigd om te grijpen en voor andere doeleinden, terwijl hun
-voeten en beenen tegelijkertijd werden gewijzigd om er goed op te
-kunnen staan en te loopen, moeten tallooze andere veranderingen van
-maaksel noodig zijn geweest. Zoo was het noodig, dat het bekken werd
-verbreed, dat de ruggegraat op bijzondere wijze gekromd (9) en het
-hoofd in een gewijzigde stelling werd bevestigd, en al deze
-veranderingen heeft de mensch verkregen. Prof. Schaaffhausen [135]
-beweert, dat „de sterk ontwikkelde tepelvormige uitsteeksels van den
-menschelijken schedel het gevolg zijn van zijn rechtopgaande houding”;
-en deze uitsteeksels ontbreken bij den orang, chimpanzee, enz., terwijl
-zij bij den gorilla kleiner zijn dan bij den mensch. Er zouden hier nog
-verscheidene andere inrichtingen kunnen worden opgegeven die in verband
-schijnen te staan met ’s menschen rechtopgaande houding. Het is zeer
-moeielijk te beslissen, in hoeverre al deze met elkander in verband
-staande wijzigingen het gevolg der natuurlijke teeltkeus, en in
-hoeverre zij dat van de overgeërfde gevolgen van het vermeerderde
-gebruik van een dezer deelen of van de werking van het eene deel op het
-andere zijn. Ongetwijfeld werken deze oorzaken van verandering op
-elkander terug. Wanneer b.v. zekere spieren en de uitsteeksels der
-beenderen waaraan zij zijn bevestigd, door voortdurend gebruik worden
-vergroot, dan bewijst dit, dat zekere handelingen voortdurend worden
-volbracht en voordeel moeten aanbrengen. Daardoor zouden de individu’s,
-die ze het best volbrachten, kans hebben in grooter aantal te blijven
-leven.
-
-Het vrij gebruiken van armen en handen, gedeeltelijk de oorzaak en
-gedeeltelijk het gevolg van ’s menschen rechtopgaande houding, schijnt
-op indirecte wijze aanleiding te hebben gegeven tot andere wijzigingen
-in zijn maaksel. De vroege mannelijke voorouders van den mensch waren,
-zooals hierboven is aangetoond, waarschijnlijk voorzien van groote
-hondstanden; maar toen zij langzamerhand de gewoonte verkregen om bij
-het bestrijden hunner vijanden van steenen, knuppels en andere wapenen
-gebruik te maken, moeten zij hun kaken en tanden al minder en minder
-hebben gebruikt. Uit tallooze overeenkomstige gevallen mogen wij met
-zekerheid afleiden, dat in dit geval de kaken en tegelijkertijd de
-tanden in grootte moeten zijn afgenomen. In een volgend hoofdstuk
-zullen wij een geheel gelijksoortig geval ontmoeten in de verkleining
-of volkomene verdwijning der hondstanden bij mannelijke herkauwende
-dieren, klaarblijkelijk in verband met de ontwikkeling hunner horens;
-en bij paarden in verband met hun gewoonte om met hun snijtanden en
-hoeven te vechten.
-
-Bij de volwassen mannetjes der anthropomorphe apen zijn, zooals
-Rütimeijer [136] en anderen hebben aangetoond, de vorm van den schedel,
-waardoor deze in vele opzichten van dien van den mensch afwijkt, en de
-werkelijk vreesaanjagende uitdrukking, waardoor hij zich onderscheidt,
-juist het gevolg van de groote ontwikkeling der kauwspieren. Toen de
-kaken en tanden der voorouders van den mensch allengs in grootte
-afnamen, moet derhalve hun volwassen schedel omtrent de zelfde
-kenmerken hebben vertoond, waardoor hij zich bij de jongen der
-anthropomorphe apen onderscheidt, en moet aldus een grootere gelijkenis
-met dien der tegenwoordig levende menschen hebben verkregen. Een
-aanmerkelijke verkleining van de hondstanden bij de mannetjes zou,
-zooals wij later zullen zien, bijna zeker door overerving invloed
-hebben gehad op de tanden der wijfjes.
-
-Toen de verschillende geestvermogens trapsgewijze werden ontwikkeld, is
-het bijna zeker, dat ook de hersenen in grootte zijn toegenomen.
-Niemand betwijfelt, geloof ik, dat de groote omvang van de hersenen bij
-den mensch met betrekking tot zijn lichaam in vergelijking daarvan bij
-den gorilla of orang in nauw verband staat met zijn hoogere
-geestvermogens. Wij ontmoeten geheel overeenkomstige feiten bij de
-insekten, onder welke de hersengangliën bij de mieren van buitengewone
-afmetingen zijn, terwijl deze gangliën bij al de Hymenoptera
-verscheidene malen grooter zijn dan bij de verstandelijk slechter
-bedeelde orden, zooals de kevers. [137] Van den anderen kant
-veronderstelt niemand, dat het verstand van twee verschillende dieren
-of van twee verschillende menschen nauwkeurig kan worden afgemeten naar
-den kubieken inhoud van hun schedels. Het is zeker, dat buitengewone
-geestelijke bedrijvigheid samen kan gaan met een uiterst kleine
-absolute hoeveelheid zenuwzelfstandigheid. Zoo zijn de verwonderlijk
-verschillende instinkten, geestvermogens en gemoedsbewegingen der
-mieren algemeen bekend, en toch zijn hun hersengangliën niet zoo groot
-als het vierde gedeelte van een kleinen speldekop. Uit dit laatste
-oogpunt behooren de hersenen van een mier tot de verwonderlijkste
-stof-atomen der wereld en zijn zij wellicht nog verwonderlijker dan de
-hersenen van den mensch.
-
-De meening, dat er bij den mensch de eene of andere nauwe betrekking
-bestaat tusschen de grootte der hersenen en de ontwikkeling der
-verstandelijke vermogens, wordt ondersteund door de vergelijking der
-schedels van wilde en beschaafde rassen, van menschen, die in oudere of
-nieuwere tijden leefden, en door de analogie van de geheele reeks der
-gewervelde dieren. Dr. J. Barnard Davids [138] heeft door vele
-zorgvuldige metingen bewezen, dat de gemiddelde inwendige inhoud van
-den schedel bij Europeanen 1512,44 kubiek centimeter, bij Amerikanen
-1433,25 kubiek centimeter, bij Aziaten 1426,69 kubiek centimeter en bij
-Australiërs slechts 1341,52 kubiek centimeter is. Professor Broca [139]
-vond, dat de inhoud van schedels uit Parijsche graven van de
-negentiende eeuw zich verhield tot dien van schedels uit grafkelders
-van de twaalfde eeuw als 1484 tot 1426; en Prichard is overtuigd, dat
-de tegenwoordige bewoners van Groot-Brittannië „veel ruimer
-hersenkassen” bezitten, dan de oude bewoners. Men moet echter aannemen,
-dat sommige schedels van zeer hoogen ouderdom, zooals de beroemde
-Neanderdalschedel, goed ontwikkeld en ruim van inhoud waren. [140] (10)
-Ten opzichte van de lagere dieren is E. Lartet [141], door de schedels
-van tot de zelfde groepen behoorende tertiaire en hedendaagsche dieren
-met elkander te vergelijken, tot het opmerkelijke resultaat gekomen,
-dat de hersenen over het algemeen grooter en de hersenwindingen
-ingewikkelder zijn bij de jongere vormen. (11) Van den anderen kant heb
-ik aangetoond [142], dat de hersenen van tamme konijnen aanmerkelijk in
-grootte zijn afgenomen in vergelijking van die van het wilde konijn of
-van den haas, en dit kan daaraan worden toegeschreven, dat zij
-gedurende vele generaties eng zijn opgesloten geweest, zoodat zij hun
-verstand, instinkten, zinnen en willekeurige bewegingen slechts weinig
-hebben geoefend.
-
-De trapsgewijze vermeerdering van het gewicht van hersenen en schedel
-bij den mensch moet invloed hebben uitgeoefend op de hen dragende
-wervelkolom, vooral terwijl hij bezig was den opgerichten stand aan te
-nemen. Toen deze verandering van houding tot stand was gekomen, zal ook
-de inwendige drukking der hersenen invloed hebben uitgeoefend op den
-vorm van den schedel; want vele feiten bewijzen, hoe gemakkelijk de
-schedel aldus wordt aangedaan. De ethnologen beweren, dat hij wordt
-gewijzigd door de soort van wieg, waarin het kind slaapt. Er bestaan
-voorbeelden van, dat de aangezichtsbeenderen blijvende wijzigingen
-hebben ondergaan ten gevolge van zich dikwijls herhalende spierkrampen
-en van een door een sterke brandwond veroorzaakt litteeken. Bij jonge
-personen wier hoofden door ziekte een zijdelingsche of achterwaartsche
-houding hadden aangenomen, veranderde een der oogen van stelling en
-werden de schedelbeenderen gewijzigd, en dit is blijkbaar het gevolg
-daarvan, dat de hersenen in een nieuwe richting drukten. [143] Ik heb
-aangetoond, dat bij langoorige konijnen zelfs een zoo geringe oorzaak
-als het naar voren hangen van het eene oor aan die zijde bijna elk been
-van den schedel naar voren trekt, zoodat de beenderen der
-tegenovergestelde zijden van den kop niet meer volkomen overeenstemmen.
-Wanneer eindelijk het eene of andere dier veel in algemeene
-lichaamsgrootte toe- of afnam, zonder eenige verandering in zijn
-geestvermogens; of wanneer de geestvermogens veel toe of afnamen zonder
-de minste groote verandering in de lichaamsgrootte, zou de vorm van den
-schedel bijna zeker verandering ondergaan. Ik leid dit af uit mijn
-waarnemingen omtrent tamme konijnen, waarvan sommige rassen veel
-grooter zijn geworden dan het wilde dier, terwijl andere ongeveer de
-zelfde grootte hebben behouden; maar in beide gevallen zijn de hersenen
-veel kleiner geworden in verhouding tot de lichaamsgrootte. Nu was ik
-eerst zeer verwonderd te vinden, dat bij al deze konijnen de schedel
-meer langwerpig of dolichocephaal was geworden; zoo was bij voorbeeld
-bij twee schedels van ongeveer de zelfde breedte, de eene van een wild
-konijn en de andere van een groot tam ras, de eerste slechts 8 en de
-tweede 10,9 centimeter lang. [144] Een der sterkst uitgedrukte
-verschillen tusschen onderscheidene menschenrassen is, dat de schedel
-bij sommige verlengd en bij andere rond is; en hier kan de verklaring,
-in het geval der konijnen gegeven, gedeeltelijk gelden; want Welcker
-vindt, dat „korte menschen meer tot brachycephalie en lange meer tot
-dolichocephalie overhellen [145]; en lange menschen kunnen met de
-grootere en een langer lichaam bezittende konijnen worden vergeleken,
-die allen meer langwerpige schedels hebben, met andere woorden
-dolichocephaal zijn.
-
-Uit deze onderscheidene feiten kunnen wij tot zekere hoogte begrijpen,
-op welke wijze de mensch de bijzondere grootte en een meer of min
-afgeronden vorm van den schedel heeft verkregen; en deze eigenschappen
-kenmerken hem bij uitnemendheid in vergelijking van de lagere dieren.
-
-Een ander zeer in ’t oog vallend verschil tusschen den mensch en de
-lagere dieren is de onbehaardheid der huid. De walvisschen en dolfijnen
-(Cetacea), de dugongs en lamantijnen (Sirenia) en het rivierpaard
-(Hippopotamus) zijn onbehaard; dit is hun wellicht voordeelig bij het
-in het water glijden; en kan hun niet nadeelig zijn wegens het verlies
-van warmte, daar de soorten die koudere streken bewonen, door een dikke
-speklaag worden beschermd, die tot het zelfde doel dient als de pels
-van zeehonden en otters. Olifanten en neushoorns hebben bijna geen
-haar; en daar sommige uitgestorven soorten die vroeger in een
-poolklimaat woonden, met lange wol of haar waren bedekt (12), zou het
-bijna schijnen, dat de bestaande soorten van beide geslachten hun
-harige bekleeding ten gevolge van de blootstelling aan de warmte hadden
-verloren. Dit is des te waarschijnlijker, daar in Indië de olifanten,
-die in hooge en koele streken wonen, sterker behaard zijn dan in de
-laaglanden. [146] Mogen wij dus het gevolg trekken, dat de mensch zijn
-lichaamsharen verloor, omdat hij oorspronkelijk een of ander tropische
-gewest bewoonde? Het feit, dat het haar bij de mannelijke sekse vooral
-op de borst en het gelaat, en bij beide seksen op de plaatsen waar de
-vier ledematen zich met den romp vereenigen, bewaard is gebleven,
-ondersteunt deze gevolgtrekking, wanneer men aanneemt dat het haar werd
-verloren, voordat de mensch den opgerichten stand aannam; want de
-deelen die nu het sterkst zijn behaard, zouden toen het meest tegen de
-zonnewarmte beschut zijn geweest. De kruin van het hoofd maakt echter
-een merkwaardige uitzondering, want ten allen tijde moet deze een der
-meest blootgestelde deelen zijn geweest, en toch is zij dicht met haar
-begroeid. In dit opzicht komt de mensch met de groote meerderheid der
-viervoetige dieren overeen, bij welke over het algemeen de bovenste en
-blootgestelde oppervlakte dikker behaard is dan de onderste
-oppervlakte. Het feit, dat de andere leden van de orde der Primaten,
-waartoe de mensch behoort, hoewel zij verschillende warme streken
-bewonen, goed met haar zijn bekleed, dat over het algemeen het dikst is
-op de bovenste oppervlakte [147], is echter zeer in tegenspraak met de
-onderstelling, dat de mensch zijn haar door de werking van de zon heeft
-verloren. De heer Belt meent [148], dat het tusschen de keerkringen een
-voordeel voor den mensch is onbehaard te zijn, omdat hij daardoor in
-staat is zich te bevrijden van een menigte teken (acari) en andere
-parasieten, waardoor hij dikwijls wordt gekweld en die soms zweren
-veroorzaken. Of echter dit kwaad groot genoeg is om door natuurlijke
-teeltkeus tot ontblooting van zijn lichaam te hebben geleid, mag worden
-betwijfeld, omdat zich bij geen van de vele zoogdieren die de
-keerkringsgewesten bewonen, eenig bijzonder middel tot bescherming
-daartegen heeft ontwikkeld. De meening, die mij het waarschijnlijkste
-voorkomt, is, dat de mensch, of liever oorspronkelijk de vrouw, van
-haren werd ontbloot met het doel om zijn schoonheid te verhoogen, en
-wanneer men dit aanneemt, is het niet te verwonderen, dat de mensch
-zoozeer in behaardheid verschilt van al zijn lagere broeders, want
-kenmerken, die ten gevolge van seksueele teeltkeus zijn verkregen,
-verschillen soms bij zeer nauw verwante soorten in buitengewone mate.
-
-Volgens een algemeen volksgeloof onderscheidt de mensch zich van de
-dieren vooral door het gemis van een staart; maar daar de apen welke
-het naast met den mensch verwant zijn, dit orgaan niet bezitten,
-behoeven wij dat gemis hier eigenlijk niet te bespreken. Het kan echter
-geen kwaad om te erkennen, dat er, voor zooverre mij bekend is, nog
-nooit een verklaring is gegeven van het verlies van den staart door
-sommige apen en den mensch. Wij behoeven ons nochtans over dit verlies
-niet te verwonderen; want de staart verschilt soms merkwaardig veel in
-lengte bij soorten van één en het zelfde geslacht; zoo is bij sommige
-soorten van Macacus de staart langer dan het geheele lichaam en bestaat
-uit vier-en-twintig wervels; bij andere bestaat hij uit een nauwelijks
-zichtbare stomp, die slechts drie of vier wervels bevat. Bij sommige
-soorten van bavianen zijn er vijf-en-twintig, doch bij den mandril
-slechts tien, of volgens Cuvier [149] soms slechts vijf zeer kleine,
-slecht ontwikkelde staartwervels. De staart wordt bijna altijd aan het
-einde dunner, hetzij hij lang of kort is; en dit wordt, naar ik
-onderstel, veroorzaakt door atrophie ten gevolge van onbruik van de
-spieren van het einde met hun slagaderen en zenuwen, die de atrophie
-van de laatste staart beentjes met zich sleept. Geen verklaring kan
-echter op het oogenblik nog worden gegeven van de groote verschillen in
-lengte, die men bij den staart opmerkt. Hier hebben wij echter meer in
-het bijzonder te maken met het geheel en al verdwijnen van den
-uitwendigen staart. Prof. Broca heeft onlangs aangetoond [150], dat de
-staart bij alle viervoetige dieren uit twee deelen bestaat, over het
-algemeen scherp van elkander gescheiden. Het basale gedeelte bestaat
-uit wervels, meer of minder van een kanaal en van uitsteeksels
-voorzien, evenals gewone wervels; terwijl die van het achterste
-gedeelte geen kanaal bezitten, bijna glad zijn en nauwelijks op gewone
-wervels gelijken. Een staart, hoewel niet uitwendig zichtbaar, is
-werkelijk aanwezig bij den mensch en de anthropomorphe apen en is bij
-beiden volkomen volgens het zelfde model gemaakt. In het achterste
-gedeelte zijn de wervels die het koekoeksbeen (os coccyx) vormen,
-geheel rudimentair en zeer verminderd in grootte en aantal. In het
-basale gedeelte zijn de wervels eveneens weinig in getal, stevig met
-elkander verbonden, en zijn in ontwikkeling blijven stilstaan, maar zij
-zijn veel breeder en platter dan de overeenkomstige wervels in de
-staarten van andere dieren; zij vormen, wat Broca noemt de bijkomende
-wervels van het heiligbeen. Deze zijn belangrijk voor het organisme,
-doordat zij sommige inwendige deelen steunen en om meer andere redenen;
-en hun wijziging staat in rechtstreeksch verband met de opgerichte of
-half-opgerichte houding van den mensch en de anthropomorphe apen. Dit
-besluit verdient des te meer vertrouwen, omdat Broca vroeger van een
-andere meening was, die hij nu heeft opgegeven. De wijziging van de
-basale staartwervels bij den mensch en de hoogere apen kan dus direct
-of indirect een gevolg zijn geweest van natuurlijke teeltkeus.
-
-Wat moeten wij echter zeggen van de rudimentaire en zeer variabele
-wervels van het achterste gedeelte van den staart, die het koekoeksbeen
-(os coccyx) vormen? Een verklaring, die dikwijls belachelijk is
-gemaakt, en zulks ongetwijfeld weder zal worden, namelijk, dat wrijving
-iets heeft te maken met het verdwijnen van het uitwendige gedeelte van
-den staart, is niet zoo belachelijk, als zij op het eerste gezicht
-schijnt. Dr. Anderson [151] zegt, dat de uiterst korte staart van
-Macacus brunneus uit elf wervels bestaat, met inbegrip van de inwendig
-gelegen basale. Het uiteinde is peesachtig en bevat geen wervels;
-hierop volgen vijf rudimentaire wervels, zoo klein, dat zij te zamen
-nog geen 4 millimeter lang zijn, en deze zijn bestendig naar den eenen
-kant gebogen in den vorm van een haak. Het vrije gedeelte van den
-staart, slechts weinig meer dan 2½ centimeter lang, bevat nog slechts
-vier andere kleine wervels meer. Deze korte staart wordt opgericht
-gedragen, maar omstreeks een vierde van zijn geheele lengte is om zich
-zelf naar den linkerkant omgebogen en dit eindgedeelte, dat de
-haakvormige wervels insluit, dient „om de tusschenruimte tusschen het
-bovenste divergeerende gedeelte van de eeltplekken op te vullen”,
-zoodat het dier er op zit en het daardoor ruw en eeltachtig maakt. Dr.
-Anderson vat zijn waarnemingen als volgt samen: „Deze feiten schijnen
-mij slechts ééne verklaring toe te laten: deze staart zit wegens zijn
-kortheid den aap in den weg als hij zit, en komt dikwijls onder het
-dier te liggen als het in die houding is, en daar hij zich niet verder
-uitstrekt dan het uiteinde van de knobbels van het zitbeen, schijnt het
-alsof de staart oorspronkelijk door den wil van het dier was
-rondgebogen in de tusschenruimte tusschen de eeltplekken, opdat hij
-niet zou worden gedrukt tusschen deze en den grond, en dat na verloop
-van tijd de buiging blijvend werd, zich van zelf invoegende als het
-toevallig gebeurde, dat het dier op dat orgaan ging zitten.” Onder deze
-omstandigheden is het niet te verwonderen, dat de oppervlakte van den
-staart ruw en eeltachtig is geworden; en Dr. Murie, die in den
-Londenschen dierentuin deze soort, zoowel als drie andere nauw verwante
-met een weinig langere staarten zorgvuldig waarnam, zegt, dat wanneer
-het dier zit, de staart „noodzakelijk naar ééne zijde van de billen
-wordt gekromd; en dat, hetzij hij lang of kort is, de wortel kans loopt
-om te worden gewreven of beschadigd.” Daar wij tegenwoordig bewijzen
-hebben dat verminkingen somtijds erfelijke gevolgen hebben, is het niet
-zeer onwaarschijnlijk, dat bij kortgestaarte apen het uitstekende
-gedeelte van den staart, geen nut voor het organisme hebbende, na vele
-generaties rudimentair en krom is geworden, omdat het voortdurend
-gewreven en beschadigd werd. Wij zien het uitstekende gedeelte van den
-staart in dezen toestand bij den Macacus brunneus, en volkomen
-verdwenen bij Macacus ecaudatus en onderscheidene hoogere apen. Ten
-slotte dan: de staart is, voor zoover wij kunnen beoordeelen, verdwenen
-bij den mensch en de hoogere apen, omdat het achterste gedeelte
-gedurende een lang tijdsverloop door wrijving beschadigd is, terwijl
-het basale en inwendige gedeelte zoodanig verkort en gewijzigd is, dat
-het geschikt werd voor de opgerichte of halfopgerichte houding.
-
-Ik heb nu trachten aan te toonen, dat sommigen der meest eigenaardige
-kenmerken van den mensch waarschijnlijk geheel en al, hetzij op
-directe, of veelvuldiger op indirecte wijze, door natuurlijke teeltkeus
-zijn verkregen. Wij moeten ons herinneren, dat wijzigingen in maaksel
-of gestel, die een organisme niet dienen om het geschikt te maken voor
-zijn levensgewoonten, voor het voedsel dat het verteert, of lijdelijk
-voor de levensvoorwaarden waaraan het is onderworpen, niet op die wijze
-kunnen zijn verkregen. Wij moeten echter niet te veel op ons eigen
-oordeel vertrouwen bij het beslissen, welke wijzigingen voor elk wezen
-voordeelig zijn: wij moeten bedenken, hoe weinig wij weten van het
-gebruik van vele deelen, of welke veranderingen in het bloed of in de
-weefsels kunnen dienen om een organisme geschikt te maken voor een
-nieuw klimaat of de eene of andere nieuwe soort van voedsel. Ook moeten
-wij het beginsel van correlatie niet vergeten, waardoor, zooals Isidore
-Geoffroy in het geval van den mensch heeft aangetoond, vele vreemde
-afwijkingen in maaksel met elkander verbonden zijn. Onafhankelijk van
-de correlatie, veroorzaakt een verandering in een deel door het
-vermeerderd of verminderd gebruik van andere deelen andere
-veranderingen van geheel onverwachten aard. Het is ook goed, na te
-denken over zulke feiten, als den verwonderlijken groei van galnoten op
-planten, veroorzaakt door het vergif van insekten; en over de
-merkwaardige kleurveranderingen van de vederen van papegaaien, als zij
-met sommige visschen worden gevoed, of met het vergif van padden worden
-ingeënt [152]; want wij kunnen daardoor zien, dat de vloeistoffen van
-het organisme, als zij door de eene of andere bijzondere oorzaak zijn
-gewijzigd, andere vreemde veranderingen kunnen veroorzaken. Wij moeten
-vooral steeds bedenken, dat wijzigingen, in vroegere tijden verkregen
-en voortdurend gebruikt voor het eene of andere nuttige doel,
-waarschijnlijk zeer standvastig en gedurende langen tijd moesten worden
-overgeërfd.
-
-Men mag op die wijze gerust een zeer groote en onbepaalde uitbreiding
-geven aan de directe en indirecte gevolgen der natuurlijke teeltkeus;
-maar tegenwoordig, na de verhandeling van Nägeli over planten en de
-opmerkingen van verschillende schrijvers ten opzichte van dieren,
-vooral die welke onlangs door Professor Broca gemaakt zijn, te hebben
-gelezen, neem ik aan, dat ik in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan
-der Soorten”, waarschijnlijk te veel toeschreef aan de natuurlijke
-teeltkeus of het overleven van de meest geschikten. Ik had vroeger niet
-genoeg gelet op het bestaan van vele deelen, die, voor zooverre wij er
-over kunnen oordeelen, noch voor- noch nadeelig schijnen te zijn, en ik
-geloof, dat dit een der grootste misslagen is, die tot dusverre in mijn
-werk zijn ontdekt. Het moge mij veroorloofd zijn eenigermate als
-verontschuldiging te zeggen, dat ik twee verschillende zaken beoogde:
-ten eerste, om aan te toonen, dat de soorten niet elk afzonderlijk zijn
-geschapen, en ten tweede, dat de natuurlijke teeltkeus de voornaamste
-oorzaak der verandering was geweest, hoewel in hooge mate geholpen door
-de overgeërfde gevolgen van de gewoonte en in geringe mate door de
-rechtstreeksche werking der omringende toestanden. Ik was echter niet
-in staat om den invloed van mijn vroeger geloof, toen bijna algemeen
-aangenomen, dat elke soort opzettelijk was geschapen, geheel te niet te
-doen; en dit bracht mij er toe om aan te nemen, dat elke bijzonderheid
-van het maaksel, behalve de rudimentaire organen, eenig bijzonder,
-ofschoon onbekend, nut had. Iedereen, die met dit denkbeeld vervuld is,
-moet er natuurlijk toe komen de werking van de natuurlijke teeltkeus,
-hetzij gedurende vroegere of tegenwoordige tijden, te ver uit te
-breiden. Sommigen van hen die het beginsel van ontwikkeling aannemen,
-maar de natuurlijke teeltkeus verwerpen, schijnen bij het kritiseeren
-van mijn boek te vergeten, dat ik de bovengemelde beide zaken beoogde;
-als ik dus heb gedwaald in het toekennen van groote macht aan de
-natuurlijke teeltkeus, hetgeen ik volstrekt niet geloof, of als ik de
-macht daarvan heb overdreven, hetgeen op zich zelf waarschijnlijk is,
-dan heb ik ten minste, hoop ik, een nuttig werk gedaan door het dogma
-der afzonderlijke scheppingen omver te helpen werpen.
-
-Dat alle organische wezens, met inbegrip van den mensch, vele
-wijzigingen van maaksel vertoonen die tegenwoordig voor hen van geen
-nut zijn en dit ook vroeger niet zijn geweest, is, zooals ik nu inzie,
-waarschijnlijk. Wij kennen de oorzaak niet, die tusschen de individu’s
-van iedere soort tallooze kleine verschillen voortbrengt; want het
-beginsel van atavisme brengt het vraagstuk slechts eenige weinige
-stappen achterwaarts, maar elke bijzonderheid moet haar eigen
-voortbrengende oorzaak hebben gehad. Indien deze oorzaken, welke zij
-ook mogen zijn geweest, eens gedurende een lang tijdvak eenvormiger en
-krachtiger werkten (en geen reden kan worden gegeven, waarom dit niet
-soms zou gebeuren), zouden waarschijnlijk niet eenvoudige individueele
-verschillen, maar sterk uitgesproken bestendige wijzigingen daarvan het
-gevolg zijn. Wijzigingen die op geenerlei wijze voordeelig zijn, kunnen
-niet onveranderd zijn gehouden door natuurlijke teeltkeus, hoe wel
-nadeelige daardoor zouden zijn vernietigd. Onveranderlijkheid van
-kenmerken zou echter het natuurlijk gevolg zijn van het ondersteld
-niet-veranderen der voortbrengende oorzaken en eveneens van de vrije
-kruising van vele individu’s. Het zelfde organisme zou op die wijze
-gedurende opeenvolgende tijdperken opeenvolgende wijzigingen
-verkrijgen, en deze zouden in nagenoeg onveranderden staat worden
-overgeërfd, zoolang de voortbrengende oorzaken de zelfde bleven en de
-kruising vrij bleef. Ten opzichte der voortbrengende oorzaken kunnen
-wij alleen zeggen, wanneer wij b.v. van de zoogenaamde spontane
-veranderingen spreken, dat zij in veel nauwer betrekking staan met het
-gestel van het veranderde organisme dan met den aard der
-levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geweest.
-
-
-Besluit. Wij hebben in dit hoofdstuk gezien, dat evenals de mensch,
-gelijk elk ander dier, tegenwoordig onderhevig is aan menigvuldige
-individueele verschillen of kleine wijzigingen, zulks ook ongetwijfeld
-het geval is geweest met de vroege voorouders van den mensch, en dat
-die wijzigingen destijds het gevolg waren van de zelfde algemeene
-oorzaken en onderworpen waren aan de zelfde algemeene en samengestelde
-wetten, als tegenwoordig. Daar bij alle dieren een streven bestaat om
-sterker te vermenigvuldigen dan hun middelen van bestaan toelaten, moet
-zulks ook het geval zijn geweest bij de voorouders van den mensch; en
-dit zal onvermijdelijk hebben geleid tot een strijd om het leven en tot
-natuurlijke teeltkeus. Dit laatste proces moet zeer geholpen zijn door
-de overgeërfde gevolgen van het vermeerderd gebruik van deelen, daar
-deze beide processen onophoudelijk op elkander terugwerken. Het schijnt
-ook, zooals wij later zullen zien, dat verscheidene weinig belangrijke
-kenmerken door den mensch zijn verkregen ten gevolge van seksueele
-teeltkeus. Er blijven nog eenige, wellicht vele, onverklaarde
-veranderingen over, die moeten worden toegeschreven aan de onderstelde
-voortdurende en onveranderde inwerking van die onbekende invloeden,
-welke nu en dan sterk uitgesproken en plotselinge afwijkingen van
-maaksel teweegbrengen bij onze kunstmatig gefokte huisdierrassen.
-
-Te oordeelen naar de gewoonten van de wilden en van de meeste apen,
-leidden de oorspronkelijke menschen en zelfs de op apen gelijkende
-voorouders van den mensch waarschijnlijk een gezellig leven. Bij streng
-sociale dieren werkt de natuurlijke teeltkeus soms indirect op het
-individu door het bewaard blijven van wijzigingen die slechts voor de
-geheele vereeniging nuttig zijn. Een vereeniging die een groot aantal
-goed begaafde individu’s bevat, neemt in getal toe en overwint andere,
-minder goed begaafde vereenigingen, hoewel elk afzonderlijk lid geen
-voordeel moge hebben boven de andere leden van die zelfde vereeniging.
-Door de sociale insekten zijn op die wijze vele merkwaardige deelen
-verkregen, die van weinig of geen nut zijn voor het individu en diens
-eigen kroost, zooals de toestel om stuifmeel te verzamelen of de angel
-van de werkbij of de groote kaken van de soldaten bij de mieren. Bij de
-hoogere sociale dieren is nog geen voorbeeld bekend, dat eenig deel
-alleen ten beste der vereeniging is gewijzigd, hoewel sommige haar
-secondair van dienst mogen zijn. De horens der herkauwende dieren en de
-grootste hondstanden der bavianen schijnen b.v. door de mannetjes te
-zijn verkregen als wapens bij den kampstrijd om de wijfjes, maar zij
-worden ook gebruikt tot verdediging van de kudde of den troep. Met
-sommige geestvermogens is het, zooals wij in het volgende hoofdstuk
-zullen zien, een geheel ander geval; want deze vermogens zijn
-voornamelijk, of zelfs uitsluitend, verkregen ten voordeele der
-vereeniging; terwijl de individu’s waaruit de vereeniging bestond,
-daardoor tegelijkertijd indirect bevoordeeld werden.
-
-
-
-Men heeft dikwijls tegen dergelijke beschouwingen als de voorgaande
-ingebracht, dat de mensch een der meest hulpelooze en van
-verdedigingsmiddelen ontbloote wezen is, die bestaan, en dat hij
-gedurende zijn vroegeren, minder goed ontwikkelden toestand nog
-hulpeloozer geweest zou moeten zijn. De Hertog van Argyll [153] beweert
-b.v. dat „de lichaamsbouw van den mensch van het maaksel der reddelooze
-dieren afgeweken is in de richting van grootere physische hulpeloosheid
-en zwakheid. Dat wil zeggen, het is een afwijking die het van alle
-andere het minst mogelijk is alleen toe te schrijven aan natuurlijke
-teeltkeus.” Als bewijzen daarvoor voert hij aan den naakten en
-onbeschermden toestand van het lichaam, de afwezigheid van groote
-tanden en klauwen voor de verdediging, de geringe spierkracht van den
-mensch, zijn langzaamheid in het loopen en zijn weinig ontwikkeld
-reukvermogen, waardoor hij voedsel moet ontdekken of gevaar vermijden.
-Bij deze onvolkomenheden zou nog kunnen worden gevoegd het nog
-gewichtiger verlies van het vermogen om snel in de boomen te klimmen en
-daardoor aan vijanden te ontsnappen. Als men nagaat, dat de Vuurlanders
-in hun ellendig klimaat naakt loopen, moet het verlies van het haar den
-oorspronkelijken mensch, als hij een warm land bewoonde, niet zeer
-nadeelig zijn geweest. Als wij den van verdedigingsmiddelen ontblooten
-mensch vergelijken met de apen, waarvan velen geduchte hondstanden
-hebben, moeten wij bedenken, dat deze in volkomen ontwikkelden toestand
-alleen door de mannetjes bezeten, en door deze voornamelijk worden
-gebruikt om hun mededingers te bevechten, en dat de wijfjes, die
-daarmede niet gewapend zijn, toch in staat zijn te blijven leven.
-
-Wat lichaamsgrootte en spierkracht aangaat, weten wij niet, of de
-mensch afstamt van deze of gene vergelijkenderwijs kleine soort, zooals
-de chimpanzee, of van zulk een groote en sterke als de gorilla; en wij
-kunnen daarom niet zeggen, of de mensch grooter en sterker, of kleiner
-en zwakker is geworden, in vergelijking zijner voorouders. Wij moeten
-echter bedenken, dat een dier, hetwelk een aanzienlijke
-lichaamsgrootte, kracht en woestheid bezat, en dat zich, evenals de
-gorilla, tegen alle vijanden kon verdedigen, waarschijnlijk, hoewel
-niet noodzakelijk, geen gezellige levenswijze zou hebben aangenomen; en
-dit zou de krachtigste hinderpaal zijn geweest tegen de ontwikkeling
-van ’s menschen hoogere geestvermogens, zooals medegevoel en liefde
-voor zijn medeschepselen. Het kan daarom een zeer groot voordeel voor
-den mensch zijn geweest om uit een of ander vergelijkenderwijs zwak
-wezen te zijn ontstaan.
-
-De geringe spierkracht van den mensch, zijn langzame gang, zijn gebrek
-aan natuurlijke wapenen enz. worden meer dan opgewogen, ten eerste door
-zijn verstandelijke vermogens, met behulp waarvan hij, terwijl hij nog
-in den wilden toestand bleef verkeeren, voor zich zelven wapenen,
-werktuigen, enz. vervaardigde, en ten tweeden door zijn sociale
-hoedanigheden, die veroorzaakten, dat hij zijn medemenschen hielp, en
-wederkeerig door hen werd geholpen. Geen land ter wereld bezit een
-grooter overvloed van gevaarlijke dieren dan Zuid-Afrika; geen land
-vertoont vreeselijker physische toestanden dan de Noordpoolstreken;
-toch houdt zich een der zwakste menschenrassen, de Bosjesmannen, in
-Zuid-Afrika staande, en doen de dwergachtige Eskimo’s het zelfde in de
-Noordpoolstreken. De vroege voorouders van den mensch deden
-ongetwijfeld in verstand en in aanleg voor het gezellige leven voor de
-minst ontwikkelden der tegenwoordige wilden onder; maar het is zeer
-goed te begrijpen, dat zij bleven bestaan en zelfs bloeiden, wanneer
-zij, terwijl zij trapsgewijze hun dierlijke kracht verloren,
-tegelijkertijd in verstand toenamen. Maar toegegeven, dat de voorouders
-van den mensch veel hulpeloozer en van verdedigingsmiddelen ontbloot
-waren dan een der thans levende stammen van wilden, dan zouden zij
-toch, wanneer zij het eene of andere warme vasteland of groote eiland,
-zooals Nieuw-Holland of Nieuw-Guinea, of Borneo (welk laatste eiland
-tegenwoordig het verblijf is van den orang) hadden bewoond, aan geen
-bijzonder gevaar zijn blootgesteld geweest. In een streek, zoo groot
-als een dezer eilanden, zou de wedijver tusschen de verschillende
-stammen onder gunstige omstandigheden voldoende zijn geweest om den
-mensch, door het overleven der geschiktsten, verbonden met de
-overgeërfde gevolgen van het gebruik, op te heffen tot zijn
-tegenwoordige hooge plaats op de ladder der wezens.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Men zou nog eenige andere voorbeelden van kunstmatige teeltkeus bij
-den mensch kunnen aanhalen. Bij verscheidene stammen van Roodhuiden in
-Noord-Amerika heerscht de gewoonte om alle zwakke, ziekelijke of
-misvormde kinderen dadelijk na de geboorte te dooden, zoodat slechts de
-krachtige, gezonde en goedgevormde kinderen in leven blijven en zich
-later kunnen voortplanten. Krijgshaftigheid en krachtige lichamelijke
-ontwikkeling is het gevolg hiervan. Van de Goajiren, een Indiaanschen
-stam, die in de nabijheid van het meer van Maracaïbo woont, deelt
-Elisée Reclus („Revue des Deux Mondes”, 1860, 15 Maart, blz. 438) o.a.
-het volgende mede: „Comme pour tant d’autres nations sauvages, barbares
-et civilisées, le mariage n’est le plus souvent chez les Goajires qu’un
-contrat de vente; mais ce contrat ne s’opère que si l’homme et la femme
-se conviennent par l’âge et sont également forts et bien faits: les
-avortons et les infirmes, très rares d’ailleurs, sont impitoyablement
-condamnés au célibat .... Si le prétendant se fait remarquer entre tous
-ses compagnons par sa force, sa haute taille et sa grâce, ils lui
-accordent gratuitement une ou même plusieurs femmes; parfois ils vont
-jusqu’à lui faire un présent de boeufs, de chevaux, de perles ou de
-fusils, pour le remercier de l’insigne honneur qu’il leur fait d’entrer
-dans leur famille. Pour ces hommes la véritable aristocratie est celle
-de la beauté; la richesse et le pouvoir appartiennent à ceux que la
-nature a favorisés sous ce rapport. Lorsque le hasard des naufrages
-jette sur les côtes Goajires quelques matelots étrangers, les Indiens,
-qui n’ignorent pas l’importance callipédique des croisements bien
-entendus, retiennent les hommes grands et vigoureux et leur font payer
-par quelques années de mariage forcé avec deux ou trois belles Goajires
-l’hospitalité qu’ils leur accordent. Quant aux infortunés matelots
-affligés par le destin d’une apparence chétive, ils sont dépouillés de
-leurs vêtements et renvoyés de tribu en tribu jusqu’à Rio Hacha,
-poursuivis par les huées et les rires.”
-
-Ziehier dus een stam, die voorbedachtelijk een kunstmatige teeltkeus op
-zich zelf toepast, met het doel om schoone lichaamsvormen te
-verkrijgen, en ook in dit geval gehoorzaamt de mensch, zooals was te
-verwachten, aan de wetten der stelselmatige teeltkeus. Niet slechts
-vindt men onder de Goajiren slechts hoogst zeldzaam gebrekkige of
-misvormde menschen, maar Elisée Reclus geeft (ibid., blz. 437) van hen
-de volgende beschrijving: „Les Goajires sont admirablement beaux, et je
-ne crois pas que dans toute l’Amérique on puisse trouver des aborigènes
-ayant le regard plus fier, la démarche plus imposante et les formes
-plus sculpturales. Les hommes, toujours drapés à la manière des
-empereurs Romains dans leur manteau multicolore, attaché par une
-ceinture bariolée, ont en général la figure ronde comme le soleil, dont
-leurs frères, les Muyscas, se disent les descendants; ils regardent
-presque toujours en face d’un air de défi sauvage, et leur lèvre
-inférieure est relevée par un sourire sardonique. Ils sont forts et
-gracieux, très habiles à tous les exercices du corps. Leur teint dans
-la jeunesse est d’un rouge brique beaucoup plus clair que celui des
-Indiens de San-Blas et des côtes de l’Amérique Centrale; mais il
-noircit avec l’âge, et dans la vieillesse il ressemble à peu près à la
-belle couleur de l’acajou ....”
-
-.... „Les femmes ont sans exception et jusque dans la vieillesse la
-plus avancée des formes d’une admirable fermeté et d’une grande
-perfection de contours; leur démarche est vraiment celle de la déesse,
-ou plutôt celle de la femme qui vit dans la libre nature et dont la
-beauté carressée par le soleil, se développe sans entraves. Leurs
-traits, qui ressemblent à ceux des belles Irlandaises, sont
-malheureusement défigurés par des bariolages, tracés sur les joues et
-sur le nez au moyen du roucou [154] et simulant assez bien les bésicles
-de nos bisaieules; mais en dépit de ces grands tracés rouges les
-sauvages filles du désert n’en frappent pas moins par leur fière et
-rayonnante beauté, surtout quand elles lancent leurs chevaux rapides à
-travers la plaine et que le vent rejette en arrière leur longue
-chevelure.”
-
-Bij de hedendaagsche beschaafde naties werken twee soorten van
-kunstmatige teeltkeus, die, wel verre van de strekking te hebben het
-ras te verbeteren, het noodzakelijk hoe langer hoe meer moeten doen
-degenereeren. Haeckel („Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 2te Auflage,
-blz. 153) onderscheidt deze als „Militaire” en „Medicinale” teeltkeus.
-
-In die staten toch, waar de algemeene dienstplicht bestaat, worden
-jaarlijks alle krachtige, gezonde jonge mannen uit alle kringen der
-maatschappij uitgezocht en bij het leger ingelijfd, terwijl de zieke,
-zwakke en gebrekkige individu’s daarvan verschoond blijven. Hoe
-krachtiger, gezonder, normaler een jongeling is, des te grooter kans
-heeft hij door repeteergeweren, Kruppkanonnen en mitrailleuses in den
-bloeitijd zijns levens te worden omgebracht, en om dus niet te kunnen
-huwen en zich voort te planten. Een groot deel van de gezonde en
-krachtige mannelijke bevolking blijft, ook in vollen vrede, nog op
-lateren leeftijd vrijwillig bij het staande leger, huwt niet, en plant
-zich dus ook niet voort. De zieke, zwakke en gebrekkige individu’s
-daarentegen blijven gedurende den oorlog t’huis en nemen in vredestijd
-ook niet vrijwillig dienst bij het staande leger. Hoe ziekelijker,
-zwakker en misvormder dus een jongeling is, des te meer kans heeft hij
-om te kunnen huwen en kinderen te krijgen, die krachtens het beginsel
-der erfelijkheid dikwijls min of meer de gebreken huns vaders zullen
-overerven. „Wij behoeven ons daarom waarlijk niet te verwonderen”, zegt
-Haeckel (ibid. blz 454), „dat werkelijk de lichamelijke en geestelijke
-zwakheid onzer hedendaagsche beschaafde naties voortdurend toeneemt, en
-met het sterke, gezonde lichaam ook de vrije, onafhankelijke geest hoe
-langer hoe zeldzamer wordt.”
-
-Niet alleen de algemeene dienstplicht maar ook, schoon in geringer
-mate, de conscriptie, ja zelfs eenvoudig het bezit van een staand
-leger, moet noodwendig de zelfde uitwerking hebben. Hoe oorlogzuchtiger
-een volk daarenboven is, des te sterker moeten de noodlottige gevolgen
-van deze Militaire teeltkeus zich doen gevoelen.
-
-Onder Medicinale teeltkeus verstaat Haeckel het feit, dat de
-geneeskunde, door zwakke en ziekelijke individu’s die volgens den
-gewonen loop der natuur zouden zijn gestorven, in het leven te houden,
-hen in de gelegenheid stelt zich voort te planten en hun kwalen en
-gebreken op hun nakomelingschap over te brengen. In de Geneeskundige
-Courant van 20 en 27 Febr. 1870 heb ik, zonder met de werken van
-Haeckel bekend te zijn, op het bestaan dezer medicinale teeltkeus
-gewezen, en de bijzonder moeilijke baring van vele blanke vrouwen
-verklaard uit de vorderingen der obstetrie. Ik ben thans van meening,
-dat ook de seksueele teeltkeus daarbij een groote rol heeft gespeeld.
-
-Als dank zij de ontdekkingen van Prof. Koch de tuberculose, die thans
-een zevende der sterfgevallen veroorzaakt, en meer andere besmettelijke
-ziekten zullen zijn verdwenen, zal een groot aantal personen van zwakke
-constitutie die thans sterven, in leven worden gehouden en een zwak
-nageslacht voortbrengen. Evenals graan, op allerlei soort van bodem
-gezaaid, slechts op bepaalde soorten van bodem opkomt en slechts op
-enkele zich welig ontwikkelt, worden natuurlijk thans veel meer
-personen onbewust met de kiemen der tuberkelbacillen enz. besmet, dan
-er werkelijk tuberculose enz. krijgen, juist bij de personen met
-erfelijke praedispositie tot die ziekten, en bij tuberculose zijn dit
-vermoedelijk meestal menschen met een zwak gestel, ontwikkelen zich de
-kiemen en treden de bacillen verwoestend op. Hoe zegenrijk ook voor de
-zieke individu’s en hun naaste verwanten zullen Koch’s ontdekkingen
-door de uitwieding (sit venia verba) van zwakke individu’s tegen te
-gaan die thans door de tuberkelbacillen enz. plaats heeft, o.i. op den
-duur waarschijnlijk niet bevorderlijk zijn aan de krachtige en gezonde
-ontwikkeling van het menschelijk geslacht. Zij schijnen ons een
-uitnemend voorbeeld van Medicinale teeltkeus, die niet tot verbetering
-maar tot achteruitgang van het ras leidt.
-
-Nuchter en onbevooroordeeld beschouwd, is het dus twijfelachtig of die
-ontdekkingen een voordeel voor het menschdom als geheel beschouwd,
-zullen blijken te zijn.
-
-Men zou de noodlottige gevolgen der Medicinale teeltkeus kunnen
-tegengaan door eenvoudig aan alle zwakke, ziekelijke en misvormde
-individu’s het huwelijk te verbieden.
-
-(2) Men vergelijke wat in mijn aanteekening op Hoofdstuk XII van „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 529, wordt
-medegedeeld omtrent de Beronazono’s van Madagascar; men vergelijke
-echter tevens wat op blz. 530 en elders in mijn aanteekeningen op het
-Varieeren, omtrent de erfelijkheid van verworven eigenschappen wordt
-gezegd.
-
-(3) Tot de merkwaardigste physiologische verschijnselen behooren de
-uitingen van den smaak- en den reukzin, hoezeer we hieraan door
-dagelijksche ondervinding gewoon zijn.
-
-Het is vrijwel bekend, dat sommige personen een zeer fijnen smaak
-hebben en evenzoo, dat die door aanhoudende oefening nog buitengewoon
-verfijnd kan worden. Maar ook zonder opzettelijke vorming is de
-gevoeligheid der smaakzenuwen zeer groot. Men denke slechts aan de
-kieskeurigheid van kleine kinderen, die reeds op zeer jeugdigen
-leeftijd geitemelk van koemelk, gekookte van ongekookte melk
-onderscheiden, die dadelijk proeven als er geneesmiddelen in hun
-voedsel zijn gedaan, hoe weinig smaak deze ook mogen hebben, en het
-voedsel dan weigeren, en dit op een leeftijd dat andere geestelijke
-eigenschappen nog in ’t geheel niet zijn ontwikkeld.
-
-Nog oneindig fijner dan de smaak is de reuk. Wij kunnen daarmede de
-aanwezigheid van stoffen waarnemen, die in zulke uiterst geringe
-hoeveelheden aanwezig zijn, dat in vergelijking van de ruikproef alle
-nadere chemische reacties niets beteekenen. Een kleine berekening zal
-dit duidelijk maken.
-
-Tien kilogram rozen leveren bij destillatie ongeveer een gram
-rozenolie; daar één roos hoogstens 2 gram weegt, bevat zij slechts het
-5000ste deel van een gram en dus een half milligram aetherische olie.
-Deze olie moet nu voortdurend vervluchtigen om voor onzen neus merkbaar
-te zijn. Nemen we aan dat een roos in 50 uur haar geur verliest, dan
-wordt het vervliegen van dat halve milligram rozenolie verdeeld over
-3000 minuten. In elke minuut staat dus de roos 0.00017 milligram
-aetherische olie af. Nu weet ieder dat er veel minder dan een minuut
-noodig is om een roos aan haar geur te herkennen; ja wat meer zegt, het
-verschil in geur bij de rozenvariëteiten berust op de aanwezigheid van
-nog veel geringere hoeveelheden aetherische olie die met de rozenolie
-vermengd is, en toch ruiken wij dat onderscheid gemakkelijk. Dit is dus
-een reactie, zoo fijn, dat zij met geen ander waarnemingsproces kan
-worden vergeleken.
-
-Hoe lang de geur van kunst-muskus blijft aanhangen, is ook bekend.
-Iemand had de kurk van een flesch met die stof even aangeraakt en na
-herhaalde wasschingen met water en zeep gedurende drie dagen was hij de
-lucht nog niet kwijt. Door een kamer werd een toegesloten flesch met
-muskus slechts even heen gedragen en ook na dagen lang luchten was de
-stof nog door de reuk herkenbaar. De hoeveelheden, die hier worden
-waargenomen, zijn zoo uiterst gering, dat zij niet meer door berekening
-kunnen aangegeven worden.
-
-Merkwaardig is het, dat ook bij de lagere dieren de reuk- en smaakzin
-buitengewoon ontwikkeld zijn. Hoe nauwkeurig bijen en hommels
-verschillende bloesems onderscheiden, is bekend. Zij worden door den
-reuk ook naar weinig in ’t oog vallende bloemen als die der linde van
-zeer ver aangetrokken. In een verffabriek werden door het dagelijks
-uitgieten van een aniline-houdende stof geregeld honderdduizenden bijen
-en wespen aangetrokken, die zich te goed deden aan den zeer verdunden,
-bloesemachtigen geur van de aniline.
-
-Maar ook de fijnheid van den smaakzin der insekten schijnt door een
-zeer origineele proef van Dr. Rabow te Potsdam aangetoond te zijn. In
-een suikerbakkerij waar tallooze vliegen waren, liet hij een koek
-neerleggen, die niet met suiker maar met de bekende uit koolteer
-gewonnen saccharine was bestrooid. Terwijl alle andere koeken sterk
-door vliegen werden bezocht, bleef de koek met saccharine daarvan
-verschoond—de vliegen onderscheidden scherp tusschen de zoetheid van
-suiker en die van saccharine. Wellicht roken zij echter het verschil,
-in welk geval de proef niets omtrent den smaakzin zou bewijzen.
-
-Hyrtl („Handboek der Top. Ontleedkunde”, Nederl. Vert. van Dr. Hanlo
-2de druk, Deel I, blz. 289, 290 en 291) geeft verscheidene belangrijke
-voorbeelden van de verbazende hoogte, waartoe zich bij wilden de
-scherpte van den reukzin ontwikkelt. „Zij sporen”, zegt hij, „door den
-reuk het spoor hunner vijanden op, en Natterer, die 18 jaren lang in de
-bosschen van Brazilië leefde, verhaalde mij, dat de Indianen zelfs de
-pis der blanken door den reuk onderscheiden, en afzonderlijke woorden
-hebben voor het zweet van een neger en van een Europeaan. Mevrouw
-Pfeiffer gaf op haar laatste reis rondom de wereld aan een bewoner van
-Papeiti een vergulden tombakring ten geschenke. De wilde berook hem, en
-gaf hem met teekenen van afkeer terug, terwijl hij een echten met
-genoegen berook en niet wachtte, totdat men hem dien gaf ....” „De
-wilden van de eilanden van den Stillen Oceaan die den beroemden
-natuuronderzoeker Commerson op het fregat La Boudeuse een bezoek
-brachten, erkenden dadelijk door den reuk, dat zijn bediende, wiens
-geslacht door de overige schepelingen niet werd vermoed, een vrouw in
-mannenkleederen was—de bekende Hortense, te wier eer een plant die van
-deze reis was medegebracht, den naam van Hortensia draagt. Eveneens
-waren het de wilden van Tonga Taboe, die het eerst roken, dat er onder
-de bemanning van het Hollandsche schip Dordrecht een meisje aanwezig
-was, dat, als koksjongen verkleed, dienst in de kombuis deed.” Dat
-echter ook bij de Europeanen de reuk soms zeer scherp is, blijkt
-daaruit, dat Hyrtl op blz. 291 ook mededeelt, dat enkelen een zoo
-scherpen reuk hebben bezeten, dat zij „het tijdperk der maandelijksche
-reiniging der vrouw door den reuk waarnamen,” en in de acta Hafniensia,
-vol. I, van Marcus Marci te Kroonland, toenmalig hoogleeraar in de
-geneeskunde aan de universiteit te Praag, wordt van een Boheemschen
-priester verhaald, die maagden en vrouwen door den reuk herkende.
-Volgens Seneca herkende de Romeinsche Senator Mammercus Scaurus
-menstrueerende vrouwen en meisjes door den reuk, en op blz. 290: „De
-geneesheeren Mead en Heim herkenden de huiduitslagen op het zelfde
-oogenblik, als zij den neus in de kamer van den lijder staken.”
-
-Kardinaal Alberoni kon, toen hij oud en blind was geworden, door den
-reuk oude dames van jonge onderscheiden. Rousseau had zulk een fijnen
-reuk, dat hij een „geurbotanie” had kunnen schrijven, als de taal
-zoovele uitdrukkingen had als er geuren in de natuur zijn. Kant kon
-geen armoedig levend student in zijn auditorium velen, daar hij de
-uitwasemingen van menschen die zich slecht voeden, niet kon verdragen:
-hij noemde menschen die veel zwart roggebrood eten, „gemeen volk.”
-Napoleon werd op de reis naar St. Helena van de teerlucht ziek, en
-bleef tijdens zijn ballingschap aldaar liever in een oud slecht
-ingericht huis wonen, dan een nieuw geriefelijk te betrekken, uit vrees
-voor den geur van versche olieverf.
-
-Uit proeven van de Amerikaansche physiologen Nichols en Bailey [155]
-volgt, dat de ontwikkeling van den reuk al naar het individu en de
-sekse zeer verschilt. Terwijl drie mannen blauwzuur roken in een
-mengsel van 1 gram daarvan op 2000 kilogram water, roken andere mannen
-het zelfs in een honderdmaal meer blauwzuur bevattend mengsel niet. Zij
-onderzochten 44 mannen en 39 vrouwen. De vrouwen hadden allen veel
-zwakker reukvermogen dan de mannen. Geen vrouw kon blauwzuur ruiken in
-een verdunning met 20000 deelen water, terwijl de meeste mannen het nog
-in een verdunning met 100000 deelen water roken. Citroenolie met 250000
-deelen eener reukelooze stof vermengd, werd door de mannen nog geroken,
-terwijl de vrouwen een tweemaal zoo sterke vermenging noodig hadden.
-Het zelfde resultaat gaven knoflookextract en andere riekende stoffen.
-
-Wellicht is hieruit de voorliefde van vrouwen voor sterke odeurs te
-verklaren. Zij hebben om die goed te ruiken een sterken prikkel noodig,
-die bij de mannen lastig is.
-
-De verklaring is wellicht, dat de man, in de tijden dat de mensch nog
-van de jacht leefde, zijn reukorgaan meer noodig had dan de vrouw, het
-dus meer oefende, en de mannen die het beste reukvermogen bezaten,
-daardoor een voordeel hadden in den strijd om het bestaan, en hun beter
-reukvermogen op hun mannelijke nakomelingen overbrachten, terwijl de
-vrouwen, die door de mannen werden onderhouden, dien scherpen reuk
-zonder nadeel konden missen.
-
-Uit onderzoekingen van W. Ramsay te Bristol blijkt, dat de
-reukgewaarwording waarschijnlijk het gevolg van uiterst snelle
-trillingen der gasmoleculen is. Evenals er bij het geluid tonen zijn,
-waarmede andere tot accoorden en harmonieën samensmelten, zijn er
-volgens hem ook geuren, die uit een grondgeur en een geheele reeks
-harmonische geuren, dus uit geuraccoorden bestaan, en ontstaat hieruit
-de verschillende hoedanigheid der geuren.
-
-Geen ander zintuig heeft zooveel invloed op onze stemming, op ons
-gevoel van sympathie en antipathie, geen roept sterker vroegere
-indrukken in het geheugen terug dan de geur.
-
-In vergelijking van de hooge volmaaktheid van den reuk bij vele dieren,
-is dit zintuig bij den mensch zeer weinig ontwikkeld.
-
-(4) Wij hebben reeds in aanteekening 8, blz. 38 medegedeeld, dat
-overtallige tepels ook in de okselholte, de lies en den rug doorkwamen.
-Het zonderlingste geval dat wij opgeteekend hebben gevonden, was dat
-van een vrouw, die een overtalligen tepel aan de dij had, welken men
-vroeger voor een moedervlek had gehouden, doch na haar zwangerschap
-zooveel melk opleverde, dat zij haar kind daaraan drie jaar lang kon
-zoogen (Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo,
-2de druk, Deel I, blz. 529). De moeder van den Romeinschen Keizer
-Julius Severus, die daaraan den bijnaam van Julia Mammea verschuldigd
-was, en Anna Boleyn, een der gemalinnen van Hendrik VIII van Engeland,
-bezaten overtallige tepels.
-
-In 1889 deed D. Hansemann aan het „Berliner anthr. Gesellschaft”
-mededeelingen omtrent eenige gevallen van overtallige zogklieren
-(polymastie) en overtallige tepels (polythelie). [156] Een dezer
-gevallen betrof een man, bij welken omstreeks 13 c.M. onder de normale
-tepels, maar dichter naar de mediaanlijn toe, zich aan weêrszijden een
-kleine donkere vlek bevond, die een tepel in miniatuur bleek te zijn
-(van zogklieren was hierbij niets te voelen). Een tweede geval betrof
-een vrouw, die behalve twee zeer ontwikkelde normale borsten nog twee
-kleinere bezat, die wel tepels hadden maar geen hof om die tepels heen,
-en verder nog een tepel met slecht ontwikkelde zogklier in de
-okselholte. De vrouw, die 12 kinderen had gehad, had die wegens de
-gebrekkige ontwikkeling harer overtallige tepels alleen aan haar
-normale borsten kunnen zoogen, en daarbij veel last gehad van die
-overtallige tepels, daar uit deze de melk van zelf uitliep, terwijl het
-kind aan een normale borst zoog. Uit de litteratuur heeft Hansemann 262
-gevallen van polymastie en polythelie bijeengezocht, waaronder 81
-mannen en 104 vrouwen. Het hoogste aantal overtallige borsten bij één
-individu was 8. In verreweg de meeste gevallen liggen de overtallige
-borsten onder de normale en eenigszins dichter bij de mediaanlijn dan
-deze, er zijn echter ook gevallen, waarbij tepels op den rug, schouder,
-buitenzijde der dij, in de lies en op een der groote schaamlippen
-voorkomen. In drie gevallen kon worden aangetoond, dat de polymastie
-van de moeder op de dochter was overgeërfd. Daarentegen kon niet worden
-bewezen, dat er samenhang bestond tusschen overtallige zogklieren of
-tepels en den aanleg om twee- of drielingen te krijgen. Het ontstaan
-der polymastie en polythelie is op drieërlei wijze verklaard. Von
-Leichtenstern, Neugebauer e. a. houden ze voor atavismen, terugslag tot
-zekere voorouders van den mensch. Ahlfeldt meent daarentegen, dat de
-overtallige zogklieren en tepels in de eerste tijden van het embryonale
-leven worden verworven, doordat hetzij deelen van de normale klier
-losgemaakt worden of met de eivliezen vergroeien en van deze uit als
-het ware op andere plaatsen geënt worden. Champneys en Doran eindelijk
-meenen, dat zogklieren zich bij vrouwen, zelfs nog gedurende het
-kraambed, uit talkklieren kunnen ontwikkelen, wat vooral in de
-okselholte niet zelden plaats zou vinden. Max Bartels meent, dat niet
-alle gevallen van overtallige zogklieren en tepels op de zelfde wijze
-moeten worden verklaard, en dat het in een aantal gevallen volkomen
-duidelijk is, dat er eenvoudig een verdubbeling, een gedeeltelijke of
-volkomen verdeeling in tweeën van den normalen kiemaanleg voor de borst
-plaats heeft gehad. In een der door Bartels beschreven gevallen kan men
-zelfs nog een streng kiemweefsel voelen, die de normale zogklier met de
-overtallige verbond. Alle mogelijke overgangen van een eenvoudig
-verbreeden of beschuitvormigen tepel tot twee afzonderlijke tepels en
-verder tot twee afzonderlijke mamheuvels elk met een tepel en
-omgevenden hof, zijn waargenomen. Bartels nam ook een overtalligen
-tepel, op de mediaanlijn gelegen, waar, welke plaatsing door Hansemann
-onmogelijk was verklaard.
-
-(5) Omtrent de vraag in hoever overtallige vingers door atavisme kunnen
-worden verklaard, verwijzen wij naar onze aanteekeningen, Deel 1, blz.
-527 en 528 en Deel II, blz. 364 van „Het Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten.”
-
-Hyrtl („Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk,
-Deel I, blz 416) geeft, behalve het in aant. 8, blz. 38 vermelde, nog
-de volgende gevallen van polydactylisme en van de sterke erfelijkheid
-daarvan op:
-
-„Behalve de in de Middeleeuwen bekende familie der Bilfingers
-(veelvingers), die haar naam aan deze misvorming heeft te danken,
-behoort ook een nieuw geval hiertoe. Zezak Colburn, de beroemde
-rekenaar uit het hoofd, had aan den buitenkant van elke hand een zesden
-vinger en eveneens aan elken voet een zesden teen. Zijn vader had de
-zelfde afwijking; van zijn zeven zusters zijn vijf normaal gevormd,
-twee gelijk aan den vader en ééne heeft wel zes vingers aan elke hand,
-doch slechts aan éénen voet zes teenen. De grootmoeder had deze
-bijzonderheid in de familie gebracht, die zij wederom van haar
-grootmoeder had overgeërfd, wier elf kinderen allen met deze afwijking
-waren behept (Meckel’s „Deutsches Archiv”, 4 Bd., blz. 32). Brown maakt
-in zijn „Handbuch der Geschichte der Natur”, (Stuttgart, 1843, 2 Bd.,
-blz. 183) melding van een Spanjaard met zes vingers, wiens kinderen
-allen zes vingers hadden, behalve het laatste, dat hij hardnekkig
-weigerde als het zijne te erkennen, omdat het slechts vijf vingers had.
-Ruysch beschreef in zijn „Observ. anat. chir.” onder den naam van
-„Sceleton polydactylum” een geraamte, dat aan de rechterhand 7, aan de
-linkerhand 6 vingers, tevens dubbele duimen, aan den rechtervoet 8, aan
-den linkervoet 9 teenen had. Het oudst bekende geval van polydactylisme
-vindt men in het oude testament (2 Samuel, XXI: v. 20). Twee dochters
-van Cajus Horatius hadden zes vingers aan elke hand (Plinius, „Hist.
-Nat.”, XI, 99), de dichter Volcatus Sedigitus en Anna Boleyn hadden zes
-vingers aan de rechterhand. Anna Boleyn bezat daarenboven overtallige
-tepels (aanteekening 4, blz. 104), en ging toch door voor de schoonste
-vrouw van haar tijd!
-
-In „Nature” van 7 Maart 1878 deelde de heer Lengleen, geneesheer te
-Arras, een geval mede van zekeren heer Gamelon in de vorige eeuw, die
-aan elke hand zes vingers en aan elken voet zes teenen bezat. Zijn zoon
-had het normale getal vingers en teenen, maar in drie volgende
-generaties trad de anomalie weder te voorschijn, en verscheidenen
-zijner thans nog levende afstammelingen hebben zes vingers en teenen
-aan handen en voeten. Quatrefages verhaalt van een zesteenigen haan,
-die zijn afwijking in zoo sterke mate op zijn nageslacht overbracht,
-dat thans in de streek waar hij leefde, schier alle hanen en kippen zes
-teenen bezitten.
-
-Bij den regeerenden stam der Fodli in Zuid-Arabië bezitten, gelijk
-Baron Maltzan op zijn reis opmerkte („Zeitschrift für Ethnologie”, 1873
-no. 2) velen zes vingers en teenen, en wordt zulks door het volk als
-bewijs van adellijk bloed beschouwd. Deze Fodli’s huwen veel onder
-elkander, hetgeen de voortplanting dezer abnormaliteit natuurlijk
-bevordert.
-
-Op Malta heeft een familie zesvingerige menschen bestaan, bij welke
-deze eigenaardigheid, hoewel niet bij alle, maar toch bij een zeker
-aantal nakomelingen gedurende drie of vier generaties erfelijk was,
-hoewel allen met vijfvingerige vrouwen huwden (Portal, „Mém. de la
-première Classe de l’Institut”, 1807; Huxley, „Origin of Species”,
-lect. IV). Het zelfde was het geval bij een familie zesvingerige
-menschen in de vallei Kennebec in de Vereenigde Staten, die in 1862 nog
-bestond („Report of the Commissioner of Agriculture”, 1862, blz. 237).
-
-(6) Als merkwaardig voorbeeld van atavisme bij den mensch noemen wij
-nog het somtijds ontbreken van de balk of het eeltachtig lichaam
-(corpus callosum) in de hersenen, waardoor die het type van de hersenen
-der Buideldieren en Snaveldieren (Monotremata) verkrijgen. Ook bij de
-Vogels en de lagere Gewervelde Dieren ontbreekt het. Verder het
-somtijds bestaan blijven van een open verbinding tusschen de rechter-
-en linkerhelft van ’t hart, gelijk bij de amphibieën normaal voorkomt,
-maar den mensch die er meê behept is, tot een vroegen dood doemt. Ook
-verdient hier vermelding de hooge verdeeling van den arm-slagader in
-spaak- en ellepijp-slagader, welke bij apen, knaag- en buideldieren
-normaal voorkomt, maar soms ook bij den mensch wordt opgemerkt (Henle,
-„Handbuch der Syst. Anat. d. Menschen”, vol. III, 1868, blz. 266).
-
-Bij Ricord („Journal Hebdomadaire”, 1833, tome XIII, aangehaald bij
-Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, Deel II,
-blz. 131) vindt men een geval aangehaald van een vrouw van 22 jaar, bij
-welke het rectum zich in de scheede ontlastte. Bij deze vrouw bestond
-dus slechts ééne uitmonding waardoor de vaste en vloeibare uitwerpselen
-en de afscheidingsproducten der geslachtsdeelen zich ontlastten; zij
-bezat een cloaca, een inrichting, die bij de laagste Zoogdieren, de
-Snaveldieren (Monotremata), en bij de meeste lagere Gewervelde Dieren
-normaal is, en een hoogst merkwaardig geval van atavisme oplevert.
-Opmerkelijk is het, dat de echtgenoot dezer vrouw, na drie jaar
-getrouwd geweest te zijn, dien toestand niet eens had vermoed.
-
-(7) Zij bedraagt thans (1890) 64 millioen menschen, hetgeen sedert 1872
-(toen Darwin dit schreef) een vermeerdering van 34 millioen menschen
-aanwijst, ongeveer overeenstemmende met een verdubbeling in 15 jaar.
-Men vergete echter niet, dat dit geenszins de natuurlijke aanwas der
-bevolking is, daar ook de sterke landverhuizing er veel toe heeft
-bijgedragen.
-
-(8) Bory de St. Vincent beweert zelfs, dat de Hottentotten een grooten
-teen zouden bezitten, die geopponneerd kan worden, en dat daardoor hun
-voetstappen in het zand gemakkelijk van die van een Europeaan te
-onderscheiden zouden zijn. Hyrtl, („Handboek der Top. Ontleedk.”, Ned
-Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel II, blz. 625) betwijfelt echter,
-onzes inziens terecht, de juistheid van deze bewering.
-
-Volgens het jaarverslag over 1878 van den Engelschen consul te Saigon
-aan zijn regeering, zouden er in het noordelijk gedeelte van het
-Anamietische rijk stammen leven, bij welke de groote teenen der voeten
-geheel van de andere teenen zijn afgescheiden en bijna even goed als de
-duimen der handen kunnen worden gebruikt. Deze bijzonderheid zou reeds
-in Chineesche jaarboeken van het jaar 2300 v. C. worden vermeld. Daar
-ook de Chineezen hun grooten teen veel beter kunnen gebruiken om b.v.
-iets vast te klemmen, dan wij, blijkt hieruit, dat de afwijking
-bijzonder sterk moet zijn en wij hier wellicht aan een opponiebelen
-grooten teen, min of meer als die van den gorilla, moeten denken. Het
-komt ons echter voor dat ook dit bericht bevestiging behoeft! In
-vroegeren tijd zou deze bijzonderheid bij de Anamieten zoo algemeen
-zijn geweest, dat hun naam oorspronkelijk daarvan zou zijn afgeleid.
-(Vergelijk mijn artikel „Vierhandige Menschen”, in „Isis”, 1879, blz.
-346.)
-
-(9) In 1886 verscheen een uitvoerig werk van Prof. Cunningham van
-Trinity College, Dublin, „On the lumbar curve in man and apes.” Het is
-gedrukt voor rekening der „Royal Irish Academy”. Hij toont daarin o.a.
-aan, dat de eigenaardige kromming van de ruggegraat, die men altijd met
-de opgerichte houding van den mensch in verband gebracht en als een bij
-uitnemendheid menschelijk kenmerk heeft beschouwd, bij vele
-menschenrassen (Nieuw-Hollanders, Negers, Andaman-eilanders) volstrekt
-niet zoo goed ontwikkeld is als bij de Europeanen. Wel bezit hun
-ruggegraat die kromming, maar terwijl bij den Europeaan de
-wervellichamen min of meer naar het beloop van de kromming vervormd
-zijn, bestaat van die vervorming bij genoemde menschenrassen geen
-spoor. Bij den gorilla bestaat de kromming, bij den chimpanzee is zij
-zelfs slechts weinig zwakker dan bij den mensch, bij den orang is zij
-veel zwakker. Zij bestaat echter nog bij de lagere apen en onder
-bepaalde voorwaarden vindt men er zelfs bij de viervoetige dieren
-duidelijke sporen van. De wervels schijnen bij de wijfjes over het
-algemeen meer in harmonie met de kromming vervormd te zijn dan bij de
-mannetjes.
-
-(10) De schedel van het Neanderdal is, zooals wij reeds in aanteekening
-25, blz. 45 mededeelden, volgens de eenparige getuigenis van alle
-deskundigen hoogst dierlijk ontwikkeld. Daar hij slechts gedeeltelijk
-voor ons behouden gebleven is, is de inhoud er van niet rechtstreeks
-bepaald kunnen worden. Daar Prof. Schaaffhausen echter voor den inhoud
-van het bewaard gebleven gedeelte 1033 kub. centimeter heeft gevonden,
-schat Huxley [157] den geheelen inhoud op 1228 kub. centimeter. Hij
-blijft dus nog even ver onder den Nieuw-Hollander, volgens de opgaaf
-van Darwin, als deze onder den Amerikaan of Aziaat.
-
-Ter vergelijking van de bij Darwin opgegeven getallen, laten wij hier
-een lijstje volgen van de resultaten van eenige schedelmetingen:
-
-
- TABEL VAN DEN GEMIDDELDEN SCHEDELINHOUD VAN EENIGE RASSEN.
-
- VOLKSSTAM. Volume in Waarnemers.
- kub.cent.
- Australiërs (Nieuw-Hollanders). 1228,27 Aitken Meigs.
- Polynesiërs. 1230 Morton.
- Hottentotten. 1233,78 Aitken Meigs.
- Papoea’s. 1253,45 Aitken Meigs.
- Amerikanen in ’t algemeen. 1315,71 Aitken Meigs.
- In Amerika geboren Negers. 1323,90 Aitken Meigs.
- Maleiers. 1328 Morton.
- Mexicanen. 1338,65 Aitken Meigs.
- Groenlanders. 1340 Welcker.
- Chineezen. 1345 Morton.
- Oude Peruanen. 1361 Morton.
- In Afrika geboren Negers. 1371,42 Aitken Meigs,
- Wilde Indianen. 1376,71 Aitken Meigs.
- Parijzenaars uit armengraven (van
- de 12de tot de 18de eeuw). 1403,14 Broca.
- Parijzenaars uit de 12de eeuw. 1425,98 Broca.
- Duitschers. 1448 Welcker.
- Parijzenaars uit de 19de eeuw. 1461,53 Broca.
- Anglo-Amerikanen. 1474,65 Aitken Meigs.
- Parijzenaars uit eigen graven
- (19de eeuw). 1484,23 Broca.
- Germanen in het algemeen. 1534,27 Aitken Meigs.
- Engelschen. 1572,95 Aitken Meigs.
-
-
-Zooals men ziet, zijn de door deze waarnemers verkregen getallen, die
-grootendeels berusten op metingen van een aanzienlijk aantal schedels
-van elk ras, voor het meerendeel aanmerkelijk lager dan de door Darwin
-opgegeven gemiddelde getallen, en komt de Neanderdalmensch volgens deze
-tabel in schedelinhoud met de Nieuw-Hollanders overeen, die ook in
-andere opzichten van alle thans levende menschenrassen het naast met
-hem verwant zijn. Men ziet ook uit deze tabel, dat de wilde Indianen
-(Roodhuiden) en de in Afrika geboren negers grooter hersenen bezitten
-dan de Mexicanen, de oude Peruanen en de Chineezen, waaruit blijkt, dat
-men uit de capaciteit van den schedel nog niet onmiddellijk tot de
-verstandelijke ontwikkeling kan besluiten. Merkwaardig is het ook, dat
-in Amerika geboren negers geringer gemiddelden schedelinhoud bezitten
-dan die, welke in Afrika zijn geboren. Wel een bewijs van de
-degradeerende werking der slavernij. Owen (aangehaald in Vogt,
-„Vorlesungen über den Menschen”, Bd. I, blz. 181) geeft voor den
-gemiddelden schedelinhoud van eenige hoofdrassen en der anthropomorphen
-de volgende getallen (in kub. Engelsche duimen, door ons, evenals de
-opgaven van Darwin en Huxley, herleid tot kub. centimeters):
-
-
- Engelschman. Maleier. Neger. Nieuw-Holl.
- 1572,67 1409,21 1343,66 1228,96
-
- Gorilla. Orang. Chimpanzee.
- 491,58 458,82 458,81.
-
-
-Men vergelijke over de verschillen in den omvang van den schedel ook de
-belangrijke opmerkingen van den heer Le Bon te Parijs, medegedeeld door
-Dr. D. Lubach in het „Album der Natuur”, 1878, blz. 377.
-
-Een goede gelegenheid tot het onderzoeken van vroegere menschelijke
-schedelvormen en van de verandering, die de schedelvorm in den loop van
-vele eeuwen heeft ondergaan, bieden de graftomben van Egypte en van het
-oude Etrurië aan. In deze beide landen heeft Dr. Schmidt rijke
-verzamelingen van schedels verkregen, die hem in staat stelden daarvan
-een grondige studie te maken. De uitkomsten van deze studie, voor
-zoover die de Egyptische schedels betreft, heeft hij in een vakblad
-medegedeeld. Bij eene vergelijking van 294 oude schedels, van mummies
-afkomstig en van 86 nieuwe, verzameld in verschillende streken, bleek,
-dat de ruimte voor de hersenen van de tegenwoordige bevolking gedurende
-de beide laatste duizend jaren gemiddeld 44 kubieke centimeter kleiner
-is geworden, en wel de mannelijke schedels 31, die van vrouwen 54
-kubieke centimeter, een verschijnsel, dat de schrijver verklaart uit
-den achteruitgang in ontwikkeling en beschaving, die er in den loop der
-eeuwen bij het Egyptische volk heeft plaats gehad, en dat hij stelt
-tegenover de waarneming, dat de grootte der schedels van de Parijsche
-kerkhoven in de laatste eeuwen, overeenkomstig de toenemende beschaving
-der bevolking, gemiddeld met 35 kub. centimeter is toegenomen. In vorm
-komen de oude en nieuwe schedels, zoowel wat den geheelen bouw als wat
-kleinere bijzonderheden betreft, in ’t algemeen met elkaâr overeen, er
-zijn thans evenals vroeger drie hoofdtypen: een zuiver Egyptische, een
-zuiver Nubische en een brachycephale vorm en overgangsvormen
-daartusschen. Tegenwoordig treedt het Nubische type sterker op den
-voorgrond dan vroeger.
-
-Naar aanleiding van den algemeen aangenomen regel, dat men bij menschen
-die veel ingespannen arbeid verrichten, meestal grootere hoofden
-aantreft dan bij hen, die bezigheden hebben welke minder inspanning van
-den geest vereischen, heeft een Parijzer geneesheer, Dr. Delaunay, de
-volgende statistische beschouwingen gemaakt, die uit een physiologisch
-oogpunt niet van belang zijn ontbloot. De hoofddeksels als maat
-nemende, heeft Dr. Delaunay bewezen, dat de bezoekers der
-polytechnische school en der hoogescholen te Parijs grootere hoofden
-hebben dan de kadetten van de militaire academie en de leerlingen van
-het seminarie van St. Sulpice. Deze laatsten hebben over ’t algemeen
-kleinere hoofden dan de overige bevolking van Parijs. De
-cilinderhoeden, die voornamelijk door de meest gegoede en beschaafde
-klasse worden gedragen, hebben steeds hoogere nummers dan de mutsen en
-petten, die voor den kleinen koopman en ambtenaar worden gemaakt. Bij
-de goedkoopste mutsen voor werklieden, bedienden enz. is de wijdte nog
-minder. In die wijken van Parijs waar veel handel wordt gedreven,
-zooals in den faubourg Montmartre, hebben de hoeden die in de
-magazijnen gereed liggen, meestal een wijdte (in omtrek) van 56 tot 58
-centimeter. In de wijk Mouffetard, een der minste achterbuurten van
-Parijs, bedraagt de wijdte over het algemeen slechts 52 à 53
-centimeter. In de wijk St. Sulpice, waar voor het meerendeel
-geestelijken, seminaristen, enz. wonen, en in den faubourg St. Germain
-treft men de kleinste hoeden; daarentegen gebruikt men de grootste
-hoeden (58 tot 60 centimeter) in die wijken waar zich de inrichtingen
-voor hooger en middelbaar onderwijs bevinden. Ook zijn, volgens de
-waarnemingen der doctoren Broca en Laccossagne, de hoofden der
-officieren grooter dan die van de minderen, hebben de geneesheeren
-grootere hoofden dan de ziekenoppassers enz. Geconstateerd wordt mede,
-dat bij boeren die zich in de stad komen vestigen, waar zij meer hun
-geest moeten inspannen, de omvang van het hoofd toeneemt.
-
-In Revue Scientifique, 21 Juillet 1889, wordt medegedeeld (naar
-waarnemingen op studenten te Cambridge), dat, hoewel over het algemeen
-de schedel na het 19de jaar niet grooter wordt, hij bij studeerenden
-nog op 25 jarigen leeftijd in afmetingen toeneemt. Ik kan uit eigen
-ervaring hierbij voegen, dat op 25-jarigen leeftijd een hoed, dien ik
-op 23-jarigen leeftijd had gedragen, mij veel te klein was geworden, en
-ik die twee jaren juist veel meer gestudeerd had dan vroeger.
-
-Wat de verschillen in de tanden bij onderscheidene menschenrassen
-aangaat, waarvan Darwin (blz. 69) gewag maakt, wenschen wij nog de
-aandacht te vestigen op de opmerkingen van E. Lambert („Bulletin de
-l’Acad. royale de Belgique”, 1877, T. XLIII, „Journ. de Zool.”, 1867,
-T. VI, blz. 252). Hij toonde aan, dat bij de zwarte rassen, vooral bij
-Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs en Nieuw-Caledoniërs, de hoektanden
-merkelijk grooter zijn dan bij de blanke en gele rassen, dat er een
-kleine tusschenruimte (diastema) om de spits daarvan op te nemen, is
-waar te nemen, dat de groote kiezen niet, als bij het blanke ras, vier,
-maar meestal vijf knobbels hebben enz., en dat over het algemeen bij
-hen ten opzichte van het tandstelsel een toenadering tot dat der
-anthropomorphe apen onmiskenbaar is.
-
-Het metopisme (het gescheiden blijven van het voorhoofdsbeen in twee
-helften door een naad, de sutura frontalis), dat door Darwin blz. 68
-wordt vermeld, wordt o.a. bij Papoeas veelvuldig waargenomen („The
-Academy”, 2 Juni 1878, blz. 560).
-
-(11) Ook Prof. Marsh heeft aangetoond („American Journal of Science and
-Arts”, 1874, vol. VIII, blz. 66, en „Revue Scientifique”, 6 Mars 1886),
-dat de zoogdieren der eocene periode over het algemeen bijzonder kleine
-hersenen hebben, de verwante soorten uit de miocene merkelijk grootere,
-die der pliocene periode nog grootere, de thans levende eindelijk
-wederom grootere. Naarmate men meer nadert tot den jongeren tijd, neemt
-de gemiddelde grootte der hersenen, vooral van de halfronden der groote
-hersenen, toe, de windingen worden ingewikkelder, en de kleine hersenen
-en lobi optici naar evenredigheid kleiner. De soorten met groote
-hersenafmetingen schijnen bovendien langer in stand te zijn gebleven
-dan die met kleine, en de eerst uitstervende in dit opzicht minder
-begunstigd dan de langer overblijvende, zoodat in den loop der
-palaeontologische ontwikkeling de nakomelingen steeds in verstandelijke
-ontwikkeling en grootte der hersenen het voorgeslacht overtroffen.
-
-(12) De hier bedoelde soorten zijn de mammouth (Elephas primigenius) en
-de neushoorn met beenig neusschot (Rhinoceros tichorhinus); van beide
-zijn verscheidene malen lijken die nog huid, haar en vleesch behouden
-hadden, in het poolijs van Siberië vastgevroren gevonden (het eerste
-mammouths-lijk in 1799 aan den mond der Lena). Uit die lijken bleek,
-dat de mammouth, evenals Darwin zegt, een wolpels bezat; de neushoorn
-bezat eenigszins stijve, doch niet borstelachtige haren (van 30–37
-millimeter lengte), maar volstrekt geen lange wolharen, zooals de
-mammouth („Mélanges biologiques tirés du Bullet. de l’Acad. de St.
-Pétersbourg”, t. VII, blz. 195).
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.
-
- Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den
- minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn
- aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot
- navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—
- Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren
- gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen,
- zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de
- werkzaamheid van geesten, bijgeloof.
-
-
-Wij hebben in de beide vorige hoofdstukken gezien, dat de mensch in het
-maaksel van zijn lichaam duidelijke bewijzen draagt van zijn afstamming
-van dezen of genen lageren vorm; maar men zou kunnen aanvoeren, dat er
-eenige dwaling in deze gevolgtrekking moet zijn, daar de mensch, wat
-zijn geestvermogens aangaat, zoozeer van alle dieren verschilt.
-Ongetwijfeld is in dit opzicht het verschil verbazend groot, zelfs als
-wij de vermogens van een der minst ontwikkelde wilden, die geen woord
-heeft om eenig getal, grooter dan vier uit te drukken, en geen
-afgetrokken uitdrukkingen heeft voor de meest gewone voorwerpen of
-aandoeningen [158], vergelijken met die van den hoogst georganiseerden
-aap. Het verschil zou ongetwijfeld nog verbazend groot blijven, zelfs
-wanneer een der hoogere apen evenzeer ontwikkeld of beschaafd was
-geworden, als een hond dat is geworden in vergelijking van zijn
-stamvorm, den wolf of den jakhals. De Vuurlanders behooren tot de
-laagste stammen van wilden; maar ik stond er onophoudelijk over
-verbaasd, hoezeer de drie tot dien stam behoorende menschen aan boord
-van Harer Majesteits stoomschip „Beagle” (1), die eenige jaren in
-Engeland hadden geleefd en een weinig Engelsch konden spreken, op ons
-geleken in aanleg en in de meesten hunner geestvermogens. Indien geen
-organisch wezen, behalve de mensch, eenige geestvermogens bezat, of als
-zijn vermogens van een geheel anderen aard waren dan die der lagere
-dieren, zouden wij nimmer in staat zijn geweest om ons te overtuigen,
-dat onze groote vermogens zich trapsgewijze hadden ontwikkeld. Maar het
-is duidelijk aan te toonen, dat dergelijk fundamenteel verschil niet
-bestaat. Wij moeten derhalve aannemen, dat er een veel grooter
-tusschenruimte in geestvermogens bestaat tusschen een der laagste
-visschen, zooals een lamprei of een slakprik (2), en een der hoogere
-aapsoorten, dan tusschen een aap en den mensch; deze verbazend groote
-tusschenruimte wordt echter ingenomen door tallooze tusschentrappen.
-
-Het verschil in zedelijken aanleg is ook ver van gering tusschen een
-barbaar, zooals de man, door den ouden zeevaarder Byron beschreven, die
-zijn kind tegen de rotsen verbrijzelde, omdat het een mand met zeeëgels
-had laten vallen, en een Howard of Clarkson; en evenzoo is er een groot
-verschil in verstandelijken aanleg tusschen een wilde die volstrekt
-geen afgetrokken uitdrukkingen kent, en een Newton of Shakespeare.
-Verschillen van deze soort tusschen de hoogst staande mannen van de
-meest ontwikkelde rassen en de laagste wilden worden door de fijnste
-overgangstrappen verbonden. Het is daarom mogelijk, dat zij in elkander
-kunnen overgaan en zich uit elkander ontwikkelen.
-
-In dit hoofdstuk is mijn doel alleen om aan te toonen, dat er ten
-opzichte van de geestvermogens tusschen den mensch en de hoogere
-zoogdieren geen fundamenteel verschil bestaat. Ik zou elke
-onderafdeeling van dit hoofdstuk tot een afzonderlijke verhandeling
-hebben kunnen uitbreiden, maar zij moeten hier kort worden behandeld.
-Daar geen klassificatie der geestvermogens algemeen is aangenomen, zal
-ik mijn opmerkingen rangschikken in de orde, welke het meest geschikt
-is voor mijn doel; en zal die feiten uitzoeken, die mij het meest
-hebben getroffen, in de hoop dat zij eenigen indruk op den lezer mogen
-maken.
-
-Wat die dieren aangaat, welke zeer laag op den ladder der wezens staan,
-zal ik nog eenige feiten hieraan toevoegen in de afdeeling over de
-seksueele teeltkeus, waaruit men zal zien dat hun geestvermogens hooger
-ontwikkeld zijn, dan men wellicht zou hebben verwacht. De
-verantwoordelijkheid van de vermogens bij de individu’s van eene en de
-zelfde soort is voor ons een belangrijk punt en eenige weinige
-voorbeelden daarvan zullen hier worden gegeven. Het zou echter
-overbodig zijn hierover in vele bijzonderheden te treden; want ik heb
-door veelvuldig onderzoek bevonden, dat het de eenparige meening is van
-al degenen die lang dieren van verschillende soorten, vogels daaronder
-begrepen, hebben verzorgd, dat de individu’s in elk verstandelijk
-kenmerk onderling zeer verschillen. Het onderzoek naar de wijze waarop
-de verstandelijke vermogens zich het eerst bij de laagste organismen
-ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong van
-het leven. Dit zijn vraagstukken voor de verste toekomst, als zij zelfs
-ooit door den mensch zullen kunnen worden opgelost.
-
-Daar de mensch de zelfde zinnen bezit als de lagere dieren, moeten ook
-de indrukken, die de buitenwereld op hem maakt, in den grond der zaak
-de zelfden zijn. De mensch heeft dan ook sommige instinkten met hen
-gemeen, zooals dat van het zelfbehoud, de geslachtsdrift, de liefde van
-de moeder voor haar pasgeboren kroost, het vermogen van dit laatste om
-te zuigen, enz. De mensch heeft echter wellicht nog wat minder
-instinkten dan die, welke worden bezeten door de dieren die in de reeks
-het naast bij hem staan. De orang-oetan in Insulinde en de chimpanzee
-in Afrika bouwen platte nesten, waarop zij slapen; en, daar beide
-soorten die zelfde gewoonte hebben, zou men kunnen aanvoeren, dat die
-aan het instinkt was verschuldigd, maar wij kunnen er niet zeker van
-zijn, dat zij niet een gevolg daarvan is, dat beide dieren
-gelijksoortige behoeften en een gelijksoortig denkvermogen bezitten.
-Wij mogen aannemen, dat deze apen de vele vergiftige vruchten van de
-tropische gewesten vermijden, en de mensch bezit een dergelijke kennis
-niet; maar daar onze huisdieren, als men ze naar vreemde landen
-overbrengt en zij in het voorjaar voor het eerst worden losgelaten,
-dikwijls vergiftige kruiden eten die zij naderhand vermijden, kunnen
-wij er niet zeker van zijn, dat de apen niet door hun eigen
-ondervinding of door die van hun verwanten leeren, welke vruchten zij
-moeten uitzoeken. Het is echter zeker, zooals wij in dit hoofdstuk
-zullen zien, dat apen een instinktmatige vrees voor slangen hebben, en
-waarschijnlijk ook voor andere gevaarlijke dieren.
-
-Wanneer men de hoogere dieren met de lagere vergelijkt, is het
-opmerkelijk, hoeveel geringer in aantal en hoeveel eenvoudiger de
-instinkten der eersten zijn. Cuvier beweerde [159], dat instinkt en
-verstand tot elkander in omgekeerde verhouding stonden; en sommigen
-hebben gedacht, dat de verstandelijke vermogens der hoogere dieren zich
-langzamerhand uit hun instinkten hebben ontwikkeld. Pouchet heeft
-echter in een belangwekkende verhandeling aangetoond, dat een
-dergelijke omgekeerde verhouding in werkelijkheid niet bestaat. Die
-insektensoorten welke de verwonderlijkste instinkten bezitten, zijn ook
-ongetwijfeld de meest verstandige. In de reeks der gewervelde dieren
-bezitten de minst verstandige leden, namelijk de visschen en
-amphibieën, geen ingewikkelde instinkten; en onder de zoogdieren is dat
-dier hetwelk het opmerkelijkst is wegens zijn instinkt, namelijk de
-bever, ook zeer verstandig, zooals niemand zal ontkennen, die de
-uitnemende verhandeling van den heer Morgan over dit dier heeft
-gelezen. [160]
-
-Hoewel de eerste schemeringen van het verstand, volgens den heer
-Herbert Spencer [161], ontwikkeld zijn geworden door de
-vermenigvuldiging en coördinatie van reflex-handelingen, en hoewel
-velen der eenvoudige instinkten trapsgewijze in dergelijke handelingen
-overgaan en nauwelijks van hen zijn te onderscheiden, zooals b.v. bij
-het zuigen van jonge dieren, schijnen toch de meer samengestelde
-instinkten oorspronkelijk onafhankelijk van het verstand te zijn
-ontstaan. Ik ben echter verre verwijderd van te willen ontkennen, dat
-instinktmatige handelingen hun vast en niet-aangeleerd karakter kunnen
-verliezen, en door andere worden vervangen, die met behulp van den
-vrijen wil worden volbracht. Van den anderen kant gaan sommige
-verstandige handelingen—zooals wanneer vogels op oceanische eilanden
-voor het eerst den mensch leeren vermijden—na gedurende vele generaties
-te zijn volbracht, in instinkten over en worden erfelijk. Men kan dan
-zeggen, dat zij in innerlijke waarde zijn achteruitgegaan; want zij
-worden niet langer volbracht uit redeneering of uit ondervinding. Het
-grootste aantal der meer samengestelde instinkten schijnt echter op
-geheel verschillende wijze te zijn verkregen, namelijk doordat de
-natuur verscheidenheden met eenvoudiger instinktmatige handelingen voor
-de voortplanting uitkoos. Dergelijke verscheidenheden schijnen te zijn
-ontstaan door inwerking op de organisatie der hersenen van de zelfde
-onbekende oorzaken die geringe verscheidenheden of individueele
-verschillen in andere deelen van het lichaam voortbrengen, en onze
-onwetendheid geeft dikwijls aanleiding om te zeggen, dat deze
-verscheidenheden van zelf zijn ontstaan. Wij kunnen, dunkt mij, tot
-geen ander besluit komen ten opzichte van den oorsprong van de meer
-samengestelde instinkten, als wij denken aan de verwonderlijke
-instinkten van onvruchtbare werkmieren en werkbijen, die geen kroost
-nalaten dat de uitwerkselen van ondervinding en gewijzigde gewoonten
-van hen kan erven.
-
-Hoewel voorzeker een hooge graad van verstand vereenigbaar is met het
-bestaan van ingewikkelde instinkten, zooals wij zien bij de daareven
-genoemde insekten en bij den bever, is het echter niet
-onwaarschijnlijk, dat zij tot op zekere hoogte elkanders ontwikkeling
-belemmeren. Er is nog weinig bekend van de functies der hersenen, maar
-wij kunnen nagaan, dat, als de verstandelijke vermogens zeer worden
-ontwikkeld, de verschillende deelen der hersenen ook door de meest
-ingewikkelde gemeenschapswegen moeten zijn verbonden; en ten gevolge
-daarvan zou elk afzonderlijk deel wellicht allengs minder goed geschikt
-worden om op een bepaalde, steeds gelijke, dat wil zeggen
-instinktmatige wijze te antwoorden op bijzondere gewaarwordingen en
-vereenigingen van indrukken.
-
-Ik heb gedacht, dat het de moeite waard was mij deze uitweiding te
-veroorloven, omdat wij de geestvermogens van de hoogere dieren en
-vooral van den mensch licht te gering zouden schatten, als wij hun
-handelingen, gegrond op de herinnering aan vroegere gebeurtenissen, op
-voorzorg, rede en verbeeldingskracht, vergelijken met volkomen
-gelijksoortige handelingen, die door de lagere dieren instinktmatig
-worden volbracht; in dit laatste geval is de geschiktheid om dergelijke
-handelingen te volbrengen stap voor stap verkregen door de
-variabiliteit der centrale deelen van het zenuwstelsel en door de
-natuurlijke teeltkeus, zonder eenige zelfbewuste verstandsinspanning
-van de zijde van het dier gedurende elke opeenvolgende generatie.
-Ongetwijfeld is, zooals de heer Wallace heeft aangetoond [162], veel
-van den door den mensch verrichten verstandelijken arbeid op nabootsing
-en niet op rede gegrond; maar er bestaat dit groote verschil tusschen
-zijn handelingen en velen van die, welke door de lagere dieren worden
-volbracht, dat de mensch, als hij het voor het eerst beproeft,
-bijvoorbeeld geen vuursteenwerktuig of kano kan vervaardigen door zijn
-vermogen van nabootsing. Hij moet zijn werk door de praktijk leeren;
-een bever daarentegen kan zijn beek of zijn vijver, en een vogel zijn
-nest, als hij het voor het eerst beproeft, even goed of bijna even goed
-maken, als wanneer hij oud is en ondervinding heeft opgedaan. (3)
-
-Om tot ons eigenlijk onderwerp terug te komen: de lagere dieren
-gevoelen ongetwijfeld, evenals de mensch, genoegen en verdriet, geluk
-en ongeluk. Geluk wordt nooit beter getoond dan door jonge dieren,
-zooals hondjes, katjes, lammeren enz, als zij met elkander spelen,
-evenals onze eigen kinderen. Zelfs insekten spelen met elkander, zooals
-is beschreven door P. Huber [163], dien uitnemenden waarnemer, die zag
-hoe mieren elkander naliepen en zich hielden alsof zij elkander wilden
-bijten, evenals of het jonge hondjes waren.
-
-Het feit, dat de lagere dieren door de zelfde gemoedsaandoeningen
-worden aangedaan als wij, is zoo goed bewezen, dat het onnoodig zal
-zijn den lezer met vele bijzonderheden te vermoeien. Schrik werkt op
-hen op de zelfde wijze als op ons, doet hun spieren beven, hun hart
-kloppen, hun sluitspieren verslappen, hun haren te berge rijzen.
-Achterdocht, die dochter der vrees, is bijzonder kenmerkend voor vele
-wilde dieren. Het is, dunkt mij, onmogelijk om de mededeelingen van Sir
-E. Tennent omtrent het gedrag van vrouwelijke tamme olifanten die
-worden gebruikt om wilde mannelijke te lokken, te lezen, zonder te
-worden overtuigd, dat zij met voordacht bedrog plegen en wel weten wat
-zij doen. Moed en vreesachtigheid zijn hoedanigheden, die bij de
-individu’s van eene en de zelfde soort zeer verschillen, zooals
-duidelijk is te zien bij onze honden. Sommige honden en paarden hebben
-een slechte inborst en worden gemakkelijk kwaadaardig; anderen hebben
-een goede inborst; en deze hoedanigheden zijn ongetwijfeld erfelijk.
-Iedereen weet, hoe vatbaar dieren zijn voor woedenden toorn en hoe
-duidelijk zij dit toonen. Vele waarschijnlijk ware anekdoten zijn
-bekend omtrent lang uitgestelde en slim overlegde wraak van
-verschillende dieren. De nauwkeurige Rengger en Brehm [164] getuigen,
-dat de tamme Amerikaansche en Afrikaansche apen die zij bezaten, zich
-steeds poogden te wreken. Sir Andrew Smith, een dierkundige wiens
-strenge nauwgezetheid aan vele personen bekend is, verhaalde mij de
-volgende geschiedenis, waarvan hij zelf ooggetuige was. Aan de Kaap de
-Goede Hoop had een officier dikwijls zekeren baviaan geplaagd. Toen op
-zekeren Zondag het dier hem, voor de parade gekleed, zag aankomen,
-wierp het water in een holte in den grond, maakte snel wat dikken
-modder en wierp dien behendig over den officier, toen deze voorbijging,
-tot groot vermaak van vele omstanders. Nog lang daarna verheugde zich
-de baviaan en keek zegepralend als hij zijn slachtoffer zag.
-
-De liefde van den hond voor zijn meester is bekend, gelijk een oud
-schrijver aardig zegt [165]: „Een hond is het eenige ding op deze aarde
-dat meer van u houdt dan van zich zelf.” Er bestaan voorbeelden, dat
-een hond in zijn doodsstrijd nog zijn meester liefkoosde, en iedereen
-heeft hooren spreken van dien hond, die, terwijl men een vivisectie op
-hem deed, niettegenstaande zijn lijden, de hand van den operateur
-likte; als deze man geen hart van steen heeft bezeten, moet hij tot aan
-zijn dood berouw hebben gevoeld. „Wie kan”, zooals Whewell [166] heeft
-opgemerkt, „als hij de treffende voorbeelden van moederlijke liefde
-leest, zoo dikwijls van vrouwen van alle natiën en van de wijfjes van
-alle dieren verhaald, betwijfelen dat het beginsel der handeling in
-beide gevallen het zelfde is?”
-
-Wij zien die moederlijke liefde tot in de nietigste kleinigheden
-uitblinken; zoo nam Rengger een Amerikaanschen aap (een Cebus soort)
-waar, die zorgvuldig de vliegen wegjoeg, die haar jong plaagden; en
-Duvaucel zag een soort van het geslacht Hylobates de aangezichten van
-haar jongen in een rivier wasschen. Zoo innig is de smart van
-wijfjesapen over het verlies harer jongen, dat zij steeds den dood
-veroorzaakte van sommige soorten die Brehm in N.-Afrika in gevangen
-staat bezat. Jonge apen die hun ouders hebben verloren, worden altijd
-geadopteerd en zorgvuldig beschermd door de andere apen, mannetjes zoo
-goed als wijfjes. Zekere wijfjesbaviaan had zulk een ruim hart, dat zij
-niet alleen jonge apen van andere soorten adopteerde, maar zelfs jonge
-honden en katten stal, die zij voortdurend bij zich droeg. Haar
-vriendelijkheid ging echter niet zoover, dat zij haar voedsel met haar
-aangenomen kroost deelde, waarover Brehm verwonderd was, daar zijn apen
-met hun eigen jongen alles altijd heel eerlijk deelden. Een der
-geadopteerde katjes krabde eens den bovenvermelden liefderijken
-baviaan, die zeker bijzonder verstandig was, want hij was zeer verbaasd
-te worden gekrabd, onderzocht dadelijk de pooten van het katje, en beet
-er zonder zich verder te beklagen de nagels af. In den Londenschen
-dierentuin hoorde ik van een oppasser, dat een oude wijfjesbaviaan (C.
-chacma) een Rhesus-aap had geadopteerd; maar toen men een jongen dril
-en jongen mandril (4) in de zelfde kooi plaatste, scheen zij te
-begrijpen, dat deze apen, hoewel van een andere soort als zij, haar
-toch nader verwant waren; want opeens verstiet zij den jongen Rhesus en
-adopteerde den dril en mandril. Ik zag, dat de jonge Rhesus over deze
-verstooting zeer ontevreden was, en hij beproefde om, even als een
-stout kind, den jongen dril en mandril te plagen en aan te vallen,
-zoodra hij dit zonder gevaar doen kon, welk gedrag de verontwaardiging
-van den ouden baviaan opwekte. Apen verdedigen volgens Brehm ook hun
-meester, als deze door iemand wordt aangevallen, even goed als honden
-waaraan zij gehecht zijn, tegen de aanvallen van andere honden. Maar
-hier zouden wij vervallen tot het bespreken van het medegevoel, op welk
-onderwerp ik zal terugkomen. Sommigen van Brehm’s apen hadden er veel
-vermaak in om een ouden hond waarvan zij een afkeer hadden, en ook wel
-andere dieren, op verschillende slim bedachte wijzen te plagen.
-
-De meeste meer samengestelde gemoedsaandoeningen zijn aan de hoogere
-dieren en aan ons zelven gemeen. Iedereen heeft wel eens gezien, hoe
-naijverig een hond op de genegenheid van zijn meester is, als deze
-eenig ander wezen liefkoost; en ik heb het zelfde feit bij apen
-waargenomen. Dit toont, dat dieren niet slechts vatbaar zijn voor
-liefde, maar ook voor de begeerte om te worden bemind. De dieren
-gevoelen blijkbaar naijver. Zij worden gaarne geprezen, zijn gevoelig
-voor goedkeuring; en een hond, die voor zijn meester een mandje draagt,
-geeft blijken van in hooge mate met zich zelf tevreden en trotsch te
-zijn op hetgeen hij doet. Het kan, dunkt mij, aan geen twijfel
-onderhevig zijn, dat een hond schaamte gevoelt, afgescheiden van vrees,
-en ook iets dat zeer op bedeesdheid gelijkt, als hij te dikwijls om
-voedsel bedelt. Een groote hond veracht het brommen van een kleinen
-hond, en dit kan grootmoedigheid worden genoemd. Verscheidene
-waarnemers hebben getuigd, dat apen ongetwijfeld ongaarne worden
-uitgelachen; en soms vinden zij denkbeeldige beleedigingen uit. In den
-Londenschen dierentuin zag ik een baviaan, die altijd in woedenden
-toorn geraakte, als zijn oppasser een brief of een boek opnam en hem
-daaruit hardop voorlas; en die toorn was zoo hevig, dat hij, zooals ik
-bij een enkele gelegenheid waarnam, in zijn eigen achterpoot beet,
-totdat het bloed vloeide. Honden vertoonen iets, dat gerust gevoel voor
-scherts mag worden genoemd en van eenvoudig spelen verschilt. Indien
-men een stukje hout of ander dergelijk voorwerp aan een hond toewerpt,
-zal hij het dikwijls een klein eindje wegdragen, het daarna op den
-grond in zijn onmiddellijke nabijheid neerleggen, gaan zitten en
-wachten tot zijn meester vlak bij hem is. Daarop zal de hond het weer
-pakken, in triomf wegloopen en de zelfde handeling later herhalen, en
-blijkbaar vermaak scheppen in zijn eigen schalkschheid.
-
-Wij zullen nu overgaan tot de meer verstandelijke gemoedsaandoeningen
-en vermogens, die zeer belangrijk zijn, daar zij den grondslag vormen
-voor de ontwikkeling der hoogere geestvermogens. Dieren worden gaarne
-aangespoord en lijden aan verveling, zooals men kan zien aan honden, en
-volgens Rengger aan apen. Alle dieren gevoelen verwondering, en vele
-toonen nieuwsgierigheid. Zij hebben soms nadeel van deze laatste
-hoedanigheid, zooals wanneer de jager grappen maakt en ze zoo lokt; ik
-heb dit gezien met hinden en het is ook het geval met de zoo
-voorzichtige gems en met sommige soorten van wilde eenden. Brehm geeft
-een merkwaardig verhaal van de instinktmatige vrees die zijn apen voor
-slangen vertoonden; maar hun nieuwsgierigheid was zoo groot, dat zij
-niet na konden laten tusschenbeide hun afschuw op zeer menschelijke
-wijze te toonen, door het deksel van de kist op te lichten, waarin zich
-de slangen bevonden. Ik was van dit verhaal zoo verbaasd, dat ik een
-opgezette slang in het apenhuis in den Londenschen dierentuin liet
-brengen, en de daardoor veroorzaakte opschudding was een van de
-merkwaardigste tooneelen die ik ooit zag. Drie soorten van
-Cercopithecus waren het meest verschrikt; zij sprongen in hun kooien
-rond onder het slaken van doordringende kreten om voor het gevaar te
-waarschuwen, en deze werden door de andere apen verstaan. Enkele jonge
-apen en een oude Anubis baviaan waren de eenigen die geen acht sloegen
-op de slang. Toen plaatste ik het opgezette voorwerp op den grond in
-een der grootere hokken. Na korten tijd schaarden alle apen er zich
-kringsgewijze om heên en staarden het ingespannen en uitvorschend aan,
-hetgeen een allergrappigste vertooning vormde. Zij werden buitengewoon
-zenuwachtig, zoodat zij, als een houten bal, waarmede zij gewoon waren
-te spelen, toevallig werd bewogen in het stroo, waardoor hij
-gedeeltelijk was bedekt, allen dadelijk wegsprongen. Deze apen
-gedroegen zich geheel anders, als een doode visch, een muis en eenige
-andere nieuwe voorwerpen in hun kooien werden geplaatst: want, hoewel
-eerst ook verschrikt, kwamen zij er in dit laatste geval weldra dichter
-bij, grepen ze met de handen aan en bekeken ze. Daarop plaatste ik een
-levende slang in een papieren zak, die van boven losjes weg was
-dichtgemaakt, in één der grootere hokken. Dadelijk naderde één der
-apen, opende den zak zeer voorzichtig een weinig, gluurde er even in en
-sprong dadelijk weg. Toen zag ik met eigen oogen hetgeen Brehm heeft
-beschreven; want de eene aap voor en de andere na konden de begeerte
-niet weêrstaan om, het hoofd omhoog houdende en naar den eenen kant
-wendende, even in den rechtopstaanden zak te gluren naar het
-vreeselijke voorwerp dat rustig op den bodem daarvan lag. Het heeft er
-zelfs iets van, alsof apen eenig begrip hebben van zoölogische
-verwantschap; want die welke Brehm bezat, vertoonden een vreemden,
-ofschoon misplaatst en, instinktmatigen afkeer van onschuldige
-hagedissen en kikvorschen. Er is ook een voorbeeld bekend van een
-orang, die zeer verschrikt was toen hij voor het eerst een schildpad
-zag. [167]
-
-Het beginsel van nabootsing is bij den mensch en vooral, gelijk ik zelf
-heb opgemerkt, bij den mensch in wilden staat, sterk ontwikkeld. Bij
-zekere ziekelijke toestanden van de hersenen neemt deze neiging in
-buitengewone mate toe; sommige lijders aan hemiplegie en anderen
-bootsen bij het begin van de ontstekingachtige hersenverweeking
-onbewust elk woord na, dat, hetzij in hun eigen, hetzij in een vreemde
-taal wordt gesproken, en elk gebaar of elke handeling die in hun
-nabijheid wordt gemaakt of gedaan. Desor [168] heeft opgemerkt, dat
-geen dier willekeurig uit zich zelf een door den mensch volbrachte
-handeling nabootst, totdat wij in de opklimmende reeks aan de apen
-komen, die, zooals zeer bekend is, belachelijke nabootsers zijn.
-Somtijds bootsen echter dieren elkanders handelingen na: zoo leerden
-twee soorten van wolven, die door honden waren opgevoed, blaffen,
-evenals ook de jakhals dit wel eens leert [169], maar of dit een
-willekeurige nabootsing kan worden genoemd, is een andere vraag. Vogels
-bootsen den zang van hun verwanten en somtijds die van andere vogels
-na; en papegaaien bootsen, zooals bekend is, alle tonen na, die zij
-dikwijls hooren. Dureau de la Malle verhaalt van een hond, die door een
-kat was grootgebracht [170], die de welbekende kattengewoonte nabootste
-om de pooten te likken en daarmede ooren en gelaat te wasschen; dit
-werd ook waargenomen door den beroemden natuuronderzoeker Audouin. Ik
-heb verschillende bevestigingen hiervan ontvangen; in een daarvan was
-een hond niet door een kat gezoogd, maar was er door een grootgebracht,
-gezamenlijk met haar eigen jongen, en had daardoor bovengenoemde
-gewoonte aangenomen, die hij later gedurende de dertien jaar dat hij
-leefde, voortdurend bleef in praktijk brengen. Dureau de la Malle’s
-hond leerde ook van de katjes met een bal spelen, door dien met zijn
-voorpooten voort te rollen en er op te springen. Een mijner
-correspondenten verzekert mij, dat een kat te zijnen huize de gewoonte
-had om haar pooten te steken in melkkannen, waarvan de opening te nauw
-was om haar kop door te laten. Een jong van deze kat leerde spoedig het
-zelfde kunstje en bracht het later altijd in praktijk, zoo dikwijls het
-er gelegenheid toe vond.
-
-Men kan zeggen, dat bij vele dieren de ouders, vertrouwende op het
-beginsel van nabootsing, en meer bijzonder op instinktmatige en
-overgeërfde eigenschappen hunner jongen, deze opvoeden. Wij zien dit
-als een kat haar jongen een levende muis brengt; en Dureau de la Malle
-deelt in de bovenaan gehaalde verhandeling zijn merkwaardige
-waarnemingen mede omtrent valken, die hun jongen behendigheid en het
-beoordeelen van afstanden leerden, door eerst doode muizen en musschen
-door de lucht te laten vallen, in het vangen waarvan de jongen over het
-algemeen niet slaagden, en hun daarna levende vogels te brengen en die
-los te laten.
-
-Nauwelijks eenig vermogen is belangrijker voor de verstandelijke
-ontwikkeling van den mensch dan dat van de oplettendheid. Dieren toonen
-blijkbaar dat vermogen te bezitten, een kat bijvoorbeeld als zij bij
-een muizengat op de loer ligt, en zich gereed houdt om haar prooi te
-bespringen. Wilde dieren zijn somtijds in dergelijke gevallen zoozeer
-in hun gedachten verdiept, dat men ze dan gemakkelijk kan naderen. De
-heer Bartlett gaf mij een merkwaardig bewijs hoe verschillend deze
-eigenschap bij apen is. Een man, die apen opleidde voor een apenspel,
-was gewoon de gewone soorten van de Zoölogische Vereeniging te koopen
-voor den prijs van vijf pond sterling per stuk; maar hij bood aan den
-dubbelen prijs te geven, als hij vier of vijf apen een dag of wat bij
-zich mocht houden, en er daarna een uitkiezen. Toen men hem vraagde,
-hoe het mogelijk was, dat hij zoo spoedig kon te weten komen, of de
-eene of andere aap een goeden aanleg voor het tooneel had, antwoordde
-hij, dat alles afhing van hun vermogen van oplettendheid. Indien,
-wanneer hij een aap iets zeide en verklaarde, de oplettendheid van het
-dier gemakkelijk werd afgetrokken, bijvoorbeeld door een vlieg op den
-muur of eenige andere nietigheid, dan was het geval hopeloos. Indien
-hij trachtte een onoplettenden aap door bestraffing voor het tooneel af
-te richten, dan werd het dier kwaadaardig. Een aap daarentegen die
-zorgvuldig oplette, als hij tegen hem sprak, kon altijd worden
-afgericht.
-
-Het is bijna overbodig om uiteen te zetten, dat dieren een uitnemend
-geheugen voor personen en plaatsen hebben. Sir Andrew Smith heeft mij
-medegedeeld, dat een baviaan hem aan de Kaap de Goede Hoop met vreugde
-herkende na een afwezigheid van negen maanden. Ik had een hond, die
-kwaadaardig was en een afkeer van alle vreemdelingen had, en beproefde
-met voordacht zijn geheugen na een afwezigheid van vijf jaren en twee
-dagen. Ik ging naar den stal, waarin hij zich bevond en riep hem op
-mijn oude manier: hij vertoonde geen vreugde, maar volgde mij dadelijk
-op mijn wandeling en gehoorzaamde mij, evenals of ik eerst een half uur
-te voren van hem was weggegaan. Een aaneenschakeling van gedachten, die
-vijf jaar lang had geslapen, was dus oogenblikkelijk weder in zijn
-geest ontwaakt. P. Huber [171] heeft duidelijk aangetoond, dat zelfs
-mieren andere mieren van het zelfde nest na een scheiding van vier
-maanden herkennen. Dieren kunnen ongetwijfeld op de eene of andere
-wijze de tijdsruimten beoordeelen, die tusschen periodiek terugkeerende
-gebeurtenissen verloopen. (5)
-
-De verbeeldingskracht is een der grootste voorrechten van den mensch.
-Door dit vermogen verbindt hij, onafhankelijk van zijn wil, vroegere
-beelden en ideeën en schept daardoor schitterende en nieuwe uitkomsten.
-„Een dichter”, zooals Jean Paul Richter opmerkt [172], „die er over
-moet nadenken, of hij een zijner personen ja of neen zal laten
-zeggen—moet naar den duivel loopen, hij is slechts een dom lijk.” Het
-droomen geeft ons het beste denkbeeld van dit vermogen; zooals Jean
-Paul op een andere plaats zegt: „Droomen is een onwillekeurige
-dichterlijke handeling.” De waarde van de voortbrengselen onzer
-verbeeldingskracht hangt natuurlijk af van het aantal, de
-nauwkeurigheid en de helderheid onzer indrukken, van ons oordeel en
-onzen smaak in het uitkiezen en verwerpen van onwillekeurige
-gedachtenverbindingen, en tot op zekere hoogte van ons vermogen om ze
-willekeurig te verbinden. Daar honden, katten, paarden en
-waarschijnlijk al de hoogere dieren, zelfs vogels, naar door bevoegde
-autoriteiten wordt getuigd [173], levendige droomen hebben, en dit
-blijkt uit hun bewegingen en de kreten die zij slaken, moeten wij
-hieruit opmaken, dat zij eenige verbeeldingskracht bezitten. Er moet
-een bijzondere oorzaak zijn, waarom honden ’s nachts huilen, en vooral
-bij maneschijn op die bijzondere en zwaarmoedige manier, die men janken
-noemt. Alle honden doen dit niet; en volgens Houzeau [174] kijken zij
-dan niet naar de maan, maar naar een of ander vast punt nabij den
-horizon. Houzeau denkt, dat hun verbeeldingskracht op een dwaalspoor
-wordt gebracht door de onbestemde omtrekken der omringende voorwerpen,
-en dat deze fantastische beelden voor hun geest doen verrijzen; indien
-dit zoo is, kan men hun gevoelens bijna bijgeloof noemen.
-
-Van alle vermogens van den menschelijken geest zal men, naar ik
-onderstel, wel aannemen, dat de rede het hoogste staat. Bijna niemand
-betwijfelt meer, dat de dieren eenigszins het vermogen bezitten om te
-redeneeren. Men kan voortdurend dieren zien aarzelen, bij zich zelven
-overleggen en een besluit nemen. Het is een veelbeteekenend feit, dat,
-hoe meer de gewoonten van het eene of andere bijzondere dier door een
-natuuronderzoeker worden bestudeerd, hoe meer hij toeschrijft aan
-redeneering, en hoe minder aan aangeboren instinkten. [175] In volgende
-hoofdstukken zullen wij zien, dat sommige dieren, die uiterst laag op
-de ladder staan, een zekere hoeveelheid rede schijnen te vertoonen.
-Ongetwijfeld is het dikwijls moeilijk om de uitwerkselen der rede en
-die van het instinkt van elkander te onderscheiden. Zoo merkt Dr. Hayes
-in zijn werk over „de open Poolzee” herhaaldelijk op, dat zijn honden,
-als zij aan dun ijs kwamen, in plaats van voort te gaan met de sleden
-in dichten drom voort te trekken, uiteengingen en zich van elkander
-verwijderden, opdat hun gewicht meer gelijkelijk zou worden verdeeld.
-Dit was dikwijls de eerste waarschuwing en het eerste teeken waaraan de
-reizigers bemerkten, dat het ijs dun en gevaarlijk werd. Deden de
-honden dit nu uithoofde van de ondervinding van elk individu of op het
-voorbeeld van oudere en wijzere honden, of uit een overgeërfde
-gewoonte, dat wil zeggen uit instinkt? Dit instinkt zou wellicht kunnen
-zijn ontstaan sedert den reeds lang geleden tijd, dat de inboorlingen
-voor het eerst honden gebruikten om hun sleden voort te trekken; of
-wellicht hebben de poolwolven, de stamvorm van de honden der Eskimo’s,
-dit instinkt gekregen, dat hen aandreef hun prooi op dun ijs niet in
-een dichten drom aan te vallen.
-
-Wij kunnen alleen uit de omstandigheden waaronder handelingen worden
-volvoerd, besluiten of zij door instinkt, door rede of eenvoudig door
-associatie van denkbeelden worden verricht; dit laatste beginsel staat
-echter in innig verband met rede. Prof. Möbius [176] deelt een
-merkwaardig geval mede van een snoek, die door een glasplaat was
-gescheiden van een met visschen gevuld aquarium, en die, trachtende de
-andere visschen te vangen, zich dikwerf met zooveel kracht tegen het
-glas aanwierp, dat hij somtijds volkomen bedwelmd werd. De snoek ging
-daarmede drie maanden lang voort, maar leerde ten laatste voorzichtig
-te zijn en hield er mede op. De glasplaat werd daarop weggenomen, maar
-de snoek viel deze bijzondere visschen niet aan, hoewel hij wel andere
-verslond, die er later werden ingebracht; zoo sterk was het denkbeeld
-van een hevigen schok in zijn zwakken geest geassocieerd met een aanval
-op zijn vroegere buurlieden. Indien een wilde die nooit een groote
-spiegelruit had gezien, er zich eens tegen stootte, zou hij langen tijd
-daarna het denkbeeld van een schok associeeren met dat van een
-spiegelruit; maar zeer verschillend van den snoek, zou hij
-waarschijnlijk nadenken over den aard van het beletsel en onder
-dergelijke omstandigheden voorzichtig zijn. Nu is bij apen, gelijk wij
-thans zullen zien, een pijnlijke of ook eenvoudig onaangename indruk
-van een eens volbrachte handeling dikwijls voldoende om te maken, dat
-het dier die handeling niet andermaal volbrengt. Indien wij het
-verschil tusschen den aap en den snoek alleen daaraan toeschrijven, dat
-de associatie van denkbeelden bij den een zooveel sterker en blijvender
-is dan bij den ander, hoewel de snoek dikwijls veel erger letsel
-bekwam, kunnen wij dan in het geval van den mensch volhouden, dat een
-dergelijk verschil het bezit van een fundamenteel verschillenden geest
-bewijst?
-
-Houzeau [177] verhaalt, dat, terwijl hij een uitgestrekte en dorre
-vlakte in Texas overtrok, zijn beide honden erg aan dorst leden, en dat
-zij tusschen de dertig en veertig malen naar lagere plekken renden om
-water te zoeken. Deze lagere plekken waren geen valleien, en er stonden
-geen boomen op, noch eenige andere verschillende plantengroei, en daar
-zij volkomen droog waren, kan het er ook niet naar vochtige aarde
-hebben geroken. De honden gedroegen zich, alsof zij wisten, dat een
-laagte in den grond hun de beste kans aanbood, om water te vinden, en
-Houzeau heeft dikwijls opgemerkt, dat ook andere dieren zich op de
-zelfde wijze gedroegen.
-
-Ik, en ik durf zeggen ook anderen, hebben gezien, dat als een klein
-voorwerp op den grond wordt geworpen buiten het bereik van een der
-olifanten in den Londenschen dierentuin, hij door zijn snuit blaast op
-den grond voorbij dat voorwerp, zoodat de naar alle zijden
-teruggekaatste luchtstroom het voorwerp binnen zijn bereikt drijft. Een
-welbekend ethnoloog, de heer Westrop, meldt mij, dat hij te Weenen een
-beer waarnam, die met voordacht met zijn klauw een stroom veroorzaakte
-in eenig water, dat dicht bij de tralies van zijn hok was, om een stuk
-brood, dat er in dreef, binnen zijn bereik te brengen. Deze handelingen
-van den olifant en beer kunnen moeilijk aan instinkt of overgeërfde
-gewoonte worden toegeschreven, daar zij een dier in den natuurstaat van
-weinig nut zouden zijn. Wat is nu het verschil tusschen dergelijke
-handelingen, als zij door een onbeschaafd mensch, en als zij door een
-der hoogere dieren worden verricht?
-
-De wilde en de hond hebben water gevonden op een laag peil, en deze
-beide zaken zijn in hun geest geassocieerd geworden. Een beschaafd
-mensch zou daaruit wellicht daarover de eene of andere algemeene
-gevolgtrekking afleiden; maar al wat wij van wilden weten, maakt het
-uiterst twijfelachtig of deze zulks zouden doen, en een hond zou het
-stellig niet doen. Maar een wilde, zoowel als een hond, zoude op de
-zelfde wijze water zoeken, al werden zij dikwijls teleurgesteld; en bij
-beiden schijnt dit gelijkelijk een redelijke handeling te zijn, hetzij
-eenige algemeene gevolgtrekking omtrent het verband tusschen beide
-feiten al dan niet bewust in hun geest bestond. [178] Het zelfde zou
-van toepassing zijn op den olifant en den beer, die stroomen
-veroorzaken in de lucht of het water. De wilde zou zeker noch weten,
-noch er belang in stellen te weten, door welke wet de gewenschte
-bewegingen tot stand kwamen; toch zou deze handeling worden geleid door
-een ruw proces van redeneeren, even zeker als een wijsgeer in zijn
-langste keten van syllogismen. Er zou ongetwijfeld dit verschil zijn
-tusschen hem en een van de hoogere dieren, dat hij op veel geringer
-omstandigheden en voorwaarden zou letten, en elk verband tusschen deze
-na veel minder ervaring zou opmerken, en dit zou van het grootste
-belang zijn. Ik hield een dagboek van de handelingen van een mijner
-kinderen, en toen het omstreeks elf maanden oud was, en vóór het een
-enkel woord kon spreken, werd ik voortdurend getroffen door de grootere
-snelheid, waarmede allerlei voorwerpen en geluiden in zijn geest met
-elkander werden geassocieerd, in vergelijking van die van de
-verstandigste honden die ik ooit heb gekend. Maar de hoogere dieren
-verschillen op volkomen de zelfde wijze in dit vermogen van associatie,
-zoowel als in dat van gevolgtrekkingen te maken en waarnemingen te
-doen, van die welke laag op de ladder staan, gelijk de snoek.
-
-De besluiten der rede, na zeer korte ervaring, worden goed aangetoond
-door de volgende handelingen van Amerikaansche apen, die in hun orde
-een lage plaats innemen. Rengger, een zeer zorgvuldig waarnemer,
-verhaalt, dat zijn apen, toen hij hun voor de eerste maal eieren gaf,
-die stuk wierpen en daardoor veel van den inhoud verloren; later
-sloegen zij ze voorzichtig met het eene einde tegen het eene of andere
-harde lichaam, en pelden de stukken van de schaal met hun vingers af.
-Na zich slechts eens met een scherp werktuig te hebben gesneden,
-raakten zij het nooit meer aan zonder het met de grootste
-voorzichtigheid te behandelen. Dikwijls werden hun klontjes suiker, in
-papier gewikkeld, gegeven; en soms deed Rengger een levende wesp in het
-papier, zoodat zij, als zij het haastig openmaakten, werden gestoken;
-nadat dit eens was gebeurd, hielden zij het papier altijd eerst aan het
-oor, om te hooren, of er eenige beweging in was. Iemand die door feiten
-als deze en door hetgeen hij bij zijn eigen honden kan waarnemen, niet
-wordt overtuigd dat dieren kunnen redeneeren, zou door niets dat ik er
-nog bij zou kunnen voegen, worden overtuigd.
-
-De volgende gevallen hebben op honden betrekking. De heer Colquhoun
-[179] kwetste twee wilde eenden aan den vleugel, en zij vielen aan de
-overzijde van een beek; zijn jachthond beproefde ze beide tegelijk
-daarover te brengen, maar kon dit niet gedaan krijgen; daarop doodde
-hij de eene, hoewel hij vroeger nooit een veêrtje van het wild had
-beschadigd, bracht de andere over en keerde terug om den dooden vogel
-te halen. Kol. Hutchinson verhaalt, dat hij eens twee patrijzen
-tegelijk schoot, de eene was gedood, de andere slechts gekwetst; deze
-laatste liep weg en werd door den jachthond gepakt, die bij zijn
-terugkeeren den dooden vogel vond liggen; „hij bleef klaarblijkelijk
-zeer in verlegenheid staan, en toen hij, na het eens of tweemaal te
-hebben beproefd, bemerkte, dat hij hem niet op kon nemen zonder den
-gekwetsten vogel te laten ontsnappen, bedacht hij zich een oogenblik,
-doodde toen dezen laatsten koelbloedig door een fikschen beet en
-apporteerde daarna beide tegelijk. Dit was het eenige bekende
-voorbeeld, dat hij willens eenig wild beschadigde.” Hier hebben wij
-rede, schoon geen volmaakte, want de hond had eerst den gekwetsten
-vogel kunnen apporteeren, en dan terugkeeren om den dooden te halen,
-zooals in het geval van de twee wilde eenden. Ik deel de bovengenoemde
-gevallen mede, omdat zij berusten op de getuigenis van twee van
-elkander onafhankelijke waarnemers, en omdat in beide gevallen de
-jachthonden, na er over te hebben nagedacht, braken met een gewoonte
-die zij hadden overgeërfd (om namelijk het wild dat zij apporteerden,
-niet te dooden) en omdat zij toonen, hoe sterk hun redeneerend vermogen
-moet zijn geweest om een vaste gewoonte daardoor te laten varen.
-
-Ik wil besluiten door een opmerking van den beroemden Humboldt [180]
-aan te halen. De muilezeldrijvers in Zuid-Amerika zeggen: „Ik zal u
-niet den muilezel geven, die den gemakkelijksten stap heeft, maar la
-mas racional,—de redelijkste”, en, gelijk hij er bij voegt: „deze
-populaire uitdrukking, ingegeven door lange ondervinding, bestrijdt het
-stelsel der levende werktuigen (automaten) wellicht beter dan al de
-bewijsgronden der bespiegelende wijsbegeerte.” Toch ontkennen sommige
-schrijvers zelfs nu nog, dat de hoogere dieren een spoor van rede
-bezitten, en zij trachten door iets dat op bloote breedsprakigheid
-gelijkt, al zulke feiten als boven zijn gegeven, weg te redeneeren.
-
-Het is, dunkt mij, nu bewezen, dat de mensch en de hoogere dieren,
-vooral de Primaten, eenige weinige instinkten gemeen hebben. Allen
-hebben zij de zelfde zinnen, wijzen van waarneming en
-gewaarwordingen—gelijksoortige hartstochten, neigingen en
-gemoedsaandoeningen, zelfs de meer samengestelde; zij gevoelen
-verwondering en nieuwsgierigheid; zij bezitten de zelfde vermogens van
-nabootsing, oplettendheid, geheugen, verbeeldingskracht en rede, hoewel
-in zeer verschillende graden. Toch hebben vele schrijvers volgehouden,
-dat de mensch door zijn geestelijke vermogens door een onoverkomelijken
-slagboom van alle lagere dieren is gescheiden. Ik heb vroeger eens een
-verzameling gemaakt van meer dan twintig dergelijke aphorismen, maar
-zij zijn niet waard hier te worden medegedeeld, daar hun verbazend
-verschil en hun aantal de moeilijkheid, zoo niet de onmogelijkheid der
-poging bewijzen. Men heeft verzekerd, dat alleen de mensch vatbaar is
-voor trapsgewijze ontwikkeling, dat hij alleen werktuigen en het vuur
-gebruikt, andere dieren temt, eigendom bezit of een taal gebruikt; dat
-geen ander dier zelfbewust is, zich zelf begrijpt, het vermogen heeft
-afgetrokken denkbeelden te vormen, of algemeene begrippen bezit; dat de
-mensch alleen schoonheidsgevoel heeft, onderhevig is aan luimen, het
-gevoel van dankbaarheid, den trek naar het geheimzinnige bezit, enz.,
-in God gelooft of met een geweten begaafd is. Ik zal mij eenige weinige
-opmerkingen veroorloven over de voornaamsten en belangrijksten van deze
-punten.
-
-De aartsbisschop Summer [181] hield vroeger vol, dat alleen de mensch
-vatbaar is voor trapsgewijze ontwikkeling. Als wij bij de dieren eerst
-de individu’s beschouwen, dan weet ieder die eenige ondervinding heeft
-in het zetten van vallen, dat jonge dieren zich veel gemakkelijker
-laten vangen dan oude, en dat hun vijanden hen ook veel gemakkelijker
-kunnen naderen. Zelfs bij oude dieren is het onmogelijk velen op de
-zelfde plaats en in de zelfde soort van val te vangen, of hen met het
-zelfde soort van vergif te vernielen; en toch is het onwaarschijnlijk,
-dat allen het vergif zouden hebben geproefd, en onmogelijk, dat allen
-in de val gevangen zouden zijn geweest. In Noord-Amerika, waar men
-sinds lang op de pelsdragende dieren heeft gejaagd, vertoonen zij
-volgens de eenparige getuigenis van alle waarnemers een bijna
-ongelooflijken vooruitgang in scherpzinnigheid, voorzichtigheid en
-geslepenheid, maar het zetten van vallen is daar zoo langen tijd in
-gebruik, dat hier wel erfelijk geworden eigenschappen in het spel
-kunnen zijn. (6) Ik heb verschillende mededeelingen ontvangen, dat,
-wanneer in de eene of andere streek pas telegrafen zijn aangelegd, vele
-vogels zich zelf dooden door tegen de draden te vliegen, maar dat zij
-na verloop van zeer weinige jaren dit gevaar leeren vermijden, naar het
-schijnt daar zij zien dat hun kameraden worden gedood. [182]
-
-Als wij opeenvolgende generaties beschouwen, valt het niet te
-betwijfelen, dat vogels en andere dieren omzichtigheid jegens den
-mensch en andere vijanden [183] zoowel kunnen verkrijgen als verliezen;
-en deze omzichtigheid is zeker voornamelijk een overgeërfde gewoonte of
-instinkt, maar gedeeltelijk het resultaat van individueele
-ondervinding. Een goed waarnemer, Leroy [184], getuigt, dat in streken,
-waar veel vossenjachten worden gehouden, de jonge vossen, als zij voor
-het eerst hun holen verlaten, ongetwijfeld veel voorzichtiger zijn dan
-de oude in streken waar zij niet veel worden verontrust.
-
-Onze huishonden stammen van wolven en jakhalzen af [185], en hoewel zij
-wellicht geen vorderingen hebben gemaakt in geslepenheid en misschien
-zijn achteruitgegaan in omzichtigheid en achterdochtigheid, zijn zij
-vooruitgegaan in sommige zedelijke hoedanigheden, zooals in
-aanhankelijkheid, trouw, karakter en waarschijnlijk in algemeene
-verstandelijke ontwikkeling. De gewone rat (7) heeft door geheel
-Europa, in gedeelten van Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland, en onlangs in
-Formosa, zoowel als op het vasteland van China verschillende andere
-soorten overwonnen en uitgeroeid. De heer Swinhoe [186], die deze
-laatste gevallen beschrijft, schrijft de overwinning van de gewone rat
-over den grooten Mus coninga toe aan haar grootere omzichtigheid, en
-deze laatste hoedanigheid kan worden toegeschreven aan de voortdurende
-oefening van al haar vermogens om haar uitroeiing door den mensch tegen
-te gaan, zoowel als aan het achtereenvolgens dooden door dezen van
-bijna alle ratten die minder omzichtig of zwak van geestvermogens zijn.
-Zonder eenig direct bewijs vol te houden, dat geen dier gedurende den
-loop der eeuwen in verstand of andere zielsvermogens is vooruitgegaan,
-staat gelijk met de verandering der soorten weg te cijferen. Wij zullen
-hieronder zien, dat volgens Lartet de bestaande zoogdieren van
-verschillende orden grooter hersenen bezitten dan hun oude tertiaire
-stamvormen.
-
-Men heeft dikwijls gezegd, dat geen enkel dier werktuigen gebruikt,
-maar de chimpanzee kraakt in zijn natuurstaat een vrucht uit zijn eigen
-vaderland, die wel wat op een walnoot gelijkt, door middel van een
-steen. [187] Rengger [188] leerde een Amerikaanschen aap om op die
-wijze harde palmnoten open te breken en daarna gebruikte deze uit eigen
-beweging steenen om andere soorten van noten, en ook doozen te openen.
-Hij verwijderde op die wijze ook de zachte schil van zekere vrucht, die
-een onaangenamen smaak had. Een andere aap werd geleerd om het deksel
-van een groote kist met een stok te openen, en daarna gebruikte hij den
-stok als een hefboom om zware lichamen op te lichten; en ik heb zelf
-gezien, hoe een jonge orang een stok in een spleet stak, zijn hand naar
-het andere einde verschoof en hem daarna op de juiste wijze als een
-hefboom gebruikte. Het is welbekend, dat in Indië de tamme olifanten
-boomtakken afbreken en die gebruiken om de vliegen te verdrijven; en de
-zelfde handeling is waargenomen bij een olifant in den natuurstaat.
-[189] Ik heb een jong orangwijfje gezien, dat als het dacht dat het
-slaag zou krijgen, zich met een laken of met stroo bedekte en
-beschermde. In de bovengenoemde gevallen dienden de steenen en stokken
-tot werktuigen; maar zij worden ook tot wapens gebruikt. Brehm [190]
-deelt op gezag van den welbekenden reiziger Schimper mede, dat, als in
-Abessinië een zekere soort van bavianen (C. Gelada) in troepen van de
-bergen afdaalt om de velden te plunderen, zij somtijds troepen van een
-andere soort (C. Hamadryas) ontmoeten, waarvan dan vechtpartijen het
-gevolg zijn. De Gelada’s rollen groote steenen naar beneden, die de
-Hamadryas trachten te vermijden, en daarna stuiven de beide soorten
-onder een vervaarlijk rumoer woedend op elkander los. Toen Brehm den
-Hertog van Coburg-Gotha vergezelde, nam hij deel aan een aanval met
-vuurwapenen op een troep bavianen in den bergpas van Menda in
-Abessinië. De bavianen verdedigden zich door zooveel steenen van den
-berg af te rollen, waarvan sommigen zoo groot als een menschenhoofd
-waren, dat de aanvallers haastig den terugtocht moesten aannemen en de
-bergpas werkelijk een tijdlang voor het reisgezelschap was gesloten.
-Het verdient opmerking, dat deze bavianen aldus gezamenlijk handelden.
-De heer Wallace [191] zag bij drie gelegenheden vrouwelijke orangs,
-door haar jongen vergezeld, „blijkbaar in woede ontstoken, takken en de
-groote stekelige vrucht van den Doerianboom afbreken; en daarmede zulk
-een hagelbui van werptuigen veroorzaken, dat zij ons wezenlijk beletten
-den boom al te zeer te naderen.”
-
-In den Londenschen dierentuin was een aap, die slechte tanden had,
-gewoon noten met een steen stuk te slaan; en de oppassers verzekerden
-mij, dat dit dier, als het een steen had gebruikt, hem in het stroo
-verborg, en niet wilde toelaten, dat een andere aap hem aanraakte. Hier
-hebben wij dus het denkbeeld van eigendom: maar dit denkbeeld vinden
-wij terug bij elken hond ten opzichte van een been, en bij bijna alle
-vogels ten opzichte van hun nesten.
-
-De Hertog van Argyll [192] merkt op, dat het fatsoeneeren van een
-voorwerp tot een bepaald doel uitsluitend aan den mensch eigen is; en
-hij meent, dat dit een onmetelijken afgrond tusschen dezen en de dieren
-vormt. Het is ongetwijfeld een zeer belangrijk verschil, maar het
-schijnt mij toe, dat er veel waars gelegen is in het door John Lubbock
-[193] geopperde denkbeeld, dat, toen de oorspronkelijke mensch voor de
-eerste maal vuursteenen voor eenig doel gebruikte, hij ze wellicht
-toevallig brak en daarna de scherpe splinters gebruikte. Nadat dit was
-geschied, zou er slechts een kleine stap noodig zijn geweest om de
-vuursteenen met voordacht te breken, en geen zeer groote om ze
-grovelijk te fatsoeneeren. Voor dezen laatsten vooruitgang schijnen
-echter vele eeuwen noodig te zijn geweest, als wij mogen oordeelen naar
-den ontzaglijken tijd, die verliep, voordat de menschen van de
-neolithische periode er toe kwamen om hun werktuigen te slijpen en te
-polijsten. Bij het stukslaan der vuursteenen zouden er dan, zooals Sir
-John Lubbock eveneens opmerkt, vonken zijn afgevlogen, en bij het
-slijpen er van zou zich warmte hebben ontwikkeld; „aldus zijn wellicht
-de twee gewone methoden om vuur te verkrijgen ontstaan.” De aard van
-het vuur zou bekend zijn geweest in de vulkanische streken, waar nu en
-dan lava door de bosschen stroomt. De anthropomorphe apen bouwen zich,
-waarschijnlijk door hun instinkt geleid, tijdelijk platte nesten; maar,
-daar vele instinkten in groote mate onder het toezicht van de rede
-staan, zouden de meer eenvoudige, zooals dat om een plat nest te
-bouwen, wel eens gemakkelijk in een willekeurige en zelfbewuste
-handeling kunnen overgaan. Het is bekend, dat de orang zich des nachts
-met de bladeren van den Pandanus bedekt, en Brehm deelt mede, dat een
-zijner bavianen gewoon was zich tegen de hitte der zon te beschutten
-door een stroomat over zijn hoofd te werpen. In deze laatste gewoonte
-zien wij waarschijnlijk de eerste stappen tot sommigen van de meer
-eenvoudige kunsten; namelijk ruwe bouwkunde en kleeding, zooals zij
-ontstonden onder de vroege voorouders van den mensch.
-
-
-
-Vermogen van de dieren om afgetrokken denkbeelden en algemeene
-begrippen te vormen. Zelfbewustheid. Individualiteit van den geest. Het
-zou zeer moeilijk zijn voor ieder, zelfs al bezat hij veel meer kennis
-dan ik, om te bepalen in hoever dieren eenig spoor van deze hooge
-verstandelijke vermogens vertoonen. Deze moeilijkheid is het gevolg van
-de onmogelijkheid om te bepalen wat in den geest van een dier plaats
-heeft, terwijl daarenboven het feit, dat de schrijvers in hooge mate
-verschillen in de beteekenis die zij aan bovengenoemde termen hechten,
-nog een tweede moeilijkheid veroorzaakt. Indien men mag oordeelen naar
-verschillende artikelen die in den laatsten tijd het licht hebben
-gezien, schijnt de grootste klem te worden gelegd op het onderstelde
-volkomen ontbreken bij de dieren van het vermogen om afgetrokken
-denkbeelden of algemeene begrippen te vormen. Maar als een hond een
-anderen hond op een afstand ziet, is het dikwijls duidelijk, dat hij
-waarneemt, dat het een hond in het algemeen (in abstracto) is; want,
-als hij dichter bij komt, verandert zijn geheele gedrag plotseling, als
-de andere hond een vriend van hem is. Een schrijver van den laatsten
-tijd merkt op, dat het in alle dergelijke gevallen een bloote
-onderstelling is, als men verzekert dat de verstandelijke werking bij
-het dier niet wezenlijk van den zelfden aard is als bij den mensch.
-Indien een van beiden hetgeen hij met zijn zintuigen waarneemt, in zijn
-geest tot een algemeen begrip verwerkt, dan doen beiden het. [194] Als
-ik tot mijn terrier met begeerige stem zeg: „Hei, hei, waar is het?”
-vat hij dit dadelijk op als een teeken, dat er op iets moet worden
-gejaagd, en kijkt over het algemeen eerst snel in de rondte, en rent
-daarop in het naaste kreupelboschje om te ruiken of er ook eenig wild
-in is, maar niets vindende, kijkt hij op naar den eenen of anderen
-naburigen boom, of er ook een eekhoorn in zit. Toonen deze handelingen
-nu niet duidelijk aan, dat hij in zijn geest een algemeen denkbeeld of
-begrip had, dat een of ander dier moest worden opgespeurd en gejaagd?
-
-Men mag gerust aannemen, dat geen dier zelfbewust is, als men onder dit
-woord verstaat, dat het nadenkt over zulke punten als: van waar het
-komt en waarheên het zal gaan, of wat dood of wat leven is, enz. Kunnen
-wij er echter zeker van zijn, dat een oude hond met een uitnemend
-geheugen en eenige verbeeldingskracht, zooals uit zijn droomen blijkt,
-nooit nadenkt over het genoegen, dat hij op de jacht heeft gesmaakt? en
-dit zou een vorm van zelfbewustheid zijn. Hoe weinig kan van de andere
-zijde, zooals Büchner [195] heeft opgemerkt, de vrouw van een ruwen
-wilden Nieuw-Hollander, die altijd hard moet werken, bijna geen woorden
-kent om afgetrokken denkbeelden uit te drukken en niet verder kan
-tellen dan vier, haar zelfbewustheid ontwikkelen of nadenken over de
-natuur van haar eigen bestaan. Men neemt algemeen aan, dat de hoogere
-dieren geheugen, oplettendheid, het vermogen van denkbeelden te
-associeeren, en zelfs eenige verbeeldingskracht en rede bezitten.
-Indien deze vermogens, die bij de verschillende diersoorten zeer
-verschillen, voor ontwikkeling vatbaar zijn, komt het mij niet zeer
-onwaarschijnlijk voor, dat meer ingewikkelde vermogens, zooals de
-hoogere vormen van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen en
-zelfbewustheid, enz. zijn ontstaan door de ontwikkeling en vereeniging
-van meer eenvoudige. Tegen de hier verdedigde meeningen is dikwijls
-ingebracht, dat het onmogelijk is te zeggen, op welk punt van de
-opklimmende reeks dieren in staat worden afgetrokken denkbeelden te
-vormen, enz.; maar wie kan zeggen op welken leeftijd dit bij jonge
-kinderen gebeurt? Wij zien ten minste, dat dergelijke vermogens zich
-bij kinderen bij onmerkbare trappen ontwikkelen.
-
-Dat dieren hun geestelijke individualiteit behouden, is ontwijfelbaar.
-Toen mijn stem een aaneenschakeling van denkbeelden uit vroeger tijd in
-den geest van den bovenvermelden hond terugriep, moest hij zijn
-geestelijke individualiteit hebben behouden, hoewel elk atoom van zijn
-hersenen in den tijd van vijf jaren waarschijnlijk meer dan eens
-verandering had ondergaan. Deze hond zou den bewijsgrond hebben kunnen
-aanvoeren, die onlangs is aangevoerd om alle voorstanders der
-ontwikkelingstheorie te verpletteren, en zou hebben kunnen zeggen: „Ik
-blijf bestaan te midden van alle aandoeningen van mijn geest en alle
-stoffelijke veranderingen..... De leer, dat atomen hun indrukken
-legateeren aan andere atomen, die de plaatsen innemen, die ze hebben
-verlaten, is in tegenspraak met de uiting van zelfbewustheid, en is
-daarom valsch; maar het is de leer, die noodzakelijk uit de
-ontwikkelingstheorie voortvloeit, derhalve is ook die theorie valsch.”
-[196]
-
-
-
-Spraak. Dit vermogen is terecht beschouwd als een der voornaamste
-punten van verschil tusschen den mensch en de lagere dieren. Maar de
-mensch is, zooals een zeer bevoegd rechter, de Aartsbisschop Whately
-[197] opmerkt, „geenszins het eenige dier, dat van het geluid gebruik
-kan maken om uit te drukken, wat in zijn geest plaats grijpt, en min of
-meer kan begrijpen, wat op die wijze door anderen wordt uitgedrukt.” In
-Paraguay uit de Cebus Azarae, als hij daartoe wordt opgewekt, minstens
-zes verschillende klanken, die bij andere apen gelijksoortige
-gemoedsaandoeningen teweeg brengen. [198] De aangezichtsbewegingen en
-gebaren der apen worden door ons begrepen, en zij begrijpen ook
-gedeeltelijk de onze, zooals Rengger en anderen verklaren. Het is een
-opmerkenswaardig feit, dat de hond, sinds hij is getemd, heeft leeren
-blaffen [199] en hierbij minstens vier of vijf verschillende geluiden
-voortbrengt. Hoewel het blaffen een nieuwe kunst is, drukte
-ongetwijfeld de wilde soort, waarvan de hond afstamt, haar
-gewaarwordingen door kreten van verschillenden aard uit. Bij den
-huishond hebben wij het opgewekte geblaf b.v. bij de jacht; het
-toornige geblaf; het jankende of huilende geblaf der vertwijfeling,
-wanneer men hem b.v. opsluit; dat der vreugde, als hij b.v. met zijn
-meester uit wandelen gaat, en het zeer eigenaardige geblaf, waardoor
-hij het een of ander vraagt, b.v. als hij wenscht, dat een deur of een
-venster open zal worden gemaakt. Volgens Houzeau [200], die bijzondere
-aandacht aan dit onderwerp heeft gewijd, maakt het huishoen minstens
-een dozijn verschillende geluiden, die elk hun beteekenis hebben.
-
-Het gewoonlijk gebruiken van gearticuleerde spraak is echter
-uitsluitend eigen aan den mensch; maar deze gebruikt daarenboven
-evenals de dieren ongearticuleerde kreten om zijn gevoelens uit te
-drukken, en doet die vergezeld gaan van gebaren en van bewegingen van
-de spieren van het aangezicht. [201] Dit is vooral het geval bij de
-meer eenvoudige en levendige gevoelens, die slechts weinig hebben te
-maken met ons meer ontwikkeld verstand. Onze kreten van smart, angst,
-verwondering, toorn, vergezeld van de daaraan eigenaardige gebaren, en
-het stamelen van een moeder tegen haar geliefd kind drukken meer uit
-dan alle woorden. Niet het vermogen van articuleeren zelf onderscheidt
-den mensch van andere dieren; want zooals iedereen weet, kunnen
-papegaaien spreken. Evenmin is het eenvoudig het vermogen om bepaalde
-klanken met bepaalde denkbeelden te verbinden; want het is zeker, dat
-sommige papegaaien die hebben leeren spreken, zonder zich te vergissen
-woorden met zaken en personen met gebeurtenissen verbinden. [202] De
-lagere dieren verschillen van den mensch alleen door zijn bijna
-oneindig grooter vermogen om de meest verschillende klanken en
-denkbeelden te verbinden; en dit is blijkbaar het gevolg van de hooge
-ontwikkeling zijner verstandelijke vermogens.
-
-Zooals Horne Took, een der grondvesters van de edele wetenschap der
-philologie, opmerkt, is het spreken een kunst, evengoed als koken en
-bakken; schrijven zou echter een veel gepaster vergelijking zijn
-geweest. Het is zeker geen waar instinkt, daar iedere taal moet worden
-aangeleerd. Het verschilt echter zeer van alle gewone kunsten; want de
-mensch bezit een instinktmatige aandrift om te spreken, zooals wij aan
-het stamelen onzer jonge kinderen zien, terwijl geen kind een
-instinktmatige aandrift heeft om te koken, te bakken of te schrijven.
-Bovendien onderstelt geen enkel philoloog meer, dat eenige taal met
-opzet is uitgevonden; alle talen hebben zich langzaam en onbewust
-trapsgewijze ontwikkeld. [203] De klanken door vogels voortgebracht
-hebben in vele opzichten de grootste overeenkomst met de spraak, want
-alle leden van een zelfde soort drukken hun gewaarwordingen door de
-zelfde instinktmatige geluiden uit; en al de soorten die het vermogen
-bezitten om te zingen, oefenen dit vermogen instinktmatig uit; maar hun
-tegenwoordige wijze van zingen en zelfs hun loktonen hebben zij van hun
-ouders of pleegouders geleerd. Deze tonen zijn, zooals Daines
-Barrington [204] heeft bewezen, „hun evenmin aangeboren als de spraak
-den mensch. Hun eerste pogingen om te zingen kunnen worden vergeleken
-bij de onvolmaakte pogingen van een kind om te stamelen.” De jonge
-mannetjes gaan gedurende tien of elf maanden voort met zich te oefenen
-of, zooals de vogelaars het noemen, te repeteeren. In hun eerste
-pogingen is bijna geen spoor van hun lateren zang herkenbaar; maar als
-zij ouder worden, kunnen wij nagaan wat zij bedoelen, en ten laatste
-wordt hun zang zooals hij behoort te zijn. Jonge nestvogels die den
-zang van een andere soort hebben geleerd, zooals de in Tyrol opgevoede
-kanarievogels, leeren een nieuwen zang aan hun kroost en leveren hem
-zoo aan hetzelve over. De kleine natuurlijke verschillen in den zang
-bij individu’s van de zelfde soort die verschillende streken bewonen,
-kunnen, zooals Barrington opmerkt, zeer gepast met „provinciale
-dialecten” worden vergeleken; en de wijzen van zingen van verwante,
-hoewel verschillende soorten, kunnen met de talen van verschillende
-menschenrassen worden vergeleken. Ik heb bovenstaande bijzonderheden
-medegedeeld om aan te toonen, dat een instinktmatige aandrift om een
-kunst te leeren niet uitsluitend aan den mensch eigen is.
-
-Wat den oorsprong van de gearticuleerde spraak aangaat, kan ik, na
-zoowel de zeer belangrijke werken van den heer Hensleigh Wedgwood, den
-weleerw. heer E. Farrer en Prof. Schleicher [205] als de beroemde
-voordrachten van Prof. Max Müller te hebben gelezen, niet betwijfelen,
-dat de spraak haar oorsprong is verschuldigd aan de nabootsing en
-wijziging van verschillende natuurlijke klanken, van de geluiden van
-andere dieren en van de instinktmatige kreten van den mensch zelf,
-geholpen door teekens en gebaren. Wanneer wij de seksueele teeltkeus
-gaan behandelen, zullen wij zien, dat de oorspronkelijke mensch, of
-liever de eene of andere vroege voorvader van den mensch,
-waarschijnlijk, evenals tegenwoordig een der gibbonsoorten doet,
-ruimschoots zijn stem gebruikte om werkelijke muzikale tonen voort te
-brengen, d.i. om te zingen; wij mogen besluiten uit een zeer algemeen
-voorkomende analogie, dat dit vermogen vooral werd uitgeoefend
-gedurende den paringstijd der seksen, en dat het diende om
-verschillende gemoedsaandoeningen, zooals liefde, ijverzucht, zegepraal
-uit te drukken, en ook om mededingers uit te dagen. Het door middel van
-gearticuleerde klanken nabootsen van muzikale geluiden, kan aanleiding
-hebben gegeven tot het ontstaan van woorden om verschillende
-ingewikkelde gemoedsaandoeningen uit te drukken. Ten opzichte van het
-punt van nabootsing verdient de sterke aandrift opmerking, die niet
-alleen onze naaste bloedverwanten, de apen, maar ook microcephale
-idioten [206] (9), en de wilde menschenrassen bezitten, om alles na te
-bootsen wat zij hooren. Daar de apen zonder twijfel veel verstaan van
-hetgeen door den mensch tegen hen wordt gezegd, en daar zij in den
-natuurstaat signaalkreten gebruiken om hun makkers voor gevaar te
-waarschuwen [207], schijnt het niet geheel en al ongeloofelijk, dat het
-eene of andere bijzonder verstandige aapachtige dier op het denkbeeld
-is gekomen om het gehuil van een roofdier na te bootsen (10), om zijn
-medeapen den aard van het verwachte gevaar aan te toonen. En dit zou de
-eerste stap tot de vorming van een spraak zijn geweest.
-
-Daar de stem meer en meer werd gebruikt, zouden de stemorganen meer en
-meer versterkt en volmaakt zijn geworden door het beginsel van de
-overgeërfde gevolgen van het gebruik en dit zou hebben teruggewerkt op
-het spraakvermogen. Maar de betrekking tusschen het voortgezet gebruik
-van de spraak en de ontwikkeling der hersenen is ongetwijfeld veel
-belangrijker geweest. De zielsvermogens van den eenen of anderen
-vroegeren voorvader van den mensch moeten ontwikkelder zijn geweest dan
-die van eenigen thans levenden aap, voor zelfs ook maar de minst
-volmaakte vorm van spraak in gebruik kon komen; wij kunnen echter
-gerust aannemen, dat het voortgezet gebruik en de vooruitgang van dit
-vermogen op den geest terugwerkte en dezen in staat stelde en
-aanmoedigde om lange ketens van denkbeelden aan elkander te schakelen.
-Een lange en samengestelde keten van denkbeelden kan evenmin worden
-aaneengeschakeld zonder behulp van woorden, hetzij uitgesproken of
-niet, als een lange berekening kan worden uitgevoerd zonder behulp van
-cijfers of algebraïsche teekens. Zelfs gewone aaneenschakelingen van
-gedachten schijnen bijna nog een soort van taal noodig te hebben, want
-men heeft opgemerkt, dat Laura Bridgman, een meisje dat tegelijkertijd
-doofstom en blind was, als zij droomde haar vingers gebruikte. [208]
-Desniettemin kan een lange opeenvolging van levendige en met elkander
-verbonden denkbeelden den geest bezig houden zonder behulp van eenige
-soort van taal, zooals wij uit de lange droomen van honden mogen
-afleiden. Wij hebben gezien, dat jachthonden in zekere mate kunnen
-redeneeren; en dit doen zij klaarblijkelijk zonder behulp van een taal.
-De nauwe band tusschen de hersenen, zooals zij nu bij ons zijn
-ontwikkeld, en het spraakvermogen wordt duidelijk aangetoond door die
-zonderlinge gevallen van hersenziekten, waarbij het spraakvermogen
-slechts gedeeltelijk is aangedaan, als b.v. het vermogen om zich
-zelfstandige naamwoorden te herinneren is verloren gegaan, terwijl
-andere woorden op juiste wijze kunnen worden gebruikt. [209] Of waar
-zelfstandige naamwoorden van een zekere soort, of alle letters, behalve
-de beginletters van zelfstandige naamwoorden en eigennamen zijn
-vergeten. Het is niet onwaarschijnlijker, dat de gevolgen van het
-voortgezet gebruik van de spraak- en denkorganen erfelijk zijn (11),
-dan in het geval van het schrijven met de hand, dat gedeeltelijk van
-het maaksel van de hand en gedeeltelijk van den geestelijken aanleg
-afhangt; en de aanleg om goed te leeren schrijven is zonder twijfel
-erfelijk. [210]
-
-Verschillende schrijvers, meer in het bijzonder Prof. Max Müller [211],
-hebben in den laatsten tijd met aandrang beweerd, dat het gebruik van
-een taal het vermogen onderstelt om algemeene begrippen te vormen; en
-dat, daar men onderstelt dat geen dier dit vermogen bezit, hierdoor een
-onoverkomelijke slagboom tusschen dier en mensch wordt opgericht. [212]
-Wat de dieren aangaat, heb ik reeds trachten aan te toonen, dat zij dit
-vermogen, ten minste de grove beginselen er van, bezitten. Wat kinderen
-van tien of elf maanden oud en doofstommen aangaat, schijnt het mij
-ongeloofelijk, dat zij in staat zouden zijn om zekere klanken zoo snel
-in verband te brengen met zekere algemeene denkbeelden, als zij het
-doen, wanneer zulke denkbeelden niet reeds in hun geest waren gevormd.
-De zelfde opmerking kan worden uitgebreid tot de meer verstandige
-dieren; gelijk de heer Leslie Stephen opmerkt [213], „vormt zich een
-hond een algemeen begrip van katten of schapen, en kent de
-overeenkomstige woorden even goed als een wijsgeer. En het vermogen van
-te verstaan is even goed een bewijs van begrip van spreken, hoewel in
-mindere mate, als het vermogen van zelf te spreken.”
-
-Waarom de organen, die nu voor de spraak worden gebruikt,
-oorspronkelijk meer voor dit doel geschikt werden gemaakt, dan deze of
-gene andere organen, is niet moeielijk te begrijpen. Huber, die een
-geheel hoofdstuk aan de taal der mieren wijdt, heeft aangetoond, dat
-deze dieren een uitgebreid vermogen bezitten om elkander hun gedachten
-mede te deelen door middel van hun sprieten. (12) Ook wij zouden onze
-vingers met vrucht als spraakorganen kunnen gebruiken, want een
-persoon, welke met die kunst bekend is, kan een doof mensch ieder woord
-van een op een publieke vergadering uitgesproken redevoering
-overbrengen; maar het verlies van onze handen, als wij ze daarvoor
-hadden gebruikt, zou een ernstig bezwaar daartegen zijn geweest. Daar
-al de hoogere zoogdieren stemorganen bezitten, volgens het zelfde
-algemeene model gebouwd als de onze, en die worden gebruikt als een
-middel om elkander denkbeelden mede te deelen, was het natuurlijk
-waarschijnlijk, dat, als het vermogen om van denkbeelden te wisselen
-zich uitbreidde, het die zelfde organen zouden zijn, die verder werden
-ontwikkeld; en dit is geschied met behulp van naburige en daartoe zeer
-geschikte deelen, de tong en de lippen. [214] Het feit dat de hoogere
-apen hun stemorganen niet gebruiken om te spreken, wordt ongetwijfeld
-veroorzaakt doordat hun verstand daartoe niet genoeg is ontwikkeld. Dat
-zij organen bezitten die na lang voortgezette oefening zouden kunnen
-zijn gebruikt om te spreken, hoewel zij daarvoor nu niet dienen, komt
-overeen met het feit, dat vele vogels organen bezitten die geschikt
-zijn voor den zang, en toch nooit zingen. Zoo komen de stemorganen van
-den nachtegaal in maaksel overeen met die van de kraai, hoewel de
-eerste die gebruikt voor een afwisselend gezang en de laatste alleen om
-te krassen. [215]
-
-De vormingswijze van de verschillende talen en van de verschillende
-soorten, en de bewijzen dat beide door een proces van trapsgewijze
-ontwikkeling zijn ontstaan, zijn merkwaardigerwijze de zelfde. [216]
-Wij kunnen echter bij het opsporen van den oorsprong van vele woorden
-hooger opklimmen dan in het geval van de soorten; want wij kunnen
-nagaan, dat zij zijn ontstaan uit de nabootsing van verschillende
-klanken, evenals rijmende verzen. Wij vinden in onderscheidene talen
-treffende homologieën, veroorzaakt door gemeenschappelijke afstamming,
-en analogieën, veroorzaakt door een gelijksoortig vormingsproces. De
-wijze, waarop sommige letters of klanken veranderen, wanneer andere
-veranderen, gelijkt veel op correlatie van groei. In beide gevallen
-hebben wij reduplicatie van deelen, de gevolgen van lang voortgezet
-gebruik, enz. Het veelvuldig voorkomen van rudimenten, zoowel in talen,
-als bij soorten, is nog merkwaardiger. De letter m in het Engelsche
-woord am beteekent ik; zoodat in de uitdrukking: I am (ik ben) een
-overtollig en nutteloos rudiment behouden is gebleven. Ook in de
-spelling van woorden blijven dikwijls letters bestaan als rudimenten
-van oude wijzen van uitspraak. Talen kunnen evenals organische wezens
-worden geklassificeerd in groepen en ondergroepen; en zij kunnen worden
-geklassificeerd, hetzij natuurlijk volgens hun afstamming, hetzij
-kunstmatig volgens andere kenmerken. Heerschende talen en dialecten
-breiden hun gebied ver uit en leiden tot het trapsgewijze uitsterven
-van andere tongvallen. Een taal ontstaat evenals een soort, zooals Sir
-Lyell opmerkt, als zij eens is uitgestorven, nimmer opnieuw. De zelfde
-taal wordt nimmer op twee plaatsen tegelijk geboren. Twee verschillende
-talen kunnen met elkander worden gekruist en vereenigd. [217] Wij zien
-in elken tongval veranderlijkheid, en op den duur komen nieuwe woorden
-in gebruik; maar, daar het geheugen zijn grenzen heeft, sterven ook
-enkele woorden, zoowel als geheele talen langzamerhand uit. Zooals Max
-Müller [218] juist heeft opgemerkt, „heeft in elke taal tusschen de
-woorden en grammatikale vormen een onophoudelijke strijd plaats. De
-beste, de kortste, de gemakkelijkste vormen, behouden voortdurend de
-overhand en zijn hun overwinning aan hun eigen innerlijke
-voortreffelijkheid verschuldigd.” Bij deze meer belangrijke oorzaken
-van het overleven van sommige woorden mag dunkt mij eenvoudig hun
-nieuwheid worden gevoegd; want er bestaat in ’s menschen geest een
-sterke voorliefde voor kleine veranderingen in alle dingen. Het
-overleven of behouden blijven van sommige begunstigde woorden in den
-strijd voor het bestaan is natuurkeus.
-
-De volkomen regelmatige en verwonderlijk ingewikkelde bouw van de talen
-van vele wilde volken is dikwijls aangevoerd als een bewijs, hetzij van
-den goddelijken oorsprong van deze talen, hetzij van de groote
-kunstvaardigheid en voormalige hoogere beschaving van hen die ze
-spreken. Zoo schrijft b.v. F. von Schlegel: „Bij die talen, welke op
-den laagsten graad van verstandelijke ontwikkeling schijnen te staan,
-merken wij dikwijls een zeer groote mate van kunstvaardigheid en van
-zorgvuldige bewerking in haar grammatikale struktuur op. Dit is vooral
-het geval met het Baskisch en het Laplandsch, en velen der
-Amerikaansche talen.” [219] Het is echter ongetwijfeld een dwaling van
-eenige taal te spreken, als van iets kunstmatigs, dat met voordacht
-zorgvuldig bewerkt en naar een vaste methode zou zijn gevormd. De
-taalkundigen nemen tegenwoordig aan, dat de uitgangen van vervoegingen,
-verbuigingen enz. oorspronkelijk afzonderlijke woorden waren, doch
-later met de hoofdwoorden werden verbonden, en daar zulke woorden de
-duidelijkste betrekkingen tusschen zaken en personen uitdrukken, is het
-niet te verwonderen, dat zij door de meeste menschenrassen wellicht
-reeds in de vroegste eeuwen gebruikt zijn. Wat volmaaktheid aangaat,
-zal het volgende voorbeeld het beste aantoonen, hoe gemakkelijk wij
-kunnen dwalen: Een Crinoïde bestaat somtijds uit niet minder dan
-150,000 schelpstukken [220], allen met volmaakte symmetrie volgens uit
-een punt uitstralende lijnen gerangschikt; maar een natuuronderzoeker
-beschouwt daarom een dergelijk dier niet als volmaakter dan een
-bilateraal dier dat uit vergelijkenderwijze weinig deelen bestaat, maar
-waarbij geen van deze aan een ander gelijk is behalve aan de
-tegenovergestelde kanten van het lichaam. Hij beschouwt terecht de
-differentiatie en specialisatie van de organen als het kenmerk van
-volmaaktheid. Evenzoo met de talen; de meest symmetrische en
-samengestelde behooren niet hooger geacht te worden dan die, welke vol
-onregelmatige en verkorte uitdrukkingen en bastaardwoorden zijn, doch
-aan verschillende overwinnende of overwonnene of geïmmigreerde volken
-uitdrukkingsvolle woorden en nuttige vormen van constructie hebben
-ontleend.
-
-Uit deze weinige en onvolledige opmerkingen trek ik het besluit, dat de
-uiterst ingewikkelde en regelmatige bouw van vele barbaarsche talen
-geen bewijs is, dat zij hun oorsprong aan een bijzondere
-scheppingshandeling zijn verschuldigd. [221] Evenmin vormt, zooals wij
-hebben gezien, het bezit van een gearticuleerde spraak op zich zelf een
-onoverkomelijke tegenwerping tegen het geloof, dat de mensch zich uit
-den eenen of anderen lageren vorm heeft ontwikkeld.
-
-
-
-Schoonheidsgevoel.—Men heeft verklaard, dat het schoonheidsgevoel
-alleen aan den mensch eigen was. Ik zal hier alleen spreken van het
-behagen dat men schept in zekere kleuren, vormen en geluiden, dat met
-recht schoonheidsgevoel kan worden genoemd; bij beschaafde menschen
-staan dergelijke gewaarwordingen in nauw verband met ingewikkelde
-denkbeelden en aaneenschakelingen van gedachten. Wanneer wij echter
-zien, hoeveel moeite mannelijke vogels zich geven om hun vederen en
-prachtige kleuren aan de wijfjes te vertoonen, terwijl andere niet
-aldus versierde vogels zich die moeite niet geven, valt het onmogelijk
-te betwijfelen, dat de wijfjes de schoonheid van hun mannelijke makkers
-bewonderen. Daar de vrouwen zich overal met deze vederen versieren, kan
-de schoonheid daarvan niet worden betwist. Gelijk wij later zullen
-zien, zijn de nesten der kolibries en de lustprieeltjes der
-prieelvogels (14) smaakvol versierd met vroolijk gekleurde voorwerpen;
-en dit bewijst, dat zij in het zien van dergelijke zaken een zekere
-soort van behagen scheppen. Bij de groote meerderheid der dieren is
-echter de smaak voor het schoone, voor zoover wij er over kunnen
-oordeelen, beperkt tot de aantrekkelijkheid die de andere sekse voor
-hen bezit. De zoete tonen, door vele mannelijke vogels gedurende het
-jaargetijde der liefde voortgebracht, worden zeker door de wijfjes
-bewonderd, van welk feit later bewijzen zullen worden medegedeeld. Zoo
-de wijfjes niet in staat waren de schoone kleuren, de versierselen en
-den zang van hun mannelijke makkers te bewonderen, zou al de moeite en
-zorg die deze besteden om hun bekoorlijkheden aan de wijfjes te
-vertoonen, nutteloos zijn, en dit is onmogelijk aan te nemen.
-
-Waarom sommige schitterende kleuren en sommige tonen ons aangenaam
-aandoen als zij in harmonie met elkander zijn, kan, geloof ik, evenmin
-worden verklaard, als waarom sommige geuren en smaken ons behagen; maar
-de gewoonte staat daarmede in eenig verband, want hetgeen eerst onze
-zintuigen onaangenaam aandeed, wordt ten laatste aangenaam, en
-gewoonten worden overgeërfd. Wat geluiden aangaat, heeft Helmholtz tot
-op zekere hoogte volgens physiologische beginselen verklaard, waarom
-harmonieën en sommige toonvallen aangenaam zijn. Maar behalve dit, zijn
-geluiden die zich veelvuldig met onregelmatige tusschenruimten
-herhalen, in hooge mate onaangenaam, gelijk iedereen zal toegeven, die
-’s nachts aan boord van een schip naar het onregelmatige klapperen van
-een touw heeft geluisterd. Het zelfde beginsel schijnt bij het gezicht
-in het spel te komen, daar het oog de voorkeur geeft aan symmetrie of
-figuren waarin sommige trekken regelmatig terugkomen. Dergelijke
-patronen worden zelfs door de laagste wilden als versierselen gebruikt,
-en zijn door seksueele teeltkeus tot opsiering van sommige mannelijke
-dieren ontwikkeld geworden. Hetzij wij al dan niet eenige oorzaak
-kunnen aangeven van het vermaak, aldus door het gezicht en het gehoor
-gegeven, staat het in elk geval vast, dat zoowel de mensch als vele
-lagere dieren gelijkelijk behagen scheppen in de zelfde kleuren,
-bevallige schakeering en vormen, en de zelfde geluiden.
-
-De smaak voor het schoone, ten minste voor zoover vrouwelijke
-schoonheid er bij betrokken is, is zeker in den menschelijken geest
-niet van een bijzondere natuur; want hij is zeer verschillend bij de
-onderscheidene menschenrassen, gelijk later zal worden aangetoond, en
-is zelfs bij de verschillende natiën van een en het zelfde ras niet
-geheel en al de zelfde. Te oordeelen naar de afgrijselijke versierselen
-en de even afgrijselijke muziek waarin de meeste wilden behagen
-scheppen, zou men kunnen beweren, dat hun aesthetisch gevoel minder
-hoog ontwikkeld is dan dat van vele dieren, bij voorbeeld van vogels.
-Het spreekt van zelf, dat geen dier in staat is tooneelen als den
-nachtelijken sterrenhemel, een schoon landschap of klassieke muziek te
-bewonderen; maar barbaren en personen van weinig opvoeding scheppen
-daarin ook geen behagen, daar het gevoel daarvoor afhankelijk is van
-beschaving en ingewikkelde aaneenschakelingen van denkbeelden.
-
-Het kon niet missen, of vele vermogens, die den mensch onschatbare
-diensten hebben bewezen bij zijn trapsgewijze ontwikkeling, zooals
-verbeeldingskracht, verwondering, nieuwsgierigheid, een onbestemd
-schoonheidsgevoel, de aandrift tot nabootsing en de lust naar
-prikkeling of naar het nieuwe, moesten hem leiden tot de grilligste
-veranderingen van gewoonten en smaak. Ik zinspeel hierop, omdat onlangs
-een schrijver [222] op den allerzonderlingsten inval is gekomen om
-grilligheid te verklaren „voor een der merkwaardigste en meest typische
-punten van verschil tusschen wilden en dieren.” Wij kunnen echter niet
-alleen begrijpen, hoe het komt dat de mensch grillig is, maar ook de
-lagere dieren zijn, zooals wij later zullen zien, grillig in hun afkeer
-en in hun schoonheidsgevoel. Er bestaan derhalve goede gronden om te
-onderstellen, dat zij het nieuwe beminnen, alleen omdat het nieuw is.
-
-
-
-Geloof in God; Godsdienst.—Er zijn geen bewijzen, dat de mensch
-oorspronkelijk was begaafd met het veredelend geloof in het bestaan van
-een Almachtig God. Integendeel zijn er duidelijke bewijzen, niet
-ontleend aan reizigers die haastig een land doortrokken, maar aan
-menschen die lang onder wilde volken hebben gewoond, dat er talrijke
-rassen hebben bestaan en nog bestaan, die geen denkbeeld hebben van één
-of meer goden, en die in hun taal geen bewoordingen hebben om dat
-denkbeeld uit te drukken. [223] (15) Dit vraagstuk is natuurlijk geheel
-onderscheiden van het veel belangrijker, of er een Schepper en
-Bestuurder van het heelal bestaat; en dit is door sommigen der grootste
-vernuften die ooit hebben geleefd, bevestigend beantwoord.
-
-Indien wij evenwel in het begrip „godsdienst” het geloof opnemen aan
-onzichtbare of geestelijke krachten, krijgt de zaak een geheel ander
-aanzien; want dit geloof schijnt bijna algemeen bij de minder
-beschaafde rassen te worden gevonden; en het is niet moeielijk te
-begrijpen hoe dit geloof ontstond. Zoodra de verbeeldingskracht,
-verwondering en nieuwsgierigheid, die belangrijke geestvermogens,
-gepaard aan een zekere mate van redeneerkracht, zich gedeeltelijk
-hadden ontwikkeld, moest de mensch er natuurlijk naar streven om een
-begrip te verkrijgen van hetgeen om hem voorviel; en onbestemd beginnen
-na te denken over zijn eigen bestaan.
-
-Zooals de heer M’Lennan [224] heeft opgemerkt, „moet de mensch voor
-zich zelf de eene of andere verklaring uitdenken van de verschijnselen
-des levens; en te oordeelen naar de algemeenheid daarvan, schijnt de
-eenvoudigste hypothese, die het eerst bij den mensch opkwam, te zijn
-geweest, dat de natuurverschijnselen moeten worden toegeschreven aan
-het aanwezen in dieren, planten, zaken en natuurkrachten van
-geestvermogens die tot handelen aanzetten, evenals de mensch zich
-bewust is, zelf te bezitten.”
-
-Het is ook waarschijnlijk, zooals de heer Tylor duidelijk heeft
-aangetoond, dat droomen de eerste aanleiding hebben gegeven tot het
-begrip van geesten; want de wilden onderscheiden subjectieve en
-objectieve indrukken niet duidelijk van elkander. Wanneer een wilde
-droomt, gelooft hij, dat de gedaanten die voor hem verschijnen, van een
-afstand komen en zich dan aan hem vertoonen, of „de ziel van den
-droomer gaat op reis en komt terug met een herinnering aan hetgeen zij
-heeft gezien.” [225]
-
-Maar zoo niet de bovengenoemde vermogens, verbeeldingskracht,
-nieuwsgierigheid, rede enz. behoorlijk in ’s menschen ziel ontwikkeld
-waren geweest, zouden de droomen hem geen aanleiding hebben gegeven om
-in geesten te gelooven, evenmin als dit het geval is bij den hond.
-
-De neiging der wilden, om zich te verbeelden, dat natuurlijke
-voorwerpen en krachten onder den invloed staan van geestelijke of
-levende wezens, wordt misschien opgehelderd door een kleine waarneming,
-die ik zelf heb gedaan: mijn hond, een volwassen en zeer schrander
-dier, lag op het grasperk gedurende een warmen en stillen dag, toen een
-licht windje op een kleinen afstand toevallig een geopende parasol in
-beweging bracht, iets waarop de hond in het geheel niet zou hebben
-gelet, als er iemand had bijgestaan. In dit geval echter huilde en
-blafte de hond hevig, zoo dikwijls de parasol zich maar even bewoog. Ik
-houd het er voor, dat hij op snelle en onbewuste wijze bij zich zelf de
-gevolgtrekking heeft gemaakt, dat een beweging zonder blijkbare oorzaak
-het bestaan van een vreemden, levenden invloed aanduidde en dat geen
-vreemdeling het recht had zich op zijn erf te begeven. (16)
-
-Het geloof aan geestelijke krachten kon lichtelijk overgaan in het
-geloof aan één of meer goden. De wilden toch moesten aan de geesten wel
-de zelfde hartstochten, de zelfde wraakzucht of eenvoudigsten vorm van
-rechtsgevoel en de zelfde gevoelens van genegenheid toeschrijven, die
-zij zelven bezaten. De Vuurlanders schijnen in dit opzicht in een
-overgangsperiode te zijn; want toen de scheepsdokter van de „Beagle”
-eenige jonge eenden voor een verzameling van naturaliën schoot, zeide
-York Minster op de plechtigste wijze: „O! mijnheer Bynoc, veel regen,
-veel sneeuw, veel wind”; en dit was blijkbaar naar zijn meening een
-straf voor het verkwisten van menschelijk voedsel. Zoo verhaalde hij
-bij een andere gelegenheid, dat, toen zijn broeder een „wild man” had
-gedood, het lang stormde, regende en sneeuwde. Het is ons evenwel niet
-gelukt te ontdekken, of de Vuurlanders gelooven in wat wij een god
-zouden noemen of eenige godsdienstige plechtigheden verrichten; en
-Jemmy Button beweerde met verschoonbaren trots stoutweg, dat er in zijn
-land geen duivel was. Deze laatste bewering is te meer
-opmerkenswaardig, daar bij de wilden het geloof aan kwade geesten veel
-algemeener is dan dat aan goede.
-
-Het godsdienstig gevoel is iets samengestelds, daar het bestaat uit
-liefde, geheele onderwerping aan een verheven en geheimzinnig hooger
-wezen, een krachtig gevoel van afhankelijkheid [226], vrees, eerbied,
-dankbaarheid, hoop op de toekomst en misschien nog andere
-bestanddeelen. Geen wezen kon zulk een samengesteld gevoel bezitten,
-voordat zijn verstandelijke en zedelijke vermogens een meer dan
-middelmatigen graad van ontwikkeling hadden bereikt. Wij zien echter
-een verwijderde toenadering tot deze geestesgesteldheid in de groote
-liefde van den hond voor zijn meester, gepaard aan een volkomen
-ondergeschiktheid, een weinig vrees en wellicht nog andere gevoelens.
-Het gedrag van een hond, wanneer hij zijn meester, als deze eenigen
-tijd afwezig is geweest, terugziet, en ik mag er bijvoegen dat van een
-aap na zijn oppasser in lang niet te hebben gezien, is zeer
-verschillend van dat tegenover hun makkers. In het laatste geval
-bemerkt men minder vreugdebetoon, elke handeling toont meer het gevoel
-van gelijkheid aan. Prof. Braubach [227] gaat zoo ver van te beweren,
-dat een hond zijn baas als zijn God beschouwt. (17)
-
-De zelfde zielsvermogens, die er den mensch eerst toe brachten aan
-onzichtbare geestelijke machten, daarna aan het fetichisme, vervolgens
-aan het polytheïsme en eindelijk aan het monotheïsme te gelooven,
-moesten hem, zoolang zijn verstandelijke vermogens maar zwak waren
-ontwikkeld, noodzakelijk tot velerlei bijgeloovigheden en vreemde
-gewoonten leiden. Velen daarvan zijn afschuwelijk om aan te denken,
-b.v. het offeren van menschelijke wezens aan een bloeddorstig god; het
-onderzoek van onschuldige personen door ’t godsoordeel van vergif of
-vuur, hekserij enz.—en toch is het niet ongepast over al die
-bijgeloovigheden na te denken; want zij toonen ons, hoeveel wij zijn
-verschuldigd aan de ontwikkeling van ons verstand en aan de meerdere
-kennis [228], die wij hebben verkregen. Terecht heeft Sir John Lubbock
-opgemerkt: „dat men niet te veel zegt, als men beweert, dat er een
-verschrikkelijke vrees voor onbekend kwaad, gelijk een dikke wolk over
-het leven der wilden heenzweeft, en elk hunner genoegens verbittert.”
-Deze ellendige en middellijke gevolgen van onze hoogste vermogens
-kunnen worden vergeleken bij de nu en dan opgemerkte toevallige
-vergissingen van de instinkten der lagere dieren. (18)
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Harer Majesteits Stoomschip „Beagle.” Met dit schip maakte Darwin
-een reis om de wereld, door hem beschreven in zijn werk: „A
-Naturalist’s Voyage round the World; or, a Journal of Researches into
-the Natural History and Geology of the Countries, visited during the
-Voyage of H. M. S. „Beagle”, under the Command of Captain FitzRoy, R.
-N.”, London, John Murray.
-
-(2) „Een slakprik.” De slakprik (Amphioxus lanceolatus) is de
-onvolkomenste soort van den typus der Gewervelde Dieren, binnen de
-grenzen waarin die nog kort geleden door onze dierkundigen (v. d.
-Hoeven, Harting, Lubach enz.) algemeen werd beperkt. In den
-ontwikkelingsgraad zijner organen wordt hij niet slechts door de meeste
-weekdieren, schaaldieren en insekten, maar zelfs door de meeste wormen
-overtroffen. Hij bezit geen wervelkolom, doch slechts een door een
-vezelige scheede omsloten ruggestreng (chorda dorsalis), evenals de
-embryo’s der overige werveldieren op een zeker tijdstip hunner
-ontwikkeling. Zijn bloed is niet rood, maar wit, en het hart wordt door
-kloppende vaten vervangen. Zijn darmkanaal is niet gekronkeld. De
-geslachtsdeelen zijn bij beide seksen van eenerlei maaksel. Nabij den
-anus vindt men een opening, waar het water uitstroomt, en die men
-derhalve als ademhalingsopening kan beschouwen; zij dient echter tevens
-tot ontlasting van het sperma en de eieren. De oudere dierkundigen
-brengen den slakprik tot de visschen, doch Haeckel en de meeste
-nieuwere beweren terecht, dat hij onder de werveldieren een
-afzonderlijke klasse vertegenwoordigt.
-
-(3) Dit is onjuist; de beroemde Amerikaansche waarnemer Wilson
-(aangehaald in Wallace’s „Contributions to the Theory of Natural
-Selection”, 1870) heeft opgemerkt, dat er bij nesten van vogels van de
-zelfde soort verschillen bestaan, en het eene veel beter gemaakt is dan
-het andere, en schrijft dit daaraan toe, dat de minst volkomen nesten
-door jonge, de meer volkomen door oude vogels zijn gemaakt. Evenzoo zal
-een mensch, die voor het eerst beproeft een zeer eenvoudig werktuig of
-een kano na te maken, hierin wel min of meer slagen, maar zijn werk zal
-veel minder volkomen zijn dan dat van anderen die zulks meer hebben
-gedaan. Vogels die uit in kooien gelegde eieren zijn opgevoed, en dus
-nimmer den nestbouw hunner soort hebben gezien, bouwen, zelfs al geeft
-men hun de daartoe benoodigde materialen, of in het geheel geen nest,
-maar hoopen die materialen slechts ruwelijk op elkander, of zij bouwen
-(en dit is het minst voorkomende geval) wel een soort van nest, doch
-dit is veel onvolkomener dan het gewone nest hunner soort, en wijkt
-daarvan geheel af. De vogel moet even goed zijn nest leeren bouwen, als
-de mensch zijn huis (vergelijk aanteekening 6, hieronder). De
-Europeesche bever, die vroeger even fraaie dijken (blz. 114, onderste
-regel, staat: beek, lees: dijk) en hutten bouwde als de Amerikaansche,
-heeft die kunst geheel vergeten en graaft zich slechts een ruw hol.
-
-(4) Dril is de naam van Cynocephalus Leucophaeus, mandril die van
-Cynocephalus Mormon.
-
-(5) Van ’t geheugen bij dieren is het volgende voorbeeld merkwaardig:
-Toen de bekende dierentemmer Martin zich reeds vóór jaren in het
-privaat leven had teruggetrokken, bekroop hem eens de lust, nog eenmaal
-zijn menagerie, die hij in geen vijf jaar had gezien, te bezoeken. Hij
-reisde van Rotterdam naar Brussel en trad tegen vier uur, den tijd
-waarop de dieren werden gevoederd, het gebouw binnen. Martin, in zijn
-mantel gehuld, mengde zich tusschen de menigte en wachtte, tot men den
-dieren hun voedsel zou geven. Op het oogenblik dat dit zou geschieden,
-begon hij te hoesten. Plotseling richtten alle dieren hun koppen op,
-luisterden, lieten een wild gehuil hooren en deden de ijzeren traliën
-onder hun rukken trillen, zoodat vele toeschouwers ijlings het gebouw
-verlieten. De papegaaien, kangoeroe’s, pelikanen en voornamelijk de
-apen begonnen te schreeuwen en te krijschen, de hyena’s en de wolven
-huilden—‘t was een helsch lawaai.
-
-Nu trad Martin te voorschijn, gebood stilte en eensklaps zweeg alles.
-Hij sprong over de barrière welke de toeschouwers van de dieren
-scheidde, en stak de handen door de traliën, om de dieren te liefkozen.
-Een groote tijgerin betuigde luidruchtig haar vreugde. Toen Martin met
-zijn hand over de glanzige huid van het woeste dier streek, liep een
-zenuwachtig schokken door haar lichaam, zij stiet een zwak, zacht
-gebrul uit en lekte met haar ruwe tong het gezicht van haar vroegeren
-gebieder. Toen Martin zich verwijderde, ging ze liggen en liet haar
-voedsel onaangeroerd staan.
-
-Na de tijgerin kreeg de leeuw Nero een bezoek. Nero was de zelfde ruwe
-gast die den dierentemmer eenmaal een stuk uit de heup had gebeten,
-waarvoor hij duchtig was gestraft. Sedert dien tijd had hij een
-ongekenden haat tegen zijn meester opgevat. Geen enkel bewijs van
-vreugde had hij tot nu toe gegeven—slechts had hij even den kop
-opgericht, en zijn oogen, die fonkelden als twee smaragden, op den
-binnentredende gericht. Rustig bleef hij achter in de kooi liggen, toen
-Martin hem naderde. De dierentemmer riep hem, doch hij gaf geen
-antwoord. Toen Martin zich echter verwijderde, richtte plotseling de
-leeuw zich op, wierp zich met zijn krachtige klauwen tegen de traliën
-en verscheurde nog een gedeelte van Martins mantel.
-
-Wat het beoordeelen van tijdsruimten tusschen periodiek terugkeerende
-gebeurtenissen aangaat, haalt Prof. Harting daarvan het volgende
-merkwaardige voorbeeld aan in het „Album der Natuur”, 1852, blz. 214,
-in het stuk „Merkwaardige trekken uit het leven van paarden”, dat zeer
-gelezen verdient te worden door ieder, die nog niet overtuigd is, dat
-bij vele diersoorten meer dan alleen instinkt werkzaam is. „Een paard,
-gewoon met den bode van een provinciaal dagblad wekelijks de ronde te
-doen bij de geabonneerden, hield altijd geregeld van zelf op aan de
-deur van ieders woning, hoewel hun aantal tusschen zestig en zeventig
-beliep. Maar twee dier geabonneerden namen te zamen één exemplaar van
-het blad, in dier voege, dat zij het beurtelings het eerst ter lezing
-ontvingen. Weldra werd het paard aan deze schikking gewoon, en hoewel
-deze personen twee Engelsche mijlen van elkander verwijderd woonden,
-hield het geregeld op, zonder zich ooit te bedriegen, de eene week voor
-het huis des eenen, de andere voor dat des tweeden geabonneerden.”
-
-Mij is nog een geval bekend van een oude juffrouw, die ’s morgens
-geregeld een rijtoertje maakte, en haar hond in het rijtuig medenam,
-uitgenomen Zondags, daar zij dan naar de kerk ging. De hond wist dit
-zoo goed, dat hij door de week onrustig werd, als hij het rijtuig
-hoorde aankomen, en dadelijk de voordeur uit en het portier insprong,
-als deze werden geopend. Zondags echter bleef hij rustig in zijn mand
-liggen als het rijtuig aankwam en de voordeur werd geopend. Hij wist,
-dat hij dien dag niet mede ging.
-
-Men vergelijke ook omtrent de geestvermogens der dieren: „Alb. d. Nat.”
-1872. blz. 305, 1873, blz. 23, 58, 193.
-
-(6) Een schoon bewijs, dat sommige dieren, even goed als de mensch,
-vatbaar zijn voor trapsgewijze ontwikkeling hunner geestvermogens; dat
-zij, om zoo te zeggen, in beschaving vooruit kunnen gaan, en b.v. hun
-architectuur kunnen verbeteren en hun woningen geschikter maken voor
-hun doel; dat het derhalve onwaar is, dat die woningen steeds in alle
-tijden op de zelfde wijze waren ingericht en slechts uit instinktmatige
-aandrift worden gebouwd, levert ons de gewone zwaluw (Hirundo urbica).
-Ponchet heeft aangetoond („Comptes Rendus”, No. 10, 1870), dat deze
-vogel in Frankrijk tegenwoordig een geheel ander nest bouwt, dan in het
-begin dezer eeuw, en de verschillen tusschen deze twee soorten van
-nesten en de voordeelen van het tegenwoordige boven het vroegere
-nauwkeurig beschreven. In de zelfde verhandeling worden meer andere
-voorbeelden aangehaald van vogels, die hun nestbouw wijzigden naar de
-omstandigheden. Hierbij voegt zich in den laatsten tijd het volgende
-nieuwe geval: De voortgang der beschaving in Zuid Afrika begint ook
-invloed uit te oefenen op de gewoonten van de wevervogels (Ploceus).
-Deze vogels zijn bijzonder gezellig van aard en bouwen hun merkwaardige
-hangende nesten, vervaardigd van zeer net en dicht samengeweven
-grashalmen, aan den oever eener rivier, waar zij dan hunne kunstig
-gebouwde woningen aan de takken van wilgeboomen bevestigen. Dikwijls
-ziet men wel twintig of dertig van die nesten aan een enkelen boom
-hangen. In Natal echter, waar het aantal boomen afneemt en dat der
-jongens die vogelnesten uithalen, toeneemt, hebben de wevervogels zich
-naar de omstandigheden geschikt en hangen thans hun nesten aan de
-telegraafdraden buiten bereik van den Natalschen kwajongen. Daarbij is
-de volgende bijzonderheid opgemerkt. Toen de nesten nog aan
-wilgentakken hingen, maakten de vogels de opening aan den bodem,
-hetgeen eene betere bescherming tegen slangen opleverde. Doch daar geen
-slangen langs de telegraafdraden bij de nesten kunnen komen, maken nu
-de vogels een meer gemakkelijken ingang aan de zijde van het nest.
-
-Op Nieuw-Zeeland hebben de daar ingevoerde musschen hun nestbouw in
-dier voege gewijzigd, dat zij, waar puimsteenlagen zijn doorgehouwen,
-in gaten daarvan broeden. Zelfs schijnen zij zelven dergelijke gaten te
-boren, of ten minste dieper te maken. Door Grün werden dergelijke gaten
-van twee meters diepte gevonden („Nature”, 1889).
-
-Stelt men tegenover bovenstaande voorbeelden van gewijzigden nestbouw,
-dat de Arabieren nog heden in tenten wonen, die geheel overeenkomen met
-die, welke hun voorvaderen voor duizenden jaren gebruikten, dat de
-palmhutten der Zuid-Amerikanen en der Maleiers en de slijkdorpen der
-Egyptische Fellahs in oude tijden moeilijk onvolkomener kunnen zijn
-geweest dan thans, dan zal men onwederstaanbaar er toe worden gebracht
-om Wallace gelijk te geven, wanneer hij in zijn „Contributions to the
-Theory of Natural Selection” zegt: „Kortom, ik geloof, dat vogels hunne
-nesten niet uit instinkt bouwen, en dat de mensch zijn woningen niet
-met verstand opricht; maar dat vogels veranderen en verbeteren, wanneer
-zij door de zelfde oorzaken worden bewogen die de menschen er toe
-brengen zulks te doen, en dat menschen noch veranderen, noch
-verbeteren, als zij onder voorwaarden leven, welke overeenkomen met
-diegene, welke bij de vogels bijna algemeen heerschen.”
-
-(7) Hier wordt de bruine rat (Mus decumanus, Pall.) bedoeld. Deze soort
-is eerst in het laatst der vorige eeuw uit het Oosten naar westelijk
-Europa doorgedrongen, en heeft thans in vele streken de vroeger in ons
-werelddeel algemeen voorkomende zwarte rat (Mus Rattus, L.) verdrongen
-en bijna geheel uitgeroeid.
-
-(8) Papegaaien schijnen van alle vogels de hoogst ontwikkelde
-geestvermogens te bezitten, en deze schijnen bij de individu’s van de
-zelfde soort van papegaai zeer veel te verschillen. Ook een zeer
-vertrouwbaar en geloofwaardig schrijver, namelijk Brehm, verzekert, dat
-er onder de papegaaien individu’s zijn, die zeer stellig de beteekenis
-der door hen uitgesproken woorden verstaan. „Wellicht de uitstekendste
-van alle papegaaien in het algemeen”, zegt Brehm („Thierleben”, Bd.
-III, blz. 23), leefde jaren lang te Weenen en Salzburg en vond gelukkig
-trouwe en vlijtige waarnemers. De mededeelingen van deze zijn reeds
-herhaaldelijk gedrukt; desniettemin moeten zij hier haar plaats vinden.
-Lenz heeft volkomen gelijk, als hij zegt, „dat wellicht nooit, zoolang
-er vogels op aarde leven, een papegaai of eenige andere vogel in kunst
-en wetenschap tot grootere hoogte is geklommen, dan deze papegaai, Jako
-genaamd” .... „Een vriend van wijlen mijn vader, graaf Gourcy
-Droitaumont, was de eerste, die in het jaar 1835 in Oken’s Isis een
-bericht omtrent dezen vogel gaf, dat overal verbazing wekte. Dit
-bericht heeft de laatste bezitter, president von Kleimayrn, op
-verlangen van onzen Lenz, volkomener gemaakt, en zoo kon deze het hem
-medegedeelde samenvatten, als volgt:
-
-„Jako let op alles, wat om hem heên voorvalt, weet alles te
-beoordeelen, heeft op vragen het juiste antwoord, doet op bevel wat hem
-wordt gelast, begroet komenden, neemt afscheid van heengaanden, zegt
-slechts in de vroegte „guten Morgen”, en slechts ’s avonds „Gute
-Nacht”, vraagt om voeder, als hij honger heeft. Elk lid van het
-huisgezin roept hij bij zijn naam, en het eene staat hooger in zijn
-gunst dan het andere. Wil hij mij (Kleimayrn) bij zich hebben, dan
-roept bij: „Papa komm her!” Wat hij spreekt, zingt en fluit, draagt hij
-volkomen voor als een mensch. Soms toont hij zich in oogenblikken van
-geestdrift een improvisator, en zijn taal klinkt dan juist als die van
-een redenaar, dien men van verre hoort zonder hem te verstaan.”
-
-Nu volgt bij Brehm een opgaaf van al wat Jako sprak. Wij ontleenen
-hieraan slechts het volgende: „„Paperl, schiesz, schiesz, Paperl!”
-[229] Daarop schiet hij door luid roepen „Puh””.... „Hij luidt aan een
-klokje, dat aan zijn kooi is aangebracht, en roept luid: „Wer läut? Wer
-läut? Der Paperl.””.... „’s Hunderl ist da, a schön’s Hunderl ist da,
-gar a schön’s Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Hij vraagt: „Wie
-spricht’s Hunderl?” Dan blaft hij. Daarop spreekt hij: „Pfeif’n
-Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Als men hem beveelt: „Schiet!” dan
-schreeuwt hij „Puh!” Dan kommandeert hij behoorlijk: „Halt! richt Euch!
-Halt, richt! Macht euch fertig! Schlagt an; hoch! Feuer! Puh! Bravo,
-Bravissimo!” Soms laat hij het „Feuer” weg en roept na het „Schlagt an;
-hoch!” dadelijk „Puh!” Waarop hij dan echter niet „bravo, bravissimo”
-laat volgen, alsof hij zich van zijn fout bewust was ....”
-
-.... „Als zijn heer buiten koortijd uitgaat, roept de papegaai, al is
-hij ook den geheelen tijd stil geweest, bij het openen van de deur
-bijna altijd zoo recht goedhartig: „Bsiet Gott”; [230]—Waren er echter
-vreemde personen bij, dan roept hij als zij weggaan: „Bsiet Ihnen Gott!
-[231] ....””
-
-.... „De eigenaar van Jako had een kwartel. Toen deze in het voorjaar
-voor de eerste maal zijn pickerwick sloeg, draaide zich de papegaai
-naar zijn kant en riep: „Bravo! Paperl! Bravo!....””
-
-.... „Om te zien, of het mogelijk was hem een weinig zingen te leeren,
-koos men eerst zulke woorden, die hij buitendien kon uitspreken, b.v.
-als volgt: „Ist der schöne Paperl da? ist der brave Paperl da? ist der
-liebe Paperl da? ist der Paperl da? Ja, ja!”—Later leerde hij het
-liedje zingen: „O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagot, blas
-anstatt meiner Fagot, blas, blas, blas, blas anstatt meiner Fagot, blas
-anstatt meiner Fagot!”—Hij heft ook accoorden aan en fluit een
-toonladder zeer gemakkelijk en zuiver op en af, fluit ook andere
-stukjes en trillers; hij fluit en zingt echter dit alles niet altijd in
-den zelfden toon, maar soms een halven of geheelen toon lager of
-hooger, zonder dat hij valsche tonen voortbrengt.—Te Weenen leerde hij
-een aria uit de opera Martha fluiten, en dewijl hem daarbij zijn
-leermeester ook naar de maat voordanste, bootste hij den dans ten
-minste hierdoor na, dat hij de voeten beurtelings ophief en daarbij het
-lichaam potsierlijk op en neêr bewoog....”
-
-.... „Kleimayrn stierf in het jaar 1853. Jako begon, en naar het scheen
-uit verlangen naar zijn geliefden meester, te sukkelen, werd in het
-jaar 1854 zeer verzwakt in een bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd,
-snapte daar nog vlijtig, zeide dikwijls met een treurige stem: „Der
-Paperl ist krank, armer Paperl ist krank”, en stierf.”
-
-Van een anderen Jako vernam Brehm (ibid., blz. 24) van een jonge dame
-het volgende:
-
-„De papegaai waarvan ik iets wil mededeelen, werd ons door een man, die
-lang in Oost-Indië had geleefd, ten geschenke gegeven. Hij sprak reeds
-veel, doch alleen Hollandsch. Spoedig leerde hij echter Duitsch en
-Fransch. In deze drie talen sprak hij zoo duidelijk als een mensch.
-Daarbij was hij zoo oplettend, dat hij dikwijls spreekwijzen gebruikte,
-die hem nooit waren voorgezegd; hij wendde ze dan, tot aller verbazing,
-als de gelegenheid zich voordeed, hoogst gepast aan.
-
-„Hij sprak afzonderlijke woorden en samenhangende volzinnen in de
-Hollandsche taal, bracht echter ook Hollandsche woorden verstandig
-tusschen Duitsche aan, als hij in deze laatste taal het passende woord
-niet kende of het hem niet inviel. Hij vraagde en antwoordde, vorderde
-iets en bedankte daarvoor; hij wendde de woorden met kennis van tijd,
-plaats en personen aan.
-
-„Papchen will „Klukkluk” machen” (drinken).
-
-„Papchen will was zu fressen haben.” Kreeg hij het verlangde niet
-dadelijk, dan riep hij: „Papchen will und musz aber was zu fressen
-haben.” Gebeurde het nog niet, dan wierp hij alles door elkander, om
-zijn toorn lucht te geven.
-
-Hij groette ’s morgens met „bonjour”, en ’s avonds met „bonsoir”; hij
-verlangde naar rust en nam afscheid. „Papchen will schlafen gehen.”
-Werd hij weggedragen, dan riep hij herhaaldelijk „bonsoir, bonsoir.”
-
-„Zijn meesteres, die hem gewoonlijk voeder gaf, was hij uiterst
-genegen. Als hij voedsel van haar ontving, drukte hij haar kussend den
-snavel op de hand en zeide: „Küss’ der Frau die Hand.” Hij nam in alles
-deel wat zijn meesteres deed, en dikwijls riep hij, als hij haar ergens
-mede bezig zag, met oneindig komischen ernst: „Ja, was macht denn da
-die Frau?” En toen hij haar niet meer zag, omdat de dood haar had
-weggevoerd, voelde ook hij het verlies en de smart. Men had moeite om
-hem voedsel in te krijgen en in het leven te houden. Ja, dikwijls deed
-hij opnieuw de felle smart der treurenden ontwaken, door te vragen: „Wo
-ist denn die Frau?”....
-
-.... „Papchen, wie sagt denn Lottchen?” vraagde hij soms zich zelf en
-antwoordde daarop, even alsof die vraag door iemand anders was gedaan:
-„O, mein schönes, schönes Papchen, komm, küss mich.” En dat zeide hij
-met de juiste uitdrukking van teederheid zooals Lotje het maar kon
-zeggen. Zijn tevredenheid met zich zelf drukte hij met de woorden uit:
-„Ach, ach, wie ist doch das Papchen schön”, en daarbij streek hij zich
-met zijn pooten over den snavel.
-
-„Hij was echter in geenen deele schoon, want ook hij had de slechte
-gewoonte, zich zijn vederen uit te trekken. Als tegenmiddel werden hem
-nu wijnbaden voorgeschreven, die men hem door middel van een fijnen
-gieter toediende. De baden waren hem hoogst onaangenaam: zoodra hij
-bemerkte dat men daartoe toebereidselen maakte, begon hij dringend te
-smeeken: „Papchen doch nicht nasz machen,—ach, das arme Papchen—nicht
-nasz—machen.”....
-
-.... „Een dikke majoor, dien hij goed kende, beproefde eens hem kunsten
-te leeren. „Ga op den stok, papje, op den stok!” beval de krijgsman.
-Papje was bepaald verdrietig. Doch plotseling lacht hij luid en zegt:
-„Major auf den Stock, Major!”
-
-„Een ander zijner vrienden had in langen tijd in het huis geen bezoek
-gebracht. Er werd daarover gesproken en men verwachtte, dat Roth, zoo
-heette degeen, naar wien men verlangde, heden wel zou komen. „Da kommt
-Roth”, zei papje plotseling:—hij had uit het venster gezien en den
-verwachte van verre herkend.
-
-„Een zoon des huizes, George, werd na lange afwezigheid verwacht en
-daarover natuurlijk in het huisgezin gesproken. George kwam eerst ’s
-avonds laat aan, toen papje reeds in het donker zijner toegedekte kooi
-sliep. Na de eerste begroeting wendde zich de teruggekeerde tot aller
-lieveling en lichtte het overdek op: „Ah, George, bist du da? Das ist
-schön, sehr schön”, zeide de vogel.
-
-„Hij had bemerkt, dat zijn meester, als hij naar het venster ging,
-dikwijls den rentmeester of Voigt uit den tuin naar boven riep. Zag hij
-nu, dat zijn meester wederom snel naar het venster ging, dan riep hij
-telkens de namen, maar van beiden, daar hij immers niet kon weten, wien
-zijn meester wilde roepen.
-
-„Wat de vogel daarenboven nog heeft gesproken en gedaan, kan ik
-onmogelijk alles mededeelen; hij was een half mensch!....”
-
-.... „Hij floot verwonderlijk, vooral de wijs: „Ich dank dir schon
-durch deinen Sohn”; hij zong ook zeer prachtig: „Das Papchen musz ’mal
-singen” vermaande hij zich zelf, en dan begon hij:
-
- „Perroquet mignon,
- Dis moi sans façon,
- Qu’ a-t-on fait dans ma maison
- Pendant mon absence?
-
-of
-
- „Ohne Lieb und ohne Wein
- Können wir doch leben.”
-
-Nu stelde hij somtijds ook samen:
-
- „Ohne Lieb und ohne maison,
- Können wir doch leben.”
-
-of
-
- „Ein Kusz—sans façon.”
-
-wat hem dan zoo vroolijk maakte, dat hij in een luid gelach uitbrak.”
-
-.... „Papje had een treurig einde. Hij werd aan een oude verwante van
-het huis, die kinds was geworden en den vogel kinderlijk lief had
-gekregen, ten geschenke gegeven. Allen weenden, toen het heerlijke dier
-werd weggedragen; Papje weende wel is waar niet, maar kon toch de
-scheiding van zijn geliefkoosden niet verdragen; weinige dagen later
-was hij dood.”....
-
-.... „Onnoodig zou het zijn”, besluit Brehm (ibid., blz. 26), „om over
-de geestvermogens dezer vogels nog een woord te zeggen. Het
-bovenstaande spreekt voor zich zelf, en zooveel zal wel zelfs den meest
-bevooroordeelde duidelijk zijn, dat hier niet van zoogenaamd onbewust
-instinkt, maar slechts van helder verstand sprake kan zijn!
-
-„Doch niet alleen over het verstand, maar ook over het gemoed van den
-grijzen papegaai [232] zijn aardige waarnemingen bekend geworden. „Een
-vriend van mij”, verhaalt Wood, „bezat een vogel van deze soort, welke
-de liefste en beminnenswaardige pleegmoeder van andere kleine
-hulpbehoevende schepsels was. In den tuin van zijn eigenaar stonden een
-aantal rozestruiken, die door een hek van metaaldraad waren omgeven en
-met dichte slingerplanten dicht omsponnen. Hier nestelden een paar
-vinken, die voortdurend door de inwoners van het huis werden gevoederd,
-daar deze jegens alle dieren vriendelijk gezind waren. De vele bezoeken
-aan het rozeboschje vielen Polly, den papegaai, spoedig in het oog; zij
-zag, hoe daar voeder werd gestrooid en besloot een zoo goed voorbeeld
-te volgen. Daar zij zich vrij kon bewegen, verliet zij spoedig haar
-kooi, bootste den loktoon der oude vinken bedriegelijk na en sleepte
-den jongen hierop den eenen snavel vol met zijn voeder voor, den
-anderen na toe. Haar bewijzen van genegenheid jegens de pleegkinderen
-waren echter den ouden een weinig te onstuimig; onbekend met den
-grooten vogel, vlogen zij verschrikt heên, en Polly zag, dat thans de
-jongen geheel weezen waren geworden en dat voor haar zorgen de wijdste
-speelruimte open was. Van dat oogenblik af weigerde zij in haar kooi
-terug te keeren, bleef veeleer dag en nacht bij haar pleegkinderen,
-voederde ze zeer zorgvuldig en had het genoegen ze groot te brengen.
-Toen de kleinen konden fladderen, gingen zij op den kop en den hals van
-hun pleegmoeder zitten, en dan gebeurde het soms, dat Polly heel deftig
-met haar last rondwandelde. Toch oogstte de papegaai weinig dank in;
-nadat den jongen de slagpennen waren gegroeid, vlogen zij op en weg.”
-
-„De arme Polly gaf eenigen tijd blijken van groot hartzeer, doch
-troostte zich spoedig daarop, daar zij gelegenheid vond haar
-moederlijke gevoelens door de verpleging van andere kleine wezens te
-bevredigen. Zij had jonge grasmusschen opgediept, die door het eene of
-andere ongeval weezen waren geworden. Deze bracht zij één voor één naar
-haar kooi en wist zich werkelijk met hen te verstaan.”
-
-(9) „Microcephale idioten.” Men moet deze wezens scherp van de andere
-idioten onderscheiden. Terwijl het gewone idiotisme moet worden
-verklaard door een ziekelijke misvorming, is het microcephalisme
-waarschijnlijk een atavisme, een terugkeer tot een vroeger type van
-organisatie (vergelijk aanteekening 9, blz. 38). Geboren uit normaal
-gevormde ouders, komen de microcephalen ter wereld met een hoeveelheid
-hersenen, te klein voor een mensch, maar voldoende voor een apenleven.
-[233] Zij zijn menschen door de geboorte, apen door het verstand. De
-kleinheid der hersenen gaat bij de microcephalen gepaard aan een zeer
-groote ontwikkeling van de wenkbrauwbogen, en zij vertoonen op den
-schedel sporen van de zelfde kammen en lijsten, die men op dien der
-volwassen anthropomorphen opmerkt (zeer belangrijk is in dit opzicht de
-vergelijking van de door Vogt in zijne „Vorlesungen über den Menschen”,
-Bd. I, fig. 44 en 45 gegeven, afbeeldingen van den schedel van een
-ouden chimpanzee en Tab. II, XI, XIV, XX van zijn verhandeling „Ueber
-die Microcephalen oder Affen-Menschen”). Terwijl andere idioten voor
-een zekere opvoeding vatbaar, doch dikwijls zeer dof en wezenloos zijn,
-leeren de microcephalen nooit spreken, doch zijn zeer vlug en levendig,
-en bezitten evenals de apen een merkwaardig vermogen van nabootsing.
-
-(10) Deze oplossing van het raadsel door de theorie der
-klanknabootsing, voorgestaan door Farrer en Prof. Moltzer (Taal- en
-Letterbode II, blz. 173), wordt door Max Müller bestempeld met den
-spotnaam bow-bow-theorie. Terecht zegt echter de Groningsche
-Hoogleeraar (ibid., blz. 178): „de taal der kinderwereld is zeer rijk
-aan klanknabootsingen”, en met hem houden wij het voor zeker, dat in
-dit opzicht het kind overeenkomt met den natuurmensch. De oplossing
-zelve is daarmeê echter nog niet gevonden; want een kind dat den hond
-waf-waf noemt, articuleert reeds en het zwaartepunt ligt juist in de
-vraag: „Hoe is de mensch tot het uiten van gearticuleerde geluiden
-gekomen?” Daarop geeft ook de leer der gevoelsklanken of ontboezemingen
-geen voldoend antwoord. De klanknabootsingen zijn als gearticuleerde
-klanken, van te jongen, de ontboezemingen, voor zoover ze
-oorspronkelijk zijn, van te ouden datum. De oorspronkelijke
-ontboezemingen van pijn, toorn, angst, blijdschap enz moeten niet
-anders dan onduidelijke, meest samengestelde vocalen zijn geweest.
-Aau(w)! Ai! â(h)! zijn daarvan juister voorbeelden dan ach! helaas!
-enz. Met de zoogenaamde klankgebaren (Lautgeberde) eindelijk komen we
-tot de ontknooping, hoewel we aan het woord een ruimere beteekenis
-moeten geven dan men tot nog toe heeft gedaan. De geluiden, hier
-bedoeld, komen namelijk daarin overeen, dat zij een gebaar, een geste,
-vergezellen of vervangen. Vooral dit soort van geluiden kan men in de
-kinderkamer onophoudelijk waarnemen, vóórdat de kleinen nog van een
-waf, een boe of een miauw weten. Minder gemakkelijk zijn ze intusschen
-te beschrijven of door graphische teekens voor te stellen. Uw kleine
-telg stoot b.v. zijn hoofd, en daar het genoegzaam zonder pijn afloopt,
-gelukt het u een afleiding te geven aan de dreigende waterlandertjes,
-door te vragen wat er aan scheelt, en ofschoon hij u daarvan geen
-volledig relaas kan geven, deelt hij u mee, dat hij zich heeft
-gestooten, en wel door het gebaar van zijn hoofdje en handje te
-vergezellen met een half gearticuleerd geluid, dat men zou kunnen
-noemen: de kiem van de K. Het min of meer vokaalachtig geluid, dat men
-er bij waarneemt, geeft iets van een zeer korte è of à. De intensiteit
-van die elementaire articulatie hangt af van de energie waarmee zij
-wordt geuit, en bestaat in het meer of minder dichtknijpen van de keel.
-Wanneer het kind, door de eene of andere behoefte of begeerte
-gedrongen, ongeduldig om hulp schreeuwt, krijgt de klank iets meer van
-de echte K. Is er echter meer verveling dan ongeduld in het spel, dan
-wordt het consonantisch element een onvolkomen NG., die echter meer
-neus- dan keelklank is en waarbij de geheele achterholte van den mond
-meêtrilt. Een daarmede overeenkomstig dreunend geluid wordt in het
-voorste gedeelte van den mond gevormd. Men zou het kunnen voorstellen
-door MN, terwijl het door de trilling van den neus, de tanden en de
-lippen wordt voortgebracht en den kleinen dient om bloot te roepen, te
-groeten of de opmerkzaamheid te trekken. Als middel om hun blijdschap
-of vroolijkheid te kennen te geven, gebruiken zij een geluid, dat een
-weinig meer bepaald is en tusschen I en J zweeft, terwijl het een heel
-enkele maal door een duidelijke â wordt gevolgd. Mengt zich nu de
-verveling, die het kind eenige minuten heeft moeten uitstaan, met de
-blijdschap over de eenigszins langzaam volbrachte vragende belofte:
-„Moet-i (moet ze) bij ma-tje komen?” dan hoort men NJ(A) of ook soms
-NGA of GA (fr. g).
-
-Genoeg hierover. De spraakschat onzer zuigelingen is hiermede niet
-uitgeput; maar dat is ook voor ons doel niet noodig. Er moest alleen
-worden aangetoond, dat de consonanten oorspronkelijk inderdaad niet
-anders zijn dan gebaren, wier intensiteit onmiddellijk afhangt van de
-energie, waarmee ze worden voortgebracht. Daar nu deze weer in het
-nauwste verband staat met de ontwikkeling der hersenen [234], zoo is de
-quaestie van het ontstaan der gearticuleerde taal opgelost door aan te
-nemen, dat de eerste onzer articuleerende stamvaders ten opzichte der
-hersenontwikkeling gunstiger bedeeld was dan zijn voorgangers, en wat
-er verder van te onderzoeken blijft, behoort om de zelfde reden tot de
-bevoegdheid der natuuronderzoekers, en niet tot die der taalkundigen.
-
-Wanneer we nu het een en ander aangaande den oorsprong van ons
-spraakvermogen kort samenvatten, dan blijkt:
-
-1o. Dat klanknabootsingen niet den overgang hebben gevormd tot de
-gearticuleerde taal.
-
-2o. Dat deze voorafgegaan moeten zijn door ongearticuleerde
-gevoelsklanken, die de mensch ook op het dierlijkste standpunt moet
-hebben bezeten.
-
-3o. Dat de overgang tusschen die beide waarschijnlijk gevormd is door
-zeer elementaire articuleeringen, die door ontwikkeling der hersenen
-als werktuig der energie allengs volkomener zijn geworden.
-
-Met dat volkomener worden—en vermeerderen—der articuleeringen
-ontstonden de woorden, die door de taalkundigen met den naam wortels
-worden bestempeld, d. z. woordvormen van één lettergreep, waaruit de
-later gevormde woorden zich hebben ontwikkeld. Voorbeelden daarvan,
-zijn i, gaan; ar, ploegen; ad eten; plu, vloeien enz.
-
-Die wortels hadden geen bepaalde beteekenis: een en de zelfde wortel
-diende zoowel om een voorwerp, als om een werking of hoedanigheid aan
-te duiden, terwijl sommigen van hen uitsluitend dienden als
-aanwijzingen. [235] Door allerlei wijziging en vooral door
-samenstelling van die oudste woordelementen zijn van lieverlede de
-echte woorden ontstaan [236], die, door middel van rijzende en dalende
-klemtonen tot volzinnen vereenigd, de taal vormden, in die hoogere
-beteekenis die we tegenwoordig daaraan hechten, terwijl het verschil in
-bodem en klimaat, en vooral volksverhuizingen het onderscheid tusschen
-verschillende talen in het leven heeft geroepen. (Naar Dr. T. M. ten
-Bergen in zijn: „De begrafenis van den Duivel”, Rotterdam, J. H. Dunk,
-1874.)
-
-Sedert ik het bovenstaande schreef, is een geheel nieuw licht op den
-oorsprong der taal geworpen door Dr. C. Abel, in zijn
-„Sprachwissenschaftliche Abhandlungen”, Leipzig, 1885, Abh. VII, waarin
-hij met behulp van zijn Egyptische studiën de grondfout van alle tot
-dusver gedane onderzoekingen daaromtrent blootlegt, welke ligt in de
-valsche onderstelling, dat de taal altijd verstaanbaar zou zijn
-geweest. Aan de hiëroglyphische en koptische taal, die een
-vijfduizendjarige ontwikkeling omvat, en, in den aanvang op het peil
-der natuurvolken staande, aan het einde het standpunt der beschaafde
-volken bereikte, toont hij nu op de meest gelukkige wijze door vele
-voorbeelden van woorden aan, dat de ontwikkelingsgang dezer taal was
-„ein allmähliches Auftauchen aus vagen Ton und Sinn in gesonderten Laut
-und präzisierte Bedeutung.” Ook wat hij in Abh. VIII zegt omtrent den
-„Gegensinn der Urwörter”, dat namelijk oorspronkelijk zeer dikwijls
-twee volkomen tegenovergestelde begrippen (b.v. hooren en doof zijn,
-sterk en zwak enz.) door het zelfde woord worden uitgedrukt, is in dit
-verband hoogst merkwaardig. Evenzoo beteekent b.v. in het Latijn sacer
-zoowel heilig en eerwaardig, als goddeloos en afschuwelijk, imprecari
-zoowel bidden als verwenschen enz. Wij verwijzen verder naar het
-oorspronkelijke.
-
-De gearticuleerde spraak wordt aangeleerd doordat het kind het spreken
-der menschen te midden waarvan het opgroeit, nabootst. Menschen, die
-lang in volslagen eenzaamheid leven, verliezen het spraakvermogen.
-Alexander Selkirk (het prototype van Robinson Crusoë) had na een
-vijfjarig eenzaam verblijf op het eiland Juan Fernandez het
-spraakvermogen bijna geheel verloren. De groote mogol Akbar deed, bij
-wijze van proef dertig kinderen te zamen zoo opvoeden, dat zij niemand
-konden hooren spreken. Geen gearticuleerde tonen, geen taal of spraak
-ontwikkelde zich bij die kinderen.
-
-Ook de verwilderde kinderen (zoogenaamde „wilde” menschen of
-„woudmenschen”, die men herhaaldelijk in Europa en elders heeft
-aangetroffen, en op welke wij in een latere aanteekening uitvoeriger
-terugkomen), spraken niet, brachten geen gearticuleerde tonen voort.
-Dat zij echter als kinderen in de wildernis of in afgelegen bosschen
-zonder hulp van oudere menschen konden opgroeien en in hun voeding
-voorzien, bewijst, dat ook bij de oudste menschengeslachten kinderen
-vroegtijdig den stam hebben kunnen verlaten, en afgescheiden van dezen
-kunnen zijn blijven voortleven en zich voortplanten. Wat in Europa in
-later eeuwen bij hooge uitzondering is geschied (men kent in dat
-werelddeel meer dan zestien gevallen van zulke „woudmenschen”) kan in
-zeer oude tijden zeer veelvuldig zijn voorgekomen en in plaats van
-enkele kinderen kunnen zoo geheele groepen van kinderen, die nog
-slechts enkele woorden konden spreken, zich van hun stam hebben
-afgescheiden en een nieuwe vereeniging hebben gegrond. Of zelfs als zij
-niet spraken, kan zich bij hun afstammelingen zelfstandig een taal
-hebben ontwikkeld. In beide gevallen zou die taal buitengewoon sterk
-afwijken of zelfs volstrekt geen gelijkenis vertoond hebben met die van
-den stam, waartoe zij oorspronkelijk behoorden. Op soortgelijke wijs
-zoekt Horatio Hale (in een verhandeling in Augustus 1886 in de
-anthropologische afdeeling van de „American Association for the
-Advancement of Science” voorgedragen), het ontstaan der verschillende
-groepen van talen, die in wortels en grammaticale structuur geheel van
-elkander afwijken, te verklaren door aan te nemen, dat zij zich hebben
-ontwikkeld uit verschillende onder kinderen ontstane dialecten, nadat
-de nog sprakelooze mensch zich over de aarde had verspreid. Waarom
-eerder onder de kinderen dan onder de volwassen sprakelooze menschen
-het spreken zou zijn ontstaan, zegt hij niet. Wij zouden eer aannemen,
-dat uit een afdeeling kinderen, die zich op zeer jeugdigen leeftijd,
-toen zij nog zeer onvolkomen konden spreken, van een (reeds sprekenden)
-stam afscheidden, een dialect kon ontstaan, dat zoowel in bijna alle
-wortelwoorden als in grammaticale structuur van de taal van den
-moederstam geheel afweek, en later ook de enkele wortels nog
-grootendeels verloor, die het met deze gemeen had. Enkele wortels (b.v.
-pa, ma,) komen zeer algemeen over de geheele wereld verspreid voor en
-hebben juist betrekking op begrippen, die het kind zeer vroeg krijgt.
-Wel is waar noemen enkele volken den vader ma en de moeder pa, maar het
-blijven toch namen van een der ouders.
-
-(11) De heer J. Bikkers, tijdens het verschijnen der eerste uitgaaf van
-dit werk Adjunct-Hoofdonderwijzer aan de Inrichting voor
-Doofstommen-Onderwijs te Rotterdam, heeft mij verzekerd meermalen te
-hebben opgemerkt, dat doofstomme kinderen, wier ouders gebreken in de
-spraak hadden, b.v. lispelden, nadat men ze op kunstmatige wijze
-spreken had geleerd, die zelfde gebreken vertoonden. Deze kinderen
-hadden ze niet kunnen verkrijgen door nabootsing van huns vaders
-spraak, daar zij volkomen doof waren. De heer D. Hirsch,
-Directeur-Hoofdonderwijzer van voornoemde inrichting, deelde mij mede,
-dat J. G., een doofgeboren knaap, bij het spreekonderwijs een
-kortademigheid, „een krampachtige uitademing” vertoonde, welke hij bij
-zijn vader ook had waargenomen, welk gebrek, gedurende de acht jaren,
-welke J. G. aan de inrichting bleef, niet merkbaar werd overwonnen, en
-dat M. de G., een doofgeboren meisje, evenals haar moeder, een
-vooruitstekende onderkaak met groote tanden had, ten gevolge waarvan
-het gedurende de acht jaren, welke zij aan de inrichting vertoefde,
-niet mogelijk was, haar tot die zuivere uitspraak te brengen, welke
-gemiddeld bij doofstommen met normale spraakwerktuigen is te bereiken;
-deze beide gevallen, welke volgens den heer Hirsch met zeer vele zouden
-te vermeerderen zijn, bewijzen ongetwijfeld een erfelijkheid in de
-conformatie der spraakwerktuigen, maar de bijzondere conformatie
-daarvan bij de ouders kan moeielijk worden bewezen een gevolg van het
-gebruik te zijn. Dr. Brester, leeraar aan de H. Burgerschool te Delft,
-deelde mij mede, dat een doofstomme Engelsche knaap, die te Rotterdam
-onderricht in het spreken had genoten, het Nederlandsch met een sterk
-Engelsch accent uitsprak; dit zou ongetwijfeld een prachtig voorbeeld
-zijn van de erfelijkheid van de gevolgen van het gebruik bij de
-spraakorganen; de heer Hirsch schreef mij echter, „dat hij geenszins de
-mogelijkheid wil betwisten, dat een opzettelijk kritisch onderzoek tot
-deze gevolgtrekking zou kunnen leiden, maar wel, dat genoemde
-waarneming wetenschappelijk vertrouwbaar is.” „Ik meen”, schrijft hij,
-„dat men—wetende, dat de knaap van Engelsche afkomst is—het vreemde in
-zijn spraak al te spoedig aan een volkseigenaardigheid heeft
-toegeschreven.” Later is echter in Frankrijk, Engeland en Spanje
-herhaaldelijk opgelet, dat doofstommen die spreken leerden, het accent
-bezaten van de streek, van waar zij afkomstig waren (zie: „Kosmos”, V.
-Jahrgang (1881), Heft II, blz. 387).
-
-(12) In het „Album der Natuur”, 1857, blz. 380, vindt men aangetoond,
-dat ook de bijen elkander verstaan en een taal bezitten.
-
-(13) Zie ook daarover Ferrière, het Darwinisme, in ’t Ned. vertaald
-door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, ’s Hertogenbosch, van Heusden,
-1874, waarin dit onderwerp zeer uitvoerig wordt behandeld.
-
-(14) De priëelvogels zijn Australische vogels. Men onderscheidt vier
-soorten: den grooten priëelvogel, den gevlekten priëelvogel, den
-regentvogel en den satijnvogel. De laatste (Ptilorhynchus holosericeus)
-is de meest bekende. Hij heeft omtrent de grootte eener duif; het
-mannetje is glinsterend blauwzwart, het wijfje olijfkleurig. Zij bouwen
-een soort van kleine priëeltjes, samengesteld uit een vloer van
-dooreengevlochten twijgjes en een zich daarover heên verheffend gewelf,
-op de zelfde wijze gevormd. Zij versieren deze priëeltjes, die hun
-gedurende den paartijd tot tijdelijk verblijf strekken, doch waarin men
-nimmer eieren of jonge vogels aantreft, met allerlei bontgekleurde en
-blinkende voorwerpen, b.v. vederen van papegaaien en andere vogels,
-schelpjes, steentjes, en, als zij ze vinden kunnen, lapjes en snippers
-van gekleurde kleedingstoffen, stukjes blik of glas, enz. Een andere
-priëelvogel (Chlamydera maculata) bouwt met het zelfde doel dergelijke
-lusthoven, die echter aan beide zijden open zijn, en dus meer op onze
-ouderwetsche berceaux gelijken. Deze zijn soms een meter lang, van
-buiten met gras bekleed en van binnen met steentjes bestrooid, en weder
-met allerlei blinkende en bontgekleurde voorwerpen versierd. Wanneer de
-inlanders eenig klein voorwerp, b.v. een pijlspits, missen, zoeken zij
-het gewoonlijk in de nesten van deze beide soorten van vogels en vinden
-het daar dikwijls terug. (Harting, „De Bouwkunst der Dieren”,
-„Vlechters, Mandemakers, Wevers, Vilt- en Tapijtwerkers”, in het „Album
-der Natuur”, 1861, blz. 215, 216.)
-
-(15) Door zendelingen en andere reizigers zijn dikwijls de
-bespottelijkste redeneeringen gehouden om te bewijzen, dat de eene of
-andere wilde stam een denkbeeld van het bestaan van een of meer goden
-had. Zoo zegt Kolben (aangehaald in Sir John Lubbock’s werk „l’Homme
-avant l’histoire”, Fransche vertaling van Barbier, blz. 343), eerst dat
-de Hottentotten „aucun culte constitué” hadden. De oudste schrijvers
-beschouwden wel is waar sommigen hunner dansen als godsdienstige
-plechtigheden, maar deze zienswijze werd formeel tegengesproken door de
-inboorlingen zelven, hetgeen Kolben niet verhindert ons te verzekeren:
-„que c’étaient des actes religieux”, en er naïef bij te voegen: „quoi
-qu’en disent les Hottentots.”
-
-(16) Bij sommige dieren bestaan ongetwijfeld de kiemen van het geloof
-aan geheimzinnige wezens van hoogere natuur. Terecht merkt Carl Vogt
-(„Vorlesungen über den Menschen”, 1863, Bd. I, blz. 294) op: „De hond
-is klaarblijkelijk even bang voor spoken als de Bretagner of de Bask;
-elk verschijnsel dat hem treft en waarover zijn neus hem geen goede
-inlichtingen kan geven, brengt zelfs den moedigsten hond tot uitingen
-van de meest onzinnige vrees. Ik ken een boschje waarin zich volgens de
-overtuiging der boeren des nachts een vurige man ophield; als bewijs
-van het bestaan van dit vuurspook voerden zij aan, dat de honden in dat
-boschje ’s nachts bang waren en dat men honden die daarin ’s nachts
-eenmaal waren geweest, zelfs door slagen er niet meer toe kon krijgen
-om derwaarts terug te keeren. Het spook in welks nabijheid een
-overigens moedige hond zich niet dorst wagen, zelfs al ging zijn
-meester, mijn vader, met hem mede, was een witte, rottende boomstronk,
-die ’s nachts een lichtschijn van zich gaf. De vrees voor het
-bovennatuurlijke, voor het onbekende is de kiem der godsdienstige
-voorstellingen, zij is bij onze intelligente huisdieren, den hond en
-het paard, in hooge mate ontwikkeld. De kiem van deze voorstellingen
-wordt, evenals die van zoovele andere, slechts bij den mensch verder
-uitgewerkt tot een stelsel, tot een geloof. Met het zelfde recht,
-waarmede men het geloof aan iets bovennatuurlijks als een eigenschap
-beschouwt, die alleen aan den menschelijken geest eigen is, zou men
-zulks ook van de wiskunde kunnen beweren. Geen dier kent de wiskunde,
-de meetkunde—maar er zijn dieren, die ongetwijfeld kunnen tellen, al is
-het ook slechts tot weinige cijfers, en dat is de kiem van geheel het
-trotsche gebouw, dat de mensch heeft opgetrokken, en door middel
-waarvan hij de ruimten des hemels en der aarde heeft gemeten. Evenzoo
-bezit geen dier een geloof—maar het bezit de vrees voor het onbekende,
-en is het niet de vrees voor het onbekende, de godvreezendheid, waaruit
-de mensch de godsdiensten heeft ontwikkeld?” Men vergelijke ook het
-door mij vertaalde stukje van Eugène N. S. Ringueberg, „Een
-bijgeloovige hond” in „de Dageraad”, Juni 1883.
-
-De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of Species”,
-Mme Clémence Royer, merkt in haar werk „Origine de l’Homme et des
-Sociétés”, Paris, 1870, blz. 86, zeer juist op: „Partout où nous
-constatons un certain degré d’intelligence et d’activité et la tracé
-d’une communicabilité quelconque entre deux êtres de même espèce, il
-peut exister ce commencement de science spéculative qui s’appelle une
-religion et qui par plusieurs côtés se reliant au sens social et moral,
-l’entrave ou le fortifie selon les cas. Ainsi pour l’animal domestique,
-pour le chien surtout, l’homme est peut-être un Dieu. On ne saurait
-expliquer sans un certain sentiment de vénération, sans une espèce
-d’instinct religieux, la passivité de son obéissance, sa fidélité, son
-dévouement, en dépit même des mauvais traitements. La reine abeille
-doit être un être divin pour sa ruche: lorsque deux reines combattent
-pour l’empire, qui ne peut appartenir qu’à l’une d’elles, nul ne
-trouble leur combat; le peuple attend la décision du sort et adorera la
-divinité victorieuse, tout comme la Grèce antique passait du culte
-d’Uranus au culte du fils qui l’avait mutilé, pour accepter plus tard
-celui de Jupiter, également usurpateur des droits divins de son père.
-Si les fourmis ont un langage descriptif et idéalogique, elles peuvent
-avoir une mythologie où l’homme certainement ne joue pas le beau rôle.
-Ce doit être leur Siwah destructeur, leur Ahriman, leur Moloch.
-L’oiseau, dans son chant matinal, salue peut-être le soleil; Philomèle
-a voué sans doute son culte à la lune et aux étoiles; le pigeon
-voyageur doit être plus fort astronomie que les anciens pasteurs
-chaldéens ou que les pilotes phéniciens s’orientant à travers les
-déserts ou sur les flots de la mer Atlantique d’après l’étoile immobile
-de l’Ourse ou le lever héliaque de Sirius. Si rien de tout cela n’est
-prouvé, rien de tout cela n’est impossible, ni même improbable. Et de
-quel droit vient-on donc affirmer avec beaucoup moins de preuves
-encore, que chez l’homme seul existe l’instinct religieux?”
-
-(17) Over het vraagstuk van den oorsprong van het godsdienstig gevoel
-vergelijke men ons boekje: „Over den oorsprong der Godsdienstige
-Denkbeelden”, Amsterdam, J. F. Sikken, 1883. Wij zoeken den eersten
-oorsprong daarvan met Tito Vignoli („Mito e Science”, Milano, Fratelli
-Dumolard, 1879) daarin, dat het dier, gelijk Vignoli onwederlegbaar
-heeft bewezen (en derhalve moet zulks ook bij de dierlijke stamouders
-van den mensch het geval zijn geweest) bij alle dingen die voor zijn
-waarneming toegankelijk zijn, de onbestemde voorstelling heeft van een
-levend, bewust handelend wezen, dat elk voorwerp, elk verschijnsel voor
-het dier een virtueel willend ding, een levend wezen is, dat evenals
-hij zelf kan gevoelen en begeeren, dat de wereld voor hem een machtig
-samenwerken van levende en willende wezens is, zoodat de onophoudelijke
-stroom der dingen, waarin alles plaats heeft volgens de wetten die hem
-leven en bestaan verzekeren, voor hem slechts een groot drama is,
-gespeeld door vorm bezittende of ook vormlooze, doch altijd werkzame
-wezens, die nu eens tot zijn nut, dan weder tot zijn schade handelen,
-hem wel of kwaad gezind zijn, zich aangenaam of lastig toonen. [237]
-Deze wijze van voorstelling, van welke bij de ruwste natuurvolken van
-den tegenwoordigen tijd nog onmiskenbare sporen in menigte voorhanden
-zijn [238], was natuurlijk nog sterker aanwezig bij onze oudste
-menschelijke voorouders, die nog nauwelijks boven het dier verheven,
-ver beneden de wildste stammen van den tegenwoordigen tijd stonden.
-Zoodra hij zich boven den ontwikkelingstrap der hoogere anthropomorphen
-had verheven, vond dus de nauwelijks ontstane mensch in de
-voorstellingswijze van de buitenwereld welke hij van zijn dierlijke
-voorouders had geërfd, de kiem van een geheele mythologie, waarin de
-voorwerpen zelven (b.v. hemel en aarde, wolken, zon, maan, vuur, donder
-enz.) de goden waren en de ziel niet werd onderscheiden van het
-lichaam.
-
-Zoodra echter het denkbeeld dat er ook levenlooze voorwerpen waren,
-zich bij den mensch had ontwikkeld, zocht hij naar een oorzaak waaraan
-dit leven moest worden toegeschreven, en zoo kwam hij tot de hypothese
-van zielen of geesten, welke het eigenlijk levende zouden zijn dat in
-zijn verbinding met de doode stof aan deze laatste het leven geeft en
-die dikwerf met den adem, den wind, de schaduw enz. werden
-vereenzelvigd. Zoo komen wij tot den ontwikkelingstrap, welke Tylor het
-animisme noemt en als den oudsten vorm van godsdienst beschouwt. Ook
-droomen kunnen hierop grooten invloed hebben gehad, daar de menschen,
-van afgestorvenen droomend, later geloofden dat hun ziel hun was
-verschenen omdat zij wisten dat hun lijk was verrot en toch in geenen
-deele de objectieve realiteit van het gedroomde betwijfelden. [239] Ook
-hallucinaties, zelfs van krankzinnigen, zullen niet zonder invloed zijn
-geweest.
-
-Ware de evolutieleer er nog niet, dan zou men vele bezwaren tegen deze
-verklaring kunnen opwerpen, die ons toeschijnt zeer geleidelijk aan te
-geven op welke wijze de godsdienstige gevoelens zich bij den mensch
-zijn begonnen te ontwikkelen, maar op grond van de evolutieleer kan men
-met groote zekerheid zeggen: zij moeten op natuurlijke wijze allengs
-zijn ontstaan uit psychologische verschijnselen waarvan de kiemen reeds
-bij de dieren moeten zijn waar te nemen.
-
-Angst, egoïsme, onkunde, van de dierlijke voorouders geërfde verkeerde
-voorstelling der buitenwereld, het voor objectief reëel houden van
-droomen en hallucinaties deden, naar het ons voorkomt, het eerste
-geloof (en niet slechts ’t mythisch spraakgebruik) ontstaan aan
-bovenmenschelijke wezens, van wie men afhankelijk was, het
-afhankelijkheidsgevoel dus, de godvreezendheid.
-
-Sluwheid, beter inzicht, macht, egoïsme hielden deze ideeën wakker
-(geestelijken tegenover leeken).
-
-Daarna treedt de symboliek op, waarmede onvermijdelijk het verval van
-den ouden godsdienst (incluis godsbegrip) gepaard gaat—„aus den Ruïnen
-blüht ein neues Leben empor”; rudimenten zijn in menigte aan te toonen;
-evenwel denkt men nu de eenige ware leer te bezitten, „trapt de ladder
-waar men langs is opgestegen, weg”, zoodra men weder vasten grond
-voelt, en vervolgt en veracht de oude oercel (ontwikkeling der hoogere
-godsdienstvormen uit de lagere).
-
-Een schoone zedeleer wordt er in geweven, doch hoewel men zegt die als
-zwaartepunt aan te nemen, als hoofdzaak waarmede het geloof staat of
-valt, is daarvan in de handelingen, niet alleen van de leeken maar ook
-van de geestelijken, slechts al te weinig waar te nemen.
-
-Geloof is bijgeloof, zegt Multatuli.
-
-Geloof is het wezen van allen godsdienst, Prof. Tiele, in de Gids van
-Mei 1884.
-
-Maar bij de dieren vindt men reeds duidelijke sporen van bijgeloof!
-(Vergelijk aant. 16.)
-
-De conclusie is gemakkelijk te trekken!
-
-
-
-
-
-
-
-
-OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,
-
-DOOR
-
-Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN. [240]
-
-
-Zoowel als de mensch, geven vele dieren door geluiden hun aanwezigheid,
-gewaarwordingen en wenschen te kennen. Alleen de mensch brengt echter
-[241] den vorm van het geluid in verband met een voorwerp buiten hem,
-en gaat dan nog verder en brengt het geluid op dergelijke wijze in
-verband met algemeene begrippen en gedachten.
-
-Het is onmogelijk in elk geval uit te maken, waarom een vogel zeker
-geluid maakt; evenmin waarom een mensch die alleen is, zingt (zingen
-hier in de beteekenis genomen van b.v. een deuntje neuriën, zonder de
-woorden uit te spreken, of ten minste op de beteekenis te letten).
-[242] Oorspronkelijk kan beide niets anders zijn dan een levensuiting
-die met geen bepaalde bedoeling wordt gedaan, evenals het rondspringen
-van het kind of het jonge dier. De ervaring verbindt daarmede echter
-feiten die men langzamerhand door het maken van het geluid
-verwezenlijkt tracht te krijgen, hetzij zulks uit overleg of instinkt
-geschiedt. Zulk een spreekuiting van de laagste soort is de loktoon der
-vogels in den herfst. In den zomer verspreiden zich de vogels in
-afzonderlijke families, maar in den herfst, als het voedsel slechts op
-bepaalde plaatsen is te krijgen, of de tocht naar de landen waar zij
-zich ’s winters ophouden, moet worden ondernomen, hebben zij er belang
-bij met de ervaring van allen te rade te gaan, en in zoo groot
-mogelijke scharen te reizen. Hiertoe dient de loktoon, dien de vogelaar
-op verraderlijke wijze misbruikt. Als een sijsje omstreeks dezen tijd
-de elzen afzoekt, verzuimt het niet, intusschen onvermoeibaar een en
-den zelfden toon te laten hooren. Het heeft daarbij geen bepaald doel;
-het maakt geluid omdat het er aandrang toe gevoelt, en de aard van dat
-geluid wordt bepaald door den bouw zijner stemorganen. Dit geluid
-voortbrengen heeft echter voor den vogel een zeer nuttig gevolg, het
-roept als het ware aan de andere sijsjes toe: „Hier is een sijsje!”
-Door den trek naar gezelligheid geleid, komen deze nu naar het eerste
-sijsje toe, maken het zelfde geluid, dat nu echter door hun aantal
-sterker klinkt, en roepen dus vereenigd weder als het ware aan wederom
-andere sijsjes toe: „Hier zijn sijsjes!”
-
-Al moge de vogel ook nooit meer dan dit, en zelfs eigenlijk nauwelijks
-dit willen zeggen, kunnen de anderen door dat geluid nog veel andere
-dingen hooren. Uit het hoe langer hoe meer uit de verte klinken van het
-geluid, hoort de vogel het bericht: „Wij vliegen weg, kom met ons
-mede!”—en als het geluid naderbij komt, zegt het hun: „Daar komen wij
-aan!”
-
-Een dergelijk nuttig gebruik heeft natuurlijk ook de oorspronkelijke
-mensch van zijn stem gemaakt. Als menschen in een bosch elkander hebben
-verloren, roepen zij thans nog dikwijls luid, zonder dat dat geluid op
-zich zelf iets uitdrukt. Nu hebben echter de stemorganen van elk
-individueel mensch een bijzonderen klank, waaraan degeen die hem hoort
-roepen, ook zonder woorden den persoon die roept, kan herkennen. Dit
-geroep in het bosch zegt dus niet alleen: „Hier is een mensch!” maar:
-„Hier is A. of B.!” Tevens drukt ’s menschen stem in nog hoogere mate
-dan die van het dier zijn gemoedstoestand uit. Hij gevoelt een
-natuurlijken aandrang om bij smart te schreien, een klagend geluid te
-maken, bij vreugde te juichen. Als dus twee oorspronkelijke menschen in
-het bosch elkander (zonder nog woorden te bezigen) op bovenvermelde
-wijs riepen, kon hun stem niet slechts uitdrukken: „Hier is A.” maar
-daarenboven: „A. is ginds in het woud zeer blijde” of „A. is ginds in
-het woud zeer treurig”. Daar de verwachtingen en zorgen van die
-oorspronkelijke menschen veel eenvoudiger en minder verscheiden waren
-dan de onze, en hen in het woud vooral het vinden van voedsel verheugd
-en het ontmoeten van een gevaarlijk roofdier (of vijand) verschrikt zal
-hebben, ligt het voor de hand, dat men dit zal hebben verstaan als: „A.
-heeft ginds in het woud voedsel gevonden” en „A heeft ginds in het woud
-een gevaarlijk roofdier (of vijand) aangetroffen”. Welk voedsel hij
-aangetroffen of welk roofdier (of vijand) hij ontmoet had, kon men
-echter niet verstaan, en moest naar hem toe gaan om het te zien als men
-het wilde weten.
-
-Als echter wellicht slechts een enkele eetbare vrucht of een enkel
-schrikverwekkend roofdier in dat woud was voorgekomen, zouden de beide
-kreten voor de familieleden van A. een enger beteekenis hebben gekregen
-en zich zoodanig in hun gedachten hebben kunnen verbinden, dat zij voor
-de familieleden de namen van die vrucht en dat roofdier waren geworden.
-Die namen zouden echter onverstaanbaar zijn geweest voor menschen eener
-andere streek, waar andere vruchten en roofdieren voorkwamen. (Een
-hagedissenliefhebber van het zwarte ras zal op het zien van zulk een
-diertje ook een ander geluid maken dan een blanke jonge dame, en op die
-wijze kan dus al zeer vroeg de kiem zijn gelegd voor een babylonische
-spraakverwarring.)
-
-Ook de als tusschenwerpsels gebezigde uitroepen die de natuur zelve aan
-de menschelijke borst ontlokt, zijn door de gewoonte in onze spraak
-blijven leven en maken in het gewone leven een veel grooter deel
-daarvan uit dan men uit de spraakleer zou meenen, die ze slechts als
-een der tien soorten van rededeelen beschouwt. Deze wijze van
-uitdrukken treedt meer op den voorgrond, naarmate een taal minder
-volkomen is of er een onbeschaafder gebruik van wordt gemaakt, en men
-hoort nu nog het volk dikwijls samenspraken houden, waarbij de eene
-partij zich bijna alleen bedient van tusschenwerpsels, die afwisselend
-bijval, schrik, ongeloof, medelijden, afschuw enz. te kennen geven.
-Zelfs is er nog een overblijfsel van te vinden in de oude Duitsche
-rechtspleging. De wanhoopkreet: „Jo, io” heeft op zich zelf geen
-beteekenis, maar hij die hem hoorde, wist dat er een misdaad werd
-gepleegd en hij verplicht was te helpen. Zoo ontstonden na bijvoeging
-van een woord dat den aard der misdaad uitdrukte, de bekende kreten
-„Dieb-io” en „Mord-io” waarvan de Duitschers nu nog de uitdrukking
-„Mordio roepen” hebben overgehouden.
-
-Dit alles kunnen wij echter nog niet gelijkstellen met een menschelijke
-taal, waarvan men ten minste kan verlangen, dat elk geluid zoo nauw
-verbonden is met het begrip van een handeling of voorwerp, dat elk met
-die taal bekende zich met het geluid ook dadelijk van de beteekenis
-bewust wordt. En zoo staan wij voor de veelbesproken vraag, of er ééne
-oorspronkelijke taal heeft bestaan, met andere woorden, of ooit alle
-menschen de hun bekende voorwerpen met den zelfden naam hebben genoemd
-en de onderlinge betrekking der dingen op de zelfde wijze aangeduid.
-Tegen de laatste bewering voert de vergelijkende taalwetenschap genoeg
-bewijzen aan, daar de verschillende taalstammen der menschen juist
-daarin van elkaar afwijken, dat zij de betrekking waarin de begrippen
-onderling staan, op geheel verschillende wijze uitdrukken.
-
-Er blijft dus slechts in zooverre de mogelijkheid over van een eerste
-algemeene taal, als deze aan de zelfde begrippen de zelfde geluiden zou
-hebben verbonden; maar daar zij elke uitdrukking voor de onderlinge
-betrekking miste, zou zij dan veel armer moeten zijn geweest dan de
-meeste tegenwoordige talen. Dat zulk een taal mogelijk is, bewijst
-onder de oudere talen het Chineesch, dat geen bijzondere vormen voor
-zulke betrekkingen kent, en onder de nieuwere het Engelsch, dat ze voor
-een groot deel weder heeft afgeslepen en over boord geworpen. Dit
-laatste geschiedt het gemakkelijkst bij overbrenging van een taal op
-volken die een andere taal spreken. Het is dan veel gemakkelijker de
-namen der begrippen en dingen te onthouden, dan de meestal verminkte en
-daardoor onherkenbare betrekkingsvormen in zich op te nemen. Deze laten
-wij onwillekeurig zelven weg, als we iemand die onze taal slechts
-weinig kent, iets duidelijk willen maken. Wij noemen dan de
-zelfstandige naamwoorden in den vorm die ons het duidelijkst de
-beteekenis schijnt weêr te geven, en de werkwoorden in de onbepaalde
-wijs, zoodat de onderlinge betrekking alleen aan de opvolging der
-woorden is te herkennen. Zoo heeft het Latijn een overvloed van
-betrekkingsvormen in zijn declinaties en conjugaties en daarbij een
-groote vrijheid van woordvoeging; daarentegen hebben het Fransch en het
-Engelsch slechts een overblijfsel van die vormen en een vaste
-woordschikking.
-
-Tylor geeft ons in een Chineeschen zin het volgende beeld van een oude
-taal. Kou, chi, shi, jen, sse, beteekent woordelijk: „hond, zwijn,
-eten, mensch, voedsel”; maar de Chinees ziet uit de woordschikking dat
-de zin beteekent: honden en zwijnen eten het voedsel der menschen. Ook
-voor de bij ons gebruikelijke vormen van zelfstandig naamwoord,
-bijwoord en werkwoord heeft het klassieke Oud-Chineesch geen
-onderscheidingsteekenen. Thwan beteekent in die taal kogel, rond,
-rondmaken, in het rond zitten, enz., en uit het verband moet blijken
-wat er mede bedoeld is.
-
-Zooals gezegd is, blijft ons dus voor de onderstelde oorspronkelijke
-taal niets over dan een hoeveelheid aan allen gemeenzame geluiden, die
-voor allen met de zelfde begrippen zijn verbonden geweest. Wij moeten
-dus nagaan of deze onderstelling werkelijk kan worden toegepast op alle
-soorten van woorden die wij rededeelen noemen. Onder de woorden welke
-met zelfstandige begrippen zijn verbonden, hebben wij sommigen, die
-grammaticale rededeelen worden genoemd, en welke in geregelde zinnen
-niet kunnen worden gemist, zooals de voorzetsels en de voornaamwoorden.
-Nu zien wij bij vergelijking der talen spoedig, dat deze in nauwen
-samenhang met de betrekkingsuitdrukkingen staan en dat de verschillende
-taalfamiliën zich ook op dit gebied zelfstandig hebben bewogen. Zoo
-heeft het Latijn voor ons woordje „met” een zesden uitgang of naamval,
-vele Slavische talen een zevenden en de laatsten voor ons „in” een
-zesden. [243] Het Chineesch echter heeft daarvoor in het geheel geen
-woorden gehad, maar gebruik gemaakt van den voorhanden voorraad.
-
-Zoo zegt de Chinees in plaats van „een mensch met den stok dooden” op
-zijn wijze „dooden menschen gebruiken stok.” De Mandingo-neger denkt op
-de zelfde manier bij het begrip „ingesloten zijn” aan zijn buik, en
-zegt, in plaats van in huis „huis buik”, en bij het begrip „dragen” aan
-zijn nek, en zegt in plaats van op de tafel „tafel nek”. Zoo zijn dan
-langzamerhand de zelfstandige naamwoorden kous (buik) en kang (nek)
-voorzetsels geworden.
-
-Met de voornaamwoorden zijn de verschillende taalstammen even
-zelfstandig te werk gegaan en de beschaving moet bij sommige volken
-reeds op een vrij hoogen trap van ontwikkeling hebben gestaan, vóór zij
-in de taal werden opgenomen. Zoo gebruikten de Groenlandsche Eskimo’s
-eerst het woordje daar voor den aangesproken en hier voor den eersten
-persoon, de Maleier maakte van het woordje „amba”, dienaar, zijn eerste
-en van „toewan”, heer, zijn tweede persoon. Ook bij kinderen kan men
-opmerken, hoe moeielijk het den ongeoefenden geest valt zich een
-voorstelling te maken van de telkens wisselende betrekking tusschen de
-verschillende personen. Op het schreeuwen, als eenvoudige levens- en
-gevoelsuiting, volgt het verbinden van verschillende geluiden met
-verschillende voorwerpen en personen, maar als een persoon eenmaal een
-bepaalden naam heeft ontvangen, behoudt hij dien voor het kind,
-onverschillig of hij in een gesprek als aangesproken of als sprekende
-persoon voorkomt. Zoo zal het, van zich zelf sprekende, zeggen, „Karel
-geeft dit aan Hans”, maar eerst na eenige jaren zal het in het zelfde
-geval „ik geef het aan u” zeggen. Het kan er zich nog niet indenken,
-dat een zelfde persoon nu eens ik, dan eens gij en dan weer hij kan
-worden genoemd. Over deze moeielijkheid, welke het kind door onzen
-invloed in een paar jaar leert overwinnen, hebben de vroegste menschen,
-die geen opleiding genoten, niet zoo spoedig kunnen heênkomen, en dus
-kunnen wij voor deze ontwikkeling der taal een zeer geruimen tijd
-vaststellen, waarin de menschen echter ver verspreid kunnen zijn
-geraakt en zeer verschillende wegen kunnen hebben ingeslagen om het
-doel te bereiken.
-
-Ook het bezit van grammatikale rededeelen moeten wij dus aan de
-oorspronkelijke taal ontzeggen en zoo kunnen wij ons haar dan niet
-anders meer denken dan als bestaande uit een reeks geluiden, behoorende
-bij begrippen van voorwerpen, handelingen en eigenschappen, dus uit
-zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden.
-Maar ook hiervan moeten wij weder iets loslaten. Het bijvoegelijk
-naamwoord is namelijk òf één met het zelfstandig naamwoord, zooals in
-het Chineesche woord voor kogel, òf ontstaan door verwijzing naar een
-zichtbaar voorwerp ter vergelijking, zoodat eigenlijk alleen het
-daarvoor gebruikte spraakbeeld een zelfstandig deel der taal uitmaakt.
-Zoo vergeleek de Tasmaniër in zijn taal het harde met den steen en het
-ronde met de maan. Uit het spraakgebruik der oude Hebreërs heeft men
-willen afleiden, dat zij kleuren slechts onvolkomen konden waarnemen,
-daar men de zelfde kleur vergelijkenderwijze aan het gras en aan den
-hemel toegekend vond. Inderdaad ligt echter juist in de vergelijking de
-onderscheiding opgesloten en berust ook op de vergelijking het
-toekennen van eigenschappen. Men kan dit zelfs nog aan vele
-Nederlandsche bijvoegelijke naamwoorden zien. De uitgang lijk, Duitsch
-lich, vroeger lîck, steekt in ons woordje gelijk, Duitsch gleich,
-middelhoogduitsch gelîch, maar ook hierin steekt weder het zelfstandig
-naamwoord „lich” (lijk), dat oorspronkelijk lijf (lichaam) beteekent en
-nog voor een dood lichaam wordt gebruikt. Wat wij dus nu kortweg
-heerlijk noemen, moet in oude tijden zeer omslachtig worden uitgedrukt
-door aan te duiden, dat iemand of iets naar het „lijf” of naar het
-uiterlijk een heer, „een heer gelijk” scheen.
-
-Er blijft ons dus niets over dan de mogelijkheid, dat de menschen eens
-allen de voorwerpen en handelingen door de zelfde woorden aanduidden,
-en het is nu de vraag, of er in het wezen der dingen zelf iets lag, dat
-de menschen om zoo te zeggen dwong hen in de onderstelde
-oorspronkelijke taal juist met een bepaalden klank uit te drukken. Bij
-een groep van woorden, zooals „brommen” en „piepen” en de namen van de
-vogels koekoek en kievit schijnt deze onderstelling waarheid te
-bevatten, en men heeft wel eens geloofd, op die natuurtonen en de
-daaruit voortkomende toonschildering de geschiedenis der talen te
-kunnen gronden. Maar ofschoon het zeker is, dat vele woorden zoo zijn
-ontstaan, kan dit toch alleen het geval zijn geweest, waar sprake was
-van voorwerpen en handelingen die met een bepaald geluid in verband
-staan, en daar bovendien door bijna ieder individu het zelfde geluid
-verschillend wordt opgevat en weêrgegeven, kan ook de nabootsing er van
-niet als algemeene regel voor het ontstaan der taal gelden.
-
-Het is nu de vraag hoe de mensch er toe is gekomen om aan de overige
-voorwerpen en handelingen een naam ter onderscheiding te geven.
-Natuurlijk had hij op den laagsten trap zijner ontwikkeling, toen het
-zoeken naar voedsel slechts werd afgewisseld door slapen en rusten, de
-spraak alleen noodig, waar zij voor zijn levensbehoeften dienstig kon
-zijn, b.v. om mede te deelen wat hij met behulp van anderen wilde doen
-of laten, wat hem vreugde of wat hem angst veroorzaakte, en zoodra
-anderen de hiervoor door hem gebruikte geluiden in den zelfden zin
-opvatten en weder gebruikten, werden zij de namen der voorwerpen en
-handelingen, doch deze konden alleen gelden voor degenen die in
-onmiddellijke persoonlijke betrekking tot elkander stonden en leefden.
-Daar deze geluiden allen slechts werden veroorzaakt door een zekeren
-graad van opgewondenheid, is deze natuurlijk ook van invloed geweest op
-de keuze er van, maar dit is geen bewijs voor een (natuurlijke)
-oorspronkelijke eenheid van woorden, daar nauwelijks twee menschen op
-de zelfde wijze uiting geven aan een gevoel van vreugde of angst. De
-keuze van de zelfde geluiden voor de zelfde zaken is dus het gevolg
-geweest van een overeenkomst tusschen de verschillende leden van eene
-kleine groep menschen of familie, en de rang van den spreker was daarop
-van veel invloed. Bevelen en zaken die de jacht betroffen, zullen door
-allen op de zelfde wijze uitgedrukt zijn als de vader, het hoofd der
-familie, dat gewend was te doen, daarentegen trad in den huiselijken
-kring de individualiteit der moeder meer op den voorgrond, en daar het
-kind in dien kring het eerst geluiden en begrippen met elkander leerde
-verbinden, heeft men deze wijze van overleveren met recht de
-„moedertaal” genoemd. Hierdoor wordt ook opgehelderd, dat de zelfde
-naam voor vader en moeder over bijna den geheelen aardbodem verspreid
-is. Deze naam wordt gevormd door de lettergrepen ma-ma, pa-pa, ba-ba,
-ab-ba, ta-ta, at-ta, na-na en dergelijke en is op soortgelijke wijze
-ontstaan, met dit verschil, dat hier het kind de naamgever was. De
-eerste klanken welke het kind onopzettelijk uitbracht, werden op de
-naaste omgeving toegepast, en dat deze over de geheele wereld de zelfde
-zijn, vindt zijn oorzaak in de onontwikkelde stemorganen van het kind,
-dat begint met opzet den adem door de even tevoren nog gesloten lippen
-uit te stooten en daardoor juist die geluiden voortbrengt. Dat het de
-zaak der omgeving was dezen kleinen woordenvoorraad over de naaste
-personen te verdeelen, bewijst de omstandigheid, dat bij sommige volken
-het woordje pa moeder en ma vader beteekent.
-
-Het groote gewicht der keus voor de ontwikkeling eener taal heeft ons
-C. Abel aangetoond bij het oud-Egyptisch, de oudste der ons bekende
-talen. De eerste pogingen tot vorming eener taal kunnen alleen tot het
-ontstaan eener familietaal hebben geleid. Zulke families breidden zich
-echter, vooral als zij een nomadische levenswijze hadden, meer en meer
-uit, en werden kleine volken en stammen. Splitste zulk een familie
-zich, dan behielden de afzonderlijke vertakkingen niet lang meer de
-zelfde taal, daar deze, hoewel in den beginne zeer arm, in den loop der
-tijden hoe langer hoe rijker werd. Zij hielden dan nog slechts eenige
-woorden uit de oorspronkelijke familietaal als gemeenschappelijk
-eigendom over. Nu zijn er twee wijzen waarop zulke families volken en
-staten vormden. In het eene geval sloten de naastbij wonenden den
-vredebond, zooals in de kleine staten van Gothland en IJsland is
-geschied; in het andere onderwierp de eene familie de andere aan het
-vaderlijk gezag van haar hoofd, zooals geschiedde bij de Aziatische
-volken in de oudheid en bij de Russen in de Middeleeuwen. In Egypte
-vonden beide wellicht na elkander plaats. In de vroegste oudheid sloten
-misschien de families welke in naburige gouwen leefden, verbonden,
-terwijl zij bij den aanvang der geschiedenis onder het hoofd van ééne
-gouw vereenigd waren. Het onvermijdelijk gevolg was een onderlinge ruil
-van woorden en een nieuwe keuze uit den nu zoo oneindig veel grooter
-geworden woordenschat.
-
-Bezien wij nu de Egyptische taal in den oudsten ons bekenden vorm, d.i.
-na de vereeniging der families, eenigszins nader, dan geeft zij ons een
-schouwspel tegelijk van grooten rijkdom en diepe armoede te zien, wat
-alleen kan worden verklaard door de boven besproken wijze van
-taalvorming. Haar armoede bestaat hierin, dat haast elk woord een
-groote verscheidenheid van begrippen moet uitdrukken, haar rijkdom
-daarin, dat zij voor bijna iedere zaak een geheelen voorraad
-verschillende namen heeft. Uit een door C. Abel aangevoerd voorbeeld
-zien wij, dat het woord „áb” tegelijk beduidt: dansen, hart, kalk,
-muur, weggaan, verlangen, linkerhand en figuur. Voor het woord „zalven”
-daarentegen heeft het Egyptisch tien, voor andere voorwerpen en
-handelingen nog veel méér verschillende woorden, en terwijl voor alle
-genoemde Nederlandsche woorden nog verscheidene andere uitdrukkingen
-bestaan dan áb, heeft elk der tien Egyptische voor zalven nog een
-menigte andere beteekenissen daarbij. De verzekering dat het
-Oud-Egyptisch overrijk was aan synonymen en homonymen, maakt ons de
-zaak niet veel duidelijker. Maar wel wordt de zaak duidelijk, als wij
-de stelling aannemen, dat niet alle woorden met verschillende
-beteekenissen tegelijk in al die beteekenissen op de zelfde plaatsen
-zijn gebruikt, alsook dat niet overal het zelfde ding gelijktijdig zulk
-een groot aantal namen heeft gehad. Wij hebben hier dus een historisch
-voorbeeld van de ontwikkeling eener volkstaal uit oude familietalen.
-
-Bij de keuze van namen voor de begrippen heeft geen enkele familie zich
-aan de andere gestoord en ging ieder zijn eigen weg. Later kwam de zoo
-verkregen woordvoorraad in omloop bij het verkeer aan de gouwmaaltijden
-en greep een onderlinge ruil plaats; nog later had het zelfde proces op
-veel grooter schaal plaats, en zoo ontstond langzamerhand een taal,
-waarbij men met elk woord veel kon uitdrukken en tevens het zelfde op
-velerlei wijzen kon zeggen, ofschoon in de praktijk zeker niemand dezen
-geheelen woordenschat in zijn macht had. Als wij nagaan, hoe moeielijk
-het moet zijn geweest zich in zulk een taal uit te drukken, bemerken
-wij tevens, hoe onvolkomen de menschelijke taal destijds nog moet zijn
-geweest, ofschoon zij toen ter tijde zelfs reeds werd geschreven. Voor
-den ingewijde laat het Egyptisch schrift geen twijfel over aan de
-uitspraak der woorden, maar dit was bij het overgroot aantal
-beteekenissen niet voldoende. Daarom voegde men achter elk woord nog
-een beeld, dat aanduidde in welke groep van begrippen men het bedoelde
-voorwerp moest zoeken. Teekende men b.v. achter het geschreven woordje
-áb een dier, dan werd er zonder twijfel een kalf mede bedoeld. Waar men
-nu zulke verklarende teekens (bij het schrift) gebruikte, moeten er ook
-bij het spreken noodig en voorhanden zijn geweest.
-
-Dikwijls brachten reeds de omstandigheden mede, dat geen nadere
-verklaring noodig was. Als b.v. de herder zijn meester iets mededeelde,
-wist deze in welken kring van denkbeelden hij de zaken moest zoeken,
-waarover de man met hem wilde spreken. Bovendien speelden de
-gebarentaal en de toon toen een groote rol bij het spreken, waarvan zij
-zelfs nu nog niet geheel afstand hebben gedaan, getuige den maatstaf
-welke het gebruik er van nog aangeeft voor de meerdere of mindere
-beschaving van een spreker. Het gesproken woord was toen om zoo te
-zeggen het signaal, dat aankondigde, dat er een mededeeling, in dit
-geval door een gebaar uitgedrukt, plaats had; later bevatte door
-toedoen van het telkens meer uitkiezen van woorden de uitroep zelf de
-mededeeling en werd het gebaar het er aan toegevoegde, verklarende
-teeken, totdat het eindelijk de taak der meest ontwikkelde talen werd,
-zich alleen in woorden uit te drukken. Ook de toon van spreken moet
-onder de verklarende teekens worden gerangschikt, welke rol hij nu nog
-in de Chineesche en Siameesche talen vervult, waar een woord dikwijls
-verschillende beteekenissen heeft, welke alleen van elkander worden
-onderscheiden door den toon waarop men het uitspreekt. De oorzaak dezer
-homonymie kan niet de eenlettergrepigheid der woorden zijn, daar de
-Thibetaansche taal ontzettend lange woorden bezit, welke in de
-schrijftaal op een dergelijke wijze worden behandeld, daar er namelijk
-als verklaringen een menigte letters aan de woorden voorafgaan, welke
-niet kunnen worden uitgesproken.
-
-Intusschen bleef de Egyptische taal niet staan bij dezen onbegrensden
-rijkdom van woorden. Het eerst begon men zich natuurlijk te beperken in
-de keuze van uitdrukkingen voor zaken welke dikwijls in het openbaar
-verkeer werden genoemd. Zoo zullen de onderworpen stammen b.v. den
-koning niet den bij hen gebruikelijken naam hebben gegeven, maar dien,
-welke bij de heerschende partij in zwang was. Op de zelfde wijze werden
-ook onder de overige woorden meer en meer de meest geschikte en in
-omloop zijnde gekozen en geraakten de andere in vergetelheid. Toen men
-het Oud-Egyptisch begon te schrijven, was deze ontwikkeling der
-volkstaal reeds zoover gevorderd, dat sommige woorden geen homonymen
-meer waren en er nauwelijks meer synonymen voor bestonden. De
-schrijftaal welke tot heilige doeleinden werd gebruikt (de hiëroglyphen
-en het zoogenaamde hiëratische schrift), hield nog het meest aan het
-oude vast, maar in de spreektaal (en naar wij onderstellen, ook in het
-demotische schrift) werd zonder ophouden het zelfde proces voortgezet
-en leidde langzamerhand tot het ontstaan van het Koptisch, dat in een
-tijdsverloop van drie eeuwen zulke veranderingen heeft ondergaan, dat
-de woorden bijna evenals bij ons over de begrippen zijn verdeeld, en
-dat, waar een woord nog verschillende, ofschoon nu nog alleen verwante,
-beteekenissen heeft, deze toch aan de eene of andere kleine
-vormverandering gemakkelijk zijn te herkennen, ongeveer zooals bij ons
-graf, groeve, gracht, het zelfde woord zijn, maar in begrip en vorm een
-weinig verschillen.
-
-De wijze waarop tegenwoordig de talen verspreid zijn, wijst ons op een
-dergelijk ontwikkelingsproces als de Egyptische taal heeft doorloopen.
-Men kan de talen naar de verspreiding in twee hoofdgroepen verdeelen.
-
-Aan den eenen kant breidt zich een taal over een groote oppervlakte uit
-over verschillende volken en stammen. Zoo kan men b.v. dwars door
-Europa gaande, vijftig dagen lang zich alleen met Duitsch verstaanbaar
-maken, aan den anderen kant wisselt bij sommige volken de taal met elke
-dagreis, ofschoon zij tot een en het zelfde ras behooren.
-
-Bij de laatstgenoemden is zij nog veranderlijk en in wording, terwijl
-zij bij de eersten, vergelijkenderwijze gesproken, reeds voltooid is en
-een vasten vorm heeft aangenomen.
-
-Deze beide groepeeringen nu gaan hand aan hand met de verschillende
-wijze van organisatie der Europeanen en Aziaten aan de eene en der
-oorspronkelijke Amerikaansche stammen aan de andere zijde. Bij de
-eersten heeft men geen ongeorganiseerde menschengroepen en bij gevolg
-geen ontluikende en weder verdwijnende familietalen, in Amerika echter
-„staat”, zooals Peschel zich uitdrukt, „de buitengewone verscheidenheid
-van talen in nauwen samenhang met de ongeregelde levenswijze der
-zwervende jagerstammen. Waar daarentegen ordelijke maatschappijen
-bestonden, zooals in het oude Peru, kon de heerschende Quechua-taal
-zich ook over meer dan 20 breedtegraden uitbreiden.” In Brazilië en
-Guiana echter, in de onmiddellijke nabijheid van den ouden Peruaanschen
-Staat, bestaat nu nog de grootst mogelijke spraakverwarring en wordt
-elke taal slechts door een enkel stammetje begrepen, waarin eerst aan
-de kusten door den invloed van zendelingen eenige verbetering is
-gebracht, zoodat nu ééne taal door verscheidene stammen wordt begrepen.
-Zulk een taal echter is nog altijd zeer bewegelijk en verandert
-dikwijls. Peschel voert aan, dat bij kleine stammen dikwijls het zelfde
-plaats grijpt als bij kinderen, die aan verschillende voorwerpen zelf
-gemakkelijk uit te spreken namen geven, welke het huisgezin overneemt,
-en zegt, dat (bij Braziliaansche jagers) dit kinderlijke aanwensel tot
-een gewoonte der volwassenen is geworden, waardoor de afzonderlijke
-stammen niet alleen door de spoedige ontwikkeling van dialecten
-onverstaanbaar worden voor hun vroegere taalverwanten, maar bij hen ook
-ieder uit eigenzinnigheid aan zijn eigen uitspraak vasthoudt. Een
-omstandigheid die veel bijdraagt tot de groote veranderlijkheid der
-taal, is het godsdienstige gebruik om den naam van een overledene niet
-meer te noemen. Zelfs de woorden waarin de zelfde letters voorkomen als
-in den naam van den overledene, mogen een tijdlang niet worden
-gebruikt. Zoodra een taal over een groote uitgestrektheid wordt
-gesproken, bepaalt zich dit tot een zeker tijdsverloop, gedurende ’t
-welk die woorden in zwang blijven bij de families welke niet tot den
-doode in betrekking stonden, om later weêr in het algemeen gebruik te
-worden opgenomen; is er echter alleen van een familietaal sprake, dan
-raken zij in vergetelheid en moeten er nieuwe voor in de plaats worden
-genomen. [244] Dit gebruik heerscht nu nog onder de Papoea’s op
-Nieuw-Guinea, de Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs, de Masai’s en Zoeloe’s
-in Oost-Afrika, de Vuurlanders, Abiponers enz. Bij het laatstgenoemde
-volkje was het de taak der vrouwen nieuwe woorden uit te denken.
-
-Na al het boven gezegde kunnen wij haast met zekerheid de slotsom
-trekken, dat van een algemeene oorspronkelijke taal, waaruit al de
-tegenwoordige talen zich zouden hebben ontwikkeld, geen sprake kan
-zijn, en tevens, dat de taal vorming geheel onafhankelijk is van de
-ontwikkeling en afbakening der rassen. Zoo bestaan b.v. de Grieken
-volgens Lippert den Semieten nader dan den Germanen, maar naar de
-indeeling in taalgroepen behooren zij tot de zelfde groep als de
-laatsten (Indo-Germaansche talen), en niet tot die der eersten. Over de
-taal beslist niet het verschil van ras, maar wel de meestal onbekende
-voorgeschiedenis der volken. Als ten tijde der afscheiding der Ariërs,
-Iraniërs, Kelten enz. het stamvolk der Indo-Germanen nog uit
-jagerstammen had bestaan, zouden de talen der genoemde volken niet
-kunnen wijzen op zulke aanzienlijke overblijfselen uit een
-gemeenschappelijke oude taal als nu het geval is. Daarentegen moeten de
-stamverwante Semieten zich van hen hebben afgescheiden op een tijdstip,
-dat de blanke rassen verkeerden in den zelfden toestand van verdeeling
-in verschillende kleine stammen als nu nog bij sommige Amerikaansche
-volken bestaat.
-
-Op den hoogsten trap harer ontwikkeling gelijkt de taal op een prachtig
-woud van hooge boomen, waar alle takken aan elkander sluiten en op
-uitstekende wijze overal schaduw en licht geregeld verdeeld zijn. Deze
-voorbeeldige toestand is echter slechts het gevolg van een zonder
-ophouden toegepaste uitdunning. In den beginne was hier de grond bedekt
-met een weelderigen plantengroei van alle denkbare soorten van lage
-gewassen. Iedere familie koos naar eigen goedvinden de vormen waardoor
-zij zich verstaanbaar wilde maken. Toen kwam de houtvester, hier de
-overeenkomst tusschen de verschillende groepen, die noodzakelijk was
-geworden door het zich telkens uitbreidende onderlinge verkeer. De
-houtvester koos in de chaotische verwarring de stammetjes uit, waarvan
-het zich liet aanzien, dat zij zich het best staande zouden houden en
-ontwikkelen, en hieuw de overige om. Hierdoor kregen de andere lucht en
-ruimte om zich uit te breiden en verstikten het weder ontkiemende
-onkruid in hun schaduw. Deze echter groeien ook niet allen gelijk op en
-staan nog veel te dicht op elkander, telkens moet de houtvester weder
-de zwaksten verwijderen. Zoo ontstond langzamerhand het bladerdak van
-het volmaakt schoone bosch. Op die wijze heeft de houtvester „verkeer”
-het kreupelbosch der vroegste wortelvorming der taal uitgedund en
-geschift en hebben de overgeblevene krachtige stammen hun takken op
-schijnbaar hoogst regelmatige wijze over het geheele taalgebied
-uitgebreid. Zoo is de taal ontstaan.
-
-Wij kunnen deze vergelijking nog verder uitstrekken. In de eerste jaren
-eener boschontginning wordt het land meestal bedekt met een weelderige
-flora van struiken en kruiden, die weder verdwijnt naarmate de boomen
-die de ontginner er in heeft gezaaid of geplant, opgroeien, totdat
-eindelijk onder het ondoordringbare bladerdak van het bosch geen
-struiken of kruiden meer kunnen opkomen en de eenige aanwas in de
-takvorming der uitverkoren stammen bestaat. Het zelfde heeft plaats met
-de taal, die in den beginne voor elk nieuw begrip een nieuw
-geluidsbeeld gebruikte, al bestond dit soms maar alleen in het gebruik
-van een homonym met een ander accent en een ander gebaar. Dit
-aanhoudende ontstaan van nieuwe wortelwoorden hield echter
-langzamerhand bij onderlinge overeenkomst op, toen de taal vaster
-vormen aannam en de noodzakelijkheid ontstond om bij het uitdenken van
-een naam voor een nieuw voorwerp dezen te doen aansluiten aan een reeds
-voorhanden woord en hem zoo voor het algemeen begrijpelijk te maken,
-daar de taal op dezen trap harer ontwikkeling reeds niet meer
-uitsluitend door een kleinen kring van menschen maar door een geheel
-volk werd gebruikt. Zoo ontstond de woordafleiding, doordat men òf het
-geraamte van het oude woord gebruikte met verandering van klinkers
-[245], òf door de verbinding van woorden tot een samengesteld woord,
-waarvan de bestanddeelen later samengroeiden, de betrekking tusschen
-het oude en nieuwe begrip uitdrukte, zooals het geval was bij het
-vroeger genoemde heer-lijk en dergelijke woorden. [246] Zelfs in ééne
-en de zelfde taal volgde deze woordafleiding echter niet altijd de
-zelfde wetten. Soms verdrong ook een nieuw voorwerp het oude en nam den
-naam daarvan aan, evenals bij het ontstaan der nieuwe wapens en der
-nieuwe versierselen gebeurde.
-
-Tylor geeft ons eenige interessante voorbeelden van de veranderingen
-die de kennismaking met nieuwe voorwerpen in een taal teweegbrengt. Zoo
-noemden de Hidatso’s aan de Missouri, die oorspronkelijk alleen steen
-als grondstof voor wapens kenden, later ijzer en koper, toen zij die
-leerden kennen, ook steen, maar onderscheidden hen als zwartsteen en
-roodsteen. Op Otaheite, waar weinig dieren zijn, was het zwijn het
-voornaamste dier, en de Sioux kenden evenals sommige andere Indianen
-alleen den hond als huisdier. Toen nu de Europeanen het paard
-invoerden, noemden de bewoners van Otaheite het een mandragend zwijn en
-de Sioux een hond, met bijvoeging van een dergelijk kenmerk.
-
-Uit deze voorbeelden zien wij tevens hoe de taal begint namen voor
-abstracte begrippen te vormen, o.a. voor het begrip der soort. Hiervoor
-is reeds een zekere trap van ontwikkeling noodig, daar bij de vroegste
-talen alle dergelijke benamingen ontbreken. De Nieuw-Hollanders hebben
-voor alle boomen, vogels en visschen die zij kennen, een naam, maar zij
-missen een woord voor boom, vogel en visch in het algemeen. Een
-Roodhuidenstam kan zeer goed de verschillende soorten van Amerikaansche
-eiken van elkander onderscheiden, maar een woord voor het begrip „eik”
-in het algemeen kent hij niet.
-
-Het zou niet te verwonderen zijn geweest als de Otaheitiër, toen hij
-meer viervoetige dieren leerde kennen en zich zoodoende langzamerhand
-een begrip vormde van een „viervoetig huisdier” in het algemeen,
-daarvoor den naam „zwijn” gekozen en zoodoende de bestaande betrekking
-tusschen het woord en het begrip verschoven had. [247]
-
-Op de zelfde wijze gaat de taal te werk als zij op het gebied der
-„handeling” onderscheid begint te maken tusschen het concrete en het
-abstracte; de Huronen bijv. hadden geen woord voor „eten”, maar noemden
-deze handeling telkens anders, naarmate van de spijs die zij
-gebruikten. In de Bantoetalen in Afrika heeft het woord voor „weven” de
-beteekenis gekregen van „maken”, en het woord „bârâ”, dat in den bijbel
-wordt gebruikt voor het scheppen van hemel en aarde, beteekent
-eigenlijk „snijden” of „houwen”. Zoo zal ook ons woord „maken” vroeger
-wel een concrete beteekenis hebben gehad, die wij nu niet meer kennen.
-
-Terwijl wij dus zien dat de oorspronkelijke taal een algemeen goed is,
-waarop uit den aard der zaak niemand een bijzonder bezitsrecht kan doen
-gelden, blijkt tevens, dat wij slechts tot op zekere hoogte kunnen
-vertrouwen op de kunst der etymologische woordafleiding. Op een zeker
-punt beginnen de algemeene stellingen waarop de etymologie berust, haar
-grond te verliezen, en verder dan de eenvoudige taalwortels hebben zij
-geen recht van bestaan meer. De Egyptische taal kan voor de keuze van
-37 hiëroglyphisch vastgestelde woorden voor het begrip snijden, geen
-andere reden aanvoeren, dan dat elk geluidsbeeld op zich zelf
-beantwoordt aan ieder begrip waarmede deze of gene het wil verbinden;
-bij de keuze van 10 woorden daaruit, die weder verschillende
-begripsnuances uitdrukken, heeft het Koptisch zich laten leiden door
-het reeds genoemde proces van uitkiezing; waarvan de bijzonderheden
-niet verder kunnen worden nagegaan.
-
-Het schijnt ons toe, dat de in dit opstel uiteengezette theorie
-ongetwijfeld waarde bezit voor de verklaring van het ontstaan der
-spraak en taal, zoo niet om geheel de plaats der andere theorieën in te
-nemen, dan toch daarnevens. Die der klanknabootsing b.v. is volstrekt
-niet met deze in strijd, maar kan er meê samengaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.—VERVOLG.
-
- Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van
- gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige
- leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is
- een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen
- andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen
- worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven
- worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De
- belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde
- maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke
- neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken
- vermelde feiten leiden.
-
-
-Ik beaam ten volle het gevoelen van die schrijvers [248], welke
-beweren, dat van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere
-dieren het zedelijk gevoel of geweten verreweg het belangrijkste is.
-Aan dit gevoel komt, zooals Mackintosh [249] opmerkt, van rechtswege de
-heerschappij toe over alle drijfveêren van de handelingen der menschen;
-het ligt opgesloten in dat korte, maar gebiedende woord plicht, een
-woord zoo vol van hooge beteekenis. Het is het edelste van alle
-kenmerken van den mensch; het brengt hem er toe om zonder een oogenblik
-te aarzelen zijn leven voor een medemensch te wagen, of om het na rijp
-beraad, alleen door zijn diep gevoel van recht gedreven, voor het eene
-of andere groote beginsel op te offeren. Immanuel Kant roept uit:
-„Plicht! wondervolle gedachte, die noch door vleierij, noch door eenige
-bedreiging, noch ook door u dwaselijk op te dringen, maar alleen door
-uw naakte wet aan de ziel te doen hooren, op den mensch inwerkt en zoo
-voor u zelve altijd eerbied, hoewel niet altijd gehoorzaamheid
-afdwingt; gij, voor wien alle zinnelijke lusten verstommen, hoe sterk
-zij zich ook in het geheim mogen verzetten, wat is uw oorsprong?” [250]
-
-Dit groote vraagstuk is door vele schrijvers [251] van erkende
-bekwaamheid besproken en mijn eenige verontschuldiging, dat ook ik het
-waag het te bespreken, is, dat ik het hier onmogelijk onvermeld kan
-laten, en dat niemand, voor zoover ik weet, het nog uit een
-natuurhistorisch oogpunt heeft beschouwd. Daarom is die
-beschouwingswijze op zich zelve van eenig belang, als een proef om te
-zien, in hoeverre de studie der lagere diersoorten licht kan werpen op
-een der hoogste zielsvermogens van den mensch.
-
-De stelling komt mij in hooge mate waarschijnlijk voor, dat elk dier
-dat goed ontwikkelde sociale instinkten bezit [252], ongetwijfeld
-zedelijk gevoel of een geweten zou verkrijgen, zoodra zijn
-verstandelijke vermogens even goed ontwikkeld of bijna even goed
-ontwikkeld waren geworden als die van den mensch. Want eerstens leiden
-de sociale instinkten een dier er toe om behagen te scheppen in het
-gezelschap zijner mededieren, om tot op zekere hoogte medegevoel met
-hen te hebben en hun verschillende diensten te bewijzen. Deze diensten
-kunnen van een beperkten en duidelijk instinktmatigen aard zijn, of er
-kan, zooals bij de meeste hoogere sociale dieren het geval is, slechts
-de wensch en de bereidvaardigheid bestaan om andere dieren op zekere
-algemeene wijzen te helpen. Deze gevoelens en diensten worden echter
-geenszins uitgestrekt tot alle dieren van de zelfde soort, maar alleen
-tot die welke tot de zelfde vereeniging behooren. In de tweede plaats
-zullen, zoodra de geestvermogens hoog ontwikkeld zijn, beelden van alle
-vroegere handelingen en beweegredenen onophoudelijk het brein van elk
-individu doorkruisen, en dat gevoel van onvoldaanheid, dat, zooals wij
-later zullen zien, het gevolg is van elk onbevredigd instinkt, zal even
-dikwijls ontstaan als men bemerkt dat het duurzame en steeds
-tegenwoordige instinkt heeft moeten onderdoen voor een ander instinkt,
-op dat oogenblik krachtiger, maar geen zeer levendigen indruk
-achterlatende. Het is duidelijk dat vele instinktmatige begeerten, b.v.
-van honger, uit haar aard slechts kort van duur zijn en na haar
-bevrediging niet gemakkelijk of levendig in het geheugen worden
-teruggeroepen. In de derde plaats zal, nadat het vermogen om te spreken
-is verkregen en de meeningen van de leden van een zelfde vereeniging
-duidelijk en juist kunnen worden uitgedrukt, het algemeene gevoelen
-over de wijze waarop elk lid moet handelen om het algemeen welzijn te
-bevorderen, natuurlijk voor een groot deel het richtsnoer der
-handelingen worden. De sociale instinkten zullen echter nog steeds den
-eersten stoot geven aan het handelen voor het algemeen welzijn, maar
-die stoot zal versterkt, bestuurd, ja soms van richting veranderd
-worden door de publieke opinie, waarvan de macht, zooals wij zullen
-zien, op instinktmatig medegevoel berust. Eindelijk zal niet alleen
-gehoorzaamheid aan de wenschen en het oordeel van het publiek, maar ook
-de individueele gewoonte ten laatste een zeer belangrijk aandeel
-verkrijgen in het besturen van het gedrag van elk lid; want de sociale
-instinkten of aandriften zullen evenals alle andere instinkten zeer
-versterkt worden door gewoonte. Deze verschillende ondergeschikte
-stellingen moeten nu besproken worden en sommigen er van zeer
-uitvoerig.
-
-Het zal goed zijn eerst de verklaring af te leggen, dat ik niet wil
-beweren, dat eenige strikt sociale diersoort, als haar verstandelijke
-vermogens even werkzaam en even hoog ontwikkeld waren als die van den
-mensch, ook juist het zelfde zedelijk gevoel zou verkrijgen als wij. Op
-de zelfde wijze als verscheidene dieren eenig schoonheidsgevoel
-bezitten, hoewel zij uiterst verschillende zaken bewonderen, zouden zij
-ook een gevoel van goed of kwaad kunnen bezitten, hoewel dat hen
-aandreef om uiterst verschillende gedragslijnen te volgen. Indien,
-b.v., om een uiterste te noemen, de mensch onder volkomen de zelfde
-voorwaarden was opgevoed als de honigbijen, kan men nauwelijks
-betwijfelen, of onze ongehuwde vrouwen zouden het, evenals de
-werkbijen, voor een heiligen plicht houden, haar broeders te dooden, en
-moeders zouden haar vruchtbare dochters trachten te vermoorden, zonder
-dat iemand er over dacht om tusschenbeide te komen. (1) Toch zou de
-bij, of eenig ander sociaal dier, in het door ons onderstelde geval
-eenig gevoel van goed of kwaad of een geweten verkrijgen. Elk individu
-toch zou zich bewust worden, dat het sommige sterkere en meer duurzame
-instinkten bezat, en andere, die minder sterk of duurzaam waren; zoodat
-er dikwijls een strijd zou ontstaan over de vraag, welke aandrift moest
-worden gevolgd; en als vroegere indrukken, gedurende hun onophoudelijk
-voor den geest kruisen, met elkander werden vergeleken, zou het zich
-voldaan of onvoldaan gevoelen. In dit geval zou een inwendige stem het
-dier zeggen, dat het beter zou zijn geweest de eene aandrift te volgen
-dan de andere. Die eerste aandrift te volgen zou plicht zijn geweest:
-die eerste aandrift zou goed en de andere slecht zijn geweest; maar op
-deze woorden zal ik moeten terugkomen.
-
-
-
-Het gezellige leven. Verscheidene diersoorten leven gezellig; soms
-leeft zelfs meer dan ééne soort gezellig te zamen, zooals met sommige
-Amerikaansche apen en met de vereenigde vluchten van roeken, kauwen en
-spreeuwen het geval is. De mensch toonde het zelfde gevoelen in zijn
-sterke liefde voor den hond, die de hond met belangstelling
-beantwoordt. Iedereen moet hebben opgemerkt, hoe ongelukkig paarden,
-honden, schapen enz. zijn, als zij van hun makkers worden gescheiden,
-en hoeveel genegenheid ten minste de beide eerste diersoorten voor
-elkander toonen als zij vereenigd zijn. Men kan merkwaardige
-bespiegelingen maken over de gevoelens van een hond, die met zijn
-meester of iemand van diens gezin uren lang rustig in de kamer blijft
-liggen, hoewel men zich volstrekt niet met hem bemoeit, doch droevig
-blaft en huilt, als men hem een oogenblik alleen laat. Wij zullen onze
-aandacht bepalen tot de hoogere sociale dieren, met uitsluiting van de
-insekten, hoewel deze elkander op vele belangrijke wijzen helpen. De
-meest algemeene dienst dien de hoogere dieren elkander bewijzen, is het
-waarschuwen voor gevaar door middel van de zintuigen van allen. Ieder
-jager weet, zooals Dr. Jaeger opmerkt [253], hoe moeilijk het is
-dieren, die in een troep of kudde bijeen zijn, te naderen. Wilde
-paarden en rundvee geven, geloof ik, volstrekt geen bijzonder teeken om
-voor gevaar te waarschuwen, maar de houding van den eersten die een
-vijand ontdekt, waarschuwt de anderen. Konijnen waarschuwen voor gevaar
-door met hun achterpooten luid op den grond te stampen; schapen en
-gemzen doen het zelfde met de voorpooten en uiten daarbij tevens een
-fluitend geluid. Vele vogels en sommige zoogdieren zetten schildwachten
-uit, waarvoor, naar men zegt, bij de zeehonden gewoonlijk de wijfjes
-worden gebruikt. [254] De aanvoerder van een troep apen handelt als een
-schildwacht, maakt geluiden, zoowel om gevaar als om veiligheid uit te
-drukken. [255] Sociale dieren bewijzen elkander vele kleine diensten;
-paarden beknabbelen en koeien likken elkander op plaatsen die hen
-jeuken; apen luizen elkander, en Brehm getuigt, dat, wanneer een troep
-apen van een zekere soort (Cercopithecus griseoviridis) een dicht
-doornachtig kreupelbosch zijn doorgetrokken, elke aap op een tak gaat
-liggen, waarop een andere aap bij hem komt zitten, zijn haar zeer
-„conscientieus” doorzoekt, en elken doorn of stekel er uithaalt.
-
-Dieren bewijzen elkander ook belangrijke diensten; zoo jagen wolven en
-sommige andere roofdieren in troepen, en helpen elkander om hun
-slachtoffers aan te vallen. Pelikanen visschen gezamenlijk. De
-Hamadryas-bavianen keeren steenen om, om insekten te vinden, en als zij
-aan een bijzonder grooten steen komen, gaan er zoovelen van hen
-daaromheên staan, als de plaats toelaat, en daarna deelen zij den buit.
-Sociale dieren verdedigen elkander wederkeerig. De mannetjes van
-sommige herkauwende dieren begeven zich, als er gevaar is, in de
-voorhoede en verdedigen de kudde met hun horens. In een volgend
-hoofdstuk zal ik gevallen mededeelen van twee jonge stieren die
-gezamenlijk een ouden stier aanvielen, en van twee hengsten die te
-zamen beproefden een derden hengst van een troep merries weg te
-drijven. Brehm ontmoette in Abessinië een grooten troep bavianen die
-een vallei doortrokken; sommige hadden den berg aan de andere zijde
-reeds beklommen en andere waren nog in de vallei; deze laatste werden
-door honden aangevallen, maar de oude mannetjes klommen dadelijk in
-allerijl de rotsen weder af en brulden zoo vreeselijk met open muil,
-dat de honden overhaast de vlucht namen. Zij werden aangehitst om den
-aanval te hervatten; maar in dien tusschentijd waren al de bavianen
-weder op de hoogte geklommen, uitgenomen één jong van omtrent zes
-maanden oud, dat, luid om hulp schreeuwende, op een rotsblok klom en
-werd omsingeld. Daarop klom één van de grootste mannetjes, een waar
-held, weder van den berg af, liep langzaam naar het jong toe,
-liefkoosde het, en nam het zegepralend mede, terwijl de honden te
-overbluft waren om aan te vallen. Ik kan geen weêrstand bieden aan den
-lust om nog een ander tooneel mede te deelen, dat door den zelfden
-natuuronderzoeker werd waargenomen; een arend greep een jongen
-Cercopithecus, die, omdat hij zich aan een tak vastklemde, niet opeens
-werd medegevoerd; hij schreeuwde luid om hulp, waarop de overige leden
-van den troep met groot misbaar tot ontzet aanrukten, den arend
-omringden en hem zooveel vederen uitrukten, dat hij niet langer dacht
-om zijn prooi, maar alleen hoe hij zou ontsnappen. Deze arend zal,
-zooals Brehm opmerkt, wel nooit meer een aap uit een troep hebben
-aangevallen.
-
-Het is zeker, dat sociale dieren die tot ééne vereeniging behooren,
-voor elkander een gevoel van liefde hebben, dat volwassen niet-sociale
-dieren niet bezitten. In hoever zij in de meeste gevallen medegevoel
-hebben voor elkanders verdrietelijkheden en genoegens, is
-twijfelachtiger, vooral ten opzichte van de laatste. De heer Buxton
-echter, die uitnemende gelegenheid tot waarneming bezat [256], getuigt,
-dat zijn papegaaien, die te Norfolk in vrijen staat leefden, „een
-buitensporig belang” stelden in een paar met een nest, en dat, wanneer
-ook het wijfje het verliet, zij werd omringd door een troep, die
-afgrijselijke toejuichingen te harer eere uitgilden. Het is dikwijls
-moeilijk om te beoordeelen in hoeverre dieren eenig gevoel voor
-elkanders lijden hebben. Wie kan zeggen, wat koeien gevoelen, als zij
-een stervenden of dooden makker omringen en stijf aanstaren? Dat dieren
-soms volstrekt geen medelijden met elkander hebben, is maar al te
-zeker; want zij zullen een gewond dier uit hun kudde verdrijven, of
-doodsteken of plagen. Dit is bijna het zwartste feit in de natuurlijke
-geschiedenis, tenzij de verklaring, die men er van heeft gegeven,
-inderdaad de ware is, dat namelijk hun instinkt of verstand hen
-aandrijft om een gekwetsten makker te verdrijven, uit vreeze dat
-roofdieren, de mensch niet uitgezonderd, zouden worden verlokt om de
-kudde te volgen. In dit geval is hun gedrag niet veel erger dan dat van
-de Noord-Amerikaansche Indianen, die hun zwakke stamgenooten in de
-prairiën achterlaten om daar te sterven, of dat van de
-Fidsji-eilanders, die hun ouders, als zij oud of ziek zijn geworden,
-levend begraven. [257]
-
-Vele dieren hebben echter ongetwijfeld medegevoel voor elkanders
-ongeluk of gevaar. Dit is zelfs bij vogels het geval; kapitein
-Stansbury [258] vond in een zoutmeer in Utah een ouden en geheel
-blinden pelikaan, die zeer vet was, en gedurende langen tijd door zijn
-metgezellen goed moest zijn gevoerd. De heer Blyth deelt mij mede, dat
-hij heeft gezien, dat Indische kraaien twee of drie hunner makkers, die
-blind waren, voedden; en ik heb een dergelijk geval gehoord van het
-gewone hoen. Wij kunnen deze handelingen, als wij willen, instinktmatig
-noemen, maar zulke gevallen zijn veel te zeldzaam voor de ontwikkeling
-van eenig bijzonder instinkt. [259] Ik heb zelf een hond gezien, die
-een vriendin van hem, een kat, die ziek in een mand lag, nooit
-voorbijging zonder haar eens of meermalen met zijn tong te likken, het
-zekerste bewijs van vriendschap bij een hond.
-
-Het gevoel, dat een moedigen hond er toe brengt om iedereen die zijn
-meester slaat, aan te vliegen, zooals hij ongetwijfeld zal doen,
-verdient den naam van medegevoel (sympathie). Ik zag iemand, die zich
-hield, alsof hij een dame wilde slaan, die een zeer vreesachtig hondje
-op haar schoot had, en deze proef was nog nooit genomen. Het kleine
-schepsel sprong dadelijk weg, maar, nadat de voorgewende slag was
-gegeven, was het wezenlijk aandoenlijk te zien, hoe lang het het
-gezicht van zijn meesteres likte, en haar trachtte te troosten. Brehm
-[260] zegt, dat, als hij een van de bavianen die hij in gevangen staat
-bezat, vervolgde om hem te straffen, de anderen dezen trachtten te
-beschermen. Het moet in de bovenvermelde gevallen medegevoel zijn
-geweest, dat de bavianen en Cercopitheci er toe bracht om hun jonge
-kameraden tegen de honden en den arend te verdedigen. Ik wil nog
-slechts één enkel ander voorbeeld aanhalen, namelijk het medelijdend en
-heldhaftig gedrag van een kleinen Amerikaanschen aap. Verscheidene
-jaren geleden vertoonde een oppasser in den Londenschen dierentuin mij
-eenige diepe en nauwelijks genezen wonden in den nek, die hem door een
-kwaadaardigen baviaan waren toegebracht, terwijl hij op den grond
-knielde. Het Amerikaansche aapje, dat een warm vriend van zijn oppasser
-was, bevond zich in de zelfde kooi, en was verbazend verschrikt van den
-grooten baviaan. Zoodra het echter zag, dat zijn vriend, de oppasser,
-in gevaar verkeerde, snelde het te hulp, en door zijn gegil en zijn
-beten bracht het den baviaan zoo in de war, dat de man in staat was te
-ontsnappen, na, volgens de meening van den heelmeester die hem
-verzorgde, groot levensgevaar te hebben geloopen.
-
-Behalve liefde en medegevoel vertoonen dieren nog andere hoedanigheden
-die bij ons zedelijk zouden worden genoemd, en ik ben met Agassiz [261]
-eens, dat honden iets bezitten, dat zeer sterk op een geweten gelijkt.
-(2) Zij bezitten ongetwijfeld eenig vermogen van zelfbeheersching, en
-dit schijnt niet geheel en al een gevolg van vrees te zijn. Zooals
-Braubach [262] opmerkt, zal een hond zich weêrhouden voedsel te stelen
-bij afwezigheid van zijn meester. Honden zijn lang beschouwd als het
-eigenlijke type van getrouwheid en gehoorzaamheid. Doch de olifant is
-eveneens zeer getrouw aan zijn kornak of oppasser, en beschouwt hem
-waarschijnlijk als den aanvoerder van de kudde. Dr. Hooker meldt mij,
-dat een olifant waarop hij in Indië reed, zoo diep in het slijk zonk,
-dat hij bleef vastzitten tot den volgenden dag, toen hij er door
-menschen met touwen werd uitgehaald. In dergelijke gevallen grijpen
-olifanten met hun snuit alle voorwerpen, dood of levend, om ze onder
-hun knieën te plaatsen om daardoor te voorkomen, dat zij dieper in het
-slijk zinken; en de kornak was vreeselijk bang, dat het dier Dr. Hooker
-zou grijpen en dooddrukken. Maar de kornak zelf liep, naar men Dr.
-Hooker verzekerde, volstrekt geen gevaar. Dit gedrag bij een voor een
-zwaar dier zoo vreeselijk ongeval, is een verwonderlijk bewijs van
-edele trouw. [263]
-
-Alle dieren die in troepen leven, elkander verdedigen en hun vijanden
-gezamenlijk aanvallen, moeten tot op zekere hoogte elkander getrouw
-zijn, en die welke een aanvoerder volgen, moeten tot op zekere hoogte
-gehoorzaam zijn. Als de bavianen in Abessinië [264] een tuin plunderen,
-volgen zij zoo stil mogelijk hun aanvoerder, en als een onvoorzichtig
-jong dier gedruisch maakt, krijgt het van de anderen een oorveeg om het
-stilte en gehoorzaamheid te leeren; maar zoodra zij zeker zijn dat er
-geen gevaar is, toonen allen hun vreugde door een luid geschreeuw.
-
-De heer Galton, die uitstekend in de gelegenheid is geweest om de
-halfwilde runderen in Zuid-Afrika waar te nemen, zegt [265], dat zij
-zelfs een zeer korte scheiding van de kudde niet kunnen verdragen. Zij
-zijn zeer slaafsch, volgen na wat de anderen doen en zoeken geen beter
-lot dan om te worden geleid door den eersten den besten stier die
-zelfvertrouwen genoeg heeft om de positie aan te nemen. De mannen die
-deze dieren vangen om er trekossen van te maken, geven vlijtig acht op
-die, welke door afzonderlijk te grazen bewijzen dat zij zelfvertrouwen
-bezitten, en deze dresseeren zij om deel uit te maken van het voorste
-span ossen. De heer Galton voegt er bij, dat dergelijke dieren zeldzaam
-en kostbaar zijn, en, als er vele werden geboren, zouden zij spoedig
-worden opgeruimd, daar de leeuwen altijd loeren op de individu’s, die
-zich van de kudde verwijderen.
-
-Wat de oorzaak aangaat, die sommige dieren aandrijft om gezellig te
-leven en elkander op vele wijzen te helpen, mogen wij aannemen, dat zij
-in de meeste gevallen worden aangedreven door het zelfde gevoel van
-voldoening of genoegen, dat zij ondervinden bij het volbrengen van
-andere instinktmatige handelingen; of door het zelfde gevoel van
-onvoldaanheid, als in andere gevallen, waarin instinktmatige
-handelingen worden verhinderd. Wij zien zulks in tallooze voorbeelden,
-en het wordt op treffende wijze aangetoond door de instinkten die onze
-huisdieren na hun temming hebben verkregen; zoo schept een jonge
-schaapherdershond er behagen in om een kudde schapen te drijven en om
-dezelve heên te loopen, maar niet om hen te plagen; een jonge voshond
-houdt veel van de vossenjacht, terwijl ik heb opgemerkt, dat sommige
-andere hondenrassen volstrekt geen acht op vossen slaan. Wat moet het
-gevoel van inwendige voldoening sterk zijn bij een vogel, een wezen zoo
-vol bewegelijkheid, als hij den eenen dag voor en den anderen na zijn
-eieren zit uit te broeden. Trekvogels gevoelen zich ongelukkig, als men
-hun belet weg te trekken, en wellicht hebben zij veel genoegen als zij
-hun langen tocht aanvangen. Het is echter moeilijk te gelooven, dat de
-arme gekortwiekte gans welke Audubon heeft beschreven, die, toen de
-tijd van trekken daar was, te voet vertrok voor haar reis van
-waarschijnlijk meer dan duizend mijlen, eenig genoegen in haar
-handeling zal hebben gehad.
-
-Eenige weinige instinkten zijn het gevolg van uitsluitend onaangename
-gewaarwordingen, zooals van vrees, die tot zelfbehoud leidt of meer in
-’t bijzonder tegen bepaalde vijanden is gericht. Niemand kan, geloof
-ik, het gevoel van genoegen of van smart ontleden. In vele gevallen is
-het echter waarschijnlijk, dat instinkten voortdurend worden gevolgd
-alleen krachtens de overerving, zonder den prikkel van genoegen of
-smart. Als een jonge staande hond, voor de eerste maal wild ruikende,
-staan blijft, is het duidelijk, dat hij zulks onbewust doet. Als een
-eekhoorn in een kooi op de noten klopt, die hij niet kan eten, even
-alsof hij ze in den grond wilde begraven, kan men moeilijk aannemen,
-dat hij daartoe door genoegen of smart wordt aangedreven. De gewone
-meening, dat de mensch tot iedere handeling moet worden aangedreven
-door het ondervinden van eenig genoegen of eenige smart, zou daarom wel
-een dwaling kunnen zijn. Hoewel een gewoonte soms blindelings en
-onvoorwaardelijk moge worden gevolgd, onafhankelijk van eenig dadelijk
-gevoel van genoegen of smart, ondervindt men toch, als die gewoonte
-plotseling met geweld wordt tegengegaan, over het algemeen een
-onbestemd gevoel van onvoldaanheid; en dit is vooral het geval bij
-verstandelijk weinig ontwikkelde personen.
-
-Men heeft dikwijls beweerd, dat dieren eerst een gezellige levenswijze
-aannamen, en dat zij het, als een gevolg daarvan, onaangenaam vonden
-van elkander te scheiden en er behagen in schepten om bij elkander te
-zijn; het is echter waarschijnlijker, dat deze laatste gevoelens het
-eerst werden ontwikkeld, en dat, als een gevolg daarvan, de dieren voor
-welke het gezellige leven voordeelig was, er toe kwamen in gezelschap
-te leven. Op de zelfde wijze werden ongetwijfeld het gevoel van honger
-en de aangename gewaarwordingen bij het eten eerst verkregen om
-daardoor de dieren aan te drijven om te eten. Het gevoel van behagen in
-gezelschap is waarschijnlijk een uitbreiding van de ouderlijke of
-kinderlijke liefde, en deze uitbreiding moet voornamelijk worden
-toegeschreven aan natuurlijke teeltkeus, maar waarschijnlijk
-gedeeltelijk alleen aan gewoonte. Want bij die dieren voor welke het
-voordeelig was gezellig te leven, ontsnapten de individu’s die het
-meest behagen schepten in gezelschap, ook het best aan allerlei
-gevaren; terwijl zij die het minst omzagen naar metgezellen en eenzaam
-leefden, in grooter getal omkwamen. Bespiegelingen te maken over den
-oorsprong van de ouderlijke en kinderlijke liefde, die de grondslag der
-sociale genegenheid schijnen te zijn, is een hopelooze zaak; maar wij
-mogen aannemen, dat zij voor een groot deel door natuurlijke teeltkeus
-zijn verkregen. (3) Het is bijna zeker, dat ook het ongewone en
-tegenovergestelde gevoel van haat tusschen de naaste betrekkingen,
-zooals bij de werkbijen, die hun broeders de darren (4), en bij de
-bijenkoninginnen, die haar vruchtbare dochters ombrengen, op de zelfde
-wijze is verkregen; want in dit geval strekte de aandrift om haar
-naaste betrekkingen te dooden, in plaats van ze lief te hebben, aan het
-gemeenebest tot voordeel. Ouderliefde of een of ander gevoel dat de
-plaats daarvan inneemt, heeft zich ontwikkeld bij sommige dieren die
-uiterst laag in de reeks staan, bij voorbeeld bij zeesterren en
-spinnen. Zij bestaat somtijds ook alleen bij eenige weinige leden van
-een geheele groep van dieren, zooals in het geslacht (genus) Forficula
-of der Oorwormen.
-
-De hoogst belangrijke aandoening van medegevoel (sympathie) is zeer
-onderscheiden van die der liefde. Een moeder moge haar slapend en
-lijdelijk kind hartstochtelijk liefhebben, men kan moeielijk zeggen,
-dat zij er sympathie voor gevoelt. De liefde van een man voor zijn hond
-is onderscheiden van medegevoel, en evenzoo die van den hond voor zijn
-meester. Adam Smith beweerde indertijd, evenals de heer Bain onlangs,
-dat de grondslag van het medegevoel daarin is gelegen, dat wij ons
-vroegere aangename of onaangename toestanden levendig herinneren. Van
-daar „roept het gezicht van een ander persoon, die honger of koude
-lijdt of vermoeid is, die toestanden, waarvan zelfs de gedachte ons
-onaangenaam aandoet, in ons geheugen terug.” Wij worden daardoor
-aangedreven om het lijden van anderen te verzachten, opdat ook onze
-eigen onaangename aandoeningen zouden worden verzacht. Op de zelfde
-wijze komen wij er toe om in het genoegen dat anderen smaken, te
-deelen. [266] Ik kan echter niet inzien, hoe deze beschouwingswijze het
-feit verklaart, dat ons medegevoel in oneindig hoogere mate wordt
-opgewekt door een bemind, dan door een onverschillig persoon. Het
-gezicht alleen van het lijden zou, onafhankelijk van liefde, voldoende
-zijn om levendige herinneringen en gedachtenverbindingen in ons op te
-wekken. De verklaring ligt wellicht daarin, dat bij alle dieren het
-medegevoel alleen wordt gevoeld voor alle leden der zelfde vereeniging,
-en dus voor bekende en meer of min beminde individu’s, maar niet voor
-alle individu’s van de zelfde soort. Dit feit is niet verwondelijker
-dan dat vele dieren slechts vrees gevoelen voor bijzondere vijanden.
-Soorten die niet gezellig (sociaal) zijn, zooals leeuwen en tijgers,
-voelen ongetwijfeld medegevoel voor het lijden van hun eigen jongen,
-maar niet voor dat van eenig ander dier. Bij den mensch bevorderen
-eigenbelang, ondervinding en zucht tot nabootsing, zooals de heer Bain
-heeft aangetoond, ongetwijfeld het medegevoel; want de hoop om op onze
-beurt goed te worden behandeld, drijft ons aan om anderen op
-sympathieke en vriendschappelijke wijze te behandelen; en het kan niet
-worden betwijfeld, dat het medegevoel door de gewoonte zeer wordt
-versterkt. Op hoe samengestelde wijze een gevoel ook moge zijn
-ontstaan, zal het toch, wanneer het van hoog belang is voor al die
-dieren welke elkander helpen en beschermen, door natuurlijke teeltkeus
-zijn vermeerderd; want die vereenigingen die het grootste aantal
-medegevoel bezittende leden bevatten, zullen het meest bloeien en de
-grootste nakomelingschap achterlaten.
-
-In vele gevallen is het volkomen onmogelijk om te beslissen, of sommige
-sociale instinkten zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, dan wel,
-of zij het indirecte gevolg zijn van andere instinkten en vermogens,
-zooals van medegevoel, rede en neiging tot nabootsing; of dat zij
-eindelijk eenvoudig het gevolg zijn van lang voortgezette gewoonten.
-Zulk een merkwaardig instinkt als dat om schildwachten uit te zetten om
-de vereeniging voor gevaar te waarschuwen, kan moeilijk het indirecte
-gevolg zijn geweest van eenig ander vermogen; het moet daarom
-rechtstreeks zijn verkregen. Van den anderen kant is wellicht de
-gewoonte van de mannetjes van sommige sociale dieren om de vereeniging
-te verdedigen of gemeenschappelijk hun vijand of hun prooi aan te
-vallen, oorspronkelijk uit wederkeerig medegevoel ontstaan; maar eerst
-moeten moed en in de meeste gevallen ook kracht zijn verkregen,
-waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus.
-
-Van de verschillende instinkten en gewoonten zijn sommige veel sterker
-dan andere, dat wil zeggen, sommige geven òf meer genoegen wanneer men
-er gehoor aan geeft, en meer smart, wanneer men wordt verhinderd ze te
-volgen, òf, hetgeen waarschijnlijk even belangrijk is, zij worden door
-overerving standvastiger gevolgd zonder eenig bijzonder gevoel van
-genoegen of smart te veroorzaken. Wij zijn ons zelven bewust, dat
-sommige gewoonten moeilijker na te laten of te veranderen zijn dan
-andere. Van daar kan men bij dieren dikwijls een strijd tusschen
-verschillende instinkten of tusschen instinkt en eenige door gewoonte
-verkregen neiging waarnemen; b.v. als een hond op een haas toesnelt, of
-beschaamd tot zijn meester terugkeert; of tusschen de liefde van een
-teef voor haar jongen en die voor haar meester; want men kan soms
-opmerken, hoe zij ter sluiks naar hen toesluipt, alsof zij half
-beschaamd was dat zij niet met haar meester meêging. Het merkwaardigste
-voorbeeld echter, dat mij bekend is van de overwinning van het eene
-instinkt op het andere, is die van het trekinstinkt op het moederlijk
-instinkt. Het eerste is wonderlijk sterk; een opgesloten vogel zal, als
-de tijd van het trekken daar is, zijn borst tegen de traliën van zijn
-kooi slaan, totdat die naakt en bebloed is. Het drijft jonge zalmen aan
-om het zoete water te verlaten, waarin zij nog konden blijven leven, en
-zoo onwillekeurig een zelfmoord te begaan. Iedereen weet hoe sterk het
-moederlijk instinkt is, dat zelfs aan vreesachtige vogels den moed
-geeft om aan groote gevaren het hoofd te bieden, hoewel met aarzeling
-en in weêrwil van het instinkt van zelfbehoud. Het trekinstinkt is
-echter zoo machtig, dat zwaluwen en gierzwaluwen dikwijls laat in den
-herfst hun teedere jongen verlaten, en hen zoo in hun nesten aan een
-ellendigen dood prijs geven. [267]
-
-Wij kunnen begrijpen, hoe een instinktmatige aandrift, indien zij op de
-eene of andere wijze voordeeliger voor een soort was dan eenig ander
-tegenovergesteld instinkt, de machtigste van de twee gemaakt zou worden
-door natuurlijke teeltkeus; want van de individu’s bij welke het
-instinkt het sterkst was ontwikkeld, zouden meer blijven leven, dan van
-de andere. Of dit echter het geval is met het trekinstinkt in
-tegenoverstelling met het moederlijk instinkt, is hoogst twijfelachtig.
-De groote standvastigheid en voortdurende werking van het eerste op
-sommige tijden van het jaar gedurende den geheelen dag, geeft het
-wellicht voor een tijd een onbeperkte macht.
-
-
-
-De mensch is een sociaal dier.—Bijna iedereen geeft toe, dat de mensch
-een sociaal wezen is. Wij zien dit uit zijn afkeer van de eenzaamheid
-en zijn verlangen naar gezelschap behalve dat van zijn eigen huisgezin.
-Sommige schrijvers onderstellen, dat de mensch oorspronkelijk in
-afzonderlijke huisgezinnen leefde; maar hoewel tegenwoordig
-afzonderlijke huisgezinnen, of slecht twee of drie te zamen, de
-eenzaamheden van sommige woeste landen doorkruisen, zijn zij, zoover ik
-kan nagaan, altijd bevriend met andere huisgezinnen die de zelfde
-streek bewonen. Dergelijke huisgezinnen houden somtijds vergaderingen
-en vereenigen zich tot hun gemeenschappelijke verdediging. Het is geen
-bewijs tegen de stelling dat de wilde mensch een sociaal dier is, dat
-de stammen die aangrenzende streken bewonen, bijna altijd in oorlog met
-elkander zijn; want de sociale instinkten strekken zich nooit uit tot
-al de individu’s van de zelfde soort. Te oordeelen naar de analogie van
-de meeste vierhandige zoogdieren, is het waarschijnlijk, dat de
-voormalige stamouders van den mensch eveneens sociale dieren waren;
-maar dit is voor ons niet van veel belang. Hoewel de mensch, zooals hij
-tegenwoordig is, slechts weinige bijzondere instinkten bezit, wellicht
-omdat hij er eenige heeft verloren, die zijn voormalige stamhouders
-bezaten, is dat nog geen reden, waarom hij niet een zekere mate van
-instinktmatige liefde en medegevoel voor zijn medemenschen behouden zou
-hebben. Wij zijn inderdaad ons zelven bewust, dat wij dergelijke
-sympathetische gevoelens bezitten [268], maar dit bewustzijn leert ons
-nog niet, of die gevoelens instinktmatig zijn en in lang vervlogen
-tijden op de zelfde wijze zijn ontstaan als bij de lagere dieren, dan
-of zij door ieder onzer gedurende zijn prille jeugd zijn verkregen.
-Daar de mensch een sociaal dier is, is het ook waarschijnlijk, dat hij
-de neiging om aan zijn makkers getrouw te zijn overerfde, want deze
-hoedanigheid bezitten de meeste sociale dieren. Hij moest op de zelfde
-wijze eenig vermogen om zich zelf te beheerschen en wellicht om
-gehoorzaam te zijn aan den aanvoerder der vereeniging bezitten. Hij
-moest door een overgeërfde neiging steeds bereid zijn om gezamenlijk
-met anderen zijn medemenschen te verdedigen en om hen te helpen op elke
-wijze die niet al te sterk inbreuk maakte op zijn eigen welvaart of
-zijn eigen sterke begeerten.
-
-De sociale dieren die geheel beneden op de ladder staan, worden bijna
-uitsluitend, en die welke hooger op de ladder staan, voor een groot
-deel door bijzondere instinkten geleid tot de hulp die zij aan leden
-der zelfde vereeniging geven; maar zij worden gedeeltelijk ook gedreven
-door wederkeerige liefde en medegevoel, waarschijnlijk door een zekere
-hoeveelheid rede geholpen. Hoewel de mensch, zooals zooeven is
-opgemerkt, geen bijzondere instinkten bezit om hem te leeren, hoe hij
-zijn medemenschen moet helpen, heeft hij toch de aandrift daartoe, en
-wordt met zijn verbeterde verstandelijke vermogens in dit opzicht voor
-een groot deel door rede en ondervinding geleid. Het instinktmatige
-medegevoel moet ook veroorzaken, dat hij hooge waarde toekent aan de
-goedkeuring zijner medemenschen; want, zooals de heer Bain duidelijk
-heeft aangetoond [269], het haken naar lof en de sterke zucht naar
-roem, en de nog sterker afkeer van minachting en schande, „hebben hun
-grond in de werking van het medegevoel.” Bijgevolg moeten de wenschen,
-de goed- of afkeuring zijner medemenschen, uitgedrukt door gebaren en
-taal, grooten invloed op den mensch uitoefenen. Aldus drijven de
-sociale instinkten, die door den mensch zijn verkregen toen hij nog
-zeer onbeschaafd was, en waarschijnlijk zelfs reeds door zijn
-voormalige op apen gelijkende voorouders, hem nog heden aan tot velen
-zijner beste handelingen; maar deze handelingen worden bepaald door de
-uitgedrukte wenschen en het oordeel zijner medemenschen, en ongelukkig
-nog meer door zijn eigen sterke zelfzuchtige begeerten. Maar zoodra de
-gevoelens van liefde en medegevoel en het vermogen van zelfbeheersching
-door de gewoonte worden versterkt, en zoodra het vermogen om te
-redeneeren zich meer ontwikkelt, zoodat de mensch de rechtvaardigheid
-van het oordeel zijner medemenschen kan beoordeelen, zal hij zich,
-onafhankelijk van elke vreugde of smart, tot een bepaalde gedragslijn
-aangedreven gevoelen. Dan kan hij zeggen: ik ben de opperste rechter
-van mijn eigen gedrag, en met de woorden van Kant: ik zal niet in mijn
-eigen persoon de waardigheid der menschheid schenden.
-
-De meer voortdurend werkende sociale instinkten overwinnen die welke
-minder voortdurend werken.—Wij hebben echter tot dusverre het hoofdpunt
-nog niet beschouwd, waarvan het geheele vraagstuk van het zedelijk
-gevoel afhankelijk is. Waarom gevoelt iemand, dat het zijn plicht is
-liever aan de eene instinktmatige begeerte te gehoorzamen, dan aan de
-andere? Waarom heeft hij bitter berouw, als hij heeft toegegeven aan
-het sterke instinkt van zelfbehoud, en zijn leven niet heeft gewaagd om
-dat van een medemensch te redden; of waarom betreurt hij het, voedsel
-te hebben gestolen toen hij hevigen honger had?
-
-Het is in de eerste plaats duidelijk, dat bij den mensch de
-instinktmatige aandriften verschillende graden van kracht bezitten; een
-jonge en vreesachtige moeder zal, aangedreven door het moederlijk
-instinkt, zonder een oogenblik te aarzelen, het grootste gevaar loopen
-voor haar kind, maar niet voor iemand, die niets meer dan een
-medemensch is. Menig man of zelfs menige jongen, die nooit te voren
-zijn leven voor een ander waagde, maar wiens moed en medegevoel goed
-ontwikkeld waren, is zonder acht te slaan op het instinkt van
-zelfbehoud, oogenblikkelijk in het water gesprongen om een verdrinkend
-medemensch te redden. In dit geval werd hij door de zelfde
-instinktmatige oorzaak aangedreven, die het bovenvermelde (blz. 187)
-Amerikaansche aapje aanzette, om den grooten en gevreesden baviaan aan
-te vallen en daardoor zijn oppasser te redden. Dergelijke handelingen
-als de bovenvermelde schijnen eenvoudig daarvan het gevolg te zijn, dat
-de sociale en moederlijke instinkten krachtiger zijn dan elk ander
-instinkt of elke andere drijfveer; want zij worden te oogenblikkelijk
-volbracht, dan dat men ze zou kunnen toeschrijven aan nadenken of aan
-het gevoel van vreugde of smart, hoewel men zich onvoldaan zou gevoelen
-als men ze had nagelaten.
-
-Ik weet, dat sommige personen volhouden, dat handelingen die, evenals
-de bovenvermelde, zonder nadenken worden volbracht, niet onder de
-heerschappij van het zedelijk gevoel staan en niet zedelijk kunnen
-worden genoemd. Zij beperken deze benaming tot handelingen die met
-overleg geschieden, nadat men tegenovergestelde begeerten heeft
-overwonnen, of tot handelingen die uit deze of gene prijzenswaardige
-beweegredenen worden volbracht. Het schijnt echter nauwelijks mogelijk
-een dergelijke scherpe afscheidingslijn te trekken, hoe wezenlijk het
-onderscheid ook moge zijn. Zoover het verheven beweegredenen betreft,
-vindt men vele voorbeelden opgeteekend van barbaren, ontbloot van elk
-gevoel van algemeene welwillendheid jegens het menschdom en volstrekt
-niet door godsdienstige drijfveêren geleid, die, gevangen genomen
-zijnde, na rijp overleg liever hun leven opofferden [270] dan hun
-makkers te verraden; en hun gedrag moet ongetwijfeld als zedelijk
-worden beschouwd. Zoover het overleg en de overwinning over
-tegenovergestelde drijfveêren betreft, kan men soms opmerken, hoe
-dieren aarzelen tusschen twee tegenovergestelde instinkten, b.v. of zij
-hun jongen, dan wel hun makkers in het gevaar zullen bijstaan; echter
-noemt men hun daden, hoewel ten bestwil van anderen gedaan, niet
-zedelijk. Daarenboven zal een handeling die herhaaldelijk door ons is
-volbracht, ten laatste zonder overleg of aarzeling worden gedaan, en
-kan dan moeilijk van een instinkt worden onderscheiden; voorzeker zal
-niemand desniettegenstaande beweren, dat een aldus verrichte handeling
-ophoudt zedelijk te zijn. Van den anderen kant gevoelen wij allen, dat
-een handeling niet als volmaakt kan worden beschouwd, of niet als op de
-meest edele wijze volbracht wordende, behalve wanneer zij uit inwendige
-aandrift wordt volvoerd, zonder overleg of moeite, op de zelfde wijze
-als door iemand wien de vereischte hoedanigheden aangeboren zijn. Hij
-die genoodzaakt is zijn vrees of gebrek aan medegevoel te overwinnen,
-vóór hij handelt, verdient echter in één opzicht meer achting dan de
-man wiens aangeboren neiging hem aandrijft tot een goede handeling,
-zonder dat het hem eenige moeite kost. Daar wij de drijfveêren niet
-kunnen onderscheiden, noemen wij alle handelingen van een bepaalde
-soort zedelijk, wanneer zij door een zedelijk wezen worden volbracht.
-Zedelijk noemen wij een wezen, dat het vermogen bezit zijn vroegere
-handelingen of beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken en ze
-goed- of af te keuren. Wij hebben geen reden om te onderstellen, dat
-eenig lager dier dit vermogen bezit; wanneer dus een aap zich aan
-gevaar blootstelt om zijn makker te helpen, noemen wij zijn gedrag
-daarom nog niet zedelijk. In het geval van den mensch echter, die
-alleen met zekerheid onder de zedelijke wezens kan worden gerangschikt,
-noemt men handelingen van een bepaalde soort zedelijk, hetzij zij met
-overleg na een strijd met tegenovergestelde drijfveêren, of door de
-uitwerkselen van langzamerhand verkregen gewoonte of instinktmatig
-werden volbracht.
-
-Maar om weêr tot ons eigenlijke onderwerp terug te keeren, hoewel
-sommige instinkten machtiger dan andere zijn en dus tot overeenkomstige
-handelingen leiden, kan men echter niet volhouden, dat bij den mensch
-de sociale instinkten oorspronkelijk sterker zijn of door lang
-voortgezette gewoonte sterker zijn geworden dan b.v. de instinkten van
-zelfbehoud, honger, wellust, wraak, enz. Waarom heeft de mensch dan
-berouw, dat hij aan de eene natuurlijke aandrift gehoor heeft gegeven
-in plaats van aan de andere, zelfs al doet hij moeite om elk gevoel van
-berouw uit zijn binnenste te bannen, en waarom gevoelt hij ook, dat het
-zijn plicht is over zijn gedrag berouw te hebben? In dit opzicht
-verschilt de mensch zeer van de lagere dieren. Wij kunnen, echter,
-dunkt mij, met zekere mate van duidelijkheid de oorzaak van dit
-verschil inzien.
-
-De mensch kan wegens de groote werkzaamheid zijner geestvermogens zich
-niet aan het nadenken onttrekken; vroegere indrukken en beelden
-doorkruisen onophoudelijk met duidelijkheid zijn geest. Bij die dieren
-nu die voortdurend gezellig leven, zijn de sociale instinkten altijd
-tegenwoordig en onophoudelijk werkzaam. Dergelijke dieren zijn altijd
-bereid den kreet van gevaar te slaken om de vereeniging te verdedigen
-en om hun makkers volgens hun gewoonte te verdedigen; zij gevoelen ten
-allen tijde, zonder den prikkel van eenigen bijzonderen hartstocht of
-begeerlijkheid, een zekere mate van liefde en medegevoel voor hen; zij
-gevoelen zich ongelukkig als zij gedurende langen tijd van hen worden
-gescheiden, en altijd gelukkig om in hun gezelschap te zijn. Evenzoo
-gaat het met ons zelven. Een mensch die geen spoor van dergelijke
-gevoelens bezat, zou een onnatuurlijk monster zijn. Van den anderen
-kant zijn de begeerte om zijn honger te stillen, of sommige
-hartstochten b.v. wraak, van nature tijdelijk, en kunnen voor een tijd
-volkomen worden bevredigd. Het is ook niet gemakkelijk, ja wellicht
-nauwlijks mogelijk, om met volkomen levendigheid het gevoel b.v. van
-honger voor den geest terug te roepen; en evenmin, zooals dikwijls is
-opgemerkt, dat van eenig lijden. Het instinkt van zelfbehoud wordt
-slechts gevoeld in tegenwoordigheid van het gevaar, en menig lafaard
-heeft zich voor dapper gehouden totdat hij zijn vijand van aangezicht
-tot aangezicht ontmoette. Het verlangen naar de eigendommen van anderen
-is wellicht een even aanhoudend werkende begeerte, als eenige die men
-kan noemen; maar zelfs in dit geval is de voldoening over het
-werkelijke bezit gewoonlijk een zwakker gevoel dan de begeerte er naar;
-menig dief die niet aan het stelen gewoon was, verwonderde zich er
-over, na te zijn geslaagd, dat hij de eene of andere zaak had gestolen.
-[271]
-
-Daar de mensch derhalve niet kan beletten dat oude indrukken
-voortdurend opnieuw zijn geest doorkruisen, zal hij zich aangedreven
-gevoelen om de zwakkere indrukken, b.v. vroegeren honger of botgevierde
-wraakzucht of ten koste van anderen vermeden gevaar te vergelijken met
-het instinkt van medegevoel en welwillendheid jegens zijn medemenschen,
-dat in zijn geest nog bestaat en voortdurend eenigermate werkzaam is.
-Hij zal dan in zijn verbeelding voelen dat een sterker instinkt heeft
-ondergedaan voor een dat nu vergelijkenderwijze zwak schijnt en dan zal
-onvermijdelijk dat gevoel van onvoldaanheid hem bekruipen, waarmede de
-mensch evenals elk ander dier is begaafd, opdat zijn instinkten zouden
-worden gehoorzaamd. Het boven medegedeelde geval van de zwaluw geeft
-een voorbeeld, hoewel van omgekeerden aard, van de overwinning van een
-tijdelijk maar aanhoudend werkzaam instinkt over een ander instinkt,
-dat gewoonlijk alle andere beheerscht. In het daartoe dienende
-jaargetijde schijnen deze vogels den geheelen dag onophoudelijk te zijn
-vervuld met de begeerte om weg te trekken; hun gewoonten veranderen;
-zij worden rusteloos, zijn luidruchtig, en komen in zwermen bij
-elkander. Zoolang de moeder-vogel bezig is met het voeden of uitbroeden
-harer jongen, is het moederlijk instinkt waarschijnlijk sterker dan het
-trekinstinkt; het instinkt dat meer voortdurend werkzaam is, behaalt
-echter de overwinning, en ten laatste, op een oogenblik dat haar jongen
-niet in het gezicht zijn, vliegt zij weg en laat hen aan hun lot over.
-Welk een folterende wroeging zou zulk een vogel niet gevoelen, wanneer
-hij aan het einde zijner lange reis was gekomen en het trekinstinkt
-ophield te werken, als hij begaafd was met groote geesteswerkzaamheid,
-en niet kon beletten, dat onophoudelijk het beeld van zijn jongen, in
-het kille noorden van koude en honger omkomende, hem voor den geest
-kwam.
-
-Op het oogenblik der handeling zal de mensch zonder twijfel geneigd
-zijn om de sterkste aandrift te volgen; en hoewel deze hem nu en dan
-tot de edelste daden kan aansporen, zal zij hem gewoonlijk er toe
-leiden om zijn eigen begeerten bot te vieren ten koste van anderen. Als
-hij ze echter heeft botgevierd en de voorbijgegane en daardoor zwakkere
-indrukken tegenover de voortdurende werkzame sociale instinkten worden
-gesteld, zal de vergelding ongetwijfeld komen.
-
-Hij zal dan wroeging, berouw, spijt en schaamte gevoelen, welke laatste
-aandoening echter bijna uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van
-anderen. Hij zal bijgevolg meer of min vast besluiten om in de toekomst
-anders te handelen; en dit is geweten; want het geweten ziet in het
-verleden, en dient als een gids voor de toekomst.
-
-De aard en kracht van de gevoelens die wij spijt, schaamte, berouw of
-wroeging noemen, schijnt niet slechts af te hangen van de kracht van
-het geschonden instinkt, maar gedeeltelijk van de kracht der
-verzoeking, en dikwijls nog meer van het oordeel onzer medemenschen. In
-hoever ieder mensch waarde hecht aan de waardeering van anderen hangt
-af van de kracht van zijn aangeboren of verkregen medegevoel, en van
-zijn eigen bekwaamheid om de verwijderde gevolgen van zijn handeling te
-beredeneeren. Er is nog een hoogst belangrijke, hoewel niet
-noodzakelijke factor: de eerbied of vrees voor de goden of geesten
-waarin iemand gelooft: en dit is vooral van toepassing in gevallen van
-wroeging. Verscheidene critici hebben de tegenwerping gemaakt, dat,
-hoewel eenige geringe spijt of berouw kon worden verklaard door de in
-dit hoofdstuk verdedigde meening, het onmogelijk is op die wijze een
-verklaring te geven van het gevoel van wroeging, dat de ziel doet
-sidderen. Maar ik kan aan deze tegenwerping slechts weinig gewicht
-hechten. Mijn critici geven geen bepaling van wat zij onder wroeging
-verstaan, en ik kan geen bepaling vinden, die meer insluit dan een
-overstelpend gevoel van berouw. Wroeging schijnt in de zelfde
-betrekking te staan tot berouw, als woede tot toorn, of foltering tot
-pijn. Het is ver van vreemd, dat een instinkt, zoo sterk en zoo
-algemeen bewonderd als moederliefde, als men er niet aan gehoorzaamt,
-tot de diepste ellende leidt, zoodra de indruk van de voormalige
-oorzaak der ongehoorzaamheid is verzwakt. Zelfs als een handeling met
-geen enkel bijzonder instinkt in strijd is, is het genoeg eenvoudig te
-weten, dat onze vrienden en gelijken ons er om verachten, om ons er ons
-diep ongelukkig over te doen gevoelen. Wie kan betwijfelen, dat de
-weigering om te duelleeren heeft veroorzaakt, dat vele mannen door de
-grootste schaamte werden gefolterd? Menig Hindoe, zegt men, is tot het
-diepst zijner ziel ontroerd geworden, omdat hij onrein voedsel had
-gegeten. Ziehier nog een geval van iets dat dunkt mij wroeging moet
-worden genoemd. Dr. Landor, een voormalig overheidspersoon in
-West-Australië, verhaalt [272], dat een inboorling op zijn hoeve, die
-een zijner vrouwen had verloren, tot hem kwam en zeide, „dat hij naar
-een veraf wonenden stam wilde gaan om een vrouw met zijn speer te
-doorsteken, om te voldoen aan zijn gevoel van plicht jegens zijn
-overleden vrouw.” Ik zeide hem, dat, als hij dat deed, ik hem
-levenslang gevangen zou zetten. Hij bleef gedurende eenige maanden in
-de nabijheid der hoeve, maar werd uiterst mager en beklaagde zich dat
-hij kon slapen noch eten, dat de geest van zijn vrouw hem kwelde, omdat
-hij geen leven voor het hare had genomen. Ik was onverbiddelijk en
-zeide, „dat niets hem zou redden als hij zulks deed.” Toch verdween de
-man, bleef meer dan een jaar weg en keerde toen in zeer opgeruimde
-stemming terug, en zijn andere vrouw vertelde aan Dr. Landor dat haar
-man het leven had genomen van een vrouw die tot een veraf wonenden stam
-behoorde; maar het bleek onmogelijk te zijn het wettig bewijs van de
-daad te verkrijgen. Het niet opvolgen van een gewoonte die door den
-stam voor heilig wordt gehouden, zal dus, naar het schijnt, de diepste
-gemoedsaandoeningen doen ontstaan—en dit geheel afgescheiden van de
-sociale instinkten, behalve in zoover als de gewoonte is gegrond op de
-publieke opinie in den stam. Hoe zoovele vreemde bijgeloovigheden door
-de geheele wereld heên zijn ontstaan, weten wij niet, en wij kunnen ook
-niet zeggen, hoe het komt, dat de laagste wilden van sommige wezenlijke
-en groote misdaden, zooals bloedschande, een afschuw hebben (hoewel die
-afschuw niet volkomen algemeen is). Het is zelfs twijfelachtig, of men
-in sommige stammen met grooter afschuw zou nederzien op bloedschande,
-dan op het huwelijk van een man met een vrouw die den zelfden naam
-droeg, hoewel zij geen bloedverwant van hem was. „Deze wet te schenden
-is een misdaad, waarvan de Nieuw-Hollanders den grootsten afschuw
-hebben, en zij komen daarin geheel en al overeen met sommige stammen
-van Noord-Amerika. Als in een van beide streken de vraag werd gesteld,
-wat slechter is, een meisje van een vreemden stam te dooden, of een
-meisje van zijn eigen stam te huwen, zou zonder aarzeling juist het
-omgekeerde antwoord worden gegeven, als wij zouden geven.” [273] Wij
-moeten daarom het geloof verwerpen, dat voor korten tijd door sommige
-schrijvers met aandrang is verdedigd, dat de afschuw van bloedschande
-wordt veroorzaakt, doordat wij een bijzonder door God in ons gelegd
-geweten bezitten. (4) Over het geheel is het begrijpelijk, dat iemand
-die wordt gekweld door zulk een krachtige gemoedsaandoening als
-wroeging, al is die ontstaan gelijk boven is uiteengezet, er toe komt
-te handelen op een wijze die men hem heeft geleerd te gelooven dat als
-boetedoening kan dienen, zooals door zich zelf aan de justitie over te
-leveren.
-
-De door zijn geweten aangespoorde mensch zal door lange gewoonte een
-zoo volkomen zelfbeheersching verkrijgen, dat zijn begeerten en
-hartstochten ten laatste oogenblikkelijk onderdoen voor zijn sociale
-sympathieën, en dat er niet langer strijd tusschen hen zal zijn. De
-niet hongerige, of de niet wraakzuchtige mensch zal er niet aan denken
-voedsel te stelen of zijn wraak te volvoeren. Het is mogelijk, of,
-zooals wij later zullen zien, zelfs waarschijnlijk, dat de gewoonte van
-zelfbeheersching, evenals andere gewoonten, kan worden overgeërfd. Zoo
-komt de mensch er ten laatste toe om uit verkregen of wellicht
-overgeërfde gewoonte te gevoelen, dat het het beste voor hem is om zijn
-meer voortdurend werkzame instinkten te volgen. Het gebiedende woord
-plicht schijnt alleen het bewustzijn te omvatten van het bestaan van
-een voortdurend werkzaam instinkt, hetzij aangeboren, hetzij
-gedeeltelijk verkregen, dat hem tot gids dient, hoewel het mogelijk is
-daaraan niet te gehoorzamen. Wij gebruiken het woord plicht nauwelijks
-in een overdrachtelijken zin, als wij zeggen, dat het de plicht is van
-jachthonden om te jagen, van staande honden om voor het wild te staan,
-van speurhonden om het op te sporen. Indien zij dit niet doen, verzaken
-zij hun plicht en handelen slecht.
-
-Indien eenige begeerte of instinkt, die tot een handeling leidt in
-strijd met het welzijn van anderen, iemand, als hij zich haar opnieuw
-voor den geest brengt, nog even sterk als of sterker dan zijn sociaal
-instinkt toeschijnt, zal hij geen snijdend berouw gevoelen, dat hij
-haar heeft gevolgd, maar hij zal zich bewust zijn, dat, als zijn gedrag
-aan zijn medemenschen bekend was, zij het zouden afkeuren; en weinigen
-zijn zoo ontbloot van medegevoel, om geen verdriet te gevoelen, wanneer
-dit het geval is. Indien hij zulk een medegevoel niet bezit, en als
-zijn begeerten die hem tot slechte daden aandrijven, tegelijkertijd
-sterk zijn, en als zij bij de herinnering er aan niet door de
-voortdurend werkende sociale instinkten worden overwonnen, dan is hij
-werkelijk een slecht mensch [274]; en de eenige beweegreden die hem nog
-bedwingt, is de vrees voor straf en de overtuiging, dat het op den
-langen duur het beste is voor zijn eigen zelfzuchtige belangen, als hij
-meer let op het welzijn van anderen dan op dat van zich zelf.
-
-Het is duidelijk, dat iedereen met een goed geweten zijn eigen
-begeerten bot kan vieren, als zij niet in strijd zijn met zijn sociale
-instinkten, dat is met het welzijn van anderen; maar om geheel vrij te
-zijn van zelfverwijt of ten minste van angst, is het bijna noodzakelijk
-voor hem om de afkeuring van zijn medemenschen, hetzij die rechtmatig
-is of niet, te vermijden. Ook moet hij geen inbreuk maken op zijn vaste
-levensgewoonten, vooral indien deze door de rede worden gesteund; want
-indien hij dit doet, zal hij zich zeker onvoldaan gevoelen. Hij moet
-eveneens de afkeuring vermijden van de één of meer goden, in welke hij
-krachtens zijn kennis of uit bijgeloof gelooft; maar in dit geval komt
-er dikwijls daarenboven nog de vrees voor goddelijke straf bij.
-
-
-
-De meer uitsluitend sociale deugden eerst afzonderlijk beschouwd.—De
-hierboven uiteengezette beschouwingswijze omtrent den eersten oorsprong
-en aard van het zedelijk gevoel, dat ons zegt hoe het onze plicht is te
-handelen, en van het geweten, dat ons berispt als wij daaraan niet
-gehoorzamen, komt zeer goed overeen met hetgeen wij weten omtrent den
-vroegeren en onontwikkelden toestand van dit vermogen bij het
-menschelijk geslacht. De deugden die ten minste in het algemeen door
-onbeschaafde menschen moeten worden beoefend, willen zij zich tot een
-maatschappij kunnen vereenigen, zijn die, welke nog tegenwoordig voor
-de meest belangrijke worden gehouden. Zij worden echter uitsluitend
-beoefend ten opzichte van menschen van den zelfden stam, en de
-tegenover haar staande ondeugden worden niet als misdrijven beschouwd
-ten opzichte van menschen van andere stammen. Geen stam zou bijeen
-kunnen blijven, wanneer moord, diefstal en verraad algemeen waren;
-bijgevolg worden dergelijke misdrijven „gebrandmerkt met altoosdurende
-schande” [275]; maar wekken geenszins gelijke gevoelens op buiten deze
-grenzen. Een Noord-Amerikaansch Indiaan smaakt groote zelfvoldoening en
-wordt door anderen geëerd, als hij iemand van een anderen stam
-scalpeert; en een Dajak houwt het hoofd af van een persoon van een
-anderen stam, die hem volstrekt geen leed heeft gedaan, droogt het en
-bewaart het als een zegeteeken. Kindermoord is op de ruimste schaal
-over de wereld verspreid geweest [276] zonder te worden afgekeurd; want
-men meende, dat het dooden van kinderen, vooral van dochters, goed of
-ten minste niet slecht voor den stam was. Zelfmoord werd in vroegere
-tijden niet algemeen voor een misdaad gehouden [277], maar wegens den
-daarbij betoonden moed eerder voor een eervolle handeling; en hij wordt
-nog op groote schaal uitgeoefend bij sommige halfbeschaafde volken;
-want het verlies van een enkel individu wordt door het volk niet
-gevoeld; hoe het echter ook te verklaren zij, is zelfmoord, naar Sir J.
-Lubbock mij mededeelt, bij de laagst ontwikkelde wilden zeldzaam. Men
-heeft opgeteekend, dat een Indische Thug er gemoedelijk zijn leedwezen
-over betuigde, dat hij niet zooveel vreemdelingen geworgd en bestolen
-had, als wijlen zijn vader. Op een laag standpunt van beschaving wordt
-het bestelen van vreemdelingen werkelijk algemeen voor eervol gehouden.
-
-De groote zonde der slavernij heeft bijna overal bestaan, en slaven
-zijn dikwijls op schandelijke wijze behandeld. Daar barbaren niets
-geven om de meening hunner vrouwen, behandelen zij deze gewoonlijk ook
-als vreemden. De meeste wilden zijn volkomen ongevoelig voor het lijden
-van vreemdelingen, ja, scheppen er zelfs behagen in om het te
-aanschouwen. Het is algemeen bekend, dat de vrouwen en kinderen der
-Noord-Amerikaansche Indianen hun behulpzaam zijn bij het martelen
-hunner vijanden. Sommige wilden scheppen een afgrijselijk behagen in
-wreedheid jegens dieren [278], en menschelijkheid is een hun onbekende
-deugd. Desniettemin zijn gevoelens van medegevoel en welwillendheid,
-vooral gedurende ziekten, tusschen leden van den zelfden stam algemeen,
-en worden somtijds tot buiten de grenzen van den stam uitgestrekt.
-Mungo Park’s treffend verhaal van de welwillendheid die een negerin uit
-het binnenland hem betoonde, is algemeen bekend. Het zou mij
-gemakkelijk vallen vele voorbeelden te geven van de edele trouw van
-wilden jegens elkander, maar niet jegens vreemden; de algemeene
-ondervinding bevestigt het Spaansche spreekwoord: „Vertrouw nooit of
-nimmer een Indiaan.” Trouw is onbestaanbaar zonder oprechtheid; en deze
-fundamenteele deugd is niet zeldzaam tusschen de leden van den zelfden
-stam; zoo hoorde Mungo Park, hoe de negerin haar jonge kinderen leerde
-de waarheid te beminnen. Dit is wederom een van die deugden die zich
-zoo diep in den geest wortelen, dat zij soms zelfs door wilden,
-ofschoon het hun veel moeite kost, jegens vreemden worden uitgeoefend;
-om onzen vijand voor te liegen is maar zelden voor zondig gehouden,
-zooals de geschiedenis der moderne diplomatie duidelijk bewijst. Zoodra
-een stam een erkend opperhoofd heeft, wordt ongehoorzaamheid een
-misdaad, en beschouwt men zelfs slaafsche onderwerping als een heilige
-deugd.
-
-Daar in onbeschaafde tijden niemand nuttig of getrouw voor zijn stam
-kan zijn zonder moed, wordt deze hoedanigheid algemeen het meest
-geacht; en hoewel in beschaafde landen een goed doch vreesachtig man
-soms veel nuttiger voor de maatschappij is dan een bijzonder dapper,
-eeren wij onwillekeurig dezen laatsten instinktmatig meer dan een
-lafaard, hoe welwillend deze ook zij. Van den anderen kant is
-voorzichtigheid, die geene betrekking heeft op de welvaart van anderen,
-hoewel een zeer nuttige deugd, nooit op hoogen prijs gesteld. Daar
-niemand de deugden die voor het welzijn van den stam noodig zijn, kan
-beoefenen zonder zelfopoffering, zelfbeheersching en geduld, heeft men
-aan deze hoedanigheden ten allen tijde een hooge en rechtmatige waarde
-gehecht. De Amerikaansche wilde onderwerpt zich zonder een zucht te
-slaken aan de afgrijselijkste martelingen om daardoor zijn kracht en
-moed te bewijzen en te versterken; en onwillekeurig bewonderen wij hem,
-of zelfs een Indischen Fakir die uit dwaze godsdienstige drijfveeren
-zich aan een wipgalg laat ophangen door middel van een in zijn vleesch
-gestoken haak.
-
-De andere deugden die op het individu betrekking hebben, en waarvan het
-niet zoo duidelijk is, dat zij invloed uitoefenen op het welzijn van
-den stam, al doen zij zulks in wezenlijkheid toch, zijn door de wilden
-nooit hooggeschat, hoewel beschaafde natiën ze thans op hoogen prijs
-stellen. De grootste onmatigheid is bij wilden geen ondeugd. Hun groote
-losbandigheid, om onnatuurlijke zonden niet te vermelden, is iets
-verbazends. [279] Zoodra echter het huwelijk, hetzij met meer dan ééne,
-hetzij slechts met ééne vrouw, in gebruik is, zal de ijverzucht leiden
-tot het inprenten van vrouwelijke deugd; en zoodra deze geëerd is, zal
-zij zich ook meer en meer over de ongehuwde vrouwen beginnen te
-verbreiden. Hoe langzaam zij zich onder de mannelijke sekse verbreidt,
-zien wij nog tegenwoordig. Kuischheid eischt bijzonder veel
-zelfbeheersching, vandaar is zij geëerd geworden sedert een zeer lang
-geleden tijdperk van de zedelijke geschiedenis van den beschaafden
-mensch. Als een gevolg hiervan is de zinnelooze onthouding van het
-huwelijk sedert een ver verwijderd tijdperk als een deugd beschouwd.
-[280] De afkeer van onwelvoegelijkheid, die ons zoo natuurlijk schijnt,
-dat men hem voor aangeboren houdt, en die een zoo krachtige hulp aan de
-kuischheid verstrekt, is een moderne deugd, zooals Sir G. Staunton
-opmerkt [281], uitsluitend aan het beschaafde leven eigen. Dit wordt
-bewezen door de oude godsdienstige plechtigheden van vele volken, door
-de teekeningen op de muren van Pompeji en door de gewoonten van vele
-wilden.
-
-Wij hebben nu gezien, dat handelingen door wilden als goed of kwaad
-worden beschouwd, en waarschijnlijk door den oorspronkelijken mensch
-evenzoo werden beschouwd, alleen naar de wijze waarop zij een
-duidelijken invloed uitoefenen op de welvaart van den stam,—niet op die
-van de soort, noch op die van den mensch als individueel lid van den
-stam. Dit besluit komt goed overeen met het geloof, dat het zoogenaamde
-zedelijke gevoel oorspronkelijk uit de sociale instinkten is ontstaan;
-want beide hebben eerst uitsluitend op de geheele vereeniging
-betrekking. De voornaamste oorzaak van het, naar onze begrippen lage,
-zedelijke standpunt der wilden, is eerstens, de beperking van het
-medegevoel tot de leden van een zelfden stam. Ten tweede, onvoldoend
-vermogen van redeneering, zoodat de invloed van vele deugden, vooral
-van die welke op het individu betrekking hebben, op de welvaart van den
-stam niet wordt ingezien. Wilden bemerken de vele nadeelen niet, die
-voor den stam voortvloeien uit onmatigheid, zedeloosheid enz. In de
-derde plaats eindelijk, een zwak vermogen van zelfbeheersching; want
-dit vermogen is niet versterkt door lang voortgezette, wellicht
-overgeërfde gewoonte, onderwijs en godsdienst.
-
-Ik ben in bovenvermelde bijzonderheden omtrent de zedeloosheid der
-wilden [282] getreden, omdat sommige schrijvers in den laatsten tijd
-een hoog denkbeeld hebben gegeven van hun zedelijken aard of de meeste
-hunner misdrijven aan verkeerd opgevatte welwillendheid hebben
-toegeschreven. [283] Deze schrijvers schijnen dit besluit daaruit te
-trekken, dat wilden, soms zelfs in hooge mate, die deugden bezitten,
-die dienstig of zelfs noodig zijn voor het bestaan van die vereeniging,
-welke men stam noemt, en dat zij die deugden bezitten, is aan geen
-twijfel onderhevig.
-
-
-
-Slotopmerkingen.—Wijsgeeren van de derivatieve [284] zedekundige school
-beweerden vroeger, dat de grond der zedelijkheid in een vorm van het
-eigenbelang, maar later, dat zij in het „beginsel van het grootste
-geluk” was gelegen. Het is echter juister om dit laatste beginsel den
-maatstaf, dan om het de beweegreden van het gedrag te noemen. Toch
-schrijven alle schrijvers wier werken ik heb geraadpleegd, met weinige
-uitzonderingen [285], alsof er voor elke handeling een afzonderlijke
-beweegreden moest zijn en of deze gepaard moest gaan met eenig genoegen
-of ongenoegen. Maar de mensch schijnt dikwijls van zelf, dat is uit
-instinkt of lange gewoonte, zonder eenige bewustheid van genoegen te
-handelen, op de zelfde wijze als waarschijnlijk een mier of bij
-handelt, als zij blind haar instinkten volgt. Als onder uiterst
-gevaarlijke omstandigheden, zooals bij een brand, iemand zonder een
-oogenblik te aarzelen een zijner medemenschen tracht te redden, kan hij
-moeilijk genoegen gevoelen; en nog minder heeft hij tijd om na te
-denken over de onvoldaanheid die hij, indien hij de poging niet deed,
-later wellicht zou gevoelen. Als hij naderhand over zijn gedrag
-nadacht, zou hij gevoelen, dat er een instinktmatige aandrift in hem
-lag, zeer verschillend van het zoeken naar genoegen of geluk; en dit
-schijnt het diep ingeplante sociale instinkt te zijn.
-
-In het geval der lagere dieren schijnt het veel eigenaardiger om te
-zeggen dat hun sociale instinkten zijn ontwikkeld voor het algemeen
-welzijn, dan dat zij zulks zijn voor het algemeen geluk van de soort.
-De uitdrukking „algemeen welzijn” beteekent hier de middelen waardoor
-het grootst mogelijke aantal individu’s tot volle kracht en gezondheid
-en tot groote volmaking hunner vermogens kunnen worden gebracht, onder
-de omstandigheden waaraan zij zijn blootgesteld. Daar de sociale
-instinkten van den mensch en die van de lagere dieren zich ongetwijfeld
-langs den zelfden weg hebben ontwikkeld, zou het raadzaam wezen, als
-het werd bevonden mogelijk te zijn, om in beide gevallen de zelfde
-uitdrukking te gebruiken en als criterium van zedelijkheid liever het
-algemeen welzijn van de vereeniging dan het algemeen geluk te nemen;
-maar deze uitdrukking zou wellicht eenige beperking ten opzichte van
-politieke zedelijkheid vereischen.
-
-Als iemand zijn leven waagt om dat van een medemensch te redden,
-schijnt het juister om te zeggen, dat hij handelt voor het algemeen
-welzijn, dan dat hij handelt voor het algemeen geluk van de menschheid.
-Ongetwijfeld beteekenen welzijn en geluk voor het individu gewoonlijk
-het zelfde, en een tevredene en gelukkige stam zal meer bloeien dan een
-ontevredene en ongelukkige. Wij hebben gezien, dat zelfs in een vroeg
-tijdperk van de geschiedenis van den mensch, de uitdrukkelijke wenschen
-van de vereeniging van zelf een grooten invloed moeten hebben gehad op
-het geluk van elk lid; en daar allen wenschen naar geluk, zal het
-„beginsel van het grootste geluk” een zeer belangrijke bijkomende
-leiddraad en doelwit zijn geworden; terwijl echter de sociale
-instinkten met inbegrip van het medegevoel altijd de voornaamste
-aandrift en leiddraad gaven. Op deze wijze vervalt het verwijt van den
-grond van het edelste gedeelte onzer natuur in het lage beginsel van
-eigenbelang te zoeken; tenzij men de voldoening die elk dier gevoelt
-wanneer het de aan het zelve eigen instinkten volgt, en de
-onvoldaanheid die het gevoelt wanneer het die niet bevredigt,
-zelfzuchtig wil noemen.
-
-De uitdrukking van de wenschen en het oordeel van de leden der zelfde
-vereeniging, eerst door woorden en daarna door geschreven taal, is,
-zooals hierboven is opgemerkt, een hoogst belangrijke bijkomende
-leiddraad van ons gedrag en helpt de sociale instinkten: soms is zij
-echter met deze in strijd. Van dit laatste is de Wet van Eer een goed
-voorbeeld, d.w.z. de wet van de meening onzer gelijken en niet van die
-van al onze landslieden. Het overtreden van deze wet, zelfs wanneer het
-bekend is dat de overtreding volkomen overeenstemt met ware
-zedelijkheid, heeft menigeen meer zieleangst gekost, dan een wezenlijke
-misdaad. Wij herkennen den zelfden invloed in het brandend
-schaamtegevoel dat de meesten onzer zelfs na verloop van jaren hebben
-gevoeld als hun de eene of andere toevallige overtreding van een
-nietigen maar vasten regel van etiquette opnieuw voor den geest kwam.
-Het oordeel der vereeniging zal gewoonlijk worden geleid door eenige
-ruwe ondervinding van hetgeen op den langen duur voor alle leden het
-beste is; maar dit oordeel zal niet zelden onjuist zijn wegens
-onwetendheid of wegens zwak vermogen van redeneeren. Vandaar zijn de
-vreemdste gewoonten en bijgeloovigheden, strijdig met het ware welzijn
-en het ware geluk van het menschdom, overal in de wereld almachtig
-geworden. Wij zien dit in het afgrijzen dat een Hindoe gevoelt als hij
-zijn kaste breekt, in de schaamte van een Mohammedaansche vrouw die
-haar gelaat ontbloot, en in tallooze voorbeelden. Het zou moeilijk
-zijn, de wroeging welke een Hindoe gevoelt als hij onrein voedsel heeft
-gegeten, te onderscheiden van die welke hij gevoelt als hij een
-diefstal heeft begaan, maar waarschijnlijk zou de eerste de sterkste
-zijn.
-
-Hoe zoovele ongerijmde regelen van gedrag en zoovele ongerijmde
-godsdienstige dogma’s zijn ontstaan, weten wij evenmin als waarom zij
-in alle deelen van de wereld zulk een diepen indruk op den
-menschelijken geest hebben gemaakt; maar het is merkwaardig, dat een
-geloof dat gedurende de prille jeugd, wanneer de hersenen gemakkelijk
-indrukken opnemen, onophoudelijk is ingeprent, bijna de natuur van een
-instinkt schijnt te verkrijgen, en het is het eigenlijke wezen van een
-instinkt, dat het onafhankelijk van de rede wordt gevolgd. Evenmin
-kunnen wij zeggen waarom zekere bewonderenswaardige deugden, zooals de
-waarheidsliefde, door sommige wilde stammen hooger worden geschat dan
-door andere [286], noch ook waarom dergelijke verschillen zelfs
-tusschen beschaafde volken bestaan. Wetende hoe vast vele vreemde
-gewoonten en bijgeloovigheden zijn ingeworteld, behoeven wij ons niet
-te verwonderen, dat de op het individu betrekking hebbende deugden ons
-nu zoo natuurlijk schijnen dat wij ze voor aangeboren houden, hoewel
-zij oudtijds door den mensch niet werden gewaardeerd.
-
-Niettegenstaande vele bronnen van twijfel kan de mensch over het
-algemeen zonder moeite de hoogere zedelijke regels van de lagere
-onderscheiden. De hoogere berusten op de sociale instinkten en hebben
-betrekking op de welvaart van anderen. Zij worden gesteund door de
-goedkeuring onzer medemenschen en door de rede. De lagere regels,
-hoewel sommige er van, die zelfopoffering vereischen, nauwelijks
-verdienen lagere te worden genaamd, hebben vooral betrekking op het
-individu en zijn hun oorsprong verschuldigd aan de publieke opinie,
-hoewel zij door ondervinding en beschaving zijn gerijpt; want zij
-worden door onbeschaafde stammen niet in acht genomen.
-
-Naarmate de mensch in beschaving vooruitgaat en kleine stammen zich tot
-grooter maatschappijen vereenigen, zal de meest eenvoudige rede elk
-individu doen gevoelen, dat hij zijn sociale instinkten en medegevoel
-behoort uit te breiden tot al de leden van de zelfde natie, al zijn zij
-hem ook persoonlijk onbekend. Dit punt eens bereikt zijnde, bestaat er
-nog slechts een kunstmatige slagboom tegen het uitbreiden van zijn
-medegevoel tot alle menschen, van welke natie of ras zij ook zijn.
-Indien echter dergelijke menschen door groote verschillen in uiterlijk
-of gewoonten van ons zijn gescheiden, bewijst de ondervinding ons
-ongelukkig, hoe lang het duurt voor wij hen als onze medemenschen
-beschouwen. Medegevoel tot voorbij de grenzen van den mensch, dat wil
-zeggen menschelijkheid jegens de lagere dieren, schijnt een der laatst
-verkregen zedelijke hoedanigheden te zijn. Zij schijnt door wilden
-alleen ten opzichte hunner geliefkoosde huisdieren te worden gevoeld.
-Hoe weinig de oude Romeinen haar kenden, blijkt uit hun afgrijselijke
-vertooningen van zwaardvechters en gevechten van wilde dieren in het
-amphitheater. Het denkbeeld van menschelijkheid zelf is, zoover ik kon
-waarnemen, nieuw voor de meeste Gaucho’s van de Pampa’s. Deze deugd,
-een der edelste waarmede de mensch is begaafd, schijnt als een
-bijkomende zaak te ontstaan, doordat ons medegevoel teederder en verder
-verspreid wordt, totdat het zich eindelijk over alle gevoel bezittende
-wezens uitbreidt. Zoodra deze deugd door eenige weinige menschen wordt
-geëerd en uitgeoefend, verspreidt zij zich door leering en voorbeeld en
-soms ook door de publieke opinie onder het jongere geslacht.
-
-De hoogste trap van zedelijke ontwikkeling dien wij kunnen bereiken, is
-wanneer wij bemerken dat wij zelfs op onze gedachten toezicht moeten
-houden, en „dat de zonden, die het verleden zoo aangenaam voor ons
-maakten [287], het voorwerp niet mogen zijn zelfs van onze meest
-verborgen gedachten.” Al wat den geest met de eene of andere slechte
-handeling gemeenzaam maakt, maakt het verrichten daarvan zooveel te
-gemakkelijker. Gelijk Marcus Aurelius reeds lang geleden zeide: „Zooals
-uwe gedachten gewoonlijk zijn, zoo zal ook het karakter van uw geest
-zijn; want de ziel wordt door de gedachten gekleurd.” [288]
-
-Onze groote wijsgeer Herbert Spencer heeft voor eenige jaren zijn
-zienswijze over het zedelijk gevoel bekend gemaakt. Hij zegt [289]: „Ik
-geloof, dat de ondervinding van hetgeen nuttig is, gedurende alle
-vervlogen menschengeslachten georganiseerd en bevestigd,
-overeenkomstige wijzigingen heeft voortgebracht, die door voortgaande
-overerving en opeenhooping in ons zekere vermogens van zedelijke
-intuïtie zijn geworden—zekere gemoedsaandoeningen, die aan goed en
-slecht gedrag beantwoorden en geen grondslag schijnen te hebben in de
-individueele opvatting van hetgeen nuttig is.” Het is, dunkt mij, op
-zich zelf in het minst niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame neigingen
-in meerdere of mindere mate worden overgeërfd; want ik heb, om de
-verschillende neigingen of gewoonten, door velen onzer huisdieren
-overgeërfd, niet te vermelden (5), van gevallen gehoord, waarin een
-aandrift tot stelen en een neiging om te liegen zich over families van
-den hoogsten stand bleek uit te breiden; en daar stelen bij de
-vermogende klassen zulk een zeldzame misdaad is, kunnen wij moeielijk
-door een toevalligen samenloop verklaren, dat de aandrift daartoe zich
-bij twee of drie leden der zelfde familie voordeed. Indien slechte
-neigingen worden overgeërfd, is het waarschijnlijk, dat zulks ook met
-goede het geval is. De verschillen die men gelooft dat in dit opzicht
-tusschen de onderscheidene menschenrassen bestaan, kunnen niet worden
-verklaard, tenzij wij het beginsel van de erfelijkheid der zedelijke
-neigingen aannemen. Wij hebben echter tot dusver daaromtrent nog geen
-genoegzame zekerheid.
-
-Zelfs de gedeeltelijke erfelijkheid van deugdzame neigingen zou ons van
-ontzaglijk veel dienst zijn om de eerste aandrift daartoe direct van de
-sociale instinkten en indirect van de goedkeuring onzer medemenschen af
-te leiden. Wanneer wij voor het oogenblik aannemen dat deugdzame
-neigingen erfelijk zijn, is het waarschijnlijk, ten minste in zulke
-gevallen als kuischheid, matigheid, menschelijkheid jegens dieren enz.,
-dat zij vooral in de organisatie van den geest worden geprent door
-gedurende verscheidene generaties in de zelfde familie voortgezette
-gewoonte, leering en voorbeeld, en slechts in zeer ondergeschikte mate
-of in het geheel niet, doordat de individu’s welke die deugden
-bezitten, het best zijn geslaagd in den strijd om het leven. Mijn
-voornaamste reden om elke dergelijke erfelijkheid te betwijfelen is,
-dat zinnelooze gewoonten, bijgeloovigheden en smaken, zooals de afschuw
-van een Hindoe voor onrein voedsel, volgens het zelfde beginsel ook
-erfelijk behoorden te zijn. Hoewel dit op zich zelf wellicht niet
-onwaarschijnlijker is dan dat dieren door overerving smaak krijgen in
-sommige soorten van voedsel of vrees voor zekere vijanden, heb ik
-volstrekt geen bewijzen gevonden voor de erfelijkheid van bijgeloovige
-of zinnelooze gewoonten.
-
-
-
-De sociale instinkten eindelijk, die zonder twijfel door den mensch,
-evenals door de lagere dieren, voor het welzijn der vereeniging werden
-verkregen, zullen hem van den beginne af eenige begeerte om zijn
-makkers te helpen en eenig medegevoel voor hen hebben ingeboezemd.
-Dergelijke aandrijvingen zullen hem in een zeer lang geleden tijd tot
-een ruwen regel ter onderscheiding van goed en kwaad hebben gediend.
-Maar naarmate de mensch trapsgewijze vooruitging in verstandelijke
-vermogens en daardoor in staat werd gesteld om de meer verwijderde
-gevolgen zijner daden te overzien; naarmate hij kennis genoeg verkreeg
-om verderfelijke gewoonten en bijgeloovigheden te verwerpen; naarmate
-hij meer en meer niet alleen op het welzijn, maar ook op het geluk
-zijner medemenschen lette; naarmate uit gewoonte, ten gevolge van een
-weldadige ondervinding, van leering en voorbeeld, zijn medegevoel
-teederder en in ruimer kring werd verspreid, zoodat het zich uitbreidde
-over menschen van alle rassen, over onnoozelen, verminkten en andere
-nuttelooze leden der maatschappij en eindelijk tot de lagere
-dieren—steeg ook het peil zijner zedelijkheid hoe langer hoe meer. Door
-zedekundigen van de derivatieve school en door sommige intuïtionisten
-nu wordt aangenomen, dat het peil der zedelijkheid werkelijk sedert een
-lang verleden tijdvak van ’s menschen geschiedenis [290] is gerezen.
-
-Daar men soms een strijd kan opmerken tusschen de verschillende
-instinkten van de lagere dieren, is het niet te verwonderen dat ook bij
-den mensch soms strijd ontstaat tusschen zijn sociale instinkten en de
-daarvan afgeleide deugden en zijn lagere, hoewel op dat oogenblik
-sterkere driften en begeerten. Dit is, zooals de heer Galton heeft
-opgemerkt, des te minder te verwonderen, daar de mensch zich in een
-vergelijkenderwijs kort geleden tijdvak uit den staat van
-barbaarschheid heeft verheven. [291] Wanneer wij voor de eene of andere
-verzoeking zijn bezweken, gevoelen wij een soort van onvoldaanheid,
-overeenkomende met die, welke wij gevoelen als wij andere instinkten
-onbevredigd hebben gelaten, die in dit geval geweten wordt genoemd;
-want wij kunnen niet verhinderen, dat beelden en indrukken van vroegere
-gebeurtenissen onophoudelijk onzen geest doorkruisen, en deze
-vergelijken wij in hun verzwakten toestand met de altijd tegenwoordige
-sociale instinkten of met gewoonten in onze prille jeugd verkregen en
-gedurende ons geheele leven versterkt, ja wellicht overgeërfd, zoodat
-zij ten laatste bijna even sterk als instinkten zijn geworden. Met het
-oog op volgende generaties is het niet te vreezen, dat de sociale
-instinkten zwakker zullen worden, en mogen wij verwachten, dat de
-deugdzame gewoonten sterker zullen worden, omdat zij wellicht door
-erfelijkheid worden bevestigd. In dit geval zal de strijd tusschen onze
-hoogere en lagere aandriften minder streng zijn en zal de deugd
-overwinnen.
-
-
-
-Besluit waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten
-leiden.—Het kan niet worden betwijfeld, dat het verschil tusschen den
-geest van den laagsten mensch en het hoogste dier verbazend groot is.
-Een anthropomorphe aap zou, als hij een onpartijdig oordeel kon vellen
-over zijn eigen toestand, erkennen, dat, hoewel hij een behendig plan
-kon vormen om een tuin te plunderen, hoewel hij steenen gebruikte om
-mede te vechten of noten open te breken, de gedachte om uit een steen
-een werktuig te vervaardigen, zijn bevatting verre te boven ging. Hij
-zou erkennen, dat hij nog minder een redeneering over bovennatuurkunde
-kon volgen of een meetkundig vraagstuk oplossen of over het bestaan van
-God nadenken, of een grootsch natuurtafereel bewonderen. Sommige apen
-zouden echter waarschijnlijk verklaren, dat zij de schoonheid van het
-gekleurde vel en den pels hunner echtgenooten bewonderden. Zij zouden
-erkennen, dat, hoewel zij door geluiden aan andere apen sommige hunner
-gewaarwordingen en hun meer eenvoudige behoeften kenbaar konden maken,
-het denkbeeld om bepaalde denkbeelden door bepaalde klanken uit te
-drukken nooit in hun geest was opgekomen. Zij zouden er wellicht op
-wijzen, dat zij bereid waren hun medeapen van de zelfde bende op vele
-wijzen te helpen, hun leven voor hen te wagen en voor hun weezen te
-zorgen, maar zij zouden genoodzaakt zijn te erkennen, dat belangelooze
-liefde voor alle levende schepselen, de edelste eigenschap van den
-mensch, hun bevatting ver te boven ging.
-
-Toch is het geestelijk verschil tusschen den mensch en de hoogere
-dieren, hoe groot het ook zij, zeker slechts een verschil in
-hoeveelheid en niet in hoedanigheid. (6) Wij hebben gezien, dat de
-verschillende gemoedsaandoeningen en vermogens, zooals liefde,
-geheugen, oplettendheid, nieuwsgierigheid, nabootsing, rede enz.,
-waarop de mensch trotsch is, ook in wordenden of zelfs somtijds in goed
-ontwikkelden toestand bij de lagere dieren kunnen worden gevonden. Zij
-zijn ook vatbaar voor een zekere erfelijke verbetering, zooals wij zien
-in den huishond bij vergelijking met den wolf of jakhals. Indien wordt
-volgehouden, dat sommige vermogens, zooals zelfbewustzijn, het vermogen
-om afgetrokken denkbeelden te vormen enz., uitsluitend aan den mensch
-eigen zijn, kan het wel zijn, dat deze toevallige uitvloeisels zijn van
-andere hoog ontwikkelde verstandelijke vermogens; en deze zijn op hun
-beurt voornamelijk het gevolg van het voortdurend gebruik van een hoog
-ontwikkelde taal. Op welken leeftijd komt het pasgeboren kind in het
-bezit van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, of op
-welken leeftijd wordt het zelfbewust en begint het na te denken over
-zijn eigen bestaan? Wij kunnen die vraag niet beantwoorden en evenmin
-kunnen wij haar beantwoorden met betrekking tot de opklimmende reeks
-der organische wezens. Het half kunstmatige en half instinktmatige van
-de taal draagt nog den stempel van haar trapsgewijze ontwikkeling. Het
-veredelende geloof aan God is niet aan alle menschen eigen, en het
-geloof aan de werking van geestelijke invloeden volgt op natuurlijke
-wijze uit zijn andere geestvermogens. Het zedelijk gevoel is wellicht
-het beste en hoogste kenmerk waardoor de mensch zich van de lagere
-dieren onderscheidt; maar ik behoef daarover niets meer te zeggen, daar
-ik zoo even nog heb trachten aan te toonen dat de sociale
-instinkten—het grondbeginsel van ’s menschen zedelijken aanleg
-[292]—met behulp van de werkzaamheid zijner verstandelijke vermogens en
-de uitwerkselen der gewoonte op natuurlijke wijze leiden tot den gulden
-regel: „Alle dingen dan, die gij wilt dat de menschen u souden doen,
-doet gij hun oock alsoo”; en dit is de hoeksteen der zedelijkheid.
-
-In een volgend hoofdstuk zal ik eenige weinige opmerkingen maken over
-de stappen en middelen waardoor de verschillende verstandelijke en
-zedelijke vermogens van den mensch zich waarschijnlijk trapsgewijze
-hebben ontwikkeld. Dat dit ten minste mogelijk is, kan niet wel worden
-ontkend, daar wij hun ontwikkeling dagelijks in elk kind aanschouwen en
-daar wij door onmerkbare overgangen van den geest van een volkomen
-idioot, lager staande dan het laagste dier, kunnen opklimmen tot dien
-van een Newton.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Tegen het einde van den zomer, als de honigoogst begint op te
-houden en de mannelijke bijen aan hun bestemming (de voortplanting der
-soort) hebben voldaan, worden deze, die nu aan de bijenmaatschappij
-geen nut meer toebrengen, doch integendeel schadelijk voor haar zouden
-worden daar zij ten koste der overigen zouden moeten leven, door de
-werkbijen meêdoogenloos verjaagd en komen van gebrek om. Dat de
-werkbijen hen rechtstreeks zouden dooden, gelijk Darwin meent, schijnt
-op onjuiste waarnemingen te berusten. Daar al de bijen van een korf
-gewoonlijk kinderen zijn van ééne moeder, een koningin, zijn de
-mannelijke bijen gewoonlijk de broeders der werkbijen. [293] Wanneer in
-een korf een of meer jonge koninginnen worden geboren en er geen
-overbevolking, dus geen behoefte aan zwermen bestaat, worden zij door
-haar moeder, de koningin, gedood, zonder dat de werkbijen er zich tegen
-verzetten; want het zou nadeelig zijn voor de belangen der
-bijenmaatschappij, als zich in éénen korf twee of meer koninginnen
-bevonden. Bestaat er overbevolking, dan tracht de oude koningin ook wel
-de jonge te dooden, maar de werkbijen verzetten zich daartegen; de
-jonge koningin blijft meesteres van den korf; de oude koningin verlaat
-dien met een gedeelte der bijen om elders een volkplanting te stichten,
-hetgeen men het zwermen der bijen noemt.
-
-(2) De zedelijke verantwoordelijkheid van sommige dieren schijnt minder
-twijfelachtig dan die van „intermittente krankzinnigen.” Indien het in
-de toekomst de plicht werd van een procureur-generaal, om een aap te
-vervolgen die zich aan den moord van een mensch had schuldig gemaakt,
-zou het volgende geval, ontleend aan Brehm’s „Thierleben”, een slecht
-precedent opleveren voor den advocaat die met zijn verdediging was
-belast.
-
-Eenige weinige jaren geleden kocht Dr. Schomburg, de directeur van den
-botanischen tuin te Adelaïde, Australië, een uitgezocht partijtje apen
-en kangoeroe’s die hij een „gelukkig huisgezin” had kunnen noemen, als
-er niet een zeer boosaardige vrouwelijke Bhunder-baviaan bij was
-geweest. Ware zij niet de eenige vertegenwoordigster van haar soort
-geweest, dan zou hij haar hebben trachten kwijt te raken, want haar
-eenig levensdoel scheen te wezen om zich zoo onaangenaam mogelijk te
-maken. Eenzame opsluiting maakte haar wild en luidruchtig, maar in de
-algemeene kooi maakte zij de buideldieren waanzinnig van schrik, en
-scheen zich ’s avonds als haar jongere verwanten het waagden het
-slaaphok te betreden, te beschouwen, als van hooger hand verordineerd
-om hen met geweld daaruit te verjagen. Op zekeren dag viel zij haar
-eigen oppasser aan en verwondde hem, zonder eenige aanleiding
-zijnerzijds, op ergerlijke wijze aan zijn pols. Schomburg veroordeelde
-haar onmiddellijk om te worden doodgeschoten. Den volgenden morgen
-naderde de onder-oppasser haar kooi met een geweer, dat dikwijls was
-gebruikt om de ratten dood te schieten die in het menageriegebouw zeer
-veelvuldig waren. De andere apen schenen een nieuwe razzia onder de
-ratten te verwachten, maar de Bhunder-baviaan wist wel beter. Zoodra
-zij het geweer zag, sprong zij plotseling in het slaaphok en trok de
-deur daarvan toe. Toen de oppasser die trachtte open te maken, gilde
-zij, alsof zij hoopte vrij te komen door krankzinnigheid voor te
-wenden. Om haar te beproeven, wachtte de oppasser tot den tijd van het
-ontbijt, maar de baviaan vertoonde zich niet. Zij bleef een vol uur in
-haar schuilhoek, totdat de baksjongen een extra tractatie bracht,
-bestaande uit in schijfjes gesneden pompoenen. Zij deed toen een sprong
-naar den emmer, waarin die zich bevonden. Op dat oogenblik deed de
-oppasser de deur van haar slaaphok op slot en ging zijn geweer halen.
-Zoodra de baviaan hem zag terugkomen, vlood zij naar haar schuilplaats,
-en deed, toen zij die gesloten vond, een wanhopige poging om zich door
-de tralies van de kooi heen te wringen en zoo te ontvluchten. De
-tralies bleken echter onbuigbaar, en na nog een wanhopigen ruk aan de
-deur van het slaaphok, wierp de baviaan zich in een hoek, sloot haar
-oogen en scheen van vrees te zijn gestorven, nog voor het geweerschot
-haar doodde.
-
-(3) Het is duidelijk, dat die individu’s welke door hun ouders in hooge
-mate worden bemind en beschermd, meer kans zullen hebben in den strijd
-des levens te overwinnen, meer kans zullen hebben om te blijven leven,
-dan de individu’s die door hun ouders slechts in geringe mate worden
-bemind en beschermd, en dat eveneens de kansen dezer laatste grooter
-zullen zijn, dan die der individu’s die door hun ouders volstrekt niet
-worden bemind en beschermd. Die individu’s welke de grootste
-kinderliefde bezitten, zullen dus hun soort het best kunnen
-voortplanten. Krachtens het beginsel der erfelijkheid zullen ook hun
-kinderen zich doorgaans weêr onderscheiden door gehechtheid aan hun
-kroost, en ook van deze zullen ook weder zij de meeste kans hebben om
-een groote nakomelingschap achter te laten, welke die hoedanigheid in
-de hoogste mate bezitten. Verder is het waarschijnlijk, dat bij die
-individu’s bij welke de ouderliefde het meest is ontwikkeld, ook de
-kinderen de meeste gehechtheid aan hun ouders zullen verkrijgen. Op
-deze wijze kan de ontwikkeling der ouderlijke en kinderlijke liefde
-worden verklaard door de natuurlijke teeltkeus, daar die variëteiten,
-bij welke deze gevoelens het minst zijn ontwikkeld, in den strijd des
-levens zullen moeten onderdoen voor de andere.
-
-(4) „De darren” (blz. 190). Velen noemen de mannelijke bijen hommels.
-Dit is echter een geheel verkeerde uitdrukking; hommels is de naam van
-een met de honigbijen (Apis en Melipona) nauw verwant geslacht van
-sociale Vliesvleugelige Insekten, van het geslacht Bombus namelijk. De
-ware Nederlandsche naam der honigbijen is darren of darries. Op blz.
-201 is het teeken (4) bij vergissing blijven staan. Men zie over de
-bloedschande: „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel
-II, blz. 141.
-
-(5) In het „Album der Natuur” 1876, blz. 22, deelt Prof. Harting een
-opmerkelijk geval mede van erfelijke genegenheid van een kat voor een
-hond, ontleend aan „Nature” 15 Juli 1875.
-
-(6) „Het verschil in geestvermogens tusschen den mensch en de lagere
-dieren, hoe groot het ook zij, is ongetwijfeld slechts een verschil in
-hoeveelheid” (quantitatief), „en niet in hoedanigheid” (qualitatief).
-Het komt ons voor, dat Darwin in dit en het vorige hoofdstuk de
-waarheid dezer stelling op de meest overtuigende wijze heeft bewezen.
-Reeds lang werd door de meeste mannen der wetenschap erkend, dat de
-theorie van Cartesius, die van alle dieren levende werktuigen maakte
-zonder denkvermogen en zonder bewustzijn, onjuist was, zoodat dan ook
-Quatrefages („l’Unité de l’Espèce Humaine”), den mensch als
-afzonderlijk „Menschenrijk” van het Dierenrijk scheidende, dit niet
-doet op grond, dat slechts deze denkvermogen zou bezitten, maar op
-grond van het godsdienstig en zedelijk gevoel (Religiositeit en
-Moraliteit), dat de dieren volkomen zouden missen. Wij hebben in
-Hoofdstuk III en IV van dit werk echter gezien, dat ook bij andere
-dieren wel degelijk de kiemen dier beide vermogens bestaan. Al wilde
-men dit echter niet erkennen, men zou toch moeten toegeven, dat het
-onmogelijk kan worden bewezen, dat deze beide vermogens bij alle dieren
-ontbreken, en evenmin, dat zij bij alle voormalige en tegenwoordige
-menschenrassen aanwezig waren en zijn. Wij hebben in aanteekening 15,
-blz. 160, gezien, hoeveel vergeefsche moeite men zich dikwijls gegeven,
-welke belachelijke opmerkingen men dikwijls gemaakt heeft, om dit
-laatste te bewijzen. Maar zelfs al stellen wij voor een oogenblik, dat
-van het zedelijk en godsdienstig gevoel bij geen enkel dier zelfs de
-geringste kiem bestond, zou dan nog het bezit dier vermogens een
-genoegzamen grond opleveren om den mensch als afzonderlijk „Rijk” van
-de Dieren, als afzonderlijke Klasse of Onder-klasse van de Zoogdieren,
-of zelfs slechts als afzonderlijke Orde van de anatomisch en
-physiologisch zoo nauw met hem verwante apen (Primaten) te scheiden?
-Wij gelooven geenszins. Onder de hoogere planten zijn duidelijk
-zichtbare gevoels- en bewegingsverschijnselen even zeldzaam, als
-godsdienstig en zedelijk gevoel bij de hoogere dieren maar kunnen zijn;
-Linnaeus gaf zelfs als onderscheid tusschen het dieren- en plantenrijk
-op, „Vegetabilia crescunt et vivunt; animalia crescunt, vivunt et
-sentiunt.” En toch is, voor zoover ik weet, nog nooit een plantkundige
-op de zonderlinge gedachte gekomen om de Kruidjes roer mij niet (Mimosa
-pudica, M. sensitiva en eenige aanverwante soorten), die zeer
-duidelijke verschijnselen van gevoel en beweging vertoonen, daarom als
-afzonderlijk „Kruidje roer mij niet’s Rijk” van het Plantenrijk, als
-afzonderlijke Klasse van de Tweezaadlobbige Planten (Dicotyledones), of
-zelfs als Onder-klasse van de Tweezaadlobbige Planten met een
-Veelbladige Bloemkroon (Dialypetalae of Dicotyledones Polypetalae), als
-Familie van de Peulvruchten (Leguminosae), of zelfs maar als geslacht
-van het geslacht Mimosa, waartoe zij op morphologische gronden moeten
-worden gebracht, af te scheiden. Even weinig of liever nog veel minder
-grond is er, voor den mensch een afzonderlijk Rijk, een afzonderlijke
-Klasse, Onder-klasse of zelfs Orde aan te nemen, zelfs al gaf men toe,
-dat alleen hij godsdienstig en zedelijk gevoel bezit. Hoeveel te minder
-dan, wanneer men bewezen ziet, dat het verschil in geestvermogens
-tusschen den mensch en de lagere dieren slechts quantitatief en niet
-qualitatief is!
-
-Wij kunnen ons het genoegen niet ontzeggen, onze aanteekeningen op dit
-Hoofdstuk met een aanhaling uit Carl Vogt’s „Vorlesungen über den
-Menschen” (Bd. I, blz. 295) te besluiten, waar hij, na Quatrefages ten
-opzichte van het godsdienstig gevoel te hebben weêrlegd (vergelijk
-aanteekening 16, blz. 161), omtrent het zedelijk gevoel het volgende in
-het midden brengt:
-
-„Wat nu de moraliteit, of het begrip van goed en kwaad aangaat, zal men
-niet willen beweren, dat dit bij den mensch iets absoluuts is. Het
-richt zich altijd naar den toestand der maatschappij, het is in één
-woord het resultaat van den socialen toestand. Terwijl het in de
-beschaafde wereld een met den dood strafbare misdaad is zijn ouden,
-verlamden vader om te brengen, zijn er Indiaansche stammen bij welke
-dit als een hoogst prijzenswaardige handeling van den zoon wordt
-beschouwd. Het begrip van goed en kwaad ontwikkelt zich dus uit de
-behoeften der maatschappij, uit de onderlinge betrekkingen tusschen de
-individu’s. Als dit echter waar is, is het ook even zeker, dat het
-begrip van goed of kwaad bij de diermaatschappijen evenzoo is
-ontwikkeld in verhouding tot de mate van sociale ontwikkeling, als bij
-de menschelijke maatschappijen. De eerste trap der maatschappij is het
-huisgezin; het begrip van goed en kwaad resumeert zich bij het kind in
-de gehoorzaamheid aan de ouders, in de vervulling der aan hetzelve
-opgelegde plichten, in de terechtwijzing, straf of liefkozing, welke
-hetzelve ten deel valt. Nu zie men eens een katten- of berenfamilie en
-lette op de gebaren der jongen, hun opvoeding door de ouden, en dan
-vrage men zich af, of men hier niet het beeld van een menschelijk
-huisgezin voor zich heeft, met al die uitingen van het begrip van goed
-en kwaad, welke men maar zou kunnen verlangen. Ik geef toe, dat het een
-kattenmoraal, dat het een berenmoraal is, die hier den kinderen wordt
-ingeprent en geleerd, maar het is toch een moraal, en het jonge katje
-dat niet luistert naar de roepstem zijner moeder, de tweejarige beer
-die niet behoorlijk voor zijn broertjes en zusjes zorgt, krijgen even
-goed knorren en oorvijgen, als de lieve menschenkinderen, als deze het
-grondbegrip der menschelijke en christelijke moraal, de kinderlijke
-gehoorzaamheid, niet betrachten.
-
-„Ten opzichte der dierenmaatschappijen echter veroorloof ik mij hier
-een plaats uit Dr. A. E. Brehm’s voortreffelijk werk, „Illustrirtes
-Thierleben”, over de apenmaatschappijen aan te halen:
-
-„„Dat lid eener troep dat de meeste ervaring bezit, wordt aanvoerder of
-leidaap. Deze waardigheid wordt hem echter niet door het „algemeen
-stemrecht” opgedragen, maar hem eerst na een zeer hardnekkigen kamp met
-andere mededingers toegekend. De langste tanden en sterkste armen
-beslissen. Wie er zich niet goedschiks aan wil onderwerpen, wordt door
-beten en klappen geringeloord, totdat hij tot rede is gebracht. Den
-sterke komt de kroon toe, in zijn tanden ligt zijn wijsheid. Dit is
-echter ook zeer verklaarbaar: de oudste apen zijn steeds ook de
-sterkste en aan hen moeten ook goedschiks of kwaadschiks de jongere
-onervarene zich onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet
-onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en wel in elk opzicht. Ridderlijke
-galanterie is hem niet eigen; stormenderhand verovert hij het loon der
-min. Het jus primae noctis geldt bij hem nog heden. Hij wordt stamvader
-van een volk, en zijn geslacht vermeerdert zich, evenals dat van
-Abraham, Izaäk en Jakob, „gelijk het zand der zee”. Geen vrouwelijk lid
-der troep mag zich aan een onnoozele minnarij met den eenen of anderen
-vlasbaard overgeven. Zijn oogen zijn scherp en zijn tucht is zeer
-streng; hij verstaat in liefdezaken geen gekscheren. Ook de apinnen die
-zich, of liever hem, vergeten, krijgen zooveel muilperen en worden zoo
-geplukhaard, dat haar de lust tot verboden omgang met andere helden van
-den troep zeker vergaat; nog erger gaat het met den apenjongeling die
-de wetten des harems van den op zijn recht trotschen Sultan
-overtreedt”....
-
-....„„Voor het overige oefent de leidaap zijn ambt met groote
-waardigheid uit. Reeds de achting die hij geniet, geeft hem een zekere
-zekerheid en zelfstandigheid in zijn handelingen, die aan zijn
-ondergeschikten ontbreekt; hij wordt ook door deze op allerlei wijzen
-gevleid. Zoo ziet men, dat zelfs de apinnnen zich moeite geven om hem
-de hoogste gunst welke een aap kan betoonen of ontvangen, ten deel te
-doen worden. Zij beijveren zich namelijk om zijn haarkleed steeds
-zooveel mogelijk van lastige parasieten te zuiveren, en hij laat zich
-deze hulde welgevallen met de waardigheid van een Pacha wien zijn
-geliefde slavin de voetzolen kittelt. Daarentegen zorgt hij nu ook
-trouw voor de zekerheid zijner ondergeschikten en is daardoor in nog
-grooter onrust dan zij. Naar alle zijden heên wendt hij zijn blikken,
-geen wezen vertrouwt hij, en zoo ontdekt hij ook bijna altijd
-terechtertijd elk dreigend gevaar.”
-
-„Wij weten niet, of het verschil tusschen de moraliteit, die in deze
-apenmaatschappij geheel van den wil des stamhouders afhangt en die van
-een horde Nieuw-Hollanders, waar evenzeer de sterkste de wet maakt,
-groot genoeg kan schijnen, om het geheele onderscheid van een Rijk
-daarop te gronden. Het theoretische absolutisme kent immers volstrekt
-geen andere moraal, dan die des heerschers. Hij maakt de wet, hij
-schrijft het geloof voor, hij bepaalt de moraal,—wie anders handelt,
-anders denkt, dien heeft hij het recht te dooden of te straffen,—is de
-moraliteit van een absoluut despotisme theoretisch een andere dan die
-eener apenfamilie?
-
-„Ook deze onderscheidende categorie van Quatrefages is dus volkomen
-onhoudbaar.
-
-„De beide Fransche geleerden [294] hebben iets onmogelijks beproefd—om
-namelijk eigenschappen te vinden, die niet op een materiëelen grondslag
-rusten.
-
-„Waar de organisatie naar het zelfde type is gevormd, daar moeten ook
-de uit deze organisatie voortspruitende eigenschappen de zelfde
-grondeenheid vertoonen.
-
-„Eer ik echter van dit onderwerp afstap, wil ik hun die zich te
-vergeefs aftobben om uit een of ander geestvermogen een bijzonderen
-troon voor den mensch op te richten, de volgende woorden van Wundt
-toeroepen: „De dieren zijn wezens, wier zelfbewustheid van die des
-menschen en slechts door den bereikten trap van volkomenheid verschilt.
-Tusschen mensch en dier bestaat geen wijdere kloof dan tusschen de
-dieren onderling. Alle bezielde organismen vormen een keten van
-gelijksoortige wezens, waarin nergens een gaping blijft. Een verouderde
-zieleleer met haar menigvuldige geestelijke vermogens en krachten mocht
-al grenslijnen trekken, hier dit, daar dat vermogen uitdeelen;—wij
-echter moeten, nadat het ons gelukt is te bewijzen, dat het
-gezamenlijke geestelijke leven slechts één groot geheel uitmaakt, ook
-toegeven, dat al wat bezield is, ook deel heeft aan dit geheel.””
-
-Men vergelijke overigens, zoo men nog niet overtuigd mocht zijn,
-Houzeau, „Études sur les facultés mentales des animaux comparées à
-celles de l’homme, Mons-Paris”, 1872; Haeckel, E., „Ziel-cellen en
-cel-zielen”, uit „Deutsche Rundschau”, in „Wetensch. Bladen”, October
-1878; Dr. L. Büchner, „Uit het Leven der Dieren, hun denken, willen,
-werken en gevoelen”, en Dr. L. Büchner, „Het leven der liefde in de
-dierenwereld.” De beide laatsten vertaald door R. E. de Haan, Directeur
-der R. Hoogere Burgerschool te Winterswijk, Nijmegen, Blomhert &
-Timmerman, 1877 en 1880, thans D. Bolle, Rotterdam. Carus Sterne (Dr.
-E. Krause), „Dieren- en Menschenziel”, vertaald door P. F. Spaink, in
-de Dageraad van Juli 1884, Tito Vignoli. „Das Fundamentalgesetz der
-Intelligenz im Thierreiche”, Leipzig, Brockhaus, en „Mythus und
-Wissenschaft”, Leipzig 1879 en 1882. Volgens dezen laatste verschilt
-het geestelijk proces bij het hoogere dier alleen daarin van dat van
-den mensch, dat het dier nog niet de innerlijke beschouwing zijner
-beschouwingen heeft, d. w. z, dat hij niet wat wij zelfbewustzijn
-noemen van het bewustzijn kan onderscheiden. Men zie ook: „De zedekunde
-als wetenschap”, door H. A. F. de Vogel, Arnhem, H. W. v. Marle, 1880.
-Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam,
-Warendorf, 1888 [295], en R. E. de Haan in „Isis”, 1879, blz. 50 en
-153.
-
-Evenals de sociaal levende dieren zich in geestvermogens ver boven de
-eenzaam levende verheffen, zinkt omgekeerd de mensch die buiten de
-menschelijke maatschappij opgroeit, verstandelijk tot het peil van het
-dier terug, en kent noch godsdienst noch zedelijkheid.
-
-In den loop der tijden zijn in Europa, Indië en Noord-Amerika
-herhaaldelijk kinderen opgevangen, die ver van de maatschappij in
-uitgestrekte wildernissen of afgelegen wouden waren opgegroeid. In al
-die gevallen bleek het, dat die kinderen aan de dieren gelijk waren, en
-zelfs gewoonlijk door latere opvoeding niet konden leeren spreken, noch
-hun verstand verder ontwikkelden dan een getemd huisdier.
-
-Professor Raube te Leipzig verzamelde de levensgeschiedenissen van
-zestien dier „woudmenschen” in zijn boekske: Homo sapiens ferus
-(Leipzig, Denicke), en Dr. E. Dorn bespreekt nog andere gevallen in
-zijn artikel „Wolfskinder” in „Ueber Land und Meer”, 1890–1891, No. 5,
-aan welke beide bronnen wij het volgende ontleenen:
-
-In 1661 zagen jagers in Littauen te midden van een troep beren twee
-kleine wezens die een menschelijke gedaante bezaten. Het gelukte hun
-een daarvan te vangen niettegenstaande zijn tegenstand en geschreeuw.
-Het verdedigde zich evenals een beer met zijn nagels en tanden. Het
-bleek een kind te zijn van ongeveer negen jaar oud. Men bracht het naar
-Warschau voor den koning en de koningin van Polen. De adel en de
-geheele burgerij verdrong zich om het kind te zien. Het had een uiterst
-blanke huid, witte haren, aangename gelaatstrekken, een goedgevormd en
-krachtig lichaam en blauwe oogen. Het vertoonde echter geen spoor van
-verstand, kon niet spreken, was zeer wild en bezat alle neigingen van
-een dier. Men heeft het nooit kunnen leeren deze wildheid af te leggen,
-te spreken, zich te kleeden, zijn hoofd te bedekken of schoenen aan te
-doen. Het nam echter wèl de gewoonte aan om op twee beenen te loopen,
-en werd zoover getemd, dat het, evenals een hond, kwam als men het
-riep. Van tijd tot tijd vluchtte het naar het bosch, waar het
-boomschors met de nagels losscheurde en uitzoog. Het at gaarne vleesch,
-rauw zoowel als gekookt.
-
-In 1672 werd een jongen van omstreeks 16 jaar naar Amsterdam gebracht,
-die in Ierland als klein kind zijn ouders ontloopen en onder
-verwilderde schapen opgegroeid was. Hij was gezond en vlug van lichaam,
-had een laag, achteruitwijkend voorhoofd, blaatte als een schaap,
-lustte geen menschelijke spijzen en dranken, maar at gras en hooi.
-Alles wat men hem gaf, betastte, berook en besnuffelde hij, stak het in
-den mond en at het of wierp het weg, al naar het hem smaakte. Hij was
-wild en schuw en eerst na langen tijd gelukte het hem eenigermate te
-temmen. Hij had lang alle pogingen der jagers om hem te krijgen
-verijdeld, doch werd eindelijk in een net gevangen. Hij liep voorover,
-zijn tong was weinig bewegelijk.
-
-In 1725 werd in Hannover in een bosch een knaap van omstreeks vijftien
-jaar gevangen. Hoewel hij uiterlijk op een menschelijk wezen geleek,
-stond hij, wat den geest aangaat, volkomen op den trap van een wild
-dier; hij liep of liever kroop op handen en voeten, at gras en mos en
-sliep op boomen. Na zijn gevangenneming toonde hij een grooten afkeer
-van kleederen en was niet te bewegen in een bed te gaan liggen. De
-kleederen die men hem aan trok, scheurde hij zich spoedig onder
-teekenen van de grootste verontwaardiging van het lijf en kroop, bij
-gebrek aan zijn gewone legerstede in de takken van een boom, naar den
-uitersten hoek der hem aangewezen verblijfplaats, om zich daar te
-slapen te leggen. Zijn lievelingsvoedsel bleven rauwe kruiden, vooral
-bladeren van kool en andere groenten, terwijl hij van al wat gekookt of
-gestoofd was, voortdurend de grootste walging toonde. Hij had niet het
-geringste spoor van eenige gearticuleerde spraak, maar drukte veeleer
-zijn gedachten uit door geluiden die hij van de dieren had
-afgeluisterd.
-
-Ofschoon slechts 1,65 M. lang, was hij buitengewoon gespierd en sterk,
-daarbij vertoonde hij tot aan zijn dood (die op vermoedelijk ongeveer
-drie-en-twintigjarigen leeftijd plaats greep) niet de geringste
-belangstelling in de vrouwelijke sekse. Zijn dierlijken aard legde hij
-slechts in zijn laatste levensjaren in zijn uiterlijk aanzien af; hij
-scheen zachter en goedaardiger; godsdienstige begrippen of het geloof
-aan een hooger wezen bleek het onmogelijk hem in te prenten.
-
-In 1731 kwam in het dorp Songi (bij Châlons) tegen schemeravond een
-meisje van 9 à 10 jaar oud, door dorst geplaagd. Haar voeten waren
-naakt, haar lichaam met lompen bedekt, een uitgeholde pompoen diende
-haar tot muts. Zij droeg een houten knuppel in de hand. Iemand uit het
-dorp liet een dog op haar los. Zij bleef onversaagd staan en sloeg het
-dier met haar knuppel zoo heftig op den kop, dat het dood ter aarde
-stortte. Vol vreugde over deze overwinning wierp zij zich herhaaldelijk
-op het lichaam van den hond.
-
-Daarna beproefde zij een deur te openen. Toen haar dit niet gelukte,
-verliet zij het dorp, klom op het veld in een boom (waarin zij later
-buitengewoon behendig bleek te zijn) en sliep daar rustig in. Een vrouw
-lokte haar uit den boom en zij werd door de dorpelingen gevangen, die
-haar naar de keuken van zeker kasteel brachten. De kok was daar bezig
-een hoen klaar te maken. Zij ontrukte het hem en begon het dadelijk te
-eten. Een haar gegeven konijn at zij met vel en al op.
-
-Zij had een eigenaardigen glijdenden gang en was zoo vlug, dat zij
-hazen kon inhalen en vangen. Zij dook ook voortreffelijk en at rauwe
-visschen en kikkers.
-
-Het gelukte dit meisje, dat echter reeds in den aanvang minder
-verwilderd was dan de eerst besproken kinderen, daar het eenigszins
-gekleed en gewapend was, eenigszins te ontwikkelen. Zij leerde Fransch
-spreken en werd non. Het kostte haar groote moeite af te leeren het
-vleesch rauw te eten en bladeren, twijgen en wortels te nuttigen. Twee
-jaar na haar gevangenneming had zij nog groote neiging om, duikende,
-visschen te vangen.
-
-Een ander bij haar gevangenneming omstreeks twaalf- of dertienjarig
-meisje toonde, hoewel niet zonder geslachtsdrift, tot haar dood den
-grootsten afschuw voor alle mannen. Haar wilde temperament onttrok zich
-aan alle contrôle, daarbij legde zij een grooten trek naar bloed aan
-den dag en zoog dat aan levende dieren uit. Eens zag men haar als een
-otter in een meer duiken, met groote handigheid eenige visschen vangen
-en die dadelijk daarna aan den oever verslinden.
-
-Later leerde dit meisje spreken en was daardoor in staat eenige
-onbestemde mededeelingen omtrent haar leven in het bosch te doen. Aan
-het einde van haar leven, nadat zij zwaar ziek had gelegen, traden de
-sporen van haar vroegere dierlijke leven weder duidelijk te voorschijn.
-
-Een in de bosschen bij Cannes in Frankrijk gevangen knaap van omstreeks
-elf of twaalf jaar toonde bij zijn dierlijke natuur nog sporen van
-krankzinnigheid, die soms tot razernij oversloegen. Het gelukte met
-oneindige moeite, geduld en duizenden kunstgrepen hem twee of drie
-woorden te leeren. Ongelukkig ontbreekt het slot van zijn door zijn
-verpleger, een Fransch geneesheer, geschreven levensgeschiedenis.
-
-In 1889 werd volgens de dagbladen in België zulk een wilde knaap
-gevangen.
-
-Nog belangwekkender dan bovenstaande gevallen, die allen op Europa
-betrekking hebben, is het volgende uit Indië, dat door den Engelschen
-resident aan het hof te Lucknow, kolonel Steeman, wordt medegedeeld.
-
-Op zekeren dag merkte een cavalerist op een verkenningstocht aan de
-oevers van de rivier de Goombee in de nabijheid van het dorpje
-Chandour, niet ver van Sultanpour (koninkrijk Oude), hoe op geringen
-afstand van hem een wolvin met haar jongen en—een knaap uit het bosch
-kwam, en zich naar het water begaf om te drinken. De knaap liep op
-handen en voeten. Nadat zij had gedronken, wilde de wolvenfamilie weder
-in het bosch gaan. De cavalerist trachtte haar toen den weg te
-versperren om den knaap te bemachtigen. Deze ging echter met de wolven
-en zich nauw bij de wolvin aansluitend op de vlucht. De cavalerist
-bleef echter de vluchtelingen zoo na op de hielen, dat hij hen in een
-hol zag verdwijnen.
-
-Met behulp van een aantal boeren uit het naburige dorp werd het hol in
-korten tijd opengegraven. Volgens het bijgeloof der Hindoes van die
-streek liet men de wolven ontvluchten, maar maakte zich meester van den
-zich heftig verzettenden knaap.
-
-Bij het transport naar het dorp beproefde de knaap, dien men had
-vastgebonden, herhaaldelijk zich los te rukken en in daartoe geschikte
-gaten, boschjes of holen te verdwijnen. De poging om hem tot spreken te
-brengen, werden van zijn kant slechts met knorren en brommen
-beantwoord.
-
-Men hield hem gedurende verscheidene dagen in het dorp. Zoodra hem een
-volwassen persoon naderde, zocht hij weg te sluipen, kwam echter een
-kind te dicht bij hem, dan trok hij met wild geknor op hetzelve los en
-trachtte het te bijten. Van gekookt voedsel toonde hij grooten afkeer;
-wierp men hem daarentegen rauw vleesch toe, dan greep hij dat begeerig,
-wierp het onder zijn handen op den grond en at het dan, evenals een
-hond, met blijkbaar genot en genoegen. Zoolang hij at, duldde hij geen
-menschelijk wezen in zijn nabijheid, doch aan honden veroorloofde hij
-zijn maal te deelen.
-
-Deze wilde knaap, die aan kapitein Nicholett werd overgegeven,
-overleefde zijn gevangenneming slechts drie jaar en stierf in Augustus
-1850 te Sultanpour.
-
-Zijn groote vraatzucht was spreekwoordelijk geworden; men vertelde van
-hem, dat hij een half schaap in één maal opat en daarbij een groote
-schaal karnemelk in één teug opdronk. Hij was volkomen ongevoelig voor
-beleedigingen en slechts door voortdurend plagen toornig te maken; hij
-at alles wat hem werd toegeworpen, maar behield een bijzondere
-voorliefde voor rauw vleesch. Ook at hij rauwe beenderen die hij met
-evenveel gemak als het vleesch scheen te kauwen. Het zonderlingste was
-zijn liefhebberij voor kleine steentjes en aarde, die hij in
-betrekkelijk groote hoeveelheden verslond.
-
-Kleeding wilde hij zelfs bij het koudste weder niet aandoen. Wollen en
-met watten gevulde dekens, die men hem tot bescherming tegen de koude
-gaf, verscheurde hij in kleine stukjes, die hij bij zijn brood at. Hij
-was buitengewoon morsig en van terugstootend karakter; men heeft hem
-nooit zien lachen. Den menschen vijandig, ging hij gaarne met honden en
-jakhalzen om. Doch ook zijn genegenheid voor deze was van een
-bijzonderen aard. Toen zijn eenige vriend, een groote hond, met welken
-hij samen at, werd doodgeschoten wegens al te groote vraatzucht, toonde
-hij niet de minste gemoedsbeweging.
-
-Een andere knaap, die in zijn derde levensjaar bij het twintig mijlen
-van Sultanpour gelegen dorp Chupra door een wolvin aan zijn moeder werd
-ontroofd, werd zeven jaar later in volkomen verdierlijkten toestand
-door twee soldaten weder aan een wolfsfamilie ontroofd. Alle pogingen
-zijner moeder om den knaap weder uit zijn verdierlijkten toestand op te
-heffen, mislukten geheel. De arme vrouw zag zich genoodzaakt het
-menschdier aan de openbare liefdadigheid over te laten. De knaap hield
-zich over dag in het dorp op, maar ging ’s nachts geregeld in het
-naburige bosch slapen. Zijn voedsel bestond in rauw vleesch, hazen,
-vogels en allerlei soort van afval. Zijn dorst stilde hij door zijn
-gezicht vlak bij het water te brengen en dit dan op te zuigen. Zijn
-knieën en ellebogen waren door zijn gewoonte om alle vier ledematen bij
-het loopen te gebruiken, met een hoornachtige huid bedekt.
-
-Zijn lichaam stonk evenals dat der wolven. Hij verdween in 1850 bij
-zijn overbrenging van Sultanpour naar Lucknow en werd niet teruggezien.
-
-Wij gaan de geschiedenis van nog drie in Indië gevangen „wolfskinderen”
-voorbij, om nog even stil te staan bij het laatst bekend gewordene,
-zeer opmerkelijke geval.
-
-Een Hindoeknaap van omstreeks twaalf jaar, werd door twee soldaten
-evenals de beide vorigen in gezelschap van wolven aangetroffen en
-gevangen. Aan den zadelknop van zijn vanger vastgebonden, verscheurde
-hij diens kleederen, en hoewel men zijn handen had gebonden, gelukte
-het hem zijn overwinnaar gevaarlijk te bijten. Hij werd ter verpleging
-toevertrouwd aan den Rajah te Bondee, van wien hem Janoo, de bediende
-van een koopman uit Kasjmier, overnam. De knaap liep, hoewel hij, als
-hij er toe gedwongen werd, rechtop kon gaan, op handen en voeten. Onder
-de leiding van Janoo, die zijn beenen dagelijks met olie inwreef en
-masseerde, leerde hij spoedig als een menschelijk wezen loopen, maar de
-vosachtige stank die zijn lichaam eigen was, was niettegenstaande
-maanden lang voortgezette inwrijvingen met in water geweekt mosterdzaad
-niet te verwijderen; zelfs door onthouding van allen vleeschkost en
-uitsluitende voeding met rijst, peulvruchten en brood was daarin geen
-verbetering te brengen.
-
-Hij sliep onder een mangoboom, vastgebonden aan het veldbed van Janoo,
-die onder den zelfden boom zijn tent had opgeslagen. Op zekeren nacht
-bemerkte Janoo tot zijn schrik, dat twee wolven den slapenden knaap
-naderden en hem besnuffelden. Zij raakten hem aan, hij werd wakker, en
-zich opheffend, legde hij zijn handen op de koppen zijner bezoekers,
-die hem zijn aangezicht lekten. Zij sprongen om hem heên en hij wierp
-met stroo en bladeren naar hen. Janoo waande eerst zijn beschermeling
-verloren, maar overtuigde zich zeer spoedig, dat de wolven slechts met
-hem speelden. Hij zag het een tijd lang rustig aan, maar jaagde
-eindelijk de wolven weg. Deze kwamen echter reeds na korten tijd terug
-om het spel te hervatten. Den volgenden nacht kwamen drie, eenige
-nachten later zelfs vier van die ruwe speelkameraden. Zij kwamen in het
-geheel vijfmaal, zoodat ook Janoo eindelijk alle vrees voor hen
-verloor.
-
-Na den terugkeer van zijn principaal van een vrij langdurige reis was
-Janoo genoodzaakt drukke werkzaamheden te verrichten bij welke hij zijn
-pleegkind, dat hij met een touw aan zijn arm had bevestigd, als
-lastdrager zocht te gebruiken, door hem lasten op het hoofd te doen
-dragen. Bij elk boschje dat zij voorbij kwamen, beproefde de knaap zich
-van zijn last te bevrijden en in het boschje te ontvluchten. Door een
-behoorlijk pak slaag na elke dier pogingen, leerde hij dit echter
-langzamerhand af.
-
-De grootste moeilijkheid bestond daarin, hem aan het dragen van
-kleederen te gewennen daar hij die dikwijls verscheurde en geheel te
-gronde richtte, daar hij er zich evenals een dier mede schobde tegen
-muren, pilaren, boomen enz., zoodra zijn huid hem jeukte. Eenige
-maanden na de aankomst in Lucknow werd Janoo door zijn heer voor eenige
-dagen voor zaken weggezonden. Bij zijn terugkeer was de knaap verdwenen
-en werd nimmer teruggezien.
-
-In Amerika heeft men herhaaldelijk in verschillende streken, ook in de
-laatste tientallen jaren, verwilderde kinderen gevangen, maar daaraan
-na bevrediging der nieuwsgierigheid verder geen nadere aandacht
-geschonken, zoodat zij spoedig weder vergeten waren en voor de
-wetenschap verloren gingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH,
-
-DOOR
-
-Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
-In zijn werk „Darwinism”, Londen 1889, wijdt A. R. Wallace een
-hoofdstuk aan de „Afstamming van den Mensch.” Hij zegt daarin volkomen
-in te stemmen met Darwin’s besluit (in hoofdstuk VI van dit werk), dat
-de mensch in zijn lichamelijk maaksel wezenlijk met de hoogere
-zoogdieren overeenstemt, en dat de menschen en de anthropomorphe apen
-van dezen of genen gemeenschappelijken stamvader afstammen. De bewijzen
-daarvoor schijnen hem overstelpend en afdoende. Verder mag men volgens
-Wallace, ten minste voorloopig, aannemen, dat de wetten der variatie en
-natuurlijke teeltkeus, werkende door den strijd om het bestaan en de
-voortdurende behoefte om hoe langer hoe meer geschikt te worden voor
-zijn physische en biologische omgeving, de oorzaken zijn geweest,
-waardoor hij zijn eigenaardig lichamelijk maaksel en die groote,
-hoog-ontwikkelde hersenen verkreeg, die hem in staat hebben gesteld het
-geheele dieren- en plantenrijk aan zich te onderwerpen.
-
-Daarentegen schijnt het Wallace toe, dat, hoewel de rudimenten van de
-meeste, zoo niet van alle, verstandelijke en zedelijke vermogens van
-den mensch bij sommige dieren mogen worden aangetroffen, toch de
-ontwikkeling van sommige zijner hoogste geestvermogens niet door
-variatie, natuurlijke teeltkeus en den strijd om het leven kan worden
-verklaard, maar het gevolg moet zijn geweest van de inwerking eener
-geheel verschillende oorzaak. Als zoodanige geestvermogens noemt hij
-meer in het bijzonder:
-
-
- 1. De aanleg voor wiskunde.
- 2. De aanleg voor muziek en andere schoone kunsten.
- 3. De aanleg voor metaphysica.
- 4. De aanleg voor boert en scherts.
-
-
-Al deze vermogens zijn bij wilden weinig of niet ontwikkeld. Boerten en
-schertsen doen zij bijna niet. Met metaphysische bespiegelingen houden
-zij zich niet veel op. Hun kunsten staan op zeer lagen trap, hun
-wiskunde beperkt zich tot tellen, dat soms niet verder dan drie schijnt
-te gaan. Er schijnt dus weinig tegen te zeggen te zijn, dat deze
-vermogens, in zoo ver zij zich bij de wilden openbaren door de
-beginselen van Darwin zijn te verklaren. Wallace zegt wel, dat
-inlandsche muziekkorpsen van wilde rassen onder Europeesche leiding
-onze beste moderne muziek op dragelijke wijze leeren spelen, en dus de
-hoogere muzikale vermogens bij die rassen in latenten toestand aanwezig
-schijnen te zijn, maar men zou o.i. evengoed kunnen beweren, dat die
-bij de zangvogels aanwezig zijn, omdat men sommigen daarvan aria’s uit
-opera’s kan leeren fluiten, of dat de papegaaien aanleg hebben voor de
-studie der doode talen, omdat Humboldt in Zuid Amerika een papegaai
-aantrof, die de taal van een uitgestorven Indianenstam sprak.
-
-Het bezwaar van Wallace betreft dus niet zoozeer de afstamming van den
-wilden mensch van het dier als de afstamming van den beschaafden mensch
-van den wilden. Zijn „hoogste vermogens”, waarvoor de inwerking eener
-bijzondere oorzaak zou zijn noodig geweest, vormen geen scherp verschil
-tusschen dier en mensch (de eenige quaestie, waarop het o.i. bij de
-bespreking van de afstamming van den mensch aankomt), maar wel tusschen
-den wilden mensch en den beschaafden mensch, die echter door tallooze
-overgangen zijn verbonden, en wier afstamming van gemeenschappelijke
-stamouders door niemand ooit is betwijfeld, of ten minste nooit op
-grond van hun verschil in beschavingstoestand voor onmogelijk, of voor
-slechts op bovennatuurlijke wijze verklaarbaar is gehouden.
-
-Laten wij echter de bewijsvoering van Wallace eenigszins meer in
-bijzonderheden nagaan.
-
-
-
-1. De aanleg voor wiskunde.
-
-Als wij aannemen, dat de voorhistorische en wilde mensch volstrekt geen
-aanleg voor wiskunde bezat, zou het hoogst moeilijk zijn te verklaren,
-hoe die aanleg ontstond. Nemen wij echter aan, dat hij de rudimenten
-van dien aanleg bezat, zooals het vermogen om tot tien te tellen, maar
-zonder het eenvoudigste rekenkunstige of wiskunstige vraagstuk te
-kunnen oplossen, hoe werd dan dit rudimentaire vermogen bij de moderne
-volken, die voor betrekkelijk korte eeuwen nog barbaren en wilden
-waren, zoo snel ontwikkeld tot een aanleg voor wiskunde als die van een
-Newton, Gauss of La Place? De strijd om het leven van den wilde met de
-elementen, met de dierenwereld of met zijns gelijken kan daarop geen
-invloed hebben gehad, evenmin als de oorlogen der latere volken met
-elkander. De Grieken overwonnen de Perzen niet door hun meerdere kennis
-van wiskunde, maar door hun betere militaire geoefendheid,
-vaderlandsliefde en zelfopoffering. Tamerlan en Gengis-Khan veroverden
-Azië, maar geenszins omdat zij zelven of hun volgelingen meer kennis
-van wiskunde hadden dan de volken die zij overwonnen. De
-ingenieurskunst der Romeinen vereischte zeker eenige wiskundige kennis,
-maar deze verhinderde niet, dat zij den inval der barbaren, welke die
-wiskundige kennis niet bezaten, niet konden weêrstaan. Die barbaren, de
-Kelten, Germanen en Slaven, zijn, reeds vóór zij vorderingen in de
-wiskunde hadden gemaakt, gebleken in den grooten strijd tusschen de
-rassen, de geschiktsten te zijn om te overwinnen, en in dit opzicht de
-beschaafdste en wiskundig het meest ontwikkelde volken der oude
-wereld,—de Hindoes, Arabieren, Grieken en Romeinen te overtreffen. Wel
-hebben in de laatste eeuwen de afstammelingen dier barbaren, de
-Franschen, Duitschers, Engelschen, Nederlanders enz. zich in de
-wiskunde tot een vroeger ongekende hoogte ontwikkeld, maar hun
-voorspoed in en buiten Europa, als kolonisten en veroveraars, als
-individu’s of als natiën, kan volgens Wallace in geenen deele aan die
-ontwikkeling der wiskunde worden toegeschreven. Derhalve is de oorzaak
-dier ontwikkeling niet natuurlijke teeltkeus, maar een andere geheel
-verschillende.
-
-Wij kunnen geenszins toegeven, dat de ontwikkeling der wiskunde geen
-aandeel zou hebben in den voorspoed der moderne volken als veroveraars
-en kolonisten, als individu’s en als natiën. Die voorspoed toch is
-grootendeels het gevolg van hun betere krijgskunde en bewapening. En
-ieder weet, dat voor vestingbouwkunde en artilleriewetenschap, voor het
-uitvinden van nieuwe vuurwapenen en ontplofbare stoffen, wiskunde,
-werktuigkunde (die zich zonder wiskunde niet kan ontwikkelen) en
-scheikunde (die de beoefening van andere natuurwetenschappen
-onderstelt, voor welke wiskunde eveneens onmisbaar is) noodig zijn.
-Zonder vuurwapens geen succes tegenover de wilden, zelfs als individu,
-zonder werktuigkunde en natuurwetenschap geen vuurwapens, zonder
-wiskunde geen werktuigkunde en natuurwetenschap! De wiskunde, die de
-uitstekendste oefening voor het denkvermogen vormt, ontwikkelt
-daarenboven de hersenen, die het voornaamste werktuig zijn, waarmede de
-mensch den strijd om het leven strijdt, en helpt hem daardoor krachtig
-bij het voeren van dien strijd, al moet de intellectueel meer
-ontwikkelde soms terugwijken voor meerdere physieke kracht en numerieke
-overmacht, gelijk in het geval der Romeinen en barbaren, waarbij
-daarenboven nog andere geheel verschillende oorzaken, zooals het
-innerlijke verval, ook in zedelijk opzicht, van het Romeinsche rijk
-bijdroegen om aan de barbaren de zege te verschaffen.
-
-
-
-2. Muzikale en andere vermogens.
-
-Bij de wilden bestaat nauwelijks muziek in onzen zin, al scheppen zij
-ook behagen in den klank van trommen, bekkens, fluitjes enz. en al
-zingen zij ook eentonige liedjes. [296] De Egyptenaars worden voor de
-oudste beoefenaars der eigenlijke muziek gehouden; op hen volgden de
-Joden en Grieken, maar evenmin als de Romeinen hadden deze volken
-(volgens Wallace) eenig begrip van harmonie of van de wezenlijke
-gronden der moderne muziek. Sedert de vijftiende eeuw is de muziek zich
-eerst snel beginnen te ontwikkelen, maar voor den strijd om het leven
-is noch bij de oude volken, noch sedert de vijftiende eeuw de
-vooruitgang der muziek van eenige beteekenis geweest, en natuurlijke
-teeltkeus kan dus niet de oorzaak van dien vooruitgang zijn geweest.
-
-Darwin toont in het XIXde hoofdstuk van dit werk aan, dat de eerste
-ontwikkeling der muzikale vermogens waarschijnlijk met de seksueele
-teeltkeus in verband staat, zoodat het door Wallace bestreden gevoelen
-eigenlijk door niemand wordt verdedigd. Bij de latere ontwikkeling der
-muziek heeft ongetwijfeld de godsdienst een groote rol gespeeld. De
-krijgsmuziek eindelijk kan door den moed der krijgslieden aan te
-wakkeren wel degelijk hebben bijgedragen tot de overwinning, en dus tot
-het overleven der muzikaal het best begaafden. In allen gevalle vinden
-wij reeds in het dierenrijk de muzikale vermogens zeer ongelijk
-verdeeld, en is het de vraag of b.v. de zang van den nachtegaal niet
-even hoog staat boven het gekras van de (in het systeem eveneens onder
-de zangvogels gerangschikte) raaf als de beste moderne muziek boven het
-getrommel en de eentonige liederen der wilden, welke laatste zeker in
-welluidendheid voor het gezang van den nachtegaal onderdoen.
-
-Wat de beeldende kunsten aangaat, de door de vóórhistorische menschen
-uit het Zuiden van Frankrijk vervaardigde teekeningen van dieren
-(mammouth, rendier enz.) worden ongetwijfeld in natuurlijkheid niet
-slechts, gelijk Wallace zegt, nauwelijks geëvenaard door die der
-hedendaagsche wilden, maar overtreffen zelfs menig kunstwerk uit den
-Oud Egyptischen tijd. De beeldhouwkunst bereikte haar toppunt in het
-Oude Griekenland, de schilderkunst in de dertiende tot de vijftiende
-eeuw in Italië. De bouwkunde, waarvan de eerste rudimenten, tot vroegen
-vóórhistorischen tijd opklimmen, daar de eenvoudigste hut immers reeds
-een gebouw is, schiep in Egypte en Assyro-Babylonië kolossale
-gedenkteekenen, maar bereikte in de oudheid, als schoone kunst
-beschouwd, haar toppunt eveneens in Griekenland, en in de Middeleeuwen
-in de gothische kerkgebouwen.
-
-Met den strijd om het leven en het overleven der geschiktsten staat die
-ontwikkeling der schoone kunsten echter in geen onmiddellijk verband.
-Griekenland’s ontwikkeling in de kunst belette niet, dat het door de in
-dat opzicht minder ontwikkelde Romeinen werd onderworpen, en de
-Engelschen, die stellig in begaafdheid voor de beeldhouwkunst voor de
-Italianen en Denen, voor de schilderkunst voor de Italianen,
-Spanjaarden, Franschen en Nederlanders, in de muziek voor de Duitschers
-en Italianen onderdoen, zijn toch de eerste koloniseerende natie der
-wereld geworden, en geen ras neemt tegenwoordig zoo sterk in aantal toe
-als juist het, wat de kunst aangaat, zoo middelmatig begaafde
-Angel-Saksische.
-
-De hooge ontwikkeling van den aanleg tot wiskunde als die voor de
-schoone kunsten schijnen het resultaat en geenszins een oorzaak van den
-socialen en intellectueelen vooruitgang te zijn. Dit willen wij Wallace
-toestemmen, ofschoon wij geenszins met hem medegaan in de nadere
-oorzaak welke hij voor die hooge ontwikkeling aanneemt, op welk punt
-wij straks terugkomen. Evenals een werktuig, met een bepaald doel
-gemaakt en verbeterd, daardoor dikwijls tevens voor andere, geheel
-verschillende doeleinden geschikter kan worden, een mes, gemaakt en
-geslepen om b.v. te snoeien, wordt door den vorm welken men aan het
-metaal heeft gegeven, en het slijpen tevens geschikter om andere
-voorwerpen dan takken te snijden, heeft de menschelijke geest, door den
-strijd om het bestaan voortdurend ontwikkeld, daarmede tegelijkertijd
-geschiktheid gekregen voor andere zaken, zooals kunst, die veel
-bijdragen om het menschelijk leven te veraangenamen, maar in geen
-rechtstreeksche betrekking staan tot dien strijd om het bestaan, en
-waarvan men de eerste rudimenten reeds bij wilden, en wat de muziek en
-bouwkunst aangaat, ook in de dierenwereld aantreft.
-
-
-
-Wallace’s tweede bewijs, dat de aanleg voor de wiskunde en de schoone
-kunsten niet door natuurlijke teeltkeus zijn ontstaan.
-
-Daar de natuurlijke teeltkeus de individu’s die een nuttig kenmerk
-bezitten, bewaart ten koste van het leven van die welke het niet of in
-geringe mate bezitten, is elk kenmerk, dat onder haar werking tot
-ontwikkeling is gekomen, vrij gelijkmatig over al de individu’s eener
-soort verdeeld. Als men de gemiddelde ontwikkeling van zulk een kenmerk
-op 100 stelt, zullen de variaties, gelijk Wallace in het derde
-hoofdstuk van zijn „Darwinism” heeft aangetoond, van 80 tot 120 (of
-iets meer als een zeer groot aantal individu’s wordt vergeleken)
-loopen, zoodat het bedrag der variatie omstreeks ⅕ tot ⅙ van de
-gemiddelde waarde is. Daarom bestaan ook alle vermogens, welke voor den
-mensch in zijn vroege ontwikkelingstrappen van hooge waarde zijn
-geweest,—zooals snel loopen, lichaamskracht, behendigheid in den
-wapenhandel, scherpte van zintuigen, vermogen om een spoor te volgen
-enz.,—bij alle wilden in eenigszins gelijkmatigen graad. Eveneens is
-het met de instinkten en verstandelijke eigenschappen van de dieren
-eener zelfde soort gesteld; elk winterkoninkje bouwt ongeveer een even
-goed nest, elke vos is nagenoeg even slim enz.
-
-Als vermogens die zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, uit den
-aard der zaak vrij gelijkmatig over alle individu’s eener soort moeten
-zijn verdeeld, kunnen wij omgekeerd besluiten, dat vermogens die zeer
-ongelijkmatig over de individu’s eener soort zijn verdeeld, niet kunnen
-zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
-
-De aanleg voor wiskunde en voor de schoone kunsten zijn zeer ongelijk
-verdeeld. Derhalve kan die aanleg niet zijn verkregen door natuurlijke
-teeltkeus.
-
-Ten bewijze dat de aanleg voor wiskunde zelfs onder de beschaafde
-volken zeer ongelijkmatig is verdeeld, haalt Wallace de getuigenis van
-twee onderwijzers in de wiskunde aan Engelsche scholen aan, volgens
-welke slechts één op de honderd jongens een bijzonderen aanleg voor de
-wiskunde heeft en het er ver in kan brengen, terwijl de groote
-meerderheid der bevolking er weinig of geen aanleg voor heeft en er
-niet het geringste belang in stelt. En als wij de grootte der variatie
-en aanleg voor wiskunde tusschen een wiskunstenaar van de eerste klasse
-en de meeste andere menschen wilden schatten, zou die aanleg volgens
-Wallace bij den eerste minstens honderd- en wellicht duizendmaal
-grooter zijn dan bij de laatsten.
-
-Wat den aanleg tot beeldende kunst betreft, is het resultaat het
-zelfde. Uit onderzoekingen, door Wallace op Engelsche scholen
-ingesteld, zou het aantal kinderen dat werkelijk aanleg heeft tot
-teekenen—dat afbeeldt wat het ziet, niet wat het weet dat de vorm der
-dingen is, dat van zelf in perspectief teekent, omdat het aldus is, dat
-het de voorwerpen ziet, dat in zijn teekeningen van zelf licht en
-schaduw aanbrengt en zich niet bepaalt tot omtrekken, dat herkenbare
-schetsen kan maken van al zijn bekenden—hoogstens een percent van het
-geheele aantal kinderen bedragen, en zou de aanleg tot teekenen bij een
-middelmatig artist minstens vijftig- of zelfs honderdmaal grooter zijn
-dan die van een gewone man of vrouw „die niet teekent en wiens pogingen
-om een of ander voorwerp af te beelden, eenvoudig belachelijk zijn.”
-
-Wat den aanleg voor muziek aangaat, deze is, in zijn lagere vormen,
-meer algemeen verspreid dan de beide vorige, en tegen één persoon die
-uit zich zelven, als het ware instinktmatig teekent, zijn er stellig
-vijf of tien die wat zingen of spelen zonder het te hebben geleerd. Een
-muziekmeester op een groote school verzekerde echter aan Wallace, dat
-slechts ongeveer één percent der menschen stellig muzikaal talent
-bezaten, en de muzikale aanleg van een groot componist zal die van een
-gewoon mensch stellig vele honderden en wellicht duizenden malen
-overtreffen.
-
-Derhalve moeten volgens Wallace de aanleg voor wiskunde, beeldende
-kunsten en muziek zijn verkregen door deze of gene oorzaak welke geheel
-van de natuurlijke teeltkeus verschilt.
-
-Het zelfde is volgens hem het geval met den aanleg voor metaphysica,
-welke ons in staat stelt afgetrokken begrippen te vormen, welke zoo
-verwijderd mogelijk van alle practische toepassing zijn, en de laatste
-oorzaken der dingen, den aard en de eigenschappen van stof, beweging en
-kracht, van ruimte en tijd, van oorzaak en gevolg, van wil en
-bewustzijn te bespreken. Wilden houden volgens Wallace geen
-bespiegelingen over dergelijke afgetrokken en moeilijke vraagstukken,
-maar zoodra een volk beschaafd wordt en er een klasse van menschen
-ontstaat, die, hetzij als priesters of als wijsgeeren, niet in de
-noodzakelijkheid verkeeren te werken of een werkzaam aandeel aan den
-oorlog of het bestuur te nemen, vertoont zich plotseling die aanleg tot
-metaphysica, schoon zij, evenals de overige boven besproken vermogens,
-altijd tot een zeer klein gedeelte der bevolking beperkt blijft.
-
-Tot de zelfde klasse van vermogens behoort eindelijk ook de aanleg tot
-boert en scherts, het humoristische vermogen. Dit is het laatste dat
-Wallace in het bijzonder noemt, ofschoon hij blijkbaar schijnt te
-bedoelen, dat daarmede de opsomming dier vermogens nog niet volledig
-is.
-
-Ook Weismann bespreekt in zijn verhandeling over „Erfelijkheid” den
-oorsprong der „talenten” en komt, evenals Wallace, tot het besluit, dat
-zij niet door de natuurlijke teeltkeus kunnen zijn verkregen. „Die
-prae-disposities”, zegt hij, „welke wij talenten noemen, kunnen niet
-zijn ontstaan door natuurlijke teeltkeus, omdat het leven in geenen
-deele van het bezit daarvan afhankelijk is en er schijnt geen andere
-weg te bestaan om haar oorsprong te verklaren, dan door aan te nemen,
-dat de bekwaamheid in den loop van elk individueel leven verkregen,
-zich” (in den loop der generaties) „ophoopt. In dit geval schijnen wij
-dus op het eerste gezicht genoodzaakt te zijn de overerving van
-verworven kenmerken aan te nemen.” Weismann is echter van oordeel, dat
-de feiten deze meening niet steunen, en wijst er op, dat de aanleg voor
-wiskunde, beeldende kunst en muziek dikwijls plotseling verschijnt in
-een familie, waarvan de andere leden en voorouders zich in dit opzicht
-volstrekt niet onderscheidden, en dat zelfs, waar zulk een aanleg
-erfelijk is, hij dikwijls het sterkst optreedt in het begin of in het
-midden der reeks, en naar het einde daarvan niet toeneemt, gelijk men
-zou hebben mogen verwachten als hij met de overerving van verkregen
-bekwaamheid in verband stond. Na te hebben aangetoond, dat wiskundigen
-en kunstenaars van den eersten rang alleen optreden op een bijzonderen
-trap van menschelijke ontwikkeling, besluit hij als volgt:
-
-„Omtrent dit onderwerp wensch ik hier alleen bij te voegen, dat volgens
-mijn meening talenten niet het gevolg zijn van de ontwikkeling van deze
-of gene eigenschap van het verstand door voortdurende oefening, maar
-dat zij de uitdrukking en tot zekere hoogte het bijproduct zijn van den
-menschelijken geest, die in alle richtingen zoo hoog ontwikkeld is.”
-
-Wallace, welke deze plaats van Weismann aanhaalt, is met diens
-verklaring van het vraagstuk in geenen deele tevreden. Hij meent, dat
-de bedoelde vermogens duidelijk wijzen op de aanwezigheid in den mensch
-van iets, dat hij niet aan zijn dierlijke voorouders heeft ontleend, en
-dat men het best zou kunnen aanduiden als een wezen van geestelijken
-aard of natuur, vatbaar om zich onder gunstige omstandigheden
-progressief te ontwikkelen,—dat zij verder duidelijk wijzen op een
-onzichtbaar heelal, een geestelijke wereld, waaraan deze stoffelijke
-wereld geheel ondergeschikt is.
-
-Zeker zullen velen onzer lezers hierin met voldoening de oude
-dualistische leer dat de mensch uit ziel en lichaam bestaat,
-terugvinden, en in Wallace’s verklaring een zinspeling meenen te zien
-op de dogma’s van den Christelijke godsdienst. Ten onrechte echter,
-want de juiste verklaring is dat de heer Wallace spiritist is. Als hij
-van de onzichtbare wereld der geesten (spirits) spreekt, bedoelt hij
-daarmede de klopgeesten die zich in dansende tafels enz. onder den
-invloed der mediums openbaren. Of het vermogen van boert of scherts
-onder den invloed der zoogenaamde „spotgeesten” is ontstaan, die,
-gelijk bekend is, bij de spiritistische openbaringen zulk een groote
-rol spelen, zegt hij echter niet! Gelijk men weet, zijn volgens
-spiritisten de klopgeesten zielen van afgestorvenen. Om na den dood als
-klopgeest te kunnen optreden, moet de ziel natuurlijk als zelfstandig
-geestelijk wezen reeds tijdens het leven van den mensch bestaan. Van
-waar nu de eerste geesten kwamen, die tijdens de mensch zich uit zijn
-dierlijke voorouders ontwikkelde, hem daarbij behulpzaam waren, blijft
-in ’t duister. Zielen van menschen kunnen die eerste geesten niet zijn
-geweest, want vóór de mensch zich had gevormd, bestonden er natuurlijk
-geen zielen van afgestorven menschen. Waren het dan de zielen van
-redelijke wezens die op andere wereldbollen hadden geleefd? Ook dit
-vraagpunt blijft in ’t duister!
-
-Dat Wallace, de zelfstandige mede-opsteller van Darwin’s theorie en een
-der scherpzinnigste natuuronderzoekers die ooit hebben geleefd,
-spiritist is, en wel spiritist met hart en ziel in de meest
-uitgestrekte beteekenis van dat woord, is boven elken twijfel verheven.
-Dat hij aan spookhuizen en de verschijning van spoken daarin, aan het
-verschijnen van geesten van afgestorvenen om hun bloedverwanten hun
-dood aan te kondigen, aan het dierlijk magnetisme met inbegrip van
-helderzienheid (clairvoyance), aan odkracht enz. enz. gelooft, niet
-minder. Daarentegen is hij geen aanhanger der zoogenaamde
-reïncarnatieleer, (d.i. de leer der zielsverhuizing, der wedergeboorte
-in een nieuw menschelijk lichaam op aarde), maar neemt aan dat de
-menschelijke ziel zich na den dood in de geestenwereld tot het
-oneindige kan ontwikkelen, en er dus een zeer groot aantal geesten van
-verschillenden ontwikkelingsgraad bestaan, die de gaping tusschen
-mensch en God aanvullen. „De groote wet der continuïteit of van den
-samenhang van alles (als de laatste uitspraak der moderne wetenschap,
-welke in alle sferen der stof, der kracht en des geestes, zoover wij ze
-kunnen doorvorschen, absoluut schijnt te zijn) kan”, zegt Wallace aan
-het slot van het voorwoord van zijn werk „The Scientific Aspect of the
-Supernatural”, „onmogelijk ophouden te gelden, zoodra wij ons boven de
-enge sfeer van onzen gezichtseinder verheffen. Er kan geen oneindige
-afgrond bestaan tusschen den mensch en den grooten Geest van het
-Heelal; een dergelijke hypothese komt mij in de hoogste mate
-onwaarschijnlijk voor.” [297]
-
-Hoe geheel anders Darwin over het spiritisme dacht, blijkt uit het
-volgende uittreksel uit een brief, geschreven 18 Januari 1874, en
-betrekking hebbende op een spiritistische séance ten huize van zijn
-broeder Erasmus, 6 Queen Anne straat Londen, gehouden, met medewerking
-van een zeer bekend medium.
-
-„.....Laatst hadden wij op een achtermiddag veel pret; want George had
-een medium gehuurd, dat de stoelen, een fluit, een schel, een kandelaar
-en vuurvonken in mijn broeders eetvertrek rond liet springen op een
-wijze die iedereen in verbazing bracht en ademloos stil maakte. Het was
-in het duister, maar George en Hensleigh Wedgwood hielden voortdurend
-de handen en voeten van het medium aan weêrszijden vast. Ik vond het er
-zoo drukkend warm en vervelend, dat ik wegging, vóór al deze verbazende
-wonderen of goochelkunsten plaats hadden. Hoe de man bij mogelijkheid
-kon doen wat werd gedaan, gaat mijn begrip te boven. Ik kwam naar
-beneden en zag al de stoelen enz. op de tafel staan, die over de
-hoofden van hen die er om heên zaten, opgelicht was geworden.
-
-„De hemel zij ons genadig als wij aan zulken onzin [298] moeten
-gelooven. F. Galton was er bij en zegt dat het een goede séance
-was.....”
-
-Bedoelde séance gaf aanleiding, dat er een kleinere en met meer zorg
-ingerichte op touw werd gezet, waarbij Professor Huxley tegenwoordig
-was, die er aan Darwin rapport over uitbracht. Deze schreef daarop aan
-Huxley den volgenden brief:
-
-
- Down, 20 Januari 1874.
-
-„Waarde Huxley!
-
-„Het was zeer goed van U zulk een lang verslag voor mij te schrijven.
-Hoewel de séance U zoozeer verveelde, was zij, dunkt mij, de inspanning
-wel waard, daar de zelfde soort van zaken op alle séances worden
-gedaan, zelfs op die bij....., en nu zouden voor mijn geest verbazend
-sterke bewijsgronden noodig zijn om iemand te doen gelooven dat het
-iets meer was dan bloote fopperij ... Het doet mij genoegen als ik mij
-herinner, dat ik eergisteren aan mijn geheele huisgezin heb verklaard,
-dat hoe langer ik nadacht over hetgeen ik hoorde dat in Queen Anne
-straat was geschied, hoe meer ik overtuigd werd, dat het alles bedrog
-was .... mijn theorie was, dat [het medium] het zoo wist in te richten,
-dat de beide personen aan weêrszijden van hem elkanders handen
-vasthielden, in plaats van de zijne en hij daardoor vrij was om zijn
-kluchten uit te voeren. Ik ben zeer blijde, dat ik U mijn ukase
-uitvaardigde om er bij tegenwoordig te zijn.
-
- Uw toegenegen
- Charles Darwin.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS
-GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.
-
- De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke
- teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke
- vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden
- stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken
- invloed uit.—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat
- verkeerden.
-
-
-De onderwerpen die in dit hoofdstuk moeten worden besproken, zijn van
-het hoogste belang, maar worden door mij slechts hoogst onvolkomen
-stuksgewijze behandeld. De heer Wallace toont in een reeds vroeger
-aangehaalde verhandeling [299] aan, dat de mensch, nadat hij
-gedeeltelijk die verstandelijke en zedelijke vermogens had verkregen,
-welke hem van de lagere dieren onderscheiden, slechts weinig
-vatbaarheid moet hebben bezeten voor veranderingen in zijn lichamelijk
-maaksel door natuurlijke teeltkeus of andere middelen. Want de mensch
-is door zijn geestvermogens in staat „met een onveranderd lichaam in
-harmonie te blijven met het veranderd heelal.” Hij bezit een groot
-vermogen om zijn gewoonten te wijzigen naar de behoeften, door nieuwe
-levensvoorwaarden ontstaan. Hij vindt wapenen, werktuigen en
-verschillende listen uit, waarmede hij zich voedsel verschaft of zich
-verdedigt. Als hij naar een kouder klimaat verhuist, gebruikt hij
-kleederen, bouwt hutten en ontsteekt vuur; met behulp van het vuur
-kookt hij voedsel, dat anders onverteerbaar zou zijn. Zelfs in een lang
-vervlogen tijdperk maakte hij eenigszins gebruik van de verdeeling van
-den arbeid.
-
-Bij de lagere dieren moet daarentegen het maaksel van het lichaam
-worden gewijzigd, willen zij bij sterk veranderde levensvoorwaarden
-blijven bestaan. Zij moeten sterker worden of scherper tanden of
-klauwen verkrijgen om zich tegen hun vijanden te verdedigen; of zij
-moeten in grootte afnemen om aan ontdekking en gevaar te ontkomen. Als
-zij naar een kouder klimaat verhuizen, moeten zij met een dikker pels
-worden bekleed of hun gestel moet veranderen. Wanneer zij dergelijke
-wijzigingen niet ondergaan, zullen zij ophouden te bestaan.
-
-Met de verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch is het,
-zooals de heer Wallace terecht heeft beweerd, geheel anders gesteld.
-Deze vermogens zijn variabel, en wij hebben alle reden om te gelooven,
-dat die variaties een neiging tot erfelijkheid hebben. Als zij daarom
-vroeger van hoog belang waren voor den oorspronkelijken mensch en zijn
-op apen gelijkende voorouders, moeten zij door natuurlijke teeltkeus
-meer volkomen gemaakt en vooruitgegaan zijn. Over de hooge
-belangrijkheid der verstandelijke vermogens kan geen twijfel bestaan;
-want de mensch heeft daaraan voornamelijk zijn verheven plaats op aarde
-te danken. Wij kunnen nagaan, dat in den ruwsten staat der
-maatschappij, de individu’s die het scherpzinnigst waren, die de beste
-wapenen en vallen uitvonden en gebruikten, en die het best in staat
-waren zich te verdedigen, het talrijkste kroost moesten voortbrengen.
-De stammen die de meeste aldus begaafde mannen bezaten, moesten in
-aantal toenemen en andere stammen verdringen. Het aantal menschen hangt
-oorspronkelijk van de hoeveelheid levensmiddelen af, en deze
-gedeeltelijk van de natuurlijke gesteldheid van het land, maar in veel
-grooter mate van de kunsten die daar worden beoefend. Als een stam
-vermeerdert en overwint, wordt hij verder nog dikwijls vermeerderd,
-doordat andere stammen met hem samensmelten. [300] De lichaamsgrootte
-en spierkracht van een stam zijn eveneens van belang voor zijn
-voorspoed, en deze hangen gedeeltelijk van den aard en de hoeveelheid
-voedsel af, die kan worden verkregen. In Europa werden de menschen van
-den bronstijd verdrongen door een machtiger ras, dat, te oordeelen naar
-de gevesten hunner zwaarden, grootere handen bezat [301], maar de
-voorspoed van dit laatste was waarschijnlijk in veel hooger mate
-daaraan te danken, dat zij veel verder in de kunsten waren gevorderd.
-
-Al wat wij van wilde volksstammen weten, of af mogen leiden uit hun
-overleveringen en uit oude gedenkteekenen, waarvan de geschiedenis door
-de tegenwoordige bewoners volkomen is vergeten, bewijst, dat sedert de
-vroegste tijden voorspoedige stammen andere stammen hebben verdrongen.
-Overblijfselen van uitgestorven of vergeten stammen zijn overal op
-aarde ontdekt, zoowel in beschaafde landen als in de woeste vlakten van
-Amerika en op de eenzame eilanden van den Stillen Oceaan. In den
-tegenwoordigen tijd verdringen de beschaafde volken overal de
-onbeschaafde, behalve waar het klimaat een doodelijken slagboom
-daartegen opwerpt, en zij slagen daarin voornamelijk, hoewel niet
-uitsluitend, door hun kunsten, die voortbrengselen zijn van het
-verstand. Het is daarom hoogst waarschijnlijk, dat bij het menschelijk
-geslacht de verstandelijke vermogens trapsgewijze volkomener zijn
-geworden door natuurlijke teeltkeus; en dit besluit is genoegzaam voor
-ons doel. Ongetwijfeld zou het zeer belangwekkend zijn geweest, om de
-ontwikkeling van elk afzonderlijk vermogen te schetsen van den toestand
-waarin het zich bij lagere dieren bevindt, af, tot dien waarin het bij
-den mensch bestaat, toe; maar ik bezit noch genoegzame bekwaamheid,
-noch genoegzame kennis om dit te beproeven.
-
-Het verdient opmerking, dat zoodra de voorouders van den mensch een
-gezellige levenswijze aannamen (en dit geschiedde waarschijnlijk in een
-zeer vroeg tijdperk), de vooruitgang der verstandelijke vermogens in
-hooge mate geholpen en gewijzigd moet zijn op een wijze, waarvan wij
-bij de lagere dieren slechts sporen zien, namelijk door het beginsel
-van nabootsing, verbonden met rede en ondervinding. Apen bezitten,
-evenals de laagste wilden, de aandrift tot nabootsing in zeer hooge
-mate; en het vroeger aangehaalde feit, dat na eenigen tijd geen dier op
-de zelfde plaats in de zelfde soort van val kan worden gevangen,
-bewijst alleen reeds, dat dieren door ondervinding leeren en elkanders
-omzichtigheid navolgen. Indien nu één man in een stam, die
-scherpzinniger dan de anderen was, eene nieuwe list of wapen, of andere
-middelen van aanval of verdediging uitvond, moest eenvoudig het
-eigenbelang zonder behulp van veel redeneering de andere leden van den
-stam aandrijven om hem na te volgen, en zoo moesten allen er voordeel
-uit trekken. De voortdurende uitoefening van een nieuwe kunst moest ook
-eenigermate het verstand versterken. Als de nieuwe uitvinding
-belangrijk was, moest de stam in aantal toenemen, zich uitbreiden en
-andere stammen verdringen. In een op die wijze talrijker geworden stam
-moest altijd meer kans bestaan op de geboorte van meer scherpzinnige en
-vindingrijke leden dan bij andere stammen. Indien dergelijke mannen
-kinderen nalieten, die hun verstandelijke meerderheid erfden, moest de
-kans op de geboorte van nog vernuftiger leden iets grooter en in een
-zeer kleinen stam stellig grooter worden. Zelfs als zij geen kinderen
-achterlieten, bevatte de stam toch nog hun bloedverwanten; en de
-veefokkers verzekeren, dat men, door de bloedverwanten van een dier,
-dat bij het slachten goed was bevonden, uit te kiezen en met elkander
-voort te doen telen, het gewenschte kenmerk heeft verkregen.
-
-
-
-Laten wij thans overgaan tot de sociale en zedelijke vermogens. De
-oorspronkelijke menschen of de op apen gelijkende voorouders van den
-mensch moesten, om een gezellige levenswijze aan te nemen, eerst de
-zelfde instinktmatige gevoelens verkrijgen, die andere dieren
-aandrijven om in gezelschap te leven; en vertoonden ongetwijfeld de
-zelfde algemeene neigingen. Zij moeten zich onaangenaam aangedaan
-hebben gevoeld als zij van hun makkers, voor welke zij een zekere mate
-van genegenheid koesterden, werden gescheiden; zij moeten elkander voor
-gevaar gewaarschuwd en bij den aanval en de verdediging geholpen
-hebben. Dit alles sluit een zekere mate van sympathie, trouw en moed in
-zich. Dergelijke sociale hoedanigheden, wier hooge belangrijkheid voor
-de lagere dieren door niemand wordt betwist, werden ongetwijfeld door
-de voorouders van den mensch op gelijksoortige wijze verkregen,
-namelijk door natuurlijke teeltkeus, geholpen door overgeërfde
-gewoonte. Als twee stammen van oorspronkelijke menschen, die in
-hetzelfde land woonden, elkanders mededingers waren, en als een dier
-stammen (de overige omstandigheden de zelfde zijnde) een grooter aantal
-moedige, medegevoel bezittende en getrouwe leden bezat, die altijd
-bereid waren om elkander voor gevaar te waarschuwen, te helpen en te
-verdedigen, moest die stam ongetwijfeld het best slagen en de andere
-overwinnen. Dat men steeds bedenke, van hoe hoog belang bij de
-onophoudelijke oorlogen der wilden trouw en moed moeten zijn. Het
-voordeel, dat gedisciplineerde soldaten over ongedisciplineerde hebben,
-is voornamelijk het gevolg van het vertrouwen dat elk hunner op zijn
-makkers stelt. Gehoorzaamheid is, zooals de heer Bagehot zeer juist
-heeft aangetoond [302], van de hoogste waarde; want de een of andere
-vorm van bestuur is beter dan in het geheel geen. Zelfzuchtige en
-twistzieke menschen zijn niet eensgezind, en zonder eendracht kan niets
-tot stand worden gebracht. Een stam die de bovengenoemde hoedanigheden
-in hooge mate bezat, moest zich uitbreiden en andere stammen
-overwinnen; maar in den loop der tijden moest hij, te oordeelen naar al
-wat wij van de geschiedenis van vroegere eeuwen weten, op zijn beurt
-onderdoen voor den eenen of anderen nog hooger begaafden stam. Zoo was
-er kans, dat de sociale en zedelijke hoedanigheden langzamerhand
-vooruitgingen en zich over de wereld verspreidden.
-
-Men zou echter kunnen vragen, hoe het kwam, dat binnen de grenzen van
-een zelfden stam een groot aantal leden voor het eerst met deze sociale
-en zedelijke hoedanigheden begaafd werden, en op welke wijze deze
-hoedanigheden hoe langer hoe uitnemender werden. Het is uiterst
-twijfelachtig, of de meer medegevoel bezittende en welwillende
-menschen, of zij die het getrouwst waren aan hun makkers, een grooter
-aantal kinderen moesten nalaten, dan de zelfzuchtige en verraderlijke
-leden van den zelfden stam. Hij die bereid was zijn leven op te
-offeren, zooals menig wilde is geweest, liever dan zijn makkers te
-verraden, moest dikwijls geen kinderen nalaten die zijn edele inborst
-konden erven. De dapperste mannen die altijd bereid waren om in den
-oorlog aan de spits te staan en vrijwillig hun leven voor anderen op te
-offeren, moesten gemiddeld in grooter getale omkomen dan andere
-menschen. Daarom schijnt het nauwelijks mogelijk (als men bedenkt, dat
-wij hier niet spreken van éénen stam, die een anderen overwint), dat
-het aantal der mannen, met dergelijke deugden begaafd, toegenomen, of
-dat die deugden zelf hooger ontwikkeld zouden zijn door natuurlijke
-teeltkeus, dat is, door het overleven van hen die ze in de hoogste mate
-bezaten.
-
-Hoewel de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vermeerdering van
-het aantal der dus begaafde menschen in den zelfden stam, te
-ingewikkeld zijn om dadelijk te worden nagegaan, kunnen wij echter
-eenige waarschijnlijke stappen aangeven. In de eerste plaats moest,
-zoodra de redeneerkracht en het vooruitziend vermogen der leden
-vooruitgingen, elk man spoedig door ondervinding leeren, dat hij, als
-hij zijn medemenschen hielp, gewoonlijk wederkeerig door hen werd
-geholpen. Door deze lage beweegreden verkreeg hij wellicht de gewoonte
-om zijn makkers te helpen, en de gewoonte om welwillende handelingen te
-volbrengen versterkt ongetwijfeld het medegevoel, dat den eersten stoot
-aan welwillende handelingen geeft. Daarenboven hebben gewoonten die
-gedurende vele geslachten zijn gevolgd, een neiging tot erfelijkheid.
-
-Er is echter een ander en veel machtiger prikkel voor de ontwikkeling
-der sociale deugden, namelijk, de lof en de afkeuring onzer
-medemenschen. De begeerte naar lof en de vrees voor schande berusten
-oorspronkelijk, zooals wij reeds hebben gezien, op het instinkt van
-medegevoel; en dit instinkt werd ongetwijfeld, evenals alle andere
-sociale instinkten, oorspronkelijk verkregen door natuurlijke
-teeltkeus. In hoe vroeg een tijdperk de voorouders van den mensch in
-den loop van hun ontwikkeling voor het eerst vatbaar werden om gevoelig
-te zijn voor en te worden aangedreven door den lof en de afkeuring
-hunner medeschepselen, kunnen wij natuurlijk niet zeggen. Het schijnt
-echter, dat zelfs honden gevoelig zijn voor aanmoediging, lof en
-afkeuring. De ruwste wilden bezitten het gevoel van roem, zooals zij
-duidelijk toonen door de zegeteekenen hunner heldendaden te bewaren,
-door hun gewoonte van bovenmate te snoeven en zelfs door de groote zorg
-die zij aan hun uiterlijk aanzien en versierselen besteden; want,
-wanneer zij geen prijs stelden op de meening hunner makkers, zouden
-dergelijke gewoonten zinneloos zijn.
-
-Zij gevoelen ongetwijfeld schaamte, wanneer zij een hunner zedelijke
-regels overtreden; maar in hoe verre zij ook berouw ondervinden, is
-twijfelachtig. Ik was eerst verwonderd, dat ik mij niet kon herinneren
-ooit eenig voorbeeld van dit gevoel bij wilden te hebben opgeteekend
-gevonden, en Sir J. Lubbock getuigt [303], dat ook hem daarvan geen
-voorbeeld bekend is. Als wij echter alle gevallen uit onzen geest
-verbannen die in romans en tooneelspelen en in bekentenissen, op het
-sterfbed aan priesters gedaan, worden medegedeeld, betwijfel ik, of
-velen van ons in den tegenwoordigen tijd getuige zijn geweest van een
-oprecht berouw; hoewel wij dikwijls schaamte en droefheid over geringe
-misdrijven hebben gezien. Berouw is een diep verborgen gevoel. Het is
-niet te gelooven, dat een wilde die liever zijn leven zou opofferen,
-dan zijn stam te verraden, of die zich liever gevangen wil geven, dan
-zijn woord te breken, geen berouw zou gevoelen in het binnenste van
-zijn ziel, hoewel hij het ook verborgen mocht houden, als hij een
-plicht had verzuimd, dien hij voor heilig hield.
-
-Wij mogen daarom besluiten, dat in een zeer verwijderd tijdperk de lof
-of de afkeuring zijner makkers op den oorspronkelijken mensch invloed
-moet hebben uitgeoefend. Het is duidelijk, dat de leden van den stam
-een gedrag dat hun voorkwam voordeelig te zijn voor het algemeene
-welzijn, goedkeuren, en handelingen die daarmede in strijd waren,
-afkeuren moesten. Anderen goed te doen,—anderen te behandelen, zooals
-men zelf wenscht door hen te worden behandeld,—is de hoeksteen der
-zedelijkheid. Het is daarom nauwelijks mogelijk de belangrijkheid van
-de begeerte naar lof en de vrees voor afkeuring gedurende onbeschaafde
-tijden te hoog te schatten. Iemand die niet door eenig diep
-instinktmatig gevoel werd gedreven om zijn leven voor het welzijn van
-anderen op te offeren, maar toch tot dergelijke daden werd aangezet
-door de zucht naar roem, moest door zijn voorbeeld de zelfde zucht naar
-roem bij anderen opwekken en door oefening het edel gevoel van
-bewondering versterken. Hij deed zoo wellicht veel meer goed aan zijn
-stam, dan door kinderen te verwekken, die aanleg bezaten om zijn eigen
-verheven karakter te erven.
-
-Met vermeerderde ondervinding en rede, begrijpt de mensch de meer
-verwijderde gevolgen zijner handelingen, en de op het individu zelf
-betrekking hebbende deugden, zooals matigheid, kuischheid enz., die in
-vroege tijden, zooals wij hierboven zagen, zeer weinig in aanzien
-stonden, komen in hooge achting of worden zelfs voor heilig gehouden.
-Ik behoef echter niet te herhalen wat ik hierover in het derde
-hoofdstuk heb gezegd. Ten slotte bestaat onze zedelijke zin of geweten
-uit een zeer samengesteld gevoel, dat zijn eersten oorsprong vindt in
-de sociale instinkten, in hooge mate geleid door de goedkeuring onzer
-medemenschen, bestuurd door rede, eigenbelang, en in latere tijden door
-diepe godsdienstige gevoelens, bevestigd door onderwijs en gewoonte.
-
-Men moet niet uit het oog verliezen, dat, hoewel een groote zedelijke
-ontwikkeling ieder individu en diens kinderen slechts weinig of geen
-voordeel boven de andere menschen van den zelfden stam geeft, een
-algemeene vooruitgang in zedelijke ontwikkeling en een vermeerdering
-van het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen echter ongetwijfeld
-aan een stam een zeer groot voordeel boven andere zal geven. Het valt
-niet te betwijfelen, dat een stam die vele leden bevatte, welke, daar
-zij een groote mate van vaderlandslievenden geest, trouw,
-gehoorzaamheid, moed en medegevoel bezaten, altijd bereid waren
-elkander te helpen en zich voor het algemeen welzijn op te offeren,
-andere stammen zou overwinnen, en dit zou natuurlijke teeltkeus zijn.
-Ten allen tijde en overal op aarde hebben stammen andere stammen
-verdrongen; en daar zedelijkheid een der elementen van hun slagen is,
-moet de zedelijke ontwikkeling en het aantal zedelijk hoog ontwikkelde
-menschen overal een neiging tot vergrooting en vermeerdering hebben.
-
-Het is echter zeer moeielijk zich eenig oordeel er over te vormen,
-waarom deze of gene bijzondere stam en niet een andere voorspoedig
-geweest en geklommen is op de ladder der beschaving. Vele wilden zijn
-in den zelfden toestand als toen zij verscheidene eeuwen geleden werden
-ontdekt. Zooals de heer Bagehot heeft opgemerkt, zijn wij geneigd om
-vooruitgang als den normalen regel der menschelijke maatschappij te
-beschouwen; maar de geschiedenis spreekt dit tegen. De Ouden dachten
-daaraan zelfs niet; en evenmin doen dit tegenwoordig de volken in het
-Oosten. Volgens een andere groote autoriteit, den heer Maine [304],
-„heeft het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht nooit eenige
-de minste begeerte aan den dag gelegd naar verbetering van zijn
-maatschappelijke instellingen.” Vooruitgang schijnt af te hangen van de
-samenwerking van vele gunstige omstandigheden, veel te ingewikkeld om
-ze geheel te doorgronden. Het is echter reeds dikwijls opgemerkt, dat
-een koud klimaat, omdat het tot nijverheid en de beoefening van
-verschillende kunsten leidt, daartoe zeer bevorderlijk of zelfs
-onmisbaar is geweest. De Eskimo’s zijn, door harde noodzakelijkheid
-gedrongen, in vele vernuftige uitvindingen geslaagd, maar hun klimaat
-was te streng voor voortdurenden vooruitgang. Een nomadische
-levenswijze, hetzij in uitgestrekte vlakten of in de dichte bosschen
-der tropische gewesten of langs de stranden der zee, is in elk geval
-daarvoor zeer nadeelig geweest. Toen ik de onbeschaafde bewoners van
-Vuurland waarnam, trof het mij, dat het bezit van eenig eigendom, een
-vaste woonplaats en de vereeniging van vele huisgezinnen onder één
-opperhoofd de onmisbare vereischten voor beschaving waren. Dergelijke
-gewoonten maken de bebouwing van den grond bijna noodzakelijk; en de
-eerste stappen tot den landbouw waren waarschijnlijk, zooals ik elders
-[305] heb aangetoond, het gevolg van een of ander toeval, zooals van
-het vallen van zaden van een vruchtboom op een hoop afval en het
-daardoor voortgebracht worden van een buitengewoon schoone
-verscheidenheid. Het vraagstuk, hoe de wilden er toe zijn gebracht om
-hun eerste schreden op de baan der beschaving te zetten, is echter
-tegenwoordig nog veel te moeielijk om te worden opgelost.
-
-
-
-De natuurlijke teeltkeus heeft ook op beschaafde volken invloed.—Tot
-dusver heb ik den vooruitgang van den mensch slechts beschouwd van een
-half-menschelijken staat tot den toestand waarin zich de tegenwoordige
-wilden bevinden. Het zal echter wellicht de moeite waard zijn om hier
-eenige opmerkingen over de werking der natuurlijke teeltkeus op
-beschaafde volken bij te voegen. Dit onderwerp is op uitnemende wijze
-besproken door den heer W. R. Greg [306] en vroeger door de heeren
-Wallace en Galton. [307] Mijn meeste opmerkingen zijn aan deze drie
-schrijvers ontleend. Bij wilden worden zij die zwak van lichaam of
-geest zijn, spoedig geëlimineerd; en de overlevenden bezitten
-gewoonlijk een krachtige gezondheid. Wij beschaafden doen daarentegen
-ons uiterste best om de eliminatie tegen te gaan; wij bouwen gestichten
-voor krankzinnigen, idioten, verminkten en zieken; wij maken
-armenwetten, en onze geneeskundigen doen hun uiterste best om ieders
-leven zoo lang mogelijk te rekken. Er bestaat reden om te gelooven, dat
-de koepokinenting duizenden in het leven heeft behouden, die vroeger
-door hun zwak gestel aan de kinderpokken zouden zijn bezweken. Op die
-wijze worden de zwakke leden der beschaafde maatschappijen in staat
-gesteld hun soort voort te planten. Niemand die acht heeft geslagen op
-de voortteling onzer huisdieren, zal betwijfelen, dat zulks hoogst
-nadeelig op het menschenras moet inwerken. Het is verwonderlijk hoe
-spoedig gemis aan zorg of verkeerd bestede zorg tot ontaarding van een
-huisdierras leiden; maar, behalve in het geval van den mensch, is
-niemand zoo onwetend, dat hij zijn slechtste dieren toelaat zich voort
-te planten.
-
-De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven, is
-voornamelijk een bijkomend gevolg van het instinkt van medegevoel, dat
-oorspronkelijk werd verkregen als een deel der sociale instinkten, maar
-later op de vroeger aangetoonde wijze teederder en over een ruimer
-kring verspreid werd. Wij zouden dat medegevoel ook niet kunnen
-beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden
-genoodzaakt, zonder dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade
-door leed. De heelmeester mag zich harden, terwijl hij een operatie
-doet; want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn patiënt handelt;
-maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk
-veronachtzaamden, zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig
-voordeel te verkrijgen door een zeker en groot tegenwoordig kwaad. Wij
-moeten daarom zonder ons er over te beklagen dulden, dat de zwakken
-blijven leven en hun soort voortplanten; maar er schijnt ten minste één
-beletsel tegen de voortdurende werking daarvan te bestaan, namelijk dat
-de zwakkere en mindere leden van de maatschappij niet zoo gemakkelijk
-huwen als de gezonden; en dit beletsel zou onbepaald kunnen worden
-vergroot, zoo de zwakken naar lichaam en geest zich van het huwelijk
-onthielden, hoewel dit meer is te hopen dan te verwachten.
-
-In ieder land waar men er een groot staand leger op nahoudt, vallen de
-fraaiste jonge mannen in de loting of worden aangeworven. Zij zijn
-daardoor blootgesteld aan een vroegen dood gedurende den oorlog, worden
-dikwijls tot losbandigheid verleid en zijn verhinderd te trouwen
-gedurende den bloeitijd van het leven. De kortere en zwakkere mannen
-met slechte gestellen worden t’huis gelaten en hebben derhalve een veel
-betere kans om te huwen en hun soort voort te planten. [308]
-
-De mensch verzamelt eigendom en laat dien aan zijn kinderen na, zoodat
-de kinderen van de rijken een voordeel boven die der armen hebben in
-den wedstrijd van het leven, onafhankelijk van lichamelijke of
-geestelijke meerderheid. Van den anderen kant komen kinderen van ouders
-die kort leven en dus door elkander genomen slechter van gezondheid en
-zwakker zijn, spoediger in het bezit van hun eigendom dan andere
-kinderen, en zullen kans hebben vroeger te huwen en een grooter aantal
-kinderen na te laten om hun slechtere gestellen te erven. Doch de
-erfelijkheid van eigendom is op zich zelf ver van een nadeel, want
-zonder de opeenstapeling van kapitaal zouden de kunsten niet kunnen
-vooruitgaan; en het is voornamelijk door de macht van deze laatsten,
-dat de beschaafde rassen zich hebben uitgebreid en zich tegenwoordig
-nog overal uitbreiden ten koste der lagere rassen. De gematigde
-opeenstapeling van het kapitaal heft ook de werking der natuurlijke
-teeltkeus volstrekt niet geheel op. Als een arm man rijk wordt, komen
-zijn kinderen in zaken en betrekkingen waarin strijd genoeg is; en
-waarin zij die flink zijn ontwikkeld naar lichaam en geest, het beste
-slagen. Het bestaan van een stand van menschen die goed onderwijs
-hebben genoten en niet behoeven te werken voor hun dagelijksch brood,
-is zoo belangrijk, dat het nimmer te hoog kan worden geschat, daar al
-het hooge intellectueele werk door hen wordt volvoerd en daar van dat
-werk de materiëele vooruitgang in alle zaken voornamelijk afhangt, om
-andere en grootere voordeelen hier niet te vermelden. Ongetwijfeld
-maakt zeer groote rijkdom de menschen dikwijls tot nuttelooze
-leegloopers; maar het aantal daarvan is nooit groot en er heeft hierbij
-een soort van eliminatie plaats, daar wij dagelijks rijke menschen
-zien, die tevens dwazen of losbollen zijn en hun geheele vermogen
-verkwisten.
-
-Het recht van eerstgeboorte met de bepaling van onvervreemdbaarheid van
-het erfgoed is een meer direct nadeel, hoewel het vroeger een groot
-voordeel moge zijn geweest, daar het aanleiding gaf tot het ontstaan
-van een heerschenden stand, en eenige vorm van staatsbestuur is beter
-dan in ’t geheel geen. De oudste zonen huwen gewoonlijk, hoe zwak zij
-naar lichaam en geest ook mogen zijn, terwijl de jongere zonen, al
-munten zij ook te dien opzichte uit, niet zoo algemeen huwen. Ook
-kunnen nietswaardige oudste zonen, waar de bepaling van
-onvervreemdbaarheid van het erfgoed bestaat, hun vermogen niet
-verkwisten. Maar hier zijn, evenals elders, de betrekkingen van het
-beschaafde leven zoo ingewikkeld, dat er sommige verevenende
-hinderpalen bestaan. De mannen, die door het recht van eerstgeboorte
-rijk zijn, zijn in staat om van generatie op generatie de schoonste en
-bekoorlijkste vrouwen uit te kiezen, en deze zullen gewoonlijk gezond
-van lichaam en werkzaam van geest zijn. De slechte gevolgen, welke die
-ook mogen zijn, van het voortdurend bewaard blijven van de zelfde lijn
-van afstamming zonder eenige teeltkeus worden daardoor tegengegaan, dat
-mannen van rang altijd hun rijkdom en macht wenschen te vermeerderen,
-en dit brengen zij tot stand door met rijke erfdochters te huwen. Bij
-de dochters van ouders die slechts één enkel kind hebben verwekt,
-bestaat echter, zooals de heer Galton heeft aangetoond [309], een
-aanleg tot onvruchtbaarheid; en zoo sterven de adellijke familiën
-telkens in de rechte lijn uit en vloeit hun rijkdom in het eene of
-andere zijkanaal; maar ongelukkig wordt dit zijkanaal niet bepaald door
-bijzondere voortreffelijkheid in het eene of andere opzicht.
-
-Hoewel dus de beschaving op verschillende wijzen de werking der
-natuurlijke teeltkeus belemmert, begunstigt zij blijkbaar, door middel
-van de verbeterde voeding en de vrijwaring voor sommige soorten van nu
-en dan voorkomende ongevallen, de betere ontwikkeling van het lichaam.
-Men mag dit daaruit besluiten, dat, waar men ook beschaafde menschen en
-wilden in dit opzicht heeft vergeleken, men steeds heeft bevonden, dat
-de eersten meer lichaamskracht bezaten dan de laatsten. Zij schijnen
-ook even groote vermoeienissen en ontberingen te kunnen uitstaan,
-zooals door vele stoutmoedige tochten is bewezen. Zelfs de groote
-weelde der rijken kan niet zeer schadelijk zijn; want de vermoedelijke
-levensduur van onze aristocratie is op alle leeftijden en bij beide
-seksen slechts weinig korter dan bij gezonde Engelschen uit de lagere
-standen. [310]
-
-Wij zullen nu de verstandelijke vermogens alleen beschouwen. Indien in
-elken stand der maatschappij de leden waren verdeeld in twee even
-talrijke groepen, waarvan de eene de meest- en de andere de
-minstverstandigen bevatte, kan er slechts weinig twijfel bestaan, dat
-de eersten in alle beroepen het best zou slagen en een grooter aantal
-nakomelingen nalaten. Zelfs in de laagste kringen der maatschappij
-moeten kunde en bekwaamheid eenig voordeel opleveren, hoewel dat
-voordeel bij vele bedrijven, ten gevolge der groote verdeeling van den
-arbeid, zeer gering moge zijn. Daarom zal er bij beschaafde volken
-eenige kans bestaan, dat de verstandelijk meer ontwikkelden zoowel in
-aantal als in gehalte toenemen. Ik wil echter niet beweren, dat die
-kans langs andere wegen niet meer dan opgewogen wordt, b.v. door de
-vermeerdering van de zorgelooze en niet om de toekomst denkende
-menschen; maar zelfs aan dezen moet bekwaamheid eenig voordeel
-opleveren.
-
-Men heeft dikwijls tegen beschouwingen als de voorgaande ingebracht,
-dat de uitnemendste mannen die ooit hebben geleefd, geen kinderen
-hebben nagelaten, die hun groot verstand konden erven. De heer Galton
-zegt [311]: „Ik betreur het, niet in staat te zijn de eenvoudige vraag
-op te lossen of, en in hoeverre, mannen en vrouwen die wonderen van
-genialiteit zijn, onvruchtbaar zijn. Ik heb echter aangetoond, dat
-uitstekende mannen zulks in geenen deele zijn.” Groote wetgevers, de
-grondvesters van weldadige godsdiensten, groote wijsgeeren en
-uitvinders hebben veel meer toegebracht tot den vooruitgang der
-menschheid door hun werken, dan door het nalaten eener talrijke
-nakomelingschap. In het geval van lichamelijke eigenschappen is het,
-gelijk ik in mijn „Ontstaan der Soorten” heb aangetoond, het voor de
-voortplanting uitgekozen worden van de een weinig beter begaafde, en de
-eliminatie van de een weinig, minder goed begaafde individu’s, en niet
-het bewaard blijven van sterksprekende en zeldzame afwijkingen die tot
-den vooruitgang eener soort leidt. Evenzoo zal het zijn gelegen met de
-verstandelijke vermogens; de iets meer ontwikkelde menschen zullen
-gemiddeld in elken stand van de maatschappij wat beter slagen dan de
-iets minder ontwikkelde, en de eersten zullen derhalve in aantal
-toenemen, als daartegen geen andere hinderpalen bestaan. Als bij een of
-ander volk het gehalte van de verstandelijke ontwikkeling en het aantal
-verstandige menschen is toegenomen, mogen wij, zooals de heer Galton
-heeft aangetoond, wegens de wet van afwijking van het gemiddelde
-verwachten, dat groote genieën iets veelvuldiger zullen verschijnen dan
-vroeger.
-
-Ten opzichte der zedelijke hoedanigheden gaat de eliminatie van de
-slechtst begaafden zelfs bij de meestbeschaafde volken steeds
-eenigermate voort. Misdadigers worden ter dood gebracht of gedurende
-langen tijd gevangen gezet, zoodat zij hun slechte eigenschappen niet
-vrijelijk kunnen voortplanten. Zwartgallige en krankzinnige menschen
-worden opgesloten of brengen zich zelven om het leven. Driftige en
-twistzieke menschen sterven dikwijls een gewelddadigen dood.
-Ongestadige menschen die volstrekt geen vast beroep willen
-uitoefenen,—en dit overblijfsel van barbaarschheid is een groote
-hinderpaal voor de beschaving [312],—verhuizen naar nieuw aangelegde
-volkplantingen, en blijken daar nuttige pioniers te zijn. Onmatigheid
-werkt zoo verwoestend, dat de vermoedelijke levensduur van een
-dronkaard op den ouderdom b.v. van 30 jaren, slechts 13​8⁄10 jaar is;
-terwijl die van Engelsche landbouwers op den zelfden leeftijd 40​59⁄100
-jaar is. [313] Losbandige vrouwen krijgen weinig kinderen, en
-losbandige mannen huwen zelden; beiden lijden aan ziekten. Bij de teelt
-van huisdieren is de eliminatie van die individu’s welke in een of
-ander opzicht minder goed zijn, hoe gering hun getal ook moge zijn, in
-geenen deele een onbelangrijk element voor het succes. Vooral is zulks
-het geval met nadeelige kenmerken die neiging hebben om door atavisme
-opnieuw te verschijnen, zooals de zwarte kleur bij schapen; en bij den
-mensch zijn wellicht sommige zeer slechte neigingen die nu en dan,
-zonder dat men de oorzaak er van kan aangeven, in familiën verschijnen,
-niet anders dan atavismen, door terugkeer tot het type dier wilde
-voorouders, van welke wij niet door zeer vele generaties zijn
-gescheiden. (1) Deze beschouwingswijze schijnt inderdaad te worden
-teruggevonden in de gewone uitdrukking, dat dergelijke menschen de
-zwarte schapen van de familie zijn.
-
-Wat de hooge zedelijke ontwikkeling van het algemeen en de
-vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen
-aangaat, werkt de natuurlijke teeltkeus blijkbaar slechts in geringe
-mate op beschaafde volken, ofschoon de oorspronkelijke zedelijke
-instinkten in den beginne op die wijze werden verkregen. Ik heb echter,
-toen ik over de lagere rassen handelde, reeds genoeg gezegd over de
-oorzaken die tot den vooruitgang der zedelijkheid leiden, namelijk: de
-goedkeuring onzer medemenschen,—de versterking van ons medegevoel door
-de gewoonte,—voorbeeld en navolging,—rede,—ondervinding en zelfs
-eigenbelang,—onderwijs gedurende de jeugd en godsdienstige gevoelens.
-
-Op een hoogst belangrijken hinderpaal in beschaafde landen tegen een
-vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen is
-door de heeren Greg en Galton [314] met nadruk gewezen, op het feit
-namelijk, dat de zeer arme en zorgelooze lieden, die dikwijls door
-ondeugd verlaagd zijn, bijna altijd vroeg huwen, terwijl de
-voorzichtige en spaarzame lieden, die gewoonlijk ook andere deugden
-bezitten, eerst op lateren leeftijd huwen, opdat zij in staat zouden
-zijn op voldoende wijze in het onderhoud van zich zelven en hun
-kinderen te voorzien. Zij die vroeg huwen, brengen niet slechts in een
-gegeven tijd een grooter aantal generaties voort, maar Dr. Duncan [315]
-heeft aangetoond, dat zij ook een grooter aantal kinderen voortbrengen.
-Daarenboven zijn de kinderen die geboren worden uit moeders welke in
-den bloeitijd van het leven zijn, zwaarder en grooter, en daarom
-waarschijnlijk ook sterker, dan die welke in een ander tijdperk worden
-geboren. Derhalve bestaat er bij de zorgelooze, verlaagde en dikwijls
-slechte leden der maatschappij een streven naar sneller vermeerdering
-dan bij de voorzichtige, spaarzame en over het algemeen deugdzame
-leden. Of, zooals de heer Greg het geval stelt: „De zorgelooze,
-smerige, onverschillige Ier vermenigvuldigt als de konijnen; de
-spaarzame, om den dag van morgen denkende, zich zelf eerbiedigende,
-eerzuchtige Schot, met zijn strenge zeden, zijn geestelijk geloof, zijn
-scherpzinnig en ontwikkeld verstand, brengt zijn beste jaren in
-inspanning en ongehuwd door, huwt laat en laat weinig nakomelingen
-achter. Gegeven een land, oorspronkelijk bewoond door een duizendtal
-Saksers en een duizendtal Kelten,—dan zullen in een dozijn generaties
-vijf zesde gedeelten van de bevolking Kelten zijn, maar vijf zesde
-gedeelten van den eigendom, de macht, het verstand zullen toebehooren
-aan het overblijvend één zesde, uit Saksers bestaande gedeelte der
-bevolking. In den eeuwigen „strijd om het bestaan”, zal het lagere en
-minder begaafde ras de bovenhand behouden,—en dat, niet krachtens zijn
-goede hoedanigheden, maar krachtens zijn gebreken.”
-
-Er zijn echter eenige hinderpalen tegen dit streven naar achteruitgang.
-Wij hebben gezien, dat onder dronkaards de gemiddelde sterfte zeer
-groot is, en uiterst losbandige lieden laten weinig kroost na. De
-armste klassen zijn in de steden opeengehoopt, en Dr. Stark [316] heeft
-uit een in Schotland gedurende tien jaren gehouden statistiek bewezen,
-dat op alle leeftijden de gemiddelde sterfte grooter is in de steden
-dan op het land, ja, „gedurende de vijf eerste levensjaren is de
-gemiddelde sterfte in de steden ongeveer dubbel zoo groot als op het
-land.” Daar deze berekening zoowel de rijken als de armen omvat, zou
-ongetwijfeld meer dan het dubbele van het aantal geboorten noodig zijn
-om het aantal zeer arme bewoners in de steden in de zelfde verhouding
-te doen toenemen als die op het land.
-
-Voor vrouwen is het huwelijk op al te vroegen leeftijd hoogst
-schadelijk; want in Frankrijk heeft men bevonden, dat „jaarlijks van de
-gehuwde vrouwen onder de twintig jaar tweemaal meer sterven dan van het
-zelfde aantal ongehuwde.” Ook de sterfte van gehuwde mannen onder de
-twintig jaar is „uiterst groot” [317], wat echter de oorzaak hiervan
-is, schijnt twijfelachtig. Als eindelijk de mannen die voorzichtig hun
-huwelijk uitstellen tot zij hun huisgezin behoorlijk kunnen
-onderhouden, vrouwen uitkiezen die in den bloeitijd des levens zijn, en
-dit doen zij dikwijls, zal de gemiddelde hoegrootheid der vermeerdering
-van de meer welvarende klasse slechts weinig afnemen.
-
-Uit een ontzaglijk aantal statistische gegevens, in het jaar 1853
-verzameld, bleek, dat in Frankrijk de ongehuwde mannen op den leeftijd
-van 20 tot 30 jaren in veel sterker verhouding sterven dan de gehuwde:
-van elke 1000 ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren
-stierven b.v. jaarlijks 11,3, terwijl van de gehuwde slechts 6,5
-stierven. [318] Het is bewezen, dat een dergelijke wet gedurende de
-jaren 1863 en 1864 steek hield bij de geheele bevolking van Schotland
-die boven de 20 jaar oud was: van elke duizend ongehuwde mannen op den
-leeftijd van 20–30 jaar stierven b.v. jaarlijks 14,97, en van de
-gehuwde slechts 7,24, dat is minder dan de helft. [319] Dr. Stark
-bemerkt naar aanleiding hiervan: „De ongehuwde staat werkt
-verwoestender op het leven dan de ongezondste bedrijven, of dan het
-verblijf in een ongezond huis of in een ongezonde streek waar men nooit
-de geringste poging heeft gedaan om den gezondheidstoestand te
-verbeteren. Hij meent dat de verminderde sterfte een rechtstreeksch
-gevolg is „van het huwelijk en van de meer geregelde levenswijze welke
-met dien staat gepaard gaat.” Hij geeft echter toe, dat de onmatige,
-losbandige en misdadige klassen, wier gemiddelde levensduur kort is,
-gewoonlijk niet huwen; en men moet eveneens aannemen, dat menschen met
-een zwak gestel, slechte gezondheid, of eenig groot lichamelijk of
-geestelijk gebrek, dikwijls niet zullen willen of kunnen huwen. Dr.
-Stark schijnt tot het besluit te zijn gekomen, dat het huwelijk op zich
-zelf een hoofdoorzaak van een lang leven is, omdat hij vindt, dat
-hoogbejaarde gehuwde mannen in dit opzicht nog een aanmerkelijk
-voordeel hebben boven ongehuwde van den zelfden hoogen leeftijd; maar
-iedereen zal wel voorbeelden kennen van menschen, die wegens hun zwakke
-gezondheid in hun jeugd niet huwden en toch hoogbejaard zijn geworden,
-hoewel zij voortdurend zwak bleven en dus steeds slechts een kleinere
-kans hadden om te blijven leven. Er is een andere merkwaardige
-omstandigheid, die Dr. Stark’s besluit schijnt te bevestigen, namelijk,
-dat weduwnaars en weduwen in Frankrijk in vergelijking van gehuwde
-lieden aan een zeer groote sterfte onderhevig zijn; maar Dr. Farr
-schrijft dit toe aan armoede en slechte gewoonten, die het gevolg zijn
-van het vaneenscheuren van het huisgezin en van droefheid. Over het
-geheel mogen wij met Dr. Farr besluiten, dat de mindere sterfte van
-gehuwde dan van ongehuwde lieden, die een algemeene wet schijnt te
-zijn, „hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de voortdurende eliminatie
-van onvolmaakte typen, en door de met bekwaamheid geschiedende keuze
-van de uitnemendste individu’s van elke opeenvolgende generatie”, welke
-keuze alleen betrekking heeft op den gehuwden staat, en op alle
-lichamelijke, verstandelijke en zedelijke hoedanigheden acht slaat. Wij
-mogen daaruit afleiden, dat gezonde en deugdzame lieden die uit
-voorzichtigheid een tijd lang ongehuwd blijven, aan geen bijzonder
-hooge sterfte onderhevig zijn.
-
-Indien de verschillende hinderpalen in de beide laatste alinea’s
-opgenoemd, en wellicht andere die nog onbekend zijn, niet verhinderen,
-dat de zorgelooze, slechte en op andere wijzen mindere leden van de
-maatschappij zich sneller vermenigvuldigen dan de betere klasse van
-menschen, zal het volk achteruitgaan, zooals maar al te dikwijls in de
-wereldgeschiedenis is gebeurd. Wij moeten ons herinneren, dat de
-vooruitgang niet onveranderlijk regel is. Het is hoogst moeilijk te
-zeggen, waarom de eene beschaafde natie tot aanzien klimt, machtiger
-wordt en zich verder uitbreidt dan de andere; of waarom een zelfde
-natie op den eenen tijd sterker vooruitgaat dan op den anderen. Wij
-kunnen alleen zeggen, dat dit afhangt van een vermeerdering van de
-bevolking in het algemeen, van het aantal mannen, met groote
-verstandelijke en zedelijke vermogens begaafd, zoowel als van de
-hoegrootheid dier vermogens. De lichamelijke eigenschappen, behalve in
-zoover een krachtig lichaam ook kracht aan den geest geeft, schijnen
-slechts weinig invloed te hebben.
-
-Verschillende schrijvers hebben beweerd, dat, daar groote
-verstandelijke vermogens voor een volk voordeelig zijn, de oude
-Grieken, die in verstand eenige graden hooger stonden dan eenig ras dat
-ooit heeft bestaan [320], indien de natuurlijke teeltkeus wezenlijk
-zulk eene groote macht bezat, nog meer in aanzien gestegen en in getal
-toegenomen hadden moeten zijn en geheel Europa hebben bevolkt. Hier
-hebben wij de stilzwijgende onderstelling, zoo dikwijls geschied ten
-opzichte van lichamelijke eigenschappen, dat er eenige aangeboren
-neiging bestaat tot voortdurende ontwikkeling van geest en lichaam.
-Elke soort van ontwikkeling hangt echter van den samenloop van vele
-gunstige omstandigheden af. De natuurlijke teeltkeus werkt slechts op
-een beproevende wijze. Individu’s en rassen kunnen zekere onbetwistbare
-voordeelen hebben verkregen, en toch zijn ondergegaan, omdat zij andere
-kenmerken misten. De Grieken kunnen zijn achteruitgegaan door gebrek
-aan samenhang tusschen de vele kleine staten, wegens de geringe grootte
-van hun geheele land, wegens de gewoonte om slaven te houden, of wegens
-zeer groote zinnelijkheid; want zij bezweken niet voor zij „tot in den
-grond waren ontzenuwd en bedorven.” [321] De volken van West-Europa,
-die nu hun vroegere wilde voorouders zoo verbazend overtreffen en aan
-de spits der beschaving staan, zijn weinig of niets van hun
-voortreffelijkheid verschuldigd aan rechtstreeksche overerving van de
-oude Grieken, hoewel zij veel hebben te danken aan de geschrevene
-werken van dit verwonderlijke volk.
-
-Wie kan met zekerheid zeggen, waarom de Spaansche natie, in een zeker
-tijdvak zoo machtig, door andere volken is voorbijgestreefd? De
-ontwaking der volken van Europa uit den slaap der middeleeuwen is nog
-moeielijker te verklaren. In dien vroegen tijd hadden, zooals de heer
-Galton heeft opgemerkt [322], bijna alle mannen van edelen aard, zij
-die zich toelegden op nadenken en geestbeschaving, geen ander
-toevluchtsoord dan in den boezem der kerk, die den ongehuwden staat
-eischte, en het kon moeielijk missen, of dit moest op elke
-opeenvolgende generatie een verderfelijken invloed uitoefenen.
-Gedurende het zelfde tijdvak koos de Heilige Inquisitie met de meeste
-zorg de meest vrijheidlievende en moedige mannen uit om hen te
-verbranden en gevangen te zetten. In Spanje alleen werden eenigen van
-de beste mannen,—zij die twijfelden en onderzochten, en zonder den
-twijfel kan geen vooruitgang bestaan,—gedurende drie eeuwen
-geëlimineerd in de verhouding van een duizendtal per jaar. Het kwaad
-dat de Katholieke kerk op die wijze heeft gesticht, hoewel ongetwijfeld
-in zekere, ja wellicht in groote mate opgewogen op andere wijze, is
-onberekenbaar; toch is Europa met ongeëvenaarde snelheid vooruitgegaan.
-
-De merkwaardige voorspoed van de Engelschen als kolonisten boven andere
-Europeesche natiën, waarvan een vergelijking tusschen de toeneming van
-het aantal Canadeezen van Engelsche en van Fransche afkomst een goed
-voorbeeld oplevert, is toegeschreven aan hun „koene en volhardende
-energie”; maar wie kan zeggen, hoe de Engelschen die energie verkregen.
-
-Er is blijkbaar veel waars in het geloof, dat de verwonderlijke
-vooruitgang der Vereenigde Staten, zoowel als het karakter van hun
-bewoners, het gevolg zijn van natuurlijke teeltkeus, daar de
-energiekste, rustelooste en moedigste mannen van alle deelen van Europa
-gedurende de tien of twaalf laatste generaties naar dat groote land
-verhuisd en daar het best geslaagd zijn. [323] Met het oog op een verre
-toekomst, geloof ik, dat de heer Zincke zich niet aan overdrijving
-schuldig maakt, wanneer hij zegt [324]: „Alle andere reeksen van
-gebeurtenissen,—zoowel die welke uitliepen op de geestbeschaving van
-Griekenland, als die welke het aanzijn gaven aan het Romeinsche
-Rijk,—schijnen alleen een doel en waarde te hebben als men ze beschouwt
-in verband met, of liever als ondergeschikt aan .... den grooten stroom
-der Anglo-Saksische emigratie naar het Westen.” Hoe duister ook het
-vraagstuk van den vooruitgang der beschaving zij, wij kunnen toch ten
-minste begrijpen, dat een volk hetwelk gedurende een langdurig tijdperk
-het grootste aantal verstandelijk hoog ontwikkelde, energieke, dappere,
-vaderlandslievende en welwillende menschen voortbracht, over het
-algemeen de bovenhand moest behouden over minder begunstigde natiën.
-
-De natuurlijke teeltkeus is het gevolg van den strijd om het bestaan,
-en deze van een snelle vermeerdering. Het is onmogelijk de snelheid
-niet te betreuren, met welke het menschelijk geslacht naar
-vermeerdering streeft (of het verstandig is zulks te doen, is een
-andere vraag); want deze leidt bij wilde stammen tot kindermoord en
-vele andere misdaden, bij beschaafde natiën tot ellende, armoede, een
-ongehuwd leven en tot late huwelijken van hen die om den dag van morgen
-denken. Daar de mensch echter onderhevig is aan de zelfde physieke
-kwalen als de lagere dieren, heeft hij geen recht om te verwachten, dat
-hij vrij zal zijn van de kwalen die het gevolg zijn van den strijd om
-het bestaan. Als men nagaat, dat in vele deelen der wereld verbazend
-uitgestrekte en hoogst vruchtbare streken, die in staat zouden zijn
-talrijke gelukkige huisgezinnen te voeden, slechts door eenige weinige
-zwervende wilden worden bewoond, zou men kunnen beweren, dat de strijd
-om het bestaan niet hevig genoeg is geweest om den mensch tot zijn
-hoogste ontwikkeling te brengen. Te oordeelen naar al wat wij weten van
-den mensch en van de lagere dieren, is er altijd genoeg verscheidenheid
-geweest in de verstandelijke en zedelijke vermogens om ze voortdurend
-door natuurlijke teeltkeus vooruit te doen gaan. Ongetwijfeld vereischt
-een dergelijke vooruitgang een samenloop van vele gunstige
-omstandigheden; maar het mag worden betwijfeld, of zelfs de gunstigste
-wel voldoende zouden zijn geweest, zoo er geen neiging tot snelle
-vermeerdering bestaan en derhalve geen uiterst hevige strijd om het
-bestaan plaats gehad had. Naar hetgeen wij bijvoorbeeld in sommige
-deelen van Zuid-Amerika zien, schijnt het zelfs, dat een volk dat
-beschaafd mag worden genoemd, zooals de Spaansche kolonisten, kans
-loopt om vadsig te worden en achteruit te gaan, als de
-levensvoorwaarden zeer gemakkelijk zijn. Bij hoogst beschaafde natiën
-hangt de voortdurende vooruitgang in ondergeschikte mate van
-natuurlijke teeltkeus af; want dergelijke natiën verdringen elkander
-niet en roeien elkander niet uit, gelijk wilde stammen. Toch zullen de
-meer verstandige leden in de zelfde maatschappij op den langen duur
-beter slagen en talrijker kroost nalaten dan de minder verstandige, en
-dit is een vorm van natuurlijke teeltkeus. De meer werkdadige oorzaken
-van vooruitgang schijnen te bestaan in een goede opvoeding gedurende de
-jeugd, als de hersenen vatbaar voor indrukken zijn, en in een hoogen
-trap van uitnemendheid, ingeprent door de bekwaamste en beste mannen,
-verlichamelijkt in de wetten, zeden en overleveringen van de natie, en
-versterkt door de publieke opinie. Men bedenke echter, dat deze
-versterking door de openbare meening afhankelijk is van de waarde die
-wij aan de goed- of afkeuring van anderen hechten, en die waardeering
-is gegrond op ons medegevoel, hetwelk wij moeilijk kunnen betwijfelen,
-dat oorspronkelijk is ontwikkeld door natuurlijke teeltkeus als een der
-meest belangrijke bestanddeelen van de sociale instinkten. [325]
-
-
-
-Bewijzen dat alle beschaafde natiën eens in wilden staat verkeerden.
-Daar wij de trappen moeten beschouwen, door welke een of ander
-half-menschelijk schepsel allengs is opgeklommen tot den rang van den
-mensch in zijn meest volkomen staat, kan dit onderwerp niet geheel
-onbemerkt worden voorbijgegaan.
-
-Het is echter op zoo volledige en bewonderenswaardige wijze behandeld
-door Sir J. Lubbock [326], de heeren Tylor, M’Lennan en anderen, dat ik
-hier slechts een zeer kort overzicht behoef te geven van hun
-resultaten. De onlangs door den Hertog van Argyll [327] en vroeger door
-den Aartsbisschop Whately aangevoerde bewijsgronden ten gunste van het
-geloof, dat de mensch als een beschaafd wezen in de wereld kwam, en dat
-alle wilde stammen sinds dien tijd zijn achteruitgegaan, schijnen mij
-zwak in vergelijking van die, welke van de andere zijde worden
-aangevoerd. Vele natiën zijn ongetwijfeld in beschaving
-achteruitgegaan, en sommige wellicht tot de uiterste barbaarschheid
-vervallen, hoewel ik voor dit laatste geen enkel bewijs heb gevonden.
-De Vuurlanders werden waarschijnlijk door andere veroverende horden
-gedwongen om zich in hun ongastvrij land te vestigen, en kunnen ten
-gevolge daarvan nog een weinig lager zijn gezonken; maar men zou
-moeielijk kunnen bewijzen, dat zij tot grooter barbaarschheid zijn
-vervallen dan de Botocudo’s, die de schoonste gedeelten van Brazilië
-bewonen.
-
-De bewijzen dat alle beschaafde volken de afstammelingen van wilden
-zijn, berusten eerstens op duidelijke sporen van hun voormaligen
-onbeschaafden toestand in nog bestaande gewoonten, meeningen,
-spreekwijzen, enz.; en in de tweede plaats, op bewijzen dat wilden in
-staat zijn door eigen ontwikkeling eenige weinige schreden voorwaarts
-te doen op de baan der beschaving en zulks ook werkelijk hebben gedaan.
-De gronden voor de eerste bewering zijn hoogst merkwaardig, maar kunnen
-hier niet worden medegedeeld. Ik verwijs naar zulke gevallen als b.v.
-dat van de telkunst die, zooals de heer Tylor duidelijk aantoont door
-de woorden die op sommige plaatsen nog worden gebruikt, ontstond door
-eerst de vingers van de eene hand, daarna die van de andere, en
-eindelijk de teenen te tellen. Wij hebben daarvan nog sporen in ons
-eigen tientallig stelsel en in de Romeinsche cijfers, die na het getal
-V te hebben bereikt, wanneer ongetwijfeld de andere hand werd gebruikt,
-in VI, enz. overgaan. Evenzoo „gebruiken wij, als wij spreken van
-drie-score en tien, het twintigtallig stelsel, daar elk aldus in de
-gedachten gemaakt score staat voor 20—of „één mensch”, zooals een
-Mexicaan of Caraïbe het zou uitdrukken.” [328] (2) Volgens een groote
-en toenemende school van taalkundigen draagt iedere taal de kenteekenen
-van haar langzame en trapsgewijze ontwikkeling. Het zelfde is het geval
-met de schrijfkunst, daar de letters rudimenten zijn van afbeeldingen
-van voorwerpen. Het is bijna niet mogelijk het werk van den heer
-M’Lennan te lezen [329], en niet toe te geven, dat bijna alle
-beschaafde volken eenige sporen hebben behouden van zulk een ruwe
-gewoonte als het met geweld rooven der vrouwen. De zelfde schrijver
-vraagt, welke natie kan worden genoemd, die oorspronkelijk in monogamie
-leefde? Het oorspronkelijke denkbeeld van recht was insgelijks hoogst
-ruw, zooals blijkt uit de wet van den strijd en andere gewoonten,
-waarvan nog sporen bewaard zijn gebleven. Vele bestaande
-bijgeloovigheden zijn de overblijfselen van vroegere valsche
-godsdienstige meeningen. De hoogste vorm van godsdienst,—het groote
-denkbeeld van een God die de zonde haat en de rechtvaardigheid
-bemint,—was gedurende de oorspronkelijke tijden onbekend.
-
-Laten wij nu tot de tweede soort van bewijs overgaan: Sir John Lubbock
-heeft aangetoond, dat sommige wilden in de laatste tijden een weinig
-zijn vooruitgegaan in sommige van hun meer eenvoudige kunsten. Als men
-de uiterst merkwaardige mededeelingen nagaat, die hij doet omtrent de
-wapenen, werktuigen en kunsten, gebruikt of uitgeoefend door wilden in
-verschillende deelen der wereld, kan men niet betwijfelen, dat dit
-bijna allen zelfstandige ontdekkingen zijn geweest, behalve wellicht de
-kunst om vuur te maken. [330] De Australische boemerang (3) is een goed
-voorbeeld van een dergelijke onafhankelijke ontdekking. Toen Otaheite
-pas was ontdekt, waren deszelfs bewoners in vele opzichten verder
-gevorderd dan die van de meeste andere eilanden van Polynesië. Er
-bestaan geen goede gronden om aan te nemen, dat de groote beschaving
-van de inboorlingen van Peru en Mexico was voortgevloeid uit een
-vreemde bron [331]; vele in die landen inheemsche planten werden daar
-verbouwd en ook enkele inheemsche dieren waren er getemd (4).
-
-Wij moeten bedenken, dat, als de bemanning van een uit een of ander
-half beschaafd land komend schip naar de stranden van Amerika was
-gedreven, zij op de inboorlingen zeer weinig invloed zou hebben
-uitgeoefend, tenzij deze reeds eenigszins in beschaving waren
-gevorderd, te oordeelen ten minste naar den geringen invloed der meeste
-zendelingen. Wanneer wij een zeer oud tijdvak van de wereldgeschiedenis
-beschouwen, vinden wij, om Sir J. Lubbock’s welbekende uitdrukkingen te
-gebruiken, een palaeolithische en neolithische periode, en niemand zal
-beweren, dat de kunst om ruwe vuursteenen werktuigen te slijpen, uit
-vreemde landen was ingevoerd. In alle landen van Europa tot Griekenland
-toe, in Palaestina, Indië, Japan, Nieuw-Zeeland en Afrika, met
-insluiting van Egypte, zijn vuursteenen werktuigen in overvloed
-gevonden; en van het gebruik daarvan bestaat bij de tegenwoordige
-inwoners geen overlevering. Er bestaan ook indirecte bewijzen van het
-voormalig gebruik van dergelijke werktuigen bij de Chineezen (5) en
-oude Joden. Het kan daarom moeielijk worden betwijfeld, dat de inwoners
-van deze vele landen die bijna de geheele beschaafde wereld omsluiten,
-eens in wilden staat verkeerden. Om te gelooven, dat de mensch
-oorspronkelijk beschaafd was en later in zoovele landen tot de uiterste
-barbaarschheid verviel, moet men een beklagenswaardig laag denkbeeld
-koesteren van de menschelijke natuur. Het is blijkbaar een meer met de
-waarheid overeenkomstig en troostvoller denkbeeld, dat vooruitgang veel
-algemeener is geweest dan achteruitgang, dat de mensch, hoewel langzaam
-en met afgebroken schreden, is opgeklommen van een laag standpunt tot
-de hoogste ontwikkeling die hij nog in kennis, zedelijkheid en
-godsdienst heeft bereikt.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Zeer belangwekkend is in het veel besproken, voor een drietal jaren
-in het Fransch vertaalde werk van Caesar Lombroso „Homo Delinquante”
-(de misdadige mensch) de min of meer nieuwe theorie van den
-atavistischen oorsprong van de misdaad. Volgens deze theorie zou de
-aanleg om misdadiger te worden een erfenis uit ouden tijd zijn, een
-verschijnsel dat vroeger deel uitmaakte van de organisatie en het
-karakter onzer voorouders en dat zich op noodlottige wijze bij sommigen
-hunner nakomelingen opnieuw vertoont door een soort van gril in de
-slecht verzekerde ontwikkeling van den mensch. Het atavisme is de bron
-van de misdaad, omdat alle levende wezens een neiging hebben om tot het
-oorspronkelijk type terug te keeren, en zoo plotseling zekere lang
-verloren kenmerken hunner voorouders te herkrijgen. Het atavisme staat
-in nauw verband met de erfelijkheid, maar onderscheidt er zich toch
-van. „Het is een erfelijkheid na zeer lange tusschenpoozen, waarvan de
-invloed, door nieuwere kenmerken lang verborgen, zich na eeuwen weder
-doet gevoelen.”
-
-Lombroso meent dus, dat handelingen die wij misdadig noemen, weleer
-gewone en normale handelingen zijn geweest, die van zelf uit het gestel
-van het menschelijk wezen voortvloeiden. De misdaad is volgens hem bij
-wilden de algemeene regel.
-
-Paintel voegt er in zijn „Théorie de la tutelle pénale” bij: „Er is bij
-de wilden stammen niets dat op een voortdurend werkzaam geweten
-gelijkt.” De „verharde misdadiger” en onverbeterlijke recidivist is dus
-een vroeger type, door de wet van het atavisme opnieuw in het leven
-geroepen of gevormd, en dat men, om het te genezen, aan een speciale
-behandeling moet onderwerpen. Men versta wel, dat deze theorie niet van
-toepassing is op individu’s, wier wil onvoorziens door een samenloop
-van toevallige omstandigheden bezwijkt.
-
-(2) Het Engelsche woord „score” beteekent een twintigtal op de zelfde
-wijze als ons woord „dozijn” een twaalftal beteekent. Evenzoo beteekent
-in Friesland „snees” en in Drenthe „stieg” een twintigtal. In het
-Fransch vindt men vele sporen van het twintigtallig stelsel, b.v.
-soixante-dix, quatre-vingt, quatre-vingt-dix, six-vingts (120, vroeger
-in gebruik) enz.
-
-(3) „De Australische boemerang”. Sir J. Lubbock, („l’Homme avant
-l’Histoire”, Fransche Vert. van Barbier, blz. 353) deelt omtrent dit
-merkwaardig wapen, dat uitsluitend aan Nieuw-Holland eigen is, o.a. het
-volgende mede: „Men noemt zoo een stok van gekromden vorm, gewoonlijk
-aan den eenen kant afgerond, aan den anderen plat, ongeveer 9 decimeter
-lang, 5 centimeter breed en 1,8 centimeter dik. Op het eerste gezicht
-gelijkt hij op een zeer grof gemaakten houten sabel. Hij wordt zoowel
-voor de jacht als voor den oorlog gebruikt. Men neemt hem aan het eene
-uiteinde in de rechterhand en werpt hem als een sikkel, hetzij in de
-lucht, van beneden naar boven, hetzij van boven naar beneden, zoodat
-hij den grond raakt op eenigen afstand van dengene, welke hem werpt. In
-het eerste geval vliegt hij voort met een draaiende beweging die een
-gevolg van zijn vorm is; na zich tot een groote hoogte in de lucht te
-hebben opgeheven, beschrijft hij plotseling een elliptische kromme lijn
-die hem terugbrengt tot het punt, van waar hij werd geworpen. Als men
-hem naar beneden op den grond werpt, springt hij in rechte lijn al
-ricochetteerende vooruit, totdat hij het voorwerp bereikt dat men wil
-treffen. De vreemdste kromme lijn wordt door dit wapen doorloopen, als
-men het onder een hoek, grooter dan 45°, in de lucht werpt; het komt
-dan zonder uitzondering aan de achterzijde terug, en de inboorling die
-het werpt, keert dan den rug, in plaats van het gelaat, naar den kant
-van het voorwerp dat hij wil treffen. [332] De heer Merry, die eenigen
-tijd in Nieuw-Holland doorbracht, verhaalt mij, dat hij eens, zich
-willende overtuigen van de behendigheid, waarmede men den boemerang kon
-gebruiken, een belooning van 8 pence uitloofde voor elke maal, dat de
-boemerang terug zou komen naar de plaats, van waar men hem zou hebben
-geworpen. Hij teekende in het zand een cirkel van 5 à 6 voet middellijn
-en, hoewel het wapen met veel kracht werd geworpen, gelukte het den
-inboorling om het vijf keeren van de twaalf in den cirkel te doen
-terugkomen.”
-
-(4) Het is een tamelijk algemeene dwaling, dat de inboorlingen van
-Amerika, tijdens de ontdekking, geen landbouw beoefenden en geen dieren
-hadden getemd. De landbouw bloeide echter in hooge mate bij de
-Peruanen, gelijk door mij in het aanhangsel op het „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, II 509, uitvoerig is aangetoond, terwijl
-zij ook vee (de lama’s en alpaca’s) en pluimgedierte (de muskuseend)
-bezaten. Omtrent de cultuurplanten der Azteken zie men ib. I, 392. De
-Azteken bezaten ook „tamme kalkoenen en groote honden, in staat om met
-een stier te strijden, en die een lading van twee arroba’s (25 kilo) op
-een pakzadel droegen als zij op de jacht gingen.” Gomara, die kapelaan
-van Cortez was, spreekt op verschillende plaatsen van zijn werk [333]
-er van, dat de ten noorden van Mexico wonende volksstammen groote
-kudden tamme bisons bezaten, die hun kleeding, spijs en drank
-opleverden. Men kweekte in hun land den wijnstok, moerbeziënboom en
-rozenboom aan.(?) Andere Indianen in het noorden der tegenwoordige
-Vereenigde Staten en in Canada bedienden zich van tamme herten om hun
-sleden voort te trekken. (Brasseur de Bourbourg, „Recherches sur les
-Ruines de Palenqué”, blz. XVIII, noot 8, 10). Omtrent den landbouw der
-Indianen van Noord-Amerika, zie men „Var. Huisd. en Cultuurpl.”, I,
-363, 387. De Nonville schat de hoeveelheid maïs, door hem in vier
-dorpen der Seneca’s (in het zuiden der tegenwoordige Ver. Staten)
-vernield, op 2,400,000 hectoliters (Lubbock, „l’Homme avant
-l’Histoire”, Fransche vert. van Barbier, blz. 231). In Wisconsin vindt
-men te midden der dichtste schijnbaar oorspronkelijke wouden overal de
-sporen eener overoude maïscultuur (ibid. blz. 232). [334]
-
-Wanneer echter de Mexicaansche beschaving werkelijk uit geen vreemde
-bron kan worden afgeleid, hoe zijn dan de afbeeldingen van
-olifantachtige dieren te verklaren die men op de ruïnen van de overoude
-Mexicaansche stad Palinqué aantreft (vergelijk mijn stuk: „De
-Voorhistorische Mensch in Amerika”, Album der Natuur, 1870)? Stellen
-zij wellicht uitgestorven soorten voor?
-
-(5) In Griekenland heeft men in 1870 een menschelijke woning uit den
-steentijd onder een 20 meters dikke vulkanische tuflaag gevonden.
-(„Ergänzungsblätter zur Kenntnisz der Gegenwart”, Hildburghausen,
-Verlag des Bibliographischen Instituts; erstes Februarheft, 1870) In
-Indië zijn voor eenige jaren nabij Madras door de heeren King en Foote
-op een diepte van vijf meters een aantal zeer ruw bewerkte werktuigen
-gevonden, vervaardigd van een dichte half glasachtige kwartsiet, en
-zeer veel gelijkende op dergelijke werktuigen van vuursteen die men in
-Europa op zoovele plaatsen heeft gevonden („Ann. and Mag. of Nat.
-Hist.”, XIV, blz. 155). Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te
-Assen zijn drie steenen beitels, op Java gevonden.
-
-In Egypte zijn tijdens de opening van het Suez-kanaal door de invités
-van den Khedive een overvloed van vuursteenen werktuigen op den
-Ghebel-el-Assassif, nabij de ruïnen van het oude Thebe, gevonden.
-
-Ook in China heeft volgens een mededeeling van den heer Chevreuil in de
-vergadering van de Académie des Sciences van 13 Aug. 1866, vroeger een
-steenperiode bestaan. Hij bewijst uit een plaats uit het leven van
-Confucius door Amyot (Parijs, 1866), dat men aldaar ongeveer 1122 jaren
-voor Christus reeds ijzeren pijlpunten bezat, doch dat een overlevering
-van het voormalig gebruik van steenen pijlpunten gewaagde. De heer
-Stanislas Julien gaf hem (Chevreuil) een menigte plaatsen uit
-Chineesche werken op die onwederlegbaar bewijzen, dat ook in China in
-overoude tijden wapenen en werktuigen van steen werden gebruikt. Ook in
-Japan vond men voorhistorische steenen werktuigen.
-
-Omtrent een voormalige steenperiode in Amerika die in sommige afgelegen
-streken zelfs nog heden voortduurt, verwijs ik naar mijn stuk „de
-Voorhistorische Mensch in Amerika”, in het „Album der Natuur”, 1870.
-
-Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen vindt men een
-steenen beitel uit Suriname en verschillende steenen wapens
-(pijlspitsen enz.) uit N-Amerika.
-
-In Nieuw-Zeeland vond de heer Th. Tate in een hol op den Waiwo een
-ouden schedel-typus, ouder dan die der Maori’s, in gezelschap van
-beenderen van den uitgestorven Moa (Dinornis giganteus) en van steenen
-werktuigen („Anthrop. Review”, April 1867, blz. 244). Wij moeten
-hierbij echter opmerken, dat ook de Maori’s zelven, tijdens de
-ontdekking van Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen gebruikten, evenals
-ook op Nieuw-Holland en elders in Australië het geval was. Een
-zeeofficier liet mij een zeer fraaien steenen beitel zien, door hem uit
-Nieuw-Guinea medegebracht, en voegde er bij, dat daar verhaald werd,
-dat zulke steenen ontstonden als de bliksem in den grond sloeg, wat aan
-Europeesche folk-lore omtrent dergelijke beitels (donderbeitels)
-herinnert.
-
-De beitel gelijkt volkomen op de Europeesche uit de neolithische
-periode.
-
-Men vergelijke ook omtrent de voorhistorische bewoners van Europa enz.
-mijn werkje „De voorhistorische mensch in Europa”, ’s Gravenhage, Gebr.
-Belinfante, 1890; H. le Hon, „De mensch in de voorwereld”, bewerkt door
-H. M. C. van Oosterzee, Amsterdam, 1869, Gebr. Koster; Sir John
-Lubbock, „De oorsprong der beschaving”, voor ons volk uit het Engelsch
-vertaald. Met eene aanbeveling van Jhr. B. H. C. K. van der Wijck,
-Hoogleeraar te Groningen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, en „De
-mensch voor de geschiedenis”, door Dr. T. C. Winkler, Leiden, P. van
-Santen, 1877 (thans Gebr. Cohen).
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
-
- Plaats van den mensch in het dierenrijk.—Het natuurlijke stelsel
- berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe
- waarde.—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den
- mensch en de apen.—Rang van den mensch in het natuurlijke
- stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid
- van fossiele verbindingsleden.—Lagere trappen in den stamboom van
- den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede
- uit het maaksel van zijn lichaam.—Voormalige tweeslachtigheid
- (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit.
-
-
-Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen
-den mensch en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige
-natuuronderzoekers beweren, en hoewel niet valt te ontkennen, dat het
-verschil in geestvermogens tusschen hen verbazend groot is, bewijzen
-toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde feiten, naar het mij
-toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van den
-eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden
-zijn ontdekt.
-
-De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende
-variaties, die het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en
-worden beheerscht door en overgeërfd volgens de zelfde algemeene
-wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar een zoo snelle
-vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan een
-strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft
-het aanzijn gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van
-elkander verschillen, dat er natuuronderzoekers zijn, die ze als
-afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam is gebouwd volgens het
-zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt als
-embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en
-nuttelooze deelen behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren.
-Nu en dan verschijnen kenmerken opnieuw, die wij alle reden hebben om
-te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders werden bezeten.
-Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien
-van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen
-slechts misleidingen zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te
-nemen, noch te gelooven. Daarentegen worden deze verschijnselen
-begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch met andere
-zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en
-lageren vorm.
-
-Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke
-vermogens van den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de
-geheele organische wereld in drie rijken verdeeld, het Menschenrijk,
-het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus den mensch tot een
-afzonderlijk Rijk gebracht. [335] (1) Geestvermogens kunnen door een
-natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd; maar hij
-kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de
-geestvermogens van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend
-in hoeveelheid van die der overige dieren verschillen. Een verschil in
-hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft ons nog geen recht om den
-mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht het best
-zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een
-schildluis (Coccus) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde
-klasse behooren, met elkander te vergelijken. Het verschil is hier
-grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard, dan tusschen den
-mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich,
-terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap
-uit, maar verandert nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt
-eieren, en dit is haar geheele geschiedenis. Daarentegen zou, zooals
-Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten en
-geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil
-echter eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen
-en verscheidene vereenigen zich tot het volbrengen van het zelfde werk
-of om met elkander te spelen. Zij herkennen hun medemieren na
-maandenlange afwezigheid. Zij bouwen groote gebouwen, houden die
-schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten schildwachten uit. Zij
-maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. (2) Zij verzamelen voedsel
-voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om binnen te
-komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en
-herstellen die later weder. [336] Zij trekken in geregelde benden ten
-strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor het algemeen welzijn.
-Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden
-slavenjachten. Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de
-eieren van hun bladluizen even goed als hun eigen eieren en poppen naar
-warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig zouden worden uitgebroed;
-tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen. Over het geheel is
-het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis
-verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot
-verschillende Klassen, laat staan tot verschillende Rijken te brengen.
-Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide
-in staande geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het
-geval met den mensch en de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden
-om aan te nemen, dat dergelijke gapingen in de reeks eenvoudig het
-gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.
-
-Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der
-hersenen, de reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. (3)
-Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel
-de Buideldieren als de Snaveldieren (Monotremata) (4); zoodat hij
-evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere
-zoogdieren, als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze
-beschouwingswijze wordt, zoover mij bekend is, door geen enkel
-natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig oordeel te vellen,
-gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.
-
-Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie,
-gegrond op één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo
-verwonderlijk samengesteld en belangrijk als de hersenen,—of op de
-hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds zal blijken onvoldoende
-te zijn. Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de
-Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) toe te passen, maar toen zij op
-die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten of instinkten,
-bleek dit een geheel en al kunstmatige klassificatie te zijn. [337]
-Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het
-ook zij, zooals op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen;
-maar de natuuronderzoekers hebben reeds lang een diepe overtuiging
-gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat. Dit stelsel moet, naar
-men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat is, al de
-gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne
-groep te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van
-elken anderen vorm worden afgescheiden; als er echter tusschen die
-stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal dit ook het geval zijn met
-hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk een grootere
-groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de
-verschillende groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk
-daarvan heeft ondergaan—zal worden uitgedrukt door woorden, als
-Geslacht (Genus), Familie (Familia), Orde (Ordo) en Klasse (Classis).
-Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn
-opgeteekend, kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van
-gelijkenis tusschen de wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit
-doel zijn talrijke punten van gelijkenis veel belangrijker dan de
-hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige weinige
-punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en
-regelen van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij
-een gemeenschappelijken oorsprong hadden, niettegenstaande zij in
-eenige weinige woorden of regelen van zinbouw sterk van elkander
-afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis
-niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten
-(adaptatie): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld
-zijn gewijzigd voor het leven in het water, en toch zullen zij daardoor
-in het natuurlijke stelsel volstrekt niet nader tot elkander zijn
-gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat gelijkenissen in
-onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in
-deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde
-functie dienen, voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want
-zij kunnen moeilijk het gevolg zijn van geschiktwording (adaptatie) in
-een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming
-of van ware verwantschap.
-
-Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een of
-ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee
-organismen ver van elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel
-verschilt van het zelfde deel bij een andere verwante soort, heeft
-volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging ondergaan;
-bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop
-inwerkende oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere
-veranderingen van deze soort, en deze zouden, zoo zij voordeelig waren,
-behouden blijven en dus voortdurend worden vermeerderd. In vele
-gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld
-van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de
-soort niet voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig
-ander doel; maar bij den mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien,
-wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende ontwikkeling van de
-hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen plaats
-in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende
-ontwikkeling zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte
-overeenkomsten in andere minder belangrijke of volstrekt onbelangrijke
-punten.
-
-De meeste natuuronderzoekers die het geheele maaksel van den mensch met
-inbegrip zijner geestvermogens in aanmerking hebben genomen, hebben
-Blumenbach en Cuvier gevolgd, en den mensch in een afzonderlijke Orde
-geplaatst onder den titel van Tweehandigen (Bimana), en hem dus
-gelijkgesteld met de Orden der Vierhandigen (Quadrumana), der
-Verscheurende Dieren (Carnivora), enz. Voor korten tijd zijn velen
-onzer beste natuuronderzoekers teruggekeerd tot de beschouwingswijze
-die het eerst door Linnaeus, die zulk een opmerkelijke scherpzinnigheid
-bezat, is voorgestaan, en hebben den mensch met de apen in ééne Orde
-geplaatst onder den naam van Primaten. De juistheid van dit besluit zal
-worden toegegeven, als wij ons in de eerste plaats de zoo even gemaakte
-opmerkingen herinneren omtrent de vergelijkenderwijze geringe
-belangrijkheid voor de klassificatie van de groote ontwikkeling der
-hersenen bij den mensch, en ook bedenken, dat de sterk uitgesproken
-verschillen tusschen de schedels van den mensch en de apen (waaraan nog
-onlangs Bischoff, Aeby en anderen zooveel gewicht hechtten) blijkbaar
-slechts een gevolg is van de verschillende ontwikkeling hunner
-hersenen. In de eerste plaats moeten wij niet vergeten, dat de andere
-en belangrijker verschillen tusschen den mensch en de apen blijkbaar
-adaptief van aard zijn en hoofdzakelijk een gevolg van de rechtopgaande
-houding van den mensch; dit is bij voorbeeld het geval met het maaksel
-van de hand, den voet en het bekken, de kromming van zijn ruggegraat en
-de stelling van zijn hoofd. De familie der zeehonden levert een goed
-voorbeeld van de geringe belangrijkheid der adaptieve kenmerken voor de
-klassificatie. Deze dieren verschillen van alle andere Verscheurende
-Dieren (Carnivora) in den vorm van hun lichaam en het maaksel hunner
-ledematen: en toch worden in alle stelsels, van dat van Cuvier af tot
-het nieuwste, dat van den heer Flower, toe [338], de zeehonden als een
-eenvoudige Familie tot de Orde der Carnivora gebracht. Als de mensch
-niet zijn eigen klassificator was, zou het hem nooit zijn ingevallen
-een afzonderlijke Orde, om hem zelf op te nemen, te gronden.
-
-Het zou de grenzen van dit werk te buiten en geheel en al mijn kennis
-te boven gaan, om de tallooze punten waardoor de mensch in zijn maaksel
-met de andere Primaten overeenkomt, zelfs maar alleen op te noemen.
-Onze groote ontleedkundige en wijsgeer, Prof. Huxley, heeft dit
-onderwerp uitvoerig behandeld [339], en is tot het besluit gekomen, dat
-de mensch in alle punten van zijn maaksel minder van de hoogere apen
-verschilt dan deze laatste van de lagere leden der zelfde groep.
-Derhalve „heeft men geen recht om den mensch in een afzonderlijke Orde
-te plaatsen.”
-
-In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten
-aangevoerd om te toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere
-zoogdieren overeenkomt; en deze overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg
-van de groote gelijkheid in fijneren bouw en scheikundige
-samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten en
-aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den
-zelfden smaak hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze
-middelen, en ook verschillende geneesmiddelen gelijksoortige
-uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.
-
-Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch
-en de hoogere apen in systematische werken gewoonlijk niet worden
-opgeteekend, en daar zij, als zij talrijk zijn, duidelijk onze
-bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige dergelijke punten
-opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar de
-zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende
-gemoedsaandoeningen worden uitgedrukt door bijna gelijksoortige
-bewegingen van de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en
-rondom den mond. Eenige weinige uitdrukkingen zijn inderdaad bijna
-geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige soorten van apen en
-bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk de
-hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld
-worden. Bij den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de
-meeste apen; maar wij kunnen het begin van een arendsneusachtige bocht
-waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij den neusaap (Semnopithecus
-nasicus) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.
-
-Het gelaat van vele apen is versierd met een baard, met bakkebaarden of
-knevels. Het hoofdhaar wordt bij sommige soorten van slankapen
-(Semnopithecus) zeer lang [340], en bij den muts-aap (Macacus radiatus)
-loopt het straalsgewijze van een punt op de kruin van het hoofd uit,
-met een scheiding in het midden, evenals bij den mensch. Men zegt
-gewoonlijk, dat het voorhoofd den mensch zijn edel en verstandig
-uiterlijk geeft, maar het dikke haar op den kop van den muts-aap
-eindigt aan de benedenzijde plotseling, en wordt door zulk kort en fijn
-haar of dons opgevolgd, dat op geringen afstand gezien, het voorhoofd,
-met uitzondering der wenkbrauwen, geheel naakt schijnt. Men heeft ten
-onrechte wel eens beweerd, dat geen enkele aap wenkbrauwen bezit. Bij
-de zooeven genoemde soort verschilt de graad van naaktheid bij
-verschillende individu’s, en Eschricht [341] verzekert, dat bij onze
-kinderen de afscheiding tusschen de behaarde schedelhuid en het naakte
-voorhoofd soms niet scherp begrensd is; zoodat wij hier een klein
-voorbeeld hebben van terugkeer tot het type van een voorvader
-(atavisme) bij wien het voorhoofd nog niet, zooals thans, geheel naakt
-was geworden.
-
-Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden
-eenigszins convergeert naar een punt van den elleboog. Deze
-merkwaardige rangschikking, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere
-zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla, chimpanzee, orang, sommige
-soorten van gibbons (Hylobates) en zelfs bij sommige Amerikaansche
-apen. Bij Hylobates agilis is echter het haar op de gewone wijze naar
-beneden of naar den pols toe gericht; en bij H. lar staat het bijna
-recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat deze
-laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden
-betwijfeld, dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en
-de richting daarvan op den rug dient om den regen te doen afdruipen;
-zelfs de dwarse haren aan de voorpooten van een hond kunnen daartoe
-dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer Wallace merkt
-op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen van
-den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient
-om den regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van
-dit dier is, gebogen en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn
-geklemd. Volgens Livingstone zit ook de gorilla „als het sterk regent,
-met zijn handen over zijn kop.” [342] Wij moeten echter bedenken, dat
-de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt bepaald door de
-richting van het haar, en niet de richting van het haar door de
-houding. Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang
-juist is, dan herinnert ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige
-wijze aan onzen vroegeren toestand; want niemand zal onderstellen, dat
-het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den regen, en in onze
-tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe ook
-niet geschikt. (5)
-
-Het zou echter overijld zijn te veel gewicht te hechten aan het
-beginsel van adaptatie ten opzichte van de richting van het haar bij
-den mensch en zijn vroege voorouders; want het is onmogelijk de
-afbeeldingen die Eschricht geeft van de rangschikking van het haar bij
-den menschelijken foetus (welke de zelfde is als bij den volwassene) te
-bestudeeren, zonder dien uitnemenden waarnemer toe te geven, dat andere
-en meer ingewikkelde oorzaken in het spel zijn geweest. De punten, naar
-welke de haren convergeeren, schijnen eenigermate in betrekking te
-staan tot die punten van het embryo die zich gedurende de ontwikkeling
-het laatst hebben gesloten. Er schijnt ook eenige betrekking te bestaan
-tusschen de rangschikking der haren op de ledematen en den loop der
-mergslagaderen. [343]
-
-Men moet niet onderstellen, dat de punten van overeenkomst tusschen den
-mensch en sommige apen in de bovengenoemde en vele andere
-opzichten—zooals in het bezit van een naakt voorhoofd, lange haarlokken
-op het hoofd, enz.—allen het gevolg zijn van onafgebroken overerving
-van een gemeenschappelijken voorvader welke die kenmerken bezat, of van
-een later atavisme. Het is waarschijnlijker, dat de oorzaak van vele
-dezer punten van overeenkomst moet worden gezocht in analoge variatie,
-die, zooals ik elders heb trachten aan te toonen [344], het gevolg is
-van de inwerking van gelijksoortige, tot wijzigingen aanleiding gevende
-oorzaken, op organismen die van een zelfden stamvorm afstammen en een
-gelijksoortige lichaamsgesteldheid bezitten. Wat de overeenstemmende
-richting van het haar op de voorarmen van den mensch en van zekere apen
-aangaat, zoo moet dit kenmerk, daar het aan bijna al de anthropomorphen
-gemeen is, waarschijnlijk aan overerving worden toegeschreven; schoon
-zulks niet zeker is, want ook eenige zeer van hen verschillende
-Amerikaansche apen bezitten het eveneens. De zelfde opmerking is
-toepasselijk op den staarteloozen toestand van den mensch; want de
-staart ontbreekt bij al de anthropomorphen. Toch kan dit kenmerk niet
-met zekerheid aan overerving worden toegeschreven, daar de staart,
-hoewel niet ontbrekende, echter rudimentair is bij verscheidene andere
-apen uit de Oude Wereld en bij sommige uit de Nieuwe Wereld, en geheel
-ontbreekt bij verscheidene soorten van de verwante groep der Lemuriden.
-
-Hoewel de mensch, zooals wij nu hebben gezien, geen recht heeft om een
-afzonderlijke Orde voor zich zelf te vormen, mag hij wellicht aanspraak
-maken op den rang van een afzonderlijke Onder-orde of Familie. Prof.
-Huxley verdeelt in zijn laatste werk [345] de Primaten in drie
-Onder-orden; namelijk, de Anthropidae alleen uit den mensch bestaande,
-de Simiadae die alle soorten van ware apen bevat, en de Lemuridae,
-waarin de verschillende geslachten van half apen worden opgenomen. Voor
-zooverre het verschillen in zekere belangrijke punten van maaksel
-betreft, mag de mensch ongetwijfeld met recht aanspraak maken op den
-rang van een Onder-orde, en deze rang is te laag, als wij hoofdzakelijk
-op zijn geestvermogens letten. Uit een genealogisch oogpunt schijnt het
-echter, dat deze rang te hoog is, en dat de mensch eenvoudig een
-Familie of mogelijk zelfs slechts een Onder-familie behoort te vormen.
-Indien wij ons drie lijnen van afstamming voorstellen die van een
-gemeenschappelijke bron uitgaan, dan is het zeer goed te begrijpen, dat
-twee daarvan in den loop der eeuwen zoo weinig kunnen zijn veranderd,
-dat zij nog soorten van een zelfde geslacht blijven, hoewel de derde
-zoo sterk is gewijzigd, dat zij als een afzonderlijke Onder-familie,
-Familie of zelfs Orde moet worden beschouwd. In dit geval is het echter
-bijna zeker, dat de derde lijn door overerving nog talrijke kleine
-punten van overeenkomst met de beide andere lijnen zal behouden. Hier
-zou men dan stuiten op de tegenwoordig nog onoplosbare moeilijkheid, of
-wij in onze klassificaties meer gewicht behooren te hechten aan sterk
-sprekende verschillen in eenige weinige punten,—dat is aan de
-hoegrootheid der ondergane wijziging,—dan wel aan groote overeenkomst
-in talrijke onbelangrijke punten, die de lijnen van afstamming of den
-stamboom aanwijzen. Het eerste is het duidelijkste en wellicht het
-veiligste, hoewel het laatste het meest juiste schijnt te zijn, daar
-het een werkelijk natuurlijke klassificatie geeft.
-
-Om hierover een oordeel te kunnen vellen, moeten wij een kort overzicht
-geven van de klassificatie der Simiadae of Ware Apen. Deze familie
-wordt door bijna alle natuuronderzoekers verdeeld in de groep der
-Simiae Catarrhinae of Apen der Oude Wereld, die, zooals hun Latijnsche
-naam uitdrukt, allen zijn gekenmerkt door het bijzondere maaksel hunner
-neusgaten en door het bezit van vier valsche maaltanden in elke kaak,
-en in de groep der Simiae Platyrrhinae of Apen der Nieuwe Wereld (die
-uit twee zeer verschillende ondergroepen bestaat) die zich allen
-kenmerken door anders gevormde neusgaten en het bezit van zes valsche
-maaltanden in elke kaak. (6) Nog enkele andere kleine verschillen
-zouden hier kunnen worden vermeld. Nu behoort de mensch, wat zijn
-tandstelsel, het maaksel zijner neusgaten en eenige andere kenmerken
-aangaat, ongetwijfeld tot de Catarrhinae of Apen der Oude Wereld; en in
-geen enkel opzicht gelijkt hij meer op de Platyrrhinae, dan op de
-Catarrhinae, behalve in eenige weinige kenmerken van niet veel belang
-en van adaptieven aard. Het zou daarenboven tegen alle
-waarschijnlijkheid strijden, om te onderstellen, dat de eene of andere
-voormalige soort, tot de Apen der Nieuwe Wereld behoorende, zich
-gewijzigd en zoo een op den mensch gelijkend wezen met al de
-onderscheidende kenmerken van de Apen der Oude Wereld zou hebben
-voortgebracht, terwijl het tegelijkertijd al zijn eigen onderscheidende
-kenmerken had verloren. Het kan bijgevolg moeielijk worden betwijfeld,
-dat de mensch is gesproten uit den stam van de Apen der Oude Wereld, en
-dat hij uit een genealogisch oogpunt tot de groep der Catarrhinae moet
-worden gebracht. [346]
-
-De anthropomorphe apen, namelijk de gorilla, de chimpanzee, de orang en
-de gibbons worden door de meeste natuuronderzoekers als een
-afzonderlijke onder-groep van de overige apen der Oude Wereld
-afgescheiden. Ik weet, dat Gratiolet, zich grondende op het maaksel der
-hersenen, het bestaan van deze onder-groep niet aanneemt; en
-ongetwijfeld vormt zij geen goed geheel; zoo is de orang, gelijk de
-heer St. George Mivart opmerkt [347], „een der meest bijzondere en
-afwijkende vormen, die in de geheele Orde worden gevonden.” De overige,
-niet-anthropomorphe Apen der Oude Wereld worden door sommige
-natuuronderzoekers weder verdeeld in twee of drie kleinere
-onder-groepen, waarbij dan de Slankapen (Semnopithecus) met hun
-eigenaardige in zakken verdeelde maag (7) het type van één dier
-onder-groepen zijn. Het schijnt echter, volgens Gaudry’s wondervolle
-ontdekkingen in Attika, dat er gedurende de Miocene periode een vorm
-leefde die de Slankapen (Semnopithecus) met het geslacht Macacus
-verbond (8), en dit is waarschijnlijk een voorbeeld van de wijze,
-waarop de andere en hoogere groepen eens ineensmolten.
-
-Indien men aanneemt, dat de anthropomorphe apen een natuurlijke
-onder-groep vormen, dan mogen wij, daar de mensch met hen overeenkomt,
-niet alleen in die kenmerken welke hij met de geheele groep der
-Catarrhinae gemeen heeft, maar ook in andere bijzondere kenmerken,
-zooals in het gemis van een staart en van eeltplekken aan de billen en
-in algemeen uiterlijk, daaruit afleiden, dat een of ander voormalig lid
-van de onder-groep der anthropomorphen de stamvader was van het
-menschelijk geslacht. Het is niet waarschijnlijk, dat een lid van een
-der andere lagere onder-groepen door de wet der analoge variatie een op
-den mensch gelijkend schepsel zou hebben voortgebracht, dat in zoovele
-opzichten op de hoogere anthropomorphe apen geleek. Ongetwijfeld heeft
-de mensch, in vergelijking met zijn meeste verwanten buitengewoon
-groote wijzigingen ondergaan, hoofdzakelijk ten gevolge van de sterke
-ontwikkeling zijner hersenen en rechtopgaande houding; wij moeten
-echter nimmer vergeten, dat hij „slechts een der verschillende
-afwijkende vormen van de Primaten is.” [348]
-
-Ieder natuuronderzoeker die gelooft in het beginsel van ontwikkeling,
-zal toestemmen, dat de twee hoofdgroepen der Simiadae, namelijk de
-Catarrhinen en Platyrrhinen, met hun ondergroepen, alle uit een enkelen
-zeer ouden stamvader zijn voortgesproten. De vroege afstammelingen van
-dien stamvader moeten, vóór zij op eenigszins belangrijke wijze van
-elkander waren afgeweken, nog een enkele natuurlijke groep hebben
-gevormd; maar sommige van de soorten of beginnende geslachten moeten
-door hun uiteenloopende kenmerken reeds eenigszins de toekomstige
-onderscheidingsteekenen van de groepen der Catarrhinen en Platyrrhinen
-hebben vertoond. De leden van deze onderstelde oude groep moeten dus
-niet zoo gelijkvormig zijn geweest in hun tandstelsel en in het maaksel
-hunner neusgaten, als het de tegenwoordige Catarrhinen eenerzijds en de
-Platyrrhinen anderzijds zijn, maar zij moeten in dit opzicht hebben
-geleken op de verwante Lemuriden, die zeer van elkander afwijken in den
-vorm van hun snoet [349], en op buitengewone wijze in hun tandstelsel.
-
-De Catarrhinen en Platyrrhinen komen in een menigte van kenmerken
-overeen, zooals daaruit blijkt, dat zij onbetwistbaar tot ééne en de
-zelfde Orde behooren. De vele gemeenschappelijke kenmerken die zij
-bezitten, kunnen moeielijk door zoovele verschillende soorten
-onafhankelijk van elkander zijn verkregen, zoodat deze kenmerken moeten
-zijn overgeërfd. Een voormalige vorm, die vele kenmerken met de
-Catarrhinen en Platyrrhinen gemeen had, andere in een tusschen hen in
-liggenden toestand, en wellicht ook eenige weinige bezat, welke van die
-welke thans aan die beide groepen eigen zijn, verschilden, zou, als hij
-door een natuuronderzoeker werd gezien, door dezen zonder den minsten
-twijfel tot de apen worden gebracht. Daar nu de mensch uit een
-genealogisch oogpunt tot den stam der Catarrhinen of Apen der Oude
-Wereld behoort, moeten wij tot het besluit komen, hoezeer deze
-gevolgtrekking ook onzen trots moge kwetsen, dat onze vroege voorouders
-met recht aldus zouden zijn genoemd. [350] Wij moeten echter niet in de
-dwaling vervallen van te onderstellen, dat de voormalige voorvader van
-den geheelen stam der apen, met insluiting van den mensch, identisch
-was met, of zelfs zeer sterk geleek op eenige bekende aapsoort. (9)
-
-
-
-Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.—Wij
-worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het
-oorspronkelijk vaderland van den mensch was op dat tijdperk van de
-afstamming, toen onze voorouders uit den stam der Catarrhinen
-ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst
-klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië,
-noch eenig Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten
-van de geographische verspreiding der dieren. In elke groote streek van
-de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw verwant met de
-uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom
-waarschijnlijk, dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven
-aapsoorten, die nauw verwant waren met den gorilla en den chimpanzee;
-en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten van den mensch zijn,
-is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders het
-vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. (10) Het is
-echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna
-zoo groot als de mensch, namelijk de Dryopithecus van Lartet, die nauw
-verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa gedurende
-de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft
-de aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er
-ruimschoots tijd geweest voor verhuizingen op de grootste schaal.
-
-In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn
-geweest, toen de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij
-waarschijnlijk een warm land, en dit zou het hem gemakkelijk hebben
-gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar de analogie te
-oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is,
-dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar
-dit is wellicht geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene
-periode (11); want de hoogere apen hadden zich reeds in de
-Opper-Miocene periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het
-bestaan van den Dryopithecus. Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen,
-hoe snel organismen, hetzij zij hoog of laag op de ladder staan, zich
-onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten echter, dat
-sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit
-hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige
-afstammelingen van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn
-veranderd, terwijl andere een weinig, en wederom andere in groote mate
-zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn gegaan, die in
-zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in
-vergelijking van de hoogere apen.
-
-De groote gaping in de organische reeks tusschen den mensch en zijn
-naaste verwanten, die door geen uitgestorven of levende soort kan
-worden aangevuld, is dikwerf aangemerkt als een ernstig bezwaar tegen
-het geloof dat de mensch van den eenen of anderen lageren vorm afstamt,
-maar dit bezwaar zal niet zeer gewichtig toeschijnen aan hen die, door
-algemeene redenen overtuigd, in het algemeene beginsel van ontwikkeling
-gelooven. Men ontmoet elk oogenblik gapingen in alle deelen van de
-reeks, sommige wijd en scherp begrensd, andere in verschillende mate
-minder sterk uitgesproken; zooals tusschen den orang en zijn naaste
-verwanten; tusschen Tarsius en de overige Lemuriden; tusschen den
-olifant, en in nog sterkere mate tusschen de Snaveldieren
-(Ornithorhynchus of Echidna) en de overige Zoogdieren. Al deze gapingen
-hangen echter alleen af van het aantal verwante vormen dat is
-uitgestorven. In een toekomstig tijdperk, niet zoo verwijderd, als men
-het bij eeuwen meet, zullen de beschaafde menschen bijna zeker de wilde
-rassen over de geheele wereld uitgeroeid en hun plaats ingenomen
-hebben. In het zelfde tijdperk zullen de anthropomorphe apen, zooals
-Professor Schaaffhausen heeft opgemerkt [351], ongetwijfeld ook zijn
-uitgeroeid. De gaping zal dan nog wijder zijn geworden; want zij zal
-bestaan tusschen den mensch in een beschaafder staat, naar wij mogen
-hopen, dan de Kaukasiër, en den eenen of anderen aap, zoo laag
-ontwikkeld als de baviaan, in plaats van, zooals tegenwoordig, tusschen
-den neger of Nieuw-Hollander en den gorilla.
-
-Wat de afwezigheid van fossiele overblijfselen aangaat, die als
-verbindingsleden tusschen den mensch en zijn op apen gelijkende
-voorouders zouden kunnen dienen, zal niemand veel gewicht daaraan
-hechten, die de verhandeling van Sir C. Lyell [352] heeft gelezen,
-waarin deze aantoont, dat bij al de klassen van Gewervelde Dieren de
-ontdekking van fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig
-heeft plaats gehad. Ook moeten wij niet vergeten, dat die streken, waar
-men de meeste kans heeft fossiele verbindingsleden tusschen den mensch
-en een of ander uitgestorven aapachtig schepsel te vinden, tot nog toe
-niet door geologen zijn doorzocht.
-
-
-
-Lagere ontwikkelingstrappen in de geschiedenis van den mensch. Wij
-hebben gezien, dat de mensch zich uit de Catarrhinen of de afdeeling
-der Simiadae die de Oude Wereld bewoont, schijnt te hebben ontwikkeld,
-nadat deze laatste zich van de afdeeling der Apen der Nieuwe Wereld had
-gescheiden. Wij zullen nu de meer verwijderde sporen van zijn stamboom
-trachten te volgen, en daarbij in de eerste plaats afgaan op de
-wederzijdsche verwantschappen tusschen de verschillende klassen en
-orden, waarbij wij eenige geringe hulp zullen ontvangen van de
-perioden, zoover die met zekerheid bekend zijn, waarin zij
-achtereenvolgens op aarde verschenen. De halfapen (Lemuriden) staan
-beneden de ware apen (Simiadae), doch zij zijn nauw met hen verwant;
-zij vormen een zeer onderscheiden familie der Primaten, of, volgens
-Haeckel, een afzonderlijke orde. Deze groep omvat zeer verschillende,
-ja, soms sterk van elkander afwijkende vormen, tusschen welke gapingen
-bestaan. Het is daarom waarschijnlijk, dat vele daartoe behoorende
-soorten zijn uitgestorven. De overblijvende leven meest op eilanden,
-namelijk op Madagascar en in Insulinde, waar zij niet blootgesteld
-waren aan een zoo sterke mededinging in den levensstrijd, als zij zulks
-op goed aaneenhangende vastelanden zouden zijn geweest. Deze groep
-omvat vormen die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling staan,
-en leidt ons dus, zooals Huxley opmerkt [353], „ongevoelig van de kroon
-en het toppunt der dierlijke schepping naar beneden tot wezens welke,
-naar het schijnt, nog slechts ééne schrede zijn verwijderd van de
-laagste, kleinste en verstandelijk het minst ontwikkelde der Placentale
-Zoogdieren.” Deze verschillende redenen maken het waarschijnlijk, dat
-de Simiadae zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld uit de voorouders der
-thans levende Lemuriden (12); en deze op hun beurt uit vormen die zeer
-laag stonden in de reeks der zoogdieren.
-
-De Buideldieren (Marsupialia) staan door vele belangrijke kenmerken
-beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen in een vroegere
-geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan
-tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale
-Zoogdieren zijn ontsproten uit de Implacentale of Buideldieren; echter
-niet uit vormen die zeer veel geleken op de thans levende Buideldieren,
-maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren (13)
-(Monotremata) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde
-en nog lagere afdeeling in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden
-in onzen tijd alleen vertegenwoordigd door het vogelbekdier
-(Ornithorhynchus) en het Stekeldier (Echidna), en deze beide vormen mag
-men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel grootere groep,
-die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden zijn
-bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij
-ons door vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der
-Reptielen voeren.
-
-Bij onze pogingen om den stamboom der zoogdieren, en derhalve ook dien
-van den mensch, nog lager in de reeks te vervolgen, worden wij door hoe
-langer hoe grooter wordende duisternis omgeven. Hij die wenscht te zien
-wat scherpzinnigheid en kennis tot stand kunnen brengen, raadplege
-Prof. Haeckel’s werken. [354] Ik zal mij tevreden stellen met eenige
-weinige algemeene opmerkingen. Ieder aanhanger der ontwikkelingstheorie
-zal aannemen, dat de vijf groote klassen van Gewervelde Dieren,
-namelijk de Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen,
-allen gezamenlijk van een enkelen grondvorm afstammen want zij hebben
-vele gemeenschappelijke kenmerken, vooral gedurende den embryonalen
-staat. Daar de klasse der Visschen de laagst georganiseerde is en
-vroeger dan de andere op aarde verscheen, mogen wij besluiten, dat al
-de leden van het onder-rijk der Gewervelde Dieren afstammen van een of
-ander op een visch gelijkend dier, minder hoog georganiseerd dan eenige
-visch die tot dusverre in de laagste formaties die bekend zijn, is
-gevonden. Het geloof dat dieren, zoo verschillend als een aap of
-olifant en een kolibri, een slang, een kikvorsch en een visch, enz.,
-allen kunnen zijn voortgekomen uit de zelfde stamouders, zal
-monsterachtig schijnen aan hen, die geen acht hebben geslagen op de
-vorderingen, die de natuurlijke geschiedenis in de laatste jaren heeft
-gemaakt. Want dit geloof sluit in zich het voormalig bestaan van
-tusschenvormen, welke al die thans zoo uiterst ongelijke vormen nauw
-met elkander verbonden.
-
-Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog
-bestaan, welke dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde
-Dieren meer of minder nauw met elkander te verbinden. Wij hebben
-gezien, dat het vogelbekdier (Ornithorhynchus) een overgang vormt tot
-de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door den heer Cope
-en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs
-in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels
-in staan—welke laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven
-blijkbaar een wijdverspreid overblijfsel van een grootere groep) en uit
-de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen vogel uit het secundaire
-tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis
-gelijkende. (14) Verder vertoonen volgens Prof. Owen [355] de
-Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten
-van verwantschap met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de
-Amphibieën. Deze laatste klasse (tot de hoogste afdeeling waarvan de
-kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar verwant met de Ganoïde
-Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de oudere
-geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een
-sterk gegeneraliseerd type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende
-punten van verwantschap met verscheidene andere groepen van organismen.
-De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren zoo nauw
-verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet
-eens waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden
-gebracht. De Lepidosiren en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen
-uitsterving bewaard gebleven, doordat zij onze rivieren bewoonden, die
-vluchthavens zijn en tot de groote wateren van den oceaan in de zelfde
-betrekking staan, als eilanden tot de vastelanden.
-
-Eindelijk wijkt één enkel lid van de uitgebreide en zeer verschillend
-gevormde klasse der visschen, de Slakprik of Amphioxus, in maaksel
-zoozeer van alle andere visschen af, dat Haeckel volhoudt, dat het een
-afzonderlijke klasse van het onder-rijk der Gewervelde Dieren behoorde
-te vormen. Deze visch is merkwaardig wegens zijn negatieve kenmerken;
-men kan moeielijk zeggen, dat hij hersenen, of hart enz. bezit, zoodat
-hij door de oudere natuuronderzoekers onder de wormen werd
-gerangschikt. Vele jaren geleden merkte Prof. Goodsir op, dat de
-slakprik eenige punten van verwantschap vertoonde met de Zakpijpen
-(Ascidiae), ongewervelde, tweeslachtige (hermaphroditische) zeedieren,
-die voortdurend aan een steunsel zijn bevestigd. Zij gelijken
-nauwelijks op dieren en bestaan uit een eenvoudigen, harden,
-lederachtigen zak, met twee vooruitstekende openingen. Zij behooren tot
-de Molluscoïda van Huxley,—een lagere afdeeling van het groote
-onder-rijk der Weekdieren (Mollusca);—maar zij zijn sedert korten tijd
-door sommige natuuronderzoekers onder de Wormen (Vermes) geplaatst.
-Haar larven gelijken in vorm eenigszins op de maskers van kikvorschen
-[356], en bezitten het vermogen om vrij rond te kunnen zwemmen. De heer
-Kowalewski [357] heeft onlangs ontdekt, dat de larven der Zakpijpen
-(Ascidiae) verwant zijn met de Gewervelde Dieren in hun wijze van
-ontwikkeling, in de betrekkelijke ligging van het zenuwstelsel, en door
-het bezit van een deel, dat zeer veel gelijkt op de chorda dorsalis der
-Gewervelde Dieren. Het schijnt dus, als wij mogen afgaan op de
-embryologie, die altijd gebleken is de veilige gids te zijn voor de
-klassificatie, dat wij eindelijk een leiddraad hebben naar de bron
-waaruit de Gewervelde Dieren zijn gesproten. [358] Wij zouden dus recht
-hebben om aan te nemen, dat er in een uiterst lang geleden tijdperk een
-groep van dieren bestond, die in vele opzichten op de larven der
-tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) geleek, en zich in twee groote
-takken splitste,—waarvan de eene in ontwikkeling achteruitging en de
-tegenwoordige klasse der Zakpijpen (Ascidiae) voortbracht, terwijl de
-andere opsteeg tot de kroon en het toppunt van het Dierenrijk, door het
-aanzijn te geven aan de Gewervelde Dieren. (15)
-
-
-
-Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met
-behulp hunner wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij
-zullen nu den mensch beschouwen, zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in
-staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders gedeeltelijk te
-beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet in
-nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire
-deelen die de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu
-en dan door atavisme bij hem vertoonen, en door behulp van de
-beginselen der morphologie en embryologie. De verschillende feiten
-waarop ik hier zinspeel, zijn in de vorige hoofdstukken medegedeeld. De
-vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld eens geheel met
-haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren
-puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een
-staart, die de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en
-lichamen werden ook in beweging gebracht door vele spieren, die
-tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen, maar bij de apen
-normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen
-liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger
-tijdperk bezat het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum
-(blinden darm), dan tegenwoordig. Te oordeelen naar de plaatsing van
-den grooten teen bij den foetus, was de voet toen een grijporgaan; en
-onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen te
-leven en bewoonden een of ander warm boschrijk land. De mannetjes
-bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als geduchte wapenen.
-
-In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de
-uitwerpselen door een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door
-een derde ooglid (membrana nictitans). In een nog vroeger tijdperk
-waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want de morphologie
-leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde
-zwemblaas bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De
-spleten in den hals van den menschelijken embryo toonen de plaats waar
-zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer in dit zelfde tijdvak vervulden
-de oernieren (corpora Wolffiana) de plaats der ware nieren. Het hart
-bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat en de wervelkolom werd
-vervangen door een ruggestreng (chorda dorsalis). Deze vroege
-voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken
-van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd
-zijn geweest, dan de Slakprik of Amphioxus.
-
-Er is een ander punt dat een nadere vermelding verdient. Het is lang
-bekend geweest, dat in het onder-rijk der Gewervelde Dieren de eene
-sekse rudimenten bezit van verschillende bijkomende deelen, behoorende
-tot het voortplantingsstelsel, die eigenlijk aan de andere sekse
-toekomen; en het is tegenwoordig uitgemaakt, dat op een zeer vroeg
-tijdstip van de embryonale ontwikkeling, beide seksen ware mannelijke
-en vrouwelijke geslachtsklieren hebben. Een uiterst ver verwijderde
-stamvorm van het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren schijnt dus
-tweeslachtig (hermaphroditisch) te zijn geweest. [359] Hier stuiten wij
-echter op een eigenaardige moeielijkheid. In de klasse der Zoogdieren
-bezitten de mannetjes in hun vesiculae prostaticae rudimenten van een
-baarmoeder met den daaraan verbonden doorgang; zij hebben ook
-rudimentaire tepels en sommige mannelijke buideldieren vertoonen
-rudimenten van een buidel. [360] Andere dergelijke feiten zouden
-hierbij gevoegd kunnen worden. Moeten wij derhalve onderstellen, dat
-eenig uiterst oud zoogdier de organen bezat aan beide seksen eigen, dat
-nog hermaphrodiet bleef, nadat het de voornaamste kenmerken van zijn
-eigen klasse had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van
-de lagere klassen van het onder-rijk der Gewervelde Dieren? Dit is in
-de hoogste mate onwaarschijnlijk; want wij moeten afdalen tot de
-Visschen, de laagste van alle klassen der Gewervelde Dieren, eer wij
-eenige nog bestaande hermaphroditische vormen vinden. [361] Waarom
-mannelijke zoogdieren rudimenten van de bijkomende vrouwelijke organen,
-en vrouwelijke zoogdieren rudimenten van de mannelijke organen
-bezitten, kan wellicht worden verklaard door aan te nemen, dat toen de
-eene sekse trapsgewijze de aan haar eigen bijkomende organen verkreeg,
-sommige der achtereenvolgende trappen of wijzigingen op de andere sekse
-werden overgebracht. Wanneer wij de seksueele teeltkeus behandelen,
-zullen wij tallooze voorbeelden van dezen vorm van overbrenging
-ontmoeten,—zooals in het geval van de sporen, vederen en schitterende
-kleuren, door mannelijke vogels verkregen voor den strijd of tot
-versiering, maar op de wijfjes overgebracht in een rudimentairen of
-onvolmaakten toestand.
-
-Het feit, dat mannelijke zoogdieren borsten bezitten die, wat hun
-functie aangaat, onvolkomen zijn, is in sommige opzichten bijzonder
-merkwaardig. De Snaveldieren (Monotremata) bezitten wel
-melkafscheidende klieren met openingen, maar geen tepels; en daar deze
-dieren geheel onder aan de reeks der Zoogdieren staan, is het
-waarschijnlijk, dat de stamvormen dier klasse eveneens wel
-melkafscheidende klieren, doch geen tepels bezaten. Deze gevolgtrekking
-wordt gesteund door hetgeen van de ontwikkelingswijze bekend is; want
-Professor Turner verzekert mij, op autoriteit van Kölliker en Langer,
-dat bij den embryo de melkafscheidende klieren duidelijk zijn
-afgeteekend, vóór er nog een spoor van tepels zichtbaar is; en wij
-moeten ons steeds herinneren, dat de opeenvolgende ontwikkeling der
-deelen bij het individu over het algemeen schijnt te vertegenwoordigen
-en in overeenstemming te zijn met de opeenvolgende ontwikkeling der
-wezens in de zelfde lijn van afstamming. (18) De Buideldieren
-(Marsupialia) verschillen van de Snaveldieren (Monotremata) door het
-bezit van tepels; zoodat deze organen waarschijnlijk het eerst werden
-verkregen door de Buideldieren, nadat zij zich van de Snaveldieren
-hadden gescheiden en deze in ontwikkeling waren voorbijgestreefd, en
-daarna op de Placentale Zoogdieren werden overgebracht. [362] Niemand
-zal onderstellen, dat, nadat de Buideldieren ongeveer hun tegenwoordig
-maaksel hadden verkregen en daarom in een vrij laat tijdperk van de
-ontwikkeling van de reeks der Zoogdieren, eenige daartoe behoorende
-soort nog hermaphroditisch was gebleven. Wij schijnen dus genoodzaakt
-te zijn tot de voorgaande beschouwingswijze terug te keeren en te
-besluiten, dat de tepels zich het eerst hebben ontwikkeld bij de
-wijfjes van den eenen of anderen zeer ouden vorm van Buideldieren, en
-later overeenkomstig een gewone wet van erfelijkheid op de mannetjes
-werden overgebracht in een, wat hun functie aangaat, on volmaakten
-toestand.
-
-Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de
-stamouders van de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden
-hermaphroditen te zijn, beide seksen wellicht melk voortgebracht en de
-jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van de Buideldieren, dat
-beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal niet
-volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der
-Naaldvisschen of Zeenaalden (Syngnatus) de eieren der wijfjes in een
-door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak opnemen, ze
-uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden
-[363];—dat sommige andere mannelijke visschen de eieren in hun bekken
-of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige soorten van
-padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen
-winden en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes
-van sommige vogels den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en
-dat mannelijke duiven, even goed als de wijfjes, hun jongen met een in
-hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde vermoeden kwam
-echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke
-zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die
-andere bijkomende voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse
-vindt, hoewel zij eigenlijk aan de andere toebehooren. De melkklieren
-en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren bestaan, kunnen
-inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig
-niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden
-sympathetisch (19) aangedaan onder den invloed van sommige ziekten,
-evenals de zelfde organen bij het wijfje. Bij de geboorte scheiden zij
-dikwijls eenige weinige droppels melk af, en er bestaan voorbeelden dat
-zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed ontwikkeld waren
-en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was ook
-het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt,
-die twee paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende
-een vroegere langdurige periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes
-behulpzaam waren in het voeden van hun jongen en dat naderhand door de
-eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen werden
-voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou
-onbruik dezer organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij
-ophielden werkzaam te zijn, en volgens twee welbekende beginselen van
-de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk overgaan op de
-mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere
-leeftijden zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij
-even goed ontwikkeld zouden zijn bij de jongen van beide seksen.
-
-
-
-Besluit.—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in
-de organische reeks, welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en
-deze berust op de hoegrootheid der differentiatie en specialisatie van
-de verschillende deelen van het zelfde wezen, als het, zooals ik
-geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen.
-Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame
-wijze geschikt zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun
-organen, wegens het voordeel, verkregen door de verdeeling van den
-physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende functies
-gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel
-schijnt soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig
-ander en geheel verschillend doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle
-deelen hoe langer hoe samengestelder geworden. Elk organisme zal echter
-in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van den stamvorm
-waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met
-deze beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische
-bewijzen wenden, dat de organisatie over de geheele wereld met langzame
-en afgebroken stappen is vooruitgegaan. In het groote onder-rijk der
-Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch. Men moet
-echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd
-worden verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte
-groepen hebben doen geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars
-van haar voorgangers, zijn niet altijd beter geschikt voor alle
-plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude vormen schijnen te
-zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar zij
-niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons
-dikwijls bij het opmaken van onze stamboomen door ons een goed
-denkbeeld te geven van voormalige verloren gegane bevolkingen. Wij
-moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om de bestaande leden van
-de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor volmaakte
-vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.
-
-De oudste stamvormen van het Onder-rijk der Gewervelde Dieren, waarvan
-wij in staat zijn een duister denkbeeld te verkrijgen, bestonden, naar
-het schijnt, in een groep van zeedieren [364], op de larven der
-tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) gelijkende. Deze dieren gaven
-waarschijnlijk het aanzijn aan een groep Visschen, even laag
-georganiseerd als de Slakprik; en uit deze moeten zich de Ganoïden en
-andere op Lepidosiren gelijkende Visschen hebben ontwikkeld. Van zulk
-een visch zou een zeer kleine vooruitgang ons tot de Amphibieën leiden.
-Wij hebben gezien, dat er eens een innig verband heeft bestaan tusschen
-Vogels en Reptielen, en de Snaveldieren (Monotremata) verbinden nog
-heden in geringe mate de Zoogdieren met de Reptielen. Niemand kan
-echter op dit oogenblik zeggen, door welke afstammingslijn de drie
-hoogere verwante klassen, namelijk de Zoogdieren, Vogels en Reptielen,
-zijn ontstaan uit een der beide lagere klassen van Gewervelde Dieren,
-namelijk de Amphibieën en de Visschen. In de klasse der Zoogdieren zijn
-de stappen niet moeielijk te begrijpen, die van de oude Snaveldieren
-(Monotremata) tot de oude Buideldieren (Marsupialia) en van deze tot de
-voormalige stamouders der Placentale Zoogdieren leiden. Wij kunnen op
-die wijze opklimmen tot de Lemuriden, en deze worden door geen wijde
-tusschenruimte van de Ware Apen (Simiadae) gescheiden. De Ware Apen
-(Simiadae) vertakten zich toen in twee groote stammen, de Apen der
-Nieuwe Wereld en de Apen der Oude Wereld; en uit den laatsten kwam, in
-een lang geleden tijdperk, de Mensch, het wonder en de roem van het
-Heelal, voort. (21)
-
-Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende
-lengte, maar, het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men
-heeft dikwijls opgemerkt dat de wereld juist zoo is ingericht, alsof
-zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van den mensch; en dit is in
-zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het aanzijn verschuldigd
-aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen
-sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze
-voorouders en bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons
-geenszins over hen te schamen. (22) Het nederigste organisme staat een
-weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze voeten; en niemand kan
-met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren, zonder
-in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en
-eigenschappen.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Vergelijk aanteekening 6, blz. 217.
-
-(2) „De geestelijke Hamlet Clark zegt, dat de Saüba van Rio de Janeiro,
-een soort zeer nauw verwant aan die waarvan wij spreken [365], een
-tunnel heeft uitgegraven onder het bed der rivier Parahyba, op een
-plaats, waar zij zoo breed is als de Theems bij London-Bridge” (Snellen
-van Vollenhoven, „Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”,
-Haarlem, 1870, blz. 435).
-
-In Texas leeft een soort van mieren, die de zaden van een bepaalde
-grassoort op daartoe toebereiden grond zouden uitzaaien, oogsten en
-bewaren, en een deel van den oogst weêr tot uitzaaiing gebruiken, dus
-landbouw beoefenen. Volgens andere berichten zouden zij die
-„mierenrijst”, echter niet zaaien, maar eenvoudig alle andere planten
-op de plekken waar die groeit, vernielen, met andere woorden: wieden.
-Hierdoor kan de „mierenrijst” natuurlijk weliger groeien.
-
-Men vergelijke over de mieren ook „Ontstaan der Soorten”, 3e Ned.
-Uitgaaf, blz. 304, 315, 353, 362, 366, 408; Büchner, Dr. L., „Uit het
-Leven der Dieren”, Nijmegen, 1877, en vooral Sir John Lubbock, „Ants,
-Bees and Wasps. A Record of Observations on the Habits of the Social
-Hymenoptera”, 9de Uitgaaf, deel uitmakende van de bekende
-„International Scientific Series.”
-
-(3) Deze vier Onder-klassen dragen den naam van Archencephala,
-Gyrencephala, Lissencephala en Lyencephala. De Archencephala, waartoe
-alleen de Mensch (Orde der Bimana) behoort, zouden zich van alle andere
-zoogdieren onderscheiden, doordat bij hen alleen de halfronden der
-groote hersenen zich van boven tot achter de kleine hersenen zouden
-uitstrekken, en zij alleen ook een lobus posterior en hippocampus minor
-zouden bezitten. Wij hebben er reeds in aanteekening 10, blz. 39, op
-gewezen, dat Owen hierin dwaalde en de hersenen der hoogere apen de
-zelfde kenmerken aanbieden. Tot de Onder-klasse der Gyrencephala, bij
-welke de groote hersenen bijna altijd windingen bezitten en de groote
-hersenen de kleine nog steeds grootendeels bedekken, brengt Owen de
-Orden der Quadrumana, Carnivora, Artiodactyla [366], Perissodactyla
-[367], Proboscidea [368], Toxodontia [369], Sirenia en Cetacea. Tot de
-Lissencephala, bij welke de groote hersenen gewoonlijk glad zijn of
-slechts weinig windingen vertoonen, en de lobi olfactorii van voren en
-de geheele massa der kleine hersenen van achteren onbedekt laten,
-brengt Owen de Orden der Bruta [370], Insectivora en Rodentia. De
-Onder-klasse der Lyencephala die zich door het gemis van het corpus
-callosum onderscheidt, bevat de Orden der Marsupialia en Monotremata
-(R. Owen, „On the Characters, Principles of Division and Primary Groups
-of the Class Mammalia.” Read at the Linnean Society, Febr. 17th and
-21st, 1857).
-
-(4) Ik ben bewust, dat velen het woord Snaveldieren voor een Germanisme
-verklaren. Het is echter goed gevormd volgens de regels der
-Nederlandsche taal en m.i. fraaier dan vogelbekdier (dat vooral in
-samenstellingen als Eendvogelbekdier en Egelvogelbekdier afschuwelijk
-is). Den naam Vogelbekdier wensch ik alleen gegeven te zien aan
-Ornithorhynchus (waarvan het de letterlijke vertaling is) en die van
-Snaveldieren aan alle Monotremata. Voor Echidna sla ik den naam
-Stekeldier voor. Gestekelde miereneter, zooals Lubock hem noemt, kan
-aanleiding geven tot verwarring met de eigenlijke miereneters
-(Myrmecophaga) die tot een geheel andere Orde en zelfs Onder-klasse der
-Zoogdieren behooren.
-
-(5) Bij eenige buitengewoon behaarde individu’s van de Japansche Aino’s
-(gelijk bekend is, een buitengewoon harig volk) vond B. H. Chamberlain
-(„Memoirs of the Literature College of the University of Japan”, 1886,
-afl. 1) dat de haren op het borstbeen, tusschen de schouders en billen
-juist zoodanig gericht waren als het nuttigst zou zijn om den regen af
-te doen druppelen. De daar groeiende haarbossen waren verscheidene Eng.
-duimen lang.
-
-(6) De beide ondergroepen, waaruit de groep der Platyrrhinae is
-samengesteld en die de namen van Hesperopitheci of Cebidae en van
-Hemipitheci of Hapalidae dragen, verschillen evenveel van elkander als
-de Platyrrhinae van de Catarrhinae. [371]
-
-Wij meenen daarom, dat het beter is de ware apen in drie hoofdgroepen
-van gelijke waarde te verdeelen: 1o. de Catarrhinae of Heopitheci (Apen
-der Oude Wereld); 2o. de Cebidae of Hesperopitheci (voor welke groep
-men ook den naam Platyrrhinae (in beperkten zin) zou kunnen behouden);
-3o. de Hemipitheci of Hapalidae (Eekhoornapen). Deze laatste
-vertegenwoordigen o.i. de Nieuwe Wereld de Lemuriden der Oude Wereld.
-Deze indeeling komt met die van Mivart (blz. 274, noot) overeen maar
-wijkt o.i. belangrijk van de door Darwin (blz. 273) gegeven
-rangschikking af. De verschillen blijken uit de volgende tabel:
-
-
-CATARRHINAE PLATYRRHINAE.
-OF HEOPITHECI HESPEROPITHECI HEMIPITHECI
-
-32 tanden. 36 tanden. 32 tanden.
-
-4 valsche en 6 ware 6 valsche en 6 ware 6 valsche en 4 ware
-maaltanden in elke maaltanden in elke maaltanden in elke
-kaak. kaak. kaak.
-
-Platte nagels. Platte nagels. Klauwvormige nagels met
- uitzondering van die
- van den duim der
- achterhanden.
-
-Duim der voorhanden Duim der voorhanden Duim der voorhanden
-ontbreekt slechts zeer ontbreekt bij velen ontbreekt nimmer en is
-zelden en is van de en is, waar hij niet van de vingers
-vingers verwijderd. aanwezig is, van de verwijderd.
- vingers verwijderd.
-
-Neusschot smal, Neusschot breed, Neusschot breed,
-neusgaten voor- en neusgaten zijdelings neusgaten zijdelings
-benedenwaarts gekeerd. gekeerd. gekeerd.
-
- Het voorhoofdsbeen zet
- zich bij vele tusschen
- de oogkassen boven de
- neusbeenderen voort en
- is aldaar bol verheven.
-
-Sommige staartloos, Alle gestaart, bij Alle gestaart, nimmer
-nimmer een vele een een grijpstaart.
-grijpstaart. grijpstaart.
-
-Bij de meesten Nimmer eeltplekken Nimmer eeltplekken aan
-eeltplekken aan de aan de billen, noch de billen, noch
-billen, bij velen wangzakken. wangzakken.
-wangzakken.
-
-
-Zoo wij in deze tabel van „voor-” en „achterhanden” spreken, hoewel wij
-in aanteekening 14, blz. 41, hebben opgemerkt, dat de zoogenaamde
-achterhanden der apen eigenlijk ware voeten zijn, was zulks slechts om
-ons aan het eenmaal aangenomen spraakgebruik te houden.
-
-Wat de in de volgende alinea door Darwin aangestipte vraag aangaat, of
-de anthropomorphen als een afzonderlijke groep der Catarrhinae moeten
-worden beschouwd, willen wij nog het volgende opmerken:
-
-Haeckel verdeelt de Apen der Oude Wereld in twee ondergroepen: 1o.
-Catarrhinae met een staart (Menocerca) en 2o. Catarrhinae zonder staart
-(Lipocerca). De groep der Lipocerca omvat de Anthropomorphen en den
-Mensch, die der Menocerca de overige Apen der Oude Wereld. Deze laatste
-worden, al naar zij wangzakken bezitten of niet, in de beide families
-der Ascoparea en Anasca onderscheiden („Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”, 1ste uitgaaf, blz. 570). R. Hartman, hoogleeraar
-aan de Universiteit te Berlijn, geeft in zijn werk: „Die Menschenähnl.
-Affen”, Leipzig, Brockhaus, 1883, blz. 268, de volgende indeeling van
-de Orden der Primaten en Lemuriden (hij scheidt deze laatste als
-afzonderlijke Orde af van die, welke den mensch en de ware apen omvat),
-met welke ik mij in hoofdzaak goed kan vereenigen, schoon ik Hapale als
-een derde zelfstandige Onder-familie van de eigenlijke apen (Simiina)
-beschouw.
-
-
-1. Zoogdieren (MAMMALIA).
-
-A. Monodelphia Blainv. (Placentalia Owen).
-
-1. Orde: PRIMATES L.
- 1. Familie: Primarii.
- 1. Onder-familie: Erecti (de Mensch, Homo sapiens).
- 2. Onder-familie: Anthropomorpha L.
- a) Dasypoga (d.i. zonder eeltplekken aan de billen).
- 1. Geslacht: Troglodytes.
- Soorten: T. Gorilla en T. niger (Chimpanzee) enz.
- 2. Geslacht: Pithecus.
- Soort: P. Satyrus (Orang Oetan).
- b) Tylopoga (d.i. met eeltplekken aan de billen).
- 3. Geslacht: Hylobates.
- Soorten: de Gibbons.
- 2. Familie: Eigenlijke Apen (Simiina).
- 1. Onder-familie: Catarrhina.
- Geslachten: Semnopithecus, enz.
- 2. Onder-familie: Platyrrhina.
- Geslachten: Mycetes, Cebus, Hapale enz.
-
-2. Orde: PROSIMII (Halfapen of Lemuridae).
-
-
-De Lemuriden kunnen o.a. ook daarom niet met den mensch en de apen in
-de zelfde orde worden vereenigd, omdat zij van hen afwijken in den vorm
-der eivliezen en van de placenta, welke laatste bij hen, gelijk Milne
-Edwards („Compt. rend.”, T. LXXIII, blz. 422) heeft aangetoond,
-klokvormig is en veel meer nadert tot die der Carnivora, dan tot die
-van den mensch, de apen, vledermuizen, insectivoren en knaagdieren,
-wier gemeenschappelijke voorouders waarschijnlijk tot de Lemuriden
-behoorden. Ook de anatomische verschillen zijn daartoe te groot.
-
-(7) De maag der Slankapen bestaat uit drie deelen: het cardiale
-gedeelte, waarin de slokdarm uitmondt, bezit inwendig een gladde
-oppervlakte; het tweede gedeelte bestaat uit een dubbele rij zakjes;
-het derde of pylorusgedeelte is langwerpig van vorm, bezit nog eenige
-insnoeringen, evenals een karteldarm, doch wordt aan het einde van
-eenvoudiger maaksel.
-
-(8) Mesopithecus penthelicus Gaudry. In het maaksel van den kop geleek
-hij op Semnopithecus, in dat der ledematen op Macacus.
-
-(9) Onder al de verdraaide voorstellingen die de tegenstanders der
-ontwikkelingstheorie van de denkbeelden der Darwinisten gelieven te
-geven, is er wellicht geen belachelijker, dan dat de Darwinisten zouden
-beweren, dat de mensch uit een der thans levende aapsoorten zou zijn
-ontstaan. Tot hun verontschuldiging kan men bijbrengen, dat juist de
-hevigste tegenstanders meestal personen zijn, die de eerste beginselen
-missen van de kundigheden, noodig om de stellingen der Darwinisten te
-beoordeelen, en wier uitspraken daaromtrent slechts even zoo vele
-bewijzen zijn hunner onwetendheid. Daar de ontwikkelingstheorie berust
-op het denkbeeld, dat de thans levende hoogere diersoorten slechts
-gewijzigde afstammelingen zijn der uitgestorvene, ligt het voor de
-hand, dat twee thans levende hoogere diersoorten nimmer in rechte lijn
-met elkander verwant kunnen zijn, maar dat hun verwantschap beter zou
-kunnen worden uitgedrukt door het woord „neef.” Niemand zal dus zoo
-dwaas zijn te beweren, dat de mensch van den gorilla, chimpanzee of
-orang afstamt, schoon deze dieren zeker tot onze naaste familie
-behooren. Het is dus zeer duidelijk, hoe onze vaderlandsche geleerden
-Schroeder van der Kolk en Vrolik hebben kunnen zeggen: „Wij kennen geen
-soort van apen die een directen overgang tot den mensch vormt. Wilde
-men met geweld den mensch van de apen afleiden, dan zou men zijn hoofd
-moeten zoeken bij die kleine apen, die zich om de Ouistiti’s en Rolapen
-groepeeren, zijn hand bij den Chimpanzee, zijn skelet bij den Siamang,
-zijn hersenen bij den Orang” („zijn voet bij den Gorilla”, voegt Vogt
-er bij). Zij hebben daardoor voldingend bewezen, dat de mensch niet in
-rechte lijn van die apen afstamt, iets dat eigenlijk niet behoefde te
-worden bewezen, daar niemand zulks beweert. Zij hebben daardoor echter
-ook voldingend bewezen, dat de mensch met al die apen nauw verwant is.
-Evenzoo nadert het Fransch in sommige opzichten tot het Italiaansch, in
-andere tot het Spaansch, wederom in andere tot het Roemenisch, terwijl
-het Spaansch wederom met het Portugeesch overeenkomt in punten, waarin
-het van het Fransch en Italiaansch afwijkt, enz. Dit bewijst, dat het
-Fransch geen dochtertaal is van een der genoemde talen, maar tevens,
-dat zij allen afstammelingen zijn van een zelfde oude, doode taal, het
-Latijn. De kinderen der verschillende menschenrassen gelijken meer op
-elkander, dan de volwassen individu’s, evenzoo gelijken de jongen der
-apen meer op onze kinderen en op elkander, dan de volwassen apen op ons
-en op elkander. Wij hebben hier dus een aantal convergeerende lijnen
-die elkander in een achter ons gelegen punt moeten snijden. De
-ontwikkelingsgeschiedenis van het individu toch geeft de
-ontwikkelingsphasen die het type heeft doorloopen, terug. Als dus de
-jonge apen meer op onze kinderen gelijken, dan de volwassen apen op
-ons, dan is er een tijd geweest dat de voorouders der tegenwoordige
-apen meer op onze voorouders geleken, dan de tegenwoordige apen op ons.
-Als er een tijdstip in de embryonale ontwikkeling is, waarop de embryo
-van een aap niet van een menschelijk embryo is te onderscheiden, dan is
-er ook een tijdstip geweest, waarop de voorouders der tegenwoordige
-apen de zelfde kenmerken hadden, tot de zelfde soort behoorden, als de
-onze. Iedere ontwikkelingsphase van het menschelijk type is op die
-wijze om zoo te zeggen pro memoria aangeteekend in de
-ontwikkelingsgeschiedenis van het individu.
-
-(10) Haeckel ontwikkelde in de eerste uitgaven zijner „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” (1ste uitgaaf, blz. 619), het denkbeeld, dat de
-oorspronkelijke bakermat van het menschelijk geslacht een thans onder
-den spiegel van den Indischen Oceaan verzonken vasteland zou zijn
-geweest, dat zich ten zuiden van het tegenwoordige Azië (en
-waarschijnlijk daarmede verbonden) eenerzijds tot Achter-Indië en
-Insulinde, anderzijds westelijk tot Madagascar en Zuid-oostelijk Afrika
-uitstrekte. Dit hypothetische vasteland is wegens de Lemuriden die
-sommige nog overgebleven deelen er van bewonen, door den Engelschman
-Sclater Lemuria genoemd. Deze hypothese moet als onjuist worden
-beschouwd. Er leven ook op het vasteland van Afrika Lemuriden en in
-Noord-Amerika zijn fossiele Lemuriden gevonden. Daarenboven is de
-Indische Oceaan grootendeels zeer diep, en het is in hooge mate
-onwaarschijnlijk, dat daarin ooit een vasteland zou hebben gelegen. In
-zijn „Darwinism”, 2de uitgaaf, Londen 1889 geeft A. R. Wallace een
-wereldkaart, waarop de lijn van 1000 vademen diepte is aangegeven, die,
-gelijk hij in het breede aantoont, bijna overal de uiterste grens
-aangeeft tot welke zich ooit het vasteland kan hebben uitgestrekt. Men
-vergelijke het nevensgaande kaartje, dat echter in tegenoverstelling
-van dat van Wallace ook de omstreken der polen bevat, en waarvan de
-projectie mij voor het beoogde doel beter en duidelijker schijnt dan de
-door Wallace gebruikte projectie. Op dit kaartje zijn al de gedeelten
-der zee, die minder dan duizend vademen diep zijn, wit geteekend. Het
-onderstelde Lemuria valt bijna overal buiten de lijn van 1000 vademen
-diepte en heeft derhalve nooit bestaan. In de eerste uitgaaf van de
-Nederlandsche vertaling maakte ik omtrent het oorspronkelijk vaderland
-van den mensch de volgende opmerking: „Het is even waarschijnlijk, dat
-het Aziatisch gewest van Insulinde, waar thans nog de Orang en de
-Gibbons leven, de oorspronkelijke bakermat van den mensch is, als
-West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla. Bedenken
-wij echter, dat alle volken van Afrika dolichocephaal zijn, en ook de
-Chimpanzee en Gorilla dit kenmerk vertoonen, terwijl het Maleische ras
-en vele andere Aziatische stammen brachycephaal zijn evenals de Orang
-en de Gibbons, bedenken wij verder, dat evenals ten Oosten van het
-vaderland van Chimpanzee en Gorilla een door Lemuriden bewoond eiland
-(Madagascar) ligt, ook het oostelijk deel van het Aziatisch gewest van
-Insulinde door een door Lemuriden bewoond eiland (Celebes) wordt
-ingenomen, ja, dat ook op Borneo, Sumatra en Java Lemuriden wonen, en
-dat de Lemuriden volgens Darwin en Haeckel de stam zijn, waaruit zich
-de ware apen en de mensch hebben ontwikkeld, dan rijst de vraag op, of
-de oorspronkelijke mensch niet op minstens twee afzonderlijke plaatsen
-is ontstaan: 1o. In Zuid-west-Afrika uit met den Chimpanzee en Gorilla
-verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stamvorm der
-Negers, Kaffers en Hottentotten zijn, en 2o. In het Aziatische gewest
-van Insulinde uit met den Orang en de Gibbons verwante vormen; dit
-menschenras zou de oorspronkelijke stam der Aziatische volken zijn
-geweest.” Hierbij komt nog, dat de Chimpanzee en Gorilla zwart zijn als
-de Negers, de Orang bruin als de Maleiers.
-
-Sedert is echter door den Markies de Saporta een geheel nieuwe
-hypothese omtrent het oorspronkelijke vaderland van den mensch
-geopperd, die mij uiterst waarschijnlijk en ook uit een algemeen
-geologisch en palaeontologisch oogpunt hoogst belangrijk voorkomt. Ik
-heb haar daarom nader uiteengezet en uitgebreid in een artikel over
-„Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste
-volksverhuizingen in het palaeolithische tijdperk”, dat ik achter het
-eerste gedeelte van Darwin’s werk (tusschen Hoofdstuk VII en VIII)
-inlasch en waarnaar ik verder verwijs. Ik zal daar het kaartje ook
-verder bespreken.
-
-(11) De meening, dat de mensch niet reeds gedurende het zoogenaamde
-Diluvium (de Pleistocene vorming) bestond (dit laatste is een volkomen
-bewezen, niet meer te betwijfelen feit), maar dat zijn geslacht zelfs
-opklimt tot de oude tertaire tijden, wordt zeer gesteund door
-verscheidene overblijfselen van menschelijke nijverheid, of ten minste
-van stukken vuursteen die sporen van bewerking schijnen te vertoonen,
-welke men in verschillende tertaire lagen heeft gevonden.
-
-Zoo vond de Abt Bourgeois in het Calcaire de la Beauce in de gemeente
-Thénay, dicht bij Pont-Leroy, alwaar dit 4,80 meter dik is en uit
-afwisselende lagen mergel, leem en zoetwater-kalksteen bestaat, in de
-alleronderste, uit mergel bestaande laag eenige, en in de onmiddellijk
-daarop rustende gele of groenachtige leem talrijke bewerkte
-vuursteenen. Op het Calcaire de la Beauce rusten in die gemeente de
-zoogenaamde Sables de l’Orléanais; ook in deze vond hij zeer grof en
-onvolmaakt bewerkte vuursteenen en een bal („galet”), uit een
-kunstmatig, kool bevattend deeg vervaardigd, te zamen met beenderen van
-groote Olifantachtige Dieren en van Dinotherium. Deze Sables de
-l’Orléanais behooren evenals de daarboven gelegen Faluns de la
-Tourraine, die uit grijs, met zeeschelpen en zoogdierbeenderen vermengd
-zand bestaan, tot de Miocene vorming. Ook in de Faluns de la Tourraine
-vond de Abt Bourgeois bewerkte vuursteenen met de schelpen vermengd;
-zij vertoonen sporen van lang door het water te zijn heên en weêr
-gerold en zijn waarschijnlijk tijdens de vorming der Faluns door de zee
-uit de onderliggende lagen losgespoeld.
-
-Ook in de Miocene lagen van Lelles sur Cher (Loir-et-Cher) vonden de
-Abt Bourgeois en de heer Vibraye, en in die van Pouancé
-(Maine-et-Loire) de abt Delaunay sporen van den tertiairen mensch.
-
-In de Sablonières de St. Prest (Eure-et-Loir), die tot de Pliocene
-vorming behooren, zijn in 1863 beenderen van Rhinoceros leptorhinus,
-Elephas meridionalis en Hippopotamus gevonden, waarop de heer Desnoyers
-strepen of sporen van insnijdingen ontdekte, door ’s menschen hand
-gemaakt, zeer duidelijk en regelmatig, volkomen overeenkomende met die
-welke zijn waargenomen op de fossiele beenderen van nieuwere
-zoogdiersoorten. De heer Issel vond dergelijke overblijfselen in de
-Pliocene vorming van Colle del Vento in Savoye. Omtrent menschelijke
-overblijfselen uit de oudere Pliocene-periode, in Italië in het
-Tiberdal gevonden, vergelijke men de mededeelingen van G. Marinoni, G.
-R. Gualterio en A. Issel in „Atti della società Italiana die scienze
-naturali”, 1868 (en beknopt in „Neues Jahrb. f. Miner.”, 1871, blz.
-196). In Portugal werden bewerkte vuursteenen in tertiaire lagen van
-het dal van den Taag bij Lissabon door den geoloog Carlos Ribeira
-gevonden, en tijdens het internationale voorhistorische congres te
-Lissabon in 1880 en 1881 door verschillende Fransche, Engelsche en
-Duitsche geleerden van grooten naam die ook de vindplaatsen bezochten,
-als echt erkend.
-
-In zijn in den winter van 1868 te Rotterdam gehouden lezingen deelde
-Carl Vogt mede, dat men in het dal van den Manzanares in zekere laag
-een volledig skelet van Elephas meridionalis en in een daaronder
-gelegene en dus oudere laag overblijfselen van menschelijke kunstvlijt
-en zelfs menschenbeenderen had gevonden. Elephas meridionalis nu sterft
-reeds in de Pliocene vorming uit.
-
-Ook de in 1844 het eerst beschreven, in den vulkanischen tuf van den
-uitgebranden vulkaan van Denise nabij le Puy en Velay gevonden fossiele
-menschenbeenderen behooren wellicht tot het tertiaire tijdvak.
-
-Omtrent tertiaire menschenbeenderen en steenen voorwerpen uit
-Californië zie men de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk.
-
-Het is mij wel eens ingevallen, of de in de Miocene vorming gevonden,
-uiterst ruw bewerkte vuursteenen en de door den heer Desnoyers ontdekte
-insnijdingen wellicht afkomstig konden zijn, niet van menschen, maar
-van nog half-aapachtige voorouders van den mensch die reeds wat verder
-ontwikkeld waren dan de tegenwoordige apen, welke laatste, zooals men
-weet, steenen als werktuigen bezigen, zonder ze echter te bewerken. Er
-moeten tusschentrappen zijn geweest waarop de voorouders van den mensch
-verstandelijk vrij wat hooger ontwikkeld waren dan de Apen, doch nog
-steeds veel lager stonden, dan de ruwsten der tegenwoordige wilden. Het
-zelfde denkbeeld is, lang nadat deze opmerking in de eerste uitgaaf van
-dit werk verscheen, ook gemaakt door G. de Mortillet, die de tertiaire
-vuursteenwerktuigen toeschrijft aan „le précurseur de l’homme”,
-wellicht Dryopithecus Fontani. Men vergelijke o.a. „Isis”, 1878, blz.
-317. [372] Dryopithecus Fontani is echter later gebleken geenszins
-nader met den mensch verwant te wezen dan de thans nog levende
-anthropomorphen, zoodat „le précurseur de l’homme” blijkbaar een hooger
-ontwikkeld wezen dan Dryopithecus moet zijn geweest. Daar de tertiaire
-vuursteenen die men voor bewerkt houdt, sporen van de inwerking van het
-vuur vertoonen, zou deze voorganger van den mensch met het gebruik van
-het vuur bekend moeten zijn geweest, waarop ook de in de Sables de
-l’Orléans gevonden, kool bevattende bal wijst. De tegenwoordige apen,
-zelfs de anthropomorphen, warmen zich wel bij het door den mensch
-ontstoken vuur, maar verstaan de kunst niet om het aan te houden door
-de toevoeging van nieuwe brandstof, of om het te maken. Het verhaal
-door Emin Pacha aan Stanley gedaan (zie „In Afrika’s donkere
-wildernissen”, Dl. I, blz. 494), dat de chimpanzees uit het woud van
-Msongwa ’s nachts fakkels gebruiken om hun weg te verlichten, als zij
-vruchten uit de aanplantingen komen stelen, houden wij voor een
-sprookje. Het verhaal komt wel in het Engelsche origineele werk („In
-Darkest Africa”, vol. I, blz. 423) voor, maar ontbreekt, zonderling
-genoeg, in de Duitsche vertaling.
-
-(12) Prof. Cope beschreef in „The Amer. Naturalist” van Jan. 1882, blz.
-73, onder den naam van Anaptomorphus Homunculus een lemuride, waarvan
-de schedel in de Eocene lagen van westelijk Noord-Amerika is gevonden,
-en die volgens hem meer nadert tot den hypothetischen lemuroïden
-voorvader van den mensch dan eenige tot dusver ontdekte soort. In zijn
-tandstelsel nadert dit dier eensdeels tot de Indri’s van Madagascar,
-van den anderen kant tot de echte apen en vooral tot den mensch. De
-hoektanden zijn zeer klein, de tanden vormen een onafgebroken reeks en
-staan verticaal. De groote hersenen hadden voor een Eoceen zoogdier een
-aanzienlijk volumen. De groote oogholten pleiten voor een nachtelijke
-levenswijze.
-
-(13) Een vijftal jaren geleden is het gebleken, dat de Snaveldieren
-eierleggende dieren zijn, en dus ook in dit opzicht van de overige
-zoogdieren afwijken en tot de reptielen en andere lagere klassen der
-gewervelde dieren naderen.
-
-In September 1884 werd dit, wat Ornithorhynchus aangaat, ontdekt door
-Caldwell te Sydney. Hij ontdekte tevens, dat het ei meroblastisch is,
-d.w.z. een dojerblaas bezit, en dus in zijn ontwikkeling groote
-overeenkomst heeft met dat der Reptielen, vooral der slangen en
-hagedissen, en niet met dat der Amphibieën. Het ei is uitwendig met een
-fijn net van dunne kalkvezeltjes bedekt en gelijkt het meest op dat van
-sommige slangen.
-
-Reeds in Augustus 1884 had een andere in Nieuw-Holland verblijfhoudende
-natuuronderzoeker, Dr. Wilhelm Haacke, bij Echidna in een zich
-tijdelijk bij het wijfje vormenden zak het met een perkamentachtige
-schaal bedekte ei van dit dier ontdekt. Hij maakte die ontdekking
-echter eerst in December, dus na Caldwell, publiek.
-
-Men vergelijke ook het stuk van Dr. D. Lubach, „Eierleggende
-Zoogdieren” in Alb. d. Natuur 1886.
-
-In 1886 werd door Miklucho-Macklay aangetoond, dat de
-lichaamstemperatuur van Ornithorhynchus 25,2 °C. en die van Echidna 28
-°C. is. Bij de hoogere zoogdieren is die temperatuur veel hooger en
-gelijk of nagenoeg gelijk aan die van den mensch. Ook in dit opzicht
-vormen dus de Snaveldieren een overgang tusschen de hoogere zoogdieren
-en de koudbloedige Reptielen en Amphibieën.
-
-Ofschoon de Snaveldieren geen eigenlijke tepels bezitten, bezitten zij
-echter wel zogklieren. Deze scheiden echter geen eigenlijk gezegde melk
-af. Het zijn gewijzigde zweetklieren, terwijl de zogklieren der overige
-zoogdieren vervormde talkklieren zijn. De gemeenschappelijke voorouders
-der zoogdieren brachten waarschijnlijk het vocht waarmede zij hun
-jongen voedden, voort uit een orgaan, dat zoowel uit veranderde
-zweetklieren als vervormde talkklieren bestond. Bij de typische
-zoogdieren kwamen de laatste tot bijna uitsluitende ontwikkeling, bij
-de snaveldieren de eerste. De typische zoogdieren stammen dus niet in
-rechte lijn van snaveldieren af, maar deze laatste vormen een
-zelfstandig ontwikkelden zijtak, die echter in organisatie veel dichter
-bij den oorspronkelijken stam staat dan de typische zoogdieren
-(Humboldt, Juni 1887, blz. 271).
-
-(14) Als overgangsvormen tusschen de reptielen en de tegenwoordige
-vogels zijn verder merkwaardig de vogels met tanden (Odontornithes),
-door Prof. O. C. Marsh in 1870–72 in de krijtformatie van Westelijk
-Kansas ontdekt. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, Vogels met Tanden, in
-„Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 51, 67. Ook Archaeopteryx is later, nadat
-men er een tweede, beter bewaard skelet van had gevonden, gebleken
-tanden te hebben bezeten. Ofschoon het een gevederd en vliegend dier
-was, bleek Archaeopteryx echter in de meeste opzichten dichter bij de
-Reptielen dan bij de echte vogels te staan, wat met de Odontornithes
-geenszins het geval is.
-
-(15) Treffend zijn Tab. XII en XIII van de achtste uitgaaf van
-Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, die een vergelijking
-tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van Ascidia en Amphioxus
-bevatten. Bij de larven van Ascidia vindt men den aanleg eener chorda
-dorsalis met een centraal zenuwstelsel daarboven, het darmkanaal
-daaronder gelegen. Het centraal zenuwstelsel bestaat uit een langen
-draad, die zich aan het kopeinde tot een rond ganglion uitzet; in dien
-draad bevindt zich een holte, die zich tot in het ganglion voortzet.
-Met het ganglion hangen zintuigen te zamen, die gehoor- en
-gezichtswerktuigen schijnen te zijn, en de zelfde betrekkelijke ligging
-hebben als bij de embryo’s der Gewervelde Dieren (Kupffer, „Die
-Stammverwandtschaft zwischen Ascidiën und Wirbelthieren”, Bonn, 1870).
-Bij de verdere ontwikkeling der Ascidiën verliezen de larven haar
-staart en daarmede tevens de chorda dorsalis en draadvormige
-zenuwstreng, zoodat dan de gelijkenis met Gewervelde Dieren geheel
-verloren gaat.
-
-Nu maakte echter Baehr, de beroemde embryoloog van St. Petersburg, er
-opmerkzaam op, dat daar volgens Haeckel’s biogenetische hoofdwet
-datgeen, wat het vroegst in de ontwikkeling optreedt, het erfdeel der
-vroegste voorouders is, zoo die hoofdwet juist was, niet de Gewervelde
-Dieren van Manteldieren (waartoe de Zakpijpen of Ascidiën behooren)
-moesten afstammen, maar omgekeerd de Manteldieren van Gewervelde
-Dieren, daar zij in hun vroegste jeugd de organisatie van Gewervelde
-Dieren bezaten. [373]
-
-Over deze quaestie is in den jaargang 1873 van Isis een
-wetenschappelijke discussie gevoerd tusschen Dr. P. J. F. Vermeulen
-(destijds leeraar aan de Roomsch-Katholieke Hoogere Burgerschool te
-Rolduc) en schrijver dezes. Destijds heb ik er reeds op gewezen, dat
-wanneer met de Ascidiën verwante wezens als stamvorm der Gewervelde
-Dieren moesten worden opgegeven, vele gronden waren aan te voeren voor
-de meening, dat de Gewervelde Dieren afstamden van Gelede Dieren
-(waartoe ik ook de eigenlijke Ringwormen reken). Dit gevoelen werd
-spoedig daarop ook door anderen, die er echter geheel onbekend mede
-waren, dat ik het reeds vroeger had uitgesproken, verdedigd, en niet
-slechts theoretisch verder uitgewerkt, maar ook door waarnemingen
-gesteund.
-
-Dr. Dohrn te Napels, stichter en directeur van het Zoölogisch Station
-aldaar, wees er namelijk in een in 1875 verschenen geschrift („Ueber
-den Princip des Functionswechsels”, Leipzig, Engelmann) op, dat bij
-zeer laag staande visschen reeds punten van overeenkomst in
-anatomischen bouw met de Manteldieren worden gevonden, en stelde de
-vraag, in welk opzicht de levenswijze der Manteldieren met die van
-bedoelde visschen overeenkomt? Hij antwoordde daarop, dat zoowel de
-Manteldieren als die visschen een half of geheel parasitisch leven
-leiden of toch ten minste op den zeebodem vastgegroeide wezens zijn
-geworden. In deze levenswijze zocht nu Dohrn de oorzaak van de lage
-organisatie. Alle woekerdieren gaan, gelijk Dohrn aantoonde en ook
-algemeen bekend is (men vergelijke Vogt’s stuk over „Woekerdieren en
-aanverwant gespuis” in Isis 1875, blz. 197), ten gevolge hunner
-levenswijze in organisatie achteruit. Dikwijls zien wij, zegt Vogt (ib.
-blz. 203), „hoe het woekerdier in het binnenste van het lichaam van
-zijn gastheer aangekomen, langzamerhand een menigte van organen
-afwerpt, die het niet meer kan gebruiken en die door het niet meer
-gebruiken allengs verdwijnen; zintuigen en bewegingsorganen, organen
-van bloedsomloop en ademhaling, ja zelfs ten laatste de
-verteringsorganen, waarvan de nevenklieren afnemen, tot zelfs het
-darmkanaal verarmt, zich aan het achterste einde als een blinde zak
-sluit, en eindelijk zelfs geheel en al verdwijnt, om evenals de andere
-organen, voor het eenige stelsel plaats te maken, dat zich op kosten
-der andere ontwikkelt, namelijk het voortplantingsstelsel.”
-Woekerdieren onttrekken zich door hun levenswijze aan den voor de
-ontwikkeling der organen zoo noodzakelijken strijd om het bestaan, het
-gevolg daarvan is achteruitgang der organen. Dohrn voegde daarom bij
-Darwin’s beide beginselen, de aanpassing en de erfelijkheid, nog een
-derde, dat even krachtig op de organisatie terugwerkt, namelijk het
-parasitisme of woekerleven.
-
-Volgens deze beschouwing van Dohrn zouden derhalve de Manteldieren
-werkelijke, doch door parasitisme achteruitgaand ontwikkelde Gewervelde
-Dieren zijn, die zich tot de overige Gewervelde Dieren ongeveer even
-zoo verhouden als de (eens tot de wormen gerekende) Linguatulinen
-(vergelijk Harting’s „Leerboek” III, 1, blz. 359) tot de overige
-Spinachtige Dieren.
-
-Dohrn onderscheidde echter nog een vierde beginsel, door hem „Princip
-des Functionswechsels” genoemd. Elk orgaan, zegt hij, bezit meer dan
-ééne functie, ééne daarvan is hoofdfunctie, de andere zijn
-nevenfuncties. Nu kan echter een nevenfunctie zoo op den voorgrond
-treden, dat zij de andere verdringt, en daardoor verkrijgt het orgaan
-een andere beteekenis in de huishouding van het lichaam en ondergaat
-tevens secundaire wijzigingen in zijn bouw. Zoodoende kan b.v. uit een
-oorspronkelijk eenvoudige maag een kliermaag en een spiermaag ontstaan.
-
-Deze beschouwingen verder uitwerkende, kwam Dohrn tot de hypothese:
-„dat de mond der tegenwoordige Gewervelde Dieren vroeger op een geheel
-andere plaats, namelijk in de streek van de tegenwoordige vierde
-hersenholte (ventriculus quartus) heeft gelegen, en dat onze
-tegenwoordige mond bij de stamouders der Gewervelde Dieren slechts een
-kieuwspleet is geweest.” Het spijsverteringskanaal zou destijds het
-tegenwoordige ruggemerg hebben doorboord, onze tegenwoordige buikzijde
-rugzijde zijn geweest en omgekeerd, het ruggemerg zou buikmerg zijn
-geweest, evenals bij de tegenwoordige Gelede Dieren, het verlengde merg
-en de hersenen zouden een slokdarmring hebben gevormd. Op deze wijze
-ontstaat een volkomen homologie tusschen het zenuwstelsel der
-Gewervelde Dieren en dat der Ringwormen. De plaatsverandering van den
-mond is geen grooter wonder dan die van het eene oog bij de
-tegenwoordige platvisschen, bij welker jongen de oogen symmetrisch
-liggen, evenals bij de andere Gewervelde Dieren, terwijl zij bij de
-ouden asymmetrisch, beide aan ééne zijde van het lichaam liggen. De
-uitwendig zichtbare geleding der Gelede Dieren wordt bij de
-tegenwoordige Gewervelde Dieren inwendig nog aangeduid in de
-wervelkolom, en is bij hun embryo nog duidelijker in de zoogenaamde
-voorwervels, die geenszins uitsluitend de beginsels van wervels, maar
-bovendien die van de rugzenuwknoopen en van het geheele
-zijdespierstelsel zijn.
-
-Dohrn kwam tot het resultaat, dat de Gewervelde Dieren afstammen van
-Gelede Wormen, op de tegenwoordige Ringwormen of Anneliden gelijkende.
-[374]
-
-Dit resultaat werd zeer gesteund, toen twee andere deskundigen,
-Professor Semper te Würzburg [375] en Balfour te Edinburg [376] die
-beiden de ontwikkeling der geslachtswerktuigen bij jonge haaien
-bestudeerden, ongeveer gelijktijdig ontdekten, dat de eerste aanleg van
-de eierstokken en testikels van deze dieren uit afzonderlijke stukken
-bestaat, waarvan elk met een der onderste wervelsegmenten overeenkomt.
-De algemeene vorm dezer organen herinnerde beide onderzoekers dadelijk
-aan dergelijke organen, die men sinds lang aan de geslachtsorganen der
-Ringwormen had opgemerkt en waaraan men den naam van segmentaalorganen
-of segmentaaltrechters had gegeven.
-
-Ook Leydig, Hatschek, Kleinenberg, Eisig en anderen hebben vervolgens
-de hypothese uitgesproken en met groot talent verdedigd, dat van alle
-ongewervelden de Ringwormen de meeste overeenkomst met de Gewervelde
-Dieren vertoonen, en dat zij en de Arthropoda (Schaaldieren, Spinnen,
-Insekten, Duizendpooten) afstammen van een oorspronkelijken diervorm,
-die in maaksel min of meer overeenkwam met Polygordius.
-
-Gegenbaur en Haeckel hebben zich echter nooit met dit denkbeeld kunnen
-vereenigen. Eerstgenoemde wijst op het centraalzenuwstelsel der
-Nemertinen (de hoogst bewerktuigde der zoogenaamde Platwormen), dat
-bestaat uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, waarvan twee
-zijdelingsche zenuwstammen uitgaan, als een zeer oorspronkelijken
-toestand, waaruit, doordat die zenuwstammen bij sommige soorten hooger,
-bij andere lager gelegen zijn, door samensmelting aan de buikzijde de
-buikstreng en slokdarmring der Ringwormen en Arthropoda zou kunnen
-worden afgeleid. Harting („Leerboek der Dierkunde”, 1874) wees van den
-anderen kant op de mogelijkheid van een dergelijke rugwaartsche
-vereeniging, waaruit dan een ruggemerg kon ontstaan. Balfour en
-Hubrecht (destijds conservator aan ’s Rijks Museum te Leiden, thans
-Hoogleeraar in de Dierkunde te Utrecht) kozen aan die zijde partij, de
-eerste door in zijn „Development of Elasmerobranch Fishes”, blz. 171,
-zulk een ontwikkelingsgang nog eenmaal te schetsen, de laatste door de
-feiten te rangschikken, welke zich in het maaksel van sommige
-Nemertinen aan hem hadden doen kennen, en welke inderdaad ten
-duidelijkste aantoonden, dat de zijdelingsche zenuwstammen onmiskenbaar
-een neiging tot rugwaartsche verplaatsing vertoonen („Verhandelingen v.
-d. Kon. Akad.”, Amsterdam, 1880).
-
-In een verhandeling „Over de voorouderlijke stamvormen der
-Vertebraten”, in 1883 door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te
-Amsterdam uitgegeven, ging Hubrecht echter verder, en voerde vele
-feiten aan tot staving der hypothese, „dat de slurp der Nemertinen, die
-ontstaat als een voor instulping vatbaar orgaan, dit geheel afkomstig
-is zoowel phylo- als ontogenetisch (d.i. zoowel in de ontwikkeling der
-soort als van het individu) uit het epiblast, en die zijn weg neemt
-door het hersenganglion, homoloog is aan het rudimentaire orgaan, dat
-men in de geheele reeks der Vertebrata aantreft: de hypophysis cerebri”
-(hersenslijmklier). „De slurpscheede der Nemertinen is vergelijkbaar in
-ligging (en in ontwikkeling?) met de chorda dorsalis” (ruggestreng)
-„der Gewervelde Dieren.” Verder toonde hij zich zeer geneigd van de
-darmuitstulpingen der Nemertinen als de voorloopers te beschouwen der
-coelomzakken, die dan weder met die van de Amphioxus-(slakprik-)larve
-vergelijkbaar zouden zijn.
-
-Hij wees er echter uitdrukkelijk op (hetgeen evenwel voor iemand die
-goed met Darwin’s theorie bekend is geen betoog behoefde), dat hij
-geenerlei directe verwantschap (in rechte lijn namelijk) tusschen
-hedendaagsche Nemertinen en Vertebrata beoogde, maar slechts trachtte
-aan te toonen, dat het algemeen bouwplan eener Nemertine meer
-beantwoordt aan dat van een gewerveld dier dan b.v. dat van de
-Oer-ringwormen (Archi-Anneliden), en dat de schakel die
-Coelenteraten-voorouders met gewervelde afstammelingen verbindt,
-waarschijnlijk vormen heeft omvat, die in het bezit waren van twee
-zijdelingsche zenuwstammen, welke zich rugwaarts hebben vereenigd, en
-die een ektodermale slurp bezaten met functies welke later verdwenen of
-gewijzigd zijn, toen deze dieren langzamerhand uit het Plathelminthen-
-in het Chordaten-Type overgingen.
-
-Gelijktijdig met dezen overgang van het type der Coelenteraten
-(Maagzak- of Neteldieren, waartoe de Kwallen, de Polypen of Veelvoeten
-en de Sponzen behooren) naar dat der Chordata (Ruggestrengdieren)
-moeten ook volgens Hubrecht de hoogst belangrijke processen zijn
-ingetreden, die tot de vorming leidden van een lichaamsholte,
-afgescheiden van het oer-ingewand (archenteron). De
-ontwikkelingsgeschiedenis leert ons, dat zekere uitstulpingen van dit
-laatste, die aanvankelijk daarmede in open verbinding staan, later
-worden afgesnoerd en de zoogenaamde splanchnische en somatische lagen
-vormen, tusschen welke de lichaamsholte besloten is.
-
-De schitterende onderzoekingen van Lang over Gunda segmentata (een
-Platworm) en van Hatschek over de ontwikkeling van den slakprik
-(Amphioxus) moeten hier in de eerste plaats tot richtsnoer strekken.
-
-Alles bijeengenomen kwam Hubrecht tot het resultaat, dat de stamouders
-der Gewervelde Dieren platwormen waren, die overeenstemming vertoonden
-met Gunda door het bezit van metameer geplaatste darmuitstulpingen, ja
-zelfs door een algemeene inwendige metamerie [377], maar die
-daarentegen van Gunda verschilden in zoo belangrijke punten als de
-aanwezigheid van voorloopers, zoowel van de chorda als van de
-hypophysis. Zoodanige platwormen, voegt hij er bij, moeten
-noodwendigerwijze meer overeenkomst hebben gehad met de thans levende
-Nemertinen dan met andere vormen, welke ook.
-
-Wij verwijzen verder belangstellenden naar het oorspronkelijke.
-
-In het 93ste deel van de negende uitgaaf der „Encyclopedia Britannica”,
-in 1888 verschenen, komt een belangrijk artikel over Vertebrata voor
-van Prof. E. Ray Lankester, waarin het vraagstuk van de afstamming der
-Gewervelde Dieren in aansluiting met de denkbeelden van Hubrecht, een
-belangrijke schrede verder werd gebracht. Wij ontleenen daaraan het
-volgende.
-
-De onderscheidene kenmerken der Gewervelde Dieren zijn, dat zij allen,
-hetzij als volwassen dieren, hetzij gedurende een gedeelte hunner
-embryonale ontwikkeling, zijdelingsche openingen (kieuwspleten)
-bezitten, die uit de keel naar buiten loopen, dat zij allen een
-wervelkolom, of zoo niet, dan toch een ruggestreng (chorda dorsalis)
-bezitten, en dat het centraal-zenuwstelsel, dat steeds oorspronkelijk
-den vorm van een buis bezit, aan de rugzijde van het dier boven die
-wervelkolom of ruggestreng is gelegen. Bij alle Gewervelde Dieren in de
-oude beteekenis van het woord (Zoogdieren, Vogels, Reptielen,
-Amphibieën en Visschen, met uitzondering van Amphioxus) bedraagt het
-aantal kieuwspleten hoogstens acht, meest veel minder, bij Amphioxus
-veel meer (honderd of meer).
-
-Daar de larven der Ascidiën in alle drie deze kenmerken met de
-Gewervelde Dieren overeenkomen, stelde Ray Lankester reeds in 1877 voor
-ze onder de Gewervelde Dieren op te nemen, en met hen al de overige
-Manteldieren (Tunicata). Het geslacht Appendicularia (dat tot de laagst
-ontwikkelde Manteldieren behoort) behoudt levenslang een dergelijken
-staart als de larven der Ascidiën, en het spierstelsel van dien staart
-is duidelijk in segmenten verdeeld, evenals men bij de Gewervelde
-Dieren (in de oude beteekenis) waarneemt, waar die segmentatie
-beantwoordt aan de wervels (of liever aan de zoogenaamde voorwervels
-van den embryo).
-
-Balfour geeft er, daar de Tunicata geen wervels bezitten (Amphioxus en
-eenige lagere visschen trouwens evenmin), de voorkeur aan de Tunicata
-en de Gewervelde Dieren in een hoogere groep, door hem Chordata
-genoemd, te vereenigen. Dit is echter enkel een verschil in woorden.
-Feitelijk komt het op het zelfde neer dat Lankester wil.
-
-De vereeniging der Tunicata met de Gewervelde Dieren werd door verdere
-stappen gevolgd. In 1866 toonde Kowalewski aan, dat de merkwaardige
-zeeworm Balanoglossus (er komen daarvan soorten voor in de golf van
-Napels en aan de Atlantische kusten van Amerika en van Bretagne)
-kieuwspleten bezit, met die der Manteldieren en Gewervelde Dieren
-overeenkomende. Latere onderzoekingen van Bateson bewezen, dat
-Balanoglossus in den embryonalen toestand een darmuitstulping bezit,
-die mogelijkerwijze met een korte ruggestreng vergelijkbaar is, en zijn
-centraal-zenuwstelsel gedeeltelijk buisvormig is, en wat plaatsing en
-wijze van oorspronkelijke ontwikkeling aangaat, met dat van de
-Manteldieren en Gewervelde Dieren overeenstemt. Het is dus onmogelijk
-Balanoglossus een plaats naast de Manteldieren en Gewervelde Dieren te
-ontzeggen, en hij behoort in de zelfde hoofdgroep als deze te worden
-geplaatst. Wij zullen die hoofdgroep liever met Balfour Chordata dan
-met Lankester Vertebrata noemen. Onderzoekingen in den laatsten tijd
-door Harmer gedaan omtrent Cephalodiscus, zullen het noodig maken ook
-dien vorm en naar alle waarschijnlijkheid ook Rhabdopleura, nevens
-Balanoglossus onder de Chordata op te nemen. [378]
-
-Het Onder-rijk der Chordata vervalt dus in vier takken, waaraan R.
-Lankester de volgende namen geeft:
-
-
-1. Craniata (Schedeldieren, de Vertebrata van Cuvier).
-2. Cephalochorda (Amphioxus, de ruggestreng loopt door tot in het
- voorste gedeelte van het dier, dat met den kop der schedeldieren
- overeenstemt).
-3. Urochorda (de Manteldieren (Tunicata); bij diegene waar de
- ruggestreng niet geheel door degeneratie is verloren gegaan, is zij
- tot het staartgedeelte van het dier beperkt).
-4. Hemichorda (Balanoglossus, zeer korte ruggestreng bij den embryo)
-
-
-Wij zullen omtrent elk dier afdeelingen eenige opmerkingen maken, die
-met hun afstamming in verband staan.
-
-
-
-1. Craniata.
-
-J. Thacher te New-Haven stelde in 1877 een hypothese omtrent den
-oorsprong van de ledematen der Craniata, welke van die van Gegenbaur
-(vergelijk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, I, blz.
-528) gedeeltelijk afwijkt, en van vele zijden met instemming werd
-begroet. Hij vergelijkt de parige en onparige vinnen der visschen en
-verklaart ze voor gelijksoortige organen. Uitsluitend onparige vinnen
-of liever zoomen bezitten de laagste Craniata (de lampreien) en de
-Cephalochorda. Eerst bij de haaien vindt men parige vinnen. Evenals de
-rug- en aarsvin uit mediane plooien of zoomen ontstaan, laat Thacher nu
-de parige vinnen uit parige zijdeplooien ontstaan, die bij den embryo
-der hoogere Craniata door de zoogenaamde Wolffsche lijsten worden
-vertegenwoordigd. Uit de talrijke kraakbeenige stralen waardoor de
-vinnen worden gesteund, en die oorspronkelijk alle evenwijdig loopen,
-ontstonden in den loop der palaeontologische ontwikkeling door
-versmeltingen en verdeelingen het skelet der borst- en buikvinnen en
-daaruit dat van de ledematen der hoogere gewervelde dieren. Balfour
-vond deze hypothese bij het onderzoek van haaiembryo’s bevestigd, en
-ook Dohrn sluit zich bij diens beschouwingen aan.
-
-Lankester zegt t.a.p.: „De kieuwspleten der Craniata worden, als zij
-tot de ademhaling dienen, over het algemeen beschermd door een
-operculaire [379] plooi van den lichaamswand, die er overheên hangt, en
-homoloog is met den epipleuralen [380] plooi van Amphioxus, den kraag
-van Balanoglossus en wellicht met den wand der atriale kamer van de
-Urochorda. De uitbreiding van deze plooi langs de zijden van het
-middelste gedeelte van het lichaam (tusschen de keelstreek en de aars)
-verkreeg bij voorouders der Craniata de functie van een doorloopende
-rechter- en linker zijdelingsche vin (zie Fig. 9). Tegelijkertijd
-ontwikkelde zich een doorloopende onparige vin, over rug- en
-staartgedeelte tot den aars om het lichaam heên, welke overeenstemt met
-de rug-, staart- en aarsvinnen der bestaande visschen. Zoowel in de
-parige als in de onparige vinnen ontwikkelde zich een kraakbeenig
-geraamte, bestaande uit een overlangs loopende staaf, die een aantal
-stralen, evenals de tanden van een kam gerangschikt, steunde. De
-oorspronkelijke vorm van het vinskelet is in de onparige vinnen van
-sommige haaien bewaard gebleven; de oorspronkelijke zijdelingsche vin
-is in alle gevallen òf geheel verdwenen (lampreien) evenals haar
-verlenging aan den voorkant (het operculum), òf zij is met de elementen
-van haar skelet geconcentreerd in twee streken en heeft aldus aan de
-borst- en buikvinnen, met haar respectieve gordels, het aanzijn
-gegeven.
-
-
-
-2. Cephalochorda.
-
-In vele opzichten draagt Amphioxus (de slakprik), de eenige levende
-vertegenwoordiger der Cephalochorda, de sporen van af te stammen van
-een hooger georganiseerden vorm. Ook zijn levenswijze en de aard van
-zijn voedsel wijzen daarop. Toch stond die voorouderlijke vorm
-waarschijnlijk ver beneden alle levende Craniata. Er is geen reden om
-te onderstellen, dat deze voorouder een schedel of eigenlijk gezegde
-hersenen bezat. Wel bezat die voorvader waarschijnlijk parige oogen,
-gehoororganen (otocysten) en nieren (nephridia), welk alles Amphioxus
-mist, en was ook grooter dan deze laatste. De epipleurale plooien, die
-bij Amphioxus den kap van den bek, de opercula der kieuwen en de
-daarmede samenvloeiende buikvin vormen, waren waarschijnlijk minder
-ontwikkelde zijdelingsche lijsten, welke de kieuwspleten van voren en
-van achteren beschermden, en door hun golving en de verplaatsing van
-het lichaam in de ruimte hielpen tot stand brengen, terwijl de mediane
-(onparige) vin en haar stralen goed ontwikkeld en hoofdorgaan voor de
-verplaatsing waren.
-
-Amphioxus en zijn larve zijn asymmetrisch gebouwd. Er is geen reden om
-aan te nemen, dat dit ook met den voorvader het geval was.
-
-
-
-3. Urochorda.
-
-De Urochorda zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun
-ontwikkeling zoo weinig meer dan een voorbijgaand spoor van de organen
-der typische Gewervelde Dieren, dat wij niet kunnen hopen van hen veel
-positief licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen
-verkrijgen. Alleen de kleine Appendiculariae (Larvalia) behouden
-levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde
-Dieren en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst,
-uiterst gedegenereerd (Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken
-omtrent de in meerdere of mindere mate hoogere organisatie van de
-voorouders der Urochorda, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders
-een even hooge organisatie als de Craniata hadden bereikt; van den
-anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop zij zich
-van de hoofd-afstammingslijn welke tot de Craniata leidt, scheidden,
-lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de Cephalochorda er
-zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van
-de chorda aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel
-der Craniata dan Amphioxus vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling
-van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke grootte de Urochorda dichter
-bij de Craniata plaatst dan Amphioxus. De metamerische myomeren zijn
-bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken toch ook bij
-de Urochorda niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij
-deze in een rudimentairen vorm, welke bewijst, dat zij bij hun
-voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.
-
-
-
-4. Hemichorda.
-
-De Hemichorda (het geslacht Balanoglossus) zijn wormvormige dieren, met
-langen en van boven naar beneden eenigszins afgeplatten bouw. Voor den
-mond ligt een lange cylindervormige slurp, en achter den mond een
-kraag, waarvan de vrije zoom naar achteren gekeerd en homoloog is met
-de operculaire epipleurale plooien der Cephalochorda en Craniata. Deze
-homologie wordt aangetoond door een paar kraagporiën, die in de holte
-van den kraag uitmonden, gelijk de „bruine trechters” van Amphioxus in
-de epipleuraalholte van dat dier. Een slurpporie, die aan de
-linkerzijde in den vóór den mond gelegen slurpholte uitloopt (bij B.
-Kupfferi parig), komt juist overeen met een soortgelijk geplaatste
-porie, welke bij den jongen Amphioxus (volgens Hatschek, 15) naar het
-buisvormig orgaan leidt, dat uit de linkerkamer van de holte van den
-vóór den mond van dat dier gelegen lob komt. De geheele oppervlakte van
-het lichaam is met trilharen bedekt, gelijk bij de Nemertinen en
-Echinodermen, maar bij geen enkel der Craniata, Urochorda en Hemichorda
-het geval is. Op den kraag volgt een doorboorde streek—kieuwspleten,
-die van de buitenzijde van het lichaam naar de keel loopen. Bij den
-jongen vorm bestaat er gedurende zekeren tijd, evenals bij
-Appendicularia en de Ascidiënlarven, slechts één paar kieuwspleten,
-maar zij nemen later in aantal toe, naarmate het dier langer wordt. De
-notochorda (ruggestreng, h in Fig. 11) ontstaat bij het jonge dier aan
-het voorste einde van den hypoblast, en groeit naar voren, als een
-steunpunt voor de basis van den slurp. Zij is tot deze zeer kleine
-streek beperkt. De cerebro-spinale zenuwstreng ontstaat door een
-plaatvormige afscheiding van een vaste streng epiblast in de midden
-over den rug loopende lijn van het middelste derde gedeelte van het
-lichaam, daarna breidt hij zich door de invaginatie (samengroeiing) van
-zijn beide zijden, als een buis, zoowel naar voren als naar achteren
-uit. Onder de opperhuid bestaat over het geheele lichaam een netwerk
-van zenuwdraden (en cellen?). Het stelsel van den bloedsomloop is
-eigenaardig, daar het bestaat uit een voorste hart (in den slurp) en
-een rugge- en buikvat, welke door een vlecht onderhuidsche vaten worden
-verbonden. Het spierstelsel van den lichaamswand is niet in achter
-elkander liggende myomeren verdeeld, maar van den anderen kant zijn de
-geslachtsdeelen (eierstokken of zaadklieren) zakvormig, en herhalen
-zich, evenals bij Amphioxus, als een reeks over een groot gedeelte van
-de lengte van het lichaam. In de keelstreek komen de geslachtszakken in
-aantal met de kieuwspleten overeen. Er zijn geen nieren (tenzij de
-snuitporie en de kraagporiën als zoodanig moeten worden beschouwd);
-maar de bindweefselcellen der lichaamsholte werken als uitscheidende
-organen, gelijk bij de Echinodermata en de Urochorda, en ook een lang
-klierachtig orgaan in den slurp, dat aan het uiteinde van de notochorda
-is vastgehecht, schijnt met deze functie in verband te staan. Niet het
-minst opmerkelijk bij de Hemichorda is de aard hunner larven. Geen
-andere Chordata bezitten larvenvormen welke wijzen op het maaksel
-hunner vroege voorouders uit den tijd toen deze nog geen ruggestreng
-(chorda) bezaten; hoe belangwekkend de Ascidiënlarven, de jonge
-Amphioxus en de embryo van den hondshaai (Scyllium) ook zijn, brengen
-zij ons niet buiten de wereld der chordadieren. Eenige soorten van
-Balanoglossus (? B. minutus) doorloopen echter een larvetoestand,
-waarin zij banden van trilharen bezitten, welke larven als Tornaria
-bekend zijn, en vroeger, voordat haar betrekking tot Balanoglossus was
-ontdekt, werden beschouwd als echinodermenlarven, met Bipinnaria
-verwant. Het is onmogelijk de Tornaria-larve van Balanoglossus niet als
-geheel overeenkomstig met de larven der Echinodermata te beschouwen, en
-daaruit volgt, dat er tusschen Balanoglossus en de Echinodermata de
-eene of andere verwijderde genetische betrekking moet bestaan, met
-andere woorden: dat het verre bloedverwanten zijn.
-
-Wij zijn omtrent de Hemichorda eenigszins uitvoerig geweest en de op
-speciaal zoölogisch terrein minder thuis zijnde lezer zal veel in het
-door ons aan Lankester ontleende aantreffen, dat hem niet volkomen
-duidelijk is. Zonder tal van afbeeldingen en veel grooter uitvoerigheid
-dan het bestek van dit werk toelaat, was zulks echter onmogelijk te
-vermijden. Van den anderen kant zijn deze feiten, die, zoover ons
-bekend is, nog in geen enkel Nederlandsch werk zijn behandeld, voor de
-afstammingsleer der Gewervelde Dieren (en dus ook van den mensch) zoo
-buitengewoon belangrijk, dat zij hier onmogelijk mochten worden gemist,
-en zullen door diegenen onzer lezers, welke meer op de hoogte der
-wetenschap zijn, ongetwijfeld met de meeste oplettendheid worden
-gelezen.
-
-Het schijnt, dat in Balanoglossus eindelijk een diervorm is gevonden,
-met den stamvorm der Gewervelde Dieren nauw verwant, die, hoewel
-ongetwijfeld gewijzigd, zoodat hij voor zijn bijzondere leefwijze (hij
-graaft holen in het natte zeezand) geschikt werd, en wellicht in zekere
-mate gedegenereerd, echter niet afstamt van een veel hooger
-ontwikkelden voorvader. De met trilharen bekleede opperhuid, de lange,
-wormachtige vorm en het volkomen ontbreken van segmentatie in het
-spierstelsel van het lichaam, leiden ons naar vormen, op de Nemertinen
-gelijkende. De groote slurp van Balanoglossus mag wel worden vergeleken
-met het voor instulping vatbare orgaan, dat bij de Nemertinen een
-dergelijke plaats inneemt. De kraag is het eerste begin van een toestel
-dat bestemd was een groote belangrijkheid te verkrijgen bij de
-Cephalochorda en Craniata, en diende misschien bij de voorouders van
-Balanoglossus om een enkele kieuwspleet te beschermen, vóór het aantal
-dezer openingen was toegenomen. Als men, gelijk geoorloofd is, de
-nieren, alsmede de zijdelingsche en dorsale zenuwstammen aan de
-Nemertinen ontleent, vindt men, dat de Balanoglossus de hoopvolste
-hypothetische oplossing van den stamboom der Vertebrata geeft. Die
-stamboom, aan den wortel met de Echinodermata en de Nemertinen
-samenhangende, geeft hooger de drie zijtakken der Hemichorda
-Cephalochorda en Urochorda af. Ze wordt uitgedrukt door onderstaande
-(met eenigszins gewijzigde namen) aan Lankester ontleende figuur:
-
-(16) De hier bedoelde Serranussoorten zijn de zoogenaamde zeebaarzen
-der Middellandsche Zee, Serranus Scriba, S. Cabrilla en S.
-(Centropristis) Hepatus. Ook bij den karper, kabeljauw, baars,
-melanurus, steur, snoek en wijting heeft men somwijlen
-hermaphroditische voorwerpen aangetroffen. Het hermaphroditisme van
-deze laatste soorten verschilt echter van dat der Serranussoorten in
-verschillende belangrijke opzichten, namelijk:
-
-a. Bij de Serranussoorten ontwikkelt zich de hom tusschen de rokken der
-kuit, en elke helft der primitieve dubbele kiemklier zet zich tot beide
-organen om.
-
-b. Bij de andere soorten vormen hom en kuit afzonderlijke lichamen, en
-ontwikkelen de beide helften der primitieve dubbele kiemklier zich
-rechts en links nimmer tot hom en kuit te gelijk.
-
-Hieruit volgt, dat het hermaphroditisme bij Serranus symmetrisch en
-tweezijdig (bilateraal), bij de andere soorten daarentegen asymmetrisch
-en hoogstens eenzijdig (unilateraal) is. Deze laatste komen dus overeen
-met de hermaphroditische voorwerpen die men soms bij zekere
-insektensoorten heeft waargenomen en bij welke de eene (b.v. de
-rechter-) helft mannelijk, de andere (b.v. de linker-) helft vrouwelijk
-was.
-
-Wanneer nu het hermaphroditisme bij Serranus niet normaal was, zou men
-mogen verwachten, dat het met dat abnormale hermaphroditisme van de
-andere vischsoorten en insekten zou overeenkomen. Dat het er echter op
-bovenvermelde wijze van verschilt, pleit sterk voor de meening, dat wij
-bij Serranus wel degelijk met een normalen toestand hebben te doen
-(Vergelijk Prof. H. J. Halbertsma in „Verslagen en Mededeelingen der
-Kon. Akad. v. Wet. Afd. Nat.” Deel XVI).
-
-Dat de aal (Conger) hermaphroditisch is, gelijk men vroeger wel heeft
-beweerd, is onjuist gebleken, daar voor eenige jaren (vergelijk Isis,
-1881, blz. 88 en 125) de mannelijke alen zijn ontdekt, waarbij bleek,
-dat de gewone alen allen wijfjes zijn.
-
-De tot een geheel andere afdeeling der visschen behoorende slijmaal
-(Myxine glutinosa), een met de lampreien verwante, zeer laag
-georganiseerde visch (behoorende tot de onder-klasse der Monorrhina),
-is echter volgens de jongste onderzoekingen hermaphroditisch, maar
-tevens (evenals verschillende planten, bij welke het stuifmeel rijpt
-vóór de stampers geslachtsrijp zijn) proteraudrisch, d.w.z. dat in de
-jeugd de mannelijke organen tot ontwikkeling komen, en deze op later
-leeftijd (zoodra hij 32 à 33 cM. lang is geworden) achteruitgaan en
-niet meer kunnen worden gebruikt, terwijl daarentegen de vrouwelijke
-organen, die in de jeugd zeer weinig ontwikkeld waren, dan tot volkomen
-ontwikkeling komen. Zulk een slijmaal is dus feitelijk in zijn jeugd
-een mannetje, op zijn ouden dag een wijfje! („Bergens Museum
-Aarberetning for 1887.”) Zelfbevruchting is derhalve bij den slijmaal
-onmogelijk.
-
-Dr. P. P. C. Hoek heeft in 1809 in het Zoölogisch station van Dr. A.
-Dohrn te Napels onderzoekingen gedaan aangaande het hermaphroditisme
-bij visschen. Aan zijn verslag dienaangaande aan den minister van
-binnenlandsche zaken is het volgende ontleend:
-
-„Verschillende waarnemingen hebben aan het licht gebracht, dat in de
-klasse der visschen hermaphroditisme juist geen groote zeldzaamheid is.
-Dufossé (1856) stelde vast, dat Serranus Cabrilla steeds tweeslachtig
-is; Syrski (1876) toonde aan, dat niet alleen onder de Percidae,
-waartoe het geslacht Serranus behoort, maar ook onder de Sparidae
-visschen voorkomen, die regelmatig hermaphrodiet zijn en ook Brock
-(1878) wijdde, bij gelegenheid van zijn op de geslachtsorganen der
-visschen betrekking hebbende onderzoekingen, zijn aandacht aan de
-zelfde aangelegenheid. Het kwam mij wenschelijk voor dat
-hermaphroditisme bij visschen van verschillende groepen aan een
-vernieuwd vergelijkend onderzoek te onderwerpen.
-
-„Voor zooverre zij in de Golf van Napels voorkomen, heb ik van alle
-repraesentanten der Percidae en Sparidae (beide families uit de
-afdeeling der stekelvinnige visschen) exemplaren onderzocht. Dit waren
-de volgende visschen:
-
-
- Percidae:
- Apogon rex mulorum.
- Centropristis hepatus.
- Labrax lupus.
- Polypiron cernium.
- Serranus cabrilla.
- ,, scriba.
-
- Sparidae:
- Box boops.
- ,, salpa.
- Chrysophrys auratus.
- Charax puntazzo.
- Cantarus lineatus.
- Oblata melanura.
- Pagellus erythrinus.
- ,, mormyrus.
- Sargus annularis.
- ,, Rondeletti.
- ,, Salviani.
-
-
-„Bovendien werden Smaris alcedo (Fam. Pristipomini) en Ophidium
-barbatum (een weekvinnige visch uit de afdeeling der Anacanthini),
-beide visschen, bij welke Syrski eveneens verschijnselen van
-hermaphroditisme waarnam, in mijn onderzoekingen opgenomen.
-
-„Het resultaat nu van mijn waarnemingen is in ’t algemeen een
-bevestiging van hetgeen vroegere onderzoekers mededeelden:
-hermaphroditisme blijkt bij talrijke visschen een vrijwel standvastig
-voorkomend verschijnsel te zijn. De door mij onderzochte visschen waren
-echter geen van allen geslachtsrijp (daarvoor was het tijdens mijn
-verblijf te Napels nog te vroeg in den tijd); de physiologische zijde
-van het vraagstuk heb ik dan ook geheel buiten beschouwing gelaten en
-mij geheel tot beschouwing uit een morphologisch oogpunt bepaald.
-
-„Ik bespreek in deze voorloopige mededeeling alleen de door mij bij de
-twee bovengenoemde families (Percidae en Sparidae) verkregen
-resultaten. Al aanstonds verdient vermelding, dat het verschijnsel der
-tweeslachtigheid zich bij elke familie onder een eigen vorm vertoont.
-Tot de Percidae behooren de oudst bekende vormen van hermaphrodiete
-visschen: Serranus cabrilla, S. scriba en Centropristis hepatus.
-Terwijl de andere door mij onderzochte Percidae niet tweeslachtig
-bleken te zijn, waren de genoemde soorten het in alle door mij ontlede
-exemplaren en wel op die wijze, dat hun geslachtsklieren er als
-eierstokken uitzagen, dat zij echter niet uitsluitend eierstokken
-waren, daar de wand der klier aan de binnenvlakte niet overal met
-ovariaal-lamellen was bezet, maar in een bepaald, gewoonlijk naar de
-buikzijde van den visch toegekeerd gedeelte, een tweetal naar binnen
-groeiende uitstulpingen of aanzwellingen ontwikkelden, die uit
-testiculair parenchym waren samengesteld. Steeds was echter het
-vrouwelijke deel van de geslachtsklier veel omvangrijker dan de
-mannelijke—men zou deze visschen dus kunnen beschouwen als wijfjes die
-tevens mannelijke voortplantingsproducten voortbrengen.
-
-„Bij de Sparidae komt hermaphroditisme nu veel algemeener voor dan bij
-de Percidae. In verreweg de meeste soorten dezer familie treft men
-naast éénslachtige ook tweeslachtige exemplaren aan en wel schijnt het
-dan de regel te zijn, dat de exemplaren òf vrouwelijk zijn òf
-hermaphrodiet. Soorten bij welke alle exemplaren hermaphrodiet zijn,
-schijnen echter in deze familie te ontbreken, ten minste ik trof in
-alle door mij onderzochte soorten ook exemplaren aan, die éénslachtig
-en wel vrouwelijk waren. Zoo ook bij Chrysophrys auratus—ofschoon
-Syrski voor deze soort vermeldt, dat zij constant hermaphrodiet is. De
-soorten, bij welke ik tweeslachtigheid constateerde, waren de volgende:
-Box salpa, Charax puntazzo, Sargus Rondeletti, S. annularis, S.
-Salviani en Pagellus mormyrus. Voegt men hier nu nog Chrysophrys
-auratus bij, van welke soort ik slechts een enkel exemplaar dat
-uitsluitend vrouwelijk was, heb kunnen onderzoeken, een soort die
-echter volgens Syrski en Brock beide onder de tweeslachtigen moet
-worden gerekend; neemt men dan nog in aanmerking dat ik
-toevalligerwijze van Cantharus lineatus alleen vrouwelijke exemplaren
-heb kunnen onderzoeken, dan blijven er van de in de Golf van Napels
-voorkomende Sparidae slechts drie soorten over (Box boops, Oblata
-melanura en Pagellus erythrinus), van welke kan worden vermoed dat zij
-niet tweeslachtig zullen zijn. Alleen bij deze drie soorten trof ik
-naast vrouwelijke exemplaren uitsluitend zuiver mannelijke aan: bij
-alle andere (en vermoedelijk ook bij Cantharus lineatus) komen, naast
-de vrouwelijke, hermaphrodiete exemplaren voor, terwijl ware mannetjes
-er schijnen te ontbreken of zeldzaam voor te komen.
-
-„In één opzicht echter valt er ook bij de mannelijke exemplaren van de
-drie genoemde soorten nog een overblijfsel van het oorspronkelijk
-hermaphroditisme te constateeren. Onderzoekt men de uitvoergangen van
-de geslachtsorganen bij een hermaphrodiet uit de groep der Sparidae,
-b.v. bij Box salpa, dan blijkt de oviduct een kanaal te zijn met een
-dikken wand, terwijl de vasa efferentia bestaan uit een systeem van met
-elkander communiceerende lacunen die hun verloop hebben door dien
-dikken wand van den oviduct. Terwijl nu bij de door mij onderzochte
-mannelijke exemplaren van Box boops en Pagellus erythrinus geen spoor
-van een eierstok is te bekennen, is de oviduct er nog aanwezig in den
-vorm van een aan beide zijden blind gesloten gang, waaromheên de vasa
-efferentia op de zelfde wijze zijn gerangschikt als dit bij de
-hermaphrodiete exemplaren van de verwante soorten het geval is. Vergis
-ik mij niet, dan levert het voorkomen van dezen rudimentairen oviduct
-bij exemplaren die overigens volstrekt niet tweeslachtig zijn, een
-krachtig bewijs ten voordeele van de opvatting, dat in de geheele
-familie der Sparidae het hermaphroditisme oorspronkelijk een algemeen
-voorkomend verschijnsel is.
-
-„Wat de geslachtsklieren aangaat, zoo vertoonen deze zich bij de
-hermaphrodiete Sparidae onder een anderen vorm dan bij de tweeslachtige
-Serranussoorten. Is het bij deze laatste als ’t ware een gedeelte van
-den eierstok, dat uit testiculair weefsel is opgebouwd, heeft er dus
-bij hen een zoo innige vergroeiing van de twee de verschillende
-geslachtsproducten voortbrengende klieren plaats gevonden, dat men
-slechts van een enkele kliermassa kan spreken, zoo bestaat elke
-geslachtsklier bij de tweeslachtige Sparidae uit twee slechts
-gedeeltelijk samenhangende kliermassa’s en wel uit een meer naar het
-mediane vlak van den visch toegekeerden eierstok en een meer naar
-buiten gelegen testis. Vermoedelijk vertoonen de Sparidae een toestand
-die meer met den oorspronkelijken overeenkomt dan dit met de
-hermaphrodiete Percidae (de Serranus- en Centropristis soorten) het
-geval is, en moet dus de toestand waarin de voortplantingsklieren dezer
-laatste zich bevinden, als een van jongere dagteekening worden
-beschouwd. Zeker is het, dat uit de door mij ingestelde onderzoekingen
-blijkt, dat we in het hermaphroditisme van de visschen niet hebben te
-zien een abnormaal in slechts enkele gevallen optredend verschijnsel,
-maar veeleer een toestand die voor de meeste leden van een vrij groote
-groep van deze dieren een volkomen normale is.”
-
-(18) De zwarte salamander van Zwitserland is levendbarend, en de jongen
-worden volkomen ontwikkeld (dus zonder kieuwen) geboren. Onder de
-vorschen is een soort (Hylodes martinicensis) op Guadeloupe, die wel is
-waar niet levendbarend is, maar bij welke de jongen toch al de
-larventoestanden binnen het ei doorloopen. Hier is dus embryo, wat bij
-de stamsoort larve was. Wellicht zouden ook deze embryo’s, uit het ei
-genomen, kunstmatig tot vorschen zijn op te kweeken, evenals het Mej.
-de Chauvin in Zwitserland is gelukt de embryo’s van den levendbarenden
-salamander buiten het moederlichaam tot salamanders op te kweeken,
-vergelijk „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederlandsche uitgaaf, blz. 629.
-De larven der salamanders en vorschen vertegenwoordigen in haar
-jongeren, pootloozen toestand de vischvormige stamsoort der amphibieën.
-Dat de larve vaak den vroegeren volkomen toestand der soort
-vertegenwoordigt, blijkt uit de gevallen, waarin ook de larve in
-ouderen toestand, maar toch nog van kieuwen voorzien, het geslacht kan
-voortplanten (Axolotl).
-
-Ook bij insekten zijn voorbeelden bekend, dat zij zich in onvolkomen
-toestand (als maskers of zelfs poppen) voortplanten. Als dit zonder
-voorafgaande copulatie (parthenogenetisch) geschiedt, heeft von Baer
-(„Mém. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, vol. XV, No. 8) daaraan den naam
-van paedogenesis gegeven.
-
-(19) „Zij worden sympathetisch aangedaan door den invloed van sommige
-ziekten.” Sympathetische aandoeningen van een orgaan noemt men
-ziekelijke verschijnselen die zich in dat orgaan voordoen, zonder dat
-eenige oorzaak van ziekte rechtstreeks op het zelve werkt, maar door de
-reactie van een ander oorspronkelijk beleedigd orgaan. Zoo veroorzaakt
-de aanwezigheid van ingewandswormen in het darmkanaal jeukte in den
-neus. Deze sympathie is dus pathologisch, hetgeen de correlatie (zie
-aanteekening 6, blz. 37) physiologisch en teratologisch is.
-
-(20) Deze verklaring komt ons hoogst gewrongen voor. De voornaamste
-intermitteerende normale en abnormale processen zijn de nachtelijke
-slaap, de maandstonden en haar vervangende verschijnselen, de
-ademhaling, het kloppen van het hart, de intermitteerende koortsen. Dat
-men ’s nachts slaapt en over dag waakt, zal wel eensdeels aan onze
-levenswijze, die zich er naar regelt, dat het ’s nachts donker en over
-dag licht is, en anderzijds aan de overgeërfde gevolgen van de gewoonte
-bij tallooze geslachten van voorvaderen liggen. Daarenboven staat deze
-periodieke slaap, evenmin als de duur der in- en uitademingen, der
-hartkloppingen en van periodieke koortsen in eenig duidelijk verband
-met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Wat de menstruatie
-en de haar vervangende verschijnselen aangaat, zoo hebben wij er reeds
-in aanteekening 11, blz. 40 op gewezen, dat die bij verschillende
-individu’s een zeer verschillende lengte hebben. Wat den duur der
-zwangerschap aangaat, deze is ook bij verschillende individu’s van een
-zelfde soort niet geheel gelijk en bij de verschillende zoogdiersoorten
-hoogst ongelijk. Ware nu de duur der zwangerschap te verklaren op de
-door Darwin aangegevene wijze, dan zouden alle zoogdieren den zelfden
-duur van zwangerschap moeten hebben; want zij stammen van éénen
-voorvader, het eerste zoogdier, af, die geen stranddier, maar slechts
-de zeer verwijderde afstammeling van een stranddier was, en zouden met
-dezen in duur van zwangerschap moeten overeenkomen. Daarenboven staat
-de duur der zwangerschap in zeer indirect verband met de
-schijngestalten en den omloopstijd der maan. Het zelfde gaat door bij
-het uitbroeden van vogeleieren. Wat intermitteerende koortsen aangaat,
-staat de intermittentie in verband met de levensperioden van de microbe
-die de malaria veroorzaakt, en die in den koortsvrijen tijd niet in
-volwassen toestand in het bloed des lijders voorkomt. Wij voor ons
-vinden, dat het geen nadere verklaring behoeft, dat een organisme om
-zich, uitgaande van het zelfde punt onder nagenoeg de zelfde
-omstandigheden tot nagenoeg de zelfde hoogte te ontwikkelen ook steeds
-nagenoeg den zelfden tijd noodig heeft; het spreekt daarom van zelf,
-dat de zwangerschap bij de zelfde zoogdiersoort steeds nagenoeg even
-lang duurt, en dat het evenzoo gaat bij het uitbroeden der eieren van
-een bepaalde vogelsoort. Daar wij nu den tijd meten door den omloop der
-hemellichamen, ontstaat er natuurlijk een schijnbaar verband tusschen
-deze en den duur der zwangerschap, der uitbroeding, enz. Wij meten
-echter den tijd ook door middel van uurwerken, en elke zwangerschap of
-broedtijd zal dus in duur eenigermate overeenstemmen met een zeker
-aantal omloopstijden van den wijzer onzer pendule, en toch zal niemand
-op het denkbeeld komen een wezenlijk verband tusschen deze beide
-verschijnselen te zoeken!
-
-(21) Haeckel geeft in zijn verhandeling „Ueber die Entstehung und den
-Stammbaum des Menschengeschlechts”, Berlin, 1870, in zijn „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”, en (verbeterd en vermeerderd) in zijn
-„Anthropogenie” [381] den geheelen dierlijken stamboom, dien de mensch
-volgens hem zou hebben gehad, op. Deze stamboom verschilt van den door
-Darwin aangenomenen slechts weinig, maar wordt nog veel verder dan de
-onderstelde, met de tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) verwante
-stamouders der Werveldieren voortgezet. Voor wij dezen stamboom
-mededeelen, moeten wij echter een overzicht van Haeckel’s indeeling der
-Gewervelde Dieren vooraf laten gaan. Haeckel verdeelt de Gewervelde
-Dieren in acht klassen volgens het volgende schema:
-
-
-Schedellooze werveldieren 1. Lancetdieren
- (Acrania).
-Schedeldieren { Craniata met enkelvoudig
-(Craniata). { reukorgaan 2. Rondmuilen
- { (Monorrhina).
- { Craniata met { Amnionlooze { 3. Visschen
- { dubbel { (Anamnia) { (Pisces).
- { reukorgaan { { 4. Dipneusta.
- { (Amphirrhina) { { 5. Amphibia.
- { { Amniondieren { 6. Reptilia.
- { { (Amniota). { 7. Vogels (Aves).
- { { { 8. Zoogdieren
- { { { (Mammalia).
-
-
-De klasse der Acrania of Leptocardii wordt in de hedendaagsche
-dierenwereld slechts door den slakprik (Amphioxus) vertegenwoordigd. De
-klasse der Monorrhina omvat de Cyclostomen, die der Dipneusta de
-Protopteri (de geslachten Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus). Voor
-de klasse der eigenlijke Visschen blijven dus nog over de onder-klassen
-der Selachiërs, Ganoïden en Teleostiërs.
-
-De stamboom van den mensch wordt nu door Haeckel ondersteld de volgende
-te zijn:
-
-
-A. Eencellige voorouders der gezamenlijke Meercellige Dieren.
-
-Protozoa.
-
-Eerste trap: Moneren, organismen van de eenvoudigst denkbare
-samenstelling, gelijk de nog heden levende Protamoeben, Protogenes,
-Bathybius enz., slechts uit een vormloos stukje levend oerslijm of
-protoplasma bestaande; de oudste Moneren, waaruit zich eerst later
-cellen ontwikkelden, kunnen volgens Haeckel slechts door generatio
-spontanea („Urzeugung”) uit anorganische verbindingen zijn ontstaan.
-[382]
-
-Tweede trap: Lobvoeten of Amoeben, organismen van de morphologische
-waarde eener eenvoudige cel zonder wand, derhalve slechts uit een
-vormloos stukje levend protoplasma en een daarin omsloten kern of
-nucleus gevormd. Waarschijnlijk verschilden deze eencellige oerdieren
-niet sterk van de tegenwoordige Amoeben, gelijk ook nog heden het
-menschelijk ei niet wezenlijk van een ingekapselde Amoebe verschilt.
-
-
-B. Veelcellige voorouders der gezamenlijke Darmdieren.
-
-Metazoa.
-
-Derde trap: Synamoeben of eenvoudige Amoebengroepen, gevormd uit een
-hoop gelijksoortige naakte cellen, evenals de tegenwoordige
-Labyrinthuleeën, of de moerbezievormige celkogel (morula) van het
-gekliefde ei. [383]
-
-Vierde trap: Trilhaarzwermers of Planaeaden, gelijkende op de van
-trilharen voorziene larve of Planula van Amphioxus en vele Ongewervelde
-Dieren; veelcellige, rondachtige, holle lichamen, waarvan de
-oppervlakte met trilharen is bezet. [384]
-
-Vijfde trap: Oerdarmdieren of Gastraeaden, holle lichamen, wier wand
-uit twee verschillende cellagen (huidblad of exoderm en darmblad of
-entoderm) bestaat, met een opening (oermond) aan het eene uiteinde. De
-binnenste cellaag vormt den oerdarm. Zij geleken op de darm larve
-(Gastrula), die nog heden bij de meest verschillende dieren, zooals
-sponzen, polypen, koralen, medusa’s, wormen, weekdieren, manteldieren
-en den slakprik voorkomt.
-
-
-C. Voorouders der gezamenlijke Gewervelde Dieren.
-
-Zesde trap: Platwormen of Turbellariën, of ten minste laag ontwikkelde
-wormen van een zeer eenvoudige samenstelling (Archelminthes), die zich
-uit de Gastraeaden ontwikkelden, en met welke onder de thans levende
-wormen de Turbellariën het naast verwant zijn. Tot deze behooren de
-Nemertinen die volgens Hubrecht en Ray Lankester ’t naast met de
-laatste voorouders der Gewervelde Dieren verwant zijn.
-
-Zevende trap: Weekwormen of Scoleciden die den overgang vormden
-tusschen de Turbellariën van den zesden trap en de Himategen van den
-achtsten trap. Deze trap vervalt als men Ringwormen als de laatste
-voorouders der Gewervelde Dieren beschouwt. Volgens de beschouwingen
-van E. Ray Lankester wordt deze trap ingenomen door de Hemichorda, in
-de levende schepping vertegenwoordigd door het geslacht Balanoglossus.
-[385]
-
-Achtste trap: Zakwormen of Himategen (Urochorda van Ray Lankester), in
-de thans levende dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd
-door de Manteldieren (Tunicata) en bijzonder de Zakpijpen (Ascidiae).
-De uitgestorven soorten van dezen trap, waarvan de Gewervelde Dieren
-afstammen, kwamen met deze laatste vooral overeen door de ontwikkeling
-van den aanleg van het ruggemerg en de daaronder gelegen ruggestreng
-(chorda dorsalis). Volgens Dohrn, Hubrecht, Ray Lankester enz. een
-gedegenereerde zijtak der Gewervelde Dieren en dus geen directe
-voorouders van den mensch.
-
-
-D. Gewervelde Voorouders der gezamenlijke Schedeldieren (Craniata).
-
-Negende trap: Schedelloozen of Acraniën (de Cephalochorda van Ray
-Lankester); Werveldieren zonder kop, zonder schedel en hersenen, zonder
-gecentraliseerd hart, zonder kaken, zonder beenderen; in de
-tegenwoordige dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd
-door den slakprik of Amphioxus.
-
-
-E. Voorouders der gezamenlijke Amphirrhinen.
-
-Tiende trap: Monorrhinen; Werveldieren met kop, schedel en hersenen,
-met een gecentraliseerd hart; zonder sympathisch zenuwstelsel, zonder
-kaken, zonder beenderen; met enkelvoudig reukorgaan; gelijkende op de
-nog heden levende slijmalen (Myxinoïden) en lampreien (Cyclostomata).
-
-
-F. Voorouders der gezamenlijke Amnionlooze en Amniondieren (Anamnia en
-Amniota).
-
-Elfde trap: Oervisschen of Selachiërs; Visschen die zeer nauw verwant
-waren met de nog heden levende haaien, met een zwemblaas en een dubbel
-reukorgaan, met twee paar ledematen (vinnen) en kaken. [386]
-
-
-G. Voorouders der gezamenlijke Amniondieren (Amniota).
-
-Twaalfde trap: Dipneusten; Werveldieren die het midden houden tusschen
-Visschen en Amphibieën, met kieuwen en longen; gelijkende op de nog
-heden levende Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus.
-
-Dertiende trap: Sozobranchiën; Amphibieën met blijvende kieuwen,
-gelijkende op den nog heden levenden Proteus anguineus uit de
-Adelsberger grot.
-
-Veertiende trap: Sozuren; Amphibieën met op volwassen leeftijd
-verdwijnende kieuwen, gelijkende op de nog heden levende salamanders
-(Triton en Salamandra).
-
-Vijftiende trap: Oeramnioten of Protamniën; middelvormen tusschen
-salamanders en hagedissen, die door het volkomen verlies der kieuwen en
-door de vorming van het Amnion de stamvaders der drie hoogere Klassen
-van Gewervelde Dieren (Reptielen, Vogels en Zoogdieren) of Amnioten
-werden. [387]
-
-
-H. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren.
-
-Zestiende trap: Stamzuigers of Promammaliën; de stamvormen der
-Zoogdierklasse, met welke onder de thans levende zoogdieren de
-Australische Snaveldieren (Ornithorhynchus en Echidna) [388] het nauwst
-verwant zijn, met een cloaca, met buidelbeenderen. (Eierleggend,
-lichaamstemperatuur hooger dan bij de vorige, maar lager dan bij de
-volgende trappen. Geen tepels. Dr. H. H. H. v. Z.)
-
-
-I. Voorouders der gezamenlijke Placentale Zoogdieren.
-
-Zeventiende trap: Buideldieren of Marsupialia; gelijkende op de nog
-heden levende kangoeroe’s en buidelratten, met buidelbeenderen, zonder
-cloaca; nog geen moederkoek (Placenta). (Levendbarend, ten gevolge van
-het ontbreken van een moederkoek worden de jongen in zeer onvolkomen
-toestand geboren en verblijven dan nog geruimen tijd, zich aan de
-tepels van het moederdier vastzuigende, in den buidel. Dr. H. H. H. v.
-Z.)
-
-
-K. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren met schijfvormige moederkoek
-(Discoplacentalia). [389]
-
-Achttiende trap: Halfapen of Prosimiën; gelijkende op de nog heden
-levende Lemuriden, zonder cloaca, zonder buidelbeenderen, met een
-moederkoek (Placenta).
-
-
-L. Voorouders van den Mensch uit de Orde der Apen (Simiae).
-
-Negentiende trap: Gestaarte Apen of Menocerken; smalneuzige apen met 32
-tanden en een staart, gelijkende op de nog heden levende Slankapen
-(Semnopithecus en Colobus)
-
-Twintigste trap: Menschapen of Anthropoïden; smalneuzige apen zonder
-wangzakken en zonder staart, gelijkende op de nog heden levende Orang,
-Chimpanzee en Gorilla.
-
-Een-en-twintigste trap: Aapmenschen of Oermenschen; gelijkende op de
-laagst ontwikkelde menschenrassen (Papoea’s, Hottentotten,
-Nieuw-Hollanders), maar nog zonder het bezit van de menschelijke
-spraak.
-
-Twee-en-twintigste trap: Menschen, die zich als echte menschen door de
-vorming der menschelijke spraak en de daarmede verbonden hoogere
-ontwikkeling der hersenen boven de Oermenschen van den vorigen trap
-verhieven. De oudste overblijfselen van echte menschen uit het diluvium
-(Neanderdal, Eguisheim, la Naulette, Spy enz.) worden door Quatrefages,
-Hamy en de Mortillet gebracht tot een zelfde uitgestorven ras, waaraan
-de eersten den naam geven van ras van Cannstatt (naar een daar gevonden
-schedel uit dien tijd) en de laatste den naam van ras van Chelles, naar
-een plaatsje in Frankrijk, waar men sporen daarvan heeft gevonden.
-
-In zijn „Anthropogenie”, 3de uitgaaf, blz. 412, geeft Haeckel een tabel
-van de dierlijke voorouders van den mensch, die tevens het geologisch
-tijdvak aangeeft, waarin zij leefden, waarnaar wij de volgende (met
-inachtneming der in de noten medegedeelde opgaven in de 8ste uitgaaf
-der „Nat. Schöpfungsgeschichte”) hebben bewerkt:
-
-
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- Tijdvakken van | Geologische | Dierlijke voorouders | Levende naaste
- de organische | perioden van de | van | verwanten der
- geschiedenis | organische geschiedenis | den mensch. | dierlijke voorouders.
- der aarde. | der aarde. | |
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
-
- { { 1. Moneren ( Bathybius.
- { { (Monera). (? ?) ( Protamoeba.
- { {
- { { 2. Eencellige { Eenvoudige
- { { oerdieren { Amoeben
- { { (oudste Amoeben { (Autamoebae).
- { { of Lobvoeten). {
- { {
- { { 3. Veelcellige {
- { { oerdieren { Cystophrys.
- { { (Synamoebia { Labyrinthula.
- { { of Moraeada). {
- { {
- { { 4. Trilhaarzwermers {
- { { Planaeada of { Planula-larven.
- { { Blastaeada). {
- { 1. Laurentische {
-I. Het { periode. { 5. Oerdarmdieren ( Gastrula-larven.
- Archaeolithische { 2. Cambrische { (Gastraeada). (
- of Primordiale { periode. {
- tijdvak. { 3. Silurische { 6. Plat wormen ( Trilwormen
- { periode. { (Platoda). ( (Turbelleria).
- { {
- { { 7. Snoerwormen. { Nemertina.
- { {
- { { { Balanoglossus,
- { { 8. Eikelwormen. { Cephalodiscus,
- { { { Rhabdopleuza.
- { {
- { { { Copelata
- { { 9. Oerchordadieren { (Appendicularia),
- { { (Prochordonia). { larven der
- { { { Ascidiën.
- { {
- { { 10. Schedelloozen ( Slakprikken
- { { (Acrania). ( (Amphioxi).
- { {
- { { 11. Rondmuilen ( Lampreien
- { { (Monorrhina). ( (Petromyzontes).
- { {
- { { 12. Oervisschen ( Haaien
- { { (Selachii). ( (Squalacei).
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- { { { Lepidosteus,
- { { { Polypterus,
- { { 13. Ganoida. { Amia,
- { { { Accipenser,
- { { { Spatularia.
-II. Het { 4. Devonische {
- Palaeolithische { periode. { 14. Dipneusta. ( Longvisschen
- of Primaire { 5. Steenkoolperiode. { ( (Protoptera).
- tijdvak { 6. Permische {
- { periode. { 15. Stegocephala. { Proteus anguineus.
- { {
- { { ( Watersalamander
- { { 16. Salamandrina. ( (Triton,
- { { ( Salamander).
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- { {
- { { 17. Prosephelen of {
- { { Oeramnioten { Hatteria.
- { { (Protamnia). {
-III. Het { 7. Triasperiode. {
- Mesolithische { 8. Juraperiode. { 18. Zoogdier-reptielen ( Verwanten komen
- of Secundaire { 9. Krijtperiode. { (Theriosauria). ( niet meer levend voor
- tijdvak. { {
- { { 19. Stamzuigers ( Snaveldieren
- { { (Promammalia). ( (Monotremata).
- { {
- { { 20. Buideldieren ( Buidelratten
- { { (Marsupialia). ( (Didelphyes).
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- { {
- { { 21. Halfapen { Lori (Stenops),
- { { (Prosimiae). { Maki (Lemur).
- { {
- { 10. Eocene { 22. Gestaarte Apen ( Neusapen.
-IV. Het { periode. { (Menocerken). ( Slankapen.
- Coenolithische { 11. Miocene {
- of Tertiaire { periode. { 23. Menschapen of ( Gorilla,
- tijdvak. { 12. Pliocene { Ongestaarte ( Chimpanzee,
- { periode. { Apen ( Orang,
- { { (Anthropoïden). ( Gibbon.
- { {
- { { 24. Aapmenschen of { Doofstommen,
- { { Spraaklooze { Cretins
- { { Menschen. { en Microcephalen.
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
-V. Het Quartaire ( 13. Diluvium. ( 25. Menschen (Ras ( Nieuw-Hollanders en
- tijdvak. ( 14. Alluvium. ( van Cannstatt enz.) ( Papoea’s.
-
-
-Dat niet alle volken het denkbeeld om van dieren af te stammen zoo
-vernederend vinden als vele Europeanen blijkt uit de volgende
-voorbeelden.
-
-Van zekeren stam van Madagascar wordt in het Fransche tijdschrift „le
-Tour du Monde”, 7 Oct. 1871, chronique (op den blauwen omslag), een in
-verband met de theorie van Darwin omtrent het ontstaan van den mensch
-niet onaardige bijzonderheid verhaald, namelijk: „Les Betanismena, qui
-semblent être de la même origine que les Hovas, et dont la peau est
-d’un brun clair, affirment que leurs ancêtres sont issus des Babacoutes
-ou grands lémures de la forêt. Récemment un des personages de la cour
-ayant tué un de ces animaux fut dégradé en punition de son crime et dut
-solennellement enterrer la victime.” Aan het tegenovergestelde uiteinde
-van het veronderstelde Lemuria, op het schiereiland Malakka, echter
-vindt men een dergelijke overlevering. Men leest toch in het
-„Tijdschrift voor Ind. Taal-, Land-, en Volkenkunde”, X, 4de Serie, I,
-Batavia, Lange & Co, 1861, blz. 415 („Notice sur les Mantras, Tribu
-sauvage de la Péninsule Malaise”, par Borie, Missionnaire apostolique):
-„Je me rappelle avoir entendu plusieurs sauvages raconter fort
-sérieusement, qu’ils descendent tous de deux singes blancs, de deux
-ounka puteh. Les deux ounka puteh, ayant engendré leurs petits, se
-rendirent dans la plaine; ils s’y perfectionnèrent si bien, eux et
-leurs descendants, qu’ils devinrent des hommes”, etc.
-
-Ook bij de Thibetanen heerscht de overlevering, dat zij van apen
-afstammen; de Roodhuiden wanen zich met den dierenwereld verwant, en,
-naar ik meen, ook verschillende stammen van Insulinde, Australië en het
-vasteland van Afrika. Deze overleveringen van wilden en
-half-beschaafden bewijzen natuurlijk niets voor het stelsel van Darwin,
-maar zijn toch, in verband daarmede beschouwd, niet onaardig.
-
-(22) De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of
-Species”, Mme Clémence Royer, zegt in haar Werk „Origine de l’Homme et
-des Sociétés”, Paris 1870, blz. 149, na een beschrijving te hebben
-gegeven van de voorstelling die zij zich maakt van den
-gemeenschappelijken stamvader der Primaten [390], zeer schoon:
-
-„En somme, pourquoi rougirions-nous d’un tel ancêtre? Si nous devons
-rougir de notre généalogie, rougissons plutôt de descendre des sauvages
-cannibales qui ont habité les cavernes de la Belgique et de la Ligurie,
-de ces races brutales qui faisaient de la guerre, de la rapine et du
-vol leurs moyens d’existence et leur gloire; de ces Gaulois qui
-arrosaient de sang humain les autels de leur dieux aussi féroces
-qu’eux-mêmes; de ces Francs, de ces barbares, qui, ne connaissant que
-le droit de leur épée, vinrent envahir et étouffer la civilisation
-gréco-latine, ajouter leurs vices à ses vices, et replonger le monde
-pour mille ans dans la barbarie à laquelle il commençait à échapper.
-Rougissons de compter parmi nos ayeux ces barons pillards du moyen âge,
-qui n’ètaient que des détrousseurs de grands chemins, libres et
-privilégiés pour commettre tous les crimes sans crainte de châtiment et
-irresponsables derrière les crénaux de leurs châteaux-forts; mais
-rougissons aussi d’être les petits-fils de ces Jacques Bonshommes qui,
-après avoir été longtemps pillés et pendus par leurs barons, ne surent
-user de leurs droits reconquis que pour piller et pendre à leur tour.
-Rougissons enfin d’appartenir à cette race chrétienne qui, sous
-prétexte de venger Dieu, a fait les croisades, les auto-da-fé, la
-Saint-Barthélemy, les dragonnades, qui a élevé des bûchers aux Vanini,
-aux Giordano Bruno, aux Jean Huss, aux Servet, emprisonné les
-Campanella, fait abjurer les Galilée; rougissons de nos pères
-eux-mêmes, qui n’ont pas su défendre, sans l’ensanglanter, la liberté
-qu’ils avaient reconquise; mais surtout rougissons de nous-mêmes, qui
-laissons périr, sans le faire fructitier, sans savoir même le
-conserver, l’accroître, l’héritage d’héroïsme et de grandes pensées, de
-victoires et de sacrifices, de vérités nouvelles et d’aspirations
-généreuses qu’au prix de leur vie ils nous ont légué.
-
-„S’il est vrai que nous comptions des brutes pour ancêtres, que les
-progrès déjà accomplis par notre race nous donnent la mesure de ceux
-que nous pourrons accomplir encore, et que notre retour sur notre passé
-ne serve qu’à nous donner pour l’avenir de plus magnifiques espérances.
-Après tout, mieux vaudrait descendre, même en droite ligne, d’un orang
-inoffensif qui n’a jamais fait la guerre à qui ne l’attaquait pas, que
-d’être fils d’un Timour, d’un Gengis, d’un Attila, voire mème d’un
-Alexandre ou d’un César, enfin d’un de ces fléaux de l’humanité qui
-marquent tous leurs pas d’un sillon sanglant, ne comptent leurs jours
-que par leurs mensonges et ne fondent leurs empires éphémères que sur
-les débris frémissants de nations libres faites esclaves!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.
-
-STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN
-HET MENSCHELIJK GESLACHT. [391]
-
-DOOR Dr. P. HARTING,
-in leven Hoogleeraar te Utrecht.
-
-
-A. ALGEMEENE STELLINGEN.
-
-1. De organische schepping maakt een onafgebroken geheel uit, van het
-eerste verschijnen van levende wezens op aarde af tot aan den
-tegenwoordigen tijd toe.
-
-2. De vormen, waarin zich het leven opvolgend heeft geopenbaard, zijn
-steeds in overeenstemming geweest met de levensvoorwaarden en deze met
-de levensomstandigheden.
-
-3. De levensvormen zijn het product van twee factoren: van de
-erfelijkheid der eigenschappen, die bewarend, en van het het zich
-voegen (adapteeren) naar de levensomstandigheden, dat veranderend
-werkt. [392]
-
-4. Met en ten gevolge van de allengs voortgaande veranderingen waarvan
-de oppervlakte der aarde het tooneel is geweest, en van de ontwikkeling
-van de organische wereld zelve, heeft er een voortdurende
-differentieering der levensomstandigheden plaats gegrepen, waarmede een
-differentieering der levensvormen gelijken tred heeft gehouden.
-
-5. Gedurende het bestaan van het organische leven op aarde zijn de
-levensvormen allengs samengestelder geworden in dien zin: dat zich bij
-de lagere en eenvoudiger vormen hoogere en samengestelder hebben
-gevoegd, die in het bezit waren van organen en organenstelsels, welke
-bij de vroeger geleefd hebbende vormen niet of in minder ontwikkelden
-toestand bestonden.
-
-6. De ontwikkeling der organische vormen is echter niet een in alle
-richtingen progressieve geweest; zij is in bepaalde gevallen weder
-regressief geworden, zoowel ten aanzien der bijzondere levensvormen als
-ten aanzien der organen. Van laatstgenoemde kunnen, als gevolg van het
-beginsel der erfelijkheid, bij latere generaties nog zeer langen tijd
-sporen (rudimenten) overblijven, ook dan wanneer deze geenerlei voor
-het leven nuttige beteekenis meer hebben. Deze kunnen worden beschouwd
-als herinneringsteekens aan vroegere toestanden, waarin die deelen wel
-een nuttige beteekenis hadden.
-
-7. De tijd, gedurende welken de aarde door levende wezens bewoond is
-geweest, is onberekenbaar lang en volkomen toereikend voor de
-voorstelling, dat de nakomelingen van oorspronkelijk gelijke
-vormen,—door zeer kleine, bij de individu’s optredende verschillen,
-maar die, zich erfelijk voortplantende en zich accumuleerende gedurende
-een reeks van opeenvolgende generaties, allengs grooter
-werden,—eindelijk zoozeer van elkander verschillen, dat zij tot
-onderscheidene Soorten, Geslachten, Families, Orden, en zelfs Klassen
-worden gebracht.
-
-8. Een onderlinge vergelijking der levensvormen leert, dat zij de
-verwezenlijking zijn van grondplannen, met tallooze kleinere en
-grootere wijzigingen in de bijzonderheden der uitvoering, zonder dat
-daardoor het grondplan ophoudt herkenbaar te zijn. Deze gelijkheid van
-het plan van bewerktuiging van overigens door gedaante en levenswijze
-zeer uiteenloopende wezens, wijst met waarschijnlijkheid op een
-gemeenschappelijken oorsprong.
-
-9. De ontwikkeling der individu’s, welke binnen een kort tijdsbestek
-plaats grijpt, levert tot op zekere hoogte een getrouw beeld van de
-opeenvolging der verschillende levensvormen in de zeer lange
-tijdsruimte, welke is verstreken sedert de aarde de woonplaats van
-levende wezens is geworden. Elke individueele levensvorm doorloopt
-gedurende zijn ontwikkeling een reeks van toestanden, welke voor
-andere, op een lageren trap staande levensvormen, blijvende zijn. Ook
-de ontwikkeling van het individu gedurende het vruchtleven is deels
-progressief, deels regressief. Organen die gedurende een zekeren
-toestand der vrucht een nuttige beteekenis hadden, verdwijnen weder of
-laten slechts sporen achter.
-
-
-
-B. BIJZONDERE STELLINGEN MET BETREKKING TOT DEN OORSPRONG VAN HET
-MENSCHELIJK GESLACHT.
-
-10. De beschaving is niet van één maar van verscheidene middelpunten
-uitgegaan. Alleen de Indo-Germaansche beschaving heeft haar bron in de
-hooglanden van Midden-Azië. Er bestaat derhalve geen enkele reden om
-daar, met uitsluiting van andere gedeelten der aarde, de plaats van
-oorsprong van het menschelijk geslacht te zoeken.
-
-11. De ouderdom van het menschelijk geslacht is zeer veel grooter dan
-men vroeger heeft gemeend. Zelfs de geschiedkundige oorkonden,
-afkomstig uit een tijd, toen de beschaving van sommige volken reeds een
-vrij hoogen trap had bereikt, reiken eenige duizenden jaren verder.
-
-12. Een menigte van feiten duidt aan, dat aan dien geschiedkundigen
-tijd een veel langere tijdruimte is voorafgegaan, gedurende welke
-Europa reeds werd bewoond door wilde volksstammen die in leefwijze
-overeenstemden met andere nog heden ten dage levende volken, welke op
-een zeer lagen trap van beschaving staan. Het is derhalve hoogst
-waarschijnlijk, dat overal aan den toestand van beschaving een wilde
-toestand is voorafgegaan en dat de beschaving, hoewel zij in den loop
-der tijden en bij bepaalde volken ook van elders kan zijn ingevoerd,
-toch eenmaal door allengsche zelfstandige ontwikkeling is ontstaan.
-
-13. De oudste menschelijke bewoners van Europa leefden gelijktijdig met
-verscheidene thans uitgestorven soorten van dieren, in een tijd, toen
-de gedaante van dit werelddeel en de verdeeling van land en water
-daarin aanmerkelijk verschilden van de tegenwoordige.
-
-14. Het is niet waarschijnlijk, dat ergens in Europa de plaats van
-oorsprong van het menschelijk geslacht is geweest, maar dit werelddeel
-is waarschijnlijk eerst door menschen bevolkt geworden, nadat deze
-elders de eerste trappen van beschaving hadden bereikt. Vermoedelijk
-was de eerste woonplaats, die tevens de plaats van oorsprong was,
-tusschen of nabij de keerkringen gelegen, of althans in een streek,
-waarvan het klimaat met dat der hedendaagsche keerkringslanden
-overeenkwam. [393] Die plaats van oorsprong is waarschijnlijk in het
-Oostelijk halfrond te zoeken.
-
-15. De schepping van het menschelijk geslacht kan vergeleken worden met
-de schepping van elken individueelen mensch. De veranderingen die bij
-den laatsten, gedurende de vorming der vrucht, in den loop van weinige
-maanden plaats grijpen, geven een beeld van de veranderingen die, na
-verloop van millioenen jaren, met het ontstaan van den menschelijken
-vorm, zooals wij dien kennen, zijn geëindigd.
-
-In zijn allereersten toestand is elk mensch een slechts even zichtbaar
-protoplasmaklompje, zonder waarneembare differentieering van bijzondere
-deelen of organen, het naast overeenkomende met de op den laagsten trap
-staande, zelfstandige levende en zich voortplantende organische wezens,
-Amoeben en verwante vormen.
-
-Wanneer de differentieering een zekeren trap heeft bereikt, stemt de
-embryo van een mensch het naast overeen met de larve eener Ascidië.
-[394]
-
-Bij voortgaande differentieering van organen, verkrijgt de embryo een
-maaksel, dat, in meer ontwikkelden, blijvenden vorm, bij de Visschen
-wordt teruggevonden.
-
-Daarop volgt een toestand, welke voor sommige Reptiliën de blijvende
-is.
-
-Ook dan, wanneer zich reeds duidelijk de Zoogdieren-typus begint te
-openbaren, doorloopt de vrucht van den mensch toch nog toestanden, die
-bij andere, lagere zoogdieren blijvend vertegenwoordigd zijn.
-
-In een zeker levenstijdperk vertoont de vrucht van een mensch geenerlei
-in het oog loopend verschil van de vrucht van een dier uit de Orde der
-Quadrumana. Eerst in de laatste maanden der ontwikkeling treden de
-eigenaardigheden in het maaksel, waardoor het menschelijk lichaam van
-dat der Quadrumana verschilt, duidelijker en duidelijker te voorschijn.
-
-16. De verschillen in het lichamelijk maaksel der Quadrumana en dat van
-den mensch zijn geen volstrekte maar betrekkelijke. Zij bepalen zich
-tot een ongelijkmatige ontwikkeling der zelfde in morphologisch opzicht
-geheel overeenstemmende organen. In het lichaam van den mensch wordt
-geen enkel deel gevonden, waarvan het homologon niet ook bij een of
-meer aapsoorten voorkomt. Verscheidene eigenaardigheden van het maaksel
-heeft de mensch alleen met de hoogere aapsoorten gemeen.
-
-17. Toch is dit betrekkelijk verschil tusschen zelfs de laagste thans
-levende menschenrassen en de op den hoogsten trap staande Quadrumana,
-de Anthropomorphen, zeer aanmerkelijk en grooter dan dat tusschen de
-verschillende soorten dezer Orde, ofschoon minder groot dan dat
-tusschen haar op den hoogsten en haar op den laagsten trap staande
-soorten, die echter door nog levende tusschenvormen zijn verbonden.
-
-Een zeer diepe, alhoewel niet onpeilbare kloof scheidt dus, in de thans
-bestaande wereldorde, den mensch van de hem het naastbij komende
-dieren. [395]
-
-18. Het vroeger gekoesterde vermoeden, dat in de eene of andere, nog
-onbekende streek der aarde menschen zouden worden aangetroffen die nog
-meer dan de reeds bekende met sommige soorten van apen zouden
-overeenstemmen, heeft zich niet alleen geenszins bevestigd, maar bij de
-thans bestaande zeer uitgebreide kennis van de bewoners der aarde,
-waarvan bijna geen plekje meer door reiziger onbezocht is gebleven, mag
-men wel als zeker stellen, dat zulke tusschenvormen als volk nergens
-bestaan.
-
-19. Er worden echter van tijd tot tijd, zonder dat men daarvoor
-bepaalde oorzaken kan opgeven, onder verschillende rassen, ook de
-hoogste, menschen geboren (microcephalen), die in eenige opzichten,
-vooral door de geringe ontwikkeling van de hersenen en van de
-schedeldoos en door een daarmede gepaard gaanden lagen trap der
-intellectueele vermogens, tot de hoogste Quadrumana naderen. Hun
-toestand is het gevolg van het blijven staan der vrucht op een
-ontwikkelingstrap die voor den normalen mensch een voorbijgaande is.
-
-20. Onder de Quadrumana is er geen enkele soort, die gezegd kan worden
-onder alle den mensch het meest nabij te komen. De verschillen van en
-overeenkomsten met den mensch zijn over verscheidene soorten verdeeld.
-Er bestaat derhalve ook geen enkele grond om in een der heden ten dage
-levende aapsoorten den nog levenden vertegenwoordiger te zien van den
-oorspronkelijken mensch.
-
-21. Daarentegen bestaan er vele gronden die het waarschijnlijk maken,
-dat de mensch en de soorten van de Orde der Quadrumana uit een
-gemeenschappelijken stam zijn ontsproten, waarvan een sterk
-divergeerende tak tot het menschelijk geslacht is geworden. Deze
-differentieering moet dan echter in een onberekenbaar lang verleden
-tijd hebben plaats gegrepen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE MENSCHENRASSEN.
-
- De aard en waarde van soortkenmerken. Toepassing op de
- menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der
- zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten
- (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van
- kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest
- tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den
- mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras
- stamt niet af van een enkel paar.—Het uitsterven van rassen.—Het
- ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed
- van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke
- teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele
- teeltkeus.
-
-
-Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde
-menschenrassen te beschrijven; maar te onderzoeken, welke de waarde der
-tusschen dezelve bestaande verschillen is uit het oogpunt der
-klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen, of
-twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als
-verscheidenheden, worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende
-overwegingen, te weten: de hoegrootheid van het verschil tusschen hen;
-of die verschillen op weinige of op vele punten van het maaksel
-betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt
-belangrijk, en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der
-kenmerken wordt door de natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en
-gezocht. Zoodra kan worden aangetoond, of het waarschijnlijk is, dat de
-vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak onveranderd zijn
-gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten
-te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen
-twee vormen, als men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt
-algemeen beschouwd als een beslissend bewijs, dat het twee
-afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven in een
-zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt
-gewoonlijk beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate
-van wederkeerige onvruchtbaarheid, of bij dieren van een zekeren afkeer
-om met elkander te paren.
-
-Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het
-volkomen ontbreken in een goed doorzochte streek van verscheidenheden
-die twee nauw verwante vormen met elkander verbinden, waarschijnlijk
-het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk verschil; en dit
-is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid
-van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder
-daarom nog tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te
-brengen. De geographische verspreiding is dikwijls onbewust en soms ook
-met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk beschouwt men vormen
-die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de meeste
-andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als
-verschillende soorten; maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om
-geographische rassen van zoogenaamde goede of ware soorten te
-onderscheiden.
-
-Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den
-mensch toepassen, hen in den zelfden geest beschouwende als een
-natuuronderzoeker dit elk ander dier zou doen. Wat de hoegrootheid van
-het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten wij eenigszins in
-rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij wat is
-verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten.
-Hoewel in Indië, zooals Elphinstone opmerkt [396], een pas aangekomen
-Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet van
-elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst
-ongelijk; en de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien
-tusschen de verschillende Europeesche volken. (1) Zelfs de het meest
-van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen
-uitgezonderd, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori
-zou onderstellen. Dit wordt goed bewezen door de Fransche photogrammen
-van menschen, tot verschillende rassen behoorende, in de „Collection
-Anthropologique du Muséum”, waarvan de meesten, gelijk vele personen,
-aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt, voor Europeanen zouden kunnen
-doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als men ze levend
-zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk
-eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de
-gelaatstrekken en de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel
-uitoefenen.
-
-Het valt echter niet te betwijfelen, dat de verschillende rassen, als
-men ze zorgvuldig vergelijkt en meet, veel van elkander
-verschillen,—zooals in den aard van het haar (2), de betrekkelijke
-verhoudingen van alle deelen van het lichaam [397], de grootte der
-longen, den vorm en de grootte van den schedel en zelfs in de
-hersenwindingen. [398] (3) Het zou echter een eindelooze taak zijn om
-de punten, waarin hun maaksel verschilt, op te noemen. De rassen
-verschillen ook in gestel, in geschiktheid tot het wonen onder een
-bepaald klimaat, en in vatbaarheid voor verschillende ziekten. Hun
-geestelijke kenmerken zijn ook zeer onderscheiden, zooals vooral blijkt
-uit den aard hunner gemoedsaandoeningen, maar gedeeltelijk ook uit hun
-verstandelijke vermogens. Iedereen, die de gelegenheid tot vergelijking
-heeft gehad, moet getroffen zijn door het kontrast tusschen de
-stilzwijgende, ja, zelfs norsche inboorlingen van Zuid-Amerika en de
-luchthartige, babbelachtige negers. Ongeveer het zelfde kontrast
-bestaat er tusschen de Maleiers en Papoea’s [399], die onder de zelfde
-physische voorwaarden leven, en slechts door enge zeearmen van elkander
-worden gescheiden.
-
-Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten
-gunste der meening, dat de menschenrassen als afzonderlijke soorten
-behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen
-pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens
-had gezien, een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met
-elkander moest vergelijken, zou hij dadelijk bespeuren, dat zij in een
-menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang, van
-elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij
-ingericht waren om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij
-een weinig in lichaamsgestel en geestelijken aanleg verschilden. Indien
-men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde
-landen konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij
-even goede soorten waren, als vele waaraan hij gewoon was geweest
-bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit zou zeer worden versterkt,
-zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende vele
-eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar
-volkomen gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000
-jaar hadden geleefd. [400] Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr.
-Lund [401], hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van
-Brazilië gevonden, begraven in gezelschap van die van vele uitgestorven
-zoogdieren, tot het zelfde type behoorden als die welke thans over het
-geheele Amerikaansche vasteland heerscht. (5)
-
-Onze natuuronderzoeker zou dan wellicht overgaan tot de geographische
-verspreiding, en hij zou dan waarschijnlijk verklaren, dat vormen die
-niet slechts in uiterlijk verschilden, maar pasten voor de heetste en
-vochtigste of droogste landen, zoowel als voor de poolstreken,
-soortelijk verschillend moesten zijn. Hij zou zich kunnen beroepen op
-het feit, dat in de groep welke het nauwst met den mensch verwant is,
-namelijk de apen, geen enkele soort een lage temperatuur of eenige
-aanmerkelijke klimaatsverandering kan weêrstaan en dat men er nimmer in
-is geslaagd om die soorten welke den mensch het meest nabijkomen, zelfs
-in het gematigde klimaat van Europa tot hun volwassen leeftijd toe in
-leven te houden. Het feit, dat het eerst door Agassiz is opgemerkt
-[402], dat de verschillende menschenrassen over de wereld zijn
-verspreid in de zelfde zoölogische gewesten als die welke door
-ontwijfelbaar verschillende soorten en geslachten van zoogdieren worden
-bewoond, zou een diepen indruk op hem maken. Dit is kennelijk het geval
-met de Nieuw-Hollandsche, Mongoolsche en Neger-rassen; op minder sterk
-sprekende wijze met de Hottentotten, maar duidelijk met de Papoea’s en
-de Maleiers, die, zooals de heer Wallace heeft aangetoond, ongeveer
-door de zelfde lijn worden gescheiden, welke het Indische zoölogische
-gewest van Insulinde van het Australische scheidt. (6) De inboorlingen
-van Amerika zijn over dat geheele vasteland verspreid en dit schijnt
-eerst tegen bovenvermelden regel te strijden; want de meeste
-voortbrengselen van de zuidelijke en de noordelijke helft verschillen
-zeer; eenige weinige levende vormen, zooals de buidelratten of
-opossums, gaan echter van de eene in de andere over, evenals vroeger
-sommige reusachtige Tandelooze Dieren (Edentata) deden. De Eskimo’s
-strekken zich, evenals andere pooldieren, rondom over de geheele
-poolstreek uit. (7) Men moet bedenken, dat de zoogdiervormen die de
-verschillende zoölogische gewesten bewonen, niet in de zelfde mate van
-elkander verschillen, zoodat het moeielijk als een tegenstrijdigheid
-kan worden beschouwd dat de Neger meer en de inboorlingen van Amerika
-veel minder van de andere menschenrassen verschillen dan de zoogdieren
-der zelfde vastelanden van die van de andere gewesten. Men mag er
-bijvoegen, dat de mensch oorspronkelijk geen enkel oceanisch eiland
-schijnt te hebben bewoond; en in dit opzicht gelijkt hij op de andere
-leden van zijn klasse.
-
-Om te bepalen of de verscheidenheden van een of ander huisdier als
-soortelijk verschillend moeten worden gerangschikt, dat is, of eene of
-meer daarvan van een afzonderlijke wilde soort afstammen, zou elk
-natuuronderzoeker veel gewicht hechten aan het feit, zoo dit was
-bewezen, dat hun uitwendige parasieten soortelijk verschilden. Des te
-meer gewicht zou aan dit feit worden gehecht, daar het geheel
-exceptioneel zou zijn; want de heer Denny heeft mij medegedeeld, dat de
-verschillende rassen van honden, en evenzoo die van kippen en van
-duiven, in Engeland door de zelfde soorten van luizen (Pediculi) worden
-geplaagd. Nu heeft de heer A. Murray zorgvuldig de luizen onderzocht in
-verschillende landen op de verschillende menschenrassen verzameld
-[403]; en bevonden, dat zij niet slechts in kleur, maar ook in het
-maaksel hunner klauwen en ledematen verschilden. In elk geval, waarin
-talrijke voorwerpen werden verkregen, waren de verschillen standvastig
-(constant). De scheepsdokter van een walvischvaarder in den Stillen
-Oceaan verzekerde mij, dat, wanneer de luizen, waarvan sommige
-Sandwich-eilanders aan boord krioelden, op de lichamen van de Engelsche
-matrozen verdwaalden, zij binnen den tijd van drie of vier dagen
-stierven. Deze luizen waren donkerder gekleurd dan en schenen
-verschillend van die der inboorlingen van Chili in Zuid Amerika,
-waarvan hij mij voorwerpen gaf. Deze schenen op haar beurt grooter en
-veel zachter dan Europeesche luizen. De heer Murray verschafte zich
-vier soorten uit Afrika, namelijk van de Negers van de Oost- en
-Westkust, van de Hottentotten en de Kaffers; twee soorten van de
-inboorlingen van Nieuw-Holland, en twee uit Zuid-Amerika. In deze
-laatste gevallen mag men veronderstellen, dat de luizen afkomstig waren
-van inboorlingen die verschillende streken bewoonden. Bij insekten
-beschouwt men geringe afwijkingen van maaksel, als zij standvastig
-(constant) zijn, algemeen als soortkenmerken; en het feit, dat de
-menschenrassen worden geplaagd door parasieten die soortelijk van
-elkander verschillen, kan men gerust doen gelden als een uitnemend
-bewijs, dat die rassen zelven als afzonderlijke soorten moeten worden
-gerangschikt.
-
-Wanneer onze onderstelde natuuronderzoeker zoover met zijn onderzoek
-was gevorderd, zou hij vervolgens onderzoeken, of de menschenrassen,
-als zij zich met elkander kruisten, in meerdere of mindere mate
-onvruchtbaar waren. Hij zou dan het werk [404] van een behoedzaam en
-wijsgeerig waarnemer, Professor Broca, kunnen raadplegen, en zou daarin
-goede bewijzen vinden, dat sommige rassen volkomen vruchtbaar met
-elkander waren, maar ook bewijzen van tegenovergestelden aard ten
-opzichte van andere rassen. Zoo heeft men verzekerd, dat de vrouwelijke
-inboorlingen van Nieuw-Holland en van Diemensland zelden kinderen
-voortbrengen bij Europeesche mannen; het is tegenwoordig echter
-gebleken, dat de bewijzen hiervoor bijna volstrekt geen waarde hebben.
-De bastaarden worden door de zwarten van onvermengd bloed gedood, en
-onlangs is een verhaal publiek gemaakt van elf bastaarden,
-tegelijkertijd vermoord en verbrand en wier overblijfselen door de
-politie werden gevonden. [405] (8) Men heeft ook wel beweerd, dat
-mulatten, als zij met elkander huwen, weinig kinderen voortbrachten;
-Dr. Bachman van Charleston [406] verzekert daarentegen ten stelligste,
-dat hij mulattenfamilies heeft gekend, die gedurende verscheidene
-generaties onderling waren gehuwd, en voortdurend gemiddeld even
-vruchtbaar waren als zuivere blanken of zuivere zwarten.
-Onderzoekingen, weleer hieromtrent door Sir C. Lyell ingesteld, leidden
-hem, naar hij verzekert, tot het zelfde besluit. In de Vereenigde
-Staten omvatte de volkstelling voor het jaar 1854, volgens Dr. Bachman,
-405 751 mulatten; en dit getal schijnt, alle omstandigheden in
-aanmerking genomen, klein; maar dit kan wellicht gedeeltelijk worden
-toegeschreven aan hun lage en onregelmatige plaats in de maatschappij
-en aan de losbandige levenswijze der vrouwen. De mulatten moeten zich
-voortdurend in zekere mate in de negers oplossen, en dit moet leiden
-tot een schijnbare vermindering van het aantal der eersten. In een werk
-dat vertrouwen verdient [407], wordt van de mindere levenskracht der
-mulatten als van een bekend feit gesproken; maar dit is iets geheel
-anders dan hun verminderde vruchtbaarheid en kan moeilijk worden
-beschouwd als een bewijs voor het soortelijk verschil der stamrassen.
-Ongetwijfeld zijn zoowel dierlijke als plantaardige bastaarden, wanneer
-zij zijn voortgebracht door uiterst verschillende soorten, onderhevig
-aan een vroegen dood; maar de ouders van mulatten kunnen niet tot de
-categorie van uiterst verschillende soorten worden gebracht. Het gewone
-muildier, zoo bekend wegens zijn lang leven en kracht, en echter zoo
-onvruchtbaar, toont, hoe weinig noodzakelijk verband er bij bastaarden
-bestaat tusschen verminderde vruchtbaarheid en levenskracht; andere
-soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
-
-Zelfs wanneer het later zou worden bewezen, dat alle menschenrassen
-volkomen vruchtbaar met elkander waren, zou hij, die wegens andere
-redenen er toe overhelde om ze als verschillende soorten te beschouwen,
-terecht kunnen aanvoeren, dat vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid geen
-veilige kenteekenen van soortelijk verschil waren. Wij weten, dat
-veranderde levensvoorwaarden of huwelijken tusschen bloedverwanten
-gemakkelijk op deze hoedanigheden inwerken en dat zij worden beheerscht
-door zeer samengestelde wetten, bij voorbeeld die van ongelijke
-vruchtbaarheid van wederkeerige kruisingen tusschen de twee zelfde
-soorten. Bij vormen, die ontwijfelbaar als verschillende soorten moeten
-worden gerangschikt, bestaat er een volledige reeks van die welke bij
-kruising volkomen onvruchtbaar zijn, tot die welke bijna volkomen of
-volkomen vruchtbaar zijn. De graden van onvruchtbaarheid vallen niet
-volkomen samen met de graden van verschil in uiterlijk maaksel en
-levenswijze. De mensch mag in vele opzichten worden vergeleken met die
-dieren welke sinds langen tijd zijn getemd, en men kan een menigte
-bewijzen bijbrengen ten gunste van de leer van Pallas [408], dat de
-temming een neiging doet geboren worden tot opheffing der
-onvruchtbaarheid, die zoo algemeen wordt waargenomen bij de kruising
-van soorten in den natuurstaat. Uithoofde dezer verschillende
-overwegingen zou men terecht kunnen aanvoeren, dat de volkomen
-onvruchtbaarheid bij de kruisingen tusschen de verschillende
-menschenrassen, als zij was bewezen, ons nog niet volkomen zou beletten
-om ze als verschillende soorten te beschouwen.
-
-Onafhankelijk van de vruchtbaarheid, heeft men soms gemeend, dat de
-aard van het kroost dat uit een kruising ontstaat, bewijzen leverde, of
-de stamvormen als soorten of als verscheidenheden moesten worden
-gerangschikt; maar na die bewijzen zorgvuldig te hebben bestudeerd, ben
-ik tot het besluit gekomen, dat dergelijke algemeene regels geen
-vertrouwen verdienen. Het gewone resultaat van een kruising is het
-voortbrengen van een gemengden of tusschenliggenden vorm, maar in
-sommige gevallen gelijken sommige nakomelingen zeer op den éénen
-ouderlijken vorm, en andere op den anderen. Dit is vooral het geval,
-wanneer de ouders verschillen in kenmerken, die eerst als plotselinge
-variaties of monstruositeiten zijn verschenen. [409] Ik wijs hierop
-omdat Dr. Rohlfs mij mededeelt dat hij in Afrika dikwijls heeft gezien
-dat de kinderen uit een kruising van negers met andere rassen, hetzij
-volkomen zwart of geheel blank of enkele malen zwart en wit gevlekt
-waren. Daarentegen is het algemeen bekend, dat in Amerika de mulatten
-tusschen die der stamrassen in liggende kenmerken vertoonen.
-
-Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen
-gerechtigd zou mogen gevoelen om aan de menschenrassen den rang van
-afzonderlijke soorten toe te kennen; want hij heeft bevonden, dat zij
-zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel en gesteldheid,
-waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende
-zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De
-verbazende verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is
-in de klasse der zoogdieren, zoo de mensch als een enkele soort wordt
-beschouwd, zal ook eenigermate invloed op zijn besluit hebben gehad.
-Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende zoogenaamde
-rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere
-ongetwijfeld soortelijk van elkander verschillende zoogdieren.
-Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen, dat de wederzijdsche
-vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen, en zelfs
-als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat
-zij tot een enkele soort behoorden.
-
-
-
-Laten wij thans de zaak uit een tegenovergesteld oogpunt beschouwen.
-Als onze onderstelde natuuronderzoeker onderzocht, of de vormen van den
-mensch evenals gewone soorten onverbasterd naast elkander bleven
-voortbestaan, als zij in een en het zelfde land in groot aantal
-dooreengemengd leefden, zou hij dadelijk ontdekken, dat dit geenszins
-het geval is. In Brazilië zou hij een hoogst talrijke bastaardbevolking
-van Negers en Portugeezen zien; in Chili en andere deelen van
-Zuid-Amerika zou hij zien, dat de geheele bevolking bestond uit
-Indianen en Spanjaarden in verschillende graden met elkander gekruist.
-[410] In vele deelen van het zelfde vasteland zou hij de meest
-samengestelde kruisingen tusschen Negers, Indianen en Europeanen
-ontmoeten, en dergelijke driedubbele kruisingen leveren, naar het
-Plantenrijk te oordeelen, het sterkste bewijs voor de wederkeerige
-vruchtbaarheid der stamvormen. Op één eiland in den Stillen Oceaan zou
-hij een kleine bevolking van gemengd Polynesisch en Engelsch bloed
-aantreffen (10); en in den Fidji-archipel een bevolking van in alle
-graden met elkander gekruiste Polynesiërs en Negrito’s. Vele
-overeenkomstige gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd, bij
-voorbeeld, in Zuid-Afrika. Derhalve zijn de menschenrassen niet
-verschillend genoeg om zonder vermenging naast elkander te blijven
-bestaan; en dit is het, dat in alle gewone gevallen het gebruikelijke
-bewijs levert van soortelijk verschil.
-
-Onze natuuronderzoeker zou ook zeer in de war geraken, als hij
-bemerkte, dat de onderscheidene kenmerken van elk menschenras in hooge
-mate variabel waren. Dit treft iedereen, als hij voor het eerst de
-negerslaven in Brazilië ziet, die uit alle deelen van Afrika zijn
-ingevoerd. De zelfde opmerking houdt steek bij de Polynesiërs en bij
-vele andere rassen. Het mag worden betwijfeld, of er één kenmerk zou
-kunnen worden opgenoemd, dat voor een ras onderscheidend en tevens
-standvastig (constant) is. Wilden, zelfs binnen de grenzen van éénen en
-den zelfden stam, zijn lang zoo eenvormig van kenmerken niet, als
-dikwijls is gezegd. Hottentotsche vrouwen vertoonen eenige kenmerken
-welke sterker zijn uitgedrukt dan die van eenig ander ras, en toch is
-het bekend, dat deze niet standvastig voorkomen. (11) Bij de
-onderscheidene Amerikaansche stammen bestaan aanmerkelijke verschillen
-in kleur en behaardheid; evenals zulks bij de Afrikaansche Negers met
-de kleur tot op zekere hoogte, en met den vorm der gelaatstrekken in
-hooge mate het geval is. In den vorm van den schedel heerscht bij
-sommige rassen zeer veel verscheidenheid [411]; en evenzoo is het met
-elk ander kenmerk. Nu hebben alle natuuronderzoekers door duur gekochte
-ondervinding geleerd, hoe overijld het is soorten te bepalen met behulp
-van onstandvastige kenmerken.
-
-De gewichtigste van alle bewijsgronden tegen het beschouwen van de
-menschenrassen als verschillende soorten, is echter, dat zij
-trapsgewijze, in vele gevallen, voor zoover wij kunnen oordeelen,
-onafhankelijk van hun onderlinge kruising, door trapsgewijze overgangen
-worden verbonden. De mensch is zorgvuldiger bestudeerd, dan eenig ander
-organisch wezen; en toch heerscht onder bevoegde rechters het grootste
-verschil van gevoelen, of hij als ééne soort of ras moet worden
-beschouwd, of als twee (Virey) (12), als drie (Jacquinot), als vier
-(Kant), vijf (Blumenbach), zes (Buffon), zeven (Hunter), acht
-(Agassiz), elf (Pickering), vijftien (Bory St. Vincent), zestien
-(Desmoulins), twee-en-twintig (Morton), zestig (Crawfurd), of als
-drie-en-zestig, volgens Burke [412] (13). Dit verschillend oordeel
-bewijst niet, dat de rassen niet als soorten moeten worden
-gerangschikt, maar het bewijst, dat zij in elkander overgaan, en dat
-het nauwelijks mogelijk is duidelijke onderscheidende kenmerken
-tusschen hen te vinden.
-
-Ieder natuuronderzoeker die het ongeluk heeft gehad om de beschrijving
-te ondernemen van een groep organismen die zeer veel verscheidenheid
-vertoonen, heeft gevallen ontmoet (ik spreek bij ondervinding) volkomen
-gelijk aan dat van den mensch; en, indien hij voorzichtig van aard is,
-zal hij ten laatste al de vormen die in elkander overgaan, tot een
-enkele soort vereenigen; want hij zal tot zich zelf zeggen, dat hij
-geen recht heeft om namen te geven aan voorwerpen die hij niet kan
-bepalen. Gevallen van deze soort komen voor in de orde waartoe de
-mensch behoort, namelijk bij zekere geslachten van apen; terwijl bij
-andere geslachten, zooals bij de Meerkatten (Cercopithecus), de meeste
-soorten met zekerheid kunnen worden bepaald. Bij het Amerikaansche
-geslacht Cebus worden de verschillende vormen door sommige
-natuuronderzoekers als soorten, door andere eenvoudig als geographische
-rassen beschouwd. Indien men nu talrijke voorwerpen van Cebus uit alle
-deelen van Zuid-Amerika bijeenverzamelde, en dan bevond, dat die vormen
-welke tegenwoordig als soortelijk verschillend worden beschouwd, door
-langzame overgangen met elkander waren verbonden, zouden zij door de
-meeste natuuronderzoekers eenvoudig als verscheidenheden of rassen
-worden beschouwd en zoo heeft het grootste gedeelte der
-natuuronderzoekers ten opzichte der menschenrassen gehandeld. Toch moet
-men bekennen, dat er vormen zijn, ten minste in het Plantenrijk [413],
-die wij niet kunnen vermijden soorten te noemen, doch die,
-onafhankelijk van bastaardvorming, door tallooze overgangsvormen zijn
-verbonden.
-
-Sommige natuuronderzoekers hebben in den laatsten tijd de uitdrukking
-„onder-soort (sub-species)” gebruikt om vormen aan te duiden, die vele
-kenmerken van ware soorten bezitten, maar toch nauwelijks op zulk een
-hoogen rang aanspraak kunnen maken. Indien wij nu nadenken over de
-boven vermelde gewichtige gronden om de menschenrassen tot de
-waardigheid van soorten te verheffen, en aan den anderen kant aan de
-onoverkomelijke moeielijkheden om hen te bepalen, zou de uitdrukking
-„onder-soorten (sub-species)” hier zeer gepast kunnen worden gebruikt.
-Door de lange gewoonte zal echter de uitdrukking „ras” wellicht altijd
-in gebruik blijven. De keus der uitdrukkingen is slechts in zoover van
-belang, als het hoogst wenschelijk is om zooveel mogelijk altijd de
-zelfde uitdrukkingen te gebruiken voor de zelfde graden van verschil.
-Ongelukkig is dit zelden mogelijk; want in ééne en de zelfde familie
-bevatten de grootere geslachten gewoonlijk nauw verwante vormen die
-slechts met veel moeite van elkander kunnen worden onderscheiden,
-terwijl de kleinere geslachten vormen bevatten, die duidelijk
-verschillen; toch moeten allen als soorten worden gerangschikt. Evenzoo
-gelijken ook de soorten in één en het zelfde groote geslacht in geenen
-deele in de zelfde mate op elkander; in de meeste gevallen kunnen
-integendeel sommige van haar in kleine groepen rondom andere soorten
-worden geschikt, evenals wachters om planeten. [414]
-
-
-
-Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten
-bestaat, hebben de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten
-en de polygenisten, zijn verdeeld, in de laatste jaren veel
-geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet aannemen,
-moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen,
-hetzij als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens
-(„entities”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten
-worden gerangschikt, uit de analogie van andere organische wezens welke
-gewoonlijk als zoodanig worden beschouwd. Het is echter hopeloos om te
-trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen, zoolang niet de eene
-of andere bepaling van de uitdrukking „soort (species)” algemeen is
-aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten,
-waaromtrent men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals
-een scheppingshandeling. Wij zouden even goed kunnen beproeven om
-zonder eenige bepaling te beslissen, of een zeker aantal huizen een
-dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch
-voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele
-nauw verwante zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in
-Noord-Amerika en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als
-geographische rassen moeten worden beschouwd, en evenzoo gaat het met
-de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand van het naaste
-vasteland gelegen eilanden.
-
-Die natuuronderzoekers daarentegen, welke het beginsel van ontwikkeling
-aannemen, en dit wordt tegenwoordig door de meeste opkomende mannen
-aangenomen, zullen volstrekt niet betwijfelen, dat alle menschenrassen
-uit een enkelen oorspronkelijken stam zijn gesproten, hetzij zij het,
-om de hoegrootheid van het verschil tusschen die rassen aan te geven,
-gepast oordeelen ze afzonderlijke soorten te noemen of niet. [415] Bij
-onze huisdieren is de vraag, of de verschillende rassen uit ééne of uit
-meer soorten zijn ontstaan, van een anderen aard. Hoewel al die rassen,
-even goed als de natuurlijke soorten van het zelfde geslacht,
-ongetwijfeld uit eenen en den zelfden oorspronkelijken stam zijn
-gesproten, blijft het toch een gepast onderwerp ter bespreking, of, bij
-voorbeeld, al de tamme rassen van den hond hun tegenwoordige
-verschillen hebben verkregen sedert deze of gene enkele soort door den
-mensch werd getemd en aangefokt, dan wel of zij sommige hunner
-kenmerken zijn verschuldigd aan overerving van verschillende soorten,
-die reeds in den natuurstaat waren gewijzigd.
-
-Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit
-hun gemeenschappelijken stamvader in verschillende richtingen begonnen
-te ontwikkelen, zullen zij slechts weinig van elkander hebben verschild
-en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg zullen zij toen, voor
-zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak op den
-rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande
-zoogenaamde rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige
-natuuronderzoekers wellicht als verschillende soorten zijn
-gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien hun punten van
-verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan
-tegenwoordig en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.
-
-Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege
-voorouders van den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken
-vertoonden, totdat zij meer ongelijk aan elkander werden dan eenige der
-bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals Vogt [416] heeft
-vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het
-zelfde doel de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt
-uitkiest, veroorzaakt hij soms, voor zoover het algemeen uiterlijk
-aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken. Dit is het geval,
-zooals von Nathusius [417] heeft aangetoond, met de verbeterde
-varkensrassen, die van twee verschillende soorten afstammen, en op
-minder goed uitgesproken wijze met de verbeterde veerassen. Een groot
-ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de anthropomorphe apen geen
-natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog ontwikkelde
-gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde
-macacus, en de gorilla een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit
-besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken berust, juist mocht
-zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie) ten
-minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken
-zeker in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle
-gelijkenissen die op analogie berusten, zooals die van een walvisch op
-een visch, kunnen inderdaad worden gezegd gevallen van toenadering
-(convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt voor
-oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze
-(adaptatie) berustende gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen
-uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst in vele punten van het
-maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van wezens die
-eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt
-alleen door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te
-verwonderen, dat ongelijksoortige zelfstandigheden somtijds den zelfden
-vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten wij bedenken, dat de
-vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen
-afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke
-het gevolg zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die
-geheel zou kunnen doorgronden,—van den aard der wijzigingen die
-behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende physische
-toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede
-elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op
-zich zelf een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze
-voorouders waarvan de vormen op hun beurt allen door even samengestelde
-betrekkingen werden bepaald. Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat twee
-organismen, indien zij werkelijk verschilden, later zoo sterk tot
-elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen
-gelijkheid van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het
-bovenvermelde geval van de tot elkander naderende (convergeerende)
-varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog duidelijke bewijzen
-van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere
-beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen,
-zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of
-meer verschillende soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van
-elkander verschilden, als de orang van den gorilla, kan men nauwelijks
-betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het maaksel van sommige
-beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals hij nu
-bestaat. (14)
-
-Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur,
-haar, schedelvorm, evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen,
-zoo vindt men toch, als men hun geheele organisatie beschouwt, dat zij
-in een menigte punten zeer sterk op elkander gelijken. Vele dezer
-punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat het
-uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende
-soorten of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen.
-De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de
-talrijke punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen
-de meest verschillende menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de
-negers en de Europeanen verschillen in geestesgesteldheid evenveel van
-elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij
-telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was,
-hoevele kleine karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun
-geest op den onzen geleek, en evenzoo ging het mij met een volbloed
-neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken voet kwam.
-
-Het kan nauwelijks missen, of de groote gelijkheid in smaak, neigingen
-en gewoonten tusschen menschen van alle rassen moet een diepen indruk
-maken op ieder die de belangwekkende werken van den heer Tylor en Sir
-J. Lubbock leest. [418] Die gelijkheid blijkt uit het behagen dat zij
-allen scheppen in dansen, ruwe muziek, schouwspelen, schilderen,
-tatoeëeren en zich op andere wijzen op te schikken,—uit hun wederkeerig
-begrijpen van gebarentaal—en, gelijk ik in staat zal zijn in een
-volgende verhandeling aan te toonen, uit de gelijkheid van de
-uitdrukking hunner gelaatstrekken en het voortbrengen van de zelfde
-ongearticuleerde kreten, als zij door verschillende gemoedsaandoeningen
-worden geprikkeld. Deze overeenkomst, of liever gelijkheid, is
-treffend, als men haar tegenoverstelt aan de verschillende uitdrukking
-die men bij onderscheidene soorten van apen kan waarnemen. Er bestaan
-goede bewijzen, dat de kunst om met boog en pijlen te schieten, niet
-van eenigen gemeenschappelijken stamvader van het menschelijk geslacht
-aan de nakomelingschap is overgeleverd; toch zijn de steenen
-pijlpunten, van de verst van elkander verwijderde streken der wereld
-aangevoerd en in de langst geleden tijdperken vervaardigd, zooals
-Nilsson heeft aangetoond [419], bijna geheel aan elkander gelijk, en
-dit feit kan alleen worden verklaard door de gelijksoortigheid van de
-uitvindende of verstandelijke vermogens der verschillende rassen. De
-zelfde opmerking is door de oudheidkundigen [420] gemaakt ten opzichte
-van zekere ver verbreide versierselen, zooals zigzaglijnen enz. en ten
-opzichte van verschillende eenvoudige geloofspunten en gewoonten,
-zooals die om de dooden onder megalithische gedenkteekenen te begraven.
-(15) Ik herinner mij in Zuid-Amerika [421] te hebben opgemerkt, dat de
-mensch daar, evenals in zoovele andere deelen der wereld, gewoonlijk de
-toppen van hooge heuvels heeft uitgekozen om daarop steenhoopen op te
-werpen, hetzij om de gedachtenis te bewaren van de eene of andere
-opmerkelijke gebeurtenis, of om zijn dooden te begraven.
-
-Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke
-kleine bijzonderheden en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of
-meer rassen van tamme dieren of tusschen nauw-verwante natuurlijke
-vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond, dat zij alle
-van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was
-en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden
-gebracht. De zelfde bewijsgrond kan met veel kracht op de
-menschenrassen worden toegepast.
-
-Daar het onwaarschijnlijk is, dat de talrijke onbelangrijke punten van
-gelijkenis tusschen de verschillende menschenrassen in lichamelijk
-maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op overeenkomst in
-gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen,
-moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten.
-Wij verkrijgen aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van
-den mensch, voor hij zich stap voor stap over de oppervlakte der aarde
-had verspreid. De verspreiding van den mensch over streken die door
-groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke
-aanmerkelijke uiteenwijking (divergentie) in kenmerken van de
-verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds het zelfde ras in
-verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval. (16)
-Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans
-door de wilden in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de
-mensch niet kan hebben gekend toen hij het eerst verhuisde uit zijn
-oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd, zouden zij nimmer zijn
-vergeten. [422] Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die
-slechts de ontwikkeling van een mespunt, en de knots, die slechts een
-lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven.” Hij neemt
-echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was
-ontdekt; want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan
-de oude holbewoners van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe
-kano’s of vlotten te maken, eveneens bekend, maar, daar de mensch reeds
-in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin de verdeeling van
-land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij ook in
-staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden.
-Sir J. Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze
-vroegste voorouders „tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking
-nemende, dat zoovele thans bestaande rassen het niet verder kunnen
-brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk de verstandelijke
-en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer zijn
-geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de
-oorspronkelijke mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend
-voorspoedig kunnen zijn geweest, als door zijn vroege en verre
-verspreiding wordt bewezen.
-
-Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige
-taalkundigen afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te
-verspreiden, nog geen sprekend dier was; men mag echter vermoeden, dat
-wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne dergene die thans worden
-gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch in latere
-hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het
-gebruik van eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig,
-of het verstand van den mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die
-zijn heerschende stelling in een vroeg tijdperk medebracht.
-
-Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de
-ruwste soort bezat, en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was,
-den naam van mensch verdiende, hangt af van de bepaling die wij
-gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande van een of
-ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat,
-zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de
-uitdrukking „mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter
-een zaak van zeer weinig belang. Evenzoo is het een bijna
-onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen aldus worden
-genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de
-laatste uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen
-wij besluiten, dat, als de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn
-aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer zal duren, de strijd tusschen
-monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten dood zal
-sterven.
-
-
-
-Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan,
-namelijk, of, zooals somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van
-den mensch uit één enkel paar stamouders is gesproten. Bij onze
-huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit een enkel
-paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een
-enkel aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de
-zelfde wijze varieeren, met elkander te doen paren, maar onze meeste
-rassen zijn gevormd, niet met voordacht uit een enkel uitgekozen paar,
-maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s, die, hoewel
-in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden.
-Indien men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of
-zwaarder gebouwde paarden, en in een ander land aan lichter gebouwde en
-vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn, dat in den loop der tijden twee
-verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht, zonder dat het
-eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van
-de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die
-wijze gevormd, en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der
-natuurlijke soorten. Wij weten ook, dat de paarden die naar de
-Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende
-generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het
-wild de Pampa’s hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben
-gekregen; en dergelijke veranderingen worden klaarblijkelijk niet
-daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, dat al de individu’s
-aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp wellicht
-van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen
-dezer gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van
-vele individu’s, die in verschillende mate, maar allen over het
-algemeen op de zelfde wijze varieerden, en wij mogen besluiten, dat de
-menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan, en de
-wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan
-verschillende levensvoorwaarden, of het indirecte gevolg van den eenen
-of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit laatste onderwerp zullen
-wij echter spoedig terugkomen.
-
-
-
-Over het Uitsterven der Menschenrassen.—Het gedeeltelijk en geheel
-uitsterven van vele rassen en onder-rassen van den mensch zijn bekende
-historische feiten. Humboldt zag in Zuid-Amerika een papegaai, die het
-eenige levende schepsel was, dat de taal van een te gronde geganen stam
-nog kon spreken. Oude gedenkteekenen en steenen werktuigen, in alle
-deelen der wereld gevonden, van welke geen overlevering door de
-tegenwoordige bewoners wordt bewaard, wijzen op veel uitsterving.
-Enkele kleine en verstrooide stammen, overblijfselen van voormalige
-rassen, leven nog in afgelegen en gewoonlijk bergachtige streken. In
-Europa stonden al de oude rassen volgens Schaaffhausen [423] „lager op
-de ladder, dan de minst beschaafde der thans levende wilden”; zij
-moeten daarom tot op zekere hoogte van alle bestaande rassen hebben
-verschild. De overblijfselen van Les Eyzies, door Professor Broca
-beschreven [424], wijzen, hoewel zij ongelukkig aan een enkele familie
-schijnen te hebben toebehoord, op een ras dat op de vreemdsoortigste
-wijze lage of aapachtige en hooge kenmerken in zich vereenigde en
-„geheel verschilde van alle andere en nieuwere rassen die wij kennen.”
-Het verschilde derhalve van het quaternaire ras uit de holen van
-België.
-
-Ongunstige physische voorwaarden schijnen slechts weinig invloed op het
-uitsterven der rassen te hebben uitgeoefend. [425] De mensch heeft lang
-in de uiterste streken van het Noorden geleefd zonder hout om zijn
-kano’s en andere benoodigdheden mede te maken, en alleen met traan om
-te branden en hem warmte te geven, maar meer bijzonder om de sneeuw te
-smelten. In het zuidelijk uiteinde van Amerika blijven de Vuurlanders
-in het leven zonder de bescherming van kleederen of van eenig gebouw
-dat waard is een hut te worden genoemd. In Zuid-Afrika doorkruisen de
-inboorlingen de dorste vlakten, waarop de gevaarlijkste dieren in
-overvloed voorkomen. De mensch kan den doodelijken invloed van den
-Terai aan den voet van het Himalayagebergte en van de verpeste stranden
-van tropisch Afrika weêrstaan.
-
-Het uitsterven is hoofdzakelijk het gevolg van den wedstrijd tusschen
-stam en stam, tusschen ras en ras. Er zijn altijd verschillende
-hinderpalen in het spel, in een vorig hoofdstuk opgesomd, die dienen om
-het getal van elken wilden stam te beperken,—zooals periodieke
-hongersnooden, het wegtrekken der ouders en de daarop volgende dood van
-de kinderen, het langdurige zoogen, het stelen van vrouwen, oorlogen,
-ongevallen, ziekten, losbandigheid, vooral kindermoord, en wellicht
-verminderde vruchtbaarheid ten gevolge van minder voedzaam voedsel en
-vele vermoeienissen. Indien door de eene of andere oorzaak ééne dier
-hinderpalen gedeeltelijk wordt weggenomen, al is het slechts voor een
-klein gedeelte, zal de aldus begunstigde stam kans hebben om aan te
-groeien, en als van twee naburige stammen de eene talrijker en
-machtiger wordt dan de andere, is de strijd spoedig beslist door
-oorlog, moord en menscheneterij, slavernij en opslorping. Als een
-zwakker stam zelfs op die wijze niet plotseling wordt weggevaagd, gaat
-hij, indien hij eens begint af te nemen, gewoonlijk daarmede voort,
-totdat hij is uitgestorven. [426]
-
-Als beschaafde volken in aanraking komen met barbaren, is de strijd
-kort, behalve wanneer een doodelijk klimaat het ras der inboorlingen
-helpt. Van de oorzaken welke tot de overwinning der beschaafde natiën
-leiden, zijn sommige duidelijk en andere zeer duister. Wij kunnen
-begrijpen, dat de bebouwing van het land op vele wijzen noodlottig voor
-de wilden zal zijn; want zij kunnen of willen hun gewoonten niet
-veranderen. Nieuwe ziekten en ondeugden zijn hoogst verderfelijk; en
-het schijnt, dat bij elk volk een nieuwe ziekte vele sterfgevallen
-veroorzaakt, totdat zij die de meeste vatbaarheid voor haar doodelijken
-invloed bezaten, allengs zijn uitgeroeid [427], en zoo zal het ook gaan
-met de nadeelige uitwerkselen van geestrijke dranken zoowel als met den
-onbedwingbaar sterken smaak dien zoovele wilden daarvoor toonen. Het
-schijnt verder, hoe geheimzinnig het feit ook zij, dat de eerste
-ontmoeting tusschen verschillende en van elkander gescheiden volken
-ziekten doet ontstaan. [428] De heer Sproat die in Vancouver’s Eiland
-nauwkeurig acht gaf op het onderwerp der uitsterving, gelooft, dat de
-veranderde levensgewoonten die altijd het gevolg zijn van de aankomst
-van Europeanen, veel ongesteldheid veroorzaken. Hij hecht ook groot
-gewicht aan zulk een geringe oorzaak, als dat de inboorlingen „door het
-nieuwe leven rondom hen verbijsterd en neerslachtig worden; zij
-verliezen de beweeggronden die hen tot handelen aanzetten, en krijgen
-geen nieuwe in de plaats.” [429]
-
-De graad van beschaving schijnt een hoogst gewichtig element van het
-succes van natiën die in wedstrijd komen. Weinige eeuwen geleden
-vreesde Europa de invallen van Oostersche barbaren, tegenwoordig zou
-een dergelijke vrees belachelijk zijn. Het is een nog
-opmerkenswaardiger feit, zooals de heer Bagehot [430] heeft opgemerkt,
-dat de wilden vroeger niet wegsmolten voor de klassieke volken, zooals
-zij tegenwoordig voor de hedendaagsche beschaafde volken doen; hadden
-zij dat gedaan, dan zouden de oude zedekundigen over die gebeurtenis
-hebben gemijmerd; maar in geen enkelen schrijver van dat tijdvak vindt
-men klachten over het uitsterven der barbaren. (17) De grootste van
-alle oorzaken van het uitsterven schijnt in vele gevallen een
-vermindering van de vruchtbaarheid en ziekten, vooral onder de
-kinderen, te zijn, ontstaande uit veranderde levensvoorwaarden,
-niettegenstaande die voorwaarden op zich zelven soms niet nadeelig
-zijn. Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer H. H. Howorth, omdat
-deze mijn aandacht op dit onderwerp heeft gevestigd, en mij
-inlichtingen daaromtrent heeft verschaft. Ik heb de volgende
-voorbeelden verzameld.
-
-Toen Tasmania (Van Diemen’s Land) pas werd gekoloniseerd, werd het
-aantal inboorlingen ruwweg geschat door sommigen op 7000, door anderen
-op 20000. Dit aantal werd spoedig veel kleiner, voornamelijk door het
-vechten met de Engelschen en met elkander. Toen na de beruchte jacht
-door al de kolonisten, de overblijvende inboorlingen zich aan de
-regeering overgaven, bestonden zij slechts uit 120 individu’s [431] die
-in 1832 naar Flinders Eiland werden overgebracht. Dit eiland, tusschen
-Tasmania en Nieuw-Holland gelegen, is veertig mijlen lang en van twaalf
-tot achttien mijlen breed; het schijnt er gezond en de inboorlingen
-werden goed behandeld. Toch leed hun gezondheid zeer veel. In 1834
-bestonden zij (Bonwick, blz. 250) uit zeven-en-veertig volwassen
-mannen, acht-en-veertig volwassen vrouwen en zestien kinderen, of te
-zamen uit 111 zielen. In 1835 bleven er nog maar 100 over. Daar zij bij
-voortduring snel in aantal verminderden en zelven dachten dat zij
-elders niet zoo snel zouden uitsterven, werden zij in 1847 naar
-Oyster-Cove in zuidelijk Tasmania overgebracht. Daar bestonden zij toen
-(20 Dec. 1847) uit veertien mannen, twee-en-twintig vrouwen en tien
-kinderen. [432] De verandering van woonplaats deed echter geen goed.
-Ziekte en dood vervolgden hen bij voortduring, en in 1864 waren er nog
-slechts één man (die in 1869 stierf) en drie eenigszins bejaarde
-vrouwen over. De onvruchtbaarheid der vrouwen is een feit zelfs nog
-merkwaardiger dan haar vatbaarheid voor ziekte en dood. Ten tijde, dat
-er nog slechts negen vrouwen te Oyster-Cove leefden, verhaalden deze
-aan den heer Bonwick, dat slechts twee van haar ooit kinderen hadden
-gehad, en deze beiden samen hadden slechts drie kinderen voortgebracht.
-
-Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt
-Dr. Story op, dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te
-beschaven. „Als men hen aan zich zelven had overgelaten, hen had laten
-omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen niet had gestoord, zouden zij
-meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer sterfte zijn
-geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op:
-„De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan
-voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun
-levenswijze, maar meer nog van hun verbanning uit het hoofdland van Van
-Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte neêrslachtigheid” (Bonwick,
-blz. 388, 390).
-
-Dergelijke feiten zijn ook opgemerkt in twee zeer verschillende
-gedeelten van Nieuw-Holland. De beroemde onderzoekingsreiziger Gregory
-verhaalde den heer Bonwick, dat in Queensland „de vermindering van
-geboorten reeds door de zwarten werd gevoeld, zelfs in de nieuwst
-gekoloniseerde streken, en dat zij zouden beginnen te verdwijnen.” Van
-13 inboorlingen van Shark’s Baai, die Murchison River bezochten,
-stierven twaalf binnen drie maanden aan de tering. [433]
-
-Het verminderen der Maori’s op Nieuw-Zeeland is zorgvuldig onderzocht
-door den heer Fenton in een bewonderenswaardig rapport waaraan al de
-volgende opgaven op een enkele uitzondering na zijn ontleend. [434] Dat
-hun aantal sedert 1830 is afgenomen, wordt door iedereen toegegeven,
-met inbegrip der inboorlingen zelven, en die vermindering gaat
-aanhoudend voort. Hoewel het tot hiertoe onmogelijk is gebleken een
-werkelijke volkstelling onder de inboorlingen te houden, werd hun
-aantal in vele districten door daar wonende personen geschat. Het
-resultaat schijnt vertrouwen te verdienen en toont aan, dat gedurende
-de veertien jaren vóór 1858 de vermindering 19,42 perc. was. Sommigen
-van de stammen die aldus zorgvuldig werden onderzocht, leefden meer dan
-100 mijlen van elkander, sommigen op de kust, andere in het binnenland;
-en hun middelen van bestaan en gewoonten verschilden tot op zekere
-hoogte (blz. 28). Het geheele aantal in 1858 was, naar men meende,
-53700 en in 1874, na verloop van een tweede veertiental jaren, werd een
-nieuwe telling gedaan en werd het aantal opgegeven als 36359, dus een
-vermindering van 32,29 perc.! [435]
-
-Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft
-aangetoond van de verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk
-pleegt te verklaren, zooals nieuwe ziekten, de losbandigheid der
-vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op zwaarwichtige
-gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de
-onvruchtbaarheid der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de
-kleine kinderen (blz. 31, 34). Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz.
-33), dat er in 1844 één onvolwassene was op elke 2,57 volwassenen,
-terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28
-volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een
-verdere oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der
-beide seksen aan; want er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op
-dit laatste punt, dat misschien het gevolg van een geheel andere
-oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen. De heer Fenton
-stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de
-vermeerdering in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat
-verschillen, terwijl hun bewoners tegenwoordig bijna geheel op de
-zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven hun achteruitgang tot
-op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding en
-de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal,
-wanneer wij den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de
-vruchtbaarheid nagaan, zien, dat zij waarschijnlijk gelijk hebben. De
-vermindering begon tusschen de jaren 1830 en 1840, en de heer Fenton
-toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr eetbaar te
-maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote
-schaal in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een
-verandering in levenswijze begon te komen onder de inboorlingen, zelfs
-toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen was bevolkt. Toen ik in
-1835 de „Bay of Islands” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der
-inboorlingen reeds groote wijzigingen ondergaan; zij kweekten
-aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden die voor
-Engelsche manufacturen en tabak.
-
-Uit vele opgaven in de levensbeschrijving van Bisschop Patterson [436]
-blijkt, dat de Melanesiërs van de Nieuwe Hebriden en naburige
-archipels, in buitengewone mate in hun gezondheid leden en in groot
-aantal stierven, toen zij naar Nieuw-Zeeland, het eiland Norfolk en
-andere gezonde plaatsen werden overgebracht, om tot zendelingen te
-worden opgeleid.
-
-De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even
-bekend als die in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat
-waren er over te oordeelen, wordt het aantal inboorlingen, ten tijde
-dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op 300000 geschat. Volgens een
-oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds 142050. In
-1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een
-nauwkeurige volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende
-opgaven kunnen verkrijgen:
-
-
- JAREN. INLANDSCHE Jaarlijksche vermindering
- BEVOLKING. in percenten,
- onderstellende, dat die
- (Uitgezonderd gelijkmatig is geweest
- gedurende 1832 en tusschen twee
- 1836, toen de opeenvolgende
- weinige volkstellingen, daar deze
- vreemdelingen die op tellingen met
- de eilanden waren, onregelmatige
- er bij werden tusschenruimten werden
- opgenomen.) gehouden.
-
- 1832 130313
- 4,46
- 1836 108579
- 2,47
- 1853 71019
- 0,81
- 1860 67084
- 2,18
- 1866 58765
- 2,17
- 1872 51531
-
-
-Wij zien hieruit, dat in het verloop van veertig jaren, tusschen 1832
-en 1872, de bevolking niet minder dan acht-en-zestig percent is
-afgenomen! Dit is door de meeste schrijvers toegeschreven aan de
-ongebondenheid der vrouwen, aan vroegere bloedige oorlogen, aan den
-harden arbeid aan overwonnen stammen opgelegd, en aan nieuw ingevoerde
-ziekten, die bij verschillende gelegenheden uiterst veel slachtoffers
-hebben gemaakt. Zonder twijfel hebben deze en andere dergelijke
-oorzaken krachtdadig gewerkt, en kunnen zij wellicht de buitengewoon
-sterke vermindering tusschen 1832 en 1836 verklaren; maar de krachtigst
-werkende van alle oorzaken schijnt de afneming der vruchtbaarheid te
-zijn. Volgens Dr. Ruschenberger, van de Marine der Vereenigde Staten,
-die deze eilanden tusschen 1835 en 1837 bezocht, hadden in één district
-van Hawaii, slechts vijf-en-twintig mannen van 1884, en in een ander
-district slechts tien van 637 een huisgezin met drie of meer kinderen.
-Van tachtig gehuwde vrouwen hadden slechts negen-en-dertig ooit een
-kind gebaard; en „het officiëele rapport geeft een gemiddelde van een
-half kind op elk gehuwd paar in het geheele eiland.” Dit is bijna
-volkomen het zelfde gemiddelde als bij de Tasmaniërs te Oyster Cove.
-Jarves die zijn „Geschiedenis der Hawaii-eilanden” in 1843 uitgaf,
-zegt, „huisgezinnen die drie kinderen hebben, zijn vrij van alle
-belastingen; die welke er meer hebben, worden beloond door
-landschenkingen en andere aanmoedigingen.” Dit ongeëvenaarde besluit
-van de regeering toont goed aan, hoe onvruchtbaar het ras was geworden.
-De weleerw. heer A. Bishop getuigde in den „Hawaiischen Spectator” in
-1839, dat een groot gedeelte der kinderen vroegtijdig sterven, en
-Bisschop Staley meldt mij, dat dit nog het geval is, juist als in
-Nieuw-Zeeland. Dit is toegeschreven aan het veronachtzamen der kinderen
-door de vrouwen, maar het is waarschijnlijk grootendeels het gevolg van
-aangeboren zwakheid van gestel der kinderen, die in betrekking staat
-met de verminderde vruchtbaarheid hunner ouders. Er is daarenboven nog
-een punt van overeenkomst met Nieuw-Zeeland in het feit, dat er veel
-meer jongens dan meisjes worden geboren; de volkstelling van 1872 geeft
-31650 mannen tegen 25247 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is 125.36
-mannen op elke 100 vrouwen, terwijl in alle beschaafde landen de
-vrouwen talrijker zijn dan de mannen. Ongetwijfeld kan de
-ongebondenheid der vrouwen gedeeltelijk haar geringe vruchtbaarheid
-verklaren; maar de verandering in haar levenswijze is een veel
-waarschijnlijker oorzaak, die tevens rekenschap kan geven van de
-toeneming der sterfte, voornamelijk onder de kinderen. De eilanden
-werden in 1779 door Cook, in 1794 door Vancouver, en later dikwijls
-door walvischvaarders bezocht. In 1819 kwamen er zendelingen, en
-bevonden, dat de afgodendienst reeds was afgeschaft en meer andere
-veranderingen door den Koning waren gemaakt. Na dezen tijd had een
-snelle verandering in de geheele levenswijze der inboorlingen plaats,
-en werden zij spoedig „de meest beschaafde eilandbewoners van den
-Stillen Oceaan.” Een van mijn zegslieden, de heer Coan, die op de
-eilanden werd geboren, merkt op, dat de inboorlingen een grooter
-verandering in hun levenswijze hadden ondergaan in den loop van vijftig
-jaren, dan de Engelschen gedurende een duizendtal jaren. Volgens
-inlichtingen ontvangen van Bisschop Staley, schijnt het, dat er nooit
-veel verandering is gekomen in de voedingsmiddelen der arme klassen,
-hoewel vele nieuwe soorten van vruchten zijn ingevoerd, en het
-suikerriet in algemeen gebruik is. Ten gevolge van hun hartstocht om de
-Europeanen na te volgen, veranderden zij echter hun wijze van zich te
-kleeden reeds vroeg, en werd het gebruik van alcoholische dranken zeer
-algemeen. Hoewel deze veranderingen niet groot schijnen, kan ik wel
-gelooven, in aanmerking genomen wat omtrent dieren bekend is, dat zij
-voldoende konden zijn om de vruchtbaarheid van de inboorlingen te
-verminderen. [437]
-
-Eindelijk getuigt de heer Macnamara [438], dat de laag staande en
-ontaarde bewoners der Andaman-eilanden, in het oostelijk gedeelte van
-de golf van Bengalen, „bij uitnemendheid gevoelig zijn voor elke
-verandering van klimaat; als men hen wegvoert uit de eilanden die zij
-bewonen, sterven zij bijna altijd en dat onafhankelijk van het voedsel
-en van uitwendige invloeden.” Hij getuigt verder, dat de bewoners van
-de vallei van Nepaul, die in den zomer uiterst heet is, en ook de
-verschillende bergstammen van Engelsch-Indië, aan dyssenterie en koorts
-lijden, als zij in het vlakke land komen, en sterven, als zij het
-geheele jaar daar trachten door te brengen.
-
-Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig
-zijn om veel in hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van
-levensvoorwaarden of leefwijze worden onderworpen, en niet uitsluitend,
-als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht. Eenvoudige
-veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te
-zijn, schijnen de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene
-gevallen zijn vooral de kinderen vatbaar om daardoor te lijden. Men
-heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls gezegd, dat de mensch
-ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten en
-andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen.
-De mensch schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als
-zijn naaste verwanten, de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn
-blijven leven, als zij uit hun geboorteland werden verwijderd.
-
-Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden,
-gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en,
-naar het schijnt, ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan
-hun vatbaarheid voor ziekte en dood; want zelfs een geringe mate van
-onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere oorzaken welke er naar
-streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger of
-later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in
-sommige gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen
-(gelijk tot voor korten tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer
-Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring in geenen deele voldoende
-is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij de Tasmaniërs.
-
-In de boven aangehaalde verhandeling geeft de heer Macnamara redenen op
-om te gelooven, dat de bewoners van streken waar moeraskoortsen
-heerschen, neiging hebben onvruchtbaar te worden; maar dit kan in vele
-der bovengenoemde gevallen niet van toepassing zijn. Sommige schrijvers
-hebben de onderstelling uitgesproken, dat de inboorlingen van eilanden
-in gezondheid en vruchtbaarheid achteruitgaan wegens het lang
-voortgezette huwen van nauw met elkander verwante personen; maar in de
-bovengenoemde gevallen viel de onvruchtbaarheid te nauwkeurig samen met
-de aankomst der Europeanen, dan dat wij met deze verklaring zouden
-kunnen instemmen. Ook hebben wij tot dusver volstrekt geen reden om te
-gelooven, dat de mensch in hooge mate gevoelig is voor de slechte
-gevolgen van huwelijken tusschen nauwverwante personen, vooral in
-landen zoo groot als Nieuw-Zeeland en den Sandwich-archipel met zijn
-verschillende eilanden. Daarentegen is het bekend, dat de tegenwoordige
-bewoners van Norfolk allen neven of elkander naaste bloedverwanten
-zijn, gelijk ook het geval is met de Toda’s in Indië en de bewoners van
-sommige eilanden bewesten Schotland; en toch schijnen zij niet in hun
-vruchtbaarheid te hebben geleden. [439]
-
-Tot een veel meer waarschijnlijke onderstelling wordt men geleid door
-de analogie der lagere dieren. Het kan worden bewezen, dat het
-voortplantingsstelsel (ofschoon wij niet weten waarom) in buitengewone
-mate gevoelig is voor verandering in de levensvoorwaarden; en deze
-gevoeligheid leidt zoowel tot heilzame als tot slechte resultaten. Een
-groote verzameling feiten omtrent dit onderwerp is medegedeeld in
-hoofdstuk XVIII van deel II van mijn „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”; ik kan hier slechts een zeer kort uittreksel daarvan
-geven; ieder die in dit onderwerp belang stelt, kan bovengenoemd werk
-raadplegen. Zeer geringe veranderingen vermeerderen de gezondheid,
-kracht en vruchtbaarheid van bijna alle organische wezens, terwijl men
-weet, dat andere veranderingen een groot aantal dieren onvruchtbaar
-maken. Een van de meest bekende gevallen is, dat tamme olifanten zich
-in Engelsch-Indië niet voortplanten, hoewel zij zich dikwijls
-voortplanten in Ava, waar men de wijfjes tot op zekere hoogte toestaat
-in de bosschen rond te zwerven, en zij dus onder meer natuurlijke
-voorwaarden leven. Het geval van onderscheiden Amerikaansche apen
-waarvan beide seksen langen tijd bij elkander gevangen werden gehouden
-in hun eigen vaderland, en die zich toch zelden of nooit hebben
-voortgeplant, is een meer geschikt voorbeeld, wegens hun verwantschap
-met den mensch. Het is opmerkelijk, hoe gering een verandering in de
-levensvoorwaarden dikwijls onvruchtbaarheid veroorzaakt bij een wild
-dier, wanneer het gevangen wordt; en dit is des te vreemder, omdat al
-onze huisdieren vruchtbaarder zijn dan zij in den natuurstaat waren, en
-sommige van hen kunnen de meest onnatuurlijke levensvoorwaarden
-weêrstaan, zonder dat hun vruchtbaarheid vermindert. [440] Sommige
-groepen van dieren zijn er veel meer dan andere aan onderhevig om door
-gevangenschap te worden aangedaan; en over het algemeen worden alle
-soorten van de zelfde groep op de zelfde wijze aangedaan. Soms wordt
-echter een enkele soort van een groep daardoor onvruchtbaar gemaakt,
-terwijl de andere zulks niet worden; van den anderen kant behoudt soms
-een enkele soort haar vruchtbaarheid, terwijl de meeste andere zich
-niet voortplanten. Van sommige soorten paren de mannetjes nooit met de
-wijfjes, als zij zijn opgesloten, of als men hun in hun vaderland
-veroorlooft bijna, maar niet geheel en al vrij te leven; andere paren
-onder die omstandigheden dikwijls maar brengen nooit jongen voort; nog
-weêr andere brengen wel jongen voort, maar minder dan in den
-natuurstaat; en als toepasselijk op bovenvermelde gevallen bij den
-mensch, is het van belang op te merken, dat die jongen meestal zwak en
-ziekelijk of misvormd zijn, en dikwijls op jeugdigen leeftijd sterven.
-
-Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het
-voortplantingsstelsel voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij
-doorgaat bij onze naaste verwanten, de Vierhandige Zoogdieren, kan ik
-moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk is op den mensch in
-zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of andere
-ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen,
-worden zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in
-gezondheid, op de zelfde wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant
-en jachtluipaard van Indië, vele apen in Amerika, en een groote menigte
-dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke
-levensvoorwaarden worden onttrokken.
-
-Wij kunnen inzien hoe het komt, dat in het bijzonder inboorlingen die
-lang eilanden hebben bewoond en lang aan bijna volkomen gelijke
-levensvoorwaarden moeten zijn onderworpen geweest, zullen worden
-aangedaan door elke verandering in hun levenswijze, gelijk het geval
-schijnt te zijn. Beschaafde rassen kunnen zeker allerlei soort van
-veranderingen veel beter weêrstaan dan wilden, en in dit opzicht
-gelijken zij op tamme dieren; want, hoewel deze laatste soms in hun
-gezondheid lijden (bij voorbeeld Europeesche honden in Indië), worden
-zij toch zelden onvruchtbaar gemaakt, hoewel daarvan toch enkele
-voorbeelden zijn opgeteekend. [441] Het niet aangedaan worden van
-beschaafde rassen en tamme dieren wordt waarschijnlijk veroorzaakt,
-omdat zij in meerdere mate onderworpen zijn geweest en daarom wat meer
-zijn gewend aan verschillende en afwisselende levensvoorwaarden dan de
-meeste wilde dieren, en omdat zij in vroeger tijd uit andere landen
-overgebracht of van het eene land naar het andere medegevoerd zijn, en
-dat verschillende families of onder-rassen met elkander zijn gekruist.
-Het schijnt, dat een kruising met beschaafde rassen dadelijk een
-inlandsch ras beveiligt tegen de kwade gevolgen van de verandering van
-levensvoorwaarden. Zoo vermeerderde de gekruiste nakomelingschap van
-Tahitiërs en Engelschen, die zich op het eiland Pitcairn hadden
-gevestigd, zoo snel, dat het eiland spoedig overbevolkt was en in Juni
-1856 werden zij naar het eiland Norfolk overgebracht. Zij bestonden
-toen uit 60 gehuwde personen en 134 kinderen, een totaal van 194
-uitmakende. Hier vermeerderden zij eveneens zoo snel, dat, hoewel
-zestien van hen in 1859 naar het eiland Pitcairn terugkeerden, zij in
-Januari 1868 300 zielen telden, waaronder juist evenveel mannen als
-vrouwen. Welk een tegenstelling vormt dit geval met de Tasmaniërs; de
-Norfolk-eilanders vermeerderden in slechts twaalf en een half jaar van
-194 tot 300, terwijl de Tasmaniërs in vijftien jaar van 120 tot 46
-afnamen, van welk laatste getal slechts tien kinderen waren. [442]
-
-Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872
-de inboorlingen van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af,
-terwijl de half-bloedigen, die men voor gezonder houdt, met 847
-vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste getal de kinderen van
-de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de eerste
-generatie omvat.
-
-De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot
-inboorlingen die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten
-gevolge van de immigratie van blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en
-slechte gezondheid zouden waarschijnlijk volgen, indien wilden door de
-eene of andere oorzaak, zooals een inval van een veroverenden stam,
-werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te
-veranderen. Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste
-hinderpaal tegen het temmen van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat
-zij, toen zij voor het eerst werden gevangen, het vermogen bezaten om
-zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal voor
-wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te
-blijven leven en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de
-onvruchtbaarheid ten gevolge van verandering in de levensvoorwaarden.
-
-Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving
-der menschenrassen een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien
-dat zij van vele oorzaken afhangen en op verschillende plaatsen en in
-verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde moeielijke
-vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere
-dieren oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in
-Zuid-Amerika verdween om spoedig daarna in de zelfde streken door
-tallooze kudden van Spaansche paarden te worden vervangen. De
-Nieuw-Zeelander schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij
-vergelijkt zijn toekomstig lot met dat van de inlandsche rat, die door
-de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid, hoewel groot
-in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken
-wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn,
-zoolang wij voortdurend bedenken, dat de vermeerdering van elke soort
-en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan door verschillende
-hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal of
-oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker
-in aantal zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden
-een grooten afkeer hebben van elke verandering van gewoonten, waardoor
-nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden opgewogen, zal de afneming
-van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden, terwijl het
-einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van
-vermeerderende veroverende stammen.
-
-
-Over het Ontstaan der Menschenrassen.—Wij mogen vooropzetten, dat,
-wanneer wij het zelfde ras, hoewel in afzonderlijke stammen verdeeld,
-over een groote oppervlakte, zooals over Amerika, verspreid vinden, wij
-hun gemeenschappelijke gelijkenis mogen toeschrijven aan afstamming van
-een gemeenschappelijken stamvorm. In sommige gevallen heeft de kruising
-van rassen die reeds verschillend waren, aanleiding gegeven tot de
-vorming van nieuwe rassen. Het vreemde feit, dat Europeanen en
-Hindoe’s, die tot den zelfden Arischen stam behooren en een taal
-spreken, die in den grond der zaak de zelfde is, sterk in uiterlijk
-verschillen, terwijl de Europeanen slechts weinig verschillen van de
-Joden die tot den Semietischen stam behooren en een geheel andere taal
-spreken, is door Broca [443] daaraan toegeschreven, dat de takken der
-Ariërs zich gedurende hun verre verspreiding op groote schaal met
-onderscheidene stammen van inboorlingen hebben gekruist. Als twee
-stammen die in elkanders onmiddellijke nabijheid wonen, zich met
-elkander kruisen, is het eerste gevolg daarvan een ongelijksoortig
-(heterogeen) mengsel: zoo zegt de heer Hunter, de Santali’s of
-heuvelstammen van Indië beschrijvende, dat men honderden onmerkbare
-overgangen kan waarnemen „van de zwarte, gedrongen gebouwde bergstammen
-af tot den grooten olijfkleurigen Brahmaan, met zijn verstandig
-aangezicht, kalmen blik en hoog maar smal hoofd, toe”, zoodat het bij
-gerechtshoven noodig is aan de getuigen te vragen, of zij Santali’s of
-Hindoe’s zijn. [444] Of een ongelijksoortig (heterogeen) volk, zooals
-de bewoners van sommige Polynesische eilanden, gevormd door de kruising
-van twee verschillende rassen, waarvan weinig of geen zuivere leden
-overbleven, ooit gelijksoortig (homogeen) zou worden, is door geen
-directe bewijzen bekend. Daar echter bij onze huisdieren een gekruist
-ras zeker in den loop van weinige geslachten door een zorgvuldige
-teeltkeus [445] standvastig en eenvormig kan worden gemaakt, mogen wij
-hieruit afleiden, dat de vrije en verlengde kruising van een
-ongelijksoortig (heterogeen) mengsel gedurende vele generaties de
-plaats der teeltkeus zou vervangen, en elke neiging tot atavisme
-overwinnen, zoodat een gekruist ras ten laatste gelijksoortig
-(homogeen) zou worden, al deelde het ook niet in gelijke mate in de
-kenmerken der beide stamrassen.
-
-Van alle verschillen tusschen de menschenrassen loopt de kleur der huid
-het meest in het oog en is ook een der meest kenmerkende. Men dacht
-vroeger, dat men verschillen van deze soort kon verklaren door
-langdurige blootstelling aan verschillende luchtstreken (klimaten);
-maar Pallas was de eerste die aantoonde, dat deze meening niet houdbaar
-is, en hij is door bijna alle anthropologen gevolgd. [446] Deze meening
-is hoofdzakelijk daarom verworpen, omdat de geographische verspreiding
-der verschillend gekleurde rassen, van welke de meeste lang hun
-tegenwoordige woonplaatsen moeten hebben bewoond, niet samenvalt met
-overeenkomstige verschillen van klimaat. Er moet ook gewicht worden
-gehecht aan zulke gevallen, als die der Nederlandsche familiën, welke,
-zooals wij van een uitnemende autoriteit hooren [447], na een verblijf
-van drie eeuwen in Zuid Afrika niet de minste verandering in kleur
-hebben ondergaan. Het eenvormig uiterlijk in verschillende deelen der
-wereld van Heidens (Zigeuners) en Joden, hoewel de eenvormigheid dezer
-laatsten wat overdreven is geworden [448], is eveneens een bewijs voor
-het zelfde. Men heeft ondersteld, dat een zeer vochtige of zeer droge
-dampkring meer invloed had op de wijziging der huidskleur, dan de hitte
-alleen; maar daar d’Orbigny in Zuid-Amerika en Livingstone in Afrika
-ten opzichte van vochtigheid en droogte tot lijnrecht tegenovergestelde
-besluiten zijn gekomen, moet elk besluit daaromtrent als hoogst
-twijfelachtig worden beschouwd. [449]
-
-Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de
-kleur van de huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt
-met een volstrekt beveiligd zijn voor de werking van zekere
-plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere woekerdieren
-(parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere
-donkergekleurde rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen,
-doordat gedurende een lange reeks van geslachten de donkerste
-individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van hun geboorteland
-waren ontsnapt.
-
-Ik vond later, dat het zelfde denkbeeld reeds lang te voren bij Dr.
-Wells was opgekomen. [450] Dat negers en zelfs mulatten bijna volkomen
-bevrijd blijven van de gele koorts, die in tropisch Amerika zoo groote
-verwoestingen aanricht, is reeds lang bekend geweest. [451] Zij blijven
-ook grootendeels vrij van de noodlottige tusschenpoozende
-(intermitteerende) koortsen, die langs minstens 2600 mijlen van de
-kusten van Afrika heerschen en jaarlijks een vijfde gedeelte der blanke
-kolonisten doen sterven, terwijl een ander vijfde gedeelte met geknakte
-gezondheid naar het vaderland moet terugkeeren. [452] Deze vrijdom van
-den neger schijnt gedeeltelijk aangeboren en van de eene of andere
-onbekende bijzonderheid van het gestel afhankelijk, en gedeeltelijk het
-gevolg van acclimatisatie te zijn. Pouchet [453] getuigt, dat de
-negerregimenten, van den Onderkoning van Egypte voor den Mexicaanschen
-oorlog geleend, die in de nabijheid van Soedan waren aangeworven, bijna
-even goed aan de gele koorts ontsnapten als de negers die
-oorspronkelijk uit verschillende deelen van Afrika waren aangevoerd en
-aan het klimaat der West-Indiën gewend. Dat acclimatisatie in het spel
-komt, wordt aangetoond door verschillende gevallen waarin negers, na
-eenigen tijd in een kouder klimaat te hebben doorgebracht, tot op
-zekere hoogte vatbaar voor tropische koortsen zijn geworden. [454] De
-aard van het klimaat waarin de blanke rassen lang hebben geleefd, heeft
-eveneens eenigen invloed op hen; want gedurende de verschrikkelijke
-epidemie van gele koorts in Demerary in het jaar 1837, vond Dr. Blair,
-dat de sterfte der landverhuizers evenredig was aan de breedte van het
-land van waar zij waren gekomen. Bij den neger onderstelt de vrijdom,
-voor zoover hij het gevolg van acclimatisatie is, blootstelling aan het
-klimaat gedurende een verbazende lengte van tijd; want de inboorlingen
-van tropisch Amerika, die daar sedert onheugelijke tijden hebben
-gewoond, zijn niet gevrijwaard voor de gele koorts, en de weleerw. heer
-B. Tristram getuigt, dat er in Noord-Afrika streken zijn, welke de
-inboorlingen jaarlijks genoodzaakt zijn te verlaten, hoewel de negers
-er veilig kunnen blijven. (19)
-
-Dat de vrijdom van den neger eenigermate samenhangt met de kleur van
-zijn huid, is een bloote onderstelling; hij kan ook samenhangen met een
-of ander verschil in zijn bloed, zenuwstelsel of andere weefsels. Toch
-scheen mij wegens de feiten waarop hierboven is gedoeld, en wegens het
-verband dat er schijnt te bestaan tusschen de gelaatskleur en den
-aanleg voor tering, deze onderstelling niet onwaarschijnlijk. Ik
-trachtte mij daarom te vergewissen, maar met weinig succes [455], in
-hoever zij steek hield. Wijlen Dr. Daniell, die lang op de westkust van
-Afrika had gewoond, zeide mij, dat hij volstrekt niet aan een
-dergelijke betrekking geloofde. Hij was zelf buitengewoon blond en had
-het klimaat verwonderlijk goed weêrstaan. Toen hij het eerst als een
-jongen op de kust kwam, had een oud en ondervindingrijk negerhoofd uit
-zijn uiterlijk voorspeld, dat dit het geval zou zijn. Dr. Nicholson,
-van Antigua, schreef mij, na op dit onderwerp te hebben acht gegeven,
-dat hij niet dacht, dat donker gekleurde Europeanen beter aan de gele
-koorts ontsnapten, dan diegenen welke licht gekleurd waren. De heer J.
-M. Harris ontkent volstrekt, dat Europeanen met donker haar een heet
-klimaat beter weêrstaan dan andere menschen; de ondervinding heeft hem
-integendeel geleerd om bij het uitkiezen van manschappen voor den
-dienst op de Afrikaansche kust, diegenen uit te zoeken, welke rood haar
-hebben. [456] Zoover derhalve uit deze kleine aanwijzingen valt op te
-maken, schijnt er geen grond te zijn voor de onderstelling, die door
-onderscheidene schrijvers is gemaakt, dat de kleur der zwarte rassen
-daarvan het gevolg zou zijn, dat de donkerste individu’s telkens in
-grooter getal in leven bleven gedurende hun blootstelling aan de
-koorts-voortbrengende miasmen van hun geboortelanden.
-
-Dr. Sharpe merkt op [457], dat een tropische zon, die een blanke huid
-brandt en er blaren op doet ontstaan, een zwarte volstrekt niet
-benadeelt; en, gelijk hij er bijvoegt, dit komt niet omdat het individu
-er aan gewend is; want kinderen van zes of acht maanden worden naakt
-overal heêngedragen, en worden niet aangedaan. Een arts heeft mij
-verzekerd, dat eenige jaren geleden, elken zomer, maar niet gedurende
-den winter, op zijn handen lichtbruine plekken ontstonden, gelijkende
-op sproeten, hoewel grooter, en dat deze plekken niet werden aangedaan
-door het branden van de zon, terwijl de blanke deelen van zijn huid bij
-verschillende gelegenheden zeer ontstoken en met blaren bedekt werden.
-Ook bij de lagere dieren bestaat er een constitutioneel verschil in
-vatbaarheid voor de werking van de zon tusschen de deelen die met wit
-haar zijn bedekt, en andere deelen. [458] Of de beschutting van de huid
-tegen het branden der zon van genoegzaam belang is om te doen
-onderstellen, dat een donkere tint door den mensch trapsgewijze door
-natuurlijke teeltkeus is verkregen, kan ik niet beoordeelen. Indien dit
-zoo ware, zouden wij moeten aannemen, dat de inboorlingen van tropisch
-Amerika daar gedurende veel korter tijd hebben geleefd dan de negers in
-Afrika, of de Papoea’s in de zuidelijke gedeelten van den Maleischen
-archipel, juist gelijk de lichter gekleurde Hindoe’s gedurende korter
-tijd in Engelsch Indië hebben gewoond, dan de donkerder inboorlingen
-van de centrale en zuidelijke gedeelten van dat schiereiland.
-
-Hoewel wij ons met onze tegenwoordige kennis van de sterk sprekende
-verschillen in kleur tusschen de menschenrassen geen rekenschap kunnen
-geven, noch door samenhang met constitutioneele bijzonderheden, noch
-door directe werking van het klimaat, zoo moeten wij toch deze laatste
-niet geheel buiten rekening laten; want er zijn goede redenen om te
-gelooven, dat daardoor eenige overgeërfd wordende uitwerking wordt
-voortgebracht. [459] Wij hebben in ons vierde hoofdstuk gezien, dat de
-levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel en over het algemeen de
-aangenaamheden des levens, op de zelfde wijze terugwerken op het
-maaksel van ons lichaam, en dat de gevolgen daarvan erfelijk zijn. Door
-den vereenigden invloed van het klimaat en de veranderde levenswijze
-ondergaan Europeesche kolonisten in de Vereenigde Staten, naar men
-algemeen aanneemt, een geringe, maar buitengewoon snelle verandering
-van uiterlijk. Er zijn ook een aanzienlijk aantal bewijzen, dat in de
-Zuidelijke Staten de huisslaven van de derde generatie in uiterlijk
-merkbaar van de veldslaven verschilden. [460]
-
-Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de
-wereld zijn verspreid, moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van
-hun kenmerkende verschillen geen rekenschap kan geven door de directe
-werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat zij daaraan
-gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s
-leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed,
-en zijn blootgesteld aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch
-verschillen zij niet uitermate veel van de bewoners van zuidelijk
-China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna naakt zijn
-blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat. De ongekleede
-Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije
-stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van
-het binnenland en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch
-gelijken deze stammen zoozeer op elkander, dat de Vuurlanders aan boord
-van de „Beagle” door sommige Brazilianen voor Botocudo’s werden
-aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch
-Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de
-tegenovergestelde kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een
-ongeveer gelijksoortig klimaat zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde
-levenswijze leiden.
-
-Wij kunnen ons van de verschillen tusschen de menschenrassen ook geen
-rekenschap geven, behalve tot op een volkomen onbeteekenende hoogte,
-door middel van de overgeërfde gevolgen van vermeerderd of verminderd
-gebruik van deelen. Menschen die gewoonlijk in kano’s leven, kunnen wat
-korter beenen, zij die hooge streken bewonen, wat grooter borstkassen
-hebben verkregen; en bij hen die sommige zintuigen voortdurend
-gebruiken, kunnen de holten waarin deze zijn geplaatst, een weinig in
-grootte toegenomen, en hun gelaatstrekken derhalve een weinig gewijzigd
-zijn. Bij beschaafde volken hebben de afneming van de grootte der kaken
-wegens vermindering van het gebruik, de gewoonten van verschillende
-spieren in beweging te brengen om verschillende gemoedsaandoeningen uit
-te drukken en de toeneming in grootte van de hersenen ten gevolge van
-grootere verstandelijke werkzaamheid, allen te zamen een aanmerkelijke
-uitwerking gehad op hun algemeen uiterlijk aanzien in vergelijking met
-wilden. [461] Het is ook mogelijk, dat toeneming in lichaamsgrootte
-zonder overeenkomstige vermeerdering van de grootte der hersenen aan
-sommige rassen (te oordeelen naar de vroeger gemelde gevallen van
-konijnen) een langwerpigen schedel van het dolichocephale type heeft
-gegeven.
-
-Eindelijk zal bijna zeker het nog weinig begrepen beginsel van
-correlatie in werking zijn gekomen, zooals in het geval van groote
-ontwikkeling der spieren en sterk vooruitstekende wenkbrauwbogen. Het
-is niet onwaarschijnlijk, dat de aard van het haar, die bij de
-onderscheidene rassen veel verschilt, in de eene of andere soort van
-correlatie staat met het maaksel der huid; want tusschen de kleur van
-het haar en die van het vel bestaat zeker correlatie, evenals tusschen
-de kleur en den aard van het haar bij de Mandanen. [462] De kleur der
-huid en de door dezelve ontwikkelde geur staan eveneens op de eene of
-andere wijze met elkander in verband. Bij de schapenrassen staan het
-aantal haren binnen een gegeven ruimte en het aantal afscheidende
-poriën in eenige betrekking tot elkander. [463] Indien wij mogen
-oordeelen naar de analogie onzer huisdieren, behooren vele wijzigingen
-in maaksel bij den mensch waarschijnlijk te worden verklaard door het
-beginsel van correlatie van groei.
-
-Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen
-tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven
-door de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden, noch door de
-uitwerkselen van het voortdurend gebruik van deelen, noch door het
-beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om te
-onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch
-bij uitnemendheid eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een
-lange reeks van jaren zijn bewaard gebleven en vermeerderd. Hier
-stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat alleen voordeelige
-wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er over
-kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin
-dwalen) strekt geen van de uitwendige verschillen tusschen de
-menschenrassen hun tot eenig direct of bijzonder voordeel. De
-verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten natuurlijk van
-deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens
-kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De
-vroeger vermelde variabiliteit van al de kenmerkende verschillen
-tusschen de rassen toont eveneens aan, dat deze verschillen niet van
-veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk geweest, dan zouden
-zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard, of
-geëlimineerd zijn. In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen,
-welke door de natuuronderzoekers proteïsch of polymorphisch worden
-genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar het schijnt ten gevolge
-daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren en
-bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.
-
-Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap
-van de verschillen tusschen de menschenrassen te geven; er blijft
-echter nog één belangrijke invloed over, namelijk die der Seksueele
-Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt te hebben ingewerkt
-als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele
-teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de
-rassen. Er blijft een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze
-onwetendheid slechts kunnen zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend
-worden geboren, bij voorbeeld, met een weinig ronder of smaller hoofden
-en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke geringe verschillen
-wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt, indien
-de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige
-wijze bleven werken en door lang voortgezette kruisingen werden
-geholpen. Dergelijke variaties behooren tot de voorloopige afdeeling
-waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een
-betere uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin,
-dat de uitwerkselen der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke
-nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond; maar het kan worden bewezen,
-dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch niet was
-gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren,
-zoowel hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan
-worden bewezen, dat de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals
-die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm enz, van zulk een aard zijn, als
-men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van de inwerking der
-seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste wijs
-te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te
-beschouwen; ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan
-gewijd. Aan het einde zal ik tot den mensch terugkeeren, en, na
-beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever hij door seksueele
-teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken
-van dit Eerste Gedeelte geven.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij,
-zoodra ik den voet te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren
-even groote individueele verschillen vertoonden als de Europeanen. Ook
-de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental Hôtel te Suez kon ik
-dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch
-gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche
-studenten, die te gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook
-zeer ongelijk. Evenzoo de negers, en Chineezen en roodhuiden die ik in
-1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke ondervinding is dus in
-strijd met de hier gemaakte opmerkingen.
-
-(2) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen WOLHARIGE MENSCHEN
-(Homines Ulotriches) en SLUIKHARIGE MENSCHEN (Homines Lissotriches). De
-eersten worden nog verdeeld in Homines lophocomi, wier wolachtig
-kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten) en
-Homines eriocomi, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele
-schedelhuid is verspreid (b.v. de Kaffers en Negers). De laatsten
-onderscheidt men in Homines euthycomi, wier haren noch krullen noch
-lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen) en Homines
-euplocami, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de
-Kaukasiërs). Deze verschillen in den aard van het haar zijn voor de
-vergelijkende anthropologie, voor de studie der menschenrassen, van het
-hoogste gewicht.
-
-(3) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden
-waardoor zij van die van andere menschenrassen afwijken („Medizinische
-Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte”, 1887, blz. 121).
-
-(4) Door mijn Egyptische reis in den winter van 1869–70 ben ik in de
-gelegenheid hieromtrent eenige zelfstandige opmerkingen te maken. In
-een der grotten van Beni Hassan, die volgens Mariette van ongeveer 3000
-jaren vóór Chr. dagteekenen (in het graf van Noem-Hotep, gouverneur van
-de provincie Sah onder den Pharao Amenehemha II) ziet men een
-muurschildering waarop de overledene rechtopstaande afgebeeld is; voor
-hem staan personen, die men aan hun sterk geprononceerden arendsneus en
-zwarten puntigen baard dadelijk voor Semieten herkent, en volgens
-Mariette ook Semieten zijn. [464] In de beroemde salle hypostyle van
-den tempel van Karnak, waarvan de oudste opschriften volgens Mariette
-uit den tijd van Seti I(1450 j. v. Chr.) dagteekenen, vindt men hoogst
-merkwaardige bas-reliefs, waarop genoemde koning zijn veldtochten in
-Westelijk Azië tegen de Armeniërs, de Assyriërs, de Schasoe en de Kharo
-heeft afgebeeld, terwijl andere de veldtochten van den Pharao Sesak
-tegen Palaestina voorstellen. Op die bas-reliefs zijn de nationale
-typen der overwonnenen zeer goed teruggegeven; de Assyriërs gelijken
-zeer op de afbeeldingen uit Niniveh; in de Schasoe (volgens Mariette
-een soort van woestijn-Arabieren of Bedoeïnen) is het Semietische type
-zeer goed te herkennen. Aan den hoofdingang van het paleis van Rhamses
-III (dat een gedeelte uitmaakt van den zoogenaamden tempel van
-Medinet-Aboe te Thebe) vindt men bas-reliefs, die den koning
-voorstellen, de krijgsgevangenen, door hem in zijn vele oorlogen
-gemaakt, aan de goden aanbiedende; elk dier krijgsgevangenen, waaronder
-ik o.a. zeer goed te herkennen Negers en Semieten opmerkte, vertoont
-het type van zijn ras met merkwaardige getrouwheid, en daar de namen er
-in hiëroglyphen zijn bijgeschreven, heeft men hier volgens Mariette de
-merkwaardigste van alle bekende bijdragen tot de ethnologie van
-Westelijk Azië, Libye en Soedan in de XIIIde eeuw v. Chr.
-
-Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude
-Egyptenaren voorstellen, op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae
-boven den eersten waterval van den Nijl toe, zeer duidelijk het zelfde
-bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking van
-Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd
-blijven van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën
-(zooals Mr. Snellen van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend
-werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze der Insekten”,
-„Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A. C. Kruseman, 1870) als een
-bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten,
-dat ook de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten,
-Negers) afzonderlijke scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun
-standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven kan niemand bewijzen, dat
-het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige kever of
-scarabaeus Ateuchus sacer) werkelijk volkomen onveranderd is gebleven.
-[465] Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier
-grootste roem dikwijls bestaat in het vinden van ééne of meer nieuwe
-soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd,
-verloopen sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van
-de eeuwigheid, die even goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de
-grootste ontwikkeling is in overvloed verloopen, al ging die
-ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten
-onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat
-het meeste dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is,
-waarop het is geschreven.”
-
-In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11,
-een paar afbeeldingen van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van
-een Nubiër, blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten,
-allen naar afbeeldingen op Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6,
-vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit Lachish (II Kon. XVIII, 14;
-Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het paleis van den
-Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr.
-Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en
-aarzelen daaruit te besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor
-Christus, er even zoo hebben uitgezien, als thans.”
-
-Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad
-om, als zij voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus,
-Maria en de Apostelen, of Mozes en andere Joodsche personen uit het
-Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken van Egyptenaars of
-Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen in hun
-schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver
-Indo-Germaansche gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij,
-als de „Vierge au Singe” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf
-aangaat een meesterstuk, waarop Maria afgebeeld is als een Duitsche
-vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina niet
-voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den
-achtergrond een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!
-
-(5) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed
-onderzocht, welke het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo
-vond men nabij Nieuw-Orleans in het Mississippi-delta bij diepe
-boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen, waarin boomen
-van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120
-jaarringen op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar
-oud zou wezen. In het vierde dier bosschen vond men onder de wortels
-van een cypres een menschenschedel, waarvan de ouderdom door Dowler op
-57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde den typischen vorm van
-het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij Altaville in
-Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op
-een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van
-neushoorns en andere uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier
-lagen vulkanische asch van verschillende dikte, die met zandlagen
-afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie met
-rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van
-een Digger-Indiaan” (J. D. Whitney, in „A Human Skull, discovered in
-California”, Anthrop. Review N°. 20, blz. 119). Ook bij dezen schedel,
-de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden, vindt men dus het
-type van het Amerikaansche ras terug!
-
-Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”, Maart
-1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is
-opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den
-mensch in het tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.
-
-In 1889 vond men in Butte County (Californië) bij de bewerking der
-mijnen aldaar in pliocene grintlagen steenen mortieren, die blijkbaar
-producten van menschelijke kunstvlijt zijn. Zij zijn uitgehold in
-blokken metamorphisch gesteente, de uitholling is gemiddeld 24 c.M.
-lang, 18 c.M. breed en 16 c.M. diep. Deze mortieren geven een nieuw
-bewijs voor het bestaan van den mensch in Californië in het tertiaire
-tijdvak. Sedert zij werden gevonden, heeft de 60 mijlen van Cherokee
-verwijderde vulkaan Lassens Peak het door het water aangespoelde zand
-met lavastroomen bedekt en opgehouden te werken. De Sacramento, San
-Joaquin en andere rivieren bestonden nog niet toen de mensch deze
-mortieren bewerkte. Dalen van 600 M. diep zijn sedert in het basalt
-uitgehold. Beenderen van den mastodon werden in de nabijheid dezer
-steenen mortieren gevonden. [466]
-
-Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker
-Lund den 21sten Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas
-Geraes, in Brazilië, te samen met de overblijfselen van uitgestorven
-diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft gevonden, is het echter
-eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche
-roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de
-volgende resultaten, die hij in de zitting van de Fransche Académie des
-Sciences van den 28sten November 1881 mededeelde:
-
-1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met
-zoogdieren samengeleefd, die in de fauna van den tegenwoordigen tijd
-ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die Lund in de holen van
-Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze
-rendierperiode, doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in
-het tijdperk van den mammouth. 3. Van alle fossiele Europeanen
-onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa door een reeks van
-kenmerken, waarvan het meest in het oogvallende de vereeniging der
-dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië, zoowel als
-in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de
-vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht
-hebben Lacerda en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging
-van het Lagoa-Santa-type beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog
-worden bepaald, en tevens of men onder de Lagoa Santa gevonden
-overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden, maar ten
-minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook
-deel aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer
-of minder duidelijk voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In
-Peru en Bolivia toont dit type zijn tegenwoordigheid menigmaal even
-duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit element een minder
-algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend. 10.
-Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van
-Zuid-Amerika dan Peru en Brazilië.
-
-In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een
-uitvoerige beschrijving van bovengenoemde beenderen uit de holen van
-Lagoa-Santa gegeven. [467] De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol
-afkomstig; er werden daar echter geen dierenbeenderen er bij gevonden,
-door welke een bepaald besluit zou kunnen worden gemaakt omtrent de
-geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig
-waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij.
-De beenderen zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en
-meer of min met ijzerconglomeraten geïncrusteerd. Hun kleur varieert
-van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer krachtig
-ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde
-holen, waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden,
-vertoonen een opmerkelijke gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en
-tevens lang met afgeronde schedelwelving. Het gelaat is van middelbare
-grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar veeleer van
-pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten
-zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening
-gelegen deelen der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De
-doorsnede van den schedel, van jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot,
-de basis van den jukboog breed, de boven de tepelvormige uitsteeksels
-van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk
-ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij
-zijn dolichocephaal, een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens
-hun beschadigden toestand onmogelijk.
-
-Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke
-overeenstemming tusschen deze schedels en die der tegenwoordige
-Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de Quatrefages, dat er in
-Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan, dat
-zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland
-uitstrekte, en zich met brachycephale elementen heeft vermengd,
-ontvangt door hen een sterken steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa
-aan een op lagen trap staand ras behoorden, wordt ook bewezen door het
-bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen
-(onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot één been), verder
-door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het
-opperarmbeen, door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der
-„ruwe lijn” (linea aspera) en de aanwezigheid van een derden trochanter
-aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke
-zijdelingsche afplatting (platycnemie) der scheenbeenderen.
-
-In nauwe betrekking tot de quaestie van de oorspronkelijke bevolking
-van Amerika staan ook Soren Hanssen’s onderzoekingen omtrent de
-inboorlingen van Groenland. [468] Tijdens een verblijf aldaar mat hij
-1200 individu’s en vond, dat zij onderling verschilden. Terwijl de
-Eskimogroep aan den Angmasalikfjord (Oostkust van Groenland) uit
-krachtige, intelligente en energieke menschen bestaat, die 1,647 meter
-lang zijn, op de hoogte van de borst een omtrek van 93,7 c.M. hebben,
-een zelfstandige beschaving en verrassende kunstvaardigheid bezitten,
-schijnen andere Eskimostammen, die onder minder gunstige omstandigheden
-leven,—zooals bovenal het grootste gedeelte van stammen aan de westkust
-van Groenland,—gedegenereerd. Tegenwoordig zijn de Eskimo’s van de
-Indianen in het zuiden en de Mongolen in het westen scherp gescheiden;
-hun uitbreiding moet echter vroeger veel grooter zijn geweest dan thans
-[469]; zij moeten volgens Soren Hanssen als laatste overblijfsel van
-een oorspronkelijk Amerikaansch ras worden beschouwd, waarvan de
-voorvaders met de tegenwoordige Papoea’s verwant waren. Dit
-oorspronkelijke ras verspreidde zich over geheel Amerika, en nog thans
-bestaan er enkele onvermengde overblijfselen van. Dit is de oorzaak van
-de verrassende gelijkenis tusschen de Eskimo’s en enkele
-Indianenstammen (o.a. van Zuid-Amerika). Dit oorspronkelijke
-Amerikaansche ras heeft later voor een ander ras moeten wijken, dat
-allengs naar het zuiden doordrong en zich met de oudere bevolking
-vermengde, uit welke vermenging de roodhuiden ontstonden, die in hun
-uiterlijk en oorsprong veel minder één zijn dan men gewoonlijk
-aanneemt. Door dit gemengde ras werden de Eskimo’s naar het noorden
-gedrongen, hoewel ook zij eenigszins met het ingedrongen ras zijn
-vermengd.
-
-De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de
-Vereenigde Staten gevonden vuursteenwerktuigen toe aan het ras van
-Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig in Europa en in
-Amerika als oudste bevolking optrad.
-
-(6) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het
-Land van den Orang-oetan en den Paradijs-vogel”, door A. R. Wallace,
-Ned. vert. van Prof. P. J. Veth, 1870. De grenslijn tusschen de beide
-menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die tusschen de
-zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring
-van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras
-voor de zeevaart en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat
-werd gesteld zich over een deel van het aangrenzend gebied te
-verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te verdringen.
-
-Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij
-gelegenheid der koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene
-redevoering, getiteld: „Wissenschaftliche Aufgaben, welche der
-geologischen Erforschung des Indischen Archipels gestellt sind”, waarin
-hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de
-grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische
-gewest van Insulinde met de oorspronkelijke grens tusschen het
-Aziatische en Australische vasteland samenvalt.
-
-Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur
-1886, blz. 299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit,
-dat het als hoogstwaarschijnlijk kan worden aangenomen:
-
-1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet
-worden beschouwd; dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den
-Indischen Archipel loopende reeks vulkanen samenvalt.
-
-2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van
-genoemde grenslijn gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet
-oorspronkelijk bewoonden, doch er zich eerst later over hebben
-verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het Aziatische
-continent hoe langer hoe grooter werd.
-
-Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de
-beide menschenrassen iets oostelijker ligt dan die tusschen de
-zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger wijze, namelijk doordat de
-strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare Papoea’s
-lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.
-
-De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van
-Azië door die van het kleine vasteland van Australië is echter in
-strijd met wat wij in Amerika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien
-gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit het grootere vasteland
-(Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!
-
-(7) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika
-voorkomen, is dit alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der
-noordelijke poolstreken van Azië en Europa de Kamschadalen,
-Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken, Samojeden,
-Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken
-worden echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als
-takken van het Mongoolsche ras beschouwd. In taalkundig opzicht
-schijnen van al de genoemde volken alleen de Kamschadalen en
-Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.
-
-(8) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10,
-vinden wij in een artikel van Karl Andree, „Zur Kennzeichnung der
-Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen”, het volgende over de
-bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders
-opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers
-bekend werk over het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige
-voortbrengselen van den omgang in de struiken”, die slechts zelden bij
-den stam der zwarten eenigen tijd in het leven blijven. Dikwijls neemt
-de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel te baat om
-het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind,
-dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een
-vroegtijdigen dood. Al beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te
-Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden der Nieuw-Hollandsche mulatten
-een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door de zwarten
-onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden.
-Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg,
-vond onder hen geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van
-Nieuw-Holland zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de
-zendeling Schmidt in Queensland weet, „dat het een regel was, die
-dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson en andere voorsprekers
-der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip volkomen
-het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij
-de Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort,
-heeft men, wel is waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven
-gelaten en zulk een geel voortbrengsel wel eens met een zekeren trots,
-of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de blanken getoond.
-„That my picaninny,—you gib it sixpence?” zeide een zwarte lachend tot
-den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen, getuigt
-echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd
-laat leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.
-
-„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig
-omtrent hun bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld;
-maar Bonwick wederlegt hem met feiten.
-
-„De heer G. A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee,
-werd officiëel verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten
-waren vermoord en dat men elk hunner op een afzonderlijk vuur tot asch
-had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen plaats, zag de
-overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken
-van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in
-zijn district de halfbloed-meisjes somtijds in leven laat, doch de
-jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden slechts geduld, om
-als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging
-hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te
-worden prijsgegeven.”
-
-In het eerste nummer van de „Memoirs of the Literature of the Imperial
-University of Japan”, komt een belangrijke verhandeling voor van R. H.
-Chamberlain over de Aino’s, de oorspronkelijke bevolking van Japan, die
-thans nog op het eiland Jesso voorkomt en buitengewoon harig is. Bij
-vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en de bastaarden
-sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het
-menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.
-
-(9) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-
-(10) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790
-werd bevolkt door een deel der oproerige bemanning van het Engelsche
-schip de „Bounty”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden
-gevoegd. Bij hun aankomst waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten
-gevolge van twisten tusschen de Engelschen en de Tahitiërs stierven al
-deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young genaamd, en
-eenige vrouwen uit Tahiti, een gewelddadigen dood. Van deze weinige
-overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het eiland
-Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere
-bijzonderheden mededeelt.
-
-(11) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo
-zijn de kleine schaamlippen (nymphae) bij de Hottentotsche vrouwen
-aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe) en vormen het
-bekende tablier. Verder ontbreekt bij haar het frenulum, zoodat elke
-groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door
-een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze
-inrichting, die derhalve bij een der laagste menschenrassen normaal
-voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche pasgeboren kinderen
-(als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”,
-Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 en 150. Ook
-onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar
-zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich
-bij haar, vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen
-ontwikkelen. Zie Virey, „Histoire Naturelle du Genre Humain”, tome I,
-pl. 2.
-
-Over deze zoogenaamde steatopygie van de vrouwen der Hottentotten en
-Bosjesmannen hebben J. Deniker en P. Topinard [470] onderzoekingen
-ingesteld bij gelegenheid, dat er vertegenwoordigers dier beide rassen
-in den acclimatatietuin te Parijs te zien waren. Volgens Deniker komt
-de steatopygie bij alle Hottentotsche vrouwen voor, maar in
-verschillende graden van ontwikkeling. De vetafzetting begint geregeld
-eerst aan het bovenste achterste gedeelte der billen, daarop strekt zij
-zich verder over de zijdelingsche gedeelten en naar onderen, en ook
-over de aan de trochanters van het dijbeen grenzende streek uit.
-Verderop ontwikkelt zich fibreus weefsel, dat aan het vetkussen van het
-onderste gedeelte der billen ten steun strekt. De steatopygie blijft in
-den regel zelfs bestaan, als het individu overigens vermagert. Bij
-Kaffervrouwen komt de steatopygie evenmin voor als bij blanke vrouwen;
-bij de eersten bedraagt het uitsteken der billen slechts 3,6% der
-geheele lichaamslengte (bij Europeesche vrouwen 3,4%), en bij twee
-vrouwen van Bosjesmannen daarentegen 8,5%, bij ééne Hottentotsche vrouw
-zelfs 10%. Evenals Deniker beschouwt Topinard de steatopygie als een
-monsterachtigen vergrooting der billen, die niet slechts massiever en
-van grooteren omvang dan gewoonlijk zijn, maar ook den indruk maken,
-alsof zij naar boven omgebogen waren. Zij vormen van boven een
-horizontaal vlak, waarop groote voorwerpen gemakkelijk kunnen liggen.
-Naar onderen eindigen de steatopyge billen plotseling met een
-huidplooi. Bij enkele Hottentotsche vrouwen strekt zich de hypertrophie
-en vetontwikkeling over de geheele beenen uit tot aan de enkels, waar
-zij met een ringvormige opzwelling eindigen. Zulk een persoon ziet er
-dan uit alsof zij een wijde, geplooide broek aan had. Volgens Topinard
-is het niet onwaarschijnlijk, dat de steatopygie bij de vrouwen der
-Hottentotten en Bosjesmannen door seksueele teeltkeus is ontstaan, daar
-de mannen bij die volken een voorliefde voor vrouwen met sterk
-ontwikkelde billen hebben, terwijl deze laatsten door melkdiëet en
-volstrekte rust de vetontwikkeling trachten te bevorderen.
-
-Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over
-Deniker’s en Topinand’s onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in
-Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie door de gewoonte der
-bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen, of
-daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke
-verworven eigenschap hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat
-zich in ééne generatie bij vrouwen van ander ras, die aldus de kinderen
-droegen, steatopygie zou ontwikkelen.
-
-Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen
-zou volgens Topinard geen verband bestaan.
-
-Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte
-bijzonderheid van de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten
-beschreven. Vóór, buiten en iets boven den trochanter vindt men bij
-haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand in de
-aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen
-aanmerkelijk vergroot. De geheele aesthetische indruk dien de vorm
-eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen
-Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste
-breedte bezit, is bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het
-gedeelte tusschen de taille en het benedenste gedeelte der dijen het
-breedst. Toch bezitten die vrouwen een even smal bekken als de vrouwen
-der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige vorm
-door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.
-
-(12) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die
-zes rassen omvatten. De eerste soort, die zich o.a. door een
-gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het blanke
-ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken en
-Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras
-(Maleiers). De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van
-75°–80° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het zwarte ras (Negers,
-Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten, Papoea’s). Het is dus
-eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch twee
-soorten of rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „Histoire Naturelle du
-Genre Humain”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.
-
-(13) De nieuwste ons bekende indeeling is die van Haeckel („Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”). Haeckel neemt de volgende twaalf hoofdrassen of
-menschensoorten aan: 1o. het Papoearas (Homo Papua); 2o. het
-Hottentotsche ras (Homo Hottentotus); 3o. het Kafferras (Homo Cafer);
-4o. het Negerras (Homo niger); 5o. het Maleische ras (Homo Malayus), de
-eigenlijke Maleiers en Sundanesiërs omvattende; 6o. het Mongoolsche ras
-(Homo mongolicus); 7o. het Poolras (Homo arcticus), de Eskimo’s en de
-bewoners van Noord-oostelijk Azië (niet die van Noordwestelijk Azië en
-Noord-Europa) omvattende; 8o. het Amerikaansche ras (Homo Americanus),
-de oorspronkelijke inwoners van Amerika, met uitzondering der Eskimo’s,
-omvattende; 9o. het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras (Homo
-australis) [471]; 10o. het Dravida-ras (Homo Dravida), gevormd door de
-niet-Arische oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië (Dekhanvolken) en
-Ceylon; 11o. Het Nubische ras (Homo Nuba), gevormd door de eigenlijke
-Nubiërs, die de landen aan den Boven-Nijl (Dongola, Schangalla,
-Barabra, Kordofan) bewonen, en door de Foela’s of Fellata’s (ook Peul,
-Poehl, Poelar, Foehl, Foelbe, Foelan, Fallah, Fellan of Fellatin
-genaamd), die een breede strook land ten zuiden van de westelijke
-Sahara bewonen, roodbruin van kleur zijn en volstrekt niet met de
-negers moeten worden verward; 12o. het Middellandsche ras (Homo
-mediterraneus), overeenkomende met het Kaukasische ras van andere
-schrijvers, en uit de Ariërs of Indo-Germanen, de Semieten, de oude
-Egyptenaren (Kopten), de Basken, de Berbers (Kabylen, Guanchen), en de
-eigenlijke Kaukasische volken (Daghestaners, Circassiërs, Mingreliërs
-en Georgiërs) bestaande. Op blz. 749 van de achtste uitgaaf van
-Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men het volgende
-
-
-
-SYSTEMATISCH OVERZICHT DER 12 MENSCHENSOORTEN.
-
-N.B. De kolom A geeft bij benadering het aantal individu’s in
-millioenen aan; de kolom B geeft het phyletische ontwikkelingsstadium
-der soort aan; Pr beteekent: voortgaande uitbreiding, Co: ongeveer
-gelijkblijven, Re: achteruitgang en uitsterving. De kolom C geeft de
-verhouding der oorspronkelijke taalstammen aan; Mn (Monoglottonisch)
-beteekent een enkelen oorspronkelijken taalstam; Pl (Polyglottonisch)
-meer dan éénen oorspronkelijken taalstam.
-
-==============+====================+=====+====+=====+================================
- Tribus. | Menschensoort. | A. | B. | C. | Vaderland.
-==============+====================+=====+====+=====+================================
- { | | | { Nieuw-Guinea en Melanesië,
-LOPHOCOMI { 1. Papoea’s. | 2 | Re | Mn { Philippijnsche eilanden,
-(omtrent 2 { | | | { Malakka.
-millioenen). { | | |
- { 2. Hottentotten. |1/20 | Re | Mn { Zuidpunt van Afrika
- { | | | { (Kaapland).
- | | |
- { | | | { Zuid-Afrika (tusschen 30°
- { 3. Kaffers. | 20 | Pr | Mn { Zuiderbreedte en 5°
-ERIOCOMI { | | | { Noorderbreedte).
-(omtrent 150 { | | |
-millioenen). { | | | { Midden-Afrika (tusschen
- { 4. Negers. | 130 | Pr | Mn { den aequator en 30°
- { | | | { Noorderbreedte).
- | | |
- { 5. Maleiers. | 30 | Co | Mn { Malakka, Sundanesië, Polynesië,
- { | | | { Madagascar.
- { | | |
- { 6. Mongolen. | 550 | Pr | Mn? { Het grootste deel van Azië
- { | | | { en noordelijk Europa.
-EUTHYCOMI { | | |
-(bijna 600 { 7. Poolmenschen. |1/25 | Co | Pl? { Noord-oostelijk Azië en
-millioenen). { | | | { het Noorden van Amerika.
- { | | |
- { 8. Amerikanen. | 12 | Re | Mn? { Geheel Amerika met uitzondering
- { | | | { van het noordelijk gedeelte.
- { | | |
- { 9. Australiërs. |1/12 | | Mn { Australië (Nieuw-Holland).
- | | |
- { 10. Dravida’s. | 34 | Co | Mn { Zuid-Azië (Voor-Indië en
- { | | | { Ceylon).
- { | | |
-EUPLOCAMI { 11. Nubiërs. | 10 | Co | Mn? { Midden-Afrika (Nubië en
-(bijna 600 { | | | { Foelaland).
-millioenen). { | | |
- { | | | { In alle werelddeelen, eerst
- { 12. Middellanders. | 550 | Pr | Pl { uit Zuid-Azië(?) naar
- { | | | { Noord-Afrika en Zuid-Europa
- { | | | { getrokken.
- | | | |
- | 13. Bastaarden | | | { In alle werelddeelen, doch
- | tusschen de | 11 | Pr | Pl { hoofdzakelijk in Amerika
- | soorten. | | | { en Azië.
---------------+--------------------+-----+----+-----+--------------------------------
-
-
-Verder vindt men op blz. 727 van de achtste uitgaaf der „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” den volgenden
-
-
- STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.
-
- Japaneezen. Hamo-Semieten. Indo-Germanen.
- | | Basken | Kaukasiërs.
- Koreanen. Chineezen. | | | |
- | | Thibetanen. +===+===+ +===+===+
- Magyaren Koreo-Japaneezen | | Siameezen | |
- | Finnen | | | | +======+======+
- | | | +======+=====+ |
- +===+===+ | | 12. Middellanders.
- | 8. Amerikanen. | Indo-Chineezen. | Foela’s.
- Samojeden. | | Eskimo’s | | | Dongaleezen.
- | | | | +===+=============+ | 11. Nubiërs.
- +====+====+ | Hyperboreërs | | |
- | | | | | |
- | | 7. Poolmenschen. | | |
- Uraliërs. | | | | |
- | Tataren. +===+===+ | | |
- | | Kalmukken. | | | |
- | | | Toengoezen. | | | |
- | | | | | | | |
- | +=====+==+==+========+ | | |
- | | | | |
- | Altaiërs. | | |
- | | | Polynesiërs Madagassen | |
- +==========+========+ | | | | |
- | | +=====+=====+ +====+===+
- | | | |
- Ural-Altaiërs. | Sundaneezen Tamilen Toda’s |
- | | | | | |
- +================+===================+ | +===+===+ |
- | 5. Maleiers. | |
-4. Negers. 6. Mongolen. | 10. Dravida’s. |
- | | | 9. Australiërs. | |
- | 3. Kaffers. 1. Papoea’s. +=======+========================+ | | |
- | | 2. Hottentotten. | | +=====+====+ |
- +==+===+ | | EUTHYCOMI. | |
- | +====+=======+ | +======+======+
- ERIOCOMI. | | |
- | LOPHOCOMI. | EUPLOCAMI.
- | | | |
- +========+========+ +========================+=======================+
- | |
- WOLHARIGEN SLUIKHARIGEN
- (ULOTRICHES). (LISSOTRICHES).
- | |
- +===================================+======================+
- |
- OERMENSCHEN (PROTANTHROPI).
- |
- AAPMENSCHEN (ALALI).
-
-
-Op blz. 751 van de achtste uitgaaf der „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” vindt men den volgenden
-
-
- STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.
-
- Angel-Saksen. Hoogduitschers.
- | Platduitschers. |
- | | Nederlanders. |
- Littauers. Oud-Pruisen. | | | |
- | Letten. | | +==+===+ |
- | | | | | |
- +===+===+ | | Oud-Saksen. |
- | | | | |
- +======+====+ +=====+=====+ |
- | | |
- Baltische stam. Saksen. Friezen. |
- | | | |
- Sorben. | +=====+===+ |
- | | | |
- Polen. | | Nederduitschers. |
-Czechen. | | | | |
- | | | | | |
- +====++===+ | +===+=========+
- | | Skandinaviërs. |
- West-Slaven. | | Gothen. Duitschers.
- | | | | |
- | Russen. | +===+=+====================+
- | | | |
- | Zuid-Slaven. | | Oer-Germanen. Oude Britten.
- | | | | | |
- | +==+===+ | | Oude Schotten. |
- | | | | Romanen. Ieren. | | Galliërs.
- | Zuid-Oost-Slaven. | | | | | | |
- | | | | | +-+-+ +==+==+
- +====+====+ | | | | |
- | | | | Latijnen. Galen. Brittaniërs.
- Slaven. | | | | | |
- | | | | | | |
- +===+==========+ | +==+==+ +===+========+
- | | | |
- Slavo-Letten. | Italiërs. Kelten.
- | | | |
- +=======+=======+ +======+=======+
- | |
- Slavo-Germanen. Italo-Kelten.
- | |
- | Albaneezen. Grieken. |
- | | | |
- | +========+===+ |
- | | |
- | Oer-Thraciërs. |
- | | |
- | Indiërs. Iraniërs. | |
- | | | | |
- | +===+=====+ +===+====+
- | | |
- | Ariërs. Graeco-Romanen.
- | | |
- | +======+=========+
- | |
- | Ario-Romanen.
- | |
- +=====+=======+
- |
- Indo-Germanen.
-
-
-Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde
-Haeckel, nader verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke
-Hoogduitschers.
-
-Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden
-stamboom te geven, daar in een boek over de afstamming van den mensch
-en in een hoofdstuk over de menschenrassen wel iets over de lijnen van
-afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden verwacht, en
-Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet
-aanroert. Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld
-later enkele wijzigingen zullende ondergaan, op het standpunt der
-tegenwoordige wetenschap over het algemeen (met uitzondering o.a. van
-de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en
-juistheid zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!
-
-(14) Zeer verschillend is het maaksel van den larynx echter bij den
-neger en den blanke. Bij den blanke liggen de stembanden en de
-ventriculi Morgagnii horizontaal, bij den neger bijna verticaal; bij
-den laatste bezit de larynx daarenboven twee kraakbeenderen
-(cartilagines Wrisbergianae), die bij den blanke niet of ten minste
-slechts als hooge uitzondering en dan nog veel minder ontwikkeld dan
-bij den neger, voorkomen. [472] Zie: G. Duncan Gibb, „Essential points
-of difference between the Larynx of the Negro and that of the White
-Man”, „Memoirs read before the Anthropological Society of London”, vol.
-II, 1865, 66. Londen, 1866. Men kan zich ternauwernood bij twee nauw
-verwante soorten homologe deelen voorstellen, die meer van elkander
-verschillen dan de larynx van een neger en die van een blanke, door
-middel van den keelspiegel gezien! Ten bewijze lasschen wij hier een
-viertal afbeeldingen in (Fig. 12, 13, 14, 15.)
-
-Chudzinsky („Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines”
-in „Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III, T. 2, blz. 158) heeft
-vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen
-gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey
-gemiddeld 9600 m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den
-dikken darm komen), bedroeg die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M.
-De dunne darm van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den
-blanke, de dikke darm iets korter. De dikte van de lever (van voren
-naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld 200 m.M., bij den
-neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de lever
-bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan
-260 m.M. De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den
-neger 1266 gram. Gemiddeld is de lengte van de milt bij den blanke
-(volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky) 98 m.M., haar
-dikte, bij den blanke 82, bij den neger 60 m.M., haar gewicht bij den
-blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren zijn bij den blanke
-grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn veel
-kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is
-de linker nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn
-bijnieren zijn grooter dan die van den blanke. In menige bijzonderheid
-van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar tot de anthropomorphen
-en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang dan bij den
-blanke.
-
-(15) „Megalithische monumenten.” Onder dezen algemeenen naam omvat men
-de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen die men in
-Frankrijk Dolmen, Menhir en Cromlech, in Duitschland Hünengräber, in
-onze provincie Drenthe Hunebedden en Steenen Grafkelders noemt.
-
-De Dolmen (Hünengräber, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die
-overeind in den grond zijn geplaatst, en een meestal ovale ruimte
-insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken
-overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de
-zelfde wijze vervaardigden gang; vele zijn van boven open, andere
-worden omringd door een of meer concentrische cirkels van
-rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir
-noemt en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te
-Carnac in Bretagne) worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de
-overblijfselen die men er onder aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot
-begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn eveneens uit ruwe, ongehouwen
-steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot tempels schijnen
-te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland
-wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (grottes aux fées der
-Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.
-
-De Megalithische monumenten (waaraan de Franschen verkeerdelijk den
-naam van Monuments Celtiques [473] geven) zijn in de Oude Wereld over
-een zeer groote uitgestrektheid verspreid. Men vindt ze in de Krim,
-Koerland, Pruisen, Mecklenburg, Denemarken, Zuid-Zweden, Westphalen,
-Oldenburg, Nederland, in Engeland, aan den Ticino in Italië, in Spanje,
-in Portugal, in de Barbarijsche Staten (vooral ook in Algerië en Tunis)
-en Palaestina, langs de kusten der Roode Zee en van de Perzische Golf
-tot in Britsch-Indië toe. Noch in de Nieuwe Wereld, noch in het Noorden
-en Oosten van Azië, noch in Centraal- en Zuid-Afrika, noch in Australië
-vindt men daarentegen, voor zoover ons bekend is, eigenlijke
-megalithische monumenten. Een steenhoop op den top van een heuvel
-opgeworpen, zooals Darwin in Zuid-Amerika heeft aangetroffen, verdient
-geenszins dien naam.
-
-De megalithische monumenten dagteekenen in de verschillende landen der
-Oude Wereld, waar men ze aantreft, uit zeer verschillende, meestal
-voorhistorische tijden. Men heeft toch in de dolmen verschillende
-werktuigen aangetroffen. In het noorden van Duitschland, in het zuiden
-van Skandinavië, in Denemarken en Drenthe zijn deze van steen, hoe
-verder men naar het zuiden van Europa komt, hoe menigvuldiger men naast
-de steenen ook bronzen werktuigen aantreft. In Algerië is het brons
-regel, de steen uitzondering. In Britsch-Indië vindt men, volgens een
-mededeeling door J. Hooker, president van de „British Association for
-the Advancement of Science” aan die vereeniging op haar vergadering van
-1868 te Norwich gedaan, een halfwild Mongoloïdisch volk dat den naam
-van Khasia’s draagt, en dat nog heden ten dage dergelijke megalithische
-monumenten bouwt. Zij doen zulks het geheele jaar door behalve
-gedurende den regentijd. Dr. Thomson zag bij hen een pas gebouwden
-dolmen, waarvan de deksteen bijna 10 meter lang, meer dan 4½ meter
-breed en meer dan 6 decimeter dik was. Om dergelijke zeer zware
-steenblokken te verplaatsen, gebruiken zij slechts hefboomen en touwen
-(hetgeen de onderstellingen van velen onzer oudheidkundigen, b.v. van
-Picardt, over de wijze waarop de Drenthsche hunebedden zouden zijn
-gebouwd, overbodig maakt). [474] Hun doel met het oprichten dier
-gedenkteekenen is een graf aan te duiden, of wel de plaats waar de eene
-of andere gewichtige gebeurtenis plaats greep. In den naam dien zij aan
-die monumenten geven, komt meestal de wortel men voor, die men in het
-Fransche Dolmen en Menhir terugvindt, doch in die laatste taal geen
-beteekenis heeft. In de taal der Khasia’s beteekent men steen. [475]
-
-Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als
-de aard der werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die
-gedenkteekenen zelven, maar vooral de medegedeelde taalkundige
-bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk, dat zij,
-althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en
-dat men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht
-door verschillende volken die gelijksoortige uitvindende of
-verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk, het zoogenaamde Volk der
-Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der Oostzee te
-zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een
-gedeelte over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn
-overgestoken, terwijl het grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den
-bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika en trokken vervolgens
-langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar Indië, in
-welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er
-bestaat reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der
-Dolmen gedurende den steentijd noordwaarts Skandinavië is ingetrokken,
-en zich in den bronstijd tot Stokholm, in den ijzertijd tot Drontheim
-heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke richting van de
-kusten der Oostzee naar de Krim.
-
-(16) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke
-bewoners van Noord-Afrika, de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische
-ras, waartoe ook het grootste deel der bewoners van Europa en een groot
-deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren tot het zelfde
-ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië en
-worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het
-Mongoolsche ras beschouwd. Rassen die in historischen tijd naar andere
-continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs en Negers in Amerika,
-de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk niet in
-aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken
-verspreidt en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort
-blijft leven, kan het niet wel anders, of elk dier afdeelingen moet na
-eenigen tijd van de andere gaan verschillen, en wel na langen tijd zoo
-sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen ontstaan.
-Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich
-nu reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan
-onderscheidt, niettegenstaande zijn voorouders eerst sedert hoogstens
-twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd en de landverhuizing
-onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde
-Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen
-zullen echter steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij
-juist over verschillende, door wijde zeeën gescheiden werelddeelen
-verschillende rassen verspreid, die zulk een familietrek hebben, b.v.
-de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen, de
-Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de
-Papoea’s. Hieruit blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen
-van rassen reeds aanmerkelijk van elkander verschilden, voor zich nog
-de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en waarschijnlijk ook reeds
-voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen hadden
-verspreid.
-
-(17) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de
-Grieken en Romeinen in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna
-allen) tot het Kaukasische of blanke ras, dat meer en meer blijkt in
-den strijd om het bestaan de overwinning over alle andere rassen weg te
-dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken
-vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de
-Angel-Saksers geweken, niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het
-grootste gedeelte van Frankrijk in de macht der Engelschen was; evenmin
-hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs), of de Franschen
-(Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer
-men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke
-grenzen van de op den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men
-zien, dat die grenzen nagenoeg samenvallen met de zuidelijke en
-westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen en de
-Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië
-verdwenen voor de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig
-voor de blanken terugwijken en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de
-oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, de
-Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de Maleiers,
-noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs);
-met de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met
-de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen echter noch de Grieken, noch de
-Romeinen ooit in aanraking.
-
-Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen
-wel terugwijken voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische,
-maar geenszins of veel minder door het Spaansche ras, niettegenstaande
-de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker hebben bejegend dan de
-Angel-Saksers.
-
-Dat de voorouders van het blanke ras (en dus ook van de
-Graeco-Romeinen) werkelijk op de oorspronkelijke wilde, niet tot het
-blanke ras behoorende bevolking van Europa den zelfden invloed
-uitoefenen, als de tegenwoordige blanken op de wilden van Amerika en
-Nieuw-Holland, blijkt uit het spoorloos verdwijnen van de Australoïde
-[476], Negroïde [477] en Mongoloïde [478] stammen die voor de aankomst
-der blanken, in den steentijd, Centraal- en Zuid-Europa bevolkten, en
-van wier voormalig bestaan slechts de ruwe voortbrengselen hunner
-kunstvlijt en enkele bewaard gebleven schedels getuigen.
-
-(18) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. & Cultuurpl.”,
-Deel II, blz. 82.
-
-(19) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van
-het recruteeren van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar
-gedane onderzoekingen hebben bewezen, dat van elke 1000 personen van
-blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte huidskleur) gemiddeld
-385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd, terwijl
-van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere
-huidskleur) gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze
-statistiek zekere gebreken bezit, meent De Candolle er toch uit te
-mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk opzicht
-boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en
-wêerstandsvermogen tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder
-meent De Candolle te hebben ontdekt, dat de vrouwen van blond ras in
-Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette bevolking
-leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de
-vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen
-altijd donkere oogen bezit.
-
-Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000
-personen bij de blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen
-(negers en bastaarden van negers en blanken) 17,3 en bij de Indianen
-23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche
-levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een
-hoogere premie dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te
-bewijzen, dat de grootere sterfte bij de kleurlingen niet het gevolg is
-van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun
-leven verzekeren, behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse,
-welke in de gunstigste omstandigheden verkeeren—maar in het ras ligt.
-(Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „Zeitschrift für
-Ethnologie”, 1888.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET
-MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN.
-
-DOOR
-
-Professor HUXLEY, F. R. S.
-
-
-Het verschil van gevoelen omtrent den aard en de hoegrootheid der
-verschillen in het maaksel der hersenen bij den mensch en de apen, dat
-omstreeks vijftien jaar geleden begon, is nog niet beslist, hoewel de
-punten waarover wordt getwist, tegenwoordig geheel en al andere zijn
-dan vroeger. Oorspronkelijk werd beweerd, en telkens opnieuw beweerd,
-dat de hersenen van alle apen, zelfs van de hoogste, van die van den
-mensch verschilden door het ontbreken van zulke in het oog loopende
-deelen als de achterste kwabben van de halfronden der groote hersenen
-met den achtersten horen van de zijdelingsche holte en den hippocampus
-minor, in deze kwabben gelegen, die bij den mensch zoo duidelijk zijn.
-
-Maar de waarheid is, dat de drie deelen in quaestie in apenhersenen
-even goed of zelfs beter ontwikkeld zijn dan in menschenhersenen; en
-geen stelling der vergelijkende ontleedkunde rust tegenwoordig op
-steviger grondslag dan die, dat de goede ontwikkeling dezer deelen een
-kenmerk van al de Primaten (met uitzondering der Lemuriden) is.
-Daarenboven zijn alle ontleedkundigen welke in de laatste jaren hun
-aandacht hebben gewijd aan de rangschikking der ingewikkelde sleuven
-(sulci) en windingen (gyri), die zich op de oppervlakte van de
-halfronden der groote hersenen bij den mensch en de hoogere apen
-vertoonen, het daarover eens dat zij bij de eerste volgens volkomen het
-zelfde patroon zijn gevormd als bij de tweede. Iedere hoofdwinding en
-sleuf van de hersenen van een chimpanzee wordt duidelijk
-vertegenwoordigd bij die van den mensch, zoodat de terminologie die op
-de eerste wordt toegepast, ook bij de tweede aan het doel beantwoordt.
-Op dit punt is er geen verschil van gevoelen. Eenige jaren geleden gaf
-Professor Bischoff een verhandeling [479] uit over de hersenwindingen
-bij den mensch en de apen, en daar het doel van mijn geleerden collega
-zeker niet was om de waardij van de verschillen in dit opzicht tusschen
-den mensch en de apen te verkleinen, ben ik blijde hem te kunnen
-aanhalen.
-
-„Dat de apen, en vooral de orang, chimpanzee en gorilla, in hun
-bewerktuiging zeer tot den mensch naderen en veel meer met dezen
-overeenkomen dan met eenig ander dier, is een welbekend, door niemand
-betwist feit. Als men de zaak alleen uit het oogpunt van bewerktuiging
-beschouwt, zou niemand waarschijnlijk ooit de meening van Linnaeus
-hebben bestreden, dat de mensch eenvoudig als een bijzondere soort aan
-het hoofd der zoogdieren en van deze apen behoorde te worden geplaatst.
-Beide vertoonen in al hun organen zulk een nauwe verwantschap, dat het
-meest nauwkeurig ontleedkundig onderzoek noodig is om die verschillen
-aan te toonen, welke werkelijk bestaan. Evenzoo is het met de hersenen.
-De hersenen van den mensch, den orang, den chimpanzee, den gorilla
-komen elkander, niettegenstaande al de belangrijke verschillen welke
-zij vertoonen, zeer nabij” (l.c., blz. 101).
-
-Er is derhalve geen verschil van gevoelen meer omtrent de overeenkomst
-in fundamenteele kenmerken tusschen de hersenen van den aap en van den
-mensch, noch omtrent de verwonderlijk sterke overeenkomst tusschen die
-van den chimpanzee, orang en mensch, zelfs in de bijzonderheden van de
-rangschikking der windingen en sleuven van de halfronden der groote
-hersenen. Evenmin is er, wat de verschillen tusschen de hersenen van de
-hoogere apen en die van den mensch aangaat, eenige ernstige quaestie
-omtrent den aard en de grootte van die verschillen. Men neemt aan, dat
-de halfronden der groote hersenen bij den mensch, zoowel volstrekt als
-betrekkelijk, grooter zijn dan bij den orang en chimpanzee; dat de
-voorhoofdskwabben bij hem minder worden uitgehold door het naar boven
-uitsteken van het dak der oogkassen; dat de windingen en sleuven bij
-hem minder regelmatig gerangschikt zijn en een grooter aantal
-secundaire plooiingen vertoonen. En men neemt aan, dat de fissura
-temporo-occipitalis of perpendicularis externa, die gewoonlijk bij
-apenhersenen zoo sterk is ontwikkeld, bij den mensch in den regel
-slechts zwak is aangegeven. Het is echter duidelijk, dat geen van deze
-verschillen een scherpe scheiding vormt tusschen menschen- en
-apenhersenen. Ten opzichte van de fissura perpendicularis externa van
-Gratiolet, bij menschelijke hersenen, merkt Professor Turner b.v. op:
-[480]
-
-„Bij sommige hersenen vertoont zij zich eenvoudig als een inkerving van
-den rand van het halfrond, maar bij andere strekt zij zich over eenigen
-afstand min of meer schuins naar buiten uit. Ik zag haar aan het
-rechterhalfrond van de hersenen eener vrouw meer dan vijf centimeter
-naar buiten loopen; en bij een ander persoon strekte zij zich, ook aan
-het rechterhalfrond, over een lengte van een centimeter naar buiten uit
-en liep daarna naar beneden tot aan den ondersten rand van de buitenste
-oppervlakte van het halfrond. De onduidelijkheid van deze spleet bij de
-meeste menschelijke hersenen, in vergelijking met haar opmerkelijke
-duidelijkheid bij de hersenen van de meeste vierhandige zoogdieren, is
-het gevolg van de aanwezigheid, bij de eerste, van zekere aan de
-oppervlakte gelegen, goed uitgedrukte, secundaire windingen, welke haar
-overbruggen en de parietaalkwab met de occipitaalkwab verbinden. Hoe
-dichter de eerste van deze overbruggende windingen bij de overlangsche
-spleet ligt, des te korter is de fissura parieto-occipitalis externa.”
-(l.c. blz. 17.)
-
-De onduidelijkheid van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet
-is dus geen standvastig kenmerk van de hersenen van den mensch. Van den
-anderen kant is de volkomen ontwikkeling daarvan geenszins een
-standvastig kenmerk van de hersenen der hoogere apen. Want bij den
-chimpanzee is het over een kleinere of grootere uitgestrektheid
-bedekken van de fissura perpendicularis externa door „overbruggende
-windingen”, aan den eenen of aan den anderen kant, herhaaldelijk
-waargenomen door Prof. Rolleston, de heeren Marshall, Broca en
-Professor Turner. Aan het slot van een speciaal over dit onderwerp
-geschreven verhandeling [481], schrijft deze laatste:
-
-„De drie zooeven beschreven specimina van de hersenen van een
-chimpanzee bewijzen, dat het algemeene besluit dat Gratiolet heeft
-trachten te trekken, dat de volkomen afwezigheid van de eerste
-verbindende winding en het verborgen liggen van de tweede, essentiëel
-karakteristieke kenmerken van de hersenen van dit dier zijn, in geenen
-deele algemeen doorgaat. Slechts bij één der specimina volgden de
-hersenen de wet welke Gratiolet heeft uitgesproken. Wat de
-tegenwoordigheid van de bovenste overbruggende winding aangaat, ben ik
-geneigd om te denken, dat zij, ten minste in één halfrond, heeft
-bestaan bij de meeste hersenen van dit dier, welke tot den
-tegenwoordigen tijd toe zijn afgebeeld of beschreven. Het komt
-blijkbaar zeldzaam voor, dat de tweede overbruggende winding aan de
-oppervlakte ligt, en is tot dusver, naar ik geloof, nog alleen gezien
-bij de hersenen (A), welke in deze verhandeling worden besproken. Van
-de asymmetrische rangschikking van de windingen der beide halfronden,
-waarop vroegere waarnemers in hun beschrijvingen hebben gewezen, geven
-deze specimina ook goede voorbeelden.” (blz. 8, 9.)
-
-Zelfs als de aanwezigheid van de fissura temporo-occipitalis of
-perpendicularis externa een onderscheid tusschen de hoogere apen en den
-mensch was, zou de waarde van zulk een onderscheidend kenmerk zeer
-twijfelachtig worden gemaakt door het maaksel der hersenen bij de
-Platyrrhine apen. Terwijl de fissura temporo-occipitalis bij de
-Catarrhinen of apen der oude wereld een der meest standvastige groeven
-is, ontbreekt zij bij de kleinere Platyrrhinen, is rudimentair bij
-Pithecia [482], en min of meer uitgewischt door overbruggende windingen
-bij Ateles.
-
-Een kenmerk dat binnen de grenzen van een enkele groep zoo varieert,
-kan voor de systematiek geen groote waarde bezitten.
-
-Het staat verder vast, dat de graad van asymmetrie van de windingen der
-beide helften der menschelijke hersenen aan vele individueele variaties
-onderhevig is; en dat bij alle individu’s van het ras der Bosjesmannen,
-die zijn onderzocht, de windingen en groeven veel minder ingewikkeld en
-meer symmetrisch zijn dan bij Europeesche hersenen, terwijl bij sommige
-individu’s van den chimpanzee haar ingewikkeldheid en asymmetrie
-opmerkelijk wordt. Dit is bijzonder het geval bij de door Broca
-afgebeelde hersenen van een jongen mannelijken chimpanzee. („L’Ordre
-des Primates”, blz. 165, fig. 11.)
-
-Ook staat het vast, wat het vraagstuk der volstrekte grootte aangaat,
-dat het verschil tusschen de grootste en de kleinste gezonde
-menschelijke hersenen grooter is dan het verschil tusschen de kleinste
-gezonde menschelijke hersenen en de grootste chimpanzee’s of orang’s
-hersenen.
-
-Er is daarenboven één kenmerk, waarin de hersenen van den orang en
-chimpanzee gelijken op die van den mensch, maar waarin zij verschillen
-van die der lagere apen, namelijk in de aanwezigheid van twee
-mergheuvels (corpora candicantia)—terwijl de Cynomorpha er slechts één
-bezitten.
-
-Op grond van deze feiten aarzel ik niet in dit jaar 1874 de stelling te
-herhalen en met aandrang vol te houden, die ik in 1863 [483] uitsprak:
-
-„Het is daarom duidelijk, dat de mensch, wat het maaksel der hersenen
-aangaat, minder verschilt van den chimpanzee of orang, dan deze van de
-lagere apen, en dat het verschil tusschen de hersenen van den
-chimpanzee en van den mensch bijna onbeteekenend is in vergelijking van
-dat tusschen de hersenen van een chimpanzee en die van een halfaap.”
-
-In de door mij aangehaalde verhandeling ontkent Professor Bischoff de
-waarheid van het tweede gedeelte van deze uitspraak niet, maar hij
-maakt eerst de niets ter zake afdoende opmerking, dat het niet vreemd
-is, zoo de hersenen van den orang en van een halfaap zeer van elkander
-verschillen, en verzekert in de tweede plaats: „Indien wij
-achtereenvolgens de hersenen van een mensch met die van een orang, deze
-met die van een chimpanzee, deze met die van een gorilla vergelijken,
-en, zoo voortgaande, met die van een Hylobates, Semnopithecus,
-Cynocephalus, Cercopithecus, Macacus, Cebus, Callithrix, Lemur,
-Stenops, Hapale, zullen wij geen grooter, of zelfs geen even groote
-gaping in de mate van ontwikkeling der windingen ontmoeten, dan die
-welke wij vinden tusschen de hersenen van een mensch en die van een
-orang of chimpanzee.”
-
-Ik zou hierop willen antwoorden, dat deze verzekering, hetzij waar of
-valsch, volstrekt niets heeft te maken met de in „Man’s Place in
-Nature” uitgesproken stelling, welke betrekking heeft, niet slechts op
-de ontwikkeling der windingen, maar op het geheele maaksel der
-hersenen. Indien Professor Bischoff zich de moeite had gegeven blz. 96
-van het werk dat hij critiseert, op te slaan, zou hij de volgende
-zinsnede hebben gevonden: „En het is een opmerkelijke omstandigheid,
-dat, hoewel er een gaping bestaat in het maaksel der hersenen in de
-reeks van vormen der Primaten, die gaping niet ligt tusschen den mensch
-en de anthropomorphe apen, maar tusschen de lagere en laagste apen,
-tusschen de apen der Oude en Nieuwe Wereld en de halfapen. Bij elken
-halfaap die tot dusver onderzocht is, zijn feitelijk de kleine hersenen
-van boven af gedeeltelijk zichtbaar, en is de achterste kwab, met de
-daarin gelegen posterius cornu en hippocampus minor min of meer
-rudimentair. Bij elk zijdeaapje, elken Amerikaanschen aap, aap der Oude
-Wereld, baviaan of anthropomorphen aap worden daarentegen de kleine
-hersenen van achteren geheel en al verborgen door de kwabben der groote
-hersenen, en allen bezitten een groot posterius cornu en een wel
-ontwikkelden hippocampus minor.”
-
-Deze uitspraak stemde volkomen nauwkeurig overeen met hetgeen bekend
-was, toen zij werd gedaan; en het komt mij voor, dat zij alleen
-schijnbaar verzwakt is door de latere ontdekking van de betrekkelijk
-geringe ontwikkeling der achterste kwabben bij den siamang en den
-brulaap. Niettegenstaande de exceptioneele kortheid van de achterste
-lobben bij deze beide soorten zal niemand beweren, dat haar hersenen in
-het minst naderen tot die der halfapen. En indien wij, in plaats van
-Hapale uit zijn natuurlijke plaats te verdringen, gelijk Professor
-Bischoff op onverklaarbare wijze doet, de reeks van dieren die hij
-heeft verkozen te vermelden, schrijven als volgt: Homo, Pithecus,
-Troglodytes, Hylobates, Semnopithecus, Cynocephalus, Cercopithecus,
-Macacus, Cebus, Callithrix, Hapale, Lemur, Stenops, durf ik opnieuw
-verzekeren, dat de groote gaping in deze reeks ligt tusschen Hapale en
-Lemur en dat deze gaping aanmerkelijk grooter is dan die tusschen eenig
-ander tweetal van termen van die reeks. Professor Bischoff is onbekend
-met het feit, dat lang voor hij schreef, Gratiolet voorgesteld had de
-halfapen van de andere Primaten te scheiden, en wel juist op grond van
-het verschillend maaksel hunner hersenen; en dat Professor Flower de
-volgende opmerkingen had gemaakt bij het beschrijven der hersenen van
-de Javaansche lori’s [484]:
-
-„En het is bijzonder opmerkelijk dat er in de ontwikkeling der
-achterste kwabben geen toenadering is tot de korte halfronden
-bezittende hersenen der halfapen, bij die apen welke men gewoonlijk
-onderstelt, dat in andere opzichten tot deze familie naderen, namelijk
-de lagere leden van de groep der Platyrrhinen.”
-
-Wat het maaksel der volwassen hersenen betreft, bevestigen de zeer
-aanmerkelijke uitbreidingen van onze kennis, welke de onderzoekingen
-van zoovele geleerden gedurende het laatste tiental jaren ten gevolge
-hebben gehad, ten volle de uitspraak die ik in 1863 deed. Maar men
-heeft gezegd, dat al gaf men de gelijkenis toe tusschen de volwassen
-hersenen van een mensch en van een aap, zij toch in wezenlijkheid zeer
-verschillend zijn, omdat zij fundamenteele verschillen vertoonen in de
-wijze waarop zij zich ontwikkelen. Niemand zou meer bereid zijn dan ik
-om de bewijskracht van dit argument toe te geven, als er werkelijk
-dergelijke verschillen in de ontwikkeling bestonden. Maar ik ontken dat
-zij bestaan. Integendeel, er bestaat een fundamenteele overeenstemming
-in de ontwikkeling der hersenen bij den mensch en bij de apen.
-
-Gratiolet was de eerste die beweerde, dat er een fundamenteel verschil
-tusschen de ontwikkeling der hersenen van de apen en van den mensch
-bestaat—namelijk hierin, dat bij de apen de sleuven die het eerst
-verschijnen, gelegen zijn op het achterste gedeelte van de halfronden
-der groote hersenen, terwijl bij den menschelijken foetus de sleuven
-het eerst zichtbaar worden op de voorhoofdskwabben. [485]
-
-Deze algemeene uitspraak is gegrond op twee waarnemingen, de eene op
-een gibbon die op het punt stond te worden geboren, bij welken de
-achterste windingen „goed ontwikkeld”, die van de voorhoofdskwabben
-daarentegen „nauwelijks aangegeven” waren [486] (l.c. blz. 39), en de
-andere op een menschelijken foetus in de 22ste of 23ste week van de
-zwangerschap, bij welken Gratiolet opteekent, dat de insula onbedekt
-was, maar dat toch „des incisures sèment le lobe antérieur, une
-scissure peu profonde indique la séparation du lobe occipital, très
-réduit d’ailleurs dès cette époque. Le reste de la surface cérébrale
-est encore absolument lisse.”
-
-Drie afbeeldingen van deze laatste hersenen worden gegeven op plaat II,
-fig. 1, 2, 3 van het aangehaalde werk, vertoonende de halfronden van
-boven, op zijde en van onderen gezien, maar geen daarvan beeldt af, hoe
-zij er op de binnenvlakte uitzien. Het is opmerkenswaardig, dat de
-figuren volstrekt niet overeenkomen met Gratiolet’s beschrijving, in
-zoover als de fissura antero-temporalis op de achterste helft van de
-buitenzijde van het halfrond meer ontwikkeld is dan een der op de
-voorste helft onduidelijk aangegeven groeven. Als de figuur nauwkeurig
-is, rechtvaardigt zij in geenen deele het besluit van Gratiolet: „Il y
-a donc entre ces cerveaux (die van een Callitrix en van een gibbon), et
-celui du foetus humain une différence fondamentale. Chez celui-ci,
-longtemps avant que les plis temporaux apparaissent, les plis frontaux
-essayent d’exister.”
-
-Sinds Gratiolet’s tijd is echter de ontwikkeling van de windingen en
-groeven het voorwerp van hernieuwd onderzoek geweest, door Schmidt,
-Bischoff, Pansch [487] en meer in het bijzonder door Ecker [488], wiens
-werk niet slechts de laatste, maar ook verreweg de volledigste
-verhandeling over dit onderwerp is. [489]
-
-De eindresultaten van hun onderzoekingen zijn, kort opgesomd, de
-volgende:
-
-1. Bij den menschelijken foetus wordt de Sylvische spleet gevormd in
-den loop van de derde maand der zwangerschap. In deze en in de vierde
-maand zijn de halfronden glad en rond (met uitzondering van de
-Sylvische spleet) en steken zij achterwaarts tot ver voorbij de kleine
-hersenen uit.
-
-2. De eigenlijke zoogenaamde sleuven (sulci) beginnen te verschijnen in
-de tusschenruimte tusschen het einde van de vierde en het begin van de
-zesde maand van het leven van den foetus, maar Ecker wijst er met
-nadruk op, dat, niet slechts in den tijd maar ook in volgorde, hun
-verschijnen onderhevig is aan aanmerkelijke individueele variaties. In
-geen geval zijn, hetzij de frontale, hetzij de temporale, de vroegste.
-
-De eerste welke verschijnt, ligt feitelijk op het binnenvlak van het
-halfrond (van daar zag Gratiolet, die dit vlak bij zijn foetus niet
-schijnt te hebben onderzocht, haar ongetwijfeld over het hoofd) en is
-òf de perpendicularis internus (occipito-parietalis), òf de sulcus
-calcarinus, welke beide sleuven dicht bij elkander liggen en soms
-ineenloopen. In den regel is de occipito-parietalis er het eerst.
-
-3. In het laatste gedeelte van dit tijdvak ontwikkelt zich een andere
-sleuf, de „posterio-parietalis” of „fissura Rolandi” [490], en deze
-wordt, in den loop der zesde maand, gevolgd door de andere voornaamste
-sleuven van de voorhoofds-, wandbeen-, slaapbeen- en
-achterhoofdskwabben. Er is echter geen duidelijk bewijs dat ééne
-daarvan constant vóór de andere verschijnt, en het is opmerkelijk, dat
-in de hersenen, in het tijdperk door Ecker beschreven en afgebeeld (1.
-c. blz. 212–13, Taf. II, fig. 1, 2, 3, 4), de sulcus antero-temporalis
-(scissure parallèlle), zoo kenmerkend voor apen-hersenen, even goed,
-zoo niet beter ontwikkeld is dan de fissura Rolandi, en veel sterker
-uitgedrukt is dan de eigenlijke voorhoofds-sleuven.
-
-De feiten nemende, voor zoover op het oogenblik bekend, schijnt het mij
-toe, dat de volgorde waarin de sleuven en windingen in de hersenen van
-den menschelijken foetus verschijnen, in volkomen overeenstemming is
-met de ontwikkelingstheorie in het algemeen, en met de meening, dat de
-mensch zich heeft ontwikkeld uit den eenen of anderen op een aap
-gelijkenden vorm; hoewel er geen twijfel kan bestaan, dat die vorm in
-vele opzichten verschilde van alle thans levende leden van de groep der
-Primaten.
-
-Von Baer leerde ons, een halve eeuw geleden, dat verwante dieren in den
-loop hunner ontwikkeling eerst de kenmerken aannamen van de groote
-groepen waartoe zij behooren, en daarna trapsgewijze die kenmerken
-verkregen, welke hen beperken binnen de grenzen van hun familie,
-geslacht (genus) en soort; en hij bewees tegelijkertijd, dat geen
-ontwikkelingstrap van een hooger dier geheel en al gelijk is aan den
-volwassen toestand van eenig lager dier. Het is volkomen juist te
-zeggen, dat een kikvorsch den toestand van visch doorloopt, in zoo ver
-als de kikvorschlarve in een tijdperk van haar leven de kenmerken van
-een visch bezit, en, als zij zich niet verder ontwikkelde, onder de
-visschen zou moeten worden gerangschikt. Maar het is eveneens waar, dat
-een kikvorschlarve zeer van alle bekende visschen verschilt.
-
-Op gelijke wijze kan men met waarheid zeggen, dat de hersenen van een
-menschelijken foetus in de vijfde maand niet slechts de hersenen van
-een aap, maar zelfs dat zij de hersenen van een aap uit de familie der
-zijdeapen (Arctopitheci) zijn; want de halfronden, met hun groote,
-achterste kwabben en met geen andere sleuven dan die van Sylvius en den
-sulcus calcarinus, vertoonen de kenmerken die men in de groep der
-Primaten alleen bij de familie der zijdeapen (Arctopitheci) vindt. Maar
-het is eveneens waar, gelijk Gratiolet opmerkt, dat zij door haar wijd
-openstaande Sylvische spleet van de hersenen van alle thans levende
-zijdeapen (Arctopitheci) verschillen. Ongetwijfeld gelijken zij veel
-meer op de hersenen van een ver in ontwikkeling gevorderden foetus van
-een zijdeaap. Wij weten echter niets hoegenaamd van de
-ontwikkelingsgeschiedenis der hersenen bij de zijdeapen. Bij de
-eigenlijke Platyrrhini is de eenige waarneming welke mij bekend is, die
-van Pansch, die in de hersenen van den foetus van een Cebus Apella
-behalve de Sylvische spleet en een diepen sulcus calcarinus, slechts
-een zeer ondiepe fissura antero-temporalis (scissure parallèlle van
-Gratiolet) [491] vertoonde.
-
-Nu levert dit feit, samengenomen met de omstandigheid, dat de sulcus
-antero-temporalis aanwezig is bij zulke Platyrrhini als de saimiri, die
-slechts sporen van groeven op de buitenste voorste helft van de
-halfronden der groote hersenen vertoont of bij wien die sleuven soms
-zelfs geheel en al ontbreken, ongetwijfeld zoover als het gaat een
-goeden bewijsgrond ten gunste van de hypothese van Gratiolet, dat de
-achterste sleuven in de hersenen der Platyrrhini vóór de voorste
-verschijnen. Maar hieruit volgt in geenen deele, dat wij den regel, die
-steek mag houden voor de Platyrrhini, nu ook tot de Catarrhini mogen
-uitbreiden. Wij bezitten volstrekt geen gegevens omtrent de
-ontwikkeling der hersenen bij de Cynomorpha; en, wat de Anthropomorpha
-aangaat, niets als de beschrijving van de hersenen van een gibbon kort
-voor de geboorte, waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Op het
-oogenblik is er geen schaduw van bewijs, dat de sleuven van de hersenen
-van een chimpanzee of orang niet in de zelfde volgorde verschijnen als
-bij den mensch.
-
-Gratiolet begint zijn voorbericht met het aphorisme: „Il est dangereux
-dans les sciences de conclure trop vite.” Ik vrees, dat hij dit gezonde
-beginsel had vergeten, toen hij in zijn werk zelf aan de bespreking van
-de verschillen tusschen den mensch en de apen was gekomen. Ongetwijfeld
-zou de uitstekende schrijver van een der merkwaardigste bijdragen tot
-het juiste begrip der zoogdierhersenen, die ooit zijn gedaan, de eerste
-zijn geweest om het onvoldoende zijner gegevens toe te stemmen, als hij
-maar lang genoeg had geleefd om met den vooruitgang van het onderzoek
-zijn voordeel te doen. Het ongeluk is, dat van zijn besluiten door
-personen, onbevoegd om een oordeel te vellen over de grondslagen waarop
-zij steunden, gebruik is gemaakt als bewijsgronden ten gunste van het
-obscurantisme. [492]
-
-Het is echter belangrijk op te merken dat, hetzij Gratiolet gelijk of
-ongelijk had in zijn hypothese omtrent de betrekkelijke volgorde in het
-verschijnen der sulci temporales en frontales, het feit blijft bestaan,
-dat, vóór de sulci temporales of frontales verschijnen, de hersenen van
-den menschelijken foetus kenmerken vertoonen, die alleen bij de laagste
-groep der Primaten (de Lemuriden er buiten gelaten) worden gevonden, en
-dat dit juist is, wat wij zouden verwachten het geval te zijn, indien
-de mensch was ontstaan door trapsgewijze wijziging van den zelfden vorm
-waaruit de andere Primaten zijn gesproten. (1)
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING.
-
-(1) Men sla ook Broca’s vergelijkende waarnemingen na over de
-geestvermogens en de organisatie der hersenen bij apen en menschen
-(„Kosmos” 1879, Heft 7; „Revue internationale des sciences”, Juillet
-1879, blz. 91; „Isis” 1879, blz. 347). De bovenstaande verhandeling van
-Huxley is door Darwin zelf achter Hoofdstuk VII van de 2e Eng. uitgaaf
-van zijn werk over de „Afst. v. d. Mensch” ingelascht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE
-VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, [493]
-
-DOOR
-
-Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
-De geschiedenis, gegrond op documenten en gedenkteekenen waarvan de
-belangrijkheid en oudheid vaststaat, en op overleveringen die men op
-begrijpelijke wijze kan verklaren, klimt op tot de grondvesting van het
-Egyptische rijk door Menes, volgens Mariette in het jaar 5004 vóór het
-begin onzer jaartelling. Op dit tijdstip hadden de Egyptenaars een
-georganiseerde maatschappij, een goed ontwikkelde beschaving en groote
-steden. Het is niet al te gewaagd om, als wij tot den oorsprong hunner
-beschaving willen opklimmen, daar nog omtrent even vele jaren bij te
-voegen, en Plato’s verzekering aan te nemen, dat het Egyptische volk in
-zijn tijd tienduizend jaar bestond. [494]
-
-Daaraan—twaalfduizend jaar geleden—gingen de vóórhistorische tijden
-vooraf, die zich tot een veel ouder verleden uitstrekken. Is het
-mogelijk om zonder schriftelijke gegevens, zelfs zonder een op
-gissingen gegronde chronologie, een raming te maken van den duur van
-die tijden? Al wat wij daartoe hebben, zijn sporen welke de
-voorhistorische mensch in de natuur heeft nagelaten, welke door haar
-onophoudelijke werking die sporen onder opeenhoopingen van
-verschillende lagen bedekt, en ons zoo een soort van betrekkelijke
-tijdrekenkunde gegeven heeft. De wetenschap houdt het tegenwoordig voor
-zeker, dat de mensch gedurende het geheele zoogenaamde Quaternaire
-Tijdvak (het Diluvium) heeft bestaan, en wanneer wij den duur van dat
-tijdvak kunnen berekenen, zullen wij in staat zijn om voor den ouderdom
-van het menschelijk geslacht bij benadering een minimum vast te
-stellen. Dit is hetgeen de Mortillet tracht te doen bij het formuleeren
-van zijn besluiten in zijn boek over de „Voorhistorische Oudheid van
-den Mensch.” [495] Heeft de mensch echter ook reeds gedurende een deel
-van het Tertiaire Tijdvak bestaan, dan klimt hij tot een nog verbazend
-veel hooger ouderdom op.
-
-Ook de vergelijkende taalkunde bevestigt de hooge oudheid van het
-menschelijk geslacht. Zoo klimt de Arische taalstam, (gelijk wij reeds
-in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 270,
-mededeelden) in zijn oorspronkelijke eenheid volgens de geestrijke
-onderzoekingen van Boltz (vergelijk Aug. Boltz, „Die Sprache und ihr
-Leben”, 1868) tot een oudheid van wel 50,000 jaar op! Naast het volk,
-dat 50,000 jaar geleden deze oorspronkelijke taal sprak, leefden
-natuurlijk destijds vele andere volken, die de moedertalen van de
-andere tegenwoordig bestaande familiën van talen spraken; want de
-Arische taalstam is slechts één uit vele!
-
-De jaarringen van boomen, die op bouwvallen in Amerika groeiden, de
-ouderdom van verschillende achtereenvolgend op de zelfde plaats
-gegroeide bosschen, die daar, boven elkander liggende, menschelijke
-overblijfselen bedekten, de vormingssnelheid van rivierdelta’s en
-aanslibbingen, de dikte van veenlagen enz. zijn de grondslagen geweest
-van partiëele en ongetwijfeld onvoldoende berekeningen, krachtens welke
-men o.a. aan het tijdperk van den geslepen steen van Robenhausen
-(Zwitsersch paaldorp) een ouderdom van vijf- of zesduizend jaar [496]
-toekent, en meer dan dertienduizend jaar aanneemt als de tijd noodig
-voor de afzetting van het Nijlslib dat een gebakken steen bedekte,
-welke onder een standbeeld van Rhamses werd gevonden. De druipsteen van
-de grot van Kent in Engeland, in welke men op verschillende diepten
-Romeinsche oudheden en overblijfselen uit het palaeolithische tijdvak
-heeft gevonden, zijn de grondslag geweest van berekeningen, die tot
-resultaat gaven, dat laatstgenoemde overblijfselen meer dan
-tweehonderdvijftigduizend jaar oud waren. [497] Men ging bij die
-berekening uit van de onderstelling, dat de vorming van dien druipsteen
-nooit sneller geschied was dan tegenwoordig. Andere berekeningen hebben
-een meer algemeene strekking. De schommelingen van den bodem gedurende
-het Quaternaire Tijdvak, waardoor in Europa en het bekken der
-Middellandsche Zee aanzienlijke veranderingen in de verdeeling van land
-en water plaats hadden, vereischten, naar de geologen meenen, niet
-minder dan zeventigduizend jaar. [498] Nog een ander en verwonderlijk
-verschijnsel, de uitbreiding van het bergijs der Alpen, waardoor groote
-rotsblokken over afstanden van zeventig of zelfs honderd
-vijf-en-zeventig mijlen werden vervoerd, vereischte een verbazende
-lengte van tijd. De snelste verplaatsing van dergelijke blokken door
-het bergijs is niet meer dan zestig meter in een jaar; doch in het
-Quaternaire Tijdvak, toen de hellingen nog op verre na zoo steil niet
-waren als tegenwoordig, ging de verplaatsing volgens de Mortillet
-vijfmaal langzamer, en elk zwerfblok moet meer dan twintigduizend jaar
-noodig hebben gehad voor zijn verplaatsing van den Mont Blanc naar de
-Beneden-Rhône. Wij mogen er bijvoegen, dat een verbazend groot aantal
-blokken aldus werden vervoerd om de eindmoraine te vormen. Bij den tijd
-gedurende welken die gletschers zich uitbreidden, moet nog gevoegd
-worden de tijd welken zij noodig hadden om tot hun tegenwoordige
-grootte samen te slinken, welke nagenoeg even lang zal zijn geweest als
-de eerste. De tijdperken van de uitbreiding en het zich weder
-samentrekken der gletschers werden verder voorafgegaan door een
-prae-glaciale periode, en al de berekeningen te zamen geven de
-Mortillet aanleiding om een totaal van 100000 jaar aan te nemen om den
-geheelen duur van het Quaternaire Tijdvak uit te drukken, gedurende
-hetwelk wij zeker zijn, dat de mensch op den bodem van Europa leefde.
-[499]
-
-Dit tijdvak, hoe lang het ook schijnt, is zeer kort in vergelijking van
-de tienduizenden eeuwen van geologische ontwikkeling, die er aan
-voorafgingen, en vertegenwoordigt alleen de laatste en kortste der
-geologische perioden. De vraag ontstaat: Hoe is het menschelijk
-geslacht in staat geweest zich over de geheele oppervlakte der aarde te
-verspreiden? Zijn op de verschillende vastelanden onafhankelijk van
-elkander menschen ontstaan, of heeft het geheele menschdom een
-gemeenschappelijke bakermat, een zelfde oorspronkelijk vaderland gehad?
-Op dit punt verschillen de geleerden van gevoelen; zoo beweert Karl
-Vogt, dat de menschen op verschillende plaatsen ontstonden, terwijl
-Quatrefages en Darwin, naar wij meenen terecht, volhouden dat het
-menschdom uit een enkelen oorspronkelijken stam is ontstaan. Het blijft
-in elk geval een feit, dat de mensch, de zelfde in al de wezenlijke
-kenmerken van de soort, zich heeft verspreid over al de bewoonbare
-plaatsen van den aardbol, en dat niet in de laatste eeuwen, toen hij
-was voorzien van al de hulpbronnen, welke ondervinding, uitvindend
-vernuft en wetenschap tot zijn beschikking stelden, maar in overoude
-tijden, toen hij nog onwetend en onbeschaafd was. Zwak en bijna naakt,
-nog pas in het bezit van het vuur en eenige weinige ruwe wapenen om
-zich mede te verdedigen en voedsel te verschaffen, veroverde toen
-niettemin het menschelijk geslacht de aarde en verspreidde zich van de
-Noordpoolstreken tot Vuurland, van het land der Samojeden tot Van
-Diemensland, van de Noordkaap tot de kaap De Goede Hoop. Van dezen
-oorspronkelijken uittocht, even zeker als hij onbegrijpelijk is, moeten
-wij een verklaring of ten minste een waarschijnlijke voorstelling
-geven, en dat in een eeuw, waarin de beschaafde mensch slechts na de
-verwonderlijkste ontdekkingen, met behulp van de krachtigste
-toepassingen der werktuigkunde op de scheepvaart, door de stoutste en
-meest avontuurlijke ontdekkingsreizen, zich hoogstens kan vleien, dat
-hij even ver is doorgedrongen als de oorspronkelijke mensch trok in een
-tijd die zoo ver van ons is verwijderd, dat zij met alle berekeningen
-spot.
-
-Wij moeten nadrukkelijk op dit punt wijzen; want het brengt een
-hinderpaal aan het licht, welke zij die hebben beproefd het verband op
-te sporen tusschen ver van elkander wonende rassen en den weg te
-bepalen, gevolgd door stammen, welke nu door oceanen en uitgebreide
-landstreken zijn gescheiden, tot dusver onoverkomelijk hebben gevonden;
-want indien de menschheid één is,—waarvoor wij meenen, dat door Darwin
-in Hoofdstuk VII van dit werk de meest overtuigende bewijsgronden zijn
-aangevoerd,—moeten wij aannemen, dat haar verhuizingen oorspronkelijk
-van een enkel punt zijn uitgegaan. Bij deze verhuizingen is de mensch
-gegaan waarheên hij slechts kon, en heeft op elke plaats waar hij zich
-vestigde, eigenaardige kenmerken verkregen, die hem verschillend
-maakten van de op andere plaatsen gevestigde menschen. Van daar de
-verschillen tusschen de menschenrassen. Sommige van deze plaatsen
-schijnen bijzonder gunstig te zijn geweest voor zijn vooruitgang en
-werden middelpunten van beschaving. Het aantal dier middelpunten is
-echter zeer klein en hun geographische ligging zeer opmerkelijk.
-
-De vastelanden vormen drie hoofdgroepen, in den vorm waarvan ééne
-eigenaardigheid iedereen moet treffen, die met aandacht een wereldkaart
-beschouwt. Hij zal opmerken, dat zij in het Noorden zoozeer zijn
-uitgebreid, dat zij elkander in die richting aanraken of slechts door
-nauwe zeearmen zijn gescheiden, en dat zij binnen den Noordpoolcirkel
-een zee omsluiten vol groote eilanden. Naar het Zuiden gaande vinden
-wij, dat de drie vastelanden Noord-Amerika, Europa en Azië, die zoo
-dicht bij elkander liggen, plaats maken voor drie aanhangsels:
-Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw Holland (met de omliggende continentale
-eilanden), welke op hun beurt langzamerhand smaller worden, tot zij
-slinken tot eenvoudige punten in een grenzenloozen oceaan, lang voor
-zij den Zuidpoolcirkel bereiken. [500] Binnen dezen cirkel is de
-verdeeling van land en zee juist omgekeerd als in het Noorden; rondom
-de Zuidpool strekt zich een landmassa uit te midden van een
-uitgestrekten oceaan.
-
-Indien wij de vastelanden nauwkeuriger beschouwen, zullen wij vinden,
-dat de beschaving in elk daarvan ontstond onder gelijksoortige
-geographische voorwaarden, namelijk nabij of iets ten Noorden van den
-Kreeftskeerkring tusschen 20° en 35° N.B. Het oostelijkste van deze
-middelpunten van beschaving is China, nabij de Japansche zee. Het
-westelijkste, en naar het schijnt jongste, lag aan de stranden van de
-golf van Mexico. Deze laatste beschaving was bezig toe te nemen en haar
-gebied uit te breiden, toen de Europeanen Amerika ontdekten, en was
-geheel onafhankelijk van die der Oude Wereld door zelfstandige
-ontwikkeling ontstaan; maar zwak en betrekkelijk nieuw [501], was zij
-niet in staat om weêrstand te bieden aan den plotselingen inval van een
-sterker ras.
-
-Omstreeks het midden van de ruimte, aan de uiterste punten waarvan
-China en Mexico zijn gelegen, moeten twee andere middelpunten van
-beschaving worden geplaatst, ouder dan Mexico en wellicht ook dan China
-[502], doch ongeveer op de zelfde breedte gelegen, Egypte in het
-Nijldal en nabij de Roode Zee, en Mesopotamië nabij de Perzische Golf.
-Zoo had elk vasteland zijn eigen middelpunt van beschaving, behalve
-Azië, dat er twee had—het eene in het uiterste Oosten, het andere nabij
-de lijn welke het met Europa verbindt [503]. Deze bijzondere
-groepeering van de voornaamste middelpunten van beschaving in zulk een
-betrekkelijke nabuurschap vormt het belangrijkste palaeoëthnische feit
-dat wij kennen. De Nijl en de Syrische zee in het Westen, Opper-Armenië
-en de Kaspische zee in het Noorden, het Hindoe-Koh-gebergte en de Indus
-in het Oosten, en de Roode zee in het Zuiden begrenzen de streek, waar
-Kushieten, Semieten en Ariërs, de eersten landbouwers, werklieden en
-stedenstichters, de tweeden een herdersvolk en de derden bergbewoners
-en later landverhuizers en veroveraars, elkander ontmoetten, in
-wrijving met elkander kwamen en zich vermengden, beurtelings
-veroveraars en veroverden, de kunsten en het gebruik der metalen
-uitvonden, betere wapenen leerden vervaardigen en zich hiërarchisch
-organiseerden, hun ideaal trachtten te bereiken door den godsdienst, en
-door de schrijfkunst in het bezit kwamen van het machtigste werktuig,
-waarover het menschelijk verstand beschikt. Met hen begint de
-geschiedenis en een onafgebroken keten van maatschappelijke
-inrichtingen, die zich tot onze dagen uitstrekt. De groei der
-beschaving in deze middelpunten laat echter de verspreiding der
-menschheid over de geheele aarde, welke in veel vroegeren tijd plaats
-vond, nog onverklaard.
-
-De verspreiding van den mensch over Europa en Azië levert geen zeer
-groote moeielijkheden op; want ten gevolge van de groote breedte
-waarover beide vastelanden samenhangen, is Europa eigenlijk slechts een
-stuk van Azië. De moeielijkheden zijn echter verbazend groot, als wij
-Amerika beschouwen, dat wij van het eene eind tot het andere bezet
-vinden door rassen, wier eenheid de beste waarnemers heeft getroffen.
-Niet alleen verhief zich daarenboven de Amerikaansche mensch op den
-bodem der Nieuwe Wereld tot een oorspronkelijke en betrekkelijk hooge
-beschaving; maar hij heeft, vooral in het Noorden, onmiskenbare sporen
-achtergelaten van zijn tegenwoordigheid in de meest verwijderde tijden.
-Om niet te spreken van de in Californië gevonden overblijfselen van den
-tertiairen mensch (vergelijk aanteekening 5, blz. 372), heeft men in de
-Delaware-vallei te Trenton (New-Jersey) en nabij Guanajuato in Mexico
-werktuigen gevonden, die zoo onmiskenbaar tot het palaeolithische
-tijdperk behooren, dat geen vergissing mogelijk is, hun vindplaats
-onder in de aanslibbingen uit het Quaternaire Tijdvak, tezamen met
-overblijfselen van olifanten en mastodonten bewijzen, evenals de door
-Lund in de holen van Lagoa Santa gevonden menschenschedels, het bestaan
-van een ras, gelijktijdig met dat, waarvan de vuursteenwerktuigen uit
-de Somme-vallei afkomstig zijn en dat in beschavingstoestand en
-ongetwijfeld ook in levenswijze en in vele lichamelijke kenmerken met
-dit laatste overeenkwam. Van waar kan dit oorspronkelijke Amerikaansche
-ras, de broeder van dat hetwelk in dien zelfden tijd in Europa leefde,
-zijn gekomen, tenzij wij onderstellen dat er een rechtstreeksche
-landverbinding tusschen beide vastelanden was? De moeielijkheden, die
-dergelijke menschen zouden hebben ondervonden als zij hadden beproefd
-den Atlantischen Oceaan over te steken, en de zekerheid, welke ons
-peilingen geven, van de oudheid van dien oceaan maken het echter
-volstrekt onmogelijk om aan te nemen dat hij destijds niet bestond of
-dat één der beide vastelanden van uit het andere werd ontdekt door
-dezen of genen onbekenden Columbus, welke hem een honderdduizendtal
-jaren vóór den historischen Columbus overstak.
-
-Wij staan dus tegenover het vraagstuk, dat zich altijd aan ons voordoet
-en waarvan de oplossing ons altijd ontgaat, van den oorsprong van den
-Amerikaanschen mensch. Blijkbaar kan het niet worden opgelost door een
-toevallige kolonisatie door Aziatische landverhuizers of door een troep
-schipbreukelingen te hulp te roepen; maar moeten wij er rekening bij
-houden met oorspronkelijke bevolkingen die zich, evenals in Europa, in
-achtereenvolgende golvingen verspreidden, en getuigen van de
-voortdurende aanwezigheid van den mensch, wiens trapsgewijze
-ontwikkeling en verspreiding in Amerika op de zelfde wijze plaats had
-als in de Oude Wereld. [504] De onderstelling van een landverhuizing
-uit Azië over de Aleutische eilanden naar Alaska [505] zou aanneembaar
-zijn, maar de zekerheid van het bestaan van een bevolking van
-inboorlingen in Amerika in het Quaternaire Tijdvak, brengt die in elk
-geval terug tot den rang van een secundair feit. Het zelfde is het
-geval met de betrekkingen—die wel is waar in tegenspraak met elkander
-en daarom verdacht zijn—welke sommigen hebben meenen te vinden tusschen
-de gedenkteekenen, standbeelden en hiëroglyphen van Centraal-Amerika en
-die van Egypte en Boeddhistisch Azië. Deze analogieën steunen op
-onvoldoende bewijzen en moeten daarenboven vallen voor twee
-overwegingen van het hoogste gewicht: in de eerste plaats de zekerheid,
-dat de mensch in Amerika gelijktijdig met de groote dieren van het
-Quaternaire Tijdvak heeft geleefd; en in de tweede plaats, de
-betrekkelijke eenvormigheid van het koperkleurige ras, dat zoo gelijk
-is over het geheele vasteland heên, met uitzondering van het gedeelte
-dat door de Eskimo’s wordt bewoond. De moeilijkheid ontspruit uit het
-feit dat de monogenisten, een enkele geboorteplaats en een enkel
-uitgangspunt voor het geheele menschelijke geslacht aannemende en geen
-van beide in de Nieuwe Wereld plaatsende, altijd hebben ondersteld, dat
-Amerika was gekoloniseerd door landverhuizers uit Europa of Azië, die
-de richting van de parallelcirkels waren gevolgd. Landverhuizing in
-deze richting (van Oost naar West of omgekeerd) vindt dadelijk een
-hinderpaal in de oceanen, die hoe langer hoe breeder worden, naarmate
-wij zuidelijker komen. Die hinderpaal verdwijnt echter, als wij het
-denkbeeld van een verhuizing in de richting der parallelcirkels opgeven
-en onderstellen, dat zij heeft plaats gehad in de richting der
-meridianen van het Noorden naar het Zuiden. Bij verhuizingen in die
-richting stuiten wij op volstrekt geen hinderpalen; en de betrekkelijke
-gelijkvormigheid van de Amerikanen van het eene uiteinde van hun
-vasteland tot het andere, zou nooit verwondering hebben gewekt, als wij
-niet bevooroordeeld waren geweest door het denkbeeld, dat zij in een
-betrekkelijk laten tijd derwaarts waren verhuisd.
-
-Wij moeten in verband hiermede opmerken, dat de uiterste zuidpunten der
-drie vastelanden worden bewoond door rassen die ongetwijfeld
-oorspronkelijk ergens elders vandaan kwamen, en die zoowel in Vuurland
-als aan de Kaap de Goede Hoop en in Van Diemens Land tot de minst
-ontwikkelde van het menschelijke geslacht worden gerekend. Die rassen,
-welke door andere derwaarts werden opgedrongen, hebben den zichtbaren
-stempel bewaard van de betrekkelijk lage ontwikkeling van den stam
-waaruit zij lang geleden sproten. Wij moeten toch aannemen, dat deze
-drie takken—Vuurlanders, Bosjesmannen en Tasmaniërs—zoo weinig verheven
-in hun physieke, intellectueele en moreele eigenschappen, alleen zoo
-ver voortgetrokken zijn en zich alleen in zoo afgelegen oorden hebben
-gevestigd, omdat de beide laatste voor zich uit landstreken vonden die
-nog geheel onbewoond waren, terwijl de Vuurlanders hoogstens door een
-met de Papoea’s verwante bevolking werden voorafgegaan, welke laatste
-echter geheel te gronde ging of door het roode ras werd geabsorbeerd.
-[506] Als pioniers voor het overige gedeelte van het menschelijk
-geslacht hebben zij stap voor stap de uiterste grenzen van het
-bewoonbare land bereikt. Zij moeten ten minste tijdelijk ook
-noordelijker gelegen landen hebben bewoond, maar zij konden gene
-weerstand bieden aan den aandrang der sterkere rassen en konden niet
-tot onzen tijd blijven bestaan, dan door zich terug te trekken op een
-klein gebied in het meest afgelegen gedeelte van hun vroegere
-woonplaats. Er is niets verwonderlijks in het feit dat Quatrefages en
-Hamy bij het beschrijven van het oudste Europeesche ras waarvan wij
-schedels bezitten, dat van Cannstatt [507], hebben gevonden, dat het
-alleen overeenkomst bezat met die van deze zelfde bewoners van het
-uiterste Zuiden—de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs.
-
-Men zal zien, dat wij geneigd zijn de rondom de Noordpool gelegen
-landstreken als de waarschijnlijke bakermat der oorspronkelijke
-menschheid te beschouwen. Van daar alleen kan zij, als van een
-middelpunt uitgestraald zijn om zich tegelijkertijd over verschillende
-vastelanden te verspreiden en achtereenvolgende landverhuizingen naar
-het Zuiden te veroorzaken. Deze theorie komt het best overeen met den
-weg, langs welken de menschenrassen waarschijnlijk hunne tegenwoordige
-woonplaatsen hebben bereikt. Er blijft over aan te toonen, dat zij
-evenzeer in overeenstemming is met de meest authentieke en nieuwste
-geologische gegevens, en dat zij behalve op den mensch ook toepasselijk
-is op de planten en dieren welke hem vergezellen en bij voortduring in
-het nauwste verband met hem zijn gebleven in de gematigde luchtstreken
-welke later de zetel zijner beschaving werden. De algemeene wetten der
-geologie begunstigen deze onderstelling opmerkelijk. Om haar
-waarschijnlijk te maken, hebben wij slechts twee hoofdpunten vast te
-stellen, die door geen geoloog ernstig zullen worden betwist. Vooreerst
-dat de poolstreken, welke met groote boomen waren bedekt, eens een
-gematigder klimaat bezaten dan dat van het tegenwoordige Midden-Europa
-en tot den 80° toe bewoonbaar en vruchtbaar waren minstens tot het
-midden van het Tertiaire Tijdvak toe, een langzame en voortdurende
-afkoeling ondergingen. Van toen af maakte de afkoeling snelle
-vorderingen, totdat het ijs uitsluitend meester werd van het nabij de
-polen gelegen land. Onder dergelijke omstandigheden moest de mensch,
-zoo die daar leefde, even goed als de dieren en planten wegtrekken of
-omkomen—stap voor stap verhuizen of zich tot een dagelijks onzekerder
-wordend bestaan teruggebracht zien.
-
-Het tweede punt is de betrekkelijke stabiliteit van de bestaande
-vastelanden en hun ligging rondom een zee welke de Noordpool omsluit;
-terwijl de andere pool wordt ingenomen door land, omringd door een
-onmetelijken oceaan. Het belang van de Noordpool ten opzichte van het
-ontstaan van dieren en planten en hun verhuizingen en de
-onbeduidendheid van de Zuidpoolstreken in dit opzicht volgen uit die
-groepeering. De hoofdzaak is, dat er niets grilligs is in die
-verdeeling van land en zee, en dat er, zoo niet altijd, ten minste
-sedert een zeer oud tijdvak, zich altijd landen hebben verheven, die
-een aanmerkelijk gedeelte van het Noordelijk Halfrond besloegen, en
-rondom de Poolzee een gordel van min of meer samenhangende landen en
-eilanden vormden. Dit is werkelijk, wat de geologie leert. De
-veranderingen, dalingen tot onder en verheffingen tot boven den
-zeespiegel zijn altijd slechts gedeeltelijk en achtereenvolgend
-geweest, terwijl de hoofdmassa’s der vastelanden sedert de oudste
-tijden betrekkelijk slechts weinig van gedaante zijn veranderd. Er
-zijn, zoolang er land bestaat, ook altijd een Europa, een Azië, een
-Amerika en Poollanden, geweest. [508] Wij weten zeker dat er altijd om
-de Noordpool uitgestrekte grondgebieden bestaan hebben; al zijn het
-geen vastelanden geweest; dat die langen tijd het verblijf waren van de
-zelfde planten als het overige gedeelte van den aardbol, en dat sedert
-het einde van het Jura-tijdvak, het klimaat, dat daar eerst schier even
-warm was als elders, langzamerhand trapsgewijze kouder is geworden. De
-daling van de temperatuur openbaarde zich eerst zeer langzaam, en was
-in het Tertiaire Tijdvak nog lang zoo ver niet voortgeschreden als
-tegenwoordig; want de boomen, toenmaals in Groenland groeiende,—de
-sequoia’s, magnolia’s en platanen,—bereiken nu in Zuid-Europa hun volle
-ontwikkeling en passen niet voor het klimaat van Midden-Europa. [509]
-We zijn dus verzekerd, dat er om de Noordpool vroeger een gordel van
-landen met een rijken plantengroei heeft bestaan. Het voortdurend
-bestaan eener Poolzee is niettemin bevestigd door versteeningen in alle
-gedeelten dier streek gevonden. De omstreken van de Noordpool waren
-lang bewoonbaar, en werden bewoond door den mensch, in een tijd niet
-ver van dien, waarop de eerste sporen van zijn nijverheid zich
-tegelijkertijd in Europa en in Amerika begonnen te vertoonen. Zich van
-de Poollanden begevende naar die welke aan den poolcirkel grenzen, en
-van de laatste naar Azië, Europa en Amerika, zou de mensch slechts den
-zelfden weg gevolgd hebben, als een heir van planten en dieren, hetzij
-vóór hem of ter zelfder tijd met hem, en onder de prikkel der zelfde
-omstandigheden. [510] Door de hulp van verhuizingen van uit de
-nabijheid der Noordpool kunnen wij in ’t algemeen het verschijnsel
-verklaren, dat soorten verspreid of in verschillende afzonderlijke
-deelen gescheiden zijn, een verschijnsel overeenstemmende met dat
-hetwelk de menschen van de Oude en die van de Nieuwe Wereld vertoonen,
-wanneer men ze met elkander vergelijkt.
-
-Wanneer wij de hier uiteengezette opvatting vergelijken met de
-aanwijzingen, door de fossielen geleverd, dan ontdekken wij talrijke
-voorbeelden van afscheiding, in welke verwante, dikwijls nauwelijks van
-elkander te onderscheiden vormen, terzelfdertijd in verschillende
-streken zijn verspreid, over ver van elkander verwijderde punten van
-het Noordelijk Halfrond, zonder eenige duidelijke verbinding langs de
-parallelcirkels, waardoor hun blijkbare overeenkomst zou kunnen worden
-verklaard. Europa getuigt door vele fossielen op onloochenbare wijze,
-dat het eertijds een heirleger van plantentypen en vormen had, die nu
-tot Amerika beperkt zijn, en die het alleen uit het uiterste Noorden
-kan ontvangen hebben. Het heeft bij voorbeeld magnolia’s, tulpenboomen,
-sassefras, ahornboomen en populieren bezeten, in alle opzichten
-vergelijkbaar met die welke tegenwoordig in de Vereenigde Staten
-groeien. De twee plataansoorten, die van het westelijk halfrond en die
-van Klein-Azië, waaraan wij een uitgestorven fossielen Europeeschen
-plataan mogen toevoegen, geven een voorbeeld van het zelfde
-verschijnsel van verspreiding. Europa was in het Tertiaire Tijdvak
-getuige van den groei van een ginko, gelijkende op die van Noordelijk
-China (Ginko biloba of Salisburia japonica). Het had sequoia’s en een
-kale cypres, overeenkomende met de boomen van dien naam, welke nu in
-Californië en Louisiana groeien. De beuk schijnt in de streken rondom
-de Noordpool gegroeid te hebben, vóór hij was doorgedrongen en zich had
-uitgebreid in de zuidelijker gedeelten van het Noordelijk Halfrond.
-Zonder twijfel is dit ook het geval geweest met de hemlock-spar (Tsuga
-canadensis), van welke duidelijke overblijfselen zijn gevonden in
-Grinnell-land op meer dan 82° breedte, en uit een veel vroegeren tijd
-afkomstig dan die waarin hij in Canada begon te groeien. De goed
-vastgestelde tegenwoordigheid in beide vastelanden van vele dieren die
-eigen zijn aan het Noordelijk Halfrond, moet worden toegeschreven aan
-landverhuizingen, zoo niet van de pool, dan ten minste uit landen in de
-nabijheid van den poolcirkel gelegen. Dit is duidelijk in het geval van
-het rendier, den bison, en het hert; maar het moet even waar zijn ten
-opzichte van dieren uit oudere tijden, en hoewel wij daarvan geen
-andere rechtstreeksche bewijzen hebben dan den overvloed van
-overblijfselen van mammouthen in Opper-Siberië, gaat deze wet
-ontegenzeggelijk ook voor de olifanten en mastodons door: wij bedoelen
-hier de soorten van deze beide geslachten, welke zich van het Noorden
-naar het Zuiden voortplantten, en die in Amerika en Europa de
-metgezellen van den oorspronkelijken mensch waren. De verbinding van de
-vastelandmassa’s met hun gordel van nauwelijks gescheiden landen rondom
-en binnen den Poolcirkel geeft den sleutel tot al deze verschijnselen.
-
-Volgens de denkbeelden van de transformistische school was de
-oorspronkelijke mensch een anthropomorphe aap, in lichamelijk opzicht
-volkomener geworden, wat zijn opgerichte houding en het gaan op twee
-voeten betrof, en in verstandelijk opzicht door het grooter worden en
-de ontwikkeling van zijn schedel en hersenen, waarmede het ontstaan van
-het vermogen om gearticuleerd te spreken gepaard ging. [511] In
-overeenstemming nu met onze theorie vinden wij, dat ook de apen, en
-zelfs de anthropomorphen vroeger in veel noordelijker streken gevonden
-werden dan tegenwoordig. Als voorbeelden halen wij aan den Mesopithecus
-Pentelici, door Gaudry [512] te Pikermi in Griekenland fossiel
-gevonden, den Dryopithecus van St. Gaudens, een anthropomorphen aap,
-aan welken Gaudry vroeger geneigd was de zeer ruw bewerkte vuursteenen
-toe te schrijven, welke de abt Bourgeois te Thénay in tertiairen
-kalksteen (Calcaire de la Beauce) vond. [513] Verder den Pliopithecus
-van Sansan (Gers), die op een gibbon gelijkt, enz. Om tegenwoordig de
-het naast met Pliopithecus en Dryopithecus uit Midden-Europa verwante
-diervormen te vinden, moet men den Kreeftskeerkring overschrijden en
-tot 12° noorderbreedte reizen, of meer dan dertig graden zuidelijker
-dan de plaatsen, waar deze fossielen zijn gevonden. Indien de zelfde
-afstand (in omgekeerde richting) bestond tusschen de plaatsen, waar men
-deze fossiele apen heeft gevonden en het oorspronkelijk vaderland van
-den mensch, dan zou dit laatste op de breedte van Groenland, d.i. op
-70° of 75° hebben gelegen. Deze onderstelling wordt gesteund door het
-feit, dat ook tegenwoordig de streken, waar de mensch de hoogste
-ontwikkeling bereikt, noordelijker liggen en koeler klimaat bezitten
-dan die waar anthropomorphe apen leven, en dat de oudste middelpunten
-van beschaving, allen, gelijk wij hebben gezien, tusschen 20° en 35°
-N.B. gelegen, in gemiddelde temperatuur overeenstemmen met dat gedeelte
-van het toenmalige Groenland. De overvloed van ruwe vuursteenwerktuigen
-in de nabij elkander gelegen valleien van de Somme en de Seine bewijst,
-dat daar oudtijds een klimaat enz. heerschte, bij uitstek geschikt voor
-de vermenigvuldiging van den mensch. De flora van dien tijd, waarvan
-nabij Fontainebleau fossiele overblijfselen zijn gevonden, bewijst dat
-dit klimaat overeenkwam met dat, ’t welk men tegenwoordig in het Zuiden
-van Frankrijk nabij den 42sten breedtegraad aantreft. Om nu, van dezen
-42sten breedtegraad uitgaande, de bijna tropische streken te bereiken,
-waar palmen, kamferboomen en zuidelijke laurieren te zamen groeien,
-moeten wij twaalf of vijftien graden zuidelijker gaan, waar wij de
-zelfde klimatologische toestanden aantreffen, die in Midden-Europa
-bestonden, toen het de woonplaats van anthropomorphe apen was. Maar
-toen er palmen groeiden in de nabijheid van Praag en kamferboomen in de
-nabijheid van Dantzig, kan de mensch, als hij destijds bestond, zonder
-bezwaar hebben geleefd in de streken onder den Noordpoolcirkel of nog
-verder Noordwaarts, en zou van daar uit even gemakkelijk Noord-Amerika
-als Europa hebben kunnen bereiken, welke hij bestemd was te bevolken.
-De mensch heeft zich uit zijn stamvorm ontwikkeld in een gematigd
-klimaat, en zoo hij tegenwoordig ook in de warmste landen leeft,
-bewijst dit eenvoudig dat hij het vermogen bezat zich naar de
-omstandigheden te schikken (zich te adapteeren aan de
-levensvoorwaarden), maar hij bloeit het meest en komt tot zijn hoogste
-ontwikkeling in de gematigde luchtstreek, terwijl de tegenwoordige
-anthropomorphen echte tropenkinderen zijn en in de gematigde
-luchtstreek slechts kort blijven leven.
-
-Het besluit, waartoe wij komen, is dus, dat in het begin van het
-Tertiaire Tijdvak de Noordpoolstreken grootendeels uit land bestonden
-[514], dat een tropisch klimaat bezat en waar de anthropomorphe
-stamvorm van den mensch leefde. Toen in den loop van de Miocene en
-Pliocene periode dit klimaat allengs meer gematigd werd, stierven de
-anthropomorphen daar gedeeltelijk uit, omdat zij het kouder klimaat
-niet konden verdragen, gedeeltelijk verhuisden zij naar het Zuiden,
-waarbij zij zich natuurlijk wijzigden, gedeeltelijk adapteerden zij
-zich aan de omstandigheden en werden tot menschen. In de Pliocene
-periode (of reeds vroeger) leefde derhalve de mensch (met vele andere
-thans naar zuidelijker breedten verhuisde dieren en planten) in de
-Noordpoolstreken, die een gematigd klimaat bezaten. Bij het invallen
-van het ijstijdperk werden de Poolstreken voor hem onbewoonbaar [515]
-en verspreidde hij zich (tegelijk met die dieren en planten) in alle
-richtingen naar het Zuiden over de gematigde luchtstreken van Europa,
-Azië en Noord-Amerika, terwijl de tropische vegetatie en de
-dierenwereld, welke die streken in het Tertiaire Tijdvak bezaten,
-tegelijkertijd ondergingen of naar het Zuiden werden teruggedrongen.
-Hierbij konden in de Nieuwe Wereld meer plantentypen behouden blijven
-dan in de Oude, omdat in deze laatste de vaak van het Oosten naar het
-Westen loopende bergketenen en zeearmen dikwijls onoverkomelijke
-hinderpalen voor de verhuizing der planten naar het Zuiden opleverden,
-hetgeen in de Nieuwe Wereld veel minder het geval was, omdat de
-voornaamste bergketenen daar van het Noorden naar het Zuiden loopen.
-Voor de dieren vormden echter de bergketenen der Oude Wereld, wegens de
-snelheid waarmede zij zich kunnen verplaatsen, veel minder
-onoverkomelijke hinderpalen dan voor de planten.
-
-Over het geheel moeten noodwendig de Poollanden ook in de oudste
-tijdvakken de plaatsen zijn geweest, waar de landdieren ontstonden en
-waar zij later de grootste wijzigingen ondergingen, waardoor nieuwe
-soorten en typen ontstonden, die zich naar den equator toe
-verspreidden. De polen moeten, zelfs toen de aarde nog gloeiend
-vloeibaar was, reeds kouder zijn geweest dan de equator; want aan den
-equator bestond aardwarmte + tropische zonnewarmte, aan de polen
-aardwarmte + polaire zonnewarmte; dit ging vroeger evenzeer door als
-tegenwoordig, al waren zoowel aardwarmte als zonnewarmte ook absoluut
-grooter dan thans. Aan de polen moet de aardschors zijn begonnen zich
-te vormen, daar moeten reeds voor planten en dieren bewoonbare streken
-zijn ontstaan toen de equator nog te warm was om organisch leven
-mogelijk te maken. Daar zijn de eerste planten en dieren ontstaan en
-van daar hebben zij zich naar den equator verspreid, naarmate de
-afkoeling voortschreed. Daar ontstonden door de afkoeling voortdurend
-nieuwe levensvoorwaarden, die nog nergens elders op aarde voorkwamen,
-naar welke de soorten zich moesten wijzigen of ondergaan, tenzij zij
-emigreerden en meer naar den equator toe haar oude levensvoorwaarden
-voor een groot deel terugvonden. Daar is ook eindelijk de ijskorst
-begonnen zich te vormen, die waarschijnlijk na tal van eeuwen de
-geheele aarde zal bedekken en een einde maken aan alle organisch leven
-op aarde! De tropen zijn in palaeontologischen zin achter-, de
-poolstreken vooruit in vergelijking van de gematigde luchtstreek. De
-tropen geven ons een beeld uit het verleden der aarde, de poolstreken
-schilderen ons haar toekomst!
-
-Aan de Zuidpool moet derhalve in de vroegste tijden een geheel van die
-aan de Noordpool verschillende dieren- en plantenwereld zijn ontstaan,
-die zich echter, zoover het landbewoners waren, niet verder kon
-uitbreiden dan het Zuidpoolland, en toen dit door het ijs werd bedekt,
-volkomen moet zijn ondergegaan. [516] (2) De Noordpooltypen konden zich
-daarentegen, zoodra de afkoeling het toeliet, over al de andere
-vastelanden, zelfs Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland uitbreiden,
-daar zij landverbindingen (of hoogstens nauwe zeearmen) op hun
-verhuizingen ontmoetten. De zeedieren en planten konden zich natuurlijk
-van uit beide polen gemakkelijk door den geheelen oceaan verspreiden,
-voor zoover en waar de temperatuur zulks toeliet. Zoo verklaart zich,
-dat de dieren- en plantenwereld op het land rondom de Noordpool en in
-de Noordelijke gematigde luchtstreek zoo eenvormig, zich hoe langer hoe
-meer differentieert naarmate men zuidelijker komt, dat die verschillen
-in de Zuidelijke gematigde luchtstreek het grootste zijn, en dat
-evenals men vertegenwoordigers der oudste menschenrassen (door
-gedwongen verhuizing derwaarts gekomen) aan de zuidpunten der
-vastelanden vindt, men daar ook de laatste Mohicanen van overal elders
-geheel of bijna geheel verdwenen dierentypen aantreft. Wij wijzen op de
-Edentata en Luiaards van Zuid-Amerika, op de Edentata en de aan het
-Tertiaire Tijdvak herinnerende fauna van Zuid-Afrika, op de
-Buideldieren, Snaveldieren, Ceratodus enz. van Nieuw-Holland, dat in
-zijn fauna aan het Secundaire Tijdvak van Europa herinnert!
-
-
-
-II.
-
-Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de mensch, uitgaande van
-een oorspronkelijk vaderland, waarvan de juiste plaats niet te bepalen
-is, maar dat om vele redenen moet worden geacht waarschijnlijk in het
-hooge Noorden te hebben gelegen, zich straalsgewijze in verschillende
-richtingen heeft verspreid; dat zijn verhuizingen over het algemeen
-plaats hadden van het Noorden naar het Zuiden en dat zij rassen hebben
-doen ontstaan, waarvan de oudste het verste naar het Zuiden trokken en
-het minst ontwikkeld waren. De hoogere rassen waren die, welke, later
-verhuizende en zich vestigende in streken met bijzonder gunstig
-klimaat, langzamerhand zijn opgeklommen tot hetgeen wij beschaving
-noemen.
-
-De Mortillet heeft zich met dit onderwerp beziggehouden, en overtuigd,
-dat de bestaande menschheid slechts een resultante en de laatste term
-is van een reeks achtereenvolgende transformaties, onderscheidt hij
-verschillende menschensoorten: de tertiaire mensch, de quaternaire
-mensch, de tegenwoordige mensch. De mensch van het oudste gedeelte van
-het Quaternaire Tijdvak, waarvan in het Neanderdal, te Denise [517], te
-Cannstatt, Spy enz. overblijfselen zijn gevonden, schijnt hem zoo
-verschillend van de tegenwoordige menschen, dat hij er hem niet slechts
-van scheidt, maar zelfs voor de tijden, voorafgaande aan het
-Quaternaire Tijdvak, een bijzondere soort van menschen of
-pseudo-menschen onderscheidt. [518] Dit waren, gelijk hij het uitdrukt,
-„voorloopers van den mensch”, waaraan hij den veelbeteekenenden naam
-van anthropopithecus of „mensch-aap” geeft, omdat hij gelooft, dat zij
-in de reeks der wezens aan den mensch voorafgingen, en een type
-vormden, dat het midden hield tusschen de tegenwoordig levende
-anthropomorphe apen en den mensch. Wij moeten ze ons voorstellen als
-wezens, die hoog genoeg stonden boven den gorilla en den chimpanzee om
-vuursteen ruw te kunnen bewerken [519] en het vuur te gebruiken, doch
-niet in staat waren om zich uit zich zelven boven dien trap van
-verstandelijke ontwikkeling te verheffen en een wezenlijk mensch te
-worden, als een ras dus, dat tot de Bosjesmannen en Tasmaniërs ongeveer
-in de zelfde verhouding stond als deze tot ons. Deze hypothese is door
-ons, onafhankelijk van de Mortillet, reeds vroeger uitgesproken (zie
-aanteekening 11, blz. 295). Wij stellen ons die menschapen echter voor
-als nauw verwant met den stam waaruit de eigenlijke mensch zich heeft
-ontwikkeld, of wellicht zelfs identiek met dien stam, zoodat wij hun
-den aanleg tot hoogere ontwikkeling geenszins ontzeggen (gelijk de
-Mortillet wel schijnt te doen) en houden hen dan zelfs voor een
-onmisbaren schakel in den stamboom van den mensch. Zulk een vorm moet
-eens hebben bestaan. Zelfs al vond men nimmer overblijfselen van hem of
-van zijn werktuigen of wapenen, vloeit zulks met logische
-noodzakelijkheid uit Darwin’s theorie van de afstamming van den mensch
-voort! Een geheel verschillende vraag is of die vorm in Frankrijk en
-Portugal voorkwam en reeds in de miocene periode met de anthropomorphen
-van St. Gaudens leefde.
-
-Wij worden er zoodoende toe geleid om te onderzoeken of de vuursteenen,
-door den abt Bourgeois te Thénay verzameld, en die welke later in
-Portugal zijn verzameld, wezenlijk bewerkt zijn, dan wel of het
-eenvoudig splinters en natuurlijke brokstukken zijn, die men bij
-vergissing voor met voordacht vervaardigde werktuigen heeft aangezien.
-Thénay, waar de oudste dezer vuursteenen zijn ontdekt, behoort tot de
-onderste miocene formatie welke lager ligt dan die van Sansan, waarin
-men de overblijfselen van anthropomorphen heeft gevonden, van welke wij
-hebben gesproken. Het bestaan (op die breedte natuurlijk) van den
-rhinoceros te dier tijde is nog twijfelachtig, de mastodons waren nog
-niet verschenen, de olifanten waren nog ver weg, de hipparions, de
-voorloopers van het paard, zouden niet dan lang daarna verschijnen. De
-buideldieren waren verdwenen en de verscheurende dieren werden alleen
-vertegenwoordigd door typen die het midden hielden tusschen
-tegenwoordig levende geslachten. Geen der diervormen welke den mensch
-op zijn vroegste tochten zouden vergezellen, en die hij zou moeten
-bestrijden, of aan zich onderwerpen, had zich nog vertoond. En toch zou
-de mensch moeten worden geplaatst in deze hem vreemde omgeving, in die
-wereld, welke als het ware nog slechts de embryo was van de
-tegenwoordige, en zou hij alleen soortelijk niet veranderd zijn! A
-priori bestaat dus weinig waarschijnlijkheid, dat destijds echte
-menschen hebben geleefd. Maar hun voorganger dan, soortelijk van den
-tegenwoordigen mensch verschillende en op een lageren trap staande dan
-hij? Om van diens bestaan in Frankrijk en Portugal tijdens de miocene
-periode volkomen overtuigd te worden, zouden meer bewijzen noodig zijn,
-dan men ons heeft geleverd,—eenige weinige vuursteenen, die wellicht
-met voordacht bewerkt zijn, te midden van vele duizenden andere! Het is
-iets, maar niet genoeg, met het oog op de menigte onwaarschijnlijkheden
-die ons weêrhouden vertrouwen te stellen in dergelijke aanwijzingen.
-Gaudry wijst er ook op, dat wanneer men de gerolde en zoogenaamd
-bewerkte vuursteenen uit den miocenen kalksteen van Thénay in groot
-aantal naast elkander legt, de grens tusschen beide soorten moeilijk is
-aan te wijzen.
-
-De tertiaire bewerkte vuursteenen welke men in Portugal heeft gevonden,
-komen uit een ongetwijfeld tertiaire zoetwatervorming uit de miocene
-periode. De Portugeesche flora van dien tijd werd gekenmerkt door de
-aanwezigheid van olmen, populieren, kaneelboomen, saponaria’s en
-tamarinden, welke bewijzen, dat er in Europa een zacht en gelijkmatig
-klimaat heerschte, waarin de mensch zeer gunstige voorwaarden voor zijn
-ontwikkeling zou hebben gevonden. Wanneer wij echter beproeven te
-bewijzen, dat hij daar toenmaals bestond, kunnen wij niets aanvoeren
-dan een laag zandsteen, waarin stukken kiezel voorkomen, gedeeltelijk
-gebroken, die onderworpen is geweest aan latere afspoelingen en
-atmospherische invloeden, die de tallooze kiezelsplinters verklaren,
-waarmede de grond bedekt is, en waaruit die, welke men meent dat sporen
-van bewerking vertoonen, na lang zoeken zijn uitgezift. Cazalis de
-Foudouce, die lid was van het Praehistorisch Congres te Lissabon in
-1880—iemand van erkende bevoegdheid omtrent dergelijke zaken—bezocht de
-miocene beddingen van Monte Redondo, en rechtvaardigt zijn
-ongeneigdheid om een bepaalde opinie uit te spreken over het al- of
-niet bewerkt zijn van de zeer weinige vuursteenen, welke het mogelijk
-is te vergelijken met die uit de zoogenaamde Moustier periode
-(waaromtrent later), door te wijzen op de ontblootingen, verschuivingen
-en verwoestingen, welke de lagen hebben ondergaan. Het is niet
-onmogelijk, dat de steenen door den mensch of zijn voorlooper bewerkt
-zijn. Een daarvan schijnt gevonden te zijn in een laag, die sedert haar
-vorming onaangeroerd was gebleven; maar, al geeft men dit toe, is het
-dan niet beter te wachten dan zulk een groot vraagstuk maar kortweg in
-eens en zonder rechtstreeksch bewijs te beslissen? De Mortillet zelf
-bevestigt niets rechtstreeks dan de echtheid der vuursteenwerktuigen.
-Hij voegt er bij, dat hun geringe grootte hem doet gelooven, dat de
-wezens welke ze maakten, geen wezenlijke menschen kunnen zijn geweest.
-Den twijfel, dien hij terecht oppert omtrent de makers, breiden wij uit
-tot de werktuigen, en wachten op de resultaten van toekomstige
-ontdekkingen, vóór wij het vraagstuk als opgelost beschouwen. Blijkt
-dan echter met zekerheid, dat in de miocene lagen van Zuid-Europa
-bewerkte vuursteenen voorkomen, dan houden wij het er stellig voor, dat
-zij afkomstig zijn van wezens, hooger staande dan de anthropomorphen,
-maar lager dan de echte mensch en soortelijk van dezen verschillende,
-en dat deze wezens verwant (of wellicht identiek) waren met de soort,
-waaruit de echte mensch zich ontwikkeld heeft.
-
-Het wordt nog moeielijker de miocene, zoogenaamde bewerkte steenen te
-beschouwen als bewijzen van het bestaan van den echten mensch in
-Zuid-Europa gedurende het Tertiaire Tijdvak, als wij zien, hoe helder
-licht de te Chelles (bij Parijs) gevonden overblijfselen op den mensch
-van de volgende periode werpen, welke de Mortillet „période Chelléenne”
-noemt, en die de oudste uit het Quaternaire Tijdvak is. De mensch bezat
-in die periode een blijkbare nijverheid—primitief wel is waar; want zij
-bestaat alleen in het vervaardigen van een enkele soort van werktuigen,
-maar deze zijn toch door hun vorm en grootte zoo duidelijk
-kunstproducten, dat zelfs de meest bevooroordeelde geest geen oogenblik
-kan betwijfelen, dat zij van één en het zelfde ras afkomstig zijn. De
-te Chelles gevonden bewerkte vuursteenen zijn zelfs karakteristieker
-dan die van St. Acheul, waar dergelijke in zoo groot aantal zijn
-gevonden. De Elephas antiquus van Falconer, de waarschijnlijke stamvorm
-van den Afrikaanschen olifant en de voorganger van den mammouth in
-Europa, wordt uitsluitend te Chelles te zamen met door den mensch
-vervaardigde werktuigen gevonden, terwijl te St. Acheul de mammouth
-veelvuldiger wordt gevonden, hoezeer de andere soort niet ontbreekt. De
-mensch uit de „periode van Chelles” zag dus twee soorten van olifanten
-voor elkander plaats maken. Waarschijnlijk veranderde ook langzamerhand
-het klimaat en werd het kouder, zonder echter de levenswijze en
-nijverheid van den mensch te veranderen. Op den duur bleef echter de
-werking van de physiologische en biologische gebeurtenissen waarvan
-Europa het tooneel werd, invloed op den quaternairen mensch uitoefenen
-en het ras van Chelles, overgaande in dat van Moustier, veranderde
-langzamerhand zijn levenswijze en leerde andere werktuigen
-vervaardigen. Deze ontwikkeling behoeft volstrekt niet plotseling in
-haar werk te zijn gegaan, daar zij het gevolg was van de eischen van
-een zeer langzaam kouder wordend klimaat. In den beginne waren de
-dieren, planten en klimaat die van het tegenwoordige Noord-Afrika, en
-waren de levensomstandigheden voor den mensch uitstekend. De mensch van
-Chelles leefde in de open lucht, wellicht in hutten van licht
-vlechtwerk, maar woonde niet in holen en was niet gewoon zijn dooden te
-begraven. Deze feiten verklaren den overvloed van werktuigen uit dien
-tijd in aanslibbingen, het ontbreken daarvan in de holen, waarin de
-mensch in de volgende perioden een schuilplaats zocht, en de zeer
-groote zeldzaamheid van menschenbeenderen. Het groote aantal
-werktuigen, in verschillende deelen van Frankrijk gevonden, geven den
-indruk van een werkzame en dichte bevolking, wier vreedzame uitbreiding
-gedurende vele eeuwen door geen ongelukkige gebeurtenissen werd
-verhinderd. Door het vinden van geheel gelijksoortige steenen
-werktuigen (behalve dat de steensoort natuurlijk verschilt, al naar de
-petrographische gesteldheid der vindplaatsen) heeft men sporen van dit
-zelfde menschenras teruggevonden in België, Engeland, Moravië,
-Duitschland, Spanje Portugal, Italië, Barbarije, Egypte, en zelfs aan
-de Kaap de Goede Hoop en in Noord-Amerika in de Delaware vallei
-(New-Jersey) en 4000 kilometers westelijker in het bekken van Bridger
-(Wyoming op 40° à 44° N.B.).
-
-Het menschenras van Chelles is dus, even voor het klimaat van het
-ijstijdperk zich in Europa begon te doen gevoelen, van uit het Noorden
-tegelijkertijd Europa en Noord-Amerika binnengetrokken en in beide tot
-de zelfde breedte doorgedrongen. [520] De Noordzee was destijds nog
-droog land en Engeland met Europa verbonden.
-
-De amandelvormige werktuigen uit de „periode van Chelles” mogen,
-volgens de Mortillet, geenszins als eigenlijke bijlen worden beschouwd.
-Ongeschikt om aan een steel te worden bevestigd, hield men ze in de
-hand vast, waarin ze juist pasten en waarvan het gewicht er door werd
-vergroot, terwijl de punt er uit te voorschijn kwam; de Mortillet geeft
-ze daarom den naam van „coup de poing.” Zij konden, al naar de
-omstandigheden, worden gebruikt als wapen (een soort van dolk) of als
-universaal-instrument, dat onvolkomen onze bijl, mes, beitel, zaag,
-boor enz. verving. Het hoofdwapen van het ras was waarschijnlijk een
-knots, waarvan alle sporen natuurlijk zijn verdwenen.
-
-De langzame ontwikkeling van de verdeeling van den arbeid schijnt
-plaats te hebben gehad in de volgende periode, die van Moustier, welke
-zich aan die van Chelles nauw aansluit, doch in welke de werktuigen,
-hoewel minder zorgvuldig afgewerkt, toch getuigen van meer bekwaamheid,
-een snellere bewerking en een meer op nuttigheid lettenden geest. De
-werktuigen van deze periode zijn verschillender van vorm en meer tot
-bijzondere doeleinden ingericht. Het klimaat was strenger geworden; de
-gletschers hadden bijna hun grootste uitgebreidheid bereikt; en de
-mensch uit de „periode van Moustier” was genoodzaakt een schuilplaats
-te zoeken in holen, waarin de overblijfselen van zijn nijverheid even
-veelvuldig worden aangetroffen als daarbuiten. In andere opzichten
-schijnt het ras en de periode van Moustier eenvoudig een voortzetting
-te zijn geweest van die van Chelles. Alleen ondervond de mensch, onder
-den drang van nieuwe noodzakelijkheden, behoeften welke hij vóór dien
-tijd niet had gekend. Hij moest arbeidzamer worden. De groote dieren
-waren in aantal toegenomen, hij moest zich voor zijn verdediging
-wapenen en werd een jager.
-
-Daar men zich geen moeite gaf om aan de dooden een blijvend graf te
-verschaffen, kunnen wij niet verwachten vele beenderen van deze oudste
-rassen te vinden. Mogelijk plaatsten zij de lijken op boomen, of in op
-palen gebouwde hutten, gelijk sommige Indiaansche stammen heden nog
-doen, en dat zou een reden te meer zijn, waarom hun overblijfselen zijn
-verdwenen. De twijfelachtige overblijfselen van geraamten daargelaten,
-vindt de Mortillet slechts eenige weinige beenderen, die geacht kunnen
-worden van den mensch uit de periode van Chelles afkomstig te zijn. Zij
-behooren allen tot het ras, dat de Quatrefages en Hamy op zuiver
-anatomische gronden, als een bijzonder uitgestorven menschenras
-beschreven, en waaraan zij den naam van „ras van Cannstatt” hebben
-gegeven, naar den schedel, daar ter plaatse met olifantsbeenderen te
-zamen gevonden in 1790. Deze schedel, de schedel van Eguisheim bij
-Colmar, de beenderen van Spy, van Denise, de Neanderdalschedel, die van
-Gibraltar, de kaak van la Naulette, die uit het Schipkahol, zijn schier
-al wat wij er van bezitten, en wij moeten erkennen dat zulks zeer
-weinig is. Genoeg echter om ons het ras in algemeene trekken voor te
-stellen en aan te toonen, dat het lager stond dan de Bosjesmannen,
-Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, ja volgens de Mortillet meer beneden
-hen dan deze beneden de Europeanen staan. De Mortillet gelooft, dat het
-ras van Cannstatt oploopend, ruw en strijdlustig was, en gaat zoover
-van het het bezit van een gearticuleerde spraak te ontzeggen. Dit is
-alles wat wij met eenige zekerheid weten van de oudste bewoners van
-Europa en van hun geschiedenis. Het gelijktijdig optreden van het ras
-van Cannstatt of Chelles in een zoo groot aantal zoo ver uiteengelegen
-streken, doet het denkbeeld oprijzen, dat het, ten minste
-oorspronkelijk, niet een bijzonder ras, maar den gemeenschappelijk
-stamvorm van alle latere rassen vertegenwoordigde, die zich op
-verschillende manieren zou wijzigen, toen hij zich op verschillende
-plaatsen vestigde, waar hij aan uiterst verschillende levensvoorwaarden
-zou zijn onderworpen. „Zijn bloed ging dus over in alle latere rassen
-en kan zich”, zegt de Mortillet, „zelfs in den tegenwoordigen tijd door
-het verschijnen van atavismen openbaren.” Het ras van Cannstatt was dus
-het origineel van hetgeen volgde. Steeds meer zuidwaarts
-voorttrekkende, heeft het de aarde bevolkt en is in allerlei locale
-rassen en stammen verdeeld geworden. [521] De periode van Moustier
-vertegenwoordigt in Europa het tweede bedrijf, en de perioden, volgende
-op die van Moustier, welke de Mortillet (naar plaatsen, waar in
-Frankrijk typische overblijfselen daaruit zijn gevonden) die van de
-Solutré [522] en van la Madeleine [523] heeft genoemd, stemmen overeen
-met de tijden, waarin de mensch, zich op bepaalde plaatsen gevestigd
-hebbende, zich langzamerhand wijzigde, en in verschillende opzichten de
-specifieke kenmerken verkreeg, waardoor die rassen zich onderscheidden,
-hoedanigheden ontwikkelde, even verschillend als zijn woonplaatsen, en
-achtereenvolgens bleef staan op allerlei verschillende sporten van de
-ladder welke hij bestemd was te beklimmen, maar die hem alleen kon
-leiden tot de volle uitoefening zijner edelste vermogens op voorwaarde
-dat hij tot haar hoogste sport zou doorklimmen.
-
-„De periode van Solutré” is slechts een kort overgangstijdperk, dat ons
-snel tot die van la Madeleine brengt, en schijnt meer een locale, dan
-een algemeene ontwikkeling te hebben vertegenwoordigd. Beide perioden
-zijn de uitdrukking van de steeds toenemende koude van het ijstijdperk,
-gedurende hetwelk de groote dikhuidige dieren langzamerhand verdwenen
-door de toenemende ruwheid van het klimaat, en het rendier en het paard
-zich vermenigvuldigden en de plaats daarvan innamen. Het rendier trok
-uit het Noorden naar Midden-Europa, schoon het de zuidelijke deelen
-daarvan niet bereikte, in talrijke verscheidenheden, die echter alle
-met de nog bestaande rendieren van Lapland verwant waren. Van het paard
-zijn minstens twintigduizend, mogelijk veertigduizend geraamten te
-Solutré gevonden. Geen van beide dieren was toen getemd, en de hond was
-nog onbekend. De mensch bemachtigde de dieren op de jacht, hetzij door
-hen te dooden, hetzij door hen gebonden mede naar zijn woonplaats te
-voeren. De mammouth was een soort van legendair wezen geworden, in het
-diepste der wouden verscholen, een voorwerp van nieuwsgierigheid,
-veelvuldig genoeg om ivoor op te leveren en den mensch van dien tijd te
-prikkelen om afbeeldingen van hem te maken. Feitelijk had de mensch uit
-die periode groote vorderingen in beschaving gemaakt. De verdeeling van
-den industrieelen arbeid was tot stand gekomen. De bewerking van den
-vuursteen was tot groote volkomenheid en fijnheid gebracht en een
-nieuwe tak van nijverheid was er aan toegevoegd, namelijk het bewerken
-van been, ivoor en rendierhoorn. Men maakte verschillende soorten van
-werktuigen uit bepaalde grondstoffen, de Saporta vermeldt punten van
-werpspietsen en pieken, die hij heeft gezien, welke aan beide zijden
-zeer kunstig waren bewerkt en bestemd om aan houten staven te worden
-bevestigd; ook de schrappers zijn uitstekend geschikt voor het gebruik
-waartoe zij uitsluitend waren bestemd. Van been werden naalden,
-harpoenen en tot sieraad bestemde voorwerpen, zooals beeldhouwwerk,
-vervaardigd en teekeningen er op gegraveerd. Het rendier, de holenbeer
-en mammouth werden afgebeeld, alsmede de mensch zelf. Deze schijnt
-altijd naakt te zijn voorgesteld. Op een afbeelding van een vrouw, uit
-deze periode afkomstig, ziet het lichaam er uit alsof het met haar was
-bedekt; wellicht stelt dit echter kleederen van dierenhuid voor. Een
-der afbeeldingen stelt een loopenden man voor met een knots over zijn
-schouders. De mensch wijzigde zich ook al naar de plaats die hij
-bewoonde, en de mensch van la Madeleine levert ons in Europa een der
-vroegste voorbeelden daarvan op. Het ras van Solutré, wiens lanspunten
-zoo fraai zijn afgewerkt, en het jongere en meer artistieke ras uit de
-holen van Périgord, wiens eenvoudige teekeningen en primitieve
-beeldhouwwerken wij bewonderen, vertoonen ons de eerste pogingen van
-dien geest van initiatief, die, na bij sommigen van hen tot
-ontwikkeling te zijn gekomen, hen leidde tot uitvindingen op stoffelijk
-gebied en tot ideale concepties, en door deze kwam de mensch allengs
-tot die hoogere ontwikkeling welke wij beschaving noemen.
-
-Gelijk de Mortillet aantoont, waren de menschen van la Madeleine
-jagers, actief, vernuftig en vatbaar om levendige gemoedsindrukken te
-ontvangen van de omringende natuur. Zij hadden een tehuis, vreugde en
-zorgen, vierden jachtfeesten en wisten zich te vermaken met het
-vervaardigen van primitieve beeldhouwwerken teekeningen en
-versierselen. Zij hadden verschil van stand en opperhoofden; want zij
-bezaten eereteekenen en commandostokken. Maar dit was alles. Zij kenden
-den landbouw niet, bezaten geen huisdieren, en begroeven hun dooden
-niet: indien zij de eene of andere bijzondere handelwijze omtrent hen
-in acht namen, plaatsten zij hen op boomen of in hutten op palen in de
-open lucht; en dit is waarschijnlijk de reden, dat men zoo weinig
-overblijfselen van hun skeletten vindt.
-
-Is het mogelijk zich een denkbeeld te maken van het lichamelijk
-voorkomen en de osteologische eigenaardigheden van den mensch van la
-Madeleine? Men dacht, dat de talrijke menschenbeenderen, te Cro-Magnon
-gevonden met voortbrengselen van kunstvlijt uit de periode van la
-Madeleine, van het kunstlievende ras van Périgord afkomstig waren; doch
-de Mortillet bestrijdt dit en tracht aan te toonen, dat de plaatsen
-waar men die overblijfselen vond, te huis behooren in een volgende
-periode, die van Robenhausen (waarmede het Neolithische Tijdvak
-begint). Hij beweert het zelfde omtrent de te Furfooz, te Aurignac, te
-Mentone gevonden schedels en geraamten. De menschenbeenderen van Eyzies
-(zie aant. 25 blz. 49) zijn echter waarschijnlijk van dit ras
-afkomstig.
-
-Volgens de Mortillet was het Europeesche ras van la Madeleine slechts
-een voortzetting van dat van Chelles en Moustier. Vermengingen door
-immigratie en het gelijktijdig bestaan van onderscheidene rassen,
-verschillend van schedelvorm, vonden volgens hem in Midden-Europa eerst
-plaats na het einde van het Quaternaire Tijdvak, toen de mammouth
-geheel was uitgestorven en het rendier zich weder naar het Noorden had
-teruggetrokken. Toen brak de tijd aan, waarin het klimaat zich weder
-verbeterde, de gletschers zich tot den voet der bergen terugtrokken en
-de verdeeling van land en zee in West-Europa meer en meer de zelfde
-werd als tegenwoordig: het Neolithische Tijdvak begon. Dit was een
-tijdvak van voortdurende ontwikkeling en werkzaamheid, waarin de
-vooruitgang ons langzamerhand, stap voor stap, brengt tot de uitvinding
-der metalen en de morgenschemering der geschiedenis. Dat Neolithische
-Tijdvak duurde echter zeer lang en wordt in vele kleinere perioden
-verdeeld. Het duurde nog zeer vele eeuwen vóór men de metalen ontdekte,
-en tot zoolang was steen nog steeds de eenige grondstof voor eigenlijk
-gezegde werktuigen; men sleep en polijstte echter den steen. Eenige
-weinige kunsten en bedrijven, die het noodzakelijke uitgangspunt zijn
-van elke maatschappij, begonnen te worden uitgeoefend; daaronder de
-temming van nuttige dieren, te beginnen met den hond, de veeteelt dus;
-later de landbouw, dus de cultuur van enkele voedselopleverende
-planten; de kunst om aardewerk te maken (waarvan de beginselen echter
-reeds tot het Palaeolithisch Tijdvak opklimmen), en eindelijk het
-bijeenwonen der menschen in dorpen, met het oog op gemakkelijker
-verdediging en op het nakomen van godsdienstvoorschriften.
-Overblijfselen uit dit tijdvak worden in alle werelddeelen en door
-geheel Europa, van Skandinavië tot Zwitserland, en van het hart van
-Frankrijk tot het Zuiden van Italië toe gevonden. Ook deze te bespreken
-en onze schets van de oorspronkelijke geschiedenis van den mensch tot
-den bronstijd toe voort te zetten, ligt buiten ons bestek. Het was het
-tijdvak der kjökkenmöddinger, der paaldorpen en der hunebedden
-(dolmen), en in hetzelve begon de mensch in Europa de kinderschoenen te
-ontwassen. Ofschoon hij (ten minste in ons werelddeel) onbekend was met
-de metalen en slechts in het bezit van een rudimentairen landbouw en
-nijverheid, ofschoon zijn voedsel nog schaarsch was en zijn leven door
-vele gevaren werd bedreigd, was hij reeds begonnen gerst en tarwe te
-zaaien, weefde hij van vlas ruwe kleederen, maakte hij aardewerk en
-bakte dat in het vuur, en bouwde hij wezenlijke gedenkteekenen voor
-zijn dooden, kunstmatige voorstellingen van grotten, vervaardigd door
-ruwe steenblokken opeen te stapelen. Godsdienstige gebruiken, een soort
-van weelde in de voorwerpen van dagelijksch gebruik, genees- en
-heelkundige practijken, zooals het trepaneeren, kwamen in zwang. Wij
-gevoelen, dat wij hier de morgenschemering aanschouwen van groote
-uitvindingen en reusachtige inspanning, die den weleer uiterst engen
-kring der kennis en van de kunstvlijt meer en meer zouden verruimen.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Wij zouden, liever dan hier aan Salomo’s Ophir te denken, geneigd
-zijn de ruïnen in Zuid-Afrika toe te schrijven aan het in de oudheid
-beroemde volk, dat bij de Grieken onder den naam van Macrobiërs bekend
-was. Herodotus (III, 17–25) verhaalt, dat eigenlijk tegen hen de tocht
-van Cambyses gericht was, die, volgens sommige berichten (Dion. p. 38),
-tot Meroë zou zijn doorgedrongen, en in elk geval tot ver bezuiden de
-grens van Egypte kwam. Volgens Herodotus woonden deze Macrobiërs aan de
-zuidelijke zee (d.i. den Indischen Oceaan) aan het uiterste einde der
-aarde, en had Cambyses, toen hij den tocht opgaf, nog niet het vijfde
-deel van den weg naar hen afgelegd. Een eenvoudige meting op de kaart
-kan bewijzen, dat Herodotus vrij nauwkeurig wist, hoever Afrika’s
-zuidkust van Egypte verwijderd was, en dat de Macrobiërs, als wij zijn
-bericht streng opvatten, nabij de Kaapkolonie moeten hebben gewoond.
-[524] De Macrobiërs bezaten volgens Herodotus een stad, voor de
-overblijfselen waarvan ik de ruïnen van Zimbalye houd; het goud was
-onder hen het algemeenste metaal, zoodat zelfs de boeien der gevangenen
-in de gevangenis daaruit bestonden (dit stemt overeen met de
-goudrijkheid van Transvaal en Matabeleland en de sporen van overoude
-ontginningen van goudmijnen aldaar). Zij kenden echter het brood niet
-en voedden zich met vleesch, hetgeen overeenstemt met het feit, dat ook
-de Kaffers en hun verwanten en de Hottentotten herdersvolken zijn, en
-ook met den grooten rijkdom van Zuid-Afrika (nog heden) aan grof wild
-(vele soorten van antilopen), dat een uitstekend voedsel oplevert.
-Macrobiërs, een naam van hun ondersteld lang (makros) leven (bios)
-afgeleid, kan echter de wezenlijke naam van dit volk evenmin zijn
-geweest als Kaffer (kafir = ongeloovige) die van de Kaffers, of Bantu’s
-(Bantu = mensch) die van de Bantuvolken is. In elk geval meenen wij te
-hebben aangetoond, dat er wel degelijk historische berichten zijn
-omtrent het bestaan van een beschaafd, stedenbouwend,
-goudmijnenontginnend volk in Zuid-Afrika, eenige eeuwen vóór het begin
-onzer jaartelling.
-
-(2) Als men nagaat, dat als de zeespiegel 1000 vademen daalde, het
-Zuidpoolland (waarvan wij ten stelligste het bestaan aannemen, schoon
-de kustlijn op het kaartje gedeeltelijk hypothetisch is) door juist
-zulke nauwe straten van Zuid-Amerika en Nieuw-Holland zou zijn
-gescheiden als Madagascar van Afrika en Nieuw-Zeeland van Nieuw-Holland
-[525]; als men verder bedenkt, dat in zeer ouden tijd Madagascar
-ongetwijfeld met Afrika [526] en Nieuw-Zeeland met Nieuw-Holland
-samenhing, is de onderstelling niet gewaagd, dat wellicht Zuid-Amerika
-eens met het Zuidpoolland en dit met Nieuw-Holland en over den
-Indischen Archipel met Azië samenhing; in welk geval natuurlijk, als
-die samenhang viel in den tijd dat het Zuidpoolland een warm of
-gematigd klimaat bezat, organismen van daar wel degelijk in
-Zuid-Amerika en Nieuw-Holland en uit het laatste in Azië [527] konden
-komen. Den evenaar konden zij echter ook dan niet overkomen vóór deze
-genoeg was afgekoeld om organisch leven toe te laten. Dan zouden zij
-echter, nadat de evenaar tot dien graad was afgekoeld, met de in de
-grootere vastelanden van het Noordelijk Halfrond ontstane organismen in
-concurrentie zijn gekomen, en daardoor waarschijnlijk op de zelfde
-wijze zijn verdrongen als de fauna en flora van Nieuw-Holland en
-Nieuw-Zeeland tegenwoordig terugwijkt voor de Europeesche.
-
-Als men de duizend vademenlijn beschouwt als de eigenlijke grens van
-het vasteland, ziet men hoe het vasteland op aarde een bijna gesloten
-kring om den wereldbol maakt, die over beide polen loopt [528] en
-krijgen wij een bijna even regelmatige verdeeling der continenten als
-op de planeet Mars, waar deze den bol echter in den vorm van een
-slechts een flauwen hoek met den evenaar makenden ring omgeven, zoodat
-de evenaar zelf, daar deze ring breed is, overal door land, met enkele
-nauwe straten er door, wordt bedekt. Die regelmatigheid wordt nog
-grooter als wij ons Afrika door de zee bedekt denken, daar zich dan aan
-weerszijden van den over de polen loopenden ring van continenten twee,
-gelijk men met één oogopslag ziet [529], nagenoeg even groote Oceanen
-uitstrekken
-
-Er is gegronde reden om de lijn van 1000 vademen ongeveer als de
-eigenlijke grens der continenten aan te nemen. Buiten deze lijn wordt
-de Oceaan spoedig veel dieper, zoodat men buiten die lijn bijna overal
-diepten van 2000 tot 3000 vademen aantreft.
-
-Hoe volslagen ontoereikend de gesteentemassa’s van het vasteland zouden
-zijn om die ontzettende diepten te vullen, blijkt hieruit, dat het
-vasteland (dat daarenboven slechts 7⁄25 of iets meer dan ¼ van de
-oppervlakte van den Oceaan beslaat) gemiddeld volgens Krümmel slechts
-440 M., volgens von Tillo 693 M. boven den zeespiegel uitsteekt. [530]
-Werd een deel van het diepe gedeelte [531] van den Oceaan door rijzing
-droog, dan zoude, daar de vaste bestanddeelen der geheele aarde niet
-toenemen, een even groot volumen, dus een zeer veel grootere
-oppervlakte van het vasteland moeten dalen, en om een eenigszins
-aanzienlijk gedeelte van den diepen Oceaan droog te doen worden, zou
-bijna het geheele vasteland beneden den zeespiegel moeten zinken. Alles
-tenzij men mocht willen aannemen, dat bij de rijzing van een gedeelte
-van den bodem des diepen Oceaans een ander deel van dien bodem zonk tot
-veel grooter diepte dan thans ergens wordt aangetroffen [532], wat zeer
-onwaarschijnlijk is. Hierin ligt één bewijs, dat de continenten over
-het geheel vaste trekken in het wezen der aarde zijn, die zich nimmer
-buiten beperkte grenzen, ten ruwe door de lijn van 1000 vademen
-aangegeven, hebben uitgebreid [533] en ook over het geheel nimmer
-gedeeltelijk door zeeën van meer dan 1000 vademen diep zijn bedekt
-geweest. Waar men op ’t vasteland dikke uit zeewater afgezette
-formaties aantreft, heeft men te denken aan langdurige daling van den
-bodem eener ondiepe zee die door de zich daarin afzettende bezinksels
-ook voortdurend ondiep bleef. Een tweede bewijs ligt daarin, dat uit
-diepzeepeilingen blijkt dat de bodem der zeer diepe deelen des Oceaans
-in aard van dien van het vasteland en der ondiepe zeeën afwijkt en
-bestaat uit eigenaardige slijkformaties (geheel bestaande uit
-overblijfselen van in zee levende organismen, zonder eenige inmenging
-van slib of zand) en brokstukken van gesteenten, waaronder men overal
-vele van vulkanischen aard, en ook een goed herkenbaar, uit de
-wereldruimte afkomstig (meteorisch) gedeelte onderscheidt, welk laatste
-natuurlijk op ’t vasteland evengoed neêrvalt, maar daar zeer spoedig
-door de verweering geheel onkenbaar wordt. [534]
-
-De projectie in twee halfronden, waarvan de polen het midden innemen,
-is daarom veel beter voor ons doel dan de door Wallace („Darwinism”,
-blz. 348) gevolgde Mercatorprojectie, omdat daaruit ten duidelijkste
-blijkt, dat de vroegere samenhang tusschen Amerika en Europa-Azië niet
-slechts bestond in tijdelijke landbruggen, nu eens over de
-Behringstraat, dan weder over IJsland en Groenland, maar dat beide
-vastelanden oudtijds één geheel uitmaakten, waarover de passage even
-ruim en vrij was als thans b.v. tusschen Canada en de Vereenigde Staten
-of tusschen Rusland, Polen en Duitschland. In de tweede plaats omdat er
-ten duidelijkste uit blijkt wat de beteekenis is der vreemdsoortige
-verlengstukken van minder dan 1000 vademen diep, die Wallace bezuiden
-Van Diemens Land en ten zuiden en zuidwesten van Kaap Hoorn teekent; op
-onze kaart blijken zij de verbinding te zijn tusschen Zuid-Amerika en
-Nieuw-Holland, over het Zuidpoolland heên, en noodzakelijke schakels in
-de rangschikking van het vasteland in een over beide polen loopenden
-ring, met twee nagenoeg gelijke oceanen aan weêrszijden, welke
-merkwaardige symmetrie wij meenen, dat vroeger nog nimmer door iemand
-is opgemerkt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE GEDEELTE.
-
-DE SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
- Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat
- van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk
- door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het
- mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje
- uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke
- teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in
- overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de
- sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van
- erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de
- seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de
- verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele
- dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke
- sekse door natuurlijke teeltkeus.
-
-
-Bij dieren die gescheiden seksen hebben, verschillen de mannetjes
-blijkbaar van de wijfjes in hun voortplantingsorganen; en deze vormen
-de primaire seksueele kenmerken. De seksen verschillen echter dikwijls
-in hetgeen Hunter secundaire seksueele kenmerken heeft genoemd, dat is
-in kenmerken die niet rechtstreeks in verband staan met de
-voortplantingshandeling; zoo bezit b.v. het mannetje soms zekere
-zintuigen die het wijfje geheel mist, of zij zijn bij hem hooger
-ontwikkeld, opdat hij haar gemakkelijk zou kunnen vinden of bereiken;
-of het mannetje heeft bijzondere grijpwerktuigen om het wijfje stevig
-vast te houden. Deze laatste organen van oneindig verschillende soorten
-vormen den overgang tot, en kunnen soms bijna niet worden onderscheiden
-van die welke gewoonlijk als primaire worden beschouwd, zooals de
-samengestelde aanhangsels aan het uiteinde (apex) van het achterlijf
-bij mannelijke insekten. Tenzij wij toch den term „primair” tot de
-geslachtsklieren beperken, is het, voorzoover er grijpwerktuigen in
-betrokken zijn, moeielijk te beslissen, welke primair en welke
-secundair behooren te worden genoemd.
-
-Het wijfje verschilt dikwijls van het mannetje door het bezit van
-organen voor de voeding of bescherming harer jongen, zooals de
-melkklieren der Zoogdieren en de buidels der Buideldieren. Het mannetje
-verschilt ook in eenige weinige gevallen van het wijfje door het bezit
-van dergelijke organen, zooals die welke tot opneming der eieren
-dienen, bij de mannetjes van sommige Visschen, en die welke zich bij de
-mannetjes van sommige kikvorschen tijdelijk ontwikkelen. De wijfjes der
-bijen hebben een bijzonderen toestel om stuifmeel te verzamelen en weg
-te dragen, en hun larven en de vereeniging waartoe zij behooren, te
-verdedigen. Bij de wijfjes van vele Insekten is de eierlegger op de
-meest ingewikkelde wijze veranderd om de eieren veilig te plaatsen.
-Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden opgenoemd, maar zij
-gaan ons hier niet aan. Er zijn echter andere seksueele verschillen die
-volstrekt niet in verband staan met de primaire organen, en die ons
-meer in het bijzonder aangaan,—zooals grootere lichaamsgestalte, kracht
-en strijdlustigheid van het mannetje, zijn aanvallende wapenen of
-verdedigingsmiddelen tegen zijn mededingers, de kleuren en
-verschillende versierselen waarmede hij prijkt, zijn vermogen om te
-zingen, en andere dergelijke kenmerken.
-
-Behalve door bovengenoemde primaire en secundaire verschillen wijken
-het mannetje en het wijfje soms van elkander af door inrichtingen die
-met een verschillende levenswijze in verband staan; en in het geheel
-niet, of slechts indirect, betrekking hebben op hun
-voortplantingshandelingen. Zoo zuigen de wijfjes der Steekmuggen en
-Dazen (Culicidae en Tabanidae) het bloed van andere dieren uit, terwijl
-de mannetjes op bloemen leven en aan hun mond geen bovenkaken bezitten.
-[535] Bij sommige soorten van Nachtvlinders en Schaaldieren (b.v.
-Tanais) hebben alleen de mannetjes onvolkomen, gesloten monden en
-kunnen zich niet voeden. De complementaire mannetjes van sommige
-Mosselkreeften (Cirrhipedia) leven gelijk woekerplanten hetzij op den
-vrouwelijken, of op den hermaphroditischen (tweeslachtigen) vorm, en
-bezitten geen mond, noch tot grijpen geschikte ledematen. In deze
-gevallen is het het mannetje dat gewijzigd is en zekere belangrijke
-organen heeft verloren, die de andere leden der zelfde groep bezitten.
-In andere gevallen is het het wijfje dat dergelijke deelen heeft
-verloren; zoo bezit bij voorbeeld het wijfje van den glimworm geen
-vleugels, en het zelfde is het geval met de wijfjes van vele
-nachtvlinders waarvan vele haar poppehulsel nooit verlaten. De wijfjes
-van vele parasitische Schaaldieren hebben haar zwempooten verloren. Bij
-sommige Snuitkevers (Curculionidae) is er tusschen het mannetje en het
-wijfje een groot verschil in de lengte van den snuit (rostrum) [536];
-de beteekenis van deze en vele dergelijke verschillen begrijpt men
-echter volstrekt niet. Verschillen in maaksel tusschen de twee seksen,
-die betrekking hebben op een verschillende levenswijze, zijn over het
-algemeen tot de lagere dieren beperkt; bij eenige weinige vogels echter
-verschilt de snavel van het mannetje van dien van het wijfje.
-Ongetwijfeld staan in de meeste dezer gevallen, maar blijkbaar niet in
-alle, de verschillen indirect in verband met de voortplanting der
-soort; zoo zal een wijfje dat een menigte eieren moet voeden, meer
-voedsel dan het mannetje en derhalve ook bijzondere middelen noodig
-hebben om zich dat te verschaffen. Een mannelijk dier dat slechts zeer
-korten tijd leeft, zal zonder schade door onbruik zijn organen om zich
-voedsel te verschaffen kunnen verliezen, maar het moet zijn
-bewegingsorganen behouden om het wijfje te kunnen bereiken. Het wijfje
-kan daarentegen veilig haar organen om te vliegen, te zwemmen of te
-loopen verliezen, als zij langzamerhand gewoonten heeft aangenomen, die
-dergelijke vermogens nutteloos maken.
-
-Wij hebben hier echter slechts te maken met die soort van teeltkeus
-welke ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt af van het
-voordeel dat zekere individu’s boven andere individu’s van de zelfde
-sekse en soort hebben, uitsluitend met betrekking tot de voortplanting.
-Als de beide seksen in maaksel verschillen met betrekking tot haar
-verschillende levenswijze, gelijk in de bovenvermelde gevallen, zijn
-zij ongetwijfeld door natuurlijke teeltkeus gewijzigd, vergezeld van
-tot ééne en de zelfde sekse beperkte erfelijkheid. Evenzoo behooren ook
-de primaire seksueele organen en die welke dienen om de jongen te
-voeden en te beschermen, tot deze zelfde afdeeling; want die individu’s
-welke zich het best voortplanten of hun kroost het best voeden, moeten,
-caeteris paribus, het grootste aantal nakomelingen nalaten om hun
-meerdere voortreffelijkheid te erven, terwijl zij die zich slecht
-voortplanten of hun kroost slecht voeden, weinig nakomelingen moeten
-nalaten om hun zwakkere vermogens te erven. Als het mannetje het wijfje
-moet gaan opzoeken, heeft hij tot dit doel zintuigen en
-bewegingsorganen noodig; maar indien deze organen noodig zijn voor
-andere levensdoeleinden, zooals gewoonlijk het geval is, zullen zij
-door natuurlijke teeltkeus ontwikkeld zijn geworden. Als het mannetje
-het wijfje heeft gevonden, heeft hij somtijds volstrekt grijporganen
-noodig om haar vast te houden; zoo meldt mij Dr. Wallace, dat de
-mannetjes van sommige nachtvlinders niet met de wijfjes kunnen paren,
-als hun voeten (tarsi) zijn gebroken. Bij de mannetjes van vele
-zeeschaaldieren zijn de pooten en sprieten in buitengewone mate
-gewijzigd om het wijfje te kunnen vasthouden; wij mogen daarom
-vermoeden, dat deze dieren, daar zij door de golven van de open zee
-worden voortgespoeld, deze organen volstrekt noodig hebben om hun soort
-te kunnen voortplanten, en als dit zoo is, zal de ontwikkeling daarvan
-het gevolg zijn geweest van gewone of natuurlijke teeltkeus.
-
-Sommige dieren die zeer laag op de ladder staan, zijn tot het zelfde
-doel gewijzigd; zoo is bij de mannetjes van zekere ingewandswormen, als
-zij volwassen zijn, de onderste oppervlakte van het achterste gedeelte
-van het lichaam ruw gelijk een rasp, en dit kronkelen zij om de wijfjes
-en houden ze zoo bestendig vast. [537]
-
-Als beide seksen volkomen de zelfde levenswijze leiden en het mannetje
-hooger ontwikkelde zintuigen of bewegingswerktuigen heeft dan het
-wijfje, dan kan het zijn, dat deze in hun volkomen staat voor het
-mannetje onmisbaar zijn om het wijfje te vinden; maar in verreweg de
-meeste gevallen dienen zij alleen om aan het eene mannetje een voordeel
-boven het andere te geven; want de minder goed begaafde mannetjes
-zouden er, als er hun tijd voor werd gegeven, in slagen om met de
-wijfjes te paren, en zij zouden, naar het maaksel van het wijfje te
-oordeelen, in alle andere opzichten even goed geschikt zijn voor hun
-gewone levenswijze. In dergelijke gevallen moet er seksueele teeltkeus
-in het spel zijn gekomen; want de mannetjes hebben hun tegenwoordig
-maaksel verkregen, niet omdat zij beter geschikt waren om in den strijd
-om het bestaan te blijven leven, maar omdat zij een voordeel boven
-andere mannetjes hadden verworven, en dat voordeel alleen op hun
-mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Het was de
-belangrijkheid van deze onderscheiding, die mij aanleiding gaf om dezen
-vorm van teeltkeus de Seksueele Teeltkeus te noemen. Indien de
-voornaamste dienst, aan het mannetje door zijn grijporganen bewezen, is
-om te voorkomen, dat het wijfje ontsnapt voor de aankomst van andere
-mannetjes, of als hij door deze wordt aangevallen, zullen deze organen
-evenzoo volkomener zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, dat is door
-het voordeel door zekere bepaalde mannetjes over hun mededingers
-verkregen. In de meeste gevallen is het echter nauwelijks mogelijk de
-gevolgen der natuurlijke en die der seksueele teeltkeus van elkander te
-onderscheiden. Geheele hoofdstukken zouden gemakkelijk kunnen worden
-gevuld met bijzonderheden omtrent de verschillen tusschen de seksen in
-haar zintuigen, bewegings- en grijporganen. Daar deze deelen echter
-niet belangwekkender zijn dan andere, die voor de gewone doeleinden van
-het leven zijn ingericht, zal ik er bijna niet van spreken, en erbij
-elke klasse slechts eenige voorbeelden van geven.
-
-Er zijn vele andere organen en instinkten die door seksueele teeltkeus
-moeten zijn ontwikkeld—zooals de aanvallende wapenen en
-verdedigingsmiddelen welke de mannetjes bezitten om met hun mededingers
-te vechten en hen weg te jagen—hun moed en strijdlustigheid—hun
-versierselen van velerlei soort—hun organen om vocale muziek voort te
-brengen—en hun riekende stoffen afscheidende klieren; want de meeste
-dezer laatste organen dienen om het wijfje aan te lokken of op te
-wekken. Dat deze kenmerken het gevolg zijn van seksueele en niet van
-gewone teeltkeus, is duidelijk, daar ongewapende, onversierde of niet
-aantrekkelijke mannetjes even voorspoedig zouden zijn in den strijd om
-het leven en het nalaten van een talrijk kroost, indien er geen beter
-begaafde mannetjes bestonden. Wij mogen besluiten, dat dit het geval
-zou zijn; want de wijfjes, die ongewapend en onversierd zijn, zijn in
-staat te blijven leven en haar soort voort te planten. Secundaire
-seksueele kenmerken van de zoo even vermelde soort zullen in de
-volgende hoofdstukken uitvoerig worden besproken, omdat zij in vele
-opzichten belangwekkend zijn, maar vooral ook omdat zij afhangen van
-den wil, de keus en de mededinging der individu’s van een der beide
-seksen. Als wij twee mannetjes om het bezit van het wijfje zien
-vechten, of verscheidene mannetjes met hun prachtig gevederte zien
-pronken en de vreemdste vertooningen zien uitvoeren voor een vergaderde
-menigte van wijfjes, kunnen wij niet twijfelen, dat zij, hoezeer door
-instinkt geleid, weten wat zij in hun schild voeren, en met bewustheid
-hun geestelijke en lichamelijke vermogens oefenen.
-
-Op de zelfde wijs als de mensch het ras van zijn vechthanen kan
-verbeteren door voor de voortteling die vogels uit te kiezen, welke in
-de hanengevechten overwinnaars zijn, schijnt het, dat ook in de natuur
-de sterkste en krachtigste mannetjes, of zij die met de beste wapens
-waren voorzien, de bovenhand hebben behouden en aanleiding gegeven tot
-de verbetering van het natuurlijke ras of de soort. Door herhaalde
-doodelijke gevechten, zou een geringe mate van variabiliteit, als zij
-eenig voordeel verschafte, hoe gering dan ook, voldoende zijn voor het
-werk der seksueele teeltkeus; en het is zeker, dat secundaire seksueele
-kenmerken bij uitnemendheid variabel zijn. Op de zelfde wijze als de
-mensch, overeenkomstig zijn smaak, schoonheid kan geven aan zijn
-mannelijk pluimgedierte,—aan de Bantamhoenders een nieuw en sierlijk
-gevederte, een opgerichte en bijzondere houding,—schijnen in den
-natuurstaat de wijfjes, door gedurende langen tijd de meest
-aantrekkelijke mannetjes voor de voortteling uit te kiezen, de
-schoonheid dezer laatste te hebben verhoogd. Ongetwijfeld onderstelt
-dit bij het wijfje vermogens van onderscheiding en smaak, die eerst
-uiterst onwaarschijnlijk zullen voorkomen; maar ik hoop later aan te
-toonen, dat dit geenszins het geval is.
-
-Wegens onze onwetendheid op verscheidene punten, is de juiste wijze
-waarop de seksueele teeltkeus werkt, tot op zekere hoogte onzeker.
-Indien echter de natuuronderzoekers die reeds aan de veranderlijkheid
-der soorten gelooven, de volgende hoofdstukken lezen, zullen zij mij,
-geloof ik, toegeven, dat de seksueele teeltkeus een belangrijke rol in
-de geschiedenis van de organische wereld heeft gespeeld. Het is zeker,
-dat bij bijna alle dieren de mannetjes met elkander vechten om het
-bezit van het wijfje. Dit feit is zoo bekend, dat het overtollig zou
-zijn daarvan voorbeelden te geven. Vandaar konden de wijfjes,
-ondersteld dat haar verstandelijke vermogens voldoende waren om een
-keus te doen, uit meerdere mannetjes één voor de voortteling uitkiezen.
-In talrijke gevallen schijnt het echter, alsof het er bijzonder op was
-aangelegd, dat er een strijd tusschen vele mannetjes zou zijn. Zoo
-komen bij de trekvogels de mannetjes over het algemeen vroeger in de
-streek waar zij broeden, dan de wijfjes, zoodat vele mannetjes gereed
-zijn om om elk wijfje te vechten. De vogelaars verzekeren, dat dit
-steeds het geval is met den nachtegaal en den zwartkop, zooals mij de
-heer Jenner Weir meldt, die deze getuigenis ten opzichte van den
-laatsten vogel bevestigt.
-
-De heer Swaysland van Brighton, die gedurende de laatste veertig jaar
-gewoon was onze trekvogels bij hun eerste aankomst te vangen, schrijft
-mij, dat hem geen enkele soort bekend is, van welke de wijfjes vroeger
-aankomen dan de mannetjes. Gedurende ééne lente schoot hij
-negen-en-dertig mannetjes van Ray’s kwikstaart (Budytes Raii), voordat
-hij een enkel wijfje zag. De heer Gould heeft zich, naar hij mij meldt,
-door ontleding overtuigd, dat de mannelijke snippen vroeger in dit land
-aankomen, dan de vrouwelijke. In het geval van visch zijn, als de zalm
-onze rivieren opzwemt, de mannetjes in grooten getale voor de
-voortplanting gereed, vóór de wijfjes zulks zijn. Evenzoo schijnt het
-bij kikvorschen en padden te zijn. In de geheele groote klasse der
-Insekten komen de mannetjes bijna altijd vroeger uit de pop dan de
-wijfjes, zoodat zij over het algemeen een tijd lang rondvliegen,
-voordat er een enkel wijfje te zien is. [538] De oorzaak van dit
-verschil tusschen de mannetjes en de wijfjes in hun tijden van aankomst
-en rijpheid is duidelijk genoeg. Die mannetjes welke jaarlijks het
-eerst naar eenig land verhuisden, of in de lente het eerst voor de
-paring gereed waren, of het vurigst waren, moesten het talrijkste
-kroost nalaten en dit moest de neiging hebben om dergelijke instinkten
-en gestel te erven. Over het geheel kan er geen twijfel bestaan, dat er
-bij bijna alle dieren bij welke de seksen gescheiden zijn, tusschen de
-mannetjes een voortdurend terugkeerende strijd om het bezit der wijfjes
-plaats heeft.
-
-Onze moeielijkheid ten opzichte der seksueele teeltkeus is, te
-begrijpen hoe het komt, dat de mannetjes die andere mannetjes
-overwinnen, of die welke het aantrekkelijkst voor de wijfjes blijken te
-zijn, een talrijker kroost nalaten om hun voortreffelijkheid te erven,
-dan de overwonnen en minder talrijke mannetjes. Wanneer dit niet het
-gevolg was, zouden de kenmerken die aan sommige mannetjes een voordeel
-over andere gaven, door de seksueele teeltkeus niet volkomener gemaakt
-en vermeerderd kunnen worden. Als de seksen volkomen even talrijk zijn,
-zullen de slechtst-begaafde mannetjes ten laatste (behalve bij dieren
-die veelwijvig zijn) wijfjes vinden, en evenvele nakomelingen, die even
-geschikt zijn voor hun algemeene levenswijze, nalaten, als de
-bestbegaafde mannetjes.
-
-Uit onderscheidene feiten en overwegingen leidde ik vroeger af, dat bij
-de meeste dieren die goed ontwikkelde secundaire seksueele kenmerken
-bezitten, de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen;
-en dit houdt in eenige weinige gevallen steek. Indien de mannetjes tot
-de wijfjes stonden als twee tot één of als drie tot twee, of zelfs in
-een nog iets lager verhouding, zou de geheele zaak eenvoudig zijn; want
-de beter gewapende of meer aantrekkelijke mannetjes zouden het
-talrijkste kroost nalaten. Maar na, zoover zulks mogelijk is, de
-getalsverhouding tusschen de beide seksen te hebben onderzocht, geloof
-ik niet, dat er gewoonlijk eenige groote ongelijkheid in aantal
-bestaat. In de meeste gevallen schijnt de seksueele teeltkeus op de
-volgende wijze te hebben gewerkt.
-
-Laat ons de eene of andere soort nemen, een vogel bij voorbeeld, en de
-wijfjes die in een landstreek wonen, in twee gelijke afdeelingen
-verdeelen, waarvan de eene uit de krachtiger en beter gevoede
-individu’s en de andere uit de minder krachtige en minder gezonde
-bestaat. Er kan weinig twijfel bestaan, of de eerste zullen in de lente
-vroeger gereed zijn om te paren dan de andere, en dit is ook de meening
-van den heer Jenner Weir die gedurende vele jaren de gewoonten der
-vogels nauwkeurig heeft nagegaan. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat
-de krachtigste, gezondste en best gevoede wijfjes er in zullen slagen
-om gemiddeld het grootste aantal jongen voort te brengen. De mannetjes
-zijn, zooals wij hebben gezien, over het algemeen vroeger gereed om te
-paren dan de wijfjes; van de mannetjes zullen de sterkste en in sommige
-gevallen de best gewapende de zwakkere wegjagen, en de eerste zullen
-zich dus vereenigen met de sterkste en best gevoede wijfjes, daar deze
-het eerst voor de paring gereed zijn. Dergelijke krachtige paren zullen
-zeker een grooter aantal jongen voortbrengen dan de achterlijke
-wijfjes, die genoodzaakt zullen zijn, ondersteld dat de beide seksen
-even talrijk waren, om zich met de overwonnen en minder krachtige
-mannetjes te verbinden, en dit is al wat wordt vereischt om, in den
-loop van opeenvolgende generaties, de grootte, de kracht en den moed
-van de mannetjes te vermeerderen, of hun wapenen te verbeteren.
-
-In een menigte gevallen komen echter de mannetjes die andere mannetjes
-overwinnen, niet in het bezit der wijfjes, tenzij deze laatste hen
-kiezen. De vrijage der dieren is in geenen deele een zoo eenvoudige en
-korte zaak als men wellicht zou denken. De wijfjes worden het meest
-opgewekt door, of paren bij voorkeur met de fraaist versierde
-mannetjes, of die welke de beste zangers zijn, of de schoonste
-vertooningen uitvoeren; het is echter blijkbaar waarschijnlijk, zooals
-in sommige gevallen ook werkelijk is waargenomen, dat zij
-tegelijkertijd aan de krachtigste en vurigste mannetjes de voorkeur
-zullen geven. [539] De krachtigste wijfjes, die het eerst voor de
-paring gereed zijn, zullen dus de keus tusschen vele mannetjes hebben;
-en al mogen zij niet altijd de sterkste en best gewapende kiezen,
-zullen zij toch die kiezen, welke sterk en goed gewapend en in andere
-opzichten het meest aantrekkelijk zijn. Zulke vroege paren zullen in
-het voortbrengen van jongen aan de vrouwelijke zijde het zelfde
-voordeel hebben als boven is verklaard, en aan de mannelijke zijde
-bijna het zelfde voordeel. En dit schijnt, gedurende een lange reeks
-van generaties voldoende voortgezet, voldoende te zijn geweest om niet
-alleen de kracht en het strijdvermogen der mannetjes, maar eveneens hun
-verschillende versierselen en andere aantrekkelijkheden te
-vermeerderen.
-
-In het omgekeerde en veel zeldzamer geval, dat de mannetjes bijzondere
-wijfjes voor de voortteling uitkiezen, is het duidelijk, dat zij die
-het krachtigst waren en anderen hebben overwonnen, de vrijste keus
-zullen hebben, en het is bijna zeker, dat zij krachtige en tegelijk
-aantrekkelijke wijfjes zullen uitkiezen. Dergelijke paren zullen een
-voordeel hebben in het voortbrengen van jongen, vooral als het mannetje
-het vermogen bezit om het wijfje gedurende den paartijd te verdedigen,
-zooals bij sommige hoogere dieren geschiedt, of om haar te helpen in de
-zorg voor de jongen. De zelfde beginselen zouden toepasselijk zijn,
-indien beide seksen wederkeerig de voorkeur gaven aan zekere individu’s
-van de andere sekse en deze voor de voortteling uitkozen, ondersteld
-dat zij niet slechts de aantrekkelijkste, maar tevens de sterkste
-individu’s kozen.
-
-Getalsverhouding tusschen de beide Seksen.—Ik heb opgemerkt, dat de
-seksueele teeltkeus een eenvoudige zaak zou zijn, als de mannetjes de
-wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen. Vandaar kwam ik er toe om,
-zoover ik kon, de verhoudingen tusschen de seksen van zoovele dieren
-als mogelijk was, te onderzoeken, maar de bronnen zijn beperkt. Ik zal
-hier slechts een kort uittreksel van den uitslag geven en de
-bijzonderheden als een bijvoegsel mededeelen, om den loop van mijn
-bewijsvoering niet af te breken. Alleen tamme dieren geven gelegenheid
-om zekerheid te verkrijgen omtrent de getalsverhouding bij de geboorte,
-maar men heeft geen aanteekeningen met dit bepaalde doel gemaakt. Langs
-indirecten weg heb ik echter een aanmerkelijke hoeveelheid statistieke
-gegevens verzameld, waaruit blijkt, dat bij de geboorte het aantal
-jongen van elke sekse nagenoeg gelijk is. Zoo zijn bij renpaarden 25560
-geboorten gedurende een-en-twintig jaren opgeteekend, en de mannelijke
-geboorten stonden tot de vrouwelijke als 99.7:100. Bij windhonden is de
-ongelijkheid grooter dan bij eenig ander dier; want gedurende twaalf
-jaren stonden bij 6878 geboorten de mannelijke geboorten tot de
-vrouwelijke als 110.1:100. Het is echter eenigermate twijfelachtig, of
-men hieruit veilig mag afleiden, dat in den natuurstaat de zelfde
-verhoudingsgetallen doorgaan als in den tammen staat; want kleine en
-onbekende verschillen in de levensvoorwaarden hebben tot op zekere
-hoogte invloed op de verhouding tusschen de seksen. Zoo staan bij den
-mensch de mannelijke geboorten in Engeland als 104.5, in Rusland als
-108.9 en bij de Lijflandsche Joden als 120 tot 100 vrouwelijke. Op deze
-verhouding oefenen ook de wettigheid of onwettigheid der geboorten een
-geheimzinnigen invloed uit.
-
-Voor ons tegenwoordig doel hebben wij te maken met de verhouding
-tusschen de seksen, niet bij de geboorte, maar op volwassen leeftijd,
-en dit doet een ander element van twijfel ontstaan; want het is een
-goed bewezen feit, dat bij den mensch voor of gedurende de geboorte en
-in de eerste dagen der kindsheid veel meer jongens dan meisjes sterven.
-Wij weten zeker, dat het evenzoo met mannelijke lammeren is, en
-wellicht is het ook zoo met de mannetjes van andere dieren. De
-mannetjes van sommige dieren dooden elkander in het gevecht, of drijven
-elkander rond, totdat zij zeer vermagerd zijn. Zij moeten ook, terwijl
-zij rondzwerven om vurig de wijfjes op te sporen, dikwijls aan
-onderscheidene gevaren blootgesteld zijn. Bij vele soorten van visschen
-zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, en men gelooft, dat zij
-dikwijls door deze laatste of door andere visschen worden verslonden.
-Bij sommige vogels schijnen de wijfjes in sterker verhouding te sterven
-dan de mannetjes; zij zijn ook blootgesteld om bij het broeden, of
-terwijl zij voor haar jongen zorgen, te worden omgebracht. Bij insekten
-zijn de vrouwelijke larven dikwijls grooter dan de mannelijke, en
-zullen bij gevolg meer kans hebben om te worden verslonden; in sommige
-gevallen zijn de wijfjes minder levendig en minder vlug in haar
-bewegingen dan de mannetjes, en zullen derhalve niet zoo goed in staat
-zijn om aan gevaar te ontsnappen. Vandaar moeten wij bij dieren in den
-natuurstaat, om te oordeelen over de verhouding tusschen de seksen in
-volwassen toestand, op bloote schatting afgaan; en dit verdient slechts
-weinig vertrouwen, behalve wanneer de ongelijkheid zeer aanmerkelijk
-is. Toch mogen wij, voor zoover wij er een oordeel over kunnen vormen,
-uit de als bijvoegsel medegedeelde feiten besluiten, dat bij eenige
-weinige Zoogdieren, bij vele Vogels en bij sommige Visschen en Insekten
-de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.
-
-De verhouding tusschen de seksen wisselt gedurende opeenvolgende jaren
-eenigszins af; zoo varieerden op elke 100 wijfjes die geboren werden,
-bij renpaarden de mannetjes van 107.1 in het eene jaar tot 92.6 in een
-ander jaar, en bij windhonden van 119.3 tot 95.3. Waren echter grooter
-getallen opgeteekend over een grooter oppervlakte dan Engeland, dan
-zouden deze afwisselingen waarschijnlijk zijn verdwenen, en zoo als zij
-zijn, zouden zij moeielijk voldoende wezen om in den natuurstaat tot de
-werking van den invloed der seksueele teeltkeus aanleiding te geven.
-Toch schijnen bij eenige weinige wilde dieren de verhoudingen, zooals
-in het bijvoegsel is aangetoond, hetzij gedurende verschillende
-jaargetijden of in verschillende streken in genoegzame mate af te
-wisselen om tot de werking daarvan aanleiding te geven. Want men moet
-bedenken, dat elk voordeel gedurende zekere jaren of in zekere streken
-behaald door die mannetjes welke in staat waren andere mannetjes te
-overwinnen of het aantrekkelijkst voor de wijfjes waren, waarschijnlijk
-op de jongen overgedragen en later niet geëlimineerd zou worden.
-Gedurende de volgende jaargetijden, als wegens de gelijkheid der seksen
-elk mannetje in staat was zich overal een wijfje te verschaffen, zouden
-de vroeger voortgebrachte sterkere of meer aantrekkelijke mannetjes nog
-een minstens even goede kans hebben om nakomelingen na te laten als de
-minder sterke of minder aantrekkelijke.
-
-
-
-Veelwijverij.—De gewoonte der veelwijverij (polygamie) leidt tot de
-zelfde uitwerkselen die zouden volgen uit een werkelijke ongelijkheid
-in het aantal der seksen; want als elk mannetje zich van twee of meer
-wijfjes meester maakt, zullen vele mannetjes niet in staat zijn te
-paren, en deze laatste zullen gewis de zwakkere en minder
-aantrekkelijke individu’s zijn. Vele zoogdieren en eenige weinige
-vogels leven in veelwijverij; bij tot de lagere klassen behoorende
-dieren vond ik geen bewijzen van deze gewoonte. De verstandelijke
-vermogens van dergelijke dieren zijn wellicht niet voldoende om hen er
-toe te brengen een harem van wijfjes te verzamelen en te beschermen.
-Dat er eenige betrekking bestaat tusschen veelwijverij en de
-ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken, schijnt bijna zeker,
-en dit ondersteunt de meening, dat een overwicht in getal van de
-mannetjes uiterst gunstig zou zijn voor de werking der seksueele
-teeltkeus. Toch vertoonen vele dieren, vooral vogels, die met slechts
-een enkel wijfje leven, sterk uitgesproken secundaire seksueele
-kenmerken, terwijl eenige weinige dieren die in veelwijverij leven,
-dergelijke kenmerken niet bezitten.
-
-Wij zullen eerst kortelijk de Klasse der Zoogdieren doorloopen en dan
-tot de Vogels overgaan. De gorilla schijnt in veelwijverij te leven, en
-het mannetje verschilt aanmerkelijk van het wijfje; evenzoo is het met
-sommige bavianen, die in kudden leven, welke tweemaal zooveel volwassen
-wijfjes als mannetjes bevatten. In Zuid-Amerika vertoont Mycetes Caraya
-goed uitgedrukte seksueele kenmerken in zijn kleur, baard en
-stemorganen en het mannetje leeft gewoonlijk met twee of drie wijfjes;
-het mannetje van Cebus capucinus verschilt een weinig van het wijfje en
-schijnt in veelwijverij te leven. [540] Weinig is in dit opzicht bekend
-omtrent de meeste andere apen; maar sommige soorten leven met slechts
-één wijfje (zijn monogaam). De Herkauwende Dieren zijn bij
-uitnemendheid in veelwijverij levende dieren en zij vertoonen
-veelvuldiger seksueele verschillen dan bijna eenige andere groep van
-zoogdieren, vooral in hun wapens, maar eveneens in andere kenmerken. De
-meeste soorten van herten, hoornvee en schapen leven in veelwijverij;
-en ook de meeste antilopen, hoewel sommige dezer laatste met slechts
-één wijfje leven. Sir Andrew Smith zegt, van de antilopen van
-Zuid-Afrika sprekende, dat er in kudden van ongeveer een dozijn zelden
-meer dan één volwassen mannetje was. De Aziatische Antilope Saïga
-schijnt van alle dieren der wereld de veelwijverij het sterkst uit te
-oefenen; want Pallas [541] verzekert, dat het mannetje alle mededingers
-verjaagt en een kudde van ongeveer een honderdtal individu’s, uit
-wijfjes en jongen bestaande, bijeenverzamelt: het wijfje bezit geen
-horens en heeft zachter haar, maar verschilt overigens niet veel van
-het mannetje. Het wilde paard leeft, zoowel op de Falklands-eilanden
-als in de Westelijke Staten van Noord-Amerika, in veelwijverij, maar,
-behalve door zijn aanzienlijker grootte en de verhoudingen van zijn
-lichaam, verschilt de hengst slechts weinig van de merrie. Het mannetje
-van het wilde zwijn vertoont in zijn slagtanden en sommige andere
-punten goed uitgedrukte seksueele kenmerken; in Europa en in Indië
-leidt het, behalve gedurende den paartijd, een eenzaam leven; maar
-gedurende dien tijd leeft het in Indië met verscheidene wijfjes, naar
-Sir W. Elliot, die veel ondervinding had in het waarnemen van dit dier,
-gelooft; of dit ook in Europa doorgaat, is twijfelachtig, maar wordt
-door sommige getuigenissen gesteund. De volwassen mannelijke Indische
-olifant brengt, evenals het wilde zwijn, een groot deel van zijn tijd
-in eenzaamheid door; maar als hij zich met andere vereenigt, „is het”,
-volgens Dr. Campbell, „zeldzaam om meer dan één mannetje bij een
-geheele kudde wijfjes te vinden.” De grootere mannetjes verjagen de
-kleinere en zwakkere. Het mannetje verschilt van het wijfje door zijn
-verbazende slagtanden en aanzienlijke lichaamsgrootte, kracht en
-taaiheid; in deze laatste opzichten is het verschil zoo groot, dat men
-de gevangen mannetjes twintig percent meer waard schat dan de wijfjes.
-[542] Bij de andere Dikhuidige Dieren verschillen de seksen zeer weinig
-of in het geheel niet, en zij leven, voor zoover ons bekend is, niet in
-veelwijverij. Ook heb ik nooit gehoord, dat eenige soort in de orden
-der Vledermuizen (Cheiroptera), Tandelooze Dieren (Edentata),
-Knaagdieren en Insekteneters (Insectivora) in veelwijverij leefde,
-behalve wellicht de gewone rat, van welke, naar sommige rattenvangers
-verzekeren, de mannetjes met verscheidene wijfjes leven. Toch
-verschillen de beide seksen van sommige luiaards (Edentata) in den aard
-en kleur van het haar van zekere vlekken op hun schouders. [543] En
-vele soorten van vledermuizen (Cheiroptera) vertoonen goed uitgedrukte
-seksueele verschillen, vooral doordat de mannetjes geur verspreidende
-klieren en zakken bezitten en lichter van kleur zijn. [544] In de
-groote orde der Knaagdieren verschillen de seksen, zoover ik kan
-nagaan, zelden, en als zij zulks doen, is het slechts door een
-eenigszins andere kleur van den pels.
-
-De leeuw leeft in Zuid-Afrika, naar ik van Sir Andrew Smith hoor,
-somwijlen met een enkel wijfje, maar gewoonlijk met meer dan één, en
-werd in één geval met niet minder dan vijf wijfjes gevonden, zoodat hij
-in veelwijverij leeft. Hij is, zoover ik kan ontdekken, het eenige in
-veelwijverij levende dier uit de geheele groep der Landroofdieren, en
-tevens het eenige dat goed uitgedrukte seksueele kenmerken bezit.
-Indien wij ons echter tot de Zeeroofdieren wenden, is het een geheel
-ander geval; want vele soorten van zeehonden bieden, gelijk wij zullen
-zien, buitengewoon groote seksueele verschillen aan, en zijn bij
-uitnemendheid in veelwijverij levende dieren. Zoo bezit de mannelijke
-zeeolifant van den zuidelijken oceaan, volgens Péron, altijd
-verscheidene wijfjes, en men zegt dat de zeeleeuw van Forster altijd
-door twintig tot dertig wijfjes wordt omringd. In het Noorden wordt de
-Stellersche zeebeer zelfs door een nog grooter aantal wijfjes
-vergezeld.
-
-Wat de Vogels aangaat, leven vele soorten van welke de seksen veel van
-elkander verschillen, gewis slechts met één wijfje. In Groot-Brittannië
-zien wij bij voorbeeld goed uitgedrukte seksueele kenmerken bij de
-wilde eend die met een enkel wijfje paart, bij de gewone merel of
-zwarte lijster, en bij den goudvink, die, naar men zegt, levenslang met
-het zelfde wijfje paart. Evenzoo is het, gelijk de heer Wallace mij
-mededeelt, met de Snatervogels (Cotingidae) van Zuid-Amerika en
-talrijke andere vogels. Bij verscheidene groepen was ik niet in staat
-te ontdekken, of de soorten al dan niet in veelwijverij leven. Lesson
-zegt, dat de paradijsvogels, die zoo opmerkelijk zijn wegens hun
-seksueele verschillen, in veelwijverij leven; doch de heer Wallace
-betwijfelt, of hij daarvoor bewijzen genoeg had. De heer Salvin meldt
-mij, dat hij aanleiding heeft gevonden om te gelooven, dat de kolibri’s
-in veelwijverij leven. Het schijnt zeker te zijn, dat de mannelijke
-weduwvogel, opmerkelijk wegens zijn staartvederen, in veelwijverij
-leeft. [545] De heer Jenner Weir en anderen hebben mij verzekerd, dat
-niet zelden drie spreeuwen het zelfde nest bezoeken, maar of dit een
-geval van veelwijverij (polygamie) of van veelmannerij (polyandrie) is,
-is niet uitgemaakt.
-
-De Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) vertoonen bijna even sterk
-uitgedrukte seksueele verschillen als de paradijsvogels of kolibri’s,
-en vele soorten daarvan leven, zooals algemeen bekend is, in
-veelwijverij, terwijl andere uitsluitend met een enkel wijfje leven.
-Welk een verschil tusschen de seksen bij den in veelwijverij levenden
-pauw of fazant, en de met een enkel wijfje levende parelhoenders en
-patrijzen! Vele dergelijke gevallen zouden kunnen worden vermeld,
-gelijk in de afdeeling der Ruigpoothoenders, in welke de in
-veelwijverij levende groote auerhaan en korhaan zeer van de wijfjes
-verschillen, terwijl bij de met een enkel wijfje levende roode
-Schotsche boschhoenders en sneeuwhoenders de seksen slechts weinig
-verschillen. Onder de Loopvogels (Cursores) (1) vertoont geen groot
-getal soorten sterk uitgedrukte seksueele kenmerken, behalve de
-trapganzen, en men zegt, dat de groote trapgans (Otis tarda) in
-veelwijverij leeft. Bij de Steltloopers (Grallatores) verschillen de
-seksen bij zeer weinige soorten; maar de kemphaan (Machetes pugnax)
-maakt hierop een sterke uitzondering, en Montagu gelooft, dat deze
-soort in veelwijverij leeft. Het schijnt dus, dat er bij vogels
-dikwijls een nauw verband bestaat tusschen veelwijverij en de
-ontwikkeling van sterk uitgedrukte seksueele verschillen. Toen ik in
-den Londenschen Dierentuin aan den heer Burlett, die zulk een groote
-ondervinding omtrent vogels heeft, vroeg, of de mannelijke tragopan
-(een der Hoenderachtige Vogels) in veelwijverij leeft, was ik getroffen
-door zijn antwoord: „Ik weet het niet, maar ik denk van ja, wegens zijn
-prachtige kleuren.”
-
-Het verdient opmerking, dat het instinkt om met een enkel wijfje te
-paren, gedurende de temming gemakkelijk wordt verloren. De wilde eend
-leeft uitsluitend met één wijfje, de tamme eend oefent in hooge mate de
-veelwijverij uit. De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat van sommige
-half getemde wilde eenden, die men in een grooten vijver in zijn
-nabuurschap hield, zoovele woerden door den boschwachter werden
-doodgeschoten, dat er slechts één voor elke zeven of acht wijfjes
-overbleef; toch werden ongewoon groote broedsels van jongen
-voortgebracht. Het parelhoen leeft uitsluitend met één wijfje, doch de
-heer Fox heeft bemerkt, dat hij met zijn vogels het voorspoedigst is,
-als hij één haan op twee of drie hennen houdt. [546] De kanarievogels
-leven in den natuurstaat paarsgewijze, maar de fokkers van vogels
-zetten met goed gevolg één mannetje bij vier of vijf wijfjes; het
-eerste wijfje wordt echter, naar men den heer Fox verzekerde, alleen
-als wettige vrouw beschouwd, zij en haar jongen alleen worden door het
-mannetje gevoed, de andere worden als bijwijven behandeld. Ik heb deze
-gevallen opgeteekend, omdat daardoor eenigermate waarschijnlijk wordt
-gemaakt, dat eenwijvige soorten in den natuurstaat gemakkelijk hetzij
-tijdelijk of blijvend de gewoonte van veelwijverij zouden kunnen
-aannemen.
-
-Wat de Reptielen en Visschen aangaat, is er te weinig van hun gewoonten
-bekend om ons in staat te stellen over hun huwelijkstoestanden te
-spreken. Men zegt echter, dat de stekelbaars (Gasterosteus) in
-veelwijverij leeft [547], en het mannetje verschilt gedurende den
-rijtijd in ’t oog loopend van het wijfje.
-
-Laten wij thans nog eens de middelen opsommen door welke, voorzoover
-wij kunnen beoordeelen, de seksueele teeltkeus tot de ontwikkeling der
-secundaire seksueele kenmerken heeft geleid. Wij hebben aangetoond, dat
-het grootste aantal krachtige jongen zal worden voortgebracht door de
-paring van de sterkste en best gewapende mannetjes, die andere
-mannetjes hebben overwonnen, met de sterkste en best gevoede wijfjes,
-die in de lente het eerst voor de voortplanting gereed zijn. Dergelijke
-wijfjes zullen, als zij de aantrekkelijkste en terzelfdertijd
-krachtigste mannetjes uitkiezen, een grooter aantal jongen voortbrengen
-dan de achterlijke wijfjes, die met de minder krachtige en minder
-aantrekkelijke mannetjes moeten paren. Evenzoo zal het gaan, als de
-krachtigste wijfjes uitkiezen; en dit zal vooral doorgaan, indien het
-mannetje het wijfje verdedigt en haar helpt om aan de jongen voedsel te
-verschaffen. Het aldus door de krachtigste paren verkregen voordeel in
-het voortbrengen van een grooter aantal nakomelingen is waarschijnlijk
-voldoende geweest om de seksueele teeltkeus invloed te doen uitoefenen.
-Een groot overwicht in getal van de mannetjes over de wijfjes zou
-echter nog krachtiger hebben gewerkt; hetzij dat dit overwicht slechts
-toevallig en plaatselijk, of blijvend was geweest, hetzij het bij de
-geboorte reeds bestond, of dat het eerst later door de grootere sterfte
-der wijfjes intrad; of dat het eindelijk een indirect gevolg was van de
-gewoonte der veelwijverij.
-
-
-
-Het Mannetje over het algemeen meer gewijzigd dan het Wijfje.—Door het
-geheele Dierenrijk heên is het, wanneer de seksen in uiterlijk aanzien
-van elkander verschillen, op weinige uitzonderingen na steeds het
-mannetje dat voornamelijk is gewijzigd; want het wijfje blijft meer
-gelijk aan de jongen van haar eigen soort en aan de andere leden van de
-zelfde groep. De oorzaak daarvan schijnt hierin te liggen, dat de
-mannetjes van bijna alle dieren sterker hartstochten hebben dan de
-wijfjes. Vandaar komt het, dat het de mannetjes zijn, die te zamen
-vechten en zich beijveren voor de wijfjes met hun bekoorlijkheden te
-pronken, en diegene welke overwinnaars zijn, planten hun
-voortreffelijkheid op hun mannelijke nakomelingen over. Waarom de
-mannetjes hun kenmerken niet op beide seksen overplanten, zal later
-worden overwogen. Dat de mannetjes van alle Zoogdieren met vurigheid de
-wijfjes vervolgen, is iedereen bekend. Evenzoo is het met de Vogels;
-maar vele mannelijke vogels vervolgen de wijfjes niet zoozeer, dan dat
-zij in haar tegenwoordigheid met hun gevederte pronken, vreemdsoortige
-vertooningen uitvoeren en hun zang aanheffen. Bij de weinige Visschen
-die zijn waargenomen, schijnt het mannetje veel vuriger te zijn dan het
-wijfje; evenzoo is het met de Alligators en waarschijnlijk ook met de
-Vorschen (Batrachii) gelegen. Door de geheele verbazend groote klasse
-der Insekten is het, gelijk Kirby opmerkt, „de wet, dat het mannetje
-het wijfje moet zoeken.” Bij de Spinnen en Schaaldieren zijn, naar ik
-van twee groote autoriteiten, de heeren Blackwall en C. Spence Bate
-hoor, de mannetjes bedrijviger en leiden een meer zwervende levenswijze
-dan de wijfjes. Als bij de Insekten en de Schaaldieren zintuigen of
-bewegingswerktuigen bij de eene sekse aanwezig zijn, doch bij de andere
-ontbreken, of als zij, zooals dikwijls het geval is, bij de eene hooger
-ontwikkeld zijn dan bij de andere, is het bijna altijd het mannetje,
-voorzoover ik kan nagaan, dat die organen heeft behouden, of ze in den
-meest ontwikkelden toestand bezit, en dit bewijst, dat het mannetje bij
-de vrijage der seksen het bedrijvigste lid is. [548]
-
-Het wijfje daarentegen is, op zeer zeldzame uitzonderingen na, minder
-vurig dan het mannetje. Gelijk de beroemde Hunter [549] lang geleden
-opmerkte, „is het over het algemeen noodig, dat haar het hof wordt
-gemaakt”: zij is ingetogen en men kan dikwijls zien, hoe zij gedurende
-langen tijd haar best doet om aan het mannetje te ontsnappen. Iedereen
-die op de gewoonten van dieren heeft gelet, zal zich voorbeelden
-daarvan kunnen herinneren. Naar onderscheidene, later te vermelden
-feiten en naar de uitwerkselen die men veilig aan seksueele teeltkeus
-kan toeschrijven, te oordeelen, oefent het wijfje, hoewel
-vergelijkenderwijze lijdelijk, over het algemeen eenige keus uit, en
-geeft aan het eene mannetje de voorkeur boven het andere. Of wellicht
-geeft zij, gelijk de schijn ons dikwijls zou doen gelooven, de voorkeur
-niet aan het mannetje dat haar het meest aantrekt, maar aan dat hetwelk
-haar het minst tegenstaat. De uitoefening van eenige keus van den kant
-van het wijfje schijnt een bijna even algemeene wet als de vurigheid
-van het mannetje.
-
-Wij komen er nu van zelf toe om te onderzoeken, waarom het mannetje in
-zoo vele en zoo sterk verschillende gevallen vuriger is geworden dan
-het wijfje, zoodat hij haar zoekt en bij de vrijage de bedrijvigste rol
-speelt. Er zou geen voordeel en zelfs eenig krachtverlies in zijn
-gelegen, als beide seksen elkander wederkeerig moesten zoeken; maar
-waarom moet het altijd het mannetje zijn dat zoekt? Bij planten moeten
-de eitjes na de bevruchting een tijd lang worden gevoed; vandaar moet
-het stuifmeel noodzakelijk naar de vrouwelijke organen gevoerd en door
-de tusschenkomst van insekten of van den wind of door de spontane
-bewegingen der meeldraden, en bij de Algen enz. door het
-bewegingsvermogen der antherozoïden op den stempel worden gebracht (2).
-Bij laag georganiseerde dieren die voortdurend op de zelfde plaats
-bevestigd blijven en gescheiden seksen bezitten, wordt steeds het
-mannelijk element naar het vrouwelijke gebracht, en wij kunnen de reden
-daarvan inzien; want de eieren kunnen, zelfs als zij vóór de
-bevruchting worden losgemaakt en geen latere voeding en bescherming
-vereischen, wegens hun betrekkelijk aanzienlijker grootte minder
-gemakkelijk worden verplaatst dan het mannelijk element. Vandaar komen
-de planten [550] en vele lagere dieren in dit opzicht overeen. Daar de
-mannetjes van vastzittende dieren er dus toe zijn gekomen om hun
-bevruchtend element uit te werpen, is het natuurlijk, dat eenige hunner
-nakomelingen, die hooger klommen op de ladder en het vermogen verkregen
-om van plaats te veranderen, de zelfde gewoonte moesten behouden en
-dicht tot het wijfje moesten naderen, opdat het bevruchtende element
-het gevaar niet zou loopen van een langen weg door het zeewater af te
-leggen. Bij eenige weinige der lagere dieren zijn alleen de wijfjes
-vastzittend en bij deze moet het mannetje haar zoeken. Wat de vormen
-aangaat, wier voorouders geen vastzittende dieren waren, is het
-moeilijk te begrijpen, waarom het altijd de mannetjes moesten zijn, die
-de gewoonte verkregen om naar de wijfjes toe te komen, in plaats dat
-deze laatste naar hen toe kwamen. In alle gevallen echter zou het,
-opdat de mannetjes met goed gevolg zouden zoeken, noodzakelijk zijn,
-dat zij met sterke hartstochten waren begiftigd; en het verkrijgen van
-dergelijke hartstochten moest daaruit volgen, dat de vurigste mannetjes
-meer nakomelingen nalieten dan de minder vurige.
-
-De groote vurigheid van het mannetje heeft aldus indirect geleid tot de
-veelvuldiger ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken bij het
-mannetje dan bij het wijfje. De ontwikkeling van dergelijke kenmerken
-zal echter, indien het besluit te vertrouwen is, waartoe ik door het
-bestudeeren der tamme dieren ben gekomen, zeer zijn bevorderd, doordat
-het mannetje meer aanleg tot variatie heeft dan het wijfje. Von
-Nathusius, die zeer groote ondervinding hieromtrent had, is van de
-zelfde meening. [551] Ik weet, hoe moeilijk het is een dergelijk
-besluit te verificeeren. Eenige geringe bewijzen daarvoor kunnen echter
-worden verkregen door de vergelijking der beide seksen van den mensch,
-daar de mensch zorgvuldiger is bestudeerd dan eenig ander dier.
-Gedurende de Novara-expeditie [552] werd een groot aantal metingen van
-onderscheidene lichaamsdeelen bij verschillende rassen gedaan, en in
-bijna ieder geval vond men, dat de mannen een grootere verscheidenheid
-vertoonden dan de vrouwen; op dit onderwerp zal ik echter in een
-volgend hoofdstuk moeten terugkomen. De heer J. Wood [553], die
-zorgvuldig de variaties in het spierstelsel bij den mensch heeft
-nagegaan, heeft met cursieve letters zijn besluit doen drukken, dat
-„het grootste aantal abnormale vormen bij een enkel persoon bij de
-mannen wordt gevonden.” Hij had te voren opgemerkt, dat „bij elkander
-gerekend op een aantal van 102 personen de afwijkingen door het bezit
-van overtallige deelen werden bevonden de helft veelvuldiger te zijn
-bij mannen dan bij vrouwen, hetgeen een sterke tegenstelling vormt met
-het te voren beschreven veelvuldiger voorkomen van afwijkingen door het
-ontbreken van deelen bij vrouwen.” Prof. Macalister merkt eveneens op
-[554], dat variaties in het spierstelsel, „waarschijnlijk algemeener
-bij mannen dan bij vrouwen voorkomen.” Zekere spieren die bij den
-mensch in normalen toestand niet aanwezig zijn, komen ook veelvuldiger
-bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse tot ontwikkeling, hoewel
-men zegt, dat uitzonderingen op dezen regel voorkomen. Dr. Burt Wilder
-[555] heeft een tabel gemaakt van 152 gevallen van individu’s met
-overtallige vingers, van welke 86 mannen en 39, of de helft minder,
-vrouwen waren; van de overige 27 was de sekse niet bekend. Men zie
-echter niet voorbij, dat vrouwen veelvuldiger een dergelijke misvorming
-zullen trachten te verbergen dan mannen. Ook verzekert Prof. L. Meyer,
-dat de ooren van den man verschillender van vorm zijn dan die van de
-vrouw. [556] Eindelijk is de temperatuur bij den man meer variabel dan
-bij de vrouw. [557]
-
-De oorzaak waarom de algemeene variabiliteit bij de mannelijke sekse
-grooter is dan bij de vrouwelijke, is onbekend, uitgezonderd in zoover
-als secundaire seksueele kenmerken uiterst variabel en gewoonlijk tot
-de mannetjes beperkt zijn; en, gelijk wij nu zullen zien, is dit feit
-tot op zekere hoogte begrijpelijk. Door de werking der seksueele
-teeltkeus zijn de mannelijke dieren in zeer vele gevallen zeer
-verschillend van hun wijfjes gemaakt; maar, onafhankelijk van
-teeltkeus, hebben de beide seksen, omdat ze constitutioneel
-verschillen, een neiging om op eenigszins verschillende wijze te
-varieeren. Het wijfje moet veel organische stof besteden tot de vorming
-van haar eieren, terwijl het mannetje veel kracht besteedt in de
-woedende gevechten met zijn medeminnaars, in het rondloopen om het
-wijfje te zoeken, het gebruiken van zijn stem, het afscheiden van
-welriekende stoffen enz.; en dit verbruik heeft over het algemeen
-geheel en al plaats gedurende een korten tijd van het jaar. De grootere
-kracht van het mannetje gedurende het jaargetijde der liefde schijnt
-dikwijls zijn kleuren levendiger te maken, onafhankelijk van eenig
-verschil van beteekenis met het wijfje. [558] Bij den mensch, en zelfs
-bij dieren die zoo laag op de ladder staan als de Schubvleugelige
-Insekten (Lepidoptera), is de temperatuur van het mannetje hooger dan
-die van het wijfje, hetgeen in het geval van den mensch gepaard gaat
-met een langzamer pols. [559] Over het geheel is het gebruik van stof
-en kracht door de beide seksen waarschijnlijk ongeveer gelijk, hoewel
-het geschiedt op zeer verschillende wijzen.
-
-Wegens bovengenoemde oorzaken kan het moeilijk anders, of de beide
-seksen moeten een weinig in gestel (constitutie) verschillen, ten
-minste gedurende den paartijd; en, hoewel zij aan volkomen de zelfde
-levensvoorwaarden mogen zijn onderworpen, zullen zij een neiging hebben
-op verschillende wijze te varieeren. Indien dergelijke variaties voor
-geen van beide seksen nuttig zijn, zullen zij niet worden opeengehoopt
-of vermeerderd door seksueele of natuurlijke teeltkeus. Desniettemin
-kunnen zij blijvend worden, indien de oorzaak waarvan zij het gevolg
-zijn, bestendig blijft werken; en in overeenstemming met een veelvuldig
-voorkomenden vorm van erfelijkheid kunnen zij worden overgeërfd alleen
-door die sekse bij welke zij het eerst zijn verschenen. In dit geval
-zullen de seksen bestendige, maar toch onbelangrijke verschillen in hun
-kenmerken gaan vertoonen. De heer Allen toont bij voorbeeld aan, dat
-bij een groot aantal vogels die de noordelijke en zuidelijke Vereenigde
-Staten bewonen, de voorwerpen uit het Zuiden donkerder gekleurd zijn
-dan die uit het Noorden; en dit schijnt een rechtstreeksch gevolg te
-zijn van het verschil in temperatuur, licht enz., tusschen die beide
-streken. Nu schijnen in eenige weinige gevallen de beide seksen van een
-zelfde soort verschillend te zijn aangedaan, bij Ageloeus phoeniceus
-zijn bij de mannetjes de kleuren in het Zuiden veel sterker geworden;
-terwijl bij Cardinalis virginianus zulks juist bij de wijfjes heeft
-plaats gehad; bij Quiscalus major zijn de wijfjes uiterst variabel van
-tint geworden, terwijl de mannetjes nagenoeg eenvormig bleven. [560]
-
-Bij onderscheidene Klassen van dieren komen eenige weinige
-exceptioneele gevallen voor, waarin niet het mannetje, maar het wijfje
-goed uitgedrukte secundaire seksueele kenmerken, zooals levendiger
-kleuren, grooter gestalte, sterkte of strijdlustigheid, bezit. Bij
-vogels heeft er, zooals wij later zullen zien, dikwijls een volkomen
-omkeering in de gewoonlijk aan elke sekse eigen kenmerken plaats gehad,
-daar de wijfjes het vurigst bij de vrijage zijn geworden en de
-mannetjes daarbij vergelijkenderwijze lijdelijk blijven, doch
-blijkbaar, voor zoover wij zulks uit de uitwerkselen mogen afleiden, de
-aantrekkelijkste wijfjes hebben uitgezocht. Zekere vrouwelijke vogels
-hebben op die wijze fraaier kleuren en andere versierselen gekregen,
-zijn sterker en strijdlustiger dan het mannetje geworden, terwijl deze
-kenmerken alleen op de vrouwelijke nakomelingen worden overgeplant.
-
-Men zou kunnen onderstellen, dat in sommige gevallen een dubbel proces
-van teeltkeus heeft plaats gehad, daar de mannetjes de aantrekkelijkste
-wijfjes, en deze laatste de aantrekkelijkste mannetjes uitkozen. Hoewel
-dit proces zou kunnen leiden tot wijziging van beide seksen, zou het de
-eene sekse niet verschillend maken van de andere, wanneer hun
-schoonheidsgevoel ten minste niet verschilde, maar deze onderstelling
-is te onwaarschijnlijk in het geval van eenig dier, uitgezonderd den
-mensch, om overweging te verdienen. Er zijn echter vele dieren bij
-welke de seksen op elkander gelijken en beide met de zelfde
-versierselen zijn voorzien, welke de analogie ons zou doen besluiten om
-aan de werking der seksueele teeltkeus toe te schrijven. In dergelijke
-gevallen zou het een zeer aannemelijke onderstelling schijnen, dat er
-een dubbel of wederkeerig proces van seksueele teeltkeus heeft plaats
-gehad, de sterkste en vroegst ontwikkelde wijfjes de aantrekkelijkste
-en krachtigste mannetjes hebben uitgekozen, en deze laatste alle
-wijfjes behalve de aantrekkelijkste hebben versmaad. Bij al wat wij van
-de gewoonten der dieren weten, is deze onderstelling echter niet zeer
-waarschijnlijk, daar het mannetje over het algemeen vurig met elk
-wijfje verlangt te paren. Het is waarschijnlijker, dat de aan beide
-seksen gemeen zijnde versierselen door ééne sekse, over het algemeen
-het mannetje, werden verkregen, en daarna op beide seksen werden
-overgeplant. Indien nochtans gedurende een lang tijdperk de mannetjes
-van de eene of andere soort de wijfjes sterk in aantal hadden
-overtroffen, en daarna gedurende een ander lang tijdperk onder
-verschillende omstandigheden het omgekeerde was geschied, zou er
-gemakkelijk een dubbel, maar niet gelijktijdig proces van seksueele
-teeltkeus plaats kunnen hebben gehad, waardoor de beide seksen zeer
-verschillend zouden kunnen zijn gemaakt.
-
-Wij zullen later zien, dat er vele dieren bestaan, bij welke geen van
-beide seksen prachtig gekleurd of van bijzondere versierselen is
-voorzien, en toch de leden van beide seksen, of van een enkele sekse
-waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. De afwezigheid
-van levendige kleuren of andere versierselen kan het gevolg daarvan
-zijn, dat zich nooit afwijkingen van de goede soort hebben voorgedaan,
-of dat de dieren zelf de voorkeur geven aan eenvoudige kleuren, zooals
-effen zwart of wit. Donkere kleuren zijn dikwijls door natuurlijke
-teeltkeus ter wille van de bescherming verkregen, en het verkrijgen van
-levendige kleuren door seksueele teeltkeus kan door het daardoor
-geloopen gevaar zijn tegengehouden. In andere gevallen hebben de
-mannetjes waarschijnlijk gedurende lange eeuwen met elkander gestreden,
-door ruwe kracht of door het pronken met hun bekoorlijkheden of door
-beide middelen tegelijk, en toch zal er geen uitwerking zijn
-voortgebracht, tenzij door de voorspoedigste mannetjes een grooter
-nakomelingschap werd nagelaten om hun meerdere voortreffelijkheid te
-erven, dan door de minder voorspoedige mannetjes, en dit hangt, gelijk
-vroeger is aangetoond, van verschillende ingewikkelde omstandigheden
-af.
-
-De seksueele teeltkeus werkt op minder strenge wijs dan de natuurlijke.
-Deze laatste brengt haar uitwerkselen voort door het leven of den dood
-op alle leeftijden van de meerder of minder voorspoedige individu’s.
-Nochtans is niet zelden de dood het gevolg van de gevechten tusschen
-mededingende mannetjes. Over het algemeen echter slaagt het minder
-voorspoedige mannetje er alleen niet in om een wijfje te verkrijgen, of
-verkrijgt eerst later in het jaargetijde een achterlijk en minder sterk
-wijfje, of, als hij in veelwijverij leeft, verkrijgt hij minder
-wijfjes, zoodat hij minder of zwakker of in het geheel geen
-nakomelingen achterlaat. Wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die
-door gewone of natuurlijke teeltkeus zijn verkregen, is er in de meeste
-gevallen, zoolang de levensvoorwaarden de zelfde blijven, een grens
-voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging met betrekking tot het
-eene of andere doel; maar wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die
-geschikt zijn om het eene mannetje overwinnaar van het andere te maken,
-hetzij in het gevecht of in het bekoren van het wijfje, is er geen
-bepaalde grens voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging, zoodat,
-zoolang zich geschikte variaties voordoen, de seksueele teeltkeus zal
-voortgaan te werken. Deze omstandigheid kan wellicht gedeeltelijk
-rekenschap geven van de veelvuldige en buitengewoon groote
-variabiliteit der secundaire seksueele kenmerken. Toch zal de
-natuurlijke teeltkeus veroorzaken, dat de overwinnende mannetjes geen
-dergelijke kenmerken kunnen verkrijgen, die voor hen in eenigszins
-groote mate nadeelig zouden zijn, hetzij omdat zij hun levenskrachten
-te veel uitputten, of hen aan het eene of andere groote gevaar
-blootstellen. De ontwikkeling van zekere deelen—bij voorbeeld van de
-horens van sommige soorten van herten—is echter tot een verwonderlijk
-uiterste gedreven; en in sommige gevallen tot een uiterste dat, voor
-zoover de algemeene levensvoorwaarden aangaat, eenigszins nadeelig voor
-het mannetje moet zijn. Wij leeren hieruit, dat de voordeelen die
-begunstigde mannetjes hebben verkregen door andere mannetjes in het
-gevecht of in de vrijage te overwinnen, op den langen duur grooter zijn
-geweest, dan die welke voortvloeiden uit iets betere geschiktheid voor
-de uitwendige levensvoorwaarden. Wij zullen later zien, en dit zou men
-nimmer vooruit hebben kunnen vermoeden, dat het vermogen om het wijfje
-te bekoren in eenige weinige gevallen belangrijker is geweest dan dat
-om andere mannetjes in het gevecht te overwinnen.
-
-
-
-
-
-WETTEN DER ERFELIJKHEID.
-
-Om te begrijpen hoe de seksueele teeltkeus gewerkt en in den loop der
-eeuwen in het oog loopende uitwerkselen op vele dieren van vele klassen
-heeft gehad, is het noodzakelijk, dat men zich steeds de wetten der
-erfelijkheid, voor zoover die bekend zijn, herinnert. Onder de
-uitdrukking „erfelijkheid” worden hier twee elementen omvat, namelijk
-de overplanting en de ontwikkeling van kenmerken, maar daar deze
-gewoonlijk te zamen gaan, wordt het onderscheid er tusschen dikwijls
-over het hoofd gezien. Wij zien dat onderscheid bij die kenmerken welke
-door de vroegste levensjaren heên worden overgeplant, maar zich slechts
-ontwikkelen op volwassen leeftijd of gedurende den ouderdom. Wij zien
-het zelfde onderscheid duidelijker bij secundaire seksueele kenmerken;
-want deze worden door beide seksen heên overgeplant, hoewel zij slechts
-bij de eene zijn ontwikkeld. Dat zij bij beide seksen aanwezig zijn,
-blijkt, wanneer twee soorten die sterk uitgesproken seksueele kenmerken
-bezitten, worden gekruist; want elk plant de kenmerken van zijn eigen
-mannetje en wijfje over op het bastaardkroost van de zelfde sekse. Het
-zelfde feit is eveneens duidelijk als kenmerken die aan het mannetje
-eigen zijn, nu en dan bij het wijfje tot ontwikkeling komen, wanneer
-dit oud of ziek wordt. Evenzoo komen nu en dan kenmerken voor, alsof
-zij van het mannetje op het wijfje overgeplant waren, zooals bij
-voorbeeld bij sommige hoenderrassen, bij welke geregeld sporen bij de
-jonge en gezonde wijfjes voorkomen; maar in waarheid zijn zij dan
-eenvoudig bij het wijfje tot ontwikkeling gekomen; want bij elk ras
-wordt elke bijzonderheid in het maaksel van de spoor door het wijfje op
-haar mannelijke nakomelingen overgeplant. In alle gevallen van atavisme
-worden kenmerken overgeplant door twee, drie of vele generaties heên en
-komen daarna onder zekere onbekende gunstige omstandigheden tot
-ontwikkeling. Dit belangrijk onderscheid tusschen overplanting en
-ontwikkeling zal het gemakkelijkst worden onthouden met behulp van de
-hypothese der pangenesis, hetzij die al of niet als waar wordt
-aangenomen. Volgens deze hypothese werpt elke eenheid of cel van het
-lichaam kiemen of onontwikkelde atomen af, die op de nakomelingen van
-beide seksen worden overgeplant en zich door zelfverdeeling
-vermenigvuldigen. Zij kunnen gedurende de vroegste levensjaren of
-gedurende opeenvolgende generaties onontwikkeld blijven, daar hun
-ontwikkeling tot eenheden of cellen, gelijk aan die waaruit zij
-ontstonden, afhangt van hun verwantschap tot, en vereeniging met andere
-eenheden of cellen, die zich te voren in de behoorlijke orde van groei
-hebben ontwikkeld.
-
-
-
-Overerving op overeenkomstige Levenstijdperken.—De neiging hiertoe is
-goed bewezen. Als een nieuw kenmerk bij een dier verschijnt terwijl het
-jong is, zal het, hetzij het levenslang blijft voortbestaan of slechts
-een tijd lang in stand blijft, als algemeene regel op den zelfden
-leeftijd en op de zelfde wijze bij de nakomelingen van het dier opnieuw
-verschijnen. Indien daarentegen een nieuw kenmerk op volwassen leeftijd
-of zelfs gedurende den ouderdom verschijnt, zal het bij de nakomelingen
-op den zelfden gevorderden leeftijd opnieuw verschijnen. Wanneer
-afwijkingen van dezen regel voorkomen, zullen de overgeplante kenmerken
-veel veelvuldiger verschijnen vóór, dan na den overeenkomstigen
-leeftijd. Daar ik dit onderwerp in een ander werk [561] uitvoerig
-genoeg heb besproken, zal ik hier slechts een of twee voorbeelden
-geven, om de zaak in het geheugen van den lezer terug te roepen. Bij
-verscheidene Hoenderrassen verschillen de kuikens terwijl zij nog met
-dons zijn bedekt, de jonge vogels in hun eerste ware gevederte en in
-het gevederte dat zij op volwassen leeftijd bezitten, zeer sterk van
-elkander en ook van hun gemeenschappelijken stamvorm, den Gallus
-bankiva; en deze kenmerken worden door elk ras getrouw op hun
-nakomelingen in het overeenkomstige levenstijdperk overgeplant. De
-kuikens van de Hamburger Pellen hebben, bij voorbeeld, terwijl zij nog
-met dons zijn bedekt, eenige weinige donkere vlekken op kop en romp,
-maar zijn niet overlangs gestreept, zooals vele andere rassen; in hun
-eerste ware gevederte „zijn zij fraai gepenseeld”, dat is, elke veder
-is geteekend met talrijke donkere dwarsstrepen; in hun tweede gevederte
-echter vertoonen alle vederen aan de punt een ronde donkere vlek. [562]
-Er hebben zich bij dit ras op drie verschillende leeftijden variaties
-voorgedaan en zijn op die zelfde leeftijden overgeplant. De Duif biedt
-een merkwaardiger geval aan, daar de oorspronkelijke stamsoort bij het
-klimmen harer jaren volstrekt geen verandering in haar gevederte
-ondergaat, behalve dat op volwassen leeftijd de borst meer iriseerend
-wordt, en er toch rassen zijn, die hun kenmerkende kleuren niet
-verkrijgen, voor zij twee-, drie- of viermaai hebben geruid; en deze
-wijzigingen van het gevederte worden geregeld overgeplant.
-
-
-
-Overerving op overeenkomstige Tijden van het Jaar.—Bij dieren in den
-natuurstaat komen tallooze voorbeelden voor van kenmerken die periodiek
-op verschillende tijden van het jaar verschijnen. Wij zien dit aan de
-horens van het hert en aan den pels der pooldieren, die gedurende den
-winter dik en wit wordt. Talrijke vogels krijgen alleen gedurende den
-paartijd levendige kleuren en andere versierselen. Ik kan op dezen vorm
-van erfelijkheid slechts weinig licht werpen door bij tamme dieren
-waargenomen feiten. Pallas [563] vermeldt, dat in Siberië het hoornvee
-en de paarden gedurende den winter periodiek lichter worden gekleurd en
-ik heb een dergelijke merkbare kleurverandering waargenomen bij zekere
-hitten in Engeland. Hoewel ik niet weet of deze neiging om gedurende
-verschillende tijden van het jaar een verschillende kleur van haar aan
-te nemen, erfelijk is, is dit toch waarschijnlijk; want alle
-verschillen van kleur zijn bij het paard in hooge mate erfelijk. Deze
-vorm van overerving, die tot één jaargetijde is beperkt, is daarenboven
-niet merkwaardiger dan overerving die tot een zekeren leeftijd of sekse
-is beperkt.
-
-
-
-Beperking der Overerving door de Sekse.—De gelijke overplanting van
-kenmerken op beide seksen is de meest gewone vorm van erfelijkheid, ten
-minste bij die dieren welke geen sterk uitgedrukte seksueele
-verschillen vertoonen, en inderdaad ook bij vele andere. Niet zelden
-echter worden kenmerken uitsluitend overgebracht op die sekse bij welke
-zij het eerst ontstonden. Tal van bewijzen hiervoor zijn opgesomd in
-mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik wil er
-hier echter eenige weinige voorbeelden van geven. Er zijn rassen van
-schapen of geiten, bij welke de horens van het mannetje in gedaante
-sterk afwijken van die van het wijfje; en deze gedurende de temming
-verkregen verschillen worden geregeld op de zelfde sekse overgeplant.
-Bij driekleurige katten zijn, als algemeene regel, slechts de wijfjes
-aldus gekleurd, terwijl de katers roestbruin zijn. Bij de meeste
-hoenderrassen worden de aan elke sekse eigen kenmerken alleen op die
-zelfde sekse overgeplant. Zoo algemeen is deze vorm van overplanting,
-dat het een anomalie is, wanneer wij bij sommige rassen afwijkingen
-gelijkelijk op beide seksen zien overgaan. Er zijn ook zekere
-onder-rassen van hoenders, bij welke de mannetjes nauwelijks van
-elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de wijfjes aanmerkelijk
-in kleur verschillen. Bij de duif verschillen de seksen van de
-stamsoort in geen enkel uitwendig kenmerk; desniettemin is bij sommige
-tamme rassen het mannetje anders gekleurd dan het wijfje. [564] De
-wrattige huid van den Engelschen Carrier en de krop van den kropper
-zijn bij het mannetje hooger ontwikkeld dan bij het wijfje, en hoewel
-deze kenmerken door lang voortgezette teeltkeus van den mensch zijn
-verkregen, is het verschil tusschen de seksen geheel te danken aan den
-vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden; want het is
-ontstaan, niet volgens, maar eer in tegenspraak met de begeerte van den
-fokker.
-
-De meeste onzer tamme rassen zijn gevormd door de opeenhooping van vele
-kleine variaties; en daar sommige achtereenvolgende wijzigingen alleen
-op ééne sekse zijn overgeplant en andere op beide seksen, vinden wij
-onder verschillende rassen van een zelfde soort alle overgangen
-tusschen groote seksueele ongelijkheid en volkomen gelijkheid. Hiervan
-zijn reeds voorbeelden gegeven bij de rassen van hoenders en duiven, en
-in den natuurstaat komen overeenkomstige gevallen dikwijls voor. Bij
-tamme dieren (maar, of dit ook in den natuurstaat wel plaats grijpt,
-durf ik niet zeggen) kan de eene sekse de haar eigen kenmerken
-verliezen en daardoor tot op zekere hoogte op de andere sekse gaan
-gelijken; zoo hebben, bij voorbeeld, de mannetjes van sommige
-hoenderrassen hun hanenvederen en kammen verloren. Omgekeerd kunnen ook
-de verschillen tusschen de seksen in tammen staat worden vermeerderd,
-zooals bij het merino-schaap, bij hetwelk de ooien haar horens hebben
-verloren. Verder kunnen kenmerken die aan de eene sekse eigen zijn,
-plotseling bij de andere verschijnen, gelijk bij die onder-rassen van
-hoenders, bij welke de hennen, terwijl ze jong zijn, sporen verkrijgen,
-of zooals bij sommige onder-rassen van Kuifhoenders, bij welke de
-wijfjes, gelijk er reden is om te gelooven, oorspronkelijk een kam
-verkregen en dien daarna op de mannetjes overbrachten. Al deze gevallen
-kunnen worden begrepen door de hypothese der pangenesis; want zij zijn
-daarvan afhankelijk, dat de kiemen van zekere eenheden (cellen) van het
-lichaam door den invloed der temming bij de eene sekse slapend (latent)
-worden; of, wanneer zij gewoonlijk slapend (latent) zijn, tot
-ontwikkeling komen.
-
-Er is ééne moeielijke vraag die het gepast zal zijn tot een volgend
-hoofdstuk uit te stellen; namelijk, of een kenmerk dat eerst bij beide
-seksen was ontwikkeld, door teeltkeus in zijn ontwikkeling alleen tot
-ééne sekse kan worden beperkt. Indien bij voorbeeld een duivenfokker
-opmerkte, dat sommige van zijn duiven (bij welke soort de kenmerken
-gewoonlijk in gelijke mate op beide seksen worden overgeplant) door een
-bleekblauwe kleur van de overige afweken, zou hij dan door lang
-voortgezette teeltkeus een ras kunnen vormen, bij hetwelk alleen de
-mannetjes die kleur vertoonden, terwijl de wijfjes onveranderd bleven?
-Ik zal hier alleen zeggen, dat dit, hoewel misschien niet onmogelijk,
-uiterst moeielijk zou zijn; want het natuurlijk gevolg van het fokken
-uit bleekblauwe mannetjes zou wezen om den geheelen stam, de eene sekse
-zoowel als de andere, die kleur te doen verkrijgen. Als zich echter
-variaties vertoonden, die de vereischte kleur bezaten, en deze van den
-beginne af in haar ontwikkeling tot de mannelijke sekse waren beperkt,
-zou het in het minst niet moeielijk zijn om een ras te vormen, dat door
-de verschillende kleur der beide seksen was gekenmerkt, zooals
-inderdaad is geschied met een Belgisch ras, bij hetwelk alleen de
-mannetjes zwarte strepen vertoonen. Op dergelijke wijze zou het, indien
-zich de eene of andere variatie voordeed in een vrouwelijke duif, die
-van den beginne af in haar ontwikkeling tot die sekse was beperkt,
-gemakkelijk zijn om een ras te vormen, bij hetwelk alleen de wijfjes
-dat kenmerk vertoonden; maar als de variatie oorspronkelijk niet op die
-wijze was beperkt, zou zulks een zeer moeielijk, wellicht onmogelijk
-werk zijn. [565]
-
-
-
-Over de Betrekking tusschen het tijdperk van Ontwikkeling van een
-Kenmerk en de overplanting daarvan op ééne sekse of op beide
-seksen.—Waarom zekere kenmerken door beide seksen en andere kenmerken
-slechts door ééne sekse worden overgeërfd, namelijk door die sekse bij
-welke het kenmerk het eerst verscheen, is in de meeste gevallen
-volkomen onbekend. Wij kunnen zelfs niet gissen, waarom bij zekere
-onder-rassen van duiven zwarte strepen, hoewel zij door het wijfje heên
-worden overgeplant, alleen bij het mannetje tot ontwikkeling komen,
-terwijl elk ander kenmerk in gelijke mate op beide seksen wordt
-overgebracht. Evenmin, waarom bij katten de driekleurigheid, op
-zeldzame uitzonderingen na, alleen bij het wijfje tot ontwikkeling
-komt. Geheel de zelfde kenmerken, zooals ontbrekende of overtallige
-vingers, kleurenblindheid enz., kunnen bij den mensch in de eene
-familie alleen door de mannen, en in de andere familie alleen door de
-vrouwen worden overgeërfd, hoewel zij in beide gevallen even goed door
-de tegenovergestelde als door de zelfde sekse op haar nakomelingen
-worden overgebracht. [566] Hoewel wij derhalve onwetend zijn, gaan twee
-regels door, namelijk dat variaties die zich bij ééne der beide seksen
-eerst op een laat levenstijdperk vertoonen, een neiging bezitten om
-alleen bij die zelfde sekse tot ontwikkeling te komen, terwijl
-variaties die reeds vroeg in het leven bij ééne der beide seksen voor
-het eerst verschijnen, een neiging bezitten om bij beide seksen tot
-ontwikkeling te komen. Ik ben echter ver van te onderstellen, dat dit
-de eenige bepalende oorzaak is. Daar ik elders dit onderwerp nog niet
-heb besproken, en het een belangrijke beteekenis heeft voor de
-seksueele teeltkeus, moet ik hier in tamelijk uitvoerige en eenigszins
-ingewikkelde bijzonderheden treden.
-
-Het is op zich zelf waarschijnlijk, dat een op vroegen leeftijd
-verschijnend kenmerk een neiging moet hebben om door beide seksen
-gelijkelijk te worden overgeërfd; want de seksen verschillen niet veel
-in gestel, voordat zij het vermogen om zich voort te planten hebben
-verkregen. Aan den anderen kant zullen, nadat dit vermogen is
-verkregen, en de seksen er toe zijn gekomen om in gestel te
-verschillen, de kiemen (als ik nogmaals de taal der pangenesis mag
-spreken) die door elk afwijkend deel bij de eene sekse worden
-afgeworpen, wel veel meer de geschikte verwantschappen bezitten om zich
-met de weefsels der zelfde sekse te vereenigen en zoo tot ontwikkeling
-te komen, dan om zich met die van de tegenovergestelde sekse te
-vereenigen.
-
-Ik werd er het eerst toe gebracht om te vermoeden, dat er een
-betrekking van dezen aard bestaat, door het feit, dat wanneer ook en op
-welke wijze ook het volwassen mannetje er toe is gekomen om van het
-volwassen wijfje te verschillen, het op de zelfde wijze van de jongen
-van beide seksen verschilt. De algemeenheid van dit feit is zeer
-opmerkelijk; het gaat door bij alle Zoogdieren, Vogels, Amphibieën en
-Visschen, ook bij vele Schaaldieren (Crustacea), Spinnen en bij eenige
-weinige Insekten, namelijk bij sommige Rechtvleugeligen (Orthophtera)
-en Waternimfen (Libellulae). In al deze gevallen moeten de variaties,
-door de opeenhooping waarvan het mannetje de hem eigen mannelijke
-kenmerken heeft verkregen, zich hebben vertoond in een eenigszins laat
-levenstijdperk; anders zouden de jonge mannetjes gelijksoortige
-kenmerken hebben verkregen; en overeenkomstig onzen regel worden zij
-alleen overgeplant op en ontwikkeld bij de volkomen mannetjes. Als
-daarentegen het volwassen mannetje veel op de jongen van beide seksen
-gelijkt (deze laatste komen op zeldzame uitzonderingen na met elkander
-overeen), gelijkt het over het algemeen ook op het volwassen wijfje; en
-in de meeste van deze gevallen ontstonden de variaties door welke de
-jongen en ouden hun tegenwoordige kenmerken verkregen, waarschijnlijk
-overeenkomstig onzen regel gedurende de jeugd. Er bestaat hier echter
-reden van twijfel, daar somtijds kenmerken op de jongen worden
-overgeplant op vroegeren leeftijd dan dien waarop zij zich het eerst
-bij de ouders vertoonden, zoodat de ouders wellicht zijn afgeweken toen
-zij volwassen waren, en hun kenmerken op hun kroost hebben overgeplant
-toen dat nog jong was. Er zijn daarenboven vele dieren bij welke de
-twee seksen sterk op elkander gelijken en beide toch van de jongen
-verschillen; hier moeten de kenmerken der volwassenen op lateren
-leeftijd zijn verkregen, en toch worden deze kenmerken, schijnbaar in
-tegenspraak met onzen regel, op beide seksen overgeplant. Wij moeten
-echter de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid niet voorbijzien,
-dat opeenvolgende variaties van den zelfden aard bij blootstelling aan
-gelijksoortige voorwaarden zich bij beide seksen tegelijkertijd
-vertoonden in een vrij laat levenstijdperk; en in dit geval zouden de
-variaties op de jongen van beiderlei seksen worden overgeplant in een
-overeenkomstig laat levenstijdperk, en zou er geen wezenlijke
-tegenspraak bestaan met onzen regel, dat variaties die zich in een laat
-levenstijdperk vertoonen, uitsluitend worden overgeplant op de sekse
-bij welke zij het eerst verschenen. Deze laatste regel schijnt meer
-algemeen door te gaan dan de tweede regel, namelijk dat variaties die
-zich bij ééne der beide seksen in een vroeg levenstijdperk vertoonen,
-een neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant. Daar het
-klaarblijkelijk onmogelijk was, zelfs bij schatting te bepalen, in hoe
-groot een aantal gevallen deze beide regels door het geheele dierenrijk
-heên doorgaan, kwam het mij in den zin eenige treffende of beslissende
-voorbeelden te onderzoeken, en mij op den uitslag te verlaten.
-
-Een uitnemend geval voor het onderzoek wordt opgeleverd door de familie
-der Herten. Bij alle soorten, ééne enkele uitgezonderd, zijn de horens
-alleen bij het mannetje ontwikkeld, hoewel zeker door het wijfje heên
-overgeplant, en vatbaar om nu en dan abnormaal bij haar te worden
-ontwikkeld. Bij het rendier daarentegen is het wijfje van horens
-voorzien, zoodat bij deze soort volgens onzen regel de horens vroeg in
-het leven behooren te verschijnen, lang voor de seksen volwassen
-geworden en er toe gekomen zijn om veel in gestel van elkander te
-verschillen. Bij alle andere soorten van herten behooren de horens in
-een laat levenstijdperk te verschijnen, hetgeen er toe leidt, dat zij
-alleen tot ontwikkeling komen bij die sekse bij welke zij onder de
-voorouders der geheele familie het eerst verschenen. Bij zeven soorten
-nu, tot verschillende afdeelingen van de familie behoorende en
-verschillende landen bewonende, vind ik, dat de horens het eerst
-verschijnen op tijdperken, afwisselende van negen maanden na de
-geboorte bij den reebok tot tien of twaalf of zelfs meer maanden bij de
-herten van de zes andere grootere soorten. [567] Bij het rendier echter
-is het een geheel ander geval; want, naar ik van Prof. Nilsson hoor,
-die zoo vriendelijk was voor mij een bijzonder onderzoek in Lapland in
-te stellen, verschijnen de horens bij de jonge dieren binnen vier of
-vijf weken na de geboorte en tegelijkertijd bij beide seksen. Wij
-hebben hier dus een deel, dat bij een enkele soort der familie op een
-buitengewoon vroegen leeftijd tot ontwikkeling komt, en ook alleen bij
-die ééne soort aan beide seksen gemeen is.
-
-Bij verscheidene soorten van Antilopen zijn alleen de mannetjes van
-horens voorzien, terwijl bij de meeste beide seksen horens hebben. Ten
-opzichte van het tijdperk van ontwikkeling meldt mij de heer Blyth, dat
-er in den Londenschen dierentuin tegelijkertijd een jonge koedoe
-(Antilope strepsiceros), bij welke soort alleen de mannetjes gehorend
-zijn, en de jongen van een verwante soort leefden, namelijk van de
-eland-antilope (Ant. oreas), bij welke beide seksen gehorend zijn. In
-volkomen overeenstemming met onzen regel nu, waren bij den jongen
-mannelijken koedoe, hoewel hij reeds tien maanden oud was, de horens
-opmerkelijk klein, in vergelijking met de grootte die zij ten laatste
-bereiken; terwijl bij den jongen mannelijken eland, hoewel nog slechts
-drie maanden oud, de horens reeds veel grooter dan bij den koedoe
-waren. Het is ook opmerkenswaardig, dat bij de antilope met gevorkte
-horens [568], bij welke soort de horens, hoewel bij beide seksen
-aanwezig, bij het wijfje bijna rudimentair zijn, zij niet verschijnen
-voor vijf of zes maanden na de geboorte. Bij de schapen, de geiten en
-het hoornvee, waarbij de horens, bij beide seksen goed ontwikkeld,
-hoewel niet volkomen even groot zijn, kan men ze bij de geboorte of
-spoedig daarna voelen of zelfs zien. [569] Onze regel gaat echter mank
-bij sommige onder-rassen van schapen, b.v. merino’s, bij welke alleen
-de mannetjes gehorend zijn; want na onderzoek [570] kan ik niet
-bevinden, dat de horens bij dit ras in een later tijdperk van het leven
-tot ontwikkeling komen dan bij gewone schapen, bij welke beide seksen
-gehorend zijn. Bij het tamme schaap is echter de aanwezigheid of
-afwezigheid van horens geen zeer standvastig kenmerk, daar een zeker
-aantal ooien van merino-schapen kleine horens dragen en enkele rammen
-ongehorend zijn, terwijl bij gewone schapen nu en dan ongehorende ooien
-worden voortgebracht. (3)
-
-Dr. W. Marshall heeft voor eenige jaren een bijzondere studie gemaakt
-van de uitwassen die op de koppen van vogels zoo algemeen zijn [571],
-en hij komt tot het volgende besluit: bij die soorten waarbij zij tot
-de mannetjes beperkt zijn, komen zij laat in het leven tot
-ontwikkeling, terwijl zij bij die soorten bij welke zij aan beide
-seksen gemeen zijn, op zeer jeugdigen leeftijd tot ontwikkeling komen.
-Dit is zeker een treffende bevestiging van mijn beide wetten der
-erfelijkheid.
-
-Bij de meeste soorten van de prachtige familie der Fazanten verschillen
-de mannetjes in het oog vallend van de wijfjes en verkrijgen zij hun
-versierselen in een vrij laat tijdperk van het leven. De geoorde fazant
-(Crossoptilon auritum) maakt hierop echter een merkwaardige
-uitzondering, want beide seksen bezitten de schoone staartvederen, de
-groote vederbossen op de ooren en het fluweelachtige karmozijn op den
-kop; en ik bevind na onderzoek in den Londenschen dierentuin, dat al
-deze kenmerken zich, overeenkomstig onzen regel, zeer vroeg in het
-leven vertoonen. Het volwassen mannetje kan echter door één kenmerk van
-het volwassen wijfje worden onderscheiden, namelijk door de
-aanwezigheid van sporen en overeenkomstig onzen regel beginnen deze
-zich, naar de heer Bartlett mij mededeelt, niet te ontwikkelen voor den
-leeftijd van zes maanden, en zelfs op dien leeftijd kan men te dien
-opzichte nauwelijks onderscheid tusschen de beide seksen zien. [572] De
-pauw en de pauwin verschillen in het oog loopend van elkander in bijna
-elk deel van hun gevederte, behalve in de sierlijke kuif, die aan beide
-seksen gemeen is; en deze ontwikkelt zich op zeer jongen leeftijd, lang
-voor de andere versierselen, die tot het mannetje zijn beperkt. De
-wilde eend levert een overeenkomstig geval op; want de fraaie, groene
-spiegelvlek op de vleugels is aan beide seksen gemeen, hoewel zij bij
-het wijfje doffer en iets kleiner is, en zij ontwikkelt zich op jongen
-leeftijd, terwijl de gekrulde staartvederen en andere blonder aan het
-mannetje eigen versierselen zich later ontwikkelen. [573] Men zou vele
-gevallen kunnen opnoemen, die tusschen de beide uitersten van groote
-overeenkomst en sterke ongelijkheid van de seksen, zooals die van den
-geoorden fazant en den pauw, inliggen, en in welke de kenmerken in de
-orde van hun ontwikkeling onze beide regels volgen.
-
-Daar de meeste Insekten in volwassen toestand uit de pop te voorschijn
-komen, is het twijfelachtig of het tijdperk van ontwikkeling de
-overplanting hunner kenmerken op ééne of op beide seksen bepaalt. Wij
-weten echter niet, of, bij voorbeeld, de gekleurde schubben van twee
-soorten van kapellen, bij de eene waarvan de seksen in kleur
-verschillen, terwijl zij bij de andere gelijk gekleurd zijn, op den
-zelfden betrekkelijken leeftijd in de pop worden gevormd. Wij weten ook
-niet, of al de schubben zich tegelijkertijd ontwikkelen op de vleugels
-van de zelfde soort van kapel, bij welke zekere gekleurde teekeningen
-tot de eene sekse beperkt, en andere teekeningen aan beide seksen
-gemeen zijn. Een verschil van dezen aard in het tijdperk van
-ontwikkeling is niet zoo onwaarschijnlijk als het op het eerste gezicht
-wel schijnt; want bij de Rechtvleugeligen (Orthoptera) die zich tot
-volkomen insekten ontwikkelen, niet door een enkele
-gedaanteverwisseling, maar door opeenvolgende vervellingen, gelijken de
-jonge mannetjes van eenige soorten eerst op de wijfjes en verkrijgen
-hun onderscheidende mannelijke kenmerken eerst bij een latere
-vervelling. Volkomen overeenkomstige gevallen komen voor gedurende de
-opeenvolgende vervellingen van zekere mannelijke Schaaldieren
-(Crustacea).
-
-Wij hebben tot dusverre de overplanting van kenmerken, met betrekking
-tot het tijdperk hunner ontwikkeling, alleen beschouwd hij soorten in
-den natuurstaat; wij zullen nu tot tamme dieren overgaan en eerst
-monstruositeiten en ziekten beschouwen. De aanwezigheid van overtallige
-vingers en het ontbreken van zekere kootjes moet in een vroeg
-embryonaal tijdperk worden bepaald—de neiging tot overmatige bloeding
-is op zijn minst aangeboren (congenitaal) en evenzoo is het
-waarschijnlijk met kleurenblindheid,—toch zijn deze en andere
-dergelijke bijzonderheden dikwijls in haar overplanting tot ééne sekse
-beperkt, zoodat de regel, dat kenmerken die zich op een vroeg tijdperk
-ontwikkelen, neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant,
-hier volstrekt niet doorgaat. Deze regel schijnt echter, gelijk vroeger
-is opgemerkt, lang zoo algemeen niet steek te houden als de omgekeerde
-stelling, namelijk dat kenmerken die zich bij ééne sekse laat in het
-leven vertoonen, in hun overplanting tot die zelfde sekse zijn beperkt.
-Uit het feit, dat de bovengenoemde abnormale bijzonderheden zich
-uitsluitend bij ééne sekse vertoonen, lang voor de seksueele functies
-in werking treden, mogen wij afleiden dat er op uiterst jeugdigen
-leeftijd reeds een zekere mate van verschil tusschen de seksen moet
-bestaan. Ten opzichte van tot ééne sekse beperkte ziekten weten wij te
-weinig van het tijdperk waarop zij ontstaan, om daaruit met eenige
-zekerheid gevolgtrekkingen te kunnen maken. De jicht schijnt echter aan
-onzen regel te gehoorzamen; want zij wordt gewoonlijk veroorzaakt door
-onmatigheid na de vroege jeugd en wordt door den vader op veel sterker
-uitgedrukte wijze op zijn zonen dan op zijn dochters overgeplant.
-
-Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee
-verschillen de mannetjes van hun respectieve wijfjes in den vorm of de
-ontwikkeling van hun horens, voorhoofd, manen, kossem, staart en bult
-op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen zich overeenkomstig
-onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen de
-seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen
-hertenhond, het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is;
-en, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen zien, begint het
-mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven in grootte toe te
-nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn
-meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt
-overgebracht. De driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de
-vrouwelijke katten is beperkt, is bij de geboorte volkomen te
-onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel. Er is een
-duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die
-strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij
-worden bij elke opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit
-gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk in overeenstemming met
-onzen regel is. Bij den Engelschen Carrier en Kropper heeft de volkomen
-ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat in het leven
-plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in
-volkomen ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De
-volgende gevallen behooren wellicht tot de klasse, waarop vroeger is
-gezinspeeld, bij welke beide seksen op de zelfde wijze hebben
-gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun nieuwe
-kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben
-overgeplant; en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet
-met onzen regel. Zoo zijn er onder-rassen van duiven door Neumeister
-beschreven [574], bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee-
-of driemaal te hebben geruid, zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet;
-hoewel deze veranderingen vrij laat in het leven plaats hebben, zijn
-zij toch aan beide seksen gemeen. Ééne variëteit van den kanarievogel,
-namelijk de „London Prize”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.
-
-Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken
-door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden
-bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo
-verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij
-sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort
-afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen
-kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij
-de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken,
-zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit
-maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op
-jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit
-bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van
-beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er
-in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de
-overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele
-natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de
-wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige
-onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte
-strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de
-zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen
-is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen
-zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt.
-Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de
-beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander
-dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun
-eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben
-duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere
-kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde
-stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel
-ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt
-deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge
-daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de
-Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk
-jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven;
-en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen,
-wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in
-afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders
-ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif
-draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en
-de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam
-[575]; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den
-schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.
-
-
-
-Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij
-vele natuurlijke soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk
-van de ontwikkeling hunner kenmerken en de wijze van overplanting
-daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen groei der
-horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in
-vergelijking van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke
-alleen het mannetje horens draagt—ten eerste besluiten, dat ééne
-oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen door ééne sekse
-overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op laten
-leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder
-werkzame oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van
-kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer
-de seksen slechts weinig in gestel verschillen. Het schijnt echter, dat
-er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende een
-vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in
-dien tijd ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.
-
-
-
-Overzicht en Slotopmerkingen.—Uit de voorgaande bespreking van de
-verschillende wetten van de erfelijkheid zien wij, dat kenmerken
-dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen
-bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde
-jaargetijde, waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders
-hebben vertoond. Deze wetten zijn echter, wegens onbekende oorzaken,
-zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende trappen in de
-wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende
-wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden
-overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op
-één leeftijd, en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der
-erfelijkheid zijn uiterst ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken
-die de variabiliteit teweegbrengen en besturen. De aldus veroorzaakte
-variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus, die
-op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van
-de vurigheid in de liefde, van den moed en de mededinging der
-mannetjes, en van de waarnemingsvermogens, den smaak en den wil van het
-wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke teeltkeus
-worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort. Het kan
-daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide
-worden aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate
-ingewikkeld zijn.
-
-Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de
-zelfde sekse op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de
-andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze onveranderd. Als zij zich
-laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den zelfden
-leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd.
-Variaties kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne
-sekse of bij beide vertoonen en op beide seksen op alle leeftijden
-worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s der soort op
-gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal
-men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen.
-
-De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den
-leeftijd heeft bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten.
-Wegens de groote vurigheid van het mannetje heeft zij over het algemeen
-op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt. De mannetjes zijn op die
-wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden, of met
-organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar
-op te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten
-verschillen, is het ook, gelijk wij hebben gezien, een uiterst
-algemeene wet, dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate
-van het jonge mannetje verschilt; en wij mogen uit dit feit besluiten,
-dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen mannetje is
-gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan
-op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of
-vele der variaties zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen
-de jonge mannetjes in meerdere of mindere mate deelen in de kenmerken
-der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen de oude en
-de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld
-bij vogels.
-
-Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging
-hebben bezeten om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op
-jongen leeftijd geen nut zou hebben aangebracht, maar werkelijk
-schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in het verkrijgen van
-levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben
-doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun
-ontwikkeling veel levenskracht zouden hebben verbruikt. Als variaties
-van deze soort zich bij de jonge mannetjes voordeden, zullen zij bijna
-zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd. Bij de volwassen
-en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het
-voordeel, door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun
-medeminnaars verworven, dikwijls meer dan opgewogen hebben tegen het
-blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.
-
-Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een
-meerderheid gaven over andere mannetjes in het gevecht, of in het
-vinden, vasthouden of bekoren van de andere sekse, als zij toevallig
-bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst zouden zijn, zullen zij
-bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn. Wij hebben
-voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard
-spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als
-zij niet zorgvuldig voor de voortplanting worden uitgezocht. Derhalve
-zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij
-eens bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te
-gaan; en de wijfjes zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd
-worden gelaten, behalve in zoover zij van de mannetjes door
-overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden en haar
-nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse
-overbrachten, zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes
-voordeelig waren, door de seksueele teeltkeus worden bewaard, hoewel
-zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval zouden beide
-seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze
-meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.
-
-Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne
-sekse werden overgeplant, hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit,
-en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus, in verband met de
-voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een
-onverklaarbaar feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn
-opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus, in verband met de gewone
-levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen dikwijls
-verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of
-aan gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna
-andere voorbeelden van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze
-soort tusschen de beide seksen bestaan, voornamelijk bij de lagere
-dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam. Wij moeten
-echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het
-algemeen de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de
-mannetjes varieerden op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te
-verschaffen enz. vermeerderde en dergelijke variaties alleen op hun
-mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden deze een organisatie
-verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter
-waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel
-hadden en aan de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of
-later op de zelfde wijze zouden varieeren; en zoodra dit gebeurde,
-zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus bij beide seksen
-gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander
-gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die
-door de seksueele teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der
-beide seksen met betrekking tot de voortplantingsfuncties zijn niet de
-zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen die voor de eene sekse
-nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige
-wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij
-deze laatste bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.
-
-In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire
-seksueele kenmerken bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval
-de in dit hoofdstuk uiteengezette beginselen trachten toe te passen. De
-laagste klassen zullen ons slechts zeer korten tijd bezig houden; maar
-de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig worden
-behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde
-redenen, mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden
-te geven van de tallooze inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje
-het wijfje vindt, of als hij haar heeft gevonden, vasthoudt.
-Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor het
-mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of
-opwekt, uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de
-meest belangwekkende zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIJVOEGSEL OVER DE VERHOUDING TUSSCHEN HET AANTAL INDIVIDU’S VAN
-BEIDERLEI SEKSE BIJ TOT VERSCHILLENDE KLASSEN BEHOORENDE DIEREN.
-
-
-Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan
-de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door
-het geheele dierenrijk heên, zal ik hier die bouwstoffen daartoe
-mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen, hoewel zij uiterst
-onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden van
-werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de
-verhoudingen op groote schaal alleen in het geval van den mensch met
-zekerheid bekend zijn, wil ik die eerst geven, als maatstaf van
-vergelijking.
-
-
-
-De Mensch.—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866)
-jaarlijks gemiddeld 707120 kinderen levend geboren, in de verhouding
-van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In 1857 stonden echter de
-mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland gerekend,
-als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten
-beschouwende, was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000
-kinderen worden geboren), de gemiddelde verhouding van de mannelijke
-tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele tijdperk der
-bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales
-(waar jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van
-106.2 tot 100 bereikte; een kleiner district nemende namelijk
-Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld 739 geboorten plaats
-grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als
-114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district
-was het gemiddelde van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien
-jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de zelfde verhouding als over geheel
-Engeland. [576] De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken
-eenigermate gewijzigd; zoo getuigt Prof. Faye, „dat er in sommige
-districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van tien jaren een
-voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken
-het tegenovergestelde verschijnsel voordeed.” In Frankrijk stonden
-gedurende vier-en-veertig jaren de mannelijke geboorten tot de
-vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende dit tijdvak is het in één
-departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat de vrouwelijke
-geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de
-gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100. [577] Te
-Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100.
-[578] Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks
-zeventig millioen geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen
-is bij blanke kinderen, aan de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal
-jongens zoo gering, dat gedurende een reeks van jaren van 90 tot 99
-jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is een vreemd feit, dat bij
-de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke
-stellig hooger is dan bij de Christenen (4); zoo is in Pruisen de
-verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120 tot 100;
-terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding
-vertoonen als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 100 [579]. Het is
-een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder
-verschillende omstandigheden en luchtstreken, in Napels, Pruisen,
-Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat van de mannelijke over
-de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan wanneer
-zij wettig zijn.
-
-In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en
-andere schrijvers, „een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien
-de dood beide seksen in gelijke verhouding trof in de baarmoeder en
-gedurende de geboorte. Het is echter een feit, dat in onderscheidene
-landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren
-jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste
-levensjaren meer jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij
-voorbeeld gedurende het eerste levensjaar 126 jongens tegen 100
-meisjes,—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is. [580] Dr.
-Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens
-veelvuldiger gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds
-vroeger gezien, dat de mannelijke sekse meer variabel van maaksel is
-dan de vrouwelijke, en variaties in belangrijke organen zullen over het
-algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het lichaam, en vooral van
-het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke is,
-is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te
-worden beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen
-onder de jongens talrijker en hebben, gelijk een hoogst bevoegd
-beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt [581], jongens dikwijls nog
-eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten gevolge
-van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de
-geboorte als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan
-verschillende gevaren zijn blootgesteld en meer neiging tot
-landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van ouds bewoonde landen
-waar statistieke opteekeningen zijn gedaan [582], aanmerkelijk
-talrijker dan de mannen. (5)
-
-Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in
-verschillende landen onder verschillende toestanden en klimaten, in
-Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland, Frankrijk, Engeland en de
-Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten over de
-vrouwelijke kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig
-zijn. [583] Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende
-wijzen verklaard, zooals omdat de moeders over het algemeen jong zijn,
-dat het grootendeels de eerste kinderen zijn die zij krijgen, enz. Doch
-wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere afmeting van hun
-hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders van
-onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan
-andere vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar
-zwangerschap te verbergen door zich sterk te rijgen, harden arbeid,
-wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten naar verhouding meer
-lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken,
-waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren
-kinderen kleiner is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de
-meeste dieren is de oorzaak dat het volwassen mannetje grooter dan het
-wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere mannetjes de zwakkere hebben
-overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje, en
-ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten
-minste van eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo
-hebben wij hier het merkwaardige feit, dat wij de grootere sterfte
-onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen, vooral onder de
-onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen
-toeschrijven.
-
-Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders
-de sekse der kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart [584] heeft zijns
-inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en
-zekere tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor
-daartoe is. Evenzoo dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting
-de daarbij werkzame oorzaak was; doch onlangs gedane waarnemingen
-strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld, dat bij den
-mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van
-een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell [585]
-gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt
-tot het besluit, dat de verhouding tusschen mannelijke en vrouwelijke
-geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen.
-(6) Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam)
-gemaakt als onze Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien,
-dat hun mannelijk en vrouwelijk kroost in aantal bijna geheel gelijk
-is.
-
-
-
-Paarden.—De heer Tegetmeier is zoo vriendelijk geweest uit de „Racing
-Calendar” voor mij een tabel te maken van de geboorten van renpaarden
-gedurende een tijdvak van één-en-twintig jaren, namelijk van 1846 tot
-1867; waarbij 1849 is overgeslagen, daar dat jaar het bedrag er van
-niet publiek is gemaakt. Het totaal aantal geboorten is 25,560 [586]
-geweest, bestaande uit 12763 hengstveulens en 12797 merrieveulens, of
-in de verhouding van 99.7 hengstveulens tegen 100 merrieveulens. Daar
-deze getallen tamelijk groot zijn, en daar zij zijn getrokken uit alle
-deelen van Engeland, gedurende verscheidene jaren, mogen wij met veel
-vertrouwen besluiten, dat bij het tamme paard, of ten minste bij het
-renpaard, de beide seksen in bijna gelijk aantal worden voortgebracht.
-De afwisselingen in de verhoudingen gedurende opeenvolgende jaren
-naderen zeer tot die welke bij den mensch plaats grijpen, als men een
-klein en dun bevolkt gebied beschouwt; zoo stonden in 1856 de
-hengstveulens tot de merrieveulens als 107.1, en in 1867 als slechts
-92.6 tot 100. Op de tabellen van het bedrag der geboorten wisselen de
-verhoudingen volgens vaste tijdperken af; want de hengstveulens
-overtroffen de merrieveulens in aantal gedurende zes achtereenvolgende
-jaren; en de merrieveulens overtroffen de hengstveulens in aantal
-gedurende twee tijdperken, elk van vier jaren; dit is echter wellicht
-slechts toevallig; ik kan ten minste niets van dezen aard ontdekken bij
-den mensch in de tienjarige tabel in het „Registrar’s Report” voor
-1866. Ik mag er bijvoegen, dat zekere merries, en dit is ook het geval
-bij zekere koeien en vrouwen, een neiging bezitten om meer jongen van
-de eene sekse voort te brengen dan van de andere; de heer Wright van
-Yeldersley House meldt mij, dat ééne van zijn Arabische merries, hoewel
-zeven malen door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens
-wierp.
-
-
-
-Honden.—Gedurende een tijdvak van twaalf jaren, van 1857 tot 1868, zijn
-de geboorteopgaven van een aanzienlijk aantal windhonden, door geheel
-Engeland heên, aan de „Field” courant gezonden; en ik ben wederom aan
-den heer Tegetmeier zorgvuldig bewerkte tabellen van den uitslag
-verschuldigd. De opgeteekende geboorten waren ten getale van 6878,
-bestaande uit 3605 reuen en 3273 teven, dat is in verhouding van 110.1
-reuen tegen 100 teven. De grootste afwisselingen hadden in 1864 plaats,
-toen de verhouding als 95.3 reuen, en in 1867, toen zij als 116.3 reuen
-tegen 100 teven was. De bovenvermelde gemiddelde verhouding 110.1 tot
-100 is waarschijnlijk bijna nauwkeurig in het geval van den windhond;
-maar of zij steek zou houden bij andere tamme rassen, is eenigermate
-twijfelachtig. De heer Cupples heeft onderzoek gedaan bij
-onderscheidene groote hondenfokkers en vindt, dat allen zonder
-uitzondering gelooven, dat er teven in overmaat worden geboren; hij
-oppert de meening, dat dit geloof wellicht kan zijn ontstaan, doordat
-teven minder waarde hebben, en doordat de daardoor teweeggebrachte
-teleurstelling een sterkeren indruk op den geest maakt.
-
-
-
-Schapen.—De sekse der schapen wordt door de landbouwers niet
-onderzocht, dan verscheidene maanden na de geboorte, op het tijdstip,
-dat de rammen worden gesneden (gecastreerd); zoodat de hier volgende
-getallen niet de verhoudingen bij de geboorte geven. Ik vind
-daarenboven, dat verscheidene groote veefokkers in Schotland, die
-jaarlijks eenige duizenden schapen aanfokken, vast overtuigd zijn, dat
-er gedurende de eerste een of twee jaar meer rammen dan ooien sterven;
-de verhouding der rammen zou dus bij de geboorte iets grooter zijn, dan
-op den leeftijd der snijding (castratie). Dit is een merkwaardiger
-overeenkomst met hetgeen, zooals wij hebben gezien, bij den mensch
-gebeurt, en beide gevallen hangen waarschijnlijk van de eene of andere
-gemeenschappelijke oorzaak af. Ik heb opgaven ontvangen van vier heeren
-in Engeland, die gedurende de laatste tien of zestien jaar laaglandsche
-schapen, voornamelijk Leicester-schapen, hebben aangefokt; het
-gezamenlijk bedrag der geboorten klimt tot 8965, bestaande uit 4407
-rammen en 4558 ooien, dat is in de verhouding van 96.7 rammen tot 100
-ooien. Ten opzichten van Cheviot- en zwartsnoetige schapen, in
-Schotland aangefokt, ontving ik opgaven van zes fokkers, twee daarvan
-op groote schaal, voornamelijk voor de jaren 1867–1869, maar sommige
-opgaven klommen op tot 1862. Het totale opgeteekende aantal klimt tot
-50685, bestaande uit 25071 rammen en 25614 ooien, dat is in de
-verhouding van 97.9 rammen tot 100 ooien. Indien wij de Engelsche en
-Schotsche opgaven te zamen nemen, klimt het totale aantal tot 59650,
-bestaande uit 29478 rammen en 30172 ooien, of als 97.7 tot 100, zoodat
-het zeker is, dat bij schapen op den leeftijd der snijding (castratie)
-de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen; maar of dit ook zou
-doorgaan bij de geboorte, is twijfelachtig, ten gevolge van het meer
-onderhevig zijn der mannetjes aan een vroegen dood. [587]
-
-
-
-Hoornvee.—Hieromtrent ontving ik opgaven van negen heeren van 982
-geboorten, te weinig om vertrouwen te verdienen; deze bestonden uit 477
-stierkalveren en 505 koekalveren, d.i. in de verhouding van 94.4
-stierkalveren tot 100 koekalveren. De weleerw. heer W. D. Fox meldt
-mij, dat in 1867 van 34 kalveren die op ééne hoeve in Derbyshire werden
-geboren, slechts één een stier was.
-
-
-
-Varkens.—De heer Harrison Weir schrijft mij, dat hij bij verscheidene
-varkensfokkers onderzoek heeft gedaan, en de meesten daarvan schatten,
-dat de geboorten van beeren tot die van zeugen ongeveer staan als 7 tot
-6.
-
-
-
-Konijnen.—De zelfde heer heeft voor vele jaren konijnen gefokt en heeft
-opgeteekend, dat er een veel grooter aantal rekels dan voedsters worden
-geboren.
-
-
-
-Zoogdieren in den natuurstaat.—Omtrent deze heb ik slechts zeer weinig
-kunnen te weten komen. Omtrent de gewone Rat heb ik tegenstrijdige
-mededeelingen ontvangen. De heer R. Elliot van Laighwood meldt mij, dat
-een rattenvanger hem heeft verzekerd, dat hij altijd een groote
-overmaat van mannetjes had gevonden, zelfs bij de jongen in het nest.
-Ten gevolge daarvan onderzocht de heer Elliot zelf later eenige
-honderden oude ratten en vond die mededeeling bevestigd.
-
-De heer F. Buckland heeft een groot aantal witte ratten aangefokt, en
-ook hij gelooft, dat de mannetjes de wijfjes verreweg in aantal
-overtreffen. Wat Mollen aangaat, wordt gezegd, dat „de mannetjes veel
-talrijker zijn dan de wijfjes” [588]; en daar het vangen van deze
-dieren een bijzonder beroep is, kan men deze getuigenis wellicht
-vertrouwen. Sir A. Smith merkt, een antilope van Zuid-Afrika [589]
-(Kobus ellipsiprymnus) beschrijvende, op, dat bij de kudden van deze en
-andere soorten de mannetjes gering in aantal zijn in vergelijking van
-de wijfjes; de inboorlingen gelooven, dat zij in die verhouding worden
-geboren; anderen gelooven, dat de jongere mannetjes uit de kudden
-worden verdreven, en Sir A. Smith zegt, dat, hoewel hij zelf nooit
-kudden heeft gezien die alleen uit jonge mannetjes bestonden, anderen
-hem verzekeren, dat dit wel voorkomt. Waarschijnlijk zullen de jonge
-mannetjes, als zij uit de kudde worden verdreven, zeer zijn
-blootgesteld om de prooi te worden van de vele roofdieren van dat land.
-
-
-
-
-
-VOGELS.
-
-Omtrent Hoenders heb ik slechts ééne opgaaf ontvangen, namelijk dat van
-1001 kuikens van een aan sterke familieparing onderworpen familie
-Cochinchina-hoenders, gedurende acht jaren door den heer Stretch
-opgekweekt, 487 hanen en 514 hennen bleken te zijn, zoodat de
-verhouding 94.7 tot 100 was. Omtrent tamme Duiven bestaan er goede
-bewijzen, dat er mannetjes in overmaat worden geboren, of dat zij
-langer leven; want deze vogels leven zonder uitzondering paarsgewijze,
-en afzonderlijke mannetjes kunnen, naar de heer Tegetmeier mij meldt,
-altijd goedkooper worden gekocht dan wijfjes. Gewoonlijk bestaan de
-beide vogels, opgekweekt uit de twee in het zelfde nest gelegde eieren,
-uit een mannetje en een wijfje; doch de heer Harrison Weir, die zulk
-een groot duivenfokker was, zegt, dat hij dikwijls twee doffers heeft
-opgekweekt uit het zelfde nest, en zelden twee vrouwelijke duiven;
-daarenboven is het wijfje de zwakste van de twee, en aan grootere
-sterfte onderhevig.
-
-Wat Vogels in den natuurstaat aangaat, zijn de heer Gould en anderen
-[590] overtuigd, dat de mannetjes over het algemeen het talrijkst zijn;
-en daar de jonge mannetjes van vele soorten op de wijfjes gelijken,
-zouden deze laatste natuurlijk het talrijkst schijnen. Een groot aantal
-Fazanten worden door den heer Baker van Leadenhall aangekweekt uit door
-wilde vogels gelegde eieren, en hij meldt den heer Jenner Weir, dat er
-gewoonlijk vier of vijf hanen tegen ééne hen worden voortgebracht. Een
-ondervindingrijk waarnemer merkt op [591], dat in Scandinavië de
-broedsels van het Auerhoen en het Korhoen meer hanen dan hennen
-bevatten; en dat bij de „Dal-ripa” (een soort van Sneeuwhoen) (7) meer
-hanen dan hennen op de „lek” of plaatsen waar zij elkander het hof
-maken, tegenwoordig zijn; maar deze laatste omstandigheid wordt door
-sommige waarnemers verklaard doordat een grooter aantal hennen door het
-ongedierte worden gedood. Uit verschillende door White van Seborne
-[592] medegedeelde feiten schijnt het duidelijk, dat in het zuiden van
-Engeland bij de Patrijzen een groote overmaat van mannetjes moet
-bestaan; en men heeft mij verzekerd, dat dit ook in Schotland het geval
-was. Toen de heer Weir onderzoek deed bij de kooplieden, die in zekere
-tijden van het jaar een groot aantal Kemphanen (Machetes pugnax)
-ontvangen, verhaalde men hem, dat de mannetjes verreweg het talrijkst
-zijn. De zelfde natuuronderzoeker heeft ook voor mij een onderzoek
-ingesteld bij de vogelvangers, die jaarlijks een verbazend groot aantal
-verschillende kleine vogels levend vangen voor de Londensche markt, en
-een oud en geloofwaardig man antwoordde hem zonder aarzeling, dat er
-bij den gewonen Vink een groote overmaat van mannetjes bestond; hij
-dacht, dat er wel 2 mannetjes tegen 1 wijfje, of minstens 5 mannetjes
-tegen drie wijfjes waren. [593] Ook bij de Merel of Zwarte Lijster
-beweerde hij, dat de mannetjes verreweg het talrijkst waren, als men ze
-met strikken of des nachts met netten ving. Deze getuigenissen
-verdienen blijkbaar vertrouwen, daar de zelfde man zeide, dat de seksen
-ongeveer even talrijk zijn bij den Leeuwerik, het Barmsijsje (Linaria
-montana) en den Distelvink. Hij is daarentegen zeker, dat er bij het
-gewone Kneutje een groote overmaat van wijfjes is, ofschoon ongelijk in
-verschillende jaren; in eenige jaren heeft hij gevonden, dat de wijfjes
-tot de mannetjes stonden als vier tot een. Men bedenke echter steeds,
-dat het voornaamste jaargetijde om vogels te vangen niet voor September
-begint, zoodat bij sommige soorten gedeeltelijke verhuizingen kunnen
-zijn begonnen, en de vluchten op dien tijd dikwijls alleen uit wijfjes
-bestaan. De heer Salvin vestigde zijn aandacht bijzonder op de sekse
-van de Kolibri’s in Midden-Amerika, en hij is overtuigd, dat er bij de
-meeste soorten een overmaat van mannetjes is; zoo verschafte hij zich
-in één jaar 204 voorwerpen, tot 10 soorten behoorende, en daarvan waren
-166 mannetjes en 38 wijfjes. Bij twee andere soorten was er een
-overmaat van wijfjes, doch de verhoudingen wisselden blijkbaar af;
-hetzij in verschillende jaargetijden of op verschillende plaatsen; want
-bij ééne gelegenheid stonden de mannetjes van Campylopterus
-hemileucurus tot de wijfjes als vijf tot twee, en bij een andere
-gelegenheid [594] was de verhouding juist omgekeerd. In verband met dit
-laatste punt kan ik er bijvoegen, dat de heer Powys bevond dat op Corfu
-en in Epirus de beide seksen van den vink afzonderlijk leven, „en de
-wijfjes verreweg het talrijkst zijn”; terwijl de heer Tristram bevond,
-dat in Palaestina „de vluchten mannelijke vinken die van vrouwelijke
-verreweg in aantal schijnen te overtreffen.” [595] Evenzoo zegt de heer
-G. Taylor [596] omtrent Quiscalus major, dat er in Florida „zeer weinig
-wijfjes waren, in verhouding tot de mannetjes”, terwijl in Honduras de
-verhouding omgekeerd was, en de soort daar in veelwijverij (polygamie)
-leefde.
-
-
-
-
-
-VISSCHEN.
-
-Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de
-verhoudingsgetallen der seksen door ze in volwassen of bijna volwassen
-staat te vangen; en het is zeer moeilijk tot eenig juist besluit te
-komen. [597] Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing
-voor mannetjes worden gehouden, zooals de heer Günther mij opmerkte ten
-opzichte van de forel. Bij sommige soorten gelooft men, dat de
-mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht. Bij
-vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een
-groot aantal mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de
-wijfjes werden gevangen. De heer Carbonnier [598], die bijzonder acht
-heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (Esox
-Lucius) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe
-grootte, door de grootere wijfjes worden verslonden; en hij gelooft,
-dat de mannetjes van bijna alle visschen wegens de zelfde oorzaak aan
-grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch schijnen in de
-weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn
-waargenomen, de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo
-zegt de heer R. Buist, de superintendent van de Stormontfieldsche
-proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die het eerst aan land werden
-gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer dan 60
-mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote
-wanverhouding tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den
-aanvang ten minste tien mannetjes tegen één wijfje.” Later werden
-genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er bij:
-„wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij
-voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.”
-[599] Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel
-rekenschap geven, doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan
-de wijfjes; maar of men haar daardoor geheel kan verklaren, is zeer
-twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent de forel op, „dat het
-een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker zijn dan de
-wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde
-het zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen
-één wijfje gevangen vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de
-mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes, òf de laatste zoeken zich
-liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te vluchten. Hij
-voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken
-een voldoende aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen. [600] De
-heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord
-Portsmouth’s park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.
-
-Bij de Karpervisschen (Cyprinidae) schijnen de mannetjes ook in
-overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden van deze familie,
-namelijk de karper, de zeelt, de brasem en Leuciscus phoxinus, schijnen
-geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij
-(polyandrie) te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje
-steeds door twee mannetjes vergezeld, één aan elke zijde, en in het
-geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit feit is zoo wel
-bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver
-twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke
-zeelten op twee wijfjes te nemen. Van Leuciscus phoxinus getuigt een
-uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de
-mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje
-onder de mannetjes komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een
-mannetje dicht op haar; en als deze een tijd lang in die positie zijn
-geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen. [601]
-
-
-
-
-
-INSEKTEN.
-
-In deze Klasse leveren alleen de Schubvleugeligen (Lepidoptera) de
-middelen op om over de verhoudingsgetallen van de seksen te oordeelen;
-want zij zijn met bijzondere zorg door vele goede waarnemers verzameld
-en op groote schaal uit het ei of den rupsentoestand opgekweekt. Ik had
-gehoopt, dat sommige kweekers van zijdewormen nauwkeurige opteekeningen
-zouden hebben gehouden; maar na naar Frankrijk en Italië geschreven en
-onderscheidene verhandelingen geraadpleegd te hebben, kan ik niet
-vinden, dat dit ooit is gedaan. De algemeene opinie schijnt te zijn,
-dat de seksen ongeveer even talrijk zijn; maar in Italië zijn, naar ik
-van Prof. Canestrini hoor, vele kweekers overtuigd, dat er wijfjes in
-overmaat worden voortgebracht. De zelfde natuuronderzoeker meldt mij
-echter, dat bij de twee groote jaarlijksche broedsels van den
-Ailanthus-zijdeworm (Bombyx Cynthia) de mannetjes verreweg de overhand
-hebben in het eerste, terwijl in het tweede de seksen nagenoeg even
-talrijk zijn, of de wijfjes eenigszins de overhand hebben.
-
-Ten opzichte van Kapellen in den natuurstaat zijn verscheidene
-waarnemers zeer getroffen geweest door de schijnbaar verbazend groote
-overmaat van mannetjes. [602] Zoo zegt de heer Bates [603], van de
-soorten sprekende, niet minder dan ongeveer honderd in getal, die den
-Boven-Amazonenstroom bewonen, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan
-de wijfjes, zelfs in de verhouding van honderd tot één. In
-Noord-Amerika schat Edwards die groote ondervinding had, dat bij het
-geslacht Papilio de mannetjes tot de wijfjes staan als vier tot één; en
-de heer Walsh welke mij die getuigenis mededeelde, zegt, dat dit bij P.
-Turnus met zekerheid het geval is. In Zuid-Afrika vond de heer R.
-Trimen de mannetjes in overmaat bij 19 soorten [604], en bij één
-daarvan, die op open plaatsen rondvliegt, schat hij, dat het aantal
-mannetjes tot dat der wijfjes staat als vijftig tot één. Van een andere
-soort, waarvan de mannetjes op sommige plaatsen talrijk zijn,
-verzamelde hij gedurende zeven jaar slechts vijf wijfjes. De heer
-Maillard getuigt, dat op het eiland Bourbon de mannetjes van ééne soort
-van Papilio twintigmaal talrijker zijn dan de wijfjes. [605] De heer
-Trimen meldt mij, dat het, zoover hij zelf gezien of van anderen
-gehoord heeft, een zeldzaamheid is, als de wijfjes van de eene of
-andere soort van kapel de mannetjes in aantal overtreffen, doch dat dit
-wellicht het geval is met drie Zuid-Afrikaansche soorten. De heer
-Wallace [606] getuigt, dat de wijfjes van Ornithoptera Croesus in
-Insulinde algemeener zijn en gemakkelijker worden gevangen dan de
-mannetjes; maar dit is een zeldzame soort van kapel. Ik mag hier
-bijvoegen, dat, volgens Guenée, van Hyperethra, een geslacht van
-nachtvlinders, van vier tot vijf wijfjes in verzamelingen uit Indië
-worden gezonden tegen één mannetje.
-
-Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in
-de Engelsche Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht [607],
-nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen
-(Lepidoptera), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal
-worden gevangen dan de wijfjes; maar dit feit werd door onderscheidene
-waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde levenswijze van het
-wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de pop
-komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) en ook met andere insekten. Zoo gaan,
-gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes van den tammen Bombyx
-Yama-Maju in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde
-daarvan verloren, wegens gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om
-mede te paren. [608] Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen,
-dat deze oorzaken voldoende zijn om de groote overmaat van mannetjes in
-de bovenvermelde gevallen bij kapellen die in haar vaderland uiterst
-gemeen zijn, te verklaren. De heer Stainton, die gedurende vele jaren
-zooveel studie van de kleinere nachtvlinders heeft gemaakt, meldt mij
-nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt
-verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de
-wijfjes, maar dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups
-opkweekte, overtuigd is, dat de wijfjes het talrijkst zijn.
-Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De heer Doubleday
-echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en
-overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer
-mannetjes dan wijfjes hebben opgekweekt.
-
-Behalve de meer bedrijvige levenswijze der mannetjes, hun vroeger uit
-de pop komen en hun veelvuldiger bezoeken van open plaatsen kunnen
-wellicht nog andere oorzaken worden aangegeven voor een schijnbaar of
-werkelijk verschil in de getalsverhouding van de seksen bij de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera), als zij in den toestand van volkomen
-insekt gevangen, en als zij uit de eieren of rupsen opgekweekt worden.
-Vele kweekers van zijdewormen in Italië gelooven, naar ik van Professor
-Canestrini hoor, dat de vrouwelijke rupsen meer van de voor korten tijd
-gewoed hebbende ziekte te lijden hadden dan de mannelijke; en Dr.
-Staudinger meldt mij, dat er bij het opkweeken van vlinders meer
-wijfjes in de pop sterven dan mannetjes. Bij vele soorten is de
-vrouwelijke rups grooter dan de mannelijke, en een verzamelaar zal
-natuurlijk de schoonste voorwerpen kiezen en zoo onbewust een grooter
-aantal wijfjes verzamelen. Drie verzamelaars hebben mij gezegd, dat dit
-hun gewoonte was; maar Dr. Wallace is zeker, dat de meeste verzamelaars
-al de voorwerpen nemen die zij kunnen vinden, van de meer zeldzame
-soorten, die alleen de moeite van het opkweeken waard zijn. Als vogels
-door rupsen zijn omringd, zullen zij waarschijnlijk de grootste kiezen;
-en Professor Canestrini meldt mij, dat sommige kweekers in Italië
-gelooven, hoewel zij geen voldoende bewijzen hebben, dat bij het eerste
-broedsel van den Ailanthus-zijdeworm de wespen een grooter aantal van
-de vrouwelijke dan van de mannelijke rupsen vernielen. Dr. Wallace
-merkt verder op, dat vrouwelijke rupsen, omdat zij grooter dan de
-mannelijke zijn, meer tijd voor haar ontwikkeling behoeven en meer
-voedsel en vocht verbruiken, en dus gedurende langer tijd moeten zijn
-blootgesteld aan gevaar van sluipwespen, vogels enz., en in tijden van
-schaarschte in grooter aantal moeten sterven. Het schijnt daarom zeer
-mogelijk, dat in den natuurstaat minder vrouwelijke dan mannelijke
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) tot vollen wasdom komen; en voor ons
-bijzondere doel hebben wij te maken met de getallen op volwassen
-leeftijd, als de seksen gereed zijn om haar soort voort te planten.
-
-De wijze waarop de mannetjes van zekere nachtvlinders in buitengewoon
-grooten getale samenkomen rondom een enkel wijfje, wijst blijkbaar op
-een groote overmaat van mannetjes, hoewel dit feit wellicht kan worden
-verklaard doordat de mannetjes vroeger uit de pop te voorschijn komen.
-De heer Stainton meldt mij, dat men soms van twaalf tot twintig
-mannetjes verzameld kan zien rondom een enkel wijfje van Elachista
-rufocinerea. Het is welbekend, dat, indien een maagdelijke Lasiocampa
-quercus of Saturnia carpini in een kooi wordt tentoongesteld, een groot
-aantal mannetjes zich rondom haar verzamelen, en als zij in een kamer
-is opgesloten, zelfs door den schoorsteen naar haar toe komen vliegen.
-De heer Doubleday gelooft, dat hij van vijftig tot een honderdtal
-mannetjes van deze beide soorten in den loop van een enkelen dag door
-een opgesloten wijfje aangelokt heeft gezien. De heer Trimen stelde op
-het eiland Wight een doos ten toon, waarin den vorigen dag een wijfje
-van de Lasiocampa was opgesloten geweest, en weldra trachtten vijf
-mannetjes daarin te komen. Toen de heer Verreaux in Nieuw-Holland een
-doos in zijn zak had, waarin zich het wijfje van een kleine
-Bombyx-soort bevond, werd hij door een menigte mannetjes gevolgd,
-zoodat ongeveer 200 met hem het huis binnenkwamen. [609]
-
-De heer Doubleday heeft mijn aandacht gevestigd op Dr. Staudinger’s
-lijst van Schubvleugeligen (Lepidoptera) [610], waarop de prijs
-voorkomt van de mannetjes en wijfjes van 300 soorten of goed
-uitgedrukte verscheidenheden van dagvlinders (Rhopalocera). De prijzen
-voor beide seksen van de zeer algemeene soorten zijn natuurlijk de
-zelfde, maar bij 113 der meer zeldzame soorten verschillen zij, en
-daarbij is het mannetje, op ééne uitzondering na, het goedkoopst. Bij
-de 113 soorten staat de prijs van het mannetje tot dien van het wijfje
-gemiddeld als 100 tot 149; en deze prijs schijnt aan te toonen, dat
-omgekeerd de mannetjes de wijfjes in de zelfde verhouding in aantal
-overtreffen. Ongeveer 2000 soorten of verscheidenheden van avond- en
-nachtvlinders (Heterocera) zijn gecatalogiseerd, waarbij die met
-vleugellooze wijfjes hier worden uitgesloten wegens de verschillende
-levenswijze der seksen; van 2000 soorten verschillen 141 in prijs
-volgens de sekse, daar van 130 de mannetjes goedkooper en slechts van
-11 de mannetjes duurder zijn dan de wijfjes. De prijs van de mannetjes
-der 130 soorten staat gemiddeld tot dien van de wijfjes als 100 tot
-143. Ten opzichte van de kapellen op deze prijslijst denkt de heer
-Doubleday (en niemand in Engeland heeft meer ondervinding gehad), dat
-er niets in de levenswijze der soorten is, dat rekenschap kan geven van
-het verschil in prijs tusschen de beide seksen, en dat men het alleen
-kan verklaren, doordat zijn verzamelaars een grooter aantal mannetjes
-dan wijfjes vangen en derhalve de eerste lager in prijs zijn. Ten
-opzichte van uit de rups opgekweekte voorwerpen gelooft Dr. Staudinger,
-gelijk vroeger is vermeld, dat in gevangen staat een grooter aantal van
-de wijfjes dan van de mannetjes in de pop sterven. Hij voegt er bij,
-dat bij zekere soorten de eene sekse gedurende zekere jaren de overhand
-schijnt te hebben boven de mannetjes.
-
-Van rechtstreeksche waarnemingen omtrent de sekse van Schubvleugeligen
-(Lepidoptera), gekweekt hetzij uit het ei of uit de rups, heb ik alleen
-de volgende weinige opgaven ontvangen:
-
-
- Mannetjes Wijfjes
- De weleerw. Heer J. Hellius [611] van Exeter
- kweekte in 1886 volkomen insekten van 73
- soorten, die bestonden uit 153 137
- De heer Albert Jones van Eltham kweekte in 1868
- volkomen insekten van 9 soorten, die bestonden
- uit 159 126
- In 1869 kweekte hij volkomen insekten van 4
- soorten, bestaande uit 114 112
- De heer Buckler van Emsworth, Hants, kweekte in
- 1869 volkomen insekten van 74 soorten, bestaande
- uit 180 169
- Dr. Wallace van Colchester kweekte uit één
- broedsel van Bombyx Cynthia 52 48
- Dr. Wallace kweekte in 1869 uit poppen van Bombyx
- Pernyi, hem uit China gezonden, 224 123
- Dr. Wallace kweekte in 1868 en 1869 uit twee
- partijen poppen van Bombyx Yama-Maju 52 46
- === ===
- Totaal 934 761
-
-
-Bij deze zeven partijen poppen en eieren werd dus een overmaat van
-mannetjes voortgebracht. Te zamen genomen is de verhouding van de
-mannetjes tot de wijfjes als 122.7 tot 100. De getallen zijn echter
-nauwelijks groot genoeg om vertrouwen te verdienen.
-
-Over het geheel leid ik uit de bovenvermelde verschillende
-bewijsgronden, die allen in de zelfde richting wijzen, af, dat bij de
-meeste soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) de mannetjes in den
-toestand van volkomen insekt over het algemeen de wijfjes in aantal
-overtreffen, welke dan ook de verhouding moge zijn bij hun eerste
-uitkomen uit het ei.
-
-Met betrekking tot de andere orden van Insekten heb ik slechts zeer
-weinige betrouwbare mededeelingen kunnen verzamelen. Bij het vliegend
-hert (Lucanus Cervus) „schijnen de mannetjes veel talrijker te zijn dan
-de wijfjes”; maar wanneer zich, gelijk Cornelius in 1867 opmerkte, een
-ongewoon aantal van deze kevers in één gedeelte van Duitschland
-vertoonde, schenen de wijfjes de mannetjes in aantal te overtreffen in
-de verhouding van zes tot één. Bij een der Springkevers (Elateridae)
-zegt men, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, en men
-vindt er dikwijls twee of drie met één wijfje vereenigd [612], zoodat
-hier veelmannigheid (polyandrie) schijnt te heerschen. Bij Siagonium
-(tot de Kortschilden, Staphylinidae, behoorende), waarbij de mannetjes
-van horens voorzien zijn, „zijn de wijfjes verreweg talrijker dan de
-andere sekse.” De heer Janson getuigde in de Engelsche Entomologische
-Vereeniging, dat de wijfjes van den zich met boomschors voedenden
-Tomicus villosus zoo algemeen zijn, dat zij een plaag zijn, terwijl de
-mannetjes zoo zeldzaam zijn, dat men ze nauwelijks kent.
-
-In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige
-gevallen blijkbaar ten gevolge van maagdelijke voortplanting
-(parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt, of zijn uiterst
-zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (Cynipidae). [613] Bij alle
-aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal
-talrijker, dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het
-geval met de gal-appelbewonende Cecidomyidae (Tweevleugeligen,
-Diptera). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (Tenthredinae)
-heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei
-grootte opgekweekt, maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen;
-daarentegen zegt Curtis [614], dat bij zekere door hem opgekweekte
-soort (Athalia) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één;
-terwijl juist het omgekeerde het geval was bij de volkomen insekten van
-de zelfde soort, die in het open veld werden gevangen. In de familie
-der Bijen verzamelde Herman Müller [615] een groot aantal voorwerpen
-van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen op, en telde
-de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes
-zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en
-bij wederom andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de
-meeste gevallen komen echter de mannetjes vroeger uit de pop dan de
-wijfjes, zoodat zij in het begin van den broedtijd feitelijk de
-meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal
-van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer
-onderscheiden was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten
-deze waarnemingen met eenige omzichtigheid worden ontvangen, daar de
-eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid ontsnapt dan de
-andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt, dat
-de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende
-soorten van bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (Orthoptera)
-betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der
-seksen: Körte [616] zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij
-onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes stonden als vijf tot zes.
-Omtrent de Netvleugeligen (Neuroptera) getuigt de heer Walsh, dat bij
-vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften (Ephemerina) een
-groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht Hetaerina zijn
-de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige
-soorten van het geslacht Gomphus zijn de mannetjes even talrijk als de
-wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de wijfjes minstens tweemaal
-of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige Europeesche
-soorten van Houtluizen (Psocus) kan men duizenden wijfjes verzamelen
-zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere soorten van het zelfde
-geslacht beide seksen algemeen voorkomen. [617] In Engeland heeft de
-heer MacLachlan honderden wijfjes van Apatania muliebris gevangen, maar
-het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van Boreus hyemalis zijn hier
-slechts vier of vijf mannetjes gezien. [618] Bij de meesten dezer
-soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen,
-Tenthredinae) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich
-zonder bevruchting kunnen voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend
-wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare verschil in de
-getalsverhouding der beide seksen.
-
-Omtrent de andere klassen der Gelede Dieren (Articulata) heb ik nog
-minder mededeelingen kunnen verzamelen. Omtrent Spinnen schrijft mij de
-heer Blackwall, die gedurende vele jaren een studie van deze klasse
-heeft gemaakt, dat de mannetjes wegens hun meer zwervende levenswijze
-meer algemeen worden gezien en daarom het talrijkst schijnen te zijn.
-Dit is werkelijk het geval met eenige weinige soorten; maar hij
-vermeldt onderscheidene soorten in zes geslachten, bij welke de wijfjes
-veel talrijker dan de mannetjes schijnen te zijn. [619] De geringe
-grootte der mannetjes in vergelijking met de wijfjes, die dikwijls tot
-een uitersten graad is gedreven, en hun zeer verschillend uiterlijk,
-kunnen wellicht in sommige gevallen hun zeldzaamheid in verzamelingen
-verklaren. [620]
-
-Sommige der lagere Schaaldieren (Crustacea) bezitten het vermogen hun
-soort zonder bevruchting (aseksueel) voort te planten, en dit kan de
-uiterste zeldzaamheid der mannetjes verklaren. Bij sommige andere
-vormen (zooals bij Tanais en Cypris) is er, naar Fritz Müller mij
-meldt, reden om te gelooven, dat het mannetje veel korter leeft dan het
-wijfje, hetgeen, ondersteld dat de beide seksen oorspronkelijk even
-talrijk waren, de zeldzaamheid der mannetjes zou verklaren. Daarentegen
-heeft deze zelfde natuuronderzoeker op de stranden van Brazilië zonder
-uitzondering meer mannetjes dan wijfjes van de Diastylidae en van
-Cypridina (Watervlooien) gevangen; zoo waren er op 63 voorwerpen van
-een soort van dit laatste geslacht, op den zelfden dag gevangen, 57
-mannetjes. Bij een der hoogere Braziliaansche krabben, namelijk een
-Gelasimus, vond Fritz Müller de mannetjes talrijker dan de wijfjes. Het
-omgekeerde schijnt het geval te zijn, volgens de uitgebreide
-ondervinding van den heer C. Spence Bate, met zes gewone Britsche
-krabben, waarvan hij mij de namen heeft gegeven.
-
-
-
-
-
-DE VERHOUDING DER SEKSEN MET BETREKKING TOT DE NATUURLIJKE TEELTKEUS.
-
-Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door
-teeltkeus indirect invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen
-seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen hebben een geneigdheid
-gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse dan van de
-andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij
-voorbeeld koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds,
-dat volgens den heer Wright van Yeldersley House, een zijner Arabische
-merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven
-merrieveulens voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb,
-zou de analogie leiden tot het geloof, dat de neiging om bij voorkeur
-jongen van een bepaalde sekse voort te brengen, kan worden overgeërfd
-gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld die om
-tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid
-heeft de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te
-bewijzen dat dit plaats heeft bij sommige families van korthoornige
-runderen. Kolonel Marshall [621] heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig
-onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam in Engelsch Indië,
-bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit is een
-verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier
-huwelijken veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd
-onveranderlijk de meeste vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze
-gewoonte is nu sedert aanmerkelijken tijd afgeschaft. Bij de in de
-laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker dan de meisjes
-in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit
-op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie
-huisgezinnen nemen om het gemiddelde van den geheelen stam voor te
-stellen; stel dat ééne moeder zes dochters en geen zoon voortbrengt;
-dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl de derde moeder
-drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens de
-gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De
-tweede behoudt haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er
-ééne, alsook haar drie zoons. Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen
-negen zoons en drie dochters, die hun geslacht verder voortplanten.
-Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen waarin de
-geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen
-grootendeels tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur
-meisjes voort te brengen. Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij
-voorkeur jongens voort te brengen met elke generatie, totdat wij
-eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons dan
-dochters hebben.”
-
-Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord,
-schijnt bijna zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om
-bij voorkeur kinderen van een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk
-is. Daar echter de bovengenoemde getallen zoo uiterst weinige zijn, heb
-ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen ik
-heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht
-vermeldenswaardig. De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord
-gepleegd, en de heer Fenton [622] getuigt, dat hij „voorbeelden heeft
-ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven harer kinderen, en wel
-meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn er over
-te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren
-bijna geheel heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men
-aannemen, dat 1835 het jaar is, waarin het geheel in onbruik is
-geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals bij de Toda’s,
-aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt op
-(blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze
-vreemde toestand van wanverhouding tusschen de beide seksen is
-begonnen, niet met zekerheid kan worden bepaald, is het volkomen
-duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende de jaren
-1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd
-voortgebracht, en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De
-volgende opgaven zijn ontleend aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar
-de getallen niet groot zijn en de volkstelling niet nauwkeurig was, kan
-men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in dit en het
-volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een
-overmaat van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen,
-voornamelijk ten gevolge van de grootere sterfte van de mannelijke
-sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van allerlei ongevallen in
-hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking van
-Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd,
-dat is in de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit
-zelfde jaar werden in sommige beperkte districten de getallen met veel
-zorg nagegaan, en waren hier de mannen van allerlei leeftijd 753 en de
-vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2 mannen op 100
-vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858
-bevond, dat in het zelfde district het aantal onvolwassen mannen 178 en
-het aantal onvolwassen vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van
-125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen, dat in 1844, op welken tijd het
-dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden, de
-onvolwassen mannen in een district 281 en de onvolwassen vrouwen
-slechts 194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op
-100 vrouwen.
-
-Op de Sandwich-eilanden overtreffen de mannen de vrouwen in aantal.
-Kindermoord werd daar vroeger op schrikbarende wijze gepleegd, maar was
-in geenen deele tot vrouwelijke kinderen beperkt, gelijk wordt
-aangetoond door den heer Ellis [623] en mij is medegedeeld door
-bisschop Staley en den weleerw. heer Coan. Toch merkt een ander naar
-het schijnt geloofwaardig schrijver, de heer Jarves [624], wiens
-waarnemingen zich over den geheelen archipel uitstrekken, op:—„Men
-vindt zeer vele vrouwen die bekennen van drie tot zes of acht harer
-kinderen te hebben gedood”; en hij voegt er bij: „Meisjes worden
-veelvuldiger gedood dan jongens, omdat men ze als minder nuttig
-beschouwt dan deze.” Wegens hetgeen men weet dat in andere deelen der
-wereld geschiedt, is dit waarschijnlijk juist, maar moet toch met veel
-omzichtigheid worden ontvangen. Het gebruik van kindermoord hield
-omstreeks het jaar 1819 op, toen de afgodendienst werd afgeschaft en
-zendelingen zich op de eilanden nederzetten. Een zorgvuldige telling in
-1839 van de volwassen en belastingschuldige mannen en vrouwen op het
-eiland Kauai en in één district van Oahu (Jarves, blz. 404), geeft 4723
-mannen en 3776 vrouwen; dat is in de verhouding van 125.08 tot 100.
-Terzelfdertijd was het aantal mannen beneden veertien jaar op Kauai en
-beneden achttien op Oahu 1797, en dat van de vrouwen van den zelfden
-leeftijd 1429; en hier hebben wij de verhouding van 125.75 mannen op
-100 vrouwen.
-
-Bij een volkstelling van al de eilanden in 1850 [625], bedroeg het
-aantal mannen van allerlei leeftijd 36272, dat der vrouwen 33128,
-zoodat de verhouding was 109,49 tot 100. Het aantal mannen beneden
-zeventien jaar bedroeg 10773, en dat der vrouwen beneden den zelfden
-leeftijd 9593, zoodat de verhouding was 112.3 tot 100. Volgens de
-volkstelling van 1872 staat het aantal mannen van allerlei leeftijd
-(met inbegrip van die van gekruist ras) tot dat der vrouwen als 125.36
-tot 100. Men bedenke, dat al deze opgaven omtrent de Sandwich-eilanden
-de verhouding tusschen het aantal levende mannen en vrouwen aangeven;
-en te oordeelen naar wat de statistiek in alle beschaafde landen leert,
-zou het aantal mannen in verhouding nog veel grooter zijn geweest, als
-de getallen op de geboorten betrekking hadden gehad. [626]
-
-Uit de verschillende bovenstaande gevallen kunnen wij eenigen grond
-ontleenen om te gelooven, dat kindermoord, uitgeoefend op de
-bovenvermelde wijze, een neiging doet ontstaan tot het vormen van een
-ras waarbij bij voorkeur mannelijke kinderen worden geboren; maar ik
-ben ver van te onderstellen, dat dit gebruik in het geval van den
-mensch of de eene of andere dergelijke handelwijze bij andere soorten
-de eenige determineerende oorzaak van de overmaat der mannelijke sekse
-is geweest. Er kan de eene of andere onbekende wet zijn, die tot dit
-resultaat leidt bij in aantal afnemende rassen die reeds eenigszins
-onvruchtbaar zijn. Behalve de verschillende oorzaken waarop vroeger, is
-gezinspeeld, zouden de meer gemakkelijke baring bij wilden en het bij
-gevolg minder beschadigd worden van hun mannelijke kinderen een
-geneigdheid doen ontstaan om het aantal levendgeboren jongens in
-verhouding van dat der meisjes grooter te maken. Er schijnt echter geen
-noodzakelijk verband te bestaan tusschen het wilde leven en een
-gemarkeerde overmaat van mannen; dat is, wanneer wij mogen oordeelen
-naar de verhouding bij het weinig talrijke kroost der voor korte jaren
-nog bestaande Tasmaniërs en het gekruiste kroost der Tahitiërs dat nu
-Norfolk-eiland bewoont.
-
-Daar de mannetjes en wijfjes van vele dieren eenigszins in leefwijze
-verschillen en in verschillende mate aan gevaar zijn blootgesteld, is
-het waarschijnlijk, dat in vele gevallen gemiddeld meer individu’s van
-de eene dan van de andere sekse worden gedood. Doch zoover ik de
-ingewikkelde oorzaken kan nasporen, zou een niet stelselmatige, hoewel
-groote vernieling van een van beide seksen niet de geneigdheid hebben
-het sekse-voortbrengend vermogen van de soort te wijzigen. Bij strikt
-sociale dieren, zooals mieren of bijen, welke een in vergelijking van
-de mannetjes grooter aantal onvruchtbare en vruchtbare wijfjes
-voortbrengen en voor welke zulks van overwegend belang is, kunnen wij
-inzien, dat die maatschappijen het meest zullen bloeien, welke wijfjes
-bevatten die een sterken erfelijken aanleg hebben om hoe langer hoe
-grooter overmaat van wijfjes voort te brengen; en in dergelijke
-gevallen zou de aanleg van de beide seksen in ongelijk aantal voort te
-brengen langzamerhand door natuurlijke teeltkeus kunnen zijn ontstaan.
-Bij dieren die in kudden of troepen leven, waarbij de mannetjes voor
-het front komen en de kudde verdedigen, gelijk bij de bisons van
-Noord-Amerika en sommige bavianen, is het begrijpelijk, dat de aanleg
-om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, door natuurlijke teeltkeus
-zou kunnen zijn ontstaan; want de individu’s van de kudden die het best
-werden verdedigd, zouden de talrijkste nakomelingschap nalaten. In het
-geval van den mensch onderstelt men, dat het voordeel om een overmaat
-van mannen in den stam te hebben, een der hoofdoorzaken is van het
-gebruik om vrouwelijke kinderen te dooden.
-
-In geen geval zou, zoover wij kunnen inzien, een erfelijke aanleg om
-beide seksen in gelijk aantal of een der seksen in overmaat voort te
-brengen, voor sommige individu’s meer dan voor andere een
-rechtstreeksch voordeel of nadeel zijn; een individu met den aanleg om
-meer mannetjes dan wijfjes voort te brengen, zou bij voorbeeld niet
-beter slagen in den strijd om het leven dan een individu met den
-tegenovergestelden aanleg; en daarom zou zulk een aanleg niet door
-natuurlijke teeltkeus kunnen worden verkregen. Er zijn echter sommige
-dieren, bij voorbeeld visschen en mosselkreeften (Cirrhipedia), bij
-welke twee of meer mannetjes noodig schijnen te zijn bij de bevruchting
-van het wijfje, en in overeenstemming daarmede zijn de mannetjes veel
-talrijker; maar het is in geenen deele duidelijk hoe deze aanleg om bij
-voorkeur mannetjes voort te brengen, kan zijn verkregen. Ik dacht
-vroeger, dat, wanneer de aanleg om de beide seksen in gelijk aantal
-voort te brengen voordeelig voor de soort was, hij door natuurlijke
-teeltkeus zou ontstaan, maar ik zie nu in, dat het geheele vraagstuk
-zoo ingewikkeld is, dat het veiliger is de oplossing er van aan de
-toekomst over te laten.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Onder den naam „Loopvogels” vat Harting („Leerboek van de
-Grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 435) een aantal
-vogels samen, welke alle kleine vleugels hebben, die hun volstrekt niet
-als eigenlijke vliegwerktuigen kunnen dienen: de Walgvogels (Didus),
-Vleugelloozen (Apterygii) en Struisachtige Vogels (Struthionidae).
-Binnen deze grenzen behooren de Trapganzen (Otis) niet tot de
-Loopvogels (Cursores), maar moeten hetzij tot de Moerasvogels
-(Grallatores) of tot de Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) worden
-gebracht.
-
-(2) Het zal bijna overbodig zijn hier op te merken, dat de Wieren
-(Algae), daar zij tot de Bloemlooze Gewassen (Cryptogamae) behooren,
-noch stuifmeel (pollen) noch stempel (stigma) bezitten, en dat dus bij
-de Wieren het stuifmeel onmogelijk op den stempel kan worden
-overgebracht „door het voortbewegend vermogen der Antherozoïden.” De
-Zwermsporen welke vele, doch niet alle Wieren bezitten, en die, nadat
-zij zich van haar moederplant hebben losgemaakt, met behulp van
-bewegelijke wimpers of draden (trilharen), gedurende eenigen tijd in de
-rondte zwemmen, staan ongetwijfeld met de voortplanting in verband,
-doch of zij in functie met het stuifmeel der Bloemdragende Gewassen
-(Phanerogamae) overeenkomen, is minstens twijfelachtig, daar men bij
-vele zoetwaterwieren heeft waargenomen, dat zij voor kieming vatbaar
-zijn. Anders is het gelegen met de eigenaardige, levendig zich
-bewegende Zwermdraden, waarvan alle bebladerde Bloemlooze Planten en de
-Krans-Wieren (Characeae) zijn voorzien. Zij gelijken zeer op de
-zaaddraden (Spermatozoïden) der Dieren en stemmen ook met deze in
-functie overeen; zij vormen het mannelijk element der bebladerde
-Bloemlooze Planten en Krans-Wieren en hun inwerking op het vrouwelijk
-element (de archegoniën) is onmisbaar voor de vorming van nieuwe
-individu’s. In de stuifmeelbuizen der Bloemdragende Gewassen, die zich
-uit het stuifmeel ontwikkelen, als dit op den stempel is overgebracht,
-vindt men vóór de bevruchting cellen die na de bevruchting zijn
-verdwenen; men beschouwt deze als rudimentaire spermatozoïden, waardoor
-de overeenkomst met de hoogere Bloemlooze Gewassen en Dieren volkomen
-wordt. Bij allen smelt een mannelijke kern met een vrouwelijke kern
-samen tot vorming van een nieuw individu, hetgeen Strassburger bij de
-Phanerogamen rechtstreeks waarnam.
-
-(3) Wij hebben steeds gemeend, dat bij het gewone tamme schaap de
-wijfjes in den regel geen horens bezaten. Zoo merkt ook wijlen Prof. H.
-Schlegel („De dieren van Nederland; Zoogdieren”, Haarlem, A. C.
-Kruseman 1862, blz. 120) op, dat de Moeflons vooral ook daardoor veel
-overeenkomst hebben met ons tam schaap, dat de wijfjes niet of slechts
-bij uitzondering in enkele gevallen en op hoogen leeftijd van horens
-zijn voorzien.
-
-(4) Niet alleen in het betrekkelijk aantal mannelijke geboorten, maar
-ook in alle andere levensverhoudingen wijken de Joden van de volken, te
-midden waarvan zij leven, af. Zoo vermeldt Dr. Lubach („Album der
-Natuur”, 1868, blz. 293), dat van 1822 tot 1840 in Pruisen van de
-Joodsche bevolking 2161 op de 100,000 overleden tegen 2961 op de
-niet-Joodsche. Deze sterfte was over de verschillende leeftijden
-verdeeld als volgt:
-
-
- Pruisen. Joden.
- Doodgeborenen 143 89
- Voor het einde van het 1ste jaar 697 459
-
- Van 1 tot 5 jaren 477 386
- ,, 5 ,, 14 ,, 202 151
- ,, 14 ,, 25 ,, 155 123
- ,, 25 ,, 45 ,, 334 231
- ,, 45 ,, 70 ,, 614 392
- ,, 70 en daarenboven 339 330
- ==== ====
- 2961 2161
-
-
-In Algerië was, volgens Crebrassa (aangehaald door Lubach, ibid.) de
-gemiddelde sterfteverhouding van 1844 tot 1849 onder de Joden 33.4 op
-de 1000 inwoners tegen 57.2 onder de Europeeërs. In de stad Algiers met
-de voorsteden waren in 1856 onder de Europeeërs 1553 sterfgevallen op
-1234 geboorten, onder de Mohammedanen 514 sterfgevallen op 331
-geboorten, onder de Joden 187 sterfgevallen op 211 geboorten.
-
-In de stad Frankfort sterft, volgens Dr. de Neufville (aangehaald door
-Dr. Lubach, ibid.):
-
-
- Bij de Christenen. Bij de Joden.
-
- ¼ der bevolking boven 6 jaren 11 m., boven 28 jaren 3 m.,
- ½ ,, ,, ,, 36 ,, 6 ,, ,, 53 ,, 1 ,,
- ¾ ,, ,, ,, 59 ,, 10 ,, ,, 71 ,, 0 ,,
-
-
-In Nederland, Pruisen, Rijn-Beieren, Zwitserland, België en Algiers is
-(volgens Dr. Lubach, ibid.) bij de Joden de jaarlijksche toeneming der
-bevolking grooter dan bij hun landgenooten en staat tot die der geheele
-bevolking:
-
-
- In Nederland als 2 : 1
- ,, Pruisen en Rijn-Beieren als 3 : 1
- ,, Zwitserland als 4 : 1
- ,, Algiers als 7 : 1
-
-
-Dr. Texeira de Mattos komt in zijn Verslag omtrent den ziektetoestand
-der stad Amsterdam in 1862, in verband met den geneeskundigen
-armendienst, Amsterdam, 1865 [627], tot de volgende op een 7-jarig
-(1856–1862) onderzoek steunende resultaten.
-
-1. Het aantal levendgeborenen is bij de Israelieten grooter, het aantal
-levenloos aangegevene kinderen waarschijnlijk kleiner, doch stellig
-niet grooter dan bij de overige bevolking.
-
-2. Het valt zeer te betwijfelen, of de kindersterfte in het 2de, 3de en
-4de levensjaar onder de Israelieten wel ongunstiger is dan onder de
-Christenen.
-
-3. Na den leeftijd van 4 jaren onderscheiden zich de Israelieten boven
-hun overige stadgenooten door een kleinere sterfte in elk
-levenstijdperk, bovenal in den leeftijd van 20–60 jaren.
-
-4. De buurten die grootendeels door Israelieten worden bewoond,
-onderscheiden zich allen door een gunstige sterfteverhouding, die niet
-alleen uit de gunstige plaatselijke gesteldheid, uit de locale
-omstandigheden dier buurten kan worden verklaard.
-
-5. De totale sterfte bedraagt bij de Israelieten 2.06 perc., tegen 2.87
-perc. bij de overige bevolking.
-
-(5) In het „Archivo per l’Anthropologia e la Etnologia, publicato dal
-Prof. Paolo Mantegazza e dal Prof. Felice Pinzi”, Firenze, 1871, vol.
-I, blz. 66, vindt men een verhandeling van Prof. G. Boccardo, getiteld:
-„Intorno alle cause determinante i numeri proporzionali dei due sesse
-nelle Statistiche delle Nascite”, waaraan wij de volgende stellingen en
-cijfers ontleenen.
-
-Het aantal jongens die elk jaar worden geboren, is grooter dan het
-aantal meisjes die in het zelfde tijdvak worden geboren, en
-desniettemin maken de vrouwen, overal en ten allen tijde, een talrijker
-gedeelte van de bevolking uit, dan de mannen. [628]
-
-Dit feit gaat zoo algemeen door, dat het den naam van een wezenlijke
-sociale natuurwet verdient. De schijnbare tegenstrijdigheid die er in
-is gelegen, wordt opgeheven door de volgende feiten:
-
-1. De jongens worden geboren in grooter aantal dan de meisjes (in de
-verhouding van 106 tot 100).
-
-2. In de eerste levensjaren is de sterfte grooter bij de jongens dan
-bij de meisjes.
-
-3. Omstreeks het 15de jaar zijn de beide seksen ongeveer gelijk in
-aantal, of, met andere woorden, de grootere sterfte bij de mannelijke
-sekse neutraliseert op dien leeftijd het overwicht in getal der
-mannelijke geboorten.
-
-4. Na het 15de jaar beginnen de vrouwen de mannen in aantal te
-overtreffen en de numerische meerderheid der vrouwelijke sekse gaat
-voort, doch volgens een variabele wet, in de volgende jaren, zoodat
-gemiddeld:
-
-
- van het 15de tot het 20ste jaar het verschil is 1⁄54​.
- ,, ,, 20ste ,, ,, 30ste ,, ,, ,, ,, omstreeks ⅓.
- ,, ,, 30ste ,, ,, 40ste ,, ,, ,, ,, ,, ⅕.
- ,, ,, 40ste ,, ,, 50ste ,, ,, ,, ,, ,, ¼.
-
-
-5. De numerische ongelijkheid der beide seksen wordt hoe langer hoe
-kleiner en eindigt met geheel op te houden van het 50ste tot het 70ste
-jaar.
-
-6. Van het 70ste tot het 80ste jaar hernemen de vrouwen de overhand met
-omstreeks ⅛.
-
-7. Boven het 80ste jaar is de numerische meerderheid van de vrouwelijke
-sekse omstreeks ½.
-
-De numerische meerderheid van de mannelijke boven de vrouwelijke
-geboorten is een algemeen (universeel) feit.
-
-Veertien millioen van 1817 tot 1830 in Frankrijk opgeteekende geboorten
-gaven als gemiddelde verhouding 106.38 mannelijke tot 100 vrouwelijke.
-[629]
-
-Kapitein Bickes verzamelde meer dan zeventig millioen opteekeningen van
-geboorten in de voornaamste landen van Europa, en leidde er uit af
-[630], dat op elke 100 vrouwelijke geboorten, in Rusland 108.91, in de
-provincie Milaan 107.61, in Mecklenburg 107.07, in Frankrijk 106.55, in
-België en Nederland 106.44, in Brandenburg en Pommeren 106.27, in het
-Koninkrijk der beide Siciliën 106.18, in Oostenrijk 106.10, in Pruisen
-105.94, in Westfalen en de Rijnprovincie 105.86, in Wurtemberg 105.69,
-in Boheme 105.38, in Groot-Brittannië 104.75, in Zweden 104.62 en
-gemiddeld in geheel Europa 106 mannelijke geboorten plaats hebben.
-
-Gegevens die op latere en meer nauwkeurige waarnemingen berusten, vindt
-men in de (door Prof. G. Boccardo aangehaalde) „Statistica del Regno
-d’Italia”, „Movimento dello Stato civile nell’ anno 1868”, blz. XXXV.
-Men vindt aldaar opgegeven, dat op elke 100 vrouwelijke geboorten in
-Italië 106.1, in Spanje 106.8, in Griekenland 106.3, in Hannover 106.2,
-in Denemarken 106.2, in Oostenrijk 106.1, in Portugal 106, in Saksen
-105.8, in Nederland 105.4, in Beieren 105.3, in Frankrijk 105.3, in
-België 105.2, in Noorwegen 105.2, in Engeland 104.9, in Rusland 104.9,
-in Pruisen 104.8, en in Zweden 104.7 mannelijke geboorten plaats
-hebben.
-
-In sinds korte eeuwen gekoloniseerde landen gaat het echter anders; zoo
-werden aan de Kaap de Goede Hoop op 100 blanke meisjes in 1813 97, in
-1814 95, in 1815 99, in 1816 90, in 1817 99, in 1818 98, in 1819 99 en
-in 1820 98 blanke jongens geboren [631].
-
-Omtrent het verschil tusschen het betrekkelijk aantal der seksen bij
-wettige en onwettige geboorten geven de aanteekeningen van Bickes en
-andere statistici de volgende verhoudingen:
-
-
- Aantal jongens, geboren op 100 meisjes,
- wettig. onwettig.
-
- Frankrijk 106.69 104.78
- Keizerrijk Oostenrijk 106.15 104.32
- Koninkrijk Pruisen 106.17 102.89
- Zweden 104.73 103.12
- Wurtemberg 105.97 103.54
- Boheme 105.65 100.44
- Provincie Milaan 107.79 102.30
- Oost-Pruisen en Posen 105.81 103.60
- Brandenburg en Pommeren 106.65 102.42
- Silezië en Saksen 106.30 103.27
- Westfalen en Rijnprovincie 106.07 101.55
-
- Parijs 103.82 103.42
- Amsterdam 105.00 108.83
- Livorno 104.68 93.21
- Frankfort aan de Main 102.83 107.84
- Leipzig 106.16 105.94
-
-
-In een brief aan Sir D. Brewster levert de uitnemende Engelsche
-mathematicus en staathuishoudkundige Dr. Babbage de volgende gegevens
-[632]:
-
-
-LANDEN EN Wettige Geheel Onwettige Geheel
-PLAATSEN. mannelijke aantal mannelijke aantal
- geboorten opgeteekende geboorten opgeteekende
- op 100 geboorten. op 100 geboorten.
- vrouwelijke. vrouwelijke.
-
-Frankrijk 106.57 9656135 104.84 673047
-Napels 104.52 1059055 103.67 51309
-Pruisen 106.09 3672251 102.78 212804
-Westfalen 104.71 151169 100.39 19950
-Montpellier 107.07 25064 100.81 2735
- ------ ------
-Gemiddeld 105.75 102.50
-
-
-Omtrent de verhouding tusschen de beide seksen in Nederland bij de
-geboorte en op verschillende leeftijden vindt men uitnemende gegevens
-in de door Mr. M. M. von Baumhauer bewerkte hoofdstukken II tot XIII
-van Deel II der „Algemeene Statistiek van Nederland”, uitgegeven door
-de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland, Leiden bij A. W.
-Sijthoff, 1871. De onderstaande cijfers zijn allen daaruit overgenomen
-of uit de daar gegevene berekend. [633]
-
-Ook in Nederland gaf elk der vier algemeene volkstellingen, in 1829,
-1839, 1849 en 1859 gehouden, een grooter aantal personen van het
-vrouwelijke dan van het mannelijke geslacht. In onderstaanden staat
-vindt men voor elke provincie naar de uitkomsten dier vier tellingen,
-met onderscheiding der feitelijke en werkelijke bevolking voor de
-laatste [634], het getal vrouwen op 100 mannen voor de gemeenten
-waarvan de werkelijke bevolking meer, en voor die waarvan zij minder
-dan 10,000 zielen bedroeg:
-
-
-PROVINCIËN. Gemeenten boven 10,000 zielen. | Gemeenten beneden 10,000 zielen. | De Provincie.
- | |
- 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859
- Feit. Werk. | Feit. Werk. | Feit. Werk.
- | |
-Noord-Brabant 98.8 96.6 106.2 107 106.8 | 101.8 100.9 100.5 100.1 100 | 101.4 100.3 101.2 101 100.9
-Gelderland 105.8 104 109 109 109.1 | 98.3 98.5 97.4 97.7 96.6 | 99.4 99.5 99.3 99.8 98.7
-Zuid-Holland 119.2 118.4 119.5 117.8 117.8 | 101.5 100.7 101.4 102.6 101.7 | 109.3 109.1 109.1 110.3 109
-Noord-Holland 120.8 119 116.9 117.6 115.6 | 102.7 102.6 101.2 100.8 100.3 | 113.2 112.1 110.2 110.3 109
-Zeeland 114.9 108.5 108.4 109.2 107.7 | 102.8 103.5 102.4 103.5 103.3 | 104.7 104.3 103.3 104.4 104
-Utrecht 112.5 110.8 119.2 115.5 115 | 98 100.3 98.4 97.1 97.2 | 103.8 104.6 105.2 104.3 104.2
-Friesland 102.7 103.5 101.7 99.8 99.6 | 103.1 104.9 103.6 102.4 101.7 | 103 104.4 103.1 101.7 101.1
-Overijsel 105.7 112.4 110.6 106.4 105.6 | 95.7 97.1 96.1 95.3 95.3 | 97.7 100.1 98.9 97.5 97.4
-Groningen 114.3 112.4 117.5 117.1 114.7 | 100.3 101.5 101.8 101.9 100.5 | 102.9 103.5 104.5 104.3 102.8
-Drenthe — — — — — | 96.4 97.2 95.8 94 93.9 | 96.4 97.2 95.8 94 93.9
-Limburg 102 88 103.5 107.1 107.5 | 101 99 97.6 96.9 96.5 | 101.1 97.5 98.3 98.1 97.9
- | |
-Het Rijk 114.2 112.6 114.2 114.2 112.9 | 100.5 100.7 99.8 99.5 99.1 | 104.5 104.2 104 103.8 103.1
-
-
-De overmaat van vrouwen is dus bij ons te lande het grootst in de
-gemeenten van meer dan 10,000 zielen. In de provinciën waar weinig of
-geen sterk bevolkte gemeenten voorkomen en het platteland de overhand
-heeft (Gelderland, Overijsel, Drenthe, Limburg), hebben zelfs de mannen
-de meerderheid. In de grootste gemeenten is daarentegen de overmaat van
-vrouwen het grootst, zooals blijkt uit den volgenden staat:
-
-
-GEMEENTEN. Overmaat der vrouwen. | Aantal vrouwen op 100 mannen.
- |
- 1829 1839 1849 1859 | 1829 1839 1849 1859
- Werk. | Werk.
- |
-Amsterdam 21700 20653 20323 20684 | 124 121.7 120 118.6
-Rotterdam 7761 8480 8673 9738 | 124.1 124.4 121.3 120.2
-’s Gravenhage 4835 5236 6445 7244 | 118.9 118 119.6 120.4
-Utrecht 2627 2811 4037 4008 | 114.3 112.3 118.5 116.4
-Leiden 2302 2252 3063 2352 | 112.9 112.8 118.7 113.5
-Groningen 2022 1954 2706 2447 | 115.6 112.4 117.5 114.7
-
-
-De overmaat van vrouwen is niet slechts betrekkelijk het grootst in de
-meest-, maar tevens het kleinst in de minst-bevolkte gemeenten. Bij de
-volkstellingen van 1859 werden er op 100 mannen aangetroffen in de
-gemeenten van 10000 tot 6001 zielen, 106; in die van 6000 tot 3001
-zielen, 99.4; in die van 3000 zielen en minder 98.4 vrouwen. Een der
-oorzaken hiervan is, dat zoovele vrouwen van het platteland naar de
-grootere gemeenten gaan om daar dienstboden te worden.
-
-Wanneer men de levenstijdperken in aanmerking neemt, was de verhouding
-tusschen het aantal individu’s van de mannelijke en de vrouwelijke
-sekse in Nederland als volgt:
-
-
-LEVENSTIJDPERKEN. 1 Januari 1830. | 1 Januari 1840.
- |
- Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal
- aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen
- mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100
- mannen. | mannen.
- |
- 0–1 jaar 33646 31824 97.5 | 37055 36488 98.4
- 1–6  ,,  172093 167995 97.6 | 187843 169423 90.1
- 6–12  ,,  178970 174810 93.8 | 183861 178981 97.3
-12–16  ,,  106909 104976 98.1 | 122400 119057 97.1
-16–20  ,,  90924 93918 103.2 | 110319 111907 101.4
-20–30  ,,  206372 218689 105.9 | 228941 241011 105.2
-30–50  ,,  289064 318995 110.3 | 328422 350147 106.6
-50–75  ,,  176521 199952 113.2 | 183316 213201 116.3
-75–90  ,,  17335 21588 124.5 | 17889 22866 127.8
-90 en hooger. 414 628 151.6 | 419 636 151.7
-Van onbekenden ouderdom 5758 917 — | 539 50 —
- ======= ======= ===== | ======= ======= =====
-Totaal 1278006 1335292 104.4 | 1401004 1459555 104.1
-
-
-LEVENSTIJDPERKEN. 19 November 1849. | 31 December 1859.
- | Werkelijke bevolking.
- |
- Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal
- aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen
- mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100
- mannen. | mannen.
- |
- 0–1 jaar 40344 39062 96.8 | 49032 48215 98.3
- 1–6  ,,  169423 167199 98.6 | 188829 186554 98.7
- 6–12  ,,  209676 203345 98.2 | 212331 208205 98.1
-12–16  ,,  127906 125417 98 | 124474 121888 97.9
-16–20  ,,  192619 194950 101.2 | 220407 220824 100.1
-20–30  ,,  181492 188021 103.5 | 181832 189331 104.1
-30–50  ,,  358750 376813 105 | 406331 420575 103.4
-50–75  ,,  202769 238956 117.8 | 228181 261244 110.1
-75–90  ,,  17995 23594 121.1 | 16634 22054 132.5
-90 en hooger 402 614 152.7 | 330 505 153
-Van onbekenden ouderdom 135 97 — | 647 698 —
- ======= ======= ===== | ======= ======= =====
-Totaal 1498811 1558068 104.0 | 1629035 1680093 103.1
-
-
-Voor Nederland moeten dus de regels 4 tot 7 van Prof. Boccardo (blz.
-504) eenigszins worden gewijzigd, daar de vrouwelijke sekse na het 15de
-jaar voortdurend talrijker is dan de mannelijke, en deze overmaat met
-den leeftijd hoe langer hoe meer toeneemt, zoodat tusschen het 50ste en
-70ste jaar dan ook geen periode van numerische gelijkheid intreedt.
-
-Overigens is de verhouding in de verschillende provinciën van ons
-vaderland eenigszins verschillend. Zoo waren er bij de volkstelling van
-1859 in Zuid-Holland van elk levensjaar meer vrouwen dan mannen en in
-Drenthe van elk levensjaar beneden 90 jaren meer mannen dan vrouwen.
-
-Het aantal geboren jongens overtreft dat der meisjes in elk jaar en in
-elke provincie. Gedurende het 25-jarig tijdperk 1840–64 werden op 100
-meisjes in Zeeland 105.9, in Zuid-Holland 106, in Gelderland 106.3, in
-Groningen 106.4, in Friesland 106.8, in Noord-Holland 106.9, in Drenthe
-107, in Utrecht 107.1, in Overijsel 107.2, in Noord-Brabant 107.4, in
-Limburg 107.4, en gemiddeld over het geheele Rijk 106.6 jongens
-geboren.
-
-Daar krachtens een circulaire van den minister van justitie van 13 Mei
-1839 alle kinderen, overleden vóór de aangifte, als levenloos
-aangegeven in de sterfte-registers worden ingeschreven, zonder dat het
-blijkt of zij al dan niet na de geboorte hebben geleefd, is het
-onmogelijk de in Nederland geborenen in levend- en doodgeborenen, maar
-wel in levend- en levenloos aangegevenen te splitsen. Wanneer men bij
-beide categoriën de verhouding tusschen de seksen nagaat, vindt men dat
-er in verhouding tot het geheele aantal meer jongens dan meisjes
-levenloos worden aangegeven, hetgeen overeenkomt met den door Darwin op
-blz. 477 aangehaalden regel. Dit blijkt uit den volgenden staat, waarin
-voor elke sekse wordt aangegeven op hoeveel geborenen één levenloos
-aangegevene komt.
-
-
- 1840/64 1865 1840/64 1865
-
- Drenthe 22 19.51 27.58 20.03
- Friesland 21.53 18.13 27.52 22.43
- Limburg 20.46 22.32 25.06 21.99
- Groningen 19.57 18.37 23.32 22.81
- Utrecht 19.11 20.34 21.82 20.31
- Noord-Brabant 18.25 15.10 22.01 18.73
- Noord-Holland 18.18 18.32 22.12 22.19
- Zuid-Holland 18.05 18.85 21.71 21.89
- Overijsel 17.28 16.35 20.01 20.13
- Gelderland 17.15 15.25 20.37 19.76
- Zeeland 16.44 14.56 20.27 16.93
- Het Rijk 18.41 17.50 22.18 20.80
-
-
-Ook het door Darwin op blz. 477, 478, 479 vermelde feit, dat de
-overmaat van de mannelijke geboorten over de vrouwelijke kleiner is,
-wanneer zij wettig dan wanneer zij onwettig zijn, gaat in Nederland in
-den regel door, zooals blijkt uit den volgenden staat, die de
-gemiddelde getallen over het vijf-en-twintigjarig tijdperk 1840/64
-geeft.
-
-
- PROVINCIËN. Aantal wettig geboren Aantal onwettig geboren
- jongens op 100 wettig jongens op 100 onwettig
- geboren meisjes. geboren meisjes.
-
- Noord-Brabant 107.4 107.7
- Gelderland 106.3 105.3
- Zuid-Holland 106.1 104.4
- Noord-Holland 106.9 106.2
- Zeeland 106 103.7
- Utrecht 107.3 103.4
- Friesland 106.9 101.7
- Overijsel 107.3 106.2
- Groningen 106.6 103.8
- Drenthe 107 106
- Limburg 107.6 102.2
- Het Rijk 106.7 104.8
-
-
-Voor uitvoeriger bijzonderheden omtrent de verhouding tusschen het
-aantal individu’s van beide seksen in Nederland verwijzen wij naar de
-aangehaalde hoofdstukken van de „Algemeene Statistiek van Nederland.”
-De drie na 1859 gehouden volkstellingen behoeven wij hier niet in
-bijzonderheden na te gaan. Zij bevestigen de algemeene resultaten,
-waartoe wij boven uit de vier volkstellingen van 1829, 1839, 1849 en
-1859 kwamen.
-
-(6) Omtrent de oorzaken die bepalen tot welke sekse een kind zal
-behooren, merkt Prof. Dr. E H. Kisch te Praag in „Humboldt”, Aug. 1888
-(„Zur Geschlechtsentstehung beim Menschen”) o.a. op (omtrent de gronden
-waarop zijn stellingen berusten, zie men het oorspronkelijke):
-
-1. Als de man minstens tien jaar ouder is dan de vrouw en deze 20 tot
-25 jaar oud is, ontstaan zeer aanmerkelijk meer jongens dan meisjes.
-Deze overmaat van jongens is ook nog groot als de man minstens tien
-jaar ouder dan de vrouw en deze meer dan 26 jaar oud is. Daarentegen
-ontstaan minder jongens dan meisjes, zelfs als de man ouder is dan de
-vrouw, als deze minder dan 20 jaar oud is. Het grootst is de overmaat
-van meisjes als de man en de vrouw even oud zijn. Als de vrouw ouder
-dan de man is, ontstaat een matige overmaat van jongens.
-
-2. Uit een door Düsing omtrent de geboorten in Noorwegen,
-Elzas-Lotharingen en te Berlijn opgemaakte statistiek blijkt, dat bij
-gelijken leeftijd der moeder oude en jonge mannen meer jongens
-verwekken dan bij mannen van middelbaren leeftijd het geval is.
-
-3. Behalve den leeftijd der ouders is ook hun doorvoedheid van invloed.
-De voeding der ouders schijnt van invloed te zijn op de hoedanigheid
-der seksueele stoffen (ei en sperma). Physiologisch wordt aangenomen,
-dat een zeer gunstige toestand van ei en sperma tot het ontstaan van
-meisjes leidt. Het ei, zoodra het in de baarmoeder is getreden, en het
-sperma na de ejaculatie gaan, zoolang zij niet met elkander in
-aanraking zijn gekomen, den dood tegemoet. Hoe langer dus die aanraking
-op zich laat wachten, hoe meer zij verkwijnen. Daardoor hangt de sekse
-af van het tijdstip waarop het ei na zijn intrede in de baarmoeder
-wordt bevrucht, zoodat uit het spoedig bevruchte ei een meisje, uit het
-laat (minstens acht dagen na de menstruatie) bevruchte een jongen
-ontstaat. Echter kan de uitstekende hoedanigheid van het sperma ook in
-het laatste geval een meisje en de slechte hoedanigheid van het sperma
-ook in het eerste geval een jongen doen ontstaan.
-
-4. Volgens E. Fürst te Weenen ontstaat als de conceptie vier of vijf
-dagen na het einde der menstruatie plaats heeft, een overmaat van
-jongens; heeft zij later plaats, een overmaat van meisjes. Dit
-resultaat leidt Fürst af uit een statistiek van de dagen der conceptie
-en bevalling van 292 gevallen uit de Braunsche kliniek te Weenen. Het
-komt niet goed met 3 overeen.
-
-5. Bij zwakke menstruatie is er een grooter overmaat van jongens dan
-bij overvloedige menstruatie (Düsing).
-
-6. Uit de statistiek der Pruisische stoeterijen blijkt volgens Düsing,
-dat, als de hengst dikwijls dekt, meer hengstveulens worden geboren dan
-wanneer hij weinig dekt. Fouquet kwam tot het zelfde resultaat bij
-stieren. Een stier die dikwijls springt, verwekt overmaat van
-stierkalveren; bij kudden bij welke veel stieren worden gehouden,
-ontstaat een overmaat van koekalveren.
-
-In „Humboldt”, Oct. 1888, deelt W. O. Focke mede, dat volgens het „1.
-Supplement zu den Veröffentlichungen des Statistischen Amtes der Stadt
-Berlin” aldaar in 1886 op 40000 wettig geborenen de volgende
-verhoudingen plaats hadden:
-
-
-Van 19-jarige vaders ontstonden 3 mannelijke, 0 vrouwelijke kinderen.
-,, 20 ,, ,, ,, 20 ,, 2 ,, ,,
-,, 21 ,, ,, ,, 73 ,, 16 ,, ,,
-,, 22 ,, ,, ,, 213 ,, 51 ,, ,,
-,, 23 ,, ,, ,, 394 ,, 194 ,, ,,
-,, 24 ,, ,, ,, 603 ,, 379 ,, ,,
-
-enz.
-
-
-Door vaders onder 24 jaar werden bij moeders onder 18 jaar 10 jongens
-en geen enkel meisje verwekt. Van vaders en moeders onder 21 jaren
-stamden eveneens 10 jongens en geen enkel meisje af.
-
-De jongste gehuwde moeders waren 16 jaren oud, maar onder de ongehuwde
-waren eenigen nog jonger. Buiten echt werden geboren:
-
-
- Van moeders onder 15 jaar 2 meisjes.
- ,, ,, van 15 ,, 3 jongens, 6 ,,
- ,, ,, ,, 16 ,, 27 ,, 26 ,,
- ,, ,, ,, 17 ,, 62 ,, 62 ,,
-
-enz.
-
-
-Bij jeugdigen leeftijd des vaders (22–26 jaar) en hoogeren leeftijd der
-moeders (33–43 jaar) werden 88 jongens en 28 meisjes verwekt.
-
-(7) De wetenschappelijke naam van den „Dal-ripa” is Lagopus subalpina.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET
-DIERENRIJK.
-
- Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende
- kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren
- (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer
- ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen, dan op
- volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren;
- sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda).
-
-
-Bij de laagste klassen zijn de beide seksen niet zelden in één en het
-zelfde individu vereenigd, en kunnen daarom geen secundaire seksueele
-kenmerken worden ontwikkeld. In vele gevallen, waarin de twee seksen
-zijn gescheiden, zijn beide bestendig aan een of ander steunsel
-vastgehecht, en de eene kan de andere niet zoeken of om haar bezit
-kampen. Daarenboven is het bijna zeker, dat deze dieren te onvolmaakte
-zinnen en veel te laag ontwikkelde geestvermogens hebben om
-ijverzuchtig op elkander te zijn of om elkanders schoonheid of andere
-bekoorlijkheden op prijs te stellen
-
-Vandaar komen in deze klassen, zooals de Vormlooze Dieren (Protozoa)
-(1), de Neteldieren (Coelenterata), de Stekelhuidigen (Echinodermata),
-de Weekwormen (Scolecida) enz. geen ware secundaire seksueele kenmerken
-voor, en dit feit komt overeen met het geloof, dat die kenmerken bij de
-hoogere klassen zijn verkregen door seksueele teeltkeus, welke afhangt
-van den wil, de begeerten en de keus der beide seksen. Toch bestaan er
-hierop eenige weinige schijnbare uitzonderingen; zoo verschillen, naar
-ik van Dr. Baird hoorde, de mannetjes van sommige Ingewandswormen
-(Entozoa) een weinig in kleur van de wijfjes; maar wij hebben geen
-reden om te onderstellen, dat die verschillen door seksueele teeltkeus
-zijn vermeerderd.
-
-Vele der lagere dieren, hetzij hermaphrodieten of met gescheiden
-geslachten, prijken met de schitterendste kleuren, of zijn op bevallige
-wijze geschakeerd en gestreept. Dit is het geval met vele Koralen en
-Zeeanemonen (Actiniae), met sommige Schijfkwallen (Medusae, Porpita
-enz.), met sommige Platwormen (Planariae), Zakpijpen (Ascidiae),
-talrijke Zeesterren, Zeeklitten (Echini) enz.; maar wij mogen besluiten
-om de reeds opgegeven redenen, namelijk de vereeniging van de beide
-seksen bij sommige dezer dieren, den bestendig vastzittenden toestand
-van anderen, en de laag ontwikkelde geestvermogens van allen, dat deze
-kleuren niet dienen als middel om de andere sekse aan te trekken en
-niet zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Met de hoogere
-dieren is het een geheel ander geval; want, wanneer bij deze de eene
-sekse veel schitterender of opzichtiger gekleurd is dan de andere, en
-er geen onderscheid is tusschen de gewoonten der beide seksen, dat dit
-verschil verklaart, hebben wij reden om aan den invloed der seksueele
-teeltkeus te gelooven; en dit geloof wordt sterk bevestigd, wanneer de
-meer versierde individu’s, dat bijna altijd de mannetjes zijn, met hun
-bekoorlijkheden voor de andere sekse pronken. Wij mogen dit besluit ook
-tot beide seksen uitstrekken, wanneer zij de zelfde kleuren bezitten,
-en die kleuren duidelijk overeenkomen met die, welke bij zekere soorten
-van de zelfde groep alleen aan ééne der seksen eigen is. Hoe moeten wij
-ons dan rekenschap geven van de schoone en zelfs prachtige kleuren van
-sommige dieren in de laagste klassen? Het schijnt zeer twijfelachtig,
-of dergelijke kleuren gewoonlijk tot bescherming dienen; maar wij
-kunnen uiterst gemakkelijk dwalen ten opzichte van kenmerken van
-allerlei aard met betrekking tot bescherming, zooals iedereen zal
-toegeven, die de uitnemende verhandelingen van den heer Wallace heeft
-gelezen. Het zou bij voorbeeld niemand dadelijk invallen, dat de
-volkomen doorzichtigheid der Medusen of Schijfkwallen hun als
-beschermend middel de grootste diensten bewees, maar wanneer Haeckel
-ons herinnert, dat niet slechts de Medusen, maar ook vele drijvende
-weekdieren, schaaldieren en zelfs kleine zeevisschen dit zelfde
-glasachtige maaksel bezitten (2), dan kunnen wij moeilijk betwijfelen,
-dat zij daardoor ontsnappen aan de opmerkzaamheid van zeevogels en
-andere vijanden.
-
-Niettegenstaande onze onwetendheid, in hoever de kleur in vele gevallen
-tot bescherming dient, komt het mij voor de waarschijnlijkste meening
-ten opzichte der prachtige tinten van vele der laagste dieren te zijn,
-dat hun kleuren het rechtstreeksche gevolg zijn, hetzij van de
-scheikundige samenstelling of van de fijnere structuur van hun
-weefsels, onafhankelijk van elk daaruit ontspruitend voordeel. Geen
-kleur is wellicht schooner dan die van slagaderlijk bloed; maar er is
-geen reden om te onderstellen, dat de kleur van het bloed op zich zelve
-in eenig opzicht voordeelig is; en hoewel zij de schoonheid der wangen
-van een meisje vermeerdert, zal niemand willen beweren, dat zij tot dit
-doel is verkregen. Evenzoo is bij vele dieren, vooral bij de lagere, de
-gal rijk gekleurd; de heer Hancock deelt mij bij voorbeeld mede, dat de
-buitengewone schoonheid der Eolidae (naakte zeeslakken) vooral daarvan
-het gevolg is, dat men de galklieren door de doorschijnende huid heên
-ziet; van deze schoonheid hebben deze dieren waarschijnlijk geen
-dienst. (3) De tinten der afvallende bladeren in een Amerikaansch bosch
-worden door iedereen als prachtig beschreven, en toch onderstelt
-niemand, dat deze tinten aan de boomen in het minst voordeelig zijn.
-Wanneer men bedenkt, hoevele zelfstandigheden die in hooge mate met
-natuurlijke organische stoffen overeenkomen, en die de prachtigste
-kleuren bezitten, in den laatsten tijd door de scheikundigen zijn
-gevormd, zou het een vreemd verschijnsel zijn geweest, indien eveneens
-gekleurde stoffen niet dikwijls, onafhankelijk van een daardoor te
-bereiken nuttig doel, in het samengestelde laboratorium der levende
-organismen waren ontstaan.
-
-
-
-Het Onder-Rijk der Weekdieren (Mollusca).—In deze groote afdeeling (in
-haar wijdste beteekenis genomen) van het Dierenrijk komen secundaire
-seksueele kenmerken, zooals die waarover wij hier handelen, voor zoover
-ik kan nagaan, nooit voor. Dit kon men ook niet verwachten bij de drie
-laagste klassen, namelijk de Zakpijpen (Ascidiae), de Mosdieren
-(Polyzoa) en Armpootigen (Brachiopoda), die te zamen de Molluscoïda van
-Huxley uitmaken; want de meeste dezer dieren zijn bestendig aan een
-steunsel bevestigd of hebben beide seksen in één en het zelfde individu
-vereenigd. Bij de Plaatkieuwigen (Lamellibranchiata) is
-hermaphroditisme niet zeldzaam. Bij de in rang onmiddellijk boven hen
-staande Buikpootigen (Gasteropoda) zijn de seksen bij sommige soorten
-vereenigd en bij andere gescheiden. In dit laatste geval bezitten de
-mannetjes echter nooit bijzondere organen om de wijfjes te vinden, vast
-te houden of te bekoren, of om met andere mannetjes te vechten. Het
-eenige uitwendige verschil tusschen de beide seksen bestaat, naar de
-heer Gwyn Jeffreys mij mededeelt, in een eenigszins anderen vorm van de
-schelp; zoo is bij voorbeeld de schelp van de mannelijke alikruik
-(Littorina littorea) nauwer en heeft een langer spiraal dan die van het
-wijfje. Men mag echter vermoeden, dat dergelijke verschillen in
-rechtstreeksch verband staan met de voortplantingshandeling of met de
-ontwikkeling van de eieren.
-
-Hoewel de Buikpootigen zich vrij kunnen bewegen en onvolkomen oogen
-bezitten, schijnen zij geen genoeg ontwikkelde geestvermogens te
-bezitten, dan dat de leden van de zelfde seksen als medeminnaars samen
-zouden strijden en zoo secundaire seksueele kenmerken verkrijgen. Bij
-de het land bewonende Longslakken (Pulmonata) wordt de paring door een
-vrijage voorafgegaan; want deze dieren, hoewel hermaphrodieten, worden
-door hun maaksel genoodzaakt met elkander te paren. Agassiz merkt op
-[635]: „Quiconque a eu l’occasion d’observer les amours des limaçons,
-ne saurait mettre en doute la séduction déployée dans les mouvements et
-les allures, qui préparent et accomplissent le double embrassement de
-ces hermaphrodites.” Deze dieren schijnen ook vatbaar te zijn voor een
-zekere mate van bestendige genegenheid; een nauwkeurig waarnemer, de
-heer Lonsdale, deelt mij mede, dat hij een paar wijngaardslakken (Helix
-pomatia), waarvan de eene zwak was, in een kleinen en slecht voorzienen
-tuin zette. Na korten tijd verdween het sterke en gezonde individu en
-het slijmige spoor, dat het had achtergelaten, bewees, dat het over den
-muur naar een naburigen wel voorzienen tuin was gekropen. De heer
-Lonsdale besloot hieruit, dat het zijn ziekelijken makker had verlaten,
-maar na een afwezigheid van vier-en-twintig uren keerde het terug en
-deelde blijkbaar den uitslag van zijn voorspoedige ontdekkingsreis
-mede; want beide kropen toen langs het zelfde spoor weg en verdwenen
-over den muur.
-
-Zelfs in de hoogste klasse der Weekdieren, namelijk die der Koppootigen
-(Cephalopoda), waarin de seksen gescheiden zijn, komen, voor zoover ik
-kan ontdekken, geen secundaire seksueele kenmerken van die soort welke
-wij hier beschouwen, voor. Dit is een verwonderlijk feit, daar deze
-dieren hoog ontwikkelde zintuigen en aanmerkelijke geestvermogens
-bezitten, zooals iedereen zal toestemmen, die hun kunstige popingen om
-hun vijanden te ontsnappen heeft waargenomen. [636] Sommige Koppootigen
-onderscheiden zich echter door één buitengewoon kenmerk, dat namelijk
-het mannelijk element zich in een der armen of voelers verzamelt, die
-daarna wordt afgeworpen, en, zich met zijn zuignappen aan het wijfje
-klemmende, voor een tijd een zelfstandig leven leidt. De afgeworpen arm
-gelijkt zoo volkomen op een afzonderlijk dier, dat hij door Cuvier als
-een parasietische worm is beschreven onder den naam van Hectocotylus.
-Dit verwonderlijke orgaan kan echter eer als een primair dan als een
-secundair seksueel kenmerk worden beschouwd. (4)
-
-Hoewel bij de Weekdieren de seksueele teeltkeus niet in het spel
-schijnt te zijn gekomen, zijn toch vele horens en schelpen, zooals
-spiraalhorens (Voluta), kegelhorens (Conus), pelgrimschelpen enz.,
-fraai gekleurd en schoon van vorm. De kleuren schijnen in de meeste
-gevallen niet tot bescherming te dienen; zij zijn waarschijnlijk,
-evenals bij de laagste klassen, het rechtstreeksche gevolg van den aard
-der weefsels, terwijl de vorm van de schelp van haar wijze van groei
-afhangt. De hoeveelheid licht schijnt tot zekere hoogte van invloed te
-zijn; want hoewel, zooals herhaaldelijk door den heer Gwyn Jeffreys is
-getuigd, de horens en schelpen van sommige op groote diepte levende
-soorten levendige kleuren vertoonen, zien wij toch over het algemeen,
-dat de ondervlakten en de door den mantel bedekte deelen minder hoog
-gekleurd zijn, dan de bovenvlakten en de aan het licht blootgestelde
-deelen. [637] In sommige gevallen, zooals bij horens en schelpen wier
-bezitters tusschen koralen of helder gekleurde zeewieren leven, dienen
-de levendige kleuren wellicht tot bescherming. [638] Vele
-Naaktkieuwigen (Nudibranchia), of Zeeslakken, zijn echter even schoon
-gekleurd als eenige horen of schelp, zooals men kan zien in het
-prachtige werk van de heeren Alder en Hancock; en volgens de inlichting
-die de heer Hancock zoo vriendelijk was mij te geven, is het uiterst
-twijfelachtig, of deze kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige
-soorten is dit wellicht het geval, zooals bij een, die op het groene
-loof van wieren (Algae) leeft en zelf helder groen is. Maar vele helder
-groene, witte of op andere wijze opzichtig gekleurde soorten zoeken
-zich niet te verbergen, terwijl daarentegen sommige even opzichtige,
-evenals andere dof gekleurde soorten onder steenen en in donkere
-schuilhoeken leven. Bij deze Naaktkieuwigen staat derhalve de kleur
-blijkbaar volstrekt niet in een nauw verband met den aard hunner
-woonplaats.
-
-Hoewel deze naakte Zeeslakken hermaphrodieten zijn, paren zij toch met
-elkander, evenals de Landslakken, van welke laatsten vele uiterst
-fraaie horens hebben. Het is denkbaar, dat twee hermaphrodieten, door
-elkanders groote schoonheid aangetrokken, zich vermengen en kroost
-nalaten, dat de grootere schoonheid hunner ouders zou overerven. Bij
-zulke laag georganiseerde wezens is dit echter uiterst
-onwaarschijnlijk. (5) Het is ook volstrekt niet duidelijk, waarom het
-kroost van de schoonere hermaphrodieten eenig voordeel waardoor het in
-aantal toenam, zou hebben boven het kroost der minder schoone, wanneer
-ten minste schoonheid en kracht niet gewoonlijk gepaard gingen. Wij
-hebben hier niet een aantal mannetjes die vroeger tot volkomen
-seksueele ontwikkeling komen dan de wijfjes, en waarvan de schoonste
-door de sterkste wijfjes worden uitgekozen. Indien echter schitterende
-kleuren voor een hermaphroditisch dier voordeelig waren met betrekking
-tot zijn algemeene levenswijze, dan zouden inderdaad de levendiger
-gekleurde individu’s het best slagen en in aantal toenemen; maar dit
-zou een geval van natuurlijke en niet van seksueele teeltkeus zijn.
-
-
-
-Het Onder-Rijk der Wormen (Vermes): Klasse der Ringwormen
-(Annelida).—Hoewel in deze klasse de seksen (wanneer zij gescheiden
-zijn) somtijds van elkander verschillen in zoo belangrijke kenmerken,
-dat zij wel eens tot verschillende geslachten of zelfs families zijn
-gebracht, schijnen die verschillen echter niet van zoodanigen aard te
-zijn, dat zij veilig aan seksueele teeltkeus kunnen worden
-toegeschreven. Deze dieren zijn dikwijls fraai gekleurd; doch, daar de
-beide seksen in dit opzicht niet verschillen, zijn zij hier voor ons
-niet van veel belang. Zelfs de Snoerwormen (Nemertina) wedijveren,
-hoewel zoo laag georganiseerd, „in schoonheid en verscheidenheid van
-kleuren met elke andere groep ongewervelde dieren”; Dr. McIntosh [639]
-kan echter toch niet ontdekken, dat deze kleuren eenig nut hebben. De
-vastzittende ringwormen worden volgens Quatrefages [640] na den
-voortplantingstijd doffer gekleurd, en ik onderstel, dat dit aan hun te
-dier tijde minder krachtigen toestand mag worden toegeschreven. Al deze
-wormachtige dieren staan blijkbaar te laag op de ladder, dan dat de
-individu’s van ééne der beide seksen eenige voorkeur zouden betoonen
-bij het zoeken naar een individu van de andere sekse om zich mede voort
-te planten, of dat de individu’s van een zelfde sekse als medeminnaars
-met elkander zouden strijden.
-
-
-
-Het Onder-Rijk der Gelede Dieren (Arthrozoa): Klasse der Schaaldieren
-(Crustacea).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst
-ontwijfelbare secundaire seksueele kenmerken, die dikwijls buitengewoon
-ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten der Schaaldieren slechts
-zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele deelen die
-slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij
-de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte,
-en bezitten alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen,
-terwijl de wijfjes deze organen missen en haar lichaam dikwijls slechts
-uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone verschillen tusschen
-de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar hoogst
-verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij
-verschillende Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende,
-zijn de voorste sprieten voorzien van bijzondere draadvormige lichamen,
-die men voor reukorganen houdt, en deze zijn veel talrijker bij de
-mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder eenige
-buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat
-zouden zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de
-vermeerdering van het aantal reukdraden waarschijnlijk een gevolg van
-de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes die er het grootste getal van
-bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden en hun geslacht
-voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische
-soort van Tanais beschreven, bij welke het mannetje door twee
-verschillende vormen wordt vertegenwoordigd, tusschen welke geen
-overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het mannetje
-een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer
-knijpers (chelae), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz
-Müller oppert het denkbeeld, dat deze verschillen tusschen de beide
-mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan, doordat bij
-sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en grootte
-der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in
-staat waren het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best
-in staat waren haar vast te houden als zij haar hadden gevonden, het
-grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten, die hun respectieve
-voordeelen erfden. [641]
-
-Bij sommige der lagere Schaaldieren verschilt de rechter voorste spriet
-zeer in maaksel van den linker, welke laatste evenals die van het
-wijfje uit leedjes bestaat, die naar het einde toe dunner worden. De
-gewijzigde spriet van het mannetje is in het midden òf opgezwollen òf
-met een hoek omgebogen òf in een bevallig en soms verwonderlijk
-samengesteld grijporgaan (Fig. 16) veranderd. [642] Het dient, naar ik
-van Sir J. Lubbock hoor, om het wijfje vast te houden, en voor het
-zelfde doel is één der beide achterpooten (b) aan de zelfde zijde van
-het lichaam in een knijper veranderd. In een andere familie vertoonen
-de onderste of achterste sprieten alleen bij de mannetjes „een
-merkwaardigen zigzag-vorm.”
-
-Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers
-(chelae) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het
-wijfje. Bij vele soorten zijn de knijpers aan de tegenovergestelde
-zijden van het lichaam van ongelijke grootte; die aan de rechterzijde
-is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk, hoewel niet
-altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het
-mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook
-in maaksel (Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het
-wijfje gelijkt. Welk voordeel wordt verkregen door hun ongelijkheid in
-grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en door
-hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en
-waarom beide, als zij even groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel
-grooter zijn dan bij het wijfje, is niet bekend. De knijpers zijn
-dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer Spence Bate
-hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den
-mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben
-(Palaemon) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam.
-[643] Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot
-met zijn knijpers het mannetje helpt bij het gevecht met zijn
-medeminnaars; maar dit gebruik verklaart hun ongelijke grootte aan de
-tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje niet. Bij een
-soort van strandkrab (Gelasimus) leven, volgens een door Milne Edwards
-aangehaalde mededeeling [644], het mannetje en het wijfje in het zelfde
-hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar het bewijst, dat zij
-paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het hol met
-een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze
-hier indirect als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun
-voornaamste doel is echter waarschijnlijk om het wijfje te grijpen en
-vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de zoetwatergarnalen
-(Gammarus) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone
-strandkrab (Carcinus maenas) paren de beide seksen echter, naar de heer
-Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk nadat het wijfje is verveld en
-haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht, dat zij zou
-worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje
-werd gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en
-medegedragen, vóór zij vervelt, kan het dan zonder gevaar geschieden.
-
-Fritz Müller verhaalt, dat sommige soorten van Melito zich van alle
-andere Vlookreeften (Amphipoda) onderscheiden, doordat bij de wijfjes
-de „heupplaatjes van het voorlaatste paar pooten tot haakvormige
-aanhangsels zijn verlengd, welke aanhangsels de mannetjes grijpen met
-de knijpers van het eerste paar.” De ontwikkeling dezer haakvormige
-aanhangsels werd waarschijnlijk veroorzaakt, doordat die wijfjes welke
-gedurende de voortplantingshandeling het stevigst vast konden worden
-gegrepen, de grootste nakomelingschap nalieten. Fritz Müller beschrijft
-nog een andere soort van Braziliaansche vlookreeft (Orchestia Darwinii,
-fig. 20, 21, 22), die een dergelijk dimorphisme als Tanais vertoont;
-want er bestaan daarvan twee mannelijke vormen, die in den bouw hunner
-knijpers verschillen. [645] Daar knijpers van ééne dier beide vormen
-zeker voldoende zouden zijn geweest om het wijfje vast te houden, want
-beide worden tegenwoordig voor dat doel gebruikt, zijn de beide
-mannelijke vormen waarschijnlijk ontstaan, doordat sommige individu’s
-op de eene, andere op de andere wijze afweken; terwijl beide vormen het
-een of ander bijzonder, maar bijna even groot voordeel trokken uit hun
-verschillend gevormde organen.
-
-Het is niet bekend, of de Schaaldieren met elkander strijden om het
-bezit der wijfjes, maar dit is waarschijnlijk het geval; want bij de
-meeste dieren waarvan het mannetje grooter is dan het wijfje, schijnt
-het zijn grootere gestalte te hebben verkregen, doordat gedurende vele
-geslachten de grootere mannetjes de kleinere hebben overwonnen. Nu
-deelt mij de heer Spence Bate mede, dat bij de meeste orden der
-Schaaldieren, in het bijzonder bij de hoogste, die der Krabben
-(Brachyura) het mannetje grooter is dan het wijfje; de parasietische
-geslachten, waarbij de beide seksen een verschillende levenswijze
-volgen, en de meeste Entomostraca maken hierop echter een uitzondering.
-De knijpers van de meeste Schaaldieren zijn uitnemend voor den strijd
-geschikte wapenen. Zoo zag een zoon van den heer Bate een duivelskrab
-(Portunus puber) met een strandkrab (Carcinus maenas) vechten, waarbij
-de laatste spoedig op den rug geworpen en alle leden van zijn lichaam
-afgescheurd werden. Toen Fritz Müller verscheidene mannetjes van een
-Braziliaansche strandkrab (Gelasimus), een soort die ontzaglijke
-knijpers bezit, bij elkander in een glazen vat plaatste, doodden en
-verminkten zij elkander. De heer Bate zette een groote mannelijke
-strandkrab (Carcinus maenas) in een pot met water, die door een wijfje
-dat met een kleiner mannetje gepaard was, werd bewoond; dit laatste
-werd spoedig onteigend; „als zij echter vochten”, voegt de heer Bate er
-bij „dan kostte de overwinning geen bloed; want ik zag geen wonden.” De
-zelfde natuuronderzoeker scheidde een mannelijke vlookreeft (Gammarus
-marinus), zoo gewoon op onze stranden, van zijn wijfje, en zette beide,
-elk afzonderlijk, in één vat met vele individu’s van de zelfde soort.
-Het aldus van haar mannetje gescheiden wijfje paarde met haar makkers.
-Na eenigen tijd werd het mannetje weder in het zelfde vat gebracht, en
-na een tijd lang te hebben rondgezwommen, begaf hij zich te midden der
-overigen en voerde zonder eenig gevecht eensklaps zijn wijfje mede. Dit
-feit bewijst, dat bij de Vlookreeften (Amphipoda), een orde die laag op
-de ladder staat, de mannetjes en wijfjes elkander herkennen en
-wederkeerig aan elkander gehecht zijn.
-
-De geestvermogens der Schaaldieren zijn waarschijnlijk hooger
-ontwikkeld dan men wellicht zou hebben verwacht. Ieder die heeft
-beproefd een der op vele kusten van tropische landen zoo menigvuldige
-strandkrabben te vangen, zal hebben bemerkt, hoe voorzichtig en
-waakzaam zij zijn. Op koraaleilanden vindt men een groote krabsoort
-(Birgus latro), die op den bodem van een diep hol een dik bed maakt van
-door haar bijeen verzamelde vezels van de kokosnoot. Zij voedt zich met
-de afgevallen vruchten der kokospalmen, pelt er de vezels van het
-omkleedsel vezel voor vezel van af, en begint daarbij altijd aan dat
-einde, waar de drie oogvormige diepten zijn gelegen. Daarna doorboort
-zij ééne dier diepten door er met haar groote voorste knijpers op te
-kloppen, en haalt eindelijk, al ronddraaiende, de taaie witte
-zelfstandigheid die binnen in de vrucht zit, met haar smalle achterste
-knijpers er uit. Deze handelingen zijn echter waarschijnlijk
-instinktmatig, zoodat zij even goed door een jong als door een oud dier
-worden volbracht. Het volgende geval kan echter niet zoo worden
-beschouwd: een geloofwaardig natuuronderzoeker, de heer Gardner [646],
-nam een strandkrab (Gelasimus) waar, terwijl zij haar hol maakte, en
-wierp er eenige schelpen naar toe. Een daarvan rolde in het hol,
-terwijl drie andere schelpen op weinige duimen van den ingang bleven
-liggen In ongeveer vijf minuten bracht de krab de naar binnen gevallen
-schelp weêr naar buiten en droeg haar ongeveer een voet ver weg; toen
-zag zij de drie andere schelpen liggen, en blijkbaar bedenkende, dat
-zij er ook in zouden kunnen rollen, droeg zij ze naar de plaats, waar
-zij de eerste had gelegd. Het zou, dunkt mij, moeielijk zijn deze
-handelingen te onderscheiden van een die door den mensch met behulp
-zijner rede wordt volbracht.
-
-Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen
-behooren, zoo dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence
-Bate hiervan geen enkel sterk sprekend voorbeeld bij de Britsche
-Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter het wijfje
-eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit
-verschil voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun
-verschillende levenswijze, zooals doordat het mannetje meer rondloopt
-en derhalve meer aan het licht blootgesteld is. Bij een merkwaardige
-krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd de beide
-seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het
-mannetje minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de
-soorten die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar
-het mislukte hem voortdurend, behalve bij een enkele soort van
-steurkrab (Squilla, waarschijnlijk Squilla stylifera), van welke het
-mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige
-aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en
-de roode deelen bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het
-mannetje.” [647] In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele
-teeltkeus in het spel is geweest. Bij Saphirina (een den oceaan
-bewonend geslacht van Entomostraca, en daarom laag op de ladder) zijn
-de mannetjes voorzien van kleine schilden of op cellen gelijkende
-lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken
-bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen. [648] Het zou echter
-zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend
-dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche
-soort van strandkrab (Gelasimus) is, naar Fritz Müller mij mededeelt,
-het geheele lichaam bijna effen grijsachtig bruin. Bij het mannetje is
-het achterste deel van het kop-borststuk (cephalothorax) zuiver wit, en
-het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is
-merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te
-veranderen,—waarbij het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het
-groen „veel van zijn schoonheid verliest.” De mannetjes zijn blijkbaar
-veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid opmerking, dat
-zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn.
-Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner
-knijpers. Bij sommige soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij
-alle, leven de seksen paarsgewijze en bewonen het zelfde hol. Het zijn
-ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op deze verschillende
-gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje
-zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te
-wekken.
-
-Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van Gelasimus zijn
-opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor
-de voortplanting geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele
-merkwaardige verschillen in maaksel tusschen de beide seksen in de
-geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen later zien, dat
-de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren
-(Vertebrata) doorgaat, en in alle gevallen is het bij uitnemendheid
-kenmerkend voor alle eigenschappen die door seksueele teeltkeus zijn
-verkregen. Fritz Müller [649] geeft eenige sterk sprekende voorbeelden
-van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje van de zeevloo (Orchestia)
-zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van
-het wijfje, niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong
-is, gelijken zijn tangen op die van het wijfje. Evenzoo bezit het
-mannetje van Brachyscelus, gelijk alle andere Vlookreeften (Amphipoda),
-een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer
-buitengewone omstandigheid, ontbreken zij, en eveneens bij het
-mannetje, voordat het volwassen is. (6)
-
-
-
-Klasse der Arachnida (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder,
-maar soms ook lichter dan de wijfjes, zooals men kan zien in het
-prachtige werk van den heer Blackwall. [650] Bij sommige soorten
-verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo is het
-wijfje van Sparassus smaragdulus dof groen, terwijl het achterlijf van
-het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche strepen van rijk
-rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (Thomisus) gelijken de seksen
-nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo zijn bij
-Thomisus citreus de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of
-groen, terwijl de voorste pooten van het mannetje roodachtig bruin
-zijn; bij T. floricolens zijn de pooten van het wijfje bleekgroen,
-terwijl die van het mannetje zeer in het oog loopende ringen van
-verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen zouden
-kunnen worden gegeven uit de geslachten Epeira, Nephila, Philodromus,
-Theridion, Linyphia, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der
-beide seksen het meest afwijkt van de gewone kleur van het geslacht
-waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall denkt, dat het over
-het algemeen het mannetje is. Canestrini [651] merkt op, dat in zekere
-geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk, doch bij de
-wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de
-seksen in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide
-ondergaan dikwijls groote veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende
-ververvellingen, vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van
-den bovengenoemden Sparassus eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn
-bijzondere kleuren pas, als het omstreeks volwassen is. Spinnen
-bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk algemeen
-bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar
-eieren, die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De
-mannetjes zoeken vurig naar de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben
-gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten. De zelfde schrijver zegt,
-dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten is
-waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de
-mannetjes die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt
-en ten laatste na veel aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op
-deze verschillende gronden mogen wij met eenig vertrouwen aannemen, dat
-de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen de seksen van sommige
-soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de beste
-soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen,
-hier ontbreekt. Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij
-het mannetje van sommige soorten, bijvoorbeeld van Theridion lineatum,
-schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver
-niet zeer bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit
-af uit het feit, dat de mannetjes van sommige soorten twee vormen
-vertoonen, die van elkander verschillen in de grootte en lengte der
-kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen van
-dimorphische schaaldieren.
-
-Het mannetje is over het algemeen veel kleiner dan het wijfje, somtijds
-in buitengewone mate [652], en hij is genoodzaakt uiterst voorzichtig
-te zijn als hij haar het hof maakt, daar het wijfje dikwijls haar
-preutschheid tot een gevaarlijke hoogte opvoert. De Geer zag een
-mannetje dat midden in zijn voorbereidende liefkoozingen door het
-voorwerp zijner liefde gegrepen, in spinrag gewikkeld en daarna
-verslonden werd, een gezicht dat hem, zooals hij er bijvoegt, „met
-afschuw en verontwaardiging vervulde.” [653]
-
-De weleerw. heer O. P. Cambridge [654] verklaart op de volgende wijze
-de uiterste kleinheid van het mannetje in het geslacht Nephila. „De
-heer Vinson geeft een levendige beschrijving van de vlugge manier
-waarop het uiterst kleine mannetje aan de bloeddorstigheid van het
-wijfje ontsnapt, door weg te glijden en verstoppertje te spelen op haar
-lichaam en reusachtige ledematen; bij zulk een vervolging is het
-duidelijk, dat de kleinste mannetjes de grootste kans hebben van te
-ontsnappen, terwijl de grootere spoedig slachtoffers van het wijfje
-zouden worden; en op die wijze moest allengs door natuurlijke teeltkeus
-de grootte van de mannetjes afnemen, totdat zij ten laatste de
-geringste grootte verkregen, die nog vereenigbaar was met de
-uitoefening van hun voortplantingsfuncties,—feitelijk waarschijnlijk
-tot de grootte die zij nu bezitten, d.i. zoo klein, dat zij een soort
-van parasiet op het wijfje zijn, en hetzij beneden haar aandacht, of te
-vlug en te klein, dan dat zij ze zonder groote moeite kan vangen.”
-
-Westring heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de mannetjes
-van verscheidene soorten van Theridion [655] het vermogen bezitten om
-een sjirpend (striduleerend) geluid voort te brengen (gelijk dat
-hetwelk vele kevers en andere insekten maken, maar zwakker), terwijl de
-wijfjes geheel stom zijn. Het daartoe dienend orgaan is een getande
-lijst aan het grondvlak van het achterlijf, waartegen het harde
-achterste deel van het borststuk wordt gewreven, en van dit deel kon
-bij de wijfjes geen spoor worden ontdekt. Het verdient opmerking, dat
-verscheidene schrijvers waaronder de welbekende araneoloog Walckenaer,
-hebben verklaard, dat spinnen door muziek worden aangetrokken. [656]
-Uit de analogie met de Rechtvleugelige en Gelijkvleugelige Insekten
-(Orthoptera en Homoptera), die in het volgende hoofdstuk moeten worden
-beschreven, mogen wij bijna met zekerheid opmaken, dat dit geluid,
-zooals Westwood opmerkt, dient, hetzij om het wijfje te roepen of om
-haar op te wekken, en dit is het eerste mij bekende voorbeeld, bij het
-opklimmen op de ladder van het dierenrijk, van geluiden die met dit
-doel worden gemaakt. (7)
-
-
-
-Klasse der Myriapoda (Duizendpooten).—In geen der beide orden van deze
-klasse, die de eigenlijke duizendpooten en millioenpooten omvat, kan ik
-eenig sterksprekend voorbeeld vinden van dergelijke seksueele
-verschillen als die welke ons hier meer in het bijzonder aangaan. Bij
-Glomeris limbata echter, en wellicht bij eenige weinige andere soorten,
-verschillen de mannetjes eenigszins van de wijfjes in kleur; maar deze
-Glomeris is een zeer veranderlijke soort. Bij de mannetjes van de
-Diplopoda zijn de pooten die tot een der voorste segmenten van het
-lichaam, of tot het achterste segment behooren, vervormd in
-grijporganen, welke dienen om het wijfje te vatten. Bij sommige soorten
-van Julus zijn de voeten (tarsi) van het mannetje met het zelfde doel
-van vliezige zuigers voorzien. Een veel ongewoner geval is het, zooals
-wij zullen zien als wij de Insekten behandelen, dat het bij Lithobius
-het wijfje is, dat aan het einde van het lichaam grijpwerktuigen heeft
-om het mannetje te vatten. [657]
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) De Protozoa, en volgens de meeste hedendaagsche dierkundigen ook de
-Coelenterata (waarmede zij dan ook de Sponzen vereenigen) en
-Echinodermata, zijn Onder-Rijken, en geen Klassen. De afdeeling der
-Weekwormen (Scolecida), die ook op een hoogeren rang dan dien van
-klasse, schoon geenszins op een zoo hoogen rang als dien van
-onder-rijk, aanspraak zou kunnen maken, omvat volgens Haeckel alle
-Wormen, met uitzondering der Ringwormen (Annelida) en van de, door vele
-dierkundigen met de Crustaceeën vereenigd wordende Raderdieren
-(Rotatoria). De naam Ringwormen wordt dan beperkt tot die vormen welke
-door Harting („Leerboek”, III, 1, blz. 507) tot de orde der
-Borstelwormen (Chaetophora st. Setigera) worden gebracht.
-
-(2) Tot deze „pelagische Fauna der Glasdieren”, zooals Haeckel ze
-noemt, behooren: uit de klasse der Visschen, de familie der
-Helmichthyoïdeï (Leptocephalus, Oxystomus, Tilurus, Leptocephalichthys,
-Helmichthys); uit de klasse der Cephalopoden, de familie der
-Loligopsidae (Loligopsis, Taonius), uit die der Gasteropoden, de
-familie der Phyllirhoïdae (Phyllirhoë, Acura) en bijna alle Pteropoden
-en Heteropoden; uit die der Tunicata, de beide orden der Thaliacea en
-Luciae; uit de klasse der Schaaldieren, menigvuldige soorten uit alle
-orden, vooral uit die der Copepoden en Amphipoden; uit het rijk der
-Wormen, de geslachten Alciope en Sagitta en vele larven; uit het
-onder-rijk der Echinodermata, de zwemmende larven; uit dat der
-Coelenterata, de geheele klasse der Rib- of Kamkwallen (Ctenophora),
-verder de Schijf- of Schermkwallen (Discomedusae) en de Siphonophoren.
-
-(3) Ongetwijfeld zal niemand willen beweren, dat de schoone kleur van
-het slagaderlijk bloed is verkregen om de schoonheid van een meisje te
-verhoogen. Schrijft men echter de verschillen tusschen de
-menschenrassen aan seksueele teeltkeus toe, dan ligt het voor de hand,
-dat bij die rassen bij welke de huid der wangen doorschijnend genoeg is
-om de kleur van het slagaderlijk bloed door te laten, die
-doorschijnendheid waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus is.
-De zelfde redeneering zou men op de Eoliden kunnen toepassen, en
-veronderstellen, dat niet de schoone kleur der galklieren, maar de
-doorschijnendheid der huid, welke toelaat, dat die kleuren uitwendig
-waarneembaar zijn, het gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn. Zeer
-waarschijnlijk vinden wij echter deze onderstelling niet.
-
-(4) Bij Argonauta bezit alleen het wijfje de verbreede eindplaten aan
-twee der vangarmen en de daardoor afgescheiden wordende schelp. Deze
-schijnen ons een goed voorbeeld van een secundair seksueel kenmerk bij
-Cephalopoden.
-
-(5) Wanneer dit niet zoo onwaarschijnlijk was, kon men op deze wijze
-wellicht de vorming der zonderlinge zoogenaamde liefdepijlen (Harting,
-„Leerboek”, Deel III, Afd. 1, blz. 816) bij sommige Gasteropoden
-verklaren.
-
-(6) Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat bij verschillende
-dieren de mannetjes eigenaardige bewegingen, als het ware dansen
-uitvoeren, als zij aan de wijfjes het hof maken. In „Eigen Haard”, 11
-Mei 1889, no. 19, vinden wij een referaat van een stuk van den heer
-Morgan uit de „Popular Science Monthly”, waaruit blijkt, dat ook een
-soort van krab (Platyonychus ocellatus) zulks doet. Als het mannetje
-van deze krab aan het wijfje het hof maakt, gaat hij recht op staan op
-het derde en vierde paar pooten, trekt het achterste paar tegen zijn
-lichaam aan, slaat zijn scharen en oogen naar boven, en gaat om zijn as
-staan draaien. Nu en dan staakt hij die draaiende beweging om zich naar
-links en rechts te buigen of zich wat vooruit of achteruit te bewegen.
-Dit gaat zoo door tot vermoeidheid hem dwingt er mede op te houden.
-Zoodra echter het wijfje hem nadert, begint hij weêr van voren af aan
-en gedraagt zich „als een dronken man.” Nu en dan tracht hij met zijn
-lange scharen het wijfje te „omhelzen, maar op zoodanige wijze, dat men
-er aan twijfelt, of het zijn doel is haar door overreding en niet door
-geweld voor zich te winnen, dan wel of ontzag voor de scharen van zijn
-dame hem zich zoo betamelijk doet gedragen.”
-
-(7) Het is bekend, dat de spinnen een uitnemend gehoor en veel smaak
-voor muziek bezitten. Pélisson merkte in zijn gevangenis een spin op,
-die dagelijks voor den dag kwam, wanneer men in de gevangenis op den
-doedelzak speelde. Walckenaer verhaalt, dat een dame bij het bespelen
-van haar harp een spin opmerkte, die aan den zolder juist boven haar
-zat. Zij verplaatste zich herhaaldelijk, doch werd telkens door de spin
-gevolgd. [658] Grétry zag, wanneer hij op de piano speelde, telkens een
-spin naderen, die zich op de piano zette en zich verwijderde, wanneer
-Grétry met spelen ophield. Van Beethoven wordt een dergelijke opmerking
-verhaald. Ik heb zelf waargenomen, hoe bij het spelen van een trio in
-een kamer een spin te voorschijn kwam, hoe langer hoe nader kwam en
-zich eindelijk plaatste op de hand van den persoon die violoncel
-speelde. Dit alles versterkt in geen geringe mate het geloof, dat de
-muzikale geluiden welke sommige mannelijke spinnen voortbrengen, dienen
-om het wijfje te bekoren en aan te lokken. Volgens sommigen voelen de
-spinnen wel de trillingen der geluidgevende lichamen, maar hooren het
-geluid niet. Dit verklaart moeilijk het geval van de spin die zich op
-de hand van den cellist plaatste, daar zoo’n week deel wel niet
-gevoelig zal trillen. In elk geval werd de spin gelokt, ’t zij dan door
-de trilling of door het geluid.
-
-Wood Mason nam te Bombay waar, dat twee groote schorpioenen, welke
-tegen elkander werden opgehitst, een geluid maakten, gelijkende op dat
-hetwelk men hoort als men over een stuk zijde schrapt of met de nagels
-over een stijven tandenborstel strijkt. Het geluidmakend orgaan bleek
-te bestaan uit een schrapper en een rasp. De schrapper is bezet met
-stevige, kegelvormige en gebogen tandjes en ligt aan de platte
-buitenvlakte van het grondlid der voelerpooten. De rasp vertoont
-talrijke regelmatige, dicht bij elkander geplaatste paddestoelvormige
-knobbeltjes en ligt op het aan het grondlid der voelerpooten
-beantwoordende lid van het eerste paar pooten. („Nature”, 25 Oct. 1876,
-blz. 565.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
-
- Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te
- grijpen.—Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet
- wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de
- seksen.—Springstaarten (Thysanura).—Tweevleugeligen
- (Diptera).—Halfvleugeligen (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen
- (Homoptera); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale
- geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen (Orthoptera); de
- muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel;
- strijdlustigheid; kleuren.—Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele
- kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid
- en kleuren.—Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige
- bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken;
- gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen.
-
-
-In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen
-soms in haar bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in
-de gekamde en schoon gevederde sprieten van de mannetjes van vele
-soorten. Bij een der Haften (Ephemerae), namelijk Chloëon, heeft het
-mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist. [659] De
-bijoogjes (ocelli) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere
-insekten, zooals bij de Mutillen, bij welke zij ook vleugelloos zijn.
-Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen waardoor het
-eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen,
-hetzij in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust,
-versierselen of muziek. Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje
-in staat stellen het wijfje te grijpen, behoeven wij hier daarom
-slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen aan de
-spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen [660]
-moeten worden beschouwd, „is het verwonderlijk”, zooals de heer B. D.
-Walsh [661] heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de
-natuur voorkomen, die slechts tot het schijnbaar onbeteekenende doel
-dienen om het mannetje in staat te stellen het wijfje stevig vast te
-grijpen.” De bovenkaken (mandibulae) worden daartoe somtijds gebruikt;
-zoo heeft het mannetje van Corydalis cornutus (een Netvleugelig Insekt,
-eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend groote kromme
-kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad
-in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te
-beschadigen. [662] Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (Lucanus
-Elaphus) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het
-wijfje, tot het zelfde doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij
-een der Graafwespen (Ammophila) gelijken de bovenkaken der beide seksen
-nauwkeurig op elkander, maar worden tot zeer verschillende doeleinden
-gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood opmerkt,
-„uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun
-sikkelvormige kaken” [663], terwijl de wijfjes deze organen gebruiken
-om in het zand te graven en haar nesten te maken.
-
-De voeten (tarsi) der voorpooten zijn bij de mannetjes van vele kevers
-uitgezet of met breede haarkussens voorzien en bij vele geslachten van
-Waterroofkevers zijn zij gewapend met een ronden platten zuiger, opdat
-het mannetje zich aan het glibberige lichaam van het wijfje zou kunnen
-vasthechten. Het is een veel meer ongewone omstandigheid, dat bij de
-wijfjes van sommige Waterroofkevers (Dytiscus) de dekschilden (elytra)
-diepe groeven bezitten en dat zij bij Acilius sulcatus dik met haren
-zijn bezet, om het mannetje te helpen. Bij de wijfjes van sommige
-andere Waterroofkevers (Hydroporus) vertoonen de dekschilden met het
-zelfde doel verdiepte stippels. [664] Bij het mannetje van Crabro
-cribrarius (Fig. 23) is de scheen (tibia) tot een breede hoornachtige
-plaat uitgezet met kleine vliezige vlekken, die er een vreemd aanzien
-aan geven, gelijk aan dat van een zeef. [665] Bij het mannetje van
-Penthe (een kevergeslacht) zijn eenige weinige van de middelste leedjes
-der sprieten (antennae) uitgezet en aan de ondervlakte van haarkussens
-voorzien, volkomen gelijkende op die aan de voeten der Loopkevers
-(Carabidae), „en blijkbaar tot het zelfde doel dienende.” Bij de
-mannetjes der Waternimfen, „zijn de aanhangsels aan het uiteinde van
-den staart gewijzigd volgens een bijna oneindige verscheidenheid van
-merkwaardige modellen om hen in staat te stellen den hals van het
-wijfje te vatten.” Eindelijk zijn bij de mannetjes van vele insekten de
-pooten van bijzondere stekels, knobbels en sporen voorzien, of de
-geheele poot is gebogen of verdikt; dit is echter in geenen deele
-altijd een seksueel kenmerk, of één paar of alle drie de paren zijn
-verlengd, somtijds in buitensporige mate. [666]
-
-In al de orden vertoonen de seksen van vele soorten verschillen waarvan
-men de beteekenis niet begrijpt. Eén merkwaardig geval is dat van een
-kever (fig. 25, 26) bij het mannetje waarvan de linker bovenkaak veel
-grooter is dan de rechter, zoodat de mond zeer misvormd is. Bij een
-anderen Loopkever, den Eurygnathus, hebben wij, voor zoover de heer
-Wollaston weet, het eenige geval, waarin het wijfje, hoewel in
-veranderlijke verhouding, een veel breeder en grooter kop bezit dan het
-mannetje. Een aantal dergelijke gevallen zouden hier kunnen worden
-opgenoemd. Zij zijn veelvuldig bij de Schubvleugelige Insekten
-(Lepidoptera); een der meest buitengewone is, dat bij vele Dagvlinders
-de voorpooten min of meer geatrophieerd zijn, zoodat de schenen
-(tibiae) en voeten (tarsi) in eenvoudige rudimentaire knobbels zijn
-overgegaan. Ook het beloop der vleugeladeren verschilt dikwijls bij de
-twee seksen [667], en soms verschilt ook de vorm van den omtrek der
-vleugels aanmerkelijk, zooals bij den Aricoris epitus, die mij in het
-Britsch Museum door den heer A. Butler werd getoond. De mannetjes van
-sommige Zuid-Amerikaansche Dagvlinders hebben bosjes haar op de randen
-der vleugels en horenachtige uitwassen op de oppervlakte van het
-achterste paar. [668] Bij verscheidene Britsche Dagvlinders zijn,
-zooals de heer Wonfor heeft aangetoond, alleen de mannetjes
-gedeeltelijk met bijzondere schubben bekleed. (1)
-
-Over het nut van het heldere licht van het wijfje van den glimworm is
-veel geredeneerd. Het mannetje is zwak lichtgevend, evenals de larven
-en zelfs de eieren. Sommige schrijvers hebben ondersteld dat het licht
-dient om vijanden te verschrikken, andere om het mannetje den weg naar
-het wijfje te wijzen. De heer Belt [669] schijnt eindelijk het raadsel
-te hebben opgelost; hij heeft ontdekt, dat al de Lampyridae welke hij
-heeft onderzocht, in hooge mate walgelijk van smaak zijn voor
-insektenetende zoogdieren en vogels. Het is daarom in overeenstemming
-met de onderstelling van den heer Bates, die later zal worden
-uiteengezet, dat vele insekten de Lampyridae nauwkeurig nabootsen,
-zoodat ze voor deze zullen worden aangezien en zoo aan den dood
-ontsnappen. Hij gelooft verder, dat het voor de lichtgevende soorten
-voordeelig is, dat zij dadelijk als oneetbaar worden herkend.
-Waarschijnlijk kan de zelfde verklaring worden uitgebreid tot de
-Springkevers (Elater), van welke beide seksen in hooge mate lichtgevend
-zijn. Het is niet bekend, waarom de vleugels van den vrouwelijken
-glimworm niet tot ontwikkeling zijn gekomen; maar in haar
-tegenwoordigen toestand gelijkt zij zeer veel op een larve, en, daar
-vele dieren zoo gretig op larven azen, kunnen wij begrijpen, waarom zij
-zooveel lichtgevender en opzichtiger dan het mannetje is geworden, en
-waarom de larven zelf ook lichtgevend zijn.
-
-Verschil in grootte tusschen de Seksen.—Bij Insekten van alle soorten
-zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner dan de wijfjes [670]; en dit
-verschil kan soms zelfs in den larventoestand worden opgemerkt. Zoo
-aanmerkelijk is het verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke
-cocons van den zijdeworm (Bombyx mori), dat zij in Frankrijk door een
-bijzondere wijze van wegen van elkander worden gescheiden. [671]
-
-In de lagere klassen van het Dierenrijk schijnt de meerdere grootte van
-de wijfjes algemeen daarvan af te hangen, dat zij een verbazend groot
-aantal eieren voortbrengen; en dit gaat tot op zekere hoogte wellicht
-ook bij de Insekten door. Dr. Wallace heeft echter een veel
-waarschijnlijker verklaring voorgesteld. Hij vindt na zorgvuldig acht
-te hebben gegeven op de ontwikkeling van de rupsen van Bombyx Cynthia
-en Yama-Maju, en vooral van eenige dwerg-rupsen, opgekweekt uit een
-tweede broedsel met onnatuurlijk voedsel, „dat naar verhouding dat de
-individueele nachtvlinder fraaier is, ook de voor haar
-gedaanteverwisseling noodige tijd langer is; en dit is de reden, dat
-het wijfje, hetwelk zwaarder en grooter is, omdat zij haar talrijke
-eieren moet dragen, zal worden voorafgegaan door het mannetje, dat
-kleiner is en minder noodig heeft om rijp te worden.” [672] Daar nu de
-meeste Insekten een kort leven hebben en daar zij aan vele gevaren zijn
-blootgesteld, zal het blijkbaar voordeelig voor het wijfje zijn om zoo
-spoedig mogelijk te worden bevrucht. Dit doel zal worden bereikt, als
-de mannetjes, doordat zij het eerst rijp worden, bij de komst der
-wijfjes in grooten getale gereed zijn, en dit zal op zijn beurt, zooals
-de heer A. R. Wallace heeft opgemerkt [673], op natuurlijke wijze het
-gevolg zijn van de natuurlijke teeltkeus; want de kleinste mannetjes
-zullen het eerst rijp zijn, en dus een grooter aantal nakomelingen
-nalaten, die de mindere grootte hunner voorvaderen zullen overerven,
-terwijl de grootere mannetjes, omdat zij later rijp worden, minder
-nakomelingen zullen nalaten.
-
-Er zijn echter uitzonderingen op den regel, dat de mannetjes der
-Insekten kleiner zijn dan de wijfjes, en van sommige dezer
-uitzonderingen kan men de oorzaak begrijpen. Lichaamsgrootte en kracht
-zullen een voordeel zijn voor de mannetjes die om het bezit der wijfjes
-vechten; en in deze gevallen, zooals bij het Vliegend Hert (Lucanus),
-zijn de mannetjes grooter dan de wijfjes. Er zijn echter andere kevers,
-die, voor zoover men weet, niet met elkander vechten, bij welke toch de
-mannetjes grooter zijn dan de wijfjes; en wij begrijpen de beteekenis
-van dit feit niet; in sommige dezer gevallen echter, zooals bij de
-groote Dynastes en Megasoma, kunnen wij ten minste inzien, dat er geen
-noodzakelijkheid bestond, dat de mannetjes kleiner waren dan de
-wijfjes, opdat zij vroeger rijp zouden zijn dan deze; want deze kevers
-hebben geen kort leven, en er blijft dus tijd genoeg over voor de
-paring der seksen. Zoo zijn ook de mannetjes der Waternimfen
-(Libellulidae) soms aanmerkelijk grooter en nooit kleiner dan de
-wijfjes [674]; en de heer MacLachlan gelooft, dat zij gewoonlijk met de
-wijfjes paren, voor er één of twee weken zijn voorbijgegaan, en voor
-zij de aan de mannetjes eigen kleuren hebben verkregen. Het
-merkwaardigste geval echter, dat ons toont, hoe ingewikkeld en
-gemakkelijk voorbij te zien de oorzaken dikwijls zijn, waarvan een zoo
-onbeduidend kenmerk, als een verschil in grootte tusschen de seksen,
-afhangt, leveren ons de Angeldragende Vliesvleugelige Insekten
-(Hymenoptera aculeata); want de heer F. Smith deelt mij mede, dat in
-bijna geheel die groote groep de mannetjes, in overeenstemming met den
-algemeenen regel, kleiner dan de wijfjes zijn en ongeveer een week
-vroeger dan deze uit de pop te voorschijn komen; onder de Bijen zijn
-echter de mannetjes van de honigbij (Apis mellifica), van Anthidium
-manicatum en Anthophora acervorum, en onder de Graafwespen (Fossores)
-de mannetjes van Methoca ichneumonides, grooter dan de wijfjes. De
-verklaring van deze afwijking is, dat bij deze soorten bij de paring
-het vliegen in de open lucht volstrekt noodzakelijk is, en de mannetjes
-veel kracht en een groote lichaamsgestalte noodig hebben om de wijfjes
-door de lucht met zich te dragen. De toeneming der lichaamsgrootte is
-hier verkregen in tegenspraak met de gewone betrekking tusschen de
-grootte en den duur van het ontwikkelingstijdperk; want hoewel de
-mannetjes grooter zijn, komen zij vroeger uit de pop dan de kleinere
-wijfjes.
-
-Wij zullen nu een overzicht geven van de verschillende orden, en
-daarbij die feiten uitkiezen, welke ons hier meer bijzonder aangaan. De
-Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) of Vlinders zullen voor een
-afzonderlijk hoofdstuk bewaard blijven.
-
-
-
-Orde der Springstaarten (Thysanura).—De leden dezer orde zijn voor hun
-klasse laag georganiseerd. Het zijn vleugellooze, dof gekleurde, kleine
-insekten, met leelijke, bijna misvormde koppen en lichamen. De seksen
-verschillen niet van elkander; maar zij bieden ons één belangwekkend
-feit aan, waardoor wordt aangetoond dat de mannetjes zelfs op een laag
-gedeelte van de ladder van het dierenrijk vlijtig het hof aan de
-wijfjes maken. Bij de beschrijving van Smynthurus luteus zegt Sir J.
-Lubbock [675]: „Het is zeer vermakelijk deze kleine schepsels met
-elkander te zien koketteeren. Het mannetje, dat veel kleiner dan het
-wijfje is, loopt rondom haar, en zij stooten elkander, met het
-aangezicht naar elkander toestaande, en achterwaarts en voorwaarts
-gaande als twee speelsche lammeren. Dan houdt het wijfje zich, alsof
-zij weg wil loopen, en het mannetje loopt haar achterna, terwijl uit
-zijn uiterlijk op vreemdsoortige wijze zijn toorn blijkt, haalt haar in
-en gaat weder tegenover haar staan; dan draait zij op preutsche wijze
-rond maar hij, vlugger en levendiger, loopt ook snel rond, en schijnt
-haar met zijn sprieten te slaan; daarop staan zij een tijd lang
-tegenover elkander, spelen met hun sprieten en schijnen geheel en al in
-elkander verdiept te zijn.”
-
-
-
-Orde der Tweevleugeligen (Diptera).—De seksen verschillen weinig in
-kleur. Het grootste aan den heer F. Walker bekende verschil is in het
-geslacht Bibio, waarin de mannetjes zwartachtig of geheel zwart, en de
-wijfjes donker bruinachtig oranje zijn. Het geslacht Elaphomyia, door
-den heer Wallace [676] in Nieuw Guinea ontdekt, is zeer opmerkelijk,
-daar de mannetjes horens bezitten, waarvan de wijfjes geen spoor
-vertoonen. De horens ontspringen onder de oogen en gelijken merkwaardig
-veel op die van herten, daar zij hetzij van puntige of van afgeplatte
-vertakkingen zijn voorzien. Zij evenaren bij een der soorten het
-geheele lichaam in lengte. Men zou kunnen denken, dat zij dienden om
-mede te vechten maar daar zij bij ééne soort van een prachtige met
-zwart omzoomde rozeroode kleur zijn, met een bleeke streep in het
-midden, en daar al deze insekten er zeer fraai uitzien, is het wellicht
-waarschijnlijker, dat deze horens tot sieraad dienen. Dat de mannetjes
-van sommige Tweevleugeligen met elkander vechten, is zeker; want Prof.
-Westwood [677] heeft dit meermalen bij sommige soorten van Tipula of
-Langbeenige Muggen gezien. De mannetjes van andere Tweevleugeligen
-schijnen te trachten de wijfjes door hun muziek te winnen. H. Müller
-[678] bespiedde een tijd lang twee mannetjes van Eristalis, die aan een
-wijfje het hof maakten; zij zweefden boven haar en vlogen heên en weêr,
-tegelijkertijd een hoog gonzend geluid voortbrengende. Muggen en
-muskieten (Culicidae) schijnen elkander ook door gegons aan te trekken,
-en Prof. Mayer heeft voor eenige jaren aangetoond, dat de haren op de
-sprieten van het mannetje eenstemmig trillen met de noten van een
-stemvork, binnen de grenzen van de geluiden die door het wijfje worden
-voortgebracht. (2) De lange haren trillen sympathetisch met de lage, en
-de korte met de hooge tonen. Landois verzekert ook, dat hij
-herhaaldelijk een geheelen zwerm muggen naar zich toe heeft doen
-vliegen door een bijzondere noot te zingen. De verstandelijke vermogens
-der Tweevleugeligen zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan die der
-meeste andere orden van Insekten [679], in overeenstemming met hun hoog
-ontwikkeld zenuwstelsel.
-
-
-
-Orde der Halfvleugeligen (Hemiptera).—De heer J. W. Douglas die een
-bijzondere studie van de Britsche soorten heeft gemaakt, is zoo
-vriendelijk geweest mij het een en ander mede te deelen omtrent haar
-seksueele verschillen. De mannetjes van sommige soorten bezitten
-vleugels, terwijl de wijfjes vleugelloos zijn; de seksen verschillen in
-den vorm van het lichaam en van de voorste vleugels (elytra), in de
-tweede geledingen van haar sprieten en in haar voeten (tarsi); maar
-daar de beteekenis dezer verschillen volkomen onbekend is, kunnen wij
-ze hier stilzwijgend voorbijgaan. De wijfjes zijn over het algemeen
-grooter en sterker dan de mannetjes. Bij de Britsche en, voor zoover de
-heer Douglas weet, ook bij de uitlandsche soorten, verschillen de
-seksen gewoonlijk niet veel in kleur; bij ongeveer zes Britsche soorten
-is echter het mannetje aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en bij
-omstreeks vier andere soorten is het wijfje donkerder dan het mannetje.
-Van sommige soorten zijn beide seksen fraai gekleurd; en, daar deze
-insekten uiterst erg stinken, kunnen hun opzichtige kleuren aan
-insektenetende dieren tot een teeken dienen, dat zij oneetbaar zijn. In
-eenige weinige gevallen schijnen hun kleuren rechtstreeks beschermend
-te zijn; zoo meldt mij Prof. Hoffman, dat hij een kleine bleekroode en
-groene soort nauwlijks kon onderscheiden van de knoppen op de stammen
-van de limmetjesboomen welke dit insekt veelvuldig bezoekt.
-
-Eenige soorten van Roofwantsen (Reduvidae) maken een sjirpend
-(striduleerend) geluid, dat bij Pirates stridulus, naar men zegt [680],
-wordt voortgebracht door de beweging van den hals in de holte van het
-voorste segment van het borststuk (prothorax). Volgens Westring maakt
-ook Reduvius personatus een piepend geluid. Het is mij echter niet
-mogen gelukken, eenige bijzonderheden omtrent deze insekten te
-vernemen; en ik heb ook geen reden om te onderstellen, dat er in dit
-opzicht verschil tusschen de beide seksen bestaat.
-
-
-
-Orde der Gelijkvleugeligen (Homoptera) (3).—Ieder die in een woud
-tusschen de keerkringen heeft gewandeld, moet verbaasd zijn geweest
-over het geraas dat de mannetjes der Cicaden maakten. De wijfjes zijn
-stom, zooals de Grieksche dichter Xenarchus zegt: „Gelukkig leven de
-Cicaden, daar zij sprakelooze vrouwen hebben.” Het daardoor
-veroorzaakte rumoer kon duidelijk worden gehoord aan boord van de
-„Beagle”, toen deze op een vierde mijl afstands van de kust van
-Brazilië voor anker lag; en kapitein Hancock zegt, dat het op een
-afstand van een mijl kan worden gehoord. De Grieken sloten weleer de
-Cicaden ter wille van haar zang in kooien op, en de Chineezen doen
-zulks nog heden, zoodat hij in de ooren van sommige menschen aangenaam
-moet klinken. [681] (4) De Cicadidae zingen gewoonlijk over dag, de
-Lantaarndragers (Fulgoridae) schijnen nachtzangers te zijn. Volgens
-Landois [682], die dit onderwerp onlangs heeft bestudeerd, wordt het
-geluid voortgebracht door de trilling van de randen der spleten van de
-stigmata, die in beweging worden gebracht door een uit de luchtbuizen
-(tracheae) voortkomenden luchtstroom. Doch deze meening is vóór eenige
-jaren betwist. Dr. Powell schijnt te hebben bewezen [683], dat het
-geluid wordt voortgebracht door de trilling van een vlies, dat door een
-bijzondere spier in werking wordt gebracht. Bij het levende insekt kan
-men, als het sjirpt, dit vlies zien trillen, en bij het doode insekt
-wordt het juiste geluid gehoord, wanneer aan de spier, als zij een
-weinig is gedroogd en verhard, met de punt van een speld wordt
-getrokken. Bij het wijfje is de muzikale toestel aanwezig, maar veel
-minder ontwikkeld dan bij het mannetje en wordt nimmer gebruikt om
-geluid voort te brengen. (5)
-
-Ten opzichte van het doel der muziek zegt Dr. Hartman, van de Cicada
-septemdecim der Vereenigde Staten sprekende [684]: „Het gezang wordt nu
-(6den en 7den Juni 1851) in alle richtingen gehoord. Ik geloof dat het
-de liefdesverklaringen der mannetjes zijn. In een dicht jong
-kastanjeboschje van ongeveer manshoogte staande, waar honderden Cicaden
-mij omgaven, nam ik waar, dat de wijfjes zich rondom de zingende
-mannetjes plaatsen.” Hij voegt erbij: „In dit jaargetijde (Aug. 1868)
-bracht een dwergpereboom in mijn tuin omstreeks vijftig larven van
-Cicada pruinosa voort; en ik merkte meermalen op, hoe de wijfjes naar
-een mannetje toegingen, als hij zijn schelle tonen voortbracht.” Fritz
-Müller schrijft mij uit Zuid-Brazilië, dat hij dikwijls naar een
-muzikalen wedstrijd tusschen twee of drie mannetjes van Cicaden heeft
-geluisterd, die een bijzonder krachtige stem hadden en op
-aanmerkelijken afstand van elkander zaten. Zoodra het eerste zijn zang
-had geëindigd, begon onmiddellijk het tweede; wanneer dit gereed was,
-begon een ander, en zoo vervolgens. Daar er veel wedijver tusschen de
-mannetjes bestaat, is het waarschijnlijk, dat de wijfjes hen niet
-slechts ontdekken door de voortgebrachte tonen, maar dat zij ook,
-evenals de wijfjes van vogels, worden opgewekt of aangelokt door het
-mannetje dat de aantrekkelijkste stem heeft.
-
-Ik heb geen goed uitgedrukte gevallen van tot versiering dienende
-verschillen tusschen de seksen van de Gelijkvleugeligen gevonden. De
-heer Douglas meldt mij, dat er drie Britsche soorten zijn, bij welke
-het mannetje zwart of met zwarte banden geteekend is, terwijl de
-wijfjes bleek gekleurd of donker zijn. (6)
-
-
-
-Orde der Rechtvleugeligen (Orthoptera).—In de drie families van
-springende insekten, die tot deze orde behooren, namelijk de Krekels
-(Achetidae), de Sabelsprinkhanen (Locustidae) en de Veldsprinkhanen
-(Acridiidae), munten de mannetjes uit door hun muzikale vermogens. Het
-door sommige Sabelsprinkhanen voortgebracht gesjirp is zoo sterk, dat
-het gedurende den nacht op een mijl afstands kan worden gehoord [685],
-en dat hetwelk door sommige soorten wordt voortgebracht, is niet
-wanluidend zelfs voor menschelijke ooren, zoodat de Indianen aan den
-Amazonenstroom hen in gevlochten kooien bewaren. Alle waarnemers zijn
-het er over eens, dat de tonen dienen om de wijfjes hetzij te roepen of
-op te wekken. Men heeft echter opgemerkt [686], dat het mannetje van
-den Russischen Treksprinkhaan (een der Veldsprinkhanen), als hij met
-het wijfje gepaard is, van toorn en ijverzucht sjirpt, wanneer een
-ander mannetje nadert. Als de huiskrekel ’s nachts wordt overvallen,
-gebruikt hij zijn stem om zijn makkers te waarschuwen. [687] Een der
-Sabelsprinkhanen, Platyphyllum concavum, die door de Noord-Amerikanen
-„Katy-did” wordt genoemd, klimt, volgens de beschrijving [688], op de
-bovenste takken van een boom, en begint des avonds zijn luidruchtig
-gesnap, terwijl de tonen zijner mededingers uit de naburige boomen
-voortkomen, en de bosschen weêrgalmen den geheelen nacht door van den
-kreet van „Katy-did-she-did.” De heer Bates zegt van den Europeeschen
-zwarten veldkrekel (een der Achetidae): „men heeft opgemerkt, dat het
-mannetje zich ’s avonds aan den ingang van zijn hol plaatst, en sjirpt
-tot er een wijfje nadert; dan worden de luide tonen vervangen door een
-meer gesmoord geluid, terwijl de gelukkige muzikant de gezellin die hij
-heeft verworven, met zijn sprieten liefkoost.” [689] Door met een
-penneschacht over een vijl te strijken, slaagde Dr. Scudder er in een
-dezer insekten zoo ver te brengen, dat het hem beantwoordde. [690] Bij
-beide seksen is door von Siebold een merkwaardig gehoorwerktuig
-gevonden, dat in de voorpooten is gelegen. [691]
-
-Bij de drie Families worden de geluiden op verschillende wijze
-voortgebracht. Bij de mannetjes der Krekels (Achetidae) hebben beide
-voorvleugels den zelfden toestel; en deze bestaat bij den zwarten
-veldkrekel (Gryllus campestris, Fig. 24, 25), volgens de beschrijving
-van Landois [692] uit 131 tot 138 scherpe, dwarse ruggen of tanden
-(st), aan de onderzijde van een der aderen van den voorvleugel. Deze
-getande ader wordt snel gestreken over een gladde, harde, uitstekende
-ader van den tegenovergestelden vleugel. Eerst wordt de eene vleugel
-over den anderen gewreven en daarna wordt de beweging omgekeerd. Beide
-vleugels worden tegelijkertijd een weinig opgelicht om de resonantie te
-vermeerderen. Bij sommige soorten zijn de voorvleugels van het mannetje
-voorzien van een plaatje dat er als talk uitziet. [693] Ik heb hier een
-teekening gegeven (Fig. 29) van de onderzijde van de ader bij een
-andere soort van krekel, namelijk den huiskrekel (Gryllus domesticus).
-
-Wat het ontstaan dezer tanden aangaat, heeft Dr. Gruber [694]
-aangetoond, dat zij ontwikkeld zijn met behulp der teeltkeus uit de
-kleine schubben en haren waarmede de vleugels en het lichaam bedekt
-zijn, en ik kwam tot het zelfde besluit ten opzichte van die der
-Schildvleugeligen (Coleoptera). Doch Dr. Gruber toont verder aan, dat
-hun ontwikkeling gedeeltelijk een rechtstreeksch gevolg is geweest van
-de wrijving van den eenen vleugel over den anderen.
-
-Bij de Sabelsprinkhanen (Locustidae) verschillen de tegenovergestelde
-voorvleugels in maaksel (Fig. 30, 31, 32), en kunnen niet, gelijk in de
-vorige familie, op omgekeerde wijze worden gebruikt. De linkervleugel,
-die als de strijkstok van de viool werkt, ligt over den rechtervleugel
-die de viool zelf voorstelt. Een der aderen (a, Fig. 31) aan de
-ondervlakte van den eersten is fijn gezaagd en wordt gestreken over de
-vooruitstekende aderen aan de onderste oppervlakte van den
-tegenovergestelden of rechtervleugel. Bij onze Britsche Phasgonura
-viridissima scheen het mij toe, dat de gezaagde ader wordt gewreven
-tegen den afgeronden achterhoek van den tegenovergestelden vleugel,
-waarvan de rand verdikt, bruin gekleurd en zeer scherp is. Aan den
-rechtervleugel, maar niet aan den linker-, is een klein plaatje, zoo
-doorzichtig als talk, door aderen omgeven en spiegel (speculum)
-genaamd. Bij Ephippiger vitium een lid van de zelfde familie, hebben
-wij een merkwaardige ondergeschikte wijziging; want bij dezen zijn de
-voorvleugels sterk in grootte afgenomen, maar „het achterste gedeelte
-van het voorborststuk (prothorax) verheft zich als een soort van
-koepeldak over de voorvleugels en deze inrichting dient waarschijnlijk
-tot versterking van het geluid.” [695] (7)
-
-Wij zien derhalve, dat het muziekinstrument meer is gedifferentieerd en
-gespecialiseerd bij de Sabelsprinkhanen, waartoe ik geloof, dat de
-krachtigste muzikanten van de orde behooren, dan bij de Krekels, bij
-welke beide voorvleugels het zelfde maaksel hebben en tot de zelfde
-functie dienen. [696] Landois ontdekte echter bij een der
-Sabelsprinkhanen, namelijk bij Decticus, een korte en smalle rij kleine
-tanden, bloote rudimenten, op de ondervlakte van den
-rechtervoorvleugel, die onder den anderen ligt en nooit als strijkstok
-wordt gebruikt. Ik nam het zelfde rudimentaire deel waar aan de
-onderzijde van den rechtervoorvleugel bij Phasgonura viridissima. Wij
-mogen hieruit gerust afleiden, dat de Sabelsprinkhanen afstammen van
-een vorm, bij welken, evenals bij de hedendaagsche Krekels, beide
-voorvleugels aan de ondervlakte gezaagde aderen bezaten en beide even
-goed als strijkstok konden worden gebruikt, maar dat bij de
-Sabelsprinkhanen de beide voorvleugels trapsgewijze zijn
-gedifferentieerd en volkomener gemaakt, volgens het beginsel van
-verdeeling van den arbeid, de eene om uitsluitend de rol van
-strijkstok, de andere om die van viool te vervullen. Op welke wijze de
-eenvoudiger inrichting bij de Krekels ontstond, weten wij niet; het is
-echter waarschijnlijk, dat de basale deelen der voorvleugels elkander
-vroeger evenals tegenwoordig overdekten, en dat de wrijving der aderen
-een knarsend geluid voortbracht, zooals ik zie, dat nu het geval met de
-voorvleugels is. [697] Een dergelijk knarsend geluid, nu en dan eens
-bij toeval door de mannetjes gemaakt, kan, als het hen, al was het maar
-nog zoo weinig, diende als een loktoon voor de wijfjes, gemakkelijk
-door de seksueele teeltkeus zijn versterkt, doordat gepaste wijzigingen
-in de ruwheid der aderen voortdurend behouden bleven.
-
-Bij de derde en laatste familie, namelijk de Acridiidae of
-Veldsprinkhanen, wordt het gesjirp op een geheel verschillende wijze
-voortgebracht, en is, volgens Dr. Scudder, niet zoo schril, als bij de
-voorgaande families. De binnenvlakte van de dij (Fig. 33) is voorzien
-van een overlangsche rij kleine, sierlijke, lancetvormige,
-veerkrachtige tandjes, van 85 tot 93 in getal [698] (Fig. 34); en deze
-worden over de scherpe, uitstekende aderen der voorvleugels gestreken,
-welke daardoor in trilling geraken en geluid geven. Harris [699] zegt,
-dat wanneer een der mannetjes begint te sjirpen, hij eerst „de scheen
-van den achterpoot onder de dij brengt, waar zij in een daartoe
-bestemde groeve wordt opgenomen, en dan den poot snel op en neder
-trekt. Hij speelt niet op beide zijn violen te gelijk, maar afwisselend
-eerst op de eene en dan op de andere.” (8) Bij vele soorten is het
-grondvlak van het achterlijf uitgehold tot een groote holte, die, naar
-men gelooft, als klankbodem werkt. Bij Pneumora (Fig. 35 en 36), een
-Zuid-Afrikaansch geslacht tot de zelfde familie behoorende, ontmoeten
-wij een nieuwe en opmerkelijke wijziging: bij de mannetjes steekt
-namelijk een smalle scherpe rug aan beide zijden van het achterlijf
-uit, waartegen de dijen der achterpooten worden gewreven. [700] Daar
-het mannetje vleugels bezit, hoewel het wijfje vleugelloos is, is het
-opmerkelijk, dat de dijen niet op de gewone wijze tegen de voorvleugels
-worden gewreven; maar dit moet wellicht worden verklaard door de
-ongewoon geringe grootte der achterpooten. Ik ben niet in de
-gelegenheid geweest om de binnenste oppervlakte der dijen te
-onderzoeken, die, naar de analogie te oordeelen, fijn gezaagd zou zijn.
-De Pneumora-soorten zijn ter wille van haar sjirpvermogen sterker
-gewijzigd, dan eenig ander Rechtvleugelig Insekt; want bij het mannetje
-is het geheele lichaam in een muziekinstrument veranderd, als een
-groote doorzichtige blaas, door lucht uitgezet, om daardoor de
-resonantie te vermeerderen. (9) De heer Trimen deelt nog mede, dat aan
-de Kaap de Goede Hoop deze insekten gedurende den nacht een
-verwonderlijk geraas maken.
-
-Er is ééne uitzondering op den regel, dat de wijfjes in deze drie
-families geen bruikbaar muziekinstrument bezitten; want bij Ephippiger
-(een der Sabelsprinkhanen) zegt men [701], dat beide seksen daarvan
-voorzien zijn. Dit geval kan worden vergeleken bij dat van het rendier,
-de eenige soort van hert bij welke beide seksen horens bezitten. Hoewel
-de wijfjes der Rechtvleugeligen dus bijna zonder uitzondering stom
-zijn, vond Landois [702] toch rudimenten van sjirporganen aan de dijen
-der vrouwelijke Veldsprinkhanen, en dergelijke rudimenten aan het
-ondervlak der voorvleugels van de vrouwelijke Krekels; maar hij slaagde
-er niet in om dergelijke rudimenten te vinden bij de wijfjes van
-Decticus, een der Sabelsprinkhanen. Bij de Gelijkvleugeligen bezitten
-de stomme wijfjes der Cicaden het eigenaardige muziekinstrument in
-onontwikkelden staat; en wij zullen later in andere afdeelingen van het
-dierenrijk tallooze voorbeelden ontmoeten van deelen die aan het
-mannetje eigen zijn, doch in rudimentairen toestand ook bij het wijfje
-worden gevonden. Dergelijke gevallen schijnen op het eerste gezicht aan
-te toonen, dat de beide seksen oorspronkelijk op de zelfde wijze
-gebouwd waren, doch dat zekere organen later door de wijfjes verloren
-werden. Het is echter een meer waarschijnlijke meening, zooals vroeger
-is verklaard, dat bedoelde organen door de mannetjes werden verkregen
-en gedeeltelijk op de wijfjes overgebracht.
-
-Landois heeft een ander belangwekkend feit waargenomen, namelijk dat
-bij de wijfjes der Veldsprinkhanen de sjirptandjes op de dijen
-levenslang in den zelfden toestand blijven, waarin zij bij beide seksen
-in den larvenstaat het eerst verschijnen. Bij de mannetjes daarentegen
-komen zij tot volkomen ontwikkeling en verkrijgen zij hun volkomen
-inrichting bij de laatste vervelling, als het insekt volwassen en voor
-de voortplanting gereed is.
-
-Uit de hier vermelde feiten zien wij, dat de middelen waardoor de
-mannetjes hun geluiden voortbrengen, bij de Rechtvleugeligen van zeer
-onderscheiden aard zijn, en dat zij geheel verschillen van die welke
-bij de Gelijkvleugeligen worden gebruikt. [703] Maar in het geheele
-dierenrijk vinden wij onophoudelijk, dat het zelfde doel door de meest
-verschillende middelen wordt bereikt, hetgeen daardoor wordt
-veroorzaakt, dat de geheele organisatie in den loop der eeuwen
-veelvuldige veranderingen ondergaat; en daar eerst het eene, daarna het
-andere deel wordt gewijzigd, wordt uit verschillende veranderingen
-voordeel getrokken tot het zelfde algemeene doel. De verscheidenheid
-der middelen om geluid voort te brengen bij de drie families der
-Rechtvleugeligen en bij de Gelijkvleugeligen vervult onzen geest met de
-hooge belangrijkheid van deze organen voor de mannetjes, ten einde de
-wijfjes te roepen of aan te lokken. Wij behoeven ons niet te
-verwonderen over de groote verandering welke de Rechtvleugeligen in dit
-opzicht hebben ondergaan, daar wij tegenwoordig door Dr. Scudder’s
-merkwaardige ontdekking [704] weten, dat daarvoor meer dan overvloedig
-tijd is geweest. Deze natuuronderzoeker heeft onlangs een fossiel
-insekt gevonden in de Devonische vorming van Nieuw-Brunswijk, dat
-voorzien is van „het welbekende tympanum of sjirp-orgaan der mannelijke
-Sabelsprinkhanen.” Dit insekt, hoewel in de meeste opzichten met de
-Netvleugeligen (Neuroptera) verwant, schijnt, zooals met zeer oude
-vormen zoo dikwijls het geval is, de beide orden der Netvleugeligen en
-Rechtvleugeligen te verbinden, die nu algemeen als geheel onderscheiden
-worden gerangschikt.
-
-Ik heb weinig meer over de Rechtvleugeligen te zeggen. Sommige soorten
-zijn zeer strijdlustig; als twee mannelijke zwarte Veldkrekels (Gryllus
-campestris) bij elkander worden opgesloten, vechten zij, totdat de eene
-den anderen doodt, en de Mantis soorten (Roofsprinkhanen) manoeuvreeren
-volgens de beschrijving met hun zwaardvormige voorpooten als huzaren
-met sabels. De Chineezen bewaren deze insekten in kleine bamboezen
-kooien en laten ze met elkander vechten evenals vechthanen. [705] Wat
-de kleur aangaat, munten sommige uitlandsche (exotische) sprinkhanen
-uit, wier achtervleugels met rood, blauw en zwart versierd zijn; maar
-daar in deze geheele orde de beide seksen zelden veel in kleur
-verschillen, is het twijfelachtig, of zij deze fraaie kleuren aan
-seksueele teeltkeus verschuldigd zijn. Opzichtige kleuren kunnen voor
-deze insekten nuttig zijn als een bescherming, volgens het beginsel,
-dat in het volgende hoofdstuk zal worden verklaard, door hun vijanden
-te waarschuwen, dat zij oneetbaar zijn. Zoo heeft men waargenomen
-[706], dat een Indische fraai gekleurde sprinkhaan standvastig werd
-weggeworpen, als men hem aan vogels en hagedissen aanbood. Er zijn
-echter in deze orde enkele gevallen van seksueele kleurverschillen
-bekend. Het mannetje van een Amerikaanschen krekel [707] wordt
-beschreven als ivoorwit, terwijl het wijfje afwisselt van bijna wit tot
-geelachtig groen of zwartachtig. De heer Walsh deelt mij mede, dat het
-volwassen mannetje van Spectrum femoratum, een der Spookinsekten of
-Wandelende Bladeren (Phasmidae), „van een glanzend bruinachtig gele
-kleur is, terwijl de volwassen wijfjes dof ondoorschijnend aschachtig
-bruin en de jongen van beide seksen groen zijn. Eindelijk kan ik
-vermelden, dat het mannetje van ééne merkwaardige soort van krekel
-[708] voorzien is van een „lang vliesachtig aanhangsel, dat als een
-sluier over het gelaat valt”; of dit echter tot een sieraad dient, is
-niet bekend.
-
-
-
-Orde der Netvleugeligen (Neuroptera).—Hierover behoeft weinig te worden
-gezegd, behalve ten opzichte der kleur. Bij de Haften (Ephemeridae)
-verschillen de donkere kleuren dikwijls bij de seksen een weinig [709];
-maar het is niet waarschijnlijk, dat de mannetjes daardoor
-aantrekkelijker voor de wijfjes worden gemaakt. De Waternimfen
-(Libellulidae) zijn versierd met prachtige groene, blauwe, gele en
-vermiljoenkleurige metaalglanzende tinten; en de seksen verschillen
-dikwijls. Zoo zijn de mannetjes van sommige Agrionidae, gelijk Prof.
-Westwood opmerkt [710], „van een rijk blauw met zwarte vleugels,
-terwijl de wijfjes schoon groen met ongekleurde vleugels zijn.” Bij
-Agrion Ramburii zijn deze kleuren echter bij beide seksen juist
-omgekeerd. [711] Bij het uitgebreide Noord-Amerikaansche geslacht
-Hetaerina hebben alleen de mannetjes een fraaie karmijnroode vlek op
-het begin van elken vleugel. Bij Anax junius is het gronddeel van het
-achterlijf bij het mannetje levendig ultramarijnblauw en bij het wijfje
-grasgroen. Bij het verwante geslacht Gomphus en bij sommige andere
-geslachten verschillen de seksen daarentegen slechts weinig in kleur.
-In het geheele dierenrijk komen vele dergelijke gevallen voor, waarin
-de seksen van nauw verwante vormen hetzij grootelijks, of zeer weinig,
-of in het geheel niet verschillen. Hoewel bij vele Waternimfen zulk een
-groot verschil in kleur tusschen de seksen bestaat, is het dikwijls
-moeielijk te zeggen, welke de schitterendste is, en bij ééne soort van
-Agrion is de gewone kleuring der seksen juist omgekeerd, zooals wij
-daareven hebben gezien. Het is niet waarschijnlijk, dat in eenig geval
-haar kleuren tot bescherming zijn verkregen. Zooals de heer MacLachlan,
-die deze familie nauwkeurig heeft bestudeerd, mij schrijft, zijn de
-Waternimfen—de tyrannen der insektenwereld—van alle insekten het minst
-vatbaar om door vogels of andere vijanden te worden aangevallen. Hij
-gelooft, dat haar schitterende kleuren dienen om de andere sekse aan te
-lokken. Het verdient met betrekking hiertoe opmerking, dat de
-Waternimfen door bijzondere kleuren schijnen te worden aangetrokken; de
-heer Patterson [712] nam waar, dat die soorten van Agrionidae, wier
-mannetjes blauw zijn, zich in grooten getale op den blauwen dobber van
-een vischlijn neerzetten; terwijl twee andere soorten door blinkende
-witte kleuren werden aangetrokken.
-
-Het is een belangwekkend, het eerst door Schelver opgemerkt feit, dat
-de mannetjes bij verscheidene geslachten, tot twee onder-families
-behoorende, als zij pas uit het larvenhulsel voortkomen, juist zoo zijn
-gekleurd als de wijfjes; maar dat hun lichamen binnen korten tijd een
-opzichtige melkachtige blauwe tint aannemen, die het gevolg is van de
-uitzweeting van een soort van in aether en alcohol oplosbare olie. De
-heer MacLachlan gelooft, dat deze kleursverandering bij Libellula
-depressa geen plaats grijpt voor ongeveer veertien dagen na de
-gedaanteverwisseling, als de seksen gereed zijn om te paren.
-
-Sommige soorten van Neurothemis vertoonen volgens Brauer [713] een
-merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij
-sommige wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere
-wijfjes „zeer rijk aan aderen is, evenals bij de mannetjes van de
-zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel volgens de
-Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote
-rijkdom aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”.
-Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar
-het, evenals elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent
-voorhanden is, komt het nu en dan ook bij deze tot ontwikkeling. Wij
-hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de beide seksen van vele
-dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te gelijken,
-namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij
-dit bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de
-wijfjes; bij dit bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge
-en volkomen overbrenging tot stand. De heer MacLachlan deelt mij een
-ander geval van dimorphisme mede, dat bij verscheidene soorten van
-Agrion plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt
-van een oranjekleur, en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is
-waarschijnlijk een geval van atavisme; want wanneer bij de ware
-Waternimfen (Libellulae) de seksen in kleur verschillen, zijn de
-wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als men onderstelt dat Agrion
-afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de
-kenmerkende seksueele kleuren der typische Waternimfen (Libellulae)
-bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die
-richting af te wijken, alleen bij de wijfjes bestond.
-
-Hoewel deze Waternimfen zulke groote, sterke en wreedaardige insekten
-zijn, heeft de heer MacLachlan nooit waargenomen, dat de mannetjes met
-elkander vochten, behalve, naar hij gelooft, bij sommige der kleinere
-Agrion-soorten. Bij een andere zeer verschillende groep in deze orde,
-namelijk bij de Termieten of Witte Mieren, kan men soms in den
-zwermtijd de seksen elkander achterna zien zitten, „het mannetje achter
-het wijfje, somtijds twee mannetjes één wijfje najagende en met groote
-vurigheid wedijverende, wie den prijs zal winnen.” [714]
-
-
-
-Orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera).—Bij de beschrijving der
-levenswijze van een Graafwesp (Cerceris), merkt de heer Fabre [715],
-die onovertreffelijke waarnemer, op, dat „veelvuldig gevechten plaats
-grijpen tusschen de mannetjes om het bezit van het eene of andere
-bijzondere wijfje, dat schijnbaar, alsof zij er niet in was betrokken,
-naar den strijd om de oppermacht zit te kijken, en, als de overwinning
-is beslist, bedaard wegvliegt in gezelschap van den overwinnaar.”
-Westwood [716] zegt, dat de mannetjes van een der Bladwespen
-(Tenthredinidae) „te zamen vechtende met toegeklemde bovenkaken zijn
-gevonden.” Daar de heer Fabre zegt, dat de mannetjes van Cerceris een
-bijzonder wijfje trachten te verkrijgen, is het goed ons te herinneren,
-dat insekten, tot deze orde behoorende, het vermogen bezitten om
-elkander na lange tusschenruimten van tijd te herkennen, en zeer aan
-elkander zijn gehecht. Pierre Huber, wiens nauwkeurigheid niemand
-betwijfelt, scheidde bijvoorbeeld eenige mieren, en toen zij na een
-tusschenruimte van eenige maanden andere ontmoetten, die vroeger tot de
-zelfde vereeniging hadden behoord, herkenden zij elkander wederkeerig
-en liefkoosden elkander met haar sprieten. Waren zij vreemdelingen
-geweest, dan zouden zij te zamen hebben gevochten. Als daarentegen twee
-vereenigingen elkander slag leveren, vallen de mieren van de eene
-partij elkander soms in de algemeene verwarring aan; maar spoedig
-bemerken zij haar dwaling en dan liefkoost de eene mier de andere.
-[717]
-
-In deze orde zijn geringe verschillen in kleur volgens de sekse gemeen;
-maar in ’t oog loopende verschillen zijn zeldzaam, behalve in de
-familie der Bijen; echter zijn beide seksen van zekere groepen zoo
-schitterend gekleurd,—bijvoorbeeld die van de Goudwespen (Chrysis) bij
-welke vermiljoen en metaalglanzend groen de overhand hebben,—dat wij in
-verzoeking komen om zulks voor een gevolg der seksueele teeltkeus te
-houden. Bij de Sluipwespen (Ichneumonidae) zijn volgens den heer Walsh
-[718] de mannetjes bijna algemeen lichter gekleurd dan de wijfjes. Bij
-de Bladwespen (Tenthredinidae) daarentegen zijn de mannetjes over het
-algemeen donkerder dan de wijfjes. Bij de Houtwespen (Siricidae)
-verschillen de seksen dikwijls; zoo heeft het mannetje van Sirex
-juvencus oranje banden over het lichaam, terwijl het wijfje donker
-purperkleurig is; maar het is moeielijk te zeggen, welke sekse het
-meest versierd is. Bij de Tremex columbae is het wijfje veel levendiger
-gekleurd dan het mannetje. Bij de Mieren zijn, naar de heer F. Smith
-mij mededeelde, de mannetjes van verscheidene soorten zwart, terwijl de
-wijfjes bruinachtig zijn. In de familie der Bijen, vooral bij de
-eenzaam levende soorten, verschillen, naar ik van den zelfden
-uitnemenden insektenkenner hoor, de seksen dikwijls in kleur. De
-mannetjes zijn over het algemeen het levendigst gekleurd, en bij
-Bombus, zoowel als bij Apathus, veel veranderlijker van kleur dan de
-wijfjes. Bij Anthophora retusa is het mannetje van een rijk roodachtig
-bruin, terwijl het wijfje geheel zwart is; evenzoo zijn de wijfjes van
-onderscheidene soorten van Xylocopa zwart, terwijl de mannetjes helder
-geel zijn.
-
-Daarentegen zijn bij sommige soorten, gelijk Andraena fulva, de wijfjes
-veel levendiger gekleurd dan de mannetjes. Dergelijke verschillen in
-kleur kunnen moeilijk alleen worden verklaard, doordat de mannetjes,
-zonder verdedigingsmiddelen zijn en dus bescherming noodig hebben,
-terwijl de wijfjes goed worden verdedigd door haar angels. H. Müller
-[719], die een bijzondere studie heeft gemaakt van bijen, schrijft deze
-verschillen in kleur voornamelijk aan seksueele teeltkeus toe. Dat
-bijen een scherp waarnemingsvermogen voor kleuren hebben, is zeker. Hij
-zegt, dat de mannetjes de wijfjes hartstochtelijk zoeken en om haar
-bezit vechten; en hij verklaart door dergelijke gevechten, hoe de
-bovenkaken van de mannetjes bij sommige soorten grooter zijn dan die
-van de wijfjes. In sommige gevallen zijn de mannetjes veel talrijker
-dan de wijfjes, hetzij vroeg in het voorjaar, of op alle tijden en
-plaatsen, of locaal. Bij sommige soorten schijnen de schoonste
-mannetjes door de wijfjes, en bij andere de schoonste wijfjes door de
-mannetjes te zijn uitgezocht. Bij gevolg verschillen in zekere
-geslachten (Müller, blz. 42) de mannetjes van de verschillende soorten
-zeer in uiterlijk, terwijl de wijfjes bijna niet van elkander zijn te
-onderscheiden; bij andere geslachten heeft het tegendeel plaats. H.
-Müller gelooft (blz. 82), dat de door de eene sekse door seksueele
-teeltkeus verkregen kenmerken dikwijls in verschillende mate op de
-andere sekse zijn overgegaan, juist gelijk de toestel om stuifmeel te
-verzamelen van het wijfje dikwijls op het mannetje is overgegaan, voor
-wien hij volstrekt nutteloos is. [720] Bij een Nieuw-Hollandsche bij
-(Lestis bombylans) is het wijfje van een uiterst schitterend
-staalblauw, soms met levendig groene schakeeringen, terwijl het
-mannetje van een heldere bronskleur en rijk met roodachtig dons
-begroeid is. Daar in deze groep de wijfjes in haar angels uitnemende
-verdedigende wapenen bezitten, is het niet waarschijnlijk, dat zij in
-kleur van de mannetjes zijn begonnen te verschillen ter wille van de
-bescherming.
-
-Mutilla Europea maakt een sjirpend geluid; en volgens Goureau [721]
-hebben beide seksen dit vermogen. Hij schrijft het geluid toe aan de
-wrijving van den derden en de daarvoorgaande ringen (segmenten) van het
-achterlijf, en ik heb waargenomen, dat de oppervlakte daarvan met
-fijne, gelijkmiddelpuntige (concentrische) richeltjes is bezet; maar
-dit is ook het geval met den uitstekenden kraag van het borststuk,
-waaraan de kop door een geleding is verbonden; en deze kraag geeft, als
-men hem met de punt van een naald bekrast, juist het zelfde geluid. Het
-is nog al vreemd, dat beide seksen het vermogen om te sjirpen zouden
-bezitten, daar het mannetje gevleugeld en het wijfje vleugelloos is.
-Het is bekend, dat Bijen sommige gemoedsaandoeningen, b.v. toorn,
-uitdrukken door den toon van hun gebrom, gelijk ook sommige
-Tweevleugelige Insekten doen (10); ik heb echter geen melding van die
-geluiden gemaakt, daar zij in volstrekt geen verband met de vrijage
-staan.
-
-
-
-Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera).—Vele kevers zijn zoodanig
-gekleurd, dat zij gelijken op de oppervlakten die zij gewoonlijk
-bezoeken. Andere soorten zijn met prachtige metallieke kleuren
-versierd,—bij voorbeeld, vele Loopkevers (Carabidae), die op den grond
-leven en het vermogen bezitten om zich te verdedigen door de
-afscheiding van een scherpe bijtende stof,—de prachtige Diamantkevers,
-die door een uiterst harde huid worden beschermd,—vele soorten van
-Goudhaantjes (Chrysomela), zooals Chrysomela cerealis, een groote,
-fraai met verschillende kleuren gestreepte soort die in
-Groot-Brittannië tot den naakten top van Snowdon beperkt zijn,—en een
-menigte andere soorten. Deze prachtige kleuren, die dikwijls in
-strepen, vlekken, kruisen en volgens andere sierlijke modellen
-gerangschikt zijn, kunnen moeielijk voordeelig zijn voor de
-bescherming, behalve in het geval van sommige zich met bloemen voedende
-soorten; en wij kunnen niet gelooven, dat zij doelloos zijn. Daarom
-rijst bij ons het vermoeden, dat zij strekken om de andere sekse te
-bekoren; maar wij hebben daarvan geen bewijzen; want de seksen
-verschillen zelden in kleur. Blinde kevers, die elkanders schoon
-natuurlijk niet kunnen zien, prijken, naar ik van den heer Waterhouse
-jun. hoor, nimmer met schitterende kleuren, hoewel zij dikwijls
-glanzende bekleedselen hebben; maar de reden van hun donkere kleur is
-wellicht, dat blinde insekten holen en andere duistere plaatsen
-bewonen.
-
-Sommige Boktorren (Longicornia) echter, vooral zekere Prionidae, bieden
-een uitzondering aan op den gewonen regel, dat de seksen van kevers
-niet in kleur verschillen. De meeste dezer insekten zijn groot en
-prachtig gekleurd. De mannetjes van het geslacht Pyrodes [722] zijn,
-gelijk ik in de verzameling van den heer Bates zag, over het geheel
-rooder, maar iets doffer dan de wijfjes, welke laatste meer of minder
-prachtig goudgroen zijn gekleurd. Bij het geslacht Esmeralda
-verschillen de seksen zoozeer in kleur, dat zij als verschillende
-soorten zijn gerangschikt; bij ééne soort zijn beiden van een prachtig
-glinsterend groen; maar het mannetje heeft een rood borststuk (thorax).
-Over het geheel zijn, zoover ik er over kan oordeelen, de wijfjes van
-die Prionidae bij welke de seksen verschillen, rijker gekleurd dan de
-mannetjes; en dit stemt niet overeen met den algemeenen regel ten
-opzichte van de kleur, wanneer deze door seksueele teeltkeus is
-verkregen.
-
-Een zeer merkwaardig onderscheid tusschen de seksen van vele kevers
-wordt opgeleverd door de groote horens, die op den kop, het borststuk
-of het schildje (clypeus) der mannetjes en in eenige weinige gevallen
-op de ondervlakte van hun lichaam zijn ingeplant. Deze horens gelijken
-in de groote familie der Bladsprietigen (Lamellicornia) op die van
-verschillende viervoetige dieren, zooals herten, neushoorns, enz., en
-zijn verwonderlijk zoowel door hun grootte als door de verscheidenheid
-hunner vormen. In plaats van hen te beschrijven heb ik afbeeldingen
-gegeven van de mannetjes en wijfjes der merkwaardigste vormen (Fig.
-37–46). De wijfjes vertoonen gewoonlijk rudimenten van horens in den
-vorm van kleine knobbels of ribbetjes; maar sommige bezitten zelfs die
-rudimenten niet. Daarentegen zijn de horens bij het wijfje bijna even
-goed ontwikkeld als bij het mannetje bij Phanaeus lancifer, en slechts
-een weinig minder ontwikkeld bij de wijfjes van sommige andere soorten
-van het zelfde geslacht en van Copris. Bij de verschillende
-onderafdeelingen der familie bestaat er, naar de heer Bates mij
-mededeelt, geen verhouding tusschen de verschillen in het maaksel der
-horens en de meer belangrijke en kenmerkende verschillen; zoo zijn er
-in de zelfde natuurlijke afdeeling van het geslacht Onthophagus-soorten
-die een enkelen hoorn, en andere die twee verschillende horens op den
-kop hebben.
-
-In bijna alle gevallen zijn de horens opmerkelijk wegens hun
-bovenmatige variabiliteit, zoodat een trapsgewijze reeks kan worden
-gevormd van de hoogst ontwikkelde mannetjes tot andere, die zoo weinig
-ontaard zijn, dat zij slechts even van de wijfjes te onderscheiden
-zijn. De heer Walsh [723] bevond, dat bij Phanaeus carnifex de horens
-bij sommige mannetjes driemaal zoo lang waren als bij andere. De heer
-Bates dacht, na meer dan honderd mannetjes van Onthophagus rangifer
-(Fig. 44) te hebben onderzocht, dat hij eindelijk een soort had
-ontdekt, bij welke de horens niet variabel waren; maar een nader
-onderzoek bewees het tegendeel.
-
-De buitengewone grootte der horens en hun zeer verschillend maaksel bij
-nauw verwante vormen bewijzen, dat zij met het eene of andere
-belangrijke doel zijn gevormd; maar hun bovenmatige variabiliteit bij
-de mannetjes van de zelfde soort voert tot het besluit, dat dit doel
-niet van een bepaalden aard kan zijn. De horens vertoonen geen teekenen
-van afslijting, alsof zij voor het eene of andere gewone werk werden
-gebruikt. Sommige schrijvers onderstellen [724], dat de mannetjes, daar
-zij veel meer rondtrekken dan de wijfjes, horens noodig hebben om zich
-tegen hun vijanden te verdedigen; in vele gevallen schijnen echter de
-horens niet goed voor de verdediging geschikt te zijn, daar zij niet
-scherp zijn. De meest voor de hand liggende onderstelling is, dat zij
-door de mannetjes worden gebruikt om te vechten; maar men heeft nooit
-waargenomen, dat zij vochten; ook kon de heer Bates na een zorgvuldig
-onderzoek van vele soorten, in hun verminkten of gebroken toestand geen
-voldoende bewijzen vinden, dat zij daarvoor waren gebruikt. Als de
-mannetjes gewoon waren met elkander te vechten, zou hun grootte
-waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn toegenomen, zoodat zij die
-bij het wijfje zou hebben overtroffen; de heer Bates vindt echter, na
-de beide seksen bij meer dan honderd soorten van Mesttorren (Copridae)
-met elkander te hebben vergeleken, bij goed ontwikkelde individu’s in
-dit opzicht volstrekt geen merkbaar verschil. Er is bovendien één
-kever, tot de zelfde groote afdeeling der Bladsprietigen
-(Lamellicornia) behoorende, van welke men weet, dat de mannetjes met
-elkander vechten; maar zij zijn niet van horens voorzien, hoewel hun
-bovenkaken veel grooter zijn dan die van het wijfje.
-
-Het besluit, dat het best in overeenstemming is met het feit, dat de
-horens zoo verbazend en toch niet standvastig ontwikkeld zijn,—zooals
-door hun uitermate groote variabiliteit bij de zelfde soort wordt
-bewezen,—is, dat zij als versierselen zijn verkregen. Deze meening zal
-eerst uiterst onwaarschijnlijk voorkomen; maar wij zullen later zien,
-dat zich bij vele dieren die veel hooger op de ladder staan, namelijk
-Visschen, Amphibieën, Reptielen en Vogels, verschillende soorten van
-knobbels, horens en kammen blijkbaar met het zelfde doel hebben
-ontwikkeld.
-
-De mannetjes van Onitis furcifer (Fig. 46) bezitten aan de dijen hunner
-voorpooten vreemdsoortige uitsteeksels en aan de ondervlakte van het
-borststuk een groote vork of een paar horens. Deze plaatsing schijnt
-uiterst slecht geschikt om met deze uitsteeksels te pronken, en
-wellicht dienen zij werkelijk voor het eene of andere bijzondere doel,
-maar tot dusverre kan men er het gebruik niet van bepalen. Het is een
-zeer merkwaardig feit, dat, hoewel de mannetjes zelfs geen spoor van
-horens op de bovenvlakte van het lichaam vertoonen (Fig. 48), bij de
-wijfjes toch een rudiment van een enkelen hoorn op den kop (Fig. 49, a)
-en een dergelijk van een kam (b) op het borststuk duidelijk zichtbaar
-zijn. Dat de kleine kam op het borststuk van het wijfje een rudiment is
-van een aan het mannetje eigen uitsteeksel, hoewel dit geheel ontbreekt
-bij het mannetje van deze bijzondere soort, is duidelijk; want het
-wijfje van Bubas bison, (die zeer nauw met Onitis verwant is) heeft een
-dergelijken kleinen kam op het borststuk, terwijl het mannetje op de
-zelfde plaats een groot uitsteeksel heeft. Zoo kan er ook geen twijfel
-zijn, of de kleine punt (a) op den kop van het wijfje van Onitis
-furcifer en op dien van de wijfjes van twee of drie verwante soorten is
-een rudimentaire vertegenwoordiger van den hoorn op den kop, zooals die
-van Phanaeus (Fig. 41, 42), welke aan de mannetjes van zoovele
-Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) gemeen is. De mannetjes van eenige
-nog geen namen ontvangen hebbende torren in het Britsch Museum, die men
-tegenwoordig gelooft, dat tot het geslacht Onitis behooren, zijn van
-een dergelijken hoorn voorzien. De opmerkelijke aard van dit geval zal
-het best door een voorbeeld worden begrepen: de Herkauwende Zoogdieren
-vormen een evenwijdige reeks met de Bladsprietige Kevers
-(Lamellicornia), daar bij sommige de wijfjes horens bezitten, die even
-groot zijn als die van het mannetje, terwijl de wijfjes van andere veel
-kleiner horens hebben of de horens bij haar slechts in rudimentairen
-toestand bestaan (ofschoon dit bij de Herkauwende Zoogdieren even
-zeldzaam, als bij de Bladsprietige Kevers algemeen is), en zij
-eindelijk bij wederom andere in het geheel geen horens hebben. Als nu
-een nieuwe soort van hert of schaap werd ontdekt, bij welke het wijfje
-duidelijk rudimenten van horens bezat, terwijl de kop van het mannetje
-volkomen glad was, zouden wij een met dat van Onitis furcifer
-overeenkomend geval hebben.
-
-In dit geval is het oude geloof, dat rudimentaire deelen zijn geschapen
-om het plan (schema) der natuur volledig te maken, zoover van steek te
-houden, dat alle gewone regels geheel overtreden schijnen. De meest
-waarschijnlijke meening komt mij voor te zijn, dat de eene of andere
-vroegere voorvader van Onitis, evenals andere Bladsprietige Kevers
-(Lamellicornia), horens op den kop en het borststuk verkreeg en ze
-daarop, evenals bij zoovele nog levende soorten, op het wijfje
-overbracht, door hetwelk zij sinds dien tijd steeds zijn behouden. Het
-later verlies van de horens door het mannetje kan wellicht het gevolg
-zijn geweest van het beginsel van compensatie wegens de ontwikkeling
-der uitsteeksels op de onderste oppervlakte, terwijl die invloed zich
-bij het wijfje niet doet gelden, daar zij deze uitsteeksels niet bezit
-en bij gevolg de rudimenten van horens op de bovenste oppervlakte heeft
-behouden. Hoewel deze meening wordt gesteund door het geval van
-Bledius, dat dadelijk zal worden medegedeeld, zoo verschillen toch de
-uitsteeksels op de onderste oppervlakte zeer in maaksel en ontwikkeling
-bij de verschillende soorten van Onitis en zijn bij sommige zelfs
-rudimentair; desniettemin vertoont de bovenste oppervlakte bij al deze
-soorten geen spoor van horens. Daar secundaire seksueele kenmerken zoo
-bij uitnemendheid variabel zijn, is het mogelijk dat de uitsteeksels op
-de onderste oppervlakte eerst door den eenen of anderen voorvader van
-Onitis zijn verkregen en hun invloed door compensatie hebben doen
-gelden, en daarna in zekere gevallen volkomen verloren zijn gegaan.
-
-Al de tot dusverre vermelde gevallen hebben betrekking op Bladsprietige
-Kevers (Lamellicornia); ook de mannetjes van eenige weinige andere
-Kevers, tot twee zeer verschillende groepen, namelijk de Snuitkevers
-(Curculionidae) en Kortschilden (Staphylinidae) behoorende, zijn echter
-van horens voorzien,—bij de eerste op de benedenste oppervlakte van het
-lichaam [725], bij de laatste op de bovenste oppervlakte van den kop en
-het borststuk. Bij de Kortschilden (Staphylinidae) zijn de horens bij
-de mannetjes van eene en de zelfde soort buitengewoon veranderlijk,
-juist zooals wij bij de Bladsprietigen (Lamellicornia) hebben gezien.
-Bij Siagonium hebben wij een geval van dimorphisme: want de mannetjes
-kunnen in twee afdeelingen worden verdeeld, die sterk in
-lichaamsgrootte en in de ontwikkeling hunner horens verschillen, zonder
-eenige tusschenbeidenstaande overgangsvormen. Bij eene soort van
-Bledius (Fig. 50 en 51), die ook tot de Kortschilden (Staphylinidae)
-behoort, kunnen, gelijk Professor Westwood getuigt, mannelijke
-voorwerpen op een en de zelfde plaats worden gevonden, „bij welke de
-middelste hoorn van het borststuk zeer groot is, maar de horens op den
-kop geheel rudimentair zijn, en andere bij welke de hoorn op het
-borststuk veel korter is, terwijl de uitsteeksels op den kop lang
-zijn.” [726] Hier hebben wij dus blijkbaar een voorbeeld van
-compensatie van groei, dat licht werpt op het juist vermelde
-merkwaardige geval van het verlies der bovenste horens bij Onitis
-furcifer.
-
-Gevechten.—Sommige mannelijke kevers die slecht voor het gevecht
-schijnen ingericht, voeren desniettemin strijd om het bezit van de
-wijfjes. De heer Wallace [727] zag twee mannetjes van Leptorhynchus
-angustatus, een lijnvormigen kever met zeer verlengden snuit (rostrum),
-„om een wijfje vechten, dat in de onmiddellijke nabijheid met boren
-bezig was. Zij stooten elkander met hun snuiten en krabden en sloegen
-elkander blijkbaar met de grootste woede.” Het kleinste mannetje „liep
-echter spoedig weg en erkende zich overwonnen.” In eenige weinige
-gevallen zijn de mannetjes goed geschikt om te vechten door het bezit
-van groote getande bovenkaken (mandibula), veel grooter dan die der
-wijfjes. Dit is het geval met het gewone Vliegende Hert (Lucanus
-cervus), waarvan de mannetjes ongeveer een week vroeger uit de pop te
-voorschijn komen dan de andere sekse, zoodat men er dikwijls
-verscheidene het zelfde wijfje kan zien vervolgen. Toen de heer A. H.
-Davis [728] twee mannetjes met één wijfje in een doos opsloot, kneep
-het grootste mannetje het kleinste met kracht totdat het zijn
-aanspraken liet varen. Een vriend meldt mij, dat hij, toen hij een
-jongen was, de mannetjes dikwijls bij elkander zette om hen te zien
-vechten, en opmerkte, dat zij veel stoutmoediger en woester zijn dan de
-wijfjes, evenals men algemeen weet, dat bij de hoogere dieren het geval
-is. De mannetjes pakten zijn vinger en knepen daarin als hij hun dien
-voorhield, maar de wijfjes niet. Bij vele Lucanidae, zoowel als bij den
-bovenvermelden Lepidorhynchus zijn de mannetjes grooter en krachtiger
-insekten dan de wijfjes. De beide seksen van Lethrus cephalotes (een
-der Bladsprietige Kevers) bewonen het zelfde hol: en het mannetje heeft
-grooter bovenkaken dan het wijfje. Indien gedurende den paartijd een
-vreemd mannetje in het hol beproeft te komen, wordt hij aangevallen;
-het wijfje blijft hierbij niet lijdelijk, maar sluit de opening van het
-hol en moedigt haar metgezel aan door hem voortdurend van achteren te
-stooten. Het gevecht eindigt niet voor de aanvaller is gedood of op de
-vlucht gaat. [729] De beide seksen van een anderen Bladsprietigen
-Kever, Ateuchus cicatricosus, leven paarsgewijze en schijnen zeer aan
-elkander te zijn gehecht; het mannetje spoort het wijfje aan om de
-ballen van mest te rollen, waarin de eieren worden gelegd; en als men
-haar wegneemt, wordt hij zeer onrustig. Als het mannetje wordt
-weggenomen, houdt het wijfje geheel en al met werken op en zou, gelijk
-de heer Brulerie [730] gelooft, op de zelfde plaats blijven tot zij
-stierf.
-
-De groote bovenkaken der mannelijke Lucaniden zijn uiterst
-veranderlijk, zoowel in grootte als in maaksel en gelijken in dit
-opzicht op de horens op den kop en het borststuk van vele mannelijke
-Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) en Kortschilden (Staphylinidae).
-Men kan een volkomen reeks vormen van de best voorziene tot de slechtst
-voorziene of ontaarde mannetjes. Hoewel de bovenkaken van het gewone
-Vliegende Hert en waarschijnlijk die van vele andere soorten werkelijk
-bij het gevecht als wapens worden gebruikt, is het twijfelachtig of men
-zich aldus rekenschap kan geven van haar aanzienlijke grootte. Wij
-hebben gezien, dat zij bij den Noord-Amerikaanschen Lucanus elaphus
-worden gebruikt om het wijfje te grijpen. Daar zij zoo sterk in het oog
-vallen en zoo sierlijk zijn vertakt, is het vermoeden soms bij mij
-opgekomen, of zij aan de mannetjes wellicht tot sieraad zouden kunnen
-dienen, op de zelfde wijze als de horens op den kop en het borststuk
-van de verschillende hierboven beschreven soorten. Het mannetje van
-Chiasognathus Grantii (Fig. 52) uit Zuid Chili,—een prachtigen kever,
-die tot de zelfde familie behoort,—heeft verbazend ontwikkelde
-bovenkaken; hij is stoutmoedig en strijdlustig; als hij aan de eene of
-andere zijde wordt bedreigd, draait hij zich om, opent zijn groote
-kaken en sjirpt tegelijkertijd op luidruchtige wijze; de bovenkaken
-waren echter niet sterk genoeg om mij zoo krachtig in den vinger te
-knijpen, dat het mij werkelijk pijn deed.
-
-De seksueele teeltkeus die het bezit van aanmerkelijke waarnemende
-vermogens en van hevige hartstochten veronderstelt, schijnt op de
-Bladsprietige Kevers meer invloed te hebben uitgeoefend, dan op eenige
-andere Familie van Schildvleugelige Insekten (Coleoptera). Bij sommige
-soorten zijn de mannetjes voorzien van wapens om te vechten; sommige
-leven paarsgewijze en toonen genegenheid voor elkander; vele bezitten
-het vermogen om te sjirpen, als zij worden geprikkeld; vele zijn
-voorzien van de meest buitengewone horens, die klaarblijkelijk tot
-versiering dienen; sommige die dagdieren zijn, bezitten de prachtigste
-kleuren; en eindelijk, vele van de grootste kevers der wereld behooren
-tot deze Familie welke door Linnaeus en Fabricius aan het hoofd van de
-Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera) werd geplaatst. [731]
-
-Sjirporganen.—Kevers, tot vele en zeer verschillende Families
-behoorende, bezitten deze organen. Het geluid kan somtijds op den
-afstand van verscheidene voeten of zelfs ellen worden gehoord [732],
-maar kan niet met dat hetwelk de Rechtvleugeligen (Orthoptera)
-voortbrengen, worden vergeleken. Het deel dat de rasp kan worden
-genoemd, bestaat gewoonlijk uit een smalle, eenigszins bolle
-oppervlakte waarover zeer fijne, evenwijdige ribbetjes loopen, soms zoo
-fijn, dat zij iriseerende kleuren doen ontstaan, en die er onder het
-microscoop zeer sierlijk uitzien. In sommige gevallen, b.v. bij
-Typhaeus, kan men duidelijk zien, dat uiterst kleine, borstelachtige,
-op schubben gelijkende uitsteeksels die de geheele omringende
-oppervlakte volgens nagenoeg evenwijdige lijnen bedekken, de ribbetjes
-van de rasp vormen, door samen te vloeien en recht en tegelijkertijd
-uitstekend en glad te worden. Een harde rug op eenig nabij gelegen deel
-van het lichaam, die in sommige gevallen bijzonder voor dat doel is
-gewijzigd, dient als schrapper voor de rasp. De schrapper wordt snel
-over de rasp, of omgekeerd de rasp over den schrapper bewogen.
-
-Deze organen zijn op uiterst verschillende plaatsen gelegen. Bij de
-Doodgravers (Necrophorus) staan twee evenwijdige raspen (r, fig. 55) op
-de rugvlakte van den vijfden ring van het achterlijf, terwijl dwars
-over elke rasp, volgens de beschrijving van Landois [733], 126 tot 140
-fijne ribbetjes loopen. Deze ribbetjes worden geschrapt door de
-achterranden der dekschilden, waarvan een klein deel buiten den
-algemeenen omtrek uitsteekt. Bij vele Crioceridae en bij Clythra 4
-punctata, één der Bladkevers (Chrysomelidae), en bij sommige
-Zwartlijven (Tenebrionidae), enz. [734], is de rasp aan den bovenkant
-van de spits (apex) van het achterlijf op het pygidium of propygidium
-gelegen, en wordt, evenals boven, met de dekschilden geschrapt. Bij
-Heterocerus, die tot een andere familie behoort, zijn de raspen op de
-zijden van den eersten ring van het achterlijf geplaatst en worden met
-op de dijen gelegen ruggen geschrapt. [735] Bij sommige Snuitkevers
-(Curculionidae) en Loopkevers (Carabidae) [736] liggen de deelen juist
-omgekeerd; want de raspen bevinden zich op de ondervlakten der
-dekschilden, dicht bij hun spitsen, of langs hun buitenranden, en de
-randen van de ringen van het achterlijf dienen als schrappers. Bij
-Pelobius hermanni, een der waterroofkevers (Dytiscidae), loopt een
-sterke rug evenwijdig aan en dicht bij de binnenranden der dekschilden,
-en dwars over den rug loopen ribbetjes, in het middelste gedeelte grof,
-maar aan de beide einden, voornamelijk aan het boveneinde, hoe langer
-hoe fijner wordende; als dit insekt onder water of in de lucht wordt
-gehouden, maakt het een sjirpend geluid, door den uitersten
-hoornachtigen rand van het achterlijf over de rasp te schrappen. Bij
-een groot aantal Boktorren (Longicornia) bevinden zich de organen op
-een geheel andere plaats, daar de rasp op het middenborststuk
-(mesothorax) ligt, dat tegen het voorborststuk (prothorax) wordt
-geschrapt; Landois telde 238 zeer fijne ribbetjes op de rasp van
-Cerambyx heros.
-
-Vele Bladsprietigen (Lamellicornia) bezitten het vermogen om te sjirpen
-zeer luid, zoodat, toen de heer F. Smidt een voorwerp van Trox
-sabulosus ving, een boschwachter die er bij stond, dacht, dat hij een
-muis had gevangen; ik slaagde er echter niet in om de sjirporganen bij
-dezen kever te ontdekken. Bij Geotrupes en Typhaeus loopt een smalle
-rug (r, Fig. 56) schuins over de heup (coxa) van elken achterpoot, die
-bij Geotrupes stercorarius 84 ribben heeft, die worden geschrapt met
-een bijzonder uitstekend deel van een der ringen van het achterlijf.
-Bij de nauw verwante Copris lunaris loopt een uiterst smalle fijne rasp
-langs de binnenranden der dekschilden en een andere korte rasp dicht
-bij den grond van den buitenrand; maar bij sommige andere mesttorren
-(Coprini) is de rasp, volgens Leconte [737], op de rugvlakte van het
-achterlijf gelegen. Bij Oryctes ligt zij op het propygidium en bij
-sommige andere houteters (Dynastini), volgens den zelfden
-insektenkenner, op de ondervlakte der dekschilden. Eindelijk vermeldt
-Westring, dat bij Omaloplia brunnea de rasp op het prosternum en de
-schrapper op het metasternum is geplaatst, zoodat deze deelen derhalve
-aan de onderste oppervlakte van het lichaam zijn geplaatst, in plaats
-van aan de bovenste, zooals bij de Boktorren (Longicornia).
-
-Wij zien dus, dat de sjirporganen bij de verschillende families van
-Schildvleugeligen een verwonderlijke verscheidenheid vertoonen in hun
-plaatsing, maar weinig in hun maaksel. In ééne en de zelfde familie
-zijn sommigen van deze organen voorzien, terwijl anderen ze geheel
-missen. Deze verscheidenheid is te begrijpen, als wij veronderstellen,
-dat oorspronkelijk verscheidene soorten een schokkend en sissend geluid
-maakten door de harde en ruwe gedeelten van hun lichaam, die elkander
-aanraakten, tegen elkander te wrijven, en dat, daar het zoo
-voortgebrachte geluid op de eene of andere wijze nuttig was, de ruwe
-oppervlakten zich allengs tot regelmatige sjirporganen ontwikkelden.
-Sommige kevers brengen tegenwoordig, wanneer zij zich bewegen, hetzij
-opzettelijk of onopzettelijk, een schokkend geluid voort, zonder eenig
-bepaald daarvoor bestemd orgaan te bezitten. De heer Wallace meldt mij,
-dat Euchirus longimanus (een Bladsprietige Kever, waarvan het mannetje
-verwonderlijk lange porten bezit) „als hij zich beweegt, een laag
-sissend geluid voortbrengt door het uitzetten en samentrekken van het
-achterlijf, en dat hij, als hij wordt aangevat, een krassend geluid
-voortbrengt door zijn achterpooten tegen de randen van zijn dekschilden
-te wrijven.” Het sissende geluid wordt blijkbaar veroorzaakt doordat
-een smalle rasp tegen den binnenrand van elk dekschild wordt gewreven:
-en ik kon ook het krassende geluid doen ontstaan door de op
-sagrijnleder gelijkende binnenste oppervlakte van de dij tegen den
-korreligen rand van het overeenkomstige dekschild te wrijven; maar ik
-kon hier volstrekt geen eigenlijke rasp ontdekken, en het is niet
-waarschijnlijk, dat ik die over het hoofd zou hebben gezien bij zulk
-een groot insekt. Nadat ik Cychrus heb onderzocht, en gelezen wat
-Westring in zijn beide verhandelingen over dien kever schreef, schijnt
-het mij zeer twijfelachtig, of hij een ware rasp bezit, hoewel hij het
-vermogen heeft om een geluid voort te brengen.
-
-Wegens de analogie met de Rechtvleugeligen (Orthoptera) en
-Gelijkvleugeligen (Homoptera) verwachtte ik te vinden, dat de
-sjirporganen bij de Schildvleugeligen (Coleoptera) naar de sekse
-verschilden; maar Landois die verscheidene soorten zorgvuldig
-onderzocht, nam geen dergelijk verschil waar; evenmin deed zulks
-Westring, noch de heer G. R. Crotch bij het prepareeren der
-verschillende soorten die hij zoo vriendelijk was mij ter onderzoeking
-te zenden. Een of ander gering seksueel verschil zou echter moeilijk
-zijn te ontdekken, de groote variabiliteit dezer organen in aanmerking
-genomen. Zoo was bij het eerste voorwerp van Necrophorus humator en van
-Pelobius, dat ik onderzocht, de rasp aanmerkelijk grooter bij het
-mannetje dan bij het wijfje; maar bij volgende voorwerpen niet. Bij
-Geotrupes stercorarius scheen de rasp mij dikker, ondoorschijnender en
-meer uitstekend bij drie mannetjes dan bij het zelfde aantal wijfjes;
-mijn zoon, de heer F. Darwin, verzamelde daarom, om te ontdekken, of de
-seksen ten opzichte van haar sjirpvermogen verschillen, 57 levende
-voorwerpen welke hij in twee afdeelingen verdeelde, al naar zij, als
-zij op de zelfde wijze werden vastgehouden, een sterker of zwakker
-geluid voortbrachten. Daarna onderzocht hij hun seksen, maar vond, dat
-in beide afdeelingen de mannetjes ongeveer geheel in de zelfde
-verhouding als de wijfjes waren. De heer F. Smith heeft talrijke
-levende voorwerpen van Mononychus pseudacori (die tot de Snuitkevers,
-Curculionidae, behoort) bezeten en is overtuigd, dat beide seksen
-sjirpen, en, naar het schijnt, in gelijke mate.
-
-Desniettemin is het sjirpvermogen bij eenige weinige Schildvleugeligen
-ongetwijfeld een seksueel kenmerk. De heer Crotch heeft ontdekt, dat
-alleen de mannetjes van twee soorten van Heliopathes (tot de
-Zwartlijven, Tenebrionidae, behoorende) sjirporganen bezitten. Ik
-onderzocht vijf mannetjes van H. gibbus, en bij deze allen was er een
-goed ontwikkelde rasp, gedeeltelijk in tweeën verdeeld, op de rugvlakte
-van den laatsten ring van het achterlijf; terwijl bij het zelfde aantal
-wijfjes zelfs geen spoor van een rasp bestond en het vlies van dit
-segment doorschijnend en veel dunner dan bij het mannetje was. Bij H.
-crilratostriatus heeft het mannetje een soortgelijke rasp, behalve, dat
-zij niet gedeeltelijk in tweeën is gedeeld, en het wijfje mist dit
-orgaan geheel; maar daarenboven heeft het mannetje aan de randen der
-dekschilden, nabij de spitsen daarvan, aan elke zijde van den naad drie
-of vier korte overlangsche ruggen die door uiterst fijne ribbetjes
-worden gekruist, evenwijdig aan en gelijkende op die van de rasp van
-het achterlijf; of deze ruggen dienen als een afzonderlijke rasp, of
-als een schrapper voor de rasp van het achterlijf, kon ik niet
-beslissen; het wijfje toont geen spoor van, dit laatste deel.
-
-Bij drie soorten van het tot de Bladsprietige Kevers behoorende
-geslacht Oryctes hebben wij ook een bijna overeenkomstig geval. Bij de
-wijfjes van O. gryphus en nasicornis zijn de ribben op de rasp van het
-propygidium minder samenhangend en minder duidelijk dan bij de
-mannetjes; het voornaamste verschil is echter, dat men ziet, dat de
-geheele bovenste oppervlakte van dezen ring, als men haar in het
-daartoe geschikte licht beschouwt, met haren is bezet, die bij de
-mannetjes ontbreken of door een uiterst fijn dons worden vervangen. Wij
-moeten hier opmerken, dat bij alle Schildvleugeligen het werkzame deel
-van de rasp onbehaard is. Bij O. senegalensis is het verschil tusschen
-de seksen sterker uitgedrukt, en dit wordt het best gezien, als men den
-bedoelden ring schoonmaakt en bij doorvallend licht beschouwt. Bij het
-wijfje is de geheele oppervlakte bedekt met kleine, afzonderlijke, met
-stekels bezette kammen, terwijl bij het mannetje deze kammen, naarmate
-zij de spits naderen, hoe langer hoe meer samenvloeien, regelmatig en
-naakt worden; zoodat drie vierden van den ring met uiterst fijne
-evenwijdige ribbetjes zijn bedekt, die bij het wijfje geheel ontbreken.
-Bij de wijfjes van alle drie deze soorten van Oryctes kan men, als men
-het achterlijf van een geweekt voorwerp beurtelings naar achteren en
-naar voren duwt, een zwak krassend of sjirpend geluid voortbrengen.
-
-In geval van Heliopathes en Oryctes kan er nauwelijks eenige twijfel
-bestaan, dat de mannetjes sjirpen, om de wijfjes te lokken of op te
-wekken; maar bij de meeste kevers dient het gesjirp vermoedelijk beide
-seksen tot wederkeerigen loktoon. Deze meening wordt niet
-onwaarschijnlijk gemaakt, doordat kevers sjirpen bij verschillende
-gemoedsaandoeningen; wij weten, dat vogels hun stem voor vele
-doeleinden gebruiken, behalve dat om voor hun gezellin te zingen. De
-groote Chiasogathus sjirpt van toorn of uit wantrouwen; vele soorten
-doen het zelfde uit smart of vrees, als men ze zoo vasthoudt, dat zij
-niet kunnen ontsnappen; de heeren Wollaston en Crotch waren in staat om
-op de Kanarische eilanden door tegen holle boomstammen te kloppen, de
-aanwezigheid van kevers, tot het geslacht Acalles behoorende, aan hun
-gesjirp te ontdekken. Het mannetje van Ateuchus, eindelijk, sjirpt om
-het wijfje bij haar werk aan te moedigen en van smart, als men haar
-wegneemt. [738] Sommige natuuronderzoekers gelooven, dat de kevers dit
-geluid maken om hun vijanden te verschrikken; maar ik kan niet denken,
-dat viervoetige dieren of vogels die in staat zijn de grootere
-keversoorten met uiterst harde huidpantsers te verslinden, zouden
-worden verschrikt door zulk een zwak knarsend geluid. Het geloof, dat
-het gesjirp tot een seksueele lokstem dient, wordt gesteund door het
-welbekende feit, dat de Doodskloppertjes (Anobium tesselatum) op
-elkanders getik, of, zooals ik zelf heb waargenomen, op een kunstmatig
-voortgebracht kloppend geluid antwoorden: en de heer Doubleday [739]
-meldt mij, dat hij twee- of driemaal een tikkend wijfje heeft
-waargenomen, en haar na verloop van een uur of twee met een mannetje
-verbonden en bij ééne gelegenheid door onderscheidene mannetjes omringd
-vond. Eindelijk schijnt het waarschijnlijk, dat de beide seksen van
-vele soorten van kevers eerst in staat waren elkander te vinden door
-het zwakke schokkende geluid, voortgebracht door het tegen elkander
-wrijven der nabij elkander gelegen deelen hunner harde lichamen, en
-dat, dewijl de mannetjes en de wijfjes, die het sterkste geluid
-maakten, het best slaagden om gezellen van de andere sekse te vinden,
-de oneffenheden op verschillende deelen van hun lichaam zich allengs
-door de seksueele teeltkeus tot sjirporganen ontwikkelden.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) In een brief aan Darwin, gedateerd 19 October 1877, en gepubliceerd
-in „Nature” vol. XVII, 1877, blz. 78, zegt Fritz Müller naar aanleiding
-dezer plaats over het verschillend beloop der aderen op de vleugels van
-vlinders van verschillende sekse: „In alle gevallen die ik ken, staat
-dit verschil in verband met de ontwikkeling van vlekken uit eigenaardig
-gevormde schubben, haarbosjes of andere inrichtingen bij het mannetje,
-welke geuren van zich geven, die ongetwijfeld het wijfje aangenaam
-zijn, en zijn zij waarschijnlijk daardoor ontstaan. Dit is het geval
-bij de geslachten Mechanitis, Dircenna, bij eenige soorten van Thecla
-enz.” (Vergelijk aant. 2 op Hoofdstuk XI.)
-
-(2) Zie omtrent Mayer’s proeven: „Amer. Journ. of Science and Arts”,
-1874, blz. 94. Volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen
-aangehaalde verhandeling) zou het geluid bij de Diptera worden
-voortgebracht door uitstrooming van lucht uit de in bromtoestellen
-veranderde voorste en achterste stigmata van het borststuk. Dicht onder
-de stigma-opening ligt een ring, de bromring, die van dunne als
-stembanden werkende chitineplaatjes is voorzien, welke door de door
-tracheeën aangevoerde lucht in trilling geraken. Het geluid der Diptera
-kan dus evenzeer een eigenlijke stem worden genoemd als dat der
-Homoptera (blz. 444). Volgens J. Perez („Compt. rend.” T. LXXXVII, blz
-378) wordt het brommen der Tweevleugeligen en het zachte en weeke
-geluid dat sommige Schubvleugeligen en Netvleugeligen bij het vliegen
-maken, veroorzaakt door trillingen, waarvan de vleugelgewrichten de
-zitplaatsen zijn, terwijl het min of meer wordt gewijzigd door de
-wrijving der vleugels tegen de lucht. Naar aanleiding van de
-mededeelingen van Perez, schrijft Jousset de Bellesme („Compt. rend.”
-T. LXXXVII, blz. 659), dat alle insecten die, vliegende, meer dan 80
-vleugeltrillingen per seconde maken, geluid geven, mits de
-vleugeloppervlakte groot genoeg is. Zoo ontstaat het lage geluid in het
-gebrom der Tweevleugeligen en Vliesvleugeligen. In dat gebrom is echter
-ook een hoog geluid en dit laatste is een gevolg van trillingen van den
-thorax, die worden veroorzaakt doordat de vliegspieren zich niet
-inplanten aan de vleugels zelven, maar aan gedeelten van den thorax,
-die de vleugels dragen.
-
-Men zie overigens omtrent de door insekten voortgebrachte geluiden Dr.
-R. Horst, „De Stemwerktuigen der Insekten” (met afbeeldingen), in „Alb.
-d. Nat.” 1881, blz. 45.
-
-(3) De Homoptera worden door de meeste dierkundigen niet als een
-zelfstandige orde, maar slechts als een onderafdeeling van de orde der
-Hemiptera beschouwd.
-
-(4) Volgens Pape („Handwörterbuch der Griechischen Sprache”, Bd. II,
-blz. 108, kolom 1, regel 3 v. b.) zou men in Spanje nog heden de
-Cicaden in kooitjes bewaren ter wille van hun gezang.
-
-Dat de oude Grieken het gezang der Cicaden bewonderden, blijkt uit
-onderscheidene plaatsen der oude schrijvers. Zoo weet Homerus (Ilias
-III, 146–154) de welsprekendheid van de oudsten des Trojaanschen volks
-(de demogeronten) niet beter te verheerlijken, dan door ze bij Cicaden
-te vergelijken; Plato (Phaedr. 230, C) prijst den toon van het koor der
-Cicaden; Hesiodus (Opera et Dies, 583) vermeldt de liefelijkheid van
-hun gezang; Anakreon wijdt daaraan de 43ste zijner oden.
-
-Strabo verhaalt (Libr. VI, cap. 1, § 9) het volgende: „De rivier Halex
-doorboort een rots, tusschen Rhegium en Locri Epizephyrii gelegen. De
-Cicaden op het grondgebied der Locriërs geven geluid; de andere zijn
-stom. [740] Dit schijnt daarvandaan te komen, dat de landstreek aan den
-kant van Rhegium zeer in de schaduw ligt en de Cicaden daar vochtig
-bedauwd blijven, terwijl die aan den kant van Locri zeer aan de zon
-zijn blootgesteld en een hoornachtige huid hebben, zoodat zij een
-behoorlijk geluid kunnen geven.”
-
-„Te Locri werd een standbeeld getoond van Eunomos den citherspeler, dat
-een Cicade op de cither had zitten. Timaeus verhaalt daaromtrent, dat
-Eunomos van Locri en Ariston van Rhegium eens met elkander wedijverden
-in het citherspelen bij gelegenheid van de Pythische spelen; dat
-Ariston de hulp van de Delphiërs inriep, omdat zijn voorouders
-priesters van den Delphischen god waren geweest, en omdat van Delphi
-een volkplanting” (naar Rhegium?) „was gezonden; dat, toen Eunomos
-zeide, dat zij in muziekwedstrijden volstrekt geen stem hadden, daar de
-Cicaden, de welluidendste (!) der dieren, bij hen stom waren, Ariston
-desniettemin uitmuntte en veel hoop had de overwinning te behalen; maar
-dat Eunomos toch overwinnaar bleef en het bovengenoemde standbeeld in
-zijn vaderstad Locri oprichtte, nadat tijdens den wedstrijd, toen een
-van zijn snaren was gesprongen, een Cicade op de cither was gaan zitten
-en den ontbrekenden toon had aangevuld.”
-
-Bekend is ook de sage van Tithonus die door zijn gemalin Eos (of
-Hemera, zie Hellanici Fragm., 142, Schol. Homer. II. I, 151) in een
-Cicade was veranderd, uit medelijden voor zijn hulpeloozen ouderdom;
-hij had namelijk op haar verzoek van Zeus de onsterfelijkheid
-verkregen, doch zij had vergeten daarbij tevens een eeuwige jeugd voor
-hem te vragen (zie hierover ook Erasmi Adagia, in voce longaevitas).
-
-Volgens een andere Grieksche sage waren de Cicaden vroeger menschen
-geweest, uit het slijk der aarde voortgekomen [741], zij hadden van de
-Muzen de muziek geleerd en oefenden zelven die kunst met zooveel ijver,
-dat zij er eten en drinken voor vergaten en den hongerdood stierven. De
-dankbare Muzen deden ze als Cicaden herleven en schonken hun het
-vermogen om zonder voedsel te kunnen leven, opdat zij zich ongestoord
-aan de kunst zouden kunnen wijden.
-
-De Romeinen dweepten niet met het gezang der Cicaden. Dit blijkt o.a.
-uit een paar plaatsen van Virgilius (Ecl. II, 13 en Georg. III, 328),
-waar hij zingt:
-
-
- At mecum raucis, tua dum vestigia lustro,
- Sole sub ardenti resonant arbusta cicadis.
-
-
-en:
-
-
- Et cantu querulae rumpent arbusta cicadae.
-
-
-(5) Het stemorgaan der Cicaden wordt zeer uitvoerig beschreven en is
-experimenteel onderzocht door Prof. G. Carlet te Grenoble („Revue
-Scientifique”, 1 Dec. 1877, waar hij ook een vergroote afbeelding heeft
-gegeven). Elke twijfel schijnt opgeheven, dat het in hoofdzaak bestaat
-uit een vlies, dat door de snelle beweging van een daaraan ingeplante
-spier in trilling wordt gebracht.
-
-(6) Wellicht behoort onder de secundaire seksueele kenmerken bij de
-Homoptera melding te worden gemaakt van het lichtend vermogen dat,
-volgens sommigen, de soorten van de familie der Lantaarndragers zouden
-bezitten. De eerste die daarvan melding heeft gemaakt en het zelf zou
-hebben waargenomen, was Mejuffrouw Maria Sibylla Merian. Daar later
-echter het bestaan van dit lichtend vermogen door andere
-natuuronderzoekers welke die dieren in hun vaderland waarnamen, niet
-alleen niet werd bevestigd, maar zelfs formeel tegengesproken, kwamen
-de meeste dierkundigen tot de overtuiging, dat het bericht van
-Mejuffrouw Merian op een dwaling moest berusten, totdat voor eenige
-jaren de heer J. Smith eenige waarnemingen omtrent den Chineeschen
-Lantaarndrager (Fulgora candelaria) publiek maakte; hij beweert, dat
-dit dier van Mei tot in Augustus niet zeldzaam is, en dat in die
-maanden de spits van de lantaarn (het blazige, vooruitstekende deel van
-den kop) een blauw of groenachtig licht verspreidt, dat bij het wijfje
-sterker is dan bij het mannetje en na de paring geheel verdwijnt. [742]
-Deze laatste omstandigheid zou kunnen verklaren, hoe zoovele waarnemers
-hebben kunnen volhouden, dat het lichtgevend vermogen een sprookje was;
-ook onze gewone mannelijke Glimworm intusschen geeft dikwijls geen
-licht.
-
-Tot de Orde of Onder-Orde der Homoptera behoort ook de zeer
-merkwaardige familie der Membraciden, bij welke groep het voorborststuk
-(prothorax) allerlei grillige fantastisch gevormde uitsteeksels
-vertoont, welke aan deze insekten een allerzonderlingst uiterlijk
-geven. Daar het mij niet onwaarschijnlijk voorkwam, dat deze
-uitsteeksels door seksueele teeltkeus waren ontstaan, richtte ik tot
-wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, de
-vraag, of er in de grootte en den vorm dezer uitsteeksels eenig
-verschil tusschen de seksen bestond. Hij antwoordde mij, dat hij zulks
-niet geloofde.
-
-Desniettemin kunnen deze uitsteeksels die bij nauw verwante soorten
-zeer sterk verschillen, zeer wel door seksueele teeltkeus zijn
-ontstaan, hetzij dan dat de aldus oorspronkelijk door de eene sekse
-verkregen kenmerken later op de andere werden overgeplant, of dat beide
-seksen door wederkeerige teeltkeus tegelijkertijd in deze richting
-werden veranderd.
-
-(7) Het grootste en sterkste muziekinstrument bezit een soort van
-Sabelsprinkhaan van Java en Borneo, Macrolyristes genaamd.
-
-Dat de door de mannetjes der Sabelsprinkhanen met hun instrument [743]
-voortgebrachte muziek werkelijk dient tot seksueele lokstem en dat het
-wijfje werkelijk een keus tusschen verschillende mannetjes doet en niet
-met het eerste het beste paart, blijkt o.a. overtuigend uit een
-waarneming van wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van
-Vollenhoven, die hij in zijn uitnemend, reeds meer aangehaald werk
-„Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz.
-87, in zijn gewonen onderhoudenden stijl met de volgende woorden
-mededeelt:
-
-„Ik herinner mij, dat ik eens kwam op een glooienden grond met een
-vergezicht dat mij uitlokte om er lang naar te zien,—dat mij uitlokte
-om te gaan liggen om er naar te blijven zien”.....
-
-..... „Terwijl ik daar lag roerloos als een doode op de ademhaling na,
-hoor ik een licht geritsel aan mijn zijde, een hrr, hrr, zeer flauw,
-maar kenbaar geslaakt om attentie te trekken. Ik zie naar dien kant,
-doch bespeur niets; korten tijd daarna wordt het geluid herhaald, ik
-zoek nauwlettender met de oogen, en op de zelfde oogenblik springt mij
-een kleine sprinkhaan op den arm. Het spreekt van zelf, dat ik het
-diertje niet verontrustte, noch wegjoeg, maar in afwachting bleef wien
-zijn roepstem gold. Hij sjirpte weder, en het was mij of zijn geluid
-helderder was; misschien maakten wij beiden de zelfde opmerking, want
-nu barstte zijn muzikaal talent eerst recht los, en met intervallen van
-eenige seconden sjirpte hij wat hij kon. Gelukkig niet te vergeefs;
-zijn roepstem was gehoord. Evenals men op de oude platen der bijbelsche
-prentenboeken bij de offerande van Abraham altijd een ramskop tusschen
-de struiken afgebeeld ziet, zoo verscheen mij op kleinen afstand
-tusschen de grassprietjes een andere sprinkhaankop. Het duurde eenigen
-tijd eer deze tweede sprinkhaan behoedzaam durfde naderen, doch
-langzamerhand legde het diertje alle vrees af en kwam, gelokt door de
-liefelijke tonen, nader en nader, toen ik in de verte, als het
-hoorngeluid van Hernani, een tweede hrr, hrr hoorde weêrklinken. De
-tweede sprinkhaan bleef staan en luisterde; de minnaar riep haar met
-aandrang, met gevoel, maar de medeminnaar sprong dichterbij en sjirpte
-weder. Deze laatste kreet besliste de zaak; het bleek dat dit de toon
-niet was, waarmede men vrouwenharten verovert, want de geliefde wendde
-zich tot den eersten zanger, en beide—eensgezind—sprongen op en over
-mij heên om in het gras een offerande te brengen aan moeder Isis, de
-alles onderhoudende.”
-
-Zoo schreef Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, tegenstander der
-Darwinistische beginselen, in 1870, vóór Darwin’s boek over seksueele
-teeltkeus was uitgekomen. In 1871, na het verschijnen van dit boek, op
-de zomervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
-ontkende hij daarentegen, nadat ik een discussie over het Darwinisme
-had uitgelokt, dat, zelfs bij de hoogere dieren, laat staan bij de
-lagere, het wijfje een keus deed tusschen verschillende mannetjes;
-„integendeel”, zeide hij, „het wijfje paart niet dan na daartoe formeel
-te zijn genoodzaakt, maar neemt dan ook het eerste het beste mannetje
-aan!” Het is niet onaardig op te merken, hoe zelfs de tegenstanders van
-Darwin’s leer huns ondanks bouwstoffen verzamelen, die haar de
-zegepraal helpen verzekeren.
-
-(8) Volgens Goureau zouden er soorten van Veldsprinkhanen zijn, die wel
-de dijen tegen de randen der vleugels wrijven, doch daarbij geen geluid
-voortbrengen. Waarschijnlijk wordt er wel degelijk een toon
-voortgebracht, doch is deze te hoog om door het menschelijk oor te
-kunnen worden waargenomen. [744] Vele menschen kunnen zelfs het voor
-anderen zoo vervelende krieken van den Huiskrekel volstrekt niet
-waarnemen.
-
-(9) De Nederlandsche bewoners van de Kaapkolonie noemen dit dier daarom
-Blaasop.
-
-(10) Het komt mij voor, dat men het ontstaan van het stemorgaan der
-Diptera even goed kan verklaren door seksueele teeltkeus als in het
-geval van Kevers bij welke beide seksen sjirpen (blz. 467 v.v.). Gaat
-bij de Diptera en sommige andere insekten die verklaring niet door, dan
-wordt het mijns inziens ook minder waarschijnlijk, dat zij in andere
-gevallen de juiste is. Hebben de Diptera en sommige andere insekten het
-vermogen om geluid voort te brengen, verkregen zonder de inwerking der
-seksueele teeltkeus, dan zou het vreemd zijn, dat zij de eenigen waren,
-en dan is het ook onnoodig bij Kevers, bij welke beide seksen sjirpen,
-dat beginsel ter verklaring te hulp te roepen. Het ligt overigens voor
-de hand, dat ook bij de Diptera die individu’s van beiderlei sekse, die
-eenigermate het vermogen bezaten om geluid voort te brengen, elkander
-gemakkelijker konden vinden dan andere, derhalve grooter kans hadden om
-nakomelingschap na te laten dan deze, en op die nakomelingschap het
-vermogen om geluid voort te brengen overplantten, terwijl die
-nakomelingen welke het vermogen om geluid voort te brengen, in de
-sterkste mate bezaten, op hun beurt de kans hadden zich het sterkst te
-vermenigvuldigen. Ik geloof dus, dat wij ook in dit geval de werking
-der seksueele teeltkeus moeten aannemen, doch, zoo wij dit niet willen,
-ook geen recht hebben haar in andere gevallen waarin beide seksen
-sjirpen, aan te nemen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG—ORDE DER
-SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).
-
- Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan
- beide seksen gemeen of het schitterendst bij de
- mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de
- rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot
- bescherming geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der
- Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der
- Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—Oorzaken van het verschil in
- kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke
- Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de
- mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en
- slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der
- Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten.
-
-
-In deze groote Orde is het belangrijkste punt voor ons het verschil in
-kleur tusschen de seksen van ééne en de zelfde soort. Bijna het geheele
-volgende hoofdstuk zal aan dit onderwerp zijn gewijd; maar ik zal eerst
-eenige weinige opmerkingen maken over een of twee andere punten. Men
-kan dikwijls zien hoe verscheidene mannetjes rondom het zelfde wijfje
-vliegen en haar vervolgen. Hun vrijage schijnt een langdurige zaak te
-zijn; want ik heb dikwijls mannetjes bespied, die rondom een wijfje
-fladderen, totdat het mij eindelijk verveelde, zonder het eind van de
-vrijage te zien. Hoewel Dagvlinders zulke zwakke en broze schepsels
-zijn, zijn ze toch strijdlustig, en men heeft een Irisvlinder [745]
-gevangen, bij welken de punten van de vleugels in een gevecht met een
-ander mannetje waren gebroken. De heer Collingwood zegt, sprekende van
-de veelvuldige gevechten tusschen de kapellen van Borneo: „Zij
-dwarrelen met de grootste snelheid om elkander heên en schijnen met de
-grootste verwoedheid te zijn bezield.”
-
-Er is een geval bekend van een Dagvlinder, namelijk Ageronia feronia,
-die een geluid maakt, gelijkende op dat hetwelk wordt voortgebracht
-door een tandrad dat onder een springhaak doorloopt en dat op den
-afstand van verscheiden ellen kan worden gehoord. Te Rio de Janeiro
-werd dit geluid alleen door mij opgemerkt, als twee dergelijke kapellen
-elkander in onregelmatige vlucht nazaten, zoodat het waarschijnlijk
-alleen wordt gemaakt gedurende de vrijage van de seksen; maar ik
-verzuimde op dit punt nauwkeurig acht te slaan. [746]
-
-Ook sommige nachtvlinders brengen geluiden voort; bij voorbeeld de
-mannetjes van Thecophora fovea. Bij twee gelegenheden hoorde de heer F.
-Buchanan White [747] een scherp, kort geluid, voortgebracht door het
-mannetje van Hylophila prasinana, en dat hij gelooft, dat evenals bij
-Cicada door een veerkrachtig vlies, van een spier voorzien, wordt
-voortgebracht. Hij haalt ook Guenée aan om te bewijzen, dat Senita een
-geluid voortbrengt, dat op het tikken van een horloge gelijkt, naar het
-schijnt met behulp van twee groote trommelvormige blazen, in de
-borststreek gelegen; en deze „zijn veel ontwikkelder bij het mannetje
-dan bij het wijfje.” Vandaar schijnen de geluidvoortbrengende organen
-bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) in eenige betrekking te staan met
-de seksueele functies. Ik heb geen melding gemaakt van het welbekende
-geluid dat de doodshoofduil voortbrengt; want dit wordt over het
-algemeen gehoord kort nadat de uil uit de pop is gekomen. (1)
-
-Girard heeft altijd opgemerkt, dat de muskusgeur, welke door twee
-soorten van pijlstaart-vlinders (Sphinx) wordt voortgebracht, alleen
-aan de mannetjes eigen is [748]; en bij de hoogere dieren zullen wij
-talrijke gevallen ontmoeten, waarin alleen de mannetjes een bijzonderen
-geur hebben. (2)
-
-Iedereen heeft de buitengewone schoonheid van vele Dagvlinders en van
-sommige Nachtvlinders bewonderd; en wij worden er toe gebracht om te
-vragen, hoe zij deze schoonheid hebben verkregen? Zijn hun kleuren en
-de zooveel verscheidenheid vertoonende teekeningen op hun vleugels
-eenvoudig het gevolg van de physische toestanden waaraan deze insekten
-zijn blootgesteld geweest, zonder dat daardoor eenig voordeel is
-verkregen? Of hebben opeenvolgende veranderingen zich opeengehoopt, en
-zijn zij ontstaan, hetzij ter bescherming, hetzij met een of ander
-onbekend doel, of opdat de eene sekse aantrekkelijker zou worden
-gemaakt voor de andere? En wat beteekent het daarenboven, dat bij
-sommige soorten de kleuren van de mannetjes zeer veel van die der
-wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen op de
-zelfde wijze zijn gekleurd? Voor wij beproeven om een antwoord op deze
-vragen te geven, moeten wij eenige feiten mededeelen.
-
-Bij de meeste van onze Engelsche Dagvlinders, zoowel bij die welke
-schoon zijn, gelijk de Nommerkapel, de Dagpauwoog en de Distelvink
-(Vanessae) als bij die welke effen zijn gekleurd, zooals de Zandoogjes
-(Hipparchia), gelijken de beide seksen op elkander. Dit is ook het
-geval bij de prachtige Heliconiden en Danaïden der Keerkringslanden.
-Bij sommige andere groepen uit de verzengde luchtstreek echter, en bij
-sommige onzer Engelsche kapellen, zooals den Irisvlinder, den
-Peterselievlinder enz. (Apatura Iris en Antocharis cardamines),
-verschillen de seksen hetzij zeer sterk, hetzij een weinig in kleur.
-Geen taal is in staat om de pracht der mannetjes van sommige soorten
-uit de verzengde luchtstreek te beschrijven. Zelfs in één en het zelfde
-geslacht vinden wij dikwijls soorten, bij welke de seksen buitengewoon
-sterk van elkander verschillen, terwijl zij bij andere zeer sterk op
-elkander gelijken. Zoo verhaalt mij de heer Bates, aan wien ik zeer ben
-verplicht, daar hij mij de meeste der volgende feiten mededeelde, en
-zoo goed was dit geheele hoofdstuk na te zien, dat hij in het
-Zuid-Amerikaansche geslacht Epicalia twaalf soorten kent, waarvan beide
-seksen de zelfde plaatsen bezoeken (en dit is met kapellen niet altijd
-het geval), en waarop daarom de uitwendige toestanden geen
-verschillenden invloed kunnen hebben uitgeoefend. [749] Bij negen dezer
-soorten behooren de mannetjes tot de schitterendste van alle vlinders
-en verschillen zoo sterk van de vergelijkenderwijze dof gekleurde
-wijfjes, dat zij vroeger tot verschillende geslachten werden gebracht.
-De wijfjes dezer negen soorten gelijken op elkander in de algemeene
-type van hun kleuring en gelijken eveneens op beide seksen in
-verscheidene verwante geslachten welke in verschillende deelen der
-wereld worden gevonden. Wij mogen daaruit in overeenstemming met de
-afstammingstheorie afleiden, dat deze negen soorten, en waarschijnlijk
-al de andere van het geslacht, afstammen van éénen stamvorm, die op
-ongeveer de zelfde wijze was gekleurd. Bij de tiende soort behoudt het
-wijfje nog de zelfde algemeene kleuring, maar het mannetje gelijkt op
-haar, zoodat hij op veel minder fraaie en afwisselende wijze is
-gekleurd, dan de mannetjes der vorige soorten. Bij de elfde en twaalfde
-soort wijken de wijfjes af van de type van kleuring, die gewoonlijk in
-dit geslacht aan haar sekse eigen is; want zij zijn sierlijk gekleurd
-op ongeveer de zelfde wijze als de mannetjes, maar in iets mindere
-mate. Vandaar schijnt het, dat bij deze beide soorten dus de
-schitterende kleuren der mannetjes op de wijfjes zijn overgebracht;
-terwijl het mannetje der tiende soort de effen kleuren van het wijfje
-en van den stamvorm van het geslacht hetzij behouden, hetzij
-teruggekregen heeft; in beide gevallen zijn dus de seksen, hoewel op
-tegenovergestelde wijze, aan elkander gelijk gemaakt. Bij het verwante
-geslacht Eubagis zijn beide seksen van sommige soorten effen gekleurd
-en gelijken zeer op elkander, terwijl bij de meeste soorten de
-mannetjes met fraaie metallieke kleuren met zeer veel verscheidenheid
-zijn gekleurd, en veel van de wijfjes verschillen. De wijfjes behouden
-in dit geheele geslacht, wat haar kleuring aangaat, de zelfde algemeene
-type, zoodat zij gewoonlijk veel meer op elkander dan op de mannetjes
-van haar eigen soort gelijken.
-
-In het geslacht Papilio zijn al de soorten van de Aeneasgroep
-opmerkelijk wegens haar opzichtige en sterk tegen elkander afstekende
-kleuren, en zij geven een voorbeeld van de veelvuldig voorkomende
-neiging tot langzame overgangen in de hoegrootheid van het verschil
-tusschen de seksen. Bij eenige weinige soorten, bij voorbeeld bij P.
-Ascanius, zijn de mannetjes en wijfjes gelijk; bij andere zijn de
-mannetjes een weinig of zeer veel prachtiger gekleurd dan de wijfjes.
-Het met onze Schoenlappers (Vanessae) verwante geslacht Junonia biedt
-een bijna overeenkomstig geval aan; want hoewel de seksen der meeste
-soorten op elkander gelijken en geen rijke kleuren bezitten, zoo is
-toch bij zekere soorten, zooals bij J. oenone, het mannetje iets
-levendiger gekleurd dan het wijfje, en bij eenige weinige (bij
-voorbeeld J. andremiaja) is het mannetje zoo verschillend van het
-wijfje, dat hij bij vergissing voor een andere soort zou kunnen worden
-gehouden.
-
-Op een ander treffend geval werd in het Britsch Museum mijn aandacht
-gevestigd door den heer A. Butler, namelijk op een der Page’s (Theclae)
-uit tropisch Amerika, bij welken beide seksen bijna gelijk en
-verwonderlijk schitterend zijn gekleurd; bij een anderen is het
-mannetje op overeenkomstige prachtige wijze gekleurd, terwijl bij het
-wijfje de geheele bovenste oppervlakte dof effen bruin is. Onze gewone
-kleine Engelsche blauwe kapellen van het geslacht Lycaena geven een
-bijna even goed, hoewel minder treffend voorbeeld van de onderscheidene
-verschillen in kleur tusschen de beide seksen, als de bovengenoemde
-exotische geslachten. Bij Lycaena agestis hebben beide seksen vleugels
-van een bruine kleur, omzoomd met kleine oogvormige oranje vlekjes, en
-zijn derhalve gelijk. Bij L. aegon zijn de vleugels van het mannetje
-fraai blauw, met zwart omzoomd, terwijl de vleugels van het wijfje
-bruin en evenzoo omzoomd zijn, en zeer op die van L. agestis gelijken.
-Bij L. arion eindelijk zijn beide seksen van een blauwe kleur en bijna
-gelijk, hoewel bij het wijfje de randen der vleugels iets donkerder,
-met effener zwarte vlekken zijn, en bij een helderblauwe Indische soort
-gelijken de beide seksen nog meer op elkander.
-
-Ik heb de voorgaande gevallen eenigszins uitvoerig behandeld om aan te
-toonen, in de eerste plaats, dat, wanneer de seksen der kapellen
-verschillen, de algemeene regel is, dat het mannetje fraaier is en het
-meest afwijkt van de gewone type van kleuring van de groep waartoe de
-soort behoort. Vandaar gelijken in de meeste groepen de wijfjes van de
-onderscheidene soorten veel meer op elkander, dan de mannetjes. In
-sommige exceptioneele gevallen waarop ik later zal wijzen zijn echter
-de wijfjes schitterender gekleurd dan de mannetjes. In de tweede plaats
-zijn deze gevallen behandeld om helder voor den geest te brengen, dat
-in één en het zelfde geslacht de beide seksen dikwijls allerlei
-overgangen vertoonen tusschen geen verschil in kleur en een zoo groot
-verschil, dat het lang duurde, voor beide door de insektenkenners in
-het zelfde geslacht werden geplaatst. In de derde plaats hebben wij
-gezien, dat, wanneer de seksen veel op elkander gelijken, dit
-waarschijnlijk een gevolg daarvan is, dat het mannetje, hetzij zijn
-kleuren op het wijfje heeft overgebracht, of dat het de oorspronkelijke
-kleuren van het geslacht waartoe de soort behoort, hetzij heeft
-behouden of herkregen. Het verdient opmerking, dat in die groepen bij
-welke de seksen eenig verschil in kleur vertoonen, de wijfjes
-gewoonlijk tot op zekere hoogte op de mannetjes gelijken, zoodat, als
-de mannetjes buitengewoon schoon zijn, de wijfjes bijna zonder
-uitzondering een zekere mate van schoonheid vertoonen. Wegens de
-talrijke gevallen van overgang in de hoegrootheid van het verschil
-tusschen de seksen, en wegens het heerschen van de zelfde algemeene
-type van kleuring door een geheele zelfde groep heên, mogen wij
-besluiten, dat de oorzaken, welke zij dan ook mogen zijn geweest, die
-de schitterende kleuren bij sommige soorten alleen van de mannetjes en
-bij andere soorten van beide seksen in meer of minder gelijken graad
-hebben bepaald, over het algemeen de zelfde zijn geweest.
-
-Daar zoo vele prachtige kapellen de tropische gewesten bewonen, heeft
-men dikwijls verondersteld, dat zij haar kleuren aan de groote hitte en
-vochtigheid van die streken zijn verschuldigd; maar de heer Bates [750]
-heeft door de vergelijking van onderscheidene nauw verwante
-insektengroepen van de gematigde en verzengde luchtstreek aangetoond,
-dat deze meening niet houdbaar is, en het bewijs wordt onwederlegbaar,
-wanneer schitterend gekleurde mannetjes en effen gekleurde wijfjes van
-de zelfde soort de zelfde landstreek bewonen, zich met het zelfde
-voedsel voeden en volkomen de zelfde levenswijze leiden. Zelfs als de
-seksen op elkander gelijken, kunnen wij moeielijk gelooven, dat haar
-prachtige en fraai geschikte kleuren het doelloos gevolg van den aard
-harer weefsels en van de werking der omringende omstandigheden zijn.
-
-Bij dieren van alle soorten is, wanneer ook de kleur voor eenig
-bijzonder doel is gewijzigd, dit, voor zoover wij er over kunnen
-oordeelen, steeds geschied, hetzij tot bescherming, of om de andere
-sekse aan te trekken. Bij vele soorten van kapellen zijn de bovenste
-oppervlakten der vleugels donker gekleurd, en dit dient naar alle
-waarschijnlijkheid om aan de opmerkzaamheid en aan gevaar te
-ontsnappen. Kapellen moeten echter, vooral wanneer zij rusten, aan de
-aanvallen harer vijanden zijn blootgesteld, en bijna alle soorten
-richten, wanneer zij rusten, haar vleugels rechtop, zoodat alleen de
-ondervlakten kunnen worden gezien. Vandaar is het deze zijde die in
-vele gevallen blijkbaar zoodanig is gekleurd, dat zij de oppervlakten
-nabootst, waarop deze insekten gewoonlijk rusten. Dr. Rössler was,
-geloof ik, de eerste die de gelijkenis der gesloten vleugels van zekere
-Schoenlappers (Vanessae) en andere kapellen op de schors van boomen
-opmerkte. Vele overeenkomstige en treffende gevallen zouden kunnen
-worden medegedeeld. Het meest belangwekkende is dat hetwelk de heer
-Wallace [751] vermeldt van een in Indië en op Sumatra algemeen
-voorkomende kapel (Kallima), die als door een tooverslag verdwijnt, als
-zij zich op een struik nederzet; want zij verbergt haar kop en sprieten
-tusschen haar gesloten vleugels, en deze kunnen in vorm, kleur en
-aderbeloop niet worden onderscheiden van een verlept blad met zijn
-bladsteel. In sommige andere gevallen zijn de ondervlakten der vleugels
-schitterend gekleurd en dienen toch tot bescherming; zoo zijn bij de
-Bramenpage (Thecla rubi) de vleugels, als zij zijn gesloten,
-smaragdgroen en gelijken op de jonge bladeren van de braamstruik waarop
-men dezen vlinder in de lente dikwijls kan zien zitten.
-
-Hoewel de donkere tinten van de boven- en ondervlakten van vele
-kapellen ongetwijfeld dienen om haar te verbergen, kunnen wij deze
-beschouwingswijze bij geen mogelijkheid toepassen op de schitterende en
-in ’t oog vallende kleuren van vele soorten, zooals van onze
-Nommerkapel en Dagpauwoog (Vanessae), onze witte Koolvlinders (Pieris)
-of den grooten Venkelvlinder (Papilio), die de open vlakten
-bezoekt;—want deze kapellen worden daardoor voor elk levend wezen
-zichtbaar gemaakt. Bij deze soorten gelijken de beide seksen op
-elkander; maar bij den gewonen Citroenvlinder (Gonopteryx rhamni) is
-het mannetje levendig geel gekleurd, terwijl het wijfje veel bleeker
-is; en bij den Peterselievlinder (Anthocharis cardamines) hebben alleen
-de mannetjes helderoranje punten aan hun vleugels. In deze gevallen
-zijn de mannetjes en de wijfjes even opzichtig, en het is niet
-geloofbaar, dat hun verschil in kleur in eenige betrekking tot gewone
-bescherming staat. Desniettemin is het mogelijk, dat de opzichtige
-kleuren van vele soorten haar op indirecte wijze voordeelig kunnen
-zijn, zooals later zal worden verklaard, door te maken, dat haar
-vijanden dadelijk zien, dat zij oneetbaar zijn. Zelfs in dit geval
-volgt hier nog niet met zekerheid uit, dat haar levendige kleuren en
-fraaie teekeningen voor dit bepaalde doel werden verkregen. In sommige
-andere merkwaardige gevallen is schoonheid verkregen tot bescherming
-door de nabootsing van andere schoone soorten die de zelfde streek
-bewonen en tegen een aanval zijn beveiligd, omdat zij langs den eenen
-of anderen weg haar vijanden schade kunnen berokkenen.
-
-Het wijfje van den bovenvermelden Peterselievlinder en van een
-Amerikaansche soort (Anth. genutia) vertoonen ons waarschijnlijk,
-gelijk de heer Walsh mij deed opmerken, de oorspronkelijke kleuren van
-de stamsoort van het geslacht; want beide seksen van vier of vijf, in
-zeer ver uiteengelegen streken levende soorten zijn bijna op de zelfde
-wijze gekleurd. Wij mogen hieruit afleiden, gelijk in verscheidene
-vroegere gevallen, dat het de mannetjes van Anth. cardamines en genutia
-zijn, die van de gewone type van kleuring van hun geslacht zijn
-afgeweken. Bij Anth. sara uit Californië zijn de oranje punten ook bij
-het wijfje tot gedeeltelijke ontwikkeling gekomen; want haar vleugels
-bezitten roodachtig oranje punten, maar bleeker dan die van het
-mannetje en ook in enkele andere opzichten eenigszins verschillend. Bij
-een verwanten Indischen vorm, den Iphias glaucippe, zijn de oranje
-punten bij beide seksen geheel ontwikkeld. Bij dezen Iphias gelijkt de
-ondervlakte der vleugels, gelijk de heer A. Butler mij aanwees,
-verwonderlijk veel op een bleek gekleurd blad; en bij onzen Engelschen
-Peterselievlinder gelijkt de ondervlakte op de bloemhoofdjes van de
-wilde peterselie waarop men hem ’s nachts kan zien gaan rusten. [752]
-Het zelfde redeneerend vermogen dat ons aandrijft om te gelooven, dat
-de ondervlakten hier zijn gekleurd ter wille van de bescherming, brengt
-ons er toe om te ontkennen, dat de punten der vleugels met dit zelfde
-doel oranjekleurig zijn gemaakt, vooral daar dit kenmerk tot de
-mannetjes beperkt is.
-
-Laten wij nu tot de Nachtvlinders overgaan: de meeste van deze blijven
-gedurende den geheelen of het grootste gedeelte van den dag
-bewegingloos met neêrgeslagen vleugels zitten; en de bovenste
-oppervlakten van hun vleugels zijn dikwijls, gelijk de heer Wallace
-[753] heeft opgemerkt, op bewonderenswaardige wijze geschakeerd en
-gekleurd om aan de ontdekking te ontsnappen. Bij de meeste Spinners
-(Bombycidae) en Uilen (Noctuïdae) overdekken en verbergen, wanneer zij
-rusten, de voorvleugels de achtervleugels, zoodat deze laatsten zonder
-veel gevaar levendig zouden kunnen zijn gekleurd; en zij zijn bij vele
-soorten van beide families aldus gekleurd. Gedurende het vliegen moeten
-nachtvlinders dikwijls in staat zijn om hun vijanden te ontsnappen;
-desniettemin moeten, daar hun achtervleugels dan geheel zichtbaar zijn,
-hun levendige kleuren ten koste van eenig gevaar zijn verkregen. Het
-volgende feit bewijst echter, hoe voorzichtig wij moeten zijn met
-hieromtrent besluiten te trekken. De soorten van het geslacht Triphaena
-vliegen dikwijls over dag of in den vroegen avond rond en vallen dan
-door de gele kleur harer ondervleugels zeer in het oog. Men zou
-natuurlijk denken, dat dit een bron van gevaar was; maar de heer J.
-Jenner Weir gelooft, dat dit haar werkelijk dient tot een middel om te
-ontsnappen; want de vogels treffen gewoonlijk deze levendig gekleurde
-en broze oppervlakte in plaats van het lichaam. De heer Weir bracht bij
-voorbeeld een prachtig voorwerp van den Hooivlinder (Triphaena pronuba)
-in zijn vogelhuis; het werd dadelijk door een roodborstje vervolgd;
-maar daar de oplettendheid van den vogel zich richtte op de gekleurde
-vleugels, werd de uil niet gevangen dan na ongeveer vijftig vergeefsche
-pogingen, en werden herhaaldelijk kleine stukjes van de vleugels
-afgebroken. Hij deed de zelfde proef in de open lucht met een
-Zoombandvlinder (Triphaena fimbria) en een zwaluw; maar de aanzienlijke
-grootte van dezen uil verhinderde waarschijnlijk, dat hij werd gevangen
-[754]. Wij worden hierdoor herinnerd aan een mededeeling van den heer
-Wallace [755], namelijk dat in de Braziliaansche bosschen en in
-Insulinde vele algemeen voorkomende en zeer fraaie vlinders slechte
-vliegers zijn, hoewel zij van bijzonder groote vleugels zijn voorzien,
-en dat zij „dikwijls worden gevangen met doorboorde en gebroken
-vleugels, alsof zij door vogels waren gegrepen, maar aan deze ontsnapt;
-indien de vleugels veel kleiner waren geweest in verhouding tot het
-lichaam, schijnt het waarschijnlijk, dat het insekt veelvuldiger in een
-voor het leven noodzakelijk deel zou zijn getroffen of doorboord, en
-zoo kan de vermeerderde grootte der vleugels op indirecte wijze
-voordeelig zijn geweest.”
-
-
-
-Pronkerij.— De levendige kleuren van de Kapellen en van sommige
-Nachtvlinders zijn bijzonder ingericht om er mede te pronken, hetzij
-zij daarenboven tot bescherming mogen dienen of niet. Levendige kleuren
-zouden gedurende den nacht niet zichtbaar zijn; en er kan geen twijfel
-bestaan, dat de Nachtvlinders, over het geheel genomen, minder levendig
-zijn gekleurd dan de Kapellen die allen dagdieren zijn. De
-Nachtvlinders van zekere families, zooals de Zygaenidae, verscheidene
-Onrusten (Sphingidae), Uraniidae, sommige Beerrupsvlinders (Arctiidae)
-en Nachtpauwoogen (Saturniidae) vliegen gedurende den dag of in den
-vroegen avond rond en vele van deze zijn uiterst fraai en veel
-levendiger gekleurd dan die soorten, welke een uitsluitend nachtelijke
-levenswijze hebben. Eenige weinige exceptioneele gevallen van levendig
-gekleurde nachtelijke soorten zijn echter opgeteekend. [756]
-
-Er zijn bewijzen van een andere soort, wat het pronken aangaat. Zooals
-boven is opgemerkt, houden kapellen, als zij rusten, de vleugels
-omhoog, en slaan ze, terwijl zij zich in de zon koesteren, beurtelings
-open en dicht; op die wijze stellen zij beide oppervlakten ten volle
-aan het gezicht bloot; en hoewel de ondervlakte dikwijls tot
-bescherming donker is gekleurd, is zij bij vele soorten toch even hoog
-en dikwijls op geheel andere wijze gekleurd dan de bovenvlakte. Bij
-eenige tropische soorten is zelfs de ondervlakte schitterender gekleurd
-dan de bovenvlakte. [757] Bij een Engelsche Parelmoêrkapel, de Argynnis
-aglaia, is alleen de ondervlakte versierd met blinkende zilveren
-schijven. Als algemeene regel is echter de bovenvlakte die
-waarschijnlijk het meest aan het gezicht is blootgesteld, op
-schitterende wijze gekleurd en vertoont meer verscheidenheid van
-kleuren dan de ondervlakte. Vandaar biedt de ondervlakte gewoonlijk aan
-de insektenkenners de bruikbaarste kenmerken aan om de verwantschappen
-der verschillende soorten te ontdekken. Fritz Müller meldt nog, dat bij
-zijn huis in Zuid-Brazilië drie soorten van Gastnia voorkomen; bij twee
-daarvan zijn de achtervleugels donker en worden altijd door de
-voorvleugels bedekt, als deze vlinders in rust zijn; maar de derde
-soort heeft zwarte ondervleugels, fraai gevlekt met rood en wit, en
-deze worden altijd volkomen uitgestrekt en vertoond, wanneer de kapel
-in rust is. Andere soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden
-gevoegd.
-
-Als wij ons nu wenden tot de verbazend groote groep der Nachtvlinders
-die gewoonlijk de ondervlakte hunner vleugels niet volkomen aan het
-gezicht blootstellen, dan is die zijde, naar ik van den heer Stainton
-hoor, zeer zelden levendiger of zelfs even levendig gekleurd, als de
-bovenzijde. Er bestaan echter eenige, hetzij wezenlijke of schijnbare
-uitzonderingen op den regel, zooals die van Hypopyra die door den heer
-Wormald is beschreven. [758] De heer R. Trimen meldt mij, dat in
-Guinée’s groot werk drie nachtvlinders zijn afgebeeld, bij welke de
-ondervlakte het schitterendst is. Bij de Australische Gastrophora is
-bij voorbeeld de bovenvlakte van den voorvleugel grijsachtig
-okerkleurig, terwijl de ondervlakte versierd is met een kobaltblauwe
-oogvlek (ocellus), op een zwarten grond geplaatst, die door oranjegeel,
-en dit laatste door blauwachtig wit wordt omringd. De levenswijze van
-deze drie nachtvlinders is echter onbekend, zoodat geen verklaring van
-den ongewonen stijl, volgens welken zij gekleurd zijn, kan worden
-gegeven. De heer Trimen meldt mij ook, dat de ondervlakten der vleugels
-bij zekere andere Spanners (Geometrae) [759] en vierdeelige Noctuae,
-hetzij meer geschakeerd of levendiger gekleurd zijn dan de
-bovenvlakten; maar sommige dezer soorten hebben de gewoonte „om haar
-vleugels geheel rechtstandig boven den rug te houden en geruimen tijd
-in die houding te blijven zitten”, aldus de ondervlakte aan het gezicht
-blootstellende. Andere soorten hebben de gewoonte, als zij op den grond
-of op het gras zitten, nu en dan plotseling hun vleugels een weinig op
-te lichten. Daarom is het feit, dat bij zekere nachtvlinders de
-ondervlakte der vleugels levendiger is gekleurd dan de bovenvlakte,
-niet zulk een onregelmatigheid als men op het eerste gezicht zou
-zeggen. De Nachtpauwoogen (Saturniidae) omvatten eenige der schoonste
-van alle nachtvlinders, daar hun vleugels, evenals bij onzen Britschen
-grooten Nachtpauwoog, met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd zijn; en
-de heer T. W. Wood [760] merkt op, dat zij in sommige hunner bewegingen
-op kapellen gelijken; „bij voorbeeld in het zachte op en neêr bewegen
-van de vleugels, als ware het om er mede te pronken, hetgeen meer een
-kenmerk van Dagvlinders is.”
-
-Het is een vreemd feit, dat er geen Britsche Nachtvlinders, en zoover
-ik na kan gaan, ook bijna geen uitlandsche soorten zijn, die aan
-schitterende kleuren een verschil in kleur tusschen de seksen paren,
-hoewel dit met vele schitterende Kapellen het geval is. Het mannetje
-van éénen Amerikaanschen nachtvlinder, Saturnia Io, heeft echter
-volgens de beschrijving diepgele voorvleugels, op sierlijke wijze met
-purperachtig roode vlekken geteekend, terwijl de vleugels van het
-wijfje purperbruin en met grijze strepen zijn beteekend. [761] De
-Britsche nachtvlinders bij welke de seksen in kleur verschillen, zijn
-allen bruin of bijna wit, of zij vertoonen verschillende dofgele of
-bijna witte tinten. Bij onderscheidene soorten zijn de mannetjes veel
-donkerder dan de wijfjes [762], en deze behooren tot soorten die
-omstreeks den namiddag vliegen. Bij vele geslachten zijn daarentegen,
-gelijk de heer Stainton mij meldt, de achtervleugels van het mannetje
-witter dan die van het wijfje, van welk feit Agrotis exclamationis een
-goed voorbeeld oplevert. De mannetjes worden daardoor gemakkelijker
-zichtbaar gemaakt dan de wijfjes, als zij gedurende de schemering
-rondvliegen. Bij Hepialus humuli is het verschil sterker uitgedrukt,
-daar de mannetjes wit en de wijfjes geel met donkerder vlekken zijn.
-Het is moeielijk te gissen, welke de beteekenis kan zijn van deze
-verschillen tusschen de seksen in donkerheid of lichtheid van kleur;
-maar wij kunnen moeilijk onderstellen, dat zij alleen het gevolg zijn
-van variabiliteit met seksueel beperkte erfelijkheid, zonder dat
-daardoor eenig voordeel werd verkregen.
-
-Wegens het boven medegedeelde is het onmogelijk aan te nemen, dat de
-schitterende kleuren der Kapellen en van eenige weinige Nachtvlinders
-gewoonlijk ter wille der bescherming zijn verkregen. Wij hebben gezien,
-dat de kleuren en sierlijke teekeningen op hun vleugels zijn ingericht
-en worden gebruikt om er mede te pronken. Daardoor ben ik er toe
-gekomen om te onderstellen, dat de wijfjes over het algemeen de
-voorkeur geven aan, of het meest worden opgewekt door de schitterendste
-mannetjes; want bij elke andere onderstelling zouden de mannetjes, voor
-zoover wij kunnen nagaan, zonder eenig doel zijn versierd. Wij weten
-dat de Mieren en sommige Bladsprietige Kevers vatbaar zijn om
-gehechtheid voor elkander te gevoelen, en dat mieren haar makkers na
-een tusschenruimte van verscheidene maanden herkennen. In het
-afgetrokkene beschouwd, is het daarom niet onwaarschijnlijk, dat de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera), die waarschijnlijk bijna of volkomen
-even hoog op de ladder staan als deze insekten, voldoende
-geestvermogens hebben om levendige kleuren te bewonderen. Zij ontdekken
-gewis bloemen aan haar kleur, en, zooals ik elders heb aangetoond,
-hebben de planten die uitsluitend door den wind worden bevrucht, nimmer
-opzichtig gekleurde bloemkronen. Men kan den Meêkrapvlinder dikwijls
-van op een afstand op een tros bloemen te midden van het groen
-gebladerte zien neêrschieten; en een vriend heeft mij verzekerd, dat
-deze vlinders herhaaldelijk op bloemen afkwamen, die op den muur van
-een kamer in het Zuiden van Frankrijk waren geschilderd. De gewone
-Witjeskapel vliegt, gelijk ik van den heer Doubleday hoor, dikwijls op
-een op den grond liggend stukje papier af, het ongewijfeld voor een
-voorwerp van haar eigen soort houdende. De heer Collingwood zegt [763],
-sprekende over de moeilijkheid om zekere kapellen in Insulinde te
-vangen, „dat een dood voorwerp, op een in ’t oog vallend takje
-vastgestoken, dikwijls een insekt van de zelfde soort in zijn overijlde
-vlucht doet stilhouden, en het naar beneden lokt, zoodat het
-gemakkelijk met het netje kan worden bereikt, vooral als het van de
-tegenovergestelde sekse is.”
-
-De vrijage der Kapellen is een langdurige zaak. De mannetjes vechten
-dikwijls met elkander uit minnenijd; en men kan soms vele mannetjes het
-zelfde wijfje zien vervolgen of omgeven. Indien dus het wijfje niet aan
-het eene mannetje de voorkeur geeft boven het andere, moet de paring
-aan het bloote toeval zijn overgelaten en dit komt mij niet
-waarschijnlijk voor. Indien daarentegen de wijfjes gewoonlijk, of zelfs
-slechts nu en dan, aan de schoonste mannetjes de voorkeur geven, zullen
-de kleuren dezer laatste trapsgewijze fraaier gemaakt en overgeplant
-zijn op beide seksen of op ééne sekse, al naar de wet van erfelijkheid,
-die de overhand behield. De werking der seksueele teeltkeus zal veel
-gemakkelijker zijn gemaakt, indien de besluiten waartoe wij door vele
-bewijsgronden in het bijvoegsel op het negende hoofdstuk kwamen, kunnen
-worden vertrouwd; namelijk dat de mannetjes van vele Schubvleugeligen
-(Lepidoptera), ten minste in den toestand van volkomen insekt, de
-wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.
-
-Er zijn echter eenige feiten die in strijd zijn met het geloof, dat
-vrouwelijke kapellen aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven; zoo
-kan men, naar mij door onderscheidene waarnemers werd verzekerd,
-dikwijls ongeschonden wijfjes met ontredderde verflenste of vuile
-mannetjes gepaard zien; het kon echter moeilijk missen, of deze
-omstandigheid moest dikwijls daarvan het gevolg zijn, dat de mannetjes
-vroeger uit de pop komen dan de wijfjes. Bij de Nachtvlinders tot de
-familie der Spinners (Bombycidae) behoorende, paren de seksen
-onmiddellijk, nadat zij den staat van volkomen insekt hebben bereikt;
-want zij kunnen zich dan niet voeden ten gevolge van den rudimentairen
-toestand van hun monden. De wijfjes liggen, zooals onderscheidene
-insektenkenners mij deden opmerken, bijna in een toestand van
-verdooving en schijnen geen de minste verkiezing te toonen ten opzichte
-der mannetjes waarmede zij paren. Dit is het geval met den gewonen
-Zijdeworm (Bombyx mori), naar mij door sommige kweekers van het
-Vasteland en uit Engeland is gezegd. Dr. Wallace die zulk een
-verbazende ondervinding heeft in het aankweeken van den Ailanthus
-Zijdeworm (Bombyx cynthia), is overtuigd, dat de wijfjes geen
-verkiezing of voorkeur toonen. Hij heeft meer dan 300 dezer vlinders
-levend bijeen gehad en vond dikwijls de krachtigste wijfjes met slecht
-ontwikkelde mannetjes gepaard. Het omgekeerde schijnt zelden voor te
-komen; want, naar hij gelooft, gaan de krachtigste mannetjes de zwakke
-wijfjes voorbij, daar zij worden aangetrokken door die welke de meeste
-levenskracht vertoonen. Desniettemin zijn de Spinners (Bombycidae),
-hoewel donker gekleurd, dikwijls in onze oogen schoon wegens hun
-sierlijke en gevlekte schakeeringen.
-
-Ik heb tot dusver alleen gesproken van de soorten bij welke de
-mannetjes levendiger zijn gekleurd dan de wijfjes, en ik heb haar
-schoonheid daaraan toegeschreven, dat de wijfjes gedurende vele
-geslachten (generaties) de aantrekkelijkste mannetjes hebben uitgekozen
-en met deze hebben gepaard. Doch ook het omgekeerde geval komt voor,
-hoewel zeldzaam, waarin de wijfjes schitterender dan de mannetjes zijn;
-en dan hebben, naar mijn meening, de mannetjes de schoonste wijfjes
-voor de voortteling uitgezocht en daardoor haar schoonheid
-langzamerhand grooter doen worden. Wij weten niet, waarom bij
-verschillende klassen van dieren de mannetjes de fraaiste wijfjes
-hebben uitgezocht, in plaats van gaafweg het eerste wijfje het beste
-aan te nemen, gelijk de algemeene regel in het dierenrijk schijnt te
-zijn; maar indien, in tegenstelling van wat over het algemeen bij de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) plaats grijpt, de wijfjes veel talrijker
-dan de mannetjes waren, zouden deze laatsten waarschijnlijk de fraaiste
-wijfjes uitkiezen. De heer Butler vertoonde mij verschillende soorten
-van Callidryas in het Britsch Museum, bij sommige waarvan de wijfjes de
-mannetjes in schoonheid evenaarden, terwijl zij hen bij andere ver
-daarin overtroffen, want alleen de wijfjes hadden bij deze laatsten de
-randen van haar vleugels overgoten met scharlakenrood en oranje en
-gevlekt met zwart. De minder opgesmukte mannetjes van deze soorten
-gelijken zeer veel op elkander, een bewijs, dat hier de wijfjes zijn
-gewijzigd; terwijl in die gevallen waarin de mannetjes het meest zijn
-versierd, deze gewijzigd zijn, daar de wijfjes zeer veel op elkander
-zijn blijven gelijken.
-
-In Engeland hebben wij eenige soortgelijke gevallen, hoewel niet zoo
-sterk sprekend. De wijfjes alleen hebben bij twee soorten van Thecla
-een heldere purperen of oranjevlek op haar voorvleugels. Bij Hipparchis
-verschillen de seksen niet veel; doch bij H. janira heeft alleen het
-wijfje een opzichtige lichtbruine vlek op haar vleugels; en de wijfjes
-van sommige andere soorten zijn levendiger gekleurd dan haar mannetjes.
-Verder hebben de wijfjes van Colias edusa en hyale „oranje of gele
-vlekken op de zwarte randstreek van haar vleugels, die bij de mannetjes
-slechts door smalle strepen worden vertegenwoordigd”; en bij Pieris
-zijn het de wijfjes die „versierd zijn met zwarte vlekken op de
-voorvleugels, en deze zijn slechts gedeeltelijk tegenwoordig bij de
-mannetjes.” Nu weet men, dat de mannetjes van vele dagvlinders de
-wijfjes bij hun bruiloftsvlucht dragen; maar bij de zoo even genoemde
-soorten dragen integendeel de wijfjes de mannetjes, zoodat de rol die
-de beide seksen spelen, is omgekeerd, evenals haar betrekkelijke
-schoonheid. Door het geheele dierenrijk heên nemen de mannetjes het
-meest actief deel aan de vrijage, en schijnt hun schoonheid te zijn
-vermeerderd, doordat de wijfjes de aantrekkelijkste individu’s hebben
-aangenomen maar bij deze kapellen nemen de wijfjes het meest actief
-deel aan de slotplechtigheid van het huwelijk, zoodat wij mogen
-besluiten, dat zij zulks ook aan de vrijage doen; en in dit geval
-kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat zij de schoonsten zijn
-geworden. De heer Meldola, aan wien bovenstaande opgaven zijn ontleend,
-zegt in zijn besluit: „Hoewel ik niet ben overtuigd van de werking der
-seksueele teeltkeus in het voortbrengen van kleuren bij de insekten,
-kan echter niet worden ontkend, dat deze feiten de beschouwingen van
-den heer Darwin op treffende wijze bevestigen.” [764]
-
-Daar de seksueele teeltkeus aanvankelijk op het voorkomen van
-variabiliteit berust, moeten eenige weinige woorden over dit onderwerp
-hier worden bijgevoegd. Ten opzichte van de kleur is er geen
-moeilijkheid, daar een groot aantal zeer veel verscheidenheid
-vertoonende Schubvleugeligen (Lepidoptera) zouden kunnen worden
-opgenoemd. Eén goed voorbeeld zal voldoende zijn. De heer Bates toonde
-mij een reeks voorwerpen van Papilio Sesostris en childrenae; bij dezen
-laatste verschilden de mannetjes zeer in de grootte van de fraaie op
-email gelijkende groene vlek op de voorvleugels, en in de grootte der
-witte vlek en die van de prachtige karmozijnen streep op de
-achtervleugels, zoodat er een groote tegenstelling was tusschen de
-meest en de minst versierde mannetjes. Het mannetje van Papilio
-Sesostris, hoewel een fraai insekt, is zulks veel minder dan P.
-childrenae; het verschilt ook een weinig in de grootte van de groene
-vlek op de voorvleugels en door een slechts nu en dan voorkomende
-karmozijnen streep op de achtervleugels, die, naar het schijnt, aan
-zijn eigen wijfje is ontleend; want de wijfjes van deze en van vele
-soorten van de Aeneasgroep bezitten deze karmozijnen streep. Vandaar
-was er tusschen de levendigst gekleurde voorwerpen van P. Sesostris en
-de minst levendig gekleurde van P. childrenae slechts een kleine
-tusschenruimte; en het was duidelijk, dat het, voor zoover bloot de
-verscheidenheid aangaat, niet moeilijk zou zijn de schoonheid van elk
-dier twee soorten door middel der teeltkeus te vermeerderen. De
-verscheidenheid is hier bijna alleen tot de mannelijke sekse beperkt;
-maar de heeren Wallace en Bates hebben aangetoond [765], dat er onder
-de wijfjes van sommige andere soorten uiterst veel verscheidenheid
-heerscht, terwijl de mannetjes bijna gelijk aan elkander zijn. Daar ik
-vroeger Hepialus humuli heb vermeld als een der beste voorbeelden in
-Groot-Brittannië van een verschil tusschen de seksen van Nachtvlinders,
-is het wellicht de moeite waard hier bij te voegen [766], dat men op de
-Shetlandsche eilanden dikwijls mannetjes vindt, die zeer veel op de
-wijfjes gelijken. In een volgend hoofdstuk zal ik gelegenheid hebben om
-aan te toonen, dat de oogvlekken (ocelli), die op de vleugels van vele
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo algemeen zijn, aan een groote mate
-van verscheidenheid onderhevig zijn.
-
-
-
-Over het geheel schijnt het waarschijnlijk, hoewel vele ernstige
-tegenwerpingen hiertegen kunnen worden aangevoerd, dat de meeste
-soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera), die schitterend gekleurd
-zijn, haar kleuren aan seksueele teeltkeus zijn verschuldigd, behalve
-in zekere gevallen die thans moeten worden vermeld, waarin opzichtige
-kleuren voordeelig zijn tot bescherming. Wegens de vurigheid van het
-mannetje, door het geheele dierenrijk heên, is hij over het algemeen
-bereid elk wijfje aan te nemen, en is het het wijfje dat gewoonlijk een
-keus doet. Vandaar moet het mannetje, als de seksueele teeltkeus heeft
-gewerkt, wanneer de seksen verschillen, het schitterendst zijn
-gekleurd; en dit is ongetwijfeld de algemeene regel. Als de seksen
-schitterend zijn gekleurd en op elkander gelijken, schijnen de door de
-mannetjes verkregen kenmerken op beide seksen te zijn overgeplant. Zal
-echter deze verklaring van de gelijkheid of ongelijkheid in kleur
-tusschen de seksen voldoende zijn?
-
-Het is bekend, dat de mannetjes en de wijfjes van de zelfde soort van
-kapel zich in onderscheidene gevallen op verschillende plaatsen
-ophouden, en dat alsdan de eersten zich gewoonlijk in den zonneschijn
-koesteren, terwijl de laatsten donkere bosschen bezoeken. [767] Het is
-daarom mogelijk, dat de verschillende levensvoorwaarden rechtstreeks op
-beide seksen hebben gewerkt; doch dit is niet waarschijnlijk [768],
-daar zij als volkomen insekt gedurende een zeer kort tijdperk aan
-verschillende levensvoorwaarden, en de larven van beide aan de zelfde
-voorwaarden zijn blootgesteld. De heer Wallace gelooft, dat de minder
-schitterende kleuren van het wijfje in alle of in bijna alle gevallen
-bijzonder ter wille van de bescherming zijn verkregen. Daarentegen
-schijnt het mij waarschijnlijker, dat alleen de mannetjes in verreweg
-de meeste gevallen hun levendige kleuren door seksueele teeltkeus
-hebben verkregen, terwijl de wijfjes slechts weinig zijn gewijzigd. Bij
-gevolg moeten de wijfjes van verschillende doch verwante soorten, veel
-meer op elkander gelijken dan de mannetjes van die zelfde soorten; dit
-is de algemeene regel. De wijfjes vertoonen ons dus bij benadering de
-oorspronkelijke kleuring van den stamvorm van de groep waartoe zij
-behooren. Zij zijn echter bijna altijd tot op zekere hoogte gewijzigd,
-doordat eenige der opeenvolgende trappen van variatie, door de
-opeenhooping (accumulatie) waarvan de mannetjes fraai werden gemaakt,
-ook op haar zijn overgeplant. De mannetjes en de wijfjes van verwante,
-ofschoon verschillende soorten zullen ook over het algemeen gedurende
-hun langdurigen larventoestand aan verschillende levensvoorwaarden zijn
-blootgesteld geweest, en kunnen daardoor wellicht indirect zijn
-aangedaan; hoewel bij de mannetjes eenige geringe aldus veroorzaakte
-kleurverandering dikwijls geheel zal zijn gemaskeerd door de door
-seksueele teeltkeus verkregen schitterende kleuren. Als wij over de
-Vogels handelen, zal ik het geheele vraagstuk moeten bespreken, of de
-kleurverschillen tusschen mannetjes en wijfjes door deze laatsten
-gedeeltelijk bijzonder tot bescherming zijn verkregen, zoodat ik hier
-alleen onvermijdelijke bijzonderheden wil mededeelen.
-
-In alle gevallen waarin de meer gewone vorm van gelijke overerving door
-beide seksen de overhand heeft behouden, moet het voor de voortteling
-uitkiezen van levendig gekleurde mannetjes een streven doen geboren
-worden om de wijfjes levendig te kleuren, en het uitkiezen van dof
-gekleurde wijfjes een streven om de mannetjes dof te maken. Hadden
-beide processen tegelijkertijd plaats, dan zouden zij er naar streven
-om elkander te neutraliseeren. Zoover ik kan nagaan, zou het uiterst
-moeielijk zijn om door teeltkeus den eenen vorm van overerving in den
-anderen te veranderen. Als echter voor de voortteling opeenvolgende
-wijzigingen werden uitgekozen, die van het begin af in haar
-overplanting tot ééne sekse waren beperkt, zou het in het minst niet
-moeilijk zijn om alleen aan de mannetjes schitterende, en
-tegelijkertijd of later alleen aan de wijfjes doffe kleuren te geven.
-Op deze laatste wijze kunnen, zooals ik volkomen toegeef, vrouwelijke
-kapellen en nachtvlinders ter wille van de bescherming kleuren hebben
-verkregen, die haar voor het oog verborgen, en zeer verschillend van
-haar mannetjes hebben gemaakt.
-
-De heer Wallace [769] heeft met veel kracht zijn meening verdedigd,
-dat, als de seksen verschillen, het wijfje bijzonder is gewijzigd ter
-wille der bescherming, en dat dit is veroorzaakt, doordat de eene vorm
-van overerving, namelijk de overplanting van kenmerken op beide seksen,
-door de werking der natuurlijke teeltkeus in den anderen vorm, namelijk
-overplanting op ééne sekse, is veranderd. Ik was eerst sterk geneigd om
-de waarheid dezer meening aan te nemen; maar hoe meer ik de
-verschillende Klassen door het geheele dierenrijk heên bestudeerde, hoe
-minder waarschijnlijk zij mij scheen. De heer Wallace voert aan, dat
-beide seksen van de Heliconidae, Danaidae, Acraeidae even schitterend
-zijn, omdat beide door haar walgelijken stank tegen de aanvallen van
-vogels en andere vijanden zijn beveiligd; maar dat in andere groepen
-die dezen vrijdom niet bezitten, de wijfjes niet in ’t oog vallende
-kleuren hebben verkregen, omdat zij meer bescherming noodig hadden dan
-de mannetjes. Dit veronderstelde verschil in het „noodig hebben van
-bescherming van beide seksen” is vrij bedriegelijk en vereischt eenige
-bespreking. Het is duidelijk, dat levendig gekleurde individu’s, hetzij
-het mannetjes of wijfjes waren, evenzeer de oplettendheid hunner
-vijanden tot zich moesten trekken en donker gekleurde individu’s
-daaraan evenzeer moesten ontsnappen. Wij hebben hier echter te maken
-met de uitwerkselen van de vernietiging of het bewaard blijven van
-zekere individu’s van ééne der beide seksen op den aard van het ras.
-Bij insekten kan, nadat het mannetje het wijfje heeft bevrucht en dit
-laatste haar eieren gelegd, de grootere of mindere veiligheid voor
-gevaar van ééne der beide seksen bij geen mogelijkheid eenige
-uitwerking op hun nakomelingen hebben. Voor de seksen die haar eigen
-functies hadden volbracht, zou, indien zij in even groot getal
-bestonden en allen paarden (alle andere omstandigheden de zelfde
-blijvende), het bewaard blijven der mannetjes voor het bestaan der
-soort en voor den aard der nakomelingen even belangrijk zijn als het
-bewaard blijven der wijfjes. Bij de meeste dieren kan echter het
-mannetje, gelijk men weet, dat met den tammen zijdeworm het geval is,
-twee of drie wijfjes bevruchten, zoodat de vernieling der mannetjes
-niet zoo schadelijk voor de soort zou zijn als die der wijfjes. Dr.
-Wallace gelooft nochtans, dat bij nachtvlinders de nakomelingschap,
-door de tweede of derde bevruchting voortgebracht, aanleg tot zwakte
-heeft en dus een minder goede kans zou hebben om te blijven leven.
-Wanneer de mannetjes in veel grooter aantal bestaan dan de wijfjes,
-zouden ongetwijfeld vele mannetjes zonder nadeel voor de soort kunnen
-worden vernield; maar ik kan niet inzien, dat het in ongelijk aantal
-bestaan der seksen invloed zou hebben op de gevolgen der gewone
-teeltkeus ten opzichte van de bescherming; want waarschijnlijk zouden
-de opzichtigste individu’s, hetzij dit mannetjes of wijfjes waren, in
-de zelfde verhouding worden vernield. Indien nochtans de mannetjes een
-grootere verscheidenheid in kleur vertoonden, zou het resultaat anders
-zijn; maar het is onnoodig, dat wij hier zulke ingewikkelde
-bijzonderheden nagaan. Over het geheel kan ik niet begrijpen, hoe een
-ongelijkheid in aantal van beide seksen op eenigszins merkbare wijze
-invloed zou kunnen hebben op de uitwerkselen van de gewone teeltkeus
-ten opzichte van de kenmerken der jongen.
-
-De heer Wallace wijst er met aandrang op, dat de vrouwelijke vlinders
-eenige dagen noodig hebben om haar bevruchte eieren te leggen en
-daarvoor een geschikte plaats te zoeken; gedurende dit tijdperk (waarin
-het leven der mannetjes van geen belang is) zouden de levendigst
-gekleurde wijfjes aan gevaar zijn blootgesteld en kans hebben om te
-worden vernield. De meer dof gekleurde wijfjes daarentegen zouden
-blijven leven en zoo, naar men mag vermoeden, een merkbaren invloed
-hebben op de kenmerken der soort,—hetzij van beide seksen of van ééne
-sekse, al naar den vorm van erfelijkheid, die de overhand behield. Men
-moet echter niet uit het oog verliezen, dat de mannetjes eenige dagen
-vroeger uit de pop komen dan de wijfjes en gedurende dit tijdperk
-waarin de nog niet geboren wijfjes veilig zijn, zouden de levendiger
-gekleurde mannetjes aan gevaar zijn blootgesteld; zoodat ten slotte
-beide seksen gedurende een ongeveer even lange tijdruimte aan gevaar
-zouden zijn blootgesteld en de eliminatie van opzichtige kleuren op de
-eene sekse niet veel meer in zou werken dan op de andere.
-
-Het is een belangrijker overwegingspunt, dat vrouwelijke vlinders,
-gelijk de heer Wallace opmerkt en gelijk aan ieder verzamelaar bekend
-is, over het algemeen langzamer vliegen, dan de mannetjes. Bij gevolg
-zouden de laatsten, als zij wegens hun opzichtige kleuren aan grooter
-gevaar waren blootgesteld, in staat kunnen zijn om aan hun vijanden te
-ontsnappen, terwijl de eveneens gekleurde wijfjes zouden worden
-vernield, en zoo zouden de wijfjes den meesten invloed hebben op het
-wijzigen van de kleur hunner nakomelingen.
-
-Er is nog één ander overwegingspunt: schitterende kleuren zijn,
-voorzoover de seksueele teeltkeus aangaat, gewoonlijk aan wijfjes van
-geen dienst, zoodat, indien deze laatsten in levendigheid van kleur
-verschilden en de overplanting van die verschillen tot ééne sekse was
-beperkt, het eenvoudig van het toeval zou afhangen, of de levendigheid
-van kleur der wijfjes zou toenemen; en dit zou een neiging doen geboren
-worden om door de geheele Orde heên het aantal soorten met levendig
-gekleurde wijfjes minder te maken in verhouding tot de soorten welke
-levendig gekleurde mannetjes bezaten. Daar levendige kleuren worden
-verondersteld voor de mannetjes van veel dienst te zijn in den
-wedstrijd der liefde, zouden van den anderen kant de levendig gekleurde
-mannetjes (zooals wij in het hoofdstuk over Vogels zullen zien), hoewel
-aan iets grooter gevaar blootgesteld, toch gemiddeld een talrijker
-kroost voortbrengen dan de dof gekleurde mannetjes. In dit geval
-zouden, indien de variaties in haar overplanting tot de mannelijke
-sekse waren beperkt, alleen de mannetjes fraaier kleuren verkrijgen;
-indien echter een dergelijke beperking niet plaats greep, zou het
-bewaard blijven en de toeneming van dergelijke variaties daarvan
-afhangen, of er meer kwaad werd berokkend aan de soort door het
-verkrijgen van opzichtige kleuren door de wijfjes, dan goed aan de
-mannetjes, doordat zekere individu’s de zegepraal over hun mededingers
-behaalden.
-
-Daar het nauwelijks kan worden betwijfeld, dat beide seksen van vele
-dag- en nachtvlinders doffe kleuren hebben verkregen ter wille van de
-bescherming, kan het wellicht even zoo zijn gegaan met de wijfjes
-alleen van sommige soorten, waarin opeenvolgende variaties in de
-richting der doffe kleur eerst bij de vrouwelijke sekse verschenen en
-in haar overplanting van den beginne af tot die zelfde sekse bleven
-beperkt. Had een dergelijke beperking niet plaats, dan moesten beide
-seksen doffe kleuren hebben verkregen. Wij zullen zoo dadelijk zien,
-als wij over nabootsing („mimickry”) handelen, dat bij sommige kapellen
-alleen de wijfjes uiterst fraai zijn gemaakt ter wille van de
-bescherming, zonder dat een enkele der opvolgende beschermende
-variaties op het mannetje is overgeplant, voor wien zij bij geen
-mogelijkheid in het minst schadelijk zouden kunnen zijn geweest, zoodat
-zij niet door de natuurlijke teeltkeus zouden kunnen zijn geëlimineerd.
-Of het bij elke bijzondere soort bij welke de seksen in kleur
-verschillen, het wijfje is geweest, dat bijzonder is gewijzigd ter
-wille van de bescherming; dan wel of het het mannetje is geweest, dat
-bijzonder is gewijzigd om daardoor aantrekkelijk te worden voor de
-wijfjes, terwijl deze laatsten haar oorspronkelijke kleur hebben
-behouden, alleen in geringe mate veranderd door de inwerkingen waarop
-vroeger is gezinspeeld; dan wel eindelijk, of beide seksen zijn
-gewijzigd, het wijfje tot bescherming, het mannetje om aantrekkelijker
-voor het wijfje te worden, kan alleen voorgoed worden beslist, als wij
-de geschiedenis van het leven van elke soort kennen.
-
-Zonder stellige bewijzen ben ik niet geneigd om aan te nemen, dat bij
-een menigte soorten gedurende langen tijd een dubbel proces van
-teeltkeus heeft gewerkt, waardoor de mannetjes schitterender werden,
-omdat zij daardoor de zegepraal behaalden over hun vijanden en de
-wijfjes doffer kleuren verkregen, omdat zij daardoor aan hun vijanden
-ontsnapten. Wij kunnen als voorbeeld den gewonen Citroenvlinder
-(Gonopteryx) noemen, die vroeg in de lente vóór elke andere soort
-verschijnt. Het mannetje van deze soort is veel levendiger geel
-gekleurd dan het wijfje, ofschoon dit laatste bijna evenzeer in het oog
-valt; en in dit geval schijnt het niet waarschijnlijk, dat zij haar
-bleeke kleuren verkreeg met het bijzondere doel om haar te beschermen,
-hoewel het waarschijnlijk is, dat het mannetje zijn levendige kleur
-verkreeg om aantrekkelijker voor haar te worden. Het wijfje van den
-Peterselievlinder (Antocharis cardamines) bezit aan haar vleugels de
-fraaie oranje punten niet, waarmede het mannetje is versierd; bij
-gevolg gelijkt zij zeer veel op de Witjeskapellen (Pieris) die in onze
-tuinen zoo algemeen zijn; wij hebben echter geen bewijzen, dat deze
-gelijkenis voordeelig voor haar is. Daar zij gelijkt op beide seksen
-van verscheidene soorten van het zelfde geslacht, die verschillende
-deelen der wereld bewonen, is het integendeel waarschijnlijker, dat zij
-eenvoudig haar oorspronkelijke kleuren grootendeels heeft behouden.
-
-Verschillende feiten ondersteunen dit besluit, dat het bij de meeste
-schitterend gekleurde vlinders het mannetje is, dat is gewijzigd, en
-dat de beide seksen er toe zijn gekomen om van elkander te verschillen
-of op elkander te gelijken, al naar den vorm van erfelijkheid, die de
-overhand behield. De erfelijkheid wordt door zoovele onbekende wetten
-of voorwaarden beheerscht, dat zij ons zeer grillig in haar werking
-schijnen te zijn [770], en wij kunnen in zoo verre begrijpen, hoe het
-komt, dat bij nauwverwante soorten de seksen van sommige verbazend
-verschillen, terwijl die van andere de zelfde kleur bezitten. Daar de
-opeenvolgende trappen van het proces van variatie allen noodzakelijk
-door het wijfje heên worden overgeplant, zou een grooter of kleiner
-aantal daarvan gemakkelijk ook bij haar tot ontwikkeling kunnen komen,
-en op die wijze kunnen wij de veelvuldige overgangen begrijpen tusschen
-een uitermate groot verschil en volstrekt geen verschil tusschen de
-seksen bij de soorten van ééne en de zelfde groep. Deze gevallen van
-overgang zijn veel te algemeen om de veronderstelling te begunstigen,
-dat wij hier de wijfjes juist bezig zien met het proces van overgang te
-ondergaan en haar levendige kleuren ter wille der bescherming te
-verliezen; want wij hebben alle reden om te besluiten, dat op elk
-gegeven tijdstip het grootste aantal soorten in een blijvenden toestand
-verkeeren. Ten opzichte van de verschillen tusschen de wijfjes van de
-soorten van één en het zelfde geslacht of ééne en de zelfde familie,
-kunnen wij opmerken, dat zij, ten minste gedeeltelijk, daarvan
-afhangen, dat de wijfjes deelen in de kleuren van haar respectieve
-mannetjes. Hiervan geven die groepen een goed voorbeeld, bij welke de
-mannetjes in buitengewone mate zijn versierd; want bij deze groepen
-deelen de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte in de pracht van haar
-mannelijke gezellen. Eindelijk vinden wij steeds, zooals reeds is
-opgemerkt, dat de wijfjes van bijna alle soorten van één en het zelfde
-geslacht, of zelfs van ééne en de zelfde familie, veel meer in kleur op
-elkander gelijken dan de mannetjes, en dit bewijst, dat de mannetjes
-een grootere mate van wijziging hebben ondergaan dan de wijfjes.
-
-
-
-Nabootsing („Mimickry”).—Dit beginsel werd het eerst duidelijk gemaakt
-in een bewonderenswaardige verhandeling van den heer Bates [771] die
-daardoor een stroom van licht op menig duister vraagstuk wierp. Men had
-reeds vroeger opgemerkt, dat zekere kapellen in Zuid-Amerika, tot
-geheel verschillende families behoorende, zoo volkomen op de
-Heliconidae geleken in elke streep en schakeering harer kleuren, dat
-zij daarvan slechts door een geoefend insektenkenner konden worden
-onderscheiden. Daar de Heliconidae op haar gewone wijze zijn gekleurd,
-terwijl de andere afwijken van de gewone kleuring der groepen waartoe
-zij behooren, is het duidelijk, dat deze laatsten de nabootsers en de
-Heliconidae de nagebootsten zijn. De heer Bates merkte verder op, dat
-de nabootsende soorten vergelijkenderwijze zeldzaam zijn, terwijl de
-nagebootste in grooten getale rondvliegen, en dat beide met elkander
-dooreengemengd leven. Uit het feit, dat de Heliconidae opzichtige en
-fraai gekleurde insekten en toch zoo talrijk in individu’s en soorten
-zijn, besloot hij, dat zij tegen de aanvallen der vogels moesten worden
-beschermd door de eene of andere afscheiding of stank, en deze
-onderstelling is nu door een groot aantal merkwaardige bewijzen
-bevestigd. [772] Uit deze overwegingen leidde de heer Bates af, dat de
-kapellen die de beschermde soorten nabootsen, haar tegenwoordig
-verwonderlijk bedriegelijk uiterlijk hebben verkregen door afwijking en
-natuurlijke teeltkeus, opdat zij voor de beschermde soorten zouden
-worden gehouden en daardoor zouden ontsnappen aan het gevaar van te
-worden verslonden. Geen verklaring wordt hier beproefd van de
-schitterende kleuren der nagebootste, maar alleen van die der
-nabootsende kapellen. Wij moeten ons van de kleuren der eersten
-rekenschap geven op de zelfde algemeene wijze als in de vroeger in dit
-hoofdstuk besproken gevallen. Sinds de uitgaaf van de verhandeling van
-den heer Bates zijn gelijksoortige en even treffende gevallen door den
-heer Wallace [773] in Insulinde, door den heer Trimen in Zuid Afrika en
-door den heer Riley in de Vereenigde Staten waargenomen.
-
-Daar sommige schrijvers [774] veel moeite hebben gehad om te begrijpen,
-hoe de eerste stappen van het proces van nabootsing („mimickry”) door
-natuurlijke teeltkeus tot stand konden zijn gekomen, zal het wellicht
-goed zijn op te merken, dat het proces waarschijnlijk nimmer is
-begonnen met vormen die zeer veel in kleur verschilden. Bij twee
-soorten echter, die tamelijk op elkander geleken, kan de grootst
-mogelijke gelijkenis gemakkelijk op die wijze zijn verkregen, indien
-zij voor één van beide vormen voordeelig was; en, indien de nagebootste
-vorm daarna allengs door seksueele teeltkeus of door eenige andere
-oorzaak werd gewijzigd, moest de nabootsende vorm hem op dat zelfde
-spoor volgen en aldus tot bijna elke hoogte worden gewijzigd, zoodat
-hij ten laatste een uiterlijk of kleuring verkreeg, geheel
-verschillende van dat der andere leden van de groep waartoe hij
-behoorde. Daar uiterst geringe variaties in kleur in vele gevallen niet
-voldoende zouden zijn om een soort zoo gelijk aan een andere beschermde
-soort te maken dat zij behouden bleef, moet ik er aan herinneren, dat
-vele soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) vatbaar zijn voor
-aanmerkelijke en plotselinge variaties in kleur. Eenige weinige
-voorbeelden daarvan zijn in dit hoofdstuk gegeven; men zou echter goed
-doen over dit punt zoowel de oorspronkelijke verhandeling van den heer
-Bates over nabootsing („mimickry”), als de verhandelingen van den heer
-Wallace te raadplegen.
-
-Bij verscheidene soorten zijn de seksen gelijk en bootsen de beide
-seksen van een andere soort na. Doch de heer Trimen deelt in de reeds
-aangehaalde verhandeling drie gevallen mede, waarin de seksen van den
-nagebootsten vorm van elkander in kleur verschillen, en de seksen van
-den nabootsenden vorm op dezelfde wijze van elkander verschillen.
-Onderscheidene gevallen zijn ook opgeteekend, waar alleen de wijfjes
-schitterend gekleurde en beschermde soorten nabootsen, terwijl de
-mannetjes „het normale uiterlijk van hun naaste verwanten” hebben
-behouden. Het is hier duidelijk, dat de opeenvolgende variaties
-waardoor het wijfje is gewijzigd, op haar alleen zijn overgeplant. Het
-is echter waarschijnlijk, dat sommige van de vele opeenvolgende
-variaties ook op de mannetjes zouden zijn overgebracht en zich ook bij
-deze zouden hebben ontwikkeld, als dergelijke mannetjes niet waren
-geëlimineerd, omdat zij daardoor minder aantrekkelijk voor de wijfjes
-werden gemaakt; zoodat alleen die variaties bewaard bleven, die van den
-beginne af in haar overerving stipt tot de vrouwelijke sekse waren
-beperkt. Wij hebben een voorbeeld tot opheldering van deze opmerkingen
-in een mededeeling van den heer Belt [775], dat de mannetjes van
-sommige Leptaliden, die beschermende soorten nabootsen, toch op
-verborgen wijze eenige hunner oorspronkelijke kenmerken bewaren. Zoo is
-bij de mannetjes „de bovenhelft van den ondervleugel zuiver wit van
-kleur, terwijl het geheele overige gedeelte van de vleugels zwarte,
-roode en gele strepen en vlekken vertoont, evenals bij de soorten die
-zij nabootsen. De wijfjes hebben deze witte vlek niet, en de mannetjes
-verbergen haar gewoonlijk door haar met den bovenvleugel te bedekken,
-zoodat ik niet kan begrijpen, dat zij van eenig ander nut voor hen zou
-zijn dan als een aantrekkingsmiddel bij de vrijage, waarbij zij haar
-aan de wijfjes vertoonen en daardoor van de diepgewortelde voorkeur
-partij trekken, welke deze gevoelen voor de normale kleur van de groep
-waartoe de Leptaliden behooren.”
-
-
-
-Levendige Kleuren van Rupsen.—Terwijl ik nadacht over de schoonheid van
-vele kapellen, viel het mij in, dat sommige rupsen prachtig zijn
-gekleurd, en daar hier de seksueele teeltkeus bij geen mogelijkheid kan
-hebben gewerkt, scheen het overijld om de schoonheid der volkomen
-insekten aan de werking daarvan toe te schrijven, tenzij de levendige
-kleuren van hun larven op de eene of andere wijze konden worden
-verklaard. In de eerste plaats kan worden opgemerkt, dat de kleuren van
-rupsen volstrekt niet in nauw verband staan met die van het volkomen
-insekt. In de tweede plaats dienen hun levendige kleuren op geen enkele
-gewone wijze tot bescherming. Als een voorbeeld hiervan deelt de heer
-Bates mij mede, dat de meest opzichtige rups welke hij ooit zag, een
-Pijlstaartrups (Sphinx), leefde op de groote groene bladeren van een
-boom in de open Llano’s van Zuid-Amerika; zij was ongeveer een
-decimeter lang en bezat zwarte of gele dwarsbanden, terwijl de kop,
-pooten en staart helder rood waren. Daardoor viel zij elk mensch die op
-vele ellen afstands voorbijging, en waarschijnlijk elk voorbijkomend
-levend schepsel in het oog.
-
-Ik wendde mij toen tot den heer Wallace die een aangeboren vernuft
-bezit om moeilijkheden op te lossen. Na eenig nadenken antwoordde deze
-mij: „De meeste rupsen hebben bescherming noodig, zooals daaruit mag
-worden afgeleid, dat vele soorten van doornen en prikkelende haren zijn
-voorzien, of groen gekleurd, gelijk de bladeren waarmede zij zich
-voeden, of merkwaardig veel gelijken op de twijgen der boomen waarop
-zij leven.” Ik kan hier als een ander voorbeeld van bescherming
-bijvoegen, dat er een rups van een nachtvlinder is, gelijk de heer J.
-Mansel Weale mij mededeelde, die op de mimosa’s van Zuid-Afrika leeft,
-en zich een verblijfplaats vervaardigt, die volstrekt niet van de
-omringende doornen kan worden onderscheiden. Op grond van dergelijke
-overwegingen hield de heer Wallace het voor waarschijnlijk, dat
-opzichtig gekleurde rupsen werden beschermd, doordat zij een
-walgelijken smaak hadden; maar daar haar huid uiterst teeder is, en
-haar ingewanden gemakkelijk uitpuilen uit een wond, zou een geringe pik
-van den snavel van een vogel bijna even noodlottig voor haar zijn,
-alsof zij verslonden waren geworden. Daarom zou, gelijk de heer Wallace
-opmerkt, „een walgelijke smaak alleen onvoldoende zijn om een rups te
-beschermen, tenzij eenig uiterlijk teeken aan het dier dat haar wilde
-verslinden, aantoonde, dat zijn prooi een wansmakelijk gerecht was.”
-Onder deze omstandigheden zou het in hooge mate voordeelig voor een
-rups zijn om oogenblikkelijk en met zekerheid door alle vogels en
-andere dieren als oneetbaar te worden herkend. Zoo zouden de
-levendigste kleuren nuttig zijn, en zouden kunnen zijn verkregen door
-variatie en het in leven blijven der gemakkelijkst herkenbare
-individu’s.
-
-Deze veronderstelling schijnt op het eerste gezicht zeer stout, maar
-toen zij aan het oordeel der Engelsche Entomologische Vereeniging werd
-onderworpen [776], werd zij door onderscheidene mededeelingen
-bevestigd; en de heer Jenner Weir die een groot aantal vogels in een
-vogelhuis (volière) houdt, heeft, naar hij mij meldt, talrijke proeven
-genomen en vindt geen uitzondering op den regel, dat al de rupsen die
-een nachtelijke levenswijze hebben, zich schuil houden en een zachte
-huid bezitten, allen die groen van kleur zijn, en allen die twijgen
-nabootsen, gretig door zijn vogels worden verslonden. De harige en
-doornige soorten worden onveranderlijk weggeworpen, en evenzoo ging het
-met vier opzichtig gekleurde soorten. Als de vogels een rups
-wegwierpen, toonden zij duidelijk door hun koppen te schudden en hun
-bekken schoon te maken, dat zij van den smaak walgden. [777] Drie
-opzichtige soorten van rupsen werden ook door den heer A. Butler aan
-eenige hagedissen en kikvorschen gegeven, en werden weggeworpen, hoewel
-andere soorten gretig werden gegeten. De waarschijnlijke waarheid van
-de meening van den heer Wallace wordt dus bevestigd, dat namelijk
-zekere rupsen opzichtig zijn gemaakt voor haar eigen bestwil, opdat zij
-gemakkelijk door haar vijanden zouden kunnen worden herkend, ongeveer
-volgens het zelfde beginsel, als zekere vergiften door de apothekers
-worden gekleurd ten bestwil van den mensch.
-
-Wij kunnen echter tegenwoordig de sierlijke verscheidenheid van de
-kleuren van vele rupsen niet op die wijze verklaren; maar elke soort
-die in een of ander vroeger tijdperk een dof gevlekt of gestreept
-uiterlijk had verkregen, hetzij in nabootsing van omringende voorwerpen
-of door de rechtstreeksche werking van het klimaat enz, zou bijna zeker
-niet eenvormig van kleur worden, als haar kleuren sterk en levendig
-werden; want, als het eenvoudig was te doen om een rups opzichtig te
-maken, zou er geen teeltkeus in de eene of andere bepaalde richting
-zijn.
-
-
-
-Overzicht en Slotopmerkingen aangaande de Insekten.—Laten wij thans een
-terugblik slaan op de verschillende Orden. Wij hebben gezien, dat de
-seksen dikwijls in onderscheidene kenmerken verschillen, waarvan de
-beteekenis niet wordt begrepen. De seksen verschillen ook dikwijls in
-haar zintuigen of bewegingswerktuigen, opdat de mannetjes de wijfjes
-spoedig zouden kunnen ontdekken of bereiken, en nog veelvuldiger,
-doordat de mannetjes allerlei werktuigen hebben om het wijfje vast te
-houden als zij haar hebben gevonden. Wij hebben hier echter met
-dergelijke seksueele verschillen niet veel te maken.
-
-In bijna alle Orden weet men, dat de mannetjes van sommige soorten,
-zelfs van zwakke en teedere, zeer strijdlustig zijn; en eenige weinige
-zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun medeminnaars te
-vechten. De wet van den strijd geldt echter bij de Insekten lang zoo
-algemeen niet als bij de hoogere dieren. Daardoor komt het
-waarschijnlijk, dat de mannetjes zelden grooter en sterker zijn
-geworden dan de wijfjes. Zij zijn daarentegen gewoonlijk kleiner, opdat
-zij zich in korten tijd zouden kunnen ontwikkelen, zoodat zij in
-grooten getale gereed zijn, als de wijfjes uit de pop komen.
-
-In twee families van de Gelijkvleugeligen (Homoptera) bezitten alleen
-de mannetjes in werkzamen staat werktuigen die men stemorganen zou
-kunnen noemen; en in drie families van de Rechtvleugeligen (Orthoptera)
-bezitten alleen de mannetjes sjirporganen. In beide gevallen worden
-deze organen gedurende den paartijd onophoudelijk gebruikt, niet alleen
-om de wijfjes te lokken, maar ook om haar in den wedstrijd met andere
-mannetjes te bekoren of op te wekken. Niemand die de werking der
-natuurlijke teeltkeus aanneemt, zal betwisten, dat deze
-muziekinstrumenten door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In vier
-andere Orden bezitten de leden van de eene sekse, of meer algemeen van
-beide seksen organen om verschillende geluiden voort te brengen, die
-alleen als loktonen schijnen te dienen. Zelfs wanneer beide seksen
-daarvan zijn voorzien, moeten zij die in staat zijn het luidste of
-langst aanhoudende geluid te maken, eerder gezellen krijgen dan zij die
-minder luidruchtig zijn, zoodat hun organen waarschijnlijk door
-seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is leerzaam om na te denken
-over de verwonderlijke verscheidenheid der middelen om geluid voort te
-brengen, welke alleen de mannetjes of beide seksen in niet minder dan
-zes Orden bezitten, en welke door ten minste één insekt in een uiterst
-lang geleden geologisch tijdvak werden bezeten. Wij leeren daaruit, hoe
-werkzaam de seksueele teeltkeus is geweest in het veroorzaken van
-verschillende wijzigingen van maaksel, die soms, zooals bij de
-Gelijkvleugeligen (Homoptera), belangrijk van aard zijn.
-
-Wegens in het vorige hoofdstuk vermelde reden is het waarschijnlijk,
-dat de groote horens van de mannetjes van vele Bladsprietigen
-(Lamellicornia) en sommige andere Kevers als een sieraad zijn
-verkregen. Evenzoo is het wellicht ook met zekere andere tot de
-mannelijke sekse beperkte bijzonderheden. Wegens de geringe grootte der
-insekten zijn wij geneigd hun uiterlijk aanzien laag te schatten. Als
-wij ons een mannelijke Chalcosoma (Fig. 57) konden voorstellen, met
-zijn maliënkolder van gepolijst brons, tot de grootte van een paard of
-zelfs slechts van een hond vergroot, zou het een der indrukwekkendste
-dieren van de wereld zijn.
-
-De kleuring der insekten is een ingewikkeld en duister onderwerp. Als
-het mannetje weinig van het wijfje verschilt en geen van beide
-schitterend gekleurd zijn, is het waarschijnlijk, dat de beide seksen
-op een eenigszins verschillende wijze hebben gevarieerd en de variaties
-op de zelfde sekse zijn overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel
-is verkregen of nadeel geleden. Als het mannetje schitterend is
-gekleurd en in ’t oog loopend van het wijfje verschilt, zooals bij
-sommige Waternimfen en vele Kapellen, is het waarschijnlijk, dat hij
-alleen is gewijzigd en dat hij zijn kleuren aan seksueele teeltkeus is
-verschuldigd, terwijl het wijfje een oorspronkelijke of zeer oude type
-van kleuring heeft behouden, eenigermate gewijzigd door vroeger
-verklaarde oorzaken, en dus, ten minste in de meeste gevallen, niet
-donker is gekleurd ter wille van de bescherming. Maar soms is ook
-alleen het wijfje schitterend gekleurd, zoodanig, dat het andere in de
-zelfde streek wonende beschermde soorten nabootst. Als de seksen op
-elkander gelijken, en beide donker gekleurd zijn, is er geen twijfel,
-dat zij in een menigte gevallen die kleur ter wille van de bescherming
-hebben verkregen. Evenzoo is het in sommige gevallen, als beide
-levendig gekleurd zijn en zij daardoor op hen omringende voorwerpen,
-zooals bloemen, of op andere beschermde soorten gelijken, of op
-indirecte wijze haar vijanden doen weten, dat zij oneetbaar zijn. In
-vele andere gevallen waarin de seksen op elkander gelijken en
-schitterend gekleurd zijn, vooral wanneer de kleuren geschikt zijn om
-er mede te pronken, mogen wij besluiten, dat zij door de mannelijke
-sekse als een aantrekkelijkheid zijn verkregen en op beide seksen
-overgeplant. Wij worden meer in het bijzonder tot dit besluit gebracht,
-als de zelfde type van kleur door een geheele groep heên heerscht, en
-wij vinden, dat de mannetjes van sommige soorten zeer in kleur van de
-wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen geheel
-gelijk zijn en tusschenliggende overgangen deze uiterste toestanden
-verbinden.
-
-Op de zelfde wijze als levendige kleuren dikwijls gedeeltelijk van de
-mannetjes op de wijfjes zijn overgeplant, is het ook soms gegaan met de
-buitengewone horens van vele Bladsprietigen (Lamellicornia) en sommige
-andere kevers. Evenzoo zijn ook de stem- of instrumentale organen die
-aan de mannetjes der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en Rechtvleugeligen
-(Orthoptera) eigen zijn, gewoonlijk in een rudimentairen of zelfs in
-een bijna volkomen toestand op de wijfjes overgeplant, en toch niet
-volkomen genoeg om tot het voortbrengen van geluid te worden gebezigd.
-Het is ook een belangwekkend feit, daar het op seksueele teeltkeus
-wijst, dat de sjirporganen van sommige mannelijke Rechtvleugeligen
-(Orthoptera) niet tot volkomen ontwikkeling komen voor de laatste
-vervelling, en dat de kleuren van de mannetjes van sommige Waternimfen
-niet tot volkomen ontwikkeling komen, dan korten tijd nadat zij uit de
-pop zijn gekomen en als zij gereed zijn voor de paring.
-
-De seksueele teeltkeus sluit in zich, dat aan de aantrekkelijkste
-individu’s door de andere sekse de voorkeur wordt gegeven; en daar bij
-de insekten, wanneer de seksen verschillen, met zeldzame uitzonderingen
-het mannetje het meest is versierd en het meest afwijkt van de type
-waartoe de soort behoort, moeten wij veronderstellen, dat de wijfjes
-gewoonlijk of somtijds aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven, en
-dat deze op die wijze hun schoonheid hebben verkregen. Dat in de meeste
-of alle Orden de wijfjes het vermogen bezitten om eenig bijzonder
-mannetje van de hand te wijzen, mogen wij veilig afleiden uit de vele
-vreemdsoortige dwangwerktuigen welke de mannetjes bezitten om het
-wijfje te grijpen, zooals groote kaken, zuigkussentjes, doornen,
-verlengde pooten enz.; want deze dwangwerktuigen bewijzen, dat er aan
-de handeling eenige moeite is verbonden. In het geval van vereenigingen
-tusschen verschillende soorten, waarvan vele voorbeelden zijn
-opgeteekend, moet het wijfje daarin hebben toegestemd. Te oordeelen
-naar hetgeen wij weten van de waarnemingsvermogens en de neigingen van
-verschillende insekten, is er a priori volstrekt geen
-onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de seksueele teeltkeus sterk heeft
-gewerkt; maar wij bezitten daarvan tot dusver nog geen rechtstreeksche
-bewijzen, en sommige feiten pleiten tegen dit geloof. Desniettemin
-kunnen wij, als wij vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen,
-moeielijk gelooven, dat de paring aan het blinde toeval is
-overgelaten,—dat het wijfje geen keus uitoefent en dat de prachtige
-kleuren of andere versierselen waarmede het mannetje prijkt, geen
-invloed op haar uitoefenen.
-
-Als wij aannemen, dat de wijfjes van de Gelijkvleugeligen (Homoptera)
-en Rechtvleugeligen (Orthoptera) de door hun mannelijke gezellen
-voortgebrachte muzikale tonen op prijs stellen, en dat de verschillende
-tot dit doel bestemde instrumenten door seksueele teeltkeus volkomener
-zijn gemaakt, is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat de wijfjes van
-andere insekten schoonheid van vorm of kleur op prijs stellen, en dat
-bijgevolg dergelijke kenmerken op die wijze door de mannetjes zijn
-verkregen. Maar wegens de omstandigheid, dat de kleur zoo variabel is,
-en omdat zij dikwijls ter wille van de bescherming is gewijzigd, is het
-uiterst moeielijk te beslissen in hoe sterk een verhouding van gevallen
-de seksueele teeltkeus in het spel geweest. Dit is meer in het
-bijzonder moeielijk in die Orden, zooals de Rechtvleugeligen
-(Orthoptera), Vliesvleugeligen (Hymenoptera) en Schildvleugeligen
-(Coleoptera), in welke de beide seksen zelden veel in kleur
-verschillen; want wij zijn dan beroofd van ons beste bewijs voor eenige
-betrekking tusschen de voortplanting der soort en de kleur. Onder de
-Schildvleugeligen (Coleoptera) is het echter, zooals vroeger is
-opgemerkt, in de groote groep der Bladsprietige Kevers (Lamellicornia),
-door sommige schrijvers aan het hoofd van de Orde geplaatst, en waarin
-wij somtijds een wederkeerige gehechtheid tusschen de seksen waarnemen,
-dat wij de mannetjes van sommige soorten in het bezit van bijzondere
-wapens voor den strijd om de wijfjes, andere van verwonderlijke horens,
-vele van sjirporganen voorzien en andere met prachtige metallieke
-kleuren versierd vinden. Het schijnt daarom waarschijnlijk, dat al deze
-kenmerken door het zelfde middel, namelijk seksueele teeltkeus, zijn
-verkregen.
-
-Als wij de vogels behandelen, zullen wij zien, dat zij in hun
-secundaire seksueele kenmerken de grootste analogie met de Insekten
-vertoonen. Zoo zijn vele mannelijke vogels in hooge mate strijdlustig
-en sommigen zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun
-medeminnaars te vechten. Zij bezitten organen die gedurende den
-paartijd worden gebruikt om vocale en instrumentale muziek voort te
-brengen. Zij zijn dikwijls versierd met kammen, horens, vleeschlappen
-en vederen van den meest verschillenden aard en prijken met schoone
-kleuren, hetwelk alles klaarblijkelijk dient om er mede te pronken. Wij
-zullen zien, dat, evenals bij de insekten, in sommige groepen beide
-seksen even schoon zijn, en beide gelijkelijk versierselen bezitten,
-die anders gewoonlijk tot de mannelijke sekse zijn beperkt. In andere
-groepen zijn beide seksen even dof gekleurd en onversierd. Eindelijk
-zijn in eenige weinige van den regel afwijkende gevallen de wijfjes
-fraaier dan de mannetjes. Wij zullen dikwijls in ééne en dezelfde groep
-van vogels allerlei overgangen vinden van volstrekt geen verschil
-tusschen de seksen tot een uiterst groot verschil toe. In het laatste
-geval zullen wij zien, dat de wijfjes evenals vrouwelijke insekten
-dikwijls min of meer duidelijke sporen bezitten van de kenmerken die
-eigenlijk aan de mannetjes toebehooren. De overeenkomst in al deze
-opzichten tusschen Vogels en Insekten is inderdaad merkwaardig groot.
-Elke verklaring die bij de eene Klasse toepasselijk is, is zulks
-waarschijnlijk ook bij de andere, en die verklaring is, zooals wij
-later zullen trachten aan te toonen, bijna zeker Seksueele Teeltkeus.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) De Doodshoofd-uil (Acherontia atropos) maakt een eigenaardig
-piepend geluid dat volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen
-aangehaalde verhandeling) door het wrijven van de voelers (palpi) tegen
-den zuiger wordt voortgebracht. Deze voelers bezitten aan de onbehaarde
-binnenzijde zeer fijne ribbetjes. [778]
-
-De heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Dr. M. C. Verloren en R.
-T. Maitland antwoordden op mijn vraag, of er ten opzichte van dit
-geluidgevend vermogen ook eenig verschil tusschen de seksen van A.
-atropos werd waargenomen, dat zij zulks niet geloofden. Dit neemt niet
-weg, dat ik het toch zeer mogelijk acht, dat het vermogen om geluid
-voort te brengen, door A. atropos is verkregen ten gevolge van
-seksueele teeltkeus op de zelfde wijze waarop Darwin zulks verklaart
-bij torren van welke de beide seksen sjirpen. [779]
-
-Ook bij andere Sphingidae vond Landois ribbetjes op de palpen, en wel
-in veel grooter aantal met betrekking tot de oppervlakte die zij
-innemen, zooals blijkt uit het volgende staatje:
-
-
- SOORTEN. Lengte der Breedte der Aantal
- wrijfplaat (in wrijfplaat (in ribbetjes.
- millimeters). millimeters).
-
- A. atropos 2 0.75 35
- Sphinx convolvuli 2 1 92
- S. ligustri 1.1 0.38 30
- Deilephila elpenor 1.16 0.41 36
- Sphinx pinastri 1.33 0.5 39
-
-
-Daar nu bij gelijke wrijvingssnelheid een grooter aantal ribbetjes op
-een even lang gedeelte van de wrijfplaat noodzakelijk moet overeenkomen
-met een grooter aantal trillingen, dus met een hoogeren toon, ligt de
-gevolgtrekking voor de hand, dat al deze vlinders geluiden
-voortbrengen, doch dat wij slechts dat van A. atropos hooren, omdat die
-der andere te hoog zijn om door onze ooren te kunnen worden
-waargenomen. Wanneer wij verder aannemen, dat het geluidgevend vermogen
-door A. atropos is verkregen ten gevolge van de werking der seksueele
-teeltkeus, dan valt dit ook voor het overige niet te betwijfelen. Op
-die wijze komen wij er toe te bepalen op welke wijze deze laatsten een
-vermogen hebben verkregen, van welks bestaan wij ons door directe
-waarnemingen niet kunnen overtuigen.
-
-Men kan nog verder gaan. Reuter („Zool. Anz.”, blz. 288, 17 Sept. 1888)
-onderzocht eenige honderden soorten van vlinders uit Finland, en vond
-bij allen zulk een onbehaarde plek aan de binnenzijde der voelers als
-Landois bij de Sphingiden had gevonden, en die plek schijnt voor de
-geheele orde der Schubvleugeligen typisch te zijn. Bij bijna alle
-onderzochte vlinders vond Reuter de door Landois ontdekte ribbetjes,
-bij vele soorten wel is waar vrij onduidelijk en onvolkomen, maar bij
-slechts weinige geheel ontbrekende. Steeds was de ligging zoo, dat de
-met een verhoogde lijst voorziene basis van den zuiger er gemakkelijk
-kon worden tegenaan gedrukt. Bij alle vlinders komt derhalve zulk een
-sjirporgaan of een rudiment daarvan voor. Naast de ribbetjes vond
-Reuter een eigenaardig zintuig, over de functie waarvan hij geen zeker
-besluit meende te kunnen trekken. Het bestaat uit een kegelvormig met
-een ringvlies omgeven orgaan, waarin zich haarvormige deeltjes
-bevinden, die met zenuwen in verbinding staan. De analogie hiervan met
-sommige deelen van ons eigen inwendig oor doet schrijver dezes
-vermoeden, dat wij hier wel met een gehoororgaan zullen hebben te doen.
-
-Bij de dagvlinders waren zoowel de ribbetjes op de wrijfplaat als het
-zintuig aanmerkelijk grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes,
-hetgeen o.i. duidelijk bewijst, dat die deelen met de seksueele
-teeltkeus in verband staan.
-
-Romanes, Mr. Sachlan, Buchanan White en Cunningham hebben in „Nature”,
-Jan. en Febr. 1877, blz. 177, 293, verscheidene mededeelingen gedaan
-omtrent geluidgevende vlinders. Verscheidene soorten van Vanessa maken
-een dergelijk geluid als Ageronia feronia, ofschoon zwakker, en het
-geluid wordt voortgebracht door een als een vijl getanden ader van den
-bovenvleugel, die strijkt over een uitpuilenden ader aan den
-ondervleugel, terwijl er bovendien daar ook een schubloos plekje is,
-door een lijstje omsloten. Ook in de geslachten Euprepia en Chelonia
-komen geluidgevende vlinders voor. Bij Chelonia pudica wordt het geluid
-voortgebracht door een soortgelijk orgaan als bij Setina, en gelijkt op
-het tikken van een horloge.
-
-Dionychopus niveus Mén. bezit volgens Dönitz („Berl. Entomol.
-Zeitschrift”, 1887, Heft 1) een eigenaardig stemorgaan. Aan de
-bovenzijde van den achtervleugel en aan de onderzijde van den
-voorvleugel, daar waar de vleugels elkander bedekken, bevinden zich
-namelijk omstreeks 2 m.m. lange en 1 m.m. breede uit sterk
-gechitiniseerde dorens bestaande borstels. Door het tegen elkander
-wrijven daarvan brengt de vlinder een sjirpend geluid voort. Bij de
-Spinners (Bombycidae) zou de stemtoestel meestal aan de borst liggen en
-bestaan uit een over een holte gespannen vlies dat waarschijnlijk door
-wrijving met de achterpooten in trilling wordt gebracht.
-
-(2) Wij zullen in Hoofdstuk XII, XIII en XVIII zien, dat Darwin den
-muskusachtigen geur welken de krokodillen, de Australische muskuseend
-(Bizura lobata) en vele zoogdieren verspreiden, met hun seksueele
-functiën in verband brengt, en de ontwikkeling der klieren waardoor de
-riekende stof wordt afgescheiden, ten minste bij sommige dezer dieren,
-door seksueele teeltkeus verklaart. Het bevreemdt mij, dat in dit
-hoofdstuk alleen, en dan nog maar ter loops, wordt gerept van den geur
-dien twee pijlstaartvlinders verspreiden, daar het zelfde bij zeer vele
-andere vlinders is opgemerkt.
-
-Fritz Müller („Ausland”, 7 Oct. 1878) doet omtrent den geur van
-mannelijke vlinders eenige mededeelingen. (Vergelijk ook boven aant.
-1).
-
-De schubben welke op de vleugels der vlinders als dakpannen over
-elkander liggen, vertoonen, gelijk men weet, bij de mannetjes dikwijls
-kleinere of grootere onregelmatigheden door tusschenschubben.
-
-Deze tusschenschubben zijn volgens F. Müller’s waarnemingen de zetel
-van den eigenaardigen geur welken bijna alle mannelijke vlinders in
-meerdere of mindere mate bezitten. Deze waarnemingen zijn later door
-verschillende andere natuuronderzoekers bevestigd.
-
-Slechts die soorten welke tusschenschubben bezitten, verspreiden geur,
-en deze geur is vooral bij de door aanmerkelijke grootte uitmuntende
-Zuid-Amerikaansche soorten sterk, en werkt op den mensch dikwijls als
-de geur eener welriekende bloem. Daarbij is aangetoond, dat het steeds
-slechts aangename geuren, zooals vanille, muskus, jasmijn, citroen enz.
-zijn.
-
-Gelijk sinds lang bekend is, kenmerken zich ook onder de Europeesche
-vlinders Charaxes jasius, Sphinx ligustri en Sphinx convolvuli, vooral
-de laatste, door een muskusgeur, Papilio Machaon door een venkelgeur.
-
-De bedoelde geurschubben komen in den meest verschillenden vorm en op
-de meest verschillende plaatsen bij de dieren voor. Nu eens liggen zij
-in grootere of kleinere hoedanigheid tusschen de vleugelschubben
-verspreid, dan weder zijn zij in de nabijheid van den kop op één punt
-gelocaliseerd. Hier liggen zij aan de zijde van het lichaam in een
-soort van knobbel verborgen, ginds omhult ze aan den rand van den
-vleugel een soort van omslag die zich slechts bij het uitspreiden der
-vleugels opent; zelfs aan de pooten heeft men ze waargenomen. Zij zijn
-evenzoo verschillend van vorm, schildvormig, gestrekt, rondachtig,
-lancetvormig, gewonden enz., doch van boven eindigt de schub bijna
-altijd in een bos fijne haartjes, aan wier punten, evenals bij
-uitzweetende hars of oliën, kleine bolletjes hangen. Kanaalachtige
-strengen loopen van den klierachtigen wortel der schubben naar de
-haartjes.
-
-Bij Hepiolus Humuli ontbreekt volgens Bertkau („Humboldt”, Mai 1885)
-het derde paar pooten en wordt vervangen door een peervormige plaat,
-uit welker verdiepte oppervlakte een dicht penseel van geelachtige
-borstels oprijst. In het binnenste van dezen rudimentairen poot ziet
-men reeds bij zwakke vergrooting groote van kernen voorziene
-kliercellen door de huid heên schijnen. Zij hebben den vorm eener
-flesch waarvan de hals uitmondt in een huidporie waaruit de met een
-kanaal doorboorde gele borstels ontspringen. Deze klieren scheiden een
-zwak aromatisch riekende aetherische olie af, die geelachtig groen van
-kleur is en droppelsgewijs aan de spits der borstels te voorschijn
-komt. Ter beschutting van dezen toestel bezit het dier aan weêrszijden
-van den eersten ring van het achterlijf een dunhuidig zakje waarin het
-steeds zijn vervormde achterste pooten tracht te verbergen.
-
-Vraagt men naar den oorsprong van den geur der mannelijke vlinders en
-houdt men daarbij in het oog, dat het uitstroomen van den geur van den
-wil van het dier afhankelijk is, gelijk verschillende proeven
-onweêrlegbaar hebben bewezen, dan leidt ons dit ook hier tot de
-seksueele teeltkeus. Men kan aannemen, dat het mannetje zich door zijn
-geur aan het wijfje aangenaam wil maken, het koketteert daarmede als
-het ware, en het wijfje geeft van den anderen kant de voorkeur aan het
-mannetje dat het aangenaamst riekt. Aan het wijfje ontbreekt de geur,
-daar deze haar schadelijk is, omdat daardoor slechts vijanden zouden
-worden gelokt.
-
-In zijn „Studien über Descendenztheorie” toont Professor Weissman iets
-dergelijks bij de ontwikkeling van de kleuren der vlinders.
-Bovengenoemde onderstelling wint nog meer aan waarschijnlijkheid, als
-men de soorten van één geslacht met betrekking daartoe nauwkeuriger
-onderzoekt. Het gebeurt vaak, dat niet bij alle soorten de mannelijke
-vlinders de geurschubben en den geur bezitten, en de soorten bij welke
-zij ontbreken, behooren dan ook ten opzichte van de kleur en teekening
-der vleugels tot de meest ontwikkelde van het geslacht. Dit is b.v. het
-geval bij de „blauwtjes.”
-
-Eerst langzamerhand is hun oorspronkelijk bruine kleur door teeltkeus
-in blauw overgegaan; er zijn zelfs soorten welke eerstgenoemde kleur
-nog bezitten. Juist bij deze ontbreken nu ook de geurschubben.
-
-De Schubvleugeligen zijn overigens niet de eenige Orde van Insekten,
-die welriekende soorten bevat. Ook onderscheidene Schildvleugeligen
-verspreiden een aangenamen geur; zoo riekt Aromia moschata naar
-Oostersche rozenolie, Velleius dilatatus naar muskus, Staphylinus olens
-naar renetappels of aether nitricus; Cicindela campestris en hybrida
-verspreiden eveneens een welriekenden geur, naar dien van rozen
-zweemende en ook eenigszins overeenstemmende met dien der producten
-welke men somtijds verkrijgt, als men essentia terebinthinae met
-mengsels van zwavel- en salpeterzuur behandelt. Wanneer men nu den geur
-van sommige vlinders voor een gevolg van seksueele teeltkeus houdt, zal
-men er van zelf toe komen om dit ook bij bovengenoemde Kevers aan te
-nemen. Moeilijker schijnt, oppervlakkig beschouwd, deze verklaring toe
-te passen op een aantal soorten van Mieren die een sterken muskusgeur
-verspreiden, vooral als men haar nesten omwoelt; want de meeste
-individu’s zijn hier geslachtloozen of zoogenaamde arbeiders. Men kan
-echter aannemen, dat die geur, oorspronkelijk door de mannelijke mieren
-door seksueele teeltkeus verkregen zijnde, later ook op hun niet
-mannelijke nakomelingschap is overgebracht. Evenzoo kan men aannemen,
-dat bij insekten bij welke beide seksen rieken, de geur oorspronkelijk
-tot ééne sekse was beperkt, maar later, doordat de wet van gelijke
-overerving op beide seksen de overhand kreeg boven die van seksueel
-beperkte erfelijkheid, de oorspronkelijk tot ééne sekse beperkte geur
-ook op de nakomelingschap van de andere sekse werd overgeplant.
-
-Wat den stank aangaat, dien vele insekten (b.v. wantsen) verspreiden,
-zoo zal deze in de meeste gevallen wel, als een beschermingsmiddel,
-door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In sommige gevallen kan hij
-echter ook een seksueele aantrekkelijkheid uitmaken en zich derhalve
-door seksueele teeltkeus hebben ontwikkeld; want wij moeten niet
-vergeten, dat het aangename of onaangename van een geur zeer subjectief
-is, zoodat iets dat wij een stank noemen, op een anders georganiseerd
-wezen een welriekenden indruk kan maken. Vele insekten worden b.v.
-aangetrokken door den reuk van rottend vleesch, faecalia, enz. Zelfs
-onder menschen zijn er individu’s die welriekend noemen hetgeen anderen
-voorkomt stinkend te zijn, en bij voorbeeld gaarne Asa foetida ruiken.
-Het is immers met andere zintuigen evenzoo. Wat den een heerlijk
-smaakt, lust de ander niet. De muziek waarin wilde volksstammen behagen
-scheppen, schijnt ons wanluidend; een schilderij die een Chinees fraai
-zal vinden, komt ons zeer leelijk voor; de Abessiniër vindt een stuk
-rauw vleesch, uit het levende rund gesneden, het heerlijkste gerecht,
-terwijl wij het liever gebraden, en uit een geslacht dier gesneden,
-eten. Hoe mogelijk is het derhalve, dat geuren die wij stank noemen,
-sommige insekten aangenaam aandoen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING
-OP HOOFDSTUK XI.
-
-DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, DOOR C. Darwin.
-
-(Vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237.)
-
-
-Dr. Schulte te Fürstenwalde heeft mij opmerkzaam gemaakt op de schoone
-kleuren welke op alle vier de vleugels van een vlinder, de Diadema
-bolina, te voorschijn komen, als men hem van een bepaald punt uit
-beschouwt. De beide seksen van dezen vlinder verschillen aanmerkelijk
-van kleur. De vleugels van het mannetje zijn, als men het van een
-achter het dier gelegen punt uit beziet, zwart met zes zuiver witte
-vlekken en bieden een bevalligen aanblik, maar beschouwd van een vóór
-het dier gelegen standpunt, in welke positie het mannetje als het het
-wijfje nadert, door dit wordt gezien, vertoonen de witte vlekken zich
-met een kring van schoon blauw omgeven. De heer Butler liet mij in het
-Britsch museum een soortgelijk maar nog in ’t oogvallender verschijnsel
-zien bij een vlinder uit het geslacht Apature, waarbij de seksen ook in
-kleur verschillen en bij het mannetje de prachtigste blauwe en groene
-tinten alleen voor een persoon die vóór hetzelve is geplaatst,
-zichtbaar zijn. Verder vertoonen bij verscheidene soorten van
-Ornithoptera de achtervleugels van het mannetje een schoone goudgele
-kleur, maar alleen als zij van voren worden beschouwd; dit geldt ook
-voor O. magellanus, maar hier hebben wij, gelijk mij de heer Butler
-toonde, een gedeeltelijke uitzondering, want de kleuren gaan, als men
-ze van achteren beschouwt, van goudgeel in een bleek, iriseerend blauw
-over. Of deze laatste kleur de eene of andere bijzondere beteekenis
-heeft, zou alleen kunnen worden uitgemaakt door iemand die het gedrag
-van het mannetje kon waarnemen in het land waar dit in de natuur
-voorkomt. Dagvlinders sluiten, als zij stilzitten, hun vleugels tegen
-elkander aan; de ondervlakten welke dikwijls donker zijn gekleurd,
-kunnen dan alleen worden gezien, en dit dient, gelijk algemeen wordt
-aangenomen, tot bescherming. Als echter de mannetjes de wijfjes het hof
-maken, doen zij de vleugels afwisselend dalen en weêr oprijzen, en het
-schijnt een natuurlijk besluit, dat zij op die wijze handelen om de
-wijfjes te behagen of op te wekken. Door de boven beschreven gevallen
-wordt dit besluit nog waarschijnlijker gemaakt, doordat de schoonheid
-van het mannetje door het wijfje alleen volkomen wordt gezien, als dit
-haar nadert. Wij worden daardoor herinnerd aan de verschillende
-manieren waarop de mannetjes van vele vogels, b.v. de pauw, de
-Argusfazant enz., de wijfjes uitlokken en met hun verwonderlijk fraai
-gevederte zoodanig dat het op het voordeeligst uitkomt, voor hun niet
-versierde vriendinnen te pronken. (1)
-
-Deze beschouwing geeft mij aanleiding er eenige opmerkingen aan toe te
-voegen over de vraag, in hoever bij het eerste verkrijgen van zekere
-instinkten, met inbegrip van seksueele pronkerijen, noodzakelijk
-bewustzijn in het spel komt; want daar alle mannetjes van de zelfde
-soort zich op de zelfde wijze gedragen, als zij aan de wijfjes het hof
-maken, mogen wij daaruit het gevolg trekken, dat het pronken
-tegenwoordig instinktmatig is geworden. De meeste natuuronderzoekers
-schijnen te gelooven, dat elk instinkt eerst met bewustzijn werd
-ontwikkeld, maar dat schijnt mij in vele gevallen een onjuist besluit
-te zijn, hoewel het in andere juist is. Vogels die op verschillende
-wijzen worden opgewekt, nemen zonderlinge posities aan en zetten hun
-vederen op; en als het opzetten der vederen bij een bijzondere soort
-voordeelig was voor een mannetje dat aan een wijfje het hof maakte, zoo
-komt het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk voor, dat deze voordeelige
-eigenschap door zijn nakomelingen werd overgeërfd; wij weten, dat bij
-den mensch dikwijls leelijke aanwensels en onbewust aangenomen nieuwe
-gebaren erfelijk zijn. (2) Wij kunnen een ander geval beschouwen
-(waarop, naar ik meen, reeds door iemand de aandacht werd gevestigd),
-namelijk dat van jonge, op den grond levende vogels die zelfs
-onmiddellijk na het uit het ei komen neêrhurken en zich verbergen, als
-zij in gevaar zijn; hier schijnt het nauwelijks mogelijk, dat deze
-gewoonte dadelijk na de geboorte en zonder bewustzijn kan zijn
-verkregen. Wanneer echter die jonge vogels welke, wanneer zij
-schrikten, bewegingloos bleven zitten, veelvuldiger voor roofdieren
-bewaard bleven dan die welke trachtten te ontvluchten, dan kan de
-gewoonte van het neêrhurken door de jonge vogels zonder eenig
-bewustzijn hoegenaamd zijn verkregen. Deze redeneering kan met
-bijzondere kracht worden toegepast op zoodanige jonge loop- en
-watervogels, wier ouden zich zelven niet verbergen, als zij in gevaar
-komen. Van den anderen kant vliegt een patrijshen, als er gevaar
-bestaat, een kort eind van haar jongen dicht ineengedoken weg en laat
-die achter, vliegt dan op de aan bijna iedereen bekende manier, alsof
-het was verlamd, maar toch anders dan een werkelijk gewonde vogel dicht
-over den grond langs: zij maakt zich zelve in het oog vallend. Nu is
-het echter meer dan twijfelachtig, of er ooit een vogel heeft bestaan,
-die verstand genoeg bezat om te denken, dat hij een hond of anderen
-vijand van zijn jongen kon weglokken, als hij het gedrag van een
-verwonden vogel nabootste. Want dit veronderstelt, dat hij zulk een
-gedrag bij een verwonden kameraad had waargenomen en wist, dat het een
-vijand tot vervolging zou aansporen. Vele natuuronderzoekers nemen
-tegenwoordig bijvoorbeeld aan, dat het slot van een tweeschalig
-schelpdier door het behouden blijven en overerven van kleine nuttige
-wijzigingen (variaties) is ontstaan, daar de individu’s met een iets
-beter ingerichte schelp in grooter aantal behouden bleven, dan die met
-een minder goed ingerichte; waarom zouden niet voordeelige wijzigingen
-in de overgeërfde handelingen van een patrijs op de zelfde wijze
-bewaard zijn gebleven, zonder dat het dier er bij dacht of een bewust
-doel had, even goed als in het geval van het schelpdier, waarbij het
-slot der schalen onafhankelijk van het bewustzijn is gewijzigd en
-verbeterd?
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Zie Deel II, hoofdstuk XIII, XIV en XV van het onderhavige werk.
-Wat Darwin hier van vogels zegt, had in dit werk beter achter die
-hoofdstukken gestaan, maar wij wilden het niet scheiden van hetgeen
-daaraan over kapellen voorafgaat, omdat het daarmede in het
-oorspronkelijk stuk in „Nature” door Darwin zelf tot één geheel is
-verbonden.
-
-(2) Vergelijk: C. Darwin, „Het uitdrukken der Gemoedsaandoeningen bij
-den Mensch en de Dieren”.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOETNOTEN
-
-
-[1] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel I, „Het Ontstaan der
-Soorten”, vertaald door Dr. T. G. Winkler, 3de Ned. Uitgaaf, Arnhem,
-Gebr. E. & M. Cohen, blz. 679.
-
-[2] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel II, en III, „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, vertaald en van
-aanteekeningen voorzien door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Arnhem,
-Gebrs. E. & M. Cohen.
-
-[3] De autobiographie loopt tot 1 Mei 1881. Zijn boek over de Vorming
-van Humus door de werkzaamheid der Aardwormen, was toen nog niet
-verschenen, maar juist ter perse gezonden.
-
-[4] De werken der eerstgenoemde schrijvers zijn zoo bekend, dat het mij
-onnoodig voorkomt de titels daarvan op te geven; maar daar die der
-laatstgenoemden in Engeland minder bekend zijn, zal ik daarvan de
-titels noemen:—„Sechs Vorlesungen über die Darwin’sche Theorie”: zweite
-Auflage, 1868, von Dr. L. Büchner; in het Fransch overgezet onder den
-titel: „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869. „Der Mensch im
-Lichte der Darwin’sche Lehre”, 1865 von Dr. F. Rolle. Ik zal niet
-beproeven hier alle schrijvers op te sommen, die het vraagstuk van de
-zelfde zijde hebben beschouwd. Zoo heeft G. Canestrini („Annuario della
-Soc. d. Nat.” Modena, 1867, blz. 81) een zeer merkwaardige verhandeling
-uitgegeven over rudimentaire kenmerken die wijzen op den oorsprong van
-den mensch. Een ander werk, in 1869 door Dr. Barrago Francesco
-uitgegeven, draagt in het Italiaansch den titel van: „De mensch
-geschapen naar Gods beeld, werd ook geschapen naar het beeld van den
-aap.”
-
-[5] Prof. Haeckel is de eenige schrijver, die, sinds de uitgave van
-„The Origin of Species”, in zijn verschillende werken op hoogst bekwame
-wijze over de teeltkeus met betrekking tot de sekse heeft gesproken, en
-ten volle de belangrijkheid van dit onderwerp heeft ingezien.
-
-[6] „Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 96.
-
-[7] „Leç. sur la Phys.”, 1866, blz. 890, aangehaald door M. Daily,
-„L’Ordre des Primates et le Transformisme”, 1868, blz. 29.
-
-[8] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 50.
-
-[9] Brehm „Thierleben”, B. I., 1864, blz. 75, 86. Over den Ateles, blz.
-105. Voor andere overeenkomstige opgaven, zie blz. 25, 107.
-
-[10] Over insekten, zie Dr. Laycock: „On a General Law of Vital
-Periodicity”, British Association, 1842; Dr. Macculloch, „Silliman’s
-North American Journal of Science”, vol. XVI, blz. 305, heeft een hond
-gezien, die aan derdendaagsche koorts leed.
-
-[11] Ik heb het bewijs hiervan gegeven in mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten” Ned. vertaling, Deel I, blz. 512. (In de
-tweede in het Ned. vertaalde uitgave laat Darwin zich hieromtrent lang
-zoo sterk niet uit als in de eerste Engelsche uitgaaf, vol. II, blz.
-15, die hier eigenlijk wordt aangehaald. Dr. H. H. H. v. Z.).
-
-[12] „Mares e diversis generibus Quadrumanorum sine dubio dignoscunt
-feminas humanas a maribus. Primum credo, odoratu, postea aspectu. Mr.
-Youatt, qui diu in Hortis Zoologicis (Bestiariis) medicus animalium
-erat, vir in rebus observandis cautus et sagax, hoc mihi certissime
-probavit, et curatoris ejusdem loci et alii e ministris confirmaverunt.
-Sir Andrew Smith et Brehm notabant idem in Cynocephalo. Illustrissimus
-Cuvier etiam narrat multa de hac re quâ ut opinor nihil turpius potest
-indicari inter omnia hominibus et Quadrumanis communia. Narrat enim
-Cynocephalum quemdam in furorem incidere aspectu feminarum aliquarum,
-sed nequaquam accendi tanto furore ab omnibus. Semper eligebat
-juniores, et dignoscebat in turba et advocabat voce gestuque.”(12)
-
-[13] Deze opmerking wordt gemaakt ten opzichte van den Cynocephalus en
-de anthropomorphe apen door Geoffroy Sint-Hilaire en F. Cuvier, „Hist.
-Nat. des Mammifères”, tome I, 1824.
-
-[14] Huxley, „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 34.
-
-[15] „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 67.
-
-[16] De menschelijke embryo (bovenste fig.) is naar Ecker, „Icones
-Phys.”, 1851–1858, tab. XXX, fig. 2. Deze embryo was 21 m.M. lang,
-zoodat de teekening veel vergroot is. De embryo van den hond is naar
-Bischoff, „Entwicklungsgeschichte des Hunde-Eies”, 1845, tab. XI, fig.
-42 B. Deze teekening is vijfmalen vergroot; de embryo was 25 dagen oud.
-De ingewanden zijn niet geteekend, en de aanhangsels die in den uterus
-met den embryo zijn verbonden, bij beide teekeningen weggelaten. Ik
-werd op deze figuren gebracht door Prof. Huxley, aan wiens boek „Man’s
-Place in Nature” het denkbeeld om ze te geven is ontleend. Ook Haeckel
-heeft in zijne „Schöpfungsgeschichte” dergelijke teekeningen gegeven.
-
-[17] Prof. Wyman in „Proc. of American Acad. of Sc.”, vol. IV, 1860,
-blz. 17.
-
-[18] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, blz. 533.
-
-[19] „Die Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 95.
-
-[20] „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz. 533.
-
-[21] „Proc. Soc. Nat. Hist.”, Boston, 1863, vol. IX, blz. 185.
-
-[22] „Man’s Place in Nature”, blz. 65.
-
-[23] Ik had dit hoofdstuk in het ruwe geschreven, voordat ik een
-gewichtig stuk had gelezen: „Caratteri rudimentali in ordine
-all’origine del uomo” („Annuario della Soc. de Nat.”, Modena, 1867,
-blz. 81), door G. Canestrini, aan welk stuk ik veel verschuldigd hen.
-Haeckel heeft bewonderenswaardige verhandelingen gegeven over dit
-geheele onderwerp, onder den titel van Dysteleologie, in zijn
-„Generelle Morphologie” en „Schöpfungsgeschichte.”
-
-[24] De HH. Murie en Mivart hebben eenige goede kritische opmerkingen
-hieromtrent gemaakt in „Transact. Zoolog. Soc.”, 1869, vol. VI, blz.
-92.
-
-[25] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel
-II, blz. 357–359 en 455. Zie ook het „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned.
-Uitgaaf, blz. 196, 627, 637.
-
-[26] M. Richard („Annales des Sciences Nat.”, 3e Série, Zoolog. 1852,
-tome XVIII, blz. 13) geeft b.v. beschrijvingen en afbeeldingen van
-rudimenten, van hetgeen hij noemt de „muscle pédieux de la main”, die,
-zegt hij, somtijds „infiniment petit” is. Een andere spier, „le tibial
-posterieur” genaamd, ontbreekt in de hand gewoonlijk geheel, maar komt
-soms in meer of min rudimentairen toestand voor.
-
-[27] Prof. W. Turner, „Proc. Royal Soc. Edinburgh”, 1866–67, blz. 65.
-
-[28] Canestrini haalt een dergelijk voorbeeld uit Hyrtl aan („Annuario
-della Soc. de Naturalisti”, Modena, 1867, blz. 97).
-
-[29] „The Diseases of the Ear”, door J. Toynbee, F. R. S., 1860, blz.
-12.
-
-[30] Zie ook eenige opmerkingen en afbeeldingen van de ooren der
-Lemuroidea in de uitstekende verhandeling van de HH. Murie en Mivart in
-„Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 6 en 90.
-
-[31] „Ueber das Darwin’sche Spitzohr”, „Archiv für Path., Anat. und
-Phys.”, 1871, blz. 485.
-
-[32] „Het Uitdrukken der Gemoedsaandoeningen”, Ned. Vert. Tweede
-uitgaaf, blz. 136.
-
-[33] Müller’s „Elements of Physiology”, Eng. vertaling, 1842, blz.
-1117. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 260; de zelfde
-over den walrus, „Proc. Zoolog. Soc.” van 8 November 1854. Zie ook R.
-Knox’ „Great Artists of Anatomists”, blz. 106. Dit rudimentaire deel is
-bij negers en Nieuw-Hollanders naar het schijnt iets grooter dan bij de
-Europeanen, zie Carl Vogt, „Lectures on Man”, Engelsche vertaling, blz.
-129.
-
-[34] „The Physiology and Pathology of Mind”, 2nd. edit. 1868, blz. 134.
-
-[35] Eschricht, „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper”.
-„Muller’s Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 47. Dikwijls zal ik
-naar dit zeer belangrijke stuk moeten verwijzen.
-
-[36] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, 1853, vol. II, blz. 71.
-
-[37] Eschricht, ibid., blz. 40, 47.
-
-[38] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-deel II, blz. 379. Prof. Alex. Brandt heeft mij onlangs nog een nieuw
-geval medegedeeld van een vader en een zoon, in Rusland geboren, die de
-zelfde bijzonderheden vertoonden. Ik heb afbeeldingen van beiden uit
-Parijs ontvangen.
-
-[39] Dr. Webb, „Teeth in Man and the Anthropoid Apes”, aangehaald door
-Dr. D. Carter Clake in „Anthropological Review”, Juli 1867, blz. 299.
-
-[40] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 320, 321 en 325.
-
-[41] „On the Primitive Form of the Skull”, Eng. vertaling in
-„Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 426.
-
-[42] Professor Mantegazza schrijft mij uit Florence, dat hij onlangs de
-achterste kiezen bij de verschillende menschenrassen heeft bestudeerd,
-en tot het zelfde besluit is gekomen, als ik in den tekst heb
-medegedeeld, namelijk, dat zij bij de hoogere rassen op weg zijn om te
-atrophieeren en te verdwijnen.
-
-[43] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 416, 434, 441.
-
-[44] „Annuario della Soc. d. Nat.”, Modena, 1867, blz. 94.
-
-[45] M. C. Martins („De l’Unité Organique”, in „Revue des deux Mondes”,
-15 Juni 1862, blz. 16) en Haeckel („Generelle Morphologie”, B. II, blz.
-278), hebben beiden het zonderlinge feit opgemerkt, dat dit rudiment
-soms den dood veroorzaakt.
-
-[46] „The Lancet”, 24 Jan. 1863, blz. 83. Dr. Knox („Great Artists and
-Anatomists”, blz. 63). Zie ook een gewichtig stuk hierover door Dr.
-Grube, in het „Bulletin de l’Acad. Imp. de St. Pétersbourg”, tome XII,
-1867, blz. 448.
-
-[47] „On the Caves of Gibraltar”. „Transact. Internat. Congress of
-Prehist. Arch.” Third Session, 1860, blz. 54.
-
-[48] Quatrefages heeft eenige jaren geleden de bewijzen hiervoor
-bijeenverzameld, „Revue des Cours Scientifiques”, 1867–1868, blz. 625.
-In 1840 vertoonde Fleischmann een menschelijken foetus, die een vrijen
-staart bezat, welke, hetgeen niet altijd het geval is, wervellichamen
-insloot; en deze staart werd critisch onderzocht door de vele
-ontleedkundigen die tegenwoordig waren op de bijeenkomst van
-natuuronderzoekers te Erlangen (zie Marshall in het „Niederländisches
-Archiv für Zoölogie”, December 1871).
-
-[49] Owen, „On the Nature of Limbs”, 1847, blz. 140.
-
-[50] Leuckart in Todd’s „Cyclop. of Anat.”, 1849–1851, vol. IV, blz.
-1415. Bij den mensch heeft dit orgaan slechts 6½–12½ m.M. lengte, maar
-evenals vele andere rudimentaire deelen, verschilt het in ontwikkeling
-zoowel als in andere kenmerken.
-
-[51] Zie over dit onderwerp Owen, „Anatomy of Vertebrates,” vol. III,
-blz. 675, 676, 706.
-
-[52] Dat de vleugels der vlinders geen bloote uitbreidingen der huid,
-maar werkelijk vervormde pooten zijn, blijkt uit een monster van
-Zygaena filipendulae, dat vijf pooten en vijf vleugels bezat, omdat één
-der pooten door een vleugel was vervangen. Dr. Lubach („Alb. d. Nat.”,
-1890, Wet. Bijbl. blz. 5) trekt hieruit ten onrechte het besluit, dat
-de vleugels der vlinders niet slechts analoog, maar ook homoloog zijn
-met die der vogels. Er blijkt slechts uit, dat bij beide groepen de
-vleugels homoloog zijn met de pooten, maar er volgt geen homologie van
-de ledematen der eene groep met die der andere groep uit.
-
-[53] H. W. de Graaf, „Bijdrage tot de kennis van den bouw en de
-ontwikkeling der Epiphyse bij Amphibieën en Reptielen”, Leiden,
-Adriani, 1886.
-
-[54] „Nature”, 13 Mei 1886.
-
-[55] Zie hoofdstuk VI en de aanteekeningen daarop.
-
-[56] „Proceedings of the American Association for the Advancement of
-Science”, New-York, 1889.
-
-[57] Linnaeus nam in zijn Orde der Primaten ook de vledermuizen op.
-Deze moeten echter van de apen en den mensch als afzonderlijke orde
-gescheiden blijven.
-
-[58] De chimpanzee wordt den mensch hoe langer hoe ongelijker, naarmate
-hij meer tot den volwassen toestand nadert.
-
-[59] Een ras van duiven. Zie „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 173.
-
-[60] Zie: „Sur les Caractères Anatomiques de l’Homme Préhistorique” par
-M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général
-de la société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 32.
-
-[61] Apophyses genianae (Fransch: apophyses géni). Vier knobbeltjes die
-soms de plaats innemen van de inwendige kinlijst (spina mentalis
-interna).
-
-[62] Liever mediaanvlak; het is het vlak, dat het lichaam in twee
-symmetrische helften verdeelt.
-
-[63] Ofschoon de tanden van de onderkaak van la Naulette waren
-uitgevallen, heeft men uit de grootte, vorm en plaatsing der tandkassen
-tot hun betrekkelijke grootte en plaatsing kunnen besluiten.
-
-[64] „Mémoire sur les Ossements des Eyzies” („Époque du Mammouth”) par
-M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général
-de la Société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 12.
-
-[65] La Race Humaine de Neanderthal ou de Cannstatt en Belgique.
-Recherches Ethnographiques sur des Ossements Humains. Gand 1887.
-
-[66] „Investigations in Military and Anthropolog. Statistics of
-American Soldiers”, door B. A. Gould, 1869, blz. 256.
-
-[67] Zie ten opzichte van de schedelvormen van inboorlingen van
-Amerika, Dr. Aitken Meigs in „Proc. Acad. Nat. Sc.”, Philadelphia, Mei
-1866. Over de Australiërs, Huxley, in Lyell’s „Antiquity of Man”, 1863,
-blz. 87. Over de Sandwich-eilanders, Prof. J. Wyman, „Observations on
-Crania”, Boston, 1868, blz. 18.
-
-[68] „Anatomy of the Arteries”, door R. Quain.
-
-[69] „Transact. Royal Soc.”, Edinburg, vol. XXIV, blz. 175, 189.
-
-[70] „Proc. Royal Soc.”, 1867, blz 544 en 1868, blz. 483, 524. Men
-vindt daarover nog een vroeger stuk, ibid. 1866, blz. 229.
-
-[71] „Proc. R. Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 141.
-
-[72] „Act. Acad.”, St. Petersburg, 1778, deel II, blz. 217.
-
-[73] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 58, 87. Rengger, „Säugethiere von
-Paraguay”, blz. 57.
-
-[74] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Hoofdstuk XII, VIII
-en XIV.
-
-[75] „Hereditary Genius: an Inquiry into its Laws and Consequences”,
-1869.
-
-[76] De heer Bates merkt („The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol.
-II, blz. 159) ten opzichte der Indianen van een zelfden Amerikaanschen
-stam op, dat „er geen twee onder hen waren, die volkomen de zelfde
-gedaante van hoofd hadden; de een had een ovaal gelaat en schoone
-gelaatstrekken, de ander geleek volkomen op een Mongool door de breedte
-en het uitsteken zijner jukbeenderen, zijn wijde neusgaten en den
-schuinschen stand zijner oogen.”
-
-[77] Blumenbach, „Treatises on Anthropology”, Eng. Vert., 1865, blz.
-205.
-
-[78] Mitford’s „History of Greece”, vol. I, blz. 282. Het schijnt ook
-te blijken uit een plaats in Xenophon’s „Memorabilia”, Bd. II, 4
-(waarop mijn aandacht werd gevestigd door den weleerw. heer J. N.
-Hoare), dat het bij de Grieken een algemeen erkend beginsel was, dat de
-mannen bij de keus van hun vrouwen er op moesten letten, in hoever deze
-zoodanig gestel bezaten, dat het waarschijnlijk was, dat zij gezonde en
-krachtige kinderen zouden voortbrengen. De Grieksche dichter Theognis,
-die in het jaar 550 v. Chr. leefde, zag duidelijk in, hoe belangrijk
-zorgvuldig toegepaste teeltkeus voor de verbetering van het menschelijk
-geslacht was. Hij zag ook in, dat rijkdom dikwijls een beletsel is voor
-de goede werking der seksueele teeltkeus. Hij schrijft als volgt:
-
- „’t Vered’len van het dier wordt als een kunst geleerd,
- Het fokvee, dat gezond en edel is van ras,
- Voor hoogen prijs gekocht, ’t gebrekkige geweerd;
- Steeds fraaier wordt het kroost, steeds ed’ler dan het was.
- Zoo doet men met het dier, maar niet zoo met den mensch,
- Wij trouwen om het geld; de schatten dezer aard
- Bepalen onze keus, slechts die zijn onze wensch.
- Zoo wordt de mensch verzuimd en ’t vee met zorg gepaard.
- Een vrek of groote fielt, die schatten samenbrengt,
- Huwt zijne kind’ren uit aan ’t fierste en trotschste ras;
- Wat edel is en laag, wordt dus te zaâm vermengd,
- Een basterdras ontstaat, zoo slecht als nimmer was.
- Ik heb u de oorzaak, vriend! nu duid’lijk aangewezen;
- Te treuren om ’t gevolg kan ’t onheil niet genezen.”
-
- (The Works of J. Hookham Frere, vol. II, 1872, blz. 334.)
-
-[79] Godron, „De l’Espèce”, 1859, tome II, livre III. Quatrefages,
-„Unité de l’Espèce Humaine”, 1861. Zie ook de voordrachten over
-anthropologie, medegedeeld in de „Revue des Cours Scientifiques”,
-1866–1868.
-
-[80] „Hist. Gén. et Part. des Anomalies de l’Organisation”, in drie
-deelen, deel I, 1832.
-
-[81] Ik heb deze wetten uitvoerig besproken in mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, hoofdstukken XXII tot en met XXVI. M. J.
-Durand heeft onlangs (1868) een verdienstelijke verhandeling „De
-l’Influence des Milieux” enz. uitgegeven. Hij hecht veel gewicht aan
-den aard van den bodem.
-
-[82] „Investigations in Military and Anthrop. Statistics” enz. 1869,
-door B. A. Gould, blz. 93, 107, 126, 131, 134.
-
-[83] Zie, wat de Polynesiërs aangaat, Prichard’s „Physical Hist. of
-Mankind”, vol. V, blz. 145, 283. Eveneens Godron, „De l’Espèce”, tome
-II, blz. 289. Er bestaat ook een merkwaardig verschil in uiterlijk
-aanzien tusschen nauw-verwante Hindoe’s, die aan den Boven-Ganges en in
-Bengalen wonen; zie Elphinstone’s „History of India”, vol. I, blz. 324.
-
-[84] „Memoirs Anthrop. Soc.”, vol. III, 1867–69, blz. 61, 565, 567.
-
-[85] Dr. Brakenridge, „Theory of Diathesis”, „Medical Times”, 19 Juni
-en 17 Juli 1869.
-
-[86] Ik heb bewijzen van verschillende beweringen gegeven in mijn
-„Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz.
-336–340. Dr. Jaeger „Ueber das Längenwachsthum der Knochen”, „Jenaische
-Zeitschrift”, B. v. afl. 1.
-
-[87] „Investigations” enz. door B. A. Gould, 1869, blz. 288.
-
-[88] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 4.
-
-[89] „History of Greenland”, Eng. vert. 1767, vol. I, blz. 230.
-
-[90] „Intermarriage”, door Alex. Walther, 1838, blz. 377.
-
-[91] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz.
-497, II, 375.
-
-[92] „Principles of Biology”, vol. I, blz. 455.
-
-[93] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, vol. I, 1853, blz. 209.
-
-[94] Het is een vreemd en onverwacht feit, dat zeelieden voor
-landbewoners onderdoen in hun gemiddelden afstand van duidelijk zien.
-Dr. B. A. Gould („Sanitary Memoirs of the War of the Rebellion”, 1889,
-blz. 530) heeft bewezen, dat zulks het geval is; en hij verklaart het
-doordat de gezichtskring bij zeelieden gewoonlijk „beperkt is tot de
-lengte van het schip en de hoogte van de masten.”
-
-[95] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert. Deel I, blz.
-505.
-
-[96] „Säugethiere von Paraguay”, blz. 8, 10. Ik ben in de gelegenheid
-geweest om de buitengewone scherpte van gezicht der Vuurlanders waar te
-nemen. Zie ook Lawrence („Lectures on Physiology”, 1822, blz. 404) over
-dit zelfde onderwerp. De heer Giraud-Teulon heeft onlangs („Revue des
-Cours Scientifiques”, 1870, blz. 625) vele gewichtige bewijzen
-verzameld, dat de oorzaak van kortzichtigheid „le travail assidu de
-près” is.
-
-[97] Prichard, „Phys. Hist. of Mankind” voor de opmerking van
-Blumenbach, vol. I, 1817, blz. 311; voor de bewering van Pallas, vol.
-IV, 1844, blz. 107.
-
-[98] Aangehaald bij Prichard, „Researches into the Phys. Hist. of
-Mankind”, vol. V, blz. 463.
-
-[99] De hoogst belangrijke verhandeling van den heer Forbes is nu
-uitgegeven in het: „Journal of the Ethnological Society of London”, New
-Series, vol. II, 1870, blz. 193.
-
-[100] Dr. Wilckens („Landwirthschaft. Wochenblatt”, no. 10, 1869) heeft
-onlangs een belangrijke verhandeling uitgegeven, waarin wordt betoogd,
-dat bij huisdieren die in bergachtige streken leven, wijzigingen in het
-geraamte ontstaan.
-
-[101] „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 53, 125, 169, 171,
-184–198.
-
-[102] Prof. Laycock drukt het karakter van dierlijke idioten uit door
-hen theroïde te noemen: „Journal of Mental Science”, Juli 1863. Dr.
-Scott („The Deaf and Dumb”, 2e uitg., 1870, blz 10) heeft dikwijls het
-onnoozele rieken aan het voedsel waargenomen. Zie over dit zelfde
-onderwerp en over de behaardheid van idioten, Dr. Maudsley, „Body and
-Mind”, 1870, blz. 46–51. Pinel heeft ook een treffend geval van
-behaardheid bij een idioot medegedeeld.
-
-[103] In mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, (eerste
-Eng. Uitgaaf, vol. II, blz. 57) schreef ik de niet zeer zeldzame
-gevallen van overtallige tepels bij vrouwen aan atavisme toe. Ik werd
-er toe geleid dit besluit waarschijnlijk te vinden, omdat de
-overtallige tepels over het algemeen symmetrisch op de borst zijn
-geplaatst, en meer bijzonder wegens één geval, waarin een enkele
-melkgevende tepel voorkwam in de liesstreek van een vrouw, de dochter
-van een vrouw met overtallige tepels. Ik bevind nu echter (zie b.v.
-Prof. Preyer, „Der Kampf um das Dasein”, 1869, blz. 45), dat mammae
-erraticae op andere plaatsen voorkomen, zooals op den rug (4), onder
-den oksel, en op de dij, en dat zij op deze laatste plaats wel eens
-zooveel melk hebben gegeven, dat het kind er mede werd gezoogd. De
-waarschijnlijkheid, dat de overtallige tepels een gevolg zijn van
-atavisme, wordt hierdoor veel geringer gemaakt; toch komt zulks mij nog
-waarschijnlijk voor, omdat dikwijls twee paar symmetrisch op de borst
-zijn geplaatst; en hiervan heb ik zelf verscheidene malen bericht
-ontvangen. Het is algemeen bekend, dat bij halfapen (Lemuriden) normaal
-twee paar tepels op de borst voorkomen. Vijf gevallen zijn opgeteekend
-van meer dan één paar tepels (natuurlijk rudimentaire) bij mannen; zie
-„Journal of Anat. and Physiology”, 1872, blz. 56, voor een geval,
-medegedeeld door Dr. Handyside, waarin twee broeders deze bijzonderheid
-vertoonden; zie ook een verhandeling van Dr. Bartels, in Reichert’s en
-Du Bois Reymond’s „Archiv”, 1872, blz. 304. In een der gevallen,
-waarvan Dr. Bartels melding maakt, had een man vijf tepels, waarvan een
-in de mediaanlijn van het lichaam boven den navel was geplaatst; Meckel
-von Hemsbach meent, dat dit laatste geval overeenstemt met een op de
-mediaanlijn gelegen tepel, die bij sommige vledermuizen (Chiroptera)
-voorkomt. Over het geheel mogen wij betwijfelen, of zich ooit
-overtallige tepels bij beide seksen van den mensch zouden hebben
-ontwikkeld, als zijn vroege voorouders niet van meer dan een paar
-voorzien waren geweest.
-
-In bovengenoemd werk (deel II, blz. 12) heb ik ook, hoewel zeer
-aarzelend, de vele gevallen van veelvingerigheid (polydactylisme) bij
-den mensch en verschillende dieren aan atavisme toegeschreven. Ik werd
-hiertoe gedeeltelijk geleid door de opgaaf van Prof. Owen, dat sommige
-zeedraken (Ichthyopterygia) meer dan vijf vingers bezaten, en daarom,
-naar ik onderstelde, een oorspronkelijken toestand hadden bewaard, maar
-Prof. Gegenbaur („Jenaische Zeitschrift”, B. v. Heft 3, blz. 341)
-bestrijdt Owen’s besluit. Van den anderen kant schijnt er, volgens de
-voor korten tijd door Dr. Günther omtrent de vin van Ceratodus
-uitgesproken meening, welke vin is voorzien van gelede beenige stralen
-aan weêrszijde van een middelste aaneenschakeling van beenderen, niet
-veel tegen te zijn om aan te nemen, dat zes of meer vingers aan de eene
-zijde of aan beide zijden door atavisme weder zouden verschijnen. Dr.
-Hartogh Heys van Zouteveen meldt mij, dat er een geval is opgeteekend
-van een man, die vier-en-twintig vingers en vier-en-twintig teenen
-bezat (vergelijk aant. 8, blz. 38. Dr. H. H. H. v. Z.) Ik werd
-voornamelijk geleid tot het besluit, dat het bezit van overtallige
-vingers een gevolg van atavisme zou kunnen zijn, omdat dergelijke
-vingers niet slechts sterk erfelijk zijn, maar, gelijk ik toen
-geloofde, evenals de normale vingers van de lagere Gewervelde Dieren
-het vermogen bezaten om opnieuw aan te groeien, wanneer zij waren
-afgezet. (5) Ik heb echter in de 2de uitgaaf van mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten” uiteengezet, waarom ik nu weinig
-vertrouwen stel in de opgeteekende gevallen van dergelijk opnieuw
-aangroeien. Desniettemin verdient het opmerking, in zoover als
-stilstand in de ontwikkeling en atavisme nauwverwante zaken zijn, dat
-verschillende organen die in een embryonalen toestand verkeeren of in
-ontwikkeling zijn blijven stilstaan, zooals een gekloofd verhemelte,
-dubbele uterus enz., dikwijls gepaard gaan met polydactylisme. Hierop
-is met veel aandrang gewezen door Meckel en Isidore Geoffroy de
-St.-Hilaire. Voor het oogenblik is het echter het veiligst het
-denkbeeld geheel op te geven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen
-de ontwikkeling van overtallige vingers en terugkeer tot den eenen of
-anderen laag georganiseerden stamvader van den mensch (atavisme).
-
-[104] Zie Dr. A. Farre’s welbekend artikel in de „Cyclop. of Anat. and
-Phys.”, vol V, 1859, blz. 642. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III
-1868, blz. 687; Prof. Turner in „Edinburgh Medical Journal”, Febr.
-1865.
-
-[105] „Anuario della Soc. dei Naturalisti in Modena”, 1867, blz. 83.
-Prof. Canestrini geeft over dit onderwerp uittreksels uit verschillende
-gezaghebbende schrijvers. Laurillard merkt op, dat hij, daar hij een
-volkomen overeenkomst in vorm, afmetingen en verbindingswijze tusschen
-de beide jukbeenderen van verscheidene menschelijke individu’s en die
-van sommige apen heeft gevonden, die inrichting der deelen niet als een
-eenvoudig toeval kan beschouwen. Een andere verhandeling over de zelfde
-anomalie is door Dr. Saviotti publiek gemaakt in de „Gazetta della
-cliniche”, Turijn, 1871, waar hij zegt, dat sporen van de verdeeling
-worden gevonden bij omstreeks twee percent der schedels van
-volwassenen; hij merkt ook op, dat zij meer voorkomt bij prognathische
-schedels die niet tot het Arische ras behooren, dan bij andere. Zie ook
-G. Delorenzi over het zelfde onderwerp: „Tre nuovi casi d’anomalia
-dell’osso malare”, Modena, 1872. Ook E. Morselli, „Sopra una rara
-anomalia dell’osso malare”, Turijn. 1872. Later heeft ook Gruber nog
-een brochure geschreven over de verdeeling van dit been. Ik doe deze
-aanhalingen, omdat een recensent, zonder eenige gronden of schroom,
-mijn beweringen in twijfel heeft getrokken.
-
-[106] Een geheele reeks dergelijke gevallen wordt gegeven door Isid.
-Geoffroy St.-Hilaire, „Hist. des Anomalies”, tome III, blz. 437. Een
-recensent („Journal of Anat. and Phys.”, 1871, blz. 366) keurt het zeer
-af, dat ik de talrijke gevallen die zijn opgeteekend van stilstand in
-ontwikkeling in verschillende deelen, niet heb besproken. Hij zegt, dat
-volgens mijn theorie „elke voorbijgaande toestand van een orgaan
-gedurende de ontwikkeling daarvan, niet slechts een middel voor een
-doel, maar op zich zelf een doel was.” Dit schijnt mij niet
-noodzakelijk juist te zijn. Waarom zouden geen afwijkingen voorkomen
-gedurende een vroeg ontwikkelingstijdperk, die in geen verband stonden
-tot atavisme; toch zouden zulke afwijkingen kunnen worden bewaard en
-opgehoopt als zij op eenige wijze nuttig waren, b.v. door den loop der
-ontwikkeling korter en eenvoudiger te maken? En waarom zouden van den
-anderen kant schadelijke afwijkingen, zooals geatrophieerde of
-gehypertrophieerde deelen, welke in geen verband staan tot een
-vroegeren toestand van bestaan, niet even goed in een vroeg tijdperk
-als gedurende den volwassen leeftijd voorkomen?
-
-[107] „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, 1868, blz. 323.
-
-[108] „Generelle Morphologie”, 1866, Bd. II, blz. clv.
-
-[109] Carl Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert. 1864, blz. 151.
-
-[110] C. Carter Bake, Over een kaak van la Naulette, „Anthropolog.
-Review”, 1867, p. 295; Schaaffhausen, ibid. 1868, blz. 426.
-
-[111] „The Anatomy of Expression”, 1844, blz. 110, 131.
-
-[112] Aangehaald door Prof. Canestrini in het „Annuario” etc, 1867,
-blz. 90.
-
-[113] Deze verhandelingen verdienen zorgvuldig te worden bestudeerd
-door ieder die wenscht te leeren, hoe veelvuldig wijzigingen van ons
-spierstelsel voorkomen en hoe dikwijls het door die wijzigingen op dat
-der apen gelijkt. De volgende aanhalingen hebben betrekking op de
-weinige punten die ik heb behandeld in mijn tekst: „Proc. Royal Soc.”
-deel XIV, 1865, blz. 379–384, deel XV, 1866, blz. 241, 242, deel XV,
-1867, blz. 544, deel XVI, 1868, blz. 524. Ik kan hierbij voegen, dat
-Dr. Murie en de heer Sir George Mivart in hun verhandelingen over de
-Lemuroidea „Transact. Zoolog. Soc.”, deel VII, 1869, blz. 96, hebben
-aangetoond, in hoe buitengewone mate sommige spieren aan wijziging
-onderhevig zijn bij deze dieren, de laagste leden van de orde der
-Primaten. Wijzigingen in het spierstelsel, overeenkomende met de
-inrichting daarvan bij dieren die nog lager op den ladder staan, zijn
-bij de Lemuriden ook talrijk.
-
-[114] Prof. Macalister in „Proc. R. Irish Academy”, deel X, 1868, blz.
-124.
-
-[115] Prof. Macalister (ibid. blz, 124) heeft een tabel gemaakt van
-zijn waarnemingen en vindt, dat afwijkingen in het spierstelsel het
-veelvuldigst voorkomen in de voorarmen, in de tweede plaats in het
-gelaat, enz.
-
-[116] De weleerw. heer Dr. Haughton deelt („Proc. R. Irish Academy” 27
-Juni 1864, blz. 715) een opmerkelijk geval van afwijking in den
-menschelijken flexor pollicis longus mede, en merkt daarbij op: „dit
-merkwaardige voorbeeld bewijst, dat de mensch somtijds in zijn duim en
-vingers de rangschikking der pezen kan bezitten, die het geslacht
-Macacus kenmerken, maar of zulk een geval moet worden beschouwd als een
-Macacus zich tot een mensch ontwikkelende, of als een mensch afdalende
-tot den Macacus, of als een aangeboren natuurspeling, durf ik niet
-zeggen.” Het doet mij genoegen, dat een zoo bekwaam ontleedkundige en
-een zoo verbitterd tegenstander van de ontwikkelingstheorie zelfs de
-mogelijkheid van de beide eerste stellingen aanneemt. Ook Prof.
-Macalister heeft („Proc. R. Irish Acad.”, deel X, 1864, blz 188)
-wijzigingen in den flexor pollicis longus beschreven, merkwaardig door
-haar betrekkingen tot de zelfde spier bij de apen.
-
-[117] De personen, op wier gezag deze verschillende stellingen rusten,
-zijn te vinden in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-Ned. Vert., Deel II, blz. 373–391.
-
-[118] Dit onderwerp is uitvoerig besproken in Hoofdstuk XXIII, Deel II,
-van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-
-[119] Zie het steeds gedenkwaardige: „Essay on the Principle of
-Population”, door den weleerw. heer T. Malthus, deel I, 1816, blz. 6,
-517.
-
-[120] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, Ned.
-Vert., blz. 98–101, 161.
-
-[121] De heer Sedgwick, „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”,
-Juli 1863, blz. 1870.
-
-[122] „The Annals of Rural Bengal”, door W. Hunter, 1868, blz. 259.
-
-[123] „Primitive Marriage”, 1865.
-
-[124] Zie eenige goede opmerkingen hieromtrent door W. Stanley Jevons,
-„A Deduction from Darwin’s Theory”, „Nature”, 1869, blz. 231.
-
-[125] Latham, „Man and his Migrations”, 1851, blz. 135.
-
-[126] De heeren Murie en Mivart zeggen in hun „Anatomy of the
-Lemuroïdea” („Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VIII, 1869, blz. 96–98):
-„Sommige spieren komen zoo ongeregeld voor, dat zij niet goed tot een
-der bovenvermelde afdeelingen kunnen worden gebracht”. Deze spieren
-verschillen zelfs bij een en het zelfde individu in de beide
-tegenovergestelde helften van het lichaam.
-
-[127] „Quarterly Review”, April, 1869, blz. 392. Dit onderwerp is
-uitvoeriger besproken in „Contributions on the Theory of Natural
-Selection”, 1870, van den heer Wallace, waarin al zijn in dit werk
-aangehaalde verhandelingen zijn herdrukt. Zijn verhandeling over den
-mensch is op zeer bekwame wijze gekritiseerd door Prof. Claparède, een
-der bekwaamste dierkundigen van Europa, in een artikel in de
-„Bibliothèque Universelle”, Juni 1870. De in mijn tekst aangehaalde
-aanmerking zal iedereen verwonderen, die de beroemde verhandeling van
-den heer Wallace heeft gelezen over den oorsprong der menschenrassen,
-afgeleid uit de theorie der natuurlijke teeltkeus, oorspronkelijk
-geplaatst in de „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII. Ik
-kan, mij niet weêrhouden hier met betrekking tot deze verhandeling een
-zeer juiste opmerking van Sir J. Lubbock („Prehistoric Times”, 1865,
-blz. 479) aan te halen, namelijk dat de heer Wallace, „met eigenaardige
-onbaatzuchtigheid, het” (het denkbeeld van de natuurlijke teeltkeus)
-„geheel en al aan den heer Darwin toeschrijft, hoewel hij, zooals wel
-bekend is, onafhankelijk van den heer Darwin op dat denkbeeld kwam en
-het tegelijkertijd met dezen, hoewel niet zoo zorgvuldig uitgewerkt,
-publiek maakte.”
-
-[128] Aangehaald door den heer Lawson Tait in zijn „Law of Natural
-Selection”,—„Dublin Quarterly Journal of Medical Science”, Febr. 1869.
-Ook Dr. Keller wordt met betrekking tot die zaak aangehaald.
-
-[129] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71.
-
-[130] „Quarterly Review”, April 1869, blz. 392.
-
-[131] Bij Hylobates syndactylus zijn, zooals de naam uitdrukt, steeds
-twee der vingers aaneengegroeid, en de heer Blyth deelt mij mede, dat
-dit soms ook het geval is met de vingers van H. agilis, Lar en
-leuciscus. Bij Colobus ontbreekt ook de duim; deze apen leven
-voortdurend in de boomen en zijn bijzonder levendig (Brehm,
-„Thierleben”, Bd. I, blz. 50), maar of zij beter kunnen klimmen of
-grijpen dan de soorten van verwante geslachten, is onbekend.
-
-[132] Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 80.
-
-[133] „The Hand, its Mechanism”, etc., „Bridgewater Treatise”, 1813,
-blz. 38.
-
-[134] Haeckel bespreekt op uitnemende wijze de trappen, langs welke de
-mensch een tweevoetig dier werd: „Natürliche Schöpfungsgeschichte”,
-1868, blz. 507. Dr. Büchner („Conférences sur la Théorie Darwinienne”,
-1869, blz. 35) heeft goede voorbeelden gegeven van het gebruik van den
-voet als een grijpwerktuig door den mensch; en ook van de wijze van
-loopen van de hoogere apen, waarop ik in de volgende alinea zinspeel.
-Zie over dit laatste onderwerp ook Owen („Anatomy of Vertebrates”, vol.
-III, blz. 71).
-
-[135] „On the Primitive Form of the Skull”, vertaald in
-„Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 528. Owen, „Anatomy of
-Vertebrates”, vol. II, 1866, blz. 551, over de tepelvormige
-uitsteeksels bij de hoogere apen.
-
-[136] „Die Grenzen der Thierwelt, eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”,
-1868, blz. 51.
-
-[137] Dujardin, „Annales des Sc. Nat.”, 3rd series, Zoolog. tome XIV,
-1850, blz. 203. Zie ook de heer Lowne, „Anatomy and Phys. of the Musca
-vomitoria”, 1870, blz. 44. Mijn zoon, de heer F. Darwin, ontleedde voor
-mij de hersengangliën van Formica rufa.
-
-[138] „Philosophical Transactions”, 1869, blz. 513.
-
-[139] Aangehaald in C. Vogt’s „Lectures on Man”, Eng. Vertaling, 1846,
-blz. 88, 90. Prichard, „Phys. Hist of Mankind”, vol. I, 1838, blz. 305.
-
-[140] In het belangwekkend artikel waarvan boven melding is gemaakt,
-heeft Prof. Broca terecht opgemerkt, dat bij beschaafde volken de
-gemiddelde inhoud van den schedel kleiner moet worden gemaakt door het
-behouden blijven van een aanmerkelijk aantal individu’s, zwak van
-lichaam en geest, die in den wilden staat spoedig te gronde zouden zijn
-gegaan. Van den anderen kant sluit bij wilden het gemiddelde alleen de
-verstandigste individu’s in, die in staat zijn geweest om te blijven
-leven onder uiterst harde levensvoorwaarden. Broca verklaart aldus het
-anders onverklaarbare feit, dat de gemiddelde schedelinhoud van de oude
-holbewoners van Lozère grooter is dan die der hedendaagsche Franschen.
-
-[141] „Compt. Rend. des Séances” enz., 1 Juni 1868.
-
-[142] „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-Deel I, blz. 145–149.
-
-[143] Schaaffhausen deelt de gevallen van de krampen en van het
-litteeken op gezag van Blumenbach en Busch mede in „Anthropolog.
-Review”, Oct. 1868, blz. 420. Dr. Jarrold („Anthropologica”, 1808, blz.
-115, 116) verhaalt gevallen, door Camper en door hem zelf waargenomen,
-van schedelwijzigingen ten gevolge van een onnatuurlijke houding van
-het hoofd. Hij gelooft, dat sommige ambachten, zooals dat van
-schoenmaker, doordat zij medebrengen, dat men het hoofd gewoonlijk
-voorover houdt, het voorhoofd ronder en meer vooruitstekend maken.
-
-[144] „Varieeren der Huisdieren” enz., Ned. Vert, Deel I, blz. 137,
-over de verlenging van den schedel; blz. 139, 146, over de gevolgen van
-het naar voren hangen van het oor.
-
-[145] Aangehaald door Schaaffhausen in „Anthrop. Review”, Oct. 1868,
-blz. 419.
-
-[146] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 619.
-
-[147] Isidore Geoffroy St.-Hilaire maakt („Hist. Nat. Gén.”, tome II,
-1859, blz. 215–217) opmerkingen over het lange haar, waarmede ’s
-menschen hoofd bedekt is, en over het feit, dat de bovenste
-oppervlakten van apen en andere zoogdieren dichter met haar begroeid
-zijn dan de onderste oppervlakten. Dit is eveneens door verschillende
-andere schrijvers opgemerkt. Prof. Gervais („Hist. Nat. des
-Mammifères”, tome I, 1854, blz. 28) deelt echter mede, dat bij den
-gorilla het haar dunner is op den rug, waar het gedeeltelijk is
-afgeschuurd, dan op de onderste oppervlakte.
-
-[148] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 209. Eenigszins ter
-bevestiging van de meening van den heer Belt, kan ik de volgende plaats
-aanhalen uit Sir W. Denison („Varieties of Vice Regal Life”, vol. I,
-1870, blz. 440): „Men zegt, dat de Nieuw-Hollanders gewoon zijn zich te
-zengen, als het ongedierte lastig wordt.”
-
-[149] De heer H. George Mivart, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 562,
-583. Dr. J. E. Gray, „Cat. Brit. Mus. Skeletons”. Owen, „Anatomy of
-Vertebrates”, vol. II, blz 517. Isidore Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”,
-tome II, blz. 244.
-
-[150] „Revue d’Anthropologie”, 1872; „La Constitution des Vertèbres
-Caudales”.
-
-[151] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1872, blz. 210.
-
-[152] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-311, 312.
-
-[153] „Primeval Man”, 1869, blz. 66.
-
-[154] Bixia orellana.
-
-[155] Volgens een verhandeling door hen voorgelezen op de vergadering
-te Philadelphia van de „American Association for the Advancement of
-Science”, 1884, zie ook „Nature”, 3 Nov. 1886.
-
-[156] „Verhandlungen der Berliner Anthropol. Gesellsch.” in het
-„Zeitschrift für Ethnologie” 1885, Heft V, blz. 434.
-
-[157] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, blz. 157.
-
-[158] Het bewijs hiervan is te vinden in Lubbock’s „Prehistoric Times”,
-blz. 344 v.v.
-
-[159] „Instinct chez les Insectes”. „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870
-blz 690.
-
-[160] „The American Beaver and his Works”, 1868.
-
-[161] „The Principles of Psychology”, 2nd edit., 1870, blz. 418–443.
-
-[162] „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz.
-212.
-
-[163] „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 173.
-
-[164] Al de volgende op autoriteit van deze twee geleerden medegedeelde
-feiten zijn ontleend aan Rengger, „Naturges. der Säugethiere von
-Paraguay”, 1830, blz. 41–57 en aan Brehm’s „Thierleben”, Deel 1, blz.
-10–87.
-
-[165] Aangehaald door Dr. Lauder Lindsay in zijn „Physiology of Mind in
-the Lower Animals”, „Journal of Mental Science”, April 1871, blz. 36.
-
-[166] „Bridgewater Treatise”, blz. 263.
-
-[167] W. C. L. Martin, „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 405.
-
-[168] Aangehaald bij Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz.
-168.
-
-[169] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-Deel I, blz. 33.
-
-[170] „Ann. d. Scienc. Nat.” (1e Serie), tome XXII, blz. 397.
-
-[171] „Les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150.
-
-[172] Aangehaald in Dr. Maudsley’s „Physiology and Pathology of Mind”,
-1868, blz. 19, 220.
-
-[173] Dr. Jerdon, „Birds of India”, vol. I, 1862, blz. XXI. Houzeau
-zegt, dat zijn parkieten en kanarievogels droomden: „Facultés
-Mentales”, tome II, blz. 136.
-
-[174] „Fac. Ment.”, 1872, tome II, blz. 181.
-
-[175] Het werk van den heer L. H. Morgan over „The American Beaver”,
-1868, levert een goed voorbeeld hiervan op. Ik kan niet nalaten te
-denken, dat hij te ver gaat in het geringschatten van de macht van het
-instinkt.
-
-[176] „Die Bewegungen der Thiere”, enz., 1873, blz. 11.
-
-[177] „Facultés Mentales des Animaux”, 1872, tome II, blz. 265.
-
-[178] Prof. Huxley heeft met bewonderenswaardige duidelijkheid de
-verstandelijke stappen geanalyseerd, waardoor een mensch, zoowel als
-een hond, tot een besluit komt in een dergelijk geval, als door mij in
-den tekst is medegedeeld. Zie zijn artikel: „Mr. Darwin’s Critics”, in
-de „Contemporary Review”, Nov. 1871, blz. 462, en in zijn „Critiques
-and Essays”, 1873, blz. 279.
-
-[179] „The Moor and the Loch”, blz. 45. Kol. Hutchinson over „Dog
-Breaking”, 1850, blz. 46.
-
-[180] „Personal Narrative”, Engelsche vertaling, vol. III, blz. 106.
-
-[181] Aangehaald door Sir C. Lyell, „Antiquity of Man”, blz. 497.
-
-[182] Voor meer bewijzen, met bijzonderheden, zie Houzeau, „Les
-Facultés Mentales”, tome II, 1872, blz. 147.
-
-[183] Zie ten opzichte van vogels op oceanische eilanden mijn „Journal
-of Researches during the voyage of the Beagle”, 1845, blz. 398,
-„Ontstaan der Soorten”, Ned. Vert., 3de uitgaaf, blz. 309, 344.
-
-[184] „Lettres Phil. sur l’Intelligence des Animaux”, nouvelle édit.,
-1802, blz. 86.
-
-[185] Het bewijs hiervan is te vinden in hoofdst. I, Deel I, van „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-
-[186] „Proc. Zool. Soc.”, 1864, blz. 186.
-
-[187] Savage en Wyman in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol IV,
-1843–44, blz. 383.
-
-[188] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 51–56.
-
-[189] „The Indian Field”, 4 Maart 1871.
-
-[190] „Thierleben”, Bd. I, blz. 79, 82.
-
-[191] „The Malay Archipelago”, vol. I, 1869, blz. 87.
-
-[192] „Primaeval Man”, 1869, blz. 145, 147.
-
-[193] „Prehistoric Times”, 1865, blz. 473 enz.
-
-[194] De heer Hookham, in een brief aan Prof. Max Müller, in de
-„Birmingham News”, Mei 1873.
-
-[195] „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, Fransche vertaling,
-1869, blz. 132.
-
-[196] De weleerw. zeer gel. Heer Dr. J. M’Cann, „Anti-Darwinisme”,
-1869, blz. 13.
-
-[197] Aangehaald in „Anthropological Review”, 1869, blz. 158.
-
-[198] Rengger, ibid. blz. 45.
-
-[199] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl.
-Vert., Deel I, blz 32.
-
-[200] „Facultés Mentales des Animaux”, tome II, blz. 346–349.
-
-[201] Een verhandeling hierover vindt men in het zeer belangwekkende
-werk van den heer E. B. Tylor, „Researches into the Early History of
-Mankind”, 1865, chaps. II–IV.
-
-[202] Ik heb hierover verschillende uitvoerige mededeelingen ontvangen.
-Admiraal Sir J. Sulivan, dien ik als een nauwkeurig waarnemer ken,
-verzekert mij, dat een Afrikaansche papegaai die lang in zijn vaders
-huis werd gehouden, steeds sommige personen der huishouding, zoowel als
-bezoekers, bij hun naam riep. Hij zeide iedereen bij het ontbijt
-„goeden morgen”, en „goeden avond” als zij ’s avonds de kamer
-verlieten, en verwarde die groeten nooit. Tegen Sir J. Sulivan’s vader
-placht hij bij het „goeden morgen” een korten volzin te voegen, dien
-hij na den dood van dezen nooit weer herhaalde. Hij schold heftig op
-een vreemden hond die door het open venster in de kamer kwam, en hij
-berispte een anderen papegaai, die uit zijn kooi was ontvlucht en bezig
-was appels op de keukentafel te snoepen, met de woorden: „Jou stoute
-Polly.” Zie over papegaaien ook Houzeau „Facultés Mentales”, tome II,
-blz. 309. Dr. A. Moschkau meldt mij, dat hij een spreeuw heeft gekend,
-die zich nooit vergiste met in het Duitsch „goeden morgen” te zeggen
-tegen personen die aankwamen, en „adieu, oude jongen”, tegen degenen
-die weggingen. Ik zou er verscheidene andere dergelijke gevallen bij
-kunnen voegen. (8)
-
-[203] Zie eenige goede opmerkingen hierover door Prof. Whitney, in zijn
-„Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 354. Hij merkt op, dat de
-wensch naar gedachtenwisseling bij den mensch de levende kracht is,
-welke bij de ontwikkeling der taal „zoowel bewust als onbewust werkt;
-bewust, wat aangaat het doel dat men onmiddellijk wenscht te bereiken;
-onbewust, wat de verdere gevolgen der handeling aangaat.”
-
-[204] Daines Barrington in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 262.
-Zie ook Dureau de la Malle in „Ann. des Sc. Nat.”, 3ième série, Zool.,
-tome X, blz. 119.
-
-[205] „On the Origin of Language”, door H. Wedgwood, 1866; „Chapters on
-Language”, door den weleerw. heer F. W. Farrer, 1865. Deze werken zijn
-zeer belangwekkend. Zie ook: „De la Phys. et de Parole”, door Albert
-Lemoine, 1865, blz. 190. Wijlen Prof. Aug. Schleicher’s werk over dit
-onderwerp is door Dr. Bikkers in het Engelsch vertaald, onder den titel
-van „Darwinism tested by the Science of Language”, 1869.
-
-[206] Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 169. Ten
-opzichte van wilden, heb ik eenige feiten vermeld in mijn „Journal of
-Researches”, enz., 1849, blz. 206.
-
-[207] Zie het duidelijk bewijs hiervan in de reeds zoo dikwijls
-aangehaalde werken, bij Brehm en Rengger.
-
-[208] Zie hierover de opmerkingen van Dr. Maudsley, „The Physiology and
-Pathology of Mind”, 2de uitgaaf, 1868, blz. 199.
-
-[209] Hiervan zijn vele merkwaardige voorbeelden opgeteekend. Zie b.v.
-Dr. Bateman „On Aphasia”, 1870, blz. 27, 31, 53, 100, enz. Ook
-„Inquiries concerning the Intellectual Powers”, door Dr. Abercrombie,
-1838, blz. 150.
-
-[210] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I,
-blz. 502.
-
-[211] Lezingen over „Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873.
-
-[212] Het oordeel van een philoloog van naam, Dr. Whitney, zal omtrent
-dit punt van veel meer gewicht zijn dan iets dat ik kan zeggen. Hij
-merkt („Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 297), van Bleek’s
-beweringen sprekende, op: „Omdat over het algemeen gesproken de spraak
-de noodzakelijke helpster der gedachte is, onmisbaar voor de
-ontwikkeling van het denkvermogen, voor de duidelijkheid en
-verscheidenheid en ingewikkeldheid van de kennis, voor het verkrijgen
-van volkomen zelfbewustzijn, daarom zou hij de gedachte gaarne
-volstrekt onmogelijk maken zonder de spraak, het vermogen
-vereenzelvigende met het werktuig. Hij zou met juist evenveel reden
-kunnen verzekeren, dat de hand van den mensch niets kan verrichten
-zonder een werktuig. Met zulk een leer als uitgangspunt kan het niet
-anders of hij moet vervallen in de ergste drogredenen van Müller, dat
-een klein kind (in fans, niet sprekend) geen menschelijk wezen is, en
-dat doofstommen niet in het bezit van rede komen, vóór zij hun vingers
-hebben leeren gebruiken om gesproken woorden na te bootsen.” Max Müller
-(„Lectures on Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873, 3e lezing)
-laat de volgende uitspraak cursief drukken: „Er is geen gedachte zonder
-woorden, evenmin als er woorden zonder gedachte zijn.” Welk een vreemde
-definitie moet hier aan het woord gedachte worden gegeven!
-
-[213] „Essays on Free-thinking”, enz., 1873, blz. 82.
-
-[214] Hierover zijn eenige goede opmerkingen te vinden bij Dr.
-Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 199.
-
-[215] Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. II, 1839, blz. 29.
-Een uitnemend waarnemer, de heer Blackwall, merkt op, dat de ekster
-afzonderlijke woorden en zelfs korte volzinnen spoediger leert
-uitspreken dan eenige andere Britsche vogel; echter heeft hij, zooals
-hij er bijvoegt, na lang en nauwkeurig zijn gewoonten te hebben
-onderzocht, nooit opgemerkt, dat deze vogel in den natuurstaat eenigen
-bijzonderen aanleg voor het nabootsen vertoont. „Researches in
-Zoology”, 1834, blz. 158.
-
-[216] Zie de hoogst belangrijke vergelijking tusschen de ontwikkeling
-van soorten en talen, door Sir C. Lyell gegeven in „De Geol. Bewijzen
-voor de Oudheid v. h. Mensch. Geslacht”, in ’t Ned. vertaald door Dr.
-T. C. Winkler Zalt-Bommel 1861, Hoofdstuk XIII. (13)
-
-[217] Zie hierover de opmerkingen van den weleerw. heer F. W. Farrar in
-een belangrijk artikel, getiteld „Philology and Darwinism”, March 24
-1870, blz. 528.
-
-[218] „Nature”, 6 Jan. 1870, blz. 357.
-
-[219] Aangehaald door C. S. Wake, „Chapters on Man”, 1868, blz. 101.
-
-[220] Buckland, „Bridgewater Treatise”, blz. 411.
-
-[221] Zie eenige goede opmerkingen over de vereenvoudiging van talen
-bij Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 278 (Ned.
-Vert. „De Oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden,
-1876, blz. 262–280).
-
-[222] „The Spectator”, 4 Dec. 1869, blz. 1430.
-
-[223] Zie een uitnemend artikel over dit onderwerp door den weleerw.
-heer F. W. Farrer in de „Anthropological Review”, Aug. 1864, blz.
-CCXVII. Voor verdere feiten zie Sir J. Lubbock „Prehistoric Times”,
-2nd. edit. 1869 blz. 564, en vooral ook de hoofdstukken over den
-Godsdienst in zijn „Origin of Civilisation”, 1870.
-
-[224] „The Worship of Animals and Plants”, in „Fortnightly Review”,
-Oct. 1, 1869, blz. 422.
-
-[225] Tylor „Early History of Mankind”, 1865, blz. 6. Zie ook de drie
-treffende hoofdstukken over de Ontwikkeling van den Godsdienst in
-Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870. Op gelijke wijze verklaart de
-heer Herbert Spencer, in zijn vernuftige verhandeling in de
-„Fortnightly Review” (May, 1870, blz. 535) het ontstaan der vroegste
-vormen van godsdienstig geloof in de geheele wereld, doordat de mensch
-door droomen, schaduwen en andere oorzaken er toe werd gebracht, zich
-zelf een dubbel bestaan toe te kennen, een lichamelijk en een
-geestelijk. Daar het geestelijk wezen wordt ondersteld na den dood
-voort te bestaan en machtig te zijn, wordt het door verschillende
-giften en plechtigheden vereerd en wordt zijn hulp ingeroepen. Hij
-toont daarop verder aan, dat de namen of bijnamen van dieren of andere
-voorwerpen, aan de voorouders of hoofden van een stam gegeven, na
-verloop van tijd werden ondersteld den wezenlijken stamvader voor te
-stellen, en men gelooft dan natuurlijk, dat zulk een dier of voorwerp
-als geest voortleeft; het wordt voor heilig gehouden en als godheid
-vereerd. Echter vermoed ik, dat er nog een vroeger en ruwer tijdperk
-van godsdienstige ontwikkeling heeft bestaan, waarin elk voorwerp, dat
-eenig vermogen of beweging bezat, werd ondersteld leven en
-geestvermogens te bezitten gelijk de mensch.
-
-[226] Zie een uitstekend artikel over de psychische elementen van den
-godsdienst door den heer L. Owen Pike, in: „Anthropholog. Review”,
-April 1870, blz. 63.
-
-[227] „Religion, Moral etc. der Darwinschen Art-Lehre”, 1862, blz. 53.
-
-[228] „Prehistoric Times”, 2nd. ed., blz 571. In dit werk kan men vele
-vreemde en zonderlinge gewoonten van wilde volksstammen verhaald
-vinden.
-
-[229] De Duitsche woorden zijn hetgeen de papegaai zegt.
-
-[230] God behoede U (enkelvoud).
-
-[231] God behoede U (meervoud).
-
-[232] Psittacus erithacus.
-
-[233] De inhoud van den schedel varieerde bij tien door Vogt opgemeten
-microcephalen-schedels tusschen 272 en 622 kub. centimeter. Een normaal
-pasgeboren kind heeft omtrent 400 kub. centimeter schedelinhoud, en
-overtreft ⅔ dier microcephalen, waarvan zeven boven de twintig jaar oud
-waren, in hersencapaciteit. De inhoud van den schedel van een normaal
-kind van één jaar is omstreeks 900 kub. centimeter, van een van vijf
-jaar omstreeks 1150 kub, centimeter, van een volwassen Europeaan 1450
-tot 1570 kub. centimeter, van een jongen chimpanzee 300 kub.
-centimeter, van een volwassen gorilla 460 tot 530 kub. centimeter.
-
-Omtrent het gewicht der hersenen van pasgeboren jongens en meisjes
-heeft Mies onderzoekingen gedaan. Uit de resultaten van 203 wegingen
-berekent deze het gemiddeld gewicht van pasgeboren jongens (te Weenen)
-op 339,3 gram en dat van pasgeboren meisjes op 330 gram. Het lichtste
-gewicht was 170, het zwaarste 482 gram. Het hersengewicht van
-pasgeborenen staat tot hun lichaamsgewicht als 1 : 7 à 8,5. Mies woog
-alleen hersenen van kinderen die levend ter wereld waren gekomen.
-(„Wiener klinische Wochenschrift”, 1889.)
-
-[234] Vgl. „Lucifer” IV, blz. 266 on 267, benevens Bernstein, „Het
-leven der Planten, Dieren en Menschen”, vert. door Rissik, 2de druk,
-blz. 217.
-
-[235] Max Müller, „De Uitkomsten van de Wetenschap der Taalk.”, vert.
-door G. Penon, I, 269.
-
-[236] Om daarvan een voorbeeld te geven, ontleen ik het volgende aan M.
-Müller, t.a.p., II. 314–333.
-
-De wortel Mar, die in het Sanskriet fijnmalen beteekent, en die o.a.
-ook den vorm Mal kan aannemen, heeft, behalve aan een menigte
-Grieksche, Indische, Latijnsche en andere vreemde woorden, het aanzijn
-geschonken aan deze, meest Nederlandsche woorden: malen, molen,
-molenaar, meel; fr. mort, fr. mortel, ons mortel (kalk), moorden; murg,
-merg; moer (as), meer; Miölner (de hamer van Thor), h.d. zermalmen,
-molm, mul; m.n.l. molde (moede) mol; mal, malen (suffen); (Karel)
-Martel, Mars; melken; mollig, malsch fr. mou (mol), mild, smart, eng.
-to smart, smelten eng. to melt; marmer h.d. Marmor, marbels en mulvers
-(knikkers), memorie.
-
-[237] Veel overeenkomst heeft hiermede hetgeen Max Müller, „Vorlesungen
-über Urspr. u. Entw. der Religion”, blz. 214 (Die ältesten Begriffe) en
-211 (Alles als thätig benannt) opmerkt. Ook Darwin duidt dit tijdperk
-der godsdienstige ontwikkeling in de vier laatste regels van noot 2 op
-blz. 128, (die in de eerste uitgaaf van de „Afst v. d. Mensch” niet
-voorkomen) zeer kort aan.
-
-[238] Zelfs bij ons wordt dikwijls het woord „leven” gebruikt voor
-beweging, zelfs van levenlooze voorwerpen, b.v. „levend” water voor
-stroomend water. Bij een boschbrand hoorde ik eens een man zeggen: „Het
-vuur loopt zoo hard als een man te paard.” Evenzoo zegt ook de
-schooljongen: „De som wil niet uitkomen” en de keukenmeid: „De
-aardappels willen niet gaar worden” enz. en stellen dus de som en de
-aardappels enz. als levende, met een wil begaafde wezens voor.
-
-[239] Vergelijk J. Lippert, „Seelencult”, die, wel wat eenzijdig,
-nagenoeg allen godsdienst van de vereering der zielen van voorouders
-afleidt.
-
-[240] Hoofdzakelijk naar „Die Ursprache der Menschheit” in „Die
-Kulturgeschichte in einzelnen Hauptstücken” door Julius Lippert,
-Leipzig, 1886.
-
-[241] Met uitzondering waarschijnlijk van sommige door den mensch
-onderwezen papegaaien (vergelijk aant. 8, blz. 152). Ook verstaan
-ongetwijfeld sommige huisdieren b.v. honden, sommige door hun meester
-gesproken woorden. Sir John Lubbock leerde zelfs zijn hond eenvoudige
-in letters op plankjes gedrukte woorden begrijpen (zie zijn „Sense in
-Animals”, Londen, 1889, blz. 277) en het gesprokene of gedrukte te
-verstaan vereischt een dergelijke verstandelijke verbinding tusschen
-geluid of teeken en voorwerp of denkbeeld als het spreken of schrijven
-zelf. In al deze gevallen ging echter de impulsie van den mensch uit.
-Kan het blaffen, dat den hond alleen in tammen staat eigen is, geen
-poging zijn om de menschelijke spraak, zoover de stemorganen het
-toelaten, na te bootsen?
-
-[242] Lippert spreekt van „jodeln”, een onvertaalbaar woord, dat echter
-onze meeste lezers wel zullen verstaan; het drukt een eigenaardige
-wijze van zingen uit, die bij vele Alpenbewoners, o.a. de Tyrolers in
-zwang is, en waarvan het eigenaardige in den overgang uit de borsttonen
-in de falsetstem bestaat. Het is een melodieuse uiting van levenslust,
-die door de zuivere Alpenlucht zoo gemakkelijk wordt opgewekt.
-
-[243] De voorzetsels hadden waarschijnlijk eens in alle talen een
-plaatselijke beteekenis, althans in het Latijn worden jegens, behalve,
-wegens, overeenkomstig, uit hoofde van enz., kortom alle de zoo
-talrijke verbindingen en betrekkingen tusschen personen en zaken door
-voorzetsels uitgedrukt, die oorspronkelijk slechts plaatselijke
-verhoudingen, als: voor, achter, boven, tusschen enz. uitdrukten.
-
-[244] Op Otaheite heette b.v. de nacht vroeger „Po” maar sedert koning
-Pomaré is gestorven, is ook het eerste woord uit de taal van het eiland
-verdwenen.
-
-[245] Als b.v. in het Nederlandsch: drank (z. n.), dronk (z. n.), drenk
-(wortel van het werkwoord drenken), drink (wortel van het werkwoord
-drinken) waaraan zich het Engelsch drunk b. n. (beschonken) aansluit.
-Deze methode is zeer algemeen in de Semietische talen, en wordt ook bij
-onze ongelijkvloeiende en vele onregelmatige werkwoorden naast de
-volgende toegepast.
-
-[246] Hierdoor ontstaan eindelijk ook verbuigingen en vervoegingen door
-wijziging der uitgangen, en soms met voorvoeging van lettergrepen. De
-vervoeging onzer gelijkvloeiende werkwoorden behoort hiertoe.
-
-[247] Zoo heeft het Engelsche woord deer de beteekenis van hert, reeds
-zeer vroeg in Germanië het voornaamste jachtdier, en zal dit wellicht
-de oorspronkelijke beteekenis zijn, terwijl in het verwante
-Nederlandsch en Hoogduitsch dier en Thier tegenwoordig een dier, meer
-in ’t bijzonder een viervoetig dier, in het algemeen beteekenen. Een
-omgekeerde verschuiving zien wij als de boer onder „beesten” eenvoudig
-koeien verstaat.
-
-[248] Zie b.v. over dit onderwerp Quatrefages, „Unité de l’Espèce
-Humaine”, 1861, blz. 21, enz.
-
-[249] „Dissertation on Ethical Philosophy”, 1837, blz. 231, enz.
-
-[250] „Metaphysics of Ethics”, vertaald door J. W. Semple, Edinburg,
-1836, blz. 136.
-
-[251] De heer Bain geeft een lijst („Mental and Moral Science”, 1836,
-blz. 543, 725) van zes-en-twintig Engelsche schrijvers die dit
-onderwerp hebben behandeld en wier namen aan elken lezer bekend zijn;
-bij deze moeten nog de naam van den heer Bain zelf en die van de heeren
-Lecky, Shadworth Hodgson, Sir J. Lubbock en nog meer anderen worden
-gevoegd.
-
-[252] Nadat Sir B. Brodie („Psychological Enquiries”, 1855, blz. 192)
-heeft opgemerkt, dat de mensch een sociaal dier is, stelt hij de
-belangrijke vraag: „Behoort dit het twistpunt omtrent het bestaan van
-het zedelijk gevoel niet te beslissen?” Dergelijke denkbeelden zijn
-waarschijnlijk bij vele personen, evenals in lang verleden tijden bij
-Marcus Aurelius, opgekomen. De heer J. S. Mill spreekt in zijn beroemd
-werk, „Utilitarianism” (1864, blz. 46) van de aandrift tot het
-gezellige leven als van een „machtig natuurlijk gevoel” en als van „den
-grondslag der van het nuttigheidsbeginsel uitgaande zedeleer”; maar op
-de vorige bladzijde zegt hij: „indien mijn meening juist is, dat het
-zedelijk gevoel niet aangeboren, maar aangeleerd is, dan is het daarom
-nog niet minder natuurlijk.” Met beschroomdheid waag ik het, van een
-zoo diep denker in meening te verschillen, maar het kan moeielijk
-worden ontkend, dat de aandrift tot het gezellige leven bij de lagere
-dieren instinktmatig of aangeboren is; en waarom zou zij dat ook niet
-bij den mensch zijn? De heer Bain (zie b.v. „The Emotions and the
-Will”, 1865, blz. 481) en anderen gelooven, dat het zedelijk gevoel
-door elk individu gedurende zijn leven wordt aangeleerd. Als men de
-algemeene ontwikkelingstheorie aanneemt, is dit minst genomen zeer
-onwaarschijnlijk.
-
-[253] „Die Darwin’sche Theorie”, blz. 101.
-
-[254] De heer R. Browne in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 400.
-
-[255] Brehm, „Thierleben”, B. I, 1864, blz. 52, 79. Voor het verhaal
-van de apen die elkander doornen uittrekken, zie blz. 54. Wat de
-Hamadryas aangaat, die steenen omkeeren, dit feit wordt (blz. 76) op
-autoriteit van Alvarez medegedeeld, wiens waarnemingen Brehm voor
-volkomen geloofwaardig houdt. Voor het geval van de oude
-mannetjes-bavianen die de honden aanvielen, zie blz. 79; voor dat van
-den arend, blz. 56.
-
-[256] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, November 1868, blz. 382.
-
-[257] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit., blz. 447.
-
-[258] Aangehaald door den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”,
-1868, blz. 272. Kapitein Stansbury geeft ook een belangwekkend verhaal
-van de wijze, waarop een zeer jonge pelikaan, door een sterken stroom
-medegesleept, geleid, en in zijn pogingen om den oever te bereiken
-aangemoedigd werd door een zestal oude vogels.
-
-[259] Zooals de heer Bain zegt: „werkdadige hulp aan iemand die lijdt,
-ontspruit uit individueel medegevoel.” „Mental and Moral Science”,
-1868, blz. 245.
-
-[260] „Thierleben”, B. I, blz. 85.
-
-[261] „De l’Espèce et de la Classe”, 1869, blz. 97.
-
-[262] „Die Darwin’sche Art-lehre”, 1869, blz. 54.
-
-[263] Zie ook Hooker’s „Himalayan Journals”, vol. II, 1854, blz. 333.
-
-[264] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 76.
-
-[265] Zie zijn uiterst belangwekkende verhandeling over „Gregariousness
-in Cattle and in Man”, „Macmillan’s Mag.”, Febr. 1871, blz. 353.
-
-[266] Zie het eerste en treffende hoofdstuk in Adam Smith’s „Theory of
-Moral Sentiments.” Insgelijks des heeren Bain’s „Mental and Moral
-Science”, 1868, blz. 244, en 275–282. De heer Bain beweert, dat
-„medegevoel indirect een bron van genoegen is voor hem die het
-ondervindt”; en hij brengt hierbij ook de wederkeerigheid in rekening.
-Hij merkt op, dat „de beweldadigde persoon, of anderen in zijn plaats,
-door hun wederkeerig medegevoel en goede diensten wellicht de geheele
-opoffering kunnen vergoeden.” Wanneer echter, zooals werkelijk het
-geval schijnt te zijn, medegevoel eigenlijk een instinkt is, zal de
-uitoefening daarvan rechtstreeks genoegen verschaffen, evenals de
-uitoefening van bijna elk ander instinkt doet, zooals wij hierboven
-reeds opmerkten.
-
-[267] Dit feit werd volgens den weleerw. heer L. Jenyns (zie zijn
-uitgaaf van White’s „Nat. Hist. of Selborne”, 1853, blz. 204) het eerst
-vermeld door den beroemden Jenner in „Phil. Transact.”, 1824, en is
-sinds bevestigd door onderscheidene waarnemers, vooral door den heer
-Blackwall. Deze laatste zorgvuldige waarnemer onderzocht gedurende twee
-jaren laat in den herfst zes-en-dertig nesten; hij bevond, dat twaalf
-daarvan doode jonge vogels bevatten, vijf bevatten eieren op het punt
-van uit te komen, en drie eieren die nog lang niet waren uitgebroed.
-Vele vogels die nog niet oud genoeg zijn om lang achtereen te vliegen,
-worden insgelijks achtergelaten. Zie Blackwall, „Researches in
-Zoology”, 1834, blz. 108, 118. Voor nog meer bewijzen, hoewel die
-overbodig zijn, zie men Leroy, „Lettres Phil.”, 1802, blz. 217.
-
-[268] Hume merkt op („An Enquiry concerning the Principles of Morals”,
-uitgaaf van 1751, blz. 132): „Het schijnt noodzakelijk om te bekennen,
-dat het geluk en de ellende van anderen voor ons geen volkomen
-onverschillig schouwspel is, maar het gezicht van het eerste ... ons
-heimelijke vreugde verschaft, terwijl de aanblik van de tweede ... een
-zwaarmoedigen nevel voor onze verbeelding werpt”
-
-[269] „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 254.
-
-[270] Ik heb één dergelijk geval medegedeeld, namelijk van drie
-Patagonische Indianen, die liever één voor één werden doodgeschoten dan
-de plannen hunner krijgsmakkers te verraden („Journal of Researches”,
-1845, blz. 103).
-
-[271] Vijandschap of haat schijnt ook een gevoel te zijn dat zeer
-moeilijk verdwijnt, moeilijker wellicht dan eenig ander dat kan worden
-genoemd. Nijd wordt bepaald als haat tegen een ander, omdat hij in het
-een of ander uitmunt of slaagt; en Baco zegt (Essay IX): „Van alle
-hartstochten is de nijd de lastigste en langdurigste.” Honden zijn zeer
-geneigd zoowel vreemde menschen als vreemde honden te haten, vooral
-indien zij dichtbij wonen, maar niet behooren tot het zelfde huisgezin,
-den zelfden stam of clan; dit gevoel schijnt dus aangeboren te zijn, en
-verdwijnt zeker uiterst moeilijk. Uit hetgeen wij van wilden hooren,
-zou men afleiden, dat ook bij deze iets van den zelfden aard bestaat.
-Indien dit zoo ware, zou het slechts een kleine stap voor iemand zijn
-om die gevoelens over te brengen op eenig lid van den zelfden stam, die
-hem had beleedigd of benadeeld en zijn vijand was geworden. Het is ook
-niet waarschijnlijk, dat het oorspronkelijke geweten iemand zou
-verwijten, dat hij zijn vijand schade had berokkend; eer zou het hem
-verwijten doen, als hij zich niet had gewroken. Kwaad met goed te
-vergelden, zijn vijand lief te hebben, is een zedelijke hoogte, waartoe
-men mag betwijfelen, of de sociale instinkten op zich zelven ooit
-zouden hebben geleid. Het was noodzakelijk dat deze instinkten, en
-tevens het medegevoel, zeer werden ontwikkeld en uitgebreid met behulp
-der rede, van het onderwijs en de liefde of vrees voor God, eer ooit
-aan zulk een gulden gebod kon worden gedacht of gehoorzaamd.
-
-[272] „Insanity in Relation to Law”, London, Ontario, 1871, blz. 14.
-
-[273] E. B. Tylor in „Contemporary Review”, April 1873, blz. 707.
-
-[274] Dr. Prosper Despine geeft in zijn „Psychologie Naturelle”; tom.
-I, blz. 243, tom. II, blz. 169, verscheidene merkwaardige gevallen van
-de ergste misdadigers, die volstrekt geen geweten schijnen te hebben
-bezeten.
-
-[275] Zie een uitnemend artikel in de „North British Review”, 1867,
-blz. 395. Zie ook de artikelen van den heer W. Bagehot over „The
-Importance of Obedience and Coherence to Primitive Man” in the
-„Fortnightly Review”, 1867, blz. 529, en 1868, blz. 457 enz.
-
-[276] De uitgebreidste mededeeling die ik daarover heb gevonden, komt
-voor in Dr. Gerland’s werk „Ueber das Aussterben der Naturvölker”,
-1868. Ik zal echter in een volgend hoofdstuk op den kindermoord terug
-moeten komen.
-
-[277] Zie de zeer belangrijke bespreking van zelfmoord in Lecky’s
-„History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 223. Wat wilden
-aangaat, meldt de heer Winwood Reade mij, dat de negers van West-Afrika
-dikwijls zelfmoord begaan. Het is algemeen bekend, hoe algemeen die was
-onder de ongelukkige inboorlingen van Zuid-Amerika, na de verovering
-door de Spanjaarden. Voor Nieuw-Zeeland, zie de reis van de „Novara”,
-en voor de Aleutische eilanden, Müller, aangehaald door Houzeau, „Les
-Facultés Mentales” enz. tome II, blz. 136.
-
-[278] Zie b.v. hetgeen de heer Hamilton over de Kaffers mededeelt
-„Anthropological Review”, 1870, blz. XV.
-
-[279] De heer M’Lennan heeft („Primitive Marriage”, 1865, blz. 176) een
-groot aantal hierop betrekking hebbende feiten vermeld.
-
-[280] Lecky, „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 109.
-
-[281] „Embassy to China”, vol. II, blz. 348.
-
-[282] Overvloedige bewijzen hiervan zijn te vinden in Hoofdstuk VII van
-Sir J. Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870 (Ned. Vert. „De
-oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876).
-
-[283] B. v. Lecky, „Hist. European Morals”, vol. I, blz. 124.
-
-[284] Deze uitdrukking wordt gebruikt in een uitnemend artikel in de
-„Westminster Review”, Oct. 1869, blz. 498. Over het „Beginsel van het
-grootste geluk”, zie J. S. Mill, „Utilitarianism”, blz. 17.
-
-[285] Mill erkent („System of Logic”, vol. II, blz. 422) op de
-duidelijkste wijze, dat handelingen kunnen worden volbracht uit
-gewoonte zonder het voorgevoel van genoegen. Ook de heer H. Sidgwick
-merkt in zijn „Essay on Pleasure and Desire” („The Contemporary
-Review”, April 1872, blz. 671) op: „Om kort te gaan, in tegenspraak met
-de leer, dat onze bewuste actieve aandriften altijd de strekking hebben
-om ons zelven aangename gewaarwordingen te bezorgen, houd ik vol, dat
-wij overal bij de bewuste wezens aandriften vinden die een strekking
-hebben buiten hen zelven gelegen, en zijn gericht op iets dat geen
-genoegen is; dat in vele gevallen de aandrift zoo onvereenigbaar is met
-het egoïsme, dat beide niet gemakkelijk gelijktijdig in ons bewustzijn
-kunnen bestaan.” Een duister gevoel, dat onze aandriften volstrekt niet
-altijd ontstaan uit het genoegen waarmede zij vergezeld gaan of waarop
-zij doen hopen, is volgens mijn overtuiging een der voornaamste
-oorzaken geweest van het aannemen der intuïtieve theorie der
-zedelijkheid en van de verwerping van de utilitarische of „grootste
-geluk” theorie. Wat deze laatste theorie aangaat, zijn ongetwijfeld de
-maatstaf en de beweegreden van het gedrag dikwijls met elkander
-verward, maar zij hangen werkelijk tot op zekere hoogte innig met
-elkander samen.
-
-[286] Goede voorbeelden hiervan geeft de heer Wallace in: „Scientific
-Opinion”, 15 Sept. 1869; en uitgebreider in zijn „Contributions to the
-Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 353.
-
-[287] Tennyson, „Idylls of the King”, blz. 244.
-
-[288] „The Thoughts of the Emperor M. Aurelius Antonius”, Engelsche
-vertaling, 2de uitgaaf, 1869, blz. 112. Marcus Aurelius werd geboren in
-het jaar des Heeren 121.
-
-[289] Brief van den heer Mill in Bain’s „Mental and Moral Science”,
-1868, blz. 722.
-
-[290] Een schrijver in de „North British Review” (Juli 1869, blz. 531)
-die zeer goed in staat is een gezond oordeel te vellen, drukt zich
-hierover sterk uit. De heer Lecky („Hist. of Morals”, vol. I, blz. 143)
-schijnt tot zekere hoogte dit gevoelen te deelen.
-
-[291] Zie zijn merkwaardig werk „Hereditary Genius”, 1869, blz. 349. De
-hertog van Argyll („Primaeval Man”, 1869, blz. 188) maakt eenige goede
-opmerkingen over den strijd tusschen goed en kwaad in ’s menschen
-natuur.
-
-[292] „The Thoughts of Aurelius” enz., blz. 139.
-
-[293] Wij zeggen met opzet „gewoonlijk.” Wanneer toch de oude koningin
-met een deel der bijen uit „zwermen” gaat, en een nieuwe koningin in
-den ouden korf heerscht, zullen, zoodra die jonge koningin op haar
-beurt moeder is geworden, de bijen in den ouden korf niet meer allen
-broeders en zusters van elkander zijn, maar er zullen er onder zijn die
-elkander als oom of tante en neef en nicht bestaan.
-
-[294] Isidore Geoffroy St. Hilaire en Quatrefages. De eerste beweerde,
-tegen alle evidentie in, dat de mensch het eenige dier is, dat denkt:
-ook hij zocht daarenboven in het beginsel der moraliteit een
-qualitatief onderscheid tusschen mensch en dier.
-
-[295] Onder de oudere geschriften over dit onderwerp noemen wij:
-
-„Histoire critique de l’âme des bêtes”, par mr. Guer. à Amsterdam,
-1749.
-
-D’Argensius (gelatiniseerd?), „Lettres cabbalistiques”, lib. IV, lettre
-134.
-
-Bouiller, „Essai philosophique sur l’âme des bêtes”, 2 ed., Amsterdam
-1737.
-
-Reimarus, Hoogleeraar te Hamburg, „Algemeene Beschouwing van de driften
-der Dieren”, enz., uit het Hoogduitsch vertaald door J. W. van Haar,
-met een voorrede van Johan Lulofs, Hoogleeraar te Leiden, Leiden 1774.
-
-„Geschichte des menschlichen Verstandes” (anoniem), Breslau (nuper
-177.?).
-
-’t Bovenstaande aangehaald in J. G. H. Feder, „Homo natura non ferus,
-dissertatio philosophica”, blz. 447 van „Syntagma dissertationum ad
-philos. moralem pertinentium”; Ed. M. Tydeman. Traj. ad Rh. 1777 4to.
-
-J. H. Winkler, Prof. te Leipzig, „Philosophische Onderzoekingen over
-het bestaan en de natuur der ziel bij dieren.” In Nederl. Vert. 1765.
-„Dit Werkje vervat in zich datgene, waarover de Geleerde Heeren
-Martinus Schrok, Professor in de Philosophie te Groningen; Johan
-Lulofs, Professor te Leiden, in zijne Voorrede voor het werk van S.
-Reimarus, Professor te Hamburg; Adrianus Bradit, Predikant te
-Amsteldam; Bernardus Martinus, Predikant te Elspeet, en anderen, hunne
-Gevoelens de Geleerde Wereld hebben medegedeeld.”
-
-Een bibliographie over dit onderwerp gaf Dr. A. van der Linde in
-„Androcles, Tijdschrift aan de bescherming der dieren gewijd”, 1875
-(afl. Mei?).
-
-[296] Wij herinneren hier, dat er onder de oudheden uit de
-rendierperiode in het Zuiden van Frankrijk ook een zoogenaamde
-Pansfluit is gevonden, uit pijpen van verschillende lengte (en dus
-verschillende tonen gevende) samengesteld, een bewijs, dat de
-voorhistorische mensch aldaar wel degelijk verschillende modulaties met
-zijn instrument uitdrukte.
-
-[297] Geschreven te Londen, Januari 1874. Een uittreksel van Wallace’s
-„Scientific Aspect of the Supernatural” (Het Bovennatuurlijke van een
-Wetenschappelijk Standpunt beschouwd) en een vrije bewerking van zijn
-verdediging van het hedendaagsche spiritisme („Defence of modern
-Spiritualism”) vindt men in het Nederlandsche werk „Een Nieuw Veld voor
-de Wetenschap”, ’s Gravenhage, Mensing en Visser, 1877. Geen lezer van
-dat werk zal in twijfel trekken, dat Wallace een volkomen overtuigd
-spiritist is.
-
-[298] Eigenlijk staat er: rubbish, d.i. prullen, lorren. Deze brief en
-de volgende zijn ontleend aan „Life and Letters”, vol II, chapt. IX.
-
-[299] „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII.
-
-[300] Na eenigen tijd beweren, zooals de heer Maine opmerkt („Ancient
-Law”, 1861, blz. 131), de leden van een stam, die met een anderen
-samengesmolten zijn, dat zij gezamenlijk van de zelfde voorouders
-afstammen.
-
-[301] Morlot, „Soc. Vaud. Sc. Nat.”, blz. 294.
-
-[302] Zie een merkwaardige reeks artikelen over „Physics and Politics”
-in de „Fortnightly Review”, Nov. 1867; 1 April, 1868; 1 Juli, 1869.
-
-[303] De heer Wallace geeft hiervan voorbeelden in zijn „Contributions
-to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 354.
-
-[304] „Ancient Law”, 1861, blz. 22. Voor de opmerkingen van den heer
-Bagehot, „Fortnightly Review”, 1 April 1868, blz. 452.
-
-[305] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz.
-360.
-
-[306] „Frasers Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. Dit artikel schijnt
-veel personen te hebben getroffen en heeft aanleiding gegeven tot twee
-merkwaardige verhandelingen en een repliek in den „Spectator”, 3 en 17
-Oct. 1868. Het is ook besproken in het „Q. Journal of Science”, 1869,
-blz. 152, door den heer Lawson Tait in het „Dublin Q. Journal of
-Medical Science”, Febr. 1869, en door den heer E. Ray Lankester in zijn
-„Comparative Longevity”, 1870, blz. 128. Dergelijke beschouwingen
-verschenen reeds vroeger in de „Australasian”, 13 Juli 1867. Ik heb aan
-verscheidenen dezer schrijvers denkbeelden ontleend.
-
-[307] Voor den heer Wallace, zie „Anthropolog. Review”, op de vroeger
-aangehaalde plaats. De heer Galton in „Macmillan’s Magazine”, Aug.
-1865, blz. 318; ook zijn groot werk, „Hereditary Genius”, 1870.
-
-[308] Prof. H. Fick („Einfluss der Naturwissenschaft auf das Recht”,
-Juni 1872) geeft eenige goede opmerkingen omtrent deze en andere
-dergelijke zaken.
-
-[309] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 132–140.
-
-[310] Zie de vijfde en zesde kolom van de uit goede bronnen geputte
-tabel in het werk van den heer E. R. Lankester, „Comparative
-Longevity,” 1870, blz. 115.
-
-[311] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 330.
-
-[312] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 347.
-
-[313] E. Ray Lankester, „Comparative Longevity”, 1870, blz. 115. De
-opgave omtrent dronkaards is uit Nelson’s „Vital Statistics”. Ten
-opzichte van losbandigheid, zie Dr. Farr, „Influence of Marriage on
-Mortality”, „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858.
-
-[314] „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. „Macmillan’s
-Magazine”, Aug. 1865, blz. 318. De weleerw. heer F. W. Farrar
-(„Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 264) beschouwt de zaak uit een ander
-oogpunt.
-
-[315] „On the Law of the Fertility of Women” in „Transact. Royal Soc.”
-Edinburgh, vol. XXIV, blz. 287. Zie ook de opmerkingen van den heer
-Galton over het zelfde onderwerp „Hereditary Genius”, blz. 352–357.
-
-[316] „Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc. in Scotland”, 1867,
-blz. XXIX.
-
-[317] Deze aanhalingen zijn ontleend aan onze hoogste autoriteit in
-dergelijke vraagstukken, namelijk Dr. Farr in zijn verhandeling „On the
-Influence of Marriage on the Mortality of the French People”,
-voorgedragen voor de „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”,
-1858.
-
-[318] Dr. Farr, ibid. De lager aangehaalde feiten zijn aan de zelfde
-treffende verhandeling ontleend.
-
-[319] Ik heb het gemiddelde genomen van de gemiddelden over vijf jaren,
-gegeven in „The Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc., in
-Scotland”, 1853. De aanhaling van Dr. Stark is overgenomen uit een
-artikel in de „Daily News”, 17 Oct. 1868, dat Dr. Farr voor zeer
-zorgvuldig geschreven houdt.
-
-[320] Zie het vernuftige en oorspronkelijke bewijs daarvan bij den heer
-Galton, „Hereditary Genius”, blz. 340–342.
-
-[321] De heer Greg, „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 157.
-
-[322] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 357–359. De weleerw. heer F. H.
-Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 257) brengt bewijsgronden
-daartegen in. De heer Lyell heeft reeds vroeger („Principles of
-Geology”, vol. III, 1868, blz. 489) in een treffende passage de
-aandacht gevestigd op den slechten invloed der Heilige Inquisitie, daar
-zij door teeltkeus de algemeene verstandelijke ontwikkeling heeft doen
-achteruitgaan.
-
-[323] De heer Galton, „Macmillan’s Magazine”, Augustus 1865, blz. 325.
-Zie ook „Nature”, „On Darwinism and National Life”, Dec. 1869, blz.
-184.
-
-[324] „Last Winter in the United States”, 1868, blz. 29.
-
-[325] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer John Morley voor
-eenige goede kritische opmerkingen omtrent dit onderwerp; zie ook
-Broca, „Les Sélections”, „Revue d’Anthropologie”, 1872.
-
-[326] „On the Origin of Civilisation”, „Proc. Ethnological Soc.”, 26
-Nov. 1867.
-
-[327] „Primeval Man”.
-
-[328] „Royal Institution of Great Britain”, 15 Maart 1867. Ook,
-„Researches into the Early History of Mankind”, 1865.
-
-[329] „Primitive Marriage”, 1865. Zie ook een uitnemend artikel,
-blijkbaar van dien zelfden schrijver, in de „North British Review”,
-Juli, 1869. Ook de heer L. H. Morgan, „A Conjectural Solution of the
-Origin of the Class. System of Relationship”, in „Proc. American Acad.
-of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868. Prof. Schaaffhausen („Anthropolog.
-Review”, Oct. 1869, blz. 373) vestigt de aandacht op de „sporen van
-menschenoffers die men zoowel in Homerus als in het Oude Testament
-vindt.”
-
-[330] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1889, chap. XV en
-XVI et passim.
-
-[331] Dr. F. Müller heeft hierover eenige goede opmerkingen gemaakt, in
-de „Reise der Novara. Anthropolog. Theil”, Abtheil. III, 1868, blz.
-127.
-
-[332] „United States Explor. Exp.”, vol. I, blz. 191.
-
-[333] Gomara, „Hist. de las Indias”, blz. 289.
-
-[334] Vergelijk ook Max Scheffer, „Die Landwirthschaft der
-alt-Amerikanischen Kulturvölker”, Leipzig 1883.
-
-[335] Isidore Geoffroy St. Hilaire geeft een uitgebreid overzicht van
-de plaats door verschillende natuuronderzoekers in hun klassificaties
-aan den mensch toegekend: „Hist. Nat. Gén.” tome II, 1859, blz.
-170–189.
-
-[336] Zie het zeer belangwekkende artikel, „l’Instinct chez les
-insectes”, door den heer George Pouchet, „Revue des Deux Mondes”, Febr.
-1870, blz. 682.
-
-[337] Westwood, „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz.
-87.
-
-[338] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 4.
-
-[339] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 70, et passim.
-
-[340] Isid. Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”, tome II, 1859, blz. 217.
-
-[341] „Ueber die Richtung der Haare” enz., Müllers „Archiv für Anat.
-und Phys.”, 1837, blz. 5.
-
-[342] Aangehaald door Reade, „The African Sketchbook”, vol. I, 1873,
-blz. 152.
-
-[343] Over het haar bij Hylobates, zie „Nat. Hist. of Mammals”, door C.
-L. Martin, 1841, blz. 415. Ook Isid. Geoffroy over de Amerikaansche en
-andere aapsoorten, „Hist. Nat. Gén.”, vol. II, 1859, blz. 216, 243.
-Eschricht, ibid., blz. 46, 55, 61. Owen, „Anat. of Vertebrates”, vol.
-III, blz. 619. Wallace, „Contributions to the Theory of Natural
-Selection”, 1870, blz. 344.
-
-[344] „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederl. Uitgaaf, blz. 599. „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 401–405.
-
-[345] „An Introduction to the Classification of Animals”, 1869, blz.
-99.
-
-[346] Dit is ongeveer de zelfde klassificatie als die, welke voorloopig
-door den heer St. George Mivart („Transact. Philosoph. Soc.”, 1867,
-blz. 300) is aangenomen, die, na de Lemuriden te hebben afgescheiden,
-de overige Primaten verdeelt in de Hominidae, de Simiadae
-(overeenkomende met de Catarrhinae), de Cebidae en de Hapalidae (welke
-beide laatste groepen met de Platyrrhinae overeenkomen).
-
-[347] „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VI, 1867, blz. 214.
-
-[348] De heer H. G. Mivart, „Transact. Phil. Soc.” 1867, blz. 410.
-
-[349] De heeren Murie en Mivart over de Lemuriden, „Transact. Zoolog.
-Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 5.
-
-[350] Haeckel is tot het zelfde besluit gekomen. Zie „Ueber die
-Entstehung des Menschengeschlechts”, in Virchow’s „Sammlung
-gemeinwissenschaftl. Vorträge”, 1868, blz. 61. Ook zijn „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”, 1868, waarin hij zijn beschouwingen over den
-stamboom van den mensch uitvoerig uiteenzet.
-
-[351] „Anthropological Review”, April, 1867, blz. 236.
-
-[352] „Elements of Geology”, 1865, blz. 583–585. „Antiquity of Man”,
-1863, blz. 145.
-
-[353] „Man’s Place in Nature”, blz. 105.
-
-[354] Uitvoerige tabellen zijn gegeven in zijn „Generelle Morphologie”,
-B. II, blz. CLIII, en 425; en meer bijzonder met betrekking tot den
-mensch in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868. Prof. Huxley
-zegt in zijn beschouwing van dit laatste werk („The Academy”, 1869,
-blz. 42), dat hij gelooft, dat het phylum of de lijnen van afstamming
-der gewervelde dieren door Haeckel op bewonderenswaardige wijze zijn
-behandeld, ofschoon hij in enkele punten een verschillende meening is
-toegedaan. Hij drukt ook den hoogen dunk uit dien hij van de waarde en
-de algemeene strekking en geest van het geheele werk koestert.
-
-[355] „Palaeontology”, 1860, blz. 199.
-
-[356] Ik had de voldoening op de Falklandseilanden, in April 1833, en
-dus eenige jaren vroeger dan eenig ander natuuronderzoeker, de jongen
-te zien zwemmen van een samengestelde Ascidia, nauw verwant met, doch
-blijkbaar tot een ander geslacht behoorende dan Synoicum. De staart was
-ongeveer vijfmaal zoo lang als de langwerpige kop, en eindigde in een
-zeer fijnen draad. Zij werd, volgens een door mij onder een loep
-gemaakte schets door dwarse ondoorschijnende tusschenschotten duidelijk
-in afdeelingen verdeeld, welke, naar ik vermoed, overeenkomen met de
-groote cellen die door Kowalewski zijn afgebeeld. Op een vroeger
-tijdstip van de ontwikkeling was de staart dicht om den kop der larve
-gerold.
-
-[357] „Mémoires de l’Acad. des Sciences de St. Pétersbourg”, tome X,
-No. 15, 1866.
-
-[358] Ik ben echter verplicht hier bij te voegen, dat sommige bevoegde
-beoordeelaars de juistheid van dit besluit betwisten, b.v. de heer
-Giard, in een reeks artikelen in zijn „Archives de Zoologie
-Expérimentale” voor 1872. Toch merkt deze natuuronderzoeker op, blz.
-281: „L’organisation de la larve ascidienne en dehors de toute
-hypothèse et de toute théorie, nous montre comment la nature peut
-produire la disposition fondamentale du type vertébré (l’existence
-d’une corde dorsale) chez un invertébré par la seule condition vitale
-de l’adaptation, et cette simple possibilité du passage supprime
-l’abîme entre les deux sous-règnes, encore bien qu’on ignore par où le
-passage s’est fait en réalité.”
-
-[359] Dit is het besluit, waartoe een der hoogste autoriteiten in de
-vergelijkende ontleedkunde, namelijk Prof. Gegenbaur in zijn:
-„Grundzüge der Vergleich. Anat.”, 1870, blz. 876 komt. Hij heeft dit
-vooral afgeleid uit zijn studiën over de Amphibieën; maar volgens de
-onderzoekingen van Waldeyer (aangehaald in „Journal of Anat. and
-Phys.”, 1869, blz. 161), schijnt het, dat de geslachtsdeelen zelfs van
-„de hoogere Gewervelde Dieren in den vroegsten toestand
-hermaphroditisch zijn.” Dergelijke beschouwingen zijn sinds lang door
-sommige schrijvers gemaakt, ofschoon zij tot voor korten tijd niet op
-een goeden grondslag berustten.
-
-[360] Het mannetje van den buidelwolf (Thylacinus) levert hiervan het
-beste voorbeeld. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 771.
-
-[361] Hermaphroditisme is waargenomen bij verscheidene soorten van
-Serranus, zoowel als bij sommige andere visschen, bij welke het òf
-normaal en symmetrisch, òf abnormaal en asymmetrisch is. Dr. H. Hartogh
-Heys van Zouteveen heeft mij inlichtingen hieromtrent verstrekt, meer
-bijzonder omtrent eene verhandeling daarover van Prof. Halbertsma, in
-de Verslagen en Mededeelingen der Nederlandsche Kon. Akad. v. Wet. Dr.
-Günther betwijfelt de zaak, maar zij is tegenwoordig door te vele goede
-waarnemers opgemerkt om langer te worden betwist. Dr. M. Lessona heeft
-de waarheid onderzocht en bevestigd gevonden van de door Cavolini
-omtrent Serranus gedane waarnemingen. Prof. Ercolani heeft voor eenige
-jaren aangetoond („Accad. delle scienze”, Bologna, Dec. 28, 1871), dat
-de aal hermaphroditisch is. (16)
-
-[362] Prof. Gegenbaur heeft aangetoond („Jenaïsche Zeitschrift”, Bd.
-VII blz. 212), dat bij de onderscheidene orden van Zoogdieren twee
-verschillende typen van tepels bestaan, maar dat het volkomen
-begrijpelijk is, hoe beide zich kunnen hebben ontwikkeld uit de tepels
-der Buideldieren, en die van de laatste uit die der Snaveldieren. (17)
-Zie ook een verhandeling van Dr. Max Huss, over de melkklieren, ibid.
-B. VIII, blz. 176.
-
-[363] De heer Lockwood (aangehaald in het „Quart. Journal of Science”,
-April 1868, blz. 269) gelooft, wegens hetgeen hij heeft waargenomen
-omtrent de ontwikkeling van het Zeepaardje (Hippocampus), dat namelijk
-de wanden van den broedzak van het mannetje op deze of gene wijze
-voedsel geven. Over mannelijke visschen die de eieren in hun bek
-uitbroeden, zie een zeer belangwekkende verhandeling van Prof. Wyman in
-„Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857; ook Prof. Turner in
-„Journal of Anat. and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Dr. Günther heeft
-eveneens dergelijke gevallen beschreven.
-
-[364] Alle levensfuncties vertoonen een neiging om haar loop te
-voleindigen in vaste en terugkeerende perioden, en bij stranddieren
-zullen die perioden waarschijnlijk van de schijngestalten der maan
-afhankelijk zijn; want dergelijke dieren moeten op het droge gelaten of
-met diep water bedekt zijn, overvloedig of karig voedsel hebben
-gekregen,—gedurende tallooze geslachten, op regelmatig terugkeerende,
-van de schijngestalten der maan afhankelijke tijden. Indien derhalve de
-Gewervelde dieren afstammen van stranddieren, met de tegenwoordig
-levende Zakpijpen (Ascidiae) verwant, wordt het geheimzinnige feit
-verklaarbaar, dat bij de hoogere en tegenwoordig het land bewonende
-Gewervelde Dieren, om andere klassen niet te vermelden, vele normale en
-abnormale levensprocessen hun loop voleindigen volgens perioden, die
-van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. Een terugkeerende
-periode zou, eens verkregen zijnde, als zij bij benadering den juisten
-tijd duurde, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, niet aan
-verandering onderhevig zijn; bijgevolg zou zij dus overgaan gedurende
-een bijna onbeperkt aantal generaties. Indien deze gevolgtrekking kon
-worden bewezen steek te houden, zou zij merkwaardig zijn; want wij
-zouden dan zien, dat de tijd der zwangerschap van elk zoogdier en de
-tijd noodig voor het uitbroeden der eieren van elken vogel, en vele
-andere levensprocessen, nog het oorspronkelijke vaderland dezer dieren
-verrieden. (20)
-
-[365] De gewone Braziliaansche Saüba-mier (Oecodoma cephalotes).
-
-[366] Deze Orde omvat de Herkauwende Dieren, de Anoplotheria, de
-Varkens en Hippopotamus (de gehoefde dieren met een even aantal
-vingers).
-
-[367] Deze Orde omvat de Eenhoevigen, de Neushoorns, Tapiren,
-Palaeotheria, enz. (de gehoefde dieren met een oneven aantal vingers,
-met uitzondering der Olifantachtige Dieren).
-
-[368] De Olifantachtige Dieren.
-
-[369] Deze Orde omvat slechts twee fossiele geslachten (Toxodon en
-Nesodon).
-
-[370] Owen’s Bruta zijn de Edentata van andere schrijvers.
-
-[371] Men vindt Catarrhinae en Platyrrhinae in de Zoologische boeken
-meestal met ééne r gespeld. Volgens den stelligen regel der Grieksche
-taal moet echter de r in dergelijke samenstellingen, als er een korte
-klinker aan voorafgaat, worden verdubbeld. Eigenlijk zou men dus ook
-moeten schrijven Ornithorrhynchus, R. tichorrhinus enz. Wij hebben dit
-echter niet gedaan, daar die woorden slechts een enkele maal in dit
-werk voorkomen en in de soort- en geslachtnamen in de zoölogie en
-botanie toch allerwege de vreemdsoortigste samenstellingen en
-barbarismen worden aangetroffen. Bij de namen van de beide
-hoofdafdeelingen der apen die in dit werk en de aanteekeningen
-veelvuldig voorkomen en ten opzichte van het onderwerp van dit boek zoo
-gewichtig zijn, hebben wij gemeend ons aan den regel te moeten houden
-en de juiste spelling te moeten volgen.
-
-[372] De quaestie van den tertiairen mensch kan men uitvoeriger
-besproken vinden in Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en
-Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
-
-[373] Prof. Kupffer te Kiel (zie o.a. „Entwicklungsgeschichte der
-Ascidien” in „Archiv. f. mikroskop. Anatomie”, Bd. VII) had destijds
-Kowalewski’s waarnemingen omtrent de stamverwantschap tusschen
-Zakpijpen en Gewervelde Dieren bevestigd en uitgebreid. Eveneens is
-zulks gedaan door Prof. A. Giard te Rijsel („Revue Scientifique”, 11
-Juillet 1874, „Compt. Rend.”, 29 Juin 1874, blz. 1860), die bij sommige
-Ascidiënlarven (Molgula, Cynthia) uit de chorda dorsalis ontspringende
-vinstralen waarnam. Ook Ussow verdedigde in „Archiv. für
-Naturgeschichte” 1875, blz. 1–8, de afstamming der Gewervelde Dieren
-van Ascidiën.
-
-[374] Zie ook Dohrn’s Geschrift „Ueber den Ursprung der Wirbelthiere”,
-Leipzig 1875.
-
-[375] „Centralblatt für die medic. Wissenschaften”, 1874, No. 35 en 52;
-„Die Stammesverwandtschaft der Wirbelthiere und Wirbellosen, Arbeiten
-des zoot. Instituts in Würzburg”, 1874, Bd. II, blz. 25.
-
-[376] „Journal of Microscopical Science”, 1875.
-
-[377] Verdeeling in achter elkander gelegen, gelijkwaardige segmenten.
-
-[378] De verdere gevolgen van deze opneming, vooral met het oog op de
-verwantschappen met de Polyzoa (Mosdieren) en Gephyrea (Brugdieren,
-Sipunculaceeën) openen, gelijk R. Lankester opmerkt, een wijd veld voor
-de bespiegeling en daarvan uitgaand embryologisch en anatomisch
-onderzoek. De Gephyrea zijn van den anderen kant onmiskenbaar met
-Echinodermata (Holothuriën) verwant, en ook de larvevorm van een der
-Balanoglossus-soorten gelijkt op die der Echinodermata. Blijkt hieruit
-een zekere verwijderde genetische betrekking tusschen deze en de
-Vertebrata, waarop Lankester, gelijk wij later zullen zien, vrij sterk
-wijst, zoo bedenke men, dat ten slotte door de gastrula alle Metazoa
-verwant zijn, en het er hier meer om te doen is sommige stammen van
-ongewervelden uit dat algemeene verband los te maken en hun nauwere
-verwantschap met de gewervelden aan te toonen.
-
-[379] Operculum is de naam dien Agassiz geeft aan het toestel dat de
-kieuwen der visschen beschermt. Het wezenlijke kieuwdeksel wordt
-gesteund door vier beenplaten: het operculum, het prae-, sub- en
-interoperculum; het kieuwdekselvlies door beenstralen.
-
-[380] Van epi, op, en pleura, zijde, dus zijdelingsche plooi. De
-epipleurale plooi, bij den jongen Amphioxus nog afwezig, ontstaat als
-parig orgaan langs de voorste helft ter weêrszijden van het lichaam, en
-groeit benedenwaarts. Zij vormt zijdelingsche overkappingen van de
-mondopening, alsmede een bedekking van de talrijke kieuwspleten, en
-haar beide deelen groeien in de mediaanlijn aan de buikzijde te zamen
-tot ééne onparige plooi, behalve op één punt, dat tot den porus
-branchialis wordt.
-
-[381] De in de laatste uitgaaf (1889) der „Natürl.
-Schöpfungsgeschichte” daarin aangebrachte veranderingen zullen wij in
-noten aangeven.
-
-[382] Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen
-tal van organische verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere
-synthese hebben gevormd, dat zulks derhalve ook in de natuur onder den
-invloed der anorganische natuurkrachten heeft kunnen geschieden, en dat
-op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren kunnen
-zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit
-nog geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd,
-zou zich niet voeden, bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren
-volgens Haeckel doen; het zou, aan zich zelf overgelaten, verrotten en
-te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende proeven van
-Pasteur krachtig tegen het bestaan van de generatio spontanea, ten
-minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar
-merkt Haeckel op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane
-vorming van organismen in vloeistoffen die organische stoffen bevatten
-(Plasmogenie), terwijl de door hem bedoelde generatio spontanea
-betrekking heeft op de vorming van organismen in anorganische
-vloeistoffen (Autogenie); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens
-spontaan organismen vormen in vloeistoffen die in overvloed de
-verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer
-onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die
-verbindingen ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit,
-maar een zeer samengesteld mengsel van een groot aantal organische
-verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt
-niet te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde
-organisatie en bepaalde organen bezit, en alleen de onvolkomenheid
-onzer hulpmiddelen belet ons die in al haar fijnheid te leeren kennen.
-(Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”, Jena,
-1889.)
-
-De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar niet
-het protoplasma, maar de kern het oorspronkelijkste deel van de cel
-schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening, blz. 194 en 195, Deel II,
-van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en de kern voor
-de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit,
-behalve de physische en chemische, ook historische eigenschappen,
-zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische
-deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de
-Vries, gelijk wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten” Deel II, blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van
-pangenen. Zij zijn niet identiek met de physico-chemische moleculen,
-maar daaruit opgebouwd en in de kern der cellen opgehoopt. Die kern is
-voor het leven der cel onmisbaar; gaat zij te gronde, dan sterft de cel
-weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern intact blijft, dan gaat
-het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij het
-splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het
-normale leven, de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van
-Haeckel’s Moneren, d.i. kernlooze naakte cellen, komt ons dus, zoowel
-tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk voor. Zijn
-Bathybius is reeds gebleken geen levend wezen te zijn, maar slechts een
-neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje waarin men andere
-organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt ons
-zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i.
-geheel vervallen. Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag
-ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren of Amoeben zijn, maar hoogstens
-veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes, wier grootte ver
-beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat
-en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn,
-dan de eenvoudigste ons bekende organismen. Die organische wezentjes
-zouden wellicht eeuwen noodig hebben, eer er zich vormen uit hadden
-ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig, en groot
-genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien
-en onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten,
-maar die langzamerhand in den loop der generaties verkrijgen, naarmate
-zij in grootte toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van
-eenvoudige pangenen hebben. Een dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli
-uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten en Theorieën”, bewerkt
-door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf, blz.
-279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische
-hypothese, volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte
-of van andere hemellichamen tot ons zouden zijn gekomen, ons
-causaliteitsgevoel volkomen bevredigt).
-
-[383] Van daar wordt in de 8ste uitgaaf van Haeckel’s „Natürl.
-Schöpfungsgeschichte”, 1889, deze trap Moraeaden genoemd.
-
-[384] Overeenkomende met den ontwikkelingstrap van het bevruchte ei,
-dien men Blastala noemt. Van daar heet deze trap in de 8ste uitgaaf der
-„Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, Blastaeaden.
-
-[385] De zevende en achtste trap worden dan ook in de 8ste uitgaaf der
-„Natürl. Schöpfungsgeschichte” vervangen door:
-
-Zevende trap: Nemertinen of Snoerwormen.
-
-Achtste trap: Enteropneusta of Eikelwormen (tot deze afdeeling behoort
-ook Balanoglossus).
-
-Negende trap: Prochordonia of Oerchordadieren. De sedert lang
-uitgestorven gemeenschappelijke stamgroep der Manteldieren en
-Gewervelde Dieren.
-
-De Schedelloozen of Acraniën worden nu de tiende trap enz.
-
-[386] Tusschen dezen trap en den volgenden wordt in de 8ste uitgaaf der
-„Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, nog ingelascht een nieuwe trap,
-die der Ganoïden of Emailvisschen. Deze groep, die eens zeer talrijk
-was, wordt in de levende schepping nog slechts door weinige vormen
-(Lepidosteus, Polypterus, Amia, Accipenser, waartoe de steur behoort,
-en Spatularia) vertegenwoordigd. Een andere, nauw met de Dipneusten
-verwante groep van visschen, de Crossopterygii, zou wellicht
-bestanddeelen van de groep rechtstreeksche voorouders van den mensch
-bevatten. De Dipneusten worden nu de veertiende trap.
-
-[387] De dertiende, veertiende en vijftiende trap komen in de 8ste
-uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, als vijftiende,
-zestiende en zeventiende trap voor onder nieuwe namen, namelijk:
-
-Vijftiende trap: Stegocephalen of Amphibieën met blijvende kieuwen;
-onze oudste voorouders uit de klasse der Amphibieën zouden tot de
-Stegosauriërs hebben behoord, en waarschijnlijk uit de groepen der
-Archegosauriërs en Branchiosauriërs.
-
-Zestiende trap: Salamandrinen of Gestaarte Amphibieën.
-
-Zeventiende trap: Proreptiliën of Protamniën. Verwant met de fossiele
-Protecosauriërs en de levende Hatteria.
-
-Nu volgt een nieuwe
-
-Achttiende trap: Zoogdier-reptielen of Theriosauriërs. Van deze groep
-zijn verschillende fossiele leden bekend.
-
-De Stamzuigers of Promammaliën (boven de zestiende trap) worden thans
-de negentiende trap, zoodat er in het geheel vijf-en-twintig trappen
-(in plaats van twee-en-twintig) worden genoemd.
-
-[388] Lang dacht men, dat zij tegenwoordig geheel tot Nieuw-Holland
-beperkt waren, wat voor Ornithorhynchus ook het geval schijnt te zijn.
-Van Echidna is echter tegenwoordig ook een op Nieuw-Guinea levende
-soort ontdekt.
-
-[389] In de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” 1889,
-worden de Half-Apen of Prosimiën slechts als de voorouders der
-Lemuriden, der ware Apen en van den Mensch beschouwd.
-
-[390] Merkwaardig is het, dat zij daarbij (ibid., blz. 148) de zelfde
-opmerking maakt, die ook Darwin is ingevallen, omtrent het zoogen der
-jongen door het mannetje: „Cependant il prend grand soin de sa
-progéniture: si la mère lui donne la naissance, le mâle contribue avec
-elle á la nourrir, car ses mammelles sont encore lactifères.”
-
-Dr. E. Krause te Berlijn (Carus Sterne) komt in Humboldt, Juni 1888,
-blz. 236, met heftigheid op tegen de onderstelling dat bij de
-zoogdieren ooit de mannetjes de jongen zouden hebben gezoogd. „Met het
-zelfde recht”, zegt hij, „als men uit de tepels van den man besluit,
-dat zijn stamvorm de jongen mede heeft gezoogd, zou men uit zijn
-rudimentaire baarmoeder (de recula prostatica) kunnen besluiten, dat
-vroeger niet de vrouwen, maar de mannen de kinderen ter wereld hebben
-gebracht; want dit orgaan behoort geheel en al tot de zelfde categorie
-van organen die door overerving van de eene sekse op de andere zijn
-overgebracht, als de borstklieren.”
-
-[391] Ik geloof de Nederlandsche lezers van Darwin’s „Afstamming van
-den Mensch” geen ondienst te doen door aan dit Hoofdstuk als bijlage
-toe te voegen de stellingen, door den toenmaligen nestor van Nederlands
-dierkundigen in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Nat. Afd.,
-zitting van 25 Februari 1871, bij gelegenheid, dat hij de eerste
-uitgaaf van mijn bewerking van Ch. Darwin’s „Afstamming van den Mensch”
-aan die Akademie aanbood, voorgedragen, en waarin de toenmalige stand
-van het vraagstuk in korte, duidelijke, algemeene trekken wordt
-weêrgegeven. Zijn Hoog Geleerde was zoo welwillend mij te veroorloven,
-die stellingen in mijne bewerking van Darwin’s boek over te drukken.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[392] Dit moet niet zoo worden verstaan dat de door de
-levensomstandigheden rechtstreeks ontstane veranderingen erfelijk zijn,
-maar dat door de natuur steeds die variaties in den levensstrijd worden
-begunstigd, welke het geschiktst zijn voor de levensomstandigheden.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[393] Deze volzin bevat een denkbeeld, dat geheel in strijd is met
-latere theorieën hieromtrent. Zie mijn opstel over het oorspronkelijk
-vaderland van den mensch, achter Hoofdstuk VII geplaatst.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[394] Wij verwijzen naar aant. 15, blz. 297, waar de verwantschap
-tusschen den mensch en de Ascidiën, in verband met latere denkbeelden,
-uitvoerig wordt besproken. De Ascidiën zijn een gedegenereerde zijtak
-der Chordadieren, maar behooren niet tot de hoofdafstammingslijn der
-Gewervelde Dieren.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[395] Dit is ongetwijfeld waar, wanneer men de geestvermogens in
-rekening brengt. Laat men deze echter buiten rekening, stelt men zich
-op zuiver anatomisch en zoölogisch standpunt, dan schijnt het mij niet
-twijfelachtig, dat b.v. de kloven tusschen de Catarrhinen, de
-eigenlijke Platyrrhinen of Hesperopitheci en de Hapaliden, en vooral
-tusschen de Ware Apen en de Lemuriden of Prosimiae (welke groepen allen
-door geen levende tusschenvormen zijn verbonden) grooter zijn, dan die
-tusschen de hoogste vormen der Catarrhinen en den mensch.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[396] „History of India”, 1841, vol. I, blz. 323. Pater Ripa maakt
-volkomen de zelfde opmerking ten opzichte van de Chineezen.
-
-[397] Een zeer groot aantal metingen van blanken, zwarten en Indianen
-worden medegedeeld in de „Investigations in the Military and
-Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1859,
-blz. 228–358; over de grootte der longen, blz. 471. Zie ook de talrijke
-en belangrijke tabellen, door Dr. Weisbach, van de waarnemingen van Dr.
-Scherzer en Dr. Schwarz in de „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”,
-1867.
-
-[398] Zie, bij voorbeeld, de mededeeling van den heer Marshall over de
-hersenen van een vrouwelijke Bosjesman, in „Phil. Transact.” 1864, blz
-519.
-
-[399] Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 178.
-
-[400] Ten opzichte der beelden in de beroemde Egyptische grotten van
-Aboe Simbel, zegt de heer Pouchet („The Plurality of the Human Races”,
-Eng. vert. 1864, blz. 50), dat hij ver was van herkenbare afbeeldingen
-te vinden van de twaalf of meer volken welke sommige schrijvers beweren
-te kunnen herkennen. Zelfs sommigen van de meest sterk geteekende
-rassen kunnen niet tot thans levende worden teruggebracht met die mate
-van eenstemmigheid, die men zou mogen verwachten na hetgeen over dit
-onderwerp is geschreven. Zoo getuigen de heeren Nott en Gliddon („Types
-of Mankind”, blz. 148), dat Rhamses II, of de Groote, prachtige
-Europeesche gelaatstrekken heeft, terwijl Knox, een ander krachtig
-voorstander van het soortelijk verschil der menschenrassen, („Races of
-Man”, 1850, blz. 201), van den jongen Memnon sprekende (de zelfde
-persoon als Rhamses II, naar de heer Birch mij verzekert), er zeer
-sterk op drukt, dat hij in uiterlijk voorkomen gelijkt op de
-Antwerpsche Joden. Toen wij in het Britsch Museum met twee bevoegde
-rechters, die aan die inrichting waren geplaatst, het standbeeld van
-Amenophis III beschouwden, waren wij het allen daarover eens, dat de
-vorm van zijn gelaat zeer met dien van een neger overeenkwam. De heeren
-Nott en Gliddon (ibid., blz. 146, fig. 53) beschrijven hem echter als:
-„een bastaard, doch zonder inmenging van negerbloed.” (4)
-
-[401] Aangehaald door Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz.
-439, Zij bekrachtigen dit ook met bewijzen; maar C. Vogt meent, dat dit
-punt nog nader onderzoek vereischt.
-
-[402] „Diversity of Origin of the Human Races”, in de „Christian
-Examiner”, Juli 1850.
-
-[403] „Transact. R. Soc. of Edinburg”, vol. XXII, 1861, blz. 567.
-
-[404] „On the Phenomena of Hybridity in the Genus Homo”, Eng. vert.
-1864.
-
-[405] Zie den belangwekkenden brief van den heer T. A. Murray in de
-„Anthropolog. Review”, April, 1868, blz. LIII. In dezen brief wordt de
-juistheid der bewering van Graaf Strzelecki, dat Nieuw-Hollandsche
-vrouwen die kinderen hebben voortgebracht bij blanke mannen, daarna
-onvruchtbaar zijn met haar eigen ras, ontkend. De heer A. de
-Quatrefages heeft („Revue des Cours Scientifiques”, Maart 1869, blz.
-239) ook vele bewijzen verzameld, dat Nieuw-Hollanders en Europeanen
-niet onvruchtbaar zijn, als zij zich met elkander kruisen.
-
-[406] „An Examination of Prof. Agassiz’s Sketch of the Nat. Provinces
-of the Animal World”, Charleston, 1855, blz. 44.
-
-[407] „Military and Anthopolog. Statistics of American Soldiers” door
-B. A. Gould, 1869, blz. 319.
-
-[408] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz.
-371, 224, Deel II, blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de
-onvruchtbaarheid van soorten bij kruising geen afzonderlijk verkregen
-hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid van sommige boomen om op
-elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen afhangt. De
-aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het
-bijzonder op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig
-maaksel of gewone verschillen in gestel betrekking. Eén belangrijk
-element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten ligt blijkbaar
-daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden;
-want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen
-invloed hebben op het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden
-om aan te nemen (zooals vroeger is opgemerkt), dat de afwisselende
-levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen geboren worden tot
-opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de
-kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz.
-185–191, en „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door
-mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten niet is
-verkregen door natuurlijke teeltkeus (9); wij kunnen inzien, dat het,
-wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt, nauwelijks
-mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden
-blijven of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want
-als de onvruchtbaarheid vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder
-nakomelingen worden geboren, die zich kunnen voortplanten, en ten
-laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote tusschenruimten
-worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van
-onvruchtbaarheid. Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij
-geslachten van planten, die talrijke soorten bevatten, een reeks kan
-worden gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden
-voortbrengen, tot soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar
-op welke toch het stuifmeel van de andere soorten nog invloed
-uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk
-onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben
-opgehouden zaden te geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat
-het toppunt van onvruchtbaarheid, waarbij alleen de kiem wordt
-aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen. Dit toppunt, en
-ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige
-gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het
-voortplantingsstelsel der soorten die worden gekruist.
-
-[409] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-75–78.
-
-[410] De heer Quatrefages heeft („Anthropological Review”, Jan. 1869,
-blz. 22) een belangwekkende mededeeling gedaan over het succes en de
-energie van de Paulista’s in Brazilië, die een gekruist ras van
-Indianen en Portugeezen zijn met inmenging van het bloed van andere
-rassen.
-
-[411] Bij voorbeeld bij de inboorlingen van Amerika en Nieuw-Holland.
-Prof Huxley zegt („Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.”,
-1868, blz. 105), dat „de schedels van vele Zuid-Duitschers en Zwitsers
-even kort en breed zijn als die der Tartaren” enz.
-
-[412] Zie een goede beschouwing hierover bij Waitz, „Introduct. to
-Anthropology”, Eng. translat. 1863, blz. 198–208, 227. Ik heb eenige
-der bovenvermelde mededeelingen ontleend aan H. Tuttle’s „Origin and
-Antiquity of Physical Man”, Boston, 1866, blz. 35.
-
-[413] Prof. Nägeli heeft verschillende treffende gevallen zorgvuldig
-beschreven in zijn „Botanische Mittheilungen”, Bd. II, 1866, blz.
-291–369. Prof. Asa Gray heeft overeenkomstige opmerkingen gemaakt
-omtrent sommige tusschenvormen bij de Saâmgesteldbloemige Planten
-(Compositae) van Noord-Amerika.
-
-[414] „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 101.
-
-[415] Zie hierover Prof. Huxley in de „Fortnightly Review”, 1865, blz.
-275.
-
-[416] „Lectures on Man”, Eng. vert. 1863, blz. 468.
-
-[417] „Die Racen des Schweines”, 1860, blz. 46. „Vorstudiën für
-Geschichte, enz. Schweineschädel”, 1864, blz. 104. Ten opzichte van het
-vee, de Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 119.
-
-[418] Tylor’s „Early History of Mankind”, 1865; omtrent het bewijs ten
-opzichte van gebarentaal, zie blz. 54, Lubbock’s „Prehistoric Times”,
-2nd edit. 1869.
-
-[419] „The Primitive Inhabitants of Scandinavia”, Eng. vert.,
-uitgegeven door Sir J. Lubbock, 1868, blz. 104.
-
-[420] Hodder W. Westropp, „On Cromlechs”, enz., „Journal of
-Ethnological Soc.”, aangehaald in „Scientific Opinion”, 2 Juni 1862,
-blz. 3.
-
-[421] „Journal of Researches: Voyage of the „Beagle””, blz. 46.
-
-[422] „Prehistoric Times”, 1869, blz. 574.
-
-[423] Vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1866, blz. 431.
-
-[424] „Transact. Internat. Congress of Prehistoric Arch.”, 1866, blz.
-172–175. Zie ook Broca (vertaling) in „Anthropological Review”, Oct.
-1886, blz. 410.
-
-[425] Dr. Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz.
-82.
-
-[426] Gerland (ibid. blz. 12) geeft feiten tot ondersteuning van deze
-bewering.
-
-[427] Zie opmerkingen hierover in Sir H. Holland’s „Medical Notes and
-Reflections”, 1839, blz. 390.
-
-[428] Ik heb („Journal of Researches, Voyage of the „Beagle””, blz.
-435) een aanmerkelijk aantal gevallen verzameld, die op dit onderwerp
-betrekking hebben. Zie ook Gerland, ibid. blz. 8. Poeppig spreekt van
-den „voor wilden vergiftigen adem der beschaving”.
-
-[429] Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 284.
-
-[430] Bagehot, „Physics and Politics”, „Fortnightly Review”, 1 April,
-1868, blz. 455.
-
-[431] Alle hier gegeven bijzonderheden zijn ontleend aan „The last of
-the Tasmanians” door J. Bonwick, 1870.
-
-[432] Volgens een mededeeling van den gouverneur van Tasmania, Sir W.
-Denison, „Varieties of Vice Regal Life”, 1870, vol. I, blz. 67.
-
-[433] Voor deze gevallen, zie Bonwick’s „Daily Life of the Tasmanians”,
-1870, blz. 90; en de „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 386.
-
-[434] „Observations on the Aboriginal Inhabitants of New-Zealand”
-uitgegeven door de Regeering, 1859.
-
-[435] „New-Zealand”, door Alex. Kennedy, 1873, blz. 47.
-
-[436] „Life of J. C. Patterson”, door C. M. Younge, 1874; zie meer in
-het bijzonder vol. I, blz. 530.
-
-[437] De bovenstaande opgaven zijn hoofdzakelijk ontleend aan de
-werken: Jarves, „History of the Hawaiian Islands”, 1843, blz. 400–407.
-Cheever, „Life in the Sandwich Islands”, 1851, blz. 277. Ruschenberger
-wordt aangehaald door Bonwick, „Last of the Tasmanians”, 1870, blz.
-378. Bishop wordt aangehaald door Sir E. Belcher, „Voyage Round the
-World”, 1843, vol. I, blz. 272. Ik ben de resultaten van de
-volkstelling der verschillende jaren verschuldigd aan de
-vriendelijkheid van den heer Coan, door tusschenkomst van Dr. Youmans
-van New-York; en in de meeste gevallen heb ik de cijfers van Youmans
-vergeleken met die, welke in verschillende der bovengenoemde werken
-werden medegedeeld. Ik sloeg de volkstelling van 1850 over, daar ik
-zag, dat er twee zeer verschillende getallen werden opgegeven.
-
-[438] „The Indian Medical Gazette”, Nov., 1871, blz. 40.
-
-[439] Over de nauwe verwantschap tusschen de Norfolk-eilanders, zie Sir
-W. Denison, „Variaties of Vice-Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 410.
-Voor de Toda’s, zie Kolonel Marshall’s werk, 1873, blz. 110. Voor de
-eilanden bewesten Schotland, Dr. Mitchell, „Edinburgh Medical Journal”,
-Maart tot Juni, 1865.
-
-[440] Voor bewijzen hiervan, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel
-II, blz. 100, 147–166.
-
-[441] „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 162.
-
-[442] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan „The Mutineers of the
-„Bounty””, door Lady Belcher, 1870; en aan „Pitcairn Island”, tot het
-drukken waarvan het House of Commons den 29sten Mei last gaf. De daarop
-volgende opgaven omtrent de Sandwich-eilanden zijn uit de „Honolulu
-Gazette” en van den heer Coan.
-
-[443] „On Anthropology”, Eng. vertaling, „Anthropolog. Review”, Jan.
-1868, blz. 38.
-
-[444] „The Annals of Rural Bengal”, 1868, blz. 134.
-
-[445] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-67–73 (18).
-
-[446] Pallas, „Act. Acad. St. Petersburgh”, 1870, part II, blz. 69. Hij
-werd gevolgd door Rudolphi in zijn „Beiträge zur Anthropologie”, 1812.
-Een uitnemend overzicht der bewijzen wordt gegeven door Godron, „De
-l’Espèce”, 1859, vol. II, blz. 146 enz.
-
-[447] Sir Andrew Smith, aangehaald bij Knox, „Races of Man”, 1850, blz.
-473.
-
-[448] Zie hierover Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct.
-17, 1868, blz. 731.
-
-[449] Livingstone’s „Travels and Researches in S. Africa”, 1857, blz.
-338, 329. D’Orbigny, aangehaald bij Godron, „De l’Espèce”, vol II, blz.
-266.
-
-[450] Zie een verhandeling, voorgedragen in de Royal Soc. in 1813 en in
-zijn „Essays” uitgegeven. Ik heb een overzicht van de beschouwingen van
-Dr. Wells gegeven in de „Historische Schets” (blz. XVI) die bij mijn
-„Ontstaan der Soorten” behoort (zie „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned.
-Uitg., blz. 28). Verschillende voorbeelden van het verband tusschen
-kleur en bijzonderheden van gestel zijn gegeven in mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 389–391.
-
-[451] Zie b.v. Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, blz. 68.
-
-[452] Majoor Tulloch in een verhandeling, voorgedragen voor de
-„Statistical Society”, 20 April 1848, en uitgegeven in het „Athenaeum”,
-1840, blz. 353.
-
-[453] „The Plurality of the Human Races”, Eng. vertaling, 1864, blz.
-60.
-
-[454] Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 205. Waitz,
-„Introduct. to Anthropology”, vertaling vol. I, 1863, blz. 124.
-Livingstone geeft overeenkomstige gevallen in zijn „Travels.”
-
-[455] In de lente van het jaar 1862 kreeg ik verlof van den
-Directeur-Generaal van het Geneeskundig Departement van het Leger, om
-aan de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten die
-voor den dienst in het buitenland waren bestemd, een oningevulde tabel
-te zenden met bijvoeging der volgende opmerking, maar ik kreeg er geen
-terug: „Daar bij onze huisdieren verschillende sterk sprekende
-voorbeelden zijn opgeteekend van een samenhang tusschen de kleur der
-huidaanhangsels en het gestel; en daar het bekend is, dat er een
-beperkte mate van betrekking bestaat tusschen de kleur der
-menschenrassen en het door hen bewoond klimaat, schijnt het volgend
-onderzoek der overweging waardig. Of er namelijk bij Europeanen eenige
-betrekking bestaat tusschen de kleur van het haar en hun vatbaarheid
-voor de ziekten van tropische landen. Indien de Officieren van
-Gezondheid van de verschillende regimenten, als zij in ongezonde
-tropische streken verblijf houden, zoo goed wilden zijn, eerst, als
-maatstaf van vergelijking, te tellen, hoevele manschappen bij de
-militaire macht, waarvan de zieken afkomstig zijn, donker en licht
-gekleurd haar en haar van tusschenbeide liggende of twijfelachtige
-kleur hadden, en indien dan een dergelijke aanteekening werd gehouden
-door de zelfde heeren geneeskundigen van al de manschappen die aan
-moeraskoortsen en gele koorts of aan dissenterie leden, zou het spoedig
-blijken, nadat eenige duizenden gevallen in tabel waren gebracht, of er
-eenig verband bestaat tusschen de kleur van het haar en de
-constitutioneele vatbaarheid voor tropische ziekten. Wellicht zou geen
-dergelijke betrekking worden ontdekt, maar het onderzoek is wel waard
-om te worden ingesteld. In geval het eene of andere positieve resultaat
-werd verkregen, zou zulks eenig praktisch nut kunnen hebben bij het
-uitkiezen van manschappen voor den eenen of anderen bijzonderen dienst.
-Theoretisch zou het resultaat van hoog belang zijn, daar het een der
-oorzaken zou aanwijzen, waardoor een menschenras dat sinds zeer langen
-tijd een ongezond tropisch klimaat bewoonde, donker gekleurd zou kunnen
-zijn geworden, doordat de individu’s met donkere haren of donkere huid
-gedurende een langer opeenvolging van generaties beter zouden zijn
-bewaard gebleven.”
-
-[456] „Anthropological Review”, Jan. 1866, blz. XXI. Dr. Sharpe zegt
-ook ten opzichte van Indië („Man a Special Creation”, 1873, blz. 118),
-dat door sommige officieren is opgemerkt, „dat Europeanen met licht
-haar en blozende aangezichten minder hebben te lijden van ziekten der
-tropische gewesten dan personen met donker haar en bleeke gelaatskleur;
-en zoover ik weet, schijnen er goede gronden voor deze opmerking te
-zijn.” Daarentegen is de heer Heddle, van Sierra Leone, „onder wien
-meer klerken zijn gestorven dan onder eenig ander”, door het klimaat
-der westkust van Afrika (W. Reade, „African Sketch Book”, vol. II, blz.
-522), van een juist tegenovergestelde meening, evenals ook Kapitein
-Burton.
-
-[457] „Man a Special Creation”, 1873, blz. 119.
-
-[458] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 242
-v.v., 389–391.
-
-[459] Zie, bij voorbeeld, Quatrefages („Revue des Cours Scientifiques”,
-10 Oct. 1868, blz. 724) over de gevolgen van een verblijf in Abessinië
-en Arabië en andere dergelijke gevallen. Dr. Rolle („Der Mensch, seine
-Abstammung”, enz. 1865, blz. 99) deelt op autoriteit van Khanikof mede,
-dat het grootste gedeelte der in Georgië gevestigde Duitsche familiën
-in den loop van twee generaties donker haar en donkere oogen hebben
-verkregen. De heer D. Forbes deelt mij mede, dat de Quichua’s der Andes
-zeer in kleur verschillen, al naar de ligging der valleien die zij
-bewonen.
-
-[460] Harlan, „Medical Researches”, blz. 532. Quatrefages („Unité de
-l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 128) heeft vele bewijzen daarvoor
-bijeengezameld.
-
-[461] Zie Prof. Schaaffhausen, Eng. vertaling, in „Anthropological
-Review”, Oct. 1868.
-
-[462] De heer Catlin getuigt („N. American Indians”, 3de edit. 1842,
-vol. I, blz. 49) dat bij den geheelen stam der Mandanen ongeveer één
-van elke tien of twaalf leden van alle leeftijden en beide seksen
-glanzig zilverachtig grijs haar had, hetgeen erfelijk was. Dit haar nu
-was even grof en hard als paardenhaar, terwijl het haar van andere
-kleuren fijn en zacht was.
-
-[463] Over den geur der huid, Godron, „Sur l’Espèce”, tom. II, blz.
-217. Over de poriën der huid, Dr. Wilckens, „Die Aufgaben der
-landwirth. Zootechnik”, 1869, blz. 7.
-
-[464] Deze personen zijn vergezeld van hun kudden, die uit ezels,
-antilopen en steenbokken bestaan; 3000 jaren v. Chr. bestonden dus de
-kudden grootendeels uit diersoorten die thans niet in getemden toestand
-voorkomen of niet meer in kudden worden gehouden, terwijl schapen,
-geiten, runderen, paarden en kameelen ontbraken, dat thans de
-voornaamste tamme dieren uit Egypte zijn.
-
-[465] Ofschoon dit a priori hoogst waarschijnlijk is, daar de
-omstandigheden waaronder het dier leefde, sedert de oudste dynastieën
-wel degelijk geheel dezelfde zijn gebleven! Ieder die Egypte, vooral
-Opper-Egypte, heeft bezocht, in welke laatste streek het bouwland
-slechts een smalle strook vormt tusschen twee woestijnen, die nimmer
-bebouwd zijn geweest, en geheel in het klimaat dier woestijnen deelt,
-zal zulks toegeven.
-
-[466] Men vergelijke S. B. Sketchley, „On the Occurrence of Stone
-Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)”, in
-„Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland”, 1889,
-blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de
-Mortillet eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij
-zouden liever spreken van een pliolithische, miolithische en
-eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen in pliocene of
-eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.
-
-Omtrent de in onze aanteekening 22, blz. 43, vermelde indeeling der
-voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd (in 1836 in de
-wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op
-grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen),
-wenschen wij hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van
-verschillende zijden in twijfel is getrokken, of zelfs ontkend, dat men
-van een bepaalden bronstijd mag spreken, en beweerd, dat de kennis van
-het ijzer ouder was dan die van het brons. Men vergelijke: R. Andree,
-„Die Metalle bei den Naturvölkern”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „Die
-Geschichte des Eisens”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg,
-„Die Anfänge der Bronzecultur”, Berlin, 1885; Dr. A. J. C. Snijders,
-„De oorsprong der menschelijke nijverheid” (Slot), in den „Tijdspiegel”
-van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen dezen en
-den steentijd te plaatsen kopertijd echter ook Prof. R. S. Tjaden
-Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81.
-
-[467] „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 75.
-
-[468] „Archiv für Anthropologie”, 1889, blz. 375.
-
-[469] Omstreeks 1000 n. Chr. vonden de Noormannen aan den Atlantischen
-Oceaan in het tegenwoordige Canada en de noordelijke Vereenigde Staten
-de zoogenaamde „Skraelinger”, naar de beschrijving stellig Eskimo’s. Na
-het terugvinden van Amerika door Columbus vonden de Franschen en
-Engelschen in die zelfde streken Roodhuiden, die dus tusschen 1000 en
-1500 de Eskimo’s daar moeten hebben verdrongen.
-
-Soren Hanssen onderstelt, dat de Eskimo’s over den Stillen Oceaan, de
-stamouders der Roodhuiden over de Behringstraat Amerika zijn
-binnengedrongen. Met deze stellingen kan ik mij, om later te vermelden
-redenen, volstrekt niet vereenigen, vooral met de eerste niet.
-
-[470] „Les Hottentots au Jardin d’Acclimatation”, en „La Stéatopygie
-des Hottentots”, beide in de „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 15 en
-194.
-
-[471] Deze wordt wegens den aard van zijn haar door Haeckel als nauwer
-met de Dravida’s, Nubiërs en zelfs Middellanders verwant beschouwd dan
-met de wolharige Papoea’s, Hottentotten, Kaffers en Negers. Wij zouden
-eer geneigd zijn hem als nauw verwant met deze laatsten, vooral met de
-Papoea’s te beschouwen en achten de geaardheid van het haar alleen niet
-zulk een belangrijk kenmerk als de kleur, schedelvorm, schedelgrootte
-enz te zamen.
-
-[472] In het laatste geval zijn zij wellicht te verklaren als terugslag
-(atavisme) tot het type van een voorvader van het blanke ras, en zijn
-gelijk te stellen met de in Hoofdstuk II van dit werk vermelde
-aapachtige afwijkingen van het spierstelsel. Op het merkwaardige feit
-van de algemeene dolichocephalie der oorspronkelijke Afrikanen en der
-Afrikaansche anthropomorphen, in tegenoverstelling van de
-brachycephalie der Maleiers en Mongolen en der Aziatische
-anthropomorphen is reeds vroeger, aant. 10, blz. 294, gewezen.
-
-[473] Zij komen in grooten getale voor in landen waar nimmer Kelten
-hebben gewoond, en de Fransche zijn zeker ouder dan de Keltische tijd.
-Zie mijn artikel: „Wie waren de stichters der Drenthsche hunebedden?”
-in den „Nieuwen Drenthschen Volksalmanak”, jaargang 1886.
-
-[474] Men vergelijke over de wijze, waarop de hunebedden zijn gebouwd,
-ook het slot van mijn artikel: „Hunebedden in Noordwest-Duitschland” in
-„Nieuwe Drenthsche Volksalmanak”, 1891, blz. 152.
-
-[475] De overste Yole, die in 1844, en de botanist J. Hooker, die in
-1866 deze Khasia’s bezocht, vermelden beiden ook hun megalithische
-monumenten. Het woord men komt menigmaal in den naam hunner dorpen
-voor, evenzeer als dit het geval is in Bretagne, Wales en Cornwallis.
-Mensmaï duidt in het Khasiaansch een eed of zweersteen aan; menflong
-een begraasden steen; memloe een zoutsteen. De Khasia’s bewonen een
-deel der bergstreken die ten oosten van de Brahmapoetra liggen. Zij
-zijn nimmer in gemeenschap met de Hindoe’s geweest en behooren tot de
-vóór-Arische bewoners van Indië. Zij hebben zeer geringe en verwarde
-godsdienstige begrippen en staan op een zeer lagen trap van
-ontwikkeling. Hun uit steen en bamboes samengestelde hutten zijn even
-armoedig als zij zelven zijn.
-
-Witkamp vermeldt in zijn Geschiedenis der XVII Nederlanden deze
-Khasia’s en schat den ouderdom onzer hunebedden op minstens 2500 jaren,
-mogelijk zelfs op 30, 35 of meer eeuwen. Naar mijn gevoelen zijn zij
-echter waarschijnlijk nog veel ouder, hetgeen daarmede samenhangt, dat
-Witkamp het Volk der Dolmen uit Indië naar Europa laat trekken, juist
-omgekeerd als ik.
-
-[476] Schedels van Engis, Neanderthal, Eguisheim, Gibraltar enz. (ras
-van Chelles, oudste steentijd).
-
-[477] Schedel van Florence (oudste steentijd).
-
-[478] Schedels van Eyzies, Cro Magnon, Furfooz enz. (middelste
-steentijd); Borreby enz. (jongste steentijd).
-
-[479] „Die Grosshirn-Windungen des Menschen.” „Abhandlungen der K.
-Bayerischen Akademie”, Bd. X, 1868.
-
-[480] „Convolutions of The Human Cerebrum Topographically Considered”
-1866, blz. 12.
-
-[481] Aanteekeningen meer bijzonder over de overbruggende windingen in
-de, hersenen van den chimpanzee, „Proceedings of the Royal Society of
-Edinburgh”, 1865–66.
-
-[482] Flower, „On the Anatomy of Pithecia Monachus”, „Proceedings of
-the Zoological Society”, 1862.
-
-[483] „Man’s Place in Nature”, blz. 102.
-
-[484] „Transactions of the Zoological Society”, vol. V, 1862.
-
-[485] „Chez tous les singes les plis postérieurs se développent les
-premiers; les plis antérieurs se développent plus tard; aussi la
-vertébre occipitale et la pariétale sont elles relativement très
-grandes chez le foetus. L’Homme présente une exception remarquable
-quant à l’époque de l’apparition des plis frontaux, qui sont les
-premiers indiqués; mais le développement général du lobe frontal,
-envisagé seulement par rapport à son volume, suit les mêmes lois que
-dans les singes.” Gratiolet, „Mémoire sur les plis cérébraux de l’Homme
-et des Primates”, blz. 39, Tab. IV, fig. 3.
-
-[486] Gratiolet’s woorden zijn (l.c. blz. 39): „Dans le foetus dont il
-s’agit les plis cérébraux postérieurs sont bien développés, tandis que
-les plis du lobe frontal sont à peine indiqués.” De plaat (Pl. IV, fig.
-3) vertoont echter de groef van Rolando en een der voorhoofdsgroeven
-duidelijk genoeg. Desniettemin schrijft de heer Alix, in zijn „Notice
-sur les travaux anthropologiques de Gratiolet” („Mém. de la Société
-d’Antropologie de Paris”, 1868, blz. 32), als volgt: „Gratiolet a eu
-entre les mains le cerveau d’un foetus de Gibbon, singe éminemment
-supérieur et tellement rapproché de l’orang, que des naturalistes très
-compétents l’ont rangé parmi les anthropoïdes. M. Huxley, par exemple,
-n’hésite pas sur ce point. Eh bien, c’est sur le cerveau d’un foetus de
-Gibbon que Gratiolet a vu les circonvolutions du lobe
-temporo-sphenoïdal déjà développées, lorsqu’il n’existe pas encore des
-plis sur le lobe frontal. Il était donc bien autorisé à dire, que chez
-l’homme les circonvolutions apparaissent d’ α en ω, tandis que chez les
-singes elles se développent d’ ω en α.”
-
-[487] „Ueber die typische Anordnung der Furchen und Windungen auf den
-Grosshirnhemisphären des Menschen und der Affen.” „Archiv. für
-Anthropologie”, III, 1868.
-
-[488] „Zur Entwicklungsgeschichte der Furchen und Windungen der
-Grosshirn-Hemisphären im Foetus des Menschen.” „Archiv. für
-Anthropologie”, III, 1868.
-
-[489] Later verscheen daarover nog een werk van Ad. Pansch, Berlijn
-1879.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[490] Sulcus centralis. Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[491] Fissura temporalis superior. Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[492] Bij voorbeeld de abt Lecomte in zijn vreeselijk pamflet „le
-Darwinisme et l’Origine de l’Homme,” 1873.
-
-[493] Vrij bewerkt naar een opstel van den markies G. de Saporta, „Un
-Essai de Synthèse Paléoethnique”, voorkomende in de „Revue des deux
-Mondes” van 1 Mei 1883. Deze belangrijke studie werpt een geheel nieuw
-en verrassend licht op het oorspronkelijk vaderland van den mensch en
-de verspreiding der menschenrassen, om welke reden wij een vrije
-bewerking met menigvuldige uitbreidingen daarvan als aanhangsel aan het
-eerste gedeelte van Darwin’s „Afstamming v. d. Mensch” toevoegen.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[494] In het jaar 450 v. Chr. vertoonde de Egyptische priester aan
-Herodotus aan de buitenzijde van den grooten tempel te Thebe de 345
-houten beelden der voormalige opperpriesters, welke gedurende even
-zoovele menschenleeftijden van vader op zoon te Thebe hadden geheerscht
-(Herod. II, 143). Stellen wij een menschenleeftijd op 30 jaar, dan
-geeft dit reeds meer dan 10000 jaren.
-
-[495] „La préhistorique antiquité de l’homme”, par M. Gabriel de
-Mortillet; „Musée préhistorique” par M.M. Gabriel et Adrien de
-Mortillet; Paris 1883 et 1881.
-
-[496] Andere berekeningen klimmen tot 11000 jaar! Er liggen te
-Robenhausen drie paaldorpen boven elkander in het veen bedolven!
-
-[497] Deze berekening geeft waarschijnlijk een te hooge uitkomst, daar
-nieuwere waarnemingen hebben bewezen, dat druipsteen zich veel sneller
-kan vormen dan men vroeger aannam en niets ons waarborgt, dat die
-druipsteen zich steeds met eenparige snelheid heeft verdikt (zie „Alb.
-d. Nat.”, 1888. Wet. Bijblad, blz. 31). Ging de druipsteenvorming
-echter vóór den Romeinschen tijd tienmaal sneller dan daarna, wat
-onwaarschijnlijk is, dan komen wij nog tot een minimum van
-vijf-en-twintigduizend jaar.
-
-[498] Als men de nieuwere theorie van O. Torell aanneemt, waren die
-veranderingen in Noord- en Centraal-Europa echter veel minder groot dan
-men vroeger meende, wat natuurlijk ook op den berekenden tijd invloed
-moet oefenen. Vergelijk mijn stuk „Het diluvium der
-Nederlandsch-Noordduitsche vlakte” in „Isis”, 1881, blz. 97.
-
-[499] Tot veel matiger berekening (ofschoon altijd nog ver over de
-vroeger door de theologen op grond van den bijbel aangenomen oudheid
-van het menschdom) leidt de theorie van den bekenden sterrekundige R.
-Falb, volgens welke geregeld perioden van grootere koude en grootere
-warmte, elk van 10500 jaren elkander zouden afwisselen (R. Falb, „Das
-Wetter und der Mond”, Wien 1887). In vroegere geologische tijdvakken
-dan het diluvium, tijdvakken, waarin èn de zon èn de aarde warmer waren
-dan tegenwoordig, behoeven de maxima van koude zich niet gekenmerkt te
-hebben door vorst en gletschers, maar toch waren zij kouder dan de
-minima. De voorlaatste ijsperiode kenmerkte zich daarentegen door
-buitengewoon sterke uitbreiding der gletschers. Zij valt in het
-zoogenaamde diluvium.
-
-Deze theorie geeft voor de maxima en minima van koude (alleen de
-laatste en eerstvolgende duizendtallen van jaren in aanmerking nemende)
-de volgende jaren.
-
- Minimum 19850 jaren v. Chr.
- Maximum 14600 jaren v. Chr. (voorlaatste ijstijd, groote ijstijd).
- Minimum 9350 jaren v. Chr. (interglaciaire periode).
- Maximum 4100 jaren v. Chr. (laatste ijstijd).
- Minimum 1150 jaren na Chr. (midden der tegenwoordige
- interglaciaire periode).
- Maximum 6400 jaren na Chr. (eerstvolgende ijstijd.)
-
-Nemen wij dus aan (gelijk nader zal worden uiteengezet) dat de
-poolgewesten de bakermat van het menschdom zijn geweest en het daaruit
-door het kouder worden van het klimaat naar het Zuiden is verhuisd, dan
-zou, als Falb’s theorie juist was, die verhuizing tusschen 19850 en
-14600 jaren v. Chr. begonnen zijn. In 14600 was dan zelfs Scandinavië
-voor den mensch onbewoonbaar en begint in Centraal- en Zuid-Europa de
-palaeolithische periode. Het rendiertijdperk in Europa kunnen wij dan
-omstreeks 9350 j. v. Chr. plaatsen. Omstreeks 4100 v. Chr. begint in
-Europa de neolithische periode of het tijdperk van den geslepen steen
-(dit komt dus vrij goed uit met den op geheel andere gronden berekenden
-ouderdom van het paaldorp te Robenhausen, zie blz. 401). In dien tijd
-zullen door de groote atmosferische neêrslagen vele tegenwoordige
-woestijnen in Azië en Afrika vruchtbaar zijn geweest; in
-Centraal-Europa was toen om de zelfde reden groote uitbreiding der
-gletschers en groote waterrijkdom der rivieren. Dat het in Europa in
-den Romeinschen tijd niet zoo warm was als in de 12e eeuw, maar dat
-daarentegen na de 13de eeuw het klimaat van Europa voortdurend kouder
-is geworden, wordt door vele oude berichten aangetoond (vergelijk Prof.
-v. Hall, in „Alb. d. Natuur”, 1861, blz. 27), en dat ook in de laatste
-tientallen jaren de daling der gemiddelde jaarlijksche temperatuur zeer
-merkbaar voortgaat, is een feit, waarop nog onlangs door C. Flammarion
-is gewezen, alles geheel in overeenstemming met Falb’s minimum, 1150 na
-Chr.
-
-[500] Van Diemens Land moet worden beschouwd als de zuidpunt van
-Nieuw-Holland.
-
-[501] Ofschoon de Azteken nog slechts kort beschaafd waren, waren zij
-door andere volken voorafgegaan, wier beschaving zij overnamen. Men kan
-de oudheid der Mexicaansche beschaving vóór Cortez’ tijd, van haar
-eerste begin af, gerust op een paar duizend jaar stellen.
-
-[502] A. H. Sayce, een der hoogste autoriteiten in Europa op dit
-gebied, zegt („Nature” en daaruit vertaald in „Isis”, 1876, blz. 84),
-dat de Babyloniërs tusschen 4000 en 3000 jaren vóór het begin onzer
-jaartelling Mesopotamië binnentrokken en daarna veroverden, maar er
-reeds een beschaafd volk (de zoogenaamde Akkadiërs) gevestigd vonden.
-De stellig historische tijd van China begint met de dynastie Hia (van
-2207–1767 v. Chr.), hun half-mythische tijd met den keizer Fo-hi, die
-tusschen 3468–2952 v. Chr. zou hebben geregeerd, of volgens Prof. G.
-Schlegel te Leiden 2852 v. Chr. Deze noemt („Uranographie Chinoise”,
-Leiden, Brill, 1875, blz. 754) nog vijf oudere keizers op. Volgens
-dezen laatste is de Chineesche beschaving echter nog veel ouder, en
-zouden de Chineezen vóór ongeveer 19000 jaren de sterrenbeelden hebben
-uitgevonden (ib. blz. 704) en toen ongeveer even beschaafd zijn geweest
-als de tegenwoordige wilde bewoners der Zuidzee-eilanden, van de
-binnenlanden van Afrika, Sumatra en Borneo, en onder keizer Yao (2357
-v. Chr.) even beschaafd als de Egyptenaars van dien tijd (ib. blz. 749
-en 773).
-
-[503] Ook Voor-Indië in het Noorden waarvan zich reeds zeer vroeg een
-zelfstandig middelpunt van beschaving vormde, verdient hier te worden
-genoemd. In Amerika vinden wij nabij den Steenbokskeerkring Peru als
-een tweede middelpunt van beschaving. Wèl lag dit dichter bij de linie,
-maar wegens de grootere hoogte boven den zeespiegel in dergelijk
-klimaat als Mexico. Het uitgangspunt der Peruaansche beschaving lag
-waarschijnlijk aan het meer Titicaca op 16° Z.B. De Peruaansche
-beschaving, die ook op dergelijke wijze onderging als de Mexicaansche,
-schijnt van deze laatste geheel onafhankelijk te zijn ontstaan. Beide
-volken kenden elkander in de vijftiende eeuw niet. Toch vertoonen hun
-oudheden onmiskenbare sporen van gelijkenis. In Zuid-Afrika ontdekte
-Karl Mauch in 1871 de grootsche ruïnen van Zimbalye. Er moeten zich in
-die streek nog verscheidene andere bouwvallen bevinden. Hun oorsprong
-ligt geheel in het duister. Geheel ten onrechte heeft men ze met
-Salomo’s Ophir in verband gebracht. Uit Ophir kwamen zoowel apen als
-pauwen, en Indië is het eenige land, waar deze beide diervormen naast
-elkander voorkomen. (2) De ruïnen van Zimbalye liggen op den 20sten
-graad Zuiderbreedte, 32 graden Oosterlengte van Greenwich, ongeveer 50
-mijlen ten Westen van Sofala, niet ver van de rivier Sabia, die de
-wateren van het Matoppogebergte naar Sofala afvoert. Hier staat op een
-400 voet hoogen granietklomp nog een geweldig groot stuk ruïne, dat
-deels uit de rotsen gehouwen, deels met muren opgebouwd is. Het is met
-zigzagvormige voorwerken omgeven, die het als vesting kenmerken. Dicht
-daarbij ziet men op eene gneisplaat nog eene „rondeau”, dat door
-voorwerken met de vesting verbonden is. In het midden staat een ronde
-toren, die door een dubbelen muur omsloten wordt. In puin gevallen
-vertrekken en gangen laten den vroegeren vorm nog raden. Mauch vernam
-van een ouden priester, dat de toren „het huis van de koningin” heette.
-Iedere drie of vier jaar gaat het volk daar naar toe om te offeren.
-Door den Portugees de Barros (zestiende eeuw) wordt medegedeeld, dat
-hier een gedeelte van den hofstaat van den koning van Monomotapa heeft
-gewoond. De ruïnen van Zimbalye zijn echter ongetwijfeld veel ouder dan
-den tijd der Arabieren en Portugeezen, en schijnen te bewijzen, dat
-eens ook in Afrika onder den Steenbokskeerkring een zelfstandig, geheel
-ondergegaan middelpunt van beschaving lag. Ruïnen in de
-Kalahari-woestijn, waarvan wij voor eenige jaren een afbeelding in het
-Fransche Tijdschrift „Le Tour du Monde” zagen, bevestigen dit gevoelen.
-Zoo ook een soort van schriftteekens (zie de afbeelding bij J. C.
-Voigt, „Een belangrijke ontdekking” in „Eigen Haard” 1890, No. 1, blz.
-15), die men in een voorhistorische mijnschacht in Transvaal heeft
-gevonden. Met Egyptische hiëroglyphen hebben deze niets te maken; wèl
-zijn er teekens bij, die aan onze letters X, Y en O en aan de Grieksche
-letter π herinneren, maar dit zal wel een louter toeval zijn. Men vindt
-in het aangehaalde stuk nog verschillende bijzonderheden omtrent de
-ruïnen van Zimbalye en een bezoek daaraan in den zomer van 1889 door
-zekeren Posselt uit Transvaal gebracht. Deze middelpunten van
-beschaving op het Zuidelijk Halfrond zijn echter zonder invloed op de
-ontwikkeling van het menschdom als geheel gebleven.
-
-[504] Markies de Nadaillac bespreekt deze quaestie uitvoerig in zijn
-„Amérique préhistorique”, Paris 1883. Hoever echter enkele wilde
-stammen zich ook over uitgestrekte zeeën hebben verplaatst, bewijzen de
-landverhuizingen der Polynesiërs, die legenden daaromtrent hebben
-bewaard, welke men kan vinden in Waitz, „Anthropologie der
-Naturvölker.” Zij kwamen uit den Maleischen Archipel (waarheên zij
-oorspronkelijk waarschijnlijk uit Achter-Indië verhuisd waren) naar den
-Samoa-archipel en verspreidden zich van dezen uit over de
-Sandwich-eilanden, Tahiti en Nieuw-Zeeland.
-
-[505] Zie Otto Kuntze, „De oudheid van Amerika’s oorspronkelijke
-bevolking bewezen door haar cultuurplanten” in „Isis”, 1878, blz. 331.
-
-[506] De Bosjesmannen zijn eenerzijds verwant met de dwergstammen, die
-men als overblijfselen van de oudste bevolking van Centraal-Afrika kan
-beschouwen, anderzijds met de Hottentotten. De Hottentotten naderen,
-vooral door den aard van hun haar (vergelijk aanteekening 2, blz. 370),
-tot de Papoea’s, waartoe ook de Tasmaniërs behooren. Dat ook in
-Zuid-Amerika eens een met de Papoea’s verwant volk leefde, heeft het
-nader onderzoek der schedels van Lagoa-Santa bewezen (vergelijk
-aanteekening 5, blz. 374). Deze met de Papoea’s en Hottentotten
-verwante menschen zijn in Zuid-Amerika door de Roodhuiden verdrongen,
-wier laagst ontwikkelde stammen (de Vuurlanders) thans het uiterste
-Zuiden van dat werelddeel bewonen. Alles wijst er dus op dat een zelfde
-ras van menschen met wolachtig, in bosjes groeiend kroeshaar, de eerste
-bevolking was, die zich van uit de bakermat van het menschdom over de
-verschillende vastelanden verspreidde. Wellicht was dit het
-uitgestorven ras van Cannstatt, dat ook in Amerika schijnt te zijn
-doorgedrongen. De tweede bevolking waren in de Oude Wereld
-donkergekleurde menschen, gedeeltelijk met wolachtig, gelijkmatig over
-de schedelhuid verspreid kroeshaar (gelijk de Kaffers en Negers),
-gedeeltelijk sluikharig gelijk de Nieuw-Hollanders, en ook tot deze kan
-het ras van Cannstatt hebben behoord, dat wellicht ook de stam zoowel
-van deze rassen als van het eerstgenoemde, met de Papoea’s en
-Hottentotten verwante ras was. Daarop volgen in de Oude Wereld de
-Dravida’s en Nubiërs (in de beteekenis die Haeckel (zie blz. 379) aan
-die woorden geeft; ook den naam Nieuw-Hollanders gebruiken wij hier om
-een bepaald ras aan te duiden, en geenszins in den zin van inboorlingen
-van Nieuw-Holland, schoon deze tot dat ras behooren), en de Maleiers.
-Op deze laatsten volgen weldra de Mongolen, die zich van uit het
-Noorden van Azië Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts (ook over een
-groot deel van Europa) verspreiden (de Dravida’s worden teruggedrongen
-naar Voor-Indië, de Maleiers naar Malakka en den Maleischen archipel en
-waarschijnlijk ook over Formosa naar de Philippijnsche eilanden) en in
-Amerika de Roodhuiden en Eskimo’s. De Roodhuiden der Vereenigde Staten
-bezitten overleveringen die wijzen op een herkomst uit een koud land,
-waar veel ijs en sneeuw voorkwamen. (Zie „Historical and Statistical
-Information, respecting the history, conditions and prospects of the
-Indian Tribes of the United States, collected and prepared under the
-direction of the bureau of Indian Affairs, by H. R. Schoolcraft,
-published by authority of the Congress”, Philadelphia 1851.) Ook de
-Azteken waren volgens hun historische overleveringen uit noordelijker
-streken naar Mexico verhuisd, streken waar het sterk sneeuwde en de
-zomer slechts zes weken duurde! Eindelijk komt in de Oude Wereld het
-blanke ras, dat zich het eerst in het Noorden van Europa vertoonde, en
-over geheel Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië uitspreidt, de
-Mongolen worden teruggedrongen naar Centraal- en Oost Azië, de
-Dravida’s naar het Zuiden van Voor-Indië, de Nubiërs naar Nubië en
-Soedan. Elk der achtereenvolgende golven van landverhuizing dringt de
-vroegere naar het Zuiden terug of roeit ze geheel of grootendeels uit
-of absorbeert ze, en elke opeenvolgende golf bestaat gewoonlijk uit een
-lichter gekleurd en meer ontwikkelbaar ras. Al deze golvingen hadden
-plaats van het Noorden naar het Zuiden. Vermenging op groote schaal en
-wijziging gedurende de verhuizingen zelve, ten gevolge der veranderde
-levensvoorwaarden, konden daarbij natuurlijk niet uitblijven.
-
-[507] Zie blz. 40.
-
-[508] Vergelijk „Traité de géologie” par A. de Lapparent, Paris 1883,
-blz. 1245–1248; Voorts: Lowthian Green, „Vestiges of the molten Globe”,
-London, 1875.
-
-[509] Tegen het midden van het Secundaire Tijdvak zijn waarschijnlijk
-de boomen met afvallend loof in de Noordpoolstreken ontstaan (tegen het
-einde van dat Tijdvak vindt men hun overblijfselen in de gematigde
-luchtstreek). Het afvallen van het loof is voornamelijk een adaptatie
-aan den maandenlangen nacht der poolstreken, en niet (of ten minste in
-veel mindere mate) aan den winter, daar ook ’s winters het bladgroen in
-het zonlicht zijn functies kan uitoefenen.
-
-[510] Evenzoo zagen wij in aant. 15, blz. 385, dat het Volk der Dolmen
-zich waarschijnlijk in Europa van het Noorden naar het Zuiden, en van
-Europa via Noord-Afrika naar Indië heeft verplaatst. Ook de Ariërs zijn
-volgens de jongste onderzoekingen een volk dat oorspronkelijk in
-Noord-Europa woonde (zie „Kosmos” 1884, Bd. II, Heft 1, blz. 65 en
-Prof. S. A. Naber in de Gids van Juli 1884, „Penka, die Herkunft der
-Ariër”, Wien 1887), en dus van daar naar Midden- en Zuid-Europa, en
-Perzië en Indië (en niet omgekeerd) is getrokken. De Oude Perzen hadden
-overleveringen, dat zij kwamen uit een land, waaruit zij door het
-strenger worden van den winter verjaagd waren en waar de winter tien en
-de zomer slechts twee maanden duurde. Dat oorspronkelijk vaderland der
-Mongoolsche volken in Noord-Azië te zoeken is, is bekend. De oude
-Egyptenaars waren volgens Mariette over de landengte van Suez naar
-Egypte getrokken en kwamen dus ook uit noordelijker streken. Zeer
-merkwaardig is het, dat ook in latere en zelfs in historische tijden
-verreweg de meeste veroveringen die blijvende ethnologische
-veranderingen hebben ten gevolge gehad, zich van het Noorden naar het
-Zuiden bewogen. Zoo hebben de Belgische Kelten, van uit het Noorden
-komende, de Kymrische Kelten tot over de Seine, en de Germanen, uit het
-Noorden komende, de Belgische Kelten over den Rijn teruggedrongen, de
-Kymrische Kelten verdrongen in Spanje de zuidelijker wonende Iberiërs,
-de Romeinen overwonnen zuidelijker wonende Carthagers en koloniseerden
-Noordwest-Afrika, de Germanen (Gothen, Franken enz.) drongen bij de
-volksverhuizing van uit het Noorden het Romeinsche rijk binnen en
-verdrongen zuidelijker wonende Romaansche volken, de Turken kwamen uit
-Noord-Azië, toen zij hun eerste invallen in Centraal-Azië en later in
-het nog zuidelijker Klein-Azië, Balkan-schiereiland, Egypte en
-Noord-Afrika deden. Van uit het noordelijker gelegen Malakka drongen de
-Maleiers den Indischen Archipel binnen en drongen de oorspronkelijke
-zwarte, met de Nieuw-Hollanders verwante bevolking terug. In het
-jaarverslag van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia
-over 1890, door den voorzitter Dr. Van der Stok uitgebracht, leest men
-o.a. omtrent de op regeeringskosten gedane opgravingen van Dr. E.
-Dubois in Kediri op Java, dat in de grotten van de afdeeling Ngrowo
-deelen van menschengeraamten werden gevonden, die, evenals een vroeger
-aan genoemde vereeniging toegezonden schedel, de kenmerken vertoonen
-van het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras. Blijkbaar hebben dus op
-Java de Maleiers de Nieuw-Hollanders verdrongen, evenals deze
-waarschijnlijk vroeger zelve de voorouders der Papoea’s Westwaarts van
-uit den Maleischen Archipel naar Nieuw-Guinea en omliggende eilanden en
-van uit Nieuw-Holland naar Van Diemen’s Land drongen. De
-Moorsch-Arabische bewoners van Noord-Afrika breiden zich allengs over
-Centraal-Afrika uit, Spaansch-Amerika ligt zuidelijker dan Spanje, de
-Vereenigde Staten en de meest bevolkte gedeelten van Canada zuidelijker
-dan Engeland of Frankrijk, Nieuw-Holland, Nieuw-Zeeland, de Kaaplanden,
-Suriname enz. zuidelijker dan Engeland of Nederland, enz. enz. Van
-volks- of landverhuizingen van het Zuiden naar het Noorden met blijvend
-gevolg zal men daarentegen in de geheele geschiedenis nauwelijks een
-enkel voorbeeld kunnen aanwijzen. De Noorsche kolonisatie van Groenland
-ging te gronde en de tegenwoordige bezittingen der Denen aldaar worden
-door Eskimo’s, niet door een Deensche bevolking (uitgezonderd de
-ambtenaren), bewoond. De Moorsche verovering van Spanje, die hier nog
-het best zou kunnen worden aangehaald, eindigde daarmede dat de Mooren
-eindelijk toch weêr naar het Zuiden en ten slotte naar Afrika werden
-teruggedrongen. De geheele geschiedenis is „im Ganzen und Groszen”
-beschouwd, een terugdringen en overstroomen van zuidelijke volken door
-oorspronkelijk meer noordelijk wonende.
-
-[511] Van hier af tot aan II is grootendeels niet ontleend aan den
-Markies de Saporta, maar (gelijk ook veel van het voorgaande) bijna
-geheel door mij geschreven.
-
-[512] A. Gaudry, „Les enchaînements du monde animal”, Paris, 1878.
-
-[513] Lartet maakte uit het in 1856 gevonden onderkaaksfragment op, dat
-deze aap minder vooruitspringend aangezicht dan andere apen zou hebben
-gehad, dat hij door de afgeronde knobbels der kiezen op de
-Nieuw-Hollanders zou hebben geleken, en dat de „kies van verstand” bij
-hem evenals bij den mensch na den hoektand zou zijn verschenen, zoodat
-hij in al die opzichten nader bij den mensch zou hebben gestaan dan een
-der thans levende anthropomorphen. Uit een tweede, later ter zelfder
-plaatse gevonden onderkaak van een ander individu van Dryopithecus
-leidt Gaudry thans echter af, dat deze den laagsten trap onder de
-anthropomorphen bekleedde en dus ongetwijfeld niet de bewerker der
-bedoelde steenen is geweest.
-
-[514] De fjorden en nauwe straten, die thans de pooleilanden onderling
-en van de vastelanden scheiden, zijn waarschijnlijk allen sedert het
-begin van het Quaternaire Tijdvak door ijswerking ontstaan. De
-Barendszee tusschen Noorwegen, Spitsbergen, Nova-Zembla en
-Frans-Josephsland was ongetwijfeld in een geologisch kort geleden tijd
-vast land, dat zich, wie weet hoever, naar het Noorden uitstrekte. Er
-bestond dus oudtijds in de Noordpoolstreken nog veel meer land dan
-tegenwoordig, en de Oude en de Nieuwe Wereld maakten destijds, over de
-Pool heên, een nagenoeg onafgebroken geheel uit. Als men een
-wereldkaart beschouwt, zoo geteekend, dat de Noordpool het middelpunt
-daarvan vormt, en zich de Poolzee voorstelt als nagenoeg geheel door
-land ingenomen, zal men zien, dat Azië, Europa en Noord-Amerika een
-nagenoeg samenhangenden driehoek vormen, waarvan Malakka, Arabië en
-Mexico de hoeken vormen en dat b.v. de Oostkust van Noord-Amerika (van
-Noord naar Zuid) in het verlengde valt van de Westkust van de Roode Zee
-(van Zuid naar Noord)! Men vergelijke het wereldkaartje, blz. 294.
-
-[515] Reeds vroeger kunnen ook overbevolking en oorlogen tusschen
-stammen tot verhuizingen aanleiding hebben gegeven. In 1886 is door de
-Quatrefages in de zitting der Parijsche Académie des Sciences van 6
-October en in een zitting van het Parijsche Aardrijkskundig Genootschap
-in December 1887 een dergelijk gevoelen uitgesproken. Hij houdt het
-uiterste Noord-Oosten van Azië voor de wieg van het menschdom in het
-tertiaire tijdvak en laat den mensch door de koude gedwongen naar
-lagere breedten trekken. Het laatstgenoemd denkbeeld was door hem ook
-reeds in 1877 in zijn boek „l’Espèce humaine” uitgesproken.
-
-[516] Vandaar zouden palaeontologische nasporingen op het Zuidpoolland,
-zoo zij mogelijk waren, buitengewoon belangrijke resultaten beloven!
-Zoolang de equator te warm was om organisch leven toe te laten, maar de
-polen daartoe genoeg waren afgekoeld, waren de dieren en planten van
-het Noordelijk en Zuidelijk halfrond elkander even vreemd alsof zij
-verschillende planeten bewoonden.
-
-[517] Onder de lava van een der uitgebrande vulkanen van Auvergne.
-
-[518] Quatrefages houdt het er voor dat dit ras tot het Tertiaire
-Tijdvak opklimt („Nature”, 1887, blz. 23). Prof. Fraipont („Bull. de
-l’Acad. royale de Belgique”), aangehaald door A. H. Keane („Nature”,
-1887, blz. 565), brengt het daarentegen tot de zoogenaamde Moustier
-periode (zie onder, blz. 426) en voor jonger dan de „période
-Chelléenne” (zie onder, blz. 423), en dus ook dan het nog oudere
-tertiaire tijdvak. De mensch van „la période Chelléenne” en van het
-Tertiaire Tijdvak zou dus nog dierlijker ontwikkeld zijn geweest dan
-het ras van Cannstatt.
-
-[519] Zij zouden dit hebben gedaan door hem in het vuur te laten
-springen en de voor het doel geschikte splinters uit te zoeken, en niet
-door er stukjes af te slaan, gelijk de quaternaire menschen.
-
-[520] Volgens professor J. Kollmann te Bazel (vergelijk: „Het Varieeren
-der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 82) zou ook het blonde
-menschen-type Europa van uit het Noorden zijn binnengetrokken, wat
-geheel in overeenstemming met onze hypothese is. Het moet dus uit het
-centrale Noordpoolgebied of uit het uiterste Noordoosten van Azië over
-het centrale Noordpoolgebied naar Europa zijn gekomen. Het brunette
-type zou daarentegen uit het Zuiden, dus uit Noord-Afrika Europa zijn
-binnengedrongen, hetgeen als een soort terugvloeiing naar het Noorden
-zou kunnen worden beschouwd door den drang van uit het Noord-Oosten van
-uit Azië Afrika binnenstroomende stammen. In dit geval zou men zelfs
-kunnen onderstellen, dat het brunette type, na in het Zuiden brunet
-geworden te zijn, door nieuwe verhuizingen uit Azië naar zijn vroegere,
-meer noordelijke woonplaats in Europa werd teruggedrongen.
-
-[521] Dit is slechts schijnbaar in strijd met de in noot 1, blz. 410,
-gegeven schets van de waarschijnlijke wijze van verspreiding der
-menschenrassen (die wij daar volgens het systeem van Haeckel noemden).
-Al stond ’t ras van Cannstatt beneden de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders
-en Tasmaniërs, zoo kunnen deze toch voor de minst veranderde
-afstammelingen daarvan gelden. En al staan de hoogere menschenrassen
-nog meer boven het ras van Cannstatt, zoo zullen toch de
-oorspronkelijke stamvormen dier rassen niet zoo hoog hebben gestaan en
-onderling meer gelijkvormig zijn geweest dan de tegenwoordige rassen.
-Het leidt geen twijfel of alle tegenwoordige rassen stammen
-oorspronkelijk van een enkel ras af, dat lager stond dan zij allen, en
-dit kan zeer goed het ras van Cannstatt zijn geweest. In elk geval
-bedoelt de noot 1, blz. 410, alleen een schematisch overzicht te geven
-van de wijze waarop de tegenwoordige hoofdrassen elkander zijn
-opgevolgd en elkander zuidwaarts hebben teruggedrongen, en geenszins,
-dat de voorouders dier rassen, toen zij hun verhuizingen begonnen,
-reeds geheel de tegenwoordige kenmerken dier rassen bezaten en zich
-niet, door zich naar nieuwe levensvoorwaarden te voegen, in nieuwe
-locale rassen hebben gesplitst. In een beschouwing, gelijk in deze
-verhandeling wordt gegeven, moet noodzakelijk op het tegenwoordig
-standpunt onzer kennis, veel onbestemds blijven!
-
-[522] Département Saône et Loire.
-
-[523] Arrondissement Sarlat (Dordogne).
-
-[524] In de pyramidengraven van Sakara in Egypte vond men een
-afbeelding van een vrouw die sterke steatopygie vertoont (zie blz.
-378). Ofschoon Dr. H. Ploss („Das Weib”, 3e Auft., Leipzig, 1891), die
-er een houtsneê naar geeft, het verklaarde voor een Arabische vorstin
-van Aethiopisch ras uit de 18de eeuw voor Chr., houden wij het er voor,
-daar steatopygie in onzen tijd alleen bij de Hottentotten en hun naaste
-verwanten in Zuid-Afrika voorkomt, dat deze afbeelding bewijst, dat òf
-laatstgenoemde volken zich in de 18de eeuw v. Chr. veel noordelijker
-uitstrekten dan thans, òf dat de Egyptenaars destijds eenigszins met
-het uiterste Zuiden van Afrika bekend waren. De gelaatsvorm der
-afbeelding is volstrekt niet Arabisch, noch Egyptisch, maar bevestigt
-veeleer laatstgenoemde onderstelling.
-
-[525] Men zie het wereldkaartje, blz. 294, waarop het land geel, de
-deelen van den Oceaan, die minder dan 1000 vademen diep zijn, wit, en
-de meer dan 1000 vademen diepe gedeelten van den Oceaan blauw zijn
-geteekend.
-
-[526] Madagascar bewaart ons nog een voorbeeld van de fauna van Afrika,
-voordat daar de groote dikhuidige, herkauwende en verscheurende dieren
-en de ware apen waren, die waarschijnlijk uit het Europeesch-Aziatisch
-vasteland kwamen. Het Atlasgebergte hing toen met Europa samen, en de
-Sahara, Egypte en Tripoli waren door de zee bedekt. Dat in een tijd
-toen in Europa-Azië al de genoemde diervormen reeds voorkwamen (zij het
-in andere soorten dan de tegenwoordige), in Afrika (met uitzondering
-der natuurhistorisch tot Europa behoorende Atlaslanden) nog slechts
-Lemuriden voorkwamen, maakt het uiterst onwaarschijnlijk, dat Afrika
-het oorspronkelijk vaderland van den mensch zou zijn.
-
-De uitgestorven reuzenvogels van Nieuw-Zeeland wijzen op een vroegeren
-samenhang, ook van die eilandengroep met een groot vasteland.
-
-[527] Of uit Zuid-Amerika over het Zuidpoolland in Nieuw-Holland en
-Azië en vice-versa.
-
-[528] De Noordelijke IJszee is zoover bekend, allerwege ondiep, en er
-is geen reden om aan te nemen, dat die naar de pool toe dieper wordt
-(wel om aan te nemen dat daar nog onbekend land ligt). Wij hebben het
-geheele centrale Noordpoolgebied daarom op het kaartje wit geteekend.
-
-[529] Berekening bevestigt dit.
-
-De Atlant. Oceaan is groot 1,610 millioen □ geographische mijlen.
-De Ind. Oceaan ,, ,, 1,340 ,, ,, ,, ,,
-Afrika ,, ,, 0,545 ,, ,, ,, ,,
- =====
-Samen 3,495 ,, ,, ,, ,,
-
-De Stille Oceaan is groot 3,190 millioen □ geographische mijlen.
-
-Men houde hierbij in het oog, dat geologisch kort geleden een zeer
-aanzienlijk deel van Afrika (de Sahara, Tripoli en Egypte) stellig een
-deel des Oceaans was. Stelt men dit op ⅓ van Afrika, dus 0,181 millioen
-geographische mijlen, dan heeft men 1,610 + 1,340 + 0,181 = 3,131
-millioen geographische mijlen, en komen wij nog dichter bij de grootte
-van den Stillen Oceaan dan bij onze eerste onderstelling Zuid- en
-Centraal-Afrika blijven dan als een groot driehoekig eiland in het
-middelpunt van den ring midden in den Indo-Atlantischen Oceaan liggen!
-
-[530] Volgens Wallace is de gemiddelde hoogte van het land 2250 Eng.
-voet, de gemiddelde diepte van den Oceaan 14,640 Eng. voet, het volumen
-van het droge land 23,450,000 kub. mijlen, het volumen van het water
-van den Oceaan 323,800,000 kub. mijlen, zoodat, als al de vaste stof
-der aarde tot een bol was vereenigd, deze door een Oceaan van omstreeks
-twee mijlen diep bedekt zou zijn.
-
-[531] Hiermede bedoelen wij dieper dan 1000 vademen.
-
-[532] Deze mogelijkheid wordt door Wallace niet besproken.
-
-[533] Derhalve hebben landen als Lemurië, Atlantis en ’t onderstelde
-vasteland waarvan de eilanden van Polynesië de overblijfselen zouden
-zijn, nimmer bestaan. Wel kan Nieuw-Holland over Nieuw-Guinea en den
-Oost-Indischen Archipel met Azië hebben samengehangen, en hangt het
-daarmede door een onderzeesch plateau nog heden aldus samen.
-
-[534] De beide bewijzen zijn in hoofdzaak ontleend aan Wallace
-(„Darwinism”, Hoofdstuk XII).
-
-[535] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol II 1840, blz. 541. De
-later vermelde mededeelingen omtrent Tanais, ben ik aan Fritz Müller
-verschuldigd.
-
-[536] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826,
-blz. 309.
-
-[537] Dr. Perrier („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 865) voert
-dit geval aan als een afdoend argument tegen de seksueele teeltkeus,
-onderstellende, dat ik alle verschillen tusschen de beide seksen aan
-seksueele teeltkeus toeschrijf. Deze bekende natuuronderzoeker heeft
-dus, evenals zoovele andere Franschen, de moeite niet genomen om zelfs
-de eerste beginselen der seksueele teeltkeus te begrijpen. Een Engelsch
-natuuronderzoeker wijst er op, dat de grijporganen van sommige
-mannelijke dieren niet door de keus van het wijfje kunnen zijn
-ontwikkeld. Had ik deze opmerking niet ontmoet, dan zou ik het voor
-onmogelijk hebben gehouden, dat iemand die dit hoofdstuk had gelezen,
-zich zou hebben verbeeld, dat ik volhield, dat de keus van het wijfje
-iets te maken had met de ontwikkeling der grijporganen bij het
-mannetje.
-
-[538] Zelfs bij die planten, bij welke de seksen zijn gescheiden, zijn
-de mannelijke bloemen gewoonlijk vroeger rijp, dan de vrouwelijke. Vele
-tweeslachtige (hermaphroditische) planten zijn, zooals het eerst door
-C. K. Sprengel is aangetoond, dichogaam, d.i. hun mannelijke en
-vrouwelijke organen zijn niet tegelijkertijd gereed, zoodat zij zich
-zelf niet kunnen bevruchten. Nu is bij zulke planten het stuifmeel
-gewoonlijk vroeger rijp dan de stempel, hoewel eenige soorten, bij
-welke de vrouwelijke organen vroeger rijp worden dan de mannelijke,
-hierop een uitzondering maken.
-
-[539] Ik heb hieromtrent mededeelingen ontvangen, waarvan ik later
-gewag zal maken ten opzichte van hoenders. Zelfs bij vogels, zooals
-duiven, die zich voor hun geheele leven paren, verlaat, gelijk ik van
-den heer Jenner Weir hoor, het wijfje haar levensgezel, wanneer deze
-gekwetst of ziekelijk wordt.
-
-[540] Over den gorilla, Savage en Wyman, „Boston Journal of Nat. Hist.”
-vol. V, 1845–47, blz. 423. Over Cynocephalus, Brehm, „Illustr.
-Thierleben”, Bd. I, 1864, blz. 77. Over Mycetes, Rengger, „Naturgesch.:
-Saügethiere von Paraguay”, 1830, blz. 14, 20. Over Cebus, Brehm, ibid.,
-blz. 108.
-
-[541] Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, Fasc. XII, 1777, blz. 29. Sir
-Andrew Smith, „Illustration of the Zoölogy of S. Africa”, 1849, pl. 29,
-over den Kobus. Owen geeft in zijn „Anatomy of Vertebrates” (vol. III,
-blz. 633) een tabel, waarop bij elke soort van antilope is opgeteekend,
-of zij paarsgewijze of in kudden leeft.
-
-[542] Dr. Campbell in „Proc. Zoölog. Soc.”, 1869, blz. 138. Zie ook een
-belangwekkende verhandeling van Luitenant Johnstone in „Proc. Asiatic
-Soc. of Bengal”, Mei 1868.
-
-[543] Dr. Gray, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, blz. 302.
-
-[544] Zie Dr. Dobson’s uitnemende verhandeling, in „Proc. Zoolog.
-Soc.”, 1873, blz. 241.
-
-[545] „The Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133, over den Progne-Weduwvogel.
-Zie ook over Vidua axillaris, ibid., vol. II, 1860, blz. 211. Over de
-veelwijverij van den grooten auerhaan en groote trapgans, zie L. Lloyd,
-„Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 19 en 182. Montagu en Selby spreken
-van den korhaan als veelwijvig en van den rooden Schotschen boschhaan
-als eenwijvig.
-
-[546] De weleerw. heer Dixon zegt echter nadrukkelijk („Ornamental
-Poultry”, 1848, blz. 76), dat de eieren van het parelhoen onvruchtbaar
-zijn, als men meer dan één wijfje met een zelfde mannetje houdt.
-
-[547] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826,
-blz. 324.
-
-[548] Een parasietisch Vliesvleugelig Insekt (Westwood, „Modern
-Classification of Insects”, vol. II, blz. 160) vormt een uitzondering
-op den regel, daar het mannetje rudimentaire vleugels heeft en de cel
-waarin hij is geboren, nooit verlaat, terwijl het wijfje goed
-ontwikkelde vleugels bezit. Audouin gelooft, dat de wijfjes worden
-bevrucht door de mannetjes die met haar in de zelfde cel worden
-geboren, maar het is waarschijnlijker, dat de wijfjes andere cellen
-bezoeken en dus een paring tusschen zeer nauwe bloedverwanten
-vermijden. Wij zullen later in verschillende klassen eenige weinige
-exceptioneele gevallen ontmoeten, waarin het wijfje, en niet het
-mannetje, de andere sekse opzoekt en haar het hof maakt.
-
-[549] „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, vol. I, 1861,
-blz. 194.
-
-[550] Prof. Sachs („Lehrbuch der Botanik”, 1870, blz. 633) merkt, van
-de mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen sprekende, op:
-„Verhält sich die eine bei der Vereinigung activ .... die andere
-erscheint bei der Vereinigung passiv.”
-
-[551] „Vorträge über Viehzucht”, 1872, blz. 63.
-
-[552] „Reise der Novara: Anthropologischer Theil”, 1167, blz. 216–269.
-De resultaten werden berekend door Dr. Weisbach uit metingen van Dr. K.
-Scherzer en Dr. Schwarz. Over de grootere neiging tot variabiliteit van
-de mannetjes van tamme dieren, zie mijn „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Deel II, blz 54, 55.
-
-[553] „Proceedings Royal Soc.”, vol. XVI, Juli, No. 3, 1868, blz. 519
-en 521.
-
-[554] „Proc. Royal Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 123.
-
-[555] „Massachusetts Medical Soc.”, vol. II, No. 3, 1868, blz. 9.
-
-[556] „Archiv für Path. Anat. und Phys.”, 1871, blz. 448.
-
-[557] De besluiten waartoe voor eenige jaren Dr. J. Stockton Hough is
-gekomen ten opzichte van de temperatuur van den man, worden medegedeeld
-in de „Pop. Science Review”, 1 Jan. 1874, blz. 97.
-
-[558] Prof. Mantegazza is geneigd te gelooven („Lettera a Carlo
-Darwin”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1871, blz. 306), dat de
-levendige kleuren waardoor zoovele mannelijke dieren zich
-onderscheiden, worden veroorzaakt door de tegenwoordigheid en het door
-hen bewaren der zaadvloeistof; maar dit kan moeilijk het geval zijn;
-want vele mannelijke vogels, bij voorbeeld jonge fazanten, worden
-levendig gekleurd in den herfst van hun eerste levensjaar.
-
-[559] Voor den mensch, zie Dr. J. Stockton Hough, wiens besluiten
-worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1874, blz. 97. Zie
-omtrent Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) Girard’s mededeelingen,
-medegedeeld in „The Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.
-
-[560] „Mammals and Birds of E. Florida”, blz. 234, 280, 295.
-
-[561] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-54, 55. In op één na het laatste hoofdstuk wordt de hypothese der
-pangenesis uitvoerig verklaard.
-
-[562] Deze feiten worden medegedeeld op de gewichtige autoriteit van
-een groot hoenderfokker, den heer Teebay in Tegetmeier’s „Poultry
-Book”, 1868, blz. 158. Over de kenmerken van kuikens van verschillende
-rassen, en over de duivenrassen, waarop boven wordt gedoeld, zie
-„Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 288, Deel II, blz. 57.
-
-[563] „Novae Species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Over
-de overplanting van de kleur door het paard, zie „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz 67. Ook Deel II, blz. 52,
-voor de algemeene bespreking van de beperking der overerving door de
-sekse.
-
-[564] Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87. Boitard
-en Corbié, „Les Pigeons de Volière” enz., 1824, blz. 173. Zie ook
-omtrent dergelijke verschillen tusschen zekere rassen te Modena, „Le
-variazioni dei Columbi domestici”, del Paolo Bonizzi, 1873.
-
-[565] Sedert het verschijnen van de eerste uitgaaf van dit werk heeft
-het mij groote voldoening geschonken de volgende opmerkingen te vinden
-(„The Field”, Sept. 1872) van zulk een ondervindingrijk fokker als de
-heer Tegetmeier. Na eenige merkwaardige gevallen bij duiven te hebben
-beschreven, van het overplanten der kleur door de eene sekse alleen, en
-de vorming van een onder-ras met dat kenmerk, zegt hij: „Het is
-merkwaardig dat de heer Darwin het denkbeeld heeft geopperd, dat het
-mogelijk was om de seksueele kleuren van vogels door voortgezette
-kunstmatige teeltkeus te wijzigen. Toen hij dit deed, was hij onbekend
-met de feiten die ik thans heb medegedeeld; maar het is opmerkelijk hoe
-nauwkeurig hij de juiste methode aangaf, die men daarbij moest volgen.”
-
-[566] Ik verwijs daaromtrent naar mijn „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Deel II, blz. 52.
-
-[567] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples, die omtrent
-den reebok en het edelhert van Schotland een onderzoek voor mij deed
-bij den heer Robertson, de ondervindingrijke opperhoutvester van den
-markies van Breadalbane. Wat het damhert aangaat, ben ik den heer Eyton
-en anderen inlichtingen verschuldigd. Omtrent den eland (Cervus alces)
-van Noord-Amerika, zie „Land and Water”, 1868, blz. 221 en 254; en
-omtrent Cervus virginianus en strongyloceros van het zelfde werelddeel,
-zie J. D. Caton in „Ottawa Acad. of Nat. Sc.”, 1868, blz. 13. Omtrent
-Cervus Eldi van Pegu, zie Luit. Beavan, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867,
-blz. 762.
-
-[568] Antilocapra americana, Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III,
-blz. 627.
-
-[569] Men heeft mij verzekerd, dat men de horens van de schapen in
-Noord-Wallis altijd kan voelen, en dat zij soms bij de geboorte zelfs
-2½ c.M. lang zijn. Omtrent hoornvee zegt Youatt („Cattle”, 1834, blz.
-277), dat het uitsteeksel van het voorhoofdsbeen bij de geboorte door
-de huid dringt, en dat de hoornachtige zelfstandigheid zich spoedig
-daarover vormt.
-
-[570] Ik ben grooten dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus, die bij
-de hoogste autoriteiten een onderzoek voor mij deed omtrent de
-merino-schapen van Saksen. Aan de kust van Guinea in Afrika is er een
-ras van schapen bij hetwelk, evenals bij de merino’s, alleen de
-mannetjes horens dragen; en de heer Winwood Reade meldt mij, dat in het
-eenige waargenomen geval een jonge ram, die den 10den Februari was
-geboren, het eerst horens vertoonde op den 6den Maart, zoodat in dit
-geval de ontwikkeling der horens in een later tijdperk van het leven
-plaats had, in overeenkomst met onzen regel, dan bij het schaap van
-Wales, bij hetwelk beide seksen gehorend zijn.
-
-[571] „Ueber die knöchernen Schädelhöcker der Vögel” in het
-„Niederländisches Archiv für Zoologie”, Bd. 1, Heft 2, 1872.
-
-[572] Bij den gewonen pauw (Pavo cristatus) bezit alleen het mannetje
-sporen, terwijl zich bij den Javaanschen pauw (Pavo muticus) het
-ongewone geval voordoet, dat beide seksen van sporen voorzien zijn. Ik
-verwachtte daarom stellig, dat zij zich bij laatstgenoemde soort op
-jonger leeftijd zouden ontwikkelen dan bij den gewonen pauw; maar de
-heer Hegt, van Amsterdam, meldt mij, dat tusschen jonge vogels van het
-vorige jaar, tot beide soorten behoorende, vergeleken op den 23sten
-April 1869, geen verschil in de ontwikkeling der sporen bestond. De
-sporen werden toen nog slechts door kleine knobbels of verhevenheden
-gevormd. Ik onderstel, dat ik bericht zou hebben ontvangen, indien
-later eenig verschil in de mate van ontwikkeling was waargenomen.
-
-[573] Bij sommige andere soorten van de familie der Eenden verschilt de
-spiegelvlek bij de twee seksen in grootere mate; maar ik ben niet in
-staat geweest te ontdekken, of de volkomen ontwikkeling daarvan bij de
-mannetjes van dergelijke soorten op later leeftijd plaats grijpt dan
-bij de gewone eend, zooals volgens onzen regel zou moeten geschieden.
-Bij den verwanten Mergus cucullatus hebben wij echter een geval van
-dien aard; de beide seksen verschillen in het oog vallend in algemeen
-gevederte, en in aanmerkelijke mate in de spiegelvlek, die bij het
-mannetje zuiver wit en bij het wijfje grijsachtig wit is. Nu gelijken
-de jonge mannetjes eerst in alle opzichten op het wijfje en hebben een
-grijsachtig witte spiegelvlek; maar deze wordt zuiver wit op een
-jongeren leeftijd dan dien waarop het volwassen mannetje zijn andere
-sterker uitgedrukte verschillen in gevederte verkrijgt: zie Audubon,
-„Ornithological Biography”, vol. III, 1835, blz. 249–250.
-
-[574] „Das Ganze der Taubenzucht”, 1837, blz. 21, 24. Omtrent het geval
-der gestreepte duiven, zie Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”,
-1865, blz. 87.
-
-[575] Voor uitvoerige bijzonderheden en aanhalingen omtrent al deze
-punten ten opzichte van de verschillende hoenderrassen, zie „Varieeren
-der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 261 v.v. Wat de hoogere
-dieren aangaat, zijn de seksueele verschillen die ten gevolge der
-temming zijn ontstaan, in het zelfde werk bij elke soort beschreven.
-
-[576] „Twenty-ninth Annual Report of the Registrar-General for 1886”.
-In dit verslag (p. XII) wordt een bijzondere tienjarige tabel gegeven.
-
-[577] Omtrent Noorwegen en Zweden, zie een uittreksel van de
-onderzoekingen van Dr. Faye in „British and Foreign Medico-Chirurg.
-Review”, April, 1867, blz 343, 345. Omtrent Frankrijk, het „Annuaire
-pour l’An 1867”, blz. 213.
-
-[578] Voor Philadelphia zie Dr. Stockton Hough, „Social Science
-Assoc.”, 1874. Voor de Kaap de Goede Hoop, Quetelet, aangehaald door
-Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen in de Nederlandsche vertaling van dit
-werk, in wiens vijfde aanteekening op dit hoofdstuk vele opgaven zijn
-bijeengebracht omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen.
-
-[579] Ten opzichte der Joden, zie den heer Thury, „La Loi de Production
-des Sexes”, 1863, blz. 25.
-
-[580] „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz.
-343. Dr. Stark merkt ook op („Tenth Annual Report of Births, Deaths,
-etc, in Scotland”, 1867, blz. XXVIII): „Deze voorbeelden mogen
-voldoende zijn, om aan te toonen, dat op elken leeftijd de mannen in
-Schotland meer kans hebben om te sterven dan de vrouwen, en dat hun
-gemiddelde sterfte grooter is dan die van deze laatste. Het feit
-echter, dat deze bijzonderheid het sterkst is ontwikkeld in dat
-kinderlijk tijdperk van het leven, waarin de kleeding, het voedsel en
-de behandeling van beide seksen het zelfde zijn, schijnt te bewijzen,
-dat de grootere gemiddelde sterfte der mannen een aangeboren,
-natuurlijke en constitutioneele, alleen door de sekse veroorzaakte
-bijzonderheid is.”
-
-[581] „West-Riding Lunatic Asylum Reports”, vol. I, 1871, blz. 8. Sir
-J. Simpson heeft bewezen, dat het hoofd van de jongens bij de geboorte
-in omtrek ruim 9 millimeter en in dwarse doorsnede ruim 3 millimeter
-grooter is dan dat van de meisjes. Quetelet heeft bewezen, dat de
-meisjes kleiner geboren worden dan de jongens; zie Dr. Duncan,
-„Fecundity, Fertility, Sterility”, 1871, blz. 382.
-
-[582] Bij de wilde Guarani’s van Paraguay staat volgens den
-nauwkeurigen Azara („Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome II, 1809,
-blz. 60, 179) het aantal vrouwen tot dat der mannen als 14 tot 13.
-
-[583] Babbage „Edinburgh Journal of Science”, 1829, vol. I, blz. 88;
-ook blz. 90, omtrent doodgeboren kinderen. Over onwettige kinderen in
-Engeland, zie „Report of Registrar-General” voor 1866, blz. XV.
-
-[584] Leuckart in Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853,
-blz. 774.
-
-[585] „Anthropological Review”, April, 1870, blz. CVIII.
-
-[586] Gedurende de laatste elf jaren is er aanteekening gehouden van
-het aantal merries die onvruchtbaar bleken te zijn of haar veulens te
-vroeg baarden, en dit verdient opmerking, daar het bewijst hoe
-onvruchtbaar deze sterk gevoede en vrij dicht in de familie met
-elkander gepaarde dieren zijn geworden, zoodat bijna een derde gedeelte
-van de merries geen levende veulens voortbrachten. Zoo werden in 1886
-809 hengstveulens en 816 merrieveulens geboren en 743 merries brachten
-geen jongen voort. In 1867 werden 836 hengstveulens en 902
-merrieveulens geboren, 794 merries bleven onvruchtbaar.
-
-[587] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples die mij de
-boven vermelde opgaven uit Schotland, zoowel als sommige van de
-volgende omtrent hoornvee heeft verschaft. De heer R. Elliot van
-Laighwood vestigde het eerst mijn aandacht op den vroegtijdigen dood
-der mannetjes—een mededeeling later door den heer Aitchison en anderen
-bevestigd. Aan dezen laatsten heer en aan den heer Payan heb ik de
-uitgebreidste opgaven omtrent schapen te danken.
-
-[588] Bell, „History of British Quadrupeds”, blz. 100.
-
-[589] „Illustrations of the Zoology of S. Africa”, 1849, blz. 29.
-
-[590] Brehm („Illust. Thierleben”, Bd. IV, blz. 990) komt tot het
-zelfde besluit.
-
-[591] Op autoriteit van L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz.
-12, 132.
-
-[592] „Nat Hist. of Selborne”, brief XXIX, uitgaaf van 1825, vol. I,
-blz. 139.
-
-[593] De heer Jenner Weir ontving overeenkomstige mededeelingen, toen
-hij gedurende het volgende jaar onderzoek deed. Om het aantal gevangen
-vinken aan te toonen, kan ik vermelden, dat er in 1869 een wedstrijd
-tusschen twee deskundigen was; en de eene man ving op éénen dag 62, de
-andere 40 mannelijke vinken. Het grootste aantal dat ooit door éénen
-man op een enkelen dag is gevangen, bedroeg 70.
-
-[594] „Ibis”, vol. II, blz. 260, aangehaald in Gould’s „Trochilidae”,
-1861, blz. 25. Wat de overige verhoudingsgetallen aangaat, ben ik aan
-den heer Salvin een tabel van zijn resultaten verschuldigd.
-
-[595] „Ibis”, 1860, blz. 137, en 1867, blz. 369.
-
-[596] „Ibis”, 1862, blz. 137.
-
-[597] Leuckart haalt Bloch aan (Wagner „Handwörterbuch der Phys.” Bd.
-IV, 1835, blz. 775), die zegt, dat er bij de visschen tweemaal zooveel
-mannetjes als wijfjes zijn.
-
-[598] Aangehaald in de „Farmer”, 18 Maart, 1869, blz. 369.
-
-[599] „The Stormontfield Piscicultural Experiments”, 1866, blz. 33. De
-„Field” Courant, 29 Juni, 1867.
-
-[600] „Land and Water”, 1862, blz. 41.
-
-[601] Yarrel, „Hist. British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 307; over
-Cyprinus carpio, blz. 331; over Tinca vulgaris, blz. 331; over Abramis
-brama, blz. 336. Zie omtrent Leuciscus phoxinus, „Loudon’s Mag. of Nat.
-Hist.”, vol. V, 1832, blz. 682.
-
-[602] Leuckart haalt Meinecke aan (Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”,
-Bd. IV, 1853, blz. 775), die zegt, dat bij de Kapellen de mannetjes
-drie- of viermaal talrijker zijn dan de wijfjes.
-
-[603] „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, 347.
-
-[604] Vier van deze gevallen worden door den heer Trimen medegedeeld in
-zijn „Rhopalocera Africae Australis.”
-
-[605] Aangehaald door Trimen, „Transact. Ent. Soc.”, vol. V, part IV,
-1806, blz. 330.
-
-[606] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, blz. 37.
-
-[607] „Proc. Entomolog. Soc.”, 17 Febr. 1868.
-
-[608] Aangehaald door Dr. Wallace in „Proc. Ent. Soc.”, 3rd. Series,
-vol. V, 1867, blz. 487.
-
-[609] Blanchard, „Metamorphoses, Moeurs des insectes”, 1868, blz.
-225–226.
-
-[610] „Lepidopteren-Doubletten Liste”, Berlin, No. X, 1866.
-
-[611] Deze natuuronderzoeker is zoo vriendelijk geweest mij eenige
-opgaven omtrent vroegere jaren te zenden, gedurende welke de wijfjes de
-overhand schenen te hebben; maar zoovele daarvan waren slechts
-schattingen, dat het mij niet mogelijk was er een tabel van te maken.
-
-[612] Günthers „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 260. Over
-de overmaat van wijfjes bij Lucanus, ibid., blz. 250. Over de mannetjes
-van Lucanus in Engeland, Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I,
-blz. 187. Over Siagonium, ibid., blz. 172.
-
-[613] Walsh, in „The American Entomologist”, vol. I, 1869, blz. 103. F.
-Smith, „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 328.
-
-[614] „Farm Insects”, blz. 45–46.
-
-[615] „Anwendung der Darwinschen Lehre. Verh. d. n. V. Jahrg. XXIV.”
-
-[616] „Die Strich-, Zug- oder Wanderheuschrecke”, 1828, blz. 20.
-
-[617] „Observations in N. American Neuroptera”, door H. Hagen en B. D.
-Walsh, „Proc. Ent. Soc. Philadelphia”, October 1863, blz. 168, 223,
-239.
-
-[618] „Proc. Ent. Soc. London”, 17 Febr. 1868.
-
-[619] Een andere groote autoriteit in deze klasse, Prof. Thorel van
-Upsala („On European Spiders”, 1869–70, part I, blz. 205) spreekt,
-alsof vrouwelijke spinnen over het algemeen meer voorkwamen dan
-mannelijke.
-
-[620] Zie over dit onderwerp den heer Pickart-Cambridge, aangehaald in
-„Quarterly Journal of Science”, 1868, blz. 429.
-
-[621] „The Todas”, 1878, blz. 100, 111, 194, 196.
-
-[622] „Aboriginal Inhabitants of New-Zealand; Government Report”, 1859,
-blz. 36.
-
-[623] „Narrative of a Tour through Hawaii”, 1826, blz. 298.
-
-[624] „History of the Sandwich-Islands”, 1843, blz. 93.
-
-[625] Dit wordt medegedeeld in des weleerw. heeren H. T. Cheever’s
-„Life in the Sandwich-Islands”, 1851, blz. 277.
-
-[626] Dr. Coulter zegt („Journal R. Geograph. Soc.” 1835, vol. V, blz.
-67), den toestand van Californië omstreeks het jaar 1830 beschrijvende,
-dat de inboorlingen die door de Spaansche zendelingen waren bekeerd,
-bijna allen zijn omgekomen of omkomen, hoewel zij goed behandeld en
-niet uit hun geboorteland verdreven worden, en men hen belet
-alcoholische dranken te gebruiken. Hij schrijft dit voor een groot deel
-toe aan het ontwijfelbare feit, dat de mannen de vrouwen aanmerkelijk
-in aantal overtreffen, maar hij weet niet, of dit komt, omdat er minder
-meisjes worden geboren, of omdat meer meisjes in haar prille jeugd
-sterven. Het laatste is volgens alle analogie zeer onwaarschijnlijk.
-Hij voegt er bij, dat „eigenlijk gezegde kindermoord niet algemeen is,
-ofschoon men zeer dikwijls zijn toevlucht neemt tot abortie.” Indien
-Dr. Coulter gelijk heeft omtrent kindermoord, kan dit geval niet tot
-ondersteuning van kolonel Marshall’s meening worden aangehaald. Wegens
-de snelle afneming van de bekeerde inboorlingen mogen wij vermoeden,
-dat, evenals in de vroeger medegedeelde gevallen, hun vruchtbaarheid is
-verminderd wegens verandering der levensvoorwaarden.
-
-Ik had gehoopt eenig licht te verkrijgen omtrent dit onderwerp uit het
-fokken van honden, in zoover als bij de meeste rassen, uitgezonderd
-misschien bij windhonden, meer jonge teven dan reuen worden gedood,
-gelijk bij de kinderen der Toda’s. De heer Cupples verzekert mij, dat
-dit gewoonlijk geschiedt bij de Schotsche hertenhonden. Ongelukkig weet
-ik niets omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen bij eenig ras,
-met uitzondering der windhonden, en bij deze laatste staat het aantal
-reuen dat wordt geboren, tot het aantal teven als 110.1 tot 100. Nu
-schijnt het volgens navraag bij vele fokkers gedaan, dat de teven in
-sommige opzichten hooger worden geschat, hoewel zij in andere opzichten
-lastig zijn; en het blijkt niet, dat de jonggeboren teven van de beste
-hondenrassen die worden gefokt, stelselmatig in grooter aantal worden
-gedood dan de reuen, hoewel dit soms in beperkte mate plaats grijpt. Ik
-ben daarom niet in staat te beslissen, of wij volgens de bovenvermelde
-beginselen de overmaat van mannelijke geboorten bij windhonden kunnen
-verklaren. Van den anderen kant hebben wij gezien, dat bij paarden,
-runderen en schapen, die te kostbaar zijn om de jongen van een van
-beide seksen te dooden, als er eenig verschil is, de vrouwelijke sekse
-eenigszins talrijker is.
-
-[627] Behalve dit werk worden door Dr. Lubach nog aangehaald: Boudin,
-„Géographie médicale” en „Du non-cosmopolitisme des races humaines”,
-Nott, „Acclimatation” en Dr. S. Coronel, „Iets over het verschil in
-levensverhoudingen tusschen Joden en Christenen” in „Schat der
-Gezondheid”, jaargang VII, blz. 372 v.v.
-
-[628] Dit laatste gaat niet door voor Servië, ofschoon daar het aantal
-vrouwen in verhouding tot de mannen jaarlijks toeneemt en dus in een
-nabijzijnde toekomst de wet ook voor Servië door zal gaan. Volgens Dr.
-Hugo Bach (in een artikel over „De bevolking van het koninkrijk
-Servië”, voorkomende in het Oostenrijksche „Statistische
-Monatschrift”), kwamen daar op elke duizend mannen:
-
- 1859 voor 938 vrouwen.
- 1863 ,, 939 ,,
- 1866 ,, 941 ,,
- 1874 ,, 946 ,,
- 1884 ,, 958 ,,
-
-In de landen van Europa waar de beschaving geene vorderingen maakt, en
-bij de natuurvolken zou men tot nog toe in den regel een overwicht van
-de mannelijke bevolking hebben opgemerkt; het tegenovergestelde
-verschijnsel treedt in de beschaafde landen aan den dag, ofschoon er
-toch meer jongens dan meisjes worden geboren.
-
-[629] „Annuaire du Bureau des Longitudes”, 1834, aangehaald door Prof.
-G. Boccardo.
-
-[630] „Mémorial Encyclopédique”, 1832, Mei, aangehaald door Prof. G.
-Boccardo.
-
-[631] Quetelet, „Physique Sociale”, vol. I, blz. 168 v.v., aangehaald
-door Prof. G. Boccardo die het verschil aan de Kaap aan de breedte
-toeschrijft.
-
-[632] Aangehaald door Quetelet (volgens Boccardo; zie ook Brewster’s
-„Journal of Sciences”, New Series, No. I).
-
-[633] Wij meenen omtrent Nederland, het vaderland van al onze lezers,
-wel eenigszins uitvoeriger te mogen zijn.
-
-[634] Men onderscheidt: wettelijke, feitelijke en werkelijke bevolking.
-De wettelijke bevolking is de bevolking in de registers ingeschreven of
-de wettig gedomicilieerde bevolking (Artt. 74–80 Burg. Wetb.); de
-feitelijke bevolking wordt uit de wettelijke afgeleid door aftrekking
-der tijdelijk afwezigen en bijvoeging der tijdelijk aanwezigen. Onder
-werkelijke bevolking verstaat men de hoegrootheid der bevolking,
-wanneer tot grondslag wordt genomen, niet de woonplaats of het
-domicilie in den zin van het Burgerlijk Wetboek, maar de werkelijke
-woonplaats of de plaats, waar men gewoon is verblijf te houden.
-
-[635] „De l’Espèce et de la Class.” enz., 1869, blz. 106.
-
-[636] Zie b.v. mijn mededeeling in „Journal of Researches”, 1845, blz.
-7.
-
-[637] Ik heb („Geolog. Observations on Volcanic Islands”, 1844, blz.
-53) een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van den invloed van het licht
-op de kleuren van een loofvormige korst, door de branding op de
-rotsachtige kusten van Ascension afgezet, en door de oplossing van
-fijngewreven zeeschelpen gevormd.
-
-[638] Dr. Morse heeft voor eenige jaren dit onderwerp besproken in zijn
-verhandeling over „Adaptive Colouring of Mollusca”, „Proc. Boston Soc.
-of Nat. Hist.”, vol. XIV, April 1871.
-
-[639] Zie zijn fraaie monografie over „British Annelids”, deel I, 1873,
-blz, 3.
-
-[640] Zie Perrier, „l’Origine de l’Homme d’après Darwin”, „Revue
-scientifique”, Feb. 1873, blz 866.
-
-[641] In „Facts and Arguments for Darwin”, Eng. Vert., 1869, blz. 20,
-is het bovenvermeld onderzoek over de reukdraden te vinden. Sars
-(aangehaald in „Nature”, 1870, blz. 455) heeft een dergelijk geval
-beschreven bij een Noorweegsch schaaldier, Pontoporeia affinis.
-
-[642] Zie Sir J. Lubbock in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XI,
-1853, pl. I en X; en vol. XII (1853), pl. VII. Zie ook Lubbock in
-„Transact. Ent. Soc.”, vol. VI, nieuwe serie, 1856–1858, blz. 8. Ten
-opzichte van de lager aangehaalde zigzagvormige sprieten, zie Fritz
-Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 40, onderste noot.
-
-[643] Zie een verhandeling met platen van den heer C. Spence Bate in
-„Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 363, en over de nomenclatuur van het
-geslacht, ibid., blz. 585. Ik ben den heer Spence Bate grooten dank
-verschuldigd voor bijna al de bovengaande mededeelingen ten opzichte
-der knijpers bij de hoogere Schaaldieren.
-
-[644] „Hist. Nat. des Crust.”, tome II, 1837, blz. 50.
-
-[645] Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 25–28.
-
-[646] „Travels in the Interior of Brazil”, 1846, blz. 111. Ik heb in
-mijn „Journal of Researches”, blz. 463, de levenswijze van den Birgus
-medegedeeld.
-
-[647] De heer Ch. Fraser, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 3. De
-mededeeling omtrent Dr. Power ben ik aan den heer Bate verschuldigd.
-
-[648] Claus: „Die freilebenden Copepoden”, 1863, blz. 35.
-
-[649] „Facts and Arguments” enz., blz. 79.
-
-[650] „A History of the Spiders of Great Britain”, 1862. Omtrent de
-volgende feiten, zie blz. 102, 77, 88.
-
-[651] Deze schrijver heeft vóór eenige jaren een belangrijk stuk
-geschreven over „Caratteri sessuali secondarii degli Arachnidi”, in de
-„Atti della Soc. Veneto-Trentina di Sc. Nat.”, Padova, vol. I, fasc. 3,
-1873.
-
-[652] Aug. Vinson („Aranéides des Iles de la Réunion”, pl. VI, fig. 1
-en 2) geeft een goed voorbeeld van de geringe grootte van het mannetje
-bij Epeira nigra. Bij deze soort, moet ik er bijvoegen, is het mannetje
-bruin, en het wijfje zwart met roode banden op de pooten. Andere nog
-sterker voorbeelden van ongelijke grootte der beide seksen zijn
-opgeteekend in „Quarterly Journal of Science”, 1868, Juli, blz. 429;
-maar ik heb de oorspronkelijke verhandelingen niet gelezen.
-
-[653] Kirby en Spence. „Introduction to Entomology”, vol. I, 1818, blz.
-280.
-
-[654] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 621.
-
-[655] Theridion (Asagenas, Sund.) serratipes, 4 punctatum en guttatum:
-zie Westring, in Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, vol. IV, 1842–43, blz.
-349. Zie ook, voor andere soorten, „Araneae Suecicae”, blz. 184.
-
-[656] Dr. Hartogh Heys van Zouteveen heeft in zijn Nederlandsche
-vertaling van dit werk (zie aant. 7 op dit hoofdstuk) verscheidene
-gevallen hiervan bijeengebracht.
-
-[657] Walckenaer en P. Gervais, „Hist. Nat. des Insectes Aptères”, tome
-IV, 1847, blz. 17, 19, 68.
-
-[658] Darwin noemt Walckenaer in de eerste uitgaaf van dit werk niet en
-ontleende zijn opmerking omtrent Walckenaer aan deze aanteekening, die
-reeds in de eerste uitgaaf van dit werk iets korter voorkomt.
-
-[659] Sir J. Lubbock, „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXV, 1866, blz.
-484. Ten opzichte der Mutillen zie Westwood, „Modern Class. of
-Insects”, vol. II, blz. 213.
-
-[660] Deze organen van het mannetje verschillen dikwijls bij nauw
-verwante soorten, en leveren uitnemende soortskenmerken op. Hun
-belangrijkheid ten opzichte hunner functie heeft men echter, volgens
-een opmerking die de heer R. MacLachlan mij maakte, waarschijnlijk te
-hoog geschat. Men heeft beweerd, dat kleine verschillen in deze organen
-voldoende zouden zijn om de kruising tusschen goed uitgedrukte
-verscheidenheden of beginnende soorten te voorkomen, en derhalve haar
-ontwikkeling bevorderen. Dat dit moeielijk het geval kan zijn, mogen
-wij afleiden uit vele gevallen, die zijn opgeteekend van verschillende
-soorten, die in copulatie met elkander zijn waargenomen. (Zie b.v.
-Bronn, „Geschichte der Natur”, Bd. II, 1843, blz. 164, en Westwood,
-„Transact. Ent. Soc.”, vol. III, 1842, blz. 195). De heer MacLachlan
-deelt mij mede, (zie „Stett. Ent. Zeitung”, 1867, blz. 155), dat, toen
-verschillende soorten van Kokerjuffers (Phryganidae), die sterk
-uitgesproken verschillen van deze soort vertoonen, door Dr. Aug. Meyer
-bij elkander werden opgesloten, zij met elkander paarden, en dat één
-paar vruchtbare eieren voortbracht.
-
-[661] „The Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, Mei 1867,
-blz. 88.
-
-[662] De heer Walsh, ibid., blz. 107.
-
-[663] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 106, 205.
-De heer Walsh, die mijn aandacht vestigde op dit dubbel gebruik der
-kaken, zegt, dat hij het feit herhaaldelijk heeft waargenomen.
-
-[664] Wij hebben hier een merkwaardig en onverklaarbaar geval van
-dimorphisme; want sommige van de wijfjes van vier Europeesche soorten
-van Dytiscus hebben gladde dekschilden; en er zijn geen overgangen
-tusschen gegroefde of van verdiepte stippels voorziene en geheel gladde
-dekschilden waargenomen. Zie Dr. H. Schaum, aangehaald in de
-„Zoologist”, vol. V–VI, 1847–48, blz. 1896. Evenzoo Kirby en Spence,
-„Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 305.
-
-[665] Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 193. De volgende
-mededeelingen omtrent Penthe en andere, tusschen aanhalingstekens
-geplaatst, zijn ontleend aan den heer Walsh, „Practical Entomologist”,
-Philadelphia, vol. II, blz. 88.
-
-[666] Kirby en Spence, „Introduction”, enz., vol. III, blz. 332–336.
-
-[667] E. Doubleday, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz.
-379. Ik kan er bijvoegen, dat bij sommige Vliesvleugelige Insekten
-(Hymenoptera) het beloop der aderen op de vleugels bij de twee seksen
-verschilt (zie Shuckard, „Fossorial Hymenop.”, 1837, blz. 39–43).
-
-[668] H. W. Bates, in „Journal of Proc. Linn. Soc.”, vol VI, 1862, blz.
-74. De waarnemingen van den heer Wonfor worden aangehaald in „Popular
-Science Review”, 1868, blz. 343.
-
-[669] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 316–320. Over het
-lichten der eieren, zie „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, Nov.,
-blz. 372.
-
-[670] Kirby and Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, blz.
-209.
-
-[671] Robinet, „Vers à Soie”, 1848, blz. 207.
-
-[672] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd series, vol. V, blz. 386.
-
-[673] „Journal of Proc. Ent. Soc.”, 4 Febr. 1867, blz. LXXI.
-
-[674] Voor deze en andere mededeelingen omtrent de grootte der seksen,
-zie Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 300; over den levensduur der
-Insekten, ibid., blz. 444.
-
-[675] „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXVI, 1868, blz. 296.
-
-[676] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 313.
-
-[677] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 526.
-
-[678] „Anwendung” enz. „Verh. d. n. V. Jahrg.”, XXIV, blz. 80. Mayer,
-in „American Naturalist”, 1874, blz. 236.
-
-[679] Zie het hoogst belangwekkende werk van den heer B. F. Laune, „On
-the Anatomy of the Blow-Fly, Musea vomitoria”, 1870, blz. 14.
-
-[680] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 473.
-
-[681] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Westwood’s „Modern Class.
-of Insects”, vol. II, 1840, blz. 422. Zie ook, over de Fulgoridae,
-Kirby and Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 401.
-
-[682] „Zeitschrift für wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz.
-152–158.
-
-[683] „Transact. New-Zeeland Institute”, vol. V, 1873, blz. 286.
-
-[684] Ik ben het volgende verschuldigd aan den heer Walsh, die mij dit
-uittreksel van een „Journal of the Doings of Cicada septemdecim” door
-Dr. Hartman, heeft gezonden.
-
-[685] L. Guilding, „Transact. Linn. Soc.”, vol. XV, blz. 154.
-
-[686] Köppen, aangehaald in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 460.
-
-[687] Gilbert White, „Nat. Hist. of Selborne”, vol. II, 1825, blz. 252.
-
-[688] Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 128.
-
-[689] „The Naturalist on the Amazons”, vol. 1, blz. 252. De heer Bates
-bespreekt op zeer belangwekkende wijze de overgangen tusschen de
-muziekinstrumenten der drie families. Zie ook Westwood, „Modern
-Class.”, vol. II, blz. 445 en 453.
-
-[690] „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868.
-
-[691] „Nouveau Manuel d’Anat. Comp.” (Fransche vertaling), tome I,
-1850, blz. 567.
-
-[692] „Zeitschrift für Wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz.
-117.
-
-[693] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 440.
-
-[694] „Ueber den Ton-apparat der Locustiden, ein Beitrag zum
-Darwinismus”, „Zeitschr. f. wiss. Zoölog.”, Bd. XXII, 1872, blz. 100.
-
-[695] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 453.
-
-[696] Landois, ibid., blz. 121, 122.
-
-[697] De heer Walsh deelt mij mede, dat hij heeft opgemerkt, dat het
-wijfje van Platyphyllum concavum, als men het vangt, een zwak knarsend
-geluid maakt door haar boven vleugels tegen elkander te wrijven.
-
-[698] Landois, ibid., blz. 117.
-
-[699] „Insects of New England”, 1842, blz. 133.
-
-[700] Westwood, „Modern Classification”, vol. I, blz. 462.
-
-[701] Westwood, ibid., vol. I, blz. 453.
-
-[702] Landois, ibid., blz. 115, 116, 120, 122.
-
-[703] Landois heeft eenige jaren geleden bij sommige Rechtvleugeligen
-(Orthoptera) rudimentaire organen gevonden, die zeer sterk gelijken op
-de geluidvoortbrengende organen der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en
-dit is een verwonderlijke zaak. Zie „Zeitschr. für wissensch. Zoölog.”,
-B. XXII, Heft 3, 1871, blz. 348.
-
-[704] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd. series, vol. II („Journal of
-Proceedings”), blz. 117.
-
-[705] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 427; voor de
-Krekels blz. 445.
-
-[706] De heer Ch. Horne in „Proc. Ent. Soc.”, 3 Mei, 1869, blz. XII.
-
-[707] De Oecanthus nivalis. Harris, „Insects of New England”, 1842,
-blz. 124.
-
-[708] Platyblemnus: Westwood, „Modern Class.”, vol. I, blz. 447.
-
-[709] B. D. Walsh, de Pseudo-Neuroptera van Illinois, in „Proc. Ent.
-Soc. of Philadelphia”, 1862, blz. 361.
-
-[710] „Modern Class.”, vol. II, blz. 37.
-
-[711] Walsh, ibid., blz. 381. Ik ben de volgende feiten over Hetaerina,
-Anax en Gomphus aan dezen natuuronderzoeker verschuldigd.
-
-[712] „Transact. Ent. Soc.”, vol. I, 1836, blz. LXXXI.
-
-[713] Zie uittreksel in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 450.
-
-[714] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. II, 1818,
-blz. 35.
-
-[715] Zie een belangwekkend artikel, „The Writings of Fabre”, in „Nat.
-Hist. Review”, April, 1862, blz. 122.
-
-[716] „Journal of Proc. of Entomolog. Soc.”, Sept. 1863, blz. 169.
-
-[717] P. Huber, „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz.
-150, 165.
-
-[718] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1866, blz. 238–239.
-
-[719] „Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen”, Verh. d. n. Jahrg.
-XXIX.
-
-[720] De heer Perrier maakt in zijn artikel „La Sélection sexuelle
-d’après Darwin” („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 868), zonder
-naar het schijnt veel over de zaak te hebben nagedacht, de
-tegenwerping, dat, daar men weet, dat de mannetjes van sociale bijen
-voortkomen uit onbevruchte eieren, zij geen nieuwe kenmerken op hun
-mannelijke nakomelingschap kunnen overbrengen. Dit is een buitengewone
-tegenwerping. Een vrouwelijke bij, bevrucht door een mannetje dat een
-of ander kenmerk bezat, waardoor de vereeniging der seksen
-gemakkelijker werd gemaakt, of dat hem aantrekkelijker voor het wijfje
-maakte, zal eieren leggen, waaruit alleen wijfjes zullen voortkomen;
-maar deze jonge wijfjes zullen het volgende jaar mannetjes
-voortbrengen; en zal men nu beweren, dat dergelijke mannetjes de
-kenmerken van hun grootvaders niet kunnen erven? Om een geval te nemen
-met gewone dieren, dat zoo dicht mogelijk daarbij komt: indien een
-wijfje van eenig wit viervoetig dier of vogel werd gekruist met een
-mannetje van zwart ras, en hun mannelijke en vrouwelijke jongen met
-elkander werden gepaard, zal men dan beweren, dat de kleinkinderen niet
-een aanleg tot zwartheid van hun grootvaders zouden kunnen erven? Het
-verkrijgen van nieuwe kenmerken door de onvruchtbare werkbijen is een
-veel moeielijker geval, maar ik heb in mijn „Ontstaan der Soorten”
-trachten aan te toonen, op welke wijze deze onvruchtbare wezens worden
-onderworpen aan de macht der natuurlijke teeltkeus.
-
-[721] Aangehaald bij Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II,
-blz. 214.
-
-[722] Pyrodes pulcherrimus, bij welke de seksen in ’t oog loopend
-verschillen, is door den heer Bates beschreven in „Transact. Ent.
-Soc.”, 1862, blz. 50. Ik zal eenige weinige andere gevallen opnoemen,
-waarin ik van een verschil in kleur tusschen de seksen van kevers
-hoorde. Kirby en Spence („Introduct. to Entomology”, vol. III, blz.
-301) vermelden een Cantharis, Meloe, Rhagium en de Leptura testacea;
-het mannetje van deze laatste is bruinachtig van kleur, met een zwart
-borststuk en het wijfje over het geheele lichaam dof rood. Deze twee
-laatste kevers behooren tot de familie der Boktorren (Longicornia). De
-heeren R. Trimen en Waterhouse jun. geven mij bericht omtrent twee
-Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), namelijk een Peritrichia en
-Trichius, het mannetje van den laatsten is donkerder gekleurd dan het
-wijfje. Bij Tillus elongatus is het mannetje zwart en het wijfje, naar
-men meent, altijd van een donker blauwe kleur met een rood borststuk
-(thorax). Ook het mannetje van Orsodacna atra is, naar ik van den heer
-Walsh hoor, zwart, terwijl het wijfje (de zoogenaamde O. ruficollis)
-een roodachtig bruin borststuk heeft.
-
-[723] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1864, blz. 228.
-
-[724] Kirby en Spence, „Introduct. Entomolog.”, vol. III, blz. 300.
-
-[725] Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 329.
-
-[726] „Modern Classification of Insects”, vol. I, blz. 172. Op de
-zelfde bladzijde vindt men een beschrijving van Siagonium. Op het
-Britsch Museum merkte ik één mannelijk voorwerp van Siagonium in een
-tusschenbeidenstaanden toestand op, zoodat het dimorphisme niet streng
-doorgaat.
-
-[727] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 276.
-
-[728] „Entomological Magazine”, vol. II, 1833, blz. 82. Zie ook omtrent
-de gevechten van deze soort, Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz.
-314; en Westwood, ibid., vol. I, blz. 187.
-
-[729] Aangehaald door Fischer, in „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome X,
-blz. 324.
-
-[730] „Ann. Soc. Entomolog. France”, 1866, aangehaald in „Journal of
-Travel”, door A. Murray, 1868, blz. 135.
-
-[731] Westwood, „Modern Class.”, I, blz. 184.
-
-[732] Wollaston, over eenige muziekmakende Snuitkevers (Curculionidae),
-„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. VI, 1860, blz. 14.
-
-[733] „Zeitschrift für wiss. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 127.
-
-[734] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer G. R. Crotch,
-zoowel wegens de toezending van talrijke geprepareerde voorwerpen van
-verschillende torren, tot deze drie Families en andere behoorende, als
-wegens belangrijke inlichtingen van allerlei soort. Hij gelooft, dat
-het sjirpvermogen bij Clythra nog nooit te voren was waargenomen. Ik
-ben ook veel dank verschuldigd aan den heer E. W. Janson voor
-inlichtingen en voorwerpen. Ik mag hierbij voegen, dat mijn zoon, de
-heer F. Darwin, heeft ontdekt, dat Dermestes murinus sjirpt, maar hij
-zocht te vergeefs het daartoe dienende orgaan. Scolytus is onlangs door
-den heer Algen als een sjirpend insekt beschreven in het „Edinburgh
-Monthly Magazine”, 1869, Nov., 130.
-
-[735] Schiödte, vertaald in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XX,
-1867, blz. 37.
-
-[736] Westring heeft (Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, Bd. II.
-1848–1849, blz. 334) de sjirporganen zoowel bij deze twee, als bij
-andere Families beschreven. Van de Loopkevers (Carabidae) heb ik
-Elaphrus uliginosus en Blethisa multipunctata onderzocht, mij door den
-heer Crotch toegezonden. Bij Blethisa worden de dwarse ruggen op den
-gerimpelden rand van den ring van het achterlijf, voor zoover ik kon
-beoordeelen, niet gebruikt om de raspen op de dekschilden te schrappen.
-
-[737] Ik ben aan den heer Walsh, van Illinois, dank verschuldigd voor
-de toezending van uittreksels uit Leconte’s „Introduction of
-Entomology”, blz. 101, 143.
-
-[738] De heer P. de la Brulerie, aangehaald in „Journal of Travel”, A.
-Murray, vol. I, 1868, blz. 135.
-
-[739] De heer Doubleday meldt mij, dat „het geluid wordt voortgebracht,
-doordat het insekt zich zoo hoog, als het kan, op zijn pooten verheft,
-en dan zijn borststuk vijf of zes malen in snelle opeenvolging tegen de
-zelfstandigheid slaat, waarop het zit.” Voor mededeelingen aangaande
-dit onderwerp, zie Landois, „Zeitschrift für wissens. Zoolog.”, Bd.
-XVII, blz. 131. Olivier (aangehaald bij Kirby en Spence, „Introduct.”,
-vol. II, blz. 325) zegt, dat het wijfje van Pimelia striata een vrij
-sterk geluid voortbrengt door met haar achterlijf tegen de eene of
-andere harde zelfstandigheid te kloppen, „en dat het mannetje, aan
-dezen loktoon gehoor gevende, haar spoedig volgt, waarop zij paren.”
-
-[740] De sage zegt, dat Hercules, aan den Rhegiaanschen oever der
-rivier willende uitrusten, zoo werd gehinderd door het gesjirp der
-Cicaden, dat hij Zeus bad ze te doen verstommen. Zijn bede werd
-verhoord; aan den Rhegiaanschen oever werd na dien tijd nooit weêr het
-geluid van een Cicade vernomen, terwijl de Locrische oever van hun
-eentonig gesjirp bleef weêrgalmen. Deze fabel bewijst, dat er toch ook
-wel Grieken waren, die minder bewondering voor het gezang der Cicaden
-gevoelden.
-
-[741] Vandaar hadden de Atheners van goeden huize gouden Cicaden op het
-voorhoofd, of op de kruin van het hoofd in de haren gevlochten, of op
-het gevest van het zwaard, als zinnebeeld, dat zij autochthonen waren
-(Thucyd. I, 6; Scholiast op Aristophan.; Nubes vs. 984; Athenaeus XII,
-512, 6; Virgilius, Ciris, 126).
-
-[742] „Proc. Ent. Soc. of Lond.”, 1864, blz. 13.
-
-[743] Wij spreken hier van Sabelsprinkhanen, daar wij onderstellen, dat
-de hieronder medegedeelde waarneming van Mr. S. C. Snellen van
-Vollenhoven betrekking heeft op een der tot die familie behoorende
-soorten. Wanneer wij ons hierin vergissen en de bedoelde soort een der
-Veldsprinkhanen is, dan blijft onze redeneering toch volkomen in haar
-geheel; men heeft hier dan slechts te lezen Veldsprinkhanen, en het
-hier opgemerkte bij aanteekening 7 in plaats van bij aanteekening 6 te
-voegen.
-
-[744] De grenzen der waarneembare tonen zijn bij alle menschen niet
-geheel de zelfde. Helmholtz neemt aan, dat gemiddeld de laagste
-waarneembare toon overeenstemt met 16 trillingen per seconde, de
-hoogste waarneembare toon met 38000 trillingen per seconde. Elke toon
-die derhalve met minder dan 16 of meer dan 38000 trillingen per seconde
-overeenstemt, maakt geen indruk op ons gehoorwerktuig.
-
-[745] Apatura Iris: „The Entomologist’s Weekly Intelligencer”, 1859,
-blz. 139. Voor de kapellen van Borneo zie C. Collingwood, „Rambles of a
-Naturalist”, 1868, blz. 183.
-
-[746] Zie mijn „Journal of Researches”, 1845, blz. 33. De heer
-Doubleday („Proc. Ent. Soc.”, 3 Maart, 1845, blz. 123) heeft een
-bijzonderen vliezigen zak ontdekt aan de basis der voorvleugels, die
-waarschijnlijk met de voortbrenging van het geluid in verband staat.
-
-[747] „The Scottish Naturalist”, Juli 1872, blz. 213.
-
-[748] „Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.
-
-[749] Zie ook de verhandeling van den heer Bates in „Proc. Ent. Soc. of
-Philadelphia”, 1855, blz. 206. Ook den heer Wallace over het zelfde
-onderwerp, ten opzichte van Diadema, in „Transact. Entomolog. Soc. of
-London”, 1869, blz. 278.
-
-[750] „The Naturalist on the Amazons”, vol. I, 1863, blz. 19.
-
-[751] Zie het belangwekkende artikel in de „Westminster Review”, Juli,
-1867, blz. 10. Een houtsnede, Kallima voorstellende, is door den heer
-Wallace gegeven in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 196.
-
-[752] Zie de belangwekkende waarnemingen van den heer T. W. Wood, „The
-Student”, Sept. 1868, blz. 81.
-
-[753] De heer Wallace in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz.
-193.
-
-[754] Zie hierover ook de verhandeling van den heer Weir in „Transact.
-Ent. Soc.”, 1869, blz. 23.
-
-[755] „Westminster Review”, Juli 1867, blz. 16.
-
-[756] Bij voorbeeld, Lithosia; Prof. Westwood („Modern Class. of
-Insects”, vol. II, blz. 390) schijnt over dit geval verwonderd. Over de
-betrekkelijke kleuren van Dag- en Nachtvlinders, zie ibid., blz. 333 en
-392; ook Harris, „Treatise on the Insects of New England”, 1842, blz.
-315.
-
-[757] Dergelijke verschillen tusschen de boven- en ondervlakten der
-vleugels van verschillende soorten van Papilio kan men zien op de
-fraaie platen bij de verhandeling van den heer Wallace over de
-Papilionidae van Insulinde in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, part I,
-1865.
-
-[758] „Proc. Ent. Soc.”, 2 Maart, 1868.
-
-[759] Zie ook een mededeeling omtrent het Amerikaansche geslacht
-Erateina (een der Geometrae) in „Transact. Ent. Soc.”, new series, vol.
-V, pl. XV en XIV.
-
-[760] „Proc. Ent. Soc. of London”, 6 Juli, 1868, blz. XXVII.
-
-[761] Harris, „Treatise” enz., uitgegeven door Flint, 1862, blz. 395.
-
-[762] Ik merk bij voorbeeld in de insektenverzameling van mijn zoon op,
-dat de mannetjes bij Lasiocampa quercus, Odonestis potatoria, Hypogymna
-dispar, Dasychira pudibunda en Cycnia mendica veel donkerder zijn dan
-de wijfjes. Bij deze laatste soort is het verschil in kleur tusschen de
-beide seksen sterk sprekend; en de heer Wallace meldt mij, dat wij hier
-naar hij gelooft, een voorbeeld hebben van tot ééne sekse beperkte
-beschermende nabootsing („mimickry”), zooals later uitvoeriger zal
-worden verklaard. Het witte wijfje van de Cycnia gelijkt op de zeer
-algemeene Spilosoma menthastri, van welke beide seksen wit zijn; en de
-heer Stainton nam waar, dat deze laatste nachtvlinder met de grootste
-walging werd weggeworpen door een geheel broedsel jonge kalkoenen die
-andere nachtvlinders gaarne aten; zoodat, als Cycnia door de Britsche
-vogels gewoonlijk voor Spilosoma werd aangezien, zij zou ontsnappen aan
-het gevaar van te worden verslonden, en op die wijze zou haar
-bedriegelijke witte kleur haar in hooge mate voordeelig zijn.
-
-[763] „Rambles of a Naturalist in the Chinese Seas”, 1868, blz. 132.
-
-[764] „Nature”, 27 April 1871, blz. 508. De heer Meldola haalt Donzel
-aan, in „Soc. ent. de France”, 1837, blz. 77, over het vliegen der
-kapellen bij het paren. Zie ook den heer G. Fraser in „Nature”, 20
-April 1871, blz. 489, over de seksueele verschillen van verschillende
-Britsche kapellen.
-
-[765] Wallace, over de Papilionidae van Insulinde, in „Transact. Linn.
-Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 8, 36. Een treffend geval van een zeldzame
-verscheidenheid die juist tusschen twee andere goed uitgedrukte
-verscheidenheden van wijfjes in staat, wordt door den heer Wallace
-vermeld. Zie ook den heer Bates, in „Proc. Entomolog. Soc.”, 19 Nov.
-1866, blz. XL.
-
-[766] De heer R. MacLachlan, „Transact. Ent. Soc.”, vol. II, part 6th.,
-3rd series; 1866, blz. 459.
-
-[767] H. W. Bates, „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz.
-228, A. R. Wallace, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 10.
-
-[768] Zie over dit geheele onderwerp, „Het Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, hoofdstuk XXIII.
-
-[769] A. R. Wallace in „Journal of Travel”, vol. I, 1868, blz. 88.
-„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 37. Zie ook de heeren Wallace en
-Bates in „Proc. Ent. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XXXIX.
-
-[770] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,
-deel I, hoofdstuk XII, blz. 513.
-
-[771] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXIII, 1862, blz. 495.
-
-[772] „Proc. Ent. Soc.”, Dec. 1866, blz. XLV.
-
-[773] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 1; ook „Transact.
-Ent. Soc.”, vol. IV (3rd series), 1867, blz. 301. Trimen, „Linn.
-Transact.”, vol XXVI, 1869, blz. 497. Riley, „Third Annual Report on
-the Noxious Insects of Missouri”, 1871, blz. 163–168. Deze laatste
-verhandeling is belangrijk, omdat de heer Riley daarin alle
-tegenwerpingen bespreekt, die tegen de theorie van den heer Bates zijn
-gemaakt.
-
-[774] Zie een vernuftig artikel, getiteld, „Difficulties of the Theory
-of Natural Selection”, in de „Month”, 1869. Het is vreemd, dat de
-schrijver veronderstelt, dat ik de variaties in kleur van de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera), waardoor zekere soorten tot
-verschillende familie’s behoorende, er toe zijn gekomen om op elkander
-te gelijken, aan terugkeer tot de type van een gemeenschappelijken
-stamvader (atavisme) toeschrijf; er is echter niet meer reden om deze
-variaties aan atavisme toe te schrijven, dan in het geval van elke
-gewone variatie.
-
-[775] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 385.
-
-[776] „Proc. Entomolog. Soc.”, 3 Dec. 1866, blz. XIV en 4 Maart 1867,
-blz. LXXX.
-
-[777] Zie de verhandeling van den heer J. Jenner Weir over insekten en
-insektenetende vogels, in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 21; ook de
-verhandeling van den heer Butler, ibid., blz. 27.
-
-[778] Ik schreef reeds in de eerste uitgaaf dezer bewerking van de
-Afstamming van den Mensch, dat ik niet volkomen overtuigd was, dat het
-geluid van A. atropos werkelijk op de door Landois aangegeven wijze
-wordt voortgebracht; want Dr. M. C. Verloren heeft mij verzekerd, ook
-de pop, ja zelfs de rups van dezen vlinder een gelijksoortig, ofschoon
-zwakker geluid dan het volkomen insekt te hebben hooren voortbrengen.
-Is de door Landois gegeven verklaring onjuist, dan vervallen natuurlijk
-de gevolgtrekkingen omtrent andere Sphingidae die ribbetjes op de
-palpen bezitten.
-
-De heer R. T. Maitland zeide mij reeds in 1873, dat het geluidgevend
-orgaan van A. atropos de kropsgewijs gedilateerde oesophagus is; hij
-vond daarenboven, dat het geheele achterlijf (abdomen) met lucht gevuld
-en door een spiraalsgewijs gedraaid vlies als het ware in verschillende
-compartimenten verdeeld is; hij kon echter geen gemeenschap tusschen
-deze luchtreservoirs en den oesophagus ontdekken.
-
-In zijn „Thierstimmen” (Freiburg i/B., 1874) geeft Landois zelf ook een
-andere verklaring en zegt: „De doodshoofdvlinder heeft een stijf met
-lucht gevulde zuigblaas welke dicht vóór de eigenlijke maag ligt, het
-voorste gedeelte van het achterlijf inneemt en in het einde der
-spijsbuis uitmondt. Dit orgaan speelt wellicht een rol bij het opzuigen
-van honig en ander vloeibaar voedsel. De beide helften van de roltong
-sluiten van voren niet volkomen tegen elkander, maar laten een fijne
-spleet tusschen zich open. De toon ontstaat, doordat de lucht uit de
-zuigbuis door deze spleet wordt gedreven. Men kan zulks bewijzen door
-een dooden, maar nog niet verstijfden doodshoofdvlinder door den zuiger
-lucht in te blazen, waardoor het achterlijf opzwelt; drukt men dan op
-het achterlijf, dan houdt de toon aan, zoo lang men drukt.”
-
-Swinton vond in de mondholte van dezen vlinder, na den zuiger ver naar
-beneden te hebben gedrukt, een neêrhangend vlies dat bij het klinken
-van den toon sterk trilde, evenals de stembanden der hoogere dieren.
-
-Volgens deze laatste verklaringen kan men dus zeggen, dat de
-doodshoofdvlinder niet alleen sjirpt, maar een werkelijke stem, evenals
-de hoogere dieren, bezit.
-
-[779] Dr. M. C. Verloren deed mij echter terecht opmerken, dat deze
-verklaring niet gemakkelijk is overeen te brengen met het feit, dat A.
-atropos alleen geluid geeft als men haar aanraakt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN
-DE SEKSUEELE TEELTKEUS (DEEL 1 VAN 2) ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.