summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-24 23:17:34 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-24 23:17:34 -0800
commit759045e2d5edef37c1af7e1010035e2a55b53a60 (patch)
treeb22032ce7a7a56f27e98bc167b10e4006b983882
parent9cbbd26e798165d2aea55f1aebe77104912e04f2 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/69013-0.txt28426
-rw-r--r--old/69013-0.zipbin602901 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h.zipbin3106636 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/69013-h.htm27773
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig01.pngbin141958 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig02.pngbin25206 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig03.pngbin29698 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig04.pngbin147680 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig05.pngbin13920 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig06.pngbin5909 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig07.pngbin11167 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig08.pngbin78060 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig09.pngbin46344 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig10.pngbin62474 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig11.pngbin137427 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig12.pngbin24392 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig13.pngbin38561 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig14.pngbin28202 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig15.pngbin27493 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig16.pngbin16716 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig17.pngbin33631 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig18.pngbin6786 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig19.pngbin6839 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig20.pngbin19110 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig21.pngbin30451 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig22.pngbin25613 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig23.pngbin11667 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig24.pngbin11366 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig25.pngbin19163 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig26.pngbin8992 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig27.pngbin22744 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig28.pngbin14078 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig29.pngbin10814 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig30.pngbin168543 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig33.pngbin6810 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig34.pngbin12528 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig35.pngbin45547 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig36.pngbin23019 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig37.pngbin34478 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig38.pngbin31843 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig39.pngbin30110 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig40.pngbin24857 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig41.pngbin23616 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig42.pngbin23474 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig43.pngbin30867 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig44.pngbin19482 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig45.pngbin14025 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig46.pngbin11896 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig47.pngbin12664 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig48.pngbin11653 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig49.pngbin12234 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig50.pngbin12712 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig51.pngbin9741 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig52.pngbin38177 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig53.pngbin17678 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig54.pngbin13785 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig55.pngbin13093 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig56.pngbin11334 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/fig57.pngbin34436 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/front.jpgbin184778 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace10.pngbin1090 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace26.pngbin2045 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace3.pngbin319 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace4.pngbin374 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace5.pngbin361 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace6.pngbin276 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace7.pngbin272 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/lbrace8.pngbin725 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/p296.jpgbin166941 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/p308.pngbin23107 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/p381.pngbin66672 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/p382.pngbin53489 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/series-title.pngbin29006 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/spines.jpgbin99668 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/tbrace.pngbin1252 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/69013-h/images/titlepage.pngbin31319 -> 0 bytes
79 files changed, 17 insertions, 56199 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ac47be3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #69013 (https://www.gutenberg.org/ebooks/69013)
diff --git a/old/69013-0.txt b/old/69013-0.txt
deleted file mode 100644
index 06dd3b2..0000000
--- a/old/69013-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,28426 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De afstamming van den mensch en de
-seksueele teeltkeus (deel 1 van 2), by Charles Darwin
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus (deel 1
- van 2)
-
-Author: Charles Darwin
-
-Translator: H. Hartogh Heijs van Zouteveen
-
-Release Date: September 19, 2022 [eBook #69013]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH
-EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS (DEEL 1 VAN 2) ***
-
-
-
-
-
- DE AFSTAMMING
- VAN
- DEN MENSCH
- DE SEKSUEELE TEELTKEUS,
-
-
- DOOR
- CHARLES DARWIN.
-
- Naar de tweede herziene en veel vermeerderde Engelsche uitgave,
- (13de duizend), omgewerkt en van aanteekeningen voorzien,
-
- DOOR
- Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
- EERSTE DEEL.
-
- Arnhem-Nijmegen—Gebr. E. & M. COHEN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-Darwin’s Biologische Meesterwerken.
-
-III. De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.
-
-
-EERSTE DEEL.
-
-VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK
-door Dr. H. H. H. van Zouteveen blz. 1.
-
-VOORREDE VAN DE 2DE ENGELSCHE UITGAAF 5.
-
-INLEIDING 7.
-
-
-EERSTE GEDEELTE.
-
-De Afstamming van den Mensch.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
-
- Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.
- —Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere
- diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—
- Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar,
- geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen
- van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van
- den mensch blz. 11.
-
-AANTEEKENINGEN 33.
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM
-HEEFT ONTWIKKELD.
-
- Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.
- —Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij
- den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
- invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd
- gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de
- ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—
- Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke
- teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste
- geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn
- lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den
- opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het
- gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering
- der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—
- Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van
- den mensch blz. 52.
-
-AANTEEKENINGEN 99.
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.
-
- Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den
- minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn
- aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot
- navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—
- Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren
- gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen,
- zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de
- werkzaamheid van geesten, bijgeloof blz. 111.
-
-AANTEEKENINGEN 149.
-
-OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,
-door Dr. H. H. H. van Zouteveen 164.
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.—VERVOLG.
-
- Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van
- gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige
- leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is
- een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen
- andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen
- worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven
- worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De
- belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde
- maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke
- neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken
- vermelde feiten leiden blz. 180.
-
-AANTEEKENINGEN 215.
-
-WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH,
-door Dr. H. H. H. van Zouteveen 226.
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS
-GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.
-
- De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke
- teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke
- vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden
- stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken
- invloed uit—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat
- verkeerden blz. 237.
-
-AANTEEKENINGEN 260.
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
-
- Plaats van den mensch in het dierenrijk—Het natuurlijke stelsel
- berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe
- waarde—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den
- mensch en de apen—Rang van den mensch in het natuurlijke
- stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid
- van fossiele verbindingsleden—Lagere trappen in den stamboom van
- den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede
- uit het maaksel van zijn lichaam—Voormalige tweeslachtigheid
- (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit blz. 264.
-
-AANTEEKENINGEN 289.
-
-
-BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.
-
-STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN
-HET MENSCHELIJK GESLACHT, door Dr. P. Harting, in leven Hoogleeraar te
-Utrecht blz. 323.
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE MENSCHENRASSEN.
-
- De aard en waarde van soortkenmerken.—Toepassing op de
- menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der
- zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten
- (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van
- kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest
- tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den
- mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras
- stamt niet af van een enkel paar.—Het uit sterven van rassen.—Het
- ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed
- van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke
- teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele
- teeltkeus blz. 329.
-
-AANTEEKENINGEN 370.
-
-VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET
-MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN, door
-Professor Huxley, F. R. S. 389.
-
-AANTEEKENING 399.
-
-HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE
-VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, door Dr. H. H. H. van
-Zouteveen 400.
-
-AANTEEKENINGEN 430.
-
-
-TWEEDE GEDEELTE.
-
-De Seksueele Teeltkeus.
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
- Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat
- van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk
- door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het
- mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje
- uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke
- teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in
- overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de
- sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van
- erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de
- seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de
- verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele
- dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke
- sekse door natuurlijke teeltkeus blz. 434.
-
-AANTEEKENINGEN 501.
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE LAGERE KLASSEN VAN HET
-DIERENRIJK.
-
- Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende
- kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren
- (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer
- ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen dan op
- volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren;
- sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda) blz. 511.
-
-AANTEEKENINGEN 528.
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
-
- Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—
- Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet
- wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de seksen.—
- Springstaarten (Thysanura).—Tweelingen (Diptera).—Halfvleugeligen
- (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen (Homoptera); alleen de mannetjes
- bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—
- Rechtvleugeligen (Orthoptera); de muziekwerktuigen der mannetjes
- van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid; kleuren.—
- Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele kleurverschillen.—
- Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid en kleuren.
- —Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige bezitten groote
- horens, die blijkbaar tot versiering strekken; gevechten;
- sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen blz. 531.
-
-AANTEEKENINGEN 570.
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG.—ORDE DER
-SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).
-
- Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan
- beide seksen gemeen of het schitterendst bij de mannetjes.—
- Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de rechtstreeksche
- werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming
- geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—
- Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—
- Oorzaken van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.
- —Nabootsing, vrouwelijke Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn
- dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en
- slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der
- Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten blz. 575.
-
-AANTEEKENINGEN 607.
-
-
-SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.
-
-DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, door C. Darwin (vertaald uit Nature,
-vol. XXI, 1880, blz. 237) blz. 612.
-
-AANTEEKENINGEN 614.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DARWINS BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN.
-
-III. DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
-
-VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK
-DOOR Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
-Charles Darwin zegt in zijn autobiographie (voorkomende in het in 1888
-verschenen werk van zijn zoon Francis Darwin „The Life and Letters of
-Charles Darwin”) omtrent zijn werk over de afstamming van den mensch
-het volgende:
-
-„Mijn „Descent of Man” (Afstamming van den Mensch) verscheen in 1871.
-Zoodra ik, in het jaar 1837 of 1838, overtuigd was geworden, dat de
-soorten veranderlijke voortbrengselen der natuur zijn, kon ik mij niet
-losmaken van het geloof, dat ook de mensch aan de zelfde wet
-onderworpen moest zijn. Ik verzamelde daarom aanteekeningen over dat
-onderwerp voor mijn eigen genoegen, en het duurde lang, eer ik het
-voornemen opvatte ze uit te geven. Ofschoon in de „Origin of Species”
-(Ontstaan der Soorten) nergens over de afstamming van een enkele
-bepaalde soort wordt gesproken, achtte ik het toch het best, opdat geen
-man van eer mij zou kunnen beschuldigen, dat ik mijn gevoelen verzweeg,
-daarin te vermelden, dat door dit werk „licht zou worden geworpen op
-den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis.” [1] Het zou
-nutteloos en schadelijk voor het succes van het boek zijn geweest, zoo
-ik, zonder eenige bewijzen te geven, met mijn overtuiging omtrent zijn
-oorsprong had gepronkt.
-
-„Toen ik echter bevond, dat vele natuuronderzoekers de leer van de
-ontwikkeling der soorten volkomen aannamen, scheen het mij raadzaam al
-de aanteekeningen, die ik bezat, uit te werken en een bijzondere
-verhandeling omtrent den oorsprong van den mensch uit te geven. Ik was
-des te meer belust zulks te doen, omdat het mij gelegenheid gaf tot
-uitvoerige bespreking van de seksueele teeltkeus—een onderwerp, waarin
-ik altijd zeer veel belang had gesteld. Dit onderwerp, en dat van het
-varieeren der huisdieren en cultuurplanten [2], benevens de oorzaken en
-wetten van het varieeren, de erfelijkheid en het kruisen der planten
-met elkander, zijn de eenige onderwerpen, waarover ik in staat ben
-geweest zoo uitvoerig te schrijven, dat ik alle bouwstoffen gebruikte,
-die ik er over had verzameld. [3] Het schrijven van de „Descent of Man”
-hield mij drie jaar bezig, maar gelijk gewoonlijk ging een gedeelte van
-dien tijd verloren door mijn slechte gezondheid, en een ander gedeelte
-daarvan werd verbruikt door het voor de pers gereed maken van nieuwe
-uitgaven van vroegere werken en andere kleinere verhandelingen. Een
-tweede en veel vermeerderde uitgaaf van de „Descent” verscheen in
-1874.”
-
-In het tweede deel van de „Life and Letters of Charles Darwin”, waarin
-één hoofdstuk geheel en twee hoofdstukken gedeeltelijk aan de „Descent
-of Man” zijn gewijd, deelt Francis Darwin o.a. nog mede, dat in
-Februari 1867, toen het handschrift van het boek over „The Variation of
-Animals and Plants under Domestication” (Het Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten) naar den drukker was gezonden, zijn vader een
-„Hoofdstuk over den Mensch” begon te schrijven, maar spoedig bevond,
-dat het onder zijn handen zoo aangroeide, dat hij besloot het
-afzonderlijk uit te geven als een „zeer klein boekje.” Die arbeid werd
-echter afgebroken door de noodzakelijkheid om de proeven van de
-„Variation of Animals and Plants” te verbeteren en door eenige
-botanische onderzoekingen, en niet vóór het volgende jaar kon hij hem
-weder opvatten en zich geheel daaraan wijden.
-
-Uit het bovenstaande volgt de nauwe samenhang van de „Afstamming van
-den Mensch” met het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-waarvan het oorspronkelijk slechts een hoofdstuk zou zijn. Evenzoo
-hangt het „Varieeren der Huisdieren enz.” weder ten nauwste zamen met
-het „Ontstaan der Soorten”, welke het uitbreidt en met nadere bewijzen
-versterkt. Zoo vormen deze drie werken een ondeelbaar geheel. De
-seksueele teeltkeus, in de beide eerstverschenen werken slechts ter
-loops vermeld, wordt in dit derde uitvoerig behandeld.
-
-Ik had, toen de derde druk van mijn Nederlandsche bewerking van de
-„Afstamming van den Mensch” verscheen, mij niet durven vleien, dat ze
-reeds in 1889 geheel uitverkocht en een vierde druk noodzakelijk zou
-zijn. Ik onderstel, dat bijna ieder, die dezen vierden druk leest,
-eerst de drie eerste deelen dezer serie, bevattende het Ontstaan der
-Soorten, het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten en eenige
-kleinere biologische geschriften zal hebben gelezen, hetgeen hem het
-recht begrip van het onderhavige werk veel gemakkelijker zal maken.
-Voor hen die deze drie eerste deelen niet hebben gelezen, zullen
-enkelen der aanteekeningen, welke ik achter de hoofdstukken van dit
-werk heb bijgevoegd, waarschijnlijk veel verduidelijken. Die
-aanteekeningen zijn grootendeels de zelfde als in den vorigen druk;
-zeer enkele zijn naar het „Ontstaan der Soorten” en het „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten” overgebracht, een paar der minst
-beduidende geschrapt, een paar andere verplaatst en bijgewerkt en
-enkele nieuwe bijgevoegd. Al te uitvoerig kon dit echter niet
-geschieden, om het boek niet al te lijvig te doen worden.
-
-De van Darwin’s meening gedeeltelijk afwijkende gevoelens omtrent den
-oorsprong der hoogste geestvermogens, welke Wallace in zijn
-„Darwinism”, 1889, heeft publiek gemaakt, mochten hier wegens de groote
-beteekenis die Wallace voor het Darwinisme heeft en wegens de
-belangrijkheid van zijn boven aangehaald werk, waaraan wij in onze
-aanteekeningen op „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” zoo
-menige aanvulling en uitbreiding van Darwins leer en zoo menige
-scherpzinnige opmerking hebben ontleend, hier niet worden doodgezwegen,
-ofschoon wij in geenen deele met de door Wallace gegeven verklaring van
-het ontstaan dier vermogens kunnen instemmen.
-
-Ook Wallace’s, van die van Darwin afwijkende, in het zelfde werk
-uiteengezette meening omtrent de seksueele teeltkeus, en in verband
-daarmede omtrent de beteekenis der kleur in de organische wereld in het
-algemeen, vereischten een nadere uiteenzetting.
-
-Verder scheen het ons wenschelijk, een overzicht in dit werk in te
-lasschen van Julius Lippert’s beschouwingen over den oorsprong der
-spraak en taal.
-
-Een paar kleine geschriften van Darwin, die totdusver nog niet in het
-Nederlandsch waren verschenen, zijn ter behoorlijker plaatse
-ingelascht.
-
-Eindelijk heeft mijne verhandeling over het oorspronkelijk vaderland
-van den mensch en de oudste volksverhuizingen eenige uitbreiding en
-wijziging ondergaan, waardoor tevens gelegenheid ontstond over eenige
-in nauw verband daarmede staande vraagstukken eenigszins uitvoeriger te
-bespreken.
-
-
-
-
-
-VOORREDE VAN DE 2de ENGELSCHE UITGAAF.
-
-
-Gedurende de achtereenvolgende herdrukken van de eerste, in 1871
-verschenen uitgaaf van dit werk, was ik in staat om onderscheidene
-belangrijke verbeteringen aan te brengen; en thans, nu er meer tijd is
-verloopen, heb ik mijn voordeel gedaan met de vuurproef, die het boek
-had ondergaan en gebruik gemaakt van al de kritieken die mij gegrond
-schenen te zijn. Ik ben ook aan een groot aantal correspondenten de
-mededeeling verschuldigd van een verwonderlijk aantal nieuwe feiten en
-opmerkingen. Deze zijn zoo talrijk geweest, dat ik alleen de meest
-belangrijke heb kunnen gebruiken, en van deze, zoowel als van de
-belangrijkste verbeteringen, zal ik een lijst hierachter laten volgen.
-Eenige nieuwe houtsneden zijn in het werk opgenomen, en vier der oude
-zijn vervangen door betere, naar het leven geteekend door den heer T.
-W. Wood. Ik moet vooral de aandacht vestigen op eenige opmerkingen, die
-ik aan de vriendelijkheid van Prof. Huxley verschuldigd ben (gegeven
-als een Supplement op het einde van het Eerste Gedeelte) over den aard
-der verschillen tusschen de hersenen van den mensch en die der hoogere
-apen. Ik ben bijzonder blijde geweest, dat ik die opmerkingen kon
-mededeelen, omdat over dat onderwerp op het vasteland in de
-allerlaatste jaren onderscheidene verhandelingen zijn verschenen, en
-dat de belangrijkheid daarvan in sommige gevallen door populaire
-schrijvers erg is overdreven.
-
-Ik veroorloof mij bij deze gelegenheid op te merken, dat mijn critici
-dikwijls verzekeren, dat ik alle veranderingen in het lichamelijk
-maaksel en de geestvermogens uitsluitend daaraan toeschrijf, dat de
-natuur bepaalde zoogenaamd spontane verscheidenheden voor de
-voortplanting uitkiest; terwijl ik toch, zelfs in de eerste uitgaaf van
-het „Ontstaan der Soorten”, duidelijk uitsprak, dat men groot gewicht
-moet hechten aan de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, zoowel
-ten opzichte van het lichaam als van den geest. Ik schreef ook een
-zekere hoeveelheid wijzigingen toe aan de rechtstreeksche en
-voortdurende werking van gewijzigde levensvoorwaarden. Ook moeten wij
-eenigen invloed toeschrijven aan nu en dan voorkomende atavismen, en
-moeten ook datgene niet vergeten, wat ik correlatie van groei heb
-genoemd, waarmede ik bedoelde, dat verschillende deelen van het
-organisme op de eene of andere onbekende wijze zoodanig met elkander in
-verband staan, dat als één daarvan verandert, ook de anderen het doen;
-en indien veranderingen in het eene door natuurlijke teeltkeus worden
-opgehoopt (en dus grooter gemaakt), ook andere deelen wijzigingen
-zullen ondergaan. Ook is door verscheidene critici gezegd, dat ik,
-bevonden hebbende dat vele bijzonderheden in het maaksel van den mensch
-niet door natuurlijke teeltkeus konden worden verklaard, de seksueele
-teeltkeus had uitgevonden; ik gaf echter een vrij duidelijke schets van
-dit beginsel in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, en
-verklaarde toen reeds, dat het op den mensch kon worden toegepast. Dit
-onderwerp (de seksueele teeltkeus) wordt in het onderhavige werk
-uitvoerig behandeld, eenvoudig omdat mij daarin voor het eerst
-gelegenheid daartoe werd gegeven. Ik ben getroffen geweest door de
-gelijkenis van velen der halfgunstige critieken omtrent de seksueele
-teeltkeus met die, welke in het eerst omtrent de natuurlijke teeltkeus
-verschenen; zooals, dat zij wellicht eenige weinige bijzonderheden kon
-verklaren, maar zeker niet in zoo uitgebreiden zin toepasselijk was,
-als ik meende. Mijn overtuiging omtrent het vermogen der seksueele
-teeltkeus blijft ongeschokt, doch het is waarschijnlijk, of nagenoeg
-zeker, dat onderscheidenen mijner besluiten later onjuist zullen worden
-bevonden; dit kan moeilijk anders, wanneer men een onderwerp voor de
-eerste maal behandelt. Als de natuuronderzoekers gemeenzaam zijn
-geworden met het denkbeeld van seksueele teeltkeus, zal deze, naar ik
-vermeen, veel meer algemeen worden aangenomen; en zij heeft reeds een
-volkomen gunstig onthaal gevonden bij verscheidene bevoegde
-beoordeelaars.
-
-
-Down, Beckenham, Kent,
-September 1874.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH;
-EN OVER
-TEELTKEUS MET BETREKKING TOT DE SEKSE.
-
-
-INLEIDING.
-
-
-De aard van het volgende werk zal het beste worden begrepen door een
-korte mededeeling der redenen, die mij aanleiding gaven het te
-schrijven. Gedurende vele jaren verzamelde ik aanteekeningen over den
-oorsprong of afstamming van den mensch, zonder eenig voornemen om iets
-over dat onderwerp in het licht te geven, of liever met het stellige
-voornemen om niets daarover in het licht te geven, daar ik meende, dat
-ik daardoor het vooroordeel tegen mijn beschouwingen slechts zou doen
-toenemen. Het scheen mij voldoende, in de eerste uitgaaf van mijn
-„Ontstaan der Soorten” aan te stippen, dat door dit werk „licht zou
-worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis”,
-en hierin ligt opgesloten, dat elk algemeen besluit omtrent de wijze,
-waarop de organische wezens op aarde zijn verschenen, ook op den mensch
-toepasselijk is. Op dit oogenblik echter verschijnt de zaak in een
-geheel ander daglicht. Als een zoo beroemd natuuronderzoeker als Carl
-Vogt niet schroomt om in zijn toespraak als President van het Nationale
-Instituut van Genève (1869) te zeggen: „personne, en Europe au moins,
-n’ose plus soutenir la création indépendante et de toutes pièces des
-espèces”, dan is het duidelijk, dat ten minste een groot aantal
-natuuronderzoekers moeten aannemen, dat de tegenwoordig levende soorten
-de gewijzigde afstammelingen van andere soorten zijn; en dit is vooral
-het geval met de jonge en opkomende natuuronderzoekers. Het grootste
-gedeelte van hen nemen de werking der natuurlijke teeltkeus aan, schoon
-sommigen beweren, of het met recht is, moet de toekomst beslissen, dat
-ik de belangrijkheid er van veel te hoog heb geschat. Van de oudere en
-geëerde hoofden in de natuurwetenschap zijn ongelukkig velen nog
-tegenstanders van de ontwikkelingstheorie in welken vorm dan ook.
-
-Ten gevolge van de beschouwingen, die tegenwoordig door de meeste
-natuuronderzoekers worden aangenomen, en die ten laatste, evenals in
-elk ander geval, door andere menschen zullen worden gedeeld, ben ik er
-toe gekomen om mijn aanteekeningen bijeen te brengen, om daardoor te
-zien in hoeverre de algemeene besluiten, waartoe ik in mijn vorige
-werken kwam, op den mensch toepasselijk waren. Dit scheen mij des te
-wenschelijker, daar ik met opzet deze beschouwingen nog nooit op ééne
-enkele soort, afzonderlijk genomen, had toegepast. Als wij onze
-aandacht tot een bepaalden vorm beperken, zijn wij beroofd van de
-gewichtige bewijsgronden, welke worden afgeleid uit den aard der
-verwantschappen, die geheele groepen van organismen onderling
-verbinden—hun geographische verspreiding, zoowel in vroegere tijdvakken
-als tegenwoordig, en hun geologische opeenvolging. De homologe
-structuur(1), embryologische ontwikkeling en rudimentaire organen(2)
-van een soort, hetzij het de mensch of eenig ander dier zij, waarop
-onze aandacht is gevestigd, blijven ter overweging over; maar deze
-groote klassen van feiten leveren, dunkt mij, overvloedige en afdoende
-bewijsgronden op ten gunste van het beginsel van trapsgewijze
-ontwikkeling. De sterke steun, dien de andere bewijsgronden daaraan nog
-geven, moet echter steeds in acht worden genomen.
-
-Het eenige doel van dit werk is om na te gaan, eerstens, of de mensch,
-evenals elke andere diersoort, van dezen of genen vroeger bestaan
-hebbenden vorm afstamt; ten tweede, de wijze, waarop hij zich heeft
-ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen tusschen de
-zoogenaamde menschenrassen. Daar ik mij tot deze punten wil beperken,
-zal het niet noodig zijn de verschilpunten tusschen de onderscheidene
-rassen uitvoerig te beschrijven—een hoogst uitgebreid onderwerp, dat in
-vele uitnemende werken grondig is besproken. De hooge oudheid van het
-menschelijk geslacht is sedert korten tijd bewezen door de
-onderzoekingen van een menigte uitstekende mannen, te beginnen met den
-heer Boucher de Perthes(3); en dit is een onmisbare grondslag voor het
-begrijpen van deszelfs oorsprong. Ik zal daarom dit feit voor bewezen
-houden, en mijn lezers verwijzen naar de bewonderenswaardige
-verhandelingen van Sir Charles Lyell(4), Sir John Lubbock en anderen.
-Ik zal ook geen gelegenheid hebben om meer te doen dan te zinspelen op
-de hoegrootheid van het verschil tusschen den mensch en de
-anthropomorphe apen; want Prof. Huxley heeft volgens de meening van
-zeer bevoegde rechters overtuigend aangetoond, dat de mensch in elk
-afzonderlijk zichtbaar kenmerk minder verschilt van de hoogere apen,
-dan deze van de lagere leden der zelfde orde van de Primaten.
-
-Dit werk bevat bijna geen enkel nieuw feit omtrent den mensch; maar
-daar de besluiten, waartoe ik na een ruwe optelling kwam, mij
-belangrijk voorkwamen, dacht ik, dat ook anderen er wellicht belang in
-konden stellen. Men heeft dikwijls met het meeste zelfvertrouwen
-verzekerd, dat de oorsprong van den mensch nimmer bekend kan worden;
-maar onwetendheid leidt dikwijls meer tot zelfvertrouwen dan grondige
-kennis; slechts zij die weinig weten, en geenszins zij die veel weten,
-verzekeren zoo stellig, dat het eene of andere vraagstuk nimmer door de
-wetenschap zal worden opgelost. Het besluit, dat de mensch gezamenlijk
-met andere soorten van den eenen of anderen ouden, lageren en
-uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet nieuw. Lamarck kwam reeds
-lang geleden tot dit besluit, dat onlangs door verscheidene beroemde
-natuurkundigen en wijsgeeren is verdedigd; bij voorbeeld door Wallace,
-Huxley, Lyell, Vogt, Lubbock, Büchner, Rolle enz. [4], en vooral door
-Haeckel. Deze laatste natuuronderzoeker heeft, behalve zijn groot werk
-„Generelle Morphologie” (1866) onlangs (1868, met een tweede uitgaaf in
-1870) zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte” uitgegeven, waarin hij de
-afstamming van den mensch uitvoerig bespreekt. (5) Ware dit werk in het
-licht verschenen, voor mijn geschrift geheel was geschreven, dan zou ik
-het waarschijnlijk nooit hebben voltooid. Bijna al de besluiten,
-waartoe ik ben gekomen, vind ik door dezen natuuronderzoeker bevestigd,
-wiens kennis op vele punten veel vollediger is dan de mijne. Overal
-waar ik eenig feit of gevoelen uit Prof. Haeckel’s geschriften hieraan
-heb toegevoegd, geef ik zulks in den tekst op; andere opgaven laat ik
-zooals zij oorspronkelijk in mijn handschrift stonden, nu en dan in de
-noten naar zijn werken verwijzende, als een bevestiging van de meer
-twijfelachtige of belangrijke punten.
-
-Sinds vele jaren scheen het mij zeer waarschijnlijk, dat de seksueele
-teeltkeus een groote rol had gespeeld bij het differentieeren der
-menschenrassen; maar in mijn „Ontstaan der Soorten” stelde ik mij
-tevreden met slechts te zinspelen op dit geloof. Toen ik er toe kwam,
-om dit gevoelen op den mensch toe te passen, vond ik het volstrekt
-noodig dit geheele onderwerp zeer uitvoerig te behandelen. [5] Ten
-gevolge daarvan is het tweede gedeelte van dit werk, dat over de
-teeltkeus met betrekking tot de sekse handelt, tot een, in vergelijking
-van het eerste gedeelte, zeer onevenredige lengte aangegroeid, maar dit
-kon niet worden vermeden.
-
-Ik was eerst voornemens bij deze deelen nog een verhandeling te voegen
-over het uitdrukken der verschillende gemoedsaandoeningen bij den
-mensch en de lagere dieren. Mijn aandacht werd reeds vele jaren geleden
-op dit onderwerp gevestigd door het bewonderenswaardige werk van Sir
-Charles Bell. Deze beroemde ontleedkundige beweert, dat de mensch
-sommige spieren alleen bezit, ten einde daarmede zijn
-gemoedsaandoeningen uit te drukken. Daar dit gevoelen klaarblijkelijk
-in tegenspraak is met het geloof, dat de mensch van dezen of genen
-lageren vorm afstamt, was het noodig, dat ik het behandelde. Ik
-wenschte eveneens uit te maken, in hoeverre de gemoedsaandoeningen door
-de verschillende menschenrassen op de zelfde wijze worden uitgedrukt.
-Met het oog op de lengte van het onderhavige werk, heb ik echter
-gemeend, dat het beter was mijn verhandeling, die gedeeltelijk is
-voltooid, voor een afzonderlijke uitgave te bewaren.
-
-
-Ch. DARWIN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE GEDEELTE.
-
-DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
-
- Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.
- —Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere
- diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—
- Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar,
- geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen
- van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch.
-
-
-Hij die wil beslissen, of de mensch een gewijzigde afstammeling is van
-dezen of genen vorm die vroeger heeft bestaan, zal waarschijnlijk eerst
-onderzoeken, of er bij den mensch verschillen bestaan, in hoe geringen
-graad dan ook, ten opzichte van het maaksel van zijn lichaam en van
-zijn geestvermogens; zoo ja, of die verschillen op zijn afstammelingen
-worden overgeplant volgens de zelfde wetten, die zich bij de lagere
-diersoorten doen gelden; zooals b.v. het overplanten van kenmerken op
-den zelfden ouderdom, de zelfde sekse. Verder nog, of die verschillen,
-zoover wij daarover bij onze geringe kennis kunnen oordeelen, het
-gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken, of zij worden beheerscht
-door de zelfde wetten als bij andere organismen; b.v. door
-correlatie(6), door de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik,
-enz.? Is de mensch onderhevig aan gelijksoortige misvormingen, die het
-gevolg zijn van stilstand in de ontwikkeling(7), van reduplicatie van
-deelen(8) enz., en blijkt uit een van zijn anomalieën het terugkeeren
-tot eenig vroeger en ouder type van organisatie?(9) Men zou natuurlijk
-ook moeten vragen, of de mensch, evenals zoovele andere dieren, het
-aanzijn heeft gegeven aan verscheidenheden en onder-rassen, die maar
-weinig van elkander verschillen, of aan rassen, die zooveel verschil
-opleveren, dat men moet betwijfelen, of het geen onderscheidene soorten
-zijn? Hoe zijn die rassen over de wereld verspreid; en hoe wijzigen zij
-elkander, zoowel in de eerste als in de volgende generaties, wanneer
-zij zich vermengen? En evenzoo is het met vele andere punten.
-
-Hij die dit onderzoekt, zou dan tot de volgende gewichtige vraag komen:
-streeft de mensch naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat daardoor
-somtijds een hevige strijd voor het leven ontstaat, en dus de
-voordeelige wijzigingen, hetzij van lichaam of ziel, behouden blijven
-en de schadelijke uitsterven? Benadeelen de rassen of soorten van
-menschen (welken naam men daarvoor ook wil gebruiken) elkander en
-verdringt het ééne het andere, zoodat er eenigen ten laatste geheel
-worden uitgeroeid? Wij zullen zien, dat al deze vragen, zooals ook
-duidelijk is ten opzichte van de meesten daarvan, bevestigend moeten
-worden beantwoord, op de zelfde wijze als bij de lagere diersoorten. De
-verschillende bovenvermelde beschouwingen kunnen echter zeer gepast tot
-later worden uitgesteld; en eerst willen wij zien, in hoeverre het
-maaksel van het menschelijk lichaam meer of minder duidelijke sporen
-van zijn afstamming van dezen of genen lageren vorm vertoont. In de
-twee volgende hoofdstukken zullen wij de geestvermogens van den mensch
-met die van de lagere diersoorten vergelijken.
-
-Maaksel van het menschelijk lichaam.—Het is algemeen bekend, dat de
-mensch is gebouwd volgens den zelfden grondvorm of type als de andere
-zoogdieren. Al de beenderen van zijn geraamte kunnen worden vergeleken
-met de overeenkomstige beenderen in een aap, vleêrmuis of zeehond.
-Evenzoo is het met zijn spieren, zenuwen, bloedvaten of ingewanden. De
-hersenen, het belangrijkste van alle organen, volgen de zelfde wet,
-zooals Huxley en andere ontleedkundigen hebben aangetoond. Bischoff
-[6], een getuige die tot onze tegenpartij behoort, geeft toe, dat elke
-hoofd-spleet en winding in de hersenen van den mensch overeenstemt met
-een spleet of winding in de hersenen van een orang-oetan, maar, voegt
-hij er bij, er is geen tijdstip van hun ontwikkeling, waarop zij
-volmaakt overeenkomen; dit kon men ook niet verwachten; want dan zouden
-hun geestvermogens de zelfde moeten zijn. Vulpian [7] merkt op: „Les
-différences réelles, qui existent entre l’encéphale de l’homme et celui
-des singes supérieurs, sont bien minimes. Il ne faut pas se faire
-d’illusions à cet égard. L’homme est bien plus près des singes
-anthropomorphes par les caractères anatomiques de son cerveau, que
-ceux-ci ne le sont non seulement des autres mammifères, mais même de
-certains quadrumanes, des guenons et des macaques.”(10) Het zou echter
-overtollig zijn hier verdere bijzonderheden op te geven omtrent de
-overeenkomst, die tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren in het
-maaksel der hersenen en van alle andere lichaamsdeelen bestaat.
-
-Het is echter wellicht de moeite waard eenigszins meer in het bijzonder
-enkele punten te behandelen, die niet rechtstreeks of niet zoo
-duidelijk in verband staan met het maaksel, doch waardoor deze
-overeenstemming of verwantschap goed wordt aangetoond.
-
-De mensch kan zekere ziekten, zooals watervrees, koepokken, droes,
-enz., van de lagere diersoorten overnemen of ze aan hen mededeelen; en
-dit feit bewijst de groote gelijkvormigheid van hun weefsel en bloed,
-zoowel in den fijneren bouw als in samenstelling, veel duidelijker dan
-de vergelijking ervan onder het beste mikroskoop, of door middel van de
-beste scheikundige ontleding. Apen zijn vatbaar voor vele
-niet-besmettelijke ziekten, waaraan ook wij onderhevig zijn; zoo vond
-Rengger [8], die lang en zorgvuldig den Cebus Azarae in zijn vaderland
-gadesloeg, dat dit dier voor verkoudheid vatbaar was, met de gewone
-verschijnselen, en dat, wanneer die verkoudheid zich dikwijls
-herhaalde, zij aanleiding gaf tot tering. Deze apen leden ook aan
-beroerten, ontsteking in de ingewanden en grauwe staar. De jongen
-stierven dikwijls aan de koorts, wanneer zij hunne melktanden verloren.
-Geneesmiddelen hadden bij hen de zelfde uitwerking als bij ons. Vele
-soorten van apen houden zeer veel van thee, koffie en geestrijke
-dranken; ook rooken ze, zooals ik zelf heb gezien, met smaak tabak.
-Brehm beweert, dat de inboorlingen van Noord-Oost-Afrika de wilde
-bavianen vangen door bakken met zwaar bier neêr te zetten, waardoor zij
-dronken worden gemaakt. Hij heeft er eenigen, die hij in gevangen staat
-bezat, in dien toestand gezien, en hij geeft een lachwekkend verhaal
-van hun gedrag en wonderlijke grimassen. Den volgenden dag waren ze
-zeer verdrietig en neêrslachtig; zij hadden hoofdpijn, hielden hun kop
-met beide handen vast en zagen er beklagenswaardig uit; als men hun
-bier of wijn voorhield, wendden zij zich met walging af, maar
-limoen-sap dronken zij met smaak. [9] Een Amerikaansche aap, een
-Ateles-soort, die van brandewijn dronken was geweest, wilde dien nooit
-meer aanraken en handelde dus verstandiger dan menig mensch. Deze
-kleine feiten bewijzen hoeveel overeenkomst er moet zijn tusschen de
-smaakzenuwen van apen en menschen, en hoeveel overeenkomst er is in de
-wijze, waarop hun geheele zenuwstelsel wordt aangedaan.
-
-De mensch wordt gekweld door inwendige parasieten en soms met
-noodlottig gevolg; hij wordt ook geteisterd door uitwendige parasieten,
-die allen tot de zelfde genera of families behooren, als die waarmede
-andere zoogdieren zijn behept. De mensch is evenals andere zoogdieren,
-vogels en zelfs insekten [10] aan die geheimzinnige wet onderworpen,
-die zekere normale processen zooals de zwangerschap en evenzoo de
-ontwikkeling en den duur van vele ziekten volgens tijdperken doet
-plaats hebben, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn.
-(11) Zijn wonden herstellen door het zelfde genezingsproces; en de
-stompen, die bij afzetting van zijn ledematen overblijven, hebben,
-voornamelijk in een vroege embryonale periode, een zeker
-regeneratievermogen, evenals bij de laagste diersoorten. [11]
-
-Bij alle zoogdieren is er in het geheele verloop van de voortplanting
-der soort, die hoogst belangrijke functie, een treffende overeenkomst
-van het oogenblik af, dat het mannetje het eerst zijn begeerlijkheid
-toont [12] tot aan de geboorte en de voeding van de jongen toe. De apen
-komen bijna even hulpeloos ter wereld als onze eigene kinderen (13) en
-bij zekere genera is er in het uiterlijk aanzien evenveel verschil
-tusschen de jongen en de volwassenen, als tusschen onze kinderen en hun
-volwassen ouders. [13] Sommige schrijvers hebben als een belangrijk
-verschil aangevoerd, dat bij den mensch de jongen veel later volwassen
-worden dan bij eenig ander dier; maar, wanneer wij de menschenrassen
-beschouwen die tusschen de keerkringen wonen, is het verschil niet
-groot; want van den orang wordt algemeen aangenomen, dat hij niet
-volwassen is voor zijn 10de of 15de jaar. [14] De man verschilt van de
-vrouw in grootte, lichaamskracht, behaardheid enz. zoowel als in
-inborst op de zelfde wijze, als de beide seksen van vele andere
-zoogdieren. Kortom men kan bijna niet te ver gaan in het aannemen van
-een zeer nauwe overeenkomst in het algemeene maaksel, in de fijnere
-structuur der weefsels, de chemische samenstelling en in constitutie
-bij den mensch en de hoogere diersoorten, voornamelijk de
-anthropomorphe apen. (14)
-
-
-Embryonale ontwikkeling.—De mensch ontwikkelt zich uit een eitje dat
-ongeveer 1⁄50 centimeter middellijn heeft en in geen enkel opzicht van
-de eitjes van andere dieren verschilt. De embryo zelf kan in een zeer
-vroeg tijdperk van zijn ontwikkeling nauwelijks van dien van andere
-gewervelde dieren worden onderscheiden. In dat tijdperk vormen de
-slagaderen boogsgewijze takken, als ware het om het bloed naar kieuwen
-te voeren, die bij de hoogere gewervelde dieren niet aanwezig zijn,
-hoewel aan beide zijden van den hals nog spleten voorkomen (f, g, Fig.
-1) waardoor hun vroegere plaats wordt aangegeven. In een eenigszins
-later tijdperk, waarop de ledematen zich ontwikkelen, „ontstaan”,
-zooals de beroemde Von Baer opmerkt, „de pooten der hagedissen en
-zoogdieren, de vleugels en pooten der vogels en evenzoo de handen en
-voeten van den mensch, allen uit den zelfden grondvorm.” „Alleen in de
-latere tijdperken van zijn ontwikkeling”, zegt Prof. Huxley [15],
-„vertoont het jonge menschelijke wezen bepaalde verschillen met een
-jongen aap, terwijl deze laatste in de wijze van zijn ontwikkeling
-evenveel van den hond verschilt, als de mensch. Hoe onaangenaam deze
-laatste bewering ons ook moge verrassen, zij is volkomen juist en
-onwederlegbaar te bewijzen.”
-
-Daar sommigen mijner lezers wellicht nimmer een afbeelding van een
-embryo hebben gezien, geef ik er hier een van dien van den mensch en
-een andere van dien van den hond, beide ongeveer in het zelfde vroege
-tijdperk hunner ontwikkeling, zorgvuldig gekopiëerd uit twee werken van
-onbetwistbare nauwkeurigheid. [16] (Fig. 1)
-
-Na de voorgaande getuigenissen, afgelegd door zoo groote autoriteiten,
-zou het overtollig zijn, als ik van mijn zijde een groot aantal
-nageschreven bijzonderheden mededeelde om aan te toonen, dat de
-menschelijke embryo zeer veel op dien van andere zoogdieren gelijkt. Er
-dient echter te worden bijgevoegd, dat de menschelijke embryo eveneens
-in verschillende bijzonderheden van zijn maaksel gelijkt op sommige
-lagere vormen, wanneer deze volwassen zijn. Zoo bestaat b.v. het hart
-eerst slechts uit een eenvoudig kloppend vat; de uitwerpselen worden
-door een cloaca (15) ontlast, en het koekoeksbeen (os coccyx) steekt
-uit als een ware staart, „zich aanmerkelijk voorbij de rudimentaire
-beenen uitstrekkende.” [17] Bij de embryo’s van alle luchtademende
-gewervelde dieren komen zekere klieren, de corpora Wolffiana genaamd,
-overeen met de nieren van volwassen visschen en hebben de zelfde
-functie. [18] Zelfs in een later tijdperk van de embryonale
-ontwikkeling kan men sommige treffende punten van overeenkomst tusschen
-den mensch en de lagere dieren opmerken. Bischoff zegt, dat de
-hersenwindingen bij een menschelijken foetus aan het einde van de
-zevende maand ongeveer de zelfde mate van ontwikkeling bezitten, als
-bij een volwassen baviaan. [19] Prof. Owen merkt op [20], dat de groote
-teen, „die bij het staan of loopen het steunpunt vormt, wellicht de
-meest karakteristieke bijzonderheid in het maaksel van den mensch is”;
-maar in een embryo van ongeveer 2.5 c.M. lengte vond Prof. Wyman [21],
-„dat de groote teen korter dan de anderen was, en in plaats van
-evenwijdig met hen te loopen, aan de zijde van den voet met een hoek
-uitstak, op deze wijze overeenkomende met den blijvenden toestand van
-dit deel bij de vierhandige zoogdieren.” Ik wil besluiten met een
-aanhaling van Huxley [22], die na te hebben gevraagd of de mensch op
-een andere wijze ontstaat dan een hond, vogel, kikvorsch of visch,
-zegt: „Het antwoord is geen oogenblik twijfelachtig; zonder quaestie
-zijn de wijze van ontstaan en de vroege ontwikkelingstrappen van den
-mensch gelijk aan die van de dieren die op de ladder onmiddellijk
-beneden hem staan: zonder twijfel staat hij in dit opzicht veel dichter
-bij de apen, dan de apen bij den hond.”
-
-
-Rudimentaire organen.—Dit onderwerp, hoewel eigenlijk niet belangrijker
-dan de twee laatsten, zal om verscheidene redenen hier uitvoeriger
-worden behandeld. [23] Men kan niet ééne van de hoogere diersoorten
-noemen, die niet een of ander in rudimentairen toestand verkeerend deel
-bezit, en de mensch maakt geen uitzondering op dien regel. De
-rudimentaire organen moet men onderscheiden van die, welke in wordenden
-toestand verkeeren, hoewel in sommige gevallen de onderscheiding niet
-gemakkelijk is. De eersten zijn òf bepaald nutteloos, zooals de tepels
-der mannelijke zoogdieren of de snijtanden der herkauwende dieren, die
-nooit door het tandvleesch komen; òf zij bewijzen zoo weinig dienst aan
-hun tegenwoordige bezitters, dat wij niet kunnen onderstellen, dat zij
-onder de tegenwoordig bestaande voorwaarden tot ontwikkeling zijn
-gekomen. De organen die in den laatstgenoemden toestand verkeeren, zijn
-strikt genomen niet rudimentair, maar zij streven er naar het te
-worden. Wordende organen integendeel, hoewel niet geheel ontwikkeld,
-zijn voor hun bezitters van groot nut, en voor verdere ontwikkeling
-vatbaar. Rudimentaire organen zijn in hooge mate variabel, en dit is
-gedeeltelijk te begrijpen, daar zij nutteloos of bijna nutteloos, en
-dus niet langer aan den invloed van de natuurlijke teeltkeus
-onderworpen zijn. Zij verdwijnen dikwijls geheel. Wanneer dit gebeurt,
-kunnen zij evenwel nu en dan opnieuw verschijnen door atavisme; en deze
-bijzonderheid is zeer opmerkenswaardig.
-
-Het niet-gebruiken gedurende dat tijdperk in het leven, waarin een
-orgaan hoofdzakelijk gebruikt wordt, en dit is meestal de volwassen
-leeftijd, gepaard aan overerving in een overeenkomstig levenstijdperk,
-schijnen de hoofdoorzaken te zijn geweest van het rudimentair worden
-van organen. De term „niet-gebruiken” heeft niet alleen betrekking op
-de verminderde werking der spieren, maar sluit ook in zich een
-verminderden toevoer van bloed naar een deel of orgaan, omdat het aan
-minder afwisseling van drukking onderworpen, of omdat het in een of
-ander opzicht op den duur minder in werking is gebracht. Bij de ééne
-sekse kunnen echter deelen in rudimentairen toestand voorkomen, die bij
-de andere sekse in normalen toestand te vinden zijn; en zulke
-rudimentaire organen zijn, zooals wij later zullen zien, dikwijls op
-een andere wijze ontstaan. In sommige gevallen zijn organen kleiner
-geworden door natuurlijke teeltkeus, omdat zij voor de diersoort, die
-een andere levenswijze had aangenomen, nadeelig werden. Het
-verkleiningsproces wordt waarschijnlijk dikwijls in de hand gewerkt
-door de twee beginselen van compensatie (16) en spaarzaamheid van
-groei; maar de laatste stadiën van de verkleining, nadat onbruik alles
-heeft gedaan, wat men er billijkheidswijze aan kan toeschrijven, en
-wanneer de besparing, die door spaarzaamheid van groei kan worden
-verkregen, zeer gering is, zijn moeilijk te begrijpen. [24] Het
-voorgoed en geheel en al verdwijnen van een deel, dat reeds nutteloos
-en zeer in omvang verminderd was, in welk geval noch compensatie noch
-spaarzaamheid in het spel kunnen komen, is misschien verklaarbaar met
-behulp van de hypothese van de pangenesis, en waarschijnlijk op geen
-andere wijze. Maar, daar het geheele onderwerp der rudimentaire organen
-uitvoerig is behandeld en toegelicht in mijn vorige werken [25], behoef
-ik daarover niets meer te zeggen.
-
-Men heeft in vele deelen van het menschelijk lichaam rudimenten van
-verschillende spieren opgemerkt [26]; en niet weinige spieren die bij
-de eene of andere lagere diersoort steeds aanwezig zijn, kan men nu en
-dan bij den mensch in zeer verkleinden toestand waarnemen. Iedereen
-moet hebben opgemerkt, dat verscheidene dieren, vooral paarden, het
-vermogen bezitten om hun huid te bewegen of te doen trillen; dit wordt
-veroorzaakt door den panniculus carnosus. Overblijfsels van deze spier,
-en in werkzamen toestand, worden in verschillende deelen van ons
-lichaam gevonden; b.v. op het voorhoofd dat—waardoor de wenkbrauwen
-worden in de hoogte gebracht. De platysma myoides, die in den hals zeer
-ontwikkeld voorkomt, behoort ook tot dit stelsel, maar kan niet
-willekeurig in beweging worden gebracht. Prof. Turner te Edinburgh
-heeft nu en dan, naar hij mij meêdeelde, op vijf verschillende
-plaatsen, namelijk in de oksels, bij de schouders enz., spierbundels
-ontdekt, die allen tot het stelsel van den panniculus moeten worden
-teruggebracht. Hij heeft ook aangetoond [27], dat de musculus sternalis
-of sternalis brutorum, die geen verlenging van den rectus abdominalis,
-maar zeer nauw met den panniculus verwant is, over meer dan 600
-lichamen berekend, in een verhouding van ongeveer 3 perct. voorkwam.
-Hij voegt er bij, dat „deze spier een uitstekend voorbeeld geeft van
-het feit, dat toevallig voorkomende en rudimentaire organen bijzonder
-onderhevig zijn aan verscheidenheid in hun ligging.
-
-Enkele menschen bezitten het vermogen om de spieren die onder hun
-schedelhuid liggen, te kunnen samentrekken, en deze spieren verkeeren
-in een veranderlijken en gedeeltelijk rudimentairen slaat. M. A. De
-Candolle heeft mij een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van het lang
-voortbestaan of de overerving van dat vermogen, en tevens van een
-ongewone ontwikkeling daarvan. Hij kent een familie, waarvan één lid,
-nu het hoofd van een huisgezin, toen hij jong was, alleen door de
-beweging van zijn schedelhuid, verscheidene zware boeken van zijn hoofd
-kon werpen; dikwijls won hij weddenschappen door het verrichten van dit
-kunststuk. Zijn vader, zijn oom, zijn grootvader en zijn drie kinderen
-bezitten allen het zelfde vermogen in buitengewone mate. Acht
-generaties te voren was deze familie in twee takken verdeeld geworden,
-zoodat het hoofd van bovengenoemden tak een neef in den zevenden graad
-was van het hoofd van den anderen tak. Die verre neef woont in een
-ander gedeelte van Frankrijk, en toen men hem vroeg, of hij het zelfde
-vermogen bezat, toonde hij dadelijk, dat dit het geval was. Dit
-voorbeeld geeft een duidelijke toelichting van het feit, hoe
-standvastig een geheel nutteloos vermogen kan worden overgeërfd.
-
-De uitwendige spieren die dienen om het geheele uitwendige oor te
-bewegen, en de inwendige spieren die de verschillende deelen ervan in
-beweging brengen, en die allen tot het stelsel van den panniculus
-behooren, verkeeren bij den mensch in een rudimentairen toestand. Zij
-vertoonen ook verschillen in ontwikkeling of ten minste in functie. Ik
-heb iemand gezien, die zijn ooren naar voren kon trekken, en een ander
-die ze naar achteren kon trekken [28]; en uit hetgeen een van die
-menschen mij meêdeelde, is het waarschijnlijk, dat de meesten van ons
-na herhaalde proefnemingen het vermogen om de ooren te bewegen min of
-meer terug zouden krijgen, wanneer wij ze dikwijls aanraakten en er
-onze aandacht op vestigden. Het vermogen om de ooren te bewegen en ze
-naar alle kanten te kunnen richten, bewijst zonder twijfel aan vele
-dieren den grootsten dienst, omdat zij daardoor kunnen bemerken van
-welken kant het gevaar hen bedreigt; maar ik heb nooit gehoord van
-iemand die het vermogen bezat om zijn ooren omhoog te steken—de eenige
-beweging die een mensch van nut kon zijn. Men kan het geheele
-uitwendige oor als rudimentair beschouwen met al zijn plooien en
-uitstekende punten (helix en anti-helix, tragus en anti-tragus enz.),
-die bij de lagere diersoorten het oor, wanneer het omhoog staat, kracht
-en steun geven, zonder het veel zwaarder te maken. Sommige schrijvers
-denken evenwel, dat het kraakbeen van het oor dient om trillingen over
-te brengen op de gehoorzenuw; maar de heer Toynbee [29] komt, na al de
-bewijzen die hiervoor worden aangevoerd, te hebben nagegaan, tot het
-besluit dat het uitwendige oor geen bepaald nut heeft. De ooren van den
-chimpanzee en den orang gelijken opmerkelijk veel op die van den
-mensch; en de oppassers in den Londenschen dierentuin hebben mij
-verzekerd, dat deze dieren ze nooit bewegen of omhoog steken, zoodat
-zij, wat hun functie betreft, in even rudimentairen staat verkeeren als
-bij den mensch. Waarom deze dieren, evenals de voorouders van den
-mensch, het vermogen om hun ooren omhoog te steken verloren hebben,
-kunnen wij niet zeggen. Het kan zijn, hoewel deze beschouwingswijze mij
-niet geheel voldoet, dat zij door hun gewoonte om in boomen te leven en
-door hun groote kracht maar weinig aan gevaren waren blootgesteld, en
-dus gedurende vrij langen tijd hun ooren maar weinig bewogen, waardoor
-langzamerhand het vermogen om ze te bewegen verloren ging. Dit zou een
-dergelijk geval zijn als dat van die groote logge vogels, die,
-oceanische eilanden (17) bewonende en daar niet blootgesteld zijnde aan
-de aanvallen van roofdieren, het vermogen hebben verloren om hun
-vleugels tot vliegen te gebruiken.
-
-De beroemde beeldhouwer Woolner deelt mij een kleine bijzonderheid mede
-van het uitwendige oor, die hij dikwijls zoowel bij vrouwen als bij
-mannen heeft opgemerkt, en waarvan hij de beteekenis volkomen begreep.
-Zijn aandacht werd er het eerst op gevestigd toen hij aan het beeld van
-een kabouter werkte, waaraan hij puntige ooren had gegeven. Daardoor
-werd hij er toe gebracht de ooren van verschillende aapsoorten, en
-vervolgens nog zorgvuldiger die van den mensch te beschouwen. De
-bijzonderheid bestaat uit een kleine, stompe punt, die op den naar
-binnen omgevouwen rand of helix uitsteekt. De heer Woolner maakte een
-nauwkeurig model van zulk een geval, en zond mij nevensgaande teekening
-(Fig. 2). Deze punten steken niet alleen naar binnen uit, maar dikwijls
-ook een weinig naar buiten, zoodat zij zichtbaar worden wanneer men het
-hoofd recht van voren of van achteren ziet. Zij verschillen in grootte
-en ook een weinig in stand, daar zij nu eens iets hooger, dan weder
-iets lager staan; ook komen zij soms voor aan het eene oor en niet aan
-het andere. (18) Zij zijn niet beperkt tot den mensch; want ik nam ze
-eens waar bij een der spinapen (Ateles Beelzebuth) in den Londenschen
-dierentuin, en Dr. E. Ray Lankester deelt mij een ander geval mede bij
-een chimpanzee in den Hamburgschen dierentuin. De helix bestaat
-duidelijk uit den uitersten rand van het oor, die naar binnen
-omgevouwen is; en dit omvouwen schijnt eenigszins in verband te staan
-met het voortdurend naar achteren drukken van het geheele uitwendige
-oor. Bij vele apen die in hun orde geen hooge plaats innemen, zooals
-bavianen en sommige soorten van het geslacht Macacus [30], is het
-bovendeel van het oor een weinig gepunt en de rand in het geheel niet
-naar binnen omgevouwen; maar werd de rand op die wijze omgevouwen, dan
-zou noodzakelijk een kleine punt naar binnen en waarschijnlijk ook een
-weinig naar buiten uitsteken; en dit geloof ik, dat in vele gevallen
-hun oorsprong is. Daarentegen houdt Prof. L. Meyer in een dergelijke,
-onlangs gepubliceerde verhandeling [31] vol, dat het geheele geval
-slechts een toevallige afwijking is; en dat de uitsteeksels werkelijk
-niet als rudimenten moeten worden opgevat, maar alleen zijn ontstaan,
-doordat het inwendige kraakbeen ter weêrszijden van deze punten niet
-tot volkomen ontwikkeling is gekomen. Ik ben bereid aan te nemen, dat
-dit in vele gevallen de juiste verklaring is, zooals in die, welke door
-Prof. Meyer zijn afgebeeld en waarin er verscheidene kleine puntjes
-zijn of de geheele rand gegolfd is. In heb zelf, door de
-vriendelijkheid van Dr. L. Down, het oor gezien van een microcephalen
-idioot, bij ’t welk er een uitsteeksel is aan de buitenzijde van de
-helix, en niet op den naar binnen omgevouwen rand, zoodat deze punt in
-geen betrekking kan staan tot een vroegere punt van het oor. Toch komt
-mijn oorspronkelijke meening, dat de punten sporen zijn van de spitsen
-van vroegere overeindstaande en gepunte ooren, mij in sommige gevallen
-nog waarschijnlijk voor. Ik denk zulks wegens het veelvuldig voorkomen
-daarvan, en omdat hun plaats algemeen overeenstemt met die van de spits
-van een gepunt oor. In één geval, waarvan mij een photogram is
-gezonden, is het uitsteeksel zoo groot, dat, wanneer men onderstelt, in
-overeenstemming met de meening van Prof. Meyer, dat het oor volkomen
-werd gemaakt door de gelijkmatige ontwikkeling van het kraakbeen over
-de geheele uitgebreidheid van den rand, het ten volle een derde van het
-geheele oor zou bedekken. Twee gevallen zijn mij medegedeeld, één uit
-Noord-Amerika en het andere uit Engeland, waarin het bovengedeelte van
-den rand volstrekt niet naar binnen omgevouwen, maar gepunt is, zoodat
-de omtrek ervan zeer sterk gelijkt op dien van het gepunte oor van een
-gewoon viervoetig dier. In één dezer gevallen, dat bij een jong kind
-was, vergeleek de vader het oor met de teekening [32] welke ik heb
-gegeven van het oor van een aap, den Cynopithecus niger, en zegt, dat
-hun omtrekken nauwkeurig overeenstemmen. Indien in deze beide gevallen
-de randen op de gewone wijze waren omgevouwen, moest er een naar binnen
-loopend uitsteeksel zijn gevormd. Ik mag er bijvoegen, dat in twee
-andere gevallen de omtrek nog eenigszins gepunt blijft, hoewel de rand
-van het bovenste gedeelte van het oor op de gewone wijze naar binnen is
-omgevouwen—bij één daarvan echter zeer weinig. De volgende houtsnede
-(Fig. 3.) is een nauwkeurige copie van een photogram van den foetus van
-een orang (die Dr. Nitsche zoo vriendelijk was mij te zenden), waarop
-men kan zien hoe verschillend de gepunte omtrek van het oor in dit
-tijdperk is van het oor van een volwassen orang, dat over het algemeen
-zeer sterk op een menschenoor gelijkt. Het is duidelijk dat als de
-spits van zulk een oor werd omgevouwen, als het gedurende zijn verdere
-ontwikkeling niet sterk veranderde, een naar binnen uitstekende punt
-zou ontstaan. Over het algemeen komt het mij waarschijnlijk voor, dat
-de punten in quaestie in sommige gevallen, zoowel bij den mensch als
-bij de apen, rudimenten van een vroegeren toestand zijn.
-
-De membrana nictitans of het derde ooglid (19) met zijn bijbehoorende
-spieren en andere deelen, is bijzonder goed ontwikkeld bij vogels, en
-door zijn functie voor hen van groot gewicht, daar het snel over den
-geheelen oogbol kan worden getrokken. Men vindt het bij sommige
-reptielen en amphibieën en bij sommige visschen, zooals de haaien. In
-de twee lagere afdeelingen van de klasse der zoogdieren, namelijk bij
-de snaveldieren (Monotremata) en bij de buideldieren, en ook bij enkele
-hoogere zoogdieren, zooals bij den walrus, komt het eveneens goed
-ontwikkeld voor. Maar bij den mensch, de apen en de meeste andere
-zoogdieren, bestaat het, naar door alle ontleedkundigen wordt
-aangenomen, alleen rudimentair en vormt de zoogenaamde plica
-semilunaris. [33]
-
-De reukzin is voor de meeste zoogdieren van het hoogste
-gewicht—sommigen, zooals de herkauwende dieren, waarschuwt hij voor
-gevaar; anderen, zooals de verscheurende dieren, helpt hij hun prooi
-vinden; bij nog anderen, zooals het wilde zwijn, dient hij voor beide
-die doeleinden. Maar de reukzin is, zoo van eenig, dan toch van zeer
-weinig nut, zelfs voor de wilden, bij wie hij in ’t algemeen meer
-ontwikkeld is dan bij de beschaafde rassen. Hij waarschuwt hen niet
-voor gevaren, en doet hun hun voedsel niet vinden; hij verhindert niet,
-dat de Eskimo’s in de meest bedorven lucht leven, noch dat vele wilden
-half verrot vleesch eten. Zij die gelooven aan het beginsel van
-trapsgewijze ontwikkeling, zullen niet gereedelijk toegeven, dat de
-mensch dien zin oorspronkelijk slechts in die mate heeft verkregen,
-waarin hij hem tegenwoordig bezit. Ongetwijfeld heeft hij dien zin in
-verzwakten en dus gedeeltelijk rudimentairen toestand van den eenen of
-anderen voorouder geërfd, die er zeer veel nut van had en hem
-voortdurend gebruikte. Wij kunnen daaruit misschien de zeer juiste
-opmerking van Dr. Maudsley [34] begrijpen, als hij zegt, dat de reuk
-bij den mensch „bijzonder dienstig is om de gedachte aan en het beeld
-van vergeten tooneelen en plaatsen levendig in het geheugen terug te
-roepen”; want bij dieren waarbij dit zintuig ontwikkeld is, zooals
-honden en paarden, zien wij, dat oude herinneringen van personen en
-plaatsen in nauw verband staan met hun reuk.
-
-De mensch verschilt zeer van al de andere Primaten, doordat hij bijna
-geheel onbehaard is. Over het grootste gedeelte van het lichaam vindt
-men bij den man slechts enkele korte haren, hier en daar verspreid; bij
-de vrouw slechts fijn dons. Bij individu’s, die tot het zelfde ras
-behooren, vindt men veel verschil in behaardheid, niet alleen wat het
-getal der haren aangaat, maar ook in de plaats waar zij groeien; zoo
-zijn de schouders van sommige Europeanen geheel kaal, terwijl zich
-daarop bij andere dikke bossen haar vertoonen. [35] (20) Het valt bijna
-niet te betwijfelen, of de haren, die zoo ongelijk over het lichaam
-verspreid zijn, zijn slechts rudimenten van het harig bekleedsel, dat
-de lagere diersoorten geheel bedekt. Deze voorstelling krijgt te meer
-waarschijnlijkheid, wanneer men bedenkt, dat fijne, korte, licht
-gekleurde haren op armen en beenen en andere lichaamsdeelen nu en dan
-overgaan in „dicht opeenstaande, lange, eenigszins grove, donkere
-haren”, wanneer zij abnormaal worden gevoed dicht bij plekken, die zich
-sinds lang in ontstoken toestand bevinden.
-
-De heer Paget [36] deelt mij mede, dat menschen die tot de zelfde
-familie behooren, dikwijls in hun wenkbrauwen enkele haren hebben, die
-langer zijn dan de overige, zoodat deze kleine bijzonderheid schijnt te
-worden overgeërfd. Deze haren vertegenwoordigen klaarblijkelijk de
-vibrissae (21), die bij velen van de lagere diersoorten als tastorganen
-worden gebruikt. Bij een jongen chimpanzee heb ik opgemerkt, dat enkele
-rechtopstaande, vrij lange haren boven de oogen uitstaken, op de plaats
-waar de ware wenkbrauwen zouden hebben gestaan, wanneer zij aanwezig
-waren geweest.
-
-Het fijne, wollige haar, het zoogenaamde lanugo, waarmede de
-menschelijke foetus gedurende de zesde maand dicht bedekt wordt, levert
-een nog opmerkenswaardiger geval op. Het ontwikkelt zich eerst in de
-vijfde maand, op de wenkbrauwen en op het gelaat, voornamelijk rondom
-den mond, waar het veel langer is dan op het hoofd. Eschricht [37] vond
-een knevel van deze soort bij een vrouwelijken foetus; dit is evenwel
-niet zoo verwonderlijk, als men op het eerste gezicht zou denken, want
-de twee seksen hebben, wat uiterlijke kenmerken aangaat, gedurende het
-eerste tijdperk van hun ontwikkeling over het algemeen veel
-overeenkomst met elkander. De richting en rangschikking der haren zijn
-op alle deelen van het lichaam van den foetus de zelfde als bij den
-volwassen mensch, maar zijn aan veel verschil onderhevig. De geheele
-oppervlakte, zelfs voorhoofd en ooren daaronder begrepen, is dicht met
-haar bezet; maar het is een veelbeteekenend feit, dat de palmen der
-handen en de voetzolen geheel kaal zijn, evenals de onderste deelen van
-alle vier de ledematen bij de meeste lagere dieren. Daar dit alles
-moeielijk aan een toevalligen samenloop van omstandigheden kan worden
-toegeschreven, moeten wij de wollige bedekking van den foetus
-beschouwen als de rudimentaire vertegenwoordiger van het blijvende
-harige bekleedsel der zoogdieren, die behaard ter wereld komen. Er zijn
-drie of vier gevallen opgeteekend van personen, die bij hun geboorte
-hun geheele lichaam en gelaat dik bedekt hadden met fijne, lange haren;
-en deze vreemde toestand is in hooge mate erfelijk en gaat gepaard met
-een abnormalen toestand der tanden. [38] Prof. Alex. Brandt bericht
-mij, dat hij het haar van een zoodanig man, vijf-en-dertig jaren oud,
-heeft vergeleken met het wolhaar van een foetus, en het geheel
-gelijksoortig heeft bevonden; daarom kan, naar hij opmerkt, het geval
-worden toegeschreven aan een stilstand in de ontwikkeling van het haar,
-gepaard met het voortdurend groeien daarvan. Een dokter van een
-kinderhospitaal heeft mij verzekerd, dat bij vele teêre kinderen de rug
-met vrij lange zijdeachtige haren bedekt is; en zulke gevallen behooren
-waarschijnlijk tot de zelfde categorie.
-
-Het schijnt, dat de achterste maaltanden of kiezen van verstand bij de
-meer beschaafde menschenrassen een neiging bezitten om rudimentair te
-worden. Deze kiezen zijn iets kleiner dan de andere maaltanden, zooals
-ook het geval is met de overeenkomstige tanden van den chimpanzee en
-den orang; en zij hebben slechts twee afzonderlijke wortels. Zij komen
-niet voor het zevende jaar door het tandvleesch heên, en tandmeesters
-hebben mij verzekerd, dat zij veel meer aan verrotting onderhevig zijn
-en vroeger uitvallen dan de andere tanden. Het is ook opmerkelijk, dat
-bij die tanden meer verschil bestaat, zoowel in vorm als in het
-tijdperk van hun ontwikkeling, dan bij de andere. [39] Bij de
-Melanesische rassen daarentegen hebben de kiezen van verstand
-gewoonlijk drie afzonderlijke wortels en zijn ze doorgaans gezond; in
-grootte verschillen zij bij deze minder van de andere maaltanden dan
-bij de Kaukasische rassen. [40] Prof. Schaaffhausen geeft van dit
-verschil tusschen genoemde rassen de volgende reden: „het gedeelte van
-de kaak, waar de laatste kiezen komen, wordt bij de beschaafde rassen
-voortdurend korter” [41], en dit steeds korter worden, geloof ik, dat
-men veilig daaraan kan toeschrijven, dat beschaafde menschen zich
-steeds met zachte, gekookte spijzen voeden en dat zij dus hun kaken
-minder gebruiken. Van den heer Brace heb ik vernomen, dat het
-tegenwoordig in de Vereenigde Staten een vrij algemeene gewoonte is
-geworden, den kinderen eenige maaltanden uit te trekken, omdat de kaak
-niet groot genoeg wordt voor de volledige ontwikkeling van het normale
-getal. [42]
-
-Wat het darmkanaal betreft, heb ik slechts één rudimentair deel vermeld
-gevonden, namelijk het wormvormige aanhangsel van den blinden darm. De
-blinde darm is een tak of diverticulum van het darmkanaal, die blind
-eindigt, en is bij velen van de lagere plantetende zoogdieren
-buitengewoon lang. Bij de tot de buideldieren behoorende koala is hij
-zelfs meer dan driemaal zoo lang als het lichaam. [43] Somtijds loopt
-hij in een trapsgewijze dunner wordende punt uit, en somtijds wordt hij
-ook door vernauwingen in deelen verdeeld. Het schijnt, dat ten gevolge
-van een veranderden leefregel of van andere gewoonten de blinde darm
-bij vele dieren veel korter is geworden, terwijl het wormvormig
-aanhangsel als een rudiment van het verkorte deel is overgebleven. Dat
-dit aanhangsel een rudiment is, kunnen wij afleiden uit zijn geringe
-grootte en de verschillen, die het, zooals Prof. Canestrini [44] heeft
-bewezen, bij den mensch vertoont. Somtijds ontbreekt het geheel en al,
-andere malen is het daarentegen bijzonder ontwikkeld. De opening ervan
-is somtijds over de helft, somtijds over twee derden van de lengte
-gesloten; het uiteinde is dan plat en zonder inwendige holte. Bij den
-orang is dit aanhangsel lang en samengerold; bij den mensch neemt het
-zijn oorsprong aan het uiteinde van den korten blinden darm, is
-gewoonlijk 10 tot 12.5 c.M. lang en heeft slechts 8 m.M. middellijn.
-Niet alleen is dit aanhangsel nutteloos, maar het veroorzaakt somtijds
-den dood; hiervan heb ik onlangs twee gevallen gehoord: dit wordt
-veroorzaakt door kleine, harde voorwerpen, zooals zaadjes, die in de
-opening ervan dringen en daar ontsteking veroorzaken. [45]
-
-Bij de vierhandigen en eenige andere orden van zoogdieren, in het
-bijzonder bij de verscheurende dieren, is er een opening aan het
-benedeneinde van het opperarmbeen, foramen supra-condyloïdeum genaamd,
-door welke de groote zenuw en dikwijls ook de groote slagader van het
-voorste lid heêngaan. In het opperarmbeen van den mensch is er, zooals
-Dr. Struthers [46] en anderen hebben aangetoond, doorgaans een spoor
-van deze opening en somtijds is zij vrij goed ontwikkeld en wordt dan
-door een haakvormig uitsteeksel van het been en een daaraan verbonden
-band gevormd. Wanneer deze opening er is, gaat de groote zenuw er
-altijd door, en dit bewijst duidelijk, dat zij homoloog met een
-rudiment van het foramen supra-condyloïdeum der lagere diersoorten is.
-Prof. Turner schat, naar hij mij mededeelde, dat zij aanwezig is bij
-één percent van de skeletten uit onzen tijd; in oude tijden schijnt zij
-veelvuldiger te zijn geweest. De heer Busk [47] heeft hiervan de
-volgende bewijzen bijeengebracht: Prof. Broca „vond deze opening bij
-vier en een half percent van de armbeenderen, die in het „Cimétière du
-Sud” te Parijs werden verzameld; en in het hol van Orrony, waarvan de
-inhoud tot den Bronstijd (22) moet worden gebracht, bezaten acht
-opperarmbeenderen van de twee-en-dertig haar; hij gelooft echter dat
-deze buitengewone verhouding daaraan is toe te schrijven, dat het een
-soort van familiegraf was.” De heer Dupont vond, dat 30 percent van de
-beenderen uit de holen van de Lesse, die tot het Rendiertijdperk (23)
-behooren, deze opening bezaten; terwijl de heer Leguay in een soort van
-dolmen te Argenteuil beenderen vond, waarvan vijf-en-twintig percent
-aldus waren doorboord. De heer Pruner-Bey vond, dat bij de beenderen
-van Vauréal 26 percent de opening bezaten. Wij mogen hier niet
-onvermeld laten, dat de heer Pruner-Bey mededeelt, dat die
-bijzonderheid bij de Guanche-skeletten wordt opgemerkt. (24) Het feit,
-dat oude rassen in dit en vele andere gevallen, veelvuldiger
-voorbeelden opleveren van vormen welke op die van lagere diersoorten
-gelijken, dan de nieuwere rassen, verdient opmerking. (25) Een van de
-hoofdredenen schijnt te wezen, dat in de lange rij van afstammelingen
-de oude rassen iets nader bij hun verwijderde op dieren gelijkende
-voorouders staan dan de tegenwoordige.
-
-Hoewel het koekoeksbeen bij den mensch niet tot staart dient,
-vertegenwoordigt het bij hem met eenige wervels, die wij later zullen
-beschrijven, volkomen dat deel van de overige gewervelde dieren. In een
-vroeg embryonaal tijdperk is het vrij, en strekt zich, zooals men in
-Fig. 1, een menschelijk embryo voorstellende, kan zien, tot voorbij de
-onderste ledematen uit. In sommige zeldzame en abnormale gevallen,
-heeft men volgens Isidore Geoffroy en anderen opgemerkt, dat het zelfs
-na de geboorte een klein uitwendig rudiment van een staart vormde. [48]
-(26) Het koekoeksbeen is kort, bestaat gewoonlijk slechts uit vier
-wervels en deze verkeeren in een rudimentairen toestand; want met
-uitzondering van den bovensten bestaan zij alleen uit het
-wervellichaam. [49] Zij zijn voorzien van eenige spieren, waarvan er
-een, naar mij door Prof. Turner is medegedeeld, door Theile
-uitdrukkelijk is beschreven als een rudimentaire herhaling van de
-uitstrekkende spier van den staart, die bij vele zoogdieren zoo
-bijzonder ontwikkeld is.
-
-Het ruggemerg strekt zich bij den mensch benedenwaarts slechts tot de
-laatste rug- of eerste lendenwervels uit; maar een op een draad
-gelijkend deel (het filum terminale) loopt door de as van dat gedeelte
-van het wervelkanaal, dat in het heiligbeen is gelegen, en zelfs over
-den rug van de koekoeksbeentjes naar beneden. Het bovenste gedeelte van
-dezen draad is, naar Prof. Turner mij mededeelt, ongetwijfeld homoloog
-met het ruggemerg, maar het onderste gedeelte bestaat waarschijnlijk
-alleen uit de pia mater of het vaatachtige bekleedende vlies. Zelfs in
-dit geval kan men zeggen, dat het koekoeksbeen een overblijfsel bezit
-van zulk een belangrijk deel als het ruggemerg, al is het dan ook niet
-langer in een beenig kanaal omsloten. Het volgende feit, dat ik ook aan
-Prof. Turner ben verschuldigd, toont hoe volkomen het koekoeksbeen met
-den waren staart der lagere dieren overeenkomt. Luschka heeft onlangs
-aan het uiteinde der koekoeksbeenderen een zeer eigenaardig samengerold
-lichaam ontdekt, dat een voortzetting vormt van den middelsten slagader
-van het heiligbeen, en deze ontdekking gaf aan Krause en Meyer
-aanleiding om den staart van een aap (Macacus) en van een kat te
-onderzoeken: in beide vonden zij, hoewel niet aan het uiteinde, een
-dergelijk samengerold lichaam.
-
-Het voortplantingsstelsel vertoont verschillende rudimentaire deelen,
-maar deze verschillen in één belangrijk opzicht van de voorgaande
-gevallen. Wij hebben hier niet te doen met een overblijfsel dat bij de
-soort in haar tegenwoordigen toestand doelloos is, maar met een deel
-dat bij de ééne sekse altijd tegenwoordig en noodig is, terwijl het bij
-de andere slechts rudimentair is ontwikkeld. Toch is het voorkomen van
-zulke rudimentaire deelen, als men uitgaat van het geloof aan de
-afzonderlijke schepping van elke soort, even moeilijk te verklaren, als
-in de voorgaande gevallen. Later zal ik op deze rudimentaire deelen
-moeten terugkomen, en zal aantoonen, dat hun tegenwoordigheid over het
-algemeen uitsluitend van overerving afhangt, dat namelijk deelen, door
-de ééne sekse verkregen, gedeeltelijk op de andere zijn overgeplant. Ik
-wil hier slechts eenige voorbeelden van dergelijke rudimentaire deelen
-geven. Het is algemeen bekend, dat bij de mannetjes van alle
-zoogdieren, de mensch niet uitgezonderd, rudimentaire tepels worden
-gevonden; er bestaan verschillende voorbeelden, dat deze zich goed
-ontwikkeld en overvloedig melk opgeleverd hebben. (27) Een wezenlijke
-identiteit bij de twee seksen wordt ook daardoor aangetoond, dat zij
-bij beide somtijds sympathetisch opzwellen gedurende een aanval van de
-mazelen. Het is tegenwoordig algemeen erkend, dat de vesicula
-prostatica (28), die bij vele mannelijke zoogdieren is opgemerkt,
-homoloog is met de vrouwelijke baarmoeder en den daarmede verbonden
-doorgang. Het is onmogelijk Leuckart’s uitnemende beschrijving van dit
-orgaan en zijn redeneering te lezen, zonder te worden overtuigd van de
-juistheid van zijn besluit. Dit is vooral duidelijk in het geval van
-die zoogdieren, bij welke de ware vrouwelijke baarmoeder tweehoornig
-is, want bij de mannetjes van deze is ook de vesicula vorksgewijze
-verdeeld. [50] Nog enkele andere, tot het voortplantingsstelsel
-behoorende rudimentaire deelen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
-[51]
-
-De beteekenis van de drie bovenvermelde groote klassen van feiten is
-onmiskenbaar. Het zou echter overtollig zijn den keten van bewijzen, in
-het breede in mijn „Ontstaan der Soorten” gegeven, hier uitvoerig te
-herhalen. De homologe bouw van het geheele geraamte der ledematen in de
-zelfde dierklasse kan worden begrepen, als wij aannemen, dat zij
-afstammen van een gemeenschappelijken stamvader, en daarna door
-langzame verandering voor gewijzigde levensvoorwaarden geschikt zijn
-geworden. Bij elke andere beschouwingswijze is de typische overeenkomst
-tusschen de hand van een mensch en een aap, den poot van een paard, den
-zwempoot van een zeehond, den vleugel van een vledermuis volkomen
-onverklaarbaar. Het is geen wetenschappelijke verklaring te beweren,
-dat zij allen volgens het zelfde ideale plan zijn gevormd. Ten opzichte
-van de ontwikkeling kunnen wij duidelijk begrijpen, uitgaande van het
-beginsel, dat verschillen in een vrij laat embryonaal tijdperk
-ontstonden en in een overeenkomstig tijdperk werden overgeërfd, hoe het
-komt, dat embryo’s van hoogst verschillende diervormen, toch meer of
-minder volkomen het maaksel van hun gemeenschappelijken stamvader
-hebben kunnen bewaren. Geen andere verklaring is ooit gegeven van het
-verwonderlijke feit, dat de embryo’s van een mensch, een hond, een
-zeehond, een vledermuis, een reptiel enz. in den beginne nauwelijks van
-elkander kunnen worden onderscheiden. Om het bestaan van rudimentaire
-organen te begrijpen, hebben wij slechts te onderstellen, dat een
-vroegere voorvader die deelen in volkomen staat bezat, en dat zij onder
-veranderde levensvoorwaarden zeer werden verkleind, hetzij alleen
-doordat zij niet werden gebruikt, hetzij doordat de natuur die
-individu’s voor de voortplanting uitkoos, welke het minst waren
-overladen met een overtollig deel, geholpen door de overige boven
-aangegeven middelen.
-
-Op die wijze kunnen wij begrijpen, wat de reden is van het feit, dat de
-mensch en al de overige gewervelde dieren volgens het zelfde algemeene
-type zijn gevormd, waarom zij de zelfde vroege ontwikkelingstrappen
-doorloopen en waarom sommige rudimentaire deelen bij hen allen
-voorkomen. Bij gevolg moeten wij onbewimpeld hun gemeenschappelijke
-afstamming aannemen; aan een andere beschouwingswijze de voorkeur
-geven, is aannemen, dat ons eigen maaksel en dat van alle ons
-omringende dieren slechts een valstrik is, gespannen om ons oordeel van
-den goeden weg af te brengen. Dit besluit wordt zeer versterkt, als wij
-de leden van de geheele dierlijke reeks beschouwen, en letten op de
-bewijzen, afgeleid van hun verwantschappen of klassificatie, hun
-geographische verspreiding en geologische opeenvolging. (29) Het zijn
-alleen ons natuurlijk vooroordeel en die hoogmoed, die onze voorouders
-deed verklaren, dat zij van halfgoden afstamden, die er ons toe leiden
-dit besluit te betwijfelen. De tijd zal echter weldra aanbreken, dat
-men het vreemd zal vinden, dat natuuronderzoekers, die goed bekend
-waren met de vergelijkende ontleedkunde en met de
-ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch en van andere zoogdieren,
-hebben kunnen gelooven, dat elke soort door een afzonderlijke
-scheppingshandeling was voortgebracht.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) „Homologe structuur.” Er bestaat in het wetenschappelijk
-taalgebruik een groot verschil tusschen homologie en analogie. Homoloog
-noemt men die deelen, welke volgens het zelfde algemeene type gebouwd
-en op de zelfde wijze met de overige deelen verbonden zijn, en dus uit
-een vergelijkend anatomisch oogpunt met elkander overeenkomen, al
-verschilt hun gebruik geheel. Zoo zijn b.v. de hand van een mensch, de
-vleugel van een vledermuis, de graafpoot van een mol homoloog, evenzoo
-de zwemblaas van een visch en de longen van een zoogdier. Twee soorten
-vertoonen dus een homologe structuur, wanneer de deelen waaruit het
-lichaam van de eene bestaat, homoloog zijn met de deelen van het
-lichaam van de andere. Bij eene en de zelfde soort merkt men tusschen
-de beide seksen een homologe structuur op. Analoog noemt men die
-deelen, welke tot de zelfde functie dienen, al komen zij uit een
-vergelijkend anatomisch oogpunt volstrekt niet overeen. Zoo zijn b.v.
-de vleugels van een vogel analoog met die van een vlinder, daar beide
-dienen om te vliegen, en is, hoewel beide pooten zijn, de poot van een
-vogel volstrekt niet homoloog met die van een vlinder [52]; evenzoo
-zijn de longen van een zoogdier analoog met de kieuwen van een visch,
-daar beide ademhalingswerktuigen zijn, enz. Twee deelen kunnen
-natuurlijk ook tegelijkertijd homoloog en analoog zijn, b.v. de armen
-van een mensch en de voorpooten van een aap, de vleugels van een vogel
-en die van een vledermuis, enz.
-
-Ook in één en het zelfde dierlijke lichaam merkt men op, dat sommige
-deelen, volgens het zelfde type gebouwd, op de zelfde wijze met andere
-deelen verbonden en dus homoloog zijn. Zoo zijn b.v. de wervels
-homologe deelen, evenzoo de ribben. In dezen zin zijn de voorste
-ledematen van een gewerveld dier homoloog met de achterste, en de
-linkerhelft van het lichaam met de rechterhelft. R. Owen noemt deze
-soort van homologie homotypie en bezigt het woord homologie alleen bij
-vergelijking van overeenkomstige deelen van verschillende soorten of
-seksen.
-
-(2) „Rudimentaire organen.” Gelijk aan de lezers van het „Ontstaan der
-Soorten” en van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” bekend
-is, merkt men dikwijls op, dat organen, die bij de eene diersoort in
-geheel ontwikkelden toestand voorkomen en tot bepaalde functiën dienen,
-bij andere soorten in groei achtergebleven en door onvolledige
-ontwikkeling ook in vorm veranderd zijn. Somtijds hebben zij dan bij
-die tweede soort geen of gering nut, ja kunnen in enkele gevallen zelfs
-schadelijk worden; zij zijn om zoo te zeggen slechts daar als
-vertegenwoordigers der ontwikkelde organen en bewijzen de eenheid van
-type der twee soorten. Dergelijke onvolledig ontwikkelde deelen noemt
-men rudimentaire organen. Evenzoo komen sommige organen die bij de eene
-sekse goed ontwikkeld zijn, bij de andere gewoonlijk slechts in
-rudimentairen toestand voor (b.v. de zogklieren bij den mensch). Ook
-vindt men bij volwassen individu’s organen, die gedurende het foetale
-leven goed ontwikkeld waren, in rudimentairen staat terug. Zoo zijn de
-vasa aberrantia van de ballen bij den man en de zoogenaamde lichamen of
-organen van Rosenmüller bij de vrouw rudimenten van de corpora
-Wolffiana of primordiaalnieren van den embryo. Evenzoo zijn, wanneer
-men bij een en het zelfde individu homotype organen vergelijkt, bij het
-eene sommige deelen slechts rudimentair aanwezig, die bij het andere
-volkomen ontwikkeld zijn. Zoo zijn de beentjes van het staartbeen
-slechts rudimenten van wervels.
-
-Ten vorigen jare heeft W. Pfitsner een anatomische verhandeling, „Die
-kleine Zehe”, uitgegeven, waarin hij er op wijst, dat de kleine teen
-bij den mensch rudimentair begint te worden. Deze teen behoort
-eigenlijk uit drie kootjes te bestaan, maar bij 36% der Duitschers zijn
-de beide laatste kootjes met elkander vergroeid (hoewel de grens er
-tusschen nog zichtbaar is) en wel in den regel aan beide voeten, bij
-ruim 41% der vrouwen en 31% der mannen. De druk van het schoeisel kan
-de oorzaak hiervan niet zijn (tenzij men hier aan de overerving eener
-verworven eigenschap mag denken), daar deze vergroeiing even veelvuldig
-voorkomt bij embryo’s (van de vijfde maand af) en bij kinderen van 1–7
-jaar als bij volwassenen, en daarenboven behooren de personen, wier
-lijken op de snijkamers kunnen worden onderzocht, zelden tot die
-kringen der maatschappij, welke gewoon zijn nauwe schoenen te dragen.
-Het eindresultaat zal wel zijn, dat op den duur de kleine teen bij
-allen slechts uit twee kootjes zal bestaan, en naar schrijver meent,
-zou dit de eerste stap zijn tot volkomen rudimentair worden van den
-kleinen teen. Schrijver acht het terecht wenschelijk, dat deze in dit
-opzicht ook bij volken die geen schoenen of sandalen dragen, wordt
-onderzocht. Hij wijst er op, dat men ook bij levenden door strekking en
-buiging van den kleinen teen gemakkelijk kan onderzoeken of de laatste
-kootjes daarvan al dan niet met elkander vergroeid zijn.
-
-Een der merkwaardigste rudimentaire organen, dat ook bij den mensch
-voorkomt, is de zoogenaamde pijnappelklier, door Descartes nog voor „de
-verblijfplaats der redelijke ziel” gehouden.
-
-In 1886 is door de Graaf [53] en Spencer [54] gelijktijdig aangetoond,
-dat de zoogenaamde pijnappelklier (epiphyse) in de hersenen het
-rudiment is van een derde oog, dat bij de vroege voorouders der
-gewervelde dieren als zoodanig werd gebruikt. Bij sommige fossiele
-amphibieën (Labyrinthodonten) en hagedissen komt in den schedel een gat
-voor (een rudiment daarvan is bij de levende dieren dezer klasse de
-zoogenaamde parietaalopening), waar de gezichtszenuw met de epiphyse
-was verbonden. Bij de embryo’s der tegenwoordige amphibieën en
-reptielen begint het derde oog zich als een blaas aan het uiteinde van
-een veelal lang uitgegroeiden steel te ontwikkelen, maar wordt later
-door de hersenvliezen geheel van zijn steel gescheiden. De steel
-verandert daarna in de epiphyse en uit het oog wordt bij de amphibieën
-de zoogenaamde Stiedasche voorhoofdsklier gevormd, die bij de geboorte
-onder de epidermis in de lederhuid ligt, terwijl het bij de reptielen
-als een uit cellen bestaande blaas, die nog pigment en een soort van
-lens bezit, tusschen de hersenvliezen blijft liggen. Uit den steel
-ontwikkelt zich na de afsnoering de pijnappelklier. Bij den hazelworm
-(Anguis fragilis) herinnert de genoemde blaas zeer aan het oog van
-hoogontwikkelde ongewervelde dieren (b.v. inktvisschen).
-
-Spencer vond bij Hatteria punctata (een Nieuw-Zeelandsch reptiel) en
-later ook bij Iguana, Cameleon vulgaris en Lacerta agilis het derde
-oog, klein maar duidelijk herkenbaar en volkomen ontwikkeld, ofschoon
-de lens troebel is, en door een gezichtszenuw met de epiphyse
-verbonden, in de zoogenaamde parietaalopening liggen. Een dikke laag
-bindweefsel scheidt het van de huid, die de parietaalopening bedekt.
-Ofschoon die huid ter plaatse der opening naar binnen gedrukt is, kan
-het derde oog ook bij deze dieren dus niet meer tot zien dienen. Ook
-Spencer merkt de gelijkenis met het oog van sommige ongewervelde dieren
-op („Nature”, 13 Mei 1886).
-
-Uitvoeriger besprak Spencer zijn ontdekking in „Quart. Journ. of
-Microsc. Science”, vol. 27, waar hij de resultaten van zijn onderzoek
-bij 29 soorten van hagedissen mededeelt en bewijst, dat men hier zeer
-zeker met een rudimentair, tegenwoordig in ontwikkeling achteruitgegaan
-orgaan te doen heeft.
-
-Reeds vroeger had Rabl. Rückhard er op gewezen, dat bij de reusachtige
-zeehagedissen uit de liasformatie in de parietaalopening een zintuig
-had gelegen, dat ongetwijfeld met de epiphyse in betrekking stond en
-volgens hem waarschijnlijk tot waarneming der stralende warmte had
-gediend.
-
-De Zwitsersche geleerde Béraneck geeft toe, dat het parietaalorgaan bij
-de reptielen eens als derde oog heeft gefungeerd, maar houdt het er
-voor, dat het alleen bij die klasse der gewervelde dieren zich tot een
-gezichtswerktuig heeft ontwikkeld en bij de overigen een andere functie
-heeft.
-
-Leydig, die reeds zeventien jaren geleden het bedoelde orgaan waarnam,
-hield het niet voor een gezichtswerktuig, maar rekende het tot de
-huidzintuigen, hetgeen door Spencers ontdekking van een directe
-zenuwverbinding daarvan met de epiphyse bij Hatteria enz., wat de
-reptielen aangaat, voor weêrlegd mag worden gehouden. Leydig wijst
-daarbij op de bijzondere ontwikkeling der voorhoofdsklier bij de
-visschen uit de groep der Scopeliden, waar die geheel gelijkt op de
-zoogenaamde „nevenoogen”, welke ook bij andere visschen, gelijk
-Chauliodus, voorkomen en op de bij de enkelvoudige oogen der
-arthropoden en de bij andere ongewervelde dieren aangewezen gevallen,
-waarbij gezichtsorganen en beker- of knopvormige organen zoo kunnen
-samenhangen, dat men, om zich deze betrekking duidelijk te maken, zijn
-toevlucht heeft genomen tot de uitdrukking overgangszintuigen.
-
-Er bestaan ongetwijfeld bij sommige andere dieren zintuigen, die de
-mensch mist (zie J. Lubbock, „Sense in Animals”, 1889), en zulke
-zintuigen kunnen ook bij de stamouders der gewervelde dieren hebben
-bestaan. Van de indrukken en wijze van werking van zintuigen die wij
-missen, kunnen wij ons evenmin een heldere voorstelling maken als een
-blindgeborene van het licht of een geboren doofstomme van het geluid.
-
-Bij de Scopeliden zijn de nevenoogen zeker geen gezichtsorganen, maar
-dienen als lichtgevende organen, waardoor haar in de duistere diepten
-van den Oceaan het zien mogelijk wordt gemaakt (Emery, „Die
-augenähnlichen Organe der Fische”, Bonn, 1881; „Reports of the
-Scientific Results of the Expedition of the Challenger, Zoology”, vol.
-XXII).
-
-Waarschijnlijk zal eens blijken, dat het derde oog homoloog is met de
-pigmentvlek van Amphioxus en het oog der Ascidiënlarven. [55] Het feit,
-dat er in de pijnappelklier zelfs bij den mensch nog een rudiment van
-bewaard is gebleven, is een sterk bewijs voor den samenhang der
-gewervelde dieren en van ’s menschen afstamming van een lageren vorm.
-
-(3) „te beginnen met den heer Boucher de Perthes.” De Fransche geleerde
-Boucher de Perthes was de eerste, die de aandacht vestigde op
-voortbrengselen van menschelijke nijverheid, die tot een geologisch
-tijdvak, ouder dan het tegenwoordige (het postpliocene tijdvak of
-diluvium) opklimmen. Hij gaf in 1847 in zijn „Antiquités Celtiques et
-Antédiluviennes” beschrijvingen en afbeeldingen van zeer ruw bewerkte
-vuursteenen wapenen uit het diluvium der Somme-vallei, na in 1846 in
-zijn werk „De l’Industrie Primitive ou les Arts et leur Origine” reeds
-te hebben medegedeeld, dat hij dergelijke wapenen aldaar gevonden had.
-Men sloeg eerst weinig geloof aan zijne bewering, tot de waarheid
-daarvan in 1853 door Dr. Rigollot en later door de Engelsche geleerden
-Dr. Falconer, Joseph Evans en Joseph Prestwich, die een onderzoek op de
-plaats zelve instelden, boven allen twijfel verheven werd. Deze
-vuursteenen wapenen zijn voor ons even ontwijfelbare bewijzen van ’s
-menschen bestaan in de voorwereld, als de voetstappen der wilden het
-voor Robinson Crusoë waren van het bezoeken van zijn eiland door andere
-menschen. Zij zijn, om met een Engelsch hoogleeraar te spreken, even
-duidelijke producten van menschelijke nijverheid, als de messen van
-Sheffield. Boucher de Perthes had ook het geluk de eerste te zijn, die
-een deel van een menschelijk geraamte—de beroemde onderkaak van
-Moulin-Quignon—in een gestratifieerde diluviale laag ontdekte.
-Merkwaardige en overtuigende bewijzen voor het bestaan van den mensch
-gedurende het postpliocene tijdvak zijn de later gevonden, door
-tijdgenooten vervaardigde, afbeeldingen van diluviale dieren, onder
-anderen van den holenbeer (Fig. 4) en van den mammouth (zie de
-steendrukplaat in het Album der Natuur 1867, blz. 366).
-
-Dat niet alleen in de Oude Wereld, maar ook in Amerika de mensch reeds
-gedurende het diluvium tegelijk met uitgestorven diersoorten leefde, is
-volkomen zeker. In mijn artikelen over „De Voorhistorische Menschen in
-Amerika” („Album der Natuur”, 1870 en 71) heb ik daaromtrent reeds het
-een en ander medegedeeld. In 1889 heeft Dr. Abbott op de vergadering
-van de „American Association for the Advancement of Science” een
-overzicht gegeven van de tot het jaar toe in Noord-Amerika gevonden
-wapens en werktuigen uit den oudsten steentijd of palaeolithische
-periode. [56] De gewichtigste vondsten zijn bij Trenton aan de „Little
-Falls” (Minnesota) en in het dal van de kleine Miami bij Loveland
-(Ohio) gedaan. Op het ras, waaraan deze steenen wapens en werktuigen
-moeten worden toegeschreven, komen wij later terug. Abbott bewijst, dat
-het eind der ijsperiode slechts het minimum van tijd aangeeft, die
-tusschen het tijdvak der palaeolithischen mensch in Noord-Amerika en
-den tegenwoordigen tijd is verstreken. De erosie van de rotskloof
-waardoor de Niagara stroomt, is eerst begonnen, nadat de ruw bewerkte
-vuursteenen van Trenton en Madisonville in den bodem bedolven waren.
-Gedurende den ijstijd werden gedeelten van Noord-Amerika door den
-mensch bewoond, wiens tijdgenooten o.a. de mastodon, de mammouth en het
-sedert veel verder naar het noorden terug geweken rendier waren.
-
-Op nog ouder sporen van den mensch in Californië, die tot het tertiaire
-tijdvak opklimmen, komen wij later terug.
-
-(4) Zie Charles Lyell’s beroemd werk over de oudheid van den mensch,
-door Dr. T. C. Winkler in onze taal overgezet, onder den titel van „De
-Geologische Bewijzen voor de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”,
-Zalt-Bommel, bij Joh. Noman en Zoon, 1864.
-
-(5) Het uitvoerigst, duidelijkst en grondigst bespreekt Haeckel den
-oorsprong, de afstamming en ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch in
-zijn „Anthropogenie oder Entwickelungsgeschichte des Menschen.
-Gemeinverständliche wissenschaftliche Vorträge über die Grundzüge der
-menschlichen Keimes- und Stammes-geschichte”, waarvan de derde
-omgewerkte uitgaaf in 1877, bij W. Engelmann te Leipzig verscheen. Een
-achtste omgewerkte en uitgebreide uitgaaf van de „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” verscheen in 1889.
-
-(6) „Correlatie.” Hieronder verstaat men, gelijk aan de lezers der drie
-vorige deelen van Darwin’s Biologische Meesterwerken bekend is, het
-feit, dat zoowel bij den mensch als bij de dieren sommige deelen in zoo
-innig verband met elkander staan, dat wanneer het eene zekere
-wijzigingen vertoont of abnormaal ontwikkeld is, zulks ook met het
-andere het geval is, zonder dat wij ons in de meeste gevallen
-rekenschap van de oorzaak kunnen geven. Vooral homotype deelen
-vertoonen correlatie; wanneer een individu b.v. aan de linkerhand meer
-dan vijf vingers heeft, zal het meestal ook aan de rechterhand een even
-groot aantal bezitten (Correlatie tusschen de beide homotype
-lichaamshelften), en daarenboven ook aan de voeten dikwijls een
-abnormaal aantal teenen hebben (Correlatie tusschen de homotype voorste
-en achterste ledematen). Een voorbeeld hiervan vindt men in de achtste
-aanteekening op dit hoofdstuk. Ook het feit, dat een abnormaal
-ontwikkeld lichaamsdeel meestal in zijn afwijking den normalen bouw van
-een ander daarmede homotyp deel teruggeeft, draagt den naam van
-correlatie. Als b.v. de spieren van den arm abnormaal ontwikkeld zijn,
-vindt men er dikwijls den normalen bouw van de spieren van het been in
-terug en omgekeerd ook niet-abnormaal ontwikkelde deelen vertoonen
-correlatie, daar bepaalde wijzigingen in het eene met overeenkomstige
-wijzigingen in het andere gepaard gaan. Zoo bestaat er bij den mensch
-correlatie tusschen het haar, de huid en de oogen. Personen met donker
-gekleurde huid hebben toch gewoonlijk donker haar en donkere oogen,
-terwijl blond en vooral rood haar gepaard gaan met bijzonder blanke
-huid en lichte oogen. Evenzoo gaat groote lengte der ledematen
-gewoonlijk gepaard met groote lengte van het hoofd en van het lichaam,
-en het geheele dier neemt rankere vormen aan, zooals wij aan onze
-windhonden kunnen opmerken. Zie verder over Correlatie: Hoofdstuk II
-van dit werk en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned.
-Vert., Deel II, blz. 370.
-
-(7) Misvorming ten gevolge van „stilstand in de ontwikkeling.” De
-Duitschers noemen dit „Hemmungsbildung.” Wanneer volwassen individuen
-misvormingen vertoonen, die bij den embryo of den foetus op zeker
-tijdstip zijner ontwikkeling normaal voorkomen, dan wordt zulks
-toegeschreven aan een storing, een stilstand in de ontwikkeling van het
-misvormde orgaan, die begonnen is op het tijdstip, waarop den embryo of
-de foetus normaal den waargenomen vorm vertoont. Op elke 500 menschen
-vindt men er b.v. gemiddeld één met een hazenlip, nog minder vindt men
-er, die een dubbele hazenlip hebben; eindelijk zijn er nog zeldzamer
-voorbeelden van verhemelten, die zoo zijn gespleten, dat de neusholte
-met de mondholte samenhangt. Dit zijn allen echter vormen, die ieder
-mensch gedurende het foetale leven heeft doorloopen. De enkele en
-dubbele hazenlip, het gespleten verhemelte van sommige menschen zijn
-derhalve misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling
-(Hemmungsbildungen).
-
-(8) „Reduplicatie van deelen.” Er worden soms, zoowel bij de dieren als
-bij den mensch individu’s geboren, die zekere deelen in grooter getal
-bezitten, dan zulks in normalen toestand bij de soort waartoe zij
-behooren, wordt waargenomen. Zoo zijn dikwerf kinderen waargenomen, die
-aan handen of voeten een grooter aantal vingers of teenen bezaten, dan
-gewoonlijk. Het sterkst mij hiervan bekende geval is dat van een
-persoon, die aan elken voet 12 teenen en aan elke hand tevens 12
-vingers had (Hyrtl, „Handboek der Topographische Ontleedkunde”, Ned.
-Vertaling van Dr. E. Hanlo, Deel II, blz. 626). Een ander voorbeeld van
-een dergelijke reduplicatie van deelen leveren ons de tepels. „De
-gevallen van overtallige borsten of tepels naast de normale, of in de
-okselholte, in de lies, op den rug enz. zijn bij het vrouwelijke
-geslacht zeer dikwijls waargenomen” (ibid., Deel I, blz. 529). Soms
-heeft ééne klier zelfs meer dan éénen tepel.
-
-(9) „Terugkeer tot een vroeger en ouder type van organisatie.” Het
-atavisme berust meestal op een stilstand in de ontwikkeling
-(Hemmungsbildung). Volgens de denkbeelden van de voorstanders der
-ontwikkelingstheorie toch beantwoordt de reeks van ontwikkelingsphasen,
-welke een diersoort gedurende het foetale leven doorloopt, verkort aan
-die, welke de soort zelve bij haar ontwikkeling heeft doorloopen. Een
-merkwaardig voorbeeld van atavisme door stilstand in de ontwikkeling
-bij den mensch leveren de zoogenaamde microcephalen, waarover Carl Vogt
-een uitnemende verhandeling heeft geschreven. Op zeker tijdstip van
-zijn ontwikkeling bezit de menschelijke foetus hersenen, die niet meer
-ontwikkeld zijn dan die van een aap. Heeft op dit tijdstip een
-stilstand in de ontwikkeling plaats, dan wordt er een kind geboren, dat
-de laatste ontwikkelingsphase van den menschelijken typus niet heeft
-medegemaakt, een kind, dat atavisme, dat in zijn hersenen den normalen
-toestand der hersenen van de naaste stamouders van het menschelijk
-geslacht vertoont, een microcephaal of aapmensch (deze laatste
-uitdrukking is door den volksmond gevonden). Zijn de hersenen van
-dergelijke microcephalen aapachtig ontwikkeld, hun gelaat is
-menschelijk, maar vertoont het type van een zoo laag en dierlijk
-menschenras, dat de laagste Papoea van den tegenwoordigen tijd in
-vergelijking zeer ontwikkeld mag heeten. De zoogenaamde Azteken, ook
-hier te lande rondgevoerd, waren niets anders dan dergelijke
-microcephalen, die een roodhuid tot vader en een negerin tot moeder
-hadden. (Zie over de Microcephalen de bekroonde prijsverhandeling van
-Carl Vogt in „Archiv für Anthropologie”, Bd. II, Brunswijk, 1867, blz.
-129–285, met 26 groote steendrukplaten, 74 afbeeldingen van schedels
-bevattende.)
-
-(10) Hoogst merkwaardig zijn in dit opzicht de afbeeldingen, die Vogt
-in het eerste deel zijner „Vorlesungen über den Menschen”, Giessen,
-1863, geeft. Zie aldaar Fig. 36, 37, 61, 62, 67, 69. Het zal wellicht
-niet ongepast zijn, hier een kort overzicht te geven van den strijd,
-die voor ettelijke jaren over het maaksel der hersenen bij den mensch
-en de apen tusschen Professor Owen aan de eene en Prof. Huxley en vele
-andere geleerden aan de andere zijde plaats had, een strijd, waarin de
-Nederlandsche hoogleeraren Schroeder van der Kolk en Vrolik zich
-bijzonder onderscheidden. Tot het jaar 1857 waren alle beroemde
-ontleedkundigen, die zich met het maaksel der hersenen van de apen
-hadden bezig gehouden, Cuvier, Tiedeman, Sandifort, Vrolik, J. G. St.
-Hilaire, Schroeder van der Kolk, Gratiolet enz. het daarover eens, dat
-die hersenen volgens het zelfde type waren gebouwd als die van den
-mensch. In 1857 echter beweerde Owen in een in het tijdschrift van de
-Linnean Society afgedrukte verhandeling, dat de hersenen van de apen
-zich van die van den mensch zouden onderscheiden, doordat de groote
-hersenen bij de eersten de kleine niet geheel overdekken (als men ze
-van boven beschouwde) en door het gemis van den achtersten hoorn der
-zijdelingsche hersenholte en van den Hippocampus minor. Huxley kwam
-hier tegen op, en het bleek dat Owen ongelijk had. Owen beriep zich
-onder anderen op een afbeelding, door Schroeder van der Kolk en Vrolik
-van de hersenen van den chimpanzee gegeven, doch waarvan de
-onnauwkeurigheid door Gratiolet was aangetoond. Schroeder van der Kolk
-en Vrolik verklaarden echter, dat zij, hoewel groote tegenstanders van
-alle vormen van de leer der trapsgewijze ontwikkeling, de waarheid
-boven alles lief hadden; dat zij daarom, op gevaar af van steun te
-geven aan theorieën, die zij bestreden, het hun plicht achtten openlijk
-te protesteeren tegen het misbruik, dat Owen van hun autoriteit maakte,
-en de volkomen juistheid van de kritiek van Gratiolet erkenden. Zij
-gaven daarenboven nieuwe en juiste afbeeldingen van de hersenen van den
-orang en toonden het werkelijk bestaan van de betwiste deelen in een
-der zittingen van de Academie van Wetenschappen te Amsterdam aan, met
-het gevolg, dat „la présence des parties contestées y a été
-universellement reconnue par les anatomistes présents à la séance.” De
-onjuistheid der beweringen van Owen werd daarenboven door meerdere
-dissecties van hersenen van vele verschillende aapsoorten door Prof.
-Huxley zelf, door Prof. Rolleston F. R. S., de heeren Marshal F. R. S.,
-Flower en Turner, allen ontleedkundigen, volkomen bewezen. De
-onnauwkeurigheid der eerste afbeelding van Schroeder van der Kolk en
-Vrolik was daaraan te wijten dat het nageteekende voorwerp in alcohol
-werd bewaard, en daardoor de deelen waren misvormd.
-
-(11) „Man is subject like other animals, birds and even insects to that
-mysterious law, which causes certain normal processes, such as
-gestation as well as the maturation and duration of various diseases to
-follow lunar periods.”
-
-Het beste voorbeeld van een normaal proces dat aan maandelijksche
-perioden is gebonden, leveren ons de maandstonden der vrouw. Zwangere
-vrouwen lijden soms, ten tijde dat de maandstonden zouden moeten plaats
-hebben, aan witten vloed. Men heeft ook maandelijks periodiek
-terugkeerende neusbloedingen en maagbloedingen waargenomen, die dan de
-plaats der maandstonden bekleeden. Darwin schijnt echter werkelijk aan
-een geheimzinnig verband tusschen den loop der hemellichamen en de
-lichaamsverrichtingen van menschen en dieren te hebben geloofd en het
-periodiek terugkeeren van sommige normale en abnormale verschijnselen
-met de omwenteling der maan om de aarde in verband te hebben gebracht.
-Hij tracht daarvan in Hoofdstuk VI zelfs een verklaring te geven. Deze
-meening komt ons hoogst onwaarschijnlijk, ja onhoudbaar voor. Die
-perioden toch zijn bij verschillende individu’s van verschillende
-lengte. Zoo zijn er vrouwen, die elke veertien dagen, andere, die
-slechts om de zes weken menstrueeren. Ook bij het zelfde individu zijn
-die perioden niet altijd volkomen regelmatig.
-
-(12) Boitard (aangehaald door Houzeau, „Facultés mentales des Animaux”,
-1872, tome I, blz. 399) verhaalt, dat in den Jardin des Plantes te
-Parijs, een choak-kama (Cynocephalus porcarius) uit zijn kooi ontsnapte
-en den oppasser Richard gevaarlijk verwondde, zoodat niemand hem durfde
-naderen. De dochter van Richard, die de voorliefde van den aap voor
-haar kende, liep naar den anderen kant van de kooi, riep een jongen die
-dicht daarbij aan het werk was en verzocht dezen haar een kus te geven.
-Toen de aap hem dit zag doen, uitte hij een verschrikkelijken kreet van
-jaloerschheid en sprong in de kooi om den jongen door de tralies heen
-te straffen.
-
-Leo quoque odoratu mulieres a viris distinguit, atque his illas
-praeferre videtur. Narravit mihi domitor quidam animalium, se leonis in
-caveam non ingredi solere, antequam mulieris menstruantis pollutum
-panniculum sub veste sua abscondidisset; qua re leonis animum adeo
-leniri dixit, ut leonis (non esurientis) caveam intrare minime
-periculosum esset. Panni odor igitur, superans odorem masculinum,
-efficere videtur ut leo virum odorari nequeat, atque domitorem, ut ita
-dicam, feminam oleat. Misschien beweerde derhalve ook Plinius niet ten
-onrechte, dat een leeuw mannen meer dan vrouwen aanbrult. (Plin.,
-„Hist. Nat”, lib. VIII, cap. XIX, 16).
-
-(13) Merkwaardig zijn in dit opzicht de waarnemingen van A. R. Wallace,
-die gedurende meer dan drie maanden een levend jong van een orang-oetan
-bezat. Zie: „Insulinde: het Land van den Orang-Oetan en den
-Paradijsvogel”, door Alfred Russel Wallace; uit het Engelsch vertaald
-en van aanteekeningen voorzien door Prof. P. J. Veth, Amsterdam, P. N.
-van Kampen, 1870, Deel I, blz. 73 v.v.
-
-(14) De dieren, die het meest op den mensch gelijken, zijn de apen. Elk
-spiertje of zenuwtje van den mensch vindt zijn homoloog deel bij den
-aap. Niet alleen komt het skelet om zoo te zeggen beentje voor beentje
-overeen; of liever, niet alleen verschillen de skeletten der
-verschillende aapsoorten onderling meer, dan zij van dat van den mensch
-verschillen, maar ook in alle andere deelen van de bewerktuiging vindt
-men de meest merkwaardige overeenkomst. Zoo vindt men b.v. de fijne
-ribbetjes op de binnenzijde onzer vingers op die der apen weder, en de
-rangschikking dier ribbetjes gelijkt bij hen meer op die bij den
-mensch, naarmate de aapsoort in andere kenmerken meer tot den mensch
-nadert. Van alle dieren zijn behalve den mensch de apen de eenigen, die
-aan de extremiteiten, zoogenaamde tastlichaampjes (corpuscula tactus),
-de organen van onzen tastzin, bezitten, de eenigen, wier oog de fovea
-centralis en de gele vlek op het netvlies (macula lutea) vertoont; ook
-het wezenlijk deel van het inwendig gehoorwerktuig stemt bij de ware
-apen in alle belangrijks punten volkomen overeen met dat van den
-mensch; bij de halfapen of Lemuriden daarentegen, en bij de overige
-dieren wijkt het daarvan geheel af. Het tandstelsel, een zoo belangrijk
-zoölogisch kenmerk, gelijkt bij de apen der Oude Wereld meer op dat van
-den mensch, dan op dat van de apen der Nieuwe Wereld. De wijfjes van
-sommige apen zijn de eenige dieren die maandstonden hebben, evenals de
-vrouw.
-
-De apen die het meest op den mensch gelijken, en zich o.a. door het
-volkomen gemis van een staart kenmerken, noemt men de anthropomorphen
-(van ἄντηρωπος mensch, en μορφὴ vorm). Tot de anthropomorphen worden
-gebracht: de Gorilla en de Chimpanzee, die alleen in het westen van
-tropisch Afrika worden gevonden, de Orang oetan, tot Borneo en Sumatra
-beperkt, en de langarmige apen of Gibbons, die in Achter-Indië en in
-het Aziatisch gewest van Insulinde leven. (Zie: Insulinde, door A. R.
-Wallace, Nederl. vertaling van Prof. Veth, Deel I, blz. 12).
-
-De apen zijn vierhandig, dat wil zeggen, dat zij vier handen hebben. Op
-het eerste gezicht zou men denken, dat hierin de apen hooger zijn
-georganiseerd, dan de mensch, daar de hand een hooger ontwikkeld orgaan
-is, dan de voet. Maar ook hier geldt de oeconomische wet van de
-verdeeling van den arbeid; twee functies in één orgaan vereenigd,
-wijzen op een lager staand organisme. De voet is het werktuig van het
-gaan, de hand is een grijpwerktuig. Hierin is dus de mensch den aap
-vooruit.
-
-Echter is de scheiding tusschen mensch en aap hierin niet zoo scherp,
-als men wellicht gelooft. De voet van den mensch vormt een
-veêrkrachtigen boog, waarop het gewicht van geheel het lichaam rust;
-maar op dezen regel zijn vele uitzonderingen. Men weigert in onze
-legers vele zoogenaamde platvoeten en de voet van den neger vormt geen
-ontwikkelden boog. Er zijn ook overgangen ten opzichte van het gebruik
-van den grooten teen: bij de lagere rassen kunnen de voeten bijna als
-handen worden gebruikt; de Nieuw-Hollanders sleepen bv. met hun voet
-lansen van 10 voet lengte achter zich. Bij den gorilla begint de voet
-zich te welven, de vingers der achterhanden worden een soort van
-teenen, en Huxley merkt terecht op, dat de voet van den gorilla minder
-verschilt van dien van den mensch, dan van die der andere apen.
-
-Het valt eigenlijk te betwijfelen, of men wel het recht heeft, een
-enkele aapsoort vierhandig te noemen. Neemt men als kenmerkend verschil
-tusschen hand en voet aan, dat bij den laatsten de groote teen niet
-opponibel aan de overige teenen is, dan zijn de achterhanden der apen
-geen voeten. Neemt men echter de inwendige anatomische structuur als
-kenmerk aan, dan zijn de achterhanden der apen evenmin handen als de
-voeten van den mensch. De menschelijke voet onderscheidt zich van de
-hand door de volgende anatomische verschillen.
-
-1o. Door de rangschikking der beenderen van den voetwortel.
-
-2o. Doordat de buigende en uitstrekkende spieren der teenen kort zijn,
-dat wil zeggen, dat de vleezige deelen dier spieren niet liggen in het
-been, dat met den voorarm overeenkomt, maar in den rug en de zool van
-den voet, die met den rug en de palm van de hand overeenkomen.
-
-3o. Door het uitsluitend bezit der spier, die men peronaeus longus
-noemt.
-
-Nu heeft Huxley aangewezen, dat de achterhanden der apen in deze drie
-kenmerken met de voeten van den mensch overeenkomen. De tegenwerping
-van Lucae, dat de twee laatstgenoemde kenmerken ook aan de achterpooten
-van den leeuw worden waargenomen, kan het feit niet ontzenuwen, dat de
-achterste ledematen van den aap werkelijk op de zelfde wijze van de
-voorste ledematen onderscheiden zijn als die van den mensch. De term
-vierhandig is dus eigenlijk verkeerd, en de zoölogen, die zoo
-verschillende wezens als den zeehond, den leeuw en den beer tot de
-zelfde orde brengen, hebben niet het minste recht om den mensch, als
-tweehandig, van de orde der vierhandigen te scheiden. Deze laatsten
-zijn ook tweehandig, en wij moeten dus terugkeeren tot het denkbeeld
-van Linnaeus, en den mensch met de apen in ééne orde, die der Primaten,
-vereenigen. [57] Zie over dit punt Huxley, „Evidence as to Man’s Place
-in Nature.”
-
-In 1886 verscheen te Parijs het werk van J. Deniker, „Recherches
-anatomiques et embryologiques sur les singes anthropoïdes.” De
-schrijver kwam ook daarin tot het resultaat, dat zoowel bij den embryo
-als bij het volwassen individu, de verschillen tusschen den mensch en
-de hoogere apen niet grooter zijn dan die tusschen deze laatsten en de
-lagere apen.
-
-(15) „Cloaca.” Hieronder verstaat men de gemeenschappelijke holte,
-waardoor bij de Monotremata (de laagste orde der zoogdieren), de
-vogels, reptielen en amphibieën en ook bij sommige visschen (de
-Selachieërs en Lepidosiren) zoowel de vaste als de vloeibare
-uitwerpselen worden afgevoerd, omdat daarin zoowel het uiteinde van het
-darmkanaal als de pisleiders en de geslachtsopeningen uitmonden.
-
-(16) „Compensatie van groei.” Hierdoor verstaat men, dat, als een deel
-zich buitengewoon ontwikkelt, andere deelen doorgaans slecht zijn
-ontwikkeld. Zoo gaat b.v. een buitengewone ontwikkeling der
-lichaamsharen bij den mensch dikwijls gepaard met onvolkomenheden in
-het tandstelsel (vergelijk aanteekening 20, blz. 48); mannen, wier
-zogklieren zoo ontwikkeld zijn, dat zij melk geven, hebben weinig
-ontwikkelde geslachtsdeelen (vergelijk aanteekening 27, blz. 50).
-Evenzoo schijnt de ontwikkeling van den schedel en van de hersenen die
-van den staart en zelfs van het aangezicht te belemmeren en sleept de
-ontwikkeling van een hoornachtigen bek de verdwijning der tanden met
-zich. De buitengewoon sterke ontwikkeling der achterste ledematen gaat
-dikwijls gepaard met bijzonder kleine voorste ledematen (b.v. bij den
-Kangoeroe, de Struisachtige Vogels, enz.)
-
-(17) „Oceanische eilanden.” Oceanische eilanden zijn die, welke in den
-ruimen Oceaan verre van het vasteland liggen en van dit laatste door
-diepe zeeën zijn gescheiden. Men noemt ze aldus ter onderscheiding van
-de Continentale, welke laatsten in de nabijheid van het vasteland zijn
-gelegen en gewoonlijk door ondiepten daarmede samenhangen, zoodat men
-ze als door natuuromwentelingen daarvan afgescheurde stukken kan
-beschouwen. De continentale eilanden zijn meestal langwerpig van
-gedaante, bezitten geologisch dikwijls het karakter van de naburige
-kusten van het vasteland en hun fauna vertoont met die van dit laatste
-een grootere of geringere overeenkomst. De oceanische eilanden zijn òf
-boven den zeespiegel uitstekende toppen van onderzeesche gebergten en
-van vulkanischen aard, òf koraaleilanden; zij bezitten soms eigene
-diersoorten en hun fauna kenmerkt zich door volkomen gebrek of groote
-armoede aan zoogdieren (behalve vledermuizen) en vorschachtige dieren
-(Batrachii); zij zijn meestal rondachtig van gedaante en liggen
-gewoonlijk ook in cirkelvormige groepen bijeen, terwijl de continentale
-eilanden dikwijls reeksen vormen.
-
-(18) Ik heb opgemerkt, dat als men het oor van personen die dit uitwas
-niet bezitten, op de aangeduide plaats bevoelt, men aldaar dikwijls nog
-als laatste spoor er van, een klein kraakbeenig knobbeltje kan
-bemerken.
-
-Deze punten aan het oor schijnen de verbeeldingskracht van het publiek
-sterk te hebben getroffen. Een recensent in „Nature” (April 6, 1872)
-stelt voor ze angulus Woolnerianus te noemen. Darwin schreef aan
-Woolner („Life and Letters”, chapt. VIII), dat zeker Duitscher trotsch
-was ze zeer ontwikkeld te bezitten, en Darwin een photogram van zijn
-ooren wilde zenden!
-
-(19) „De membrana nictitans of het derde ooglid.” Bij de dieren,
-waarbij het goed ontwikkeld is, is het zichtbaar als een verticaal
-geplaatst vlies aan den binnenhoek van het oog, aan de achterzijde van
-de twee horizontale oogleden.
-
-(20) Nog sterker worden deze verschillen in behaardheid, wanneer men
-verschillende menschenrassen met elkander vergelijkt. Het is bekend,
-dat er stammen bestaan, die geen of bijna geen baard bezitten.
-Daarentegen leeft aan de monden van den Amoer en vooral op de
-Kurilische eilanden en het Japansche eiland Jesso, een volksstam, de
-Aino’s genaamd, wier geheele lichaam bijzonder ruig en met zwarte of
-rosse haren bedekt is. De zeer dichte, dikwijls twee voet lange baard
-van de mannen van dezen stam bedekt om zoo te zeggen het geheele gelaat
-met uitzondering van neus en oogen.
-
-De dwergstammen, die Stanley op zijn tocht tot ontzet van Emin pacha in
-het groote woud aan den Congo aantrof, zijn met haren van meer dan een
-centimeter lengte bedekt.
-
-In Birma leeft een sterk behaarde familie, (door Darwin in het
-„Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” vermeld) die op den rug
-nog langer en zwaarder haar bezit dan op de borst, en zoo een
-hoofdkenmerk van de beharing der zoogdieren teruggeeft. Wallace
-(„Contributions to the Theory of Natural Selection”. London, 1870)
-beschouwt dit echter eerder als een monstruositeit, dan als een echt
-atavisme, omdat ook het aangezicht, het voorhoofd en de ooren geheel
-met haar bedekt, en de tanden zeer onvolkomen ontwikkeld zijn. Wij
-moeten tegen het eerste argument aanvoeren, dat bij de zoogdieren die
-nog lager dan de apen staan, en ook onder deze zijn er ongetwijfeld,
-die aan een voormaligen toestand van het type mensch beantwoorden
-(vergelijk Hoofdstuk VI van dit werk), het aangezicht, het voorhoofd,
-en het grootste gedeelte der ooren met haren bedekt zijn.
-
-(21) „Vibrissae.” Eigenlijk zijn dit lange, stijve, dikke haren, die
-aan de lippen van vele zoogdieren gehecht zijn, en tot wier wortel
-takken van het vijfde zenuwpaar (nervus trigeminus) loopen. Het zijn
-tastorganen en men heeft waargenomen, dat katten ongeschikt worden om
-muizen te vangen, als men ze wegsnijdt, en dat konijnen zich zonder
-behulp der oogen door middel van deze haren in enge gangen een weg
-weten te banen. Soms komen dergelijke tastharen in de wenkbrauwen voor.
-
-(22) „Bronstijd.” Ten einde de voortgaande ontwikkeling der menschheid,
-van haar eerste verschijning in Europa af tot den historischen tijd
-toe, goed te kunnen uiteenzetten, hebben de archaeologen drie
-hoofdtijdperken aangenomen, die echter onmogelijk scherp begrensd en
-vaneengescheiden kunnen worden, maar integendeel allengs in elkander
-overgaan en altijd onderling door overgangstijdperken zijn verbonden.
-Deze drie hoofdtijdvakken zijn: 1o. De Steentijd, gekenschetst door
-volkomen onbekendheid met de metalen; 2o. De Bronstijd, zoo genoemd,
-daar het metaal, dat voornamelijk werd gebruikt, het brons was en men
-het ijzer nog niet kende; 3o. De IJzertijd, die den overgang vormt tot
-de historische tijden.
-
-(23) „Rendiertijdperk.” Daar de steentijd zeer lang geduurd heeft en
-overgangen tot zeer verschillende trappen van beschaving bevat, wordt
-hij in drie afdeelingen onderscheiden, waarvan de beide eersten tot in
-het postpliocene of diluviale tijdvak (het geologische tijdvak, dat het
-onze voorafgaat) reiken. Deze drie afdeelingen zijn: 1o. De Oudste
-Steentijd of het Tijdperk van den Mammouth en den Holenbeer; 2o. De
-Middelste Steentijd of het Tijdperk van het Rendier en de overige
-Noordsche Dieren; 3o. De Jongste Steentijd of het Tijdperk der
-Huisdieren en Geslepen Steenen Werktuigen. Men noemt dezen laatsten
-Steentijd ook wel Neolithische Periode en wat daaraan voorafgaat
-Palaeolithische Periode.
-
-Aan den jongsten steentijd sluit zich de Bronstijd aan. Het wordt meer
-en meer zeker, dat men vóór het tijdperk van den mammouth een nog
-ouderen, Tertiairen Steentijd moet aannemen. Zie over dat alles: le
-Hon, „l’Homme Fossile en Europe”, Paris et Bruxelles, 1868 (liefst niet
-de zeer slechte Nederl. Vertaling), Ch. Lyell, „De Geol. Bewijzen voor
-de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”, Nederl. Vertaling van
-Winkler, mijn brochure, „De Voorhistorische Mensch in Europa”, ’s
-Gravenhage, 1869 en mijn bewerking van Dr. Büchners „Feiten en
-Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
-
-(24) De Guanchen waren de oorspronkelijke bewoners der Canarische
-eilanden en met de Berbers (Kabylen) verwant. Ook bij Egyptische
-mummiën komt de hier besproken opening zeer veelvuldig voor.
-
-(25) Dit schijnt vooral in hooge mate het geval te zijn geweest bij de
-menschenrassen, die gedurende het postpliocene of diluvatie tijdvak
-Europa bevolkten. Bijna alle menschelijke geraamten of onderdeelen van
-geraamten uit dat tijdvak die tot dusverre gevonden zijn, vertoonen in
-het eene of andere opzicht toenadering tot lagere, en wel meer bepaald
-tot aapachtige vormen. Als voorbeelden daarvan zullen wij hier iets
-omtrent een zestal dergelijke overblijfselen mededeelen, namelijk
-omtrent het menschelijk geraamte uit de grot in het Neanderdal, omtrent
-den schedel van Eguisheim, de onderkaak van la Naulette, de onderkaak
-uit het Schipkahol in Moravië, de menschelijke geraamten uit de grot
-van Eyzies in Périgord en die uit de grot „Betche aux Roches” bij Spy
-(provincie Namen) in België, die allen worden gebracht tot den tijd,
-dat de mammouth en vele andere uitgestorven diersoorten nog in Centraal
-Europa leefden.
-
-Nabij Dusseldorf ligt een diepe bergkloof, het Neanderdal geheeten. In
-een in dat dal gelegen kleine grot ontdekte Dr. Fühlrott in 1857 een
-menschelijken schedel, die door een leemlaag van anderhalf meter diepte
-werd bedekt. Waarschijnlijk lag het geheele geraamte aldaar bedolven,
-maar de werklieden hebben bij het uitgraven door onoplettendheid
-waarschijnlijk een groot deel der beenderen weggeworpen; want men heeft
-slechts de grootste kunnen verzamelen.
-
-Er zijn geleerden geweest, die betwijfelden, of de Neanderdalbeenderen
-werkelijk van een mensch uit het postpliocene tijdperk afkomstig waren,
-omdat men in de grot volstrekt geen beenderen van uitgestorven
-diersoorten vond. De leem in de grot kwam echter volkomen overeen met
-die, waarin men in andere grotten beenderen van uitgestorven
-diersoorten aantreft; de beenderen van den Neanderdalmensch kleven
-sterk aan de tong en zijn met kleine puntjes bezet, die, met de loupe
-onderzocht, dendriten bleken te zijn; in de nabijheid van de grot
-eindelijk heeft men in den zelfden leem beenderen van den mammouth en
-den holenbeer gevonden. De meeste geologen hielden het er daarom steeds
-voor, dat zij wel degelijk aan een tijdgenoot van deze dieren hebben
-toebehoord, en sedert het bekend worden der beenderen uit de grot bij
-Spy kan zulks niet meer worden betwijfeld.
-
-Van den Neanderdalschedel (Fig. 5) zijn slechts het voorhoofdsbeen, de
-beide wandbeenderen, een gedeelte van een slaapbeen en het bovenste
-gedeelte van het achterhoofdsbeen bewaard gebleven. Hij kenmerkt zich
-door een buitengewone ontwikkeling der voorhoofdsboezems, dat wil
-zeggen, door het sterk vooruitspringen der wenkbrauwbogen, die door een
-diepe groeve van het voorhoofd gescheiden zijn (dit is ook een kenmerk
-der anthropomorphe apen), de schedelbeenderen zijn buitengewoon dik,
-het voorhoofd is smal en zoo weinig ontwikkeld, dat het bijna de helft
-overschrijdt van den afstand, die in dit opzicht tusschen een
-hedendaagsch Europeaan en een volwassen [58] chimpanzee bestaat (Fig.
-6); zulk een mensch zou, bij zijn leven gezien, bijna geen voorhoofd
-hebben vertoond; de indrukken der kauwspieren op de slaapbeenderen zijn
-zeer ontwikkeld, hetgeen op een groote ontwikkeling der kaken wijst.
-
-Prof. Schaaffhausen, die in Müller’s Archiv etc. 1858 een hoogst
-interessante verhandeling, getiteld: „Zur Kenntniß der ältesten
-Rassenschädel”, heeft geplaatst, merkt daarenboven op, dat de beenderen
-der armen en beenen van den Neanderdalmensch naar verhouding even lang
-zijn als die van een hedendaagsch Europeaan van de zelfde lengte (de
-Neanderdalbeenderen hebben aan een individu van middelbare grootte
-toebehoord), maar dat ze veel dikker zijn dan deze, terwijl daarenboven
-de sterke ontwikkeling der spierindruksels op die beenderen bewijst,
-dat het individu, waarvan het skelet afkomstig is, in de
-noodzakelijkheid verkeerde zijn spieren veel meer te gebruiken en te
-oefenen dan wij.
-
-Prof. Schaaffhausen meent, dat de Neanderdalschedel een minder
-ontwikkeld verstand aanduidt, dan dat van de door de natuur het meest
-misdeelde negerstammen, met andere woorden, dat het de bestiaalste van
-alle bekende menschenschedels is.
-
-Huxley zegt van dezen schedel o.a. het volgende: „Hoe men dezen schedel
-ook moge beschouwen, overal zien wij apen-kenmerken, die hem tot den
-aapachtigsten van alle bekende schedels maken”; en wat verder: „De
-Neanderdalbeenderen kunnen echter op geenerlei wijze worden beschouwd
-als overblijfselen van een menschelijk wezen, dat het midden houdt
-tusschen mensch en aap. Zij bewijzen het bestaan van een mensch, van
-wiens schedel men kan zeggen, dat hij eenigermate tot den apentypus
-terugkeert, zooals bij sommige tuimelaars [59] de vederen van hun
-oorspronkelijk ras, de wilde duif (Columba livia) zich opnieuw
-vertoonen.”
-
-De schedel van Eguisheim bestaat uit een menschelijk voorhoofdsbeen en
-wandbeen, die door Dr. Faudel in het löss (een diluviale kleilaag) van
-de Rijn-vallei te Eguisheim nabij Colmar zijn gevonden. Deze
-overblijfselen waren vergezeld van beenderen van het reuzenhert, den
-mammouth en den Europeeschen bison (Bison Europaeus). Hij komt in zijn
-kenmerken bijna volkomen met den Neanderdalschedel overeen, maar is nog
-veel minder gewelfd (Fig. 7).
-
-P. Belsanti („Studi sur alcuni Carratteri Regressive del Cranio
-Humano”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1888) heeft de volgende
-kenmerken, die bij de lagere menschenrassen veelvuldig en bij de
-hoogere slechts zeldzaam voorkomen, als de gewichtigste aapachtige
-kenmerken van den menschelijken schedel aangegeven: 1. Duidelijke
-veelhoekigheid van den schedel; 2. Atrophie der neusbeenderen; 3.
-Hoefijzervorm van het beenig verhemelte; 5. Zeer ontwikkelde
-beenlijsten; 6. Eenvoudigheid der schedelnaden; 7. Groote ontwikkeling
-van het voorhoofduitsteeksel des slaapbeens; 8. Achterovergebogen
-vleugels van het wiggebeen; 9. Wormsche beentjes in het wiggebeen; 10.
-Naar achteren toe geregeld in grootte toenemen der kiezen.
-
-De onderkaak van la Naulette (Fig. 8) is door den heer Edouard Dupont
-in 1866 in de grot van la Naulette nabij Dinant gevonden. De bekende
-anthropoloog Broca heeft in een der zittingen (30 Aug.) van het
-palaeo-anthropologische Congres te Parijs van 1867 een merkwaardig
-betoog over deze onderkaak gehouden, waaraan wij het volgende ontleenen
-[60]:
-
-„Het lichaam van de onderkaak der anthropomorphe apen onderscheidt zich
-van dat van menschelijke onderkaken door de volgende kenmerken: 1o. Het
-volstrekt ontbreken van de kin; als men de streek van de kin in profil
-beziet, beschrijft zij, in plaats van vooruit te steken, een sterk naar
-achteren buigende bocht; 2o. Het volstrekt ontbreken der vier apophyses
-genianae [61]; en niet alleen ontbreken deze, maar zij worden vervangen
-door een holte, in welke de kintongspier (musculus genioglossus) zich
-vasthecht; 3o. Zeer groote dikte van het lichaam van de kaak in
-vergelijking met zijn hoogte; 4o. Elliptische vorm van den tandboog,
-wiens beide takken in plaats van parabolisch, dat wil zeggen divergent
-te zijn, zooals bij den mensch, integendeel naar achteren toe op de
-wijze van een hoefijzer convergent worden, zoodat de laatste kies
-dichter bij de mediaanlijn [62] ligt, dan de eerste; 5o. Aanmerkelijke
-grootte en breedte van den hoektand, in vergelijking met de afmetingen
-der naburige tanden; 6o. Eindelijk is, juist andersom als bij den
-mensch, waar het volumen der ware kiezen afneemt van de eerste tot de
-tweede en van de tweede tot de kies van verstand, de eerste ware kies
-der apen kleiner dan de tweede en deze wederom kleiner dan de derde.”
-
-„Al deze aapachtige kenmerken vindt men aan de onderkaak van la
-Naulette terug...” [63]
-
-„Het is dan ook niet te verwonderen, dat de vereeniging van al deze
-aapachtige kenmerken wel eens heeft doen betwijfelen, of het werkelijk
-een menschelijke onderkaak was, en dat zelfs Pruner-Bey daarover een
-oogenblik heeft geaarzeld. Tegenwoordig is, ik herhaal het, echter geen
-twijfel meer mogelijk, vooral sedert men aan andere kaken van oude
-rassen, of van hedendaagsche lagere rassen afkomstig, eenigen der
-kenmerken van de onderkaak van la Naulette heeft waargenomen.”
-
-„Zelfs Pruner-Bey is getroffen geworden door de vele punten van
-overeenkomst, die bestaan tusschen deze onderkaak en die, welke de
-Marquis de Vibraye in de grot van Arcy heeft gevonden, en die ook van
-het tijdperk van den mammouth dagteekent. Verscheidene andere
-onderkaken, in de dolmens van het tijdperk der geslepen steenen
-werktuigen gevonden, vormen overgangen tusschen de type van la Naulette
-en die der hedendaagsche Europeanen.”
-
-Ook in het Schipkahol in Moravië is een stuk van een diluviale
-menschelijke onderkaak, op die van la Naulette gelijkende, gevonden (K.
-J. Maska, „Der diluviale Mensch in Möhren”, Neutitscheim, 1886). Over
-deze kaak schreef ik een artikel, „Een Aapachtige Menschelijke
-Onderkaak” in „Isis”, 1881, blz. 120, waaraan het volgende is ontleend:
-
-„De zelfde laag bevatte mammouthsbeenderen en ruwe steenen werktuigen.
-Slechts het voorste gedeelte der kaak met drie snijtanden, den hoektand
-en de beide valsche kiezen der rechterzijde waren voorhanden. De
-laatste drie tanden steken nog onontwikkeld in de kaak, maar zijn
-zichtbaar, omdat de voorste wand der kaak ontbreekt. Wat vooreerst aan
-deze kaak opvalt, is haar grootte en dikte. De ontwikkeling der tanden
-komt overeen met die bij een kind van acht jaar, doch de kaak en de
-tanden zijn zoo groot als die van een volwassen mensch. Slechts de
-snijtanden hebben gewisseld, de na deze wisselende tanden ontwikkelen
-zich in de kaak, gelijk dat bij den mensch de regel is; eerst zou de
-eerste valsche kies, dan de hoektand, eindelijk de tweede valsche kies
-zijn doorgebroken. De hoogte van de kaak in de mediaanlijn is tot aan
-den rand der tandkassen 30, tot aan het boveneinde der snijtanden 39
-m.M. Aan den schedel van een zevenjarig kind bedragen deze maten 23 en
-30, bij een negenjarig meisje 24 en 33, bij een twaalfjarigen knaap 22
-en 31, bij acht onderkaken van volwassen mannen bedroeg de hoogte der
-kaak tot aan den rand der tandkassen gemiddeld 31 m.M. Het stuk
-onderkaak is aan zijn onderkant in de mediaanlijn 14 m.M. dik, onder
-den hoektand is de dikte 15 m.M. Aan een gewone volwassen onderkaak
-bedraagt de dikte op eerstgenoemde plaats omstreeks 11 m.M. Als men de
-slijtvlakte der snijtanden horizontaal plaatst, wijkt het onderste
-gedeelte van de prognathe kaak zoozeer naar achteren, dat een kin niet
-voorhanden is. Het achtervlak der symphysis is schuin geplaatst, gelijk
-zulks in hoogere mate bij de anthropomorphe apen het geval is, en in
-minderen graad bij wilden voorkomt, doch ook bij fossiele menschelijke
-overblijfselen reeds is waargenomen, gelijk bij de kaak van la
-Naulette, met welke de kaak uit het Schipkahol vele punten van
-overeenkomst vertoont.
-
-„De vorm der snijtanden stemt overeen met de meerdere dikte van de
-prognathe kaak, de breedste plaats der wortels meet van voren naar
-achteren 8½ m.M., terwijl de gewone breedte op deze plaats omstreeks 6
-m.M. is. Ook zijn de tanden naar voren convex gekromd, de kromming komt
-overeen met een straal van 27 m.M. lengte. De spina mentalis interna
-ontbreekt, in de plaats daarvan is, evenals bij de anthropomorphe apen,
-een holte aanwezig, aan den ondersten rand waarvan men nauwelijks
-eenige oneffenheden kan voelen. Sterk ontwikkeld zijn de ruwe plaatsen,
-waar zich de m. digastrici aanhechten, hetgeen tot een overeenkomstig
-sterke ontwikkeling van hun antagonisten, de kauwspieren aan den
-schedel, doet besluiten. Al deze kenmerken zijn aan de kaak van la
-Naulette voorhanden, doch sterker ontwikkeld. Het is waarschijnlijk,
-dat de kaak van het Schipkahol ook die aapachtige eigenaardigheid had,
-dat haar tandlijn niet horizontaal was, maar van de valsche kiezen naar
-de snijtanden omhoog liep, en haar lichaam van voren hooger was dan aan
-de zijden, omdat de snede der buitenste snijtanden naar buiten schuin
-afloopt. Opmerkelijk is nog de grootte van den hoektand, waarvan de
-emailkroon 13,5 m.M. lang is. Bij de fossiele onderkaak van Helde
-steekt de hoektand 3,5 m.M. boven de valsche kiezen uit. Volgens meting
-aan tien mannelijke Europeesche volwassen schedels met niet of
-nauwelijks afgesleten tanden kreeg men voor de emailkroon van den
-hoektand 11.5 m.M. Slechts eens vond men onder meer dan 50 schedels de
-kroon van den hoektand 14 m.M. lang.
-
-„Met lagere organisatie stemt altijd een snellere ontwikkeling overeen.
-Alle zoogdieren komen met tanden ter wereld. Reeds uit de
-omstandigheid, dat een orang van 0.4 M hoogte nog zijn geheele
-melkgebit, een van 0.7 M. echter reeds 14 blijvende tanden heeft, kan
-men besluiten, dat ook bij deze dieren het wisselen der tanden vroeger
-plaats heeft dan bij den mensch. De grootte van het voorste gedeelte
-van de kaak kan eenvoudig als een aapachtig kenmerk worden opgevat, en
-dat des te eer, omdat onafhankelijk daarvan nog andere aapachtige
-kenmerken aan die kaak voorhanden zijn. Het uiterlijk van het grijsgele
-been met daarop zittende kleine zwarte vertakte vlekjes vindt men vaak
-bij holenbeenderen. Het email der tanden gelijkt geheel op dat der
-diluviale holendieren, het vertoont overlangsche scheuren met zwarte
-infiltraties; naast deze vertoonen zich blauwachtige en op andere
-plaatsen gele vlekken.”
-
-In de grot van Eyzies (Périgord) zijn door Lartet fils
-menschenbeenderen uit het tijdperk van den mammouth gevonden, die voor
-het meerendeel van drie individu’s afkomstig waren, en ook door Broca
-onderzocht zijn. Vooral de scheenbeenderen en ellepijpen van deze
-individu’s zijn hoogst merkwaardig. „Deze scheenbeenderen”, zegt Broca
-[64], „vertoonen in de hoogste mate dien op het lemmet van een sabel
-gelijkenden vorm, welke het gevolg is van een zijdelingsche afplatting,
-en de scheenbeenderen der groote apen kenmerkt. Wij kennen dit kenmerk
-reeds, dat wij voor het eerst in Mei 1864 hebben opgemerkt aan de
-scheenbeenderen uit het dolmen van Chamant (Oise), vervolgens bij die
-van het dolmen van Maintenon (Eure-et-Loir) en dat men overigens,
-zoowel in Frankrijk als in den vreemde, bij een groot aantal
-scheenbeenderen uit het tijdperk der geslepen steenen werktuigen heeft
-teruggevonden...”
-
-... „Herinneren wij ons ten laatste, dat de heer Busk, wiens
-onderzoekingen van 1863 dagteekenen, heeft opgemerkt, dat alle
-scheenbeenderen in groot aantal in de grotten van Gibraltar gevonden,
-op de zelfde wijze afgeplat zijn als die uit de grot van Eyzies. Deze
-vorm, zoo verschillend van dien der hedendaagsche scheenbeenderen,
-schijnt dus aan vele voorhistorische rassen eigen te zijn geweest.”
-
-De ellepijpen uit de grot van Eyzies vertoonen onder de
-halvemaansgewijze insnijding een eigenaardige kromming, waarvan Broca
-(l. l. blz. 22) zegt: „Deze kromming komt overeen met die, welke men
-aan het boveneinde van de ellepijp van sommige anthropomorphe apen
-waarneemt.”
-
-De opmerkingen van Broca over de onderkaak van la Naulette en de
-beenderen van Eyzies kunnen volstrekt niet van partijdigheid ten
-voordeele van ’s menschen afstamming uit lagere vormen worden
-beschuldigd, daar zij van een beslist tegenstander der Darwinistische
-begrippen afkomstig zijn.
-
-Drie jaren geleden beschreven de Belgische geleerden M. Fraipont en M.
-Lohest [65] twee menschelijke skeletten, in Juni 1868 in het hol
-„Betche aux Roches” bij Spy (provincie Namen) met beenderen van
-diluviale zoogdieren (mammouth, neushoorn, holenhyena enz.) gevonden en
-wier schedels geheel overeenkwamen met den Neanderdalschedel. De
-onderkaken dezer skeletten komen zeer goed overeen met den vorm, dien
-Schaaffhausen aan de onderste helft van het gelaat van den door hem
-gereconstrueerden Neanderdalmensch heeft gegeven. Zij hebben geen kin,
-zijn plomp, van voren 41 m.M. hoog, de naar boven gaande tak vormt met
-het lichaam der onderkaak een rechten hoek. In haar voornaamste
-kenmerken stemmen die onderkaken geheel met die van la Naulette en
-Schipkahol overeen. Uit den eigenaardigen vorm van het dijbeen en het
-kniegewricht besluiten Fraipont en Lohest, dat de Spymenschen, en
-ongetwijfeld ook de Neanderdalmensch niet volkomen rechtop hebben
-geloopen, maar veeleer op de wijze der anthropomorphe apen met
-eenigszins gebogen knieën. Armen en beenen waren kort, de
-lichaamshoogte ongeveer die der tegenwoordige Laplanders.
-
-Deze skeletten van Spy zijn daarom zoo belangrijk, omdat daaraan deelen
-bewaard waren gebleven, die aan de menschelijke overblijfselen van het
-Neanderdal enz. ontbraken.
-
-De stelling van de Quatrefages, Hauy en de Mortillet, dat de
-Neanderdalschedel met dien van Cannstatt (een dergelijke schedel, die
-vroeger gevonden maar later beschreven is), Eguisheim, de kaken van la
-Naulette, het Schipkahol enz. van een bepaald menschenras—het ras van
-Cannstatt of Neanderdal, ook wel ras van Chelles genoemd—afkomstig
-zijn, dat van alle thans levende menschenrassen verschilt en beneden
-deze staat, wordt door de geraamten van Spy op schitterende wijze
-bevestigd. De meening van Virchow, die in den Neanderdalschedel een
-pathologisch gewijzigden individueelen vorm wilde zien, wordt daardoor
-geheel onhoudbaar.
-
-(26) In „Kosmos” V. Jahrg. (1881), Heft 7, blz. 13, vindt men hierover
-een merkwaardig artikel van Dr. E. Krause met afbeeldingen van
-gestaarte menschen, hun staarten afzonderlijk op grooter schaal, enz.
-getiteld: „Die schwanzartigen Bildungen beim Menschen. Nach den
-Untersuchungen von Dr. Bartels, Prof. Ecker, Dr. Ornstein u. a.” Meer
-algemeen dan een werkelijken staart vindt men als laatste spoor daarvan
-een sterke beharing in de kruis- en stuitstreek (Trichosis sacralis).
-Vooral bij Grieksche recruten wordt die veelvuldig opgemerkt. Deze
-„staart„haren kunnen soms zoo lang worden, dat men ze vlechten en om
-het lichaam heên van voren samenknoopen kan! Dr. Krause meent, dat aan
-dergelijke gevallen de voorstellingen der faunen en van Silenus in de
-Oud-Grieksche kunst zijn ontleend.
-
-(27) Humboldt en Bonpland zagen in Zuid-Amerika in Arenas, een
-arbeider, met name Francisco Lucano, 32 jaar oud, die zijn kind met
-eigen borst voedde, daar de moeder kort na de geboorte was overleden.
-Een tweede geval wordt door Dr. Schmelzer („Wurtemburg,
-Correspondenzblatt”, Bd. VI, no. 33) medegedeeld, en betrof een
-22jarigen jongen man, die dagelijks twee ons zuivere melk afscheidde,
-en Jarjavay beroept zich op de geschiedenis (die door
-Carpentier-Méricourt bekend is geworden) van dien matroos, bij wien het
-zuigen van zijn kind, dat hij in wanhoop over den dood zijner vrouw
-tegen de naakte borst drukte, een zoo overvloedige afscheiding van melk
-teweegbracht, dat hij het kind zelf zoogde. Mannen met vrouwelijke
-borsten zouden geen levendige geslachtsdrift vertoonen, en weinig
-ontwikkelde geslachtsdeelen bezitten. Bédor wil hun zelfs daarom van
-regeeringswege het huwelijk laten verbieden. (Hyrtl, „Handboek der
-Topogr. Ontleedkunde”, Nederl. vertaling van Dr. E. Hanlo. Deel I, blz.
-530, Burdach. „Die Physiologie als Erfahrungswissenschaft”, Humboldt,
-April 1888, blz. 158.)
-
-(28) „Vesicula prostatica.” Een blind zakje, dat bij den mensch
-tusschen de openingen van de afvoerende buizen der ballen in de
-pisblaas uitmondt, en later bij verschillende andere zoogdieren is
-opgemerkt. Door de onderzoekingen van Weber en Huschke heeft het als
-overblijfsel van een in de vrucht aanwezige mannelijke baarmoeder,
-waarvoor genoemde ontleedkundigen het verklaarden, een gewichtige
-morphologische beteekenis verkregen. Zie: E. H. Weber in het „Bericht
-der Versamml. der Naturforscher in Braunschweig”, 1842, blz. 64;
-Huschke in zijn uitgave van „S. T. von Soemmering’s Lehre von dem
-Eingeweide”, Leipzig, 1844, enz.
-
-(29) Men vergelijke over deze en andere „Bewijzen vóór de theorie van
-Darwin” ook het aldus getitelde werkje van G. J. Romanes, in het
-Nederl. vertaald door P. F. Spaink, Amsterdam, J. F. Sikken, 1884.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM
-HEEFT ONTWIKKELD.
-
- Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.
- —Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij
- den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
- invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd
- gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de
- ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—
- Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke
- teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste
- geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn
- lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den
- opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het
- gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering
- der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—
- Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van
- den mensch.
-
-
-De mensch is tegenwoordig ongetwijfeld zeer variabel. Geen twee
-individu’s van het zelfde ras zijn volkomen aan elkander gelijk. Als
-wij millioenen personen met elkander vergelijken, zal elk hunner
-gelaatstrekken vertoonen, welke van die der overige verschillen. Een
-even groote verscheidenheid heerscht in de verhoudingen en afmetingen
-der verschillende lichaamsdeelen; vooral in de lengte der beenen
-bestaat veel verschil. [66] Hoewel in sommige deelen der wereld een
-lange, in andere een korte schedel het meest voorkomt, bestaat er toch
-een groote verscheidenheid van schedelvorm, zelfs binnen de grenzen van
-één en het zelfde ras, b.v. onder de inboorlingen van Amerika en van
-Zuid-Australië, welke laatste waarschijnlijk een ras zijn, „even zuiver
-en homogeen van bloed, gewoonten en taal als eenig ander ter
-wereld”,—en zelfs onder de bewoners van een zoo beperkt grondgebied als
-de Sandwich-eilanden. [67] Een uitstekend tandmeester verzekert mij,
-dat er bijna evenveel verschil is tusschen de tanden van verschillende
-personen als tusschen hun gelaatstrekken. De voornaamste slagaderen
-loopen zoo dikwijls in abnormale richtingen, dat men het voor
-chirurgale doeleinden nuttig heeft gevonden om te berekenen, hoe
-dikwijls bij 12000 personen elke richting voorkomt. [68] De spieren
-zijn bij uitstek variabel: zoo vond prof. Turner [69], dat onder
-vijftig lijken er geen twee waren waarbij de spieren van den voet
-volkomen overeenstemden, en bij sommigen daarvan waren de afwijkingen
-zeer groot. Prof. Turner merkt hierbij op, dat het vermogen om
-doelmatige bewegingen te maken in overeenstemming met deze
-verschillende afwijkingen moet zijn gewijzigd. De heer J. Wood [70]
-heeft het voorkomen van 295 verscheidenheden in het spierstelsel van 36
-individu’s opgeteekend, en in een ander stel van 36 personen vond hij
-niet minder dan 558 verscheidenheden, de beide zijden van het lichaam
-voor één rekenende. In dit laatste stel bevond hij, dat niet een der 36
-lichamen „geheel vrij was van afwijkingen van de standaardbeschrijving
-van het spierstelsel, zooals die in ontleedkundige boeken wordt
-gegeven.” Een enkel lichaam vertoonde het buitengewone aantal van 25
-afwijkingen. Ééne en de zelfde spier verschilt soms op vele wijzen; zoo
-beschrijft prof. Macalister [71] niet minder dan 20 verscheidenheden
-van den palmaris accessorius.
-
-De beroemde oude ontleedkundige Wolff [72] wijst er met nadruk op, dat
-de ingewanden veel meer verschillen opleveren dan de uitwendige deelen:
-Nulla particula, quae non aliter et aliter in aliis se habeat
-hominibus. Hij heeft zelfs een verhandeling geschreven over de keus van
-typische voorbeelden voor afbeeldingen van ingewanden. Een onderzoek
-naar den idealen vorm van de lever, de longen, de nieren enz., alsof
-het ’s menschen goddelijk gelaat ware, klinkt ons vreemd in de ooren.
-
-De variabiliteit of verscheidenheid der geestvermogens bij menschen van
-het zelfde ras, om van de grootere verschillen tusschen de menschen van
-verschillende rassen niet te spreken, is zoo algemeen bekend, dat
-hierover geen woord behoeft te worden gezegd. Evenzoo is het bij de
-lagere dieren, zooals in het laatste hoofdstuk met enkele voorbeelden
-is aangetoond. Brehm wijst er met nadruk op, dat onder de apen die hij
-in Afrika in gevangen staat bezat, elk individu zijn bijzonderen aanleg
-en karakter had; hij vermeldt éénen baviaan, die merkwaardig was wegens
-zijn hoog ontwikkeld verstand; en evenzoo wezen mij de oppassers in den
-Londenschen dierentuin een Amerikaanschen aap aan, die zich door zijn
-verstand onderscheidde. Ook Rengger wijst met nadruk op de
-verscheidenheid in de verschillende geestvermogens bij apen van eene en
-de zelfde soort, die hij in Paraguay bezat, en deze verscheidenheid,
-zegt hij, is gedeeltelijk aangeboren en gedeeltelijk het gevolg van de
-wijze, waarop zij zijn behandeld en opgevoed. [73]
-
-Ik heb elders [74] zoo uitvoerig over de erfelijkheid gesproken, dat
-het nauwelijks noodig is daarover iets hieraan toe te voegen. Ten
-opzichte der overerving zoowel van de geringste als van de meest
-belangrijke kenmerken is bij den mensch een grooter aantal feiten
-bekend, dan bij een der lagere dieren; hoewel ten opzichte dezer
-laatste het aantal feiten al groot genoeg is. Zoo is ten opzichte van
-de geestvermogens bij onze honden, paarden en andere huisdieren, de
-erfelijkheid duidelijk genoeg. Behalve bijzondere smaken en gewoonten
-zijn ook verstand in het algemeen, moed, een goed of een slecht
-karakter enz. ongetwijfeld erfelijk. Bij den mensch zien wij dergelijke
-feiten in bijna elke familie; wij weten tegenwoordig door de
-bewonderenswaardige onderzoekingen van den heer Galton [75], dat het
-genie, hetwelk een verwonderlijk samengestelde vereeniging van hooge
-vermogens in zich sluit, neiging tot erfelijkheid bezit; en van den
-anderen kant is het maar al te zeker, dat krankzinnigheid en zwakke
-geestvermogens eveneens bij bepaalde families veelvuldig voorkomen.
-
-Ten opzichte van de oorzaken van de variabiliteit zijn wij in allen
-gevalle zeer onwetend; maar zoowel bij den mensch als bij de lagere
-dieren kunnen wij zien, dat zij eenigszins in verband staan met de
-levensvoorwaarden waaraan elke soort gedurende verscheidene generaties
-is blootgesteld geweest. Tamme dieren vertoonen grooter verschillen dan
-die, welke in den natuurstaat leven; en dit schijnt te worden
-veroorzaakt door den verschillenden en veranderden aard van hun
-levensvoorwaarden. De verschillende menschenrassen gelijken in dit
-opzicht op tamme dieren, en het zelfde is het geval met individu’s van
-één en het zelfde ras, die over een zeer groot grondgebied zijn
-verspreid, zooals b.v. het Amerikaansche ras. Wij zien den invloed van
-de verscheidenheid der levensvoorwaarden bij de meer beschaafde volken,
-waarvan de leden tot verschillende rangen en standen behooren en
-verschillende beroepen uitoefenen, en daardoor ook minder op elkander
-gelijken dan de leden van onbeschaafde volksstammen. De onderlinge
-gelijkenis der wilden is echter dikwijls overdreven, ja, kan in sommige
-gevallen nauwelijks worden gezegd te bestaan. [76] Zelfs indien wij
-alleen de levensvoorwaarden beschouwen waaraan hij onderworpen is
-geweest, is het desniettemin toch een dwaling om den mensch „in veel
-grooter mate getemd” [77] te noemen, dan eenig ander dier. Sommige
-wilde rassen, zooals de Nieuw-Hollanders zijn niet aan meer
-verschillende levensvoorwaarden blootgesteld dan menige diersoort, die
-een zeer groote geographische verspreiding heeft. In een ander en veel
-belangrijker opzicht verschilt de mensch zeer van alle eigenlijke tamme
-dieren; want men heeft nooit door stelselmatige of onbewuste teeltkeus
-toezicht gehouden op zijn voortplanting. Geen menschenras en geen
-vereeniging van menschen is ooit door andere menschen zoo volkomen
-onder het juk gebracht, dat sommige individu’s gespaard bleven en dus
-onbewust voor de voortplanting werden uitgekozen, omdat zij op de eene
-of andere wijze nuttiger waren voor hun meesters. Evenmin zijn sommige
-mannelijke en vrouwelijke individu’s met voordacht uitgekozen en met
-elkander gepaard, behalve in het welbekende geval van de Pruisische
-grenadiers, en in dit geval gehoorzaamde de mensch, zooals te
-verwachten was aan de wet der stelselmatige teeltkeus; want men
-verzekert, dat vele lange mannen werden voortgebracht in de dorpen die
-de grenadiers met hun lange vrouwen bewoonden. Te Sparta was ook een
-vorm van teeltkeus in gebruik; want de wet schreef voor, dat men alle
-kinderen kort na de geboorte moest onderzoeken, de welgemaakte en
-krachtige bewaren, en de andere aan hun lot overlaten en zoo laten
-omkomen. [78] (1)
-
-Indien wij alle menschenrassen beschouwen als tot eene enkele soort
-behoorende, dan is de geographische verspreiding dier soort verbazend
-groot; maar ook sommige afzonderlijke rassen, zooals het Amerikaansche
-en Polynesische, hebben een groote geographische verspreiding. Het is
-een bekende wet, dat soorten die een groote geographische verspreiding
-hebben, veel meer verscheidenheden vertoonen, dan soorten die tot een
-klein grondgebied beperkt zijn; en de verscheidenheden van den mensch
-kunnen meer naar waarheid worden vergeleken met die van dieren, welke
-een groote geographische verspreiding bezitten, dan met die van getemde
-dieren.
-
-Niet alleen schijnt de veranderlijkheid bij den mensch en de lagere
-dieren het gevolg te zijn van de zelfde algemeene oorzaken, maar bij
-beiden worden de zelfde kenmerken op geheel overeenkomstige wijze
-aangedaan. Dit is door Godron en Quatrefages tot in zulke kleine
-bijzonderheden bewezen, dat ik hier slechts naar hun werken behoef te
-verwijzen. [79] De monstruositeiten, die trapsgewijze overgaan in
-geringe afwijkingen, zijn eveneens bij den mensch en de lagere dieren
-zoo overeenkomstig, dat voor beide de zelfde klassificatie en de zelfde
-uitdrukkingen kunnen worden gebezigd, zooals men in Isidore Geoffroy
-St.-Hilaire’s groot werk [80] kan zien. Dit is een noodwendig gevolg
-daarvan, dat in het geheele dierenrijk de veranderingen door de zelfde
-wetten worden beheerscht. In mijn werk over het varieeren der
-huisdieren heb ik de wetten der variatie in het grove tot de volgende
-rubrieken trachten te brengen:—De rechtstreeksche en bepaalde werking
-van de levensvoorwaarden, die wordt aangetoond, doordat alle individu’s
-van eene en de zelfde soort onder de zelfde omstandigheden op de zelfde
-wijs varieeren. De uitwerkselen van lang voortgezet gebruik of onbruik
-van deelen. De samenhang tusschen homotype deelen. De variabiliteit van
-deelen die in een zeker aantal voorkomen. Compensatie van groei, maar
-van deze wet heb ik in het geval van den mensch geen goede voorbeelden
-gevonden. De uitwerkselen van mechanischen druk van het eene deel op
-het andere, zooals van de bekkenbeenderen der moeder op den schedel van
-de ongeboren vrucht. Stilstand in ontwikkeling, leidende tot de
-verkleining of het geheel verdwijnen van deelen. Het opnieuw
-verschijnen van lang verloren kenmerken door atavisme. Eindelijk
-correlatieve variatie. Al deze zoogenaamde wetten zijn even goed op den
-mensch als op de lagere dieren en de meesten er van zelfs op planten
-toepasselijk. Het zou overbodig zijn ze hier allen te bespreken [81];
-maar verscheidenen daarvan zijn zoo belangrijk voor ons, dat er een
-aanmerkelijke ruimte aan moet worden gewijd.
-
-
-
-De rechtstreeksche en bepaalde werking van veranderde
-levensvoorwaarden.—Dit is een zeer moeilijk onderwerp. Het kan niet
-worden ontkend, dat veranderde levensvoorwaarden eenige, en soms groote
-uitwerking hebben op organismen van alle soorten en het komt op het
-eerste gezicht waarschijnlijk voor, dat, indien een daartoe voldoende
-tijdruimte gegeven was, dit steeds het geval zou zijn. Het is mij
-echter niet gelukt duidelijke bewijzen voor de waarheid van deze
-gevolgtrekking te vinden; en er kunnen geldige redenen tegen worden
-aangevoerd, voor zoover ten minste de tallooze deelen aangaat, die tot
-bepaalde doeleinden zijn ingericht. Ongetwijfeld veroorzaken echter
-veranderde levensvoorwaarden een bijna onbepaald bedrag van vlottende
-variabiliteit, waardoor de geheele organisatie eenigszins plastisch
-wordt gemaakt.
-
-In de Vereenigde Staten werden meer dan 1.000.000 soldaten die in den
-laatsten oorlog dienden, gemeten, en daarbij de Staten opgeteekend
-waarin zij waren geboren en opgevoed. [82] Door dit verbazende aantal
-waarnemingen is bewezen, dat sommige plaatselijke invloeden
-rechtstreeks terugwerken op de lengte van het lichaam; en verder leeren
-wij er uit, dat „de Staat, waarin de groei grootendeels heeft plaats
-gevonden, en de Staat van de geboorte, die de afkomst aanwijst, een
-kennelijken invloed op de lichaamsgrootte schijnt uit te oefenen.” Zoo
-is b.v. bewezen „dat het verblijf in de Westelijke Staten gedurende het
-tijdperk van den groei gewoonlijk een toeneming der lichaamsgrootte ten
-gevolge heeft.” Van den anderen kant is het zeker, dat bij matrozen hun
-levenswijze den groei belemmert, zooals blijkt „uit het groote verschil
-in lengte tusschen soldaten en matrozen op den leeftijd van 17 en 18
-jaar.” De heer B. A. Gould beijverde zich om den aard te bepalen van de
-invloeden, die aldus op de lichaamsgrootte werken; maar hij verkreeg
-slechts negatieve resultaten, namelijk, dat zij in geen betrekking
-stonden tot het klimaat, de hoogte van het land, den aard van den
-bodem, noch zelfs „in eenige merkbare mate” tot de overvloedigheid van
-of het gebrek aan de gemakken van het leven. Dit laatste besluit is in
-volkomen tegenspraak met dat, waartoe Villermé werd geleid door de
-statistiek van de lengte der lotelingen in verschillende deelen van
-Frankrijk. Als wij de verschillen in lichaamsgrootte vergelijken
-tusschen de Polynesische opperhoofden en de lagere volksklassen van de
-zelfde eilanden, of tusschen de bewoners van de vruchtbare vulkanische
-en de lage dorre koraaleilanden van den zelfden oceaan [83], of
-eindelijk tusschen de Vuurlanders op de oostelijke en westelijke kusten
-van hun land, waar de middelen van bestaan zeer verschillend zijn, dan
-is het bijna onmogelijk om niet tot het besluit te komen, dat beter
-voedsel en grooter levensgemakken wel degelijk van invloed zijn op de
-lichaamsgrootte. De boven aangehaalde getuigenissen bewijzen echter,
-hoe moeilijk het is tot eenig nauwkeurig resultaat te komen. Dr. Beddoe
-heeft onlangs bewezen, dat bij de bewoners van Groot Brittannië het
-verblijf in steden en sommige ambachten een nadeeligen invloed op de
-lichaamsgrootte uitoefenen; en hij komt tot het besluit, dat de
-gevolgen daarvan tot op zekere hoogte erfelijk zijn, zooals eveneens in
-de Vereenigde Staten het geval is. Dr. Beddoe gelooft verder, dat
-overal waar een „ras zijn maximum van physische ontwikkeling bereikt,
-het ook tot zijn toppunt van energie en zedelijke kracht klimt.” [84]
-
-Of uitwendige toestanden eenige verdere rechtstreeksche uitwerking op
-den mensch hebben, is niet bekend. Men zou hebben mogen verwachten dat
-klimatologische verschillen een kennelijken invloed zouden hebben
-gehad, daar de longen en nieren door een lagere temperatuur, en de
-lever en de huid door een hoogere, tot grooter werkzaamheid worden
-gebracht. [85] Men dacht vroeger, dat de kleur der huid en de aard van
-het haar door licht of warmte werden bepaald; en hoewel het moeilijk
-valt te loochenen, dat daardoor eenige invloed wordt uitgeoefend, zijn
-toch bijna alle waarnemers het tegenwoordig eens, dat die invloed zeer
-gering is geweest, zelfs na een gedurende vele generaties voortgezette
-inwerking. Dit onderwerp zal echter meer in het bijzonder worden
-behandeld, wanneer wij over de verschillende menschenrassen zullen
-spreken. Er bestaan gronden om aan te nemen, dat bij onze huisdieren
-koude en vochtigheid rechtstreeks op den haargroei inwerken, maar bij
-den mensch ken ik daarvoor volstrekt geen bewijzen.
-
-
-
-Gevolgen van vermeerderd gebruik of onbruik van deelen.—Iedereen weet,
-dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen
-onbruik, of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het oog
-wordt vernield, neemt dikwijls de gezichtszenuw in omvang af. Als een
-slagader wordt afgebonden, neemt niet slechts de middellijn der
-zijdelingsche kanalen, maar ook de dikte en sterkte van hun weefsel
-toe. Als door een ziekte de eene nier ophoudt te werken, neemt de
-andere in grootte toe en doet dubbel werk. Beenderen nemen niet alleen
-in dikte, maar ook in lengte toe; wanneer zij een grooter gewicht
-dragen. [86] Het geregeld uitoefenen van sommige bedrijven veroorzaakt
-veranderingen in de verhoudingen van verscheidene lichaamsdeelen. Zoo
-bewees de door de regeering der Vereenigde Staten benoemde commissie
-[87] ten duidelijkste, dat de beenen der matrozen, die in den oorlog
-aldaar werden gebruikt, 0.65 centimeter langer waren dan die der
-soldaten, hoewel de gemiddelde lichaamslengte der matrozen kleiner was,
-terwijl hun armen 2.76 centimeter korter en daarom met betrekking tot
-hun lichaamslengte naar evenredigheid nog veel korter waren. De
-kortheid van hun armen is blijkbaar het gevolg van het grooter gebruik,
-dat zij er van maken, en is een onverwacht resultaat; matrozen
-gebruiken echter hun armen voornamelijk om te trekken en niet om
-gewichten te dragen. De omtrek van den hals en de diepte van de wreef
-zijn grooter, de omtrek van de borstkas, van het middel en de heupen
-daarentegen kleiner bij matrozen, dan bij soldaten.
-
-Of de verschillende bovengemelde wijzigingen erfelijk zouden worden,
-wanneer de zelfde levenswijze gedurende vele generaties werd
-voortgezet, is niet bekend, doch is waarschijnlijk. Rengger [88]
-schrijft de dunne beenen en de dikke armen van de Payaguas-Indianen
-daaraan toe, dat opeenvolgende generaties bijna hun geheele leven in
-kano’s hebben doorgebracht, waarbij hun onderste ledematen zonder
-beweging bleven. Andere schrijvers zijn in andere dergelijke gevallen
-tot het zelfde besluit gekomen. (2) Volgens Cranz [89], die langen tijd
-bij de Eskimo’s leefde, „gelooven de inboorlingen, dat vernuft en
-behendigheid in het zeehonden vangen (hun hoogste kunst en deugd)
-erfelijk is; en werkelijk is daar iets waars in, want de zoon van een
-vermaard zeehondenvanger onderscheidt zich daarin gewoonlijk, zelfs al
-verloor hij zijn vader, toen hij nog slechts een klein kind was.” In
-dit geval schijnt echter geestelijke aanleg evenzoo goed te worden
-overgeërfd als lichamelijk maaksel. Men beweert, dat de handen van
-Engelsche boeren bij de geboorte grooter zijn, dan die van de hoogere
-burgerklasse. [90] Wegens de correlatie die ten minste in sommige
-gevallen [91] bestaat tusschen de ontwikkeling der ledematen en die der
-kaken, is het mogelijk, dat bij klassen welke niet met hun handen en
-voeten werken, de kaken daardoor in grootte zouden afnemen. Dat de
-kaken over het algemeen kleiner zijn bij ontwikkelde en beschaafde
-menschen dan bij menschen, die hard moeten werken, en bij wilden, is
-zeker. Bij wilden werkt echter, zooals de heer Herbert Spencer [92]
-heeft opgemerkt, het grooter gebruik van de kaken bij het kauwen van
-grof ongekookt voedsel op rechtstreeksche wijze op de kauwspieren en de
-beenderen, waaraan deze zijn vastgehecht, in. Bij kinderen is lang voor
-de geboorte de huid aan de voetzolen dikker dan op eenige andere plaats
-van het lichaam [93]; en het valt moeilijk te betwijfelen, dat dit het
-gevolg is van de overgeërfde gevolgen der drukking gedurende een lange
-reeks van geslachten.
-
-Iedereen weet, dat horlogemakers en graveurs een neiging hebben om
-bijziende te worden, terwijl zeelieden en vooral wilden over het
-algemeen verziende zijn. [94] Bijziendheid en verziendheid nu hebben
-ongetwijfeld een neiging tot erfelijkheid. [95] De minderheid van
-Europeanen, in vergelijking met wilden, in scherpte van het gezicht en
-van de andere zinnen, is ongetwijfeld het opeengestapeld en overgeërfd
-gevolg van verminderd gebruik gedurende vele generaties; want Rengger
-[96] verzekert, dat hij herhaaldelijk Europeanen heeft waargenomen, die
-met de wilde Indianen waren grootgebracht en hun geheele leven bij hen
-hadden doorgebracht, en toch in scherpte van zinnen voor hen
-onderdeden. De zelfde dierkundige merkt op, dat de schedelholten,
-bestemd voor de opneming der verschillende zintuigen bij de
-inboorlingen van Amerika, grooter zijn dan bij Europeanen, en dit wijst
-ongetwijfeld op een overeenkomstig verschil in afmetingen der zintuigen
-zelven. Blumenbach heeft eveneens de aandacht gevestigd op den grooten
-omvang der neusholten in de schedels van Amerikaansche inboorlingen, en
-brengt dit feit in verband met de opmerkelijke scherpte van hun
-reukvermogen. De Mongolen der vlakten van Noord-Azië hebben, volgens
-Pallas, verwonderlijk volmaakte zinnen, en Prichard gelooft, dat de
-groote breedte hunner schedels, over de jukbeenderen gemeten, een
-gevolg is van hun hoog ontwikkelde zintuigen. (3) [97]
-
-De Quechua-Indianen bewonen de hoogvlakten van Peru, en Alcide
-d’Orbigny getuigt [98], dat zij, door onophoudelijk een zeer verdunde
-lucht in te ademen, borstkassen en longen van buitengewone afmetingen
-hebben verkregen. Ook de cellen van de longen zijn grooter en talrijker
-dan bij Europeanen. Men heeft de juistheid dezer waarnemingen
-betwijfeld; doch de heer Forbes mat zorgvuldig verscheidene Aymara’s,
-een verwanten stam, die op een hoogte van 3300 tot 5000 meter leeft; en
-hij deelt mij mede [99], dat zij in den omtrek en de lengte van hun
-romp sterk afwijken van de menschen van alle rassen die hij heeft
-gezien. In de tabel van zijn metingen wordt de geheele lengte van elk
-persoon gelijk aan duizend gesteld, en de overige metingen tot dezen
-standaard herleid. Het blijkt dan, dat de uitgestrekte armen van de
-Aymara’s korter zijn dan die van Europeanen, en veel korter dan die van
-negers. De beenen zijn ook korter en vertoonen de merkwaardige
-bijzonderheid, dat bij elken opgemeten Aymara het dijbeen korter is dan
-het scheenbeen. Gemiddeld staat de lengte van het dijbeen tot die van
-het scheenbeen als 211 tot 252; terwijl bij twee tegelijkertijd gemeten
-Europeanen de dijbeenderen zich tot de scheenbeenderen verhielden als
-244 tot 230, en bij drie negers als 258 tot 241. Het opperarmbeen is
-eveneens korter in verhouding tot den voorarm. De heer Forbes bracht
-mij op het denkbeeld, dat deze verkorting van dat deel van het lid,
-hetwelk het dichtst bij het lichaam ligt, een geval van compensatie is
-met betrekking tot de sterke vermeerdering in lengte van den romp. De
-Aymara’s vertoonen in hun maaksel nog eenige andere eigenaardigheden,
-b.v. het zeer weinig uitsteken van den hiel.
-
-Deze menschen zijn zoo volkomen geacclimatiseerd in hun koude en hooge
-woonplaats, dat, toen weleer de Spanjaarden hen naar de lage oostelijke
-vlakten brachten, en wanneer zij nu, door hoog loon in verzoeking
-gebracht, van hun bergen afdalen naar de goudwasscherijen, de sterfte
-onder hen tot een schrikbarende hoogte klimt. Toch vond de heer Forbes
-eenige weinige huisgezinnen van zuiver bloed, die gedurende twee
-generaties in leven waren gebleven; en hij merkte op, dat zij hun
-kenmerkende eigenaardigheden nog hadden geërfd. Het was echter
-duidelijk te zien, zelfs zonder meting, dat deze eigenaardigheden allen
-afgenomen waren; en bij meting bleek, dat hun romp niet zoo lang was
-als die hunner stamgenooten van de hooge bergvlakte, terwijl hun
-dijbeenderen een weinig langer waren geworden, evenals ook, hoewel in
-mindere mate, hun scheenbeenderen. De juiste afmetingen kan men vinden
-in de verhandeling van den heer Forbes. Na deze belangrijke
-waarnemingen kan het dunkt mij, niet worden betwijfeld, dat een
-gedurende vele generaties voortgezet verblijf op groote hoogte een
-directe en indirecte neiging tot erfelijke wijzigingen in de
-verhoudingen van het lichaam ten gevolge heeft. [100]
-
-Hoewel de mensch gedurende de latere trappen zijner ontwikkeling niet
-moge zijn gewijzigd door het vermeerderde of verminderde gebruik van
-deelen, toonen de bovengemelde feiten, dat zijn vatbaarheid daarvoor
-niet verloren is gegaan, en wij weten met zekerheid, dat de zelfde wet
-bij lagere dieren doorgaat. Wij mogen daaruit bij gevolg afleiden, dat,
-toen in een lang geleden tijdperk de voorouders van den mensch, in een
-overgangstoestand verkeerden en bezig waren om van viervoetige in
-tweevoetige dieren te veranderen, de natuurlijke teeltkeus
-waarschijnlijk in groote mate werd geholpen door de overgeërfde
-gevolgen van het vermeerderde of verminderde gebruik van de
-verschillende deelen van het lichaam.
-
-
-
-Stilstand in de ontwikkeling.—Stilstand in de ontwikkeling verschilt
-daarin van stilstand in den groei, dat de deelen doorgaan met groeien,
-ofschoon zij hun vroegeren ontwikkelingstoestand behouden.
-Verschillende misvormingen behooren tot deze afdeeling, en van sommigen
-daarvan weet men, dat zij erfelijk zijn, zooals b.v. een gespleten
-verhemelte. Voor ons doel zal het genoeg zijn te verwijzen naar den
-stilstand in de ontwikkeling der hersenen bij microcephale idioten,
-zooals die in Vogt’s groote verhandeling worden beschreven. [101] Hun
-schedels zijn kleiner en de hersenwindingen minder ingewikkeld, dan bij
-normale menschen. De voorhoofdsboezem, of het vooruitsteken der
-wenkbrauwbogen, is sterk ontwikkeld, en de kaken vertoonen een
-„schrikbarende” mate van prognathisme; zoodat deze idioten eenigszins
-gelijken op de laagste typen van het menschelijk geslacht. Hun verstand
-en hun meeste geestvermogens zijn uiterst zwak. Zij kunnen niet leeren
-spreken en zijn geheel buiten staat hun aandacht lang op iets te
-vestigen, daarentegen hebben zij veel neiging tot nabootsing. Zij zijn
-sterk en opmerkelijk bedrijvig, daar zij voortdurend springen en
-rondhuppelen, en grimassen maken. Zij klimmen dikwijls op handen en
-voeten de trap op; en houden merkwaardig veel van het klimmen op
-meubels en in de boomen. Dit herinnert ons, hoe gaarne de meeste
-jongens in de boomen klimmen, en dit laatste herinnert ons weder, met
-hoeveel vermaak lammeren en jonge geiten, oorspronkelijk in bergstreken
-levende dieren, op elk heuveltje, hoe klein ook, rondspringen. Idioten
-gelijken ook in sommige andere opzichten op de lagere dieren; zoo zijn
-er verscheidene voorbeelden aangeteekend, dat zij elken mondvol voedsel
-zorgvuldig beroken, voor zij hem opaten. Van éénen idioot wordt
-vermeld, dat hij dikwijls, als hij zich luisde, zijn mond gebruikte om
-zijn handen te helpen. Zij hebben dikwijls vuile gewoonten en geen
-begrip van wat betamelijk is, en er zijn verschillende gevallen
-opgeteekend van opmerkelijke behaardheid van hun lichaam. [102]
-
-
-
-Atavisme.—Vele gevallen die hier moeten worden opgesomd, zouden tot de
-vorige afdeeling kunnen zijn gebracht. Wanneer een orgaan in zijn
-ontwikkeling blijft stilstaan, maar voortgaat met groeien totdat het
-nauwkeurig gelijkt op een overeenkomstig orgaan van een of ander lager
-en volwassen lid van de zelfde groep, mogen wij zulks altijd
-eenigermate als een geval van atavisme beschouwen. De lagere leden van
-een groep geven ons eenig denkbeeld van het maaksel van den
-gemeenschappelijken stamvader van de groep; en het is moeielijk te
-gelooven, dat een deel, in welks ontwikkeling een stilstand was
-ontstaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven, in
-staat zou zijn om zoodanig met groeien voort te gaan, dat het ten
-laatste zijn bijzondere functie kon vervullen, wanneer het dit vermogen
-van voortgaanden groei niet had verkregen gedurende den eenen of
-anderen vroegeren toestand van bestaan, toen zijn thans exceptioneel en
-door stilstand in de ontwikkeling veroorzaakt maaksel normaal was. De
-eenvoudige hersenen van een microcephalen idioot kunnen, in zoover zij
-op die van een aap gelijken, worden gezegd een geval van atavisme te
-zijn. [103] Er zijn andere gevallen, die nog volkomener in onze
-tegenwoordige afdeeling over atavisme passen. Sommige vormen, die bij
-de lagere leden van de groep waartoe de mensch behoort, geregeld
-voorkomen, worden nu en dan ook bij dezen laatsten waargenomen, hoewel
-men ze niet bij den normalen menschelijken embryo aantreft, of, wanneer
-zij bij den normalen embryo worden gevonden, zich op abnormale wijze
-ontwikkelen, hoewel die wijze van ontwikkeling bij de lagere leden der
-zelfde groep normaal is. Deze opmerkingen zullen duidelijker worden
-gemaakt door de volgende voorbeelden.
-
-Bij de verschillende zoogdieren klimt de baarmoeder van een dubbel
-orgaan met twee gescheiden openingen en twee doorgangen, zooals bij de
-buideldieren, trapsgewijze op tot een enkelvoudig orgaan, dat geen
-andere teekenen van tweevoudigheid vertoont dan een kleine inwendige
-plooi zooals bij de apen en den mensch. De knaagdieren vertoonen een
-volledige rij van overgangen tusschen deze beide uitersten. Bij alle
-zoogdieren ontwikkelt zich de baarmoeder oorspronkelijk uit
-enkelvoudige buizen, waarvan de onderste deelen de hoornen vormen, en
-wordt, volgens de woorden van Dr. Farre, „door de samengroeiing van de
-beide hoornen aan hun benedenste uiteinden het lichaam van de
-baarmoeder bij den mensch gevormd; terwijl bij die dieren, bij welke
-geen middelste gedeelte of lichaam bestaat, de hoornen onverbonden
-blijven. Naarmate de ontwikkeling der baarmoeder voortgaat, worden de
-beide hoornen hoe langer hoe korter, tot zij ten laatste geheel
-verdwijnen, of zich als het ware in het lichaam van de baarmoeder
-oplossen.” Zelfs op zulk een hoogen ontwikkelingstrap als die der
-lagere apen en hun verwanten, de Lemuriden, zijn de hoeken van de
-baarmoeder nog tot hoornen verlengd.
-
-Nu zijn bij vrouwen anomalieën niet zeer zeldzaam, waarbij de volwassen
-baarmoeder van hoornen voorzien of gedeeltelijk in twee organen
-verdeeld is; en dergelijke gevallen herhalen, volgens Owen, „in hun
-ontwikkeling den graad van concentratie” die door sommige knaagdieren
-wordt bereikt. Hier hebben wij misschien een voorbeeld van een
-eenvoudigen stilstand in de ontwikkeling van den embryo, met
-voortgaanden groei en volledige geschiktwording van het orgaan voor
-zijn functie; want elke zijde van de gedeeltelijke dubbele baarmoeder
-is geschikt om bij de zwangerschap haar eigenaardige taak te vervullen.
-
-In andere en meer zeldzame gevallen worden twee afgescheiden
-baarmoederlijke holten gevormd, elk met haar eigen opening en doorgang.
-[104] Deze ontwikkelingstrap wordt door een normaal embryo niet
-doorloopen, en het is moeielijk te gelooven, ofschoon het misschien
-niet onmogelijk is, dat twee eenvoudige, kleine, primitieve buisjes de
-kunst zouden verstaan (als ik mij zoo eens mag uitdrukken) om zich te
-ontwikkelen tot twee afgescheiden baarmoeders, elk met een goed
-gevormde opening en doorgang, en beide voorzien van talrijke spieren,
-zenuwen, klieren en vaten, als zij niet vroeger een dergelijken
-ontwikkelingsgang hadden doorloopen, zooals bij de tegenwoordig levende
-buideldieren het geval is. Niemand zal beweren, dat een zoo volkomen
-orgaan als de abnormale dubbele baarmoeder bij de vrouw alleen als een
-gevolg van het toeval kan worden beschouwd. Het beginsel van atavisme,
-waardoor sinds lang verloren en om zoo te zeggen slapende kenmerken
-opnieuw in het leven worden teruggeroepen, zou echter de volkomen
-ontwikkeling van het orgaan kunnen verklaren, zelfs wanneer een
-ontzaglijk lange tijd was verloopen sedert die ontwikkelingswijze
-normaal bij de voorouders van den mensch voorkwam.
-
-Professor Canestrini [105] komt, na het voorgaande en verschillende
-dergelijke gevallen te hebben besproken, tot het zelfde besluit waartoe
-ik zooeven kwam. Hij voegt er, als een ander voorbeeld, het jukbeen
-bij, dat bij sommige vierhandige en andere zoogdieren normaal uit twee
-deelen bestaat. Dit is ook het geval bij den menschelijken foetus van
-twee maanden; en ook soms door stilstand in de ontwikkeling bij den
-volwassen mensch, meer in het bijzonder bij de lagere prognathische
-rassen. Hieruit besluit Canestrini, dat bij den eenen of anderen
-vroegeren voorvader van den mensch dit been normaal uit twee deelen
-bestond, die later met elkander tot één geheel vergroeiden. Bij den
-mensch bestaat het voorhoofdsbeen uit één stuk, maar bij den embryo en
-bij kinderen, en bij bijna alle lagere zoogdieren bestaat het uit twee
-stukken, die door een afzonderlijken naad worden gescheiden. Deze naad
-blijft soms bij den volwassen mensch min of meer duidelijk bestaan en
-veelvuldiger bij oude dan bij nieuwere schedels, vooral, zooals
-Canestrini heeft opgemerkt, bij die, welke uit het diluvium zijn
-opgegraven en tot het brachycephale type behooren. Hij komt hier weder
-tot het zelfde besluit als in het overeenkomstige geval van de
-jukbeenderen. In dit en in andere gevallen die wij hier moeten
-mededeelen, schijnt de reden dat oude rassen in sommige kenmerken
-veelvuldiger tot de lagere dieren naderen dan de nieuwere rassen, te
-zijn, dat deze laatste in de lange lijn van afstamming op een iets
-grooter afstand staan van hun voormalige half-menschelijke voorouders.
-
-Verschillende andere anomalieën bij den mensch, meer of min met de
-voorgaande overeenkomende, zijn door verschillende schrijvers [106]
-voor atavismen verklaard; maar deze schijnen niet weinig twijfelachtig,
-want wij moeten uiterst laag in de reeks der zoogdieren afdalen, vóór
-wij dergelijke vormen normaal aanwezig vinden.
-
-Bij den mensch zijn de hoektanden werktuigen die volkomen geschikt zijn
-voor het kauwen. Dat zij echter werkelijk met de hondstanden van andere
-zoogdieren overeenkomen, wordt, zooals Owen [107] opmerkt, „aangetoond
-door de kegelvormige kroon, die in een stompe punt eindigt, aan de
-buitenzijde bol, aan de binnenzijde plat of eenigszins hol is, aan de
-basis van welk oppervlak een geringe verhevenheid is. De kegelvorm is
-het best uitgedrukt bij de Melanesische rassen, vooral bij het
-Nieuw-Hollandsche. De hoektand is dieper en met een sterker wortel
-ingeplant dan de snijtanden.” Desniettemin dient deze tand den mensch
-niet meer als een bijzonder wapen om zijn vijanden of zijn prooi vaneen
-te scheuren; hij kan dus, voor zoover zijn eigenlijke bestemming
-aangaat, als rudimentair worden beschouwd. In iedere groote verzameling
-van menschelijke schedels kan men er enkele vinden [108], waarvan de
-hoektanden aanmerkelijk boven de andere uitsteken op de zelfde wijze
-maar in mindere mate, dan bij de anthropomorphen. In deze gevallen
-bevinden zich tusschen de tanden van de eene kaak open plaatsen tot
-opneming van de hoektanden der andere kaak. Bij een door Wagner
-afgebeelden Kafferschedel merkt men een verbazend groote dergelijke
-tusschenruimte op. [109] Wanneer men in aanmerking neemt, hoe weinig
-oude schedels in vergelijking met nieuwere schedels bestudeerd zijn, is
-het een belangrijk feit, dat in ten minste drie gevallen de hoektanden
-sterk uitsteken, en bij de kaak van la Naulette zijn zij, naar men
-zegt, zeer groot. [110]
-
-Bij de anthropomorphe apen hebben alleen de mannetjes volkomen
-ontwikkelde hondstanden; maar bij den vrouwelijken gorilla en in
-mindere mate bij den vrouwelijken orang steken deze tanden aanmerkelijk
-boven de andere uit; het feit, dat vrouwen, zooals men mij heeft
-verzekerd, sterk uitstekende hoektanden hebben, is daarom geen ernstige
-tegenwerping tegen het geloof, dat hun nu en dan voorkomende groote
-ontwikkeling bij den mensch een geval van atavisme, van terugkeer tot
-de kenmerken van een op een aap gelijkenden voorvader is. Hij die met
-verachting het geloof verwerpt, dat de gedaante van zijn eigen
-hoektanden en hun nu en dan waargenomen groote ontwikkeling bij andere
-menschen daardoor worden veroorzaakt, dat onze vroegere voorouders van
-deze vreeselijke wapens voorzien zijn geweest, zal waarschijnlijk zijn
-afkomst duidelijk toonen door den neus op te trekken. Want hoewel hij
-noch het voornemen, noch het vermogen meer heeft om deze tanden als
-wapenen te gebruiken, zal hij onbewust zijn bromspieren, zooals Sir
-Bell [111] ze noemt, optrekken, even alsof hij ze voor den aanval wilde
-ontblooten gelijk een hond, die zich voorbereidt tot het gevecht.
-
-Vele spieren die aan de apen of andere zoogdieren eigen zijn, komen
-soms ook bij den mensch in ontwikkelden toestand voor. Professor
-Vlacovich [112] onderzocht veertig mannelijke lijken, en vond bij
-negentien daarvan een spier, door hem musculus ischio-pubicus genoemd;
-bij drie andere was er een band welke deze spier vertegenwoordigde; en
-bij de overige achttien geen spoor daarvan. Dertig vrouwelijke lijken
-onderzoekende, vond hij, dat alleen bij twee daarvan deze spier aan
-beide zijden ontwikkeld was, maar bij drie andere bestond de
-rudimentaire band. Deze spier schijnt daarom veel algemeener te zijn
-bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse, en wanneer men het
-beginsel der afstamming van den mensch van dezen of genen lageren vorm
-aanneemt, kan haar tegenwoordigheid worden begrepen; want zij is bij
-verschillende lagere dieren ontdekt, en bij deze allen dient zij
-uitsluitend om het mannetje bij de paring behulpzaam te zijn.
-
-De heer J. Wood heeft in zijne gewichtige reeks verhandelingen [113]
-een groot aantal wijzigingen van het spierstelsel bij den mensch, die
-op de normale inrichting daarvan bij lagere dieren gelijken, nauwkeurig
-beschreven.
-
-Wanneer men alleen de spieren beschouwt welke volkomen gelijken op die,
-welke bij onze naaste verwanten, de apen, steeds voorkomen, zijn zij
-nog te talrijk om hier zelfs maar te worden opgenoemd. Bij een enkel
-mannelijk lijk, dat een sterken lichaamsbouw en welgevormden schedel
-bezat, werden niet minder dan zeven wijzigingen in het spierstelsel
-waargenomen, die allen geheel overeenkwamen met spieren welke aan
-verschillende soorten van apen eigen zijn. Deze man had b.v. aan beide
-zijden van zijn hals een waren en krachtigen „levator claviculae”,
-zooals die bij alle aapsoorten wordt gevonden, en welke, naar men zegt,
-bij één van de zestig menschen voorkomt. [114] Daarenboven had die man
-„een bijzondere afvoerende spier van het middelhandsbeen der pink”,
-die, zooals Prof. Huxley en de heer Flower hebben aangetoond, bij de
-hoogere en lagere apen standvastig voorkomt. Ik wil er nog twee
-gevallen bijvoegen; de musculus acromio-basilaris wordt bij alle
-zoogdieren die beneden den mensch staan, gevonden, en schijnt in
-verband te staan met een viervoetigen gang, en hij komt voor bij
-omstreeks één van de zestig menschen. In de onderste ledematen vond de
-heer Bradley een abductor ossis metatarsi quinti in beide voeten van
-den mensch; deze spier was tot dien tijd toe bij den mensch niet
-opgeteekend, maar is altijd aanwezig bij de anthropomorphe apen. De
-handen en armen van den mensch vertoonen in hooge mate een eigenaardig
-maaksel; maar hun spieren zijn uiterst onderhevig aan wijzigingen
-waardoor zij op de overeenkomstige spieren bij de lagere dieren gaan
-gelijken. [115] Dergelijke gelijkenissen zijn of volledig en volmaakt
-of onvolmaakt, en vormen in dit laatste geval blijkbaar overgangen.
-Sommige wijzigingen zijn meer algemeen bij den man en andere bij de
-vrouw, zonder dat wij in staat zijn hiervan de oorzaak aan te wijzen.
-De heer Wood maakt, na verscheidene gevallen te hebben beschreven, de
-volgende belangrijke opmerking:
-
-„Aanmerkelijke afwijkingen van het gewone type van het spierstelsel
-loopen in lijnen of richtingen, die men moet onderstellen, dat eenigen
-onbekenden factor aanduiden die hoogst belangrijk is voor een
-begrijpelijke kennis van algemeene en wetenschappelijke ontleedkunde.”
-[116]
-
-Dat deze onbekende factor atavisme of terugkeer tot een vroegeren
-toestand van bestaan is, mag men voor hoogst waarschijnlijk houden. Het
-is volkomen ongeloofelijk, dat een mensch door zuiver toeval in de
-abnormale ontwikkeling van niet minder dan zeven zijner spieren op
-zekere apen zou gelijken, indien er geen bloedverwantschap tusschen hen
-bestond. Indien daarentegen de mensch afstamt van een of ander op een
-aap gelijkend wezen, kan er geen gegronde reden worden opgegeven,
-waarom sommige spieren niet plotseling opnieuw zouden verschijnen na
-een tusschenruimte van vele duizenden generaties, op de zelfde wijze
-als bij paarden, ezels en muildieren donker gekleurde strepen
-plotseling opnieuw verschijnen op de pooten en schouders na een
-tusschenruimte van honderden of waarschijnlijker duizenden geslachten.
-
-Deze verschillende gevallen van atavisme zijn zoo nauw verwant met die
-van rudimentaire organen, in het eerste hoofdstuk medegedeeld, dat het
-bij velen van hen onverschillig zou zijn geweest, in welk der beide
-hoofdstukken zij werden besproken. Zoo kan men zeggen, dat een van
-hoornen voorziene menschelijke baarmoeder in rudimentairen staat den
-normalen toestand van het zelfde orgaan bij sommige zoogdieren
-vertegenwoordigt. Sommige deelen die bij den mensch rudimentair zijn,
-zooals het koekoeksbeen bij beide seksen en de tepels bij de mannelijke
-sekse, zijn altijd tegenwoordig, terwijl andere, zooals het foramen
-supra condyloideum alleen nu en dan verschijnen, en daarom onder de
-afdeeling atavisme zouden kunnen zijn gebracht. Deze verschillende
-atavistische vormingen verraden, even goed als de strikt rudimentaire,
-’s menschen afstamming van dezen of genen lagen vorm op onmiskenbare
-wijze. (6)
-
-
-
-Correlatie.—Bij den mensch zoowel als bij de lagere dieren bestaat er
-een zoo innig verband tusschen vele organen, dat als het eene deel
-afwijkingen vertoont, ook het andere dit doet, zonder dat wij daarvan
-in de meeste gevallen de oorzaak kunnen aangeven. Wij kunnen niet
-zeggen of het eene deel het andere bestuurt, dan wel of beide door
-eenig vroeger ontwikkeld deel worden bestuurd. I. Geoffroy drukt er
-herhaaldelijk op, dat er tusschen verschillende monstruositeiten een
-dergelijk innig verband bestaat.
-
-Vooral homotype deelen veranderen dikwijls tegelijkertijd, zooals wij
-zien aan de tegenovergestelde lichaamshelften, en aan de bovenste en
-onderste ledematen, Meckel merkte reeds voor langen tijd op, dat
-wanneer de spieren van den arm van haar gewoon type afwijken, zij bijna
-altijd die van het been nabootsen, en evenzoo gaat het omgekeerd met de
-spieren van het been. De zintuigen van het gezicht en het gehoor, de
-tanden en de haren, de kleur der huid en van het haar, de kleur en het
-gestel staan op de zelfde wijze min of meer met elkander in verband.
-[117] Prof. Schaaffhausen vestigde het eerst de aandacht op de
-betrekking, die er blijkbaar bestaat tusschen een gespierden
-lichaamsbouw en sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, die zoo kenmerkend
-zijn voor de lagere menschenrassen.
-
-Behalve de wijzigingen, die met meer of minder waarschijnlijkheid tot
-de voorgaande afdeelingen kunnen worden gebracht, is er nog een groote
-klasse van wijzigingen, die men spontane zou kunnen noemen, want ten
-gevolge onzer onwetendheid ontstaan zij schijnbaar zonder eenige
-aanleidende oorzaken. Men kan echter bewijzen, dat dergelijke
-wijzigingen, hetzij zij bestaan in geringe individueele verschillen of
-in sterk in het oog vallende en plotselinge afwijkingen van maaksel,
-veel meer afhangen van het gestel van het organisme dan van den aard
-der levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geworden. [118]
-
-
-
-Bedrag van den aanwas der bevolking.—Er zijn voorbeelden bekend van
-beschaafde volken, b.v. in de Vereenigde Staten, die hun aantal in
-vijf-en-twintig jaren hebben verdubbeld; en volgens een berekening van
-Euler zou dit in iets meer dan twaalf jaren kunnen geschieden. [119]
-Volgens de eerste verhouding zou de tegenwoordige bevolking der
-Vereenigde Staten, namelijk dertig millioen menschen (7), in 657 jaar
-den geheelen aardbol, zoowel het land als den oceaan, zoo dicht
-bedekken, dat op elk viertal vierkante meters negentien menschen zouden
-moeten staan. Het voornaamste of fundamenteele beletsel tegen de
-voortdurende vermeerdering van het menschelijk geslacht is de
-moeielijkheid om zijn levensonderhoud te verkrijgen en op aangename
-wijze te leven. Dat dit het geval is, mogen wij afleiden uit hetgeen
-wij b.v. in de Vereenigde Staten zien, waar het levensonderhoud
-gemakkelijk te verkrijgen en waar overvloed van ruimte is. Indien in
-Groot-Brittannië plotseling het levensonderhoud tweemaal gemakkelijker
-was te verkrijgen en de ruimte verdubbelde, zou ook het aantal
-Engelschen en Schotten spoedig verdubbeld zijn. Bij beschaafde volken
-werkt het bovengenoemde voornaamste beletsel voornamelijk door het
-aantal huwelijken te beperken. Ook de groote sterfte van kinderen in de
-armste klassen is zeer belangrijk, zoowel als de grootere sterfte op
-alle leeftijden en aan verschillende ziekten der bewoners van
-overbevolkte en slecht ingerichte huizen. De uitwerkselen van
-vreeselijke epidemieën en oorlogen worden spoedig vereffend, en meer
-dan vereffend, bij volken die onder gunstige voorwaarden zijn
-geplaatst. Bij de uiterst arme klassen werkt ook de landverhuizing als
-een tijdelijk beletsel, maar op niet zeer uitgebreide wijze.
-
-Er bestaat reden om te vermoeden, zooals Malthus heeft opgemerkt, dat
-de vruchtbaarheid tegenwoordig geringer is bij wilde dan bij beschaafde
-rassen. Wij weten daarvan niets met zekerheid, want bij wilden bestaan
-geen volkstellingen; maar volgens de overeenstemmende getuigenissen van
-zendelingen en anderen, die lang bij dergelijke volken hebben gewoond,
-schijnen hun huisgezinnen gewoonlijk klein en slechts zelden groot te
-zijn. Dit moet, naar men beweert, wellicht daaraan worden
-toegeschreven, dat de vrouwen de kinderen gedurende zeer langen tijd
-zoogen; maar het is zeer waarschijnlijk, dat wilden, die dikwijls vele
-vermoeienissen doorstaan, en niet zooveel voedzame spijs krijgen als
-beschaafde menschen, tegenwoordig minder vruchtbaar zijn. Ik heb in een
-vroeger werk [120] aangetoond, dat al onze tamme zoogdieren en vogels,
-en al de planten die wij verbouwen, vruchtbaarder zijn dan de
-overeenkomstige soorten in den natuurstaat. Het is geen gegronde
-tegenwerping tegen dit besluit, dat dieren als men ze plotseling van
-een overvloed van voedsel voorziet of vetmest, en dat de meeste
-planten, als men ze zeer plotseling uit een zeer schralen in een zeer
-vetten bodem overplant, min of meer onvruchtbaar worden. Wij konden
-daarom verwachten, dat beschaafde volken, die in zekeren zin in hooge
-mate getemd zijn, vruchtbaarder zouden zijn dan wilden. Het is ook
-waarschijnlijk, dat de vermeerderde vruchtbaarheid van beschaafde
-volken, evenals bij onze tamme dieren een erfelijk kenmerk zou worden;
-het is ten minste bekend, dat bij den mensch de aanleg om tweelingen
-voort te brengen, in sommige families erfelijk is. [121]
-
-Niettegenstaande wilden minder kinderen schijnen voort te brengen dan
-beschaafde menschen, zouden zij ongetwijfeld snel vermeerderen, indien
-hun aantal niet door sommige oorzaken krachtig werd beperkt. De
-Santali-stammen, die de heuvels van Indië bewonen, hebben voor korten
-tijd een goed bewijs daarvan geleverd; want de heer Hunter [122] heeft
-aangetoond, dat hun aantal in buitengewone mate is toegenomen, sedert
-de koepokinenting bij hen is ingevoerd, andere besmettelijke ziekten
-zijn getemperd en de oorlog krachtig is bedwongen. Die toeneming zou
-echter niet mogelijk zijn geweest, wanneer deze ruwe menschen zich niet
-in de naburige districten verspreid en zich daar als werklieden hadden
-verhuurd. Wilden huwen bijna altijd, maar nemen daarbij een soort van
-voorzichtig zelfbedwang in acht; want zij huwen gewoonlijk niet op den
-jongstmogelijken leeftijd. Men eischt dikwijls van de jonge mannen het
-bewijs, dat zij een vrouw kunnen onderhouden, en over het algemeen
-moeten zij eerst den prijs verdienen, dien zij voor haar aan haar
-ouders moeten betalen. Bij wilden beperkt de moeielijkheid om voedsel
-te verkrijgen hun aantal op een veel meer rechtstreeksche wijze dan bij
-beschaafde menschen; want alle stammen hebben periodiek zware
-hongersnooden door te staan. In zulke tijden zijn de wilden genoodzaakt
-veel slecht voedsel te verslinden, en het kan bijna niet missen, dat
-hun gezondheid hierdoor wordt benadeeld. Vele verhalen zijn medegedeeld
-van hun hangbuiken en vermagerde ledematen na en gedurende
-hongersnooden. Zij zijn dan ook genoodzaakt veel rond te trekken,
-terwijl hun kinderen, naar men mij in Nieuw-Holland verzekerde, in
-grooten getale omkomen. Daar de hongersnooden periodiek zijn, omdat zij
-voornamelijk van de jaargetijden afhangen, moet het aantal zielen van
-alle stammen beurtelings af- en toenemen. Hun aantal kan niet
-voortdurend en regelmatig vermeerderen, omdat er geen kunstmatige
-vermeerdering van den voorraad voedsel plaats vindt. Door den nood
-gedrongen, overschrijden de wilden elkanders grondgebied, waarvan
-oorlog het gevolg is; maar zij zijn werkelijk bijna voortdurend in
-oorlog met hun naburen. Zij zijn aan vele ongelukken te land en te
-water blootgesteld bij hun zoeken naar hun voedsel, en in sommige
-landen hebben zij veel te lijden van de groote roofdieren. Zelfs in
-Indië zijn geheele districten ontvolkt geworden door de verwoestingen
-van tijgers.
-
-Malthus heeft deze verschillende beletsels van hun vermeerdering
-besproken; maar hij hecht niet genoeg gewicht aan dat, hetwelk
-waarschijnlijk het belangrijkste van allen is, namelijk kindermoord,
-vooral van vrouwelijke kinderen, en de gewoonte om miskraam te
-verwekken. Deze practijken heerschen nog heden in vele deelen der
-wereld, en in vroegeren tijd schijnt de kindermoord, zooals de heer
-M’Lennan [123] heeft aangetoond, op nog uitgebreider schaal plaats te
-hebben gehad. De oorzaak van deze practijken schijnt te zijn geweest,
-dat de wilden de moeielijkheid of liever de onmogelijkheid inzagen om
-alle kinderen die werden geboren, te onderhouden. Bij de voorgaande
-beletsels kan ook de losbandigheid worden gevoegd, maar deze is niet
-het gevolg van het gebrek aan levensmiddelen; er bestaat echter reden
-om aan te nemen, dat zij in sommige gevallen (zooals in Japan) met
-voordacht is aangemoedigd als een middel om den aanwas der bevolking
-tegen te gaan.
-
-Als wij terugzien tot een uiterst lang geleden tijdvak, moet de mensch,
-voor hij tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, meer door
-instinkt en minder door rede zijn geleid, dan de tegenwoordige wilden.
-Onze vroege half-menschelijke voorouders moeten geen kindermoord hebben
-bedreven; want de instinkten der lagere dieren zijn nooit zoo
-verdorven, dat zij hen geregeld leiden tot de vernietiging van hun
-eigen kroost. Geen voorzichtig zelfbedwang moet het aantal huwelijken
-hebben beperkt, en de beide seksen moeten zich op jeugdigen leeftijd
-vrijelijk hebben vermengd. Daartoe moet bij de voorouders van den
-mensch een streven naar snelle vermeerdering zijn ontstaan; maar
-beletsels van den eenen of anderen aard, hetzij periodiek of
-voortdurend werkende, moeten de toeneming van hun getal nog krachtiger
-hebben tegengegaan dan bij de tegenwoordige wilden. Van welken aard
-deze beletsels eigenlijk zijn geweest, kunnen wij evenmin zeggen als
-bij de meeste andere dieren. Wij weten, dat paarden en hoornvee, die
-geen zeer vruchtbare dieren zijn, toen zij voor het eerst in Z.-Amerika
-waren losgelaten, zich verbazend hebben vermeerderd. De olifant, die
-zich het langzaamst van alle bekende dieren voortplant, zou in weinige
-duizendtallen van jaren de geheele wereld bevolken. De vermeerdering
-van elke aapsoort moet door de eene of andere oorzaak worden
-tegengegaan, maar niet, zooals Brehm opmerkt, door de aanvallen van
-roofdieren. Niemand zal beweren, dat het voortplantingsvermogen der
-wilde paarden en van het hoornvee van Amerika in den beginne in eenige
-merkbare mate toenam, of dat, naarmate elke landstreek dicht werd
-bevolkt, dit zelfde vermogen afnam. Ongetwijfeld werken in dit geval en
-in alle andere vele beletselen samen, en de aard dier beletsels
-verschilt naar omstandigheden; de belangrijkste van alle zijn
-waarschijnlijk periodieke hongersnooden, veroorzaakt door ongunstige
-jaargetijden. Evenzoo zal het zijn gegaan met de vroege voorouders van
-den mensch.
-
-
-
-Natuurlijke teeltkeus.—Wij hebben nu gezien, dat de mensch variabel is
-naar lichaam en geest, en dat die veranderingen, hetzij direct of
-indirect, het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en aan de
-zelfde algemeene wetten gehoorzamen als bij de lagere dieren. De mensch
-heeft zich wijd en zijd over den aardbodem verspreid en moet gedurende
-zijn onophoudelijke verhuizingen [124] aan de meest verschillende
-levensvoorwaarden zijn onderworpen geweest. De bewoners van Vuurland,
-de Kaap de Goede Hoop en van Diemensland in het eene halfrond en die
-der poolstreken in het andere, moeten vele luchtstreken zijn
-doorgetrokken, en hun gewoonten vele malen hebben veranderd, voor zij
-hun tegenwoordige woonplaats bereikten. [125] Bij de vroege voorouders
-van den mensch moet ook, evenals bij alle andere dieren, de neiging
-hebben bestaan om in sterkere mate te vermeerderen dan hun
-voedingsmiddelen; zij moeten daarom somtijds zijn blootgesteld geweest
-aan een strijd om het leven, en bijgevolg aan de strenge wet der
-natuurlijke teeltkeus. Voordeelige veranderingen van alle soorten
-zullen dus, hetzij somtijds, hetzij gewoonlijk, behouden zijn gebleven,
-en nadeelige te gronde zijn gegaan. Ik bedoel hier niet sterk in het
-oog springende afwijkingen van maaksel die slechts nu en dan met lange
-tusschenpoozen verschijnen, maar slechts eenvoudige individueele
-verschillen. Wij weten b.v., dat bij de spieren onzer handen en voeten
-die ons vermogen van beweging bepalen, evenals bij die der lagere
-dieren [126] zeer vele individueele verschillen voorkomen. Indien
-derhalve de op apen gelijkende voorouders van den mensch, welke de eene
-of andere landstreek bewoonden, vooral wanneer die landstreek eenige
-verandering in haar toestand onderging, in twee even groote afdeelingen
-waren verdeeld, dan zou die helft, waartoe al de individu’s behoorden
-welke door hun vermogen van beweging het best geschikt waren om hun
-levensonderhoud te verkrijgen of om zich te verdedigen, kans hebben om
-voor een grooter gedeelte te blijven leven en meer kroost voort te
-brengen dan de andere minder goed begaafde helft.
-
-De mensch is in den wildsten staat waarin hij nu bestaat, het meest
-heerschende dier, dat ooit op aarde is verschenen. Hij heeft zich over
-een grootere uitgestrektheid verspreid dan eenige andere
-hooggeorganiseerde vorm, en alle andere zijn voor hem teruggeweken. Hij
-is deze verbazende meerderheid blijkbaar verschuldigd aan zijn
-verstandelijke vermogens, zijn sociale gewoonten, die er hem toe
-brengen om zijn makkers te helpen en te verdedigen, en aan zijn
-lichamelijk maaksel. De hooge belangrijkheid dezer kenmerken is bewezen
-door de einduitkomst van den strijd om het leven. Door zijn
-verstandelijke vermogens heeft zich de gearticuleerde spraak
-ontwikkeld; en hiervan heeft voornamelijk zijn verwonderlijke
-vooruitgang afgehangen. Hij heeft verschillende wapenen, werktuigen,
-vallen enz. uitgevonden, en is in staat die te gebruiken tot zijn
-verdediging, om zijn prooi te dooden of te vangen en zich op andere
-wijzen voedsel te verschaffen. Hij heeft vlotten of kano’s gemaakt om
-daarin te visschen of naar naburige vruchtbare eilanden over te steken.
-Hij heeft de kunst uitgevonden om vuur te maken, waardoor harde en
-vezelige wortels verteerbaar en vergiftige wortels en kruiden
-onschadelijk kunnen worden gemaakt. Deze laatste uitvinding,
-waarschijnlijk, met uitzondering der spraak, de grootste, die ooit door
-den mensch is gedaan, dagteekent van vóór de morgenschemering der
-geschiedenis. Deze verschillende uitvindingen, waardoor de mensch in
-den meest onbeschaafden staat zoo machtig is geworden, zijn het
-rechtstreeksche gevolg van de ontwikkeling zijner vermogens van
-waarneming, geheugen, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en rede. Ik
-kan daarom niet begrijpen, hoe de heer Wallace [127] kan volhouden,
-dat: „de natuurlijke teeltkeus den wilde slechts zou hebben kunnen
-begiftigen met hersenen, niet veel meer ontwikkeld dan die van een
-aap.”
-
-Hoewel de verstandelijke vermogens en sociale gewoonten van den mensch
-hoogst belangrijk voor hem zijn, moeten wij echter ook de
-belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel niet gering schatten, aan
-welk onderwerp het nog overige gedeelte van dit hoofdstuk zal zijn
-gewijd. De ontwikkeling van de verstandelijke en sociale of zedelijke
-vermogens zal in het volgende hoofdstuk worden besproken.
-
-Zelfs om een hamer met juistheid te gebruiken, is geen gemakkelijke
-zaak, zooals ieder die timmeren heeft geleerd, zal toegeven. Om met een
-steenworp zoo juist het doel te treffen als zulks een Vuurlander kan,
-wanneer hij zich verdedigt of vogels doodt, vereischt de volledigste
-bedrevenheid in het gezamenlijk gebruik van de spieren, de hand, den
-arm en den schouder, om van fijn tastgevoel niet te spreken. Bij het
-werpen met een steen of speer en bij vele andere handelingen moet
-iemand vast op zijn voeten staan, en dit vereischt weder de volkomene
-samenwerking van verscheidene spieren. Uit een stuk vuursteen het
-ruwste werktuig te hakken, of met een been een van weêrhaken voorziene
-speer of haak te vormen, vereischt het gebruik van een volkomen
-gevormde hand; want, zooals een zeer bevoegd rechter, de heer
-Schoolcraft [128] opmerkt, bewijst het vervaardigen van messen, lansen
-of pijlpunten uit stukjes steen: „buitengewone bekwaamheid en
-langdurige oefening.” Wij nebben een bewijs hiervan in het feit, dat de
-oorspronkelijke mensch de verdeeling van den arbeid toepaste; ieder man
-vervaardigde niet zijn eigen vuursteenen werktuigen of grof aardewerk,
-maar bepaalde individu’s schijnen zich met dergelijk werk te hebben
-beziggehouden, en ontvingen ongetwijfeld de opbrengst van de jacht in
-ruil. De oudheidkundigen zijn overtuigd, dat een verbazend lange tijd
-moet zijn verloopen vóór onze voorouders op het denkbeeld kwamen, hun
-ruw bewerkte vuursteenen werktuigen te slijpen en te polijsten. Het
-valt moeielijk te betwijfelen, dat een op een mensch gelijkend dier,
-dat in het bezit was van een hand en arm, volkomen genoeg om een steen
-met juistheid te werpen of een vuursteen in een ruw werktuig te
-vervormen, als het zich voldoende oefende, bijna alles zou kunnen
-maken, voor zoover daarvoor slechts werktuigelijke behendigheid wordt
-vereischt, wat een beschaafd man kan maken. In dit opzicht zou men het
-maaksel der hand kunnen vergelijken met dat der stemorganen, welke bij
-de apen worden gebruikt tot het voortbrengen van verschillende
-signaalkreten, of, zooals bij één soort, van muzikale tonen, terwijl
-bij den mensch geheel overeenkomstige stemorganen door de overgeërfde
-gevolgen van het gebruik geschikt zijn geworden tot het voortbrengen
-van een gearticuleerde spraak.
-
-Als wij ons nu wenden tot die dieren, welke het nauwst met den mensch
-verwant zijn en ons daarom het best een voorstelling geven van onze
-vroege voorouders, dan vinden wij, dat bij de apen de handen volgens
-het zelfde algemeene model gebouwd zijn als bij ons, maar dat zij veel
-minder volkomen ingericht zijn voor verschillende gebruiken. Hun handen
-zijn minder goed geschikt om te loopen dan de pooten van een hond,
-zooals men kan zien aan die apen, welke op den buitenrand van de
-inwendige vlakte hunner handen, of op de knokkels van hun omgebogen
-vingers loopen, zooals de chimpanzee en orang. [129] Hun handen zijn
-echter bewonderenswaardig goed geschikt om de boomen te beklimmen. De
-apen grijpen dunne takken of touwen met den duim aan de eene zijde en
-de vingers en de binnenvlakte der hand aan de andere zijde, evenals wij
-zulks doen. Zij kunnen evenzoo ook tamelijk dikke voorwerpen, zooals
-den hals eener flesch, naar den bek brengen. De bavianen keeren met hun
-handen steenen om en graven er wortels mede op. Zij pakken noten,
-insekten en andere kleine voorwerpen tusschen hun duim en vingers en
-halen ongetwijfeld op de zelfde wijze eieren en de jongen uit de nesten
-der vogels. De Amerikaansche apen slaan de wilde oranjeappelen tegen de
-takken, tot de schil barst, en pellen die dan met de vingers van beide
-handen af. Andere apen openen mosselschelpen met hun beide duimen. Met
-hun vingers trekken zij dorens en stekels uit en maken zij jacht op
-elkanders luizen.
-
-In den natuurstaat breken zij harde vruchten met behulp van steenen.
-Zij rollen steenen naar beneden, of werpen daarmede naar hun vijanden;
-zij volbrengen echter deze verschillende handelingen hoogst onhandig,
-en zij zijn, zoo als ik zelf heb gezien, volstrekt niet in staat om een
-steen met juistheid te werpen. [130]
-
-Het schijnt mij verre van waar, dat, omdat „de voorwerpen door apen op
-onhandige wijze worden aangegrepen, een veel minder volkomen
-grijpwerktuig” hun evenveel dienst zou hebben bewezen, als hun
-tegenwoordige handen. Van den anderen kant zie ik geen reden om te
-twijfelen, dat een op meer volkomen wijze ingerichte hand voordeelig
-voor hen zou zijn geweest, mits, en het is belangrijk dit aan te
-teekenen, hun handen daardoor niet minder geschikt werden gemaakt om in
-de boomen te klimmen. Wij mogen vermoeden, dat een volmaakte hand
-nadeelig voor het klimmen zou zijn geweest, daar die apen, welke het
-meest uitsluitend in de boomen leven, namelijk Ateles in Amerika en
-Hylobates in Azië, hetzij zeer verkleinde en zelfs rudimentaire duimen,
-of gedeeltelijk samengegroeide vingers hebben, zoodat hun handen in
-eenvoudige grijphaken zijn veranderd. [131]
-
-Zoodra het eene of andere voormalige lid van de groote reeks der
-Primaten er door een verandering in zijn wijze om zich voedsel te
-verschaffen of door een verandering in den toestand van zijn
-geboorteland toe kwam om wat minder in de boomen en wat meer op den
-grond te leven, moest zijn manier van loopen worden gewijzigd, en in
-dit geval moest hij hetzij meer volkomen viervoetig of tweevoetig
-worden. De bavianen bezoeken dikwijls heuvelachtige en rotsachtige
-landstreken en beklimmen alleen uit noodzakelijkheid hooge boomen
-[132]; en zij hebben bijna den gang van een hond verkregen. De mensch
-alleen is tweevoetig geworden, en wij kunnen, dunkt mij, gedeeltelijk
-nagaan, hoe hij zijn opgerichten gang heeft verkregen, die een der
-meest aanmerkelijke verschillen tusschen hem en zijn naaste verwanten
-vormt. De mensch zou zijn tegenwoordige heerschersplaats in de wereld
-niet hebben kunnen verkrijgen zonder het gebruik zijner handen, die zoo
-bewonderenswaardig geschikt zijn om de bevelen van zijn wil uit te
-voeren. Zooals Sir G. Bell opmerkt, „vervangt de hand alle werktuigen
-en geeft door haar gemeenschap met het verstand den mensch heerschappij
-over alles.” [133] De handen en armen konden echter moeilijk volmaakt
-genoeg worden om er wapenen mede te vervaardigen, of om er steenen en
-speren met juistheid mede naar een doelwit te werpen, zoolang zij
-gewoonlijk werden gebruikt om op te loopen en het geheele gewicht van
-het lichaam te dragen, of zoolang zij, zooals reeds hierboven opgemerkt
-is, voornamelijk waren ingericht om goed in de boomen te klimmen. Zulk
-een ruwe behandeling zou ook het tastgevoel hebben verstompt, waarvan
-hun fijner gebruik grootendeels afhangt. Om deze oorzaken alleen zou
-het reeds een voordeel voor den mensch zijn geweest om een tweevoetig
-dier te zijn geworden, maar voor vele handelingen is het bijna
-noodzakelijk, dat beide armen en het geheele lichaam vrij zijn, en
-daarvoor moest hij stevig op zijn voeten staan. Om dit groote voordeel
-te verkrijgen, zijn de voeten plat gemaakt en heeft de groote teen een
-bijzondere wijziging ondergaan, hoewel dit het verlies van het
-grijpvermogen ten gevolge heeft gehad. Het is overeenkomstig het
-beginsel van de verdeeling van den physiologischen arbeid, dat in het
-geheele dierenrijk heerscht, dat, toen de handen zich tot volmaakte
-grijptuigen ontwikkelden, de voeten zich ontwikkelden tot volmaakte
-werktuigen om op te staan en te loopen. Bij sommige wilden heeft de
-voet echter zijn grijpvermogen nog niet geheel verloren, zooals blijkt
-uit hun wijzen om boomen te beklimmen en uit andere doeleinden, waartoe
-zij hun voeten gebruiken. [134] (8)
-
-Als het een voordeel is voor den mensch zijn handen en armen vrij te
-hebben en stevig op zijn voeten te staan, en dit kan niet betwijfeld
-worden wegens den uitnemenden uitslag, waarmede hij den strijd om het
-leven heeft gestreden, dan kan ik geen reden zien, waarom het voor de
-voorouders van den mensch niet voordeelig zou zijn geweest om meer en
-meer rechtopgaand of tweevoetig te worden. Zij zouden daardoor
-geschikter zijn geworden om zich met steenen of knuppels te verdedigen,
-om hun prooi aan te vallen, of op andere wijze voedsel te verkrijgen.
-De best gebouwde individu’s zouden op den langen duur het best zijn
-geslaagd en in grooter aantal zijn blijven leven. Als de gorilla en
-eenige weinige verwante vormen waren uitgestorven, zou men met groote
-kracht en schijnbare waarheid hebben kunnen aanvoeren, dat een
-viervoetig dier niet trapsgewijze in een tweevoetig kon zijn veranderd,
-daar alle individu’s in een tusschen die beiden instaanden toestand
-allerellendigst slecht ingericht zouden zijn geweest voor het loopen.
-Wij weten echter, en dit is wel waard om er eens over na te denken, dat
-verschillende soorten van apen tegenwoordig in dien tusschenliggenden
-toestand verkeeren, en niemand betwijfelt, dat zij over het geheel goed
-zijn ingericht voor de voorwaarden waaronder zij leven. Zoo loopt de
-gorilla met een zijdelings wankelenden gang; maar gewoonlijk rust hij
-bij het loopen op zijn gesloten handen. De langarmige apen gebruiken
-soms hun armen als krukken, en slingeren hun lichaam tusschen dezelve
-vooruit, en sommige soorten van Hylobates kunnen, zonder het te hebben
-geleerd, tamelijk snel rechtop loopen. Zij bewegen zich echter onhandig
-en met veel minder zekerheid dan de mensch. Wij zien, om kort te gaan,
-bij de tegenwoordig levende apen verschillende overgangen tusschen een
-wijze van loopen, volkomen gelijk aan die van een viervoetig dier, en
-die van een tweevoetig dier of mensch. Toen de voorouders van den
-mensch rechtopgaande werden, doordat hun handen en armen meer en meer
-werden gewijzigd om te grijpen en voor andere doeleinden, terwijl hun
-voeten en beenen tegelijkertijd werden gewijzigd om er goed op te
-kunnen staan en te loopen, moeten tallooze andere veranderingen van
-maaksel noodig zijn geweest. Zoo was het noodig, dat het bekken werd
-verbreed, dat de ruggegraat op bijzondere wijze gekromd (9) en het
-hoofd in een gewijzigde stelling werd bevestigd, en al deze
-veranderingen heeft de mensch verkregen. Prof. Schaaffhausen [135]
-beweert, dat „de sterk ontwikkelde tepelvormige uitsteeksels van den
-menschelijken schedel het gevolg zijn van zijn rechtopgaande houding”;
-en deze uitsteeksels ontbreken bij den orang, chimpanzee, enz., terwijl
-zij bij den gorilla kleiner zijn dan bij den mensch. Er zouden hier nog
-verscheidene andere inrichtingen kunnen worden opgegeven die in verband
-schijnen te staan met ’s menschen rechtopgaande houding. Het is zeer
-moeielijk te beslissen, in hoeverre al deze met elkander in verband
-staande wijzigingen het gevolg der natuurlijke teeltkeus, en in
-hoeverre zij dat van de overgeërfde gevolgen van het vermeerderde
-gebruik van een dezer deelen of van de werking van het eene deel op het
-andere zijn. Ongetwijfeld werken deze oorzaken van verandering op
-elkander terug. Wanneer b.v. zekere spieren en de uitsteeksels der
-beenderen waaraan zij zijn bevestigd, door voortdurend gebruik worden
-vergroot, dan bewijst dit, dat zekere handelingen voortdurend worden
-volbracht en voordeel moeten aanbrengen. Daardoor zouden de individu’s,
-die ze het best volbrachten, kans hebben in grooter aantal te blijven
-leven.
-
-Het vrij gebruiken van armen en handen, gedeeltelijk de oorzaak en
-gedeeltelijk het gevolg van ’s menschen rechtopgaande houding, schijnt
-op indirecte wijze aanleiding te hebben gegeven tot andere wijzigingen
-in zijn maaksel. De vroege mannelijke voorouders van den mensch waren,
-zooals hierboven is aangetoond, waarschijnlijk voorzien van groote
-hondstanden; maar toen zij langzamerhand de gewoonte verkregen om bij
-het bestrijden hunner vijanden van steenen, knuppels en andere wapenen
-gebruik te maken, moeten zij hun kaken en tanden al minder en minder
-hebben gebruikt. Uit tallooze overeenkomstige gevallen mogen wij met
-zekerheid afleiden, dat in dit geval de kaken en tegelijkertijd de
-tanden in grootte moeten zijn afgenomen. In een volgend hoofdstuk
-zullen wij een geheel gelijksoortig geval ontmoeten in de verkleining
-of volkomene verdwijning der hondstanden bij mannelijke herkauwende
-dieren, klaarblijkelijk in verband met de ontwikkeling hunner horens;
-en bij paarden in verband met hun gewoonte om met hun snijtanden en
-hoeven te vechten.
-
-Bij de volwassen mannetjes der anthropomorphe apen zijn, zooals
-Rütimeijer [136] en anderen hebben aangetoond, de vorm van den schedel,
-waardoor deze in vele opzichten van dien van den mensch afwijkt, en de
-werkelijk vreesaanjagende uitdrukking, waardoor hij zich onderscheidt,
-juist het gevolg van de groote ontwikkeling der kauwspieren. Toen de
-kaken en tanden der voorouders van den mensch allengs in grootte
-afnamen, moet derhalve hun volwassen schedel omtrent de zelfde
-kenmerken hebben vertoond, waardoor hij zich bij de jongen der
-anthropomorphe apen onderscheidt, en moet aldus een grootere gelijkenis
-met dien der tegenwoordig levende menschen hebben verkregen. Een
-aanmerkelijke verkleining van de hondstanden bij de mannetjes zou,
-zooals wij later zullen zien, bijna zeker door overerving invloed
-hebben gehad op de tanden der wijfjes.
-
-Toen de verschillende geestvermogens trapsgewijze werden ontwikkeld, is
-het bijna zeker, dat ook de hersenen in grootte zijn toegenomen.
-Niemand betwijfelt, geloof ik, dat de groote omvang van de hersenen bij
-den mensch met betrekking tot zijn lichaam in vergelijking daarvan bij
-den gorilla of orang in nauw verband staat met zijn hoogere
-geestvermogens. Wij ontmoeten geheel overeenkomstige feiten bij de
-insekten, onder welke de hersengangliën bij de mieren van buitengewone
-afmetingen zijn, terwijl deze gangliën bij al de Hymenoptera
-verscheidene malen grooter zijn dan bij de verstandelijk slechter
-bedeelde orden, zooals de kevers. [137] Van den anderen kant
-veronderstelt niemand, dat het verstand van twee verschillende dieren
-of van twee verschillende menschen nauwkeurig kan worden afgemeten naar
-den kubieken inhoud van hun schedels. Het is zeker, dat buitengewone
-geestelijke bedrijvigheid samen kan gaan met een uiterst kleine
-absolute hoeveelheid zenuwzelfstandigheid. Zoo zijn de verwonderlijk
-verschillende instinkten, geestvermogens en gemoedsbewegingen der
-mieren algemeen bekend, en toch zijn hun hersengangliën niet zoo groot
-als het vierde gedeelte van een kleinen speldekop. Uit dit laatste
-oogpunt behooren de hersenen van een mier tot de verwonderlijkste
-stof-atomen der wereld en zijn zij wellicht nog verwonderlijker dan de
-hersenen van den mensch.
-
-De meening, dat er bij den mensch de eene of andere nauwe betrekking
-bestaat tusschen de grootte der hersenen en de ontwikkeling der
-verstandelijke vermogens, wordt ondersteund door de vergelijking der
-schedels van wilde en beschaafde rassen, van menschen, die in oudere of
-nieuwere tijden leefden, en door de analogie van de geheele reeks der
-gewervelde dieren. Dr. J. Barnard Davids [138] heeft door vele
-zorgvuldige metingen bewezen, dat de gemiddelde inwendige inhoud van
-den schedel bij Europeanen 1512,44 kubiek centimeter, bij Amerikanen
-1433,25 kubiek centimeter, bij Aziaten 1426,69 kubiek centimeter en bij
-Australiërs slechts 1341,52 kubiek centimeter is. Professor Broca [139]
-vond, dat de inhoud van schedels uit Parijsche graven van de
-negentiende eeuw zich verhield tot dien van schedels uit grafkelders
-van de twaalfde eeuw als 1484 tot 1426; en Prichard is overtuigd, dat
-de tegenwoordige bewoners van Groot-Brittannië „veel ruimer
-hersenkassen” bezitten, dan de oude bewoners. Men moet echter aannemen,
-dat sommige schedels van zeer hoogen ouderdom, zooals de beroemde
-Neanderdalschedel, goed ontwikkeld en ruim van inhoud waren. [140] (10)
-Ten opzichte van de lagere dieren is E. Lartet [141], door de schedels
-van tot de zelfde groepen behoorende tertiaire en hedendaagsche dieren
-met elkander te vergelijken, tot het opmerkelijke resultaat gekomen,
-dat de hersenen over het algemeen grooter en de hersenwindingen
-ingewikkelder zijn bij de jongere vormen. (11) Van den anderen kant heb
-ik aangetoond [142], dat de hersenen van tamme konijnen aanmerkelijk in
-grootte zijn afgenomen in vergelijking van die van het wilde konijn of
-van den haas, en dit kan daaraan worden toegeschreven, dat zij
-gedurende vele generaties eng zijn opgesloten geweest, zoodat zij hun
-verstand, instinkten, zinnen en willekeurige bewegingen slechts weinig
-hebben geoefend.
-
-De trapsgewijze vermeerdering van het gewicht van hersenen en schedel
-bij den mensch moet invloed hebben uitgeoefend op de hen dragende
-wervelkolom, vooral terwijl hij bezig was den opgerichten stand aan te
-nemen. Toen deze verandering van houding tot stand was gekomen, zal ook
-de inwendige drukking der hersenen invloed hebben uitgeoefend op den
-vorm van den schedel; want vele feiten bewijzen, hoe gemakkelijk de
-schedel aldus wordt aangedaan. De ethnologen beweren, dat hij wordt
-gewijzigd door de soort van wieg, waarin het kind slaapt. Er bestaan
-voorbeelden van, dat de aangezichtsbeenderen blijvende wijzigingen
-hebben ondergaan ten gevolge van zich dikwijls herhalende spierkrampen
-en van een door een sterke brandwond veroorzaakt litteeken. Bij jonge
-personen wier hoofden door ziekte een zijdelingsche of achterwaartsche
-houding hadden aangenomen, veranderde een der oogen van stelling en
-werden de schedelbeenderen gewijzigd, en dit is blijkbaar het gevolg
-daarvan, dat de hersenen in een nieuwe richting drukten. [143] Ik heb
-aangetoond, dat bij langoorige konijnen zelfs een zoo geringe oorzaak
-als het naar voren hangen van het eene oor aan die zijde bijna elk been
-van den schedel naar voren trekt, zoodat de beenderen der
-tegenovergestelde zijden van den kop niet meer volkomen overeenstemmen.
-Wanneer eindelijk het eene of andere dier veel in algemeene
-lichaamsgrootte toe- of afnam, zonder eenige verandering in zijn
-geestvermogens; of wanneer de geestvermogens veel toe of afnamen zonder
-de minste groote verandering in de lichaamsgrootte, zou de vorm van den
-schedel bijna zeker verandering ondergaan. Ik leid dit af uit mijn
-waarnemingen omtrent tamme konijnen, waarvan sommige rassen veel
-grooter zijn geworden dan het wilde dier, terwijl andere ongeveer de
-zelfde grootte hebben behouden; maar in beide gevallen zijn de hersenen
-veel kleiner geworden in verhouding tot de lichaamsgrootte. Nu was ik
-eerst zeer verwonderd te vinden, dat bij al deze konijnen de schedel
-meer langwerpig of dolichocephaal was geworden; zoo was bij voorbeeld
-bij twee schedels van ongeveer de zelfde breedte, de eene van een wild
-konijn en de andere van een groot tam ras, de eerste slechts 8 en de
-tweede 10,9 centimeter lang. [144] Een der sterkst uitgedrukte
-verschillen tusschen onderscheidene menschenrassen is, dat de schedel
-bij sommige verlengd en bij andere rond is; en hier kan de verklaring,
-in het geval der konijnen gegeven, gedeeltelijk gelden; want Welcker
-vindt, dat „korte menschen meer tot brachycephalie en lange meer tot
-dolichocephalie overhellen [145]; en lange menschen kunnen met de
-grootere en een langer lichaam bezittende konijnen worden vergeleken,
-die allen meer langwerpige schedels hebben, met andere woorden
-dolichocephaal zijn.
-
-Uit deze onderscheidene feiten kunnen wij tot zekere hoogte begrijpen,
-op welke wijze de mensch de bijzondere grootte en een meer of min
-afgeronden vorm van den schedel heeft verkregen; en deze eigenschappen
-kenmerken hem bij uitnemendheid in vergelijking van de lagere dieren.
-
-Een ander zeer in ’t oog vallend verschil tusschen den mensch en de
-lagere dieren is de onbehaardheid der huid. De walvisschen en dolfijnen
-(Cetacea), de dugongs en lamantijnen (Sirenia) en het rivierpaard
-(Hippopotamus) zijn onbehaard; dit is hun wellicht voordeelig bij het
-in het water glijden; en kan hun niet nadeelig zijn wegens het verlies
-van warmte, daar de soorten die koudere streken bewonen, door een dikke
-speklaag worden beschermd, die tot het zelfde doel dient als de pels
-van zeehonden en otters. Olifanten en neushoorns hebben bijna geen
-haar; en daar sommige uitgestorven soorten die vroeger in een
-poolklimaat woonden, met lange wol of haar waren bedekt (12), zou het
-bijna schijnen, dat de bestaande soorten van beide geslachten hun
-harige bekleeding ten gevolge van de blootstelling aan de warmte hadden
-verloren. Dit is des te waarschijnlijker, daar in Indië de olifanten,
-die in hooge en koele streken wonen, sterker behaard zijn dan in de
-laaglanden. [146] Mogen wij dus het gevolg trekken, dat de mensch zijn
-lichaamsharen verloor, omdat hij oorspronkelijk een of ander tropische
-gewest bewoonde? Het feit, dat het haar bij de mannelijke sekse vooral
-op de borst en het gelaat, en bij beide seksen op de plaatsen waar de
-vier ledematen zich met den romp vereenigen, bewaard is gebleven,
-ondersteunt deze gevolgtrekking, wanneer men aanneemt dat het haar werd
-verloren, voordat de mensch den opgerichten stand aannam; want de
-deelen die nu het sterkst zijn behaard, zouden toen het meest tegen de
-zonnewarmte beschut zijn geweest. De kruin van het hoofd maakt echter
-een merkwaardige uitzondering, want ten allen tijde moet deze een der
-meest blootgestelde deelen zijn geweest, en toch is zij dicht met haar
-begroeid. In dit opzicht komt de mensch met de groote meerderheid der
-viervoetige dieren overeen, bij welke over het algemeen de bovenste en
-blootgestelde oppervlakte dikker behaard is dan de onderste
-oppervlakte. Het feit, dat de andere leden van de orde der Primaten,
-waartoe de mensch behoort, hoewel zij verschillende warme streken
-bewonen, goed met haar zijn bekleed, dat over het algemeen het dikst is
-op de bovenste oppervlakte [147], is echter zeer in tegenspraak met de
-onderstelling, dat de mensch zijn haar door de werking van de zon heeft
-verloren. De heer Belt meent [148], dat het tusschen de keerkringen een
-voordeel voor den mensch is onbehaard te zijn, omdat hij daardoor in
-staat is zich te bevrijden van een menigte teken (acari) en andere
-parasieten, waardoor hij dikwijls wordt gekweld en die soms zweren
-veroorzaken. Of echter dit kwaad groot genoeg is om door natuurlijke
-teeltkeus tot ontblooting van zijn lichaam te hebben geleid, mag worden
-betwijfeld, omdat zich bij geen van de vele zoogdieren die de
-keerkringsgewesten bewonen, eenig bijzonder middel tot bescherming
-daartegen heeft ontwikkeld. De meening, die mij het waarschijnlijkste
-voorkomt, is, dat de mensch, of liever oorspronkelijk de vrouw, van
-haren werd ontbloot met het doel om zijn schoonheid te verhoogen, en
-wanneer men dit aanneemt, is het niet te verwonderen, dat de mensch
-zoozeer in behaardheid verschilt van al zijn lagere broeders, want
-kenmerken, die ten gevolge van seksueele teeltkeus zijn verkregen,
-verschillen soms bij zeer nauw verwante soorten in buitengewone mate.
-
-Volgens een algemeen volksgeloof onderscheidt de mensch zich van de
-dieren vooral door het gemis van een staart; maar daar de apen welke
-het naast met den mensch verwant zijn, dit orgaan niet bezitten,
-behoeven wij dat gemis hier eigenlijk niet te bespreken. Het kan echter
-geen kwaad om te erkennen, dat er, voor zooverre mij bekend is, nog
-nooit een verklaring is gegeven van het verlies van den staart door
-sommige apen en den mensch. Wij behoeven ons nochtans over dit verlies
-niet te verwonderen; want de staart verschilt soms merkwaardig veel in
-lengte bij soorten van één en het zelfde geslacht; zoo is bij sommige
-soorten van Macacus de staart langer dan het geheele lichaam en bestaat
-uit vier-en-twintig wervels; bij andere bestaat hij uit een nauwelijks
-zichtbare stomp, die slechts drie of vier wervels bevat. Bij sommige
-soorten van bavianen zijn er vijf-en-twintig, doch bij den mandril
-slechts tien, of volgens Cuvier [149] soms slechts vijf zeer kleine,
-slecht ontwikkelde staartwervels. De staart wordt bijna altijd aan het
-einde dunner, hetzij hij lang of kort is; en dit wordt, naar ik
-onderstel, veroorzaakt door atrophie ten gevolge van onbruik van de
-spieren van het einde met hun slagaderen en zenuwen, die de atrophie
-van de laatste staart beentjes met zich sleept. Geen verklaring kan
-echter op het oogenblik nog worden gegeven van de groote verschillen in
-lengte, die men bij den staart opmerkt. Hier hebben wij echter meer in
-het bijzonder te maken met het geheel en al verdwijnen van den
-uitwendigen staart. Prof. Broca heeft onlangs aangetoond [150], dat de
-staart bij alle viervoetige dieren uit twee deelen bestaat, over het
-algemeen scherp van elkander gescheiden. Het basale gedeelte bestaat
-uit wervels, meer of minder van een kanaal en van uitsteeksels
-voorzien, evenals gewone wervels; terwijl die van het achterste
-gedeelte geen kanaal bezitten, bijna glad zijn en nauwelijks op gewone
-wervels gelijken. Een staart, hoewel niet uitwendig zichtbaar, is
-werkelijk aanwezig bij den mensch en de anthropomorphe apen en is bij
-beiden volkomen volgens het zelfde model gemaakt. In het achterste
-gedeelte zijn de wervels die het koekoeksbeen (os coccyx) vormen,
-geheel rudimentair en zeer verminderd in grootte en aantal. In het
-basale gedeelte zijn de wervels eveneens weinig in getal, stevig met
-elkander verbonden, en zijn in ontwikkeling blijven stilstaan, maar zij
-zijn veel breeder en platter dan de overeenkomstige wervels in de
-staarten van andere dieren; zij vormen, wat Broca noemt de bijkomende
-wervels van het heiligbeen. Deze zijn belangrijk voor het organisme,
-doordat zij sommige inwendige deelen steunen en om meer andere redenen;
-en hun wijziging staat in rechtstreeksch verband met de opgerichte of
-half-opgerichte houding van den mensch en de anthropomorphe apen. Dit
-besluit verdient des te meer vertrouwen, omdat Broca vroeger van een
-andere meening was, die hij nu heeft opgegeven. De wijziging van de
-basale staartwervels bij den mensch en de hoogere apen kan dus direct
-of indirect een gevolg zijn geweest van natuurlijke teeltkeus.
-
-Wat moeten wij echter zeggen van de rudimentaire en zeer variabele
-wervels van het achterste gedeelte van den staart, die het koekoeksbeen
-(os coccyx) vormen? Een verklaring, die dikwijls belachelijk is
-gemaakt, en zulks ongetwijfeld weder zal worden, namelijk, dat wrijving
-iets heeft te maken met het verdwijnen van het uitwendige gedeelte van
-den staart, is niet zoo belachelijk, als zij op het eerste gezicht
-schijnt. Dr. Anderson [151] zegt, dat de uiterst korte staart van
-Macacus brunneus uit elf wervels bestaat, met inbegrip van de inwendig
-gelegen basale. Het uiteinde is peesachtig en bevat geen wervels;
-hierop volgen vijf rudimentaire wervels, zoo klein, dat zij te zamen
-nog geen 4 millimeter lang zijn, en deze zijn bestendig naar den eenen
-kant gebogen in den vorm van een haak. Het vrije gedeelte van den
-staart, slechts weinig meer dan 2½ centimeter lang, bevat nog slechts
-vier andere kleine wervels meer. Deze korte staart wordt opgericht
-gedragen, maar omstreeks een vierde van zijn geheele lengte is om zich
-zelf naar den linkerkant omgebogen en dit eindgedeelte, dat de
-haakvormige wervels insluit, dient „om de tusschenruimte tusschen het
-bovenste divergeerende gedeelte van de eeltplekken op te vullen”,
-zoodat het dier er op zit en het daardoor ruw en eeltachtig maakt. Dr.
-Anderson vat zijn waarnemingen als volgt samen: „Deze feiten schijnen
-mij slechts ééne verklaring toe te laten: deze staart zit wegens zijn
-kortheid den aap in den weg als hij zit, en komt dikwijls onder het
-dier te liggen als het in die houding is, en daar hij zich niet verder
-uitstrekt dan het uiteinde van de knobbels van het zitbeen, schijnt het
-alsof de staart oorspronkelijk door den wil van het dier was
-rondgebogen in de tusschenruimte tusschen de eeltplekken, opdat hij
-niet zou worden gedrukt tusschen deze en den grond, en dat na verloop
-van tijd de buiging blijvend werd, zich van zelf invoegende als het
-toevallig gebeurde, dat het dier op dat orgaan ging zitten.” Onder deze
-omstandigheden is het niet te verwonderen, dat de oppervlakte van den
-staart ruw en eeltachtig is geworden; en Dr. Murie, die in den
-Londenschen dierentuin deze soort, zoowel als drie andere nauw verwante
-met een weinig langere staarten zorgvuldig waarnam, zegt, dat wanneer
-het dier zit, de staart „noodzakelijk naar ééne zijde van de billen
-wordt gekromd; en dat, hetzij hij lang of kort is, de wortel kans loopt
-om te worden gewreven of beschadigd.” Daar wij tegenwoordig bewijzen
-hebben dat verminkingen somtijds erfelijke gevolgen hebben, is het niet
-zeer onwaarschijnlijk, dat bij kortgestaarte apen het uitstekende
-gedeelte van den staart, geen nut voor het organisme hebbende, na vele
-generaties rudimentair en krom is geworden, omdat het voortdurend
-gewreven en beschadigd werd. Wij zien het uitstekende gedeelte van den
-staart in dezen toestand bij den Macacus brunneus, en volkomen
-verdwenen bij Macacus ecaudatus en onderscheidene hoogere apen. Ten
-slotte dan: de staart is, voor zoover wij kunnen beoordeelen, verdwenen
-bij den mensch en de hoogere apen, omdat het achterste gedeelte
-gedurende een lang tijdsverloop door wrijving beschadigd is, terwijl
-het basale en inwendige gedeelte zoodanig verkort en gewijzigd is, dat
-het geschikt werd voor de opgerichte of halfopgerichte houding.
-
-Ik heb nu trachten aan te toonen, dat sommigen der meest eigenaardige
-kenmerken van den mensch waarschijnlijk geheel en al, hetzij op
-directe, of veelvuldiger op indirecte wijze, door natuurlijke teeltkeus
-zijn verkregen. Wij moeten ons herinneren, dat wijzigingen in maaksel
-of gestel, die een organisme niet dienen om het geschikt te maken voor
-zijn levensgewoonten, voor het voedsel dat het verteert, of lijdelijk
-voor de levensvoorwaarden waaraan het is onderworpen, niet op die wijze
-kunnen zijn verkregen. Wij moeten echter niet te veel op ons eigen
-oordeel vertrouwen bij het beslissen, welke wijzigingen voor elk wezen
-voordeelig zijn: wij moeten bedenken, hoe weinig wij weten van het
-gebruik van vele deelen, of welke veranderingen in het bloed of in de
-weefsels kunnen dienen om een organisme geschikt te maken voor een
-nieuw klimaat of de eene of andere nieuwe soort van voedsel. Ook moeten
-wij het beginsel van correlatie niet vergeten, waardoor, zooals Isidore
-Geoffroy in het geval van den mensch heeft aangetoond, vele vreemde
-afwijkingen in maaksel met elkander verbonden zijn. Onafhankelijk van
-de correlatie, veroorzaakt een verandering in een deel door het
-vermeerderd of verminderd gebruik van andere deelen andere
-veranderingen van geheel onverwachten aard. Het is ook goed, na te
-denken over zulke feiten, als den verwonderlijken groei van galnoten op
-planten, veroorzaakt door het vergif van insekten; en over de
-merkwaardige kleurveranderingen van de vederen van papegaaien, als zij
-met sommige visschen worden gevoed, of met het vergif van padden worden
-ingeënt [152]; want wij kunnen daardoor zien, dat de vloeistoffen van
-het organisme, als zij door de eene of andere bijzondere oorzaak zijn
-gewijzigd, andere vreemde veranderingen kunnen veroorzaken. Wij moeten
-vooral steeds bedenken, dat wijzigingen, in vroegere tijden verkregen
-en voortdurend gebruikt voor het eene of andere nuttige doel,
-waarschijnlijk zeer standvastig en gedurende langen tijd moesten worden
-overgeërfd.
-
-Men mag op die wijze gerust een zeer groote en onbepaalde uitbreiding
-geven aan de directe en indirecte gevolgen der natuurlijke teeltkeus;
-maar tegenwoordig, na de verhandeling van Nägeli over planten en de
-opmerkingen van verschillende schrijvers ten opzichte van dieren,
-vooral die welke onlangs door Professor Broca gemaakt zijn, te hebben
-gelezen, neem ik aan, dat ik in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan
-der Soorten”, waarschijnlijk te veel toeschreef aan de natuurlijke
-teeltkeus of het overleven van de meest geschikten. Ik had vroeger niet
-genoeg gelet op het bestaan van vele deelen, die, voor zooverre wij er
-over kunnen oordeelen, noch voor- noch nadeelig schijnen te zijn, en ik
-geloof, dat dit een der grootste misslagen is, die tot dusverre in mijn
-werk zijn ontdekt. Het moge mij veroorloofd zijn eenigermate als
-verontschuldiging te zeggen, dat ik twee verschillende zaken beoogde:
-ten eerste, om aan te toonen, dat de soorten niet elk afzonderlijk zijn
-geschapen, en ten tweede, dat de natuurlijke teeltkeus de voornaamste
-oorzaak der verandering was geweest, hoewel in hooge mate geholpen door
-de overgeërfde gevolgen van de gewoonte en in geringe mate door de
-rechtstreeksche werking der omringende toestanden. Ik was echter niet
-in staat om den invloed van mijn vroeger geloof, toen bijna algemeen
-aangenomen, dat elke soort opzettelijk was geschapen, geheel te niet te
-doen; en dit bracht mij er toe om aan te nemen, dat elke bijzonderheid
-van het maaksel, behalve de rudimentaire organen, eenig bijzonder,
-ofschoon onbekend, nut had. Iedereen, die met dit denkbeeld vervuld is,
-moet er natuurlijk toe komen de werking van de natuurlijke teeltkeus,
-hetzij gedurende vroegere of tegenwoordige tijden, te ver uit te
-breiden. Sommigen van hen die het beginsel van ontwikkeling aannemen,
-maar de natuurlijke teeltkeus verwerpen, schijnen bij het kritiseeren
-van mijn boek te vergeten, dat ik de bovengemelde beide zaken beoogde;
-als ik dus heb gedwaald in het toekennen van groote macht aan de
-natuurlijke teeltkeus, hetgeen ik volstrekt niet geloof, of als ik de
-macht daarvan heb overdreven, hetgeen op zich zelf waarschijnlijk is,
-dan heb ik ten minste, hoop ik, een nuttig werk gedaan door het dogma
-der afzonderlijke scheppingen omver te helpen werpen.
-
-Dat alle organische wezens, met inbegrip van den mensch, vele
-wijzigingen van maaksel vertoonen die tegenwoordig voor hen van geen
-nut zijn en dit ook vroeger niet zijn geweest, is, zooals ik nu inzie,
-waarschijnlijk. Wij kennen de oorzaak niet, die tusschen de individu’s
-van iedere soort tallooze kleine verschillen voortbrengt; want het
-beginsel van atavisme brengt het vraagstuk slechts eenige weinige
-stappen achterwaarts, maar elke bijzonderheid moet haar eigen
-voortbrengende oorzaak hebben gehad. Indien deze oorzaken, welke zij
-ook mogen zijn geweest, eens gedurende een lang tijdvak eenvormiger en
-krachtiger werkten (en geen reden kan worden gegeven, waarom dit niet
-soms zou gebeuren), zouden waarschijnlijk niet eenvoudige individueele
-verschillen, maar sterk uitgesproken bestendige wijzigingen daarvan het
-gevolg zijn. Wijzigingen die op geenerlei wijze voordeelig zijn, kunnen
-niet onveranderd zijn gehouden door natuurlijke teeltkeus, hoe wel
-nadeelige daardoor zouden zijn vernietigd. Onveranderlijkheid van
-kenmerken zou echter het natuurlijk gevolg zijn van het ondersteld
-niet-veranderen der voortbrengende oorzaken en eveneens van de vrije
-kruising van vele individu’s. Het zelfde organisme zou op die wijze
-gedurende opeenvolgende tijdperken opeenvolgende wijzigingen
-verkrijgen, en deze zouden in nagenoeg onveranderden staat worden
-overgeërfd, zoolang de voortbrengende oorzaken de zelfde bleven en de
-kruising vrij bleef. Ten opzichte der voortbrengende oorzaken kunnen
-wij alleen zeggen, wanneer wij b.v. van de zoogenaamde spontane
-veranderingen spreken, dat zij in veel nauwer betrekking staan met het
-gestel van het veranderde organisme dan met den aard der
-levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geweest.
-
-
-Besluit. Wij hebben in dit hoofdstuk gezien, dat evenals de mensch,
-gelijk elk ander dier, tegenwoordig onderhevig is aan menigvuldige
-individueele verschillen of kleine wijzigingen, zulks ook ongetwijfeld
-het geval is geweest met de vroege voorouders van den mensch, en dat
-die wijzigingen destijds het gevolg waren van de zelfde algemeene
-oorzaken en onderworpen waren aan de zelfde algemeene en samengestelde
-wetten, als tegenwoordig. Daar bij alle dieren een streven bestaat om
-sterker te vermenigvuldigen dan hun middelen van bestaan toelaten, moet
-zulks ook het geval zijn geweest bij de voorouders van den mensch; en
-dit zal onvermijdelijk hebben geleid tot een strijd om het leven en tot
-natuurlijke teeltkeus. Dit laatste proces moet zeer geholpen zijn door
-de overgeërfde gevolgen van het vermeerderd gebruik van deelen, daar
-deze beide processen onophoudelijk op elkander terugwerken. Het schijnt
-ook, zooals wij later zullen zien, dat verscheidene weinig belangrijke
-kenmerken door den mensch zijn verkregen ten gevolge van seksueele
-teeltkeus. Er blijven nog eenige, wellicht vele, onverklaarde
-veranderingen over, die moeten worden toegeschreven aan de onderstelde
-voortdurende en onveranderde inwerking van die onbekende invloeden,
-welke nu en dan sterk uitgesproken en plotselinge afwijkingen van
-maaksel teweegbrengen bij onze kunstmatig gefokte huisdierrassen.
-
-Te oordeelen naar de gewoonten van de wilden en van de meeste apen,
-leidden de oorspronkelijke menschen en zelfs de op apen gelijkende
-voorouders van den mensch waarschijnlijk een gezellig leven. Bij streng
-sociale dieren werkt de natuurlijke teeltkeus soms indirect op het
-individu door het bewaard blijven van wijzigingen die slechts voor de
-geheele vereeniging nuttig zijn. Een vereeniging die een groot aantal
-goed begaafde individu’s bevat, neemt in getal toe en overwint andere,
-minder goed begaafde vereenigingen, hoewel elk afzonderlijk lid geen
-voordeel moge hebben boven de andere leden van die zelfde vereeniging.
-Door de sociale insekten zijn op die wijze vele merkwaardige deelen
-verkregen, die van weinig of geen nut zijn voor het individu en diens
-eigen kroost, zooals de toestel om stuifmeel te verzamelen of de angel
-van de werkbij of de groote kaken van de soldaten bij de mieren. Bij de
-hoogere sociale dieren is nog geen voorbeeld bekend, dat eenig deel
-alleen ten beste der vereeniging is gewijzigd, hoewel sommige haar
-secondair van dienst mogen zijn. De horens der herkauwende dieren en de
-grootste hondstanden der bavianen schijnen b.v. door de mannetjes te
-zijn verkregen als wapens bij den kampstrijd om de wijfjes, maar zij
-worden ook gebruikt tot verdediging van de kudde of den troep. Met
-sommige geestvermogens is het, zooals wij in het volgende hoofdstuk
-zullen zien, een geheel ander geval; want deze vermogens zijn
-voornamelijk, of zelfs uitsluitend, verkregen ten voordeele der
-vereeniging; terwijl de individu’s waaruit de vereeniging bestond,
-daardoor tegelijkertijd indirect bevoordeeld werden.
-
-
-
-Men heeft dikwijls tegen dergelijke beschouwingen als de voorgaande
-ingebracht, dat de mensch een der meest hulpelooze en van
-verdedigingsmiddelen ontbloote wezen is, die bestaan, en dat hij
-gedurende zijn vroegeren, minder goed ontwikkelden toestand nog
-hulpeloozer geweest zou moeten zijn. De Hertog van Argyll [153] beweert
-b.v. dat „de lichaamsbouw van den mensch van het maaksel der reddelooze
-dieren afgeweken is in de richting van grootere physische hulpeloosheid
-en zwakheid. Dat wil zeggen, het is een afwijking die het van alle
-andere het minst mogelijk is alleen toe te schrijven aan natuurlijke
-teeltkeus.” Als bewijzen daarvoor voert hij aan den naakten en
-onbeschermden toestand van het lichaam, de afwezigheid van groote
-tanden en klauwen voor de verdediging, de geringe spierkracht van den
-mensch, zijn langzaamheid in het loopen en zijn weinig ontwikkeld
-reukvermogen, waardoor hij voedsel moet ontdekken of gevaar vermijden.
-Bij deze onvolkomenheden zou nog kunnen worden gevoegd het nog
-gewichtiger verlies van het vermogen om snel in de boomen te klimmen en
-daardoor aan vijanden te ontsnappen. Als men nagaat, dat de Vuurlanders
-in hun ellendig klimaat naakt loopen, moet het verlies van het haar den
-oorspronkelijken mensch, als hij een warm land bewoonde, niet zeer
-nadeelig zijn geweest. Als wij den van verdedigingsmiddelen ontblooten
-mensch vergelijken met de apen, waarvan velen geduchte hondstanden
-hebben, moeten wij bedenken, dat deze in volkomen ontwikkelden toestand
-alleen door de mannetjes bezeten, en door deze voornamelijk worden
-gebruikt om hun mededingers te bevechten, en dat de wijfjes, die
-daarmede niet gewapend zijn, toch in staat zijn te blijven leven.
-
-Wat lichaamsgrootte en spierkracht aangaat, weten wij niet, of de
-mensch afstamt van deze of gene vergelijkenderwijs kleine soort, zooals
-de chimpanzee, of van zulk een groote en sterke als de gorilla; en wij
-kunnen daarom niet zeggen, of de mensch grooter en sterker, of kleiner
-en zwakker is geworden, in vergelijking zijner voorouders. Wij moeten
-echter bedenken, dat een dier, hetwelk een aanzienlijke
-lichaamsgrootte, kracht en woestheid bezat, en dat zich, evenals de
-gorilla, tegen alle vijanden kon verdedigen, waarschijnlijk, hoewel
-niet noodzakelijk, geen gezellige levenswijze zou hebben aangenomen; en
-dit zou de krachtigste hinderpaal zijn geweest tegen de ontwikkeling
-van ’s menschen hoogere geestvermogens, zooals medegevoel en liefde
-voor zijn medeschepselen. Het kan daarom een zeer groot voordeel voor
-den mensch zijn geweest om uit een of ander vergelijkenderwijs zwak
-wezen te zijn ontstaan.
-
-De geringe spierkracht van den mensch, zijn langzame gang, zijn gebrek
-aan natuurlijke wapenen enz. worden meer dan opgewogen, ten eerste door
-zijn verstandelijke vermogens, met behulp waarvan hij, terwijl hij nog
-in den wilden toestand bleef verkeeren, voor zich zelven wapenen,
-werktuigen, enz. vervaardigde, en ten tweeden door zijn sociale
-hoedanigheden, die veroorzaakten, dat hij zijn medemenschen hielp, en
-wederkeerig door hen werd geholpen. Geen land ter wereld bezit een
-grooter overvloed van gevaarlijke dieren dan Zuid-Afrika; geen land
-vertoont vreeselijker physische toestanden dan de Noordpoolstreken;
-toch houdt zich een der zwakste menschenrassen, de Bosjesmannen, in
-Zuid-Afrika staande, en doen de dwergachtige Eskimo’s het zelfde in de
-Noordpoolstreken. De vroege voorouders van den mensch deden
-ongetwijfeld in verstand en in aanleg voor het gezellige leven voor de
-minst ontwikkelden der tegenwoordige wilden onder; maar het is zeer
-goed te begrijpen, dat zij bleven bestaan en zelfs bloeiden, wanneer
-zij, terwijl zij trapsgewijze hun dierlijke kracht verloren,
-tegelijkertijd in verstand toenamen. Maar toegegeven, dat de voorouders
-van den mensch veel hulpeloozer en van verdedigingsmiddelen ontbloot
-waren dan een der thans levende stammen van wilden, dan zouden zij
-toch, wanneer zij het eene of andere warme vasteland of groote eiland,
-zooals Nieuw-Holland of Nieuw-Guinea, of Borneo (welk laatste eiland
-tegenwoordig het verblijf is van den orang) hadden bewoond, aan geen
-bijzonder gevaar zijn blootgesteld geweest. In een streek, zoo groot
-als een dezer eilanden, zou de wedijver tusschen de verschillende
-stammen onder gunstige omstandigheden voldoende zijn geweest om den
-mensch, door het overleven der geschiktsten, verbonden met de
-overgeërfde gevolgen van het gebruik, op te heffen tot zijn
-tegenwoordige hooge plaats op de ladder der wezens.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Men zou nog eenige andere voorbeelden van kunstmatige teeltkeus bij
-den mensch kunnen aanhalen. Bij verscheidene stammen van Roodhuiden in
-Noord-Amerika heerscht de gewoonte om alle zwakke, ziekelijke of
-misvormde kinderen dadelijk na de geboorte te dooden, zoodat slechts de
-krachtige, gezonde en goedgevormde kinderen in leven blijven en zich
-later kunnen voortplanten. Krijgshaftigheid en krachtige lichamelijke
-ontwikkeling is het gevolg hiervan. Van de Goajiren, een Indiaanschen
-stam, die in de nabijheid van het meer van Maracaïbo woont, deelt
-Elisée Reclus („Revue des Deux Mondes”, 1860, 15 Maart, blz. 438) o.a.
-het volgende mede: „Comme pour tant d’autres nations sauvages, barbares
-et civilisées, le mariage n’est le plus souvent chez les Goajires qu’un
-contrat de vente; mais ce contrat ne s’opère que si l’homme et la femme
-se conviennent par l’âge et sont également forts et bien faits: les
-avortons et les infirmes, très rares d’ailleurs, sont impitoyablement
-condamnés au célibat .... Si le prétendant se fait remarquer entre tous
-ses compagnons par sa force, sa haute taille et sa grâce, ils lui
-accordent gratuitement une ou même plusieurs femmes; parfois ils vont
-jusqu’à lui faire un présent de boeufs, de chevaux, de perles ou de
-fusils, pour le remercier de l’insigne honneur qu’il leur fait d’entrer
-dans leur famille. Pour ces hommes la véritable aristocratie est celle
-de la beauté; la richesse et le pouvoir appartiennent à ceux que la
-nature a favorisés sous ce rapport. Lorsque le hasard des naufrages
-jette sur les côtes Goajires quelques matelots étrangers, les Indiens,
-qui n’ignorent pas l’importance callipédique des croisements bien
-entendus, retiennent les hommes grands et vigoureux et leur font payer
-par quelques années de mariage forcé avec deux ou trois belles Goajires
-l’hospitalité qu’ils leur accordent. Quant aux infortunés matelots
-affligés par le destin d’une apparence chétive, ils sont dépouillés de
-leurs vêtements et renvoyés de tribu en tribu jusqu’à Rio Hacha,
-poursuivis par les huées et les rires.”
-
-Ziehier dus een stam, die voorbedachtelijk een kunstmatige teeltkeus op
-zich zelf toepast, met het doel om schoone lichaamsvormen te
-verkrijgen, en ook in dit geval gehoorzaamt de mensch, zooals was te
-verwachten, aan de wetten der stelselmatige teeltkeus. Niet slechts
-vindt men onder de Goajiren slechts hoogst zeldzaam gebrekkige of
-misvormde menschen, maar Elisée Reclus geeft (ibid., blz. 437) van hen
-de volgende beschrijving: „Les Goajires sont admirablement beaux, et je
-ne crois pas que dans toute l’Amérique on puisse trouver des aborigènes
-ayant le regard plus fier, la démarche plus imposante et les formes
-plus sculpturales. Les hommes, toujours drapés à la manière des
-empereurs Romains dans leur manteau multicolore, attaché par une
-ceinture bariolée, ont en général la figure ronde comme le soleil, dont
-leurs frères, les Muyscas, se disent les descendants; ils regardent
-presque toujours en face d’un air de défi sauvage, et leur lèvre
-inférieure est relevée par un sourire sardonique. Ils sont forts et
-gracieux, très habiles à tous les exercices du corps. Leur teint dans
-la jeunesse est d’un rouge brique beaucoup plus clair que celui des
-Indiens de San-Blas et des côtes de l’Amérique Centrale; mais il
-noircit avec l’âge, et dans la vieillesse il ressemble à peu près à la
-belle couleur de l’acajou ....”
-
-.... „Les femmes ont sans exception et jusque dans la vieillesse la
-plus avancée des formes d’une admirable fermeté et d’une grande
-perfection de contours; leur démarche est vraiment celle de la déesse,
-ou plutôt celle de la femme qui vit dans la libre nature et dont la
-beauté carressée par le soleil, se développe sans entraves. Leurs
-traits, qui ressemblent à ceux des belles Irlandaises, sont
-malheureusement défigurés par des bariolages, tracés sur les joues et
-sur le nez au moyen du roucou [154] et simulant assez bien les bésicles
-de nos bisaieules; mais en dépit de ces grands tracés rouges les
-sauvages filles du désert n’en frappent pas moins par leur fière et
-rayonnante beauté, surtout quand elles lancent leurs chevaux rapides à
-travers la plaine et que le vent rejette en arrière leur longue
-chevelure.”
-
-Bij de hedendaagsche beschaafde naties werken twee soorten van
-kunstmatige teeltkeus, die, wel verre van de strekking te hebben het
-ras te verbeteren, het noodzakelijk hoe langer hoe meer moeten doen
-degenereeren. Haeckel („Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 2te Auflage,
-blz. 153) onderscheidt deze als „Militaire” en „Medicinale” teeltkeus.
-
-In die staten toch, waar de algemeene dienstplicht bestaat, worden
-jaarlijks alle krachtige, gezonde jonge mannen uit alle kringen der
-maatschappij uitgezocht en bij het leger ingelijfd, terwijl de zieke,
-zwakke en gebrekkige individu’s daarvan verschoond blijven. Hoe
-krachtiger, gezonder, normaler een jongeling is, des te grooter kans
-heeft hij door repeteergeweren, Kruppkanonnen en mitrailleuses in den
-bloeitijd zijns levens te worden omgebracht, en om dus niet te kunnen
-huwen en zich voort te planten. Een groot deel van de gezonde en
-krachtige mannelijke bevolking blijft, ook in vollen vrede, nog op
-lateren leeftijd vrijwillig bij het staande leger, huwt niet, en plant
-zich dus ook niet voort. De zieke, zwakke en gebrekkige individu’s
-daarentegen blijven gedurende den oorlog t’huis en nemen in vredestijd
-ook niet vrijwillig dienst bij het staande leger. Hoe ziekelijker,
-zwakker en misvormder dus een jongeling is, des te meer kans heeft hij
-om te kunnen huwen en kinderen te krijgen, die krachtens het beginsel
-der erfelijkheid dikwijls min of meer de gebreken huns vaders zullen
-overerven. „Wij behoeven ons daarom waarlijk niet te verwonderen”, zegt
-Haeckel (ibid. blz 454), „dat werkelijk de lichamelijke en geestelijke
-zwakheid onzer hedendaagsche beschaafde naties voortdurend toeneemt, en
-met het sterke, gezonde lichaam ook de vrije, onafhankelijke geest hoe
-langer hoe zeldzamer wordt.”
-
-Niet alleen de algemeene dienstplicht maar ook, schoon in geringer
-mate, de conscriptie, ja zelfs eenvoudig het bezit van een staand
-leger, moet noodwendig de zelfde uitwerking hebben. Hoe oorlogzuchtiger
-een volk daarenboven is, des te sterker moeten de noodlottige gevolgen
-van deze Militaire teeltkeus zich doen gevoelen.
-
-Onder Medicinale teeltkeus verstaat Haeckel het feit, dat de
-geneeskunde, door zwakke en ziekelijke individu’s die volgens den
-gewonen loop der natuur zouden zijn gestorven, in het leven te houden,
-hen in de gelegenheid stelt zich voort te planten en hun kwalen en
-gebreken op hun nakomelingschap over te brengen. In de Geneeskundige
-Courant van 20 en 27 Febr. 1870 heb ik, zonder met de werken van
-Haeckel bekend te zijn, op het bestaan dezer medicinale teeltkeus
-gewezen, en de bijzonder moeilijke baring van vele blanke vrouwen
-verklaard uit de vorderingen der obstetrie. Ik ben thans van meening,
-dat ook de seksueele teeltkeus daarbij een groote rol heeft gespeeld.
-
-Als dank zij de ontdekkingen van Prof. Koch de tuberculose, die thans
-een zevende der sterfgevallen veroorzaakt, en meer andere besmettelijke
-ziekten zullen zijn verdwenen, zal een groot aantal personen van zwakke
-constitutie die thans sterven, in leven worden gehouden en een zwak
-nageslacht voortbrengen. Evenals graan, op allerlei soort van bodem
-gezaaid, slechts op bepaalde soorten van bodem opkomt en slechts op
-enkele zich welig ontwikkelt, worden natuurlijk thans veel meer
-personen onbewust met de kiemen der tuberkelbacillen enz. besmet, dan
-er werkelijk tuberculose enz. krijgen, juist bij de personen met
-erfelijke praedispositie tot die ziekten, en bij tuberculose zijn dit
-vermoedelijk meestal menschen met een zwak gestel, ontwikkelen zich de
-kiemen en treden de bacillen verwoestend op. Hoe zegenrijk ook voor de
-zieke individu’s en hun naaste verwanten zullen Koch’s ontdekkingen
-door de uitwieding (sit venia verba) van zwakke individu’s tegen te
-gaan die thans door de tuberkelbacillen enz. plaats heeft, o.i. op den
-duur waarschijnlijk niet bevorderlijk zijn aan de krachtige en gezonde
-ontwikkeling van het menschelijk geslacht. Zij schijnen ons een
-uitnemend voorbeeld van Medicinale teeltkeus, die niet tot verbetering
-maar tot achteruitgang van het ras leidt.
-
-Nuchter en onbevooroordeeld beschouwd, is het dus twijfelachtig of die
-ontdekkingen een voordeel voor het menschdom als geheel beschouwd,
-zullen blijken te zijn.
-
-Men zou de noodlottige gevolgen der Medicinale teeltkeus kunnen
-tegengaan door eenvoudig aan alle zwakke, ziekelijke en misvormde
-individu’s het huwelijk te verbieden.
-
-(2) Men vergelijke wat in mijn aanteekening op Hoofdstuk XII van „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 529, wordt
-medegedeeld omtrent de Beronazono’s van Madagascar; men vergelijke
-echter tevens wat op blz. 530 en elders in mijn aanteekeningen op het
-Varieeren, omtrent de erfelijkheid van verworven eigenschappen wordt
-gezegd.
-
-(3) Tot de merkwaardigste physiologische verschijnselen behooren de
-uitingen van den smaak- en den reukzin, hoezeer we hieraan door
-dagelijksche ondervinding gewoon zijn.
-
-Het is vrijwel bekend, dat sommige personen een zeer fijnen smaak
-hebben en evenzoo, dat die door aanhoudende oefening nog buitengewoon
-verfijnd kan worden. Maar ook zonder opzettelijke vorming is de
-gevoeligheid der smaakzenuwen zeer groot. Men denke slechts aan de
-kieskeurigheid van kleine kinderen, die reeds op zeer jeugdigen
-leeftijd geitemelk van koemelk, gekookte van ongekookte melk
-onderscheiden, die dadelijk proeven als er geneesmiddelen in hun
-voedsel zijn gedaan, hoe weinig smaak deze ook mogen hebben, en het
-voedsel dan weigeren, en dit op een leeftijd dat andere geestelijke
-eigenschappen nog in ’t geheel niet zijn ontwikkeld.
-
-Nog oneindig fijner dan de smaak is de reuk. Wij kunnen daarmede de
-aanwezigheid van stoffen waarnemen, die in zulke uiterst geringe
-hoeveelheden aanwezig zijn, dat in vergelijking van de ruikproef alle
-nadere chemische reacties niets beteekenen. Een kleine berekening zal
-dit duidelijk maken.
-
-Tien kilogram rozen leveren bij destillatie ongeveer een gram
-rozenolie; daar één roos hoogstens 2 gram weegt, bevat zij slechts het
-5000ste deel van een gram en dus een half milligram aetherische olie.
-Deze olie moet nu voortdurend vervluchtigen om voor onzen neus merkbaar
-te zijn. Nemen we aan dat een roos in 50 uur haar geur verliest, dan
-wordt het vervliegen van dat halve milligram rozenolie verdeeld over
-3000 minuten. In elke minuut staat dus de roos 0.00017 milligram
-aetherische olie af. Nu weet ieder dat er veel minder dan een minuut
-noodig is om een roos aan haar geur te herkennen; ja wat meer zegt, het
-verschil in geur bij de rozenvariëteiten berust op de aanwezigheid van
-nog veel geringere hoeveelheden aetherische olie die met de rozenolie
-vermengd is, en toch ruiken wij dat onderscheid gemakkelijk. Dit is dus
-een reactie, zoo fijn, dat zij met geen ander waarnemingsproces kan
-worden vergeleken.
-
-Hoe lang de geur van kunst-muskus blijft aanhangen, is ook bekend.
-Iemand had de kurk van een flesch met die stof even aangeraakt en na
-herhaalde wasschingen met water en zeep gedurende drie dagen was hij de
-lucht nog niet kwijt. Door een kamer werd een toegesloten flesch met
-muskus slechts even heen gedragen en ook na dagen lang luchten was de
-stof nog door de reuk herkenbaar. De hoeveelheden, die hier worden
-waargenomen, zijn zoo uiterst gering, dat zij niet meer door berekening
-kunnen aangegeven worden.
-
-Merkwaardig is het, dat ook bij de lagere dieren de reuk- en smaakzin
-buitengewoon ontwikkeld zijn. Hoe nauwkeurig bijen en hommels
-verschillende bloesems onderscheiden, is bekend. Zij worden door den
-reuk ook naar weinig in ’t oog vallende bloemen als die der linde van
-zeer ver aangetrokken. In een verffabriek werden door het dagelijks
-uitgieten van een aniline-houdende stof geregeld honderdduizenden bijen
-en wespen aangetrokken, die zich te goed deden aan den zeer verdunden,
-bloesemachtigen geur van de aniline.
-
-Maar ook de fijnheid van den smaakzin der insekten schijnt door een
-zeer origineele proef van Dr. Rabow te Potsdam aangetoond te zijn. In
-een suikerbakkerij waar tallooze vliegen waren, liet hij een koek
-neerleggen, die niet met suiker maar met de bekende uit koolteer
-gewonnen saccharine was bestrooid. Terwijl alle andere koeken sterk
-door vliegen werden bezocht, bleef de koek met saccharine daarvan
-verschoond—de vliegen onderscheidden scherp tusschen de zoetheid van
-suiker en die van saccharine. Wellicht roken zij echter het verschil,
-in welk geval de proef niets omtrent den smaakzin zou bewijzen.
-
-Hyrtl („Handboek der Top. Ontleedkunde”, Nederl. Vert. van Dr. Hanlo
-2de druk, Deel I, blz. 289, 290 en 291) geeft verscheidene belangrijke
-voorbeelden van de verbazende hoogte, waartoe zich bij wilden de
-scherpte van den reukzin ontwikkelt. „Zij sporen”, zegt hij, „door den
-reuk het spoor hunner vijanden op, en Natterer, die 18 jaren lang in de
-bosschen van Brazilië leefde, verhaalde mij, dat de Indianen zelfs de
-pis der blanken door den reuk onderscheiden, en afzonderlijke woorden
-hebben voor het zweet van een neger en van een Europeaan. Mevrouw
-Pfeiffer gaf op haar laatste reis rondom de wereld aan een bewoner van
-Papeiti een vergulden tombakring ten geschenke. De wilde berook hem, en
-gaf hem met teekenen van afkeer terug, terwijl hij een echten met
-genoegen berook en niet wachtte, totdat men hem dien gaf ....” „De
-wilden van de eilanden van den Stillen Oceaan die den beroemden
-natuuronderzoeker Commerson op het fregat La Boudeuse een bezoek
-brachten, erkenden dadelijk door den reuk, dat zijn bediende, wiens
-geslacht door de overige schepelingen niet werd vermoed, een vrouw in
-mannenkleederen was—de bekende Hortense, te wier eer een plant die van
-deze reis was medegebracht, den naam van Hortensia draagt. Eveneens
-waren het de wilden van Tonga Taboe, die het eerst roken, dat er onder
-de bemanning van het Hollandsche schip Dordrecht een meisje aanwezig
-was, dat, als koksjongen verkleed, dienst in de kombuis deed.” Dat
-echter ook bij de Europeanen de reuk soms zeer scherp is, blijkt
-daaruit, dat Hyrtl op blz. 291 ook mededeelt, dat enkelen een zoo
-scherpen reuk hebben bezeten, dat zij „het tijdperk der maandelijksche
-reiniging der vrouw door den reuk waarnamen,” en in de acta Hafniensia,
-vol. I, van Marcus Marci te Kroonland, toenmalig hoogleeraar in de
-geneeskunde aan de universiteit te Praag, wordt van een Boheemschen
-priester verhaald, die maagden en vrouwen door den reuk herkende.
-Volgens Seneca herkende de Romeinsche Senator Mammercus Scaurus
-menstrueerende vrouwen en meisjes door den reuk, en op blz. 290: „De
-geneesheeren Mead en Heim herkenden de huiduitslagen op het zelfde
-oogenblik, als zij den neus in de kamer van den lijder staken.”
-
-Kardinaal Alberoni kon, toen hij oud en blind was geworden, door den
-reuk oude dames van jonge onderscheiden. Rousseau had zulk een fijnen
-reuk, dat hij een „geurbotanie” had kunnen schrijven, als de taal
-zoovele uitdrukkingen had als er geuren in de natuur zijn. Kant kon
-geen armoedig levend student in zijn auditorium velen, daar hij de
-uitwasemingen van menschen die zich slecht voeden, niet kon verdragen:
-hij noemde menschen die veel zwart roggebrood eten, „gemeen volk.”
-Napoleon werd op de reis naar St. Helena van de teerlucht ziek, en
-bleef tijdens zijn ballingschap aldaar liever in een oud slecht
-ingericht huis wonen, dan een nieuw geriefelijk te betrekken, uit vrees
-voor den geur van versche olieverf.
-
-Uit proeven van de Amerikaansche physiologen Nichols en Bailey [155]
-volgt, dat de ontwikkeling van den reuk al naar het individu en de
-sekse zeer verschilt. Terwijl drie mannen blauwzuur roken in een
-mengsel van 1 gram daarvan op 2000 kilogram water, roken andere mannen
-het zelfs in een honderdmaal meer blauwzuur bevattend mengsel niet. Zij
-onderzochten 44 mannen en 39 vrouwen. De vrouwen hadden allen veel
-zwakker reukvermogen dan de mannen. Geen vrouw kon blauwzuur ruiken in
-een verdunning met 20000 deelen water, terwijl de meeste mannen het nog
-in een verdunning met 100000 deelen water roken. Citroenolie met 250000
-deelen eener reukelooze stof vermengd, werd door de mannen nog geroken,
-terwijl de vrouwen een tweemaal zoo sterke vermenging noodig hadden.
-Het zelfde resultaat gaven knoflookextract en andere riekende stoffen.
-
-Wellicht is hieruit de voorliefde van vrouwen voor sterke odeurs te
-verklaren. Zij hebben om die goed te ruiken een sterken prikkel noodig,
-die bij de mannen lastig is.
-
-De verklaring is wellicht, dat de man, in de tijden dat de mensch nog
-van de jacht leefde, zijn reukorgaan meer noodig had dan de vrouw, het
-dus meer oefende, en de mannen die het beste reukvermogen bezaten,
-daardoor een voordeel hadden in den strijd om het bestaan, en hun beter
-reukvermogen op hun mannelijke nakomelingen overbrachten, terwijl de
-vrouwen, die door de mannen werden onderhouden, dien scherpen reuk
-zonder nadeel konden missen.
-
-Uit onderzoekingen van W. Ramsay te Bristol blijkt, dat de
-reukgewaarwording waarschijnlijk het gevolg van uiterst snelle
-trillingen der gasmoleculen is. Evenals er bij het geluid tonen zijn,
-waarmede andere tot accoorden en harmonieën samensmelten, zijn er
-volgens hem ook geuren, die uit een grondgeur en een geheele reeks
-harmonische geuren, dus uit geuraccoorden bestaan, en ontstaat hieruit
-de verschillende hoedanigheid der geuren.
-
-Geen ander zintuig heeft zooveel invloed op onze stemming, op ons
-gevoel van sympathie en antipathie, geen roept sterker vroegere
-indrukken in het geheugen terug dan de geur.
-
-In vergelijking van de hooge volmaaktheid van den reuk bij vele dieren,
-is dit zintuig bij den mensch zeer weinig ontwikkeld.
-
-(4) Wij hebben reeds in aanteekening 8, blz. 38 medegedeeld, dat
-overtallige tepels ook in de okselholte, de lies en den rug doorkwamen.
-Het zonderlingste geval dat wij opgeteekend hebben gevonden, was dat
-van een vrouw, die een overtalligen tepel aan de dij had, welken men
-vroeger voor een moedervlek had gehouden, doch na haar zwangerschap
-zooveel melk opleverde, dat zij haar kind daaraan drie jaar lang kon
-zoogen (Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo,
-2de druk, Deel I, blz. 529). De moeder van den Romeinschen Keizer
-Julius Severus, die daaraan den bijnaam van Julia Mammea verschuldigd
-was, en Anna Boleyn, een der gemalinnen van Hendrik VIII van Engeland,
-bezaten overtallige tepels.
-
-In 1889 deed D. Hansemann aan het „Berliner anthr. Gesellschaft”
-mededeelingen omtrent eenige gevallen van overtallige zogklieren
-(polymastie) en overtallige tepels (polythelie). [156] Een dezer
-gevallen betrof een man, bij welken omstreeks 13 c.M. onder de normale
-tepels, maar dichter naar de mediaanlijn toe, zich aan weêrszijden een
-kleine donkere vlek bevond, die een tepel in miniatuur bleek te zijn
-(van zogklieren was hierbij niets te voelen). Een tweede geval betrof
-een vrouw, die behalve twee zeer ontwikkelde normale borsten nog twee
-kleinere bezat, die wel tepels hadden maar geen hof om die tepels heen,
-en verder nog een tepel met slecht ontwikkelde zogklier in de
-okselholte. De vrouw, die 12 kinderen had gehad, had die wegens de
-gebrekkige ontwikkeling harer overtallige tepels alleen aan haar
-normale borsten kunnen zoogen, en daarbij veel last gehad van die
-overtallige tepels, daar uit deze de melk van zelf uitliep, terwijl het
-kind aan een normale borst zoog. Uit de litteratuur heeft Hansemann 262
-gevallen van polymastie en polythelie bijeengezocht, waaronder 81
-mannen en 104 vrouwen. Het hoogste aantal overtallige borsten bij één
-individu was 8. In verreweg de meeste gevallen liggen de overtallige
-borsten onder de normale en eenigszins dichter bij de mediaanlijn dan
-deze, er zijn echter ook gevallen, waarbij tepels op den rug, schouder,
-buitenzijde der dij, in de lies en op een der groote schaamlippen
-voorkomen. In drie gevallen kon worden aangetoond, dat de polymastie
-van de moeder op de dochter was overgeërfd. Daarentegen kon niet worden
-bewezen, dat er samenhang bestond tusschen overtallige zogklieren of
-tepels en den aanleg om twee- of drielingen te krijgen. Het ontstaan
-der polymastie en polythelie is op drieërlei wijze verklaard. Von
-Leichtenstern, Neugebauer e. a. houden ze voor atavismen, terugslag tot
-zekere voorouders van den mensch. Ahlfeldt meent daarentegen, dat de
-overtallige zogklieren en tepels in de eerste tijden van het embryonale
-leven worden verworven, doordat hetzij deelen van de normale klier
-losgemaakt worden of met de eivliezen vergroeien en van deze uit als
-het ware op andere plaatsen geënt worden. Champneys en Doran eindelijk
-meenen, dat zogklieren zich bij vrouwen, zelfs nog gedurende het
-kraambed, uit talkklieren kunnen ontwikkelen, wat vooral in de
-okselholte niet zelden plaats zou vinden. Max Bartels meent, dat niet
-alle gevallen van overtallige zogklieren en tepels op de zelfde wijze
-moeten worden verklaard, en dat het in een aantal gevallen volkomen
-duidelijk is, dat er eenvoudig een verdubbeling, een gedeeltelijke of
-volkomen verdeeling in tweeën van den normalen kiemaanleg voor de borst
-plaats heeft gehad. In een der door Bartels beschreven gevallen kan men
-zelfs nog een streng kiemweefsel voelen, die de normale zogklier met de
-overtallige verbond. Alle mogelijke overgangen van een eenvoudig
-verbreeden of beschuitvormigen tepel tot twee afzonderlijke tepels en
-verder tot twee afzonderlijke mamheuvels elk met een tepel en
-omgevenden hof, zijn waargenomen. Bartels nam ook een overtalligen
-tepel, op de mediaanlijn gelegen, waar, welke plaatsing door Hansemann
-onmogelijk was verklaard.
-
-(5) Omtrent de vraag in hoever overtallige vingers door atavisme kunnen
-worden verklaard, verwijzen wij naar onze aanteekeningen, Deel 1, blz.
-527 en 528 en Deel II, blz. 364 van „Het Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten.”
-
-Hyrtl („Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk,
-Deel I, blz 416) geeft, behalve het in aant. 8, blz. 38 vermelde, nog
-de volgende gevallen van polydactylisme en van de sterke erfelijkheid
-daarvan op:
-
-„Behalve de in de Middeleeuwen bekende familie der Bilfingers
-(veelvingers), die haar naam aan deze misvorming heeft te danken,
-behoort ook een nieuw geval hiertoe. Zezak Colburn, de beroemde
-rekenaar uit het hoofd, had aan den buitenkant van elke hand een zesden
-vinger en eveneens aan elken voet een zesden teen. Zijn vader had de
-zelfde afwijking; van zijn zeven zusters zijn vijf normaal gevormd,
-twee gelijk aan den vader en ééne heeft wel zes vingers aan elke hand,
-doch slechts aan éénen voet zes teenen. De grootmoeder had deze
-bijzonderheid in de familie gebracht, die zij wederom van haar
-grootmoeder had overgeërfd, wier elf kinderen allen met deze afwijking
-waren behept (Meckel’s „Deutsches Archiv”, 4 Bd., blz. 32). Brown maakt
-in zijn „Handbuch der Geschichte der Natur”, (Stuttgart, 1843, 2 Bd.,
-blz. 183) melding van een Spanjaard met zes vingers, wiens kinderen
-allen zes vingers hadden, behalve het laatste, dat hij hardnekkig
-weigerde als het zijne te erkennen, omdat het slechts vijf vingers had.
-Ruysch beschreef in zijn „Observ. anat. chir.” onder den naam van
-„Sceleton polydactylum” een geraamte, dat aan de rechterhand 7, aan de
-linkerhand 6 vingers, tevens dubbele duimen, aan den rechtervoet 8, aan
-den linkervoet 9 teenen had. Het oudst bekende geval van polydactylisme
-vindt men in het oude testament (2 Samuel, XXI: v. 20). Twee dochters
-van Cajus Horatius hadden zes vingers aan elke hand (Plinius, „Hist.
-Nat.”, XI, 99), de dichter Volcatus Sedigitus en Anna Boleyn hadden zes
-vingers aan de rechterhand. Anna Boleyn bezat daarenboven overtallige
-tepels (aanteekening 4, blz. 104), en ging toch door voor de schoonste
-vrouw van haar tijd!
-
-In „Nature” van 7 Maart 1878 deelde de heer Lengleen, geneesheer te
-Arras, een geval mede van zekeren heer Gamelon in de vorige eeuw, die
-aan elke hand zes vingers en aan elken voet zes teenen bezat. Zijn zoon
-had het normale getal vingers en teenen, maar in drie volgende
-generaties trad de anomalie weder te voorschijn, en verscheidenen
-zijner thans nog levende afstammelingen hebben zes vingers en teenen
-aan handen en voeten. Quatrefages verhaalt van een zesteenigen haan,
-die zijn afwijking in zoo sterke mate op zijn nageslacht overbracht,
-dat thans in de streek waar hij leefde, schier alle hanen en kippen zes
-teenen bezitten.
-
-Bij den regeerenden stam der Fodli in Zuid-Arabië bezitten, gelijk
-Baron Maltzan op zijn reis opmerkte („Zeitschrift für Ethnologie”, 1873
-no. 2) velen zes vingers en teenen, en wordt zulks door het volk als
-bewijs van adellijk bloed beschouwd. Deze Fodli’s huwen veel onder
-elkander, hetgeen de voortplanting dezer abnormaliteit natuurlijk
-bevordert.
-
-Op Malta heeft een familie zesvingerige menschen bestaan, bij welke
-deze eigenaardigheid, hoewel niet bij alle, maar toch bij een zeker
-aantal nakomelingen gedurende drie of vier generaties erfelijk was,
-hoewel allen met vijfvingerige vrouwen huwden (Portal, „Mém. de la
-première Classe de l’Institut”, 1807; Huxley, „Origin of Species”,
-lect. IV). Het zelfde was het geval bij een familie zesvingerige
-menschen in de vallei Kennebec in de Vereenigde Staten, die in 1862 nog
-bestond („Report of the Commissioner of Agriculture”, 1862, blz. 237).
-
-(6) Als merkwaardig voorbeeld van atavisme bij den mensch noemen wij
-nog het somtijds ontbreken van de balk of het eeltachtig lichaam
-(corpus callosum) in de hersenen, waardoor die het type van de hersenen
-der Buideldieren en Snaveldieren (Monotremata) verkrijgen. Ook bij de
-Vogels en de lagere Gewervelde Dieren ontbreekt het. Verder het
-somtijds bestaan blijven van een open verbinding tusschen de rechter-
-en linkerhelft van ’t hart, gelijk bij de amphibieën normaal voorkomt,
-maar den mensch die er meê behept is, tot een vroegen dood doemt. Ook
-verdient hier vermelding de hooge verdeeling van den arm-slagader in
-spaak- en ellepijp-slagader, welke bij apen, knaag- en buideldieren
-normaal voorkomt, maar soms ook bij den mensch wordt opgemerkt (Henle,
-„Handbuch der Syst. Anat. d. Menschen”, vol. III, 1868, blz. 266).
-
-Bij Ricord („Journal Hebdomadaire”, 1833, tome XIII, aangehaald bij
-Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, Deel II,
-blz. 131) vindt men een geval aangehaald van een vrouw van 22 jaar, bij
-welke het rectum zich in de scheede ontlastte. Bij deze vrouw bestond
-dus slechts ééne uitmonding waardoor de vaste en vloeibare uitwerpselen
-en de afscheidingsproducten der geslachtsdeelen zich ontlastten; zij
-bezat een cloaca, een inrichting, die bij de laagste Zoogdieren, de
-Snaveldieren (Monotremata), en bij de meeste lagere Gewervelde Dieren
-normaal is, en een hoogst merkwaardig geval van atavisme oplevert.
-Opmerkelijk is het, dat de echtgenoot dezer vrouw, na drie jaar
-getrouwd geweest te zijn, dien toestand niet eens had vermoed.
-
-(7) Zij bedraagt thans (1890) 64 millioen menschen, hetgeen sedert 1872
-(toen Darwin dit schreef) een vermeerdering van 34 millioen menschen
-aanwijst, ongeveer overeenstemmende met een verdubbeling in 15 jaar.
-Men vergete echter niet, dat dit geenszins de natuurlijke aanwas der
-bevolking is, daar ook de sterke landverhuizing er veel toe heeft
-bijgedragen.
-
-(8) Bory de St. Vincent beweert zelfs, dat de Hottentotten een grooten
-teen zouden bezitten, die geopponneerd kan worden, en dat daardoor hun
-voetstappen in het zand gemakkelijk van die van een Europeaan te
-onderscheiden zouden zijn. Hyrtl, („Handboek der Top. Ontleedk.”, Ned
-Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel II, blz. 625) betwijfelt echter,
-onzes inziens terecht, de juistheid van deze bewering.
-
-Volgens het jaarverslag over 1878 van den Engelschen consul te Saigon
-aan zijn regeering, zouden er in het noordelijk gedeelte van het
-Anamietische rijk stammen leven, bij welke de groote teenen der voeten
-geheel van de andere teenen zijn afgescheiden en bijna even goed als de
-duimen der handen kunnen worden gebruikt. Deze bijzonderheid zou reeds
-in Chineesche jaarboeken van het jaar 2300 v. C. worden vermeld. Daar
-ook de Chineezen hun grooten teen veel beter kunnen gebruiken om b.v.
-iets vast te klemmen, dan wij, blijkt hieruit, dat de afwijking
-bijzonder sterk moet zijn en wij hier wellicht aan een opponiebelen
-grooten teen, min of meer als die van den gorilla, moeten denken. Het
-komt ons echter voor dat ook dit bericht bevestiging behoeft! In
-vroegeren tijd zou deze bijzonderheid bij de Anamieten zoo algemeen
-zijn geweest, dat hun naam oorspronkelijk daarvan zou zijn afgeleid.
-(Vergelijk mijn artikel „Vierhandige Menschen”, in „Isis”, 1879, blz.
-346.)
-
-(9) In 1886 verscheen een uitvoerig werk van Prof. Cunningham van
-Trinity College, Dublin, „On the lumbar curve in man and apes.” Het is
-gedrukt voor rekening der „Royal Irish Academy”. Hij toont daarin o.a.
-aan, dat de eigenaardige kromming van de ruggegraat, die men altijd met
-de opgerichte houding van den mensch in verband gebracht en als een bij
-uitnemendheid menschelijk kenmerk heeft beschouwd, bij vele
-menschenrassen (Nieuw-Hollanders, Negers, Andaman-eilanders) volstrekt
-niet zoo goed ontwikkeld is als bij de Europeanen. Wel bezit hun
-ruggegraat die kromming, maar terwijl bij den Europeaan de
-wervellichamen min of meer naar het beloop van de kromming vervormd
-zijn, bestaat van die vervorming bij genoemde menschenrassen geen
-spoor. Bij den gorilla bestaat de kromming, bij den chimpanzee is zij
-zelfs slechts weinig zwakker dan bij den mensch, bij den orang is zij
-veel zwakker. Zij bestaat echter nog bij de lagere apen en onder
-bepaalde voorwaarden vindt men er zelfs bij de viervoetige dieren
-duidelijke sporen van. De wervels schijnen bij de wijfjes over het
-algemeen meer in harmonie met de kromming vervormd te zijn dan bij de
-mannetjes.
-
-(10) De schedel van het Neanderdal is, zooals wij reeds in aanteekening
-25, blz. 45 mededeelden, volgens de eenparige getuigenis van alle
-deskundigen hoogst dierlijk ontwikkeld. Daar hij slechts gedeeltelijk
-voor ons behouden gebleven is, is de inhoud er van niet rechtstreeks
-bepaald kunnen worden. Daar Prof. Schaaffhausen echter voor den inhoud
-van het bewaard gebleven gedeelte 1033 kub. centimeter heeft gevonden,
-schat Huxley [157] den geheelen inhoud op 1228 kub. centimeter. Hij
-blijft dus nog even ver onder den Nieuw-Hollander, volgens de opgaaf
-van Darwin, als deze onder den Amerikaan of Aziaat.
-
-Ter vergelijking van de bij Darwin opgegeven getallen, laten wij hier
-een lijstje volgen van de resultaten van eenige schedelmetingen:
-
-
- TABEL VAN DEN GEMIDDELDEN SCHEDELINHOUD VAN EENIGE RASSEN.
-
- VOLKSSTAM. Volume in Waarnemers.
- kub.cent.
- Australiërs (Nieuw-Hollanders). 1228,27 Aitken Meigs.
- Polynesiërs. 1230 Morton.
- Hottentotten. 1233,78 Aitken Meigs.
- Papoea’s. 1253,45 Aitken Meigs.
- Amerikanen in ’t algemeen. 1315,71 Aitken Meigs.
- In Amerika geboren Negers. 1323,90 Aitken Meigs.
- Maleiers. 1328 Morton.
- Mexicanen. 1338,65 Aitken Meigs.
- Groenlanders. 1340 Welcker.
- Chineezen. 1345 Morton.
- Oude Peruanen. 1361 Morton.
- In Afrika geboren Negers. 1371,42 Aitken Meigs,
- Wilde Indianen. 1376,71 Aitken Meigs.
- Parijzenaars uit armengraven (van
- de 12de tot de 18de eeuw). 1403,14 Broca.
- Parijzenaars uit de 12de eeuw. 1425,98 Broca.
- Duitschers. 1448 Welcker.
- Parijzenaars uit de 19de eeuw. 1461,53 Broca.
- Anglo-Amerikanen. 1474,65 Aitken Meigs.
- Parijzenaars uit eigen graven
- (19de eeuw). 1484,23 Broca.
- Germanen in het algemeen. 1534,27 Aitken Meigs.
- Engelschen. 1572,95 Aitken Meigs.
-
-
-Zooals men ziet, zijn de door deze waarnemers verkregen getallen, die
-grootendeels berusten op metingen van een aanzienlijk aantal schedels
-van elk ras, voor het meerendeel aanmerkelijk lager dan de door Darwin
-opgegeven gemiddelde getallen, en komt de Neanderdalmensch volgens deze
-tabel in schedelinhoud met de Nieuw-Hollanders overeen, die ook in
-andere opzichten van alle thans levende menschenrassen het naast met
-hem verwant zijn. Men ziet ook uit deze tabel, dat de wilde Indianen
-(Roodhuiden) en de in Afrika geboren negers grooter hersenen bezitten
-dan de Mexicanen, de oude Peruanen en de Chineezen, waaruit blijkt, dat
-men uit de capaciteit van den schedel nog niet onmiddellijk tot de
-verstandelijke ontwikkeling kan besluiten. Merkwaardig is het ook, dat
-in Amerika geboren negers geringer gemiddelden schedelinhoud bezitten
-dan die, welke in Afrika zijn geboren. Wel een bewijs van de
-degradeerende werking der slavernij. Owen (aangehaald in Vogt,
-„Vorlesungen über den Menschen”, Bd. I, blz. 181) geeft voor den
-gemiddelden schedelinhoud van eenige hoofdrassen en der anthropomorphen
-de volgende getallen (in kub. Engelsche duimen, door ons, evenals de
-opgaven van Darwin en Huxley, herleid tot kub. centimeters):
-
-
- Engelschman. Maleier. Neger. Nieuw-Holl.
- 1572,67 1409,21 1343,66 1228,96
-
- Gorilla. Orang. Chimpanzee.
- 491,58 458,82 458,81.
-
-
-Men vergelijke over de verschillen in den omvang van den schedel ook de
-belangrijke opmerkingen van den heer Le Bon te Parijs, medegedeeld door
-Dr. D. Lubach in het „Album der Natuur”, 1878, blz. 377.
-
-Een goede gelegenheid tot het onderzoeken van vroegere menschelijke
-schedelvormen en van de verandering, die de schedelvorm in den loop van
-vele eeuwen heeft ondergaan, bieden de graftomben van Egypte en van het
-oude Etrurië aan. In deze beide landen heeft Dr. Schmidt rijke
-verzamelingen van schedels verkregen, die hem in staat stelden daarvan
-een grondige studie te maken. De uitkomsten van deze studie, voor
-zoover die de Egyptische schedels betreft, heeft hij in een vakblad
-medegedeeld. Bij eene vergelijking van 294 oude schedels, van mummies
-afkomstig en van 86 nieuwe, verzameld in verschillende streken, bleek,
-dat de ruimte voor de hersenen van de tegenwoordige bevolking gedurende
-de beide laatste duizend jaren gemiddeld 44 kubieke centimeter kleiner
-is geworden, en wel de mannelijke schedels 31, die van vrouwen 54
-kubieke centimeter, een verschijnsel, dat de schrijver verklaart uit
-den achteruitgang in ontwikkeling en beschaving, die er in den loop der
-eeuwen bij het Egyptische volk heeft plaats gehad, en dat hij stelt
-tegenover de waarneming, dat de grootte der schedels van de Parijsche
-kerkhoven in de laatste eeuwen, overeenkomstig de toenemende beschaving
-der bevolking, gemiddeld met 35 kub. centimeter is toegenomen. In vorm
-komen de oude en nieuwe schedels, zoowel wat den geheelen bouw als wat
-kleinere bijzonderheden betreft, in ’t algemeen met elkaâr overeen, er
-zijn thans evenals vroeger drie hoofdtypen: een zuiver Egyptische, een
-zuiver Nubische en een brachycephale vorm en overgangsvormen
-daartusschen. Tegenwoordig treedt het Nubische type sterker op den
-voorgrond dan vroeger.
-
-Naar aanleiding van den algemeen aangenomen regel, dat men bij menschen
-die veel ingespannen arbeid verrichten, meestal grootere hoofden
-aantreft dan bij hen, die bezigheden hebben welke minder inspanning van
-den geest vereischen, heeft een Parijzer geneesheer, Dr. Delaunay, de
-volgende statistische beschouwingen gemaakt, die uit een physiologisch
-oogpunt niet van belang zijn ontbloot. De hoofddeksels als maat
-nemende, heeft Dr. Delaunay bewezen, dat de bezoekers der
-polytechnische school en der hoogescholen te Parijs grootere hoofden
-hebben dan de kadetten van de militaire academie en de leerlingen van
-het seminarie van St. Sulpice. Deze laatsten hebben over ’t algemeen
-kleinere hoofden dan de overige bevolking van Parijs. De
-cilinderhoeden, die voornamelijk door de meest gegoede en beschaafde
-klasse worden gedragen, hebben steeds hoogere nummers dan de mutsen en
-petten, die voor den kleinen koopman en ambtenaar worden gemaakt. Bij
-de goedkoopste mutsen voor werklieden, bedienden enz. is de wijdte nog
-minder. In die wijken van Parijs waar veel handel wordt gedreven,
-zooals in den faubourg Montmartre, hebben de hoeden die in de
-magazijnen gereed liggen, meestal een wijdte (in omtrek) van 56 tot 58
-centimeter. In de wijk Mouffetard, een der minste achterbuurten van
-Parijs, bedraagt de wijdte over het algemeen slechts 52 à 53
-centimeter. In de wijk St. Sulpice, waar voor het meerendeel
-geestelijken, seminaristen, enz. wonen, en in den faubourg St. Germain
-treft men de kleinste hoeden; daarentegen gebruikt men de grootste
-hoeden (58 tot 60 centimeter) in die wijken waar zich de inrichtingen
-voor hooger en middelbaar onderwijs bevinden. Ook zijn, volgens de
-waarnemingen der doctoren Broca en Laccossagne, de hoofden der
-officieren grooter dan die van de minderen, hebben de geneesheeren
-grootere hoofden dan de ziekenoppassers enz. Geconstateerd wordt mede,
-dat bij boeren die zich in de stad komen vestigen, waar zij meer hun
-geest moeten inspannen, de omvang van het hoofd toeneemt.
-
-In Revue Scientifique, 21 Juillet 1889, wordt medegedeeld (naar
-waarnemingen op studenten te Cambridge), dat, hoewel over het algemeen
-de schedel na het 19de jaar niet grooter wordt, hij bij studeerenden
-nog op 25 jarigen leeftijd in afmetingen toeneemt. Ik kan uit eigen
-ervaring hierbij voegen, dat op 25-jarigen leeftijd een hoed, dien ik
-op 23-jarigen leeftijd had gedragen, mij veel te klein was geworden, en
-ik die twee jaren juist veel meer gestudeerd had dan vroeger.
-
-Wat de verschillen in de tanden bij onderscheidene menschenrassen
-aangaat, waarvan Darwin (blz. 69) gewag maakt, wenschen wij nog de
-aandacht te vestigen op de opmerkingen van E. Lambert („Bulletin de
-l’Acad. royale de Belgique”, 1877, T. XLIII, „Journ. de Zool.”, 1867,
-T. VI, blz. 252). Hij toonde aan, dat bij de zwarte rassen, vooral bij
-Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs en Nieuw-Caledoniërs, de hoektanden
-merkelijk grooter zijn dan bij de blanke en gele rassen, dat er een
-kleine tusschenruimte (diastema) om de spits daarvan op te nemen, is
-waar te nemen, dat de groote kiezen niet, als bij het blanke ras, vier,
-maar meestal vijf knobbels hebben enz., en dat over het algemeen bij
-hen ten opzichte van het tandstelsel een toenadering tot dat der
-anthropomorphe apen onmiskenbaar is.
-
-Het metopisme (het gescheiden blijven van het voorhoofdsbeen in twee
-helften door een naad, de sutura frontalis), dat door Darwin blz. 68
-wordt vermeld, wordt o.a. bij Papoeas veelvuldig waargenomen („The
-Academy”, 2 Juni 1878, blz. 560).
-
-(11) Ook Prof. Marsh heeft aangetoond („American Journal of Science and
-Arts”, 1874, vol. VIII, blz. 66, en „Revue Scientifique”, 6 Mars 1886),
-dat de zoogdieren der eocene periode over het algemeen bijzonder kleine
-hersenen hebben, de verwante soorten uit de miocene merkelijk grootere,
-die der pliocene periode nog grootere, de thans levende eindelijk
-wederom grootere. Naarmate men meer nadert tot den jongeren tijd, neemt
-de gemiddelde grootte der hersenen, vooral van de halfronden der groote
-hersenen, toe, de windingen worden ingewikkelder, en de kleine hersenen
-en lobi optici naar evenredigheid kleiner. De soorten met groote
-hersenafmetingen schijnen bovendien langer in stand te zijn gebleven
-dan die met kleine, en de eerst uitstervende in dit opzicht minder
-begunstigd dan de langer overblijvende, zoodat in den loop der
-palaeontologische ontwikkeling de nakomelingen steeds in verstandelijke
-ontwikkeling en grootte der hersenen het voorgeslacht overtroffen.
-
-(12) De hier bedoelde soorten zijn de mammouth (Elephas primigenius) en
-de neushoorn met beenig neusschot (Rhinoceros tichorhinus); van beide
-zijn verscheidene malen lijken die nog huid, haar en vleesch behouden
-hadden, in het poolijs van Siberië vastgevroren gevonden (het eerste
-mammouths-lijk in 1799 aan den mond der Lena). Uit die lijken bleek,
-dat de mammouth, evenals Darwin zegt, een wolpels bezat; de neushoorn
-bezat eenigszins stijve, doch niet borstelachtige haren (van 30–37
-millimeter lengte), maar volstrekt geen lange wolharen, zooals de
-mammouth („Mélanges biologiques tirés du Bullet. de l’Acad. de St.
-Pétersbourg”, t. VII, blz. 195).
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.
-
- Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den
- minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn
- aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot
- navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—
- Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren
- gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen,
- zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de
- werkzaamheid van geesten, bijgeloof.
-
-
-Wij hebben in de beide vorige hoofdstukken gezien, dat de mensch in het
-maaksel van zijn lichaam duidelijke bewijzen draagt van zijn afstamming
-van dezen of genen lageren vorm; maar men zou kunnen aanvoeren, dat er
-eenige dwaling in deze gevolgtrekking moet zijn, daar de mensch, wat
-zijn geestvermogens aangaat, zoozeer van alle dieren verschilt.
-Ongetwijfeld is in dit opzicht het verschil verbazend groot, zelfs als
-wij de vermogens van een der minst ontwikkelde wilden, die geen woord
-heeft om eenig getal, grooter dan vier uit te drukken, en geen
-afgetrokken uitdrukkingen heeft voor de meest gewone voorwerpen of
-aandoeningen [158], vergelijken met die van den hoogst georganiseerden
-aap. Het verschil zou ongetwijfeld nog verbazend groot blijven, zelfs
-wanneer een der hoogere apen evenzeer ontwikkeld of beschaafd was
-geworden, als een hond dat is geworden in vergelijking van zijn
-stamvorm, den wolf of den jakhals. De Vuurlanders behooren tot de
-laagste stammen van wilden; maar ik stond er onophoudelijk over
-verbaasd, hoezeer de drie tot dien stam behoorende menschen aan boord
-van Harer Majesteits stoomschip „Beagle” (1), die eenige jaren in
-Engeland hadden geleefd en een weinig Engelsch konden spreken, op ons
-geleken in aanleg en in de meesten hunner geestvermogens. Indien geen
-organisch wezen, behalve de mensch, eenige geestvermogens bezat, of als
-zijn vermogens van een geheel anderen aard waren dan die der lagere
-dieren, zouden wij nimmer in staat zijn geweest om ons te overtuigen,
-dat onze groote vermogens zich trapsgewijze hadden ontwikkeld. Maar het
-is duidelijk aan te toonen, dat dergelijk fundamenteel verschil niet
-bestaat. Wij moeten derhalve aannemen, dat er een veel grooter
-tusschenruimte in geestvermogens bestaat tusschen een der laagste
-visschen, zooals een lamprei of een slakprik (2), en een der hoogere
-aapsoorten, dan tusschen een aap en den mensch; deze verbazend groote
-tusschenruimte wordt echter ingenomen door tallooze tusschentrappen.
-
-Het verschil in zedelijken aanleg is ook ver van gering tusschen een
-barbaar, zooals de man, door den ouden zeevaarder Byron beschreven, die
-zijn kind tegen de rotsen verbrijzelde, omdat het een mand met zeeëgels
-had laten vallen, en een Howard of Clarkson; en evenzoo is er een groot
-verschil in verstandelijken aanleg tusschen een wilde die volstrekt
-geen afgetrokken uitdrukkingen kent, en een Newton of Shakespeare.
-Verschillen van deze soort tusschen de hoogst staande mannen van de
-meest ontwikkelde rassen en de laagste wilden worden door de fijnste
-overgangstrappen verbonden. Het is daarom mogelijk, dat zij in elkander
-kunnen overgaan en zich uit elkander ontwikkelen.
-
-In dit hoofdstuk is mijn doel alleen om aan te toonen, dat er ten
-opzichte van de geestvermogens tusschen den mensch en de hoogere
-zoogdieren geen fundamenteel verschil bestaat. Ik zou elke
-onderafdeeling van dit hoofdstuk tot een afzonderlijke verhandeling
-hebben kunnen uitbreiden, maar zij moeten hier kort worden behandeld.
-Daar geen klassificatie der geestvermogens algemeen is aangenomen, zal
-ik mijn opmerkingen rangschikken in de orde, welke het meest geschikt
-is voor mijn doel; en zal die feiten uitzoeken, die mij het meest
-hebben getroffen, in de hoop dat zij eenigen indruk op den lezer mogen
-maken.
-
-Wat die dieren aangaat, welke zeer laag op den ladder der wezens staan,
-zal ik nog eenige feiten hieraan toevoegen in de afdeeling over de
-seksueele teeltkeus, waaruit men zal zien dat hun geestvermogens hooger
-ontwikkeld zijn, dan men wellicht zou hebben verwacht. De
-verantwoordelijkheid van de vermogens bij de individu’s van eene en de
-zelfde soort is voor ons een belangrijk punt en eenige weinige
-voorbeelden daarvan zullen hier worden gegeven. Het zou echter
-overbodig zijn hierover in vele bijzonderheden te treden; want ik heb
-door veelvuldig onderzoek bevonden, dat het de eenparige meening is van
-al degenen die lang dieren van verschillende soorten, vogels daaronder
-begrepen, hebben verzorgd, dat de individu’s in elk verstandelijk
-kenmerk onderling zeer verschillen. Het onderzoek naar de wijze waarop
-de verstandelijke vermogens zich het eerst bij de laagste organismen
-ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong van
-het leven. Dit zijn vraagstukken voor de verste toekomst, als zij zelfs
-ooit door den mensch zullen kunnen worden opgelost.
-
-Daar de mensch de zelfde zinnen bezit als de lagere dieren, moeten ook
-de indrukken, die de buitenwereld op hem maakt, in den grond der zaak
-de zelfden zijn. De mensch heeft dan ook sommige instinkten met hen
-gemeen, zooals dat van het zelfbehoud, de geslachtsdrift, de liefde van
-de moeder voor haar pasgeboren kroost, het vermogen van dit laatste om
-te zuigen, enz. De mensch heeft echter wellicht nog wat minder
-instinkten dan die, welke worden bezeten door de dieren die in de reeks
-het naast bij hem staan. De orang-oetan in Insulinde en de chimpanzee
-in Afrika bouwen platte nesten, waarop zij slapen; en, daar beide
-soorten die zelfde gewoonte hebben, zou men kunnen aanvoeren, dat die
-aan het instinkt was verschuldigd, maar wij kunnen er niet zeker van
-zijn, dat zij niet een gevolg daarvan is, dat beide dieren
-gelijksoortige behoeften en een gelijksoortig denkvermogen bezitten.
-Wij mogen aannemen, dat deze apen de vele vergiftige vruchten van de
-tropische gewesten vermijden, en de mensch bezit een dergelijke kennis
-niet; maar daar onze huisdieren, als men ze naar vreemde landen
-overbrengt en zij in het voorjaar voor het eerst worden losgelaten,
-dikwijls vergiftige kruiden eten die zij naderhand vermijden, kunnen
-wij er niet zeker van zijn, dat de apen niet door hun eigen
-ondervinding of door die van hun verwanten leeren, welke vruchten zij
-moeten uitzoeken. Het is echter zeker, zooals wij in dit hoofdstuk
-zullen zien, dat apen een instinktmatige vrees voor slangen hebben, en
-waarschijnlijk ook voor andere gevaarlijke dieren.
-
-Wanneer men de hoogere dieren met de lagere vergelijkt, is het
-opmerkelijk, hoeveel geringer in aantal en hoeveel eenvoudiger de
-instinkten der eersten zijn. Cuvier beweerde [159], dat instinkt en
-verstand tot elkander in omgekeerde verhouding stonden; en sommigen
-hebben gedacht, dat de verstandelijke vermogens der hoogere dieren zich
-langzamerhand uit hun instinkten hebben ontwikkeld. Pouchet heeft
-echter in een belangwekkende verhandeling aangetoond, dat een
-dergelijke omgekeerde verhouding in werkelijkheid niet bestaat. Die
-insektensoorten welke de verwonderlijkste instinkten bezitten, zijn ook
-ongetwijfeld de meest verstandige. In de reeks der gewervelde dieren
-bezitten de minst verstandige leden, namelijk de visschen en
-amphibieën, geen ingewikkelde instinkten; en onder de zoogdieren is dat
-dier hetwelk het opmerkelijkst is wegens zijn instinkt, namelijk de
-bever, ook zeer verstandig, zooals niemand zal ontkennen, die de
-uitnemende verhandeling van den heer Morgan over dit dier heeft
-gelezen. [160]
-
-Hoewel de eerste schemeringen van het verstand, volgens den heer
-Herbert Spencer [161], ontwikkeld zijn geworden door de
-vermenigvuldiging en coördinatie van reflex-handelingen, en hoewel
-velen der eenvoudige instinkten trapsgewijze in dergelijke handelingen
-overgaan en nauwelijks van hen zijn te onderscheiden, zooals b.v. bij
-het zuigen van jonge dieren, schijnen toch de meer samengestelde
-instinkten oorspronkelijk onafhankelijk van het verstand te zijn
-ontstaan. Ik ben echter verre verwijderd van te willen ontkennen, dat
-instinktmatige handelingen hun vast en niet-aangeleerd karakter kunnen
-verliezen, en door andere worden vervangen, die met behulp van den
-vrijen wil worden volbracht. Van den anderen kant gaan sommige
-verstandige handelingen—zooals wanneer vogels op oceanische eilanden
-voor het eerst den mensch leeren vermijden—na gedurende vele generaties
-te zijn volbracht, in instinkten over en worden erfelijk. Men kan dan
-zeggen, dat zij in innerlijke waarde zijn achteruitgegaan; want zij
-worden niet langer volbracht uit redeneering of uit ondervinding. Het
-grootste aantal der meer samengestelde instinkten schijnt echter op
-geheel verschillende wijze te zijn verkregen, namelijk doordat de
-natuur verscheidenheden met eenvoudiger instinktmatige handelingen voor
-de voortplanting uitkoos. Dergelijke verscheidenheden schijnen te zijn
-ontstaan door inwerking op de organisatie der hersenen van de zelfde
-onbekende oorzaken die geringe verscheidenheden of individueele
-verschillen in andere deelen van het lichaam voortbrengen, en onze
-onwetendheid geeft dikwijls aanleiding om te zeggen, dat deze
-verscheidenheden van zelf zijn ontstaan. Wij kunnen, dunkt mij, tot
-geen ander besluit komen ten opzichte van den oorsprong van de meer
-samengestelde instinkten, als wij denken aan de verwonderlijke
-instinkten van onvruchtbare werkmieren en werkbijen, die geen kroost
-nalaten dat de uitwerkselen van ondervinding en gewijzigde gewoonten
-van hen kan erven.
-
-Hoewel voorzeker een hooge graad van verstand vereenigbaar is met het
-bestaan van ingewikkelde instinkten, zooals wij zien bij de daareven
-genoemde insekten en bij den bever, is het echter niet
-onwaarschijnlijk, dat zij tot op zekere hoogte elkanders ontwikkeling
-belemmeren. Er is nog weinig bekend van de functies der hersenen, maar
-wij kunnen nagaan, dat, als de verstandelijke vermogens zeer worden
-ontwikkeld, de verschillende deelen der hersenen ook door de meest
-ingewikkelde gemeenschapswegen moeten zijn verbonden; en ten gevolge
-daarvan zou elk afzonderlijk deel wellicht allengs minder goed geschikt
-worden om op een bepaalde, steeds gelijke, dat wil zeggen
-instinktmatige wijze te antwoorden op bijzondere gewaarwordingen en
-vereenigingen van indrukken.
-
-Ik heb gedacht, dat het de moeite waard was mij deze uitweiding te
-veroorloven, omdat wij de geestvermogens van de hoogere dieren en
-vooral van den mensch licht te gering zouden schatten, als wij hun
-handelingen, gegrond op de herinnering aan vroegere gebeurtenissen, op
-voorzorg, rede en verbeeldingskracht, vergelijken met volkomen
-gelijksoortige handelingen, die door de lagere dieren instinktmatig
-worden volbracht; in dit laatste geval is de geschiktheid om dergelijke
-handelingen te volbrengen stap voor stap verkregen door de
-variabiliteit der centrale deelen van het zenuwstelsel en door de
-natuurlijke teeltkeus, zonder eenige zelfbewuste verstandsinspanning
-van de zijde van het dier gedurende elke opeenvolgende generatie.
-Ongetwijfeld is, zooals de heer Wallace heeft aangetoond [162], veel
-van den door den mensch verrichten verstandelijken arbeid op nabootsing
-en niet op rede gegrond; maar er bestaat dit groote verschil tusschen
-zijn handelingen en velen van die, welke door de lagere dieren worden
-volbracht, dat de mensch, als hij het voor het eerst beproeft,
-bijvoorbeeld geen vuursteenwerktuig of kano kan vervaardigen door zijn
-vermogen van nabootsing. Hij moet zijn werk door de praktijk leeren;
-een bever daarentegen kan zijn beek of zijn vijver, en een vogel zijn
-nest, als hij het voor het eerst beproeft, even goed of bijna even goed
-maken, als wanneer hij oud is en ondervinding heeft opgedaan. (3)
-
-Om tot ons eigenlijk onderwerp terug te komen: de lagere dieren
-gevoelen ongetwijfeld, evenals de mensch, genoegen en verdriet, geluk
-en ongeluk. Geluk wordt nooit beter getoond dan door jonge dieren,
-zooals hondjes, katjes, lammeren enz, als zij met elkander spelen,
-evenals onze eigen kinderen. Zelfs insekten spelen met elkander, zooals
-is beschreven door P. Huber [163], dien uitnemenden waarnemer, die zag
-hoe mieren elkander naliepen en zich hielden alsof zij elkander wilden
-bijten, evenals of het jonge hondjes waren.
-
-Het feit, dat de lagere dieren door de zelfde gemoedsaandoeningen
-worden aangedaan als wij, is zoo goed bewezen, dat het onnoodig zal
-zijn den lezer met vele bijzonderheden te vermoeien. Schrik werkt op
-hen op de zelfde wijze als op ons, doet hun spieren beven, hun hart
-kloppen, hun sluitspieren verslappen, hun haren te berge rijzen.
-Achterdocht, die dochter der vrees, is bijzonder kenmerkend voor vele
-wilde dieren. Het is, dunkt mij, onmogelijk om de mededeelingen van Sir
-E. Tennent omtrent het gedrag van vrouwelijke tamme olifanten die
-worden gebruikt om wilde mannelijke te lokken, te lezen, zonder te
-worden overtuigd, dat zij met voordacht bedrog plegen en wel weten wat
-zij doen. Moed en vreesachtigheid zijn hoedanigheden, die bij de
-individu’s van eene en de zelfde soort zeer verschillen, zooals
-duidelijk is te zien bij onze honden. Sommige honden en paarden hebben
-een slechte inborst en worden gemakkelijk kwaadaardig; anderen hebben
-een goede inborst; en deze hoedanigheden zijn ongetwijfeld erfelijk.
-Iedereen weet, hoe vatbaar dieren zijn voor woedenden toorn en hoe
-duidelijk zij dit toonen. Vele waarschijnlijk ware anekdoten zijn
-bekend omtrent lang uitgestelde en slim overlegde wraak van
-verschillende dieren. De nauwkeurige Rengger en Brehm [164] getuigen,
-dat de tamme Amerikaansche en Afrikaansche apen die zij bezaten, zich
-steeds poogden te wreken. Sir Andrew Smith, een dierkundige wiens
-strenge nauwgezetheid aan vele personen bekend is, verhaalde mij de
-volgende geschiedenis, waarvan hij zelf ooggetuige was. Aan de Kaap de
-Goede Hoop had een officier dikwijls zekeren baviaan geplaagd. Toen op
-zekeren Zondag het dier hem, voor de parade gekleed, zag aankomen,
-wierp het water in een holte in den grond, maakte snel wat dikken
-modder en wierp dien behendig over den officier, toen deze voorbijging,
-tot groot vermaak van vele omstanders. Nog lang daarna verheugde zich
-de baviaan en keek zegepralend als hij zijn slachtoffer zag.
-
-De liefde van den hond voor zijn meester is bekend, gelijk een oud
-schrijver aardig zegt [165]: „Een hond is het eenige ding op deze aarde
-dat meer van u houdt dan van zich zelf.” Er bestaan voorbeelden, dat
-een hond in zijn doodsstrijd nog zijn meester liefkoosde, en iedereen
-heeft hooren spreken van dien hond, die, terwijl men een vivisectie op
-hem deed, niettegenstaande zijn lijden, de hand van den operateur
-likte; als deze man geen hart van steen heeft bezeten, moet hij tot aan
-zijn dood berouw hebben gevoeld. „Wie kan”, zooals Whewell [166] heeft
-opgemerkt, „als hij de treffende voorbeelden van moederlijke liefde
-leest, zoo dikwijls van vrouwen van alle natiën en van de wijfjes van
-alle dieren verhaald, betwijfelen dat het beginsel der handeling in
-beide gevallen het zelfde is?”
-
-Wij zien die moederlijke liefde tot in de nietigste kleinigheden
-uitblinken; zoo nam Rengger een Amerikaanschen aap (een Cebus soort)
-waar, die zorgvuldig de vliegen wegjoeg, die haar jong plaagden; en
-Duvaucel zag een soort van het geslacht Hylobates de aangezichten van
-haar jongen in een rivier wasschen. Zoo innig is de smart van
-wijfjesapen over het verlies harer jongen, dat zij steeds den dood
-veroorzaakte van sommige soorten die Brehm in N.-Afrika in gevangen
-staat bezat. Jonge apen die hun ouders hebben verloren, worden altijd
-geadopteerd en zorgvuldig beschermd door de andere apen, mannetjes zoo
-goed als wijfjes. Zekere wijfjesbaviaan had zulk een ruim hart, dat zij
-niet alleen jonge apen van andere soorten adopteerde, maar zelfs jonge
-honden en katten stal, die zij voortdurend bij zich droeg. Haar
-vriendelijkheid ging echter niet zoover, dat zij haar voedsel met haar
-aangenomen kroost deelde, waarover Brehm verwonderd was, daar zijn apen
-met hun eigen jongen alles altijd heel eerlijk deelden. Een der
-geadopteerde katjes krabde eens den bovenvermelden liefderijken
-baviaan, die zeker bijzonder verstandig was, want hij was zeer verbaasd
-te worden gekrabd, onderzocht dadelijk de pooten van het katje, en beet
-er zonder zich verder te beklagen de nagels af. In den Londenschen
-dierentuin hoorde ik van een oppasser, dat een oude wijfjesbaviaan (C.
-chacma) een Rhesus-aap had geadopteerd; maar toen men een jongen dril
-en jongen mandril (4) in de zelfde kooi plaatste, scheen zij te
-begrijpen, dat deze apen, hoewel van een andere soort als zij, haar
-toch nader verwant waren; want opeens verstiet zij den jongen Rhesus en
-adopteerde den dril en mandril. Ik zag, dat de jonge Rhesus over deze
-verstooting zeer ontevreden was, en hij beproefde om, even als een
-stout kind, den jongen dril en mandril te plagen en aan te vallen,
-zoodra hij dit zonder gevaar doen kon, welk gedrag de verontwaardiging
-van den ouden baviaan opwekte. Apen verdedigen volgens Brehm ook hun
-meester, als deze door iemand wordt aangevallen, even goed als honden
-waaraan zij gehecht zijn, tegen de aanvallen van andere honden. Maar
-hier zouden wij vervallen tot het bespreken van het medegevoel, op welk
-onderwerp ik zal terugkomen. Sommigen van Brehm’s apen hadden er veel
-vermaak in om een ouden hond waarvan zij een afkeer hadden, en ook wel
-andere dieren, op verschillende slim bedachte wijzen te plagen.
-
-De meeste meer samengestelde gemoedsaandoeningen zijn aan de hoogere
-dieren en aan ons zelven gemeen. Iedereen heeft wel eens gezien, hoe
-naijverig een hond op de genegenheid van zijn meester is, als deze
-eenig ander wezen liefkoost; en ik heb het zelfde feit bij apen
-waargenomen. Dit toont, dat dieren niet slechts vatbaar zijn voor
-liefde, maar ook voor de begeerte om te worden bemind. De dieren
-gevoelen blijkbaar naijver. Zij worden gaarne geprezen, zijn gevoelig
-voor goedkeuring; en een hond, die voor zijn meester een mandje draagt,
-geeft blijken van in hooge mate met zich zelf tevreden en trotsch te
-zijn op hetgeen hij doet. Het kan, dunkt mij, aan geen twijfel
-onderhevig zijn, dat een hond schaamte gevoelt, afgescheiden van vrees,
-en ook iets dat zeer op bedeesdheid gelijkt, als hij te dikwijls om
-voedsel bedelt. Een groote hond veracht het brommen van een kleinen
-hond, en dit kan grootmoedigheid worden genoemd. Verscheidene
-waarnemers hebben getuigd, dat apen ongetwijfeld ongaarne worden
-uitgelachen; en soms vinden zij denkbeeldige beleedigingen uit. In den
-Londenschen dierentuin zag ik een baviaan, die altijd in woedenden
-toorn geraakte, als zijn oppasser een brief of een boek opnam en hem
-daaruit hardop voorlas; en die toorn was zoo hevig, dat hij, zooals ik
-bij een enkele gelegenheid waarnam, in zijn eigen achterpoot beet,
-totdat het bloed vloeide. Honden vertoonen iets, dat gerust gevoel voor
-scherts mag worden genoemd en van eenvoudig spelen verschilt. Indien
-men een stukje hout of ander dergelijk voorwerp aan een hond toewerpt,
-zal hij het dikwijls een klein eindje wegdragen, het daarna op den
-grond in zijn onmiddellijke nabijheid neerleggen, gaan zitten en
-wachten tot zijn meester vlak bij hem is. Daarop zal de hond het weer
-pakken, in triomf wegloopen en de zelfde handeling later herhalen, en
-blijkbaar vermaak scheppen in zijn eigen schalkschheid.
-
-Wij zullen nu overgaan tot de meer verstandelijke gemoedsaandoeningen
-en vermogens, die zeer belangrijk zijn, daar zij den grondslag vormen
-voor de ontwikkeling der hoogere geestvermogens. Dieren worden gaarne
-aangespoord en lijden aan verveling, zooals men kan zien aan honden, en
-volgens Rengger aan apen. Alle dieren gevoelen verwondering, en vele
-toonen nieuwsgierigheid. Zij hebben soms nadeel van deze laatste
-hoedanigheid, zooals wanneer de jager grappen maakt en ze zoo lokt; ik
-heb dit gezien met hinden en het is ook het geval met de zoo
-voorzichtige gems en met sommige soorten van wilde eenden. Brehm geeft
-een merkwaardig verhaal van de instinktmatige vrees die zijn apen voor
-slangen vertoonden; maar hun nieuwsgierigheid was zoo groot, dat zij
-niet na konden laten tusschenbeide hun afschuw op zeer menschelijke
-wijze te toonen, door het deksel van de kist op te lichten, waarin zich
-de slangen bevonden. Ik was van dit verhaal zoo verbaasd, dat ik een
-opgezette slang in het apenhuis in den Londenschen dierentuin liet
-brengen, en de daardoor veroorzaakte opschudding was een van de
-merkwaardigste tooneelen die ik ooit zag. Drie soorten van
-Cercopithecus waren het meest verschrikt; zij sprongen in hun kooien
-rond onder het slaken van doordringende kreten om voor het gevaar te
-waarschuwen, en deze werden door de andere apen verstaan. Enkele jonge
-apen en een oude Anubis baviaan waren de eenigen die geen acht sloegen
-op de slang. Toen plaatste ik het opgezette voorwerp op den grond in
-een der grootere hokken. Na korten tijd schaarden alle apen er zich
-kringsgewijze om heên en staarden het ingespannen en uitvorschend aan,
-hetgeen een allergrappigste vertooning vormde. Zij werden buitengewoon
-zenuwachtig, zoodat zij, als een houten bal, waarmede zij gewoon waren
-te spelen, toevallig werd bewogen in het stroo, waardoor hij
-gedeeltelijk was bedekt, allen dadelijk wegsprongen. Deze apen
-gedroegen zich geheel anders, als een doode visch, een muis en eenige
-andere nieuwe voorwerpen in hun kooien werden geplaatst: want, hoewel
-eerst ook verschrikt, kwamen zij er in dit laatste geval weldra dichter
-bij, grepen ze met de handen aan en bekeken ze. Daarop plaatste ik een
-levende slang in een papieren zak, die van boven losjes weg was
-dichtgemaakt, in één der grootere hokken. Dadelijk naderde één der
-apen, opende den zak zeer voorzichtig een weinig, gluurde er even in en
-sprong dadelijk weg. Toen zag ik met eigen oogen hetgeen Brehm heeft
-beschreven; want de eene aap voor en de andere na konden de begeerte
-niet weêrstaan om, het hoofd omhoog houdende en naar den eenen kant
-wendende, even in den rechtopstaanden zak te gluren naar het
-vreeselijke voorwerp dat rustig op den bodem daarvan lag. Het heeft er
-zelfs iets van, alsof apen eenig begrip hebben van zoölogische
-verwantschap; want die welke Brehm bezat, vertoonden een vreemden,
-ofschoon misplaatst en, instinktmatigen afkeer van onschuldige
-hagedissen en kikvorschen. Er is ook een voorbeeld bekend van een
-orang, die zeer verschrikt was toen hij voor het eerst een schildpad
-zag. [167]
-
-Het beginsel van nabootsing is bij den mensch en vooral, gelijk ik zelf
-heb opgemerkt, bij den mensch in wilden staat, sterk ontwikkeld. Bij
-zekere ziekelijke toestanden van de hersenen neemt deze neiging in
-buitengewone mate toe; sommige lijders aan hemiplegie en anderen
-bootsen bij het begin van de ontstekingachtige hersenverweeking
-onbewust elk woord na, dat, hetzij in hun eigen, hetzij in een vreemde
-taal wordt gesproken, en elk gebaar of elke handeling die in hun
-nabijheid wordt gemaakt of gedaan. Desor [168] heeft opgemerkt, dat
-geen dier willekeurig uit zich zelf een door den mensch volbrachte
-handeling nabootst, totdat wij in de opklimmende reeks aan de apen
-komen, die, zooals zeer bekend is, belachelijke nabootsers zijn.
-Somtijds bootsen echter dieren elkanders handelingen na: zoo leerden
-twee soorten van wolven, die door honden waren opgevoed, blaffen,
-evenals ook de jakhals dit wel eens leert [169], maar of dit een
-willekeurige nabootsing kan worden genoemd, is een andere vraag. Vogels
-bootsen den zang van hun verwanten en somtijds die van andere vogels
-na; en papegaaien bootsen, zooals bekend is, alle tonen na, die zij
-dikwijls hooren. Dureau de la Malle verhaalt van een hond, die door een
-kat was grootgebracht [170], die de welbekende kattengewoonte nabootste
-om de pooten te likken en daarmede ooren en gelaat te wasschen; dit
-werd ook waargenomen door den beroemden natuuronderzoeker Audouin. Ik
-heb verschillende bevestigingen hiervan ontvangen; in een daarvan was
-een hond niet door een kat gezoogd, maar was er door een grootgebracht,
-gezamenlijk met haar eigen jongen, en had daardoor bovengenoemde
-gewoonte aangenomen, die hij later gedurende de dertien jaar dat hij
-leefde, voortdurend bleef in praktijk brengen. Dureau de la Malle’s
-hond leerde ook van de katjes met een bal spelen, door dien met zijn
-voorpooten voort te rollen en er op te springen. Een mijner
-correspondenten verzekert mij, dat een kat te zijnen huize de gewoonte
-had om haar pooten te steken in melkkannen, waarvan de opening te nauw
-was om haar kop door te laten. Een jong van deze kat leerde spoedig het
-zelfde kunstje en bracht het later altijd in praktijk, zoo dikwijls het
-er gelegenheid toe vond.
-
-Men kan zeggen, dat bij vele dieren de ouders, vertrouwende op het
-beginsel van nabootsing, en meer bijzonder op instinktmatige en
-overgeërfde eigenschappen hunner jongen, deze opvoeden. Wij zien dit
-als een kat haar jongen een levende muis brengt; en Dureau de la Malle
-deelt in de bovenaan gehaalde verhandeling zijn merkwaardige
-waarnemingen mede omtrent valken, die hun jongen behendigheid en het
-beoordeelen van afstanden leerden, door eerst doode muizen en musschen
-door de lucht te laten vallen, in het vangen waarvan de jongen over het
-algemeen niet slaagden, en hun daarna levende vogels te brengen en die
-los te laten.
-
-Nauwelijks eenig vermogen is belangrijker voor de verstandelijke
-ontwikkeling van den mensch dan dat van de oplettendheid. Dieren toonen
-blijkbaar dat vermogen te bezitten, een kat bijvoorbeeld als zij bij
-een muizengat op de loer ligt, en zich gereed houdt om haar prooi te
-bespringen. Wilde dieren zijn somtijds in dergelijke gevallen zoozeer
-in hun gedachten verdiept, dat men ze dan gemakkelijk kan naderen. De
-heer Bartlett gaf mij een merkwaardig bewijs hoe verschillend deze
-eigenschap bij apen is. Een man, die apen opleidde voor een apenspel,
-was gewoon de gewone soorten van de Zoölogische Vereeniging te koopen
-voor den prijs van vijf pond sterling per stuk; maar hij bood aan den
-dubbelen prijs te geven, als hij vier of vijf apen een dag of wat bij
-zich mocht houden, en er daarna een uitkiezen. Toen men hem vraagde,
-hoe het mogelijk was, dat hij zoo spoedig kon te weten komen, of de
-eene of andere aap een goeden aanleg voor het tooneel had, antwoordde
-hij, dat alles afhing van hun vermogen van oplettendheid. Indien,
-wanneer hij een aap iets zeide en verklaarde, de oplettendheid van het
-dier gemakkelijk werd afgetrokken, bijvoorbeeld door een vlieg op den
-muur of eenige andere nietigheid, dan was het geval hopeloos. Indien
-hij trachtte een onoplettenden aap door bestraffing voor het tooneel af
-te richten, dan werd het dier kwaadaardig. Een aap daarentegen die
-zorgvuldig oplette, als hij tegen hem sprak, kon altijd worden
-afgericht.
-
-Het is bijna overbodig om uiteen te zetten, dat dieren een uitnemend
-geheugen voor personen en plaatsen hebben. Sir Andrew Smith heeft mij
-medegedeeld, dat een baviaan hem aan de Kaap de Goede Hoop met vreugde
-herkende na een afwezigheid van negen maanden. Ik had een hond, die
-kwaadaardig was en een afkeer van alle vreemdelingen had, en beproefde
-met voordacht zijn geheugen na een afwezigheid van vijf jaren en twee
-dagen. Ik ging naar den stal, waarin hij zich bevond en riep hem op
-mijn oude manier: hij vertoonde geen vreugde, maar volgde mij dadelijk
-op mijn wandeling en gehoorzaamde mij, evenals of ik eerst een half uur
-te voren van hem was weggegaan. Een aaneenschakeling van gedachten, die
-vijf jaar lang had geslapen, was dus oogenblikkelijk weder in zijn
-geest ontwaakt. P. Huber [171] heeft duidelijk aangetoond, dat zelfs
-mieren andere mieren van het zelfde nest na een scheiding van vier
-maanden herkennen. Dieren kunnen ongetwijfeld op de eene of andere
-wijze de tijdsruimten beoordeelen, die tusschen periodiek terugkeerende
-gebeurtenissen verloopen. (5)
-
-De verbeeldingskracht is een der grootste voorrechten van den mensch.
-Door dit vermogen verbindt hij, onafhankelijk van zijn wil, vroegere
-beelden en ideeën en schept daardoor schitterende en nieuwe uitkomsten.
-„Een dichter”, zooals Jean Paul Richter opmerkt [172], „die er over
-moet nadenken, of hij een zijner personen ja of neen zal laten
-zeggen—moet naar den duivel loopen, hij is slechts een dom lijk.” Het
-droomen geeft ons het beste denkbeeld van dit vermogen; zooals Jean
-Paul op een andere plaats zegt: „Droomen is een onwillekeurige
-dichterlijke handeling.” De waarde van de voortbrengselen onzer
-verbeeldingskracht hangt natuurlijk af van het aantal, de
-nauwkeurigheid en de helderheid onzer indrukken, van ons oordeel en
-onzen smaak in het uitkiezen en verwerpen van onwillekeurige
-gedachtenverbindingen, en tot op zekere hoogte van ons vermogen om ze
-willekeurig te verbinden. Daar honden, katten, paarden en
-waarschijnlijk al de hoogere dieren, zelfs vogels, naar door bevoegde
-autoriteiten wordt getuigd [173], levendige droomen hebben, en dit
-blijkt uit hun bewegingen en de kreten die zij slaken, moeten wij
-hieruit opmaken, dat zij eenige verbeeldingskracht bezitten. Er moet
-een bijzondere oorzaak zijn, waarom honden ’s nachts huilen, en vooral
-bij maneschijn op die bijzondere en zwaarmoedige manier, die men janken
-noemt. Alle honden doen dit niet; en volgens Houzeau [174] kijken zij
-dan niet naar de maan, maar naar een of ander vast punt nabij den
-horizon. Houzeau denkt, dat hun verbeeldingskracht op een dwaalspoor
-wordt gebracht door de onbestemde omtrekken der omringende voorwerpen,
-en dat deze fantastische beelden voor hun geest doen verrijzen; indien
-dit zoo is, kan men hun gevoelens bijna bijgeloof noemen.
-
-Van alle vermogens van den menschelijken geest zal men, naar ik
-onderstel, wel aannemen, dat de rede het hoogste staat. Bijna niemand
-betwijfelt meer, dat de dieren eenigszins het vermogen bezitten om te
-redeneeren. Men kan voortdurend dieren zien aarzelen, bij zich zelven
-overleggen en een besluit nemen. Het is een veelbeteekenend feit, dat,
-hoe meer de gewoonten van het eene of andere bijzondere dier door een
-natuuronderzoeker worden bestudeerd, hoe meer hij toeschrijft aan
-redeneering, en hoe minder aan aangeboren instinkten. [175] In volgende
-hoofdstukken zullen wij zien, dat sommige dieren, die uiterst laag op
-de ladder staan, een zekere hoeveelheid rede schijnen te vertoonen.
-Ongetwijfeld is het dikwijls moeilijk om de uitwerkselen der rede en
-die van het instinkt van elkander te onderscheiden. Zoo merkt Dr. Hayes
-in zijn werk over „de open Poolzee” herhaaldelijk op, dat zijn honden,
-als zij aan dun ijs kwamen, in plaats van voort te gaan met de sleden
-in dichten drom voort te trekken, uiteengingen en zich van elkander
-verwijderden, opdat hun gewicht meer gelijkelijk zou worden verdeeld.
-Dit was dikwijls de eerste waarschuwing en het eerste teeken waaraan de
-reizigers bemerkten, dat het ijs dun en gevaarlijk werd. Deden de
-honden dit nu uithoofde van de ondervinding van elk individu of op het
-voorbeeld van oudere en wijzere honden, of uit een overgeërfde
-gewoonte, dat wil zeggen uit instinkt? Dit instinkt zou wellicht kunnen
-zijn ontstaan sedert den reeds lang geleden tijd, dat de inboorlingen
-voor het eerst honden gebruikten om hun sleden voort te trekken; of
-wellicht hebben de poolwolven, de stamvorm van de honden der Eskimo’s,
-dit instinkt gekregen, dat hen aandreef hun prooi op dun ijs niet in
-een dichten drom aan te vallen.
-
-Wij kunnen alleen uit de omstandigheden waaronder handelingen worden
-volvoerd, besluiten of zij door instinkt, door rede of eenvoudig door
-associatie van denkbeelden worden verricht; dit laatste beginsel staat
-echter in innig verband met rede. Prof. Möbius [176] deelt een
-merkwaardig geval mede van een snoek, die door een glasplaat was
-gescheiden van een met visschen gevuld aquarium, en die, trachtende de
-andere visschen te vangen, zich dikwerf met zooveel kracht tegen het
-glas aanwierp, dat hij somtijds volkomen bedwelmd werd. De snoek ging
-daarmede drie maanden lang voort, maar leerde ten laatste voorzichtig
-te zijn en hield er mede op. De glasplaat werd daarop weggenomen, maar
-de snoek viel deze bijzondere visschen niet aan, hoewel hij wel andere
-verslond, die er later werden ingebracht; zoo sterk was het denkbeeld
-van een hevigen schok in zijn zwakken geest geassocieerd met een aanval
-op zijn vroegere buurlieden. Indien een wilde die nooit een groote
-spiegelruit had gezien, er zich eens tegen stootte, zou hij langen tijd
-daarna het denkbeeld van een schok associeeren met dat van een
-spiegelruit; maar zeer verschillend van den snoek, zou hij
-waarschijnlijk nadenken over den aard van het beletsel en onder
-dergelijke omstandigheden voorzichtig zijn. Nu is bij apen, gelijk wij
-thans zullen zien, een pijnlijke of ook eenvoudig onaangename indruk
-van een eens volbrachte handeling dikwijls voldoende om te maken, dat
-het dier die handeling niet andermaal volbrengt. Indien wij het
-verschil tusschen den aap en den snoek alleen daaraan toeschrijven, dat
-de associatie van denkbeelden bij den een zooveel sterker en blijvender
-is dan bij den ander, hoewel de snoek dikwijls veel erger letsel
-bekwam, kunnen wij dan in het geval van den mensch volhouden, dat een
-dergelijk verschil het bezit van een fundamenteel verschillenden geest
-bewijst?
-
-Houzeau [177] verhaalt, dat, terwijl hij een uitgestrekte en dorre
-vlakte in Texas overtrok, zijn beide honden erg aan dorst leden, en dat
-zij tusschen de dertig en veertig malen naar lagere plekken renden om
-water te zoeken. Deze lagere plekken waren geen valleien, en er stonden
-geen boomen op, noch eenige andere verschillende plantengroei, en daar
-zij volkomen droog waren, kan het er ook niet naar vochtige aarde
-hebben geroken. De honden gedroegen zich, alsof zij wisten, dat een
-laagte in den grond hun de beste kans aanbood, om water te vinden, en
-Houzeau heeft dikwijls opgemerkt, dat ook andere dieren zich op de
-zelfde wijze gedroegen.
-
-Ik, en ik durf zeggen ook anderen, hebben gezien, dat als een klein
-voorwerp op den grond wordt geworpen buiten het bereik van een der
-olifanten in den Londenschen dierentuin, hij door zijn snuit blaast op
-den grond voorbij dat voorwerp, zoodat de naar alle zijden
-teruggekaatste luchtstroom het voorwerp binnen zijn bereikt drijft. Een
-welbekend ethnoloog, de heer Westrop, meldt mij, dat hij te Weenen een
-beer waarnam, die met voordacht met zijn klauw een stroom veroorzaakte
-in eenig water, dat dicht bij de tralies van zijn hok was, om een stuk
-brood, dat er in dreef, binnen zijn bereik te brengen. Deze handelingen
-van den olifant en beer kunnen moeilijk aan instinkt of overgeërfde
-gewoonte worden toegeschreven, daar zij een dier in den natuurstaat van
-weinig nut zouden zijn. Wat is nu het verschil tusschen dergelijke
-handelingen, als zij door een onbeschaafd mensch, en als zij door een
-der hoogere dieren worden verricht?
-
-De wilde en de hond hebben water gevonden op een laag peil, en deze
-beide zaken zijn in hun geest geassocieerd geworden. Een beschaafd
-mensch zou daaruit wellicht daarover de eene of andere algemeene
-gevolgtrekking afleiden; maar al wat wij van wilden weten, maakt het
-uiterst twijfelachtig of deze zulks zouden doen, en een hond zou het
-stellig niet doen. Maar een wilde, zoowel als een hond, zoude op de
-zelfde wijze water zoeken, al werden zij dikwijls teleurgesteld; en bij
-beiden schijnt dit gelijkelijk een redelijke handeling te zijn, hetzij
-eenige algemeene gevolgtrekking omtrent het verband tusschen beide
-feiten al dan niet bewust in hun geest bestond. [178] Het zelfde zou
-van toepassing zijn op den olifant en den beer, die stroomen
-veroorzaken in de lucht of het water. De wilde zou zeker noch weten,
-noch er belang in stellen te weten, door welke wet de gewenschte
-bewegingen tot stand kwamen; toch zou deze handeling worden geleid door
-een ruw proces van redeneeren, even zeker als een wijsgeer in zijn
-langste keten van syllogismen. Er zou ongetwijfeld dit verschil zijn
-tusschen hem en een van de hoogere dieren, dat hij op veel geringer
-omstandigheden en voorwaarden zou letten, en elk verband tusschen deze
-na veel minder ervaring zou opmerken, en dit zou van het grootste
-belang zijn. Ik hield een dagboek van de handelingen van een mijner
-kinderen, en toen het omstreeks elf maanden oud was, en vóór het een
-enkel woord kon spreken, werd ik voortdurend getroffen door de grootere
-snelheid, waarmede allerlei voorwerpen en geluiden in zijn geest met
-elkander werden geassocieerd, in vergelijking van die van de
-verstandigste honden die ik ooit heb gekend. Maar de hoogere dieren
-verschillen op volkomen de zelfde wijze in dit vermogen van associatie,
-zoowel als in dat van gevolgtrekkingen te maken en waarnemingen te
-doen, van die welke laag op de ladder staan, gelijk de snoek.
-
-De besluiten der rede, na zeer korte ervaring, worden goed aangetoond
-door de volgende handelingen van Amerikaansche apen, die in hun orde
-een lage plaats innemen. Rengger, een zeer zorgvuldig waarnemer,
-verhaalt, dat zijn apen, toen hij hun voor de eerste maal eieren gaf,
-die stuk wierpen en daardoor veel van den inhoud verloren; later
-sloegen zij ze voorzichtig met het eene einde tegen het eene of andere
-harde lichaam, en pelden de stukken van de schaal met hun vingers af.
-Na zich slechts eens met een scherp werktuig te hebben gesneden,
-raakten zij het nooit meer aan zonder het met de grootste
-voorzichtigheid te behandelen. Dikwijls werden hun klontjes suiker, in
-papier gewikkeld, gegeven; en soms deed Rengger een levende wesp in het
-papier, zoodat zij, als zij het haastig openmaakten, werden gestoken;
-nadat dit eens was gebeurd, hielden zij het papier altijd eerst aan het
-oor, om te hooren, of er eenige beweging in was. Iemand die door feiten
-als deze en door hetgeen hij bij zijn eigen honden kan waarnemen, niet
-wordt overtuigd dat dieren kunnen redeneeren, zou door niets dat ik er
-nog bij zou kunnen voegen, worden overtuigd.
-
-De volgende gevallen hebben op honden betrekking. De heer Colquhoun
-[179] kwetste twee wilde eenden aan den vleugel, en zij vielen aan de
-overzijde van een beek; zijn jachthond beproefde ze beide tegelijk
-daarover te brengen, maar kon dit niet gedaan krijgen; daarop doodde
-hij de eene, hoewel hij vroeger nooit een veêrtje van het wild had
-beschadigd, bracht de andere over en keerde terug om den dooden vogel
-te halen. Kol. Hutchinson verhaalt, dat hij eens twee patrijzen
-tegelijk schoot, de eene was gedood, de andere slechts gekwetst; deze
-laatste liep weg en werd door den jachthond gepakt, die bij zijn
-terugkeeren den dooden vogel vond liggen; „hij bleef klaarblijkelijk
-zeer in verlegenheid staan, en toen hij, na het eens of tweemaal te
-hebben beproefd, bemerkte, dat hij hem niet op kon nemen zonder den
-gekwetsten vogel te laten ontsnappen, bedacht hij zich een oogenblik,
-doodde toen dezen laatsten koelbloedig door een fikschen beet en
-apporteerde daarna beide tegelijk. Dit was het eenige bekende
-voorbeeld, dat hij willens eenig wild beschadigde.” Hier hebben wij
-rede, schoon geen volmaakte, want de hond had eerst den gekwetsten
-vogel kunnen apporteeren, en dan terugkeeren om den dooden te halen,
-zooals in het geval van de twee wilde eenden. Ik deel de bovengenoemde
-gevallen mede, omdat zij berusten op de getuigenis van twee van
-elkander onafhankelijke waarnemers, en omdat in beide gevallen de
-jachthonden, na er over te hebben nagedacht, braken met een gewoonte
-die zij hadden overgeërfd (om namelijk het wild dat zij apporteerden,
-niet te dooden) en omdat zij toonen, hoe sterk hun redeneerend vermogen
-moet zijn geweest om een vaste gewoonte daardoor te laten varen.
-
-Ik wil besluiten door een opmerking van den beroemden Humboldt [180]
-aan te halen. De muilezeldrijvers in Zuid-Amerika zeggen: „Ik zal u
-niet den muilezel geven, die den gemakkelijksten stap heeft, maar la
-mas racional,—de redelijkste”, en, gelijk hij er bij voegt: „deze
-populaire uitdrukking, ingegeven door lange ondervinding, bestrijdt het
-stelsel der levende werktuigen (automaten) wellicht beter dan al de
-bewijsgronden der bespiegelende wijsbegeerte.” Toch ontkennen sommige
-schrijvers zelfs nu nog, dat de hoogere dieren een spoor van rede
-bezitten, en zij trachten door iets dat op bloote breedsprakigheid
-gelijkt, al zulke feiten als boven zijn gegeven, weg te redeneeren.
-
-Het is, dunkt mij, nu bewezen, dat de mensch en de hoogere dieren,
-vooral de Primaten, eenige weinige instinkten gemeen hebben. Allen
-hebben zij de zelfde zinnen, wijzen van waarneming en
-gewaarwordingen—gelijksoortige hartstochten, neigingen en
-gemoedsaandoeningen, zelfs de meer samengestelde; zij gevoelen
-verwondering en nieuwsgierigheid; zij bezitten de zelfde vermogens van
-nabootsing, oplettendheid, geheugen, verbeeldingskracht en rede, hoewel
-in zeer verschillende graden. Toch hebben vele schrijvers volgehouden,
-dat de mensch door zijn geestelijke vermogens door een onoverkomelijken
-slagboom van alle lagere dieren is gescheiden. Ik heb vroeger eens een
-verzameling gemaakt van meer dan twintig dergelijke aphorismen, maar
-zij zijn niet waard hier te worden medegedeeld, daar hun verbazend
-verschil en hun aantal de moeilijkheid, zoo niet de onmogelijkheid der
-poging bewijzen. Men heeft verzekerd, dat alleen de mensch vatbaar is
-voor trapsgewijze ontwikkeling, dat hij alleen werktuigen en het vuur
-gebruikt, andere dieren temt, eigendom bezit of een taal gebruikt; dat
-geen ander dier zelfbewust is, zich zelf begrijpt, het vermogen heeft
-afgetrokken denkbeelden te vormen, of algemeene begrippen bezit; dat de
-mensch alleen schoonheidsgevoel heeft, onderhevig is aan luimen, het
-gevoel van dankbaarheid, den trek naar het geheimzinnige bezit, enz.,
-in God gelooft of met een geweten begaafd is. Ik zal mij eenige weinige
-opmerkingen veroorloven over de voornaamsten en belangrijksten van deze
-punten.
-
-De aartsbisschop Summer [181] hield vroeger vol, dat alleen de mensch
-vatbaar is voor trapsgewijze ontwikkeling. Als wij bij de dieren eerst
-de individu’s beschouwen, dan weet ieder die eenige ondervinding heeft
-in het zetten van vallen, dat jonge dieren zich veel gemakkelijker
-laten vangen dan oude, en dat hun vijanden hen ook veel gemakkelijker
-kunnen naderen. Zelfs bij oude dieren is het onmogelijk velen op de
-zelfde plaats en in de zelfde soort van val te vangen, of hen met het
-zelfde soort van vergif te vernielen; en toch is het onwaarschijnlijk,
-dat allen het vergif zouden hebben geproefd, en onmogelijk, dat allen
-in de val gevangen zouden zijn geweest. In Noord-Amerika, waar men
-sinds lang op de pelsdragende dieren heeft gejaagd, vertoonen zij
-volgens de eenparige getuigenis van alle waarnemers een bijna
-ongelooflijken vooruitgang in scherpzinnigheid, voorzichtigheid en
-geslepenheid, maar het zetten van vallen is daar zoo langen tijd in
-gebruik, dat hier wel erfelijk geworden eigenschappen in het spel
-kunnen zijn. (6) Ik heb verschillende mededeelingen ontvangen, dat,
-wanneer in de eene of andere streek pas telegrafen zijn aangelegd, vele
-vogels zich zelf dooden door tegen de draden te vliegen, maar dat zij
-na verloop van zeer weinige jaren dit gevaar leeren vermijden, naar het
-schijnt daar zij zien dat hun kameraden worden gedood. [182]
-
-Als wij opeenvolgende generaties beschouwen, valt het niet te
-betwijfelen, dat vogels en andere dieren omzichtigheid jegens den
-mensch en andere vijanden [183] zoowel kunnen verkrijgen als verliezen;
-en deze omzichtigheid is zeker voornamelijk een overgeërfde gewoonte of
-instinkt, maar gedeeltelijk het resultaat van individueele
-ondervinding. Een goed waarnemer, Leroy [184], getuigt, dat in streken,
-waar veel vossenjachten worden gehouden, de jonge vossen, als zij voor
-het eerst hun holen verlaten, ongetwijfeld veel voorzichtiger zijn dan
-de oude in streken waar zij niet veel worden verontrust.
-
-Onze huishonden stammen van wolven en jakhalzen af [185], en hoewel zij
-wellicht geen vorderingen hebben gemaakt in geslepenheid en misschien
-zijn achteruitgegaan in omzichtigheid en achterdochtigheid, zijn zij
-vooruitgegaan in sommige zedelijke hoedanigheden, zooals in
-aanhankelijkheid, trouw, karakter en waarschijnlijk in algemeene
-verstandelijke ontwikkeling. De gewone rat (7) heeft door geheel
-Europa, in gedeelten van Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland, en onlangs in
-Formosa, zoowel als op het vasteland van China verschillende andere
-soorten overwonnen en uitgeroeid. De heer Swinhoe [186], die deze
-laatste gevallen beschrijft, schrijft de overwinning van de gewone rat
-over den grooten Mus coninga toe aan haar grootere omzichtigheid, en
-deze laatste hoedanigheid kan worden toegeschreven aan de voortdurende
-oefening van al haar vermogens om haar uitroeiing door den mensch tegen
-te gaan, zoowel als aan het achtereenvolgens dooden door dezen van
-bijna alle ratten die minder omzichtig of zwak van geestvermogens zijn.
-Zonder eenig direct bewijs vol te houden, dat geen dier gedurende den
-loop der eeuwen in verstand of andere zielsvermogens is vooruitgegaan,
-staat gelijk met de verandering der soorten weg te cijferen. Wij zullen
-hieronder zien, dat volgens Lartet de bestaande zoogdieren van
-verschillende orden grooter hersenen bezitten dan hun oude tertiaire
-stamvormen.
-
-Men heeft dikwijls gezegd, dat geen enkel dier werktuigen gebruikt,
-maar de chimpanzee kraakt in zijn natuurstaat een vrucht uit zijn eigen
-vaderland, die wel wat op een walnoot gelijkt, door middel van een
-steen. [187] Rengger [188] leerde een Amerikaanschen aap om op die
-wijze harde palmnoten open te breken en daarna gebruikte deze uit eigen
-beweging steenen om andere soorten van noten, en ook doozen te openen.
-Hij verwijderde op die wijze ook de zachte schil van zekere vrucht, die
-een onaangenamen smaak had. Een andere aap werd geleerd om het deksel
-van een groote kist met een stok te openen, en daarna gebruikte hij den
-stok als een hefboom om zware lichamen op te lichten; en ik heb zelf
-gezien, hoe een jonge orang een stok in een spleet stak, zijn hand naar
-het andere einde verschoof en hem daarna op de juiste wijze als een
-hefboom gebruikte. Het is welbekend, dat in Indië de tamme olifanten
-boomtakken afbreken en die gebruiken om de vliegen te verdrijven; en de
-zelfde handeling is waargenomen bij een olifant in den natuurstaat.
-[189] Ik heb een jong orangwijfje gezien, dat als het dacht dat het
-slaag zou krijgen, zich met een laken of met stroo bedekte en
-beschermde. In de bovengenoemde gevallen dienden de steenen en stokken
-tot werktuigen; maar zij worden ook tot wapens gebruikt. Brehm [190]
-deelt op gezag van den welbekenden reiziger Schimper mede, dat, als in
-Abessinië een zekere soort van bavianen (C. Gelada) in troepen van de
-bergen afdaalt om de velden te plunderen, zij somtijds troepen van een
-andere soort (C. Hamadryas) ontmoeten, waarvan dan vechtpartijen het
-gevolg zijn. De Gelada’s rollen groote steenen naar beneden, die de
-Hamadryas trachten te vermijden, en daarna stuiven de beide soorten
-onder een vervaarlijk rumoer woedend op elkander los. Toen Brehm den
-Hertog van Coburg-Gotha vergezelde, nam hij deel aan een aanval met
-vuurwapenen op een troep bavianen in den bergpas van Menda in
-Abessinië. De bavianen verdedigden zich door zooveel steenen van den
-berg af te rollen, waarvan sommigen zoo groot als een menschenhoofd
-waren, dat de aanvallers haastig den terugtocht moesten aannemen en de
-bergpas werkelijk een tijdlang voor het reisgezelschap was gesloten.
-Het verdient opmerking, dat deze bavianen aldus gezamenlijk handelden.
-De heer Wallace [191] zag bij drie gelegenheden vrouwelijke orangs,
-door haar jongen vergezeld, „blijkbaar in woede ontstoken, takken en de
-groote stekelige vrucht van den Doerianboom afbreken; en daarmede zulk
-een hagelbui van werptuigen veroorzaken, dat zij ons wezenlijk beletten
-den boom al te zeer te naderen.”
-
-In den Londenschen dierentuin was een aap, die slechte tanden had,
-gewoon noten met een steen stuk te slaan; en de oppassers verzekerden
-mij, dat dit dier, als het een steen had gebruikt, hem in het stroo
-verborg, en niet wilde toelaten, dat een andere aap hem aanraakte. Hier
-hebben wij dus het denkbeeld van eigendom: maar dit denkbeeld vinden
-wij terug bij elken hond ten opzichte van een been, en bij bijna alle
-vogels ten opzichte van hun nesten.
-
-De Hertog van Argyll [192] merkt op, dat het fatsoeneeren van een
-voorwerp tot een bepaald doel uitsluitend aan den mensch eigen is; en
-hij meent, dat dit een onmetelijken afgrond tusschen dezen en de dieren
-vormt. Het is ongetwijfeld een zeer belangrijk verschil, maar het
-schijnt mij toe, dat er veel waars gelegen is in het door John Lubbock
-[193] geopperde denkbeeld, dat, toen de oorspronkelijke mensch voor de
-eerste maal vuursteenen voor eenig doel gebruikte, hij ze wellicht
-toevallig brak en daarna de scherpe splinters gebruikte. Nadat dit was
-geschied, zou er slechts een kleine stap noodig zijn geweest om de
-vuursteenen met voordacht te breken, en geen zeer groote om ze
-grovelijk te fatsoeneeren. Voor dezen laatsten vooruitgang schijnen
-echter vele eeuwen noodig te zijn geweest, als wij mogen oordeelen naar
-den ontzaglijken tijd, die verliep, voordat de menschen van de
-neolithische periode er toe kwamen om hun werktuigen te slijpen en te
-polijsten. Bij het stukslaan der vuursteenen zouden er dan, zooals Sir
-John Lubbock eveneens opmerkt, vonken zijn afgevlogen, en bij het
-slijpen er van zou zich warmte hebben ontwikkeld; „aldus zijn wellicht
-de twee gewone methoden om vuur te verkrijgen ontstaan.” De aard van
-het vuur zou bekend zijn geweest in de vulkanische streken, waar nu en
-dan lava door de bosschen stroomt. De anthropomorphe apen bouwen zich,
-waarschijnlijk door hun instinkt geleid, tijdelijk platte nesten; maar,
-daar vele instinkten in groote mate onder het toezicht van de rede
-staan, zouden de meer eenvoudige, zooals dat om een plat nest te
-bouwen, wel eens gemakkelijk in een willekeurige en zelfbewuste
-handeling kunnen overgaan. Het is bekend, dat de orang zich des nachts
-met de bladeren van den Pandanus bedekt, en Brehm deelt mede, dat een
-zijner bavianen gewoon was zich tegen de hitte der zon te beschutten
-door een stroomat over zijn hoofd te werpen. In deze laatste gewoonte
-zien wij waarschijnlijk de eerste stappen tot sommigen van de meer
-eenvoudige kunsten; namelijk ruwe bouwkunde en kleeding, zooals zij
-ontstonden onder de vroege voorouders van den mensch.
-
-
-
-Vermogen van de dieren om afgetrokken denkbeelden en algemeene
-begrippen te vormen. Zelfbewustheid. Individualiteit van den geest. Het
-zou zeer moeilijk zijn voor ieder, zelfs al bezat hij veel meer kennis
-dan ik, om te bepalen in hoever dieren eenig spoor van deze hooge
-verstandelijke vermogens vertoonen. Deze moeilijkheid is het gevolg van
-de onmogelijkheid om te bepalen wat in den geest van een dier plaats
-heeft, terwijl daarenboven het feit, dat de schrijvers in hooge mate
-verschillen in de beteekenis die zij aan bovengenoemde termen hechten,
-nog een tweede moeilijkheid veroorzaakt. Indien men mag oordeelen naar
-verschillende artikelen die in den laatsten tijd het licht hebben
-gezien, schijnt de grootste klem te worden gelegd op het onderstelde
-volkomen ontbreken bij de dieren van het vermogen om afgetrokken
-denkbeelden of algemeene begrippen te vormen. Maar als een hond een
-anderen hond op een afstand ziet, is het dikwijls duidelijk, dat hij
-waarneemt, dat het een hond in het algemeen (in abstracto) is; want,
-als hij dichter bij komt, verandert zijn geheele gedrag plotseling, als
-de andere hond een vriend van hem is. Een schrijver van den laatsten
-tijd merkt op, dat het in alle dergelijke gevallen een bloote
-onderstelling is, als men verzekert dat de verstandelijke werking bij
-het dier niet wezenlijk van den zelfden aard is als bij den mensch.
-Indien een van beiden hetgeen hij met zijn zintuigen waarneemt, in zijn
-geest tot een algemeen begrip verwerkt, dan doen beiden het. [194] Als
-ik tot mijn terrier met begeerige stem zeg: „Hei, hei, waar is het?”
-vat hij dit dadelijk op als een teeken, dat er op iets moet worden
-gejaagd, en kijkt over het algemeen eerst snel in de rondte, en rent
-daarop in het naaste kreupelboschje om te ruiken of er ook eenig wild
-in is, maar niets vindende, kijkt hij op naar den eenen of anderen
-naburigen boom, of er ook een eekhoorn in zit. Toonen deze handelingen
-nu niet duidelijk aan, dat hij in zijn geest een algemeen denkbeeld of
-begrip had, dat een of ander dier moest worden opgespeurd en gejaagd?
-
-Men mag gerust aannemen, dat geen dier zelfbewust is, als men onder dit
-woord verstaat, dat het nadenkt over zulke punten als: van waar het
-komt en waarheên het zal gaan, of wat dood of wat leven is, enz. Kunnen
-wij er echter zeker van zijn, dat een oude hond met een uitnemend
-geheugen en eenige verbeeldingskracht, zooals uit zijn droomen blijkt,
-nooit nadenkt over het genoegen, dat hij op de jacht heeft gesmaakt? en
-dit zou een vorm van zelfbewustheid zijn. Hoe weinig kan van de andere
-zijde, zooals Büchner [195] heeft opgemerkt, de vrouw van een ruwen
-wilden Nieuw-Hollander, die altijd hard moet werken, bijna geen woorden
-kent om afgetrokken denkbeelden uit te drukken en niet verder kan
-tellen dan vier, haar zelfbewustheid ontwikkelen of nadenken over de
-natuur van haar eigen bestaan. Men neemt algemeen aan, dat de hoogere
-dieren geheugen, oplettendheid, het vermogen van denkbeelden te
-associeeren, en zelfs eenige verbeeldingskracht en rede bezitten.
-Indien deze vermogens, die bij de verschillende diersoorten zeer
-verschillen, voor ontwikkeling vatbaar zijn, komt het mij niet zeer
-onwaarschijnlijk voor, dat meer ingewikkelde vermogens, zooals de
-hoogere vormen van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen en
-zelfbewustheid, enz. zijn ontstaan door de ontwikkeling en vereeniging
-van meer eenvoudige. Tegen de hier verdedigde meeningen is dikwijls
-ingebracht, dat het onmogelijk is te zeggen, op welk punt van de
-opklimmende reeks dieren in staat worden afgetrokken denkbeelden te
-vormen, enz.; maar wie kan zeggen op welken leeftijd dit bij jonge
-kinderen gebeurt? Wij zien ten minste, dat dergelijke vermogens zich
-bij kinderen bij onmerkbare trappen ontwikkelen.
-
-Dat dieren hun geestelijke individualiteit behouden, is ontwijfelbaar.
-Toen mijn stem een aaneenschakeling van denkbeelden uit vroeger tijd in
-den geest van den bovenvermelden hond terugriep, moest hij zijn
-geestelijke individualiteit hebben behouden, hoewel elk atoom van zijn
-hersenen in den tijd van vijf jaren waarschijnlijk meer dan eens
-verandering had ondergaan. Deze hond zou den bewijsgrond hebben kunnen
-aanvoeren, die onlangs is aangevoerd om alle voorstanders der
-ontwikkelingstheorie te verpletteren, en zou hebben kunnen zeggen: „Ik
-blijf bestaan te midden van alle aandoeningen van mijn geest en alle
-stoffelijke veranderingen..... De leer, dat atomen hun indrukken
-legateeren aan andere atomen, die de plaatsen innemen, die ze hebben
-verlaten, is in tegenspraak met de uiting van zelfbewustheid, en is
-daarom valsch; maar het is de leer, die noodzakelijk uit de
-ontwikkelingstheorie voortvloeit, derhalve is ook die theorie valsch.”
-[196]
-
-
-
-Spraak. Dit vermogen is terecht beschouwd als een der voornaamste
-punten van verschil tusschen den mensch en de lagere dieren. Maar de
-mensch is, zooals een zeer bevoegd rechter, de Aartsbisschop Whately
-[197] opmerkt, „geenszins het eenige dier, dat van het geluid gebruik
-kan maken om uit te drukken, wat in zijn geest plaats grijpt, en min of
-meer kan begrijpen, wat op die wijze door anderen wordt uitgedrukt.” In
-Paraguay uit de Cebus Azarae, als hij daartoe wordt opgewekt, minstens
-zes verschillende klanken, die bij andere apen gelijksoortige
-gemoedsaandoeningen teweeg brengen. [198] De aangezichtsbewegingen en
-gebaren der apen worden door ons begrepen, en zij begrijpen ook
-gedeeltelijk de onze, zooals Rengger en anderen verklaren. Het is een
-opmerkenswaardig feit, dat de hond, sinds hij is getemd, heeft leeren
-blaffen [199] en hierbij minstens vier of vijf verschillende geluiden
-voortbrengt. Hoewel het blaffen een nieuwe kunst is, drukte
-ongetwijfeld de wilde soort, waarvan de hond afstamt, haar
-gewaarwordingen door kreten van verschillenden aard uit. Bij den
-huishond hebben wij het opgewekte geblaf b.v. bij de jacht; het
-toornige geblaf; het jankende of huilende geblaf der vertwijfeling,
-wanneer men hem b.v. opsluit; dat der vreugde, als hij b.v. met zijn
-meester uit wandelen gaat, en het zeer eigenaardige geblaf, waardoor
-hij het een of ander vraagt, b.v. als hij wenscht, dat een deur of een
-venster open zal worden gemaakt. Volgens Houzeau [200], die bijzondere
-aandacht aan dit onderwerp heeft gewijd, maakt het huishoen minstens
-een dozijn verschillende geluiden, die elk hun beteekenis hebben.
-
-Het gewoonlijk gebruiken van gearticuleerde spraak is echter
-uitsluitend eigen aan den mensch; maar deze gebruikt daarenboven
-evenals de dieren ongearticuleerde kreten om zijn gevoelens uit te
-drukken, en doet die vergezeld gaan van gebaren en van bewegingen van
-de spieren van het aangezicht. [201] Dit is vooral het geval bij de
-meer eenvoudige en levendige gevoelens, die slechts weinig hebben te
-maken met ons meer ontwikkeld verstand. Onze kreten van smart, angst,
-verwondering, toorn, vergezeld van de daaraan eigenaardige gebaren, en
-het stamelen van een moeder tegen haar geliefd kind drukken meer uit
-dan alle woorden. Niet het vermogen van articuleeren zelf onderscheidt
-den mensch van andere dieren; want zooals iedereen weet, kunnen
-papegaaien spreken. Evenmin is het eenvoudig het vermogen om bepaalde
-klanken met bepaalde denkbeelden te verbinden; want het is zeker, dat
-sommige papegaaien die hebben leeren spreken, zonder zich te vergissen
-woorden met zaken en personen met gebeurtenissen verbinden. [202] De
-lagere dieren verschillen van den mensch alleen door zijn bijna
-oneindig grooter vermogen om de meest verschillende klanken en
-denkbeelden te verbinden; en dit is blijkbaar het gevolg van de hooge
-ontwikkeling zijner verstandelijke vermogens.
-
-Zooals Horne Took, een der grondvesters van de edele wetenschap der
-philologie, opmerkt, is het spreken een kunst, evengoed als koken en
-bakken; schrijven zou echter een veel gepaster vergelijking zijn
-geweest. Het is zeker geen waar instinkt, daar iedere taal moet worden
-aangeleerd. Het verschilt echter zeer van alle gewone kunsten; want de
-mensch bezit een instinktmatige aandrift om te spreken, zooals wij aan
-het stamelen onzer jonge kinderen zien, terwijl geen kind een
-instinktmatige aandrift heeft om te koken, te bakken of te schrijven.
-Bovendien onderstelt geen enkel philoloog meer, dat eenige taal met
-opzet is uitgevonden; alle talen hebben zich langzaam en onbewust
-trapsgewijze ontwikkeld. [203] De klanken door vogels voortgebracht
-hebben in vele opzichten de grootste overeenkomst met de spraak, want
-alle leden van een zelfde soort drukken hun gewaarwordingen door de
-zelfde instinktmatige geluiden uit; en al de soorten die het vermogen
-bezitten om te zingen, oefenen dit vermogen instinktmatig uit; maar hun
-tegenwoordige wijze van zingen en zelfs hun loktonen hebben zij van hun
-ouders of pleegouders geleerd. Deze tonen zijn, zooals Daines
-Barrington [204] heeft bewezen, „hun evenmin aangeboren als de spraak
-den mensch. Hun eerste pogingen om te zingen kunnen worden vergeleken
-bij de onvolmaakte pogingen van een kind om te stamelen.” De jonge
-mannetjes gaan gedurende tien of elf maanden voort met zich te oefenen
-of, zooals de vogelaars het noemen, te repeteeren. In hun eerste
-pogingen is bijna geen spoor van hun lateren zang herkenbaar; maar als
-zij ouder worden, kunnen wij nagaan wat zij bedoelen, en ten laatste
-wordt hun zang zooals hij behoort te zijn. Jonge nestvogels die den
-zang van een andere soort hebben geleerd, zooals de in Tyrol opgevoede
-kanarievogels, leeren een nieuwen zang aan hun kroost en leveren hem
-zoo aan hetzelve over. De kleine natuurlijke verschillen in den zang
-bij individu’s van de zelfde soort die verschillende streken bewonen,
-kunnen, zooals Barrington opmerkt, zeer gepast met „provinciale
-dialecten” worden vergeleken; en de wijzen van zingen van verwante,
-hoewel verschillende soorten, kunnen met de talen van verschillende
-menschenrassen worden vergeleken. Ik heb bovenstaande bijzonderheden
-medegedeeld om aan te toonen, dat een instinktmatige aandrift om een
-kunst te leeren niet uitsluitend aan den mensch eigen is.
-
-Wat den oorsprong van de gearticuleerde spraak aangaat, kan ik, na
-zoowel de zeer belangrijke werken van den heer Hensleigh Wedgwood, den
-weleerw. heer E. Farrer en Prof. Schleicher [205] als de beroemde
-voordrachten van Prof. Max Müller te hebben gelezen, niet betwijfelen,
-dat de spraak haar oorsprong is verschuldigd aan de nabootsing en
-wijziging van verschillende natuurlijke klanken, van de geluiden van
-andere dieren en van de instinktmatige kreten van den mensch zelf,
-geholpen door teekens en gebaren. Wanneer wij de seksueele teeltkeus
-gaan behandelen, zullen wij zien, dat de oorspronkelijke mensch, of
-liever de eene of andere vroege voorvader van den mensch,
-waarschijnlijk, evenals tegenwoordig een der gibbonsoorten doet,
-ruimschoots zijn stem gebruikte om werkelijke muzikale tonen voort te
-brengen, d.i. om te zingen; wij mogen besluiten uit een zeer algemeen
-voorkomende analogie, dat dit vermogen vooral werd uitgeoefend
-gedurende den paringstijd der seksen, en dat het diende om
-verschillende gemoedsaandoeningen, zooals liefde, ijverzucht, zegepraal
-uit te drukken, en ook om mededingers uit te dagen. Het door middel van
-gearticuleerde klanken nabootsen van muzikale geluiden, kan aanleiding
-hebben gegeven tot het ontstaan van woorden om verschillende
-ingewikkelde gemoedsaandoeningen uit te drukken. Ten opzichte van het
-punt van nabootsing verdient de sterke aandrift opmerking, die niet
-alleen onze naaste bloedverwanten, de apen, maar ook microcephale
-idioten [206] (9), en de wilde menschenrassen bezitten, om alles na te
-bootsen wat zij hooren. Daar de apen zonder twijfel veel verstaan van
-hetgeen door den mensch tegen hen wordt gezegd, en daar zij in den
-natuurstaat signaalkreten gebruiken om hun makkers voor gevaar te
-waarschuwen [207], schijnt het niet geheel en al ongeloofelijk, dat het
-eene of andere bijzonder verstandige aapachtige dier op het denkbeeld
-is gekomen om het gehuil van een roofdier na te bootsen (10), om zijn
-medeapen den aard van het verwachte gevaar aan te toonen. En dit zou de
-eerste stap tot de vorming van een spraak zijn geweest.
-
-Daar de stem meer en meer werd gebruikt, zouden de stemorganen meer en
-meer versterkt en volmaakt zijn geworden door het beginsel van de
-overgeërfde gevolgen van het gebruik en dit zou hebben teruggewerkt op
-het spraakvermogen. Maar de betrekking tusschen het voortgezet gebruik
-van de spraak en de ontwikkeling der hersenen is ongetwijfeld veel
-belangrijker geweest. De zielsvermogens van den eenen of anderen
-vroegeren voorvader van den mensch moeten ontwikkelder zijn geweest dan
-die van eenigen thans levenden aap, voor zelfs ook maar de minst
-volmaakte vorm van spraak in gebruik kon komen; wij kunnen echter
-gerust aannemen, dat het voortgezet gebruik en de vooruitgang van dit
-vermogen op den geest terugwerkte en dezen in staat stelde en
-aanmoedigde om lange ketens van denkbeelden aan elkander te schakelen.
-Een lange en samengestelde keten van denkbeelden kan evenmin worden
-aaneengeschakeld zonder behulp van woorden, hetzij uitgesproken of
-niet, als een lange berekening kan worden uitgevoerd zonder behulp van
-cijfers of algebraïsche teekens. Zelfs gewone aaneenschakelingen van
-gedachten schijnen bijna nog een soort van taal noodig te hebben, want
-men heeft opgemerkt, dat Laura Bridgman, een meisje dat tegelijkertijd
-doofstom en blind was, als zij droomde haar vingers gebruikte. [208]
-Desniettemin kan een lange opeenvolging van levendige en met elkander
-verbonden denkbeelden den geest bezig houden zonder behulp van eenige
-soort van taal, zooals wij uit de lange droomen van honden mogen
-afleiden. Wij hebben gezien, dat jachthonden in zekere mate kunnen
-redeneeren; en dit doen zij klaarblijkelijk zonder behulp van een taal.
-De nauwe band tusschen de hersenen, zooals zij nu bij ons zijn
-ontwikkeld, en het spraakvermogen wordt duidelijk aangetoond door die
-zonderlinge gevallen van hersenziekten, waarbij het spraakvermogen
-slechts gedeeltelijk is aangedaan, als b.v. het vermogen om zich
-zelfstandige naamwoorden te herinneren is verloren gegaan, terwijl
-andere woorden op juiste wijze kunnen worden gebruikt. [209] Of waar
-zelfstandige naamwoorden van een zekere soort, of alle letters, behalve
-de beginletters van zelfstandige naamwoorden en eigennamen zijn
-vergeten. Het is niet onwaarschijnlijker, dat de gevolgen van het
-voortgezet gebruik van de spraak- en denkorganen erfelijk zijn (11),
-dan in het geval van het schrijven met de hand, dat gedeeltelijk van
-het maaksel van de hand en gedeeltelijk van den geestelijken aanleg
-afhangt; en de aanleg om goed te leeren schrijven is zonder twijfel
-erfelijk. [210]
-
-Verschillende schrijvers, meer in het bijzonder Prof. Max Müller [211],
-hebben in den laatsten tijd met aandrang beweerd, dat het gebruik van
-een taal het vermogen onderstelt om algemeene begrippen te vormen; en
-dat, daar men onderstelt dat geen dier dit vermogen bezit, hierdoor een
-onoverkomelijke slagboom tusschen dier en mensch wordt opgericht. [212]
-Wat de dieren aangaat, heb ik reeds trachten aan te toonen, dat zij dit
-vermogen, ten minste de grove beginselen er van, bezitten. Wat kinderen
-van tien of elf maanden oud en doofstommen aangaat, schijnt het mij
-ongeloofelijk, dat zij in staat zouden zijn om zekere klanken zoo snel
-in verband te brengen met zekere algemeene denkbeelden, als zij het
-doen, wanneer zulke denkbeelden niet reeds in hun geest waren gevormd.
-De zelfde opmerking kan worden uitgebreid tot de meer verstandige
-dieren; gelijk de heer Leslie Stephen opmerkt [213], „vormt zich een
-hond een algemeen begrip van katten of schapen, en kent de
-overeenkomstige woorden even goed als een wijsgeer. En het vermogen van
-te verstaan is even goed een bewijs van begrip van spreken, hoewel in
-mindere mate, als het vermogen van zelf te spreken.”
-
-Waarom de organen, die nu voor de spraak worden gebruikt,
-oorspronkelijk meer voor dit doel geschikt werden gemaakt, dan deze of
-gene andere organen, is niet moeielijk te begrijpen. Huber, die een
-geheel hoofdstuk aan de taal der mieren wijdt, heeft aangetoond, dat
-deze dieren een uitgebreid vermogen bezitten om elkander hun gedachten
-mede te deelen door middel van hun sprieten. (12) Ook wij zouden onze
-vingers met vrucht als spraakorganen kunnen gebruiken, want een
-persoon, welke met die kunst bekend is, kan een doof mensch ieder woord
-van een op een publieke vergadering uitgesproken redevoering
-overbrengen; maar het verlies van onze handen, als wij ze daarvoor
-hadden gebruikt, zou een ernstig bezwaar daartegen zijn geweest. Daar
-al de hoogere zoogdieren stemorganen bezitten, volgens het zelfde
-algemeene model gebouwd als de onze, en die worden gebruikt als een
-middel om elkander denkbeelden mede te deelen, was het natuurlijk
-waarschijnlijk, dat, als het vermogen om van denkbeelden te wisselen
-zich uitbreidde, het die zelfde organen zouden zijn, die verder werden
-ontwikkeld; en dit is geschied met behulp van naburige en daartoe zeer
-geschikte deelen, de tong en de lippen. [214] Het feit dat de hoogere
-apen hun stemorganen niet gebruiken om te spreken, wordt ongetwijfeld
-veroorzaakt doordat hun verstand daartoe niet genoeg is ontwikkeld. Dat
-zij organen bezitten die na lang voortgezette oefening zouden kunnen
-zijn gebruikt om te spreken, hoewel zij daarvoor nu niet dienen, komt
-overeen met het feit, dat vele vogels organen bezitten die geschikt
-zijn voor den zang, en toch nooit zingen. Zoo komen de stemorganen van
-den nachtegaal in maaksel overeen met die van de kraai, hoewel de
-eerste die gebruikt voor een afwisselend gezang en de laatste alleen om
-te krassen. [215]
-
-De vormingswijze van de verschillende talen en van de verschillende
-soorten, en de bewijzen dat beide door een proces van trapsgewijze
-ontwikkeling zijn ontstaan, zijn merkwaardigerwijze de zelfde. [216]
-Wij kunnen echter bij het opsporen van den oorsprong van vele woorden
-hooger opklimmen dan in het geval van de soorten; want wij kunnen
-nagaan, dat zij zijn ontstaan uit de nabootsing van verschillende
-klanken, evenals rijmende verzen. Wij vinden in onderscheidene talen
-treffende homologieën, veroorzaakt door gemeenschappelijke afstamming,
-en analogieën, veroorzaakt door een gelijksoortig vormingsproces. De
-wijze, waarop sommige letters of klanken veranderen, wanneer andere
-veranderen, gelijkt veel op correlatie van groei. In beide gevallen
-hebben wij reduplicatie van deelen, de gevolgen van lang voortgezet
-gebruik, enz. Het veelvuldig voorkomen van rudimenten, zoowel in talen,
-als bij soorten, is nog merkwaardiger. De letter m in het Engelsche
-woord am beteekent ik; zoodat in de uitdrukking: I am (ik ben) een
-overtollig en nutteloos rudiment behouden is gebleven. Ook in de
-spelling van woorden blijven dikwijls letters bestaan als rudimenten
-van oude wijzen van uitspraak. Talen kunnen evenals organische wezens
-worden geklassificeerd in groepen en ondergroepen; en zij kunnen worden
-geklassificeerd, hetzij natuurlijk volgens hun afstamming, hetzij
-kunstmatig volgens andere kenmerken. Heerschende talen en dialecten
-breiden hun gebied ver uit en leiden tot het trapsgewijze uitsterven
-van andere tongvallen. Een taal ontstaat evenals een soort, zooals Sir
-Lyell opmerkt, als zij eens is uitgestorven, nimmer opnieuw. De zelfde
-taal wordt nimmer op twee plaatsen tegelijk geboren. Twee verschillende
-talen kunnen met elkander worden gekruist en vereenigd. [217] Wij zien
-in elken tongval veranderlijkheid, en op den duur komen nieuwe woorden
-in gebruik; maar, daar het geheugen zijn grenzen heeft, sterven ook
-enkele woorden, zoowel als geheele talen langzamerhand uit. Zooals Max
-Müller [218] juist heeft opgemerkt, „heeft in elke taal tusschen de
-woorden en grammatikale vormen een onophoudelijke strijd plaats. De
-beste, de kortste, de gemakkelijkste vormen, behouden voortdurend de
-overhand en zijn hun overwinning aan hun eigen innerlijke
-voortreffelijkheid verschuldigd.” Bij deze meer belangrijke oorzaken
-van het overleven van sommige woorden mag dunkt mij eenvoudig hun
-nieuwheid worden gevoegd; want er bestaat in ’s menschen geest een
-sterke voorliefde voor kleine veranderingen in alle dingen. Het
-overleven of behouden blijven van sommige begunstigde woorden in den
-strijd voor het bestaan is natuurkeus.
-
-De volkomen regelmatige en verwonderlijk ingewikkelde bouw van de talen
-van vele wilde volken is dikwijls aangevoerd als een bewijs, hetzij van
-den goddelijken oorsprong van deze talen, hetzij van de groote
-kunstvaardigheid en voormalige hoogere beschaving van hen die ze
-spreken. Zoo schrijft b.v. F. von Schlegel: „Bij die talen, welke op
-den laagsten graad van verstandelijke ontwikkeling schijnen te staan,
-merken wij dikwijls een zeer groote mate van kunstvaardigheid en van
-zorgvuldige bewerking in haar grammatikale struktuur op. Dit is vooral
-het geval met het Baskisch en het Laplandsch, en velen der
-Amerikaansche talen.” [219] Het is echter ongetwijfeld een dwaling van
-eenige taal te spreken, als van iets kunstmatigs, dat met voordacht
-zorgvuldig bewerkt en naar een vaste methode zou zijn gevormd. De
-taalkundigen nemen tegenwoordig aan, dat de uitgangen van vervoegingen,
-verbuigingen enz. oorspronkelijk afzonderlijke woorden waren, doch
-later met de hoofdwoorden werden verbonden, en daar zulke woorden de
-duidelijkste betrekkingen tusschen zaken en personen uitdrukken, is het
-niet te verwonderen, dat zij door de meeste menschenrassen wellicht
-reeds in de vroegste eeuwen gebruikt zijn. Wat volmaaktheid aangaat,
-zal het volgende voorbeeld het beste aantoonen, hoe gemakkelijk wij
-kunnen dwalen: Een Crinoïde bestaat somtijds uit niet minder dan
-150,000 schelpstukken [220], allen met volmaakte symmetrie volgens uit
-een punt uitstralende lijnen gerangschikt; maar een natuuronderzoeker
-beschouwt daarom een dergelijk dier niet als volmaakter dan een
-bilateraal dier dat uit vergelijkenderwijze weinig deelen bestaat, maar
-waarbij geen van deze aan een ander gelijk is behalve aan de
-tegenovergestelde kanten van het lichaam. Hij beschouwt terecht de
-differentiatie en specialisatie van de organen als het kenmerk van
-volmaaktheid. Evenzoo met de talen; de meest symmetrische en
-samengestelde behooren niet hooger geacht te worden dan die, welke vol
-onregelmatige en verkorte uitdrukkingen en bastaardwoorden zijn, doch
-aan verschillende overwinnende of overwonnene of geïmmigreerde volken
-uitdrukkingsvolle woorden en nuttige vormen van constructie hebben
-ontleend.
-
-Uit deze weinige en onvolledige opmerkingen trek ik het besluit, dat de
-uiterst ingewikkelde en regelmatige bouw van vele barbaarsche talen
-geen bewijs is, dat zij hun oorsprong aan een bijzondere
-scheppingshandeling zijn verschuldigd. [221] Evenmin vormt, zooals wij
-hebben gezien, het bezit van een gearticuleerde spraak op zich zelf een
-onoverkomelijke tegenwerping tegen het geloof, dat de mensch zich uit
-den eenen of anderen lageren vorm heeft ontwikkeld.
-
-
-
-Schoonheidsgevoel.—Men heeft verklaard, dat het schoonheidsgevoel
-alleen aan den mensch eigen was. Ik zal hier alleen spreken van het
-behagen dat men schept in zekere kleuren, vormen en geluiden, dat met
-recht schoonheidsgevoel kan worden genoemd; bij beschaafde menschen
-staan dergelijke gewaarwordingen in nauw verband met ingewikkelde
-denkbeelden en aaneenschakelingen van gedachten. Wanneer wij echter
-zien, hoeveel moeite mannelijke vogels zich geven om hun vederen en
-prachtige kleuren aan de wijfjes te vertoonen, terwijl andere niet
-aldus versierde vogels zich die moeite niet geven, valt het onmogelijk
-te betwijfelen, dat de wijfjes de schoonheid van hun mannelijke makkers
-bewonderen. Daar de vrouwen zich overal met deze vederen versieren, kan
-de schoonheid daarvan niet worden betwist. Gelijk wij later zullen
-zien, zijn de nesten der kolibries en de lustprieeltjes der
-prieelvogels (14) smaakvol versierd met vroolijk gekleurde voorwerpen;
-en dit bewijst, dat zij in het zien van dergelijke zaken een zekere
-soort van behagen scheppen. Bij de groote meerderheid der dieren is
-echter de smaak voor het schoone, voor zoover wij er over kunnen
-oordeelen, beperkt tot de aantrekkelijkheid die de andere sekse voor
-hen bezit. De zoete tonen, door vele mannelijke vogels gedurende het
-jaargetijde der liefde voortgebracht, worden zeker door de wijfjes
-bewonderd, van welk feit later bewijzen zullen worden medegedeeld. Zoo
-de wijfjes niet in staat waren de schoone kleuren, de versierselen en
-den zang van hun mannelijke makkers te bewonderen, zou al de moeite en
-zorg die deze besteden om hun bekoorlijkheden aan de wijfjes te
-vertoonen, nutteloos zijn, en dit is onmogelijk aan te nemen.
-
-Waarom sommige schitterende kleuren en sommige tonen ons aangenaam
-aandoen als zij in harmonie met elkander zijn, kan, geloof ik, evenmin
-worden verklaard, als waarom sommige geuren en smaken ons behagen; maar
-de gewoonte staat daarmede in eenig verband, want hetgeen eerst onze
-zintuigen onaangenaam aandeed, wordt ten laatste aangenaam, en
-gewoonten worden overgeërfd. Wat geluiden aangaat, heeft Helmholtz tot
-op zekere hoogte volgens physiologische beginselen verklaard, waarom
-harmonieën en sommige toonvallen aangenaam zijn. Maar behalve dit, zijn
-geluiden die zich veelvuldig met onregelmatige tusschenruimten
-herhalen, in hooge mate onaangenaam, gelijk iedereen zal toegeven, die
-’s nachts aan boord van een schip naar het onregelmatige klapperen van
-een touw heeft geluisterd. Het zelfde beginsel schijnt bij het gezicht
-in het spel te komen, daar het oog de voorkeur geeft aan symmetrie of
-figuren waarin sommige trekken regelmatig terugkomen. Dergelijke
-patronen worden zelfs door de laagste wilden als versierselen gebruikt,
-en zijn door seksueele teeltkeus tot opsiering van sommige mannelijke
-dieren ontwikkeld geworden. Hetzij wij al dan niet eenige oorzaak
-kunnen aangeven van het vermaak, aldus door het gezicht en het gehoor
-gegeven, staat het in elk geval vast, dat zoowel de mensch als vele
-lagere dieren gelijkelijk behagen scheppen in de zelfde kleuren,
-bevallige schakeering en vormen, en de zelfde geluiden.
-
-De smaak voor het schoone, ten minste voor zoover vrouwelijke
-schoonheid er bij betrokken is, is zeker in den menschelijken geest
-niet van een bijzondere natuur; want hij is zeer verschillend bij de
-onderscheidene menschenrassen, gelijk later zal worden aangetoond, en
-is zelfs bij de verschillende natiën van een en het zelfde ras niet
-geheel en al de zelfde. Te oordeelen naar de afgrijselijke versierselen
-en de even afgrijselijke muziek waarin de meeste wilden behagen
-scheppen, zou men kunnen beweren, dat hun aesthetisch gevoel minder
-hoog ontwikkeld is dan dat van vele dieren, bij voorbeeld van vogels.
-Het spreekt van zelf, dat geen dier in staat is tooneelen als den
-nachtelijken sterrenhemel, een schoon landschap of klassieke muziek te
-bewonderen; maar barbaren en personen van weinig opvoeding scheppen
-daarin ook geen behagen, daar het gevoel daarvoor afhankelijk is van
-beschaving en ingewikkelde aaneenschakelingen van denkbeelden.
-
-Het kon niet missen, of vele vermogens, die den mensch onschatbare
-diensten hebben bewezen bij zijn trapsgewijze ontwikkeling, zooals
-verbeeldingskracht, verwondering, nieuwsgierigheid, een onbestemd
-schoonheidsgevoel, de aandrift tot nabootsing en de lust naar
-prikkeling of naar het nieuwe, moesten hem leiden tot de grilligste
-veranderingen van gewoonten en smaak. Ik zinspeel hierop, omdat onlangs
-een schrijver [222] op den allerzonderlingsten inval is gekomen om
-grilligheid te verklaren „voor een der merkwaardigste en meest typische
-punten van verschil tusschen wilden en dieren.” Wij kunnen echter niet
-alleen begrijpen, hoe het komt dat de mensch grillig is, maar ook de
-lagere dieren zijn, zooals wij later zullen zien, grillig in hun afkeer
-en in hun schoonheidsgevoel. Er bestaan derhalve goede gronden om te
-onderstellen, dat zij het nieuwe beminnen, alleen omdat het nieuw is.
-
-
-
-Geloof in God; Godsdienst.—Er zijn geen bewijzen, dat de mensch
-oorspronkelijk was begaafd met het veredelend geloof in het bestaan van
-een Almachtig God. Integendeel zijn er duidelijke bewijzen, niet
-ontleend aan reizigers die haastig een land doortrokken, maar aan
-menschen die lang onder wilde volken hebben gewoond, dat er talrijke
-rassen hebben bestaan en nog bestaan, die geen denkbeeld hebben van één
-of meer goden, en die in hun taal geen bewoordingen hebben om dat
-denkbeeld uit te drukken. [223] (15) Dit vraagstuk is natuurlijk geheel
-onderscheiden van het veel belangrijker, of er een Schepper en
-Bestuurder van het heelal bestaat; en dit is door sommigen der grootste
-vernuften die ooit hebben geleefd, bevestigend beantwoord.
-
-Indien wij evenwel in het begrip „godsdienst” het geloof opnemen aan
-onzichtbare of geestelijke krachten, krijgt de zaak een geheel ander
-aanzien; want dit geloof schijnt bijna algemeen bij de minder
-beschaafde rassen te worden gevonden; en het is niet moeielijk te
-begrijpen hoe dit geloof ontstond. Zoodra de verbeeldingskracht,
-verwondering en nieuwsgierigheid, die belangrijke geestvermogens,
-gepaard aan een zekere mate van redeneerkracht, zich gedeeltelijk
-hadden ontwikkeld, moest de mensch er natuurlijk naar streven om een
-begrip te verkrijgen van hetgeen om hem voorviel; en onbestemd beginnen
-na te denken over zijn eigen bestaan.
-
-Zooals de heer M’Lennan [224] heeft opgemerkt, „moet de mensch voor
-zich zelf de eene of andere verklaring uitdenken van de verschijnselen
-des levens; en te oordeelen naar de algemeenheid daarvan, schijnt de
-eenvoudigste hypothese, die het eerst bij den mensch opkwam, te zijn
-geweest, dat de natuurverschijnselen moeten worden toegeschreven aan
-het aanwezen in dieren, planten, zaken en natuurkrachten van
-geestvermogens die tot handelen aanzetten, evenals de mensch zich
-bewust is, zelf te bezitten.”
-
-Het is ook waarschijnlijk, zooals de heer Tylor duidelijk heeft
-aangetoond, dat droomen de eerste aanleiding hebben gegeven tot het
-begrip van geesten; want de wilden onderscheiden subjectieve en
-objectieve indrukken niet duidelijk van elkander. Wanneer een wilde
-droomt, gelooft hij, dat de gedaanten die voor hem verschijnen, van een
-afstand komen en zich dan aan hem vertoonen, of „de ziel van den
-droomer gaat op reis en komt terug met een herinnering aan hetgeen zij
-heeft gezien.” [225]
-
-Maar zoo niet de bovengenoemde vermogens, verbeeldingskracht,
-nieuwsgierigheid, rede enz. behoorlijk in ’s menschen ziel ontwikkeld
-waren geweest, zouden de droomen hem geen aanleiding hebben gegeven om
-in geesten te gelooven, evenmin als dit het geval is bij den hond.
-
-De neiging der wilden, om zich te verbeelden, dat natuurlijke
-voorwerpen en krachten onder den invloed staan van geestelijke of
-levende wezens, wordt misschien opgehelderd door een kleine waarneming,
-die ik zelf heb gedaan: mijn hond, een volwassen en zeer schrander
-dier, lag op het grasperk gedurende een warmen en stillen dag, toen een
-licht windje op een kleinen afstand toevallig een geopende parasol in
-beweging bracht, iets waarop de hond in het geheel niet zou hebben
-gelet, als er iemand had bijgestaan. In dit geval echter huilde en
-blafte de hond hevig, zoo dikwijls de parasol zich maar even bewoog. Ik
-houd het er voor, dat hij op snelle en onbewuste wijze bij zich zelf de
-gevolgtrekking heeft gemaakt, dat een beweging zonder blijkbare oorzaak
-het bestaan van een vreemden, levenden invloed aanduidde en dat geen
-vreemdeling het recht had zich op zijn erf te begeven. (16)
-
-Het geloof aan geestelijke krachten kon lichtelijk overgaan in het
-geloof aan één of meer goden. De wilden toch moesten aan de geesten wel
-de zelfde hartstochten, de zelfde wraakzucht of eenvoudigsten vorm van
-rechtsgevoel en de zelfde gevoelens van genegenheid toeschrijven, die
-zij zelven bezaten. De Vuurlanders schijnen in dit opzicht in een
-overgangsperiode te zijn; want toen de scheepsdokter van de „Beagle”
-eenige jonge eenden voor een verzameling van naturaliën schoot, zeide
-York Minster op de plechtigste wijze: „O! mijnheer Bynoc, veel regen,
-veel sneeuw, veel wind”; en dit was blijkbaar naar zijn meening een
-straf voor het verkwisten van menschelijk voedsel. Zoo verhaalde hij
-bij een andere gelegenheid, dat, toen zijn broeder een „wild man” had
-gedood, het lang stormde, regende en sneeuwde. Het is ons evenwel niet
-gelukt te ontdekken, of de Vuurlanders gelooven in wat wij een god
-zouden noemen of eenige godsdienstige plechtigheden verrichten; en
-Jemmy Button beweerde met verschoonbaren trots stoutweg, dat er in zijn
-land geen duivel was. Deze laatste bewering is te meer
-opmerkenswaardig, daar bij de wilden het geloof aan kwade geesten veel
-algemeener is dan dat aan goede.
-
-Het godsdienstig gevoel is iets samengestelds, daar het bestaat uit
-liefde, geheele onderwerping aan een verheven en geheimzinnig hooger
-wezen, een krachtig gevoel van afhankelijkheid [226], vrees, eerbied,
-dankbaarheid, hoop op de toekomst en misschien nog andere
-bestanddeelen. Geen wezen kon zulk een samengesteld gevoel bezitten,
-voordat zijn verstandelijke en zedelijke vermogens een meer dan
-middelmatigen graad van ontwikkeling hadden bereikt. Wij zien echter
-een verwijderde toenadering tot deze geestesgesteldheid in de groote
-liefde van den hond voor zijn meester, gepaard aan een volkomen
-ondergeschiktheid, een weinig vrees en wellicht nog andere gevoelens.
-Het gedrag van een hond, wanneer hij zijn meester, als deze eenigen
-tijd afwezig is geweest, terugziet, en ik mag er bijvoegen dat van een
-aap na zijn oppasser in lang niet te hebben gezien, is zeer
-verschillend van dat tegenover hun makkers. In het laatste geval
-bemerkt men minder vreugdebetoon, elke handeling toont meer het gevoel
-van gelijkheid aan. Prof. Braubach [227] gaat zoo ver van te beweren,
-dat een hond zijn baas als zijn God beschouwt. (17)
-
-De zelfde zielsvermogens, die er den mensch eerst toe brachten aan
-onzichtbare geestelijke machten, daarna aan het fetichisme, vervolgens
-aan het polytheïsme en eindelijk aan het monotheïsme te gelooven,
-moesten hem, zoolang zijn verstandelijke vermogens maar zwak waren
-ontwikkeld, noodzakelijk tot velerlei bijgeloovigheden en vreemde
-gewoonten leiden. Velen daarvan zijn afschuwelijk om aan te denken,
-b.v. het offeren van menschelijke wezens aan een bloeddorstig god; het
-onderzoek van onschuldige personen door ’t godsoordeel van vergif of
-vuur, hekserij enz.—en toch is het niet ongepast over al die
-bijgeloovigheden na te denken; want zij toonen ons, hoeveel wij zijn
-verschuldigd aan de ontwikkeling van ons verstand en aan de meerdere
-kennis [228], die wij hebben verkregen. Terecht heeft Sir John Lubbock
-opgemerkt: „dat men niet te veel zegt, als men beweert, dat er een
-verschrikkelijke vrees voor onbekend kwaad, gelijk een dikke wolk over
-het leven der wilden heenzweeft, en elk hunner genoegens verbittert.”
-Deze ellendige en middellijke gevolgen van onze hoogste vermogens
-kunnen worden vergeleken bij de nu en dan opgemerkte toevallige
-vergissingen van de instinkten der lagere dieren. (18)
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Harer Majesteits Stoomschip „Beagle.” Met dit schip maakte Darwin
-een reis om de wereld, door hem beschreven in zijn werk: „A
-Naturalist’s Voyage round the World; or, a Journal of Researches into
-the Natural History and Geology of the Countries, visited during the
-Voyage of H. M. S. „Beagle”, under the Command of Captain FitzRoy, R.
-N.”, London, John Murray.
-
-(2) „Een slakprik.” De slakprik (Amphioxus lanceolatus) is de
-onvolkomenste soort van den typus der Gewervelde Dieren, binnen de
-grenzen waarin die nog kort geleden door onze dierkundigen (v. d.
-Hoeven, Harting, Lubach enz.) algemeen werd beperkt. In den
-ontwikkelingsgraad zijner organen wordt hij niet slechts door de meeste
-weekdieren, schaaldieren en insekten, maar zelfs door de meeste wormen
-overtroffen. Hij bezit geen wervelkolom, doch slechts een door een
-vezelige scheede omsloten ruggestreng (chorda dorsalis), evenals de
-embryo’s der overige werveldieren op een zeker tijdstip hunner
-ontwikkeling. Zijn bloed is niet rood, maar wit, en het hart wordt door
-kloppende vaten vervangen. Zijn darmkanaal is niet gekronkeld. De
-geslachtsdeelen zijn bij beide seksen van eenerlei maaksel. Nabij den
-anus vindt men een opening, waar het water uitstroomt, en die men
-derhalve als ademhalingsopening kan beschouwen; zij dient echter tevens
-tot ontlasting van het sperma en de eieren. De oudere dierkundigen
-brengen den slakprik tot de visschen, doch Haeckel en de meeste
-nieuwere beweren terecht, dat hij onder de werveldieren een
-afzonderlijke klasse vertegenwoordigt.
-
-(3) Dit is onjuist; de beroemde Amerikaansche waarnemer Wilson
-(aangehaald in Wallace’s „Contributions to the Theory of Natural
-Selection”, 1870) heeft opgemerkt, dat er bij nesten van vogels van de
-zelfde soort verschillen bestaan, en het eene veel beter gemaakt is dan
-het andere, en schrijft dit daaraan toe, dat de minst volkomen nesten
-door jonge, de meer volkomen door oude vogels zijn gemaakt. Evenzoo zal
-een mensch, die voor het eerst beproeft een zeer eenvoudig werktuig of
-een kano na te maken, hierin wel min of meer slagen, maar zijn werk zal
-veel minder volkomen zijn dan dat van anderen die zulks meer hebben
-gedaan. Vogels die uit in kooien gelegde eieren zijn opgevoed, en dus
-nimmer den nestbouw hunner soort hebben gezien, bouwen, zelfs al geeft
-men hun de daartoe benoodigde materialen, of in het geheel geen nest,
-maar hoopen die materialen slechts ruwelijk op elkander, of zij bouwen
-(en dit is het minst voorkomende geval) wel een soort van nest, doch
-dit is veel onvolkomener dan het gewone nest hunner soort, en wijkt
-daarvan geheel af. De vogel moet even goed zijn nest leeren bouwen, als
-de mensch zijn huis (vergelijk aanteekening 6, hieronder). De
-Europeesche bever, die vroeger even fraaie dijken (blz. 114, onderste
-regel, staat: beek, lees: dijk) en hutten bouwde als de Amerikaansche,
-heeft die kunst geheel vergeten en graaft zich slechts een ruw hol.
-
-(4) Dril is de naam van Cynocephalus Leucophaeus, mandril die van
-Cynocephalus Mormon.
-
-(5) Van ’t geheugen bij dieren is het volgende voorbeeld merkwaardig:
-Toen de bekende dierentemmer Martin zich reeds vóór jaren in het
-privaat leven had teruggetrokken, bekroop hem eens de lust, nog eenmaal
-zijn menagerie, die hij in geen vijf jaar had gezien, te bezoeken. Hij
-reisde van Rotterdam naar Brussel en trad tegen vier uur, den tijd
-waarop de dieren werden gevoederd, het gebouw binnen. Martin, in zijn
-mantel gehuld, mengde zich tusschen de menigte en wachtte, tot men den
-dieren hun voedsel zou geven. Op het oogenblik dat dit zou geschieden,
-begon hij te hoesten. Plotseling richtten alle dieren hun koppen op,
-luisterden, lieten een wild gehuil hooren en deden de ijzeren traliën
-onder hun rukken trillen, zoodat vele toeschouwers ijlings het gebouw
-verlieten. De papegaaien, kangoeroe’s, pelikanen en voornamelijk de
-apen begonnen te schreeuwen en te krijschen, de hyena’s en de wolven
-huilden—‘t was een helsch lawaai.
-
-Nu trad Martin te voorschijn, gebood stilte en eensklaps zweeg alles.
-Hij sprong over de barrière welke de toeschouwers van de dieren
-scheidde, en stak de handen door de traliën, om de dieren te liefkozen.
-Een groote tijgerin betuigde luidruchtig haar vreugde. Toen Martin met
-zijn hand over de glanzige huid van het woeste dier streek, liep een
-zenuwachtig schokken door haar lichaam, zij stiet een zwak, zacht
-gebrul uit en lekte met haar ruwe tong het gezicht van haar vroegeren
-gebieder. Toen Martin zich verwijderde, ging ze liggen en liet haar
-voedsel onaangeroerd staan.
-
-Na de tijgerin kreeg de leeuw Nero een bezoek. Nero was de zelfde ruwe
-gast die den dierentemmer eenmaal een stuk uit de heup had gebeten,
-waarvoor hij duchtig was gestraft. Sedert dien tijd had hij een
-ongekenden haat tegen zijn meester opgevat. Geen enkel bewijs van
-vreugde had hij tot nu toe gegeven—slechts had hij even den kop
-opgericht, en zijn oogen, die fonkelden als twee smaragden, op den
-binnentredende gericht. Rustig bleef hij achter in de kooi liggen, toen
-Martin hem naderde. De dierentemmer riep hem, doch hij gaf geen
-antwoord. Toen Martin zich echter verwijderde, richtte plotseling de
-leeuw zich op, wierp zich met zijn krachtige klauwen tegen de traliën
-en verscheurde nog een gedeelte van Martins mantel.
-
-Wat het beoordeelen van tijdsruimten tusschen periodiek terugkeerende
-gebeurtenissen aangaat, haalt Prof. Harting daarvan het volgende
-merkwaardige voorbeeld aan in het „Album der Natuur”, 1852, blz. 214,
-in het stuk „Merkwaardige trekken uit het leven van paarden”, dat zeer
-gelezen verdient te worden door ieder, die nog niet overtuigd is, dat
-bij vele diersoorten meer dan alleen instinkt werkzaam is. „Een paard,
-gewoon met den bode van een provinciaal dagblad wekelijks de ronde te
-doen bij de geabonneerden, hield altijd geregeld van zelf op aan de
-deur van ieders woning, hoewel hun aantal tusschen zestig en zeventig
-beliep. Maar twee dier geabonneerden namen te zamen één exemplaar van
-het blad, in dier voege, dat zij het beurtelings het eerst ter lezing
-ontvingen. Weldra werd het paard aan deze schikking gewoon, en hoewel
-deze personen twee Engelsche mijlen van elkander verwijderd woonden,
-hield het geregeld op, zonder zich ooit te bedriegen, de eene week voor
-het huis des eenen, de andere voor dat des tweeden geabonneerden.”
-
-Mij is nog een geval bekend van een oude juffrouw, die ’s morgens
-geregeld een rijtoertje maakte, en haar hond in het rijtuig medenam,
-uitgenomen Zondags, daar zij dan naar de kerk ging. De hond wist dit
-zoo goed, dat hij door de week onrustig werd, als hij het rijtuig
-hoorde aankomen, en dadelijk de voordeur uit en het portier insprong,
-als deze werden geopend. Zondags echter bleef hij rustig in zijn mand
-liggen als het rijtuig aankwam en de voordeur werd geopend. Hij wist,
-dat hij dien dag niet mede ging.
-
-Men vergelijke ook omtrent de geestvermogens der dieren: „Alb. d. Nat.”
-1872. blz. 305, 1873, blz. 23, 58, 193.
-
-(6) Een schoon bewijs, dat sommige dieren, even goed als de mensch,
-vatbaar zijn voor trapsgewijze ontwikkeling hunner geestvermogens; dat
-zij, om zoo te zeggen, in beschaving vooruit kunnen gaan, en b.v. hun
-architectuur kunnen verbeteren en hun woningen geschikter maken voor
-hun doel; dat het derhalve onwaar is, dat die woningen steeds in alle
-tijden op de zelfde wijze waren ingericht en slechts uit instinktmatige
-aandrift worden gebouwd, levert ons de gewone zwaluw (Hirundo urbica).
-Ponchet heeft aangetoond („Comptes Rendus”, No. 10, 1870), dat deze
-vogel in Frankrijk tegenwoordig een geheel ander nest bouwt, dan in het
-begin dezer eeuw, en de verschillen tusschen deze twee soorten van
-nesten en de voordeelen van het tegenwoordige boven het vroegere
-nauwkeurig beschreven. In de zelfde verhandeling worden meer andere
-voorbeelden aangehaald van vogels, die hun nestbouw wijzigden naar de
-omstandigheden. Hierbij voegt zich in den laatsten tijd het volgende
-nieuwe geval: De voortgang der beschaving in Zuid Afrika begint ook
-invloed uit te oefenen op de gewoonten van de wevervogels (Ploceus).
-Deze vogels zijn bijzonder gezellig van aard en bouwen hun merkwaardige
-hangende nesten, vervaardigd van zeer net en dicht samengeweven
-grashalmen, aan den oever eener rivier, waar zij dan hunne kunstig
-gebouwde woningen aan de takken van wilgeboomen bevestigen. Dikwijls
-ziet men wel twintig of dertig van die nesten aan een enkelen boom
-hangen. In Natal echter, waar het aantal boomen afneemt en dat der
-jongens die vogelnesten uithalen, toeneemt, hebben de wevervogels zich
-naar de omstandigheden geschikt en hangen thans hun nesten aan de
-telegraafdraden buiten bereik van den Natalschen kwajongen. Daarbij is
-de volgende bijzonderheid opgemerkt. Toen de nesten nog aan
-wilgentakken hingen, maakten de vogels de opening aan den bodem,
-hetgeen eene betere bescherming tegen slangen opleverde. Doch daar geen
-slangen langs de telegraafdraden bij de nesten kunnen komen, maken nu
-de vogels een meer gemakkelijken ingang aan de zijde van het nest.
-
-Op Nieuw-Zeeland hebben de daar ingevoerde musschen hun nestbouw in
-dier voege gewijzigd, dat zij, waar puimsteenlagen zijn doorgehouwen,
-in gaten daarvan broeden. Zelfs schijnen zij zelven dergelijke gaten te
-boren, of ten minste dieper te maken. Door Grün werden dergelijke gaten
-van twee meters diepte gevonden („Nature”, 1889).
-
-Stelt men tegenover bovenstaande voorbeelden van gewijzigden nestbouw,
-dat de Arabieren nog heden in tenten wonen, die geheel overeenkomen met
-die, welke hun voorvaderen voor duizenden jaren gebruikten, dat de
-palmhutten der Zuid-Amerikanen en der Maleiers en de slijkdorpen der
-Egyptische Fellahs in oude tijden moeilijk onvolkomener kunnen zijn
-geweest dan thans, dan zal men onwederstaanbaar er toe worden gebracht
-om Wallace gelijk te geven, wanneer hij in zijn „Contributions to the
-Theory of Natural Selection” zegt: „Kortom, ik geloof, dat vogels hunne
-nesten niet uit instinkt bouwen, en dat de mensch zijn woningen niet
-met verstand opricht; maar dat vogels veranderen en verbeteren, wanneer
-zij door de zelfde oorzaken worden bewogen die de menschen er toe
-brengen zulks te doen, en dat menschen noch veranderen, noch
-verbeteren, als zij onder voorwaarden leven, welke overeenkomen met
-diegene, welke bij de vogels bijna algemeen heerschen.”
-
-(7) Hier wordt de bruine rat (Mus decumanus, Pall.) bedoeld. Deze soort
-is eerst in het laatst der vorige eeuw uit het Oosten naar westelijk
-Europa doorgedrongen, en heeft thans in vele streken de vroeger in ons
-werelddeel algemeen voorkomende zwarte rat (Mus Rattus, L.) verdrongen
-en bijna geheel uitgeroeid.
-
-(8) Papegaaien schijnen van alle vogels de hoogst ontwikkelde
-geestvermogens te bezitten, en deze schijnen bij de individu’s van de
-zelfde soort van papegaai zeer veel te verschillen. Ook een zeer
-vertrouwbaar en geloofwaardig schrijver, namelijk Brehm, verzekert, dat
-er onder de papegaaien individu’s zijn, die zeer stellig de beteekenis
-der door hen uitgesproken woorden verstaan. „Wellicht de uitstekendste
-van alle papegaaien in het algemeen”, zegt Brehm („Thierleben”, Bd.
-III, blz. 23), leefde jaren lang te Weenen en Salzburg en vond gelukkig
-trouwe en vlijtige waarnemers. De mededeelingen van deze zijn reeds
-herhaaldelijk gedrukt; desniettemin moeten zij hier haar plaats vinden.
-Lenz heeft volkomen gelijk, als hij zegt, „dat wellicht nooit, zoolang
-er vogels op aarde leven, een papegaai of eenige andere vogel in kunst
-en wetenschap tot grootere hoogte is geklommen, dan deze papegaai, Jako
-genaamd” .... „Een vriend van wijlen mijn vader, graaf Gourcy
-Droitaumont, was de eerste, die in het jaar 1835 in Oken’s Isis een
-bericht omtrent dezen vogel gaf, dat overal verbazing wekte. Dit
-bericht heeft de laatste bezitter, president von Kleimayrn, op
-verlangen van onzen Lenz, volkomener gemaakt, en zoo kon deze het hem
-medegedeelde samenvatten, als volgt:
-
-„Jako let op alles, wat om hem heên voorvalt, weet alles te
-beoordeelen, heeft op vragen het juiste antwoord, doet op bevel wat hem
-wordt gelast, begroet komenden, neemt afscheid van heengaanden, zegt
-slechts in de vroegte „guten Morgen”, en slechts ’s avonds „Gute
-Nacht”, vraagt om voeder, als hij honger heeft. Elk lid van het
-huisgezin roept hij bij zijn naam, en het eene staat hooger in zijn
-gunst dan het andere. Wil hij mij (Kleimayrn) bij zich hebben, dan
-roept bij: „Papa komm her!” Wat hij spreekt, zingt en fluit, draagt hij
-volkomen voor als een mensch. Soms toont hij zich in oogenblikken van
-geestdrift een improvisator, en zijn taal klinkt dan juist als die van
-een redenaar, dien men van verre hoort zonder hem te verstaan.”
-
-Nu volgt bij Brehm een opgaaf van al wat Jako sprak. Wij ontleenen
-hieraan slechts het volgende: „„Paperl, schiesz, schiesz, Paperl!”
-[229] Daarop schiet hij door luid roepen „Puh””.... „Hij luidt aan een
-klokje, dat aan zijn kooi is aangebracht, en roept luid: „Wer läut? Wer
-läut? Der Paperl.””.... „’s Hunderl ist da, a schön’s Hunderl ist da,
-gar a schön’s Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Hij vraagt: „Wie
-spricht’s Hunderl?” Dan blaft hij. Daarop spreekt hij: „Pfeif’n
-Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Als men hem beveelt: „Schiet!” dan
-schreeuwt hij „Puh!” Dan kommandeert hij behoorlijk: „Halt! richt Euch!
-Halt, richt! Macht euch fertig! Schlagt an; hoch! Feuer! Puh! Bravo,
-Bravissimo!” Soms laat hij het „Feuer” weg en roept na het „Schlagt an;
-hoch!” dadelijk „Puh!” Waarop hij dan echter niet „bravo, bravissimo”
-laat volgen, alsof hij zich van zijn fout bewust was ....”
-
-.... „Als zijn heer buiten koortijd uitgaat, roept de papegaai, al is
-hij ook den geheelen tijd stil geweest, bij het openen van de deur
-bijna altijd zoo recht goedhartig: „Bsiet Gott”; [230]—Waren er echter
-vreemde personen bij, dan roept hij als zij weggaan: „Bsiet Ihnen Gott!
-[231] ....””
-
-.... „De eigenaar van Jako had een kwartel. Toen deze in het voorjaar
-voor de eerste maal zijn pickerwick sloeg, draaide zich de papegaai
-naar zijn kant en riep: „Bravo! Paperl! Bravo!....””
-
-.... „Om te zien, of het mogelijk was hem een weinig zingen te leeren,
-koos men eerst zulke woorden, die hij buitendien kon uitspreken, b.v.
-als volgt: „Ist der schöne Paperl da? ist der brave Paperl da? ist der
-liebe Paperl da? ist der Paperl da? Ja, ja!”—Later leerde hij het
-liedje zingen: „O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagot, blas
-anstatt meiner Fagot, blas, blas, blas, blas anstatt meiner Fagot, blas
-anstatt meiner Fagot!”—Hij heft ook accoorden aan en fluit een
-toonladder zeer gemakkelijk en zuiver op en af, fluit ook andere
-stukjes en trillers; hij fluit en zingt echter dit alles niet altijd in
-den zelfden toon, maar soms een halven of geheelen toon lager of
-hooger, zonder dat hij valsche tonen voortbrengt.—Te Weenen leerde hij
-een aria uit de opera Martha fluiten, en dewijl hem daarbij zijn
-leermeester ook naar de maat voordanste, bootste hij den dans ten
-minste hierdoor na, dat hij de voeten beurtelings ophief en daarbij het
-lichaam potsierlijk op en neêr bewoog....”
-
-.... „Kleimayrn stierf in het jaar 1853. Jako begon, en naar het scheen
-uit verlangen naar zijn geliefden meester, te sukkelen, werd in het
-jaar 1854 zeer verzwakt in een bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd,
-snapte daar nog vlijtig, zeide dikwijls met een treurige stem: „Der
-Paperl ist krank, armer Paperl ist krank”, en stierf.”
-
-Van een anderen Jako vernam Brehm (ibid., blz. 24) van een jonge dame
-het volgende:
-
-„De papegaai waarvan ik iets wil mededeelen, werd ons door een man, die
-lang in Oost-Indië had geleefd, ten geschenke gegeven. Hij sprak reeds
-veel, doch alleen Hollandsch. Spoedig leerde hij echter Duitsch en
-Fransch. In deze drie talen sprak hij zoo duidelijk als een mensch.
-Daarbij was hij zoo oplettend, dat hij dikwijls spreekwijzen gebruikte,
-die hem nooit waren voorgezegd; hij wendde ze dan, tot aller verbazing,
-als de gelegenheid zich voordeed, hoogst gepast aan.
-
-„Hij sprak afzonderlijke woorden en samenhangende volzinnen in de
-Hollandsche taal, bracht echter ook Hollandsche woorden verstandig
-tusschen Duitsche aan, als hij in deze laatste taal het passende woord
-niet kende of het hem niet inviel. Hij vraagde en antwoordde, vorderde
-iets en bedankte daarvoor; hij wendde de woorden met kennis van tijd,
-plaats en personen aan.
-
-„Papchen will „Klukkluk” machen” (drinken).
-
-„Papchen will was zu fressen haben.” Kreeg hij het verlangde niet
-dadelijk, dan riep hij: „Papchen will und musz aber was zu fressen
-haben.” Gebeurde het nog niet, dan wierp hij alles door elkander, om
-zijn toorn lucht te geven.
-
-Hij groette ’s morgens met „bonjour”, en ’s avonds met „bonsoir”; hij
-verlangde naar rust en nam afscheid. „Papchen will schlafen gehen.”
-Werd hij weggedragen, dan riep hij herhaaldelijk „bonsoir, bonsoir.”
-
-„Zijn meesteres, die hem gewoonlijk voeder gaf, was hij uiterst
-genegen. Als hij voedsel van haar ontving, drukte hij haar kussend den
-snavel op de hand en zeide: „Küss’ der Frau die Hand.” Hij nam in alles
-deel wat zijn meesteres deed, en dikwijls riep hij, als hij haar ergens
-mede bezig zag, met oneindig komischen ernst: „Ja, was macht denn da
-die Frau?” En toen hij haar niet meer zag, omdat de dood haar had
-weggevoerd, voelde ook hij het verlies en de smart. Men had moeite om
-hem voedsel in te krijgen en in het leven te houden. Ja, dikwijls deed
-hij opnieuw de felle smart der treurenden ontwaken, door te vragen: „Wo
-ist denn die Frau?”....
-
-.... „Papchen, wie sagt denn Lottchen?” vraagde hij soms zich zelf en
-antwoordde daarop, even alsof die vraag door iemand anders was gedaan:
-„O, mein schönes, schönes Papchen, komm, küss mich.” En dat zeide hij
-met de juiste uitdrukking van teederheid zooals Lotje het maar kon
-zeggen. Zijn tevredenheid met zich zelf drukte hij met de woorden uit:
-„Ach, ach, wie ist doch das Papchen schön”, en daarbij streek hij zich
-met zijn pooten over den snavel.
-
-„Hij was echter in geenen deele schoon, want ook hij had de slechte
-gewoonte, zich zijn vederen uit te trekken. Als tegenmiddel werden hem
-nu wijnbaden voorgeschreven, die men hem door middel van een fijnen
-gieter toediende. De baden waren hem hoogst onaangenaam: zoodra hij
-bemerkte dat men daartoe toebereidselen maakte, begon hij dringend te
-smeeken: „Papchen doch nicht nasz machen,—ach, das arme Papchen—nicht
-nasz—machen.”....
-
-.... „Een dikke majoor, dien hij goed kende, beproefde eens hem kunsten
-te leeren. „Ga op den stok, papje, op den stok!” beval de krijgsman.
-Papje was bepaald verdrietig. Doch plotseling lacht hij luid en zegt:
-„Major auf den Stock, Major!”
-
-„Een ander zijner vrienden had in langen tijd in het huis geen bezoek
-gebracht. Er werd daarover gesproken en men verwachtte, dat Roth, zoo
-heette degeen, naar wien men verlangde, heden wel zou komen. „Da kommt
-Roth”, zei papje plotseling:—hij had uit het venster gezien en den
-verwachte van verre herkend.
-
-„Een zoon des huizes, George, werd na lange afwezigheid verwacht en
-daarover natuurlijk in het huisgezin gesproken. George kwam eerst ’s
-avonds laat aan, toen papje reeds in het donker zijner toegedekte kooi
-sliep. Na de eerste begroeting wendde zich de teruggekeerde tot aller
-lieveling en lichtte het overdek op: „Ah, George, bist du da? Das ist
-schön, sehr schön”, zeide de vogel.
-
-„Hij had bemerkt, dat zijn meester, als hij naar het venster ging,
-dikwijls den rentmeester of Voigt uit den tuin naar boven riep. Zag hij
-nu, dat zijn meester wederom snel naar het venster ging, dan riep hij
-telkens de namen, maar van beiden, daar hij immers niet kon weten, wien
-zijn meester wilde roepen.
-
-„Wat de vogel daarenboven nog heeft gesproken en gedaan, kan ik
-onmogelijk alles mededeelen; hij was een half mensch!....”
-
-.... „Hij floot verwonderlijk, vooral de wijs: „Ich dank dir schon
-durch deinen Sohn”; hij zong ook zeer prachtig: „Das Papchen musz ’mal
-singen” vermaande hij zich zelf, en dan begon hij:
-
- „Perroquet mignon,
- Dis moi sans façon,
- Qu’ a-t-on fait dans ma maison
- Pendant mon absence?
-
-of
-
- „Ohne Lieb und ohne Wein
- Können wir doch leben.”
-
-Nu stelde hij somtijds ook samen:
-
- „Ohne Lieb und ohne maison,
- Können wir doch leben.”
-
-of
-
- „Ein Kusz—sans façon.”
-
-wat hem dan zoo vroolijk maakte, dat hij in een luid gelach uitbrak.”
-
-.... „Papje had een treurig einde. Hij werd aan een oude verwante van
-het huis, die kinds was geworden en den vogel kinderlijk lief had
-gekregen, ten geschenke gegeven. Allen weenden, toen het heerlijke dier
-werd weggedragen; Papje weende wel is waar niet, maar kon toch de
-scheiding van zijn geliefkoosden niet verdragen; weinige dagen later
-was hij dood.”....
-
-.... „Onnoodig zou het zijn”, besluit Brehm (ibid., blz. 26), „om over
-de geestvermogens dezer vogels nog een woord te zeggen. Het
-bovenstaande spreekt voor zich zelf, en zooveel zal wel zelfs den meest
-bevooroordeelde duidelijk zijn, dat hier niet van zoogenaamd onbewust
-instinkt, maar slechts van helder verstand sprake kan zijn!
-
-„Doch niet alleen over het verstand, maar ook over het gemoed van den
-grijzen papegaai [232] zijn aardige waarnemingen bekend geworden. „Een
-vriend van mij”, verhaalt Wood, „bezat een vogel van deze soort, welke
-de liefste en beminnenswaardige pleegmoeder van andere kleine
-hulpbehoevende schepsels was. In den tuin van zijn eigenaar stonden een
-aantal rozestruiken, die door een hek van metaaldraad waren omgeven en
-met dichte slingerplanten dicht omsponnen. Hier nestelden een paar
-vinken, die voortdurend door de inwoners van het huis werden gevoederd,
-daar deze jegens alle dieren vriendelijk gezind waren. De vele bezoeken
-aan het rozeboschje vielen Polly, den papegaai, spoedig in het oog; zij
-zag, hoe daar voeder werd gestrooid en besloot een zoo goed voorbeeld
-te volgen. Daar zij zich vrij kon bewegen, verliet zij spoedig haar
-kooi, bootste den loktoon der oude vinken bedriegelijk na en sleepte
-den jongen hierop den eenen snavel vol met zijn voeder voor, den
-anderen na toe. Haar bewijzen van genegenheid jegens de pleegkinderen
-waren echter den ouden een weinig te onstuimig; onbekend met den
-grooten vogel, vlogen zij verschrikt heên, en Polly zag, dat thans de
-jongen geheel weezen waren geworden en dat voor haar zorgen de wijdste
-speelruimte open was. Van dat oogenblik af weigerde zij in haar kooi
-terug te keeren, bleef veeleer dag en nacht bij haar pleegkinderen,
-voederde ze zeer zorgvuldig en had het genoegen ze groot te brengen.
-Toen de kleinen konden fladderen, gingen zij op den kop en den hals van
-hun pleegmoeder zitten, en dan gebeurde het soms, dat Polly heel deftig
-met haar last rondwandelde. Toch oogstte de papegaai weinig dank in;
-nadat den jongen de slagpennen waren gegroeid, vlogen zij op en weg.”
-
-„De arme Polly gaf eenigen tijd blijken van groot hartzeer, doch
-troostte zich spoedig daarop, daar zij gelegenheid vond haar
-moederlijke gevoelens door de verpleging van andere kleine wezens te
-bevredigen. Zij had jonge grasmusschen opgediept, die door het eene of
-andere ongeval weezen waren geworden. Deze bracht zij één voor één naar
-haar kooi en wist zich werkelijk met hen te verstaan.”
-
-(9) „Microcephale idioten.” Men moet deze wezens scherp van de andere
-idioten onderscheiden. Terwijl het gewone idiotisme moet worden
-verklaard door een ziekelijke misvorming, is het microcephalisme
-waarschijnlijk een atavisme, een terugkeer tot een vroeger type van
-organisatie (vergelijk aanteekening 9, blz. 38). Geboren uit normaal
-gevormde ouders, komen de microcephalen ter wereld met een hoeveelheid
-hersenen, te klein voor een mensch, maar voldoende voor een apenleven.
-[233] Zij zijn menschen door de geboorte, apen door het verstand. De
-kleinheid der hersenen gaat bij de microcephalen gepaard aan een zeer
-groote ontwikkeling van de wenkbrauwbogen, en zij vertoonen op den
-schedel sporen van de zelfde kammen en lijsten, die men op dien der
-volwassen anthropomorphen opmerkt (zeer belangrijk is in dit opzicht de
-vergelijking van de door Vogt in zijne „Vorlesungen über den Menschen”,
-Bd. I, fig. 44 en 45 gegeven, afbeeldingen van den schedel van een
-ouden chimpanzee en Tab. II, XI, XIV, XX van zijn verhandeling „Ueber
-die Microcephalen oder Affen-Menschen”). Terwijl andere idioten voor
-een zekere opvoeding vatbaar, doch dikwijls zeer dof en wezenloos zijn,
-leeren de microcephalen nooit spreken, doch zijn zeer vlug en levendig,
-en bezitten evenals de apen een merkwaardig vermogen van nabootsing.
-
-(10) Deze oplossing van het raadsel door de theorie der
-klanknabootsing, voorgestaan door Farrer en Prof. Moltzer (Taal- en
-Letterbode II, blz. 173), wordt door Max Müller bestempeld met den
-spotnaam bow-bow-theorie. Terecht zegt echter de Groningsche
-Hoogleeraar (ibid., blz. 178): „de taal der kinderwereld is zeer rijk
-aan klanknabootsingen”, en met hem houden wij het voor zeker, dat in
-dit opzicht het kind overeenkomt met den natuurmensch. De oplossing
-zelve is daarmeê echter nog niet gevonden; want een kind dat den hond
-waf-waf noemt, articuleert reeds en het zwaartepunt ligt juist in de
-vraag: „Hoe is de mensch tot het uiten van gearticuleerde geluiden
-gekomen?” Daarop geeft ook de leer der gevoelsklanken of ontboezemingen
-geen voldoend antwoord. De klanknabootsingen zijn als gearticuleerde
-klanken, van te jongen, de ontboezemingen, voor zoover ze
-oorspronkelijk zijn, van te ouden datum. De oorspronkelijke
-ontboezemingen van pijn, toorn, angst, blijdschap enz moeten niet
-anders dan onduidelijke, meest samengestelde vocalen zijn geweest.
-Aau(w)! Ai! â(h)! zijn daarvan juister voorbeelden dan ach! helaas!
-enz. Met de zoogenaamde klankgebaren (Lautgeberde) eindelijk komen we
-tot de ontknooping, hoewel we aan het woord een ruimere beteekenis
-moeten geven dan men tot nog toe heeft gedaan. De geluiden, hier
-bedoeld, komen namelijk daarin overeen, dat zij een gebaar, een geste,
-vergezellen of vervangen. Vooral dit soort van geluiden kan men in de
-kinderkamer onophoudelijk waarnemen, vóórdat de kleinen nog van een
-waf, een boe of een miauw weten. Minder gemakkelijk zijn ze intusschen
-te beschrijven of door graphische teekens voor te stellen. Uw kleine
-telg stoot b.v. zijn hoofd, en daar het genoegzaam zonder pijn afloopt,
-gelukt het u een afleiding te geven aan de dreigende waterlandertjes,
-door te vragen wat er aan scheelt, en ofschoon hij u daarvan geen
-volledig relaas kan geven, deelt hij u mee, dat hij zich heeft
-gestooten, en wel door het gebaar van zijn hoofdje en handje te
-vergezellen met een half gearticuleerd geluid, dat men zou kunnen
-noemen: de kiem van de K. Het min of meer vokaalachtig geluid, dat men
-er bij waarneemt, geeft iets van een zeer korte è of à. De intensiteit
-van die elementaire articulatie hangt af van de energie waarmee zij
-wordt geuit, en bestaat in het meer of minder dichtknijpen van de keel.
-Wanneer het kind, door de eene of andere behoefte of begeerte
-gedrongen, ongeduldig om hulp schreeuwt, krijgt de klank iets meer van
-de echte K. Is er echter meer verveling dan ongeduld in het spel, dan
-wordt het consonantisch element een onvolkomen NG., die echter meer
-neus- dan keelklank is en waarbij de geheele achterholte van den mond
-meêtrilt. Een daarmede overeenkomstig dreunend geluid wordt in het
-voorste gedeelte van den mond gevormd. Men zou het kunnen voorstellen
-door MN, terwijl het door de trilling van den neus, de tanden en de
-lippen wordt voortgebracht en den kleinen dient om bloot te roepen, te
-groeten of de opmerkzaamheid te trekken. Als middel om hun blijdschap
-of vroolijkheid te kennen te geven, gebruiken zij een geluid, dat een
-weinig meer bepaald is en tusschen I en J zweeft, terwijl het een heel
-enkele maal door een duidelijke â wordt gevolgd. Mengt zich nu de
-verveling, die het kind eenige minuten heeft moeten uitstaan, met de
-blijdschap over de eenigszins langzaam volbrachte vragende belofte:
-„Moet-i (moet ze) bij ma-tje komen?” dan hoort men NJ(A) of ook soms
-NGA of GA (fr. g).
-
-Genoeg hierover. De spraakschat onzer zuigelingen is hiermede niet
-uitgeput; maar dat is ook voor ons doel niet noodig. Er moest alleen
-worden aangetoond, dat de consonanten oorspronkelijk inderdaad niet
-anders zijn dan gebaren, wier intensiteit onmiddellijk afhangt van de
-energie, waarmee ze worden voortgebracht. Daar nu deze weer in het
-nauwste verband staat met de ontwikkeling der hersenen [234], zoo is de
-quaestie van het ontstaan der gearticuleerde taal opgelost door aan te
-nemen, dat de eerste onzer articuleerende stamvaders ten opzichte der
-hersenontwikkeling gunstiger bedeeld was dan zijn voorgangers, en wat
-er verder van te onderzoeken blijft, behoort om de zelfde reden tot de
-bevoegdheid der natuuronderzoekers, en niet tot die der taalkundigen.
-
-Wanneer we nu het een en ander aangaande den oorsprong van ons
-spraakvermogen kort samenvatten, dan blijkt:
-
-1o. Dat klanknabootsingen niet den overgang hebben gevormd tot de
-gearticuleerde taal.
-
-2o. Dat deze voorafgegaan moeten zijn door ongearticuleerde
-gevoelsklanken, die de mensch ook op het dierlijkste standpunt moet
-hebben bezeten.
-
-3o. Dat de overgang tusschen die beide waarschijnlijk gevormd is door
-zeer elementaire articuleeringen, die door ontwikkeling der hersenen
-als werktuig der energie allengs volkomener zijn geworden.
-
-Met dat volkomener worden—en vermeerderen—der articuleeringen
-ontstonden de woorden, die door de taalkundigen met den naam wortels
-worden bestempeld, d. z. woordvormen van één lettergreep, waaruit de
-later gevormde woorden zich hebben ontwikkeld. Voorbeelden daarvan,
-zijn i, gaan; ar, ploegen; ad eten; plu, vloeien enz.
-
-Die wortels hadden geen bepaalde beteekenis: een en de zelfde wortel
-diende zoowel om een voorwerp, als om een werking of hoedanigheid aan
-te duiden, terwijl sommigen van hen uitsluitend dienden als
-aanwijzingen. [235] Door allerlei wijziging en vooral door
-samenstelling van die oudste woordelementen zijn van lieverlede de
-echte woorden ontstaan [236], die, door middel van rijzende en dalende
-klemtonen tot volzinnen vereenigd, de taal vormden, in die hoogere
-beteekenis die we tegenwoordig daaraan hechten, terwijl het verschil in
-bodem en klimaat, en vooral volksverhuizingen het onderscheid tusschen
-verschillende talen in het leven heeft geroepen. (Naar Dr. T. M. ten
-Bergen in zijn: „De begrafenis van den Duivel”, Rotterdam, J. H. Dunk,
-1874.)
-
-Sedert ik het bovenstaande schreef, is een geheel nieuw licht op den
-oorsprong der taal geworpen door Dr. C. Abel, in zijn
-„Sprachwissenschaftliche Abhandlungen”, Leipzig, 1885, Abh. VII, waarin
-hij met behulp van zijn Egyptische studiën de grondfout van alle tot
-dusver gedane onderzoekingen daaromtrent blootlegt, welke ligt in de
-valsche onderstelling, dat de taal altijd verstaanbaar zou zijn
-geweest. Aan de hiëroglyphische en koptische taal, die een
-vijfduizendjarige ontwikkeling omvat, en, in den aanvang op het peil
-der natuurvolken staande, aan het einde het standpunt der beschaafde
-volken bereikte, toont hij nu op de meest gelukkige wijze door vele
-voorbeelden van woorden aan, dat de ontwikkelingsgang dezer taal was
-„ein allmähliches Auftauchen aus vagen Ton und Sinn in gesonderten Laut
-und präzisierte Bedeutung.” Ook wat hij in Abh. VIII zegt omtrent den
-„Gegensinn der Urwörter”, dat namelijk oorspronkelijk zeer dikwijls
-twee volkomen tegenovergestelde begrippen (b.v. hooren en doof zijn,
-sterk en zwak enz.) door het zelfde woord worden uitgedrukt, is in dit
-verband hoogst merkwaardig. Evenzoo beteekent b.v. in het Latijn sacer
-zoowel heilig en eerwaardig, als goddeloos en afschuwelijk, imprecari
-zoowel bidden als verwenschen enz. Wij verwijzen verder naar het
-oorspronkelijke.
-
-De gearticuleerde spraak wordt aangeleerd doordat het kind het spreken
-der menschen te midden waarvan het opgroeit, nabootst. Menschen, die
-lang in volslagen eenzaamheid leven, verliezen het spraakvermogen.
-Alexander Selkirk (het prototype van Robinson Crusoë) had na een
-vijfjarig eenzaam verblijf op het eiland Juan Fernandez het
-spraakvermogen bijna geheel verloren. De groote mogol Akbar deed, bij
-wijze van proef dertig kinderen te zamen zoo opvoeden, dat zij niemand
-konden hooren spreken. Geen gearticuleerde tonen, geen taal of spraak
-ontwikkelde zich bij die kinderen.
-
-Ook de verwilderde kinderen (zoogenaamde „wilde” menschen of
-„woudmenschen”, die men herhaaldelijk in Europa en elders heeft
-aangetroffen, en op welke wij in een latere aanteekening uitvoeriger
-terugkomen), spraken niet, brachten geen gearticuleerde tonen voort.
-Dat zij echter als kinderen in de wildernis of in afgelegen bosschen
-zonder hulp van oudere menschen konden opgroeien en in hun voeding
-voorzien, bewijst, dat ook bij de oudste menschengeslachten kinderen
-vroegtijdig den stam hebben kunnen verlaten, en afgescheiden van dezen
-kunnen zijn blijven voortleven en zich voortplanten. Wat in Europa in
-later eeuwen bij hooge uitzondering is geschied (men kent in dat
-werelddeel meer dan zestien gevallen van zulke „woudmenschen”) kan in
-zeer oude tijden zeer veelvuldig zijn voorgekomen en in plaats van
-enkele kinderen kunnen zoo geheele groepen van kinderen, die nog
-slechts enkele woorden konden spreken, zich van hun stam hebben
-afgescheiden en een nieuwe vereeniging hebben gegrond. Of zelfs als zij
-niet spraken, kan zich bij hun afstammelingen zelfstandig een taal
-hebben ontwikkeld. In beide gevallen zou die taal buitengewoon sterk
-afwijken of zelfs volstrekt geen gelijkenis vertoond hebben met die van
-den stam, waartoe zij oorspronkelijk behoorden. Op soortgelijke wijs
-zoekt Horatio Hale (in een verhandeling in Augustus 1886 in de
-anthropologische afdeeling van de „American Association for the
-Advancement of Science” voorgedragen), het ontstaan der verschillende
-groepen van talen, die in wortels en grammaticale structuur geheel van
-elkander afwijken, te verklaren door aan te nemen, dat zij zich hebben
-ontwikkeld uit verschillende onder kinderen ontstane dialecten, nadat
-de nog sprakelooze mensch zich over de aarde had verspreid. Waarom
-eerder onder de kinderen dan onder de volwassen sprakelooze menschen
-het spreken zou zijn ontstaan, zegt hij niet. Wij zouden eer aannemen,
-dat uit een afdeeling kinderen, die zich op zeer jeugdigen leeftijd,
-toen zij nog zeer onvolkomen konden spreken, van een (reeds sprekenden)
-stam afscheidden, een dialect kon ontstaan, dat zoowel in bijna alle
-wortelwoorden als in grammaticale structuur van de taal van den
-moederstam geheel afweek, en later ook de enkele wortels nog
-grootendeels verloor, die het met deze gemeen had. Enkele wortels (b.v.
-pa, ma,) komen zeer algemeen over de geheele wereld verspreid voor en
-hebben juist betrekking op begrippen, die het kind zeer vroeg krijgt.
-Wel is waar noemen enkele volken den vader ma en de moeder pa, maar het
-blijven toch namen van een der ouders.
-
-(11) De heer J. Bikkers, tijdens het verschijnen der eerste uitgaaf van
-dit werk Adjunct-Hoofdonderwijzer aan de Inrichting voor
-Doofstommen-Onderwijs te Rotterdam, heeft mij verzekerd meermalen te
-hebben opgemerkt, dat doofstomme kinderen, wier ouders gebreken in de
-spraak hadden, b.v. lispelden, nadat men ze op kunstmatige wijze
-spreken had geleerd, die zelfde gebreken vertoonden. Deze kinderen
-hadden ze niet kunnen verkrijgen door nabootsing van huns vaders
-spraak, daar zij volkomen doof waren. De heer D. Hirsch,
-Directeur-Hoofdonderwijzer van voornoemde inrichting, deelde mij mede,
-dat J. G., een doofgeboren knaap, bij het spreekonderwijs een
-kortademigheid, „een krampachtige uitademing” vertoonde, welke hij bij
-zijn vader ook had waargenomen, welk gebrek, gedurende de acht jaren,
-welke J. G. aan de inrichting bleef, niet merkbaar werd overwonnen, en
-dat M. de G., een doofgeboren meisje, evenals haar moeder, een
-vooruitstekende onderkaak met groote tanden had, ten gevolge waarvan
-het gedurende de acht jaren, welke zij aan de inrichting vertoefde,
-niet mogelijk was, haar tot die zuivere uitspraak te brengen, welke
-gemiddeld bij doofstommen met normale spraakwerktuigen is te bereiken;
-deze beide gevallen, welke volgens den heer Hirsch met zeer vele zouden
-te vermeerderen zijn, bewijzen ongetwijfeld een erfelijkheid in de
-conformatie der spraakwerktuigen, maar de bijzondere conformatie
-daarvan bij de ouders kan moeielijk worden bewezen een gevolg van het
-gebruik te zijn. Dr. Brester, leeraar aan de H. Burgerschool te Delft,
-deelde mij mede, dat een doofstomme Engelsche knaap, die te Rotterdam
-onderricht in het spreken had genoten, het Nederlandsch met een sterk
-Engelsch accent uitsprak; dit zou ongetwijfeld een prachtig voorbeeld
-zijn van de erfelijkheid van de gevolgen van het gebruik bij de
-spraakorganen; de heer Hirsch schreef mij echter, „dat hij geenszins de
-mogelijkheid wil betwisten, dat een opzettelijk kritisch onderzoek tot
-deze gevolgtrekking zou kunnen leiden, maar wel, dat genoemde
-waarneming wetenschappelijk vertrouwbaar is.” „Ik meen”, schrijft hij,
-„dat men—wetende, dat de knaap van Engelsche afkomst is—het vreemde in
-zijn spraak al te spoedig aan een volkseigenaardigheid heeft
-toegeschreven.” Later is echter in Frankrijk, Engeland en Spanje
-herhaaldelijk opgelet, dat doofstommen die spreken leerden, het accent
-bezaten van de streek, van waar zij afkomstig waren (zie: „Kosmos”, V.
-Jahrgang (1881), Heft II, blz. 387).
-
-(12) In het „Album der Natuur”, 1857, blz. 380, vindt men aangetoond,
-dat ook de bijen elkander verstaan en een taal bezitten.
-
-(13) Zie ook daarover Ferrière, het Darwinisme, in ’t Ned. vertaald
-door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, ’s Hertogenbosch, van Heusden,
-1874, waarin dit onderwerp zeer uitvoerig wordt behandeld.
-
-(14) De priëelvogels zijn Australische vogels. Men onderscheidt vier
-soorten: den grooten priëelvogel, den gevlekten priëelvogel, den
-regentvogel en den satijnvogel. De laatste (Ptilorhynchus holosericeus)
-is de meest bekende. Hij heeft omtrent de grootte eener duif; het
-mannetje is glinsterend blauwzwart, het wijfje olijfkleurig. Zij bouwen
-een soort van kleine priëeltjes, samengesteld uit een vloer van
-dooreengevlochten twijgjes en een zich daarover heên verheffend gewelf,
-op de zelfde wijze gevormd. Zij versieren deze priëeltjes, die hun
-gedurende den paartijd tot tijdelijk verblijf strekken, doch waarin men
-nimmer eieren of jonge vogels aantreft, met allerlei bontgekleurde en
-blinkende voorwerpen, b.v. vederen van papegaaien en andere vogels,
-schelpjes, steentjes, en, als zij ze vinden kunnen, lapjes en snippers
-van gekleurde kleedingstoffen, stukjes blik of glas, enz. Een andere
-priëelvogel (Chlamydera maculata) bouwt met het zelfde doel dergelijke
-lusthoven, die echter aan beide zijden open zijn, en dus meer op onze
-ouderwetsche berceaux gelijken. Deze zijn soms een meter lang, van
-buiten met gras bekleed en van binnen met steentjes bestrooid, en weder
-met allerlei blinkende en bontgekleurde voorwerpen versierd. Wanneer de
-inlanders eenig klein voorwerp, b.v. een pijlspits, missen, zoeken zij
-het gewoonlijk in de nesten van deze beide soorten van vogels en vinden
-het daar dikwijls terug. (Harting, „De Bouwkunst der Dieren”,
-„Vlechters, Mandemakers, Wevers, Vilt- en Tapijtwerkers”, in het „Album
-der Natuur”, 1861, blz. 215, 216.)
-
-(15) Door zendelingen en andere reizigers zijn dikwijls de
-bespottelijkste redeneeringen gehouden om te bewijzen, dat de eene of
-andere wilde stam een denkbeeld van het bestaan van een of meer goden
-had. Zoo zegt Kolben (aangehaald in Sir John Lubbock’s werk „l’Homme
-avant l’histoire”, Fransche vertaling van Barbier, blz. 343), eerst dat
-de Hottentotten „aucun culte constitué” hadden. De oudste schrijvers
-beschouwden wel is waar sommigen hunner dansen als godsdienstige
-plechtigheden, maar deze zienswijze werd formeel tegengesproken door de
-inboorlingen zelven, hetgeen Kolben niet verhindert ons te verzekeren:
-„que c’étaient des actes religieux”, en er naïef bij te voegen: „quoi
-qu’en disent les Hottentots.”
-
-(16) Bij sommige dieren bestaan ongetwijfeld de kiemen van het geloof
-aan geheimzinnige wezens van hoogere natuur. Terecht merkt Carl Vogt
-(„Vorlesungen über den Menschen”, 1863, Bd. I, blz. 294) op: „De hond
-is klaarblijkelijk even bang voor spoken als de Bretagner of de Bask;
-elk verschijnsel dat hem treft en waarover zijn neus hem geen goede
-inlichtingen kan geven, brengt zelfs den moedigsten hond tot uitingen
-van de meest onzinnige vrees. Ik ken een boschje waarin zich volgens de
-overtuiging der boeren des nachts een vurige man ophield; als bewijs
-van het bestaan van dit vuurspook voerden zij aan, dat de honden in dat
-boschje ’s nachts bang waren en dat men honden die daarin ’s nachts
-eenmaal waren geweest, zelfs door slagen er niet meer toe kon krijgen
-om derwaarts terug te keeren. Het spook in welks nabijheid een
-overigens moedige hond zich niet dorst wagen, zelfs al ging zijn
-meester, mijn vader, met hem mede, was een witte, rottende boomstronk,
-die ’s nachts een lichtschijn van zich gaf. De vrees voor het
-bovennatuurlijke, voor het onbekende is de kiem der godsdienstige
-voorstellingen, zij is bij onze intelligente huisdieren, den hond en
-het paard, in hooge mate ontwikkeld. De kiem van deze voorstellingen
-wordt, evenals die van zoovele andere, slechts bij den mensch verder
-uitgewerkt tot een stelsel, tot een geloof. Met het zelfde recht,
-waarmede men het geloof aan iets bovennatuurlijks als een eigenschap
-beschouwt, die alleen aan den menschelijken geest eigen is, zou men
-zulks ook van de wiskunde kunnen beweren. Geen dier kent de wiskunde,
-de meetkunde—maar er zijn dieren, die ongetwijfeld kunnen tellen, al is
-het ook slechts tot weinige cijfers, en dat is de kiem van geheel het
-trotsche gebouw, dat de mensch heeft opgetrokken, en door middel
-waarvan hij de ruimten des hemels en der aarde heeft gemeten. Evenzoo
-bezit geen dier een geloof—maar het bezit de vrees voor het onbekende,
-en is het niet de vrees voor het onbekende, de godvreezendheid, waaruit
-de mensch de godsdiensten heeft ontwikkeld?” Men vergelijke ook het
-door mij vertaalde stukje van Eugène N. S. Ringueberg, „Een
-bijgeloovige hond” in „de Dageraad”, Juni 1883.
-
-De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of Species”,
-Mme Clémence Royer, merkt in haar werk „Origine de l’Homme et des
-Sociétés”, Paris, 1870, blz. 86, zeer juist op: „Partout où nous
-constatons un certain degré d’intelligence et d’activité et la tracé
-d’une communicabilité quelconque entre deux êtres de même espèce, il
-peut exister ce commencement de science spéculative qui s’appelle une
-religion et qui par plusieurs côtés se reliant au sens social et moral,
-l’entrave ou le fortifie selon les cas. Ainsi pour l’animal domestique,
-pour le chien surtout, l’homme est peut-être un Dieu. On ne saurait
-expliquer sans un certain sentiment de vénération, sans une espèce
-d’instinct religieux, la passivité de son obéissance, sa fidélité, son
-dévouement, en dépit même des mauvais traitements. La reine abeille
-doit être un être divin pour sa ruche: lorsque deux reines combattent
-pour l’empire, qui ne peut appartenir qu’à l’une d’elles, nul ne
-trouble leur combat; le peuple attend la décision du sort et adorera la
-divinité victorieuse, tout comme la Grèce antique passait du culte
-d’Uranus au culte du fils qui l’avait mutilé, pour accepter plus tard
-celui de Jupiter, également usurpateur des droits divins de son père.
-Si les fourmis ont un langage descriptif et idéalogique, elles peuvent
-avoir une mythologie où l’homme certainement ne joue pas le beau rôle.
-Ce doit être leur Siwah destructeur, leur Ahriman, leur Moloch.
-L’oiseau, dans son chant matinal, salue peut-être le soleil; Philomèle
-a voué sans doute son culte à la lune et aux étoiles; le pigeon
-voyageur doit être plus fort astronomie que les anciens pasteurs
-chaldéens ou que les pilotes phéniciens s’orientant à travers les
-déserts ou sur les flots de la mer Atlantique d’après l’étoile immobile
-de l’Ourse ou le lever héliaque de Sirius. Si rien de tout cela n’est
-prouvé, rien de tout cela n’est impossible, ni même improbable. Et de
-quel droit vient-on donc affirmer avec beaucoup moins de preuves
-encore, que chez l’homme seul existe l’instinct religieux?”
-
-(17) Over het vraagstuk van den oorsprong van het godsdienstig gevoel
-vergelijke men ons boekje: „Over den oorsprong der Godsdienstige
-Denkbeelden”, Amsterdam, J. F. Sikken, 1883. Wij zoeken den eersten
-oorsprong daarvan met Tito Vignoli („Mito e Science”, Milano, Fratelli
-Dumolard, 1879) daarin, dat het dier, gelijk Vignoli onwederlegbaar
-heeft bewezen (en derhalve moet zulks ook bij de dierlijke stamouders
-van den mensch het geval zijn geweest) bij alle dingen die voor zijn
-waarneming toegankelijk zijn, de onbestemde voorstelling heeft van een
-levend, bewust handelend wezen, dat elk voorwerp, elk verschijnsel voor
-het dier een virtueel willend ding, een levend wezen is, dat evenals
-hij zelf kan gevoelen en begeeren, dat de wereld voor hem een machtig
-samenwerken van levende en willende wezens is, zoodat de onophoudelijke
-stroom der dingen, waarin alles plaats heeft volgens de wetten die hem
-leven en bestaan verzekeren, voor hem slechts een groot drama is,
-gespeeld door vorm bezittende of ook vormlooze, doch altijd werkzame
-wezens, die nu eens tot zijn nut, dan weder tot zijn schade handelen,
-hem wel of kwaad gezind zijn, zich aangenaam of lastig toonen. [237]
-Deze wijze van voorstelling, van welke bij de ruwste natuurvolken van
-den tegenwoordigen tijd nog onmiskenbare sporen in menigte voorhanden
-zijn [238], was natuurlijk nog sterker aanwezig bij onze oudste
-menschelijke voorouders, die nog nauwelijks boven het dier verheven,
-ver beneden de wildste stammen van den tegenwoordigen tijd stonden.
-Zoodra hij zich boven den ontwikkelingstrap der hoogere anthropomorphen
-had verheven, vond dus de nauwelijks ontstane mensch in de
-voorstellingswijze van de buitenwereld welke hij van zijn dierlijke
-voorouders had geërfd, de kiem van een geheele mythologie, waarin de
-voorwerpen zelven (b.v. hemel en aarde, wolken, zon, maan, vuur, donder
-enz.) de goden waren en de ziel niet werd onderscheiden van het
-lichaam.
-
-Zoodra echter het denkbeeld dat er ook levenlooze voorwerpen waren,
-zich bij den mensch had ontwikkeld, zocht hij naar een oorzaak waaraan
-dit leven moest worden toegeschreven, en zoo kwam hij tot de hypothese
-van zielen of geesten, welke het eigenlijk levende zouden zijn dat in
-zijn verbinding met de doode stof aan deze laatste het leven geeft en
-die dikwerf met den adem, den wind, de schaduw enz. werden
-vereenzelvigd. Zoo komen wij tot den ontwikkelingstrap, welke Tylor het
-animisme noemt en als den oudsten vorm van godsdienst beschouwt. Ook
-droomen kunnen hierop grooten invloed hebben gehad, daar de menschen,
-van afgestorvenen droomend, later geloofden dat hun ziel hun was
-verschenen omdat zij wisten dat hun lijk was verrot en toch in geenen
-deele de objectieve realiteit van het gedroomde betwijfelden. [239] Ook
-hallucinaties, zelfs van krankzinnigen, zullen niet zonder invloed zijn
-geweest.
-
-Ware de evolutieleer er nog niet, dan zou men vele bezwaren tegen deze
-verklaring kunnen opwerpen, die ons toeschijnt zeer geleidelijk aan te
-geven op welke wijze de godsdienstige gevoelens zich bij den mensch
-zijn begonnen te ontwikkelen, maar op grond van de evolutieleer kan men
-met groote zekerheid zeggen: zij moeten op natuurlijke wijze allengs
-zijn ontstaan uit psychologische verschijnselen waarvan de kiemen reeds
-bij de dieren moeten zijn waar te nemen.
-
-Angst, egoïsme, onkunde, van de dierlijke voorouders geërfde verkeerde
-voorstelling der buitenwereld, het voor objectief reëel houden van
-droomen en hallucinaties deden, naar het ons voorkomt, het eerste
-geloof (en niet slechts ’t mythisch spraakgebruik) ontstaan aan
-bovenmenschelijke wezens, van wie men afhankelijk was, het
-afhankelijkheidsgevoel dus, de godvreezendheid.
-
-Sluwheid, beter inzicht, macht, egoïsme hielden deze ideeën wakker
-(geestelijken tegenover leeken).
-
-Daarna treedt de symboliek op, waarmede onvermijdelijk het verval van
-den ouden godsdienst (incluis godsbegrip) gepaard gaat—„aus den Ruïnen
-blüht ein neues Leben empor”; rudimenten zijn in menigte aan te toonen;
-evenwel denkt men nu de eenige ware leer te bezitten, „trapt de ladder
-waar men langs is opgestegen, weg”, zoodra men weder vasten grond
-voelt, en vervolgt en veracht de oude oercel (ontwikkeling der hoogere
-godsdienstvormen uit de lagere).
-
-Een schoone zedeleer wordt er in geweven, doch hoewel men zegt die als
-zwaartepunt aan te nemen, als hoofdzaak waarmede het geloof staat of
-valt, is daarvan in de handelingen, niet alleen van de leeken maar ook
-van de geestelijken, slechts al te weinig waar te nemen.
-
-Geloof is bijgeloof, zegt Multatuli.
-
-Geloof is het wezen van allen godsdienst, Prof. Tiele, in de Gids van
-Mei 1884.
-
-Maar bij de dieren vindt men reeds duidelijke sporen van bijgeloof!
-(Vergelijk aant. 16.)
-
-De conclusie is gemakkelijk te trekken!
-
-
-
-
-
-
-
-
-OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,
-
-DOOR
-
-Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN. [240]
-
-
-Zoowel als de mensch, geven vele dieren door geluiden hun aanwezigheid,
-gewaarwordingen en wenschen te kennen. Alleen de mensch brengt echter
-[241] den vorm van het geluid in verband met een voorwerp buiten hem,
-en gaat dan nog verder en brengt het geluid op dergelijke wijze in
-verband met algemeene begrippen en gedachten.
-
-Het is onmogelijk in elk geval uit te maken, waarom een vogel zeker
-geluid maakt; evenmin waarom een mensch die alleen is, zingt (zingen
-hier in de beteekenis genomen van b.v. een deuntje neuriën, zonder de
-woorden uit te spreken, of ten minste op de beteekenis te letten).
-[242] Oorspronkelijk kan beide niets anders zijn dan een levensuiting
-die met geen bepaalde bedoeling wordt gedaan, evenals het rondspringen
-van het kind of het jonge dier. De ervaring verbindt daarmede echter
-feiten die men langzamerhand door het maken van het geluid
-verwezenlijkt tracht te krijgen, hetzij zulks uit overleg of instinkt
-geschiedt. Zulk een spreekuiting van de laagste soort is de loktoon der
-vogels in den herfst. In den zomer verspreiden zich de vogels in
-afzonderlijke families, maar in den herfst, als het voedsel slechts op
-bepaalde plaatsen is te krijgen, of de tocht naar de landen waar zij
-zich ’s winters ophouden, moet worden ondernomen, hebben zij er belang
-bij met de ervaring van allen te rade te gaan, en in zoo groot
-mogelijke scharen te reizen. Hiertoe dient de loktoon, dien de vogelaar
-op verraderlijke wijze misbruikt. Als een sijsje omstreeks dezen tijd
-de elzen afzoekt, verzuimt het niet, intusschen onvermoeibaar een en
-den zelfden toon te laten hooren. Het heeft daarbij geen bepaald doel;
-het maakt geluid omdat het er aandrang toe gevoelt, en de aard van dat
-geluid wordt bepaald door den bouw zijner stemorganen. Dit geluid
-voortbrengen heeft echter voor den vogel een zeer nuttig gevolg, het
-roept als het ware aan de andere sijsjes toe: „Hier is een sijsje!”
-Door den trek naar gezelligheid geleid, komen deze nu naar het eerste
-sijsje toe, maken het zelfde geluid, dat nu echter door hun aantal
-sterker klinkt, en roepen dus vereenigd weder als het ware aan wederom
-andere sijsjes toe: „Hier zijn sijsjes!”
-
-Al moge de vogel ook nooit meer dan dit, en zelfs eigenlijk nauwelijks
-dit willen zeggen, kunnen de anderen door dat geluid nog veel andere
-dingen hooren. Uit het hoe langer hoe meer uit de verte klinken van het
-geluid, hoort de vogel het bericht: „Wij vliegen weg, kom met ons
-mede!”—en als het geluid naderbij komt, zegt het hun: „Daar komen wij
-aan!”
-
-Een dergelijk nuttig gebruik heeft natuurlijk ook de oorspronkelijke
-mensch van zijn stem gemaakt. Als menschen in een bosch elkander hebben
-verloren, roepen zij thans nog dikwijls luid, zonder dat dat geluid op
-zich zelf iets uitdrukt. Nu hebben echter de stemorganen van elk
-individueel mensch een bijzonderen klank, waaraan degeen die hem hoort
-roepen, ook zonder woorden den persoon die roept, kan herkennen. Dit
-geroep in het bosch zegt dus niet alleen: „Hier is een mensch!” maar:
-„Hier is A. of B.!” Tevens drukt ’s menschen stem in nog hoogere mate
-dan die van het dier zijn gemoedstoestand uit. Hij gevoelt een
-natuurlijken aandrang om bij smart te schreien, een klagend geluid te
-maken, bij vreugde te juichen. Als dus twee oorspronkelijke menschen in
-het bosch elkander (zonder nog woorden te bezigen) op bovenvermelde
-wijs riepen, kon hun stem niet slechts uitdrukken: „Hier is A.” maar
-daarenboven: „A. is ginds in het woud zeer blijde” of „A. is ginds in
-het woud zeer treurig”. Daar de verwachtingen en zorgen van die
-oorspronkelijke menschen veel eenvoudiger en minder verscheiden waren
-dan de onze, en hen in het woud vooral het vinden van voedsel verheugd
-en het ontmoeten van een gevaarlijk roofdier (of vijand) verschrikt zal
-hebben, ligt het voor de hand, dat men dit zal hebben verstaan als: „A.
-heeft ginds in het woud voedsel gevonden” en „A heeft ginds in het woud
-een gevaarlijk roofdier (of vijand) aangetroffen”. Welk voedsel hij
-aangetroffen of welk roofdier (of vijand) hij ontmoet had, kon men
-echter niet verstaan, en moest naar hem toe gaan om het te zien als men
-het wilde weten.
-
-Als echter wellicht slechts een enkele eetbare vrucht of een enkel
-schrikverwekkend roofdier in dat woud was voorgekomen, zouden de beide
-kreten voor de familieleden van A. een enger beteekenis hebben gekregen
-en zich zoodanig in hun gedachten hebben kunnen verbinden, dat zij voor
-de familieleden de namen van die vrucht en dat roofdier waren geworden.
-Die namen zouden echter onverstaanbaar zijn geweest voor menschen eener
-andere streek, waar andere vruchten en roofdieren voorkwamen. (Een
-hagedissenliefhebber van het zwarte ras zal op het zien van zulk een
-diertje ook een ander geluid maken dan een blanke jonge dame, en op die
-wijze kan dus al zeer vroeg de kiem zijn gelegd voor een babylonische
-spraakverwarring.)
-
-Ook de als tusschenwerpsels gebezigde uitroepen die de natuur zelve aan
-de menschelijke borst ontlokt, zijn door de gewoonte in onze spraak
-blijven leven en maken in het gewone leven een veel grooter deel
-daarvan uit dan men uit de spraakleer zou meenen, die ze slechts als
-een der tien soorten van rededeelen beschouwt. Deze wijze van
-uitdrukken treedt meer op den voorgrond, naarmate een taal minder
-volkomen is of er een onbeschaafder gebruik van wordt gemaakt, en men
-hoort nu nog het volk dikwijls samenspraken houden, waarbij de eene
-partij zich bijna alleen bedient van tusschenwerpsels, die afwisselend
-bijval, schrik, ongeloof, medelijden, afschuw enz. te kennen geven.
-Zelfs is er nog een overblijfsel van te vinden in de oude Duitsche
-rechtspleging. De wanhoopkreet: „Jo, io” heeft op zich zelf geen
-beteekenis, maar hij die hem hoorde, wist dat er een misdaad werd
-gepleegd en hij verplicht was te helpen. Zoo ontstonden na bijvoeging
-van een woord dat den aard der misdaad uitdrukte, de bekende kreten
-„Dieb-io” en „Mord-io” waarvan de Duitschers nu nog de uitdrukking
-„Mordio roepen” hebben overgehouden.
-
-Dit alles kunnen wij echter nog niet gelijkstellen met een menschelijke
-taal, waarvan men ten minste kan verlangen, dat elk geluid zoo nauw
-verbonden is met het begrip van een handeling of voorwerp, dat elk met
-die taal bekende zich met het geluid ook dadelijk van de beteekenis
-bewust wordt. En zoo staan wij voor de veelbesproken vraag, of er ééne
-oorspronkelijke taal heeft bestaan, met andere woorden, of ooit alle
-menschen de hun bekende voorwerpen met den zelfden naam hebben genoemd
-en de onderlinge betrekking der dingen op de zelfde wijze aangeduid.
-Tegen de laatste bewering voert de vergelijkende taalwetenschap genoeg
-bewijzen aan, daar de verschillende taalstammen der menschen juist
-daarin van elkaar afwijken, dat zij de betrekking waarin de begrippen
-onderling staan, op geheel verschillende wijze uitdrukken.
-
-Er blijft dus slechts in zooverre de mogelijkheid over van een eerste
-algemeene taal, als deze aan de zelfde begrippen de zelfde geluiden zou
-hebben verbonden; maar daar zij elke uitdrukking voor de onderlinge
-betrekking miste, zou zij dan veel armer moeten zijn geweest dan de
-meeste tegenwoordige talen. Dat zulk een taal mogelijk is, bewijst
-onder de oudere talen het Chineesch, dat geen bijzondere vormen voor
-zulke betrekkingen kent, en onder de nieuwere het Engelsch, dat ze voor
-een groot deel weder heeft afgeslepen en over boord geworpen. Dit
-laatste geschiedt het gemakkelijkst bij overbrenging van een taal op
-volken die een andere taal spreken. Het is dan veel gemakkelijker de
-namen der begrippen en dingen te onthouden, dan de meestal verminkte en
-daardoor onherkenbare betrekkingsvormen in zich op te nemen. Deze laten
-wij onwillekeurig zelven weg, als we iemand die onze taal slechts
-weinig kent, iets duidelijk willen maken. Wij noemen dan de
-zelfstandige naamwoorden in den vorm die ons het duidelijkst de
-beteekenis schijnt weêr te geven, en de werkwoorden in de onbepaalde
-wijs, zoodat de onderlinge betrekking alleen aan de opvolging der
-woorden is te herkennen. Zoo heeft het Latijn een overvloed van
-betrekkingsvormen in zijn declinaties en conjugaties en daarbij een
-groote vrijheid van woordvoeging; daarentegen hebben het Fransch en het
-Engelsch slechts een overblijfsel van die vormen en een vaste
-woordschikking.
-
-Tylor geeft ons in een Chineeschen zin het volgende beeld van een oude
-taal. Kou, chi, shi, jen, sse, beteekent woordelijk: „hond, zwijn,
-eten, mensch, voedsel”; maar de Chinees ziet uit de woordschikking dat
-de zin beteekent: honden en zwijnen eten het voedsel der menschen. Ook
-voor de bij ons gebruikelijke vormen van zelfstandig naamwoord,
-bijwoord en werkwoord heeft het klassieke Oud-Chineesch geen
-onderscheidingsteekenen. Thwan beteekent in die taal kogel, rond,
-rondmaken, in het rond zitten, enz., en uit het verband moet blijken
-wat er mede bedoeld is.
-
-Zooals gezegd is, blijft ons dus voor de onderstelde oorspronkelijke
-taal niets over dan een hoeveelheid aan allen gemeenzame geluiden, die
-voor allen met de zelfde begrippen zijn verbonden geweest. Wij moeten
-dus nagaan of deze onderstelling werkelijk kan worden toegepast op alle
-soorten van woorden die wij rededeelen noemen. Onder de woorden welke
-met zelfstandige begrippen zijn verbonden, hebben wij sommigen, die
-grammaticale rededeelen worden genoemd, en welke in geregelde zinnen
-niet kunnen worden gemist, zooals de voorzetsels en de voornaamwoorden.
-Nu zien wij bij vergelijking der talen spoedig, dat deze in nauwen
-samenhang met de betrekkingsuitdrukkingen staan en dat de verschillende
-taalfamiliën zich ook op dit gebied zelfstandig hebben bewogen. Zoo
-heeft het Latijn voor ons woordje „met” een zesden uitgang of naamval,
-vele Slavische talen een zevenden en de laatsten voor ons „in” een
-zesden. [243] Het Chineesch echter heeft daarvoor in het geheel geen
-woorden gehad, maar gebruik gemaakt van den voorhanden voorraad.
-
-Zoo zegt de Chinees in plaats van „een mensch met den stok dooden” op
-zijn wijze „dooden menschen gebruiken stok.” De Mandingo-neger denkt op
-de zelfde manier bij het begrip „ingesloten zijn” aan zijn buik, en
-zegt, in plaats van in huis „huis buik”, en bij het begrip „dragen” aan
-zijn nek, en zegt in plaats van op de tafel „tafel nek”. Zoo zijn dan
-langzamerhand de zelfstandige naamwoorden kous (buik) en kang (nek)
-voorzetsels geworden.
-
-Met de voornaamwoorden zijn de verschillende taalstammen even
-zelfstandig te werk gegaan en de beschaving moet bij sommige volken
-reeds op een vrij hoogen trap van ontwikkeling hebben gestaan, vóór zij
-in de taal werden opgenomen. Zoo gebruikten de Groenlandsche Eskimo’s
-eerst het woordje daar voor den aangesproken en hier voor den eersten
-persoon, de Maleier maakte van het woordje „amba”, dienaar, zijn eerste
-en van „toewan”, heer, zijn tweede persoon. Ook bij kinderen kan men
-opmerken, hoe moeielijk het den ongeoefenden geest valt zich een
-voorstelling te maken van de telkens wisselende betrekking tusschen de
-verschillende personen. Op het schreeuwen, als eenvoudige levens- en
-gevoelsuiting, volgt het verbinden van verschillende geluiden met
-verschillende voorwerpen en personen, maar als een persoon eenmaal een
-bepaalden naam heeft ontvangen, behoudt hij dien voor het kind,
-onverschillig of hij in een gesprek als aangesproken of als sprekende
-persoon voorkomt. Zoo zal het, van zich zelf sprekende, zeggen, „Karel
-geeft dit aan Hans”, maar eerst na eenige jaren zal het in het zelfde
-geval „ik geef het aan u” zeggen. Het kan er zich nog niet indenken,
-dat een zelfde persoon nu eens ik, dan eens gij en dan weer hij kan
-worden genoemd. Over deze moeielijkheid, welke het kind door onzen
-invloed in een paar jaar leert overwinnen, hebben de vroegste menschen,
-die geen opleiding genoten, niet zoo spoedig kunnen heênkomen, en dus
-kunnen wij voor deze ontwikkeling der taal een zeer geruimen tijd
-vaststellen, waarin de menschen echter ver verspreid kunnen zijn
-geraakt en zeer verschillende wegen kunnen hebben ingeslagen om het
-doel te bereiken.
-
-Ook het bezit van grammatikale rededeelen moeten wij dus aan de
-oorspronkelijke taal ontzeggen en zoo kunnen wij ons haar dan niet
-anders meer denken dan als bestaande uit een reeks geluiden, behoorende
-bij begrippen van voorwerpen, handelingen en eigenschappen, dus uit
-zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden.
-Maar ook hiervan moeten wij weder iets loslaten. Het bijvoegelijk
-naamwoord is namelijk òf één met het zelfstandig naamwoord, zooals in
-het Chineesche woord voor kogel, òf ontstaan door verwijzing naar een
-zichtbaar voorwerp ter vergelijking, zoodat eigenlijk alleen het
-daarvoor gebruikte spraakbeeld een zelfstandig deel der taal uitmaakt.
-Zoo vergeleek de Tasmaniër in zijn taal het harde met den steen en het
-ronde met de maan. Uit het spraakgebruik der oude Hebreërs heeft men
-willen afleiden, dat zij kleuren slechts onvolkomen konden waarnemen,
-daar men de zelfde kleur vergelijkenderwijze aan het gras en aan den
-hemel toegekend vond. Inderdaad ligt echter juist in de vergelijking de
-onderscheiding opgesloten en berust ook op de vergelijking het
-toekennen van eigenschappen. Men kan dit zelfs nog aan vele
-Nederlandsche bijvoegelijke naamwoorden zien. De uitgang lijk, Duitsch
-lich, vroeger lîck, steekt in ons woordje gelijk, Duitsch gleich,
-middelhoogduitsch gelîch, maar ook hierin steekt weder het zelfstandig
-naamwoord „lich” (lijk), dat oorspronkelijk lijf (lichaam) beteekent en
-nog voor een dood lichaam wordt gebruikt. Wat wij dus nu kortweg
-heerlijk noemen, moet in oude tijden zeer omslachtig worden uitgedrukt
-door aan te duiden, dat iemand of iets naar het „lijf” of naar het
-uiterlijk een heer, „een heer gelijk” scheen.
-
-Er blijft ons dus niets over dan de mogelijkheid, dat de menschen eens
-allen de voorwerpen en handelingen door de zelfde woorden aanduidden,
-en het is nu de vraag, of er in het wezen der dingen zelf iets lag, dat
-de menschen om zoo te zeggen dwong hen in de onderstelde
-oorspronkelijke taal juist met een bepaalden klank uit te drukken. Bij
-een groep van woorden, zooals „brommen” en „piepen” en de namen van de
-vogels koekoek en kievit schijnt deze onderstelling waarheid te
-bevatten, en men heeft wel eens geloofd, op die natuurtonen en de
-daaruit voortkomende toonschildering de geschiedenis der talen te
-kunnen gronden. Maar ofschoon het zeker is, dat vele woorden zoo zijn
-ontstaan, kan dit toch alleen het geval zijn geweest, waar sprake was
-van voorwerpen en handelingen die met een bepaald geluid in verband
-staan, en daar bovendien door bijna ieder individu het zelfde geluid
-verschillend wordt opgevat en weêrgegeven, kan ook de nabootsing er van
-niet als algemeene regel voor het ontstaan der taal gelden.
-
-Het is nu de vraag hoe de mensch er toe is gekomen om aan de overige
-voorwerpen en handelingen een naam ter onderscheiding te geven.
-Natuurlijk had hij op den laagsten trap zijner ontwikkeling, toen het
-zoeken naar voedsel slechts werd afgewisseld door slapen en rusten, de
-spraak alleen noodig, waar zij voor zijn levensbehoeften dienstig kon
-zijn, b.v. om mede te deelen wat hij met behulp van anderen wilde doen
-of laten, wat hem vreugde of wat hem angst veroorzaakte, en zoodra
-anderen de hiervoor door hem gebruikte geluiden in den zelfden zin
-opvatten en weder gebruikten, werden zij de namen der voorwerpen en
-handelingen, doch deze konden alleen gelden voor degenen die in
-onmiddellijke persoonlijke betrekking tot elkander stonden en leefden.
-Daar deze geluiden allen slechts werden veroorzaakt door een zekeren
-graad van opgewondenheid, is deze natuurlijk ook van invloed geweest op
-de keuze er van, maar dit is geen bewijs voor een (natuurlijke)
-oorspronkelijke eenheid van woorden, daar nauwelijks twee menschen op
-de zelfde wijze uiting geven aan een gevoel van vreugde of angst. De
-keuze van de zelfde geluiden voor de zelfde zaken is dus het gevolg
-geweest van een overeenkomst tusschen de verschillende leden van eene
-kleine groep menschen of familie, en de rang van den spreker was daarop
-van veel invloed. Bevelen en zaken die de jacht betroffen, zullen door
-allen op de zelfde wijze uitgedrukt zijn als de vader, het hoofd der
-familie, dat gewend was te doen, daarentegen trad in den huiselijken
-kring de individualiteit der moeder meer op den voorgrond, en daar het
-kind in dien kring het eerst geluiden en begrippen met elkander leerde
-verbinden, heeft men deze wijze van overleveren met recht de
-„moedertaal” genoemd. Hierdoor wordt ook opgehelderd, dat de zelfde
-naam voor vader en moeder over bijna den geheelen aardbodem verspreid
-is. Deze naam wordt gevormd door de lettergrepen ma-ma, pa-pa, ba-ba,
-ab-ba, ta-ta, at-ta, na-na en dergelijke en is op soortgelijke wijze
-ontstaan, met dit verschil, dat hier het kind de naamgever was. De
-eerste klanken welke het kind onopzettelijk uitbracht, werden op de
-naaste omgeving toegepast, en dat deze over de geheele wereld de zelfde
-zijn, vindt zijn oorzaak in de onontwikkelde stemorganen van het kind,
-dat begint met opzet den adem door de even tevoren nog gesloten lippen
-uit te stooten en daardoor juist die geluiden voortbrengt. Dat het de
-zaak der omgeving was dezen kleinen woordenvoorraad over de naaste
-personen te verdeelen, bewijst de omstandigheid, dat bij sommige volken
-het woordje pa moeder en ma vader beteekent.
-
-Het groote gewicht der keus voor de ontwikkeling eener taal heeft ons
-C. Abel aangetoond bij het oud-Egyptisch, de oudste der ons bekende
-talen. De eerste pogingen tot vorming eener taal kunnen alleen tot het
-ontstaan eener familietaal hebben geleid. Zulke families breidden zich
-echter, vooral als zij een nomadische levenswijze hadden, meer en meer
-uit, en werden kleine volken en stammen. Splitste zulk een familie
-zich, dan behielden de afzonderlijke vertakkingen niet lang meer de
-zelfde taal, daar deze, hoewel in den beginne zeer arm, in den loop der
-tijden hoe langer hoe rijker werd. Zij hielden dan nog slechts eenige
-woorden uit de oorspronkelijke familietaal als gemeenschappelijk
-eigendom over. Nu zijn er twee wijzen waarop zulke families volken en
-staten vormden. In het eene geval sloten de naastbij wonenden den
-vredebond, zooals in de kleine staten van Gothland en IJsland is
-geschied; in het andere onderwierp de eene familie de andere aan het
-vaderlijk gezag van haar hoofd, zooals geschiedde bij de Aziatische
-volken in de oudheid en bij de Russen in de Middeleeuwen. In Egypte
-vonden beide wellicht na elkander plaats. In de vroegste oudheid sloten
-misschien de families welke in naburige gouwen leefden, verbonden,
-terwijl zij bij den aanvang der geschiedenis onder het hoofd van ééne
-gouw vereenigd waren. Het onvermijdelijk gevolg was een onderlinge ruil
-van woorden en een nieuwe keuze uit den nu zoo oneindig veel grooter
-geworden woordenschat.
-
-Bezien wij nu de Egyptische taal in den oudsten ons bekenden vorm, d.i.
-na de vereeniging der families, eenigszins nader, dan geeft zij ons een
-schouwspel tegelijk van grooten rijkdom en diepe armoede te zien, wat
-alleen kan worden verklaard door de boven besproken wijze van
-taalvorming. Haar armoede bestaat hierin, dat haast elk woord een
-groote verscheidenheid van begrippen moet uitdrukken, haar rijkdom
-daarin, dat zij voor bijna iedere zaak een geheelen voorraad
-verschillende namen heeft. Uit een door C. Abel aangevoerd voorbeeld
-zien wij, dat het woord „áb” tegelijk beduidt: dansen, hart, kalk,
-muur, weggaan, verlangen, linkerhand en figuur. Voor het woord „zalven”
-daarentegen heeft het Egyptisch tien, voor andere voorwerpen en
-handelingen nog veel méér verschillende woorden, en terwijl voor alle
-genoemde Nederlandsche woorden nog verscheidene andere uitdrukkingen
-bestaan dan áb, heeft elk der tien Egyptische voor zalven nog een
-menigte andere beteekenissen daarbij. De verzekering dat het
-Oud-Egyptisch overrijk was aan synonymen en homonymen, maakt ons de
-zaak niet veel duidelijker. Maar wel wordt de zaak duidelijk, als wij
-de stelling aannemen, dat niet alle woorden met verschillende
-beteekenissen tegelijk in al die beteekenissen op de zelfde plaatsen
-zijn gebruikt, alsook dat niet overal het zelfde ding gelijktijdig zulk
-een groot aantal namen heeft gehad. Wij hebben hier dus een historisch
-voorbeeld van de ontwikkeling eener volkstaal uit oude familietalen.
-
-Bij de keuze van namen voor de begrippen heeft geen enkele familie zich
-aan de andere gestoord en ging ieder zijn eigen weg. Later kwam de zoo
-verkregen woordvoorraad in omloop bij het verkeer aan de gouwmaaltijden
-en greep een onderlinge ruil plaats; nog later had het zelfde proces op
-veel grooter schaal plaats, en zoo ontstond langzamerhand een taal,
-waarbij men met elk woord veel kon uitdrukken en tevens het zelfde op
-velerlei wijzen kon zeggen, ofschoon in de praktijk zeker niemand dezen
-geheelen woordenschat in zijn macht had. Als wij nagaan, hoe moeielijk
-het moet zijn geweest zich in zulk een taal uit te drukken, bemerken
-wij tevens, hoe onvolkomen de menschelijke taal destijds nog moet zijn
-geweest, ofschoon zij toen ter tijde zelfs reeds werd geschreven. Voor
-den ingewijde laat het Egyptisch schrift geen twijfel over aan de
-uitspraak der woorden, maar dit was bij het overgroot aantal
-beteekenissen niet voldoende. Daarom voegde men achter elk woord nog
-een beeld, dat aanduidde in welke groep van begrippen men het bedoelde
-voorwerp moest zoeken. Teekende men b.v. achter het geschreven woordje
-áb een dier, dan werd er zonder twijfel een kalf mede bedoeld. Waar men
-nu zulke verklarende teekens (bij het schrift) gebruikte, moeten er ook
-bij het spreken noodig en voorhanden zijn geweest.
-
-Dikwijls brachten reeds de omstandigheden mede, dat geen nadere
-verklaring noodig was. Als b.v. de herder zijn meester iets mededeelde,
-wist deze in welken kring van denkbeelden hij de zaken moest zoeken,
-waarover de man met hem wilde spreken. Bovendien speelden de
-gebarentaal en de toon toen een groote rol bij het spreken, waarvan zij
-zelfs nu nog niet geheel afstand hebben gedaan, getuige den maatstaf
-welke het gebruik er van nog aangeeft voor de meerdere of mindere
-beschaving van een spreker. Het gesproken woord was toen om zoo te
-zeggen het signaal, dat aankondigde, dat er een mededeeling, in dit
-geval door een gebaar uitgedrukt, plaats had; later bevatte door
-toedoen van het telkens meer uitkiezen van woorden de uitroep zelf de
-mededeeling en werd het gebaar het er aan toegevoegde, verklarende
-teeken, totdat het eindelijk de taak der meest ontwikkelde talen werd,
-zich alleen in woorden uit te drukken. Ook de toon van spreken moet
-onder de verklarende teekens worden gerangschikt, welke rol hij nu nog
-in de Chineesche en Siameesche talen vervult, waar een woord dikwijls
-verschillende beteekenissen heeft, welke alleen van elkander worden
-onderscheiden door den toon waarop men het uitspreekt. De oorzaak dezer
-homonymie kan niet de eenlettergrepigheid der woorden zijn, daar de
-Thibetaansche taal ontzettend lange woorden bezit, welke in de
-schrijftaal op een dergelijke wijze worden behandeld, daar er namelijk
-als verklaringen een menigte letters aan de woorden voorafgaan, welke
-niet kunnen worden uitgesproken.
-
-Intusschen bleef de Egyptische taal niet staan bij dezen onbegrensden
-rijkdom van woorden. Het eerst begon men zich natuurlijk te beperken in
-de keuze van uitdrukkingen voor zaken welke dikwijls in het openbaar
-verkeer werden genoemd. Zoo zullen de onderworpen stammen b.v. den
-koning niet den bij hen gebruikelijken naam hebben gegeven, maar dien,
-welke bij de heerschende partij in zwang was. Op de zelfde wijze werden
-ook onder de overige woorden meer en meer de meest geschikte en in
-omloop zijnde gekozen en geraakten de andere in vergetelheid. Toen men
-het Oud-Egyptisch begon te schrijven, was deze ontwikkeling der
-volkstaal reeds zoover gevorderd, dat sommige woorden geen homonymen
-meer waren en er nauwelijks meer synonymen voor bestonden. De
-schrijftaal welke tot heilige doeleinden werd gebruikt (de hiëroglyphen
-en het zoogenaamde hiëratische schrift), hield nog het meest aan het
-oude vast, maar in de spreektaal (en naar wij onderstellen, ook in het
-demotische schrift) werd zonder ophouden het zelfde proces voortgezet
-en leidde langzamerhand tot het ontstaan van het Koptisch, dat in een
-tijdsverloop van drie eeuwen zulke veranderingen heeft ondergaan, dat
-de woorden bijna evenals bij ons over de begrippen zijn verdeeld, en
-dat, waar een woord nog verschillende, ofschoon nu nog alleen verwante,
-beteekenissen heeft, deze toch aan de eene of andere kleine
-vormverandering gemakkelijk zijn te herkennen, ongeveer zooals bij ons
-graf, groeve, gracht, het zelfde woord zijn, maar in begrip en vorm een
-weinig verschillen.
-
-De wijze waarop tegenwoordig de talen verspreid zijn, wijst ons op een
-dergelijk ontwikkelingsproces als de Egyptische taal heeft doorloopen.
-Men kan de talen naar de verspreiding in twee hoofdgroepen verdeelen.
-
-Aan den eenen kant breidt zich een taal over een groote oppervlakte uit
-over verschillende volken en stammen. Zoo kan men b.v. dwars door
-Europa gaande, vijftig dagen lang zich alleen met Duitsch verstaanbaar
-maken, aan den anderen kant wisselt bij sommige volken de taal met elke
-dagreis, ofschoon zij tot een en het zelfde ras behooren.
-
-Bij de laatstgenoemden is zij nog veranderlijk en in wording, terwijl
-zij bij de eersten, vergelijkenderwijze gesproken, reeds voltooid is en
-een vasten vorm heeft aangenomen.
-
-Deze beide groepeeringen nu gaan hand aan hand met de verschillende
-wijze van organisatie der Europeanen en Aziaten aan de eene en der
-oorspronkelijke Amerikaansche stammen aan de andere zijde. Bij de
-eersten heeft men geen ongeorganiseerde menschengroepen en bij gevolg
-geen ontluikende en weder verdwijnende familietalen, in Amerika echter
-„staat”, zooals Peschel zich uitdrukt, „de buitengewone verscheidenheid
-van talen in nauwen samenhang met de ongeregelde levenswijze der
-zwervende jagerstammen. Waar daarentegen ordelijke maatschappijen
-bestonden, zooals in het oude Peru, kon de heerschende Quechua-taal
-zich ook over meer dan 20 breedtegraden uitbreiden.” In Brazilië en
-Guiana echter, in de onmiddellijke nabijheid van den ouden Peruaanschen
-Staat, bestaat nu nog de grootst mogelijke spraakverwarring en wordt
-elke taal slechts door een enkel stammetje begrepen, waarin eerst aan
-de kusten door den invloed van zendelingen eenige verbetering is
-gebracht, zoodat nu ééne taal door verscheidene stammen wordt begrepen.
-Zulk een taal echter is nog altijd zeer bewegelijk en verandert
-dikwijls. Peschel voert aan, dat bij kleine stammen dikwijls het zelfde
-plaats grijpt als bij kinderen, die aan verschillende voorwerpen zelf
-gemakkelijk uit te spreken namen geven, welke het huisgezin overneemt,
-en zegt, dat (bij Braziliaansche jagers) dit kinderlijke aanwensel tot
-een gewoonte der volwassenen is geworden, waardoor de afzonderlijke
-stammen niet alleen door de spoedige ontwikkeling van dialecten
-onverstaanbaar worden voor hun vroegere taalverwanten, maar bij hen ook
-ieder uit eigenzinnigheid aan zijn eigen uitspraak vasthoudt. Een
-omstandigheid die veel bijdraagt tot de groote veranderlijkheid der
-taal, is het godsdienstige gebruik om den naam van een overledene niet
-meer te noemen. Zelfs de woorden waarin de zelfde letters voorkomen als
-in den naam van den overledene, mogen een tijdlang niet worden
-gebruikt. Zoodra een taal over een groote uitgestrektheid wordt
-gesproken, bepaalt zich dit tot een zeker tijdsverloop, gedurende ’t
-welk die woorden in zwang blijven bij de families welke niet tot den
-doode in betrekking stonden, om later weêr in het algemeen gebruik te
-worden opgenomen; is er echter alleen van een familietaal sprake, dan
-raken zij in vergetelheid en moeten er nieuwe voor in de plaats worden
-genomen. [244] Dit gebruik heerscht nu nog onder de Papoea’s op
-Nieuw-Guinea, de Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs, de Masai’s en Zoeloe’s
-in Oost-Afrika, de Vuurlanders, Abiponers enz. Bij het laatstgenoemde
-volkje was het de taak der vrouwen nieuwe woorden uit te denken.
-
-Na al het boven gezegde kunnen wij haast met zekerheid de slotsom
-trekken, dat van een algemeene oorspronkelijke taal, waaruit al de
-tegenwoordige talen zich zouden hebben ontwikkeld, geen sprake kan
-zijn, en tevens, dat de taal vorming geheel onafhankelijk is van de
-ontwikkeling en afbakening der rassen. Zoo bestaan b.v. de Grieken
-volgens Lippert den Semieten nader dan den Germanen, maar naar de
-indeeling in taalgroepen behooren zij tot de zelfde groep als de
-laatsten (Indo-Germaansche talen), en niet tot die der eersten. Over de
-taal beslist niet het verschil van ras, maar wel de meestal onbekende
-voorgeschiedenis der volken. Als ten tijde der afscheiding der Ariërs,
-Iraniërs, Kelten enz. het stamvolk der Indo-Germanen nog uit
-jagerstammen had bestaan, zouden de talen der genoemde volken niet
-kunnen wijzen op zulke aanzienlijke overblijfselen uit een
-gemeenschappelijke oude taal als nu het geval is. Daarentegen moeten de
-stamverwante Semieten zich van hen hebben afgescheiden op een tijdstip,
-dat de blanke rassen verkeerden in den zelfden toestand van verdeeling
-in verschillende kleine stammen als nu nog bij sommige Amerikaansche
-volken bestaat.
-
-Op den hoogsten trap harer ontwikkeling gelijkt de taal op een prachtig
-woud van hooge boomen, waar alle takken aan elkander sluiten en op
-uitstekende wijze overal schaduw en licht geregeld verdeeld zijn. Deze
-voorbeeldige toestand is echter slechts het gevolg van een zonder
-ophouden toegepaste uitdunning. In den beginne was hier de grond bedekt
-met een weelderigen plantengroei van alle denkbare soorten van lage
-gewassen. Iedere familie koos naar eigen goedvinden de vormen waardoor
-zij zich verstaanbaar wilde maken. Toen kwam de houtvester, hier de
-overeenkomst tusschen de verschillende groepen, die noodzakelijk was
-geworden door het zich telkens uitbreidende onderlinge verkeer. De
-houtvester koos in de chaotische verwarring de stammetjes uit, waarvan
-het zich liet aanzien, dat zij zich het best staande zouden houden en
-ontwikkelen, en hieuw de overige om. Hierdoor kregen de andere lucht en
-ruimte om zich uit te breiden en verstikten het weder ontkiemende
-onkruid in hun schaduw. Deze echter groeien ook niet allen gelijk op en
-staan nog veel te dicht op elkander, telkens moet de houtvester weder
-de zwaksten verwijderen. Zoo ontstond langzamerhand het bladerdak van
-het volmaakt schoone bosch. Op die wijze heeft de houtvester „verkeer”
-het kreupelbosch der vroegste wortelvorming der taal uitgedund en
-geschift en hebben de overgeblevene krachtige stammen hun takken op
-schijnbaar hoogst regelmatige wijze over het geheele taalgebied
-uitgebreid. Zoo is de taal ontstaan.
-
-Wij kunnen deze vergelijking nog verder uitstrekken. In de eerste jaren
-eener boschontginning wordt het land meestal bedekt met een weelderige
-flora van struiken en kruiden, die weder verdwijnt naarmate de boomen
-die de ontginner er in heeft gezaaid of geplant, opgroeien, totdat
-eindelijk onder het ondoordringbare bladerdak van het bosch geen
-struiken of kruiden meer kunnen opkomen en de eenige aanwas in de
-takvorming der uitverkoren stammen bestaat. Het zelfde heeft plaats met
-de taal, die in den beginne voor elk nieuw begrip een nieuw
-geluidsbeeld gebruikte, al bestond dit soms maar alleen in het gebruik
-van een homonym met een ander accent en een ander gebaar. Dit
-aanhoudende ontstaan van nieuwe wortelwoorden hield echter
-langzamerhand bij onderlinge overeenkomst op, toen de taal vaster
-vormen aannam en de noodzakelijkheid ontstond om bij het uitdenken van
-een naam voor een nieuw voorwerp dezen te doen aansluiten aan een reeds
-voorhanden woord en hem zoo voor het algemeen begrijpelijk te maken,
-daar de taal op dezen trap harer ontwikkeling reeds niet meer
-uitsluitend door een kleinen kring van menschen maar door een geheel
-volk werd gebruikt. Zoo ontstond de woordafleiding, doordat men òf het
-geraamte van het oude woord gebruikte met verandering van klinkers
-[245], òf door de verbinding van woorden tot een samengesteld woord,
-waarvan de bestanddeelen later samengroeiden, de betrekking tusschen
-het oude en nieuwe begrip uitdrukte, zooals het geval was bij het
-vroeger genoemde heer-lijk en dergelijke woorden. [246] Zelfs in ééne
-en de zelfde taal volgde deze woordafleiding echter niet altijd de
-zelfde wetten. Soms verdrong ook een nieuw voorwerp het oude en nam den
-naam daarvan aan, evenals bij het ontstaan der nieuwe wapens en der
-nieuwe versierselen gebeurde.
-
-Tylor geeft ons eenige interessante voorbeelden van de veranderingen
-die de kennismaking met nieuwe voorwerpen in een taal teweegbrengt. Zoo
-noemden de Hidatso’s aan de Missouri, die oorspronkelijk alleen steen
-als grondstof voor wapens kenden, later ijzer en koper, toen zij die
-leerden kennen, ook steen, maar onderscheidden hen als zwartsteen en
-roodsteen. Op Otaheite, waar weinig dieren zijn, was het zwijn het
-voornaamste dier, en de Sioux kenden evenals sommige andere Indianen
-alleen den hond als huisdier. Toen nu de Europeanen het paard
-invoerden, noemden de bewoners van Otaheite het een mandragend zwijn en
-de Sioux een hond, met bijvoeging van een dergelijk kenmerk.
-
-Uit deze voorbeelden zien wij tevens hoe de taal begint namen voor
-abstracte begrippen te vormen, o.a. voor het begrip der soort. Hiervoor
-is reeds een zekere trap van ontwikkeling noodig, daar bij de vroegste
-talen alle dergelijke benamingen ontbreken. De Nieuw-Hollanders hebben
-voor alle boomen, vogels en visschen die zij kennen, een naam, maar zij
-missen een woord voor boom, vogel en visch in het algemeen. Een
-Roodhuidenstam kan zeer goed de verschillende soorten van Amerikaansche
-eiken van elkander onderscheiden, maar een woord voor het begrip „eik”
-in het algemeen kent hij niet.
-
-Het zou niet te verwonderen zijn geweest als de Otaheitiër, toen hij
-meer viervoetige dieren leerde kennen en zich zoodoende langzamerhand
-een begrip vormde van een „viervoetig huisdier” in het algemeen,
-daarvoor den naam „zwijn” gekozen en zoodoende de bestaande betrekking
-tusschen het woord en het begrip verschoven had. [247]
-
-Op de zelfde wijze gaat de taal te werk als zij op het gebied der
-„handeling” onderscheid begint te maken tusschen het concrete en het
-abstracte; de Huronen bijv. hadden geen woord voor „eten”, maar noemden
-deze handeling telkens anders, naarmate van de spijs die zij
-gebruikten. In de Bantoetalen in Afrika heeft het woord voor „weven” de
-beteekenis gekregen van „maken”, en het woord „bârâ”, dat in den bijbel
-wordt gebruikt voor het scheppen van hemel en aarde, beteekent
-eigenlijk „snijden” of „houwen”. Zoo zal ook ons woord „maken” vroeger
-wel een concrete beteekenis hebben gehad, die wij nu niet meer kennen.
-
-Terwijl wij dus zien dat de oorspronkelijke taal een algemeen goed is,
-waarop uit den aard der zaak niemand een bijzonder bezitsrecht kan doen
-gelden, blijkt tevens, dat wij slechts tot op zekere hoogte kunnen
-vertrouwen op de kunst der etymologische woordafleiding. Op een zeker
-punt beginnen de algemeene stellingen waarop de etymologie berust, haar
-grond te verliezen, en verder dan de eenvoudige taalwortels hebben zij
-geen recht van bestaan meer. De Egyptische taal kan voor de keuze van
-37 hiëroglyphisch vastgestelde woorden voor het begrip snijden, geen
-andere reden aanvoeren, dan dat elk geluidsbeeld op zich zelf
-beantwoordt aan ieder begrip waarmede deze of gene het wil verbinden;
-bij de keuze van 10 woorden daaruit, die weder verschillende
-begripsnuances uitdrukken, heeft het Koptisch zich laten leiden door
-het reeds genoemde proces van uitkiezing; waarvan de bijzonderheden
-niet verder kunnen worden nagegaan.
-
-Het schijnt ons toe, dat de in dit opstel uiteengezette theorie
-ongetwijfeld waarde bezit voor de verklaring van het ontstaan der
-spraak en taal, zoo niet om geheel de plaats der andere theorieën in te
-nemen, dan toch daarnevens. Die der klanknabootsing b.v. is volstrekt
-niet met deze in strijd, maar kan er meê samengaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
-LAGERE DIEREN.—VERVOLG.
-
- Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van
- gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige
- leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is
- een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen
- andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen
- worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven
- worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De
- belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde
- maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke
- neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken
- vermelde feiten leiden.
-
-
-Ik beaam ten volle het gevoelen van die schrijvers [248], welke
-beweren, dat van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere
-dieren het zedelijk gevoel of geweten verreweg het belangrijkste is.
-Aan dit gevoel komt, zooals Mackintosh [249] opmerkt, van rechtswege de
-heerschappij toe over alle drijfveêren van de handelingen der menschen;
-het ligt opgesloten in dat korte, maar gebiedende woord plicht, een
-woord zoo vol van hooge beteekenis. Het is het edelste van alle
-kenmerken van den mensch; het brengt hem er toe om zonder een oogenblik
-te aarzelen zijn leven voor een medemensch te wagen, of om het na rijp
-beraad, alleen door zijn diep gevoel van recht gedreven, voor het eene
-of andere groote beginsel op te offeren. Immanuel Kant roept uit:
-„Plicht! wondervolle gedachte, die noch door vleierij, noch door eenige
-bedreiging, noch ook door u dwaselijk op te dringen, maar alleen door
-uw naakte wet aan de ziel te doen hooren, op den mensch inwerkt en zoo
-voor u zelve altijd eerbied, hoewel niet altijd gehoorzaamheid
-afdwingt; gij, voor wien alle zinnelijke lusten verstommen, hoe sterk
-zij zich ook in het geheim mogen verzetten, wat is uw oorsprong?” [250]
-
-Dit groote vraagstuk is door vele schrijvers [251] van erkende
-bekwaamheid besproken en mijn eenige verontschuldiging, dat ook ik het
-waag het te bespreken, is, dat ik het hier onmogelijk onvermeld kan
-laten, en dat niemand, voor zoover ik weet, het nog uit een
-natuurhistorisch oogpunt heeft beschouwd. Daarom is die
-beschouwingswijze op zich zelve van eenig belang, als een proef om te
-zien, in hoeverre de studie der lagere diersoorten licht kan werpen op
-een der hoogste zielsvermogens van den mensch.
-
-De stelling komt mij in hooge mate waarschijnlijk voor, dat elk dier
-dat goed ontwikkelde sociale instinkten bezit [252], ongetwijfeld
-zedelijk gevoel of een geweten zou verkrijgen, zoodra zijn
-verstandelijke vermogens even goed ontwikkeld of bijna even goed
-ontwikkeld waren geworden als die van den mensch. Want eerstens leiden
-de sociale instinkten een dier er toe om behagen te scheppen in het
-gezelschap zijner mededieren, om tot op zekere hoogte medegevoel met
-hen te hebben en hun verschillende diensten te bewijzen. Deze diensten
-kunnen van een beperkten en duidelijk instinktmatigen aard zijn, of er
-kan, zooals bij de meeste hoogere sociale dieren het geval is, slechts
-de wensch en de bereidvaardigheid bestaan om andere dieren op zekere
-algemeene wijzen te helpen. Deze gevoelens en diensten worden echter
-geenszins uitgestrekt tot alle dieren van de zelfde soort, maar alleen
-tot die welke tot de zelfde vereeniging behooren. In de tweede plaats
-zullen, zoodra de geestvermogens hoog ontwikkeld zijn, beelden van alle
-vroegere handelingen en beweegredenen onophoudelijk het brein van elk
-individu doorkruisen, en dat gevoel van onvoldaanheid, dat, zooals wij
-later zullen zien, het gevolg is van elk onbevredigd instinkt, zal even
-dikwijls ontstaan als men bemerkt dat het duurzame en steeds
-tegenwoordige instinkt heeft moeten onderdoen voor een ander instinkt,
-op dat oogenblik krachtiger, maar geen zeer levendigen indruk
-achterlatende. Het is duidelijk dat vele instinktmatige begeerten, b.v.
-van honger, uit haar aard slechts kort van duur zijn en na haar
-bevrediging niet gemakkelijk of levendig in het geheugen worden
-teruggeroepen. In de derde plaats zal, nadat het vermogen om te spreken
-is verkregen en de meeningen van de leden van een zelfde vereeniging
-duidelijk en juist kunnen worden uitgedrukt, het algemeene gevoelen
-over de wijze waarop elk lid moet handelen om het algemeen welzijn te
-bevorderen, natuurlijk voor een groot deel het richtsnoer der
-handelingen worden. De sociale instinkten zullen echter nog steeds den
-eersten stoot geven aan het handelen voor het algemeen welzijn, maar
-die stoot zal versterkt, bestuurd, ja soms van richting veranderd
-worden door de publieke opinie, waarvan de macht, zooals wij zullen
-zien, op instinktmatig medegevoel berust. Eindelijk zal niet alleen
-gehoorzaamheid aan de wenschen en het oordeel van het publiek, maar ook
-de individueele gewoonte ten laatste een zeer belangrijk aandeel
-verkrijgen in het besturen van het gedrag van elk lid; want de sociale
-instinkten of aandriften zullen evenals alle andere instinkten zeer
-versterkt worden door gewoonte. Deze verschillende ondergeschikte
-stellingen moeten nu besproken worden en sommigen er van zeer
-uitvoerig.
-
-Het zal goed zijn eerst de verklaring af te leggen, dat ik niet wil
-beweren, dat eenige strikt sociale diersoort, als haar verstandelijke
-vermogens even werkzaam en even hoog ontwikkeld waren als die van den
-mensch, ook juist het zelfde zedelijk gevoel zou verkrijgen als wij. Op
-de zelfde wijze als verscheidene dieren eenig schoonheidsgevoel
-bezitten, hoewel zij uiterst verschillende zaken bewonderen, zouden zij
-ook een gevoel van goed of kwaad kunnen bezitten, hoewel dat hen
-aandreef om uiterst verschillende gedragslijnen te volgen. Indien,
-b.v., om een uiterste te noemen, de mensch onder volkomen de zelfde
-voorwaarden was opgevoed als de honigbijen, kan men nauwelijks
-betwijfelen, of onze ongehuwde vrouwen zouden het, evenals de
-werkbijen, voor een heiligen plicht houden, haar broeders te dooden, en
-moeders zouden haar vruchtbare dochters trachten te vermoorden, zonder
-dat iemand er over dacht om tusschenbeide te komen. (1) Toch zou de
-bij, of eenig ander sociaal dier, in het door ons onderstelde geval
-eenig gevoel van goed of kwaad of een geweten verkrijgen. Elk individu
-toch zou zich bewust worden, dat het sommige sterkere en meer duurzame
-instinkten bezat, en andere, die minder sterk of duurzaam waren; zoodat
-er dikwijls een strijd zou ontstaan over de vraag, welke aandrift moest
-worden gevolgd; en als vroegere indrukken, gedurende hun onophoudelijk
-voor den geest kruisen, met elkander werden vergeleken, zou het zich
-voldaan of onvoldaan gevoelen. In dit geval zou een inwendige stem het
-dier zeggen, dat het beter zou zijn geweest de eene aandrift te volgen
-dan de andere. Die eerste aandrift te volgen zou plicht zijn geweest:
-die eerste aandrift zou goed en de andere slecht zijn geweest; maar op
-deze woorden zal ik moeten terugkomen.
-
-
-
-Het gezellige leven. Verscheidene diersoorten leven gezellig; soms
-leeft zelfs meer dan ééne soort gezellig te zamen, zooals met sommige
-Amerikaansche apen en met de vereenigde vluchten van roeken, kauwen en
-spreeuwen het geval is. De mensch toonde het zelfde gevoelen in zijn
-sterke liefde voor den hond, die de hond met belangstelling
-beantwoordt. Iedereen moet hebben opgemerkt, hoe ongelukkig paarden,
-honden, schapen enz. zijn, als zij van hun makkers worden gescheiden,
-en hoeveel genegenheid ten minste de beide eerste diersoorten voor
-elkander toonen als zij vereenigd zijn. Men kan merkwaardige
-bespiegelingen maken over de gevoelens van een hond, die met zijn
-meester of iemand van diens gezin uren lang rustig in de kamer blijft
-liggen, hoewel men zich volstrekt niet met hem bemoeit, doch droevig
-blaft en huilt, als men hem een oogenblik alleen laat. Wij zullen onze
-aandacht bepalen tot de hoogere sociale dieren, met uitsluiting van de
-insekten, hoewel deze elkander op vele belangrijke wijzen helpen. De
-meest algemeene dienst dien de hoogere dieren elkander bewijzen, is het
-waarschuwen voor gevaar door middel van de zintuigen van allen. Ieder
-jager weet, zooals Dr. Jaeger opmerkt [253], hoe moeilijk het is
-dieren, die in een troep of kudde bijeen zijn, te naderen. Wilde
-paarden en rundvee geven, geloof ik, volstrekt geen bijzonder teeken om
-voor gevaar te waarschuwen, maar de houding van den eersten die een
-vijand ontdekt, waarschuwt de anderen. Konijnen waarschuwen voor gevaar
-door met hun achterpooten luid op den grond te stampen; schapen en
-gemzen doen het zelfde met de voorpooten en uiten daarbij tevens een
-fluitend geluid. Vele vogels en sommige zoogdieren zetten schildwachten
-uit, waarvoor, naar men zegt, bij de zeehonden gewoonlijk de wijfjes
-worden gebruikt. [254] De aanvoerder van een troep apen handelt als een
-schildwacht, maakt geluiden, zoowel om gevaar als om veiligheid uit te
-drukken. [255] Sociale dieren bewijzen elkander vele kleine diensten;
-paarden beknabbelen en koeien likken elkander op plaatsen die hen
-jeuken; apen luizen elkander, en Brehm getuigt, dat, wanneer een troep
-apen van een zekere soort (Cercopithecus griseoviridis) een dicht
-doornachtig kreupelbosch zijn doorgetrokken, elke aap op een tak gaat
-liggen, waarop een andere aap bij hem komt zitten, zijn haar zeer
-„conscientieus” doorzoekt, en elken doorn of stekel er uithaalt.
-
-Dieren bewijzen elkander ook belangrijke diensten; zoo jagen wolven en
-sommige andere roofdieren in troepen, en helpen elkander om hun
-slachtoffers aan te vallen. Pelikanen visschen gezamenlijk. De
-Hamadryas-bavianen keeren steenen om, om insekten te vinden, en als zij
-aan een bijzonder grooten steen komen, gaan er zoovelen van hen
-daaromheên staan, als de plaats toelaat, en daarna deelen zij den buit.
-Sociale dieren verdedigen elkander wederkeerig. De mannetjes van
-sommige herkauwende dieren begeven zich, als er gevaar is, in de
-voorhoede en verdedigen de kudde met hun horens. In een volgend
-hoofdstuk zal ik gevallen mededeelen van twee jonge stieren die
-gezamenlijk een ouden stier aanvielen, en van twee hengsten die te
-zamen beproefden een derden hengst van een troep merries weg te
-drijven. Brehm ontmoette in Abessinië een grooten troep bavianen die
-een vallei doortrokken; sommige hadden den berg aan de andere zijde
-reeds beklommen en andere waren nog in de vallei; deze laatste werden
-door honden aangevallen, maar de oude mannetjes klommen dadelijk in
-allerijl de rotsen weder af en brulden zoo vreeselijk met open muil,
-dat de honden overhaast de vlucht namen. Zij werden aangehitst om den
-aanval te hervatten; maar in dien tusschentijd waren al de bavianen
-weder op de hoogte geklommen, uitgenomen één jong van omtrent zes
-maanden oud, dat, luid om hulp schreeuwende, op een rotsblok klom en
-werd omsingeld. Daarop klom één van de grootste mannetjes, een waar
-held, weder van den berg af, liep langzaam naar het jong toe,
-liefkoosde het, en nam het zegepralend mede, terwijl de honden te
-overbluft waren om aan te vallen. Ik kan geen weêrstand bieden aan den
-lust om nog een ander tooneel mede te deelen, dat door den zelfden
-natuuronderzoeker werd waargenomen; een arend greep een jongen
-Cercopithecus, die, omdat hij zich aan een tak vastklemde, niet opeens
-werd medegevoerd; hij schreeuwde luid om hulp, waarop de overige leden
-van den troep met groot misbaar tot ontzet aanrukten, den arend
-omringden en hem zooveel vederen uitrukten, dat hij niet langer dacht
-om zijn prooi, maar alleen hoe hij zou ontsnappen. Deze arend zal,
-zooals Brehm opmerkt, wel nooit meer een aap uit een troep hebben
-aangevallen.
-
-Het is zeker, dat sociale dieren die tot ééne vereeniging behooren,
-voor elkander een gevoel van liefde hebben, dat volwassen niet-sociale
-dieren niet bezitten. In hoever zij in de meeste gevallen medegevoel
-hebben voor elkanders verdrietelijkheden en genoegens, is
-twijfelachtiger, vooral ten opzichte van de laatste. De heer Buxton
-echter, die uitnemende gelegenheid tot waarneming bezat [256], getuigt,
-dat zijn papegaaien, die te Norfolk in vrijen staat leefden, „een
-buitensporig belang” stelden in een paar met een nest, en dat, wanneer
-ook het wijfje het verliet, zij werd omringd door een troep, die
-afgrijselijke toejuichingen te harer eere uitgilden. Het is dikwijls
-moeilijk om te beoordeelen in hoeverre dieren eenig gevoel voor
-elkanders lijden hebben. Wie kan zeggen, wat koeien gevoelen, als zij
-een stervenden of dooden makker omringen en stijf aanstaren? Dat dieren
-soms volstrekt geen medelijden met elkander hebben, is maar al te
-zeker; want zij zullen een gewond dier uit hun kudde verdrijven, of
-doodsteken of plagen. Dit is bijna het zwartste feit in de natuurlijke
-geschiedenis, tenzij de verklaring, die men er van heeft gegeven,
-inderdaad de ware is, dat namelijk hun instinkt of verstand hen
-aandrijft om een gekwetsten makker te verdrijven, uit vreeze dat
-roofdieren, de mensch niet uitgezonderd, zouden worden verlokt om de
-kudde te volgen. In dit geval is hun gedrag niet veel erger dan dat van
-de Noord-Amerikaansche Indianen, die hun zwakke stamgenooten in de
-prairiën achterlaten om daar te sterven, of dat van de
-Fidsji-eilanders, die hun ouders, als zij oud of ziek zijn geworden,
-levend begraven. [257]
-
-Vele dieren hebben echter ongetwijfeld medegevoel voor elkanders
-ongeluk of gevaar. Dit is zelfs bij vogels het geval; kapitein
-Stansbury [258] vond in een zoutmeer in Utah een ouden en geheel
-blinden pelikaan, die zeer vet was, en gedurende langen tijd door zijn
-metgezellen goed moest zijn gevoerd. De heer Blyth deelt mij mede, dat
-hij heeft gezien, dat Indische kraaien twee of drie hunner makkers, die
-blind waren, voedden; en ik heb een dergelijk geval gehoord van het
-gewone hoen. Wij kunnen deze handelingen, als wij willen, instinktmatig
-noemen, maar zulke gevallen zijn veel te zeldzaam voor de ontwikkeling
-van eenig bijzonder instinkt. [259] Ik heb zelf een hond gezien, die
-een vriendin van hem, een kat, die ziek in een mand lag, nooit
-voorbijging zonder haar eens of meermalen met zijn tong te likken, het
-zekerste bewijs van vriendschap bij een hond.
-
-Het gevoel, dat een moedigen hond er toe brengt om iedereen die zijn
-meester slaat, aan te vliegen, zooals hij ongetwijfeld zal doen,
-verdient den naam van medegevoel (sympathie). Ik zag iemand, die zich
-hield, alsof hij een dame wilde slaan, die een zeer vreesachtig hondje
-op haar schoot had, en deze proef was nog nooit genomen. Het kleine
-schepsel sprong dadelijk weg, maar, nadat de voorgewende slag was
-gegeven, was het wezenlijk aandoenlijk te zien, hoe lang het het
-gezicht van zijn meesteres likte, en haar trachtte te troosten. Brehm
-[260] zegt, dat, als hij een van de bavianen die hij in gevangen staat
-bezat, vervolgde om hem te straffen, de anderen dezen trachtten te
-beschermen. Het moet in de bovenvermelde gevallen medegevoel zijn
-geweest, dat de bavianen en Cercopitheci er toe bracht om hun jonge
-kameraden tegen de honden en den arend te verdedigen. Ik wil nog
-slechts één enkel ander voorbeeld aanhalen, namelijk het medelijdend en
-heldhaftig gedrag van een kleinen Amerikaanschen aap. Verscheidene
-jaren geleden vertoonde een oppasser in den Londenschen dierentuin mij
-eenige diepe en nauwelijks genezen wonden in den nek, die hem door een
-kwaadaardigen baviaan waren toegebracht, terwijl hij op den grond
-knielde. Het Amerikaansche aapje, dat een warm vriend van zijn oppasser
-was, bevond zich in de zelfde kooi, en was verbazend verschrikt van den
-grooten baviaan. Zoodra het echter zag, dat zijn vriend, de oppasser,
-in gevaar verkeerde, snelde het te hulp, en door zijn gegil en zijn
-beten bracht het den baviaan zoo in de war, dat de man in staat was te
-ontsnappen, na, volgens de meening van den heelmeester die hem
-verzorgde, groot levensgevaar te hebben geloopen.
-
-Behalve liefde en medegevoel vertoonen dieren nog andere hoedanigheden
-die bij ons zedelijk zouden worden genoemd, en ik ben met Agassiz [261]
-eens, dat honden iets bezitten, dat zeer sterk op een geweten gelijkt.
-(2) Zij bezitten ongetwijfeld eenig vermogen van zelfbeheersching, en
-dit schijnt niet geheel en al een gevolg van vrees te zijn. Zooals
-Braubach [262] opmerkt, zal een hond zich weêrhouden voedsel te stelen
-bij afwezigheid van zijn meester. Honden zijn lang beschouwd als het
-eigenlijke type van getrouwheid en gehoorzaamheid. Doch de olifant is
-eveneens zeer getrouw aan zijn kornak of oppasser, en beschouwt hem
-waarschijnlijk als den aanvoerder van de kudde. Dr. Hooker meldt mij,
-dat een olifant waarop hij in Indië reed, zoo diep in het slijk zonk,
-dat hij bleef vastzitten tot den volgenden dag, toen hij er door
-menschen met touwen werd uitgehaald. In dergelijke gevallen grijpen
-olifanten met hun snuit alle voorwerpen, dood of levend, om ze onder
-hun knieën te plaatsen om daardoor te voorkomen, dat zij dieper in het
-slijk zinken; en de kornak was vreeselijk bang, dat het dier Dr. Hooker
-zou grijpen en dooddrukken. Maar de kornak zelf liep, naar men Dr.
-Hooker verzekerde, volstrekt geen gevaar. Dit gedrag bij een voor een
-zwaar dier zoo vreeselijk ongeval, is een verwonderlijk bewijs van
-edele trouw. [263]
-
-Alle dieren die in troepen leven, elkander verdedigen en hun vijanden
-gezamenlijk aanvallen, moeten tot op zekere hoogte elkander getrouw
-zijn, en die welke een aanvoerder volgen, moeten tot op zekere hoogte
-gehoorzaam zijn. Als de bavianen in Abessinië [264] een tuin plunderen,
-volgen zij zoo stil mogelijk hun aanvoerder, en als een onvoorzichtig
-jong dier gedruisch maakt, krijgt het van de anderen een oorveeg om het
-stilte en gehoorzaamheid te leeren; maar zoodra zij zeker zijn dat er
-geen gevaar is, toonen allen hun vreugde door een luid geschreeuw.
-
-De heer Galton, die uitstekend in de gelegenheid is geweest om de
-halfwilde runderen in Zuid-Afrika waar te nemen, zegt [265], dat zij
-zelfs een zeer korte scheiding van de kudde niet kunnen verdragen. Zij
-zijn zeer slaafsch, volgen na wat de anderen doen en zoeken geen beter
-lot dan om te worden geleid door den eersten den besten stier die
-zelfvertrouwen genoeg heeft om de positie aan te nemen. De mannen die
-deze dieren vangen om er trekossen van te maken, geven vlijtig acht op
-die, welke door afzonderlijk te grazen bewijzen dat zij zelfvertrouwen
-bezitten, en deze dresseeren zij om deel uit te maken van het voorste
-span ossen. De heer Galton voegt er bij, dat dergelijke dieren zeldzaam
-en kostbaar zijn, en, als er vele werden geboren, zouden zij spoedig
-worden opgeruimd, daar de leeuwen altijd loeren op de individu’s, die
-zich van de kudde verwijderen.
-
-Wat de oorzaak aangaat, die sommige dieren aandrijft om gezellig te
-leven en elkander op vele wijzen te helpen, mogen wij aannemen, dat zij
-in de meeste gevallen worden aangedreven door het zelfde gevoel van
-voldoening of genoegen, dat zij ondervinden bij het volbrengen van
-andere instinktmatige handelingen; of door het zelfde gevoel van
-onvoldaanheid, als in andere gevallen, waarin instinktmatige
-handelingen worden verhinderd. Wij zien zulks in tallooze voorbeelden,
-en het wordt op treffende wijze aangetoond door de instinkten die onze
-huisdieren na hun temming hebben verkregen; zoo schept een jonge
-schaapherdershond er behagen in om een kudde schapen te drijven en om
-dezelve heên te loopen, maar niet om hen te plagen; een jonge voshond
-houdt veel van de vossenjacht, terwijl ik heb opgemerkt, dat sommige
-andere hondenrassen volstrekt geen acht op vossen slaan. Wat moet het
-gevoel van inwendige voldoening sterk zijn bij een vogel, een wezen zoo
-vol bewegelijkheid, als hij den eenen dag voor en den anderen na zijn
-eieren zit uit te broeden. Trekvogels gevoelen zich ongelukkig, als men
-hun belet weg te trekken, en wellicht hebben zij veel genoegen als zij
-hun langen tocht aanvangen. Het is echter moeilijk te gelooven, dat de
-arme gekortwiekte gans welke Audubon heeft beschreven, die, toen de
-tijd van trekken daar was, te voet vertrok voor haar reis van
-waarschijnlijk meer dan duizend mijlen, eenig genoegen in haar
-handeling zal hebben gehad.
-
-Eenige weinige instinkten zijn het gevolg van uitsluitend onaangename
-gewaarwordingen, zooals van vrees, die tot zelfbehoud leidt of meer in
-’t bijzonder tegen bepaalde vijanden is gericht. Niemand kan, geloof
-ik, het gevoel van genoegen of van smart ontleden. In vele gevallen is
-het echter waarschijnlijk, dat instinkten voortdurend worden gevolgd
-alleen krachtens de overerving, zonder den prikkel van genoegen of
-smart. Als een jonge staande hond, voor de eerste maal wild ruikende,
-staan blijft, is het duidelijk, dat hij zulks onbewust doet. Als een
-eekhoorn in een kooi op de noten klopt, die hij niet kan eten, even
-alsof hij ze in den grond wilde begraven, kan men moeilijk aannemen,
-dat hij daartoe door genoegen of smart wordt aangedreven. De gewone
-meening, dat de mensch tot iedere handeling moet worden aangedreven
-door het ondervinden van eenig genoegen of eenige smart, zou daarom wel
-een dwaling kunnen zijn. Hoewel een gewoonte soms blindelings en
-onvoorwaardelijk moge worden gevolgd, onafhankelijk van eenig dadelijk
-gevoel van genoegen of smart, ondervindt men toch, als die gewoonte
-plotseling met geweld wordt tegengegaan, over het algemeen een
-onbestemd gevoel van onvoldaanheid; en dit is vooral het geval bij
-verstandelijk weinig ontwikkelde personen.
-
-Men heeft dikwijls beweerd, dat dieren eerst een gezellige levenswijze
-aannamen, en dat zij het, als een gevolg daarvan, onaangenaam vonden
-van elkander te scheiden en er behagen in schepten om bij elkander te
-zijn; het is echter waarschijnlijker, dat deze laatste gevoelens het
-eerst werden ontwikkeld, en dat, als een gevolg daarvan, de dieren voor
-welke het gezellige leven voordeelig was, er toe kwamen in gezelschap
-te leven. Op de zelfde wijze werden ongetwijfeld het gevoel van honger
-en de aangename gewaarwordingen bij het eten eerst verkregen om
-daardoor de dieren aan te drijven om te eten. Het gevoel van behagen in
-gezelschap is waarschijnlijk een uitbreiding van de ouderlijke of
-kinderlijke liefde, en deze uitbreiding moet voornamelijk worden
-toegeschreven aan natuurlijke teeltkeus, maar waarschijnlijk
-gedeeltelijk alleen aan gewoonte. Want bij die dieren voor welke het
-voordeelig was gezellig te leven, ontsnapten de individu’s die het
-meest behagen schepten in gezelschap, ook het best aan allerlei
-gevaren; terwijl zij die het minst omzagen naar metgezellen en eenzaam
-leefden, in grooter getal omkwamen. Bespiegelingen te maken over den
-oorsprong van de ouderlijke en kinderlijke liefde, die de grondslag der
-sociale genegenheid schijnen te zijn, is een hopelooze zaak; maar wij
-mogen aannemen, dat zij voor een groot deel door natuurlijke teeltkeus
-zijn verkregen. (3) Het is bijna zeker, dat ook het ongewone en
-tegenovergestelde gevoel van haat tusschen de naaste betrekkingen,
-zooals bij de werkbijen, die hun broeders de darren (4), en bij de
-bijenkoninginnen, die haar vruchtbare dochters ombrengen, op de zelfde
-wijze is verkregen; want in dit geval strekte de aandrift om haar
-naaste betrekkingen te dooden, in plaats van ze lief te hebben, aan het
-gemeenebest tot voordeel. Ouderliefde of een of ander gevoel dat de
-plaats daarvan inneemt, heeft zich ontwikkeld bij sommige dieren die
-uiterst laag in de reeks staan, bij voorbeeld bij zeesterren en
-spinnen. Zij bestaat somtijds ook alleen bij eenige weinige leden van
-een geheele groep van dieren, zooals in het geslacht (genus) Forficula
-of der Oorwormen.
-
-De hoogst belangrijke aandoening van medegevoel (sympathie) is zeer
-onderscheiden van die der liefde. Een moeder moge haar slapend en
-lijdelijk kind hartstochtelijk liefhebben, men kan moeielijk zeggen,
-dat zij er sympathie voor gevoelt. De liefde van een man voor zijn hond
-is onderscheiden van medegevoel, en evenzoo die van den hond voor zijn
-meester. Adam Smith beweerde indertijd, evenals de heer Bain onlangs,
-dat de grondslag van het medegevoel daarin is gelegen, dat wij ons
-vroegere aangename of onaangename toestanden levendig herinneren. Van
-daar „roept het gezicht van een ander persoon, die honger of koude
-lijdt of vermoeid is, die toestanden, waarvan zelfs de gedachte ons
-onaangenaam aandoet, in ons geheugen terug.” Wij worden daardoor
-aangedreven om het lijden van anderen te verzachten, opdat ook onze
-eigen onaangename aandoeningen zouden worden verzacht. Op de zelfde
-wijze komen wij er toe om in het genoegen dat anderen smaken, te
-deelen. [266] Ik kan echter niet inzien, hoe deze beschouwingswijze het
-feit verklaart, dat ons medegevoel in oneindig hoogere mate wordt
-opgewekt door een bemind, dan door een onverschillig persoon. Het
-gezicht alleen van het lijden zou, onafhankelijk van liefde, voldoende
-zijn om levendige herinneringen en gedachtenverbindingen in ons op te
-wekken. De verklaring ligt wellicht daarin, dat bij alle dieren het
-medegevoel alleen wordt gevoeld voor alle leden der zelfde vereeniging,
-en dus voor bekende en meer of min beminde individu’s, maar niet voor
-alle individu’s van de zelfde soort. Dit feit is niet verwondelijker
-dan dat vele dieren slechts vrees gevoelen voor bijzondere vijanden.
-Soorten die niet gezellig (sociaal) zijn, zooals leeuwen en tijgers,
-voelen ongetwijfeld medegevoel voor het lijden van hun eigen jongen,
-maar niet voor dat van eenig ander dier. Bij den mensch bevorderen
-eigenbelang, ondervinding en zucht tot nabootsing, zooals de heer Bain
-heeft aangetoond, ongetwijfeld het medegevoel; want de hoop om op onze
-beurt goed te worden behandeld, drijft ons aan om anderen op
-sympathieke en vriendschappelijke wijze te behandelen; en het kan niet
-worden betwijfeld, dat het medegevoel door de gewoonte zeer wordt
-versterkt. Op hoe samengestelde wijze een gevoel ook moge zijn
-ontstaan, zal het toch, wanneer het van hoog belang is voor al die
-dieren welke elkander helpen en beschermen, door natuurlijke teeltkeus
-zijn vermeerderd; want die vereenigingen die het grootste aantal
-medegevoel bezittende leden bevatten, zullen het meest bloeien en de
-grootste nakomelingschap achterlaten.
-
-In vele gevallen is het volkomen onmogelijk om te beslissen, of sommige
-sociale instinkten zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, dan wel,
-of zij het indirecte gevolg zijn van andere instinkten en vermogens,
-zooals van medegevoel, rede en neiging tot nabootsing; of dat zij
-eindelijk eenvoudig het gevolg zijn van lang voortgezette gewoonten.
-Zulk een merkwaardig instinkt als dat om schildwachten uit te zetten om
-de vereeniging voor gevaar te waarschuwen, kan moeilijk het indirecte
-gevolg zijn geweest van eenig ander vermogen; het moet daarom
-rechtstreeks zijn verkregen. Van den anderen kant is wellicht de
-gewoonte van de mannetjes van sommige sociale dieren om de vereeniging
-te verdedigen of gemeenschappelijk hun vijand of hun prooi aan te
-vallen, oorspronkelijk uit wederkeerig medegevoel ontstaan; maar eerst
-moeten moed en in de meeste gevallen ook kracht zijn verkregen,
-waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus.
-
-Van de verschillende instinkten en gewoonten zijn sommige veel sterker
-dan andere, dat wil zeggen, sommige geven òf meer genoegen wanneer men
-er gehoor aan geeft, en meer smart, wanneer men wordt verhinderd ze te
-volgen, òf, hetgeen waarschijnlijk even belangrijk is, zij worden door
-overerving standvastiger gevolgd zonder eenig bijzonder gevoel van
-genoegen of smart te veroorzaken. Wij zijn ons zelven bewust, dat
-sommige gewoonten moeilijker na te laten of te veranderen zijn dan
-andere. Van daar kan men bij dieren dikwijls een strijd tusschen
-verschillende instinkten of tusschen instinkt en eenige door gewoonte
-verkregen neiging waarnemen; b.v. als een hond op een haas toesnelt, of
-beschaamd tot zijn meester terugkeert; of tusschen de liefde van een
-teef voor haar jongen en die voor haar meester; want men kan soms
-opmerken, hoe zij ter sluiks naar hen toesluipt, alsof zij half
-beschaamd was dat zij niet met haar meester meêging. Het merkwaardigste
-voorbeeld echter, dat mij bekend is van de overwinning van het eene
-instinkt op het andere, is die van het trekinstinkt op het moederlijk
-instinkt. Het eerste is wonderlijk sterk; een opgesloten vogel zal, als
-de tijd van het trekken daar is, zijn borst tegen de traliën van zijn
-kooi slaan, totdat die naakt en bebloed is. Het drijft jonge zalmen aan
-om het zoete water te verlaten, waarin zij nog konden blijven leven, en
-zoo onwillekeurig een zelfmoord te begaan. Iedereen weet hoe sterk het
-moederlijk instinkt is, dat zelfs aan vreesachtige vogels den moed
-geeft om aan groote gevaren het hoofd te bieden, hoewel met aarzeling
-en in weêrwil van het instinkt van zelfbehoud. Het trekinstinkt is
-echter zoo machtig, dat zwaluwen en gierzwaluwen dikwijls laat in den
-herfst hun teedere jongen verlaten, en hen zoo in hun nesten aan een
-ellendigen dood prijs geven. [267]
-
-Wij kunnen begrijpen, hoe een instinktmatige aandrift, indien zij op de
-eene of andere wijze voordeeliger voor een soort was dan eenig ander
-tegenovergesteld instinkt, de machtigste van de twee gemaakt zou worden
-door natuurlijke teeltkeus; want van de individu’s bij welke het
-instinkt het sterkst was ontwikkeld, zouden meer blijven leven, dan van
-de andere. Of dit echter het geval is met het trekinstinkt in
-tegenoverstelling met het moederlijk instinkt, is hoogst twijfelachtig.
-De groote standvastigheid en voortdurende werking van het eerste op
-sommige tijden van het jaar gedurende den geheelen dag, geeft het
-wellicht voor een tijd een onbeperkte macht.
-
-
-
-De mensch is een sociaal dier.—Bijna iedereen geeft toe, dat de mensch
-een sociaal wezen is. Wij zien dit uit zijn afkeer van de eenzaamheid
-en zijn verlangen naar gezelschap behalve dat van zijn eigen huisgezin.
-Sommige schrijvers onderstellen, dat de mensch oorspronkelijk in
-afzonderlijke huisgezinnen leefde; maar hoewel tegenwoordig
-afzonderlijke huisgezinnen, of slecht twee of drie te zamen, de
-eenzaamheden van sommige woeste landen doorkruisen, zijn zij, zoover ik
-kan nagaan, altijd bevriend met andere huisgezinnen die de zelfde
-streek bewonen. Dergelijke huisgezinnen houden somtijds vergaderingen
-en vereenigen zich tot hun gemeenschappelijke verdediging. Het is geen
-bewijs tegen de stelling dat de wilde mensch een sociaal dier is, dat
-de stammen die aangrenzende streken bewonen, bijna altijd in oorlog met
-elkander zijn; want de sociale instinkten strekken zich nooit uit tot
-al de individu’s van de zelfde soort. Te oordeelen naar de analogie van
-de meeste vierhandige zoogdieren, is het waarschijnlijk, dat de
-voormalige stamouders van den mensch eveneens sociale dieren waren;
-maar dit is voor ons niet van veel belang. Hoewel de mensch, zooals hij
-tegenwoordig is, slechts weinige bijzondere instinkten bezit, wellicht
-omdat hij er eenige heeft verloren, die zijn voormalige stamhouders
-bezaten, is dat nog geen reden, waarom hij niet een zekere mate van
-instinktmatige liefde en medegevoel voor zijn medemenschen behouden zou
-hebben. Wij zijn inderdaad ons zelven bewust, dat wij dergelijke
-sympathetische gevoelens bezitten [268], maar dit bewustzijn leert ons
-nog niet, of die gevoelens instinktmatig zijn en in lang vervlogen
-tijden op de zelfde wijze zijn ontstaan als bij de lagere dieren, dan
-of zij door ieder onzer gedurende zijn prille jeugd zijn verkregen.
-Daar de mensch een sociaal dier is, is het ook waarschijnlijk, dat hij
-de neiging om aan zijn makkers getrouw te zijn overerfde, want deze
-hoedanigheid bezitten de meeste sociale dieren. Hij moest op de zelfde
-wijze eenig vermogen om zich zelf te beheerschen en wellicht om
-gehoorzaam te zijn aan den aanvoerder der vereeniging bezitten. Hij
-moest door een overgeërfde neiging steeds bereid zijn om gezamenlijk
-met anderen zijn medemenschen te verdedigen en om hen te helpen op elke
-wijze die niet al te sterk inbreuk maakte op zijn eigen welvaart of
-zijn eigen sterke begeerten.
-
-De sociale dieren die geheel beneden op de ladder staan, worden bijna
-uitsluitend, en die welke hooger op de ladder staan, voor een groot
-deel door bijzondere instinkten geleid tot de hulp die zij aan leden
-der zelfde vereeniging geven; maar zij worden gedeeltelijk ook gedreven
-door wederkeerige liefde en medegevoel, waarschijnlijk door een zekere
-hoeveelheid rede geholpen. Hoewel de mensch, zooals zooeven is
-opgemerkt, geen bijzondere instinkten bezit om hem te leeren, hoe hij
-zijn medemenschen moet helpen, heeft hij toch de aandrift daartoe, en
-wordt met zijn verbeterde verstandelijke vermogens in dit opzicht voor
-een groot deel door rede en ondervinding geleid. Het instinktmatige
-medegevoel moet ook veroorzaken, dat hij hooge waarde toekent aan de
-goedkeuring zijner medemenschen; want, zooals de heer Bain duidelijk
-heeft aangetoond [269], het haken naar lof en de sterke zucht naar
-roem, en de nog sterker afkeer van minachting en schande, „hebben hun
-grond in de werking van het medegevoel.” Bijgevolg moeten de wenschen,
-de goed- of afkeuring zijner medemenschen, uitgedrukt door gebaren en
-taal, grooten invloed op den mensch uitoefenen. Aldus drijven de
-sociale instinkten, die door den mensch zijn verkregen toen hij nog
-zeer onbeschaafd was, en waarschijnlijk zelfs reeds door zijn
-voormalige op apen gelijkende voorouders, hem nog heden aan tot velen
-zijner beste handelingen; maar deze handelingen worden bepaald door de
-uitgedrukte wenschen en het oordeel zijner medemenschen, en ongelukkig
-nog meer door zijn eigen sterke zelfzuchtige begeerten. Maar zoodra de
-gevoelens van liefde en medegevoel en het vermogen van zelfbeheersching
-door de gewoonte worden versterkt, en zoodra het vermogen om te
-redeneeren zich meer ontwikkelt, zoodat de mensch de rechtvaardigheid
-van het oordeel zijner medemenschen kan beoordeelen, zal hij zich,
-onafhankelijk van elke vreugde of smart, tot een bepaalde gedragslijn
-aangedreven gevoelen. Dan kan hij zeggen: ik ben de opperste rechter
-van mijn eigen gedrag, en met de woorden van Kant: ik zal niet in mijn
-eigen persoon de waardigheid der menschheid schenden.
-
-De meer voortdurend werkende sociale instinkten overwinnen die welke
-minder voortdurend werken.—Wij hebben echter tot dusverre het hoofdpunt
-nog niet beschouwd, waarvan het geheele vraagstuk van het zedelijk
-gevoel afhankelijk is. Waarom gevoelt iemand, dat het zijn plicht is
-liever aan de eene instinktmatige begeerte te gehoorzamen, dan aan de
-andere? Waarom heeft hij bitter berouw, als hij heeft toegegeven aan
-het sterke instinkt van zelfbehoud, en zijn leven niet heeft gewaagd om
-dat van een medemensch te redden; of waarom betreurt hij het, voedsel
-te hebben gestolen toen hij hevigen honger had?
-
-Het is in de eerste plaats duidelijk, dat bij den mensch de
-instinktmatige aandriften verschillende graden van kracht bezitten; een
-jonge en vreesachtige moeder zal, aangedreven door het moederlijk
-instinkt, zonder een oogenblik te aarzelen, het grootste gevaar loopen
-voor haar kind, maar niet voor iemand, die niets meer dan een
-medemensch is. Menig man of zelfs menige jongen, die nooit te voren
-zijn leven voor een ander waagde, maar wiens moed en medegevoel goed
-ontwikkeld waren, is zonder acht te slaan op het instinkt van
-zelfbehoud, oogenblikkelijk in het water gesprongen om een verdrinkend
-medemensch te redden. In dit geval werd hij door de zelfde
-instinktmatige oorzaak aangedreven, die het bovenvermelde (blz. 187)
-Amerikaansche aapje aanzette, om den grooten en gevreesden baviaan aan
-te vallen en daardoor zijn oppasser te redden. Dergelijke handelingen
-als de bovenvermelde schijnen eenvoudig daarvan het gevolg te zijn, dat
-de sociale en moederlijke instinkten krachtiger zijn dan elk ander
-instinkt of elke andere drijfveer; want zij worden te oogenblikkelijk
-volbracht, dan dat men ze zou kunnen toeschrijven aan nadenken of aan
-het gevoel van vreugde of smart, hoewel men zich onvoldaan zou gevoelen
-als men ze had nagelaten.
-
-Ik weet, dat sommige personen volhouden, dat handelingen die, evenals
-de bovenvermelde, zonder nadenken worden volbracht, niet onder de
-heerschappij van het zedelijk gevoel staan en niet zedelijk kunnen
-worden genoemd. Zij beperken deze benaming tot handelingen die met
-overleg geschieden, nadat men tegenovergestelde begeerten heeft
-overwonnen, of tot handelingen die uit deze of gene prijzenswaardige
-beweegredenen worden volbracht. Het schijnt echter nauwelijks mogelijk
-een dergelijke scherpe afscheidingslijn te trekken, hoe wezenlijk het
-onderscheid ook moge zijn. Zoover het verheven beweegredenen betreft,
-vindt men vele voorbeelden opgeteekend van barbaren, ontbloot van elk
-gevoel van algemeene welwillendheid jegens het menschdom en volstrekt
-niet door godsdienstige drijfveêren geleid, die, gevangen genomen
-zijnde, na rijp overleg liever hun leven opofferden [270] dan hun
-makkers te verraden; en hun gedrag moet ongetwijfeld als zedelijk
-worden beschouwd. Zoover het overleg en de overwinning over
-tegenovergestelde drijfveêren betreft, kan men soms opmerken, hoe
-dieren aarzelen tusschen twee tegenovergestelde instinkten, b.v. of zij
-hun jongen, dan wel hun makkers in het gevaar zullen bijstaan; echter
-noemt men hun daden, hoewel ten bestwil van anderen gedaan, niet
-zedelijk. Daarenboven zal een handeling die herhaaldelijk door ons is
-volbracht, ten laatste zonder overleg of aarzeling worden gedaan, en
-kan dan moeilijk van een instinkt worden onderscheiden; voorzeker zal
-niemand desniettegenstaande beweren, dat een aldus verrichte handeling
-ophoudt zedelijk te zijn. Van den anderen kant gevoelen wij allen, dat
-een handeling niet als volmaakt kan worden beschouwd, of niet als op de
-meest edele wijze volbracht wordende, behalve wanneer zij uit inwendige
-aandrift wordt volvoerd, zonder overleg of moeite, op de zelfde wijze
-als door iemand wien de vereischte hoedanigheden aangeboren zijn. Hij
-die genoodzaakt is zijn vrees of gebrek aan medegevoel te overwinnen,
-vóór hij handelt, verdient echter in één opzicht meer achting dan de
-man wiens aangeboren neiging hem aandrijft tot een goede handeling,
-zonder dat het hem eenige moeite kost. Daar wij de drijfveêren niet
-kunnen onderscheiden, noemen wij alle handelingen van een bepaalde
-soort zedelijk, wanneer zij door een zedelijk wezen worden volbracht.
-Zedelijk noemen wij een wezen, dat het vermogen bezit zijn vroegere
-handelingen of beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken en ze
-goed- of af te keuren. Wij hebben geen reden om te onderstellen, dat
-eenig lager dier dit vermogen bezit; wanneer dus een aap zich aan
-gevaar blootstelt om zijn makker te helpen, noemen wij zijn gedrag
-daarom nog niet zedelijk. In het geval van den mensch echter, die
-alleen met zekerheid onder de zedelijke wezens kan worden gerangschikt,
-noemt men handelingen van een bepaalde soort zedelijk, hetzij zij met
-overleg na een strijd met tegenovergestelde drijfveêren, of door de
-uitwerkselen van langzamerhand verkregen gewoonte of instinktmatig
-werden volbracht.
-
-Maar om weêr tot ons eigenlijke onderwerp terug te keeren, hoewel
-sommige instinkten machtiger dan andere zijn en dus tot overeenkomstige
-handelingen leiden, kan men echter niet volhouden, dat bij den mensch
-de sociale instinkten oorspronkelijk sterker zijn of door lang
-voortgezette gewoonte sterker zijn geworden dan b.v. de instinkten van
-zelfbehoud, honger, wellust, wraak, enz. Waarom heeft de mensch dan
-berouw, dat hij aan de eene natuurlijke aandrift gehoor heeft gegeven
-in plaats van aan de andere, zelfs al doet hij moeite om elk gevoel van
-berouw uit zijn binnenste te bannen, en waarom gevoelt hij ook, dat het
-zijn plicht is over zijn gedrag berouw te hebben? In dit opzicht
-verschilt de mensch zeer van de lagere dieren. Wij kunnen, echter,
-dunkt mij, met zekere mate van duidelijkheid de oorzaak van dit
-verschil inzien.
-
-De mensch kan wegens de groote werkzaamheid zijner geestvermogens zich
-niet aan het nadenken onttrekken; vroegere indrukken en beelden
-doorkruisen onophoudelijk met duidelijkheid zijn geest. Bij die dieren
-nu die voortdurend gezellig leven, zijn de sociale instinkten altijd
-tegenwoordig en onophoudelijk werkzaam. Dergelijke dieren zijn altijd
-bereid den kreet van gevaar te slaken om de vereeniging te verdedigen
-en om hun makkers volgens hun gewoonte te verdedigen; zij gevoelen ten
-allen tijde, zonder den prikkel van eenigen bijzonderen hartstocht of
-begeerlijkheid, een zekere mate van liefde en medegevoel voor hen; zij
-gevoelen zich ongelukkig als zij gedurende langen tijd van hen worden
-gescheiden, en altijd gelukkig om in hun gezelschap te zijn. Evenzoo
-gaat het met ons zelven. Een mensch die geen spoor van dergelijke
-gevoelens bezat, zou een onnatuurlijk monster zijn. Van den anderen
-kant zijn de begeerte om zijn honger te stillen, of sommige
-hartstochten b.v. wraak, van nature tijdelijk, en kunnen voor een tijd
-volkomen worden bevredigd. Het is ook niet gemakkelijk, ja wellicht
-nauwlijks mogelijk, om met volkomen levendigheid het gevoel b.v. van
-honger voor den geest terug te roepen; en evenmin, zooals dikwijls is
-opgemerkt, dat van eenig lijden. Het instinkt van zelfbehoud wordt
-slechts gevoeld in tegenwoordigheid van het gevaar, en menig lafaard
-heeft zich voor dapper gehouden totdat hij zijn vijand van aangezicht
-tot aangezicht ontmoette. Het verlangen naar de eigendommen van anderen
-is wellicht een even aanhoudend werkende begeerte, als eenige die men
-kan noemen; maar zelfs in dit geval is de voldoening over het
-werkelijke bezit gewoonlijk een zwakker gevoel dan de begeerte er naar;
-menig dief die niet aan het stelen gewoon was, verwonderde zich er
-over, na te zijn geslaagd, dat hij de eene of andere zaak had gestolen.
-[271]
-
-Daar de mensch derhalve niet kan beletten dat oude indrukken
-voortdurend opnieuw zijn geest doorkruisen, zal hij zich aangedreven
-gevoelen om de zwakkere indrukken, b.v. vroegeren honger of botgevierde
-wraakzucht of ten koste van anderen vermeden gevaar te vergelijken met
-het instinkt van medegevoel en welwillendheid jegens zijn medemenschen,
-dat in zijn geest nog bestaat en voortdurend eenigermate werkzaam is.
-Hij zal dan in zijn verbeelding voelen dat een sterker instinkt heeft
-ondergedaan voor een dat nu vergelijkenderwijze zwak schijnt en dan zal
-onvermijdelijk dat gevoel van onvoldaanheid hem bekruipen, waarmede de
-mensch evenals elk ander dier is begaafd, opdat zijn instinkten zouden
-worden gehoorzaamd. Het boven medegedeelde geval van de zwaluw geeft
-een voorbeeld, hoewel van omgekeerden aard, van de overwinning van een
-tijdelijk maar aanhoudend werkzaam instinkt over een ander instinkt,
-dat gewoonlijk alle andere beheerscht. In het daartoe dienende
-jaargetijde schijnen deze vogels den geheelen dag onophoudelijk te zijn
-vervuld met de begeerte om weg te trekken; hun gewoonten veranderen;
-zij worden rusteloos, zijn luidruchtig, en komen in zwermen bij
-elkander. Zoolang de moeder-vogel bezig is met het voeden of uitbroeden
-harer jongen, is het moederlijk instinkt waarschijnlijk sterker dan het
-trekinstinkt; het instinkt dat meer voortdurend werkzaam is, behaalt
-echter de overwinning, en ten laatste, op een oogenblik dat haar jongen
-niet in het gezicht zijn, vliegt zij weg en laat hen aan hun lot over.
-Welk een folterende wroeging zou zulk een vogel niet gevoelen, wanneer
-hij aan het einde zijner lange reis was gekomen en het trekinstinkt
-ophield te werken, als hij begaafd was met groote geesteswerkzaamheid,
-en niet kon beletten, dat onophoudelijk het beeld van zijn jongen, in
-het kille noorden van koude en honger omkomende, hem voor den geest
-kwam.
-
-Op het oogenblik der handeling zal de mensch zonder twijfel geneigd
-zijn om de sterkste aandrift te volgen; en hoewel deze hem nu en dan
-tot de edelste daden kan aansporen, zal zij hem gewoonlijk er toe
-leiden om zijn eigen begeerten bot te vieren ten koste van anderen. Als
-hij ze echter heeft botgevierd en de voorbijgegane en daardoor zwakkere
-indrukken tegenover de voortdurende werkzame sociale instinkten worden
-gesteld, zal de vergelding ongetwijfeld komen.
-
-Hij zal dan wroeging, berouw, spijt en schaamte gevoelen, welke laatste
-aandoening echter bijna uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van
-anderen. Hij zal bijgevolg meer of min vast besluiten om in de toekomst
-anders te handelen; en dit is geweten; want het geweten ziet in het
-verleden, en dient als een gids voor de toekomst.
-
-De aard en kracht van de gevoelens die wij spijt, schaamte, berouw of
-wroeging noemen, schijnt niet slechts af te hangen van de kracht van
-het geschonden instinkt, maar gedeeltelijk van de kracht der
-verzoeking, en dikwijls nog meer van het oordeel onzer medemenschen. In
-hoever ieder mensch waarde hecht aan de waardeering van anderen hangt
-af van de kracht van zijn aangeboren of verkregen medegevoel, en van
-zijn eigen bekwaamheid om de verwijderde gevolgen van zijn handeling te
-beredeneeren. Er is nog een hoogst belangrijke, hoewel niet
-noodzakelijke factor: de eerbied of vrees voor de goden of geesten
-waarin iemand gelooft: en dit is vooral van toepassing in gevallen van
-wroeging. Verscheidene critici hebben de tegenwerping gemaakt, dat,
-hoewel eenige geringe spijt of berouw kon worden verklaard door de in
-dit hoofdstuk verdedigde meening, het onmogelijk is op die wijze een
-verklaring te geven van het gevoel van wroeging, dat de ziel doet
-sidderen. Maar ik kan aan deze tegenwerping slechts weinig gewicht
-hechten. Mijn critici geven geen bepaling van wat zij onder wroeging
-verstaan, en ik kan geen bepaling vinden, die meer insluit dan een
-overstelpend gevoel van berouw. Wroeging schijnt in de zelfde
-betrekking te staan tot berouw, als woede tot toorn, of foltering tot
-pijn. Het is ver van vreemd, dat een instinkt, zoo sterk en zoo
-algemeen bewonderd als moederliefde, als men er niet aan gehoorzaamt,
-tot de diepste ellende leidt, zoodra de indruk van de voormalige
-oorzaak der ongehoorzaamheid is verzwakt. Zelfs als een handeling met
-geen enkel bijzonder instinkt in strijd is, is het genoeg eenvoudig te
-weten, dat onze vrienden en gelijken ons er om verachten, om ons er ons
-diep ongelukkig over te doen gevoelen. Wie kan betwijfelen, dat de
-weigering om te duelleeren heeft veroorzaakt, dat vele mannen door de
-grootste schaamte werden gefolterd? Menig Hindoe, zegt men, is tot het
-diepst zijner ziel ontroerd geworden, omdat hij onrein voedsel had
-gegeten. Ziehier nog een geval van iets dat dunkt mij wroeging moet
-worden genoemd. Dr. Landor, een voormalig overheidspersoon in
-West-Australië, verhaalt [272], dat een inboorling op zijn hoeve, die
-een zijner vrouwen had verloren, tot hem kwam en zeide, „dat hij naar
-een veraf wonenden stam wilde gaan om een vrouw met zijn speer te
-doorsteken, om te voldoen aan zijn gevoel van plicht jegens zijn
-overleden vrouw.” Ik zeide hem, dat, als hij dat deed, ik hem
-levenslang gevangen zou zetten. Hij bleef gedurende eenige maanden in
-de nabijheid der hoeve, maar werd uiterst mager en beklaagde zich dat
-hij kon slapen noch eten, dat de geest van zijn vrouw hem kwelde, omdat
-hij geen leven voor het hare had genomen. Ik was onverbiddelijk en
-zeide, „dat niets hem zou redden als hij zulks deed.” Toch verdween de
-man, bleef meer dan een jaar weg en keerde toen in zeer opgeruimde
-stemming terug, en zijn andere vrouw vertelde aan Dr. Landor dat haar
-man het leven had genomen van een vrouw die tot een veraf wonenden stam
-behoorde; maar het bleek onmogelijk te zijn het wettig bewijs van de
-daad te verkrijgen. Het niet opvolgen van een gewoonte die door den
-stam voor heilig wordt gehouden, zal dus, naar het schijnt, de diepste
-gemoedsaandoeningen doen ontstaan—en dit geheel afgescheiden van de
-sociale instinkten, behalve in zoover als de gewoonte is gegrond op de
-publieke opinie in den stam. Hoe zoovele vreemde bijgeloovigheden door
-de geheele wereld heên zijn ontstaan, weten wij niet, en wij kunnen ook
-niet zeggen, hoe het komt, dat de laagste wilden van sommige wezenlijke
-en groote misdaden, zooals bloedschande, een afschuw hebben (hoewel die
-afschuw niet volkomen algemeen is). Het is zelfs twijfelachtig, of men
-in sommige stammen met grooter afschuw zou nederzien op bloedschande,
-dan op het huwelijk van een man met een vrouw die den zelfden naam
-droeg, hoewel zij geen bloedverwant van hem was. „Deze wet te schenden
-is een misdaad, waarvan de Nieuw-Hollanders den grootsten afschuw
-hebben, en zij komen daarin geheel en al overeen met sommige stammen
-van Noord-Amerika. Als in een van beide streken de vraag werd gesteld,
-wat slechter is, een meisje van een vreemden stam te dooden, of een
-meisje van zijn eigen stam te huwen, zou zonder aarzeling juist het
-omgekeerde antwoord worden gegeven, als wij zouden geven.” [273] Wij
-moeten daarom het geloof verwerpen, dat voor korten tijd door sommige
-schrijvers met aandrang is verdedigd, dat de afschuw van bloedschande
-wordt veroorzaakt, doordat wij een bijzonder door God in ons gelegd
-geweten bezitten. (4) Over het geheel is het begrijpelijk, dat iemand
-die wordt gekweld door zulk een krachtige gemoedsaandoening als
-wroeging, al is die ontstaan gelijk boven is uiteengezet, er toe komt
-te handelen op een wijze die men hem heeft geleerd te gelooven dat als
-boetedoening kan dienen, zooals door zich zelf aan de justitie over te
-leveren.
-
-De door zijn geweten aangespoorde mensch zal door lange gewoonte een
-zoo volkomen zelfbeheersching verkrijgen, dat zijn begeerten en
-hartstochten ten laatste oogenblikkelijk onderdoen voor zijn sociale
-sympathieën, en dat er niet langer strijd tusschen hen zal zijn. De
-niet hongerige, of de niet wraakzuchtige mensch zal er niet aan denken
-voedsel te stelen of zijn wraak te volvoeren. Het is mogelijk, of,
-zooals wij later zullen zien, zelfs waarschijnlijk, dat de gewoonte van
-zelfbeheersching, evenals andere gewoonten, kan worden overgeërfd. Zoo
-komt de mensch er ten laatste toe om uit verkregen of wellicht
-overgeërfde gewoonte te gevoelen, dat het het beste voor hem is om zijn
-meer voortdurend werkzame instinkten te volgen. Het gebiedende woord
-plicht schijnt alleen het bewustzijn te omvatten van het bestaan van
-een voortdurend werkzaam instinkt, hetzij aangeboren, hetzij
-gedeeltelijk verkregen, dat hem tot gids dient, hoewel het mogelijk is
-daaraan niet te gehoorzamen. Wij gebruiken het woord plicht nauwelijks
-in een overdrachtelijken zin, als wij zeggen, dat het de plicht is van
-jachthonden om te jagen, van staande honden om voor het wild te staan,
-van speurhonden om het op te sporen. Indien zij dit niet doen, verzaken
-zij hun plicht en handelen slecht.
-
-Indien eenige begeerte of instinkt, die tot een handeling leidt in
-strijd met het welzijn van anderen, iemand, als hij zich haar opnieuw
-voor den geest brengt, nog even sterk als of sterker dan zijn sociaal
-instinkt toeschijnt, zal hij geen snijdend berouw gevoelen, dat hij
-haar heeft gevolgd, maar hij zal zich bewust zijn, dat, als zijn gedrag
-aan zijn medemenschen bekend was, zij het zouden afkeuren; en weinigen
-zijn zoo ontbloot van medegevoel, om geen verdriet te gevoelen, wanneer
-dit het geval is. Indien hij zulk een medegevoel niet bezit, en als
-zijn begeerten die hem tot slechte daden aandrijven, tegelijkertijd
-sterk zijn, en als zij bij de herinnering er aan niet door de
-voortdurend werkende sociale instinkten worden overwonnen, dan is hij
-werkelijk een slecht mensch [274]; en de eenige beweegreden die hem nog
-bedwingt, is de vrees voor straf en de overtuiging, dat het op den
-langen duur het beste is voor zijn eigen zelfzuchtige belangen, als hij
-meer let op het welzijn van anderen dan op dat van zich zelf.
-
-Het is duidelijk, dat iedereen met een goed geweten zijn eigen
-begeerten bot kan vieren, als zij niet in strijd zijn met zijn sociale
-instinkten, dat is met het welzijn van anderen; maar om geheel vrij te
-zijn van zelfverwijt of ten minste van angst, is het bijna noodzakelijk
-voor hem om de afkeuring van zijn medemenschen, hetzij die rechtmatig
-is of niet, te vermijden. Ook moet hij geen inbreuk maken op zijn vaste
-levensgewoonten, vooral indien deze door de rede worden gesteund; want
-indien hij dit doet, zal hij zich zeker onvoldaan gevoelen. Hij moet
-eveneens de afkeuring vermijden van de één of meer goden, in welke hij
-krachtens zijn kennis of uit bijgeloof gelooft; maar in dit geval komt
-er dikwijls daarenboven nog de vrees voor goddelijke straf bij.
-
-
-
-De meer uitsluitend sociale deugden eerst afzonderlijk beschouwd.—De
-hierboven uiteengezette beschouwingswijze omtrent den eersten oorsprong
-en aard van het zedelijk gevoel, dat ons zegt hoe het onze plicht is te
-handelen, en van het geweten, dat ons berispt als wij daaraan niet
-gehoorzamen, komt zeer goed overeen met hetgeen wij weten omtrent den
-vroegeren en onontwikkelden toestand van dit vermogen bij het
-menschelijk geslacht. De deugden die ten minste in het algemeen door
-onbeschaafde menschen moeten worden beoefend, willen zij zich tot een
-maatschappij kunnen vereenigen, zijn die, welke nog tegenwoordig voor
-de meest belangrijke worden gehouden. Zij worden echter uitsluitend
-beoefend ten opzichte van menschen van den zelfden stam, en de
-tegenover haar staande ondeugden worden niet als misdrijven beschouwd
-ten opzichte van menschen van andere stammen. Geen stam zou bijeen
-kunnen blijven, wanneer moord, diefstal en verraad algemeen waren;
-bijgevolg worden dergelijke misdrijven „gebrandmerkt met altoosdurende
-schande” [275]; maar wekken geenszins gelijke gevoelens op buiten deze
-grenzen. Een Noord-Amerikaansch Indiaan smaakt groote zelfvoldoening en
-wordt door anderen geëerd, als hij iemand van een anderen stam
-scalpeert; en een Dajak houwt het hoofd af van een persoon van een
-anderen stam, die hem volstrekt geen leed heeft gedaan, droogt het en
-bewaart het als een zegeteeken. Kindermoord is op de ruimste schaal
-over de wereld verspreid geweest [276] zonder te worden afgekeurd; want
-men meende, dat het dooden van kinderen, vooral van dochters, goed of
-ten minste niet slecht voor den stam was. Zelfmoord werd in vroegere
-tijden niet algemeen voor een misdaad gehouden [277], maar wegens den
-daarbij betoonden moed eerder voor een eervolle handeling; en hij wordt
-nog op groote schaal uitgeoefend bij sommige halfbeschaafde volken;
-want het verlies van een enkel individu wordt door het volk niet
-gevoeld; hoe het echter ook te verklaren zij, is zelfmoord, naar Sir J.
-Lubbock mij mededeelt, bij de laagst ontwikkelde wilden zeldzaam. Men
-heeft opgeteekend, dat een Indische Thug er gemoedelijk zijn leedwezen
-over betuigde, dat hij niet zooveel vreemdelingen geworgd en bestolen
-had, als wijlen zijn vader. Op een laag standpunt van beschaving wordt
-het bestelen van vreemdelingen werkelijk algemeen voor eervol gehouden.
-
-De groote zonde der slavernij heeft bijna overal bestaan, en slaven
-zijn dikwijls op schandelijke wijze behandeld. Daar barbaren niets
-geven om de meening hunner vrouwen, behandelen zij deze gewoonlijk ook
-als vreemden. De meeste wilden zijn volkomen ongevoelig voor het lijden
-van vreemdelingen, ja, scheppen er zelfs behagen in om het te
-aanschouwen. Het is algemeen bekend, dat de vrouwen en kinderen der
-Noord-Amerikaansche Indianen hun behulpzaam zijn bij het martelen
-hunner vijanden. Sommige wilden scheppen een afgrijselijk behagen in
-wreedheid jegens dieren [278], en menschelijkheid is een hun onbekende
-deugd. Desniettemin zijn gevoelens van medegevoel en welwillendheid,
-vooral gedurende ziekten, tusschen leden van den zelfden stam algemeen,
-en worden somtijds tot buiten de grenzen van den stam uitgestrekt.
-Mungo Park’s treffend verhaal van de welwillendheid die een negerin uit
-het binnenland hem betoonde, is algemeen bekend. Het zou mij
-gemakkelijk vallen vele voorbeelden te geven van de edele trouw van
-wilden jegens elkander, maar niet jegens vreemden; de algemeene
-ondervinding bevestigt het Spaansche spreekwoord: „Vertrouw nooit of
-nimmer een Indiaan.” Trouw is onbestaanbaar zonder oprechtheid; en deze
-fundamenteele deugd is niet zeldzaam tusschen de leden van den zelfden
-stam; zoo hoorde Mungo Park, hoe de negerin haar jonge kinderen leerde
-de waarheid te beminnen. Dit is wederom een van die deugden die zich
-zoo diep in den geest wortelen, dat zij soms zelfs door wilden,
-ofschoon het hun veel moeite kost, jegens vreemden worden uitgeoefend;
-om onzen vijand voor te liegen is maar zelden voor zondig gehouden,
-zooals de geschiedenis der moderne diplomatie duidelijk bewijst. Zoodra
-een stam een erkend opperhoofd heeft, wordt ongehoorzaamheid een
-misdaad, en beschouwt men zelfs slaafsche onderwerping als een heilige
-deugd.
-
-Daar in onbeschaafde tijden niemand nuttig of getrouw voor zijn stam
-kan zijn zonder moed, wordt deze hoedanigheid algemeen het meest
-geacht; en hoewel in beschaafde landen een goed doch vreesachtig man
-soms veel nuttiger voor de maatschappij is dan een bijzonder dapper,
-eeren wij onwillekeurig dezen laatsten instinktmatig meer dan een
-lafaard, hoe welwillend deze ook zij. Van den anderen kant is
-voorzichtigheid, die geene betrekking heeft op de welvaart van anderen,
-hoewel een zeer nuttige deugd, nooit op hoogen prijs gesteld. Daar
-niemand de deugden die voor het welzijn van den stam noodig zijn, kan
-beoefenen zonder zelfopoffering, zelfbeheersching en geduld, heeft men
-aan deze hoedanigheden ten allen tijde een hooge en rechtmatige waarde
-gehecht. De Amerikaansche wilde onderwerpt zich zonder een zucht te
-slaken aan de afgrijselijkste martelingen om daardoor zijn kracht en
-moed te bewijzen en te versterken; en onwillekeurig bewonderen wij hem,
-of zelfs een Indischen Fakir die uit dwaze godsdienstige drijfveeren
-zich aan een wipgalg laat ophangen door middel van een in zijn vleesch
-gestoken haak.
-
-De andere deugden die op het individu betrekking hebben, en waarvan het
-niet zoo duidelijk is, dat zij invloed uitoefenen op het welzijn van
-den stam, al doen zij zulks in wezenlijkheid toch, zijn door de wilden
-nooit hooggeschat, hoewel beschaafde natiën ze thans op hoogen prijs
-stellen. De grootste onmatigheid is bij wilden geen ondeugd. Hun groote
-losbandigheid, om onnatuurlijke zonden niet te vermelden, is iets
-verbazends. [279] Zoodra echter het huwelijk, hetzij met meer dan ééne,
-hetzij slechts met ééne vrouw, in gebruik is, zal de ijverzucht leiden
-tot het inprenten van vrouwelijke deugd; en zoodra deze geëerd is, zal
-zij zich ook meer en meer over de ongehuwde vrouwen beginnen te
-verbreiden. Hoe langzaam zij zich onder de mannelijke sekse verbreidt,
-zien wij nog tegenwoordig. Kuischheid eischt bijzonder veel
-zelfbeheersching, vandaar is zij geëerd geworden sedert een zeer lang
-geleden tijdperk van de zedelijke geschiedenis van den beschaafden
-mensch. Als een gevolg hiervan is de zinnelooze onthouding van het
-huwelijk sedert een ver verwijderd tijdperk als een deugd beschouwd.
-[280] De afkeer van onwelvoegelijkheid, die ons zoo natuurlijk schijnt,
-dat men hem voor aangeboren houdt, en die een zoo krachtige hulp aan de
-kuischheid verstrekt, is een moderne deugd, zooals Sir G. Staunton
-opmerkt [281], uitsluitend aan het beschaafde leven eigen. Dit wordt
-bewezen door de oude godsdienstige plechtigheden van vele volken, door
-de teekeningen op de muren van Pompeji en door de gewoonten van vele
-wilden.
-
-Wij hebben nu gezien, dat handelingen door wilden als goed of kwaad
-worden beschouwd, en waarschijnlijk door den oorspronkelijken mensch
-evenzoo werden beschouwd, alleen naar de wijze waarop zij een
-duidelijken invloed uitoefenen op de welvaart van den stam,—niet op die
-van de soort, noch op die van den mensch als individueel lid van den
-stam. Dit besluit komt goed overeen met het geloof, dat het zoogenaamde
-zedelijke gevoel oorspronkelijk uit de sociale instinkten is ontstaan;
-want beide hebben eerst uitsluitend op de geheele vereeniging
-betrekking. De voornaamste oorzaak van het, naar onze begrippen lage,
-zedelijke standpunt der wilden, is eerstens, de beperking van het
-medegevoel tot de leden van een zelfden stam. Ten tweede, onvoldoend
-vermogen van redeneering, zoodat de invloed van vele deugden, vooral
-van die welke op het individu betrekking hebben, op de welvaart van den
-stam niet wordt ingezien. Wilden bemerken de vele nadeelen niet, die
-voor den stam voortvloeien uit onmatigheid, zedeloosheid enz. In de
-derde plaats eindelijk, een zwak vermogen van zelfbeheersching; want
-dit vermogen is niet versterkt door lang voortgezette, wellicht
-overgeërfde gewoonte, onderwijs en godsdienst.
-
-Ik ben in bovenvermelde bijzonderheden omtrent de zedeloosheid der
-wilden [282] getreden, omdat sommige schrijvers in den laatsten tijd
-een hoog denkbeeld hebben gegeven van hun zedelijken aard of de meeste
-hunner misdrijven aan verkeerd opgevatte welwillendheid hebben
-toegeschreven. [283] Deze schrijvers schijnen dit besluit daaruit te
-trekken, dat wilden, soms zelfs in hooge mate, die deugden bezitten,
-die dienstig of zelfs noodig zijn voor het bestaan van die vereeniging,
-welke men stam noemt, en dat zij die deugden bezitten, is aan geen
-twijfel onderhevig.
-
-
-
-Slotopmerkingen.—Wijsgeeren van de derivatieve [284] zedekundige school
-beweerden vroeger, dat de grond der zedelijkheid in een vorm van het
-eigenbelang, maar later, dat zij in het „beginsel van het grootste
-geluk” was gelegen. Het is echter juister om dit laatste beginsel den
-maatstaf, dan om het de beweegreden van het gedrag te noemen. Toch
-schrijven alle schrijvers wier werken ik heb geraadpleegd, met weinige
-uitzonderingen [285], alsof er voor elke handeling een afzonderlijke
-beweegreden moest zijn en of deze gepaard moest gaan met eenig genoegen
-of ongenoegen. Maar de mensch schijnt dikwijls van zelf, dat is uit
-instinkt of lange gewoonte, zonder eenige bewustheid van genoegen te
-handelen, op de zelfde wijze als waarschijnlijk een mier of bij
-handelt, als zij blind haar instinkten volgt. Als onder uiterst
-gevaarlijke omstandigheden, zooals bij een brand, iemand zonder een
-oogenblik te aarzelen een zijner medemenschen tracht te redden, kan hij
-moeilijk genoegen gevoelen; en nog minder heeft hij tijd om na te
-denken over de onvoldaanheid die hij, indien hij de poging niet deed,
-later wellicht zou gevoelen. Als hij naderhand over zijn gedrag
-nadacht, zou hij gevoelen, dat er een instinktmatige aandrift in hem
-lag, zeer verschillend van het zoeken naar genoegen of geluk; en dit
-schijnt het diep ingeplante sociale instinkt te zijn.
-
-In het geval der lagere dieren schijnt het veel eigenaardiger om te
-zeggen dat hun sociale instinkten zijn ontwikkeld voor het algemeen
-welzijn, dan dat zij zulks zijn voor het algemeen geluk van de soort.
-De uitdrukking „algemeen welzijn” beteekent hier de middelen waardoor
-het grootst mogelijke aantal individu’s tot volle kracht en gezondheid
-en tot groote volmaking hunner vermogens kunnen worden gebracht, onder
-de omstandigheden waaraan zij zijn blootgesteld. Daar de sociale
-instinkten van den mensch en die van de lagere dieren zich ongetwijfeld
-langs den zelfden weg hebben ontwikkeld, zou het raadzaam wezen, als
-het werd bevonden mogelijk te zijn, om in beide gevallen de zelfde
-uitdrukking te gebruiken en als criterium van zedelijkheid liever het
-algemeen welzijn van de vereeniging dan het algemeen geluk te nemen;
-maar deze uitdrukking zou wellicht eenige beperking ten opzichte van
-politieke zedelijkheid vereischen.
-
-Als iemand zijn leven waagt om dat van een medemensch te redden,
-schijnt het juister om te zeggen, dat hij handelt voor het algemeen
-welzijn, dan dat hij handelt voor het algemeen geluk van de menschheid.
-Ongetwijfeld beteekenen welzijn en geluk voor het individu gewoonlijk
-het zelfde, en een tevredene en gelukkige stam zal meer bloeien dan een
-ontevredene en ongelukkige. Wij hebben gezien, dat zelfs in een vroeg
-tijdperk van de geschiedenis van den mensch, de uitdrukkelijke wenschen
-van de vereeniging van zelf een grooten invloed moeten hebben gehad op
-het geluk van elk lid; en daar allen wenschen naar geluk, zal het
-„beginsel van het grootste geluk” een zeer belangrijke bijkomende
-leiddraad en doelwit zijn geworden; terwijl echter de sociale
-instinkten met inbegrip van het medegevoel altijd de voornaamste
-aandrift en leiddraad gaven. Op deze wijze vervalt het verwijt van den
-grond van het edelste gedeelte onzer natuur in het lage beginsel van
-eigenbelang te zoeken; tenzij men de voldoening die elk dier gevoelt
-wanneer het de aan het zelve eigen instinkten volgt, en de
-onvoldaanheid die het gevoelt wanneer het die niet bevredigt,
-zelfzuchtig wil noemen.
-
-De uitdrukking van de wenschen en het oordeel van de leden der zelfde
-vereeniging, eerst door woorden en daarna door geschreven taal, is,
-zooals hierboven is opgemerkt, een hoogst belangrijke bijkomende
-leiddraad van ons gedrag en helpt de sociale instinkten: soms is zij
-echter met deze in strijd. Van dit laatste is de Wet van Eer een goed
-voorbeeld, d.w.z. de wet van de meening onzer gelijken en niet van die
-van al onze landslieden. Het overtreden van deze wet, zelfs wanneer het
-bekend is dat de overtreding volkomen overeenstemt met ware
-zedelijkheid, heeft menigeen meer zieleangst gekost, dan een wezenlijke
-misdaad. Wij herkennen den zelfden invloed in het brandend
-schaamtegevoel dat de meesten onzer zelfs na verloop van jaren hebben
-gevoeld als hun de eene of andere toevallige overtreding van een
-nietigen maar vasten regel van etiquette opnieuw voor den geest kwam.
-Het oordeel der vereeniging zal gewoonlijk worden geleid door eenige
-ruwe ondervinding van hetgeen op den langen duur voor alle leden het
-beste is; maar dit oordeel zal niet zelden onjuist zijn wegens
-onwetendheid of wegens zwak vermogen van redeneeren. Vandaar zijn de
-vreemdste gewoonten en bijgeloovigheden, strijdig met het ware welzijn
-en het ware geluk van het menschdom, overal in de wereld almachtig
-geworden. Wij zien dit in het afgrijzen dat een Hindoe gevoelt als hij
-zijn kaste breekt, in de schaamte van een Mohammedaansche vrouw die
-haar gelaat ontbloot, en in tallooze voorbeelden. Het zou moeilijk
-zijn, de wroeging welke een Hindoe gevoelt als hij onrein voedsel heeft
-gegeten, te onderscheiden van die welke hij gevoelt als hij een
-diefstal heeft begaan, maar waarschijnlijk zou de eerste de sterkste
-zijn.
-
-Hoe zoovele ongerijmde regelen van gedrag en zoovele ongerijmde
-godsdienstige dogma’s zijn ontstaan, weten wij evenmin als waarom zij
-in alle deelen van de wereld zulk een diepen indruk op den
-menschelijken geest hebben gemaakt; maar het is merkwaardig, dat een
-geloof dat gedurende de prille jeugd, wanneer de hersenen gemakkelijk
-indrukken opnemen, onophoudelijk is ingeprent, bijna de natuur van een
-instinkt schijnt te verkrijgen, en het is het eigenlijke wezen van een
-instinkt, dat het onafhankelijk van de rede wordt gevolgd. Evenmin
-kunnen wij zeggen waarom zekere bewonderenswaardige deugden, zooals de
-waarheidsliefde, door sommige wilde stammen hooger worden geschat dan
-door andere [286], noch ook waarom dergelijke verschillen zelfs
-tusschen beschaafde volken bestaan. Wetende hoe vast vele vreemde
-gewoonten en bijgeloovigheden zijn ingeworteld, behoeven wij ons niet
-te verwonderen, dat de op het individu betrekking hebbende deugden ons
-nu zoo natuurlijk schijnen dat wij ze voor aangeboren houden, hoewel
-zij oudtijds door den mensch niet werden gewaardeerd.
-
-Niettegenstaande vele bronnen van twijfel kan de mensch over het
-algemeen zonder moeite de hoogere zedelijke regels van de lagere
-onderscheiden. De hoogere berusten op de sociale instinkten en hebben
-betrekking op de welvaart van anderen. Zij worden gesteund door de
-goedkeuring onzer medemenschen en door de rede. De lagere regels,
-hoewel sommige er van, die zelfopoffering vereischen, nauwelijks
-verdienen lagere te worden genaamd, hebben vooral betrekking op het
-individu en zijn hun oorsprong verschuldigd aan de publieke opinie,
-hoewel zij door ondervinding en beschaving zijn gerijpt; want zij
-worden door onbeschaafde stammen niet in acht genomen.
-
-Naarmate de mensch in beschaving vooruitgaat en kleine stammen zich tot
-grooter maatschappijen vereenigen, zal de meest eenvoudige rede elk
-individu doen gevoelen, dat hij zijn sociale instinkten en medegevoel
-behoort uit te breiden tot al de leden van de zelfde natie, al zijn zij
-hem ook persoonlijk onbekend. Dit punt eens bereikt zijnde, bestaat er
-nog slechts een kunstmatige slagboom tegen het uitbreiden van zijn
-medegevoel tot alle menschen, van welke natie of ras zij ook zijn.
-Indien echter dergelijke menschen door groote verschillen in uiterlijk
-of gewoonten van ons zijn gescheiden, bewijst de ondervinding ons
-ongelukkig, hoe lang het duurt voor wij hen als onze medemenschen
-beschouwen. Medegevoel tot voorbij de grenzen van den mensch, dat wil
-zeggen menschelijkheid jegens de lagere dieren, schijnt een der laatst
-verkregen zedelijke hoedanigheden te zijn. Zij schijnt door wilden
-alleen ten opzichte hunner geliefkoosde huisdieren te worden gevoeld.
-Hoe weinig de oude Romeinen haar kenden, blijkt uit hun afgrijselijke
-vertooningen van zwaardvechters en gevechten van wilde dieren in het
-amphitheater. Het denkbeeld van menschelijkheid zelf is, zoover ik kon
-waarnemen, nieuw voor de meeste Gaucho’s van de Pampa’s. Deze deugd,
-een der edelste waarmede de mensch is begaafd, schijnt als een
-bijkomende zaak te ontstaan, doordat ons medegevoel teederder en verder
-verspreid wordt, totdat het zich eindelijk over alle gevoel bezittende
-wezens uitbreidt. Zoodra deze deugd door eenige weinige menschen wordt
-geëerd en uitgeoefend, verspreidt zij zich door leering en voorbeeld en
-soms ook door de publieke opinie onder het jongere geslacht.
-
-De hoogste trap van zedelijke ontwikkeling dien wij kunnen bereiken, is
-wanneer wij bemerken dat wij zelfs op onze gedachten toezicht moeten
-houden, en „dat de zonden, die het verleden zoo aangenaam voor ons
-maakten [287], het voorwerp niet mogen zijn zelfs van onze meest
-verborgen gedachten.” Al wat den geest met de eene of andere slechte
-handeling gemeenzaam maakt, maakt het verrichten daarvan zooveel te
-gemakkelijker. Gelijk Marcus Aurelius reeds lang geleden zeide: „Zooals
-uwe gedachten gewoonlijk zijn, zoo zal ook het karakter van uw geest
-zijn; want de ziel wordt door de gedachten gekleurd.” [288]
-
-Onze groote wijsgeer Herbert Spencer heeft voor eenige jaren zijn
-zienswijze over het zedelijk gevoel bekend gemaakt. Hij zegt [289]: „Ik
-geloof, dat de ondervinding van hetgeen nuttig is, gedurende alle
-vervlogen menschengeslachten georganiseerd en bevestigd,
-overeenkomstige wijzigingen heeft voortgebracht, die door voortgaande
-overerving en opeenhooping in ons zekere vermogens van zedelijke
-intuïtie zijn geworden—zekere gemoedsaandoeningen, die aan goed en
-slecht gedrag beantwoorden en geen grondslag schijnen te hebben in de
-individueele opvatting van hetgeen nuttig is.” Het is, dunkt mij, op
-zich zelf in het minst niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame neigingen
-in meerdere of mindere mate worden overgeërfd; want ik heb, om de
-verschillende neigingen of gewoonten, door velen onzer huisdieren
-overgeërfd, niet te vermelden (5), van gevallen gehoord, waarin een
-aandrift tot stelen en een neiging om te liegen zich over families van
-den hoogsten stand bleek uit te breiden; en daar stelen bij de
-vermogende klassen zulk een zeldzame misdaad is, kunnen wij moeielijk
-door een toevalligen samenloop verklaren, dat de aandrift daartoe zich
-bij twee of drie leden der zelfde familie voordeed. Indien slechte
-neigingen worden overgeërfd, is het waarschijnlijk, dat zulks ook met
-goede het geval is. De verschillen die men gelooft dat in dit opzicht
-tusschen de onderscheidene menschenrassen bestaan, kunnen niet worden
-verklaard, tenzij wij het beginsel van de erfelijkheid der zedelijke
-neigingen aannemen. Wij hebben echter tot dusver daaromtrent nog geen
-genoegzame zekerheid.
-
-Zelfs de gedeeltelijke erfelijkheid van deugdzame neigingen zou ons van
-ontzaglijk veel dienst zijn om de eerste aandrift daartoe direct van de
-sociale instinkten en indirect van de goedkeuring onzer medemenschen af
-te leiden. Wanneer wij voor het oogenblik aannemen dat deugdzame
-neigingen erfelijk zijn, is het waarschijnlijk, ten minste in zulke
-gevallen als kuischheid, matigheid, menschelijkheid jegens dieren enz.,
-dat zij vooral in de organisatie van den geest worden geprent door
-gedurende verscheidene generaties in de zelfde familie voortgezette
-gewoonte, leering en voorbeeld, en slechts in zeer ondergeschikte mate
-of in het geheel niet, doordat de individu’s welke die deugden
-bezitten, het best zijn geslaagd in den strijd om het leven. Mijn
-voornaamste reden om elke dergelijke erfelijkheid te betwijfelen is,
-dat zinnelooze gewoonten, bijgeloovigheden en smaken, zooals de afschuw
-van een Hindoe voor onrein voedsel, volgens het zelfde beginsel ook
-erfelijk behoorden te zijn. Hoewel dit op zich zelf wellicht niet
-onwaarschijnlijker is dan dat dieren door overerving smaak krijgen in
-sommige soorten van voedsel of vrees voor zekere vijanden, heb ik
-volstrekt geen bewijzen gevonden voor de erfelijkheid van bijgeloovige
-of zinnelooze gewoonten.
-
-
-
-De sociale instinkten eindelijk, die zonder twijfel door den mensch,
-evenals door de lagere dieren, voor het welzijn der vereeniging werden
-verkregen, zullen hem van den beginne af eenige begeerte om zijn
-makkers te helpen en eenig medegevoel voor hen hebben ingeboezemd.
-Dergelijke aandrijvingen zullen hem in een zeer lang geleden tijd tot
-een ruwen regel ter onderscheiding van goed en kwaad hebben gediend.
-Maar naarmate de mensch trapsgewijze vooruitging in verstandelijke
-vermogens en daardoor in staat werd gesteld om de meer verwijderde
-gevolgen zijner daden te overzien; naarmate hij kennis genoeg verkreeg
-om verderfelijke gewoonten en bijgeloovigheden te verwerpen; naarmate
-hij meer en meer niet alleen op het welzijn, maar ook op het geluk
-zijner medemenschen lette; naarmate uit gewoonte, ten gevolge van een
-weldadige ondervinding, van leering en voorbeeld, zijn medegevoel
-teederder en in ruimer kring werd verspreid, zoodat het zich uitbreidde
-over menschen van alle rassen, over onnoozelen, verminkten en andere
-nuttelooze leden der maatschappij en eindelijk tot de lagere
-dieren—steeg ook het peil zijner zedelijkheid hoe langer hoe meer. Door
-zedekundigen van de derivatieve school en door sommige intuïtionisten
-nu wordt aangenomen, dat het peil der zedelijkheid werkelijk sedert een
-lang verleden tijdvak van ’s menschen geschiedenis [290] is gerezen.
-
-Daar men soms een strijd kan opmerken tusschen de verschillende
-instinkten van de lagere dieren, is het niet te verwonderen dat ook bij
-den mensch soms strijd ontstaat tusschen zijn sociale instinkten en de
-daarvan afgeleide deugden en zijn lagere, hoewel op dat oogenblik
-sterkere driften en begeerten. Dit is, zooals de heer Galton heeft
-opgemerkt, des te minder te verwonderen, daar de mensch zich in een
-vergelijkenderwijs kort geleden tijdvak uit den staat van
-barbaarschheid heeft verheven. [291] Wanneer wij voor de eene of andere
-verzoeking zijn bezweken, gevoelen wij een soort van onvoldaanheid,
-overeenkomende met die, welke wij gevoelen als wij andere instinkten
-onbevredigd hebben gelaten, die in dit geval geweten wordt genoemd;
-want wij kunnen niet verhinderen, dat beelden en indrukken van vroegere
-gebeurtenissen onophoudelijk onzen geest doorkruisen, en deze
-vergelijken wij in hun verzwakten toestand met de altijd tegenwoordige
-sociale instinkten of met gewoonten in onze prille jeugd verkregen en
-gedurende ons geheele leven versterkt, ja wellicht overgeërfd, zoodat
-zij ten laatste bijna even sterk als instinkten zijn geworden. Met het
-oog op volgende generaties is het niet te vreezen, dat de sociale
-instinkten zwakker zullen worden, en mogen wij verwachten, dat de
-deugdzame gewoonten sterker zullen worden, omdat zij wellicht door
-erfelijkheid worden bevestigd. In dit geval zal de strijd tusschen onze
-hoogere en lagere aandriften minder streng zijn en zal de deugd
-overwinnen.
-
-
-
-Besluit waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten
-leiden.—Het kan niet worden betwijfeld, dat het verschil tusschen den
-geest van den laagsten mensch en het hoogste dier verbazend groot is.
-Een anthropomorphe aap zou, als hij een onpartijdig oordeel kon vellen
-over zijn eigen toestand, erkennen, dat, hoewel hij een behendig plan
-kon vormen om een tuin te plunderen, hoewel hij steenen gebruikte om
-mede te vechten of noten open te breken, de gedachte om uit een steen
-een werktuig te vervaardigen, zijn bevatting verre te boven ging. Hij
-zou erkennen, dat hij nog minder een redeneering over bovennatuurkunde
-kon volgen of een meetkundig vraagstuk oplossen of over het bestaan van
-God nadenken, of een grootsch natuurtafereel bewonderen. Sommige apen
-zouden echter waarschijnlijk verklaren, dat zij de schoonheid van het
-gekleurde vel en den pels hunner echtgenooten bewonderden. Zij zouden
-erkennen, dat, hoewel zij door geluiden aan andere apen sommige hunner
-gewaarwordingen en hun meer eenvoudige behoeften kenbaar konden maken,
-het denkbeeld om bepaalde denkbeelden door bepaalde klanken uit te
-drukken nooit in hun geest was opgekomen. Zij zouden er wellicht op
-wijzen, dat zij bereid waren hun medeapen van de zelfde bende op vele
-wijzen te helpen, hun leven voor hen te wagen en voor hun weezen te
-zorgen, maar zij zouden genoodzaakt zijn te erkennen, dat belangelooze
-liefde voor alle levende schepselen, de edelste eigenschap van den
-mensch, hun bevatting ver te boven ging.
-
-Toch is het geestelijk verschil tusschen den mensch en de hoogere
-dieren, hoe groot het ook zij, zeker slechts een verschil in
-hoeveelheid en niet in hoedanigheid. (6) Wij hebben gezien, dat de
-verschillende gemoedsaandoeningen en vermogens, zooals liefde,
-geheugen, oplettendheid, nieuwsgierigheid, nabootsing, rede enz.,
-waarop de mensch trotsch is, ook in wordenden of zelfs somtijds in goed
-ontwikkelden toestand bij de lagere dieren kunnen worden gevonden. Zij
-zijn ook vatbaar voor een zekere erfelijke verbetering, zooals wij zien
-in den huishond bij vergelijking met den wolf of jakhals. Indien wordt
-volgehouden, dat sommige vermogens, zooals zelfbewustzijn, het vermogen
-om afgetrokken denkbeelden te vormen enz., uitsluitend aan den mensch
-eigen zijn, kan het wel zijn, dat deze toevallige uitvloeisels zijn van
-andere hoog ontwikkelde verstandelijke vermogens; en deze zijn op hun
-beurt voornamelijk het gevolg van het voortdurend gebruik van een hoog
-ontwikkelde taal. Op welken leeftijd komt het pasgeboren kind in het
-bezit van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, of op
-welken leeftijd wordt het zelfbewust en begint het na te denken over
-zijn eigen bestaan? Wij kunnen die vraag niet beantwoorden en evenmin
-kunnen wij haar beantwoorden met betrekking tot de opklimmende reeks
-der organische wezens. Het half kunstmatige en half instinktmatige van
-de taal draagt nog den stempel van haar trapsgewijze ontwikkeling. Het
-veredelende geloof aan God is niet aan alle menschen eigen, en het
-geloof aan de werking van geestelijke invloeden volgt op natuurlijke
-wijze uit zijn andere geestvermogens. Het zedelijk gevoel is wellicht
-het beste en hoogste kenmerk waardoor de mensch zich van de lagere
-dieren onderscheidt; maar ik behoef daarover niets meer te zeggen, daar
-ik zoo even nog heb trachten aan te toonen dat de sociale
-instinkten—het grondbeginsel van ’s menschen zedelijken aanleg
-[292]—met behulp van de werkzaamheid zijner verstandelijke vermogens en
-de uitwerkselen der gewoonte op natuurlijke wijze leiden tot den gulden
-regel: „Alle dingen dan, die gij wilt dat de menschen u souden doen,
-doet gij hun oock alsoo”; en dit is de hoeksteen der zedelijkheid.
-
-In een volgend hoofdstuk zal ik eenige weinige opmerkingen maken over
-de stappen en middelen waardoor de verschillende verstandelijke en
-zedelijke vermogens van den mensch zich waarschijnlijk trapsgewijze
-hebben ontwikkeld. Dat dit ten minste mogelijk is, kan niet wel worden
-ontkend, daar wij hun ontwikkeling dagelijks in elk kind aanschouwen en
-daar wij door onmerkbare overgangen van den geest van een volkomen
-idioot, lager staande dan het laagste dier, kunnen opklimmen tot dien
-van een Newton.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Tegen het einde van den zomer, als de honigoogst begint op te
-houden en de mannelijke bijen aan hun bestemming (de voortplanting der
-soort) hebben voldaan, worden deze, die nu aan de bijenmaatschappij
-geen nut meer toebrengen, doch integendeel schadelijk voor haar zouden
-worden daar zij ten koste der overigen zouden moeten leven, door de
-werkbijen meêdoogenloos verjaagd en komen van gebrek om. Dat de
-werkbijen hen rechtstreeks zouden dooden, gelijk Darwin meent, schijnt
-op onjuiste waarnemingen te berusten. Daar al de bijen van een korf
-gewoonlijk kinderen zijn van ééne moeder, een koningin, zijn de
-mannelijke bijen gewoonlijk de broeders der werkbijen. [293] Wanneer in
-een korf een of meer jonge koninginnen worden geboren en er geen
-overbevolking, dus geen behoefte aan zwermen bestaat, worden zij door
-haar moeder, de koningin, gedood, zonder dat de werkbijen er zich tegen
-verzetten; want het zou nadeelig zijn voor de belangen der
-bijenmaatschappij, als zich in éénen korf twee of meer koninginnen
-bevonden. Bestaat er overbevolking, dan tracht de oude koningin ook wel
-de jonge te dooden, maar de werkbijen verzetten zich daartegen; de
-jonge koningin blijft meesteres van den korf; de oude koningin verlaat
-dien met een gedeelte der bijen om elders een volkplanting te stichten,
-hetgeen men het zwermen der bijen noemt.
-
-(2) De zedelijke verantwoordelijkheid van sommige dieren schijnt minder
-twijfelachtig dan die van „intermittente krankzinnigen.” Indien het in
-de toekomst de plicht werd van een procureur-generaal, om een aap te
-vervolgen die zich aan den moord van een mensch had schuldig gemaakt,
-zou het volgende geval, ontleend aan Brehm’s „Thierleben”, een slecht
-precedent opleveren voor den advocaat die met zijn verdediging was
-belast.
-
-Eenige weinige jaren geleden kocht Dr. Schomburg, de directeur van den
-botanischen tuin te Adelaïde, Australië, een uitgezocht partijtje apen
-en kangoeroe’s die hij een „gelukkig huisgezin” had kunnen noemen, als
-er niet een zeer boosaardige vrouwelijke Bhunder-baviaan bij was
-geweest. Ware zij niet de eenige vertegenwoordigster van haar soort
-geweest, dan zou hij haar hebben trachten kwijt te raken, want haar
-eenig levensdoel scheen te wezen om zich zoo onaangenaam mogelijk te
-maken. Eenzame opsluiting maakte haar wild en luidruchtig, maar in de
-algemeene kooi maakte zij de buideldieren waanzinnig van schrik, en
-scheen zich ’s avonds als haar jongere verwanten het waagden het
-slaaphok te betreden, te beschouwen, als van hooger hand verordineerd
-om hen met geweld daaruit te verjagen. Op zekeren dag viel zij haar
-eigen oppasser aan en verwondde hem, zonder eenige aanleiding
-zijnerzijds, op ergerlijke wijze aan zijn pols. Schomburg veroordeelde
-haar onmiddellijk om te worden doodgeschoten. Den volgenden morgen
-naderde de onder-oppasser haar kooi met een geweer, dat dikwijls was
-gebruikt om de ratten dood te schieten die in het menageriegebouw zeer
-veelvuldig waren. De andere apen schenen een nieuwe razzia onder de
-ratten te verwachten, maar de Bhunder-baviaan wist wel beter. Zoodra
-zij het geweer zag, sprong zij plotseling in het slaaphok en trok de
-deur daarvan toe. Toen de oppasser die trachtte open te maken, gilde
-zij, alsof zij hoopte vrij te komen door krankzinnigheid voor te
-wenden. Om haar te beproeven, wachtte de oppasser tot den tijd van het
-ontbijt, maar de baviaan vertoonde zich niet. Zij bleef een vol uur in
-haar schuilhoek, totdat de baksjongen een extra tractatie bracht,
-bestaande uit in schijfjes gesneden pompoenen. Zij deed toen een sprong
-naar den emmer, waarin die zich bevonden. Op dat oogenblik deed de
-oppasser de deur van haar slaaphok op slot en ging zijn geweer halen.
-Zoodra de baviaan hem zag terugkomen, vlood zij naar haar schuilplaats,
-en deed, toen zij die gesloten vond, een wanhopige poging om zich door
-de tralies van de kooi heen te wringen en zoo te ontvluchten. De
-tralies bleken echter onbuigbaar, en na nog een wanhopigen ruk aan de
-deur van het slaaphok, wierp de baviaan zich in een hoek, sloot haar
-oogen en scheen van vrees te zijn gestorven, nog voor het geweerschot
-haar doodde.
-
-(3) Het is duidelijk, dat die individu’s welke door hun ouders in hooge
-mate worden bemind en beschermd, meer kans zullen hebben in den strijd
-des levens te overwinnen, meer kans zullen hebben om te blijven leven,
-dan de individu’s die door hun ouders slechts in geringe mate worden
-bemind en beschermd, en dat eveneens de kansen dezer laatste grooter
-zullen zijn, dan die der individu’s die door hun ouders volstrekt niet
-worden bemind en beschermd. Die individu’s welke de grootste
-kinderliefde bezitten, zullen dus hun soort het best kunnen
-voortplanten. Krachtens het beginsel der erfelijkheid zullen ook hun
-kinderen zich doorgaans weêr onderscheiden door gehechtheid aan hun
-kroost, en ook van deze zullen ook weder zij de meeste kans hebben om
-een groote nakomelingschap achter te laten, welke die hoedanigheid in
-de hoogste mate bezitten. Verder is het waarschijnlijk, dat bij die
-individu’s bij welke de ouderliefde het meest is ontwikkeld, ook de
-kinderen de meeste gehechtheid aan hun ouders zullen verkrijgen. Op
-deze wijze kan de ontwikkeling der ouderlijke en kinderlijke liefde
-worden verklaard door de natuurlijke teeltkeus, daar die variëteiten,
-bij welke deze gevoelens het minst zijn ontwikkeld, in den strijd des
-levens zullen moeten onderdoen voor de andere.
-
-(4) „De darren” (blz. 190). Velen noemen de mannelijke bijen hommels.
-Dit is echter een geheel verkeerde uitdrukking; hommels is de naam van
-een met de honigbijen (Apis en Melipona) nauw verwant geslacht van
-sociale Vliesvleugelige Insekten, van het geslacht Bombus namelijk. De
-ware Nederlandsche naam der honigbijen is darren of darries. Op blz.
-201 is het teeken (4) bij vergissing blijven staan. Men zie over de
-bloedschande: „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel
-II, blz. 141.
-
-(5) In het „Album der Natuur” 1876, blz. 22, deelt Prof. Harting een
-opmerkelijk geval mede van erfelijke genegenheid van een kat voor een
-hond, ontleend aan „Nature” 15 Juli 1875.
-
-(6) „Het verschil in geestvermogens tusschen den mensch en de lagere
-dieren, hoe groot het ook zij, is ongetwijfeld slechts een verschil in
-hoeveelheid” (quantitatief), „en niet in hoedanigheid” (qualitatief).
-Het komt ons voor, dat Darwin in dit en het vorige hoofdstuk de
-waarheid dezer stelling op de meest overtuigende wijze heeft bewezen.
-Reeds lang werd door de meeste mannen der wetenschap erkend, dat de
-theorie van Cartesius, die van alle dieren levende werktuigen maakte
-zonder denkvermogen en zonder bewustzijn, onjuist was, zoodat dan ook
-Quatrefages („l’Unité de l’Espèce Humaine”), den mensch als
-afzonderlijk „Menschenrijk” van het Dierenrijk scheidende, dit niet
-doet op grond, dat slechts deze denkvermogen zou bezitten, maar op
-grond van het godsdienstig en zedelijk gevoel (Religiositeit en
-Moraliteit), dat de dieren volkomen zouden missen. Wij hebben in
-Hoofdstuk III en IV van dit werk echter gezien, dat ook bij andere
-dieren wel degelijk de kiemen dier beide vermogens bestaan. Al wilde
-men dit echter niet erkennen, men zou toch moeten toegeven, dat het
-onmogelijk kan worden bewezen, dat deze beide vermogens bij alle dieren
-ontbreken, en evenmin, dat zij bij alle voormalige en tegenwoordige
-menschenrassen aanwezig waren en zijn. Wij hebben in aanteekening 15,
-blz. 160, gezien, hoeveel vergeefsche moeite men zich dikwijls gegeven,
-welke belachelijke opmerkingen men dikwijls gemaakt heeft, om dit
-laatste te bewijzen. Maar zelfs al stellen wij voor een oogenblik, dat
-van het zedelijk en godsdienstig gevoel bij geen enkel dier zelfs de
-geringste kiem bestond, zou dan nog het bezit dier vermogens een
-genoegzamen grond opleveren om den mensch als afzonderlijk „Rijk” van
-de Dieren, als afzonderlijke Klasse of Onder-klasse van de Zoogdieren,
-of zelfs slechts als afzonderlijke Orde van de anatomisch en
-physiologisch zoo nauw met hem verwante apen (Primaten) te scheiden?
-Wij gelooven geenszins. Onder de hoogere planten zijn duidelijk
-zichtbare gevoels- en bewegingsverschijnselen even zeldzaam, als
-godsdienstig en zedelijk gevoel bij de hoogere dieren maar kunnen zijn;
-Linnaeus gaf zelfs als onderscheid tusschen het dieren- en plantenrijk
-op, „Vegetabilia crescunt et vivunt; animalia crescunt, vivunt et
-sentiunt.” En toch is, voor zoover ik weet, nog nooit een plantkundige
-op de zonderlinge gedachte gekomen om de Kruidjes roer mij niet (Mimosa
-pudica, M. sensitiva en eenige aanverwante soorten), die zeer
-duidelijke verschijnselen van gevoel en beweging vertoonen, daarom als
-afzonderlijk „Kruidje roer mij niet’s Rijk” van het Plantenrijk, als
-afzonderlijke Klasse van de Tweezaadlobbige Planten (Dicotyledones), of
-zelfs als Onder-klasse van de Tweezaadlobbige Planten met een
-Veelbladige Bloemkroon (Dialypetalae of Dicotyledones Polypetalae), als
-Familie van de Peulvruchten (Leguminosae), of zelfs maar als geslacht
-van het geslacht Mimosa, waartoe zij op morphologische gronden moeten
-worden gebracht, af te scheiden. Even weinig of liever nog veel minder
-grond is er, voor den mensch een afzonderlijk Rijk, een afzonderlijke
-Klasse, Onder-klasse of zelfs Orde aan te nemen, zelfs al gaf men toe,
-dat alleen hij godsdienstig en zedelijk gevoel bezit. Hoeveel te minder
-dan, wanneer men bewezen ziet, dat het verschil in geestvermogens
-tusschen den mensch en de lagere dieren slechts quantitatief en niet
-qualitatief is!
-
-Wij kunnen ons het genoegen niet ontzeggen, onze aanteekeningen op dit
-Hoofdstuk met een aanhaling uit Carl Vogt’s „Vorlesungen über den
-Menschen” (Bd. I, blz. 295) te besluiten, waar hij, na Quatrefages ten
-opzichte van het godsdienstig gevoel te hebben weêrlegd (vergelijk
-aanteekening 16, blz. 161), omtrent het zedelijk gevoel het volgende in
-het midden brengt:
-
-„Wat nu de moraliteit, of het begrip van goed en kwaad aangaat, zal men
-niet willen beweren, dat dit bij den mensch iets absoluuts is. Het
-richt zich altijd naar den toestand der maatschappij, het is in één
-woord het resultaat van den socialen toestand. Terwijl het in de
-beschaafde wereld een met den dood strafbare misdaad is zijn ouden,
-verlamden vader om te brengen, zijn er Indiaansche stammen bij welke
-dit als een hoogst prijzenswaardige handeling van den zoon wordt
-beschouwd. Het begrip van goed en kwaad ontwikkelt zich dus uit de
-behoeften der maatschappij, uit de onderlinge betrekkingen tusschen de
-individu’s. Als dit echter waar is, is het ook even zeker, dat het
-begrip van goed of kwaad bij de diermaatschappijen evenzoo is
-ontwikkeld in verhouding tot de mate van sociale ontwikkeling, als bij
-de menschelijke maatschappijen. De eerste trap der maatschappij is het
-huisgezin; het begrip van goed en kwaad resumeert zich bij het kind in
-de gehoorzaamheid aan de ouders, in de vervulling der aan hetzelve
-opgelegde plichten, in de terechtwijzing, straf of liefkozing, welke
-hetzelve ten deel valt. Nu zie men eens een katten- of berenfamilie en
-lette op de gebaren der jongen, hun opvoeding door de ouden, en dan
-vrage men zich af, of men hier niet het beeld van een menschelijk
-huisgezin voor zich heeft, met al die uitingen van het begrip van goed
-en kwaad, welke men maar zou kunnen verlangen. Ik geef toe, dat het een
-kattenmoraal, dat het een berenmoraal is, die hier den kinderen wordt
-ingeprent en geleerd, maar het is toch een moraal, en het jonge katje
-dat niet luistert naar de roepstem zijner moeder, de tweejarige beer
-die niet behoorlijk voor zijn broertjes en zusjes zorgt, krijgen even
-goed knorren en oorvijgen, als de lieve menschenkinderen, als deze het
-grondbegrip der menschelijke en christelijke moraal, de kinderlijke
-gehoorzaamheid, niet betrachten.
-
-„Ten opzichte der dierenmaatschappijen echter veroorloof ik mij hier
-een plaats uit Dr. A. E. Brehm’s voortreffelijk werk, „Illustrirtes
-Thierleben”, over de apenmaatschappijen aan te halen:
-
-„„Dat lid eener troep dat de meeste ervaring bezit, wordt aanvoerder of
-leidaap. Deze waardigheid wordt hem echter niet door het „algemeen
-stemrecht” opgedragen, maar hem eerst na een zeer hardnekkigen kamp met
-andere mededingers toegekend. De langste tanden en sterkste armen
-beslissen. Wie er zich niet goedschiks aan wil onderwerpen, wordt door
-beten en klappen geringeloord, totdat hij tot rede is gebracht. Den
-sterke komt de kroon toe, in zijn tanden ligt zijn wijsheid. Dit is
-echter ook zeer verklaarbaar: de oudste apen zijn steeds ook de
-sterkste en aan hen moeten ook goedschiks of kwaadschiks de jongere
-onervarene zich onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet
-onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en wel in elk opzicht. Ridderlijke
-galanterie is hem niet eigen; stormenderhand verovert hij het loon der
-min. Het jus primae noctis geldt bij hem nog heden. Hij wordt stamvader
-van een volk, en zijn geslacht vermeerdert zich, evenals dat van
-Abraham, Izaäk en Jakob, „gelijk het zand der zee”. Geen vrouwelijk lid
-der troep mag zich aan een onnoozele minnarij met den eenen of anderen
-vlasbaard overgeven. Zijn oogen zijn scherp en zijn tucht is zeer
-streng; hij verstaat in liefdezaken geen gekscheren. Ook de apinnen die
-zich, of liever hem, vergeten, krijgen zooveel muilperen en worden zoo
-geplukhaard, dat haar de lust tot verboden omgang met andere helden van
-den troep zeker vergaat; nog erger gaat het met den apenjongeling die
-de wetten des harems van den op zijn recht trotschen Sultan
-overtreedt”....
-
-....„„Voor het overige oefent de leidaap zijn ambt met groote
-waardigheid uit. Reeds de achting die hij geniet, geeft hem een zekere
-zekerheid en zelfstandigheid in zijn handelingen, die aan zijn
-ondergeschikten ontbreekt; hij wordt ook door deze op allerlei wijzen
-gevleid. Zoo ziet men, dat zelfs de apinnnen zich moeite geven om hem
-de hoogste gunst welke een aap kan betoonen of ontvangen, ten deel te
-doen worden. Zij beijveren zich namelijk om zijn haarkleed steeds
-zooveel mogelijk van lastige parasieten te zuiveren, en hij laat zich
-deze hulde welgevallen met de waardigheid van een Pacha wien zijn
-geliefde slavin de voetzolen kittelt. Daarentegen zorgt hij nu ook
-trouw voor de zekerheid zijner ondergeschikten en is daardoor in nog
-grooter onrust dan zij. Naar alle zijden heên wendt hij zijn blikken,
-geen wezen vertrouwt hij, en zoo ontdekt hij ook bijna altijd
-terechtertijd elk dreigend gevaar.”
-
-„Wij weten niet, of het verschil tusschen de moraliteit, die in deze
-apenmaatschappij geheel van den wil des stamhouders afhangt en die van
-een horde Nieuw-Hollanders, waar evenzeer de sterkste de wet maakt,
-groot genoeg kan schijnen, om het geheele onderscheid van een Rijk
-daarop te gronden. Het theoretische absolutisme kent immers volstrekt
-geen andere moraal, dan die des heerschers. Hij maakt de wet, hij
-schrijft het geloof voor, hij bepaalt de moraal,—wie anders handelt,
-anders denkt, dien heeft hij het recht te dooden of te straffen,—is de
-moraliteit van een absoluut despotisme theoretisch een andere dan die
-eener apenfamilie?
-
-„Ook deze onderscheidende categorie van Quatrefages is dus volkomen
-onhoudbaar.
-
-„De beide Fransche geleerden [294] hebben iets onmogelijks beproefd—om
-namelijk eigenschappen te vinden, die niet op een materiëelen grondslag
-rusten.
-
-„Waar de organisatie naar het zelfde type is gevormd, daar moeten ook
-de uit deze organisatie voortspruitende eigenschappen de zelfde
-grondeenheid vertoonen.
-
-„Eer ik echter van dit onderwerp afstap, wil ik hun die zich te
-vergeefs aftobben om uit een of ander geestvermogen een bijzonderen
-troon voor den mensch op te richten, de volgende woorden van Wundt
-toeroepen: „De dieren zijn wezens, wier zelfbewustheid van die des
-menschen en slechts door den bereikten trap van volkomenheid verschilt.
-Tusschen mensch en dier bestaat geen wijdere kloof dan tusschen de
-dieren onderling. Alle bezielde organismen vormen een keten van
-gelijksoortige wezens, waarin nergens een gaping blijft. Een verouderde
-zieleleer met haar menigvuldige geestelijke vermogens en krachten mocht
-al grenslijnen trekken, hier dit, daar dat vermogen uitdeelen;—wij
-echter moeten, nadat het ons gelukt is te bewijzen, dat het
-gezamenlijke geestelijke leven slechts één groot geheel uitmaakt, ook
-toegeven, dat al wat bezield is, ook deel heeft aan dit geheel.””
-
-Men vergelijke overigens, zoo men nog niet overtuigd mocht zijn,
-Houzeau, „Études sur les facultés mentales des animaux comparées à
-celles de l’homme, Mons-Paris”, 1872; Haeckel, E., „Ziel-cellen en
-cel-zielen”, uit „Deutsche Rundschau”, in „Wetensch. Bladen”, October
-1878; Dr. L. Büchner, „Uit het Leven der Dieren, hun denken, willen,
-werken en gevoelen”, en Dr. L. Büchner, „Het leven der liefde in de
-dierenwereld.” De beide laatsten vertaald door R. E. de Haan, Directeur
-der R. Hoogere Burgerschool te Winterswijk, Nijmegen, Blomhert &
-Timmerman, 1877 en 1880, thans D. Bolle, Rotterdam. Carus Sterne (Dr.
-E. Krause), „Dieren- en Menschenziel”, vertaald door P. F. Spaink, in
-de Dageraad van Juli 1884, Tito Vignoli. „Das Fundamentalgesetz der
-Intelligenz im Thierreiche”, Leipzig, Brockhaus, en „Mythus und
-Wissenschaft”, Leipzig 1879 en 1882. Volgens dezen laatste verschilt
-het geestelijk proces bij het hoogere dier alleen daarin van dat van
-den mensch, dat het dier nog niet de innerlijke beschouwing zijner
-beschouwingen heeft, d. w. z, dat hij niet wat wij zelfbewustzijn
-noemen van het bewustzijn kan onderscheiden. Men zie ook: „De zedekunde
-als wetenschap”, door H. A. F. de Vogel, Arnhem, H. W. v. Marle, 1880.
-Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam,
-Warendorf, 1888 [295], en R. E. de Haan in „Isis”, 1879, blz. 50 en
-153.
-
-Evenals de sociaal levende dieren zich in geestvermogens ver boven de
-eenzaam levende verheffen, zinkt omgekeerd de mensch die buiten de
-menschelijke maatschappij opgroeit, verstandelijk tot het peil van het
-dier terug, en kent noch godsdienst noch zedelijkheid.
-
-In den loop der tijden zijn in Europa, Indië en Noord-Amerika
-herhaaldelijk kinderen opgevangen, die ver van de maatschappij in
-uitgestrekte wildernissen of afgelegen wouden waren opgegroeid. In al
-die gevallen bleek het, dat die kinderen aan de dieren gelijk waren, en
-zelfs gewoonlijk door latere opvoeding niet konden leeren spreken, noch
-hun verstand verder ontwikkelden dan een getemd huisdier.
-
-Professor Raube te Leipzig verzamelde de levensgeschiedenissen van
-zestien dier „woudmenschen” in zijn boekske: Homo sapiens ferus
-(Leipzig, Denicke), en Dr. E. Dorn bespreekt nog andere gevallen in
-zijn artikel „Wolfskinder” in „Ueber Land und Meer”, 1890–1891, No. 5,
-aan welke beide bronnen wij het volgende ontleenen:
-
-In 1661 zagen jagers in Littauen te midden van een troep beren twee
-kleine wezens die een menschelijke gedaante bezaten. Het gelukte hun
-een daarvan te vangen niettegenstaande zijn tegenstand en geschreeuw.
-Het verdedigde zich evenals een beer met zijn nagels en tanden. Het
-bleek een kind te zijn van ongeveer negen jaar oud. Men bracht het naar
-Warschau voor den koning en de koningin van Polen. De adel en de
-geheele burgerij verdrong zich om het kind te zien. Het had een uiterst
-blanke huid, witte haren, aangename gelaatstrekken, een goedgevormd en
-krachtig lichaam en blauwe oogen. Het vertoonde echter geen spoor van
-verstand, kon niet spreken, was zeer wild en bezat alle neigingen van
-een dier. Men heeft het nooit kunnen leeren deze wildheid af te leggen,
-te spreken, zich te kleeden, zijn hoofd te bedekken of schoenen aan te
-doen. Het nam echter wèl de gewoonte aan om op twee beenen te loopen,
-en werd zoover getemd, dat het, evenals een hond, kwam als men het
-riep. Van tijd tot tijd vluchtte het naar het bosch, waar het
-boomschors met de nagels losscheurde en uitzoog. Het at gaarne vleesch,
-rauw zoowel als gekookt.
-
-In 1672 werd een jongen van omstreeks 16 jaar naar Amsterdam gebracht,
-die in Ierland als klein kind zijn ouders ontloopen en onder
-verwilderde schapen opgegroeid was. Hij was gezond en vlug van lichaam,
-had een laag, achteruitwijkend voorhoofd, blaatte als een schaap,
-lustte geen menschelijke spijzen en dranken, maar at gras en hooi.
-Alles wat men hem gaf, betastte, berook en besnuffelde hij, stak het in
-den mond en at het of wierp het weg, al naar het hem smaakte. Hij was
-wild en schuw en eerst na langen tijd gelukte het hem eenigermate te
-temmen. Hij had lang alle pogingen der jagers om hem te krijgen
-verijdeld, doch werd eindelijk in een net gevangen. Hij liep voorover,
-zijn tong was weinig bewegelijk.
-
-In 1725 werd in Hannover in een bosch een knaap van omstreeks vijftien
-jaar gevangen. Hoewel hij uiterlijk op een menschelijk wezen geleek,
-stond hij, wat den geest aangaat, volkomen op den trap van een wild
-dier; hij liep of liever kroop op handen en voeten, at gras en mos en
-sliep op boomen. Na zijn gevangenneming toonde hij een grooten afkeer
-van kleederen en was niet te bewegen in een bed te gaan liggen. De
-kleederen die men hem aan trok, scheurde hij zich spoedig onder
-teekenen van de grootste verontwaardiging van het lijf en kroop, bij
-gebrek aan zijn gewone legerstede in de takken van een boom, naar den
-uitersten hoek der hem aangewezen verblijfplaats, om zich daar te
-slapen te leggen. Zijn lievelingsvoedsel bleven rauwe kruiden, vooral
-bladeren van kool en andere groenten, terwijl hij van al wat gekookt of
-gestoofd was, voortdurend de grootste walging toonde. Hij had niet het
-geringste spoor van eenige gearticuleerde spraak, maar drukte veeleer
-zijn gedachten uit door geluiden die hij van de dieren had
-afgeluisterd.
-
-Ofschoon slechts 1,65 M. lang, was hij buitengewoon gespierd en sterk,
-daarbij vertoonde hij tot aan zijn dood (die op vermoedelijk ongeveer
-drie-en-twintigjarigen leeftijd plaats greep) niet de geringste
-belangstelling in de vrouwelijke sekse. Zijn dierlijken aard legde hij
-slechts in zijn laatste levensjaren in zijn uiterlijk aanzien af; hij
-scheen zachter en goedaardiger; godsdienstige begrippen of het geloof
-aan een hooger wezen bleek het onmogelijk hem in te prenten.
-
-In 1731 kwam in het dorp Songi (bij Châlons) tegen schemeravond een
-meisje van 9 à 10 jaar oud, door dorst geplaagd. Haar voeten waren
-naakt, haar lichaam met lompen bedekt, een uitgeholde pompoen diende
-haar tot muts. Zij droeg een houten knuppel in de hand. Iemand uit het
-dorp liet een dog op haar los. Zij bleef onversaagd staan en sloeg het
-dier met haar knuppel zoo heftig op den kop, dat het dood ter aarde
-stortte. Vol vreugde over deze overwinning wierp zij zich herhaaldelijk
-op het lichaam van den hond.
-
-Daarna beproefde zij een deur te openen. Toen haar dit niet gelukte,
-verliet zij het dorp, klom op het veld in een boom (waarin zij later
-buitengewoon behendig bleek te zijn) en sliep daar rustig in. Een vrouw
-lokte haar uit den boom en zij werd door de dorpelingen gevangen, die
-haar naar de keuken van zeker kasteel brachten. De kok was daar bezig
-een hoen klaar te maken. Zij ontrukte het hem en begon het dadelijk te
-eten. Een haar gegeven konijn at zij met vel en al op.
-
-Zij had een eigenaardigen glijdenden gang en was zoo vlug, dat zij
-hazen kon inhalen en vangen. Zij dook ook voortreffelijk en at rauwe
-visschen en kikkers.
-
-Het gelukte dit meisje, dat echter reeds in den aanvang minder
-verwilderd was dan de eerst besproken kinderen, daar het eenigszins
-gekleed en gewapend was, eenigszins te ontwikkelen. Zij leerde Fransch
-spreken en werd non. Het kostte haar groote moeite af te leeren het
-vleesch rauw te eten en bladeren, twijgen en wortels te nuttigen. Twee
-jaar na haar gevangenneming had zij nog groote neiging om, duikende,
-visschen te vangen.
-
-Een ander bij haar gevangenneming omstreeks twaalf- of dertienjarig
-meisje toonde, hoewel niet zonder geslachtsdrift, tot haar dood den
-grootsten afschuw voor alle mannen. Haar wilde temperament onttrok zich
-aan alle contrôle, daarbij legde zij een grooten trek naar bloed aan
-den dag en zoog dat aan levende dieren uit. Eens zag men haar als een
-otter in een meer duiken, met groote handigheid eenige visschen vangen
-en die dadelijk daarna aan den oever verslinden.
-
-Later leerde dit meisje spreken en was daardoor in staat eenige
-onbestemde mededeelingen omtrent haar leven in het bosch te doen. Aan
-het einde van haar leven, nadat zij zwaar ziek had gelegen, traden de
-sporen van haar vroegere dierlijke leven weder duidelijk te voorschijn.
-
-Een in de bosschen bij Cannes in Frankrijk gevangen knaap van omstreeks
-elf of twaalf jaar toonde bij zijn dierlijke natuur nog sporen van
-krankzinnigheid, die soms tot razernij oversloegen. Het gelukte met
-oneindige moeite, geduld en duizenden kunstgrepen hem twee of drie
-woorden te leeren. Ongelukkig ontbreekt het slot van zijn door zijn
-verpleger, een Fransch geneesheer, geschreven levensgeschiedenis.
-
-In 1889 werd volgens de dagbladen in België zulk een wilde knaap
-gevangen.
-
-Nog belangwekkender dan bovenstaande gevallen, die allen op Europa
-betrekking hebben, is het volgende uit Indië, dat door den Engelschen
-resident aan het hof te Lucknow, kolonel Steeman, wordt medegedeeld.
-
-Op zekeren dag merkte een cavalerist op een verkenningstocht aan de
-oevers van de rivier de Goombee in de nabijheid van het dorpje
-Chandour, niet ver van Sultanpour (koninkrijk Oude), hoe op geringen
-afstand van hem een wolvin met haar jongen en—een knaap uit het bosch
-kwam, en zich naar het water begaf om te drinken. De knaap liep op
-handen en voeten. Nadat zij had gedronken, wilde de wolvenfamilie weder
-in het bosch gaan. De cavalerist trachtte haar toen den weg te
-versperren om den knaap te bemachtigen. Deze ging echter met de wolven
-en zich nauw bij de wolvin aansluitend op de vlucht. De cavalerist
-bleef echter de vluchtelingen zoo na op de hielen, dat hij hen in een
-hol zag verdwijnen.
-
-Met behulp van een aantal boeren uit het naburige dorp werd het hol in
-korten tijd opengegraven. Volgens het bijgeloof der Hindoes van die
-streek liet men de wolven ontvluchten, maar maakte zich meester van den
-zich heftig verzettenden knaap.
-
-Bij het transport naar het dorp beproefde de knaap, dien men had
-vastgebonden, herhaaldelijk zich los te rukken en in daartoe geschikte
-gaten, boschjes of holen te verdwijnen. De poging om hem tot spreken te
-brengen, werden van zijn kant slechts met knorren en brommen
-beantwoord.
-
-Men hield hem gedurende verscheidene dagen in het dorp. Zoodra hem een
-volwassen persoon naderde, zocht hij weg te sluipen, kwam echter een
-kind te dicht bij hem, dan trok hij met wild geknor op hetzelve los en
-trachtte het te bijten. Van gekookt voedsel toonde hij grooten afkeer;
-wierp men hem daarentegen rauw vleesch toe, dan greep hij dat begeerig,
-wierp het onder zijn handen op den grond en at het dan, evenals een
-hond, met blijkbaar genot en genoegen. Zoolang hij at, duldde hij geen
-menschelijk wezen in zijn nabijheid, doch aan honden veroorloofde hij
-zijn maal te deelen.
-
-Deze wilde knaap, die aan kapitein Nicholett werd overgegeven,
-overleefde zijn gevangenneming slechts drie jaar en stierf in Augustus
-1850 te Sultanpour.
-
-Zijn groote vraatzucht was spreekwoordelijk geworden; men vertelde van
-hem, dat hij een half schaap in één maal opat en daarbij een groote
-schaal karnemelk in één teug opdronk. Hij was volkomen ongevoelig voor
-beleedigingen en slechts door voortdurend plagen toornig te maken; hij
-at alles wat hem werd toegeworpen, maar behield een bijzondere
-voorliefde voor rauw vleesch. Ook at hij rauwe beenderen die hij met
-evenveel gemak als het vleesch scheen te kauwen. Het zonderlingste was
-zijn liefhebberij voor kleine steentjes en aarde, die hij in
-betrekkelijk groote hoeveelheden verslond.
-
-Kleeding wilde hij zelfs bij het koudste weder niet aandoen. Wollen en
-met watten gevulde dekens, die men hem tot bescherming tegen de koude
-gaf, verscheurde hij in kleine stukjes, die hij bij zijn brood at. Hij
-was buitengewoon morsig en van terugstootend karakter; men heeft hem
-nooit zien lachen. Den menschen vijandig, ging hij gaarne met honden en
-jakhalzen om. Doch ook zijn genegenheid voor deze was van een
-bijzonderen aard. Toen zijn eenige vriend, een groote hond, met welken
-hij samen at, werd doodgeschoten wegens al te groote vraatzucht, toonde
-hij niet de minste gemoedsbeweging.
-
-Een andere knaap, die in zijn derde levensjaar bij het twintig mijlen
-van Sultanpour gelegen dorp Chupra door een wolvin aan zijn moeder werd
-ontroofd, werd zeven jaar later in volkomen verdierlijkten toestand
-door twee soldaten weder aan een wolfsfamilie ontroofd. Alle pogingen
-zijner moeder om den knaap weder uit zijn verdierlijkten toestand op te
-heffen, mislukten geheel. De arme vrouw zag zich genoodzaakt het
-menschdier aan de openbare liefdadigheid over te laten. De knaap hield
-zich over dag in het dorp op, maar ging ’s nachts geregeld in het
-naburige bosch slapen. Zijn voedsel bestond in rauw vleesch, hazen,
-vogels en allerlei soort van afval. Zijn dorst stilde hij door zijn
-gezicht vlak bij het water te brengen en dit dan op te zuigen. Zijn
-knieën en ellebogen waren door zijn gewoonte om alle vier ledematen bij
-het loopen te gebruiken, met een hoornachtige huid bedekt.
-
-Zijn lichaam stonk evenals dat der wolven. Hij verdween in 1850 bij
-zijn overbrenging van Sultanpour naar Lucknow en werd niet teruggezien.
-
-Wij gaan de geschiedenis van nog drie in Indië gevangen „wolfskinderen”
-voorbij, om nog even stil te staan bij het laatst bekend gewordene,
-zeer opmerkelijke geval.
-
-Een Hindoeknaap van omstreeks twaalf jaar, werd door twee soldaten
-evenals de beide vorigen in gezelschap van wolven aangetroffen en
-gevangen. Aan den zadelknop van zijn vanger vastgebonden, verscheurde
-hij diens kleederen, en hoewel men zijn handen had gebonden, gelukte
-het hem zijn overwinnaar gevaarlijk te bijten. Hij werd ter verpleging
-toevertrouwd aan den Rajah te Bondee, van wien hem Janoo, de bediende
-van een koopman uit Kasjmier, overnam. De knaap liep, hoewel hij, als
-hij er toe gedwongen werd, rechtop kon gaan, op handen en voeten. Onder
-de leiding van Janoo, die zijn beenen dagelijks met olie inwreef en
-masseerde, leerde hij spoedig als een menschelijk wezen loopen, maar de
-vosachtige stank die zijn lichaam eigen was, was niettegenstaande
-maanden lang voortgezette inwrijvingen met in water geweekt mosterdzaad
-niet te verwijderen; zelfs door onthouding van allen vleeschkost en
-uitsluitende voeding met rijst, peulvruchten en brood was daarin geen
-verbetering te brengen.
-
-Hij sliep onder een mangoboom, vastgebonden aan het veldbed van Janoo,
-die onder den zelfden boom zijn tent had opgeslagen. Op zekeren nacht
-bemerkte Janoo tot zijn schrik, dat twee wolven den slapenden knaap
-naderden en hem besnuffelden. Zij raakten hem aan, hij werd wakker, en
-zich opheffend, legde hij zijn handen op de koppen zijner bezoekers,
-die hem zijn aangezicht lekten. Zij sprongen om hem heên en hij wierp
-met stroo en bladeren naar hen. Janoo waande eerst zijn beschermeling
-verloren, maar overtuigde zich zeer spoedig, dat de wolven slechts met
-hem speelden. Hij zag het een tijd lang rustig aan, maar jaagde
-eindelijk de wolven weg. Deze kwamen echter reeds na korten tijd terug
-om het spel te hervatten. Den volgenden nacht kwamen drie, eenige
-nachten later zelfs vier van die ruwe speelkameraden. Zij kwamen in het
-geheel vijfmaal, zoodat ook Janoo eindelijk alle vrees voor hen
-verloor.
-
-Na den terugkeer van zijn principaal van een vrij langdurige reis was
-Janoo genoodzaakt drukke werkzaamheden te verrichten bij welke hij zijn
-pleegkind, dat hij met een touw aan zijn arm had bevestigd, als
-lastdrager zocht te gebruiken, door hem lasten op het hoofd te doen
-dragen. Bij elk boschje dat zij voorbij kwamen, beproefde de knaap zich
-van zijn last te bevrijden en in het boschje te ontvluchten. Door een
-behoorlijk pak slaag na elke dier pogingen, leerde hij dit echter
-langzamerhand af.
-
-De grootste moeilijkheid bestond daarin, hem aan het dragen van
-kleederen te gewennen daar hij die dikwijls verscheurde en geheel te
-gronde richtte, daar hij er zich evenals een dier mede schobde tegen
-muren, pilaren, boomen enz., zoodra zijn huid hem jeukte. Eenige
-maanden na de aankomst in Lucknow werd Janoo door zijn heer voor eenige
-dagen voor zaken weggezonden. Bij zijn terugkeer was de knaap verdwenen
-en werd nimmer teruggezien.
-
-In Amerika heeft men herhaaldelijk in verschillende streken, ook in de
-laatste tientallen jaren, verwilderde kinderen gevangen, maar daaraan
-na bevrediging der nieuwsgierigheid verder geen nadere aandacht
-geschonken, zoodat zij spoedig weder vergeten waren en voor de
-wetenschap verloren gingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH,
-
-DOOR
-
-Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
-In zijn werk „Darwinism”, Londen 1889, wijdt A. R. Wallace een
-hoofdstuk aan de „Afstamming van den Mensch.” Hij zegt daarin volkomen
-in te stemmen met Darwin’s besluit (in hoofdstuk VI van dit werk), dat
-de mensch in zijn lichamelijk maaksel wezenlijk met de hoogere
-zoogdieren overeenstemt, en dat de menschen en de anthropomorphe apen
-van dezen of genen gemeenschappelijken stamvader afstammen. De bewijzen
-daarvoor schijnen hem overstelpend en afdoende. Verder mag men volgens
-Wallace, ten minste voorloopig, aannemen, dat de wetten der variatie en
-natuurlijke teeltkeus, werkende door den strijd om het bestaan en de
-voortdurende behoefte om hoe langer hoe meer geschikt te worden voor
-zijn physische en biologische omgeving, de oorzaken zijn geweest,
-waardoor hij zijn eigenaardig lichamelijk maaksel en die groote,
-hoog-ontwikkelde hersenen verkreeg, die hem in staat hebben gesteld het
-geheele dieren- en plantenrijk aan zich te onderwerpen.
-
-Daarentegen schijnt het Wallace toe, dat, hoewel de rudimenten van de
-meeste, zoo niet van alle, verstandelijke en zedelijke vermogens van
-den mensch bij sommige dieren mogen worden aangetroffen, toch de
-ontwikkeling van sommige zijner hoogste geestvermogens niet door
-variatie, natuurlijke teeltkeus en den strijd om het leven kan worden
-verklaard, maar het gevolg moet zijn geweest van de inwerking eener
-geheel verschillende oorzaak. Als zoodanige geestvermogens noemt hij
-meer in het bijzonder:
-
-
- 1. De aanleg voor wiskunde.
- 2. De aanleg voor muziek en andere schoone kunsten.
- 3. De aanleg voor metaphysica.
- 4. De aanleg voor boert en scherts.
-
-
-Al deze vermogens zijn bij wilden weinig of niet ontwikkeld. Boerten en
-schertsen doen zij bijna niet. Met metaphysische bespiegelingen houden
-zij zich niet veel op. Hun kunsten staan op zeer lagen trap, hun
-wiskunde beperkt zich tot tellen, dat soms niet verder dan drie schijnt
-te gaan. Er schijnt dus weinig tegen te zeggen te zijn, dat deze
-vermogens, in zoo ver zij zich bij de wilden openbaren door de
-beginselen van Darwin zijn te verklaren. Wallace zegt wel, dat
-inlandsche muziekkorpsen van wilde rassen onder Europeesche leiding
-onze beste moderne muziek op dragelijke wijze leeren spelen, en dus de
-hoogere muzikale vermogens bij die rassen in latenten toestand aanwezig
-schijnen te zijn, maar men zou o.i. evengoed kunnen beweren, dat die
-bij de zangvogels aanwezig zijn, omdat men sommigen daarvan aria’s uit
-opera’s kan leeren fluiten, of dat de papegaaien aanleg hebben voor de
-studie der doode talen, omdat Humboldt in Zuid Amerika een papegaai
-aantrof, die de taal van een uitgestorven Indianenstam sprak.
-
-Het bezwaar van Wallace betreft dus niet zoozeer de afstamming van den
-wilden mensch van het dier als de afstamming van den beschaafden mensch
-van den wilden. Zijn „hoogste vermogens”, waarvoor de inwerking eener
-bijzondere oorzaak zou zijn noodig geweest, vormen geen scherp verschil
-tusschen dier en mensch (de eenige quaestie, waarop het o.i. bij de
-bespreking van de afstamming van den mensch aankomt), maar wel tusschen
-den wilden mensch en den beschaafden mensch, die echter door tallooze
-overgangen zijn verbonden, en wier afstamming van gemeenschappelijke
-stamouders door niemand ooit is betwijfeld, of ten minste nooit op
-grond van hun verschil in beschavingstoestand voor onmogelijk, of voor
-slechts op bovennatuurlijke wijze verklaarbaar is gehouden.
-
-Laten wij echter de bewijsvoering van Wallace eenigszins meer in
-bijzonderheden nagaan.
-
-
-
-1. De aanleg voor wiskunde.
-
-Als wij aannemen, dat de voorhistorische en wilde mensch volstrekt geen
-aanleg voor wiskunde bezat, zou het hoogst moeilijk zijn te verklaren,
-hoe die aanleg ontstond. Nemen wij echter aan, dat hij de rudimenten
-van dien aanleg bezat, zooals het vermogen om tot tien te tellen, maar
-zonder het eenvoudigste rekenkunstige of wiskunstige vraagstuk te
-kunnen oplossen, hoe werd dan dit rudimentaire vermogen bij de moderne
-volken, die voor betrekkelijk korte eeuwen nog barbaren en wilden
-waren, zoo snel ontwikkeld tot een aanleg voor wiskunde als die van een
-Newton, Gauss of La Place? De strijd om het leven van den wilde met de
-elementen, met de dierenwereld of met zijns gelijken kan daarop geen
-invloed hebben gehad, evenmin als de oorlogen der latere volken met
-elkander. De Grieken overwonnen de Perzen niet door hun meerdere kennis
-van wiskunde, maar door hun betere militaire geoefendheid,
-vaderlandsliefde en zelfopoffering. Tamerlan en Gengis-Khan veroverden
-Azië, maar geenszins omdat zij zelven of hun volgelingen meer kennis
-van wiskunde hadden dan de volken die zij overwonnen. De
-ingenieurskunst der Romeinen vereischte zeker eenige wiskundige kennis,
-maar deze verhinderde niet, dat zij den inval der barbaren, welke die
-wiskundige kennis niet bezaten, niet konden weêrstaan. Die barbaren, de
-Kelten, Germanen en Slaven, zijn, reeds vóór zij vorderingen in de
-wiskunde hadden gemaakt, gebleken in den grooten strijd tusschen de
-rassen, de geschiktsten te zijn om te overwinnen, en in dit opzicht de
-beschaafdste en wiskundig het meest ontwikkelde volken der oude
-wereld,—de Hindoes, Arabieren, Grieken en Romeinen te overtreffen. Wel
-hebben in de laatste eeuwen de afstammelingen dier barbaren, de
-Franschen, Duitschers, Engelschen, Nederlanders enz. zich in de
-wiskunde tot een vroeger ongekende hoogte ontwikkeld, maar hun
-voorspoed in en buiten Europa, als kolonisten en veroveraars, als
-individu’s of als natiën, kan volgens Wallace in geenen deele aan die
-ontwikkeling der wiskunde worden toegeschreven. Derhalve is de oorzaak
-dier ontwikkeling niet natuurlijke teeltkeus, maar een andere geheel
-verschillende.
-
-Wij kunnen geenszins toegeven, dat de ontwikkeling der wiskunde geen
-aandeel zou hebben in den voorspoed der moderne volken als veroveraars
-en kolonisten, als individu’s en als natiën. Die voorspoed toch is
-grootendeels het gevolg van hun betere krijgskunde en bewapening. En
-ieder weet, dat voor vestingbouwkunde en artilleriewetenschap, voor het
-uitvinden van nieuwe vuurwapenen en ontplofbare stoffen, wiskunde,
-werktuigkunde (die zich zonder wiskunde niet kan ontwikkelen) en
-scheikunde (die de beoefening van andere natuurwetenschappen
-onderstelt, voor welke wiskunde eveneens onmisbaar is) noodig zijn.
-Zonder vuurwapens geen succes tegenover de wilden, zelfs als individu,
-zonder werktuigkunde en natuurwetenschap geen vuurwapens, zonder
-wiskunde geen werktuigkunde en natuurwetenschap! De wiskunde, die de
-uitstekendste oefening voor het denkvermogen vormt, ontwikkelt
-daarenboven de hersenen, die het voornaamste werktuig zijn, waarmede de
-mensch den strijd om het leven strijdt, en helpt hem daardoor krachtig
-bij het voeren van dien strijd, al moet de intellectueel meer
-ontwikkelde soms terugwijken voor meerdere physieke kracht en numerieke
-overmacht, gelijk in het geval der Romeinen en barbaren, waarbij
-daarenboven nog andere geheel verschillende oorzaken, zooals het
-innerlijke verval, ook in zedelijk opzicht, van het Romeinsche rijk
-bijdroegen om aan de barbaren de zege te verschaffen.
-
-
-
-2. Muzikale en andere vermogens.
-
-Bij de wilden bestaat nauwelijks muziek in onzen zin, al scheppen zij
-ook behagen in den klank van trommen, bekkens, fluitjes enz. en al
-zingen zij ook eentonige liedjes. [296] De Egyptenaars worden voor de
-oudste beoefenaars der eigenlijke muziek gehouden; op hen volgden de
-Joden en Grieken, maar evenmin als de Romeinen hadden deze volken
-(volgens Wallace) eenig begrip van harmonie of van de wezenlijke
-gronden der moderne muziek. Sedert de vijftiende eeuw is de muziek zich
-eerst snel beginnen te ontwikkelen, maar voor den strijd om het leven
-is noch bij de oude volken, noch sedert de vijftiende eeuw de
-vooruitgang der muziek van eenige beteekenis geweest, en natuurlijke
-teeltkeus kan dus niet de oorzaak van dien vooruitgang zijn geweest.
-
-Darwin toont in het XIXde hoofdstuk van dit werk aan, dat de eerste
-ontwikkeling der muzikale vermogens waarschijnlijk met de seksueele
-teeltkeus in verband staat, zoodat het door Wallace bestreden gevoelen
-eigenlijk door niemand wordt verdedigd. Bij de latere ontwikkeling der
-muziek heeft ongetwijfeld de godsdienst een groote rol gespeeld. De
-krijgsmuziek eindelijk kan door den moed der krijgslieden aan te
-wakkeren wel degelijk hebben bijgedragen tot de overwinning, en dus tot
-het overleven der muzikaal het best begaafden. In allen gevalle vinden
-wij reeds in het dierenrijk de muzikale vermogens zeer ongelijk
-verdeeld, en is het de vraag of b.v. de zang van den nachtegaal niet
-even hoog staat boven het gekras van de (in het systeem eveneens onder
-de zangvogels gerangschikte) raaf als de beste moderne muziek boven het
-getrommel en de eentonige liederen der wilden, welke laatste zeker in
-welluidendheid voor het gezang van den nachtegaal onderdoen.
-
-Wat de beeldende kunsten aangaat, de door de vóórhistorische menschen
-uit het Zuiden van Frankrijk vervaardigde teekeningen van dieren
-(mammouth, rendier enz.) worden ongetwijfeld in natuurlijkheid niet
-slechts, gelijk Wallace zegt, nauwelijks geëvenaard door die der
-hedendaagsche wilden, maar overtreffen zelfs menig kunstwerk uit den
-Oud Egyptischen tijd. De beeldhouwkunst bereikte haar toppunt in het
-Oude Griekenland, de schilderkunst in de dertiende tot de vijftiende
-eeuw in Italië. De bouwkunde, waarvan de eerste rudimenten, tot vroegen
-vóórhistorischen tijd opklimmen, daar de eenvoudigste hut immers reeds
-een gebouw is, schiep in Egypte en Assyro-Babylonië kolossale
-gedenkteekenen, maar bereikte in de oudheid, als schoone kunst
-beschouwd, haar toppunt eveneens in Griekenland, en in de Middeleeuwen
-in de gothische kerkgebouwen.
-
-Met den strijd om het leven en het overleven der geschiktsten staat die
-ontwikkeling der schoone kunsten echter in geen onmiddellijk verband.
-Griekenland’s ontwikkeling in de kunst belette niet, dat het door de in
-dat opzicht minder ontwikkelde Romeinen werd onderworpen, en de
-Engelschen, die stellig in begaafdheid voor de beeldhouwkunst voor de
-Italianen en Denen, voor de schilderkunst voor de Italianen,
-Spanjaarden, Franschen en Nederlanders, in de muziek voor de Duitschers
-en Italianen onderdoen, zijn toch de eerste koloniseerende natie der
-wereld geworden, en geen ras neemt tegenwoordig zoo sterk in aantal toe
-als juist het, wat de kunst aangaat, zoo middelmatig begaafde
-Angel-Saksische.
-
-De hooge ontwikkeling van den aanleg tot wiskunde als die voor de
-schoone kunsten schijnen het resultaat en geenszins een oorzaak van den
-socialen en intellectueelen vooruitgang te zijn. Dit willen wij Wallace
-toestemmen, ofschoon wij geenszins met hem medegaan in de nadere
-oorzaak welke hij voor die hooge ontwikkeling aanneemt, op welk punt
-wij straks terugkomen. Evenals een werktuig, met een bepaald doel
-gemaakt en verbeterd, daardoor dikwijls tevens voor andere, geheel
-verschillende doeleinden geschikter kan worden, een mes, gemaakt en
-geslepen om b.v. te snoeien, wordt door den vorm welken men aan het
-metaal heeft gegeven, en het slijpen tevens geschikter om andere
-voorwerpen dan takken te snijden, heeft de menschelijke geest, door den
-strijd om het bestaan voortdurend ontwikkeld, daarmede tegelijkertijd
-geschiktheid gekregen voor andere zaken, zooals kunst, die veel
-bijdragen om het menschelijk leven te veraangenamen, maar in geen
-rechtstreeksche betrekking staan tot dien strijd om het bestaan, en
-waarvan men de eerste rudimenten reeds bij wilden, en wat de muziek en
-bouwkunst aangaat, ook in de dierenwereld aantreft.
-
-
-
-Wallace’s tweede bewijs, dat de aanleg voor de wiskunde en de schoone
-kunsten niet door natuurlijke teeltkeus zijn ontstaan.
-
-Daar de natuurlijke teeltkeus de individu’s die een nuttig kenmerk
-bezitten, bewaart ten koste van het leven van die welke het niet of in
-geringe mate bezitten, is elk kenmerk, dat onder haar werking tot
-ontwikkeling is gekomen, vrij gelijkmatig over al de individu’s eener
-soort verdeeld. Als men de gemiddelde ontwikkeling van zulk een kenmerk
-op 100 stelt, zullen de variaties, gelijk Wallace in het derde
-hoofdstuk van zijn „Darwinism” heeft aangetoond, van 80 tot 120 (of
-iets meer als een zeer groot aantal individu’s wordt vergeleken)
-loopen, zoodat het bedrag der variatie omstreeks ⅕ tot ⅙ van de
-gemiddelde waarde is. Daarom bestaan ook alle vermogens, welke voor den
-mensch in zijn vroege ontwikkelingstrappen van hooge waarde zijn
-geweest,—zooals snel loopen, lichaamskracht, behendigheid in den
-wapenhandel, scherpte van zintuigen, vermogen om een spoor te volgen
-enz.,—bij alle wilden in eenigszins gelijkmatigen graad. Eveneens is
-het met de instinkten en verstandelijke eigenschappen van de dieren
-eener zelfde soort gesteld; elk winterkoninkje bouwt ongeveer een even
-goed nest, elke vos is nagenoeg even slim enz.
-
-Als vermogens die zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, uit den
-aard der zaak vrij gelijkmatig over alle individu’s eener soort moeten
-zijn verdeeld, kunnen wij omgekeerd besluiten, dat vermogens die zeer
-ongelijkmatig over de individu’s eener soort zijn verdeeld, niet kunnen
-zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
-
-De aanleg voor wiskunde en voor de schoone kunsten zijn zeer ongelijk
-verdeeld. Derhalve kan die aanleg niet zijn verkregen door natuurlijke
-teeltkeus.
-
-Ten bewijze dat de aanleg voor wiskunde zelfs onder de beschaafde
-volken zeer ongelijkmatig is verdeeld, haalt Wallace de getuigenis van
-twee onderwijzers in de wiskunde aan Engelsche scholen aan, volgens
-welke slechts één op de honderd jongens een bijzonderen aanleg voor de
-wiskunde heeft en het er ver in kan brengen, terwijl de groote
-meerderheid der bevolking er weinig of geen aanleg voor heeft en er
-niet het geringste belang in stelt. En als wij de grootte der variatie
-en aanleg voor wiskunde tusschen een wiskunstenaar van de eerste klasse
-en de meeste andere menschen wilden schatten, zou die aanleg volgens
-Wallace bij den eerste minstens honderd- en wellicht duizendmaal
-grooter zijn dan bij de laatsten.
-
-Wat den aanleg tot beeldende kunst betreft, is het resultaat het
-zelfde. Uit onderzoekingen, door Wallace op Engelsche scholen
-ingesteld, zou het aantal kinderen dat werkelijk aanleg heeft tot
-teekenen—dat afbeeldt wat het ziet, niet wat het weet dat de vorm der
-dingen is, dat van zelf in perspectief teekent, omdat het aldus is, dat
-het de voorwerpen ziet, dat in zijn teekeningen van zelf licht en
-schaduw aanbrengt en zich niet bepaalt tot omtrekken, dat herkenbare
-schetsen kan maken van al zijn bekenden—hoogstens een percent van het
-geheele aantal kinderen bedragen, en zou de aanleg tot teekenen bij een
-middelmatig artist minstens vijftig- of zelfs honderdmaal grooter zijn
-dan die van een gewone man of vrouw „die niet teekent en wiens pogingen
-om een of ander voorwerp af te beelden, eenvoudig belachelijk zijn.”
-
-Wat den aanleg voor muziek aangaat, deze is, in zijn lagere vormen,
-meer algemeen verspreid dan de beide vorige, en tegen één persoon die
-uit zich zelven, als het ware instinktmatig teekent, zijn er stellig
-vijf of tien die wat zingen of spelen zonder het te hebben geleerd. Een
-muziekmeester op een groote school verzekerde echter aan Wallace, dat
-slechts ongeveer één percent der menschen stellig muzikaal talent
-bezaten, en de muzikale aanleg van een groot componist zal die van een
-gewoon mensch stellig vele honderden en wellicht duizenden malen
-overtreffen.
-
-Derhalve moeten volgens Wallace de aanleg voor wiskunde, beeldende
-kunsten en muziek zijn verkregen door deze of gene oorzaak welke geheel
-van de natuurlijke teeltkeus verschilt.
-
-Het zelfde is volgens hem het geval met den aanleg voor metaphysica,
-welke ons in staat stelt afgetrokken begrippen te vormen, welke zoo
-verwijderd mogelijk van alle practische toepassing zijn, en de laatste
-oorzaken der dingen, den aard en de eigenschappen van stof, beweging en
-kracht, van ruimte en tijd, van oorzaak en gevolg, van wil en
-bewustzijn te bespreken. Wilden houden volgens Wallace geen
-bespiegelingen over dergelijke afgetrokken en moeilijke vraagstukken,
-maar zoodra een volk beschaafd wordt en er een klasse van menschen
-ontstaat, die, hetzij als priesters of als wijsgeeren, niet in de
-noodzakelijkheid verkeeren te werken of een werkzaam aandeel aan den
-oorlog of het bestuur te nemen, vertoont zich plotseling die aanleg tot
-metaphysica, schoon zij, evenals de overige boven besproken vermogens,
-altijd tot een zeer klein gedeelte der bevolking beperkt blijft.
-
-Tot de zelfde klasse van vermogens behoort eindelijk ook de aanleg tot
-boert en scherts, het humoristische vermogen. Dit is het laatste dat
-Wallace in het bijzonder noemt, ofschoon hij blijkbaar schijnt te
-bedoelen, dat daarmede de opsomming dier vermogens nog niet volledig
-is.
-
-Ook Weismann bespreekt in zijn verhandeling over „Erfelijkheid” den
-oorsprong der „talenten” en komt, evenals Wallace, tot het besluit, dat
-zij niet door de natuurlijke teeltkeus kunnen zijn verkregen. „Die
-prae-disposities”, zegt hij, „welke wij talenten noemen, kunnen niet
-zijn ontstaan door natuurlijke teeltkeus, omdat het leven in geenen
-deele van het bezit daarvan afhankelijk is en er schijnt geen andere
-weg te bestaan om haar oorsprong te verklaren, dan door aan te nemen,
-dat de bekwaamheid in den loop van elk individueel leven verkregen,
-zich” (in den loop der generaties) „ophoopt. In dit geval schijnen wij
-dus op het eerste gezicht genoodzaakt te zijn de overerving van
-verworven kenmerken aan te nemen.” Weismann is echter van oordeel, dat
-de feiten deze meening niet steunen, en wijst er op, dat de aanleg voor
-wiskunde, beeldende kunst en muziek dikwijls plotseling verschijnt in
-een familie, waarvan de andere leden en voorouders zich in dit opzicht
-volstrekt niet onderscheidden, en dat zelfs, waar zulk een aanleg
-erfelijk is, hij dikwijls het sterkst optreedt in het begin of in het
-midden der reeks, en naar het einde daarvan niet toeneemt, gelijk men
-zou hebben mogen verwachten als hij met de overerving van verkregen
-bekwaamheid in verband stond. Na te hebben aangetoond, dat wiskundigen
-en kunstenaars van den eersten rang alleen optreden op een bijzonderen
-trap van menschelijke ontwikkeling, besluit hij als volgt:
-
-„Omtrent dit onderwerp wensch ik hier alleen bij te voegen, dat volgens
-mijn meening talenten niet het gevolg zijn van de ontwikkeling van deze
-of gene eigenschap van het verstand door voortdurende oefening, maar
-dat zij de uitdrukking en tot zekere hoogte het bijproduct zijn van den
-menschelijken geest, die in alle richtingen zoo hoog ontwikkeld is.”
-
-Wallace, welke deze plaats van Weismann aanhaalt, is met diens
-verklaring van het vraagstuk in geenen deele tevreden. Hij meent, dat
-de bedoelde vermogens duidelijk wijzen op de aanwezigheid in den mensch
-van iets, dat hij niet aan zijn dierlijke voorouders heeft ontleend, en
-dat men het best zou kunnen aanduiden als een wezen van geestelijken
-aard of natuur, vatbaar om zich onder gunstige omstandigheden
-progressief te ontwikkelen,—dat zij verder duidelijk wijzen op een
-onzichtbaar heelal, een geestelijke wereld, waaraan deze stoffelijke
-wereld geheel ondergeschikt is.
-
-Zeker zullen velen onzer lezers hierin met voldoening de oude
-dualistische leer dat de mensch uit ziel en lichaam bestaat,
-terugvinden, en in Wallace’s verklaring een zinspeling meenen te zien
-op de dogma’s van den Christelijke godsdienst. Ten onrechte echter,
-want de juiste verklaring is dat de heer Wallace spiritist is. Als hij
-van de onzichtbare wereld der geesten (spirits) spreekt, bedoelt hij
-daarmede de klopgeesten die zich in dansende tafels enz. onder den
-invloed der mediums openbaren. Of het vermogen van boert of scherts
-onder den invloed der zoogenaamde „spotgeesten” is ontstaan, die,
-gelijk bekend is, bij de spiritistische openbaringen zulk een groote
-rol spelen, zegt hij echter niet! Gelijk men weet, zijn volgens
-spiritisten de klopgeesten zielen van afgestorvenen. Om na den dood als
-klopgeest te kunnen optreden, moet de ziel natuurlijk als zelfstandig
-geestelijk wezen reeds tijdens het leven van den mensch bestaan. Van
-waar nu de eerste geesten kwamen, die tijdens de mensch zich uit zijn
-dierlijke voorouders ontwikkelde, hem daarbij behulpzaam waren, blijft
-in ’t duister. Zielen van menschen kunnen die eerste geesten niet zijn
-geweest, want vóór de mensch zich had gevormd, bestonden er natuurlijk
-geen zielen van afgestorven menschen. Waren het dan de zielen van
-redelijke wezens die op andere wereldbollen hadden geleefd? Ook dit
-vraagpunt blijft in ’t duister!
-
-Dat Wallace, de zelfstandige mede-opsteller van Darwin’s theorie en een
-der scherpzinnigste natuuronderzoekers die ooit hebben geleefd,
-spiritist is, en wel spiritist met hart en ziel in de meest
-uitgestrekte beteekenis van dat woord, is boven elken twijfel verheven.
-Dat hij aan spookhuizen en de verschijning van spoken daarin, aan het
-verschijnen van geesten van afgestorvenen om hun bloedverwanten hun
-dood aan te kondigen, aan het dierlijk magnetisme met inbegrip van
-helderzienheid (clairvoyance), aan odkracht enz. enz. gelooft, niet
-minder. Daarentegen is hij geen aanhanger der zoogenaamde
-reïncarnatieleer, (d.i. de leer der zielsverhuizing, der wedergeboorte
-in een nieuw menschelijk lichaam op aarde), maar neemt aan dat de
-menschelijke ziel zich na den dood in de geestenwereld tot het
-oneindige kan ontwikkelen, en er dus een zeer groot aantal geesten van
-verschillenden ontwikkelingsgraad bestaan, die de gaping tusschen
-mensch en God aanvullen. „De groote wet der continuïteit of van den
-samenhang van alles (als de laatste uitspraak der moderne wetenschap,
-welke in alle sferen der stof, der kracht en des geestes, zoover wij ze
-kunnen doorvorschen, absoluut schijnt te zijn) kan”, zegt Wallace aan
-het slot van het voorwoord van zijn werk „The Scientific Aspect of the
-Supernatural”, „onmogelijk ophouden te gelden, zoodra wij ons boven de
-enge sfeer van onzen gezichtseinder verheffen. Er kan geen oneindige
-afgrond bestaan tusschen den mensch en den grooten Geest van het
-Heelal; een dergelijke hypothese komt mij in de hoogste mate
-onwaarschijnlijk voor.” [297]
-
-Hoe geheel anders Darwin over het spiritisme dacht, blijkt uit het
-volgende uittreksel uit een brief, geschreven 18 Januari 1874, en
-betrekking hebbende op een spiritistische séance ten huize van zijn
-broeder Erasmus, 6 Queen Anne straat Londen, gehouden, met medewerking
-van een zeer bekend medium.
-
-„.....Laatst hadden wij op een achtermiddag veel pret; want George had
-een medium gehuurd, dat de stoelen, een fluit, een schel, een kandelaar
-en vuurvonken in mijn broeders eetvertrek rond liet springen op een
-wijze die iedereen in verbazing bracht en ademloos stil maakte. Het was
-in het duister, maar George en Hensleigh Wedgwood hielden voortdurend
-de handen en voeten van het medium aan weêrszijden vast. Ik vond het er
-zoo drukkend warm en vervelend, dat ik wegging, vóór al deze verbazende
-wonderen of goochelkunsten plaats hadden. Hoe de man bij mogelijkheid
-kon doen wat werd gedaan, gaat mijn begrip te boven. Ik kwam naar
-beneden en zag al de stoelen enz. op de tafel staan, die over de
-hoofden van hen die er om heên zaten, opgelicht was geworden.
-
-„De hemel zij ons genadig als wij aan zulken onzin [298] moeten
-gelooven. F. Galton was er bij en zegt dat het een goede séance
-was.....”
-
-Bedoelde séance gaf aanleiding, dat er een kleinere en met meer zorg
-ingerichte op touw werd gezet, waarbij Professor Huxley tegenwoordig
-was, die er aan Darwin rapport over uitbracht. Deze schreef daarop aan
-Huxley den volgenden brief:
-
-
- Down, 20 Januari 1874.
-
-„Waarde Huxley!
-
-„Het was zeer goed van U zulk een lang verslag voor mij te schrijven.
-Hoewel de séance U zoozeer verveelde, was zij, dunkt mij, de inspanning
-wel waard, daar de zelfde soort van zaken op alle séances worden
-gedaan, zelfs op die bij....., en nu zouden voor mijn geest verbazend
-sterke bewijsgronden noodig zijn om iemand te doen gelooven dat het
-iets meer was dan bloote fopperij ... Het doet mij genoegen als ik mij
-herinner, dat ik eergisteren aan mijn geheele huisgezin heb verklaard,
-dat hoe langer ik nadacht over hetgeen ik hoorde dat in Queen Anne
-straat was geschied, hoe meer ik overtuigd werd, dat het alles bedrog
-was .... mijn theorie was, dat [het medium] het zoo wist in te richten,
-dat de beide personen aan weêrszijden van hem elkanders handen
-vasthielden, in plaats van de zijne en hij daardoor vrij was om zijn
-kluchten uit te voeren. Ik ben zeer blijde, dat ik U mijn ukase
-uitvaardigde om er bij tegenwoordig te zijn.
-
- Uw toegenegen
- Charles Darwin.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS
-GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.
-
- De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke
- teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke
- vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden
- stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken
- invloed uit.—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat
- verkeerden.
-
-
-De onderwerpen die in dit hoofdstuk moeten worden besproken, zijn van
-het hoogste belang, maar worden door mij slechts hoogst onvolkomen
-stuksgewijze behandeld. De heer Wallace toont in een reeds vroeger
-aangehaalde verhandeling [299] aan, dat de mensch, nadat hij
-gedeeltelijk die verstandelijke en zedelijke vermogens had verkregen,
-welke hem van de lagere dieren onderscheiden, slechts weinig
-vatbaarheid moet hebben bezeten voor veranderingen in zijn lichamelijk
-maaksel door natuurlijke teeltkeus of andere middelen. Want de mensch
-is door zijn geestvermogens in staat „met een onveranderd lichaam in
-harmonie te blijven met het veranderd heelal.” Hij bezit een groot
-vermogen om zijn gewoonten te wijzigen naar de behoeften, door nieuwe
-levensvoorwaarden ontstaan. Hij vindt wapenen, werktuigen en
-verschillende listen uit, waarmede hij zich voedsel verschaft of zich
-verdedigt. Als hij naar een kouder klimaat verhuist, gebruikt hij
-kleederen, bouwt hutten en ontsteekt vuur; met behulp van het vuur
-kookt hij voedsel, dat anders onverteerbaar zou zijn. Zelfs in een lang
-vervlogen tijdperk maakte hij eenigszins gebruik van de verdeeling van
-den arbeid.
-
-Bij de lagere dieren moet daarentegen het maaksel van het lichaam
-worden gewijzigd, willen zij bij sterk veranderde levensvoorwaarden
-blijven bestaan. Zij moeten sterker worden of scherper tanden of
-klauwen verkrijgen om zich tegen hun vijanden te verdedigen; of zij
-moeten in grootte afnemen om aan ontdekking en gevaar te ontkomen. Als
-zij naar een kouder klimaat verhuizen, moeten zij met een dikker pels
-worden bekleed of hun gestel moet veranderen. Wanneer zij dergelijke
-wijzigingen niet ondergaan, zullen zij ophouden te bestaan.
-
-Met de verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch is het,
-zooals de heer Wallace terecht heeft beweerd, geheel anders gesteld.
-Deze vermogens zijn variabel, en wij hebben alle reden om te gelooven,
-dat die variaties een neiging tot erfelijkheid hebben. Als zij daarom
-vroeger van hoog belang waren voor den oorspronkelijken mensch en zijn
-op apen gelijkende voorouders, moeten zij door natuurlijke teeltkeus
-meer volkomen gemaakt en vooruitgegaan zijn. Over de hooge
-belangrijkheid der verstandelijke vermogens kan geen twijfel bestaan;
-want de mensch heeft daaraan voornamelijk zijn verheven plaats op aarde
-te danken. Wij kunnen nagaan, dat in den ruwsten staat der
-maatschappij, de individu’s die het scherpzinnigst waren, die de beste
-wapenen en vallen uitvonden en gebruikten, en die het best in staat
-waren zich te verdedigen, het talrijkste kroost moesten voortbrengen.
-De stammen die de meeste aldus begaafde mannen bezaten, moesten in
-aantal toenemen en andere stammen verdringen. Het aantal menschen hangt
-oorspronkelijk van de hoeveelheid levensmiddelen af, en deze
-gedeeltelijk van de natuurlijke gesteldheid van het land, maar in veel
-grooter mate van de kunsten die daar worden beoefend. Als een stam
-vermeerdert en overwint, wordt hij verder nog dikwijls vermeerderd,
-doordat andere stammen met hem samensmelten. [300] De lichaamsgrootte
-en spierkracht van een stam zijn eveneens van belang voor zijn
-voorspoed, en deze hangen gedeeltelijk van den aard en de hoeveelheid
-voedsel af, die kan worden verkregen. In Europa werden de menschen van
-den bronstijd verdrongen door een machtiger ras, dat, te oordeelen naar
-de gevesten hunner zwaarden, grootere handen bezat [301], maar de
-voorspoed van dit laatste was waarschijnlijk in veel hooger mate
-daaraan te danken, dat zij veel verder in de kunsten waren gevorderd.
-
-Al wat wij van wilde volksstammen weten, of af mogen leiden uit hun
-overleveringen en uit oude gedenkteekenen, waarvan de geschiedenis door
-de tegenwoordige bewoners volkomen is vergeten, bewijst, dat sedert de
-vroegste tijden voorspoedige stammen andere stammen hebben verdrongen.
-Overblijfselen van uitgestorven of vergeten stammen zijn overal op
-aarde ontdekt, zoowel in beschaafde landen als in de woeste vlakten van
-Amerika en op de eenzame eilanden van den Stillen Oceaan. In den
-tegenwoordigen tijd verdringen de beschaafde volken overal de
-onbeschaafde, behalve waar het klimaat een doodelijken slagboom
-daartegen opwerpt, en zij slagen daarin voornamelijk, hoewel niet
-uitsluitend, door hun kunsten, die voortbrengselen zijn van het
-verstand. Het is daarom hoogst waarschijnlijk, dat bij het menschelijk
-geslacht de verstandelijke vermogens trapsgewijze volkomener zijn
-geworden door natuurlijke teeltkeus; en dit besluit is genoegzaam voor
-ons doel. Ongetwijfeld zou het zeer belangwekkend zijn geweest, om de
-ontwikkeling van elk afzonderlijk vermogen te schetsen van den toestand
-waarin het zich bij lagere dieren bevindt, af, tot dien waarin het bij
-den mensch bestaat, toe; maar ik bezit noch genoegzame bekwaamheid,
-noch genoegzame kennis om dit te beproeven.
-
-Het verdient opmerking, dat zoodra de voorouders van den mensch een
-gezellige levenswijze aannamen (en dit geschiedde waarschijnlijk in een
-zeer vroeg tijdperk), de vooruitgang der verstandelijke vermogens in
-hooge mate geholpen en gewijzigd moet zijn op een wijze, waarvan wij
-bij de lagere dieren slechts sporen zien, namelijk door het beginsel
-van nabootsing, verbonden met rede en ondervinding. Apen bezitten,
-evenals de laagste wilden, de aandrift tot nabootsing in zeer hooge
-mate; en het vroeger aangehaalde feit, dat na eenigen tijd geen dier op
-de zelfde plaats in de zelfde soort van val kan worden gevangen,
-bewijst alleen reeds, dat dieren door ondervinding leeren en elkanders
-omzichtigheid navolgen. Indien nu één man in een stam, die
-scherpzinniger dan de anderen was, eene nieuwe list of wapen, of andere
-middelen van aanval of verdediging uitvond, moest eenvoudig het
-eigenbelang zonder behulp van veel redeneering de andere leden van den
-stam aandrijven om hem na te volgen, en zoo moesten allen er voordeel
-uit trekken. De voortdurende uitoefening van een nieuwe kunst moest ook
-eenigermate het verstand versterken. Als de nieuwe uitvinding
-belangrijk was, moest de stam in aantal toenemen, zich uitbreiden en
-andere stammen verdringen. In een op die wijze talrijker geworden stam
-moest altijd meer kans bestaan op de geboorte van meer scherpzinnige en
-vindingrijke leden dan bij andere stammen. Indien dergelijke mannen
-kinderen nalieten, die hun verstandelijke meerderheid erfden, moest de
-kans op de geboorte van nog vernuftiger leden iets grooter en in een
-zeer kleinen stam stellig grooter worden. Zelfs als zij geen kinderen
-achterlieten, bevatte de stam toch nog hun bloedverwanten; en de
-veefokkers verzekeren, dat men, door de bloedverwanten van een dier,
-dat bij het slachten goed was bevonden, uit te kiezen en met elkander
-voort te doen telen, het gewenschte kenmerk heeft verkregen.
-
-
-
-Laten wij thans overgaan tot de sociale en zedelijke vermogens. De
-oorspronkelijke menschen of de op apen gelijkende voorouders van den
-mensch moesten, om een gezellige levenswijze aan te nemen, eerst de
-zelfde instinktmatige gevoelens verkrijgen, die andere dieren
-aandrijven om in gezelschap te leven; en vertoonden ongetwijfeld de
-zelfde algemeene neigingen. Zij moeten zich onaangenaam aangedaan
-hebben gevoeld als zij van hun makkers, voor welke zij een zekere mate
-van genegenheid koesterden, werden gescheiden; zij moeten elkander voor
-gevaar gewaarschuwd en bij den aanval en de verdediging geholpen
-hebben. Dit alles sluit een zekere mate van sympathie, trouw en moed in
-zich. Dergelijke sociale hoedanigheden, wier hooge belangrijkheid voor
-de lagere dieren door niemand wordt betwist, werden ongetwijfeld door
-de voorouders van den mensch op gelijksoortige wijze verkregen,
-namelijk door natuurlijke teeltkeus, geholpen door overgeërfde
-gewoonte. Als twee stammen van oorspronkelijke menschen, die in
-hetzelfde land woonden, elkanders mededingers waren, en als een dier
-stammen (de overige omstandigheden de zelfde zijnde) een grooter aantal
-moedige, medegevoel bezittende en getrouwe leden bezat, die altijd
-bereid waren om elkander voor gevaar te waarschuwen, te helpen en te
-verdedigen, moest die stam ongetwijfeld het best slagen en de andere
-overwinnen. Dat men steeds bedenke, van hoe hoog belang bij de
-onophoudelijke oorlogen der wilden trouw en moed moeten zijn. Het
-voordeel, dat gedisciplineerde soldaten over ongedisciplineerde hebben,
-is voornamelijk het gevolg van het vertrouwen dat elk hunner op zijn
-makkers stelt. Gehoorzaamheid is, zooals de heer Bagehot zeer juist
-heeft aangetoond [302], van de hoogste waarde; want de een of andere
-vorm van bestuur is beter dan in het geheel geen. Zelfzuchtige en
-twistzieke menschen zijn niet eensgezind, en zonder eendracht kan niets
-tot stand worden gebracht. Een stam die de bovengenoemde hoedanigheden
-in hooge mate bezat, moest zich uitbreiden en andere stammen
-overwinnen; maar in den loop der tijden moest hij, te oordeelen naar al
-wat wij van de geschiedenis van vroegere eeuwen weten, op zijn beurt
-onderdoen voor den eenen of anderen nog hooger begaafden stam. Zoo was
-er kans, dat de sociale en zedelijke hoedanigheden langzamerhand
-vooruitgingen en zich over de wereld verspreidden.
-
-Men zou echter kunnen vragen, hoe het kwam, dat binnen de grenzen van
-een zelfden stam een groot aantal leden voor het eerst met deze sociale
-en zedelijke hoedanigheden begaafd werden, en op welke wijze deze
-hoedanigheden hoe langer hoe uitnemender werden. Het is uiterst
-twijfelachtig, of de meer medegevoel bezittende en welwillende
-menschen, of zij die het getrouwst waren aan hun makkers, een grooter
-aantal kinderen moesten nalaten, dan de zelfzuchtige en verraderlijke
-leden van den zelfden stam. Hij die bereid was zijn leven op te
-offeren, zooals menig wilde is geweest, liever dan zijn makkers te
-verraden, moest dikwijls geen kinderen nalaten die zijn edele inborst
-konden erven. De dapperste mannen die altijd bereid waren om in den
-oorlog aan de spits te staan en vrijwillig hun leven voor anderen op te
-offeren, moesten gemiddeld in grooter getale omkomen dan andere
-menschen. Daarom schijnt het nauwelijks mogelijk (als men bedenkt, dat
-wij hier niet spreken van éénen stam, die een anderen overwint), dat
-het aantal der mannen, met dergelijke deugden begaafd, toegenomen, of
-dat die deugden zelf hooger ontwikkeld zouden zijn door natuurlijke
-teeltkeus, dat is, door het overleven van hen die ze in de hoogste mate
-bezaten.
-
-Hoewel de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vermeerdering van
-het aantal der dus begaafde menschen in den zelfden stam, te
-ingewikkeld zijn om dadelijk te worden nagegaan, kunnen wij echter
-eenige waarschijnlijke stappen aangeven. In de eerste plaats moest,
-zoodra de redeneerkracht en het vooruitziend vermogen der leden
-vooruitgingen, elk man spoedig door ondervinding leeren, dat hij, als
-hij zijn medemenschen hielp, gewoonlijk wederkeerig door hen werd
-geholpen. Door deze lage beweegreden verkreeg hij wellicht de gewoonte
-om zijn makkers te helpen, en de gewoonte om welwillende handelingen te
-volbrengen versterkt ongetwijfeld het medegevoel, dat den eersten stoot
-aan welwillende handelingen geeft. Daarenboven hebben gewoonten die
-gedurende vele geslachten zijn gevolgd, een neiging tot erfelijkheid.
-
-Er is echter een ander en veel machtiger prikkel voor de ontwikkeling
-der sociale deugden, namelijk, de lof en de afkeuring onzer
-medemenschen. De begeerte naar lof en de vrees voor schande berusten
-oorspronkelijk, zooals wij reeds hebben gezien, op het instinkt van
-medegevoel; en dit instinkt werd ongetwijfeld, evenals alle andere
-sociale instinkten, oorspronkelijk verkregen door natuurlijke
-teeltkeus. In hoe vroeg een tijdperk de voorouders van den mensch in
-den loop van hun ontwikkeling voor het eerst vatbaar werden om gevoelig
-te zijn voor en te worden aangedreven door den lof en de afkeuring
-hunner medeschepselen, kunnen wij natuurlijk niet zeggen. Het schijnt
-echter, dat zelfs honden gevoelig zijn voor aanmoediging, lof en
-afkeuring. De ruwste wilden bezitten het gevoel van roem, zooals zij
-duidelijk toonen door de zegeteekenen hunner heldendaden te bewaren,
-door hun gewoonte van bovenmate te snoeven en zelfs door de groote zorg
-die zij aan hun uiterlijk aanzien en versierselen besteden; want,
-wanneer zij geen prijs stelden op de meening hunner makkers, zouden
-dergelijke gewoonten zinneloos zijn.
-
-Zij gevoelen ongetwijfeld schaamte, wanneer zij een hunner zedelijke
-regels overtreden; maar in hoe verre zij ook berouw ondervinden, is
-twijfelachtig. Ik was eerst verwonderd, dat ik mij niet kon herinneren
-ooit eenig voorbeeld van dit gevoel bij wilden te hebben opgeteekend
-gevonden, en Sir J. Lubbock getuigt [303], dat ook hem daarvan geen
-voorbeeld bekend is. Als wij echter alle gevallen uit onzen geest
-verbannen die in romans en tooneelspelen en in bekentenissen, op het
-sterfbed aan priesters gedaan, worden medegedeeld, betwijfel ik, of
-velen van ons in den tegenwoordigen tijd getuige zijn geweest van een
-oprecht berouw; hoewel wij dikwijls schaamte en droefheid over geringe
-misdrijven hebben gezien. Berouw is een diep verborgen gevoel. Het is
-niet te gelooven, dat een wilde die liever zijn leven zou opofferen,
-dan zijn stam te verraden, of die zich liever gevangen wil geven, dan
-zijn woord te breken, geen berouw zou gevoelen in het binnenste van
-zijn ziel, hoewel hij het ook verborgen mocht houden, als hij een
-plicht had verzuimd, dien hij voor heilig hield.
-
-Wij mogen daarom besluiten, dat in een zeer verwijderd tijdperk de lof
-of de afkeuring zijner makkers op den oorspronkelijken mensch invloed
-moet hebben uitgeoefend. Het is duidelijk, dat de leden van den stam
-een gedrag dat hun voorkwam voordeelig te zijn voor het algemeene
-welzijn, goedkeuren, en handelingen die daarmede in strijd waren,
-afkeuren moesten. Anderen goed te doen,—anderen te behandelen, zooals
-men zelf wenscht door hen te worden behandeld,—is de hoeksteen der
-zedelijkheid. Het is daarom nauwelijks mogelijk de belangrijkheid van
-de begeerte naar lof en de vrees voor afkeuring gedurende onbeschaafde
-tijden te hoog te schatten. Iemand die niet door eenig diep
-instinktmatig gevoel werd gedreven om zijn leven voor het welzijn van
-anderen op te offeren, maar toch tot dergelijke daden werd aangezet
-door de zucht naar roem, moest door zijn voorbeeld de zelfde zucht naar
-roem bij anderen opwekken en door oefening het edel gevoel van
-bewondering versterken. Hij deed zoo wellicht veel meer goed aan zijn
-stam, dan door kinderen te verwekken, die aanleg bezaten om zijn eigen
-verheven karakter te erven.
-
-Met vermeerderde ondervinding en rede, begrijpt de mensch de meer
-verwijderde gevolgen zijner handelingen, en de op het individu zelf
-betrekking hebbende deugden, zooals matigheid, kuischheid enz., die in
-vroege tijden, zooals wij hierboven zagen, zeer weinig in aanzien
-stonden, komen in hooge achting of worden zelfs voor heilig gehouden.
-Ik behoef echter niet te herhalen wat ik hierover in het derde
-hoofdstuk heb gezegd. Ten slotte bestaat onze zedelijke zin of geweten
-uit een zeer samengesteld gevoel, dat zijn eersten oorsprong vindt in
-de sociale instinkten, in hooge mate geleid door de goedkeuring onzer
-medemenschen, bestuurd door rede, eigenbelang, en in latere tijden door
-diepe godsdienstige gevoelens, bevestigd door onderwijs en gewoonte.
-
-Men moet niet uit het oog verliezen, dat, hoewel een groote zedelijke
-ontwikkeling ieder individu en diens kinderen slechts weinig of geen
-voordeel boven de andere menschen van den zelfden stam geeft, een
-algemeene vooruitgang in zedelijke ontwikkeling en een vermeerdering
-van het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen echter ongetwijfeld
-aan een stam een zeer groot voordeel boven andere zal geven. Het valt
-niet te betwijfelen, dat een stam die vele leden bevatte, welke, daar
-zij een groote mate van vaderlandslievenden geest, trouw,
-gehoorzaamheid, moed en medegevoel bezaten, altijd bereid waren
-elkander te helpen en zich voor het algemeen welzijn op te offeren,
-andere stammen zou overwinnen, en dit zou natuurlijke teeltkeus zijn.
-Ten allen tijde en overal op aarde hebben stammen andere stammen
-verdrongen; en daar zedelijkheid een der elementen van hun slagen is,
-moet de zedelijke ontwikkeling en het aantal zedelijk hoog ontwikkelde
-menschen overal een neiging tot vergrooting en vermeerdering hebben.
-
-Het is echter zeer moeielijk zich eenig oordeel er over te vormen,
-waarom deze of gene bijzondere stam en niet een andere voorspoedig
-geweest en geklommen is op de ladder der beschaving. Vele wilden zijn
-in den zelfden toestand als toen zij verscheidene eeuwen geleden werden
-ontdekt. Zooals de heer Bagehot heeft opgemerkt, zijn wij geneigd om
-vooruitgang als den normalen regel der menschelijke maatschappij te
-beschouwen; maar de geschiedenis spreekt dit tegen. De Ouden dachten
-daaraan zelfs niet; en evenmin doen dit tegenwoordig de volken in het
-Oosten. Volgens een andere groote autoriteit, den heer Maine [304],
-„heeft het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht nooit eenige
-de minste begeerte aan den dag gelegd naar verbetering van zijn
-maatschappelijke instellingen.” Vooruitgang schijnt af te hangen van de
-samenwerking van vele gunstige omstandigheden, veel te ingewikkeld om
-ze geheel te doorgronden. Het is echter reeds dikwijls opgemerkt, dat
-een koud klimaat, omdat het tot nijverheid en de beoefening van
-verschillende kunsten leidt, daartoe zeer bevorderlijk of zelfs
-onmisbaar is geweest. De Eskimo’s zijn, door harde noodzakelijkheid
-gedrongen, in vele vernuftige uitvindingen geslaagd, maar hun klimaat
-was te streng voor voortdurenden vooruitgang. Een nomadische
-levenswijze, hetzij in uitgestrekte vlakten of in de dichte bosschen
-der tropische gewesten of langs de stranden der zee, is in elk geval
-daarvoor zeer nadeelig geweest. Toen ik de onbeschaafde bewoners van
-Vuurland waarnam, trof het mij, dat het bezit van eenig eigendom, een
-vaste woonplaats en de vereeniging van vele huisgezinnen onder één
-opperhoofd de onmisbare vereischten voor beschaving waren. Dergelijke
-gewoonten maken de bebouwing van den grond bijna noodzakelijk; en de
-eerste stappen tot den landbouw waren waarschijnlijk, zooals ik elders
-[305] heb aangetoond, het gevolg van een of ander toeval, zooals van
-het vallen van zaden van een vruchtboom op een hoop afval en het
-daardoor voortgebracht worden van een buitengewoon schoone
-verscheidenheid. Het vraagstuk, hoe de wilden er toe zijn gebracht om
-hun eerste schreden op de baan der beschaving te zetten, is echter
-tegenwoordig nog veel te moeielijk om te worden opgelost.
-
-
-
-De natuurlijke teeltkeus heeft ook op beschaafde volken invloed.—Tot
-dusver heb ik den vooruitgang van den mensch slechts beschouwd van een
-half-menschelijken staat tot den toestand waarin zich de tegenwoordige
-wilden bevinden. Het zal echter wellicht de moeite waard zijn om hier
-eenige opmerkingen over de werking der natuurlijke teeltkeus op
-beschaafde volken bij te voegen. Dit onderwerp is op uitnemende wijze
-besproken door den heer W. R. Greg [306] en vroeger door de heeren
-Wallace en Galton. [307] Mijn meeste opmerkingen zijn aan deze drie
-schrijvers ontleend. Bij wilden worden zij die zwak van lichaam of
-geest zijn, spoedig geëlimineerd; en de overlevenden bezitten
-gewoonlijk een krachtige gezondheid. Wij beschaafden doen daarentegen
-ons uiterste best om de eliminatie tegen te gaan; wij bouwen gestichten
-voor krankzinnigen, idioten, verminkten en zieken; wij maken
-armenwetten, en onze geneeskundigen doen hun uiterste best om ieders
-leven zoo lang mogelijk te rekken. Er bestaat reden om te gelooven, dat
-de koepokinenting duizenden in het leven heeft behouden, die vroeger
-door hun zwak gestel aan de kinderpokken zouden zijn bezweken. Op die
-wijze worden de zwakke leden der beschaafde maatschappijen in staat
-gesteld hun soort voort te planten. Niemand die acht heeft geslagen op
-de voortteling onzer huisdieren, zal betwijfelen, dat zulks hoogst
-nadeelig op het menschenras moet inwerken. Het is verwonderlijk hoe
-spoedig gemis aan zorg of verkeerd bestede zorg tot ontaarding van een
-huisdierras leiden; maar, behalve in het geval van den mensch, is
-niemand zoo onwetend, dat hij zijn slechtste dieren toelaat zich voort
-te planten.
-
-De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven, is
-voornamelijk een bijkomend gevolg van het instinkt van medegevoel, dat
-oorspronkelijk werd verkregen als een deel der sociale instinkten, maar
-later op de vroeger aangetoonde wijze teederder en over een ruimer
-kring verspreid werd. Wij zouden dat medegevoel ook niet kunnen
-beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden
-genoodzaakt, zonder dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade
-door leed. De heelmeester mag zich harden, terwijl hij een operatie
-doet; want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn patiënt handelt;
-maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk
-veronachtzaamden, zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig
-voordeel te verkrijgen door een zeker en groot tegenwoordig kwaad. Wij
-moeten daarom zonder ons er over te beklagen dulden, dat de zwakken
-blijven leven en hun soort voortplanten; maar er schijnt ten minste één
-beletsel tegen de voortdurende werking daarvan te bestaan, namelijk dat
-de zwakkere en mindere leden van de maatschappij niet zoo gemakkelijk
-huwen als de gezonden; en dit beletsel zou onbepaald kunnen worden
-vergroot, zoo de zwakken naar lichaam en geest zich van het huwelijk
-onthielden, hoewel dit meer is te hopen dan te verwachten.
-
-In ieder land waar men er een groot staand leger op nahoudt, vallen de
-fraaiste jonge mannen in de loting of worden aangeworven. Zij zijn
-daardoor blootgesteld aan een vroegen dood gedurende den oorlog, worden
-dikwijls tot losbandigheid verleid en zijn verhinderd te trouwen
-gedurende den bloeitijd van het leven. De kortere en zwakkere mannen
-met slechte gestellen worden t’huis gelaten en hebben derhalve een veel
-betere kans om te huwen en hun soort voort te planten. [308]
-
-De mensch verzamelt eigendom en laat dien aan zijn kinderen na, zoodat
-de kinderen van de rijken een voordeel boven die der armen hebben in
-den wedstrijd van het leven, onafhankelijk van lichamelijke of
-geestelijke meerderheid. Van den anderen kant komen kinderen van ouders
-die kort leven en dus door elkander genomen slechter van gezondheid en
-zwakker zijn, spoediger in het bezit van hun eigendom dan andere
-kinderen, en zullen kans hebben vroeger te huwen en een grooter aantal
-kinderen na te laten om hun slechtere gestellen te erven. Doch de
-erfelijkheid van eigendom is op zich zelf ver van een nadeel, want
-zonder de opeenstapeling van kapitaal zouden de kunsten niet kunnen
-vooruitgaan; en het is voornamelijk door de macht van deze laatsten,
-dat de beschaafde rassen zich hebben uitgebreid en zich tegenwoordig
-nog overal uitbreiden ten koste der lagere rassen. De gematigde
-opeenstapeling van het kapitaal heft ook de werking der natuurlijke
-teeltkeus volstrekt niet geheel op. Als een arm man rijk wordt, komen
-zijn kinderen in zaken en betrekkingen waarin strijd genoeg is; en
-waarin zij die flink zijn ontwikkeld naar lichaam en geest, het beste
-slagen. Het bestaan van een stand van menschen die goed onderwijs
-hebben genoten en niet behoeven te werken voor hun dagelijksch brood,
-is zoo belangrijk, dat het nimmer te hoog kan worden geschat, daar al
-het hooge intellectueele werk door hen wordt volvoerd en daar van dat
-werk de materiëele vooruitgang in alle zaken voornamelijk afhangt, om
-andere en grootere voordeelen hier niet te vermelden. Ongetwijfeld
-maakt zeer groote rijkdom de menschen dikwijls tot nuttelooze
-leegloopers; maar het aantal daarvan is nooit groot en er heeft hierbij
-een soort van eliminatie plaats, daar wij dagelijks rijke menschen
-zien, die tevens dwazen of losbollen zijn en hun geheele vermogen
-verkwisten.
-
-Het recht van eerstgeboorte met de bepaling van onvervreemdbaarheid van
-het erfgoed is een meer direct nadeel, hoewel het vroeger een groot
-voordeel moge zijn geweest, daar het aanleiding gaf tot het ontstaan
-van een heerschenden stand, en eenige vorm van staatsbestuur is beter
-dan in ’t geheel geen. De oudste zonen huwen gewoonlijk, hoe zwak zij
-naar lichaam en geest ook mogen zijn, terwijl de jongere zonen, al
-munten zij ook te dien opzichte uit, niet zoo algemeen huwen. Ook
-kunnen nietswaardige oudste zonen, waar de bepaling van
-onvervreemdbaarheid van het erfgoed bestaat, hun vermogen niet
-verkwisten. Maar hier zijn, evenals elders, de betrekkingen van het
-beschaafde leven zoo ingewikkeld, dat er sommige verevenende
-hinderpalen bestaan. De mannen, die door het recht van eerstgeboorte
-rijk zijn, zijn in staat om van generatie op generatie de schoonste en
-bekoorlijkste vrouwen uit te kiezen, en deze zullen gewoonlijk gezond
-van lichaam en werkzaam van geest zijn. De slechte gevolgen, welke die
-ook mogen zijn, van het voortdurend bewaard blijven van de zelfde lijn
-van afstamming zonder eenige teeltkeus worden daardoor tegengegaan, dat
-mannen van rang altijd hun rijkdom en macht wenschen te vermeerderen,
-en dit brengen zij tot stand door met rijke erfdochters te huwen. Bij
-de dochters van ouders die slechts één enkel kind hebben verwekt,
-bestaat echter, zooals de heer Galton heeft aangetoond [309], een
-aanleg tot onvruchtbaarheid; en zoo sterven de adellijke familiën
-telkens in de rechte lijn uit en vloeit hun rijkdom in het eene of
-andere zijkanaal; maar ongelukkig wordt dit zijkanaal niet bepaald door
-bijzondere voortreffelijkheid in het eene of andere opzicht.
-
-Hoewel dus de beschaving op verschillende wijzen de werking der
-natuurlijke teeltkeus belemmert, begunstigt zij blijkbaar, door middel
-van de verbeterde voeding en de vrijwaring voor sommige soorten van nu
-en dan voorkomende ongevallen, de betere ontwikkeling van het lichaam.
-Men mag dit daaruit besluiten, dat, waar men ook beschaafde menschen en
-wilden in dit opzicht heeft vergeleken, men steeds heeft bevonden, dat
-de eersten meer lichaamskracht bezaten dan de laatsten. Zij schijnen
-ook even groote vermoeienissen en ontberingen te kunnen uitstaan,
-zooals door vele stoutmoedige tochten is bewezen. Zelfs de groote
-weelde der rijken kan niet zeer schadelijk zijn; want de vermoedelijke
-levensduur van onze aristocratie is op alle leeftijden en bij beide
-seksen slechts weinig korter dan bij gezonde Engelschen uit de lagere
-standen. [310]
-
-Wij zullen nu de verstandelijke vermogens alleen beschouwen. Indien in
-elken stand der maatschappij de leden waren verdeeld in twee even
-talrijke groepen, waarvan de eene de meest- en de andere de
-minstverstandigen bevatte, kan er slechts weinig twijfel bestaan, dat
-de eersten in alle beroepen het best zou slagen en een grooter aantal
-nakomelingen nalaten. Zelfs in de laagste kringen der maatschappij
-moeten kunde en bekwaamheid eenig voordeel opleveren, hoewel dat
-voordeel bij vele bedrijven, ten gevolge der groote verdeeling van den
-arbeid, zeer gering moge zijn. Daarom zal er bij beschaafde volken
-eenige kans bestaan, dat de verstandelijk meer ontwikkelden zoowel in
-aantal als in gehalte toenemen. Ik wil echter niet beweren, dat die
-kans langs andere wegen niet meer dan opgewogen wordt, b.v. door de
-vermeerdering van de zorgelooze en niet om de toekomst denkende
-menschen; maar zelfs aan dezen moet bekwaamheid eenig voordeel
-opleveren.
-
-Men heeft dikwijls tegen beschouwingen als de voorgaande ingebracht,
-dat de uitnemendste mannen die ooit hebben geleefd, geen kinderen
-hebben nagelaten, die hun groot verstand konden erven. De heer Galton
-zegt [311]: „Ik betreur het, niet in staat te zijn de eenvoudige vraag
-op te lossen of, en in hoeverre, mannen en vrouwen die wonderen van
-genialiteit zijn, onvruchtbaar zijn. Ik heb echter aangetoond, dat
-uitstekende mannen zulks in geenen deele zijn.” Groote wetgevers, de
-grondvesters van weldadige godsdiensten, groote wijsgeeren en
-uitvinders hebben veel meer toegebracht tot den vooruitgang der
-menschheid door hun werken, dan door het nalaten eener talrijke
-nakomelingschap. In het geval van lichamelijke eigenschappen is het,
-gelijk ik in mijn „Ontstaan der Soorten” heb aangetoond, het voor de
-voortplanting uitgekozen worden van de een weinig beter begaafde, en de
-eliminatie van de een weinig, minder goed begaafde individu’s, en niet
-het bewaard blijven van sterksprekende en zeldzame afwijkingen die tot
-den vooruitgang eener soort leidt. Evenzoo zal het zijn gelegen met de
-verstandelijke vermogens; de iets meer ontwikkelde menschen zullen
-gemiddeld in elken stand van de maatschappij wat beter slagen dan de
-iets minder ontwikkelde, en de eersten zullen derhalve in aantal
-toenemen, als daartegen geen andere hinderpalen bestaan. Als bij een of
-ander volk het gehalte van de verstandelijke ontwikkeling en het aantal
-verstandige menschen is toegenomen, mogen wij, zooals de heer Galton
-heeft aangetoond, wegens de wet van afwijking van het gemiddelde
-verwachten, dat groote genieën iets veelvuldiger zullen verschijnen dan
-vroeger.
-
-Ten opzichte der zedelijke hoedanigheden gaat de eliminatie van de
-slechtst begaafden zelfs bij de meestbeschaafde volken steeds
-eenigermate voort. Misdadigers worden ter dood gebracht of gedurende
-langen tijd gevangen gezet, zoodat zij hun slechte eigenschappen niet
-vrijelijk kunnen voortplanten. Zwartgallige en krankzinnige menschen
-worden opgesloten of brengen zich zelven om het leven. Driftige en
-twistzieke menschen sterven dikwijls een gewelddadigen dood.
-Ongestadige menschen die volstrekt geen vast beroep willen
-uitoefenen,—en dit overblijfsel van barbaarschheid is een groote
-hinderpaal voor de beschaving [312],—verhuizen naar nieuw aangelegde
-volkplantingen, en blijken daar nuttige pioniers te zijn. Onmatigheid
-werkt zoo verwoestend, dat de vermoedelijke levensduur van een
-dronkaard op den ouderdom b.v. van 30 jaren, slechts 13​8⁄10 jaar is;
-terwijl die van Engelsche landbouwers op den zelfden leeftijd 40​59⁄100
-jaar is. [313] Losbandige vrouwen krijgen weinig kinderen, en
-losbandige mannen huwen zelden; beiden lijden aan ziekten. Bij de teelt
-van huisdieren is de eliminatie van die individu’s welke in een of
-ander opzicht minder goed zijn, hoe gering hun getal ook moge zijn, in
-geenen deele een onbelangrijk element voor het succes. Vooral is zulks
-het geval met nadeelige kenmerken die neiging hebben om door atavisme
-opnieuw te verschijnen, zooals de zwarte kleur bij schapen; en bij den
-mensch zijn wellicht sommige zeer slechte neigingen die nu en dan,
-zonder dat men de oorzaak er van kan aangeven, in familiën verschijnen,
-niet anders dan atavismen, door terugkeer tot het type dier wilde
-voorouders, van welke wij niet door zeer vele generaties zijn
-gescheiden. (1) Deze beschouwingswijze schijnt inderdaad te worden
-teruggevonden in de gewone uitdrukking, dat dergelijke menschen de
-zwarte schapen van de familie zijn.
-
-Wat de hooge zedelijke ontwikkeling van het algemeen en de
-vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen
-aangaat, werkt de natuurlijke teeltkeus blijkbaar slechts in geringe
-mate op beschaafde volken, ofschoon de oorspronkelijke zedelijke
-instinkten in den beginne op die wijze werden verkregen. Ik heb echter,
-toen ik over de lagere rassen handelde, reeds genoeg gezegd over de
-oorzaken die tot den vooruitgang der zedelijkheid leiden, namelijk: de
-goedkeuring onzer medemenschen,—de versterking van ons medegevoel door
-de gewoonte,—voorbeeld en navolging,—rede,—ondervinding en zelfs
-eigenbelang,—onderwijs gedurende de jeugd en godsdienstige gevoelens.
-
-Op een hoogst belangrijken hinderpaal in beschaafde landen tegen een
-vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen is
-door de heeren Greg en Galton [314] met nadruk gewezen, op het feit
-namelijk, dat de zeer arme en zorgelooze lieden, die dikwijls door
-ondeugd verlaagd zijn, bijna altijd vroeg huwen, terwijl de
-voorzichtige en spaarzame lieden, die gewoonlijk ook andere deugden
-bezitten, eerst op lateren leeftijd huwen, opdat zij in staat zouden
-zijn op voldoende wijze in het onderhoud van zich zelven en hun
-kinderen te voorzien. Zij die vroeg huwen, brengen niet slechts in een
-gegeven tijd een grooter aantal generaties voort, maar Dr. Duncan [315]
-heeft aangetoond, dat zij ook een grooter aantal kinderen voortbrengen.
-Daarenboven zijn de kinderen die geboren worden uit moeders welke in
-den bloeitijd van het leven zijn, zwaarder en grooter, en daarom
-waarschijnlijk ook sterker, dan die welke in een ander tijdperk worden
-geboren. Derhalve bestaat er bij de zorgelooze, verlaagde en dikwijls
-slechte leden der maatschappij een streven naar sneller vermeerdering
-dan bij de voorzichtige, spaarzame en over het algemeen deugdzame
-leden. Of, zooals de heer Greg het geval stelt: „De zorgelooze,
-smerige, onverschillige Ier vermenigvuldigt als de konijnen; de
-spaarzame, om den dag van morgen denkende, zich zelf eerbiedigende,
-eerzuchtige Schot, met zijn strenge zeden, zijn geestelijk geloof, zijn
-scherpzinnig en ontwikkeld verstand, brengt zijn beste jaren in
-inspanning en ongehuwd door, huwt laat en laat weinig nakomelingen
-achter. Gegeven een land, oorspronkelijk bewoond door een duizendtal
-Saksers en een duizendtal Kelten,—dan zullen in een dozijn generaties
-vijf zesde gedeelten van de bevolking Kelten zijn, maar vijf zesde
-gedeelten van den eigendom, de macht, het verstand zullen toebehooren
-aan het overblijvend één zesde, uit Saksers bestaande gedeelte der
-bevolking. In den eeuwigen „strijd om het bestaan”, zal het lagere en
-minder begaafde ras de bovenhand behouden,—en dat, niet krachtens zijn
-goede hoedanigheden, maar krachtens zijn gebreken.”
-
-Er zijn echter eenige hinderpalen tegen dit streven naar achteruitgang.
-Wij hebben gezien, dat onder dronkaards de gemiddelde sterfte zeer
-groot is, en uiterst losbandige lieden laten weinig kroost na. De
-armste klassen zijn in de steden opeengehoopt, en Dr. Stark [316] heeft
-uit een in Schotland gedurende tien jaren gehouden statistiek bewezen,
-dat op alle leeftijden de gemiddelde sterfte grooter is in de steden
-dan op het land, ja, „gedurende de vijf eerste levensjaren is de
-gemiddelde sterfte in de steden ongeveer dubbel zoo groot als op het
-land.” Daar deze berekening zoowel de rijken als de armen omvat, zou
-ongetwijfeld meer dan het dubbele van het aantal geboorten noodig zijn
-om het aantal zeer arme bewoners in de steden in de zelfde verhouding
-te doen toenemen als die op het land.
-
-Voor vrouwen is het huwelijk op al te vroegen leeftijd hoogst
-schadelijk; want in Frankrijk heeft men bevonden, dat „jaarlijks van de
-gehuwde vrouwen onder de twintig jaar tweemaal meer sterven dan van het
-zelfde aantal ongehuwde.” Ook de sterfte van gehuwde mannen onder de
-twintig jaar is „uiterst groot” [317], wat echter de oorzaak hiervan
-is, schijnt twijfelachtig. Als eindelijk de mannen die voorzichtig hun
-huwelijk uitstellen tot zij hun huisgezin behoorlijk kunnen
-onderhouden, vrouwen uitkiezen die in den bloeitijd des levens zijn, en
-dit doen zij dikwijls, zal de gemiddelde hoegrootheid der vermeerdering
-van de meer welvarende klasse slechts weinig afnemen.
-
-Uit een ontzaglijk aantal statistische gegevens, in het jaar 1853
-verzameld, bleek, dat in Frankrijk de ongehuwde mannen op den leeftijd
-van 20 tot 30 jaren in veel sterker verhouding sterven dan de gehuwde:
-van elke 1000 ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren
-stierven b.v. jaarlijks 11,3, terwijl van de gehuwde slechts 6,5
-stierven. [318] Het is bewezen, dat een dergelijke wet gedurende de
-jaren 1863 en 1864 steek hield bij de geheele bevolking van Schotland
-die boven de 20 jaar oud was: van elke duizend ongehuwde mannen op den
-leeftijd van 20–30 jaar stierven b.v. jaarlijks 14,97, en van de
-gehuwde slechts 7,24, dat is minder dan de helft. [319] Dr. Stark
-bemerkt naar aanleiding hiervan: „De ongehuwde staat werkt
-verwoestender op het leven dan de ongezondste bedrijven, of dan het
-verblijf in een ongezond huis of in een ongezonde streek waar men nooit
-de geringste poging heeft gedaan om den gezondheidstoestand te
-verbeteren. Hij meent dat de verminderde sterfte een rechtstreeksch
-gevolg is „van het huwelijk en van de meer geregelde levenswijze welke
-met dien staat gepaard gaat.” Hij geeft echter toe, dat de onmatige,
-losbandige en misdadige klassen, wier gemiddelde levensduur kort is,
-gewoonlijk niet huwen; en men moet eveneens aannemen, dat menschen met
-een zwak gestel, slechte gezondheid, of eenig groot lichamelijk of
-geestelijk gebrek, dikwijls niet zullen willen of kunnen huwen. Dr.
-Stark schijnt tot het besluit te zijn gekomen, dat het huwelijk op zich
-zelf een hoofdoorzaak van een lang leven is, omdat hij vindt, dat
-hoogbejaarde gehuwde mannen in dit opzicht nog een aanmerkelijk
-voordeel hebben boven ongehuwde van den zelfden hoogen leeftijd; maar
-iedereen zal wel voorbeelden kennen van menschen, die wegens hun zwakke
-gezondheid in hun jeugd niet huwden en toch hoogbejaard zijn geworden,
-hoewel zij voortdurend zwak bleven en dus steeds slechts een kleinere
-kans hadden om te blijven leven. Er is een andere merkwaardige
-omstandigheid, die Dr. Stark’s besluit schijnt te bevestigen, namelijk,
-dat weduwnaars en weduwen in Frankrijk in vergelijking van gehuwde
-lieden aan een zeer groote sterfte onderhevig zijn; maar Dr. Farr
-schrijft dit toe aan armoede en slechte gewoonten, die het gevolg zijn
-van het vaneenscheuren van het huisgezin en van droefheid. Over het
-geheel mogen wij met Dr. Farr besluiten, dat de mindere sterfte van
-gehuwde dan van ongehuwde lieden, die een algemeene wet schijnt te
-zijn, „hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de voortdurende eliminatie
-van onvolmaakte typen, en door de met bekwaamheid geschiedende keuze
-van de uitnemendste individu’s van elke opeenvolgende generatie”, welke
-keuze alleen betrekking heeft op den gehuwden staat, en op alle
-lichamelijke, verstandelijke en zedelijke hoedanigheden acht slaat. Wij
-mogen daaruit afleiden, dat gezonde en deugdzame lieden die uit
-voorzichtigheid een tijd lang ongehuwd blijven, aan geen bijzonder
-hooge sterfte onderhevig zijn.
-
-Indien de verschillende hinderpalen in de beide laatste alinea’s
-opgenoemd, en wellicht andere die nog onbekend zijn, niet verhinderen,
-dat de zorgelooze, slechte en op andere wijzen mindere leden van de
-maatschappij zich sneller vermenigvuldigen dan de betere klasse van
-menschen, zal het volk achteruitgaan, zooals maar al te dikwijls in de
-wereldgeschiedenis is gebeurd. Wij moeten ons herinneren, dat de
-vooruitgang niet onveranderlijk regel is. Het is hoogst moeilijk te
-zeggen, waarom de eene beschaafde natie tot aanzien klimt, machtiger
-wordt en zich verder uitbreidt dan de andere; of waarom een zelfde
-natie op den eenen tijd sterker vooruitgaat dan op den anderen. Wij
-kunnen alleen zeggen, dat dit afhangt van een vermeerdering van de
-bevolking in het algemeen, van het aantal mannen, met groote
-verstandelijke en zedelijke vermogens begaafd, zoowel als van de
-hoegrootheid dier vermogens. De lichamelijke eigenschappen, behalve in
-zoover een krachtig lichaam ook kracht aan den geest geeft, schijnen
-slechts weinig invloed te hebben.
-
-Verschillende schrijvers hebben beweerd, dat, daar groote
-verstandelijke vermogens voor een volk voordeelig zijn, de oude
-Grieken, die in verstand eenige graden hooger stonden dan eenig ras dat
-ooit heeft bestaan [320], indien de natuurlijke teeltkeus wezenlijk
-zulk eene groote macht bezat, nog meer in aanzien gestegen en in getal
-toegenomen hadden moeten zijn en geheel Europa hebben bevolkt. Hier
-hebben wij de stilzwijgende onderstelling, zoo dikwijls geschied ten
-opzichte van lichamelijke eigenschappen, dat er eenige aangeboren
-neiging bestaat tot voortdurende ontwikkeling van geest en lichaam.
-Elke soort van ontwikkeling hangt echter van den samenloop van vele
-gunstige omstandigheden af. De natuurlijke teeltkeus werkt slechts op
-een beproevende wijze. Individu’s en rassen kunnen zekere onbetwistbare
-voordeelen hebben verkregen, en toch zijn ondergegaan, omdat zij andere
-kenmerken misten. De Grieken kunnen zijn achteruitgegaan door gebrek
-aan samenhang tusschen de vele kleine staten, wegens de geringe grootte
-van hun geheele land, wegens de gewoonte om slaven te houden, of wegens
-zeer groote zinnelijkheid; want zij bezweken niet voor zij „tot in den
-grond waren ontzenuwd en bedorven.” [321] De volken van West-Europa,
-die nu hun vroegere wilde voorouders zoo verbazend overtreffen en aan
-de spits der beschaving staan, zijn weinig of niets van hun
-voortreffelijkheid verschuldigd aan rechtstreeksche overerving van de
-oude Grieken, hoewel zij veel hebben te danken aan de geschrevene
-werken van dit verwonderlijke volk.
-
-Wie kan met zekerheid zeggen, waarom de Spaansche natie, in een zeker
-tijdvak zoo machtig, door andere volken is voorbijgestreefd? De
-ontwaking der volken van Europa uit den slaap der middeleeuwen is nog
-moeielijker te verklaren. In dien vroegen tijd hadden, zooals de heer
-Galton heeft opgemerkt [322], bijna alle mannen van edelen aard, zij
-die zich toelegden op nadenken en geestbeschaving, geen ander
-toevluchtsoord dan in den boezem der kerk, die den ongehuwden staat
-eischte, en het kon moeielijk missen, of dit moest op elke
-opeenvolgende generatie een verderfelijken invloed uitoefenen.
-Gedurende het zelfde tijdvak koos de Heilige Inquisitie met de meeste
-zorg de meest vrijheidlievende en moedige mannen uit om hen te
-verbranden en gevangen te zetten. In Spanje alleen werden eenigen van
-de beste mannen,—zij die twijfelden en onderzochten, en zonder den
-twijfel kan geen vooruitgang bestaan,—gedurende drie eeuwen
-geëlimineerd in de verhouding van een duizendtal per jaar. Het kwaad
-dat de Katholieke kerk op die wijze heeft gesticht, hoewel ongetwijfeld
-in zekere, ja wellicht in groote mate opgewogen op andere wijze, is
-onberekenbaar; toch is Europa met ongeëvenaarde snelheid vooruitgegaan.
-
-De merkwaardige voorspoed van de Engelschen als kolonisten boven andere
-Europeesche natiën, waarvan een vergelijking tusschen de toeneming van
-het aantal Canadeezen van Engelsche en van Fransche afkomst een goed
-voorbeeld oplevert, is toegeschreven aan hun „koene en volhardende
-energie”; maar wie kan zeggen, hoe de Engelschen die energie verkregen.
-
-Er is blijkbaar veel waars in het geloof, dat de verwonderlijke
-vooruitgang der Vereenigde Staten, zoowel als het karakter van hun
-bewoners, het gevolg zijn van natuurlijke teeltkeus, daar de
-energiekste, rustelooste en moedigste mannen van alle deelen van Europa
-gedurende de tien of twaalf laatste generaties naar dat groote land
-verhuisd en daar het best geslaagd zijn. [323] Met het oog op een verre
-toekomst, geloof ik, dat de heer Zincke zich niet aan overdrijving
-schuldig maakt, wanneer hij zegt [324]: „Alle andere reeksen van
-gebeurtenissen,—zoowel die welke uitliepen op de geestbeschaving van
-Griekenland, als die welke het aanzijn gaven aan het Romeinsche
-Rijk,—schijnen alleen een doel en waarde te hebben als men ze beschouwt
-in verband met, of liever als ondergeschikt aan .... den grooten stroom
-der Anglo-Saksische emigratie naar het Westen.” Hoe duister ook het
-vraagstuk van den vooruitgang der beschaving zij, wij kunnen toch ten
-minste begrijpen, dat een volk hetwelk gedurende een langdurig tijdperk
-het grootste aantal verstandelijk hoog ontwikkelde, energieke, dappere,
-vaderlandslievende en welwillende menschen voortbracht, over het
-algemeen de bovenhand moest behouden over minder begunstigde natiën.
-
-De natuurlijke teeltkeus is het gevolg van den strijd om het bestaan,
-en deze van een snelle vermeerdering. Het is onmogelijk de snelheid
-niet te betreuren, met welke het menschelijk geslacht naar
-vermeerdering streeft (of het verstandig is zulks te doen, is een
-andere vraag); want deze leidt bij wilde stammen tot kindermoord en
-vele andere misdaden, bij beschaafde natiën tot ellende, armoede, een
-ongehuwd leven en tot late huwelijken van hen die om den dag van morgen
-denken. Daar de mensch echter onderhevig is aan de zelfde physieke
-kwalen als de lagere dieren, heeft hij geen recht om te verwachten, dat
-hij vrij zal zijn van de kwalen die het gevolg zijn van den strijd om
-het bestaan. Als men nagaat, dat in vele deelen der wereld verbazend
-uitgestrekte en hoogst vruchtbare streken, die in staat zouden zijn
-talrijke gelukkige huisgezinnen te voeden, slechts door eenige weinige
-zwervende wilden worden bewoond, zou men kunnen beweren, dat de strijd
-om het bestaan niet hevig genoeg is geweest om den mensch tot zijn
-hoogste ontwikkeling te brengen. Te oordeelen naar al wat wij weten van
-den mensch en van de lagere dieren, is er altijd genoeg verscheidenheid
-geweest in de verstandelijke en zedelijke vermogens om ze voortdurend
-door natuurlijke teeltkeus vooruit te doen gaan. Ongetwijfeld vereischt
-een dergelijke vooruitgang een samenloop van vele gunstige
-omstandigheden; maar het mag worden betwijfeld, of zelfs de gunstigste
-wel voldoende zouden zijn geweest, zoo er geen neiging tot snelle
-vermeerdering bestaan en derhalve geen uiterst hevige strijd om het
-bestaan plaats gehad had. Naar hetgeen wij bijvoorbeeld in sommige
-deelen van Zuid-Amerika zien, schijnt het zelfs, dat een volk dat
-beschaafd mag worden genoemd, zooals de Spaansche kolonisten, kans
-loopt om vadsig te worden en achteruit te gaan, als de
-levensvoorwaarden zeer gemakkelijk zijn. Bij hoogst beschaafde natiën
-hangt de voortdurende vooruitgang in ondergeschikte mate van
-natuurlijke teeltkeus af; want dergelijke natiën verdringen elkander
-niet en roeien elkander niet uit, gelijk wilde stammen. Toch zullen de
-meer verstandige leden in de zelfde maatschappij op den langen duur
-beter slagen en talrijker kroost nalaten dan de minder verstandige, en
-dit is een vorm van natuurlijke teeltkeus. De meer werkdadige oorzaken
-van vooruitgang schijnen te bestaan in een goede opvoeding gedurende de
-jeugd, als de hersenen vatbaar voor indrukken zijn, en in een hoogen
-trap van uitnemendheid, ingeprent door de bekwaamste en beste mannen,
-verlichamelijkt in de wetten, zeden en overleveringen van de natie, en
-versterkt door de publieke opinie. Men bedenke echter, dat deze
-versterking door de openbare meening afhankelijk is van de waarde die
-wij aan de goed- of afkeuring van anderen hechten, en die waardeering
-is gegrond op ons medegevoel, hetwelk wij moeilijk kunnen betwijfelen,
-dat oorspronkelijk is ontwikkeld door natuurlijke teeltkeus als een der
-meest belangrijke bestanddeelen van de sociale instinkten. [325]
-
-
-
-Bewijzen dat alle beschaafde natiën eens in wilden staat verkeerden.
-Daar wij de trappen moeten beschouwen, door welke een of ander
-half-menschelijk schepsel allengs is opgeklommen tot den rang van den
-mensch in zijn meest volkomen staat, kan dit onderwerp niet geheel
-onbemerkt worden voorbijgegaan.
-
-Het is echter op zoo volledige en bewonderenswaardige wijze behandeld
-door Sir J. Lubbock [326], de heeren Tylor, M’Lennan en anderen, dat ik
-hier slechts een zeer kort overzicht behoef te geven van hun
-resultaten. De onlangs door den Hertog van Argyll [327] en vroeger door
-den Aartsbisschop Whately aangevoerde bewijsgronden ten gunste van het
-geloof, dat de mensch als een beschaafd wezen in de wereld kwam, en dat
-alle wilde stammen sinds dien tijd zijn achteruitgegaan, schijnen mij
-zwak in vergelijking van die, welke van de andere zijde worden
-aangevoerd. Vele natiën zijn ongetwijfeld in beschaving
-achteruitgegaan, en sommige wellicht tot de uiterste barbaarschheid
-vervallen, hoewel ik voor dit laatste geen enkel bewijs heb gevonden.
-De Vuurlanders werden waarschijnlijk door andere veroverende horden
-gedwongen om zich in hun ongastvrij land te vestigen, en kunnen ten
-gevolge daarvan nog een weinig lager zijn gezonken; maar men zou
-moeielijk kunnen bewijzen, dat zij tot grooter barbaarschheid zijn
-vervallen dan de Botocudo’s, die de schoonste gedeelten van Brazilië
-bewonen.
-
-De bewijzen dat alle beschaafde volken de afstammelingen van wilden
-zijn, berusten eerstens op duidelijke sporen van hun voormaligen
-onbeschaafden toestand in nog bestaande gewoonten, meeningen,
-spreekwijzen, enz.; en in de tweede plaats, op bewijzen dat wilden in
-staat zijn door eigen ontwikkeling eenige weinige schreden voorwaarts
-te doen op de baan der beschaving en zulks ook werkelijk hebben gedaan.
-De gronden voor de eerste bewering zijn hoogst merkwaardig, maar kunnen
-hier niet worden medegedeeld. Ik verwijs naar zulke gevallen als b.v.
-dat van de telkunst die, zooals de heer Tylor duidelijk aantoont door
-de woorden die op sommige plaatsen nog worden gebruikt, ontstond door
-eerst de vingers van de eene hand, daarna die van de andere, en
-eindelijk de teenen te tellen. Wij hebben daarvan nog sporen in ons
-eigen tientallig stelsel en in de Romeinsche cijfers, die na het getal
-V te hebben bereikt, wanneer ongetwijfeld de andere hand werd gebruikt,
-in VI, enz. overgaan. Evenzoo „gebruiken wij, als wij spreken van
-drie-score en tien, het twintigtallig stelsel, daar elk aldus in de
-gedachten gemaakt score staat voor 20—of „één mensch”, zooals een
-Mexicaan of Caraïbe het zou uitdrukken.” [328] (2) Volgens een groote
-en toenemende school van taalkundigen draagt iedere taal de kenteekenen
-van haar langzame en trapsgewijze ontwikkeling. Het zelfde is het geval
-met de schrijfkunst, daar de letters rudimenten zijn van afbeeldingen
-van voorwerpen. Het is bijna niet mogelijk het werk van den heer
-M’Lennan te lezen [329], en niet toe te geven, dat bijna alle
-beschaafde volken eenige sporen hebben behouden van zulk een ruwe
-gewoonte als het met geweld rooven der vrouwen. De zelfde schrijver
-vraagt, welke natie kan worden genoemd, die oorspronkelijk in monogamie
-leefde? Het oorspronkelijke denkbeeld van recht was insgelijks hoogst
-ruw, zooals blijkt uit de wet van den strijd en andere gewoonten,
-waarvan nog sporen bewaard zijn gebleven. Vele bestaande
-bijgeloovigheden zijn de overblijfselen van vroegere valsche
-godsdienstige meeningen. De hoogste vorm van godsdienst,—het groote
-denkbeeld van een God die de zonde haat en de rechtvaardigheid
-bemint,—was gedurende de oorspronkelijke tijden onbekend.
-
-Laten wij nu tot de tweede soort van bewijs overgaan: Sir John Lubbock
-heeft aangetoond, dat sommige wilden in de laatste tijden een weinig
-zijn vooruitgegaan in sommige van hun meer eenvoudige kunsten. Als men
-de uiterst merkwaardige mededeelingen nagaat, die hij doet omtrent de
-wapenen, werktuigen en kunsten, gebruikt of uitgeoefend door wilden in
-verschillende deelen der wereld, kan men niet betwijfelen, dat dit
-bijna allen zelfstandige ontdekkingen zijn geweest, behalve wellicht de
-kunst om vuur te maken. [330] De Australische boemerang (3) is een goed
-voorbeeld van een dergelijke onafhankelijke ontdekking. Toen Otaheite
-pas was ontdekt, waren deszelfs bewoners in vele opzichten verder
-gevorderd dan die van de meeste andere eilanden van Polynesië. Er
-bestaan geen goede gronden om aan te nemen, dat de groote beschaving
-van de inboorlingen van Peru en Mexico was voortgevloeid uit een
-vreemde bron [331]; vele in die landen inheemsche planten werden daar
-verbouwd en ook enkele inheemsche dieren waren er getemd (4).
-
-Wij moeten bedenken, dat, als de bemanning van een uit een of ander
-half beschaafd land komend schip naar de stranden van Amerika was
-gedreven, zij op de inboorlingen zeer weinig invloed zou hebben
-uitgeoefend, tenzij deze reeds eenigszins in beschaving waren
-gevorderd, te oordeelen ten minste naar den geringen invloed der meeste
-zendelingen. Wanneer wij een zeer oud tijdvak van de wereldgeschiedenis
-beschouwen, vinden wij, om Sir J. Lubbock’s welbekende uitdrukkingen te
-gebruiken, een palaeolithische en neolithische periode, en niemand zal
-beweren, dat de kunst om ruwe vuursteenen werktuigen te slijpen, uit
-vreemde landen was ingevoerd. In alle landen van Europa tot Griekenland
-toe, in Palaestina, Indië, Japan, Nieuw-Zeeland en Afrika, met
-insluiting van Egypte, zijn vuursteenen werktuigen in overvloed
-gevonden; en van het gebruik daarvan bestaat bij de tegenwoordige
-inwoners geen overlevering. Er bestaan ook indirecte bewijzen van het
-voormalig gebruik van dergelijke werktuigen bij de Chineezen (5) en
-oude Joden. Het kan daarom moeielijk worden betwijfeld, dat de inwoners
-van deze vele landen die bijna de geheele beschaafde wereld omsluiten,
-eens in wilden staat verkeerden. Om te gelooven, dat de mensch
-oorspronkelijk beschaafd was en later in zoovele landen tot de uiterste
-barbaarschheid verviel, moet men een beklagenswaardig laag denkbeeld
-koesteren van de menschelijke natuur. Het is blijkbaar een meer met de
-waarheid overeenkomstig en troostvoller denkbeeld, dat vooruitgang veel
-algemeener is geweest dan achteruitgang, dat de mensch, hoewel langzaam
-en met afgebroken schreden, is opgeklommen van een laag standpunt tot
-de hoogste ontwikkeling die hij nog in kennis, zedelijkheid en
-godsdienst heeft bereikt.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Zeer belangwekkend is in het veel besproken, voor een drietal jaren
-in het Fransch vertaalde werk van Caesar Lombroso „Homo Delinquante”
-(de misdadige mensch) de min of meer nieuwe theorie van den
-atavistischen oorsprong van de misdaad. Volgens deze theorie zou de
-aanleg om misdadiger te worden een erfenis uit ouden tijd zijn, een
-verschijnsel dat vroeger deel uitmaakte van de organisatie en het
-karakter onzer voorouders en dat zich op noodlottige wijze bij sommigen
-hunner nakomelingen opnieuw vertoont door een soort van gril in de
-slecht verzekerde ontwikkeling van den mensch. Het atavisme is de bron
-van de misdaad, omdat alle levende wezens een neiging hebben om tot het
-oorspronkelijk type terug te keeren, en zoo plotseling zekere lang
-verloren kenmerken hunner voorouders te herkrijgen. Het atavisme staat
-in nauw verband met de erfelijkheid, maar onderscheidt er zich toch
-van. „Het is een erfelijkheid na zeer lange tusschenpoozen, waarvan de
-invloed, door nieuwere kenmerken lang verborgen, zich na eeuwen weder
-doet gevoelen.”
-
-Lombroso meent dus, dat handelingen die wij misdadig noemen, weleer
-gewone en normale handelingen zijn geweest, die van zelf uit het gestel
-van het menschelijk wezen voortvloeiden. De misdaad is volgens hem bij
-wilden de algemeene regel.
-
-Paintel voegt er in zijn „Théorie de la tutelle pénale” bij: „Er is bij
-de wilden stammen niets dat op een voortdurend werkzaam geweten
-gelijkt.” De „verharde misdadiger” en onverbeterlijke recidivist is dus
-een vroeger type, door de wet van het atavisme opnieuw in het leven
-geroepen of gevormd, en dat men, om het te genezen, aan een speciale
-behandeling moet onderwerpen. Men versta wel, dat deze theorie niet van
-toepassing is op individu’s, wier wil onvoorziens door een samenloop
-van toevallige omstandigheden bezwijkt.
-
-(2) Het Engelsche woord „score” beteekent een twintigtal op de zelfde
-wijze als ons woord „dozijn” een twaalftal beteekent. Evenzoo beteekent
-in Friesland „snees” en in Drenthe „stieg” een twintigtal. In het
-Fransch vindt men vele sporen van het twintigtallig stelsel, b.v.
-soixante-dix, quatre-vingt, quatre-vingt-dix, six-vingts (120, vroeger
-in gebruik) enz.
-
-(3) „De Australische boemerang”. Sir J. Lubbock, („l’Homme avant
-l’Histoire”, Fransche Vert. van Barbier, blz. 353) deelt omtrent dit
-merkwaardig wapen, dat uitsluitend aan Nieuw-Holland eigen is, o.a. het
-volgende mede: „Men noemt zoo een stok van gekromden vorm, gewoonlijk
-aan den eenen kant afgerond, aan den anderen plat, ongeveer 9 decimeter
-lang, 5 centimeter breed en 1,8 centimeter dik. Op het eerste gezicht
-gelijkt hij op een zeer grof gemaakten houten sabel. Hij wordt zoowel
-voor de jacht als voor den oorlog gebruikt. Men neemt hem aan het eene
-uiteinde in de rechterhand en werpt hem als een sikkel, hetzij in de
-lucht, van beneden naar boven, hetzij van boven naar beneden, zoodat
-hij den grond raakt op eenigen afstand van dengene, welke hem werpt. In
-het eerste geval vliegt hij voort met een draaiende beweging die een
-gevolg van zijn vorm is; na zich tot een groote hoogte in de lucht te
-hebben opgeheven, beschrijft hij plotseling een elliptische kromme lijn
-die hem terugbrengt tot het punt, van waar hij werd geworpen. Als men
-hem naar beneden op den grond werpt, springt hij in rechte lijn al
-ricochetteerende vooruit, totdat hij het voorwerp bereikt dat men wil
-treffen. De vreemdste kromme lijn wordt door dit wapen doorloopen, als
-men het onder een hoek, grooter dan 45°, in de lucht werpt; het komt
-dan zonder uitzondering aan de achterzijde terug, en de inboorling die
-het werpt, keert dan den rug, in plaats van het gelaat, naar den kant
-van het voorwerp dat hij wil treffen. [332] De heer Merry, die eenigen
-tijd in Nieuw-Holland doorbracht, verhaalt mij, dat hij eens, zich
-willende overtuigen van de behendigheid, waarmede men den boemerang kon
-gebruiken, een belooning van 8 pence uitloofde voor elke maal, dat de
-boemerang terug zou komen naar de plaats, van waar men hem zou hebben
-geworpen. Hij teekende in het zand een cirkel van 5 à 6 voet middellijn
-en, hoewel het wapen met veel kracht werd geworpen, gelukte het den
-inboorling om het vijf keeren van de twaalf in den cirkel te doen
-terugkomen.”
-
-(4) Het is een tamelijk algemeene dwaling, dat de inboorlingen van
-Amerika, tijdens de ontdekking, geen landbouw beoefenden en geen dieren
-hadden getemd. De landbouw bloeide echter in hooge mate bij de
-Peruanen, gelijk door mij in het aanhangsel op het „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, II 509, uitvoerig is aangetoond, terwijl
-zij ook vee (de lama’s en alpaca’s) en pluimgedierte (de muskuseend)
-bezaten. Omtrent de cultuurplanten der Azteken zie men ib. I, 392. De
-Azteken bezaten ook „tamme kalkoenen en groote honden, in staat om met
-een stier te strijden, en die een lading van twee arroba’s (25 kilo) op
-een pakzadel droegen als zij op de jacht gingen.” Gomara, die kapelaan
-van Cortez was, spreekt op verschillende plaatsen van zijn werk [333]
-er van, dat de ten noorden van Mexico wonende volksstammen groote
-kudden tamme bisons bezaten, die hun kleeding, spijs en drank
-opleverden. Men kweekte in hun land den wijnstok, moerbeziënboom en
-rozenboom aan.(?) Andere Indianen in het noorden der tegenwoordige
-Vereenigde Staten en in Canada bedienden zich van tamme herten om hun
-sleden voort te trekken. (Brasseur de Bourbourg, „Recherches sur les
-Ruines de Palenqué”, blz. XVIII, noot 8, 10). Omtrent den landbouw der
-Indianen van Noord-Amerika, zie men „Var. Huisd. en Cultuurpl.”, I,
-363, 387. De Nonville schat de hoeveelheid maïs, door hem in vier
-dorpen der Seneca’s (in het zuiden der tegenwoordige Ver. Staten)
-vernield, op 2,400,000 hectoliters (Lubbock, „l’Homme avant
-l’Histoire”, Fransche vert. van Barbier, blz. 231). In Wisconsin vindt
-men te midden der dichtste schijnbaar oorspronkelijke wouden overal de
-sporen eener overoude maïscultuur (ibid. blz. 232). [334]
-
-Wanneer echter de Mexicaansche beschaving werkelijk uit geen vreemde
-bron kan worden afgeleid, hoe zijn dan de afbeeldingen van
-olifantachtige dieren te verklaren die men op de ruïnen van de overoude
-Mexicaansche stad Palinqué aantreft (vergelijk mijn stuk: „De
-Voorhistorische Mensch in Amerika”, Album der Natuur, 1870)? Stellen
-zij wellicht uitgestorven soorten voor?
-
-(5) In Griekenland heeft men in 1870 een menschelijke woning uit den
-steentijd onder een 20 meters dikke vulkanische tuflaag gevonden.
-(„Ergänzungsblätter zur Kenntnisz der Gegenwart”, Hildburghausen,
-Verlag des Bibliographischen Instituts; erstes Februarheft, 1870) In
-Indië zijn voor eenige jaren nabij Madras door de heeren King en Foote
-op een diepte van vijf meters een aantal zeer ruw bewerkte werktuigen
-gevonden, vervaardigd van een dichte half glasachtige kwartsiet, en
-zeer veel gelijkende op dergelijke werktuigen van vuursteen die men in
-Europa op zoovele plaatsen heeft gevonden („Ann. and Mag. of Nat.
-Hist.”, XIV, blz. 155). Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te
-Assen zijn drie steenen beitels, op Java gevonden.
-
-In Egypte zijn tijdens de opening van het Suez-kanaal door de invités
-van den Khedive een overvloed van vuursteenen werktuigen op den
-Ghebel-el-Assassif, nabij de ruïnen van het oude Thebe, gevonden.
-
-Ook in China heeft volgens een mededeeling van den heer Chevreuil in de
-vergadering van de Académie des Sciences van 13 Aug. 1866, vroeger een
-steenperiode bestaan. Hij bewijst uit een plaats uit het leven van
-Confucius door Amyot (Parijs, 1866), dat men aldaar ongeveer 1122 jaren
-voor Christus reeds ijzeren pijlpunten bezat, doch dat een overlevering
-van het voormalig gebruik van steenen pijlpunten gewaagde. De heer
-Stanislas Julien gaf hem (Chevreuil) een menigte plaatsen uit
-Chineesche werken op die onwederlegbaar bewijzen, dat ook in China in
-overoude tijden wapenen en werktuigen van steen werden gebruikt. Ook in
-Japan vond men voorhistorische steenen werktuigen.
-
-Omtrent een voormalige steenperiode in Amerika die in sommige afgelegen
-streken zelfs nog heden voortduurt, verwijs ik naar mijn stuk „de
-Voorhistorische Mensch in Amerika”, in het „Album der Natuur”, 1870.
-
-Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen vindt men een
-steenen beitel uit Suriname en verschillende steenen wapens
-(pijlspitsen enz.) uit N-Amerika.
-
-In Nieuw-Zeeland vond de heer Th. Tate in een hol op den Waiwo een
-ouden schedel-typus, ouder dan die der Maori’s, in gezelschap van
-beenderen van den uitgestorven Moa (Dinornis giganteus) en van steenen
-werktuigen („Anthrop. Review”, April 1867, blz. 244). Wij moeten
-hierbij echter opmerken, dat ook de Maori’s zelven, tijdens de
-ontdekking van Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen gebruikten, evenals
-ook op Nieuw-Holland en elders in Australië het geval was. Een
-zeeofficier liet mij een zeer fraaien steenen beitel zien, door hem uit
-Nieuw-Guinea medegebracht, en voegde er bij, dat daar verhaald werd,
-dat zulke steenen ontstonden als de bliksem in den grond sloeg, wat aan
-Europeesche folk-lore omtrent dergelijke beitels (donderbeitels)
-herinnert.
-
-De beitel gelijkt volkomen op de Europeesche uit de neolithische
-periode.
-
-Men vergelijke ook omtrent de voorhistorische bewoners van Europa enz.
-mijn werkje „De voorhistorische mensch in Europa”, ’s Gravenhage, Gebr.
-Belinfante, 1890; H. le Hon, „De mensch in de voorwereld”, bewerkt door
-H. M. C. van Oosterzee, Amsterdam, 1869, Gebr. Koster; Sir John
-Lubbock, „De oorsprong der beschaving”, voor ons volk uit het Engelsch
-vertaald. Met eene aanbeveling van Jhr. B. H. C. K. van der Wijck,
-Hoogleeraar te Groningen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, en „De
-mensch voor de geschiedenis”, door Dr. T. C. Winkler, Leiden, P. van
-Santen, 1877 (thans Gebr. Cohen).
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
-
- Plaats van den mensch in het dierenrijk.—Het natuurlijke stelsel
- berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe
- waarde.—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den
- mensch en de apen.—Rang van den mensch in het natuurlijke
- stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid
- van fossiele verbindingsleden.—Lagere trappen in den stamboom van
- den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede
- uit het maaksel van zijn lichaam.—Voormalige tweeslachtigheid
- (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit.
-
-
-Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen
-den mensch en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige
-natuuronderzoekers beweren, en hoewel niet valt te ontkennen, dat het
-verschil in geestvermogens tusschen hen verbazend groot is, bewijzen
-toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde feiten, naar het mij
-toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van den
-eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden
-zijn ontdekt.
-
-De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende
-variaties, die het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en
-worden beheerscht door en overgeërfd volgens de zelfde algemeene
-wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar een zoo snelle
-vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan een
-strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft
-het aanzijn gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van
-elkander verschillen, dat er natuuronderzoekers zijn, die ze als
-afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam is gebouwd volgens het
-zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt als
-embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en
-nuttelooze deelen behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren.
-Nu en dan verschijnen kenmerken opnieuw, die wij alle reden hebben om
-te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders werden bezeten.
-Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien
-van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen
-slechts misleidingen zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te
-nemen, noch te gelooven. Daarentegen worden deze verschijnselen
-begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch met andere
-zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en
-lageren vorm.
-
-Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke
-vermogens van den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de
-geheele organische wereld in drie rijken verdeeld, het Menschenrijk,
-het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus den mensch tot een
-afzonderlijk Rijk gebracht. [335] (1) Geestvermogens kunnen door een
-natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd; maar hij
-kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de
-geestvermogens van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend
-in hoeveelheid van die der overige dieren verschillen. Een verschil in
-hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft ons nog geen recht om den
-mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht het best
-zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een
-schildluis (Coccus) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde
-klasse behooren, met elkander te vergelijken. Het verschil is hier
-grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard, dan tusschen den
-mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich,
-terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap
-uit, maar verandert nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt
-eieren, en dit is haar geheele geschiedenis. Daarentegen zou, zooals
-Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten en
-geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil
-echter eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen
-en verscheidene vereenigen zich tot het volbrengen van het zelfde werk
-of om met elkander te spelen. Zij herkennen hun medemieren na
-maandenlange afwezigheid. Zij bouwen groote gebouwen, houden die
-schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten schildwachten uit. Zij
-maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. (2) Zij verzamelen voedsel
-voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om binnen te
-komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en
-herstellen die later weder. [336] Zij trekken in geregelde benden ten
-strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor het algemeen welzijn.
-Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden
-slavenjachten. Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de
-eieren van hun bladluizen even goed als hun eigen eieren en poppen naar
-warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig zouden worden uitgebroed;
-tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen. Over het geheel is
-het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis
-verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot
-verschillende Klassen, laat staan tot verschillende Rijken te brengen.
-Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide
-in staande geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het
-geval met den mensch en de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden
-om aan te nemen, dat dergelijke gapingen in de reeks eenvoudig het
-gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.
-
-Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der
-hersenen, de reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. (3)
-Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel
-de Buideldieren als de Snaveldieren (Monotremata) (4); zoodat hij
-evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere
-zoogdieren, als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze
-beschouwingswijze wordt, zoover mij bekend is, door geen enkel
-natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig oordeel te vellen,
-gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.
-
-Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie,
-gegrond op één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo
-verwonderlijk samengesteld en belangrijk als de hersenen,—of op de
-hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds zal blijken onvoldoende
-te zijn. Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de
-Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) toe te passen, maar toen zij op
-die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten of instinkten,
-bleek dit een geheel en al kunstmatige klassificatie te zijn. [337]
-Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het
-ook zij, zooals op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen;
-maar de natuuronderzoekers hebben reeds lang een diepe overtuiging
-gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat. Dit stelsel moet, naar
-men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat is, al de
-gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne
-groep te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van
-elken anderen vorm worden afgescheiden; als er echter tusschen die
-stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal dit ook het geval zijn met
-hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk een grootere
-groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de
-verschillende groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk
-daarvan heeft ondergaan—zal worden uitgedrukt door woorden, als
-Geslacht (Genus), Familie (Familia), Orde (Ordo) en Klasse (Classis).
-Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn
-opgeteekend, kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van
-gelijkenis tusschen de wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit
-doel zijn talrijke punten van gelijkenis veel belangrijker dan de
-hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige weinige
-punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en
-regelen van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij
-een gemeenschappelijken oorsprong hadden, niettegenstaande zij in
-eenige weinige woorden of regelen van zinbouw sterk van elkander
-afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis
-niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten
-(adaptatie): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld
-zijn gewijzigd voor het leven in het water, en toch zullen zij daardoor
-in het natuurlijke stelsel volstrekt niet nader tot elkander zijn
-gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat gelijkenissen in
-onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in
-deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde
-functie dienen, voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want
-zij kunnen moeilijk het gevolg zijn van geschiktwording (adaptatie) in
-een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming
-of van ware verwantschap.
-
-Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een of
-ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee
-organismen ver van elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel
-verschilt van het zelfde deel bij een andere verwante soort, heeft
-volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging ondergaan;
-bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop
-inwerkende oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere
-veranderingen van deze soort, en deze zouden, zoo zij voordeelig waren,
-behouden blijven en dus voortdurend worden vermeerderd. In vele
-gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld
-van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de
-soort niet voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig
-ander doel; maar bij den mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien,
-wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende ontwikkeling van de
-hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen plaats
-in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende
-ontwikkeling zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte
-overeenkomsten in andere minder belangrijke of volstrekt onbelangrijke
-punten.
-
-De meeste natuuronderzoekers die het geheele maaksel van den mensch met
-inbegrip zijner geestvermogens in aanmerking hebben genomen, hebben
-Blumenbach en Cuvier gevolgd, en den mensch in een afzonderlijke Orde
-geplaatst onder den titel van Tweehandigen (Bimana), en hem dus
-gelijkgesteld met de Orden der Vierhandigen (Quadrumana), der
-Verscheurende Dieren (Carnivora), enz. Voor korten tijd zijn velen
-onzer beste natuuronderzoekers teruggekeerd tot de beschouwingswijze
-die het eerst door Linnaeus, die zulk een opmerkelijke scherpzinnigheid
-bezat, is voorgestaan, en hebben den mensch met de apen in ééne Orde
-geplaatst onder den naam van Primaten. De juistheid van dit besluit zal
-worden toegegeven, als wij ons in de eerste plaats de zoo even gemaakte
-opmerkingen herinneren omtrent de vergelijkenderwijze geringe
-belangrijkheid voor de klassificatie van de groote ontwikkeling der
-hersenen bij den mensch, en ook bedenken, dat de sterk uitgesproken
-verschillen tusschen de schedels van den mensch en de apen (waaraan nog
-onlangs Bischoff, Aeby en anderen zooveel gewicht hechtten) blijkbaar
-slechts een gevolg is van de verschillende ontwikkeling hunner
-hersenen. In de eerste plaats moeten wij niet vergeten, dat de andere
-en belangrijker verschillen tusschen den mensch en de apen blijkbaar
-adaptief van aard zijn en hoofdzakelijk een gevolg van de rechtopgaande
-houding van den mensch; dit is bij voorbeeld het geval met het maaksel
-van de hand, den voet en het bekken, de kromming van zijn ruggegraat en
-de stelling van zijn hoofd. De familie der zeehonden levert een goed
-voorbeeld van de geringe belangrijkheid der adaptieve kenmerken voor de
-klassificatie. Deze dieren verschillen van alle andere Verscheurende
-Dieren (Carnivora) in den vorm van hun lichaam en het maaksel hunner
-ledematen: en toch worden in alle stelsels, van dat van Cuvier af tot
-het nieuwste, dat van den heer Flower, toe [338], de zeehonden als een
-eenvoudige Familie tot de Orde der Carnivora gebracht. Als de mensch
-niet zijn eigen klassificator was, zou het hem nooit zijn ingevallen
-een afzonderlijke Orde, om hem zelf op te nemen, te gronden.
-
-Het zou de grenzen van dit werk te buiten en geheel en al mijn kennis
-te boven gaan, om de tallooze punten waardoor de mensch in zijn maaksel
-met de andere Primaten overeenkomt, zelfs maar alleen op te noemen.
-Onze groote ontleedkundige en wijsgeer, Prof. Huxley, heeft dit
-onderwerp uitvoerig behandeld [339], en is tot het besluit gekomen, dat
-de mensch in alle punten van zijn maaksel minder van de hoogere apen
-verschilt dan deze laatste van de lagere leden der zelfde groep.
-Derhalve „heeft men geen recht om den mensch in een afzonderlijke Orde
-te plaatsen.”
-
-In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten
-aangevoerd om te toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere
-zoogdieren overeenkomt; en deze overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg
-van de groote gelijkheid in fijneren bouw en scheikundige
-samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten en
-aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den
-zelfden smaak hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze
-middelen, en ook verschillende geneesmiddelen gelijksoortige
-uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.
-
-Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch
-en de hoogere apen in systematische werken gewoonlijk niet worden
-opgeteekend, en daar zij, als zij talrijk zijn, duidelijk onze
-bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige dergelijke punten
-opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar de
-zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende
-gemoedsaandoeningen worden uitgedrukt door bijna gelijksoortige
-bewegingen van de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en
-rondom den mond. Eenige weinige uitdrukkingen zijn inderdaad bijna
-geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige soorten van apen en
-bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk de
-hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld
-worden. Bij den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de
-meeste apen; maar wij kunnen het begin van een arendsneusachtige bocht
-waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij den neusaap (Semnopithecus
-nasicus) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.
-
-Het gelaat van vele apen is versierd met een baard, met bakkebaarden of
-knevels. Het hoofdhaar wordt bij sommige soorten van slankapen
-(Semnopithecus) zeer lang [340], en bij den muts-aap (Macacus radiatus)
-loopt het straalsgewijze van een punt op de kruin van het hoofd uit,
-met een scheiding in het midden, evenals bij den mensch. Men zegt
-gewoonlijk, dat het voorhoofd den mensch zijn edel en verstandig
-uiterlijk geeft, maar het dikke haar op den kop van den muts-aap
-eindigt aan de benedenzijde plotseling, en wordt door zulk kort en fijn
-haar of dons opgevolgd, dat op geringen afstand gezien, het voorhoofd,
-met uitzondering der wenkbrauwen, geheel naakt schijnt. Men heeft ten
-onrechte wel eens beweerd, dat geen enkele aap wenkbrauwen bezit. Bij
-de zooeven genoemde soort verschilt de graad van naaktheid bij
-verschillende individu’s, en Eschricht [341] verzekert, dat bij onze
-kinderen de afscheiding tusschen de behaarde schedelhuid en het naakte
-voorhoofd soms niet scherp begrensd is; zoodat wij hier een klein
-voorbeeld hebben van terugkeer tot het type van een voorvader
-(atavisme) bij wien het voorhoofd nog niet, zooals thans, geheel naakt
-was geworden.
-
-Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden
-eenigszins convergeert naar een punt van den elleboog. Deze
-merkwaardige rangschikking, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere
-zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla, chimpanzee, orang, sommige
-soorten van gibbons (Hylobates) en zelfs bij sommige Amerikaansche
-apen. Bij Hylobates agilis is echter het haar op de gewone wijze naar
-beneden of naar den pols toe gericht; en bij H. lar staat het bijna
-recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat deze
-laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden
-betwijfeld, dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en
-de richting daarvan op den rug dient om den regen te doen afdruipen;
-zelfs de dwarse haren aan de voorpooten van een hond kunnen daartoe
-dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer Wallace merkt
-op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen van
-den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient
-om den regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van
-dit dier is, gebogen en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn
-geklemd. Volgens Livingstone zit ook de gorilla „als het sterk regent,
-met zijn handen over zijn kop.” [342] Wij moeten echter bedenken, dat
-de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt bepaald door de
-richting van het haar, en niet de richting van het haar door de
-houding. Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang
-juist is, dan herinnert ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige
-wijze aan onzen vroegeren toestand; want niemand zal onderstellen, dat
-het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den regen, en in onze
-tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe ook
-niet geschikt. (5)
-
-Het zou echter overijld zijn te veel gewicht te hechten aan het
-beginsel van adaptatie ten opzichte van de richting van het haar bij
-den mensch en zijn vroege voorouders; want het is onmogelijk de
-afbeeldingen die Eschricht geeft van de rangschikking van het haar bij
-den menschelijken foetus (welke de zelfde is als bij den volwassene) te
-bestudeeren, zonder dien uitnemenden waarnemer toe te geven, dat andere
-en meer ingewikkelde oorzaken in het spel zijn geweest. De punten, naar
-welke de haren convergeeren, schijnen eenigermate in betrekking te
-staan tot die punten van het embryo die zich gedurende de ontwikkeling
-het laatst hebben gesloten. Er schijnt ook eenige betrekking te bestaan
-tusschen de rangschikking der haren op de ledematen en den loop der
-mergslagaderen. [343]
-
-Men moet niet onderstellen, dat de punten van overeenkomst tusschen den
-mensch en sommige apen in de bovengenoemde en vele andere
-opzichten—zooals in het bezit van een naakt voorhoofd, lange haarlokken
-op het hoofd, enz.—allen het gevolg zijn van onafgebroken overerving
-van een gemeenschappelijken voorvader welke die kenmerken bezat, of van
-een later atavisme. Het is waarschijnlijker, dat de oorzaak van vele
-dezer punten van overeenkomst moet worden gezocht in analoge variatie,
-die, zooals ik elders heb trachten aan te toonen [344], het gevolg is
-van de inwerking van gelijksoortige, tot wijzigingen aanleiding gevende
-oorzaken, op organismen die van een zelfden stamvorm afstammen en een
-gelijksoortige lichaamsgesteldheid bezitten. Wat de overeenstemmende
-richting van het haar op de voorarmen van den mensch en van zekere apen
-aangaat, zoo moet dit kenmerk, daar het aan bijna al de anthropomorphen
-gemeen is, waarschijnlijk aan overerving worden toegeschreven; schoon
-zulks niet zeker is, want ook eenige zeer van hen verschillende
-Amerikaansche apen bezitten het eveneens. De zelfde opmerking is
-toepasselijk op den staarteloozen toestand van den mensch; want de
-staart ontbreekt bij al de anthropomorphen. Toch kan dit kenmerk niet
-met zekerheid aan overerving worden toegeschreven, daar de staart,
-hoewel niet ontbrekende, echter rudimentair is bij verscheidene andere
-apen uit de Oude Wereld en bij sommige uit de Nieuwe Wereld, en geheel
-ontbreekt bij verscheidene soorten van de verwante groep der Lemuriden.
-
-Hoewel de mensch, zooals wij nu hebben gezien, geen recht heeft om een
-afzonderlijke Orde voor zich zelf te vormen, mag hij wellicht aanspraak
-maken op den rang van een afzonderlijke Onder-orde of Familie. Prof.
-Huxley verdeelt in zijn laatste werk [345] de Primaten in drie
-Onder-orden; namelijk, de Anthropidae alleen uit den mensch bestaande,
-de Simiadae die alle soorten van ware apen bevat, en de Lemuridae,
-waarin de verschillende geslachten van half apen worden opgenomen. Voor
-zooverre het verschillen in zekere belangrijke punten van maaksel
-betreft, mag de mensch ongetwijfeld met recht aanspraak maken op den
-rang van een Onder-orde, en deze rang is te laag, als wij hoofdzakelijk
-op zijn geestvermogens letten. Uit een genealogisch oogpunt schijnt het
-echter, dat deze rang te hoog is, en dat de mensch eenvoudig een
-Familie of mogelijk zelfs slechts een Onder-familie behoort te vormen.
-Indien wij ons drie lijnen van afstamming voorstellen die van een
-gemeenschappelijke bron uitgaan, dan is het zeer goed te begrijpen, dat
-twee daarvan in den loop der eeuwen zoo weinig kunnen zijn veranderd,
-dat zij nog soorten van een zelfde geslacht blijven, hoewel de derde
-zoo sterk is gewijzigd, dat zij als een afzonderlijke Onder-familie,
-Familie of zelfs Orde moet worden beschouwd. In dit geval is het echter
-bijna zeker, dat de derde lijn door overerving nog talrijke kleine
-punten van overeenkomst met de beide andere lijnen zal behouden. Hier
-zou men dan stuiten op de tegenwoordig nog onoplosbare moeilijkheid, of
-wij in onze klassificaties meer gewicht behooren te hechten aan sterk
-sprekende verschillen in eenige weinige punten,—dat is aan de
-hoegrootheid der ondergane wijziging,—dan wel aan groote overeenkomst
-in talrijke onbelangrijke punten, die de lijnen van afstamming of den
-stamboom aanwijzen. Het eerste is het duidelijkste en wellicht het
-veiligste, hoewel het laatste het meest juiste schijnt te zijn, daar
-het een werkelijk natuurlijke klassificatie geeft.
-
-Om hierover een oordeel te kunnen vellen, moeten wij een kort overzicht
-geven van de klassificatie der Simiadae of Ware Apen. Deze familie
-wordt door bijna alle natuuronderzoekers verdeeld in de groep der
-Simiae Catarrhinae of Apen der Oude Wereld, die, zooals hun Latijnsche
-naam uitdrukt, allen zijn gekenmerkt door het bijzondere maaksel hunner
-neusgaten en door het bezit van vier valsche maaltanden in elke kaak,
-en in de groep der Simiae Platyrrhinae of Apen der Nieuwe Wereld (die
-uit twee zeer verschillende ondergroepen bestaat) die zich allen
-kenmerken door anders gevormde neusgaten en het bezit van zes valsche
-maaltanden in elke kaak. (6) Nog enkele andere kleine verschillen
-zouden hier kunnen worden vermeld. Nu behoort de mensch, wat zijn
-tandstelsel, het maaksel zijner neusgaten en eenige andere kenmerken
-aangaat, ongetwijfeld tot de Catarrhinae of Apen der Oude Wereld; en in
-geen enkel opzicht gelijkt hij meer op de Platyrrhinae, dan op de
-Catarrhinae, behalve in eenige weinige kenmerken van niet veel belang
-en van adaptieven aard. Het zou daarenboven tegen alle
-waarschijnlijkheid strijden, om te onderstellen, dat de eene of andere
-voormalige soort, tot de Apen der Nieuwe Wereld behoorende, zich
-gewijzigd en zoo een op den mensch gelijkend wezen met al de
-onderscheidende kenmerken van de Apen der Oude Wereld zou hebben
-voortgebracht, terwijl het tegelijkertijd al zijn eigen onderscheidende
-kenmerken had verloren. Het kan bijgevolg moeielijk worden betwijfeld,
-dat de mensch is gesproten uit den stam van de Apen der Oude Wereld, en
-dat hij uit een genealogisch oogpunt tot de groep der Catarrhinae moet
-worden gebracht. [346]
-
-De anthropomorphe apen, namelijk de gorilla, de chimpanzee, de orang en
-de gibbons worden door de meeste natuuronderzoekers als een
-afzonderlijke onder-groep van de overige apen der Oude Wereld
-afgescheiden. Ik weet, dat Gratiolet, zich grondende op het maaksel der
-hersenen, het bestaan van deze onder-groep niet aanneemt; en
-ongetwijfeld vormt zij geen goed geheel; zoo is de orang, gelijk de
-heer St. George Mivart opmerkt [347], „een der meest bijzondere en
-afwijkende vormen, die in de geheele Orde worden gevonden.” De overige,
-niet-anthropomorphe Apen der Oude Wereld worden door sommige
-natuuronderzoekers weder verdeeld in twee of drie kleinere
-onder-groepen, waarbij dan de Slankapen (Semnopithecus) met hun
-eigenaardige in zakken verdeelde maag (7) het type van één dier
-onder-groepen zijn. Het schijnt echter, volgens Gaudry’s wondervolle
-ontdekkingen in Attika, dat er gedurende de Miocene periode een vorm
-leefde die de Slankapen (Semnopithecus) met het geslacht Macacus
-verbond (8), en dit is waarschijnlijk een voorbeeld van de wijze,
-waarop de andere en hoogere groepen eens ineensmolten.
-
-Indien men aanneemt, dat de anthropomorphe apen een natuurlijke
-onder-groep vormen, dan mogen wij, daar de mensch met hen overeenkomt,
-niet alleen in die kenmerken welke hij met de geheele groep der
-Catarrhinae gemeen heeft, maar ook in andere bijzondere kenmerken,
-zooals in het gemis van een staart en van eeltplekken aan de billen en
-in algemeen uiterlijk, daaruit afleiden, dat een of ander voormalig lid
-van de onder-groep der anthropomorphen de stamvader was van het
-menschelijk geslacht. Het is niet waarschijnlijk, dat een lid van een
-der andere lagere onder-groepen door de wet der analoge variatie een op
-den mensch gelijkend schepsel zou hebben voortgebracht, dat in zoovele
-opzichten op de hoogere anthropomorphe apen geleek. Ongetwijfeld heeft
-de mensch, in vergelijking met zijn meeste verwanten buitengewoon
-groote wijzigingen ondergaan, hoofdzakelijk ten gevolge van de sterke
-ontwikkeling zijner hersenen en rechtopgaande houding; wij moeten
-echter nimmer vergeten, dat hij „slechts een der verschillende
-afwijkende vormen van de Primaten is.” [348]
-
-Ieder natuuronderzoeker die gelooft in het beginsel van ontwikkeling,
-zal toestemmen, dat de twee hoofdgroepen der Simiadae, namelijk de
-Catarrhinen en Platyrrhinen, met hun ondergroepen, alle uit een enkelen
-zeer ouden stamvader zijn voortgesproten. De vroege afstammelingen van
-dien stamvader moeten, vóór zij op eenigszins belangrijke wijze van
-elkander waren afgeweken, nog een enkele natuurlijke groep hebben
-gevormd; maar sommige van de soorten of beginnende geslachten moeten
-door hun uiteenloopende kenmerken reeds eenigszins de toekomstige
-onderscheidingsteekenen van de groepen der Catarrhinen en Platyrrhinen
-hebben vertoond. De leden van deze onderstelde oude groep moeten dus
-niet zoo gelijkvormig zijn geweest in hun tandstelsel en in het maaksel
-hunner neusgaten, als het de tegenwoordige Catarrhinen eenerzijds en de
-Platyrrhinen anderzijds zijn, maar zij moeten in dit opzicht hebben
-geleken op de verwante Lemuriden, die zeer van elkander afwijken in den
-vorm van hun snoet [349], en op buitengewone wijze in hun tandstelsel.
-
-De Catarrhinen en Platyrrhinen komen in een menigte van kenmerken
-overeen, zooals daaruit blijkt, dat zij onbetwistbaar tot ééne en de
-zelfde Orde behooren. De vele gemeenschappelijke kenmerken die zij
-bezitten, kunnen moeielijk door zoovele verschillende soorten
-onafhankelijk van elkander zijn verkregen, zoodat deze kenmerken moeten
-zijn overgeërfd. Een voormalige vorm, die vele kenmerken met de
-Catarrhinen en Platyrrhinen gemeen had, andere in een tusschen hen in
-liggenden toestand, en wellicht ook eenige weinige bezat, welke van die
-welke thans aan die beide groepen eigen zijn, verschilden, zou, als hij
-door een natuuronderzoeker werd gezien, door dezen zonder den minsten
-twijfel tot de apen worden gebracht. Daar nu de mensch uit een
-genealogisch oogpunt tot den stam der Catarrhinen of Apen der Oude
-Wereld behoort, moeten wij tot het besluit komen, hoezeer deze
-gevolgtrekking ook onzen trots moge kwetsen, dat onze vroege voorouders
-met recht aldus zouden zijn genoemd. [350] Wij moeten echter niet in de
-dwaling vervallen van te onderstellen, dat de voormalige voorvader van
-den geheelen stam der apen, met insluiting van den mensch, identisch
-was met, of zelfs zeer sterk geleek op eenige bekende aapsoort. (9)
-
-
-
-Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.—Wij
-worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het
-oorspronkelijk vaderland van den mensch was op dat tijdperk van de
-afstamming, toen onze voorouders uit den stam der Catarrhinen
-ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst
-klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië,
-noch eenig Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten
-van de geographische verspreiding der dieren. In elke groote streek van
-de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw verwant met de
-uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom
-waarschijnlijk, dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven
-aapsoorten, die nauw verwant waren met den gorilla en den chimpanzee;
-en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten van den mensch zijn,
-is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders het
-vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. (10) Het is
-echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna
-zoo groot als de mensch, namelijk de Dryopithecus van Lartet, die nauw
-verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa gedurende
-de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft
-de aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er
-ruimschoots tijd geweest voor verhuizingen op de grootste schaal.
-
-In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn
-geweest, toen de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij
-waarschijnlijk een warm land, en dit zou het hem gemakkelijk hebben
-gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar de analogie te
-oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is,
-dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar
-dit is wellicht geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene
-periode (11); want de hoogere apen hadden zich reeds in de
-Opper-Miocene periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het
-bestaan van den Dryopithecus. Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen,
-hoe snel organismen, hetzij zij hoog of laag op de ladder staan, zich
-onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten echter, dat
-sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit
-hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige
-afstammelingen van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn
-veranderd, terwijl andere een weinig, en wederom andere in groote mate
-zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn gegaan, die in
-zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in
-vergelijking van de hoogere apen.
-
-De groote gaping in de organische reeks tusschen den mensch en zijn
-naaste verwanten, die door geen uitgestorven of levende soort kan
-worden aangevuld, is dikwerf aangemerkt als een ernstig bezwaar tegen
-het geloof dat de mensch van den eenen of anderen lageren vorm afstamt,
-maar dit bezwaar zal niet zeer gewichtig toeschijnen aan hen die, door
-algemeene redenen overtuigd, in het algemeene beginsel van ontwikkeling
-gelooven. Men ontmoet elk oogenblik gapingen in alle deelen van de
-reeks, sommige wijd en scherp begrensd, andere in verschillende mate
-minder sterk uitgesproken; zooals tusschen den orang en zijn naaste
-verwanten; tusschen Tarsius en de overige Lemuriden; tusschen den
-olifant, en in nog sterkere mate tusschen de Snaveldieren
-(Ornithorhynchus of Echidna) en de overige Zoogdieren. Al deze gapingen
-hangen echter alleen af van het aantal verwante vormen dat is
-uitgestorven. In een toekomstig tijdperk, niet zoo verwijderd, als men
-het bij eeuwen meet, zullen de beschaafde menschen bijna zeker de wilde
-rassen over de geheele wereld uitgeroeid en hun plaats ingenomen
-hebben. In het zelfde tijdperk zullen de anthropomorphe apen, zooals
-Professor Schaaffhausen heeft opgemerkt [351], ongetwijfeld ook zijn
-uitgeroeid. De gaping zal dan nog wijder zijn geworden; want zij zal
-bestaan tusschen den mensch in een beschaafder staat, naar wij mogen
-hopen, dan de Kaukasiër, en den eenen of anderen aap, zoo laag
-ontwikkeld als de baviaan, in plaats van, zooals tegenwoordig, tusschen
-den neger of Nieuw-Hollander en den gorilla.
-
-Wat de afwezigheid van fossiele overblijfselen aangaat, die als
-verbindingsleden tusschen den mensch en zijn op apen gelijkende
-voorouders zouden kunnen dienen, zal niemand veel gewicht daaraan
-hechten, die de verhandeling van Sir C. Lyell [352] heeft gelezen,
-waarin deze aantoont, dat bij al de klassen van Gewervelde Dieren de
-ontdekking van fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig
-heeft plaats gehad. Ook moeten wij niet vergeten, dat die streken, waar
-men de meeste kans heeft fossiele verbindingsleden tusschen den mensch
-en een of ander uitgestorven aapachtig schepsel te vinden, tot nog toe
-niet door geologen zijn doorzocht.
-
-
-
-Lagere ontwikkelingstrappen in de geschiedenis van den mensch. Wij
-hebben gezien, dat de mensch zich uit de Catarrhinen of de afdeeling
-der Simiadae die de Oude Wereld bewoont, schijnt te hebben ontwikkeld,
-nadat deze laatste zich van de afdeeling der Apen der Nieuwe Wereld had
-gescheiden. Wij zullen nu de meer verwijderde sporen van zijn stamboom
-trachten te volgen, en daarbij in de eerste plaats afgaan op de
-wederzijdsche verwantschappen tusschen de verschillende klassen en
-orden, waarbij wij eenige geringe hulp zullen ontvangen van de
-perioden, zoover die met zekerheid bekend zijn, waarin zij
-achtereenvolgens op aarde verschenen. De halfapen (Lemuriden) staan
-beneden de ware apen (Simiadae), doch zij zijn nauw met hen verwant;
-zij vormen een zeer onderscheiden familie der Primaten, of, volgens
-Haeckel, een afzonderlijke orde. Deze groep omvat zeer verschillende,
-ja, soms sterk van elkander afwijkende vormen, tusschen welke gapingen
-bestaan. Het is daarom waarschijnlijk, dat vele daartoe behoorende
-soorten zijn uitgestorven. De overblijvende leven meest op eilanden,
-namelijk op Madagascar en in Insulinde, waar zij niet blootgesteld
-waren aan een zoo sterke mededinging in den levensstrijd, als zij zulks
-op goed aaneenhangende vastelanden zouden zijn geweest. Deze groep
-omvat vormen die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling staan,
-en leidt ons dus, zooals Huxley opmerkt [353], „ongevoelig van de kroon
-en het toppunt der dierlijke schepping naar beneden tot wezens welke,
-naar het schijnt, nog slechts ééne schrede zijn verwijderd van de
-laagste, kleinste en verstandelijk het minst ontwikkelde der Placentale
-Zoogdieren.” Deze verschillende redenen maken het waarschijnlijk, dat
-de Simiadae zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld uit de voorouders der
-thans levende Lemuriden (12); en deze op hun beurt uit vormen die zeer
-laag stonden in de reeks der zoogdieren.
-
-De Buideldieren (Marsupialia) staan door vele belangrijke kenmerken
-beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen in een vroegere
-geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan
-tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale
-Zoogdieren zijn ontsproten uit de Implacentale of Buideldieren; echter
-niet uit vormen die zeer veel geleken op de thans levende Buideldieren,
-maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren (13)
-(Monotremata) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde
-en nog lagere afdeeling in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden
-in onzen tijd alleen vertegenwoordigd door het vogelbekdier
-(Ornithorhynchus) en het Stekeldier (Echidna), en deze beide vormen mag
-men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel grootere groep,
-die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden zijn
-bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij
-ons door vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der
-Reptielen voeren.
-
-Bij onze pogingen om den stamboom der zoogdieren, en derhalve ook dien
-van den mensch, nog lager in de reeks te vervolgen, worden wij door hoe
-langer hoe grooter wordende duisternis omgeven. Hij die wenscht te zien
-wat scherpzinnigheid en kennis tot stand kunnen brengen, raadplege
-Prof. Haeckel’s werken. [354] Ik zal mij tevreden stellen met eenige
-weinige algemeene opmerkingen. Ieder aanhanger der ontwikkelingstheorie
-zal aannemen, dat de vijf groote klassen van Gewervelde Dieren,
-namelijk de Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen,
-allen gezamenlijk van een enkelen grondvorm afstammen want zij hebben
-vele gemeenschappelijke kenmerken, vooral gedurende den embryonalen
-staat. Daar de klasse der Visschen de laagst georganiseerde is en
-vroeger dan de andere op aarde verscheen, mogen wij besluiten, dat al
-de leden van het onder-rijk der Gewervelde Dieren afstammen van een of
-ander op een visch gelijkend dier, minder hoog georganiseerd dan eenige
-visch die tot dusverre in de laagste formaties die bekend zijn, is
-gevonden. Het geloof dat dieren, zoo verschillend als een aap of
-olifant en een kolibri, een slang, een kikvorsch en een visch, enz.,
-allen kunnen zijn voortgekomen uit de zelfde stamouders, zal
-monsterachtig schijnen aan hen, die geen acht hebben geslagen op de
-vorderingen, die de natuurlijke geschiedenis in de laatste jaren heeft
-gemaakt. Want dit geloof sluit in zich het voormalig bestaan van
-tusschenvormen, welke al die thans zoo uiterst ongelijke vormen nauw
-met elkander verbonden.
-
-Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog
-bestaan, welke dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde
-Dieren meer of minder nauw met elkander te verbinden. Wij hebben
-gezien, dat het vogelbekdier (Ornithorhynchus) een overgang vormt tot
-de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door den heer Cope
-en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs
-in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels
-in staan—welke laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven
-blijkbaar een wijdverspreid overblijfsel van een grootere groep) en uit
-de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen vogel uit het secundaire
-tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis
-gelijkende. (14) Verder vertoonen volgens Prof. Owen [355] de
-Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten
-van verwantschap met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de
-Amphibieën. Deze laatste klasse (tot de hoogste afdeeling waarvan de
-kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar verwant met de Ganoïde
-Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de oudere
-geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een
-sterk gegeneraliseerd type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende
-punten van verwantschap met verscheidene andere groepen van organismen.
-De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren zoo nauw
-verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet
-eens waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden
-gebracht. De Lepidosiren en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen
-uitsterving bewaard gebleven, doordat zij onze rivieren bewoonden, die
-vluchthavens zijn en tot de groote wateren van den oceaan in de zelfde
-betrekking staan, als eilanden tot de vastelanden.
-
-Eindelijk wijkt één enkel lid van de uitgebreide en zeer verschillend
-gevormde klasse der visschen, de Slakprik of Amphioxus, in maaksel
-zoozeer van alle andere visschen af, dat Haeckel volhoudt, dat het een
-afzonderlijke klasse van het onder-rijk der Gewervelde Dieren behoorde
-te vormen. Deze visch is merkwaardig wegens zijn negatieve kenmerken;
-men kan moeielijk zeggen, dat hij hersenen, of hart enz. bezit, zoodat
-hij door de oudere natuuronderzoekers onder de wormen werd
-gerangschikt. Vele jaren geleden merkte Prof. Goodsir op, dat de
-slakprik eenige punten van verwantschap vertoonde met de Zakpijpen
-(Ascidiae), ongewervelde, tweeslachtige (hermaphroditische) zeedieren,
-die voortdurend aan een steunsel zijn bevestigd. Zij gelijken
-nauwelijks op dieren en bestaan uit een eenvoudigen, harden,
-lederachtigen zak, met twee vooruitstekende openingen. Zij behooren tot
-de Molluscoïda van Huxley,—een lagere afdeeling van het groote
-onder-rijk der Weekdieren (Mollusca);—maar zij zijn sedert korten tijd
-door sommige natuuronderzoekers onder de Wormen (Vermes) geplaatst.
-Haar larven gelijken in vorm eenigszins op de maskers van kikvorschen
-[356], en bezitten het vermogen om vrij rond te kunnen zwemmen. De heer
-Kowalewski [357] heeft onlangs ontdekt, dat de larven der Zakpijpen
-(Ascidiae) verwant zijn met de Gewervelde Dieren in hun wijze van
-ontwikkeling, in de betrekkelijke ligging van het zenuwstelsel, en door
-het bezit van een deel, dat zeer veel gelijkt op de chorda dorsalis der
-Gewervelde Dieren. Het schijnt dus, als wij mogen afgaan op de
-embryologie, die altijd gebleken is de veilige gids te zijn voor de
-klassificatie, dat wij eindelijk een leiddraad hebben naar de bron
-waaruit de Gewervelde Dieren zijn gesproten. [358] Wij zouden dus recht
-hebben om aan te nemen, dat er in een uiterst lang geleden tijdperk een
-groep van dieren bestond, die in vele opzichten op de larven der
-tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) geleek, en zich in twee groote
-takken splitste,—waarvan de eene in ontwikkeling achteruitging en de
-tegenwoordige klasse der Zakpijpen (Ascidiae) voortbracht, terwijl de
-andere opsteeg tot de kroon en het toppunt van het Dierenrijk, door het
-aanzijn te geven aan de Gewervelde Dieren. (15)
-
-
-
-Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met
-behulp hunner wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij
-zullen nu den mensch beschouwen, zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in
-staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders gedeeltelijk te
-beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet in
-nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire
-deelen die de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu
-en dan door atavisme bij hem vertoonen, en door behulp van de
-beginselen der morphologie en embryologie. De verschillende feiten
-waarop ik hier zinspeel, zijn in de vorige hoofdstukken medegedeeld. De
-vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld eens geheel met
-haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren
-puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een
-staart, die de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en
-lichamen werden ook in beweging gebracht door vele spieren, die
-tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen, maar bij de apen
-normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen
-liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger
-tijdperk bezat het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum
-(blinden darm), dan tegenwoordig. Te oordeelen naar de plaatsing van
-den grooten teen bij den foetus, was de voet toen een grijporgaan; en
-onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen te
-leven en bewoonden een of ander warm boschrijk land. De mannetjes
-bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als geduchte wapenen.
-
-In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de
-uitwerpselen door een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door
-een derde ooglid (membrana nictitans). In een nog vroeger tijdperk
-waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want de morphologie
-leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde
-zwemblaas bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De
-spleten in den hals van den menschelijken embryo toonen de plaats waar
-zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer in dit zelfde tijdvak vervulden
-de oernieren (corpora Wolffiana) de plaats der ware nieren. Het hart
-bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat en de wervelkolom werd
-vervangen door een ruggestreng (chorda dorsalis). Deze vroege
-voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken
-van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd
-zijn geweest, dan de Slakprik of Amphioxus.
-
-Er is een ander punt dat een nadere vermelding verdient. Het is lang
-bekend geweest, dat in het onder-rijk der Gewervelde Dieren de eene
-sekse rudimenten bezit van verschillende bijkomende deelen, behoorende
-tot het voortplantingsstelsel, die eigenlijk aan de andere sekse
-toekomen; en het is tegenwoordig uitgemaakt, dat op een zeer vroeg
-tijdstip van de embryonale ontwikkeling, beide seksen ware mannelijke
-en vrouwelijke geslachtsklieren hebben. Een uiterst ver verwijderde
-stamvorm van het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren schijnt dus
-tweeslachtig (hermaphroditisch) te zijn geweest. [359] Hier stuiten wij
-echter op een eigenaardige moeielijkheid. In de klasse der Zoogdieren
-bezitten de mannetjes in hun vesiculae prostaticae rudimenten van een
-baarmoeder met den daaraan verbonden doorgang; zij hebben ook
-rudimentaire tepels en sommige mannelijke buideldieren vertoonen
-rudimenten van een buidel. [360] Andere dergelijke feiten zouden
-hierbij gevoegd kunnen worden. Moeten wij derhalve onderstellen, dat
-eenig uiterst oud zoogdier de organen bezat aan beide seksen eigen, dat
-nog hermaphrodiet bleef, nadat het de voornaamste kenmerken van zijn
-eigen klasse had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van
-de lagere klassen van het onder-rijk der Gewervelde Dieren? Dit is in
-de hoogste mate onwaarschijnlijk; want wij moeten afdalen tot de
-Visschen, de laagste van alle klassen der Gewervelde Dieren, eer wij
-eenige nog bestaande hermaphroditische vormen vinden. [361] Waarom
-mannelijke zoogdieren rudimenten van de bijkomende vrouwelijke organen,
-en vrouwelijke zoogdieren rudimenten van de mannelijke organen
-bezitten, kan wellicht worden verklaard door aan te nemen, dat toen de
-eene sekse trapsgewijze de aan haar eigen bijkomende organen verkreeg,
-sommige der achtereenvolgende trappen of wijzigingen op de andere sekse
-werden overgebracht. Wanneer wij de seksueele teeltkeus behandelen,
-zullen wij tallooze voorbeelden van dezen vorm van overbrenging
-ontmoeten,—zooals in het geval van de sporen, vederen en schitterende
-kleuren, door mannelijke vogels verkregen voor den strijd of tot
-versiering, maar op de wijfjes overgebracht in een rudimentairen of
-onvolmaakten toestand.
-
-Het feit, dat mannelijke zoogdieren borsten bezitten die, wat hun
-functie aangaat, onvolkomen zijn, is in sommige opzichten bijzonder
-merkwaardig. De Snaveldieren (Monotremata) bezitten wel
-melkafscheidende klieren met openingen, maar geen tepels; en daar deze
-dieren geheel onder aan de reeks der Zoogdieren staan, is het
-waarschijnlijk, dat de stamvormen dier klasse eveneens wel
-melkafscheidende klieren, doch geen tepels bezaten. Deze gevolgtrekking
-wordt gesteund door hetgeen van de ontwikkelingswijze bekend is; want
-Professor Turner verzekert mij, op autoriteit van Kölliker en Langer,
-dat bij den embryo de melkafscheidende klieren duidelijk zijn
-afgeteekend, vóór er nog een spoor van tepels zichtbaar is; en wij
-moeten ons steeds herinneren, dat de opeenvolgende ontwikkeling der
-deelen bij het individu over het algemeen schijnt te vertegenwoordigen
-en in overeenstemming te zijn met de opeenvolgende ontwikkeling der
-wezens in de zelfde lijn van afstamming. (18) De Buideldieren
-(Marsupialia) verschillen van de Snaveldieren (Monotremata) door het
-bezit van tepels; zoodat deze organen waarschijnlijk het eerst werden
-verkregen door de Buideldieren, nadat zij zich van de Snaveldieren
-hadden gescheiden en deze in ontwikkeling waren voorbijgestreefd, en
-daarna op de Placentale Zoogdieren werden overgebracht. [362] Niemand
-zal onderstellen, dat, nadat de Buideldieren ongeveer hun tegenwoordig
-maaksel hadden verkregen en daarom in een vrij laat tijdperk van de
-ontwikkeling van de reeks der Zoogdieren, eenige daartoe behoorende
-soort nog hermaphroditisch was gebleven. Wij schijnen dus genoodzaakt
-te zijn tot de voorgaande beschouwingswijze terug te keeren en te
-besluiten, dat de tepels zich het eerst hebben ontwikkeld bij de
-wijfjes van den eenen of anderen zeer ouden vorm van Buideldieren, en
-later overeenkomstig een gewone wet van erfelijkheid op de mannetjes
-werden overgebracht in een, wat hun functie aangaat, on volmaakten
-toestand.
-
-Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de
-stamouders van de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden
-hermaphroditen te zijn, beide seksen wellicht melk voortgebracht en de
-jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van de Buideldieren, dat
-beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal niet
-volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der
-Naaldvisschen of Zeenaalden (Syngnatus) de eieren der wijfjes in een
-door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak opnemen, ze
-uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden
-[363];—dat sommige andere mannelijke visschen de eieren in hun bekken
-of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige soorten van
-padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen
-winden en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes
-van sommige vogels den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en
-dat mannelijke duiven, even goed als de wijfjes, hun jongen met een in
-hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde vermoeden kwam
-echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke
-zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die
-andere bijkomende voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse
-vindt, hoewel zij eigenlijk aan de andere toebehooren. De melkklieren
-en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren bestaan, kunnen
-inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig
-niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden
-sympathetisch (19) aangedaan onder den invloed van sommige ziekten,
-evenals de zelfde organen bij het wijfje. Bij de geboorte scheiden zij
-dikwijls eenige weinige droppels melk af, en er bestaan voorbeelden dat
-zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed ontwikkeld waren
-en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was ook
-het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt,
-die twee paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende
-een vroegere langdurige periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes
-behulpzaam waren in het voeden van hun jongen en dat naderhand door de
-eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen werden
-voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou
-onbruik dezer organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij
-ophielden werkzaam te zijn, en volgens twee welbekende beginselen van
-de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk overgaan op de
-mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere
-leeftijden zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij
-even goed ontwikkeld zouden zijn bij de jongen van beide seksen.
-
-
-
-Besluit.—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in
-de organische reeks, welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en
-deze berust op de hoegrootheid der differentiatie en specialisatie van
-de verschillende deelen van het zelfde wezen, als het, zooals ik
-geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen.
-Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame
-wijze geschikt zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun
-organen, wegens het voordeel, verkregen door de verdeeling van den
-physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende functies
-gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel
-schijnt soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig
-ander en geheel verschillend doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle
-deelen hoe langer hoe samengestelder geworden. Elk organisme zal echter
-in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van den stamvorm
-waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met
-deze beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische
-bewijzen wenden, dat de organisatie over de geheele wereld met langzame
-en afgebroken stappen is vooruitgegaan. In het groote onder-rijk der
-Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch. Men moet
-echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd
-worden verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte
-groepen hebben doen geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars
-van haar voorgangers, zijn niet altijd beter geschikt voor alle
-plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude vormen schijnen te
-zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar zij
-niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons
-dikwijls bij het opmaken van onze stamboomen door ons een goed
-denkbeeld te geven van voormalige verloren gegane bevolkingen. Wij
-moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om de bestaande leden van
-de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor volmaakte
-vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.
-
-De oudste stamvormen van het Onder-rijk der Gewervelde Dieren, waarvan
-wij in staat zijn een duister denkbeeld te verkrijgen, bestonden, naar
-het schijnt, in een groep van zeedieren [364], op de larven der
-tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) gelijkende. Deze dieren gaven
-waarschijnlijk het aanzijn aan een groep Visschen, even laag
-georganiseerd als de Slakprik; en uit deze moeten zich de Ganoïden en
-andere op Lepidosiren gelijkende Visschen hebben ontwikkeld. Van zulk
-een visch zou een zeer kleine vooruitgang ons tot de Amphibieën leiden.
-Wij hebben gezien, dat er eens een innig verband heeft bestaan tusschen
-Vogels en Reptielen, en de Snaveldieren (Monotremata) verbinden nog
-heden in geringe mate de Zoogdieren met de Reptielen. Niemand kan
-echter op dit oogenblik zeggen, door welke afstammingslijn de drie
-hoogere verwante klassen, namelijk de Zoogdieren, Vogels en Reptielen,
-zijn ontstaan uit een der beide lagere klassen van Gewervelde Dieren,
-namelijk de Amphibieën en de Visschen. In de klasse der Zoogdieren zijn
-de stappen niet moeielijk te begrijpen, die van de oude Snaveldieren
-(Monotremata) tot de oude Buideldieren (Marsupialia) en van deze tot de
-voormalige stamouders der Placentale Zoogdieren leiden. Wij kunnen op
-die wijze opklimmen tot de Lemuriden, en deze worden door geen wijde
-tusschenruimte van de Ware Apen (Simiadae) gescheiden. De Ware Apen
-(Simiadae) vertakten zich toen in twee groote stammen, de Apen der
-Nieuwe Wereld en de Apen der Oude Wereld; en uit den laatsten kwam, in
-een lang geleden tijdperk, de Mensch, het wonder en de roem van het
-Heelal, voort. (21)
-
-Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende
-lengte, maar, het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men
-heeft dikwijls opgemerkt dat de wereld juist zoo is ingericht, alsof
-zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van den mensch; en dit is in
-zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het aanzijn verschuldigd
-aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen
-sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze
-voorouders en bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons
-geenszins over hen te schamen. (22) Het nederigste organisme staat een
-weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze voeten; en niemand kan
-met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren, zonder
-in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en
-eigenschappen.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Vergelijk aanteekening 6, blz. 217.
-
-(2) „De geestelijke Hamlet Clark zegt, dat de Saüba van Rio de Janeiro,
-een soort zeer nauw verwant aan die waarvan wij spreken [365], een
-tunnel heeft uitgegraven onder het bed der rivier Parahyba, op een
-plaats, waar zij zoo breed is als de Theems bij London-Bridge” (Snellen
-van Vollenhoven, „Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”,
-Haarlem, 1870, blz. 435).
-
-In Texas leeft een soort van mieren, die de zaden van een bepaalde
-grassoort op daartoe toebereiden grond zouden uitzaaien, oogsten en
-bewaren, en een deel van den oogst weêr tot uitzaaiing gebruiken, dus
-landbouw beoefenen. Volgens andere berichten zouden zij die
-„mierenrijst”, echter niet zaaien, maar eenvoudig alle andere planten
-op de plekken waar die groeit, vernielen, met andere woorden: wieden.
-Hierdoor kan de „mierenrijst” natuurlijk weliger groeien.
-
-Men vergelijke over de mieren ook „Ontstaan der Soorten”, 3e Ned.
-Uitgaaf, blz. 304, 315, 353, 362, 366, 408; Büchner, Dr. L., „Uit het
-Leven der Dieren”, Nijmegen, 1877, en vooral Sir John Lubbock, „Ants,
-Bees and Wasps. A Record of Observations on the Habits of the Social
-Hymenoptera”, 9de Uitgaaf, deel uitmakende van de bekende
-„International Scientific Series.”
-
-(3) Deze vier Onder-klassen dragen den naam van Archencephala,
-Gyrencephala, Lissencephala en Lyencephala. De Archencephala, waartoe
-alleen de Mensch (Orde der Bimana) behoort, zouden zich van alle andere
-zoogdieren onderscheiden, doordat bij hen alleen de halfronden der
-groote hersenen zich van boven tot achter de kleine hersenen zouden
-uitstrekken, en zij alleen ook een lobus posterior en hippocampus minor
-zouden bezitten. Wij hebben er reeds in aanteekening 10, blz. 39, op
-gewezen, dat Owen hierin dwaalde en de hersenen der hoogere apen de
-zelfde kenmerken aanbieden. Tot de Onder-klasse der Gyrencephala, bij
-welke de groote hersenen bijna altijd windingen bezitten en de groote
-hersenen de kleine nog steeds grootendeels bedekken, brengt Owen de
-Orden der Quadrumana, Carnivora, Artiodactyla [366], Perissodactyla
-[367], Proboscidea [368], Toxodontia [369], Sirenia en Cetacea. Tot de
-Lissencephala, bij welke de groote hersenen gewoonlijk glad zijn of
-slechts weinig windingen vertoonen, en de lobi olfactorii van voren en
-de geheele massa der kleine hersenen van achteren onbedekt laten,
-brengt Owen de Orden der Bruta [370], Insectivora en Rodentia. De
-Onder-klasse der Lyencephala die zich door het gemis van het corpus
-callosum onderscheidt, bevat de Orden der Marsupialia en Monotremata
-(R. Owen, „On the Characters, Principles of Division and Primary Groups
-of the Class Mammalia.” Read at the Linnean Society, Febr. 17th and
-21st, 1857).
-
-(4) Ik ben bewust, dat velen het woord Snaveldieren voor een Germanisme
-verklaren. Het is echter goed gevormd volgens de regels der
-Nederlandsche taal en m.i. fraaier dan vogelbekdier (dat vooral in
-samenstellingen als Eendvogelbekdier en Egelvogelbekdier afschuwelijk
-is). Den naam Vogelbekdier wensch ik alleen gegeven te zien aan
-Ornithorhynchus (waarvan het de letterlijke vertaling is) en die van
-Snaveldieren aan alle Monotremata. Voor Echidna sla ik den naam
-Stekeldier voor. Gestekelde miereneter, zooals Lubock hem noemt, kan
-aanleiding geven tot verwarring met de eigenlijke miereneters
-(Myrmecophaga) die tot een geheel andere Orde en zelfs Onder-klasse der
-Zoogdieren behooren.
-
-(5) Bij eenige buitengewoon behaarde individu’s van de Japansche Aino’s
-(gelijk bekend is, een buitengewoon harig volk) vond B. H. Chamberlain
-(„Memoirs of the Literature College of the University of Japan”, 1886,
-afl. 1) dat de haren op het borstbeen, tusschen de schouders en billen
-juist zoodanig gericht waren als het nuttigst zou zijn om den regen af
-te doen druppelen. De daar groeiende haarbossen waren verscheidene Eng.
-duimen lang.
-
-(6) De beide ondergroepen, waaruit de groep der Platyrrhinae is
-samengesteld en die de namen van Hesperopitheci of Cebidae en van
-Hemipitheci of Hapalidae dragen, verschillen evenveel van elkander als
-de Platyrrhinae van de Catarrhinae. [371]
-
-Wij meenen daarom, dat het beter is de ware apen in drie hoofdgroepen
-van gelijke waarde te verdeelen: 1o. de Catarrhinae of Heopitheci (Apen
-der Oude Wereld); 2o. de Cebidae of Hesperopitheci (voor welke groep
-men ook den naam Platyrrhinae (in beperkten zin) zou kunnen behouden);
-3o. de Hemipitheci of Hapalidae (Eekhoornapen). Deze laatste
-vertegenwoordigen o.i. de Nieuwe Wereld de Lemuriden der Oude Wereld.
-Deze indeeling komt met die van Mivart (blz. 274, noot) overeen maar
-wijkt o.i. belangrijk van de door Darwin (blz. 273) gegeven
-rangschikking af. De verschillen blijken uit de volgende tabel:
-
-
-CATARRHINAE PLATYRRHINAE.
-OF HEOPITHECI HESPEROPITHECI HEMIPITHECI
-
-32 tanden. 36 tanden. 32 tanden.
-
-4 valsche en 6 ware 6 valsche en 6 ware 6 valsche en 4 ware
-maaltanden in elke maaltanden in elke maaltanden in elke
-kaak. kaak. kaak.
-
-Platte nagels. Platte nagels. Klauwvormige nagels met
- uitzondering van die
- van den duim der
- achterhanden.
-
-Duim der voorhanden Duim der voorhanden Duim der voorhanden
-ontbreekt slechts zeer ontbreekt bij velen ontbreekt nimmer en is
-zelden en is van de en is, waar hij niet van de vingers
-vingers verwijderd. aanwezig is, van de verwijderd.
- vingers verwijderd.
-
-Neusschot smal, Neusschot breed, Neusschot breed,
-neusgaten voor- en neusgaten zijdelings neusgaten zijdelings
-benedenwaarts gekeerd. gekeerd. gekeerd.
-
- Het voorhoofdsbeen zet
- zich bij vele tusschen
- de oogkassen boven de
- neusbeenderen voort en
- is aldaar bol verheven.
-
-Sommige staartloos, Alle gestaart, bij Alle gestaart, nimmer
-nimmer een vele een een grijpstaart.
-grijpstaart. grijpstaart.
-
-Bij de meesten Nimmer eeltplekken Nimmer eeltplekken aan
-eeltplekken aan de aan de billen, noch de billen, noch
-billen, bij velen wangzakken. wangzakken.
-wangzakken.
-
-
-Zoo wij in deze tabel van „voor-” en „achterhanden” spreken, hoewel wij
-in aanteekening 14, blz. 41, hebben opgemerkt, dat de zoogenaamde
-achterhanden der apen eigenlijk ware voeten zijn, was zulks slechts om
-ons aan het eenmaal aangenomen spraakgebruik te houden.
-
-Wat de in de volgende alinea door Darwin aangestipte vraag aangaat, of
-de anthropomorphen als een afzonderlijke groep der Catarrhinae moeten
-worden beschouwd, willen wij nog het volgende opmerken:
-
-Haeckel verdeelt de Apen der Oude Wereld in twee ondergroepen: 1o.
-Catarrhinae met een staart (Menocerca) en 2o. Catarrhinae zonder staart
-(Lipocerca). De groep der Lipocerca omvat de Anthropomorphen en den
-Mensch, die der Menocerca de overige Apen der Oude Wereld. Deze laatste
-worden, al naar zij wangzakken bezitten of niet, in de beide families
-der Ascoparea en Anasca onderscheiden („Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”, 1ste uitgaaf, blz. 570). R. Hartman, hoogleeraar
-aan de Universiteit te Berlijn, geeft in zijn werk: „Die Menschenähnl.
-Affen”, Leipzig, Brockhaus, 1883, blz. 268, de volgende indeeling van
-de Orden der Primaten en Lemuriden (hij scheidt deze laatste als
-afzonderlijke Orde af van die, welke den mensch en de ware apen omvat),
-met welke ik mij in hoofdzaak goed kan vereenigen, schoon ik Hapale als
-een derde zelfstandige Onder-familie van de eigenlijke apen (Simiina)
-beschouw.
-
-
-1. Zoogdieren (MAMMALIA).
-
-A. Monodelphia Blainv. (Placentalia Owen).
-
-1. Orde: PRIMATES L.
- 1. Familie: Primarii.
- 1. Onder-familie: Erecti (de Mensch, Homo sapiens).
- 2. Onder-familie: Anthropomorpha L.
- a) Dasypoga (d.i. zonder eeltplekken aan de billen).
- 1. Geslacht: Troglodytes.
- Soorten: T. Gorilla en T. niger (Chimpanzee) enz.
- 2. Geslacht: Pithecus.
- Soort: P. Satyrus (Orang Oetan).
- b) Tylopoga (d.i. met eeltplekken aan de billen).
- 3. Geslacht: Hylobates.
- Soorten: de Gibbons.
- 2. Familie: Eigenlijke Apen (Simiina).
- 1. Onder-familie: Catarrhina.
- Geslachten: Semnopithecus, enz.
- 2. Onder-familie: Platyrrhina.
- Geslachten: Mycetes, Cebus, Hapale enz.
-
-2. Orde: PROSIMII (Halfapen of Lemuridae).
-
-
-De Lemuriden kunnen o.a. ook daarom niet met den mensch en de apen in
-de zelfde orde worden vereenigd, omdat zij van hen afwijken in den vorm
-der eivliezen en van de placenta, welke laatste bij hen, gelijk Milne
-Edwards („Compt. rend.”, T. LXXIII, blz. 422) heeft aangetoond,
-klokvormig is en veel meer nadert tot die der Carnivora, dan tot die
-van den mensch, de apen, vledermuizen, insectivoren en knaagdieren,
-wier gemeenschappelijke voorouders waarschijnlijk tot de Lemuriden
-behoorden. Ook de anatomische verschillen zijn daartoe te groot.
-
-(7) De maag der Slankapen bestaat uit drie deelen: het cardiale
-gedeelte, waarin de slokdarm uitmondt, bezit inwendig een gladde
-oppervlakte; het tweede gedeelte bestaat uit een dubbele rij zakjes;
-het derde of pylorusgedeelte is langwerpig van vorm, bezit nog eenige
-insnoeringen, evenals een karteldarm, doch wordt aan het einde van
-eenvoudiger maaksel.
-
-(8) Mesopithecus penthelicus Gaudry. In het maaksel van den kop geleek
-hij op Semnopithecus, in dat der ledematen op Macacus.
-
-(9) Onder al de verdraaide voorstellingen die de tegenstanders der
-ontwikkelingstheorie van de denkbeelden der Darwinisten gelieven te
-geven, is er wellicht geen belachelijker, dan dat de Darwinisten zouden
-beweren, dat de mensch uit een der thans levende aapsoorten zou zijn
-ontstaan. Tot hun verontschuldiging kan men bijbrengen, dat juist de
-hevigste tegenstanders meestal personen zijn, die de eerste beginselen
-missen van de kundigheden, noodig om de stellingen der Darwinisten te
-beoordeelen, en wier uitspraken daaromtrent slechts even zoo vele
-bewijzen zijn hunner onwetendheid. Daar de ontwikkelingstheorie berust
-op het denkbeeld, dat de thans levende hoogere diersoorten slechts
-gewijzigde afstammelingen zijn der uitgestorvene, ligt het voor de
-hand, dat twee thans levende hoogere diersoorten nimmer in rechte lijn
-met elkander verwant kunnen zijn, maar dat hun verwantschap beter zou
-kunnen worden uitgedrukt door het woord „neef.” Niemand zal dus zoo
-dwaas zijn te beweren, dat de mensch van den gorilla, chimpanzee of
-orang afstamt, schoon deze dieren zeker tot onze naaste familie
-behooren. Het is dus zeer duidelijk, hoe onze vaderlandsche geleerden
-Schroeder van der Kolk en Vrolik hebben kunnen zeggen: „Wij kennen geen
-soort van apen die een directen overgang tot den mensch vormt. Wilde
-men met geweld den mensch van de apen afleiden, dan zou men zijn hoofd
-moeten zoeken bij die kleine apen, die zich om de Ouistiti’s en Rolapen
-groepeeren, zijn hand bij den Chimpanzee, zijn skelet bij den Siamang,
-zijn hersenen bij den Orang” („zijn voet bij den Gorilla”, voegt Vogt
-er bij). Zij hebben daardoor voldingend bewezen, dat de mensch niet in
-rechte lijn van die apen afstamt, iets dat eigenlijk niet behoefde te
-worden bewezen, daar niemand zulks beweert. Zij hebben daardoor echter
-ook voldingend bewezen, dat de mensch met al die apen nauw verwant is.
-Evenzoo nadert het Fransch in sommige opzichten tot het Italiaansch, in
-andere tot het Spaansch, wederom in andere tot het Roemenisch, terwijl
-het Spaansch wederom met het Portugeesch overeenkomt in punten, waarin
-het van het Fransch en Italiaansch afwijkt, enz. Dit bewijst, dat het
-Fransch geen dochtertaal is van een der genoemde talen, maar tevens,
-dat zij allen afstammelingen zijn van een zelfde oude, doode taal, het
-Latijn. De kinderen der verschillende menschenrassen gelijken meer op
-elkander, dan de volwassen individu’s, evenzoo gelijken de jongen der
-apen meer op onze kinderen en op elkander, dan de volwassen apen op ons
-en op elkander. Wij hebben hier dus een aantal convergeerende lijnen
-die elkander in een achter ons gelegen punt moeten snijden. De
-ontwikkelingsgeschiedenis van het individu toch geeft de
-ontwikkelingsphasen die het type heeft doorloopen, terug. Als dus de
-jonge apen meer op onze kinderen gelijken, dan de volwassen apen op
-ons, dan is er een tijd geweest dat de voorouders der tegenwoordige
-apen meer op onze voorouders geleken, dan de tegenwoordige apen op ons.
-Als er een tijdstip in de embryonale ontwikkeling is, waarop de embryo
-van een aap niet van een menschelijk embryo is te onderscheiden, dan is
-er ook een tijdstip geweest, waarop de voorouders der tegenwoordige
-apen de zelfde kenmerken hadden, tot de zelfde soort behoorden, als de
-onze. Iedere ontwikkelingsphase van het menschelijk type is op die
-wijze om zoo te zeggen pro memoria aangeteekend in de
-ontwikkelingsgeschiedenis van het individu.
-
-(10) Haeckel ontwikkelde in de eerste uitgaven zijner „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” (1ste uitgaaf, blz. 619), het denkbeeld, dat de
-oorspronkelijke bakermat van het menschelijk geslacht een thans onder
-den spiegel van den Indischen Oceaan verzonken vasteland zou zijn
-geweest, dat zich ten zuiden van het tegenwoordige Azië (en
-waarschijnlijk daarmede verbonden) eenerzijds tot Achter-Indië en
-Insulinde, anderzijds westelijk tot Madagascar en Zuid-oostelijk Afrika
-uitstrekte. Dit hypothetische vasteland is wegens de Lemuriden die
-sommige nog overgebleven deelen er van bewonen, door den Engelschman
-Sclater Lemuria genoemd. Deze hypothese moet als onjuist worden
-beschouwd. Er leven ook op het vasteland van Afrika Lemuriden en in
-Noord-Amerika zijn fossiele Lemuriden gevonden. Daarenboven is de
-Indische Oceaan grootendeels zeer diep, en het is in hooge mate
-onwaarschijnlijk, dat daarin ooit een vasteland zou hebben gelegen. In
-zijn „Darwinism”, 2de uitgaaf, Londen 1889 geeft A. R. Wallace een
-wereldkaart, waarop de lijn van 1000 vademen diepte is aangegeven, die,
-gelijk hij in het breede aantoont, bijna overal de uiterste grens
-aangeeft tot welke zich ooit het vasteland kan hebben uitgestrekt. Men
-vergelijke het nevensgaande kaartje, dat echter in tegenoverstelling
-van dat van Wallace ook de omstreken der polen bevat, en waarvan de
-projectie mij voor het beoogde doel beter en duidelijker schijnt dan de
-door Wallace gebruikte projectie. Op dit kaartje zijn al de gedeelten
-der zee, die minder dan duizend vademen diep zijn, wit geteekend. Het
-onderstelde Lemuria valt bijna overal buiten de lijn van 1000 vademen
-diepte en heeft derhalve nooit bestaan. In de eerste uitgaaf van de
-Nederlandsche vertaling maakte ik omtrent het oorspronkelijk vaderland
-van den mensch de volgende opmerking: „Het is even waarschijnlijk, dat
-het Aziatisch gewest van Insulinde, waar thans nog de Orang en de
-Gibbons leven, de oorspronkelijke bakermat van den mensch is, als
-West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla. Bedenken
-wij echter, dat alle volken van Afrika dolichocephaal zijn, en ook de
-Chimpanzee en Gorilla dit kenmerk vertoonen, terwijl het Maleische ras
-en vele andere Aziatische stammen brachycephaal zijn evenals de Orang
-en de Gibbons, bedenken wij verder, dat evenals ten Oosten van het
-vaderland van Chimpanzee en Gorilla een door Lemuriden bewoond eiland
-(Madagascar) ligt, ook het oostelijk deel van het Aziatisch gewest van
-Insulinde door een door Lemuriden bewoond eiland (Celebes) wordt
-ingenomen, ja, dat ook op Borneo, Sumatra en Java Lemuriden wonen, en
-dat de Lemuriden volgens Darwin en Haeckel de stam zijn, waaruit zich
-de ware apen en de mensch hebben ontwikkeld, dan rijst de vraag op, of
-de oorspronkelijke mensch niet op minstens twee afzonderlijke plaatsen
-is ontstaan: 1o. In Zuid-west-Afrika uit met den Chimpanzee en Gorilla
-verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stamvorm der
-Negers, Kaffers en Hottentotten zijn, en 2o. In het Aziatische gewest
-van Insulinde uit met den Orang en de Gibbons verwante vormen; dit
-menschenras zou de oorspronkelijke stam der Aziatische volken zijn
-geweest.” Hierbij komt nog, dat de Chimpanzee en Gorilla zwart zijn als
-de Negers, de Orang bruin als de Maleiers.
-
-Sedert is echter door den Markies de Saporta een geheel nieuwe
-hypothese omtrent het oorspronkelijke vaderland van den mensch
-geopperd, die mij uiterst waarschijnlijk en ook uit een algemeen
-geologisch en palaeontologisch oogpunt hoogst belangrijk voorkomt. Ik
-heb haar daarom nader uiteengezet en uitgebreid in een artikel over
-„Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste
-volksverhuizingen in het palaeolithische tijdperk”, dat ik achter het
-eerste gedeelte van Darwin’s werk (tusschen Hoofdstuk VII en VIII)
-inlasch en waarnaar ik verder verwijs. Ik zal daar het kaartje ook
-verder bespreken.
-
-(11) De meening, dat de mensch niet reeds gedurende het zoogenaamde
-Diluvium (de Pleistocene vorming) bestond (dit laatste is een volkomen
-bewezen, niet meer te betwijfelen feit), maar dat zijn geslacht zelfs
-opklimt tot de oude tertaire tijden, wordt zeer gesteund door
-verscheidene overblijfselen van menschelijke nijverheid, of ten minste
-van stukken vuursteen die sporen van bewerking schijnen te vertoonen,
-welke men in verschillende tertaire lagen heeft gevonden.
-
-Zoo vond de Abt Bourgeois in het Calcaire de la Beauce in de gemeente
-Thénay, dicht bij Pont-Leroy, alwaar dit 4,80 meter dik is en uit
-afwisselende lagen mergel, leem en zoetwater-kalksteen bestaat, in de
-alleronderste, uit mergel bestaande laag eenige, en in de onmiddellijk
-daarop rustende gele of groenachtige leem talrijke bewerkte
-vuursteenen. Op het Calcaire de la Beauce rusten in die gemeente de
-zoogenaamde Sables de l’Orléanais; ook in deze vond hij zeer grof en
-onvolmaakt bewerkte vuursteenen en een bal („galet”), uit een
-kunstmatig, kool bevattend deeg vervaardigd, te zamen met beenderen van
-groote Olifantachtige Dieren en van Dinotherium. Deze Sables de
-l’Orléanais behooren evenals de daarboven gelegen Faluns de la
-Tourraine, die uit grijs, met zeeschelpen en zoogdierbeenderen vermengd
-zand bestaan, tot de Miocene vorming. Ook in de Faluns de la Tourraine
-vond de Abt Bourgeois bewerkte vuursteenen met de schelpen vermengd;
-zij vertoonen sporen van lang door het water te zijn heên en weêr
-gerold en zijn waarschijnlijk tijdens de vorming der Faluns door de zee
-uit de onderliggende lagen losgespoeld.
-
-Ook in de Miocene lagen van Lelles sur Cher (Loir-et-Cher) vonden de
-Abt Bourgeois en de heer Vibraye, en in die van Pouancé
-(Maine-et-Loire) de abt Delaunay sporen van den tertiairen mensch.
-
-In de Sablonières de St. Prest (Eure-et-Loir), die tot de Pliocene
-vorming behooren, zijn in 1863 beenderen van Rhinoceros leptorhinus,
-Elephas meridionalis en Hippopotamus gevonden, waarop de heer Desnoyers
-strepen of sporen van insnijdingen ontdekte, door ’s menschen hand
-gemaakt, zeer duidelijk en regelmatig, volkomen overeenkomende met die
-welke zijn waargenomen op de fossiele beenderen van nieuwere
-zoogdiersoorten. De heer Issel vond dergelijke overblijfselen in de
-Pliocene vorming van Colle del Vento in Savoye. Omtrent menschelijke
-overblijfselen uit de oudere Pliocene-periode, in Italië in het
-Tiberdal gevonden, vergelijke men de mededeelingen van G. Marinoni, G.
-R. Gualterio en A. Issel in „Atti della società Italiana die scienze
-naturali”, 1868 (en beknopt in „Neues Jahrb. f. Miner.”, 1871, blz.
-196). In Portugal werden bewerkte vuursteenen in tertiaire lagen van
-het dal van den Taag bij Lissabon door den geoloog Carlos Ribeira
-gevonden, en tijdens het internationale voorhistorische congres te
-Lissabon in 1880 en 1881 door verschillende Fransche, Engelsche en
-Duitsche geleerden van grooten naam die ook de vindplaatsen bezochten,
-als echt erkend.
-
-In zijn in den winter van 1868 te Rotterdam gehouden lezingen deelde
-Carl Vogt mede, dat men in het dal van den Manzanares in zekere laag
-een volledig skelet van Elephas meridionalis en in een daaronder
-gelegene en dus oudere laag overblijfselen van menschelijke kunstvlijt
-en zelfs menschenbeenderen had gevonden. Elephas meridionalis nu sterft
-reeds in de Pliocene vorming uit.
-
-Ook de in 1844 het eerst beschreven, in den vulkanischen tuf van den
-uitgebranden vulkaan van Denise nabij le Puy en Velay gevonden fossiele
-menschenbeenderen behooren wellicht tot het tertiaire tijdvak.
-
-Omtrent tertiaire menschenbeenderen en steenen voorwerpen uit
-Californië zie men de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk.
-
-Het is mij wel eens ingevallen, of de in de Miocene vorming gevonden,
-uiterst ruw bewerkte vuursteenen en de door den heer Desnoyers ontdekte
-insnijdingen wellicht afkomstig konden zijn, niet van menschen, maar
-van nog half-aapachtige voorouders van den mensch die reeds wat verder
-ontwikkeld waren dan de tegenwoordige apen, welke laatste, zooals men
-weet, steenen als werktuigen bezigen, zonder ze echter te bewerken. Er
-moeten tusschentrappen zijn geweest waarop de voorouders van den mensch
-verstandelijk vrij wat hooger ontwikkeld waren dan de Apen, doch nog
-steeds veel lager stonden, dan de ruwsten der tegenwoordige wilden. Het
-zelfde denkbeeld is, lang nadat deze opmerking in de eerste uitgaaf van
-dit werk verscheen, ook gemaakt door G. de Mortillet, die de tertiaire
-vuursteenwerktuigen toeschrijft aan „le précurseur de l’homme”,
-wellicht Dryopithecus Fontani. Men vergelijke o.a. „Isis”, 1878, blz.
-317. [372] Dryopithecus Fontani is echter later gebleken geenszins
-nader met den mensch verwant te wezen dan de thans nog levende
-anthropomorphen, zoodat „le précurseur de l’homme” blijkbaar een hooger
-ontwikkeld wezen dan Dryopithecus moet zijn geweest. Daar de tertiaire
-vuursteenen die men voor bewerkt houdt, sporen van de inwerking van het
-vuur vertoonen, zou deze voorganger van den mensch met het gebruik van
-het vuur bekend moeten zijn geweest, waarop ook de in de Sables de
-l’Orléans gevonden, kool bevattende bal wijst. De tegenwoordige apen,
-zelfs de anthropomorphen, warmen zich wel bij het door den mensch
-ontstoken vuur, maar verstaan de kunst niet om het aan te houden door
-de toevoeging van nieuwe brandstof, of om het te maken. Het verhaal
-door Emin Pacha aan Stanley gedaan (zie „In Afrika’s donkere
-wildernissen”, Dl. I, blz. 494), dat de chimpanzees uit het woud van
-Msongwa ’s nachts fakkels gebruiken om hun weg te verlichten, als zij
-vruchten uit de aanplantingen komen stelen, houden wij voor een
-sprookje. Het verhaal komt wel in het Engelsche origineele werk („In
-Darkest Africa”, vol. I, blz. 423) voor, maar ontbreekt, zonderling
-genoeg, in de Duitsche vertaling.
-
-(12) Prof. Cope beschreef in „The Amer. Naturalist” van Jan. 1882, blz.
-73, onder den naam van Anaptomorphus Homunculus een lemuride, waarvan
-de schedel in de Eocene lagen van westelijk Noord-Amerika is gevonden,
-en die volgens hem meer nadert tot den hypothetischen lemuroïden
-voorvader van den mensch dan eenige tot dusver ontdekte soort. In zijn
-tandstelsel nadert dit dier eensdeels tot de Indri’s van Madagascar,
-van den anderen kant tot de echte apen en vooral tot den mensch. De
-hoektanden zijn zeer klein, de tanden vormen een onafgebroken reeks en
-staan verticaal. De groote hersenen hadden voor een Eoceen zoogdier een
-aanzienlijk volumen. De groote oogholten pleiten voor een nachtelijke
-levenswijze.
-
-(13) Een vijftal jaren geleden is het gebleken, dat de Snaveldieren
-eierleggende dieren zijn, en dus ook in dit opzicht van de overige
-zoogdieren afwijken en tot de reptielen en andere lagere klassen der
-gewervelde dieren naderen.
-
-In September 1884 werd dit, wat Ornithorhynchus aangaat, ontdekt door
-Caldwell te Sydney. Hij ontdekte tevens, dat het ei meroblastisch is,
-d.w.z. een dojerblaas bezit, en dus in zijn ontwikkeling groote
-overeenkomst heeft met dat der Reptielen, vooral der slangen en
-hagedissen, en niet met dat der Amphibieën. Het ei is uitwendig met een
-fijn net van dunne kalkvezeltjes bedekt en gelijkt het meest op dat van
-sommige slangen.
-
-Reeds in Augustus 1884 had een andere in Nieuw-Holland verblijfhoudende
-natuuronderzoeker, Dr. Wilhelm Haacke, bij Echidna in een zich
-tijdelijk bij het wijfje vormenden zak het met een perkamentachtige
-schaal bedekte ei van dit dier ontdekt. Hij maakte die ontdekking
-echter eerst in December, dus na Caldwell, publiek.
-
-Men vergelijke ook het stuk van Dr. D. Lubach, „Eierleggende
-Zoogdieren” in Alb. d. Natuur 1886.
-
-In 1886 werd door Miklucho-Macklay aangetoond, dat de
-lichaamstemperatuur van Ornithorhynchus 25,2 °C. en die van Echidna 28
-°C. is. Bij de hoogere zoogdieren is die temperatuur veel hooger en
-gelijk of nagenoeg gelijk aan die van den mensch. Ook in dit opzicht
-vormen dus de Snaveldieren een overgang tusschen de hoogere zoogdieren
-en de koudbloedige Reptielen en Amphibieën.
-
-Ofschoon de Snaveldieren geen eigenlijke tepels bezitten, bezitten zij
-echter wel zogklieren. Deze scheiden echter geen eigenlijk gezegde melk
-af. Het zijn gewijzigde zweetklieren, terwijl de zogklieren der overige
-zoogdieren vervormde talkklieren zijn. De gemeenschappelijke voorouders
-der zoogdieren brachten waarschijnlijk het vocht waarmede zij hun
-jongen voedden, voort uit een orgaan, dat zoowel uit veranderde
-zweetklieren als vervormde talkklieren bestond. Bij de typische
-zoogdieren kwamen de laatste tot bijna uitsluitende ontwikkeling, bij
-de snaveldieren de eerste. De typische zoogdieren stammen dus niet in
-rechte lijn van snaveldieren af, maar deze laatste vormen een
-zelfstandig ontwikkelden zijtak, die echter in organisatie veel dichter
-bij den oorspronkelijken stam staat dan de typische zoogdieren
-(Humboldt, Juni 1887, blz. 271).
-
-(14) Als overgangsvormen tusschen de reptielen en de tegenwoordige
-vogels zijn verder merkwaardig de vogels met tanden (Odontornithes),
-door Prof. O. C. Marsh in 1870–72 in de krijtformatie van Westelijk
-Kansas ontdekt. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, Vogels met Tanden, in
-„Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 51, 67. Ook Archaeopteryx is later, nadat
-men er een tweede, beter bewaard skelet van had gevonden, gebleken
-tanden te hebben bezeten. Ofschoon het een gevederd en vliegend dier
-was, bleek Archaeopteryx echter in de meeste opzichten dichter bij de
-Reptielen dan bij de echte vogels te staan, wat met de Odontornithes
-geenszins het geval is.
-
-(15) Treffend zijn Tab. XII en XIII van de achtste uitgaaf van
-Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, die een vergelijking
-tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van Ascidia en Amphioxus
-bevatten. Bij de larven van Ascidia vindt men den aanleg eener chorda
-dorsalis met een centraal zenuwstelsel daarboven, het darmkanaal
-daaronder gelegen. Het centraal zenuwstelsel bestaat uit een langen
-draad, die zich aan het kopeinde tot een rond ganglion uitzet; in dien
-draad bevindt zich een holte, die zich tot in het ganglion voortzet.
-Met het ganglion hangen zintuigen te zamen, die gehoor- en
-gezichtswerktuigen schijnen te zijn, en de zelfde betrekkelijke ligging
-hebben als bij de embryo’s der Gewervelde Dieren (Kupffer, „Die
-Stammverwandtschaft zwischen Ascidiën und Wirbelthieren”, Bonn, 1870).
-Bij de verdere ontwikkeling der Ascidiën verliezen de larven haar
-staart en daarmede tevens de chorda dorsalis en draadvormige
-zenuwstreng, zoodat dan de gelijkenis met Gewervelde Dieren geheel
-verloren gaat.
-
-Nu maakte echter Baehr, de beroemde embryoloog van St. Petersburg, er
-opmerkzaam op, dat daar volgens Haeckel’s biogenetische hoofdwet
-datgeen, wat het vroegst in de ontwikkeling optreedt, het erfdeel der
-vroegste voorouders is, zoo die hoofdwet juist was, niet de Gewervelde
-Dieren van Manteldieren (waartoe de Zakpijpen of Ascidiën behooren)
-moesten afstammen, maar omgekeerd de Manteldieren van Gewervelde
-Dieren, daar zij in hun vroegste jeugd de organisatie van Gewervelde
-Dieren bezaten. [373]
-
-Over deze quaestie is in den jaargang 1873 van Isis een
-wetenschappelijke discussie gevoerd tusschen Dr. P. J. F. Vermeulen
-(destijds leeraar aan de Roomsch-Katholieke Hoogere Burgerschool te
-Rolduc) en schrijver dezes. Destijds heb ik er reeds op gewezen, dat
-wanneer met de Ascidiën verwante wezens als stamvorm der Gewervelde
-Dieren moesten worden opgegeven, vele gronden waren aan te voeren voor
-de meening, dat de Gewervelde Dieren afstamden van Gelede Dieren
-(waartoe ik ook de eigenlijke Ringwormen reken). Dit gevoelen werd
-spoedig daarop ook door anderen, die er echter geheel onbekend mede
-waren, dat ik het reeds vroeger had uitgesproken, verdedigd, en niet
-slechts theoretisch verder uitgewerkt, maar ook door waarnemingen
-gesteund.
-
-Dr. Dohrn te Napels, stichter en directeur van het Zoölogisch Station
-aldaar, wees er namelijk in een in 1875 verschenen geschrift („Ueber
-den Princip des Functionswechsels”, Leipzig, Engelmann) op, dat bij
-zeer laag staande visschen reeds punten van overeenkomst in
-anatomischen bouw met de Manteldieren worden gevonden, en stelde de
-vraag, in welk opzicht de levenswijze der Manteldieren met die van
-bedoelde visschen overeenkomt? Hij antwoordde daarop, dat zoowel de
-Manteldieren als die visschen een half of geheel parasitisch leven
-leiden of toch ten minste op den zeebodem vastgegroeide wezens zijn
-geworden. In deze levenswijze zocht nu Dohrn de oorzaak van de lage
-organisatie. Alle woekerdieren gaan, gelijk Dohrn aantoonde en ook
-algemeen bekend is (men vergelijke Vogt’s stuk over „Woekerdieren en
-aanverwant gespuis” in Isis 1875, blz. 197), ten gevolge hunner
-levenswijze in organisatie achteruit. Dikwijls zien wij, zegt Vogt (ib.
-blz. 203), „hoe het woekerdier in het binnenste van het lichaam van
-zijn gastheer aangekomen, langzamerhand een menigte van organen
-afwerpt, die het niet meer kan gebruiken en die door het niet meer
-gebruiken allengs verdwijnen; zintuigen en bewegingsorganen, organen
-van bloedsomloop en ademhaling, ja zelfs ten laatste de
-verteringsorganen, waarvan de nevenklieren afnemen, tot zelfs het
-darmkanaal verarmt, zich aan het achterste einde als een blinde zak
-sluit, en eindelijk zelfs geheel en al verdwijnt, om evenals de andere
-organen, voor het eenige stelsel plaats te maken, dat zich op kosten
-der andere ontwikkelt, namelijk het voortplantingsstelsel.”
-Woekerdieren onttrekken zich door hun levenswijze aan den voor de
-ontwikkeling der organen zoo noodzakelijken strijd om het bestaan, het
-gevolg daarvan is achteruitgang der organen. Dohrn voegde daarom bij
-Darwin’s beide beginselen, de aanpassing en de erfelijkheid, nog een
-derde, dat even krachtig op de organisatie terugwerkt, namelijk het
-parasitisme of woekerleven.
-
-Volgens deze beschouwing van Dohrn zouden derhalve de Manteldieren
-werkelijke, doch door parasitisme achteruitgaand ontwikkelde Gewervelde
-Dieren zijn, die zich tot de overige Gewervelde Dieren ongeveer even
-zoo verhouden als de (eens tot de wormen gerekende) Linguatulinen
-(vergelijk Harting’s „Leerboek” III, 1, blz. 359) tot de overige
-Spinachtige Dieren.
-
-Dohrn onderscheidde echter nog een vierde beginsel, door hem „Princip
-des Functionswechsels” genoemd. Elk orgaan, zegt hij, bezit meer dan
-ééne functie, ééne daarvan is hoofdfunctie, de andere zijn
-nevenfuncties. Nu kan echter een nevenfunctie zoo op den voorgrond
-treden, dat zij de andere verdringt, en daardoor verkrijgt het orgaan
-een andere beteekenis in de huishouding van het lichaam en ondergaat
-tevens secundaire wijzigingen in zijn bouw. Zoodoende kan b.v. uit een
-oorspronkelijk eenvoudige maag een kliermaag en een spiermaag ontstaan.
-
-Deze beschouwingen verder uitwerkende, kwam Dohrn tot de hypothese:
-„dat de mond der tegenwoordige Gewervelde Dieren vroeger op een geheel
-andere plaats, namelijk in de streek van de tegenwoordige vierde
-hersenholte (ventriculus quartus) heeft gelegen, en dat onze
-tegenwoordige mond bij de stamouders der Gewervelde Dieren slechts een
-kieuwspleet is geweest.” Het spijsverteringskanaal zou destijds het
-tegenwoordige ruggemerg hebben doorboord, onze tegenwoordige buikzijde
-rugzijde zijn geweest en omgekeerd, het ruggemerg zou buikmerg zijn
-geweest, evenals bij de tegenwoordige Gelede Dieren, het verlengde merg
-en de hersenen zouden een slokdarmring hebben gevormd. Op deze wijze
-ontstaat een volkomen homologie tusschen het zenuwstelsel der
-Gewervelde Dieren en dat der Ringwormen. De plaatsverandering van den
-mond is geen grooter wonder dan die van het eene oog bij de
-tegenwoordige platvisschen, bij welker jongen de oogen symmetrisch
-liggen, evenals bij de andere Gewervelde Dieren, terwijl zij bij de
-ouden asymmetrisch, beide aan ééne zijde van het lichaam liggen. De
-uitwendig zichtbare geleding der Gelede Dieren wordt bij de
-tegenwoordige Gewervelde Dieren inwendig nog aangeduid in de
-wervelkolom, en is bij hun embryo nog duidelijker in de zoogenaamde
-voorwervels, die geenszins uitsluitend de beginsels van wervels, maar
-bovendien die van de rugzenuwknoopen en van het geheele
-zijdespierstelsel zijn.
-
-Dohrn kwam tot het resultaat, dat de Gewervelde Dieren afstammen van
-Gelede Wormen, op de tegenwoordige Ringwormen of Anneliden gelijkende.
-[374]
-
-Dit resultaat werd zeer gesteund, toen twee andere deskundigen,
-Professor Semper te Würzburg [375] en Balfour te Edinburg [376] die
-beiden de ontwikkeling der geslachtswerktuigen bij jonge haaien
-bestudeerden, ongeveer gelijktijdig ontdekten, dat de eerste aanleg van
-de eierstokken en testikels van deze dieren uit afzonderlijke stukken
-bestaat, waarvan elk met een der onderste wervelsegmenten overeenkomt.
-De algemeene vorm dezer organen herinnerde beide onderzoekers dadelijk
-aan dergelijke organen, die men sinds lang aan de geslachtsorganen der
-Ringwormen had opgemerkt en waaraan men den naam van segmentaalorganen
-of segmentaaltrechters had gegeven.
-
-Ook Leydig, Hatschek, Kleinenberg, Eisig en anderen hebben vervolgens
-de hypothese uitgesproken en met groot talent verdedigd, dat van alle
-ongewervelden de Ringwormen de meeste overeenkomst met de Gewervelde
-Dieren vertoonen, en dat zij en de Arthropoda (Schaaldieren, Spinnen,
-Insekten, Duizendpooten) afstammen van een oorspronkelijken diervorm,
-die in maaksel min of meer overeenkwam met Polygordius.
-
-Gegenbaur en Haeckel hebben zich echter nooit met dit denkbeeld kunnen
-vereenigen. Eerstgenoemde wijst op het centraalzenuwstelsel der
-Nemertinen (de hoogst bewerktuigde der zoogenaamde Platwormen), dat
-bestaat uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, waarvan twee
-zijdelingsche zenuwstammen uitgaan, als een zeer oorspronkelijken
-toestand, waaruit, doordat die zenuwstammen bij sommige soorten hooger,
-bij andere lager gelegen zijn, door samensmelting aan de buikzijde de
-buikstreng en slokdarmring der Ringwormen en Arthropoda zou kunnen
-worden afgeleid. Harting („Leerboek der Dierkunde”, 1874) wees van den
-anderen kant op de mogelijkheid van een dergelijke rugwaartsche
-vereeniging, waaruit dan een ruggemerg kon ontstaan. Balfour en
-Hubrecht (destijds conservator aan ’s Rijks Museum te Leiden, thans
-Hoogleeraar in de Dierkunde te Utrecht) kozen aan die zijde partij, de
-eerste door in zijn „Development of Elasmerobranch Fishes”, blz. 171,
-zulk een ontwikkelingsgang nog eenmaal te schetsen, de laatste door de
-feiten te rangschikken, welke zich in het maaksel van sommige
-Nemertinen aan hem hadden doen kennen, en welke inderdaad ten
-duidelijkste aantoonden, dat de zijdelingsche zenuwstammen onmiskenbaar
-een neiging tot rugwaartsche verplaatsing vertoonen („Verhandelingen v.
-d. Kon. Akad.”, Amsterdam, 1880).
-
-In een verhandeling „Over de voorouderlijke stamvormen der
-Vertebraten”, in 1883 door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te
-Amsterdam uitgegeven, ging Hubrecht echter verder, en voerde vele
-feiten aan tot staving der hypothese, „dat de slurp der Nemertinen, die
-ontstaat als een voor instulping vatbaar orgaan, dit geheel afkomstig
-is zoowel phylo- als ontogenetisch (d.i. zoowel in de ontwikkeling der
-soort als van het individu) uit het epiblast, en die zijn weg neemt
-door het hersenganglion, homoloog is aan het rudimentaire orgaan, dat
-men in de geheele reeks der Vertebrata aantreft: de hypophysis cerebri”
-(hersenslijmklier). „De slurpscheede der Nemertinen is vergelijkbaar in
-ligging (en in ontwikkeling?) met de chorda dorsalis” (ruggestreng)
-„der Gewervelde Dieren.” Verder toonde hij zich zeer geneigd van de
-darmuitstulpingen der Nemertinen als de voorloopers te beschouwen der
-coelomzakken, die dan weder met die van de Amphioxus-(slakprik-)larve
-vergelijkbaar zouden zijn.
-
-Hij wees er echter uitdrukkelijk op (hetgeen evenwel voor iemand die
-goed met Darwin’s theorie bekend is geen betoog behoefde), dat hij
-geenerlei directe verwantschap (in rechte lijn namelijk) tusschen
-hedendaagsche Nemertinen en Vertebrata beoogde, maar slechts trachtte
-aan te toonen, dat het algemeen bouwplan eener Nemertine meer
-beantwoordt aan dat van een gewerveld dier dan b.v. dat van de
-Oer-ringwormen (Archi-Anneliden), en dat de schakel die
-Coelenteraten-voorouders met gewervelde afstammelingen verbindt,
-waarschijnlijk vormen heeft omvat, die in het bezit waren van twee
-zijdelingsche zenuwstammen, welke zich rugwaarts hebben vereenigd, en
-die een ektodermale slurp bezaten met functies welke later verdwenen of
-gewijzigd zijn, toen deze dieren langzamerhand uit het Plathelminthen-
-in het Chordaten-Type overgingen.
-
-Gelijktijdig met dezen overgang van het type der Coelenteraten
-(Maagzak- of Neteldieren, waartoe de Kwallen, de Polypen of Veelvoeten
-en de Sponzen behooren) naar dat der Chordata (Ruggestrengdieren)
-moeten ook volgens Hubrecht de hoogst belangrijke processen zijn
-ingetreden, die tot de vorming leidden van een lichaamsholte,
-afgescheiden van het oer-ingewand (archenteron). De
-ontwikkelingsgeschiedenis leert ons, dat zekere uitstulpingen van dit
-laatste, die aanvankelijk daarmede in open verbinding staan, later
-worden afgesnoerd en de zoogenaamde splanchnische en somatische lagen
-vormen, tusschen welke de lichaamsholte besloten is.
-
-De schitterende onderzoekingen van Lang over Gunda segmentata (een
-Platworm) en van Hatschek over de ontwikkeling van den slakprik
-(Amphioxus) moeten hier in de eerste plaats tot richtsnoer strekken.
-
-Alles bijeengenomen kwam Hubrecht tot het resultaat, dat de stamouders
-der Gewervelde Dieren platwormen waren, die overeenstemming vertoonden
-met Gunda door het bezit van metameer geplaatste darmuitstulpingen, ja
-zelfs door een algemeene inwendige metamerie [377], maar die
-daarentegen van Gunda verschilden in zoo belangrijke punten als de
-aanwezigheid van voorloopers, zoowel van de chorda als van de
-hypophysis. Zoodanige platwormen, voegt hij er bij, moeten
-noodwendigerwijze meer overeenkomst hebben gehad met de thans levende
-Nemertinen dan met andere vormen, welke ook.
-
-Wij verwijzen verder belangstellenden naar het oorspronkelijke.
-
-In het 93ste deel van de negende uitgaaf der „Encyclopedia Britannica”,
-in 1888 verschenen, komt een belangrijk artikel over Vertebrata voor
-van Prof. E. Ray Lankester, waarin het vraagstuk van de afstamming der
-Gewervelde Dieren in aansluiting met de denkbeelden van Hubrecht, een
-belangrijke schrede verder werd gebracht. Wij ontleenen daaraan het
-volgende.
-
-De onderscheidene kenmerken der Gewervelde Dieren zijn, dat zij allen,
-hetzij als volwassen dieren, hetzij gedurende een gedeelte hunner
-embryonale ontwikkeling, zijdelingsche openingen (kieuwspleten)
-bezitten, die uit de keel naar buiten loopen, dat zij allen een
-wervelkolom, of zoo niet, dan toch een ruggestreng (chorda dorsalis)
-bezitten, en dat het centraal-zenuwstelsel, dat steeds oorspronkelijk
-den vorm van een buis bezit, aan de rugzijde van het dier boven die
-wervelkolom of ruggestreng is gelegen. Bij alle Gewervelde Dieren in de
-oude beteekenis van het woord (Zoogdieren, Vogels, Reptielen,
-Amphibieën en Visschen, met uitzondering van Amphioxus) bedraagt het
-aantal kieuwspleten hoogstens acht, meest veel minder, bij Amphioxus
-veel meer (honderd of meer).
-
-Daar de larven der Ascidiën in alle drie deze kenmerken met de
-Gewervelde Dieren overeenkomen, stelde Ray Lankester reeds in 1877 voor
-ze onder de Gewervelde Dieren op te nemen, en met hen al de overige
-Manteldieren (Tunicata). Het geslacht Appendicularia (dat tot de laagst
-ontwikkelde Manteldieren behoort) behoudt levenslang een dergelijken
-staart als de larven der Ascidiën, en het spierstelsel van dien staart
-is duidelijk in segmenten verdeeld, evenals men bij de Gewervelde
-Dieren (in de oude beteekenis) waarneemt, waar die segmentatie
-beantwoordt aan de wervels (of liever aan de zoogenaamde voorwervels
-van den embryo).
-
-Balfour geeft er, daar de Tunicata geen wervels bezitten (Amphioxus en
-eenige lagere visschen trouwens evenmin), de voorkeur aan de Tunicata
-en de Gewervelde Dieren in een hoogere groep, door hem Chordata
-genoemd, te vereenigen. Dit is echter enkel een verschil in woorden.
-Feitelijk komt het op het zelfde neer dat Lankester wil.
-
-De vereeniging der Tunicata met de Gewervelde Dieren werd door verdere
-stappen gevolgd. In 1866 toonde Kowalewski aan, dat de merkwaardige
-zeeworm Balanoglossus (er komen daarvan soorten voor in de golf van
-Napels en aan de Atlantische kusten van Amerika en van Bretagne)
-kieuwspleten bezit, met die der Manteldieren en Gewervelde Dieren
-overeenkomende. Latere onderzoekingen van Bateson bewezen, dat
-Balanoglossus in den embryonalen toestand een darmuitstulping bezit,
-die mogelijkerwijze met een korte ruggestreng vergelijkbaar is, en zijn
-centraal-zenuwstelsel gedeeltelijk buisvormig is, en wat plaatsing en
-wijze van oorspronkelijke ontwikkeling aangaat, met dat van de
-Manteldieren en Gewervelde Dieren overeenstemt. Het is dus onmogelijk
-Balanoglossus een plaats naast de Manteldieren en Gewervelde Dieren te
-ontzeggen, en hij behoort in de zelfde hoofdgroep als deze te worden
-geplaatst. Wij zullen die hoofdgroep liever met Balfour Chordata dan
-met Lankester Vertebrata noemen. Onderzoekingen in den laatsten tijd
-door Harmer gedaan omtrent Cephalodiscus, zullen het noodig maken ook
-dien vorm en naar alle waarschijnlijkheid ook Rhabdopleura, nevens
-Balanoglossus onder de Chordata op te nemen. [378]
-
-Het Onder-rijk der Chordata vervalt dus in vier takken, waaraan R.
-Lankester de volgende namen geeft:
-
-
-1. Craniata (Schedeldieren, de Vertebrata van Cuvier).
-2. Cephalochorda (Amphioxus, de ruggestreng loopt door tot in het
- voorste gedeelte van het dier, dat met den kop der schedeldieren
- overeenstemt).
-3. Urochorda (de Manteldieren (Tunicata); bij diegene waar de
- ruggestreng niet geheel door degeneratie is verloren gegaan, is zij
- tot het staartgedeelte van het dier beperkt).
-4. Hemichorda (Balanoglossus, zeer korte ruggestreng bij den embryo)
-
-
-Wij zullen omtrent elk dier afdeelingen eenige opmerkingen maken, die
-met hun afstamming in verband staan.
-
-
-
-1. Craniata.
-
-J. Thacher te New-Haven stelde in 1877 een hypothese omtrent den
-oorsprong van de ledematen der Craniata, welke van die van Gegenbaur
-(vergelijk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, I, blz.
-528) gedeeltelijk afwijkt, en van vele zijden met instemming werd
-begroet. Hij vergelijkt de parige en onparige vinnen der visschen en
-verklaart ze voor gelijksoortige organen. Uitsluitend onparige vinnen
-of liever zoomen bezitten de laagste Craniata (de lampreien) en de
-Cephalochorda. Eerst bij de haaien vindt men parige vinnen. Evenals de
-rug- en aarsvin uit mediane plooien of zoomen ontstaan, laat Thacher nu
-de parige vinnen uit parige zijdeplooien ontstaan, die bij den embryo
-der hoogere Craniata door de zoogenaamde Wolffsche lijsten worden
-vertegenwoordigd. Uit de talrijke kraakbeenige stralen waardoor de
-vinnen worden gesteund, en die oorspronkelijk alle evenwijdig loopen,
-ontstonden in den loop der palaeontologische ontwikkeling door
-versmeltingen en verdeelingen het skelet der borst- en buikvinnen en
-daaruit dat van de ledematen der hoogere gewervelde dieren. Balfour
-vond deze hypothese bij het onderzoek van haaiembryo’s bevestigd, en
-ook Dohrn sluit zich bij diens beschouwingen aan.
-
-Lankester zegt t.a.p.: „De kieuwspleten der Craniata worden, als zij
-tot de ademhaling dienen, over het algemeen beschermd door een
-operculaire [379] plooi van den lichaamswand, die er overheên hangt, en
-homoloog is met den epipleuralen [380] plooi van Amphioxus, den kraag
-van Balanoglossus en wellicht met den wand der atriale kamer van de
-Urochorda. De uitbreiding van deze plooi langs de zijden van het
-middelste gedeelte van het lichaam (tusschen de keelstreek en de aars)
-verkreeg bij voorouders der Craniata de functie van een doorloopende
-rechter- en linker zijdelingsche vin (zie Fig. 9). Tegelijkertijd
-ontwikkelde zich een doorloopende onparige vin, over rug- en
-staartgedeelte tot den aars om het lichaam heên, welke overeenstemt met
-de rug-, staart- en aarsvinnen der bestaande visschen. Zoowel in de
-parige als in de onparige vinnen ontwikkelde zich een kraakbeenig
-geraamte, bestaande uit een overlangs loopende staaf, die een aantal
-stralen, evenals de tanden van een kam gerangschikt, steunde. De
-oorspronkelijke vorm van het vinskelet is in de onparige vinnen van
-sommige haaien bewaard gebleven; de oorspronkelijke zijdelingsche vin
-is in alle gevallen òf geheel verdwenen (lampreien) evenals haar
-verlenging aan den voorkant (het operculum), òf zij is met de elementen
-van haar skelet geconcentreerd in twee streken en heeft aldus aan de
-borst- en buikvinnen, met haar respectieve gordels, het aanzijn
-gegeven.
-
-
-
-2. Cephalochorda.
-
-In vele opzichten draagt Amphioxus (de slakprik), de eenige levende
-vertegenwoordiger der Cephalochorda, de sporen van af te stammen van
-een hooger georganiseerden vorm. Ook zijn levenswijze en de aard van
-zijn voedsel wijzen daarop. Toch stond die voorouderlijke vorm
-waarschijnlijk ver beneden alle levende Craniata. Er is geen reden om
-te onderstellen, dat deze voorouder een schedel of eigenlijk gezegde
-hersenen bezat. Wel bezat die voorvader waarschijnlijk parige oogen,
-gehoororganen (otocysten) en nieren (nephridia), welk alles Amphioxus
-mist, en was ook grooter dan deze laatste. De epipleurale plooien, die
-bij Amphioxus den kap van den bek, de opercula der kieuwen en de
-daarmede samenvloeiende buikvin vormen, waren waarschijnlijk minder
-ontwikkelde zijdelingsche lijsten, welke de kieuwspleten van voren en
-van achteren beschermden, en door hun golving en de verplaatsing van
-het lichaam in de ruimte hielpen tot stand brengen, terwijl de mediane
-(onparige) vin en haar stralen goed ontwikkeld en hoofdorgaan voor de
-verplaatsing waren.
-
-Amphioxus en zijn larve zijn asymmetrisch gebouwd. Er is geen reden om
-aan te nemen, dat dit ook met den voorvader het geval was.
-
-
-
-3. Urochorda.
-
-De Urochorda zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun
-ontwikkeling zoo weinig meer dan een voorbijgaand spoor van de organen
-der typische Gewervelde Dieren, dat wij niet kunnen hopen van hen veel
-positief licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen
-verkrijgen. Alleen de kleine Appendiculariae (Larvalia) behouden
-levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde
-Dieren en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst,
-uiterst gedegenereerd (Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken
-omtrent de in meerdere of mindere mate hoogere organisatie van de
-voorouders der Urochorda, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders
-een even hooge organisatie als de Craniata hadden bereikt; van den
-anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop zij zich
-van de hoofd-afstammingslijn welke tot de Craniata leidt, scheidden,
-lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de Cephalochorda er
-zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van
-de chorda aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel
-der Craniata dan Amphioxus vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling
-van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke grootte de Urochorda dichter
-bij de Craniata plaatst dan Amphioxus. De metamerische myomeren zijn
-bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken toch ook bij
-de Urochorda niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij
-deze in een rudimentairen vorm, welke bewijst, dat zij bij hun
-voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.
-
-
-
-4. Hemichorda.
-
-De Hemichorda (het geslacht Balanoglossus) zijn wormvormige dieren, met
-langen en van boven naar beneden eenigszins afgeplatten bouw. Voor den
-mond ligt een lange cylindervormige slurp, en achter den mond een
-kraag, waarvan de vrije zoom naar achteren gekeerd en homoloog is met
-de operculaire epipleurale plooien der Cephalochorda en Craniata. Deze
-homologie wordt aangetoond door een paar kraagporiën, die in de holte
-van den kraag uitmonden, gelijk de „bruine trechters” van Amphioxus in
-de epipleuraalholte van dat dier. Een slurpporie, die aan de
-linkerzijde in den vóór den mond gelegen slurpholte uitloopt (bij B.
-Kupfferi parig), komt juist overeen met een soortgelijk geplaatste
-porie, welke bij den jongen Amphioxus (volgens Hatschek, 15) naar het
-buisvormig orgaan leidt, dat uit de linkerkamer van de holte van den
-vóór den mond van dat dier gelegen lob komt. De geheele oppervlakte van
-het lichaam is met trilharen bedekt, gelijk bij de Nemertinen en
-Echinodermen, maar bij geen enkel der Craniata, Urochorda en Hemichorda
-het geval is. Op den kraag volgt een doorboorde streek—kieuwspleten,
-die van de buitenzijde van het lichaam naar de keel loopen. Bij den
-jongen vorm bestaat er gedurende zekeren tijd, evenals bij
-Appendicularia en de Ascidiënlarven, slechts één paar kieuwspleten,
-maar zij nemen later in aantal toe, naarmate het dier langer wordt. De
-notochorda (ruggestreng, h in Fig. 11) ontstaat bij het jonge dier aan
-het voorste einde van den hypoblast, en groeit naar voren, als een
-steunpunt voor de basis van den slurp. Zij is tot deze zeer kleine
-streek beperkt. De cerebro-spinale zenuwstreng ontstaat door een
-plaatvormige afscheiding van een vaste streng epiblast in de midden
-over den rug loopende lijn van het middelste derde gedeelte van het
-lichaam, daarna breidt hij zich door de invaginatie (samengroeiing) van
-zijn beide zijden, als een buis, zoowel naar voren als naar achteren
-uit. Onder de opperhuid bestaat over het geheele lichaam een netwerk
-van zenuwdraden (en cellen?). Het stelsel van den bloedsomloop is
-eigenaardig, daar het bestaat uit een voorste hart (in den slurp) en
-een rugge- en buikvat, welke door een vlecht onderhuidsche vaten worden
-verbonden. Het spierstelsel van den lichaamswand is niet in achter
-elkander liggende myomeren verdeeld, maar van den anderen kant zijn de
-geslachtsdeelen (eierstokken of zaadklieren) zakvormig, en herhalen
-zich, evenals bij Amphioxus, als een reeks over een groot gedeelte van
-de lengte van het lichaam. In de keelstreek komen de geslachtszakken in
-aantal met de kieuwspleten overeen. Er zijn geen nieren (tenzij de
-snuitporie en de kraagporiën als zoodanig moeten worden beschouwd);
-maar de bindweefselcellen der lichaamsholte werken als uitscheidende
-organen, gelijk bij de Echinodermata en de Urochorda, en ook een lang
-klierachtig orgaan in den slurp, dat aan het uiteinde van de notochorda
-is vastgehecht, schijnt met deze functie in verband te staan. Niet het
-minst opmerkelijk bij de Hemichorda is de aard hunner larven. Geen
-andere Chordata bezitten larvenvormen welke wijzen op het maaksel
-hunner vroege voorouders uit den tijd toen deze nog geen ruggestreng
-(chorda) bezaten; hoe belangwekkend de Ascidiënlarven, de jonge
-Amphioxus en de embryo van den hondshaai (Scyllium) ook zijn, brengen
-zij ons niet buiten de wereld der chordadieren. Eenige soorten van
-Balanoglossus (? B. minutus) doorloopen echter een larvetoestand,
-waarin zij banden van trilharen bezitten, welke larven als Tornaria
-bekend zijn, en vroeger, voordat haar betrekking tot Balanoglossus was
-ontdekt, werden beschouwd als echinodermenlarven, met Bipinnaria
-verwant. Het is onmogelijk de Tornaria-larve van Balanoglossus niet als
-geheel overeenkomstig met de larven der Echinodermata te beschouwen, en
-daaruit volgt, dat er tusschen Balanoglossus en de Echinodermata de
-eene of andere verwijderde genetische betrekking moet bestaan, met
-andere woorden: dat het verre bloedverwanten zijn.
-
-Wij zijn omtrent de Hemichorda eenigszins uitvoerig geweest en de op
-speciaal zoölogisch terrein minder thuis zijnde lezer zal veel in het
-door ons aan Lankester ontleende aantreffen, dat hem niet volkomen
-duidelijk is. Zonder tal van afbeeldingen en veel grooter uitvoerigheid
-dan het bestek van dit werk toelaat, was zulks echter onmogelijk te
-vermijden. Van den anderen kant zijn deze feiten, die, zoover ons
-bekend is, nog in geen enkel Nederlandsch werk zijn behandeld, voor de
-afstammingsleer der Gewervelde Dieren (en dus ook van den mensch) zoo
-buitengewoon belangrijk, dat zij hier onmogelijk mochten worden gemist,
-en zullen door diegenen onzer lezers, welke meer op de hoogte der
-wetenschap zijn, ongetwijfeld met de meeste oplettendheid worden
-gelezen.
-
-Het schijnt, dat in Balanoglossus eindelijk een diervorm is gevonden,
-met den stamvorm der Gewervelde Dieren nauw verwant, die, hoewel
-ongetwijfeld gewijzigd, zoodat hij voor zijn bijzondere leefwijze (hij
-graaft holen in het natte zeezand) geschikt werd, en wellicht in zekere
-mate gedegenereerd, echter niet afstamt van een veel hooger
-ontwikkelden voorvader. De met trilharen bekleede opperhuid, de lange,
-wormachtige vorm en het volkomen ontbreken van segmentatie in het
-spierstelsel van het lichaam, leiden ons naar vormen, op de Nemertinen
-gelijkende. De groote slurp van Balanoglossus mag wel worden vergeleken
-met het voor instulping vatbare orgaan, dat bij de Nemertinen een
-dergelijke plaats inneemt. De kraag is het eerste begin van een toestel
-dat bestemd was een groote belangrijkheid te verkrijgen bij de
-Cephalochorda en Craniata, en diende misschien bij de voorouders van
-Balanoglossus om een enkele kieuwspleet te beschermen, vóór het aantal
-dezer openingen was toegenomen. Als men, gelijk geoorloofd is, de
-nieren, alsmede de zijdelingsche en dorsale zenuwstammen aan de
-Nemertinen ontleent, vindt men, dat de Balanoglossus de hoopvolste
-hypothetische oplossing van den stamboom der Vertebrata geeft. Die
-stamboom, aan den wortel met de Echinodermata en de Nemertinen
-samenhangende, geeft hooger de drie zijtakken der Hemichorda
-Cephalochorda en Urochorda af. Ze wordt uitgedrukt door onderstaande
-(met eenigszins gewijzigde namen) aan Lankester ontleende figuur:
-
-(16) De hier bedoelde Serranussoorten zijn de zoogenaamde zeebaarzen
-der Middellandsche Zee, Serranus Scriba, S. Cabrilla en S.
-(Centropristis) Hepatus. Ook bij den karper, kabeljauw, baars,
-melanurus, steur, snoek en wijting heeft men somwijlen
-hermaphroditische voorwerpen aangetroffen. Het hermaphroditisme van
-deze laatste soorten verschilt echter van dat der Serranussoorten in
-verschillende belangrijke opzichten, namelijk:
-
-a. Bij de Serranussoorten ontwikkelt zich de hom tusschen de rokken der
-kuit, en elke helft der primitieve dubbele kiemklier zet zich tot beide
-organen om.
-
-b. Bij de andere soorten vormen hom en kuit afzonderlijke lichamen, en
-ontwikkelen de beide helften der primitieve dubbele kiemklier zich
-rechts en links nimmer tot hom en kuit te gelijk.
-
-Hieruit volgt, dat het hermaphroditisme bij Serranus symmetrisch en
-tweezijdig (bilateraal), bij de andere soorten daarentegen asymmetrisch
-en hoogstens eenzijdig (unilateraal) is. Deze laatste komen dus overeen
-met de hermaphroditische voorwerpen die men soms bij zekere
-insektensoorten heeft waargenomen en bij welke de eene (b.v. de
-rechter-) helft mannelijk, de andere (b.v. de linker-) helft vrouwelijk
-was.
-
-Wanneer nu het hermaphroditisme bij Serranus niet normaal was, zou men
-mogen verwachten, dat het met dat abnormale hermaphroditisme van de
-andere vischsoorten en insekten zou overeenkomen. Dat het er echter op
-bovenvermelde wijze van verschilt, pleit sterk voor de meening, dat wij
-bij Serranus wel degelijk met een normalen toestand hebben te doen
-(Vergelijk Prof. H. J. Halbertsma in „Verslagen en Mededeelingen der
-Kon. Akad. v. Wet. Afd. Nat.” Deel XVI).
-
-Dat de aal (Conger) hermaphroditisch is, gelijk men vroeger wel heeft
-beweerd, is onjuist gebleken, daar voor eenige jaren (vergelijk Isis,
-1881, blz. 88 en 125) de mannelijke alen zijn ontdekt, waarbij bleek,
-dat de gewone alen allen wijfjes zijn.
-
-De tot een geheel andere afdeeling der visschen behoorende slijmaal
-(Myxine glutinosa), een met de lampreien verwante, zeer laag
-georganiseerde visch (behoorende tot de onder-klasse der Monorrhina),
-is echter volgens de jongste onderzoekingen hermaphroditisch, maar
-tevens (evenals verschillende planten, bij welke het stuifmeel rijpt
-vóór de stampers geslachtsrijp zijn) proteraudrisch, d.w.z. dat in de
-jeugd de mannelijke organen tot ontwikkeling komen, en deze op later
-leeftijd (zoodra hij 32 à 33 cM. lang is geworden) achteruitgaan en
-niet meer kunnen worden gebruikt, terwijl daarentegen de vrouwelijke
-organen, die in de jeugd zeer weinig ontwikkeld waren, dan tot volkomen
-ontwikkeling komen. Zulk een slijmaal is dus feitelijk in zijn jeugd
-een mannetje, op zijn ouden dag een wijfje! („Bergens Museum
-Aarberetning for 1887.”) Zelfbevruchting is derhalve bij den slijmaal
-onmogelijk.
-
-Dr. P. P. C. Hoek heeft in 1809 in het Zoölogisch station van Dr. A.
-Dohrn te Napels onderzoekingen gedaan aangaande het hermaphroditisme
-bij visschen. Aan zijn verslag dienaangaande aan den minister van
-binnenlandsche zaken is het volgende ontleend:
-
-„Verschillende waarnemingen hebben aan het licht gebracht, dat in de
-klasse der visschen hermaphroditisme juist geen groote zeldzaamheid is.
-Dufossé (1856) stelde vast, dat Serranus Cabrilla steeds tweeslachtig
-is; Syrski (1876) toonde aan, dat niet alleen onder de Percidae,
-waartoe het geslacht Serranus behoort, maar ook onder de Sparidae
-visschen voorkomen, die regelmatig hermaphrodiet zijn en ook Brock
-(1878) wijdde, bij gelegenheid van zijn op de geslachtsorganen der
-visschen betrekking hebbende onderzoekingen, zijn aandacht aan de
-zelfde aangelegenheid. Het kwam mij wenschelijk voor dat
-hermaphroditisme bij visschen van verschillende groepen aan een
-vernieuwd vergelijkend onderzoek te onderwerpen.
-
-„Voor zooverre zij in de Golf van Napels voorkomen, heb ik van alle
-repraesentanten der Percidae en Sparidae (beide families uit de
-afdeeling der stekelvinnige visschen) exemplaren onderzocht. Dit waren
-de volgende visschen:
-
-
- Percidae:
- Apogon rex mulorum.
- Centropristis hepatus.
- Labrax lupus.
- Polypiron cernium.
- Serranus cabrilla.
- ,, scriba.
-
- Sparidae:
- Box boops.
- ,, salpa.
- Chrysophrys auratus.
- Charax puntazzo.
- Cantarus lineatus.
- Oblata melanura.
- Pagellus erythrinus.
- ,, mormyrus.
- Sargus annularis.
- ,, Rondeletti.
- ,, Salviani.
-
-
-„Bovendien werden Smaris alcedo (Fam. Pristipomini) en Ophidium
-barbatum (een weekvinnige visch uit de afdeeling der Anacanthini),
-beide visschen, bij welke Syrski eveneens verschijnselen van
-hermaphroditisme waarnam, in mijn onderzoekingen opgenomen.
-
-„Het resultaat nu van mijn waarnemingen is in ’t algemeen een
-bevestiging van hetgeen vroegere onderzoekers mededeelden:
-hermaphroditisme blijkt bij talrijke visschen een vrijwel standvastig
-voorkomend verschijnsel te zijn. De door mij onderzochte visschen waren
-echter geen van allen geslachtsrijp (daarvoor was het tijdens mijn
-verblijf te Napels nog te vroeg in den tijd); de physiologische zijde
-van het vraagstuk heb ik dan ook geheel buiten beschouwing gelaten en
-mij geheel tot beschouwing uit een morphologisch oogpunt bepaald.
-
-„Ik bespreek in deze voorloopige mededeeling alleen de door mij bij de
-twee bovengenoemde families (Percidae en Sparidae) verkregen
-resultaten. Al aanstonds verdient vermelding, dat het verschijnsel der
-tweeslachtigheid zich bij elke familie onder een eigen vorm vertoont.
-Tot de Percidae behooren de oudst bekende vormen van hermaphrodiete
-visschen: Serranus cabrilla, S. scriba en Centropristis hepatus.
-Terwijl de andere door mij onderzochte Percidae niet tweeslachtig
-bleken te zijn, waren de genoemde soorten het in alle door mij ontlede
-exemplaren en wel op die wijze, dat hun geslachtsklieren er als
-eierstokken uitzagen, dat zij echter niet uitsluitend eierstokken
-waren, daar de wand der klier aan de binnenvlakte niet overal met
-ovariaal-lamellen was bezet, maar in een bepaald, gewoonlijk naar de
-buikzijde van den visch toegekeerd gedeelte, een tweetal naar binnen
-groeiende uitstulpingen of aanzwellingen ontwikkelden, die uit
-testiculair parenchym waren samengesteld. Steeds was echter het
-vrouwelijke deel van de geslachtsklier veel omvangrijker dan de
-mannelijke—men zou deze visschen dus kunnen beschouwen als wijfjes die
-tevens mannelijke voortplantingsproducten voortbrengen.
-
-„Bij de Sparidae komt hermaphroditisme nu veel algemeener voor dan bij
-de Percidae. In verreweg de meeste soorten dezer familie treft men
-naast éénslachtige ook tweeslachtige exemplaren aan en wel schijnt het
-dan de regel te zijn, dat de exemplaren òf vrouwelijk zijn òf
-hermaphrodiet. Soorten bij welke alle exemplaren hermaphrodiet zijn,
-schijnen echter in deze familie te ontbreken, ten minste ik trof in
-alle door mij onderzochte soorten ook exemplaren aan, die éénslachtig
-en wel vrouwelijk waren. Zoo ook bij Chrysophrys auratus—ofschoon
-Syrski voor deze soort vermeldt, dat zij constant hermaphrodiet is. De
-soorten, bij welke ik tweeslachtigheid constateerde, waren de volgende:
-Box salpa, Charax puntazzo, Sargus Rondeletti, S. annularis, S.
-Salviani en Pagellus mormyrus. Voegt men hier nu nog Chrysophrys
-auratus bij, van welke soort ik slechts een enkel exemplaar dat
-uitsluitend vrouwelijk was, heb kunnen onderzoeken, een soort die
-echter volgens Syrski en Brock beide onder de tweeslachtigen moet
-worden gerekend; neemt men dan nog in aanmerking dat ik
-toevalligerwijze van Cantharus lineatus alleen vrouwelijke exemplaren
-heb kunnen onderzoeken, dan blijven er van de in de Golf van Napels
-voorkomende Sparidae slechts drie soorten over (Box boops, Oblata
-melanura en Pagellus erythrinus), van welke kan worden vermoed dat zij
-niet tweeslachtig zullen zijn. Alleen bij deze drie soorten trof ik
-naast vrouwelijke exemplaren uitsluitend zuiver mannelijke aan: bij
-alle andere (en vermoedelijk ook bij Cantharus lineatus) komen, naast
-de vrouwelijke, hermaphrodiete exemplaren voor, terwijl ware mannetjes
-er schijnen te ontbreken of zeldzaam voor te komen.
-
-„In één opzicht echter valt er ook bij de mannelijke exemplaren van de
-drie genoemde soorten nog een overblijfsel van het oorspronkelijk
-hermaphroditisme te constateeren. Onderzoekt men de uitvoergangen van
-de geslachtsorganen bij een hermaphrodiet uit de groep der Sparidae,
-b.v. bij Box salpa, dan blijkt de oviduct een kanaal te zijn met een
-dikken wand, terwijl de vasa efferentia bestaan uit een systeem van met
-elkander communiceerende lacunen die hun verloop hebben door dien
-dikken wand van den oviduct. Terwijl nu bij de door mij onderzochte
-mannelijke exemplaren van Box boops en Pagellus erythrinus geen spoor
-van een eierstok is te bekennen, is de oviduct er nog aanwezig in den
-vorm van een aan beide zijden blind gesloten gang, waaromheên de vasa
-efferentia op de zelfde wijze zijn gerangschikt als dit bij de
-hermaphrodiete exemplaren van de verwante soorten het geval is. Vergis
-ik mij niet, dan levert het voorkomen van dezen rudimentairen oviduct
-bij exemplaren die overigens volstrekt niet tweeslachtig zijn, een
-krachtig bewijs ten voordeele van de opvatting, dat in de geheele
-familie der Sparidae het hermaphroditisme oorspronkelijk een algemeen
-voorkomend verschijnsel is.
-
-„Wat de geslachtsklieren aangaat, zoo vertoonen deze zich bij de
-hermaphrodiete Sparidae onder een anderen vorm dan bij de tweeslachtige
-Serranussoorten. Is het bij deze laatste als ’t ware een gedeelte van
-den eierstok, dat uit testiculair weefsel is opgebouwd, heeft er dus
-bij hen een zoo innige vergroeiing van de twee de verschillende
-geslachtsproducten voortbrengende klieren plaats gevonden, dat men
-slechts van een enkele kliermassa kan spreken, zoo bestaat elke
-geslachtsklier bij de tweeslachtige Sparidae uit twee slechts
-gedeeltelijk samenhangende kliermassa’s en wel uit een meer naar het
-mediane vlak van den visch toegekeerden eierstok en een meer naar
-buiten gelegen testis. Vermoedelijk vertoonen de Sparidae een toestand
-die meer met den oorspronkelijken overeenkomt dan dit met de
-hermaphrodiete Percidae (de Serranus- en Centropristis soorten) het
-geval is, en moet dus de toestand waarin de voortplantingsklieren dezer
-laatste zich bevinden, als een van jongere dagteekening worden
-beschouwd. Zeker is het, dat uit de door mij ingestelde onderzoekingen
-blijkt, dat we in het hermaphroditisme van de visschen niet hebben te
-zien een abnormaal in slechts enkele gevallen optredend verschijnsel,
-maar veeleer een toestand die voor de meeste leden van een vrij groote
-groep van deze dieren een volkomen normale is.”
-
-(18) De zwarte salamander van Zwitserland is levendbarend, en de jongen
-worden volkomen ontwikkeld (dus zonder kieuwen) geboren. Onder de
-vorschen is een soort (Hylodes martinicensis) op Guadeloupe, die wel is
-waar niet levendbarend is, maar bij welke de jongen toch al de
-larventoestanden binnen het ei doorloopen. Hier is dus embryo, wat bij
-de stamsoort larve was. Wellicht zouden ook deze embryo’s, uit het ei
-genomen, kunstmatig tot vorschen zijn op te kweeken, evenals het Mej.
-de Chauvin in Zwitserland is gelukt de embryo’s van den levendbarenden
-salamander buiten het moederlichaam tot salamanders op te kweeken,
-vergelijk „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederlandsche uitgaaf, blz. 629.
-De larven der salamanders en vorschen vertegenwoordigen in haar
-jongeren, pootloozen toestand de vischvormige stamsoort der amphibieën.
-Dat de larve vaak den vroegeren volkomen toestand der soort
-vertegenwoordigt, blijkt uit de gevallen, waarin ook de larve in
-ouderen toestand, maar toch nog van kieuwen voorzien, het geslacht kan
-voortplanten (Axolotl).
-
-Ook bij insekten zijn voorbeelden bekend, dat zij zich in onvolkomen
-toestand (als maskers of zelfs poppen) voortplanten. Als dit zonder
-voorafgaande copulatie (parthenogenetisch) geschiedt, heeft von Baer
-(„Mém. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, vol. XV, No. 8) daaraan den naam
-van paedogenesis gegeven.
-
-(19) „Zij worden sympathetisch aangedaan door den invloed van sommige
-ziekten.” Sympathetische aandoeningen van een orgaan noemt men
-ziekelijke verschijnselen die zich in dat orgaan voordoen, zonder dat
-eenige oorzaak van ziekte rechtstreeks op het zelve werkt, maar door de
-reactie van een ander oorspronkelijk beleedigd orgaan. Zoo veroorzaakt
-de aanwezigheid van ingewandswormen in het darmkanaal jeukte in den
-neus. Deze sympathie is dus pathologisch, hetgeen de correlatie (zie
-aanteekening 6, blz. 37) physiologisch en teratologisch is.
-
-(20) Deze verklaring komt ons hoogst gewrongen voor. De voornaamste
-intermitteerende normale en abnormale processen zijn de nachtelijke
-slaap, de maandstonden en haar vervangende verschijnselen, de
-ademhaling, het kloppen van het hart, de intermitteerende koortsen. Dat
-men ’s nachts slaapt en over dag waakt, zal wel eensdeels aan onze
-levenswijze, die zich er naar regelt, dat het ’s nachts donker en over
-dag licht is, en anderzijds aan de overgeërfde gevolgen van de gewoonte
-bij tallooze geslachten van voorvaderen liggen. Daarenboven staat deze
-periodieke slaap, evenmin als de duur der in- en uitademingen, der
-hartkloppingen en van periodieke koortsen in eenig duidelijk verband
-met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Wat de menstruatie
-en de haar vervangende verschijnselen aangaat, zoo hebben wij er reeds
-in aanteekening 11, blz. 40 op gewezen, dat die bij verschillende
-individu’s een zeer verschillende lengte hebben. Wat den duur der
-zwangerschap aangaat, deze is ook bij verschillende individu’s van een
-zelfde soort niet geheel gelijk en bij de verschillende zoogdiersoorten
-hoogst ongelijk. Ware nu de duur der zwangerschap te verklaren op de
-door Darwin aangegevene wijze, dan zouden alle zoogdieren den zelfden
-duur van zwangerschap moeten hebben; want zij stammen van éénen
-voorvader, het eerste zoogdier, af, die geen stranddier, maar slechts
-de zeer verwijderde afstammeling van een stranddier was, en zouden met
-dezen in duur van zwangerschap moeten overeenkomen. Daarenboven staat
-de duur der zwangerschap in zeer indirect verband met de
-schijngestalten en den omloopstijd der maan. Het zelfde gaat door bij
-het uitbroeden van vogeleieren. Wat intermitteerende koortsen aangaat,
-staat de intermittentie in verband met de levensperioden van de microbe
-die de malaria veroorzaakt, en die in den koortsvrijen tijd niet in
-volwassen toestand in het bloed des lijders voorkomt. Wij voor ons
-vinden, dat het geen nadere verklaring behoeft, dat een organisme om
-zich, uitgaande van het zelfde punt onder nagenoeg de zelfde
-omstandigheden tot nagenoeg de zelfde hoogte te ontwikkelen ook steeds
-nagenoeg den zelfden tijd noodig heeft; het spreekt daarom van zelf,
-dat de zwangerschap bij de zelfde zoogdiersoort steeds nagenoeg even
-lang duurt, en dat het evenzoo gaat bij het uitbroeden der eieren van
-een bepaalde vogelsoort. Daar wij nu den tijd meten door den omloop der
-hemellichamen, ontstaat er natuurlijk een schijnbaar verband tusschen
-deze en den duur der zwangerschap, der uitbroeding, enz. Wij meten
-echter den tijd ook door middel van uurwerken, en elke zwangerschap of
-broedtijd zal dus in duur eenigermate overeenstemmen met een zeker
-aantal omloopstijden van den wijzer onzer pendule, en toch zal niemand
-op het denkbeeld komen een wezenlijk verband tusschen deze beide
-verschijnselen te zoeken!
-
-(21) Haeckel geeft in zijn verhandeling „Ueber die Entstehung und den
-Stammbaum des Menschengeschlechts”, Berlin, 1870, in zijn „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”, en (verbeterd en vermeerderd) in zijn
-„Anthropogenie” [381] den geheelen dierlijken stamboom, dien de mensch
-volgens hem zou hebben gehad, op. Deze stamboom verschilt van den door
-Darwin aangenomenen slechts weinig, maar wordt nog veel verder dan de
-onderstelde, met de tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) verwante
-stamouders der Werveldieren voortgezet. Voor wij dezen stamboom
-mededeelen, moeten wij echter een overzicht van Haeckel’s indeeling der
-Gewervelde Dieren vooraf laten gaan. Haeckel verdeelt de Gewervelde
-Dieren in acht klassen volgens het volgende schema:
-
-
-Schedellooze werveldieren 1. Lancetdieren
- (Acrania).
-Schedeldieren { Craniata met enkelvoudig
-(Craniata). { reukorgaan 2. Rondmuilen
- { (Monorrhina).
- { Craniata met { Amnionlooze { 3. Visschen
- { dubbel { (Anamnia) { (Pisces).
- { reukorgaan { { 4. Dipneusta.
- { (Amphirrhina) { { 5. Amphibia.
- { { Amniondieren { 6. Reptilia.
- { { (Amniota). { 7. Vogels (Aves).
- { { { 8. Zoogdieren
- { { { (Mammalia).
-
-
-De klasse der Acrania of Leptocardii wordt in de hedendaagsche
-dierenwereld slechts door den slakprik (Amphioxus) vertegenwoordigd. De
-klasse der Monorrhina omvat de Cyclostomen, die der Dipneusta de
-Protopteri (de geslachten Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus). Voor
-de klasse der eigenlijke Visschen blijven dus nog over de onder-klassen
-der Selachiërs, Ganoïden en Teleostiërs.
-
-De stamboom van den mensch wordt nu door Haeckel ondersteld de volgende
-te zijn:
-
-
-A. Eencellige voorouders der gezamenlijke Meercellige Dieren.
-
-Protozoa.
-
-Eerste trap: Moneren, organismen van de eenvoudigst denkbare
-samenstelling, gelijk de nog heden levende Protamoeben, Protogenes,
-Bathybius enz., slechts uit een vormloos stukje levend oerslijm of
-protoplasma bestaande; de oudste Moneren, waaruit zich eerst later
-cellen ontwikkelden, kunnen volgens Haeckel slechts door generatio
-spontanea („Urzeugung”) uit anorganische verbindingen zijn ontstaan.
-[382]
-
-Tweede trap: Lobvoeten of Amoeben, organismen van de morphologische
-waarde eener eenvoudige cel zonder wand, derhalve slechts uit een
-vormloos stukje levend protoplasma en een daarin omsloten kern of
-nucleus gevormd. Waarschijnlijk verschilden deze eencellige oerdieren
-niet sterk van de tegenwoordige Amoeben, gelijk ook nog heden het
-menschelijk ei niet wezenlijk van een ingekapselde Amoebe verschilt.
-
-
-B. Veelcellige voorouders der gezamenlijke Darmdieren.
-
-Metazoa.
-
-Derde trap: Synamoeben of eenvoudige Amoebengroepen, gevormd uit een
-hoop gelijksoortige naakte cellen, evenals de tegenwoordige
-Labyrinthuleeën, of de moerbezievormige celkogel (morula) van het
-gekliefde ei. [383]
-
-Vierde trap: Trilhaarzwermers of Planaeaden, gelijkende op de van
-trilharen voorziene larve of Planula van Amphioxus en vele Ongewervelde
-Dieren; veelcellige, rondachtige, holle lichamen, waarvan de
-oppervlakte met trilharen is bezet. [384]
-
-Vijfde trap: Oerdarmdieren of Gastraeaden, holle lichamen, wier wand
-uit twee verschillende cellagen (huidblad of exoderm en darmblad of
-entoderm) bestaat, met een opening (oermond) aan het eene uiteinde. De
-binnenste cellaag vormt den oerdarm. Zij geleken op de darm larve
-(Gastrula), die nog heden bij de meest verschillende dieren, zooals
-sponzen, polypen, koralen, medusa’s, wormen, weekdieren, manteldieren
-en den slakprik voorkomt.
-
-
-C. Voorouders der gezamenlijke Gewervelde Dieren.
-
-Zesde trap: Platwormen of Turbellariën, of ten minste laag ontwikkelde
-wormen van een zeer eenvoudige samenstelling (Archelminthes), die zich
-uit de Gastraeaden ontwikkelden, en met welke onder de thans levende
-wormen de Turbellariën het naast verwant zijn. Tot deze behooren de
-Nemertinen die volgens Hubrecht en Ray Lankester ’t naast met de
-laatste voorouders der Gewervelde Dieren verwant zijn.
-
-Zevende trap: Weekwormen of Scoleciden die den overgang vormden
-tusschen de Turbellariën van den zesden trap en de Himategen van den
-achtsten trap. Deze trap vervalt als men Ringwormen als de laatste
-voorouders der Gewervelde Dieren beschouwt. Volgens de beschouwingen
-van E. Ray Lankester wordt deze trap ingenomen door de Hemichorda, in
-de levende schepping vertegenwoordigd door het geslacht Balanoglossus.
-[385]
-
-Achtste trap: Zakwormen of Himategen (Urochorda van Ray Lankester), in
-de thans levende dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd
-door de Manteldieren (Tunicata) en bijzonder de Zakpijpen (Ascidiae).
-De uitgestorven soorten van dezen trap, waarvan de Gewervelde Dieren
-afstammen, kwamen met deze laatste vooral overeen door de ontwikkeling
-van den aanleg van het ruggemerg en de daaronder gelegen ruggestreng
-(chorda dorsalis). Volgens Dohrn, Hubrecht, Ray Lankester enz. een
-gedegenereerde zijtak der Gewervelde Dieren en dus geen directe
-voorouders van den mensch.
-
-
-D. Gewervelde Voorouders der gezamenlijke Schedeldieren (Craniata).
-
-Negende trap: Schedelloozen of Acraniën (de Cephalochorda van Ray
-Lankester); Werveldieren zonder kop, zonder schedel en hersenen, zonder
-gecentraliseerd hart, zonder kaken, zonder beenderen; in de
-tegenwoordige dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd
-door den slakprik of Amphioxus.
-
-
-E. Voorouders der gezamenlijke Amphirrhinen.
-
-Tiende trap: Monorrhinen; Werveldieren met kop, schedel en hersenen,
-met een gecentraliseerd hart; zonder sympathisch zenuwstelsel, zonder
-kaken, zonder beenderen; met enkelvoudig reukorgaan; gelijkende op de
-nog heden levende slijmalen (Myxinoïden) en lampreien (Cyclostomata).
-
-
-F. Voorouders der gezamenlijke Amnionlooze en Amniondieren (Anamnia en
-Amniota).
-
-Elfde trap: Oervisschen of Selachiërs; Visschen die zeer nauw verwant
-waren met de nog heden levende haaien, met een zwemblaas en een dubbel
-reukorgaan, met twee paar ledematen (vinnen) en kaken. [386]
-
-
-G. Voorouders der gezamenlijke Amniondieren (Amniota).
-
-Twaalfde trap: Dipneusten; Werveldieren die het midden houden tusschen
-Visschen en Amphibieën, met kieuwen en longen; gelijkende op de nog
-heden levende Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus.
-
-Dertiende trap: Sozobranchiën; Amphibieën met blijvende kieuwen,
-gelijkende op den nog heden levenden Proteus anguineus uit de
-Adelsberger grot.
-
-Veertiende trap: Sozuren; Amphibieën met op volwassen leeftijd
-verdwijnende kieuwen, gelijkende op de nog heden levende salamanders
-(Triton en Salamandra).
-
-Vijftiende trap: Oeramnioten of Protamniën; middelvormen tusschen
-salamanders en hagedissen, die door het volkomen verlies der kieuwen en
-door de vorming van het Amnion de stamvaders der drie hoogere Klassen
-van Gewervelde Dieren (Reptielen, Vogels en Zoogdieren) of Amnioten
-werden. [387]
-
-
-H. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren.
-
-Zestiende trap: Stamzuigers of Promammaliën; de stamvormen der
-Zoogdierklasse, met welke onder de thans levende zoogdieren de
-Australische Snaveldieren (Ornithorhynchus en Echidna) [388] het nauwst
-verwant zijn, met een cloaca, met buidelbeenderen. (Eierleggend,
-lichaamstemperatuur hooger dan bij de vorige, maar lager dan bij de
-volgende trappen. Geen tepels. Dr. H. H. H. v. Z.)
-
-
-I. Voorouders der gezamenlijke Placentale Zoogdieren.
-
-Zeventiende trap: Buideldieren of Marsupialia; gelijkende op de nog
-heden levende kangoeroe’s en buidelratten, met buidelbeenderen, zonder
-cloaca; nog geen moederkoek (Placenta). (Levendbarend, ten gevolge van
-het ontbreken van een moederkoek worden de jongen in zeer onvolkomen
-toestand geboren en verblijven dan nog geruimen tijd, zich aan de
-tepels van het moederdier vastzuigende, in den buidel. Dr. H. H. H. v.
-Z.)
-
-
-K. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren met schijfvormige moederkoek
-(Discoplacentalia). [389]
-
-Achttiende trap: Halfapen of Prosimiën; gelijkende op de nog heden
-levende Lemuriden, zonder cloaca, zonder buidelbeenderen, met een
-moederkoek (Placenta).
-
-
-L. Voorouders van den Mensch uit de Orde der Apen (Simiae).
-
-Negentiende trap: Gestaarte Apen of Menocerken; smalneuzige apen met 32
-tanden en een staart, gelijkende op de nog heden levende Slankapen
-(Semnopithecus en Colobus)
-
-Twintigste trap: Menschapen of Anthropoïden; smalneuzige apen zonder
-wangzakken en zonder staart, gelijkende op de nog heden levende Orang,
-Chimpanzee en Gorilla.
-
-Een-en-twintigste trap: Aapmenschen of Oermenschen; gelijkende op de
-laagst ontwikkelde menschenrassen (Papoea’s, Hottentotten,
-Nieuw-Hollanders), maar nog zonder het bezit van de menschelijke
-spraak.
-
-Twee-en-twintigste trap: Menschen, die zich als echte menschen door de
-vorming der menschelijke spraak en de daarmede verbonden hoogere
-ontwikkeling der hersenen boven de Oermenschen van den vorigen trap
-verhieven. De oudste overblijfselen van echte menschen uit het diluvium
-(Neanderdal, Eguisheim, la Naulette, Spy enz.) worden door Quatrefages,
-Hamy en de Mortillet gebracht tot een zelfde uitgestorven ras, waaraan
-de eersten den naam geven van ras van Cannstatt (naar een daar gevonden
-schedel uit dien tijd) en de laatste den naam van ras van Chelles, naar
-een plaatsje in Frankrijk, waar men sporen daarvan heeft gevonden.
-
-In zijn „Anthropogenie”, 3de uitgaaf, blz. 412, geeft Haeckel een tabel
-van de dierlijke voorouders van den mensch, die tevens het geologisch
-tijdvak aangeeft, waarin zij leefden, waarnaar wij de volgende (met
-inachtneming der in de noten medegedeelde opgaven in de 8ste uitgaaf
-der „Nat. Schöpfungsgeschichte”) hebben bewerkt:
-
-
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- Tijdvakken van | Geologische | Dierlijke voorouders | Levende naaste
- de organische | perioden van de | van | verwanten der
- geschiedenis | organische geschiedenis | den mensch. | dierlijke voorouders.
- der aarde. | der aarde. | |
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
-
- { { 1. Moneren ( Bathybius.
- { { (Monera). (? ?) ( Protamoeba.
- { {
- { { 2. Eencellige { Eenvoudige
- { { oerdieren { Amoeben
- { { (oudste Amoeben { (Autamoebae).
- { { of Lobvoeten). {
- { {
- { { 3. Veelcellige {
- { { oerdieren { Cystophrys.
- { { (Synamoebia { Labyrinthula.
- { { of Moraeada). {
- { {
- { { 4. Trilhaarzwermers {
- { { Planaeada of { Planula-larven.
- { { Blastaeada). {
- { 1. Laurentische {
-I. Het { periode. { 5. Oerdarmdieren ( Gastrula-larven.
- Archaeolithische { 2. Cambrische { (Gastraeada). (
- of Primordiale { periode. {
- tijdvak. { 3. Silurische { 6. Plat wormen ( Trilwormen
- { periode. { (Platoda). ( (Turbelleria).
- { {
- { { 7. Snoerwormen. { Nemertina.
- { {
- { { { Balanoglossus,
- { { 8. Eikelwormen. { Cephalodiscus,
- { { { Rhabdopleuza.
- { {
- { { { Copelata
- { { 9. Oerchordadieren { (Appendicularia),
- { { (Prochordonia). { larven der
- { { { Ascidiën.
- { {
- { { 10. Schedelloozen ( Slakprikken
- { { (Acrania). ( (Amphioxi).
- { {
- { { 11. Rondmuilen ( Lampreien
- { { (Monorrhina). ( (Petromyzontes).
- { {
- { { 12. Oervisschen ( Haaien
- { { (Selachii). ( (Squalacei).
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- { { { Lepidosteus,
- { { { Polypterus,
- { { 13. Ganoida. { Amia,
- { { { Accipenser,
- { { { Spatularia.
-II. Het { 4. Devonische {
- Palaeolithische { periode. { 14. Dipneusta. ( Longvisschen
- of Primaire { 5. Steenkoolperiode. { ( (Protoptera).
- tijdvak { 6. Permische {
- { periode. { 15. Stegocephala. { Proteus anguineus.
- { {
- { { ( Watersalamander
- { { 16. Salamandrina. ( (Triton,
- { { ( Salamander).
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- { {
- { { 17. Prosephelen of {
- { { Oeramnioten { Hatteria.
- { { (Protamnia). {
-III. Het { 7. Triasperiode. {
- Mesolithische { 8. Juraperiode. { 18. Zoogdier-reptielen ( Verwanten komen
- of Secundaire { 9. Krijtperiode. { (Theriosauria). ( niet meer levend voor
- tijdvak. { {
- { { 19. Stamzuigers ( Snaveldieren
- { { (Promammalia). ( (Monotremata).
- { {
- { { 20. Buideldieren ( Buidelratten
- { { (Marsupialia). ( (Didelphyes).
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
- { {
- { { 21. Halfapen { Lori (Stenops),
- { { (Prosimiae). { Maki (Lemur).
- { {
- { 10. Eocene { 22. Gestaarte Apen ( Neusapen.
-IV. Het { periode. { (Menocerken). ( Slankapen.
- Coenolithische { 11. Miocene {
- of Tertiaire { periode. { 23. Menschapen of ( Gorilla,
- tijdvak. { 12. Pliocene { Ongestaarte ( Chimpanzee,
- { periode. { Apen ( Orang,
- { { (Anthropoïden). ( Gibbon.
- { {
- { { 24. Aapmenschen of { Doofstommen,
- { { Spraaklooze { Cretins
- { { Menschen. { en Microcephalen.
---------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
-V. Het Quartaire ( 13. Diluvium. ( 25. Menschen (Ras ( Nieuw-Hollanders en
- tijdvak. ( 14. Alluvium. ( van Cannstatt enz.) ( Papoea’s.
-
-
-Dat niet alle volken het denkbeeld om van dieren af te stammen zoo
-vernederend vinden als vele Europeanen blijkt uit de volgende
-voorbeelden.
-
-Van zekeren stam van Madagascar wordt in het Fransche tijdschrift „le
-Tour du Monde”, 7 Oct. 1871, chronique (op den blauwen omslag), een in
-verband met de theorie van Darwin omtrent het ontstaan van den mensch
-niet onaardige bijzonderheid verhaald, namelijk: „Les Betanismena, qui
-semblent être de la même origine que les Hovas, et dont la peau est
-d’un brun clair, affirment que leurs ancêtres sont issus des Babacoutes
-ou grands lémures de la forêt. Récemment un des personages de la cour
-ayant tué un de ces animaux fut dégradé en punition de son crime et dut
-solennellement enterrer la victime.” Aan het tegenovergestelde uiteinde
-van het veronderstelde Lemuria, op het schiereiland Malakka, echter
-vindt men een dergelijke overlevering. Men leest toch in het
-„Tijdschrift voor Ind. Taal-, Land-, en Volkenkunde”, X, 4de Serie, I,
-Batavia, Lange & Co, 1861, blz. 415 („Notice sur les Mantras, Tribu
-sauvage de la Péninsule Malaise”, par Borie, Missionnaire apostolique):
-„Je me rappelle avoir entendu plusieurs sauvages raconter fort
-sérieusement, qu’ils descendent tous de deux singes blancs, de deux
-ounka puteh. Les deux ounka puteh, ayant engendré leurs petits, se
-rendirent dans la plaine; ils s’y perfectionnèrent si bien, eux et
-leurs descendants, qu’ils devinrent des hommes”, etc.
-
-Ook bij de Thibetanen heerscht de overlevering, dat zij van apen
-afstammen; de Roodhuiden wanen zich met den dierenwereld verwant, en,
-naar ik meen, ook verschillende stammen van Insulinde, Australië en het
-vasteland van Afrika. Deze overleveringen van wilden en
-half-beschaafden bewijzen natuurlijk niets voor het stelsel van Darwin,
-maar zijn toch, in verband daarmede beschouwd, niet onaardig.
-
-(22) De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of
-Species”, Mme Clémence Royer, zegt in haar Werk „Origine de l’Homme et
-des Sociétés”, Paris 1870, blz. 149, na een beschrijving te hebben
-gegeven van de voorstelling die zij zich maakt van den
-gemeenschappelijken stamvader der Primaten [390], zeer schoon:
-
-„En somme, pourquoi rougirions-nous d’un tel ancêtre? Si nous devons
-rougir de notre généalogie, rougissons plutôt de descendre des sauvages
-cannibales qui ont habité les cavernes de la Belgique et de la Ligurie,
-de ces races brutales qui faisaient de la guerre, de la rapine et du
-vol leurs moyens d’existence et leur gloire; de ces Gaulois qui
-arrosaient de sang humain les autels de leur dieux aussi féroces
-qu’eux-mêmes; de ces Francs, de ces barbares, qui, ne connaissant que
-le droit de leur épée, vinrent envahir et étouffer la civilisation
-gréco-latine, ajouter leurs vices à ses vices, et replonger le monde
-pour mille ans dans la barbarie à laquelle il commençait à échapper.
-Rougissons de compter parmi nos ayeux ces barons pillards du moyen âge,
-qui n’ètaient que des détrousseurs de grands chemins, libres et
-privilégiés pour commettre tous les crimes sans crainte de châtiment et
-irresponsables derrière les crénaux de leurs châteaux-forts; mais
-rougissons aussi d’être les petits-fils de ces Jacques Bonshommes qui,
-après avoir été longtemps pillés et pendus par leurs barons, ne surent
-user de leurs droits reconquis que pour piller et pendre à leur tour.
-Rougissons enfin d’appartenir à cette race chrétienne qui, sous
-prétexte de venger Dieu, a fait les croisades, les auto-da-fé, la
-Saint-Barthélemy, les dragonnades, qui a élevé des bûchers aux Vanini,
-aux Giordano Bruno, aux Jean Huss, aux Servet, emprisonné les
-Campanella, fait abjurer les Galilée; rougissons de nos pères
-eux-mêmes, qui n’ont pas su défendre, sans l’ensanglanter, la liberté
-qu’ils avaient reconquise; mais surtout rougissons de nous-mêmes, qui
-laissons périr, sans le faire fructitier, sans savoir même le
-conserver, l’accroître, l’héritage d’héroïsme et de grandes pensées, de
-victoires et de sacrifices, de vérités nouvelles et d’aspirations
-généreuses qu’au prix de leur vie ils nous ont légué.
-
-„S’il est vrai que nous comptions des brutes pour ancêtres, que les
-progrès déjà accomplis par notre race nous donnent la mesure de ceux
-que nous pourrons accomplir encore, et que notre retour sur notre passé
-ne serve qu’à nous donner pour l’avenir de plus magnifiques espérances.
-Après tout, mieux vaudrait descendre, même en droite ligne, d’un orang
-inoffensif qui n’a jamais fait la guerre à qui ne l’attaquait pas, que
-d’être fils d’un Timour, d’un Gengis, d’un Attila, voire mème d’un
-Alexandre ou d’un César, enfin d’un de ces fléaux de l’humanité qui
-marquent tous leurs pas d’un sillon sanglant, ne comptent leurs jours
-que par leurs mensonges et ne fondent leurs empires éphémères que sur
-les débris frémissants de nations libres faites esclaves!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.
-
-STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN
-HET MENSCHELIJK GESLACHT. [391]
-
-DOOR Dr. P. HARTING,
-in leven Hoogleeraar te Utrecht.
-
-
-A. ALGEMEENE STELLINGEN.
-
-1. De organische schepping maakt een onafgebroken geheel uit, van het
-eerste verschijnen van levende wezens op aarde af tot aan den
-tegenwoordigen tijd toe.
-
-2. De vormen, waarin zich het leven opvolgend heeft geopenbaard, zijn
-steeds in overeenstemming geweest met de levensvoorwaarden en deze met
-de levensomstandigheden.
-
-3. De levensvormen zijn het product van twee factoren: van de
-erfelijkheid der eigenschappen, die bewarend, en van het het zich
-voegen (adapteeren) naar de levensomstandigheden, dat veranderend
-werkt. [392]
-
-4. Met en ten gevolge van de allengs voortgaande veranderingen waarvan
-de oppervlakte der aarde het tooneel is geweest, en van de ontwikkeling
-van de organische wereld zelve, heeft er een voortdurende
-differentieering der levensomstandigheden plaats gegrepen, waarmede een
-differentieering der levensvormen gelijken tred heeft gehouden.
-
-5. Gedurende het bestaan van het organische leven op aarde zijn de
-levensvormen allengs samengestelder geworden in dien zin: dat zich bij
-de lagere en eenvoudiger vormen hoogere en samengestelder hebben
-gevoegd, die in het bezit waren van organen en organenstelsels, welke
-bij de vroeger geleefd hebbende vormen niet of in minder ontwikkelden
-toestand bestonden.
-
-6. De ontwikkeling der organische vormen is echter niet een in alle
-richtingen progressieve geweest; zij is in bepaalde gevallen weder
-regressief geworden, zoowel ten aanzien der bijzondere levensvormen als
-ten aanzien der organen. Van laatstgenoemde kunnen, als gevolg van het
-beginsel der erfelijkheid, bij latere generaties nog zeer langen tijd
-sporen (rudimenten) overblijven, ook dan wanneer deze geenerlei voor
-het leven nuttige beteekenis meer hebben. Deze kunnen worden beschouwd
-als herinneringsteekens aan vroegere toestanden, waarin die deelen wel
-een nuttige beteekenis hadden.
-
-7. De tijd, gedurende welken de aarde door levende wezens bewoond is
-geweest, is onberekenbaar lang en volkomen toereikend voor de
-voorstelling, dat de nakomelingen van oorspronkelijk gelijke
-vormen,—door zeer kleine, bij de individu’s optredende verschillen,
-maar die, zich erfelijk voortplantende en zich accumuleerende gedurende
-een reeks van opeenvolgende generaties, allengs grooter
-werden,—eindelijk zoozeer van elkander verschillen, dat zij tot
-onderscheidene Soorten, Geslachten, Families, Orden, en zelfs Klassen
-worden gebracht.
-
-8. Een onderlinge vergelijking der levensvormen leert, dat zij de
-verwezenlijking zijn van grondplannen, met tallooze kleinere en
-grootere wijzigingen in de bijzonderheden der uitvoering, zonder dat
-daardoor het grondplan ophoudt herkenbaar te zijn. Deze gelijkheid van
-het plan van bewerktuiging van overigens door gedaante en levenswijze
-zeer uiteenloopende wezens, wijst met waarschijnlijkheid op een
-gemeenschappelijken oorsprong.
-
-9. De ontwikkeling der individu’s, welke binnen een kort tijdsbestek
-plaats grijpt, levert tot op zekere hoogte een getrouw beeld van de
-opeenvolging der verschillende levensvormen in de zeer lange
-tijdsruimte, welke is verstreken sedert de aarde de woonplaats van
-levende wezens is geworden. Elke individueele levensvorm doorloopt
-gedurende zijn ontwikkeling een reeks van toestanden, welke voor
-andere, op een lageren trap staande levensvormen, blijvende zijn. Ook
-de ontwikkeling van het individu gedurende het vruchtleven is deels
-progressief, deels regressief. Organen die gedurende een zekeren
-toestand der vrucht een nuttige beteekenis hadden, verdwijnen weder of
-laten slechts sporen achter.
-
-
-
-B. BIJZONDERE STELLINGEN MET BETREKKING TOT DEN OORSPRONG VAN HET
-MENSCHELIJK GESLACHT.
-
-10. De beschaving is niet van één maar van verscheidene middelpunten
-uitgegaan. Alleen de Indo-Germaansche beschaving heeft haar bron in de
-hooglanden van Midden-Azië. Er bestaat derhalve geen enkele reden om
-daar, met uitsluiting van andere gedeelten der aarde, de plaats van
-oorsprong van het menschelijk geslacht te zoeken.
-
-11. De ouderdom van het menschelijk geslacht is zeer veel grooter dan
-men vroeger heeft gemeend. Zelfs de geschiedkundige oorkonden,
-afkomstig uit een tijd, toen de beschaving van sommige volken reeds een
-vrij hoogen trap had bereikt, reiken eenige duizenden jaren verder.
-
-12. Een menigte van feiten duidt aan, dat aan dien geschiedkundigen
-tijd een veel langere tijdruimte is voorafgegaan, gedurende welke
-Europa reeds werd bewoond door wilde volksstammen die in leefwijze
-overeenstemden met andere nog heden ten dage levende volken, welke op
-een zeer lagen trap van beschaving staan. Het is derhalve hoogst
-waarschijnlijk, dat overal aan den toestand van beschaving een wilde
-toestand is voorafgegaan en dat de beschaving, hoewel zij in den loop
-der tijden en bij bepaalde volken ook van elders kan zijn ingevoerd,
-toch eenmaal door allengsche zelfstandige ontwikkeling is ontstaan.
-
-13. De oudste menschelijke bewoners van Europa leefden gelijktijdig met
-verscheidene thans uitgestorven soorten van dieren, in een tijd, toen
-de gedaante van dit werelddeel en de verdeeling van land en water
-daarin aanmerkelijk verschilden van de tegenwoordige.
-
-14. Het is niet waarschijnlijk, dat ergens in Europa de plaats van
-oorsprong van het menschelijk geslacht is geweest, maar dit werelddeel
-is waarschijnlijk eerst door menschen bevolkt geworden, nadat deze
-elders de eerste trappen van beschaving hadden bereikt. Vermoedelijk
-was de eerste woonplaats, die tevens de plaats van oorsprong was,
-tusschen of nabij de keerkringen gelegen, of althans in een streek,
-waarvan het klimaat met dat der hedendaagsche keerkringslanden
-overeenkwam. [393] Die plaats van oorsprong is waarschijnlijk in het
-Oostelijk halfrond te zoeken.
-
-15. De schepping van het menschelijk geslacht kan vergeleken worden met
-de schepping van elken individueelen mensch. De veranderingen die bij
-den laatsten, gedurende de vorming der vrucht, in den loop van weinige
-maanden plaats grijpen, geven een beeld van de veranderingen die, na
-verloop van millioenen jaren, met het ontstaan van den menschelijken
-vorm, zooals wij dien kennen, zijn geëindigd.
-
-In zijn allereersten toestand is elk mensch een slechts even zichtbaar
-protoplasmaklompje, zonder waarneembare differentieering van bijzondere
-deelen of organen, het naast overeenkomende met de op den laagsten trap
-staande, zelfstandige levende en zich voortplantende organische wezens,
-Amoeben en verwante vormen.
-
-Wanneer de differentieering een zekeren trap heeft bereikt, stemt de
-embryo van een mensch het naast overeen met de larve eener Ascidië.
-[394]
-
-Bij voortgaande differentieering van organen, verkrijgt de embryo een
-maaksel, dat, in meer ontwikkelden, blijvenden vorm, bij de Visschen
-wordt teruggevonden.
-
-Daarop volgt een toestand, welke voor sommige Reptiliën de blijvende
-is.
-
-Ook dan, wanneer zich reeds duidelijk de Zoogdieren-typus begint te
-openbaren, doorloopt de vrucht van den mensch toch nog toestanden, die
-bij andere, lagere zoogdieren blijvend vertegenwoordigd zijn.
-
-In een zeker levenstijdperk vertoont de vrucht van een mensch geenerlei
-in het oog loopend verschil van de vrucht van een dier uit de Orde der
-Quadrumana. Eerst in de laatste maanden der ontwikkeling treden de
-eigenaardigheden in het maaksel, waardoor het menschelijk lichaam van
-dat der Quadrumana verschilt, duidelijker en duidelijker te voorschijn.
-
-16. De verschillen in het lichamelijk maaksel der Quadrumana en dat van
-den mensch zijn geen volstrekte maar betrekkelijke. Zij bepalen zich
-tot een ongelijkmatige ontwikkeling der zelfde in morphologisch opzicht
-geheel overeenstemmende organen. In het lichaam van den mensch wordt
-geen enkel deel gevonden, waarvan het homologon niet ook bij een of
-meer aapsoorten voorkomt. Verscheidene eigenaardigheden van het maaksel
-heeft de mensch alleen met de hoogere aapsoorten gemeen.
-
-17. Toch is dit betrekkelijk verschil tusschen zelfs de laagste thans
-levende menschenrassen en de op den hoogsten trap staande Quadrumana,
-de Anthropomorphen, zeer aanmerkelijk en grooter dan dat tusschen de
-verschillende soorten dezer Orde, ofschoon minder groot dan dat
-tusschen haar op den hoogsten en haar op den laagsten trap staande
-soorten, die echter door nog levende tusschenvormen zijn verbonden.
-
-Een zeer diepe, alhoewel niet onpeilbare kloof scheidt dus, in de thans
-bestaande wereldorde, den mensch van de hem het naastbij komende
-dieren. [395]
-
-18. Het vroeger gekoesterde vermoeden, dat in de eene of andere, nog
-onbekende streek der aarde menschen zouden worden aangetroffen die nog
-meer dan de reeds bekende met sommige soorten van apen zouden
-overeenstemmen, heeft zich niet alleen geenszins bevestigd, maar bij de
-thans bestaande zeer uitgebreide kennis van de bewoners der aarde,
-waarvan bijna geen plekje meer door reiziger onbezocht is gebleven, mag
-men wel als zeker stellen, dat zulke tusschenvormen als volk nergens
-bestaan.
-
-19. Er worden echter van tijd tot tijd, zonder dat men daarvoor
-bepaalde oorzaken kan opgeven, onder verschillende rassen, ook de
-hoogste, menschen geboren (microcephalen), die in eenige opzichten,
-vooral door de geringe ontwikkeling van de hersenen en van de
-schedeldoos en door een daarmede gepaard gaanden lagen trap der
-intellectueele vermogens, tot de hoogste Quadrumana naderen. Hun
-toestand is het gevolg van het blijven staan der vrucht op een
-ontwikkelingstrap die voor den normalen mensch een voorbijgaande is.
-
-20. Onder de Quadrumana is er geen enkele soort, die gezegd kan worden
-onder alle den mensch het meest nabij te komen. De verschillen van en
-overeenkomsten met den mensch zijn over verscheidene soorten verdeeld.
-Er bestaat derhalve ook geen enkele grond om in een der heden ten dage
-levende aapsoorten den nog levenden vertegenwoordiger te zien van den
-oorspronkelijken mensch.
-
-21. Daarentegen bestaan er vele gronden die het waarschijnlijk maken,
-dat de mensch en de soorten van de Orde der Quadrumana uit een
-gemeenschappelijken stam zijn ontsproten, waarvan een sterk
-divergeerende tak tot het menschelijk geslacht is geworden. Deze
-differentieering moet dan echter in een onberekenbaar lang verleden
-tijd hebben plaats gegrepen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-OVER DE MENSCHENRASSEN.
-
- De aard en waarde van soortkenmerken. Toepassing op de
- menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der
- zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten
- (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van
- kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest
- tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den
- mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras
- stamt niet af van een enkel paar.—Het uitsterven van rassen.—Het
- ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed
- van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke
- teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele
- teeltkeus.
-
-
-Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde
-menschenrassen te beschrijven; maar te onderzoeken, welke de waarde der
-tusschen dezelve bestaande verschillen is uit het oogpunt der
-klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen, of
-twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als
-verscheidenheden, worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende
-overwegingen, te weten: de hoegrootheid van het verschil tusschen hen;
-of die verschillen op weinige of op vele punten van het maaksel
-betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt
-belangrijk, en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der
-kenmerken wordt door de natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en
-gezocht. Zoodra kan worden aangetoond, of het waarschijnlijk is, dat de
-vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak onveranderd zijn
-gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten
-te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen
-twee vormen, als men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt
-algemeen beschouwd als een beslissend bewijs, dat het twee
-afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven in een
-zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt
-gewoonlijk beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate
-van wederkeerige onvruchtbaarheid, of bij dieren van een zekeren afkeer
-om met elkander te paren.
-
-Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het
-volkomen ontbreken in een goed doorzochte streek van verscheidenheden
-die twee nauw verwante vormen met elkander verbinden, waarschijnlijk
-het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk verschil; en dit
-is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid
-van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder
-daarom nog tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te
-brengen. De geographische verspreiding is dikwijls onbewust en soms ook
-met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk beschouwt men vormen
-die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de meeste
-andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als
-verschillende soorten; maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om
-geographische rassen van zoogenaamde goede of ware soorten te
-onderscheiden.
-
-Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den
-mensch toepassen, hen in den zelfden geest beschouwende als een
-natuuronderzoeker dit elk ander dier zou doen. Wat de hoegrootheid van
-het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten wij eenigszins in
-rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij wat is
-verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten.
-Hoewel in Indië, zooals Elphinstone opmerkt [396], een pas aangekomen
-Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet van
-elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst
-ongelijk; en de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien
-tusschen de verschillende Europeesche volken. (1) Zelfs de het meest
-van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen
-uitgezonderd, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori
-zou onderstellen. Dit wordt goed bewezen door de Fransche photogrammen
-van menschen, tot verschillende rassen behoorende, in de „Collection
-Anthropologique du Muséum”, waarvan de meesten, gelijk vele personen,
-aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt, voor Europeanen zouden kunnen
-doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als men ze levend
-zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk
-eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de
-gelaatstrekken en de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel
-uitoefenen.
-
-Het valt echter niet te betwijfelen, dat de verschillende rassen, als
-men ze zorgvuldig vergelijkt en meet, veel van elkander
-verschillen,—zooals in den aard van het haar (2), de betrekkelijke
-verhoudingen van alle deelen van het lichaam [397], de grootte der
-longen, den vorm en de grootte van den schedel en zelfs in de
-hersenwindingen. [398] (3) Het zou echter een eindelooze taak zijn om
-de punten, waarin hun maaksel verschilt, op te noemen. De rassen
-verschillen ook in gestel, in geschiktheid tot het wonen onder een
-bepaald klimaat, en in vatbaarheid voor verschillende ziekten. Hun
-geestelijke kenmerken zijn ook zeer onderscheiden, zooals vooral blijkt
-uit den aard hunner gemoedsaandoeningen, maar gedeeltelijk ook uit hun
-verstandelijke vermogens. Iedereen, die de gelegenheid tot vergelijking
-heeft gehad, moet getroffen zijn door het kontrast tusschen de
-stilzwijgende, ja, zelfs norsche inboorlingen van Zuid-Amerika en de
-luchthartige, babbelachtige negers. Ongeveer het zelfde kontrast
-bestaat er tusschen de Maleiers en Papoea’s [399], die onder de zelfde
-physische voorwaarden leven, en slechts door enge zeearmen van elkander
-worden gescheiden.
-
-Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten
-gunste der meening, dat de menschenrassen als afzonderlijke soorten
-behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen
-pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens
-had gezien, een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met
-elkander moest vergelijken, zou hij dadelijk bespeuren, dat zij in een
-menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang, van
-elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij
-ingericht waren om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij
-een weinig in lichaamsgestel en geestelijken aanleg verschilden. Indien
-men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde
-landen konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij
-even goede soorten waren, als vele waaraan hij gewoon was geweest
-bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit zou zeer worden versterkt,
-zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende vele
-eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar
-volkomen gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000
-jaar hadden geleefd. [400] Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr.
-Lund [401], hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van
-Brazilië gevonden, begraven in gezelschap van die van vele uitgestorven
-zoogdieren, tot het zelfde type behoorden als die welke thans over het
-geheele Amerikaansche vasteland heerscht. (5)
-
-Onze natuuronderzoeker zou dan wellicht overgaan tot de geographische
-verspreiding, en hij zou dan waarschijnlijk verklaren, dat vormen die
-niet slechts in uiterlijk verschilden, maar pasten voor de heetste en
-vochtigste of droogste landen, zoowel als voor de poolstreken,
-soortelijk verschillend moesten zijn. Hij zou zich kunnen beroepen op
-het feit, dat in de groep welke het nauwst met den mensch verwant is,
-namelijk de apen, geen enkele soort een lage temperatuur of eenige
-aanmerkelijke klimaatsverandering kan weêrstaan en dat men er nimmer in
-is geslaagd om die soorten welke den mensch het meest nabijkomen, zelfs
-in het gematigde klimaat van Europa tot hun volwassen leeftijd toe in
-leven te houden. Het feit, dat het eerst door Agassiz is opgemerkt
-[402], dat de verschillende menschenrassen over de wereld zijn
-verspreid in de zelfde zoölogische gewesten als die welke door
-ontwijfelbaar verschillende soorten en geslachten van zoogdieren worden
-bewoond, zou een diepen indruk op hem maken. Dit is kennelijk het geval
-met de Nieuw-Hollandsche, Mongoolsche en Neger-rassen; op minder sterk
-sprekende wijze met de Hottentotten, maar duidelijk met de Papoea’s en
-de Maleiers, die, zooals de heer Wallace heeft aangetoond, ongeveer
-door de zelfde lijn worden gescheiden, welke het Indische zoölogische
-gewest van Insulinde van het Australische scheidt. (6) De inboorlingen
-van Amerika zijn over dat geheele vasteland verspreid en dit schijnt
-eerst tegen bovenvermelden regel te strijden; want de meeste
-voortbrengselen van de zuidelijke en de noordelijke helft verschillen
-zeer; eenige weinige levende vormen, zooals de buidelratten of
-opossums, gaan echter van de eene in de andere over, evenals vroeger
-sommige reusachtige Tandelooze Dieren (Edentata) deden. De Eskimo’s
-strekken zich, evenals andere pooldieren, rondom over de geheele
-poolstreek uit. (7) Men moet bedenken, dat de zoogdiervormen die de
-verschillende zoölogische gewesten bewonen, niet in de zelfde mate van
-elkander verschillen, zoodat het moeielijk als een tegenstrijdigheid
-kan worden beschouwd dat de Neger meer en de inboorlingen van Amerika
-veel minder van de andere menschenrassen verschillen dan de zoogdieren
-der zelfde vastelanden van die van de andere gewesten. Men mag er
-bijvoegen, dat de mensch oorspronkelijk geen enkel oceanisch eiland
-schijnt te hebben bewoond; en in dit opzicht gelijkt hij op de andere
-leden van zijn klasse.
-
-Om te bepalen of de verscheidenheden van een of ander huisdier als
-soortelijk verschillend moeten worden gerangschikt, dat is, of eene of
-meer daarvan van een afzonderlijke wilde soort afstammen, zou elk
-natuuronderzoeker veel gewicht hechten aan het feit, zoo dit was
-bewezen, dat hun uitwendige parasieten soortelijk verschilden. Des te
-meer gewicht zou aan dit feit worden gehecht, daar het geheel
-exceptioneel zou zijn; want de heer Denny heeft mij medegedeeld, dat de
-verschillende rassen van honden, en evenzoo die van kippen en van
-duiven, in Engeland door de zelfde soorten van luizen (Pediculi) worden
-geplaagd. Nu heeft de heer A. Murray zorgvuldig de luizen onderzocht in
-verschillende landen op de verschillende menschenrassen verzameld
-[403]; en bevonden, dat zij niet slechts in kleur, maar ook in het
-maaksel hunner klauwen en ledematen verschilden. In elk geval, waarin
-talrijke voorwerpen werden verkregen, waren de verschillen standvastig
-(constant). De scheepsdokter van een walvischvaarder in den Stillen
-Oceaan verzekerde mij, dat, wanneer de luizen, waarvan sommige
-Sandwich-eilanders aan boord krioelden, op de lichamen van de Engelsche
-matrozen verdwaalden, zij binnen den tijd van drie of vier dagen
-stierven. Deze luizen waren donkerder gekleurd dan en schenen
-verschillend van die der inboorlingen van Chili in Zuid Amerika,
-waarvan hij mij voorwerpen gaf. Deze schenen op haar beurt grooter en
-veel zachter dan Europeesche luizen. De heer Murray verschafte zich
-vier soorten uit Afrika, namelijk van de Negers van de Oost- en
-Westkust, van de Hottentotten en de Kaffers; twee soorten van de
-inboorlingen van Nieuw-Holland, en twee uit Zuid-Amerika. In deze
-laatste gevallen mag men veronderstellen, dat de luizen afkomstig waren
-van inboorlingen die verschillende streken bewoonden. Bij insekten
-beschouwt men geringe afwijkingen van maaksel, als zij standvastig
-(constant) zijn, algemeen als soortkenmerken; en het feit, dat de
-menschenrassen worden geplaagd door parasieten die soortelijk van
-elkander verschillen, kan men gerust doen gelden als een uitnemend
-bewijs, dat die rassen zelven als afzonderlijke soorten moeten worden
-gerangschikt.
-
-Wanneer onze onderstelde natuuronderzoeker zoover met zijn onderzoek
-was gevorderd, zou hij vervolgens onderzoeken, of de menschenrassen,
-als zij zich met elkander kruisten, in meerdere of mindere mate
-onvruchtbaar waren. Hij zou dan het werk [404] van een behoedzaam en
-wijsgeerig waarnemer, Professor Broca, kunnen raadplegen, en zou daarin
-goede bewijzen vinden, dat sommige rassen volkomen vruchtbaar met
-elkander waren, maar ook bewijzen van tegenovergestelden aard ten
-opzichte van andere rassen. Zoo heeft men verzekerd, dat de vrouwelijke
-inboorlingen van Nieuw-Holland en van Diemensland zelden kinderen
-voortbrengen bij Europeesche mannen; het is tegenwoordig echter
-gebleken, dat de bewijzen hiervoor bijna volstrekt geen waarde hebben.
-De bastaarden worden door de zwarten van onvermengd bloed gedood, en
-onlangs is een verhaal publiek gemaakt van elf bastaarden,
-tegelijkertijd vermoord en verbrand en wier overblijfselen door de
-politie werden gevonden. [405] (8) Men heeft ook wel beweerd, dat
-mulatten, als zij met elkander huwen, weinig kinderen voortbrachten;
-Dr. Bachman van Charleston [406] verzekert daarentegen ten stelligste,
-dat hij mulattenfamilies heeft gekend, die gedurende verscheidene
-generaties onderling waren gehuwd, en voortdurend gemiddeld even
-vruchtbaar waren als zuivere blanken of zuivere zwarten.
-Onderzoekingen, weleer hieromtrent door Sir C. Lyell ingesteld, leidden
-hem, naar hij verzekert, tot het zelfde besluit. In de Vereenigde
-Staten omvatte de volkstelling voor het jaar 1854, volgens Dr. Bachman,
-405 751 mulatten; en dit getal schijnt, alle omstandigheden in
-aanmerking genomen, klein; maar dit kan wellicht gedeeltelijk worden
-toegeschreven aan hun lage en onregelmatige plaats in de maatschappij
-en aan de losbandige levenswijze der vrouwen. De mulatten moeten zich
-voortdurend in zekere mate in de negers oplossen, en dit moet leiden
-tot een schijnbare vermindering van het aantal der eersten. In een werk
-dat vertrouwen verdient [407], wordt van de mindere levenskracht der
-mulatten als van een bekend feit gesproken; maar dit is iets geheel
-anders dan hun verminderde vruchtbaarheid en kan moeilijk worden
-beschouwd als een bewijs voor het soortelijk verschil der stamrassen.
-Ongetwijfeld zijn zoowel dierlijke als plantaardige bastaarden, wanneer
-zij zijn voortgebracht door uiterst verschillende soorten, onderhevig
-aan een vroegen dood; maar de ouders van mulatten kunnen niet tot de
-categorie van uiterst verschillende soorten worden gebracht. Het gewone
-muildier, zoo bekend wegens zijn lang leven en kracht, en echter zoo
-onvruchtbaar, toont, hoe weinig noodzakelijk verband er bij bastaarden
-bestaat tusschen verminderde vruchtbaarheid en levenskracht; andere
-soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
-
-Zelfs wanneer het later zou worden bewezen, dat alle menschenrassen
-volkomen vruchtbaar met elkander waren, zou hij, die wegens andere
-redenen er toe overhelde om ze als verschillende soorten te beschouwen,
-terecht kunnen aanvoeren, dat vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid geen
-veilige kenteekenen van soortelijk verschil waren. Wij weten, dat
-veranderde levensvoorwaarden of huwelijken tusschen bloedverwanten
-gemakkelijk op deze hoedanigheden inwerken en dat zij worden beheerscht
-door zeer samengestelde wetten, bij voorbeeld die van ongelijke
-vruchtbaarheid van wederkeerige kruisingen tusschen de twee zelfde
-soorten. Bij vormen, die ontwijfelbaar als verschillende soorten moeten
-worden gerangschikt, bestaat er een volledige reeks van die welke bij
-kruising volkomen onvruchtbaar zijn, tot die welke bijna volkomen of
-volkomen vruchtbaar zijn. De graden van onvruchtbaarheid vallen niet
-volkomen samen met de graden van verschil in uiterlijk maaksel en
-levenswijze. De mensch mag in vele opzichten worden vergeleken met die
-dieren welke sinds langen tijd zijn getemd, en men kan een menigte
-bewijzen bijbrengen ten gunste van de leer van Pallas [408], dat de
-temming een neiging doet geboren worden tot opheffing der
-onvruchtbaarheid, die zoo algemeen wordt waargenomen bij de kruising
-van soorten in den natuurstaat. Uithoofde dezer verschillende
-overwegingen zou men terecht kunnen aanvoeren, dat de volkomen
-onvruchtbaarheid bij de kruisingen tusschen de verschillende
-menschenrassen, als zij was bewezen, ons nog niet volkomen zou beletten
-om ze als verschillende soorten te beschouwen.
-
-Onafhankelijk van de vruchtbaarheid, heeft men soms gemeend, dat de
-aard van het kroost dat uit een kruising ontstaat, bewijzen leverde, of
-de stamvormen als soorten of als verscheidenheden moesten worden
-gerangschikt; maar na die bewijzen zorgvuldig te hebben bestudeerd, ben
-ik tot het besluit gekomen, dat dergelijke algemeene regels geen
-vertrouwen verdienen. Het gewone resultaat van een kruising is het
-voortbrengen van een gemengden of tusschenliggenden vorm, maar in
-sommige gevallen gelijken sommige nakomelingen zeer op den éénen
-ouderlijken vorm, en andere op den anderen. Dit is vooral het geval,
-wanneer de ouders verschillen in kenmerken, die eerst als plotselinge
-variaties of monstruositeiten zijn verschenen. [409] Ik wijs hierop
-omdat Dr. Rohlfs mij mededeelt dat hij in Afrika dikwijls heeft gezien
-dat de kinderen uit een kruising van negers met andere rassen, hetzij
-volkomen zwart of geheel blank of enkele malen zwart en wit gevlekt
-waren. Daarentegen is het algemeen bekend, dat in Amerika de mulatten
-tusschen die der stamrassen in liggende kenmerken vertoonen.
-
-Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen
-gerechtigd zou mogen gevoelen om aan de menschenrassen den rang van
-afzonderlijke soorten toe te kennen; want hij heeft bevonden, dat zij
-zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel en gesteldheid,
-waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende
-zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De
-verbazende verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is
-in de klasse der zoogdieren, zoo de mensch als een enkele soort wordt
-beschouwd, zal ook eenigermate invloed op zijn besluit hebben gehad.
-Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende zoogenaamde
-rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere
-ongetwijfeld soortelijk van elkander verschillende zoogdieren.
-Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen, dat de wederzijdsche
-vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen, en zelfs
-als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat
-zij tot een enkele soort behoorden.
-
-
-
-Laten wij thans de zaak uit een tegenovergesteld oogpunt beschouwen.
-Als onze onderstelde natuuronderzoeker onderzocht, of de vormen van den
-mensch evenals gewone soorten onverbasterd naast elkander bleven
-voortbestaan, als zij in een en het zelfde land in groot aantal
-dooreengemengd leefden, zou hij dadelijk ontdekken, dat dit geenszins
-het geval is. In Brazilië zou hij een hoogst talrijke bastaardbevolking
-van Negers en Portugeezen zien; in Chili en andere deelen van
-Zuid-Amerika zou hij zien, dat de geheele bevolking bestond uit
-Indianen en Spanjaarden in verschillende graden met elkander gekruist.
-[410] In vele deelen van het zelfde vasteland zou hij de meest
-samengestelde kruisingen tusschen Negers, Indianen en Europeanen
-ontmoeten, en dergelijke driedubbele kruisingen leveren, naar het
-Plantenrijk te oordeelen, het sterkste bewijs voor de wederkeerige
-vruchtbaarheid der stamvormen. Op één eiland in den Stillen Oceaan zou
-hij een kleine bevolking van gemengd Polynesisch en Engelsch bloed
-aantreffen (10); en in den Fidji-archipel een bevolking van in alle
-graden met elkander gekruiste Polynesiërs en Negrito’s. Vele
-overeenkomstige gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd, bij
-voorbeeld, in Zuid-Afrika. Derhalve zijn de menschenrassen niet
-verschillend genoeg om zonder vermenging naast elkander te blijven
-bestaan; en dit is het, dat in alle gewone gevallen het gebruikelijke
-bewijs levert van soortelijk verschil.
-
-Onze natuuronderzoeker zou ook zeer in de war geraken, als hij
-bemerkte, dat de onderscheidene kenmerken van elk menschenras in hooge
-mate variabel waren. Dit treft iedereen, als hij voor het eerst de
-negerslaven in Brazilië ziet, die uit alle deelen van Afrika zijn
-ingevoerd. De zelfde opmerking houdt steek bij de Polynesiërs en bij
-vele andere rassen. Het mag worden betwijfeld, of er één kenmerk zou
-kunnen worden opgenoemd, dat voor een ras onderscheidend en tevens
-standvastig (constant) is. Wilden, zelfs binnen de grenzen van éénen en
-den zelfden stam, zijn lang zoo eenvormig van kenmerken niet, als
-dikwijls is gezegd. Hottentotsche vrouwen vertoonen eenige kenmerken
-welke sterker zijn uitgedrukt dan die van eenig ander ras, en toch is
-het bekend, dat deze niet standvastig voorkomen. (11) Bij de
-onderscheidene Amerikaansche stammen bestaan aanmerkelijke verschillen
-in kleur en behaardheid; evenals zulks bij de Afrikaansche Negers met
-de kleur tot op zekere hoogte, en met den vorm der gelaatstrekken in
-hooge mate het geval is. In den vorm van den schedel heerscht bij
-sommige rassen zeer veel verscheidenheid [411]; en evenzoo is het met
-elk ander kenmerk. Nu hebben alle natuuronderzoekers door duur gekochte
-ondervinding geleerd, hoe overijld het is soorten te bepalen met behulp
-van onstandvastige kenmerken.
-
-De gewichtigste van alle bewijsgronden tegen het beschouwen van de
-menschenrassen als verschillende soorten, is echter, dat zij
-trapsgewijze, in vele gevallen, voor zoover wij kunnen oordeelen,
-onafhankelijk van hun onderlinge kruising, door trapsgewijze overgangen
-worden verbonden. De mensch is zorgvuldiger bestudeerd, dan eenig ander
-organisch wezen; en toch heerscht onder bevoegde rechters het grootste
-verschil van gevoelen, of hij als ééne soort of ras moet worden
-beschouwd, of als twee (Virey) (12), als drie (Jacquinot), als vier
-(Kant), vijf (Blumenbach), zes (Buffon), zeven (Hunter), acht
-(Agassiz), elf (Pickering), vijftien (Bory St. Vincent), zestien
-(Desmoulins), twee-en-twintig (Morton), zestig (Crawfurd), of als
-drie-en-zestig, volgens Burke [412] (13). Dit verschillend oordeel
-bewijst niet, dat de rassen niet als soorten moeten worden
-gerangschikt, maar het bewijst, dat zij in elkander overgaan, en dat
-het nauwelijks mogelijk is duidelijke onderscheidende kenmerken
-tusschen hen te vinden.
-
-Ieder natuuronderzoeker die het ongeluk heeft gehad om de beschrijving
-te ondernemen van een groep organismen die zeer veel verscheidenheid
-vertoonen, heeft gevallen ontmoet (ik spreek bij ondervinding) volkomen
-gelijk aan dat van den mensch; en, indien hij voorzichtig van aard is,
-zal hij ten laatste al de vormen die in elkander overgaan, tot een
-enkele soort vereenigen; want hij zal tot zich zelf zeggen, dat hij
-geen recht heeft om namen te geven aan voorwerpen die hij niet kan
-bepalen. Gevallen van deze soort komen voor in de orde waartoe de
-mensch behoort, namelijk bij zekere geslachten van apen; terwijl bij
-andere geslachten, zooals bij de Meerkatten (Cercopithecus), de meeste
-soorten met zekerheid kunnen worden bepaald. Bij het Amerikaansche
-geslacht Cebus worden de verschillende vormen door sommige
-natuuronderzoekers als soorten, door andere eenvoudig als geographische
-rassen beschouwd. Indien men nu talrijke voorwerpen van Cebus uit alle
-deelen van Zuid-Amerika bijeenverzamelde, en dan bevond, dat die vormen
-welke tegenwoordig als soortelijk verschillend worden beschouwd, door
-langzame overgangen met elkander waren verbonden, zouden zij door de
-meeste natuuronderzoekers eenvoudig als verscheidenheden of rassen
-worden beschouwd en zoo heeft het grootste gedeelte der
-natuuronderzoekers ten opzichte der menschenrassen gehandeld. Toch moet
-men bekennen, dat er vormen zijn, ten minste in het Plantenrijk [413],
-die wij niet kunnen vermijden soorten te noemen, doch die,
-onafhankelijk van bastaardvorming, door tallooze overgangsvormen zijn
-verbonden.
-
-Sommige natuuronderzoekers hebben in den laatsten tijd de uitdrukking
-„onder-soort (sub-species)” gebruikt om vormen aan te duiden, die vele
-kenmerken van ware soorten bezitten, maar toch nauwelijks op zulk een
-hoogen rang aanspraak kunnen maken. Indien wij nu nadenken over de
-boven vermelde gewichtige gronden om de menschenrassen tot de
-waardigheid van soorten te verheffen, en aan den anderen kant aan de
-onoverkomelijke moeielijkheden om hen te bepalen, zou de uitdrukking
-„onder-soorten (sub-species)” hier zeer gepast kunnen worden gebruikt.
-Door de lange gewoonte zal echter de uitdrukking „ras” wellicht altijd
-in gebruik blijven. De keus der uitdrukkingen is slechts in zoover van
-belang, als het hoogst wenschelijk is om zooveel mogelijk altijd de
-zelfde uitdrukkingen te gebruiken voor de zelfde graden van verschil.
-Ongelukkig is dit zelden mogelijk; want in ééne en de zelfde familie
-bevatten de grootere geslachten gewoonlijk nauw verwante vormen die
-slechts met veel moeite van elkander kunnen worden onderscheiden,
-terwijl de kleinere geslachten vormen bevatten, die duidelijk
-verschillen; toch moeten allen als soorten worden gerangschikt. Evenzoo
-gelijken ook de soorten in één en het zelfde groote geslacht in geenen
-deele in de zelfde mate op elkander; in de meeste gevallen kunnen
-integendeel sommige van haar in kleine groepen rondom andere soorten
-worden geschikt, evenals wachters om planeten. [414]
-
-
-
-Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten
-bestaat, hebben de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten
-en de polygenisten, zijn verdeeld, in de laatste jaren veel
-geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet aannemen,
-moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen,
-hetzij als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens
-(„entities”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten
-worden gerangschikt, uit de analogie van andere organische wezens welke
-gewoonlijk als zoodanig worden beschouwd. Het is echter hopeloos om te
-trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen, zoolang niet de eene
-of andere bepaling van de uitdrukking „soort (species)” algemeen is
-aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten,
-waaromtrent men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals
-een scheppingshandeling. Wij zouden even goed kunnen beproeven om
-zonder eenige bepaling te beslissen, of een zeker aantal huizen een
-dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch
-voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele
-nauw verwante zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in
-Noord-Amerika en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als
-geographische rassen moeten worden beschouwd, en evenzoo gaat het met
-de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand van het naaste
-vasteland gelegen eilanden.
-
-Die natuuronderzoekers daarentegen, welke het beginsel van ontwikkeling
-aannemen, en dit wordt tegenwoordig door de meeste opkomende mannen
-aangenomen, zullen volstrekt niet betwijfelen, dat alle menschenrassen
-uit een enkelen oorspronkelijken stam zijn gesproten, hetzij zij het,
-om de hoegrootheid van het verschil tusschen die rassen aan te geven,
-gepast oordeelen ze afzonderlijke soorten te noemen of niet. [415] Bij
-onze huisdieren is de vraag, of de verschillende rassen uit ééne of uit
-meer soorten zijn ontstaan, van een anderen aard. Hoewel al die rassen,
-even goed als de natuurlijke soorten van het zelfde geslacht,
-ongetwijfeld uit eenen en den zelfden oorspronkelijken stam zijn
-gesproten, blijft het toch een gepast onderwerp ter bespreking, of, bij
-voorbeeld, al de tamme rassen van den hond hun tegenwoordige
-verschillen hebben verkregen sedert deze of gene enkele soort door den
-mensch werd getemd en aangefokt, dan wel of zij sommige hunner
-kenmerken zijn verschuldigd aan overerving van verschillende soorten,
-die reeds in den natuurstaat waren gewijzigd.
-
-Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit
-hun gemeenschappelijken stamvader in verschillende richtingen begonnen
-te ontwikkelen, zullen zij slechts weinig van elkander hebben verschild
-en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg zullen zij toen, voor
-zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak op den
-rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande
-zoogenaamde rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige
-natuuronderzoekers wellicht als verschillende soorten zijn
-gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien hun punten van
-verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan
-tegenwoordig en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.
-
-Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege
-voorouders van den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken
-vertoonden, totdat zij meer ongelijk aan elkander werden dan eenige der
-bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals Vogt [416] heeft
-vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het
-zelfde doel de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt
-uitkiest, veroorzaakt hij soms, voor zoover het algemeen uiterlijk
-aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken. Dit is het geval,
-zooals von Nathusius [417] heeft aangetoond, met de verbeterde
-varkensrassen, die van twee verschillende soorten afstammen, en op
-minder goed uitgesproken wijze met de verbeterde veerassen. Een groot
-ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de anthropomorphe apen geen
-natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog ontwikkelde
-gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde
-macacus, en de gorilla een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit
-besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken berust, juist mocht
-zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie) ten
-minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken
-zeker in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle
-gelijkenissen die op analogie berusten, zooals die van een walvisch op
-een visch, kunnen inderdaad worden gezegd gevallen van toenadering
-(convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt voor
-oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze
-(adaptatie) berustende gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen
-uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst in vele punten van het
-maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van wezens die
-eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt
-alleen door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te
-verwonderen, dat ongelijksoortige zelfstandigheden somtijds den zelfden
-vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten wij bedenken, dat de
-vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen
-afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke
-het gevolg zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die
-geheel zou kunnen doorgronden,—van den aard der wijzigingen die
-behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende physische
-toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede
-elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op
-zich zelf een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze
-voorouders waarvan de vormen op hun beurt allen door even samengestelde
-betrekkingen werden bepaald. Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat twee
-organismen, indien zij werkelijk verschilden, later zoo sterk tot
-elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen
-gelijkheid van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het
-bovenvermelde geval van de tot elkander naderende (convergeerende)
-varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog duidelijke bewijzen
-van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere
-beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen,
-zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of
-meer verschillende soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van
-elkander verschilden, als de orang van den gorilla, kan men nauwelijks
-betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het maaksel van sommige
-beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals hij nu
-bestaat. (14)
-
-Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur,
-haar, schedelvorm, evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen,
-zoo vindt men toch, als men hun geheele organisatie beschouwt, dat zij
-in een menigte punten zeer sterk op elkander gelijken. Vele dezer
-punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat het
-uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende
-soorten of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen.
-De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de
-talrijke punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen
-de meest verschillende menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de
-negers en de Europeanen verschillen in geestesgesteldheid evenveel van
-elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij
-telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was,
-hoevele kleine karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun
-geest op den onzen geleek, en evenzoo ging het mij met een volbloed
-neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken voet kwam.
-
-Het kan nauwelijks missen, of de groote gelijkheid in smaak, neigingen
-en gewoonten tusschen menschen van alle rassen moet een diepen indruk
-maken op ieder die de belangwekkende werken van den heer Tylor en Sir
-J. Lubbock leest. [418] Die gelijkheid blijkt uit het behagen dat zij
-allen scheppen in dansen, ruwe muziek, schouwspelen, schilderen,
-tatoeëeren en zich op andere wijzen op te schikken,—uit hun wederkeerig
-begrijpen van gebarentaal—en, gelijk ik in staat zal zijn in een
-volgende verhandeling aan te toonen, uit de gelijkheid van de
-uitdrukking hunner gelaatstrekken en het voortbrengen van de zelfde
-ongearticuleerde kreten, als zij door verschillende gemoedsaandoeningen
-worden geprikkeld. Deze overeenkomst, of liever gelijkheid, is
-treffend, als men haar tegenoverstelt aan de verschillende uitdrukking
-die men bij onderscheidene soorten van apen kan waarnemen. Er bestaan
-goede bewijzen, dat de kunst om met boog en pijlen te schieten, niet
-van eenigen gemeenschappelijken stamvader van het menschelijk geslacht
-aan de nakomelingschap is overgeleverd; toch zijn de steenen
-pijlpunten, van de verst van elkander verwijderde streken der wereld
-aangevoerd en in de langst geleden tijdperken vervaardigd, zooals
-Nilsson heeft aangetoond [419], bijna geheel aan elkander gelijk, en
-dit feit kan alleen worden verklaard door de gelijksoortigheid van de
-uitvindende of verstandelijke vermogens der verschillende rassen. De
-zelfde opmerking is door de oudheidkundigen [420] gemaakt ten opzichte
-van zekere ver verbreide versierselen, zooals zigzaglijnen enz. en ten
-opzichte van verschillende eenvoudige geloofspunten en gewoonten,
-zooals die om de dooden onder megalithische gedenkteekenen te begraven.
-(15) Ik herinner mij in Zuid-Amerika [421] te hebben opgemerkt, dat de
-mensch daar, evenals in zoovele andere deelen der wereld, gewoonlijk de
-toppen van hooge heuvels heeft uitgekozen om daarop steenhoopen op te
-werpen, hetzij om de gedachtenis te bewaren van de eene of andere
-opmerkelijke gebeurtenis, of om zijn dooden te begraven.
-
-Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke
-kleine bijzonderheden en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of
-meer rassen van tamme dieren of tusschen nauw-verwante natuurlijke
-vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond, dat zij alle
-van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was
-en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden
-gebracht. De zelfde bewijsgrond kan met veel kracht op de
-menschenrassen worden toegepast.
-
-Daar het onwaarschijnlijk is, dat de talrijke onbelangrijke punten van
-gelijkenis tusschen de verschillende menschenrassen in lichamelijk
-maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op overeenkomst in
-gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen,
-moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten.
-Wij verkrijgen aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van
-den mensch, voor hij zich stap voor stap over de oppervlakte der aarde
-had verspreid. De verspreiding van den mensch over streken die door
-groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke
-aanmerkelijke uiteenwijking (divergentie) in kenmerken van de
-verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds het zelfde ras in
-verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval. (16)
-Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans
-door de wilden in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de
-mensch niet kan hebben gekend toen hij het eerst verhuisde uit zijn
-oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd, zouden zij nimmer zijn
-vergeten. [422] Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die
-slechts de ontwikkeling van een mespunt, en de knots, die slechts een
-lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven.” Hij neemt
-echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was
-ontdekt; want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan
-de oude holbewoners van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe
-kano’s of vlotten te maken, eveneens bekend, maar, daar de mensch reeds
-in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin de verdeeling van
-land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij ook in
-staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden.
-Sir J. Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze
-vroegste voorouders „tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking
-nemende, dat zoovele thans bestaande rassen het niet verder kunnen
-brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk de verstandelijke
-en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer zijn
-geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de
-oorspronkelijke mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend
-voorspoedig kunnen zijn geweest, als door zijn vroege en verre
-verspreiding wordt bewezen.
-
-Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige
-taalkundigen afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te
-verspreiden, nog geen sprekend dier was; men mag echter vermoeden, dat
-wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne dergene die thans worden
-gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch in latere
-hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het
-gebruik van eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig,
-of het verstand van den mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die
-zijn heerschende stelling in een vroeg tijdperk medebracht.
-
-Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de
-ruwste soort bezat, en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was,
-den naam van mensch verdiende, hangt af van de bepaling die wij
-gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande van een of
-ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat,
-zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de
-uitdrukking „mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter
-een zaak van zeer weinig belang. Evenzoo is het een bijna
-onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen aldus worden
-genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de
-laatste uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen
-wij besluiten, dat, als de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn
-aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer zal duren, de strijd tusschen
-monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten dood zal
-sterven.
-
-
-
-Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan,
-namelijk, of, zooals somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van
-den mensch uit één enkel paar stamouders is gesproten. Bij onze
-huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit een enkel
-paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een
-enkel aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de
-zelfde wijze varieeren, met elkander te doen paren, maar onze meeste
-rassen zijn gevormd, niet met voordacht uit een enkel uitgekozen paar,
-maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s, die, hoewel
-in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden.
-Indien men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of
-zwaarder gebouwde paarden, en in een ander land aan lichter gebouwde en
-vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn, dat in den loop der tijden twee
-verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht, zonder dat het
-eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van
-de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die
-wijze gevormd, en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der
-natuurlijke soorten. Wij weten ook, dat de paarden die naar de
-Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende
-generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het
-wild de Pampa’s hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben
-gekregen; en dergelijke veranderingen worden klaarblijkelijk niet
-daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, dat al de individu’s
-aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp wellicht
-van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen
-dezer gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van
-vele individu’s, die in verschillende mate, maar allen over het
-algemeen op de zelfde wijze varieerden, en wij mogen besluiten, dat de
-menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan, en de
-wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan
-verschillende levensvoorwaarden, of het indirecte gevolg van den eenen
-of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit laatste onderwerp zullen
-wij echter spoedig terugkomen.
-
-
-
-Over het Uitsterven der Menschenrassen.—Het gedeeltelijk en geheel
-uitsterven van vele rassen en onder-rassen van den mensch zijn bekende
-historische feiten. Humboldt zag in Zuid-Amerika een papegaai, die het
-eenige levende schepsel was, dat de taal van een te gronde geganen stam
-nog kon spreken. Oude gedenkteekenen en steenen werktuigen, in alle
-deelen der wereld gevonden, van welke geen overlevering door de
-tegenwoordige bewoners wordt bewaard, wijzen op veel uitsterving.
-Enkele kleine en verstrooide stammen, overblijfselen van voormalige
-rassen, leven nog in afgelegen en gewoonlijk bergachtige streken. In
-Europa stonden al de oude rassen volgens Schaaffhausen [423] „lager op
-de ladder, dan de minst beschaafde der thans levende wilden”; zij
-moeten daarom tot op zekere hoogte van alle bestaande rassen hebben
-verschild. De overblijfselen van Les Eyzies, door Professor Broca
-beschreven [424], wijzen, hoewel zij ongelukkig aan een enkele familie
-schijnen te hebben toebehoord, op een ras dat op de vreemdsoortigste
-wijze lage of aapachtige en hooge kenmerken in zich vereenigde en
-„geheel verschilde van alle andere en nieuwere rassen die wij kennen.”
-Het verschilde derhalve van het quaternaire ras uit de holen van
-België.
-
-Ongunstige physische voorwaarden schijnen slechts weinig invloed op het
-uitsterven der rassen te hebben uitgeoefend. [425] De mensch heeft lang
-in de uiterste streken van het Noorden geleefd zonder hout om zijn
-kano’s en andere benoodigdheden mede te maken, en alleen met traan om
-te branden en hem warmte te geven, maar meer bijzonder om de sneeuw te
-smelten. In het zuidelijk uiteinde van Amerika blijven de Vuurlanders
-in het leven zonder de bescherming van kleederen of van eenig gebouw
-dat waard is een hut te worden genoemd. In Zuid-Afrika doorkruisen de
-inboorlingen de dorste vlakten, waarop de gevaarlijkste dieren in
-overvloed voorkomen. De mensch kan den doodelijken invloed van den
-Terai aan den voet van het Himalayagebergte en van de verpeste stranden
-van tropisch Afrika weêrstaan.
-
-Het uitsterven is hoofdzakelijk het gevolg van den wedstrijd tusschen
-stam en stam, tusschen ras en ras. Er zijn altijd verschillende
-hinderpalen in het spel, in een vorig hoofdstuk opgesomd, die dienen om
-het getal van elken wilden stam te beperken,—zooals periodieke
-hongersnooden, het wegtrekken der ouders en de daarop volgende dood van
-de kinderen, het langdurige zoogen, het stelen van vrouwen, oorlogen,
-ongevallen, ziekten, losbandigheid, vooral kindermoord, en wellicht
-verminderde vruchtbaarheid ten gevolge van minder voedzaam voedsel en
-vele vermoeienissen. Indien door de eene of andere oorzaak ééne dier
-hinderpalen gedeeltelijk wordt weggenomen, al is het slechts voor een
-klein gedeelte, zal de aldus begunstigde stam kans hebben om aan te
-groeien, en als van twee naburige stammen de eene talrijker en
-machtiger wordt dan de andere, is de strijd spoedig beslist door
-oorlog, moord en menscheneterij, slavernij en opslorping. Als een
-zwakker stam zelfs op die wijze niet plotseling wordt weggevaagd, gaat
-hij, indien hij eens begint af te nemen, gewoonlijk daarmede voort,
-totdat hij is uitgestorven. [426]
-
-Als beschaafde volken in aanraking komen met barbaren, is de strijd
-kort, behalve wanneer een doodelijk klimaat het ras der inboorlingen
-helpt. Van de oorzaken welke tot de overwinning der beschaafde natiën
-leiden, zijn sommige duidelijk en andere zeer duister. Wij kunnen
-begrijpen, dat de bebouwing van het land op vele wijzen noodlottig voor
-de wilden zal zijn; want zij kunnen of willen hun gewoonten niet
-veranderen. Nieuwe ziekten en ondeugden zijn hoogst verderfelijk; en
-het schijnt, dat bij elk volk een nieuwe ziekte vele sterfgevallen
-veroorzaakt, totdat zij die de meeste vatbaarheid voor haar doodelijken
-invloed bezaten, allengs zijn uitgeroeid [427], en zoo zal het ook gaan
-met de nadeelige uitwerkselen van geestrijke dranken zoowel als met den
-onbedwingbaar sterken smaak dien zoovele wilden daarvoor toonen. Het
-schijnt verder, hoe geheimzinnig het feit ook zij, dat de eerste
-ontmoeting tusschen verschillende en van elkander gescheiden volken
-ziekten doet ontstaan. [428] De heer Sproat die in Vancouver’s Eiland
-nauwkeurig acht gaf op het onderwerp der uitsterving, gelooft, dat de
-veranderde levensgewoonten die altijd het gevolg zijn van de aankomst
-van Europeanen, veel ongesteldheid veroorzaken. Hij hecht ook groot
-gewicht aan zulk een geringe oorzaak, als dat de inboorlingen „door het
-nieuwe leven rondom hen verbijsterd en neerslachtig worden; zij
-verliezen de beweeggronden die hen tot handelen aanzetten, en krijgen
-geen nieuwe in de plaats.” [429]
-
-De graad van beschaving schijnt een hoogst gewichtig element van het
-succes van natiën die in wedstrijd komen. Weinige eeuwen geleden
-vreesde Europa de invallen van Oostersche barbaren, tegenwoordig zou
-een dergelijke vrees belachelijk zijn. Het is een nog
-opmerkenswaardiger feit, zooals de heer Bagehot [430] heeft opgemerkt,
-dat de wilden vroeger niet wegsmolten voor de klassieke volken, zooals
-zij tegenwoordig voor de hedendaagsche beschaafde volken doen; hadden
-zij dat gedaan, dan zouden de oude zedekundigen over die gebeurtenis
-hebben gemijmerd; maar in geen enkelen schrijver van dat tijdvak vindt
-men klachten over het uitsterven der barbaren. (17) De grootste van
-alle oorzaken van het uitsterven schijnt in vele gevallen een
-vermindering van de vruchtbaarheid en ziekten, vooral onder de
-kinderen, te zijn, ontstaande uit veranderde levensvoorwaarden,
-niettegenstaande die voorwaarden op zich zelven soms niet nadeelig
-zijn. Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer H. H. Howorth, omdat
-deze mijn aandacht op dit onderwerp heeft gevestigd, en mij
-inlichtingen daaromtrent heeft verschaft. Ik heb de volgende
-voorbeelden verzameld.
-
-Toen Tasmania (Van Diemen’s Land) pas werd gekoloniseerd, werd het
-aantal inboorlingen ruwweg geschat door sommigen op 7000, door anderen
-op 20000. Dit aantal werd spoedig veel kleiner, voornamelijk door het
-vechten met de Engelschen en met elkander. Toen na de beruchte jacht
-door al de kolonisten, de overblijvende inboorlingen zich aan de
-regeering overgaven, bestonden zij slechts uit 120 individu’s [431] die
-in 1832 naar Flinders Eiland werden overgebracht. Dit eiland, tusschen
-Tasmania en Nieuw-Holland gelegen, is veertig mijlen lang en van twaalf
-tot achttien mijlen breed; het schijnt er gezond en de inboorlingen
-werden goed behandeld. Toch leed hun gezondheid zeer veel. In 1834
-bestonden zij (Bonwick, blz. 250) uit zeven-en-veertig volwassen
-mannen, acht-en-veertig volwassen vrouwen en zestien kinderen, of te
-zamen uit 111 zielen. In 1835 bleven er nog maar 100 over. Daar zij bij
-voortduring snel in aantal verminderden en zelven dachten dat zij
-elders niet zoo snel zouden uitsterven, werden zij in 1847 naar
-Oyster-Cove in zuidelijk Tasmania overgebracht. Daar bestonden zij toen
-(20 Dec. 1847) uit veertien mannen, twee-en-twintig vrouwen en tien
-kinderen. [432] De verandering van woonplaats deed echter geen goed.
-Ziekte en dood vervolgden hen bij voortduring, en in 1864 waren er nog
-slechts één man (die in 1869 stierf) en drie eenigszins bejaarde
-vrouwen over. De onvruchtbaarheid der vrouwen is een feit zelfs nog
-merkwaardiger dan haar vatbaarheid voor ziekte en dood. Ten tijde, dat
-er nog slechts negen vrouwen te Oyster-Cove leefden, verhaalden deze
-aan den heer Bonwick, dat slechts twee van haar ooit kinderen hadden
-gehad, en deze beiden samen hadden slechts drie kinderen voortgebracht.
-
-Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt
-Dr. Story op, dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te
-beschaven. „Als men hen aan zich zelven had overgelaten, hen had laten
-omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen niet had gestoord, zouden zij
-meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer sterfte zijn
-geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op:
-„De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan
-voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun
-levenswijze, maar meer nog van hun verbanning uit het hoofdland van Van
-Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte neêrslachtigheid” (Bonwick,
-blz. 388, 390).
-
-Dergelijke feiten zijn ook opgemerkt in twee zeer verschillende
-gedeelten van Nieuw-Holland. De beroemde onderzoekingsreiziger Gregory
-verhaalde den heer Bonwick, dat in Queensland „de vermindering van
-geboorten reeds door de zwarten werd gevoeld, zelfs in de nieuwst
-gekoloniseerde streken, en dat zij zouden beginnen te verdwijnen.” Van
-13 inboorlingen van Shark’s Baai, die Murchison River bezochten,
-stierven twaalf binnen drie maanden aan de tering. [433]
-
-Het verminderen der Maori’s op Nieuw-Zeeland is zorgvuldig onderzocht
-door den heer Fenton in een bewonderenswaardig rapport waaraan al de
-volgende opgaven op een enkele uitzondering na zijn ontleend. [434] Dat
-hun aantal sedert 1830 is afgenomen, wordt door iedereen toegegeven,
-met inbegrip der inboorlingen zelven, en die vermindering gaat
-aanhoudend voort. Hoewel het tot hiertoe onmogelijk is gebleken een
-werkelijke volkstelling onder de inboorlingen te houden, werd hun
-aantal in vele districten door daar wonende personen geschat. Het
-resultaat schijnt vertrouwen te verdienen en toont aan, dat gedurende
-de veertien jaren vóór 1858 de vermindering 19,42 perc. was. Sommigen
-van de stammen die aldus zorgvuldig werden onderzocht, leefden meer dan
-100 mijlen van elkander, sommigen op de kust, andere in het binnenland;
-en hun middelen van bestaan en gewoonten verschilden tot op zekere
-hoogte (blz. 28). Het geheele aantal in 1858 was, naar men meende,
-53700 en in 1874, na verloop van een tweede veertiental jaren, werd een
-nieuwe telling gedaan en werd het aantal opgegeven als 36359, dus een
-vermindering van 32,29 perc.! [435]
-
-Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft
-aangetoond van de verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk
-pleegt te verklaren, zooals nieuwe ziekten, de losbandigheid der
-vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op zwaarwichtige
-gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de
-onvruchtbaarheid der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de
-kleine kinderen (blz. 31, 34). Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz.
-33), dat er in 1844 één onvolwassene was op elke 2,57 volwassenen,
-terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28
-volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een
-verdere oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der
-beide seksen aan; want er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op
-dit laatste punt, dat misschien het gevolg van een geheel andere
-oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen. De heer Fenton
-stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de
-vermeerdering in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat
-verschillen, terwijl hun bewoners tegenwoordig bijna geheel op de
-zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven hun achteruitgang tot
-op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding en
-de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal,
-wanneer wij den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de
-vruchtbaarheid nagaan, zien, dat zij waarschijnlijk gelijk hebben. De
-vermindering begon tusschen de jaren 1830 en 1840, en de heer Fenton
-toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr eetbaar te
-maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote
-schaal in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een
-verandering in levenswijze begon te komen onder de inboorlingen, zelfs
-toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen was bevolkt. Toen ik in
-1835 de „Bay of Islands” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der
-inboorlingen reeds groote wijzigingen ondergaan; zij kweekten
-aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden die voor
-Engelsche manufacturen en tabak.
-
-Uit vele opgaven in de levensbeschrijving van Bisschop Patterson [436]
-blijkt, dat de Melanesiërs van de Nieuwe Hebriden en naburige
-archipels, in buitengewone mate in hun gezondheid leden en in groot
-aantal stierven, toen zij naar Nieuw-Zeeland, het eiland Norfolk en
-andere gezonde plaatsen werden overgebracht, om tot zendelingen te
-worden opgeleid.
-
-De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even
-bekend als die in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat
-waren er over te oordeelen, wordt het aantal inboorlingen, ten tijde
-dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op 300000 geschat. Volgens een
-oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds 142050. In
-1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een
-nauwkeurige volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende
-opgaven kunnen verkrijgen:
-
-
- JAREN. INLANDSCHE Jaarlijksche vermindering
- BEVOLKING. in percenten,
- onderstellende, dat die
- (Uitgezonderd gelijkmatig is geweest
- gedurende 1832 en tusschen twee
- 1836, toen de opeenvolgende
- weinige volkstellingen, daar deze
- vreemdelingen die op tellingen met
- de eilanden waren, onregelmatige
- er bij werden tusschenruimten werden
- opgenomen.) gehouden.
-
- 1832 130313
- 4,46
- 1836 108579
- 2,47
- 1853 71019
- 0,81
- 1860 67084
- 2,18
- 1866 58765
- 2,17
- 1872 51531
-
-
-Wij zien hieruit, dat in het verloop van veertig jaren, tusschen 1832
-en 1872, de bevolking niet minder dan acht-en-zestig percent is
-afgenomen! Dit is door de meeste schrijvers toegeschreven aan de
-ongebondenheid der vrouwen, aan vroegere bloedige oorlogen, aan den
-harden arbeid aan overwonnen stammen opgelegd, en aan nieuw ingevoerde
-ziekten, die bij verschillende gelegenheden uiterst veel slachtoffers
-hebben gemaakt. Zonder twijfel hebben deze en andere dergelijke
-oorzaken krachtdadig gewerkt, en kunnen zij wellicht de buitengewoon
-sterke vermindering tusschen 1832 en 1836 verklaren; maar de krachtigst
-werkende van alle oorzaken schijnt de afneming der vruchtbaarheid te
-zijn. Volgens Dr. Ruschenberger, van de Marine der Vereenigde Staten,
-die deze eilanden tusschen 1835 en 1837 bezocht, hadden in één district
-van Hawaii, slechts vijf-en-twintig mannen van 1884, en in een ander
-district slechts tien van 637 een huisgezin met drie of meer kinderen.
-Van tachtig gehuwde vrouwen hadden slechts negen-en-dertig ooit een
-kind gebaard; en „het officiëele rapport geeft een gemiddelde van een
-half kind op elk gehuwd paar in het geheele eiland.” Dit is bijna
-volkomen het zelfde gemiddelde als bij de Tasmaniërs te Oyster Cove.
-Jarves die zijn „Geschiedenis der Hawaii-eilanden” in 1843 uitgaf,
-zegt, „huisgezinnen die drie kinderen hebben, zijn vrij van alle
-belastingen; die welke er meer hebben, worden beloond door
-landschenkingen en andere aanmoedigingen.” Dit ongeëvenaarde besluit
-van de regeering toont goed aan, hoe onvruchtbaar het ras was geworden.
-De weleerw. heer A. Bishop getuigde in den „Hawaiischen Spectator” in
-1839, dat een groot gedeelte der kinderen vroegtijdig sterven, en
-Bisschop Staley meldt mij, dat dit nog het geval is, juist als in
-Nieuw-Zeeland. Dit is toegeschreven aan het veronachtzamen der kinderen
-door de vrouwen, maar het is waarschijnlijk grootendeels het gevolg van
-aangeboren zwakheid van gestel der kinderen, die in betrekking staat
-met de verminderde vruchtbaarheid hunner ouders. Er is daarenboven nog
-een punt van overeenkomst met Nieuw-Zeeland in het feit, dat er veel
-meer jongens dan meisjes worden geboren; de volkstelling van 1872 geeft
-31650 mannen tegen 25247 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is 125.36
-mannen op elke 100 vrouwen, terwijl in alle beschaafde landen de
-vrouwen talrijker zijn dan de mannen. Ongetwijfeld kan de
-ongebondenheid der vrouwen gedeeltelijk haar geringe vruchtbaarheid
-verklaren; maar de verandering in haar levenswijze is een veel
-waarschijnlijker oorzaak, die tevens rekenschap kan geven van de
-toeneming der sterfte, voornamelijk onder de kinderen. De eilanden
-werden in 1779 door Cook, in 1794 door Vancouver, en later dikwijls
-door walvischvaarders bezocht. In 1819 kwamen er zendelingen, en
-bevonden, dat de afgodendienst reeds was afgeschaft en meer andere
-veranderingen door den Koning waren gemaakt. Na dezen tijd had een
-snelle verandering in de geheele levenswijze der inboorlingen plaats,
-en werden zij spoedig „de meest beschaafde eilandbewoners van den
-Stillen Oceaan.” Een van mijn zegslieden, de heer Coan, die op de
-eilanden werd geboren, merkt op, dat de inboorlingen een grooter
-verandering in hun levenswijze hadden ondergaan in den loop van vijftig
-jaren, dan de Engelschen gedurende een duizendtal jaren. Volgens
-inlichtingen ontvangen van Bisschop Staley, schijnt het, dat er nooit
-veel verandering is gekomen in de voedingsmiddelen der arme klassen,
-hoewel vele nieuwe soorten van vruchten zijn ingevoerd, en het
-suikerriet in algemeen gebruik is. Ten gevolge van hun hartstocht om de
-Europeanen na te volgen, veranderden zij echter hun wijze van zich te
-kleeden reeds vroeg, en werd het gebruik van alcoholische dranken zeer
-algemeen. Hoewel deze veranderingen niet groot schijnen, kan ik wel
-gelooven, in aanmerking genomen wat omtrent dieren bekend is, dat zij
-voldoende konden zijn om de vruchtbaarheid van de inboorlingen te
-verminderen. [437]
-
-Eindelijk getuigt de heer Macnamara [438], dat de laag staande en
-ontaarde bewoners der Andaman-eilanden, in het oostelijk gedeelte van
-de golf van Bengalen, „bij uitnemendheid gevoelig zijn voor elke
-verandering van klimaat; als men hen wegvoert uit de eilanden die zij
-bewonen, sterven zij bijna altijd en dat onafhankelijk van het voedsel
-en van uitwendige invloeden.” Hij getuigt verder, dat de bewoners van
-de vallei van Nepaul, die in den zomer uiterst heet is, en ook de
-verschillende bergstammen van Engelsch-Indië, aan dyssenterie en koorts
-lijden, als zij in het vlakke land komen, en sterven, als zij het
-geheele jaar daar trachten door te brengen.
-
-Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig
-zijn om veel in hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van
-levensvoorwaarden of leefwijze worden onderworpen, en niet uitsluitend,
-als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht. Eenvoudige
-veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te
-zijn, schijnen de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene
-gevallen zijn vooral de kinderen vatbaar om daardoor te lijden. Men
-heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls gezegd, dat de mensch
-ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten en
-andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen.
-De mensch schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als
-zijn naaste verwanten, de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn
-blijven leven, als zij uit hun geboorteland werden verwijderd.
-
-Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden,
-gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en,
-naar het schijnt, ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan
-hun vatbaarheid voor ziekte en dood; want zelfs een geringe mate van
-onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere oorzaken welke er naar
-streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger of
-later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in
-sommige gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen
-(gelijk tot voor korten tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer
-Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring in geenen deele voldoende
-is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij de Tasmaniërs.
-
-In de boven aangehaalde verhandeling geeft de heer Macnamara redenen op
-om te gelooven, dat de bewoners van streken waar moeraskoortsen
-heerschen, neiging hebben onvruchtbaar te worden; maar dit kan in vele
-der bovengenoemde gevallen niet van toepassing zijn. Sommige schrijvers
-hebben de onderstelling uitgesproken, dat de inboorlingen van eilanden
-in gezondheid en vruchtbaarheid achteruitgaan wegens het lang
-voortgezette huwen van nauw met elkander verwante personen; maar in de
-bovengenoemde gevallen viel de onvruchtbaarheid te nauwkeurig samen met
-de aankomst der Europeanen, dan dat wij met deze verklaring zouden
-kunnen instemmen. Ook hebben wij tot dusver volstrekt geen reden om te
-gelooven, dat de mensch in hooge mate gevoelig is voor de slechte
-gevolgen van huwelijken tusschen nauwverwante personen, vooral in
-landen zoo groot als Nieuw-Zeeland en den Sandwich-archipel met zijn
-verschillende eilanden. Daarentegen is het bekend, dat de tegenwoordige
-bewoners van Norfolk allen neven of elkander naaste bloedverwanten
-zijn, gelijk ook het geval is met de Toda’s in Indië en de bewoners van
-sommige eilanden bewesten Schotland; en toch schijnen zij niet in hun
-vruchtbaarheid te hebben geleden. [439]
-
-Tot een veel meer waarschijnlijke onderstelling wordt men geleid door
-de analogie der lagere dieren. Het kan worden bewezen, dat het
-voortplantingsstelsel (ofschoon wij niet weten waarom) in buitengewone
-mate gevoelig is voor verandering in de levensvoorwaarden; en deze
-gevoeligheid leidt zoowel tot heilzame als tot slechte resultaten. Een
-groote verzameling feiten omtrent dit onderwerp is medegedeeld in
-hoofdstuk XVIII van deel II van mijn „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”; ik kan hier slechts een zeer kort uittreksel daarvan
-geven; ieder die in dit onderwerp belang stelt, kan bovengenoemd werk
-raadplegen. Zeer geringe veranderingen vermeerderen de gezondheid,
-kracht en vruchtbaarheid van bijna alle organische wezens, terwijl men
-weet, dat andere veranderingen een groot aantal dieren onvruchtbaar
-maken. Een van de meest bekende gevallen is, dat tamme olifanten zich
-in Engelsch-Indië niet voortplanten, hoewel zij zich dikwijls
-voortplanten in Ava, waar men de wijfjes tot op zekere hoogte toestaat
-in de bosschen rond te zwerven, en zij dus onder meer natuurlijke
-voorwaarden leven. Het geval van onderscheiden Amerikaansche apen
-waarvan beide seksen langen tijd bij elkander gevangen werden gehouden
-in hun eigen vaderland, en die zich toch zelden of nooit hebben
-voortgeplant, is een meer geschikt voorbeeld, wegens hun verwantschap
-met den mensch. Het is opmerkelijk, hoe gering een verandering in de
-levensvoorwaarden dikwijls onvruchtbaarheid veroorzaakt bij een wild
-dier, wanneer het gevangen wordt; en dit is des te vreemder, omdat al
-onze huisdieren vruchtbaarder zijn dan zij in den natuurstaat waren, en
-sommige van hen kunnen de meest onnatuurlijke levensvoorwaarden
-weêrstaan, zonder dat hun vruchtbaarheid vermindert. [440] Sommige
-groepen van dieren zijn er veel meer dan andere aan onderhevig om door
-gevangenschap te worden aangedaan; en over het algemeen worden alle
-soorten van de zelfde groep op de zelfde wijze aangedaan. Soms wordt
-echter een enkele soort van een groep daardoor onvruchtbaar gemaakt,
-terwijl de andere zulks niet worden; van den anderen kant behoudt soms
-een enkele soort haar vruchtbaarheid, terwijl de meeste andere zich
-niet voortplanten. Van sommige soorten paren de mannetjes nooit met de
-wijfjes, als zij zijn opgesloten, of als men hun in hun vaderland
-veroorlooft bijna, maar niet geheel en al vrij te leven; andere paren
-onder die omstandigheden dikwijls maar brengen nooit jongen voort; nog
-weêr andere brengen wel jongen voort, maar minder dan in den
-natuurstaat; en als toepasselijk op bovenvermelde gevallen bij den
-mensch, is het van belang op te merken, dat die jongen meestal zwak en
-ziekelijk of misvormd zijn, en dikwijls op jeugdigen leeftijd sterven.
-
-Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het
-voortplantingsstelsel voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij
-doorgaat bij onze naaste verwanten, de Vierhandige Zoogdieren, kan ik
-moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk is op den mensch in
-zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of andere
-ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen,
-worden zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in
-gezondheid, op de zelfde wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant
-en jachtluipaard van Indië, vele apen in Amerika, en een groote menigte
-dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke
-levensvoorwaarden worden onttrokken.
-
-Wij kunnen inzien hoe het komt, dat in het bijzonder inboorlingen die
-lang eilanden hebben bewoond en lang aan bijna volkomen gelijke
-levensvoorwaarden moeten zijn onderworpen geweest, zullen worden
-aangedaan door elke verandering in hun levenswijze, gelijk het geval
-schijnt te zijn. Beschaafde rassen kunnen zeker allerlei soort van
-veranderingen veel beter weêrstaan dan wilden, en in dit opzicht
-gelijken zij op tamme dieren; want, hoewel deze laatste soms in hun
-gezondheid lijden (bij voorbeeld Europeesche honden in Indië), worden
-zij toch zelden onvruchtbaar gemaakt, hoewel daarvan toch enkele
-voorbeelden zijn opgeteekend. [441] Het niet aangedaan worden van
-beschaafde rassen en tamme dieren wordt waarschijnlijk veroorzaakt,
-omdat zij in meerdere mate onderworpen zijn geweest en daarom wat meer
-zijn gewend aan verschillende en afwisselende levensvoorwaarden dan de
-meeste wilde dieren, en omdat zij in vroeger tijd uit andere landen
-overgebracht of van het eene land naar het andere medegevoerd zijn, en
-dat verschillende families of onder-rassen met elkander zijn gekruist.
-Het schijnt, dat een kruising met beschaafde rassen dadelijk een
-inlandsch ras beveiligt tegen de kwade gevolgen van de verandering van
-levensvoorwaarden. Zoo vermeerderde de gekruiste nakomelingschap van
-Tahitiërs en Engelschen, die zich op het eiland Pitcairn hadden
-gevestigd, zoo snel, dat het eiland spoedig overbevolkt was en in Juni
-1856 werden zij naar het eiland Norfolk overgebracht. Zij bestonden
-toen uit 60 gehuwde personen en 134 kinderen, een totaal van 194
-uitmakende. Hier vermeerderden zij eveneens zoo snel, dat, hoewel
-zestien van hen in 1859 naar het eiland Pitcairn terugkeerden, zij in
-Januari 1868 300 zielen telden, waaronder juist evenveel mannen als
-vrouwen. Welk een tegenstelling vormt dit geval met de Tasmaniërs; de
-Norfolk-eilanders vermeerderden in slechts twaalf en een half jaar van
-194 tot 300, terwijl de Tasmaniërs in vijftien jaar van 120 tot 46
-afnamen, van welk laatste getal slechts tien kinderen waren. [442]
-
-Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872
-de inboorlingen van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af,
-terwijl de half-bloedigen, die men voor gezonder houdt, met 847
-vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste getal de kinderen van
-de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de eerste
-generatie omvat.
-
-De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot
-inboorlingen die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten
-gevolge van de immigratie van blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en
-slechte gezondheid zouden waarschijnlijk volgen, indien wilden door de
-eene of andere oorzaak, zooals een inval van een veroverenden stam,
-werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te
-veranderen. Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste
-hinderpaal tegen het temmen van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat
-zij, toen zij voor het eerst werden gevangen, het vermogen bezaten om
-zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal voor
-wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te
-blijven leven en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de
-onvruchtbaarheid ten gevolge van verandering in de levensvoorwaarden.
-
-Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving
-der menschenrassen een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien
-dat zij van vele oorzaken afhangen en op verschillende plaatsen en in
-verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde moeielijke
-vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere
-dieren oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in
-Zuid-Amerika verdween om spoedig daarna in de zelfde streken door
-tallooze kudden van Spaansche paarden te worden vervangen. De
-Nieuw-Zeelander schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij
-vergelijkt zijn toekomstig lot met dat van de inlandsche rat, die door
-de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid, hoewel groot
-in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken
-wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn,
-zoolang wij voortdurend bedenken, dat de vermeerdering van elke soort
-en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan door verschillende
-hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal of
-oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker
-in aantal zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden
-een grooten afkeer hebben van elke verandering van gewoonten, waardoor
-nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden opgewogen, zal de afneming
-van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden, terwijl het
-einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van
-vermeerderende veroverende stammen.
-
-
-Over het Ontstaan der Menschenrassen.—Wij mogen vooropzetten, dat,
-wanneer wij het zelfde ras, hoewel in afzonderlijke stammen verdeeld,
-over een groote oppervlakte, zooals over Amerika, verspreid vinden, wij
-hun gemeenschappelijke gelijkenis mogen toeschrijven aan afstamming van
-een gemeenschappelijken stamvorm. In sommige gevallen heeft de kruising
-van rassen die reeds verschillend waren, aanleiding gegeven tot de
-vorming van nieuwe rassen. Het vreemde feit, dat Europeanen en
-Hindoe’s, die tot den zelfden Arischen stam behooren en een taal
-spreken, die in den grond der zaak de zelfde is, sterk in uiterlijk
-verschillen, terwijl de Europeanen slechts weinig verschillen van de
-Joden die tot den Semietischen stam behooren en een geheel andere taal
-spreken, is door Broca [443] daaraan toegeschreven, dat de takken der
-Ariërs zich gedurende hun verre verspreiding op groote schaal met
-onderscheidene stammen van inboorlingen hebben gekruist. Als twee
-stammen die in elkanders onmiddellijke nabijheid wonen, zich met
-elkander kruisen, is het eerste gevolg daarvan een ongelijksoortig
-(heterogeen) mengsel: zoo zegt de heer Hunter, de Santali’s of
-heuvelstammen van Indië beschrijvende, dat men honderden onmerkbare
-overgangen kan waarnemen „van de zwarte, gedrongen gebouwde bergstammen
-af tot den grooten olijfkleurigen Brahmaan, met zijn verstandig
-aangezicht, kalmen blik en hoog maar smal hoofd, toe”, zoodat het bij
-gerechtshoven noodig is aan de getuigen te vragen, of zij Santali’s of
-Hindoe’s zijn. [444] Of een ongelijksoortig (heterogeen) volk, zooals
-de bewoners van sommige Polynesische eilanden, gevormd door de kruising
-van twee verschillende rassen, waarvan weinig of geen zuivere leden
-overbleven, ooit gelijksoortig (homogeen) zou worden, is door geen
-directe bewijzen bekend. Daar echter bij onze huisdieren een gekruist
-ras zeker in den loop van weinige geslachten door een zorgvuldige
-teeltkeus [445] standvastig en eenvormig kan worden gemaakt, mogen wij
-hieruit afleiden, dat de vrije en verlengde kruising van een
-ongelijksoortig (heterogeen) mengsel gedurende vele generaties de
-plaats der teeltkeus zou vervangen, en elke neiging tot atavisme
-overwinnen, zoodat een gekruist ras ten laatste gelijksoortig
-(homogeen) zou worden, al deelde het ook niet in gelijke mate in de
-kenmerken der beide stamrassen.
-
-Van alle verschillen tusschen de menschenrassen loopt de kleur der huid
-het meest in het oog en is ook een der meest kenmerkende. Men dacht
-vroeger, dat men verschillen van deze soort kon verklaren door
-langdurige blootstelling aan verschillende luchtstreken (klimaten);
-maar Pallas was de eerste die aantoonde, dat deze meening niet houdbaar
-is, en hij is door bijna alle anthropologen gevolgd. [446] Deze meening
-is hoofdzakelijk daarom verworpen, omdat de geographische verspreiding
-der verschillend gekleurde rassen, van welke de meeste lang hun
-tegenwoordige woonplaatsen moeten hebben bewoond, niet samenvalt met
-overeenkomstige verschillen van klimaat. Er moet ook gewicht worden
-gehecht aan zulke gevallen, als die der Nederlandsche familiën, welke,
-zooals wij van een uitnemende autoriteit hooren [447], na een verblijf
-van drie eeuwen in Zuid Afrika niet de minste verandering in kleur
-hebben ondergaan. Het eenvormig uiterlijk in verschillende deelen der
-wereld van Heidens (Zigeuners) en Joden, hoewel de eenvormigheid dezer
-laatsten wat overdreven is geworden [448], is eveneens een bewijs voor
-het zelfde. Men heeft ondersteld, dat een zeer vochtige of zeer droge
-dampkring meer invloed had op de wijziging der huidskleur, dan de hitte
-alleen; maar daar d’Orbigny in Zuid-Amerika en Livingstone in Afrika
-ten opzichte van vochtigheid en droogte tot lijnrecht tegenovergestelde
-besluiten zijn gekomen, moet elk besluit daaromtrent als hoogst
-twijfelachtig worden beschouwd. [449]
-
-Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de
-kleur van de huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt
-met een volstrekt beveiligd zijn voor de werking van zekere
-plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere woekerdieren
-(parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere
-donkergekleurde rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen,
-doordat gedurende een lange reeks van geslachten de donkerste
-individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van hun geboorteland
-waren ontsnapt.
-
-Ik vond later, dat het zelfde denkbeeld reeds lang te voren bij Dr.
-Wells was opgekomen. [450] Dat negers en zelfs mulatten bijna volkomen
-bevrijd blijven van de gele koorts, die in tropisch Amerika zoo groote
-verwoestingen aanricht, is reeds lang bekend geweest. [451] Zij blijven
-ook grootendeels vrij van de noodlottige tusschenpoozende
-(intermitteerende) koortsen, die langs minstens 2600 mijlen van de
-kusten van Afrika heerschen en jaarlijks een vijfde gedeelte der blanke
-kolonisten doen sterven, terwijl een ander vijfde gedeelte met geknakte
-gezondheid naar het vaderland moet terugkeeren. [452] Deze vrijdom van
-den neger schijnt gedeeltelijk aangeboren en van de eene of andere
-onbekende bijzonderheid van het gestel afhankelijk, en gedeeltelijk het
-gevolg van acclimatisatie te zijn. Pouchet [453] getuigt, dat de
-negerregimenten, van den Onderkoning van Egypte voor den Mexicaanschen
-oorlog geleend, die in de nabijheid van Soedan waren aangeworven, bijna
-even goed aan de gele koorts ontsnapten als de negers die
-oorspronkelijk uit verschillende deelen van Afrika waren aangevoerd en
-aan het klimaat der West-Indiën gewend. Dat acclimatisatie in het spel
-komt, wordt aangetoond door verschillende gevallen waarin negers, na
-eenigen tijd in een kouder klimaat te hebben doorgebracht, tot op
-zekere hoogte vatbaar voor tropische koortsen zijn geworden. [454] De
-aard van het klimaat waarin de blanke rassen lang hebben geleefd, heeft
-eveneens eenigen invloed op hen; want gedurende de verschrikkelijke
-epidemie van gele koorts in Demerary in het jaar 1837, vond Dr. Blair,
-dat de sterfte der landverhuizers evenredig was aan de breedte van het
-land van waar zij waren gekomen. Bij den neger onderstelt de vrijdom,
-voor zoover hij het gevolg van acclimatisatie is, blootstelling aan het
-klimaat gedurende een verbazende lengte van tijd; want de inboorlingen
-van tropisch Amerika, die daar sedert onheugelijke tijden hebben
-gewoond, zijn niet gevrijwaard voor de gele koorts, en de weleerw. heer
-B. Tristram getuigt, dat er in Noord-Afrika streken zijn, welke de
-inboorlingen jaarlijks genoodzaakt zijn te verlaten, hoewel de negers
-er veilig kunnen blijven. (19)
-
-Dat de vrijdom van den neger eenigermate samenhangt met de kleur van
-zijn huid, is een bloote onderstelling; hij kan ook samenhangen met een
-of ander verschil in zijn bloed, zenuwstelsel of andere weefsels. Toch
-scheen mij wegens de feiten waarop hierboven is gedoeld, en wegens het
-verband dat er schijnt te bestaan tusschen de gelaatskleur en den
-aanleg voor tering, deze onderstelling niet onwaarschijnlijk. Ik
-trachtte mij daarom te vergewissen, maar met weinig succes [455], in
-hoever zij steek hield. Wijlen Dr. Daniell, die lang op de westkust van
-Afrika had gewoond, zeide mij, dat hij volstrekt niet aan een
-dergelijke betrekking geloofde. Hij was zelf buitengewoon blond en had
-het klimaat verwonderlijk goed weêrstaan. Toen hij het eerst als een
-jongen op de kust kwam, had een oud en ondervindingrijk negerhoofd uit
-zijn uiterlijk voorspeld, dat dit het geval zou zijn. Dr. Nicholson,
-van Antigua, schreef mij, na op dit onderwerp te hebben acht gegeven,
-dat hij niet dacht, dat donker gekleurde Europeanen beter aan de gele
-koorts ontsnapten, dan diegenen welke licht gekleurd waren. De heer J.
-M. Harris ontkent volstrekt, dat Europeanen met donker haar een heet
-klimaat beter weêrstaan dan andere menschen; de ondervinding heeft hem
-integendeel geleerd om bij het uitkiezen van manschappen voor den
-dienst op de Afrikaansche kust, diegenen uit te zoeken, welke rood haar
-hebben. [456] Zoover derhalve uit deze kleine aanwijzingen valt op te
-maken, schijnt er geen grond te zijn voor de onderstelling, die door
-onderscheidene schrijvers is gemaakt, dat de kleur der zwarte rassen
-daarvan het gevolg zou zijn, dat de donkerste individu’s telkens in
-grooter getal in leven bleven gedurende hun blootstelling aan de
-koorts-voortbrengende miasmen van hun geboortelanden.
-
-Dr. Sharpe merkt op [457], dat een tropische zon, die een blanke huid
-brandt en er blaren op doet ontstaan, een zwarte volstrekt niet
-benadeelt; en, gelijk hij er bijvoegt, dit komt niet omdat het individu
-er aan gewend is; want kinderen van zes of acht maanden worden naakt
-overal heêngedragen, en worden niet aangedaan. Een arts heeft mij
-verzekerd, dat eenige jaren geleden, elken zomer, maar niet gedurende
-den winter, op zijn handen lichtbruine plekken ontstonden, gelijkende
-op sproeten, hoewel grooter, en dat deze plekken niet werden aangedaan
-door het branden van de zon, terwijl de blanke deelen van zijn huid bij
-verschillende gelegenheden zeer ontstoken en met blaren bedekt werden.
-Ook bij de lagere dieren bestaat er een constitutioneel verschil in
-vatbaarheid voor de werking van de zon tusschen de deelen die met wit
-haar zijn bedekt, en andere deelen. [458] Of de beschutting van de huid
-tegen het branden der zon van genoegzaam belang is om te doen
-onderstellen, dat een donkere tint door den mensch trapsgewijze door
-natuurlijke teeltkeus is verkregen, kan ik niet beoordeelen. Indien dit
-zoo ware, zouden wij moeten aannemen, dat de inboorlingen van tropisch
-Amerika daar gedurende veel korter tijd hebben geleefd dan de negers in
-Afrika, of de Papoea’s in de zuidelijke gedeelten van den Maleischen
-archipel, juist gelijk de lichter gekleurde Hindoe’s gedurende korter
-tijd in Engelsch Indië hebben gewoond, dan de donkerder inboorlingen
-van de centrale en zuidelijke gedeelten van dat schiereiland.
-
-Hoewel wij ons met onze tegenwoordige kennis van de sterk sprekende
-verschillen in kleur tusschen de menschenrassen geen rekenschap kunnen
-geven, noch door samenhang met constitutioneele bijzonderheden, noch
-door directe werking van het klimaat, zoo moeten wij toch deze laatste
-niet geheel buiten rekening laten; want er zijn goede redenen om te
-gelooven, dat daardoor eenige overgeërfd wordende uitwerking wordt
-voortgebracht. [459] Wij hebben in ons vierde hoofdstuk gezien, dat de
-levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel en over het algemeen de
-aangenaamheden des levens, op de zelfde wijze terugwerken op het
-maaksel van ons lichaam, en dat de gevolgen daarvan erfelijk zijn. Door
-den vereenigden invloed van het klimaat en de veranderde levenswijze
-ondergaan Europeesche kolonisten in de Vereenigde Staten, naar men
-algemeen aanneemt, een geringe, maar buitengewoon snelle verandering
-van uiterlijk. Er zijn ook een aanzienlijk aantal bewijzen, dat in de
-Zuidelijke Staten de huisslaven van de derde generatie in uiterlijk
-merkbaar van de veldslaven verschilden. [460]
-
-Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de
-wereld zijn verspreid, moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van
-hun kenmerkende verschillen geen rekenschap kan geven door de directe
-werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat zij daaraan
-gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s
-leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed,
-en zijn blootgesteld aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch
-verschillen zij niet uitermate veel van de bewoners van zuidelijk
-China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna naakt zijn
-blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat. De ongekleede
-Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije
-stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van
-het binnenland en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch
-gelijken deze stammen zoozeer op elkander, dat de Vuurlanders aan boord
-van de „Beagle” door sommige Brazilianen voor Botocudo’s werden
-aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch
-Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de
-tegenovergestelde kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een
-ongeveer gelijksoortig klimaat zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde
-levenswijze leiden.
-
-Wij kunnen ons van de verschillen tusschen de menschenrassen ook geen
-rekenschap geven, behalve tot op een volkomen onbeteekenende hoogte,
-door middel van de overgeërfde gevolgen van vermeerderd of verminderd
-gebruik van deelen. Menschen die gewoonlijk in kano’s leven, kunnen wat
-korter beenen, zij die hooge streken bewonen, wat grooter borstkassen
-hebben verkregen; en bij hen die sommige zintuigen voortdurend
-gebruiken, kunnen de holten waarin deze zijn geplaatst, een weinig in
-grootte toegenomen, en hun gelaatstrekken derhalve een weinig gewijzigd
-zijn. Bij beschaafde volken hebben de afneming van de grootte der kaken
-wegens vermindering van het gebruik, de gewoonten van verschillende
-spieren in beweging te brengen om verschillende gemoedsaandoeningen uit
-te drukken en de toeneming in grootte van de hersenen ten gevolge van
-grootere verstandelijke werkzaamheid, allen te zamen een aanmerkelijke
-uitwerking gehad op hun algemeen uiterlijk aanzien in vergelijking met
-wilden. [461] Het is ook mogelijk, dat toeneming in lichaamsgrootte
-zonder overeenkomstige vermeerdering van de grootte der hersenen aan
-sommige rassen (te oordeelen naar de vroeger gemelde gevallen van
-konijnen) een langwerpigen schedel van het dolichocephale type heeft
-gegeven.
-
-Eindelijk zal bijna zeker het nog weinig begrepen beginsel van
-correlatie in werking zijn gekomen, zooals in het geval van groote
-ontwikkeling der spieren en sterk vooruitstekende wenkbrauwbogen. Het
-is niet onwaarschijnlijk, dat de aard van het haar, die bij de
-onderscheidene rassen veel verschilt, in de eene of andere soort van
-correlatie staat met het maaksel der huid; want tusschen de kleur van
-het haar en die van het vel bestaat zeker correlatie, evenals tusschen
-de kleur en den aard van het haar bij de Mandanen. [462] De kleur der
-huid en de door dezelve ontwikkelde geur staan eveneens op de eene of
-andere wijze met elkander in verband. Bij de schapenrassen staan het
-aantal haren binnen een gegeven ruimte en het aantal afscheidende
-poriën in eenige betrekking tot elkander. [463] Indien wij mogen
-oordeelen naar de analogie onzer huisdieren, behooren vele wijzigingen
-in maaksel bij den mensch waarschijnlijk te worden verklaard door het
-beginsel van correlatie van groei.
-
-Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen
-tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven
-door de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden, noch door de
-uitwerkselen van het voortdurend gebruik van deelen, noch door het
-beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om te
-onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch
-bij uitnemendheid eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een
-lange reeks van jaren zijn bewaard gebleven en vermeerderd. Hier
-stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat alleen voordeelige
-wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er over
-kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin
-dwalen) strekt geen van de uitwendige verschillen tusschen de
-menschenrassen hun tot eenig direct of bijzonder voordeel. De
-verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten natuurlijk van
-deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens
-kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De
-vroeger vermelde variabiliteit van al de kenmerkende verschillen
-tusschen de rassen toont eveneens aan, dat deze verschillen niet van
-veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk geweest, dan zouden
-zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard, of
-geëlimineerd zijn. In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen,
-welke door de natuuronderzoekers proteïsch of polymorphisch worden
-genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar het schijnt ten gevolge
-daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren en
-bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.
-
-Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap
-van de verschillen tusschen de menschenrassen te geven; er blijft
-echter nog één belangrijke invloed over, namelijk die der Seksueele
-Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt te hebben ingewerkt
-als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele
-teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de
-rassen. Er blijft een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze
-onwetendheid slechts kunnen zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend
-worden geboren, bij voorbeeld, met een weinig ronder of smaller hoofden
-en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke geringe verschillen
-wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt, indien
-de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige
-wijze bleven werken en door lang voortgezette kruisingen werden
-geholpen. Dergelijke variaties behooren tot de voorloopige afdeeling
-waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een
-betere uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin,
-dat de uitwerkselen der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke
-nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond; maar het kan worden bewezen,
-dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch niet was
-gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren,
-zoowel hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan
-worden bewezen, dat de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals
-die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm enz, van zulk een aard zijn, als
-men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van de inwerking der
-seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste wijs
-te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te
-beschouwen; ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan
-gewijd. Aan het einde zal ik tot den mensch terugkeeren, en, na
-beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever hij door seksueele
-teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken
-van dit Eerste Gedeelte geven.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij,
-zoodra ik den voet te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren
-even groote individueele verschillen vertoonden als de Europeanen. Ook
-de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental Hôtel te Suez kon ik
-dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch
-gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche
-studenten, die te gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook
-zeer ongelijk. Evenzoo de negers, en Chineezen en roodhuiden die ik in
-1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke ondervinding is dus in
-strijd met de hier gemaakte opmerkingen.
-
-(2) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen WOLHARIGE MENSCHEN
-(Homines Ulotriches) en SLUIKHARIGE MENSCHEN (Homines Lissotriches). De
-eersten worden nog verdeeld in Homines lophocomi, wier wolachtig
-kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten) en
-Homines eriocomi, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele
-schedelhuid is verspreid (b.v. de Kaffers en Negers). De laatsten
-onderscheidt men in Homines euthycomi, wier haren noch krullen noch
-lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen) en Homines
-euplocami, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de
-Kaukasiërs). Deze verschillen in den aard van het haar zijn voor de
-vergelijkende anthropologie, voor de studie der menschenrassen, van het
-hoogste gewicht.
-
-(3) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden
-waardoor zij van die van andere menschenrassen afwijken („Medizinische
-Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte”, 1887, blz. 121).
-
-(4) Door mijn Egyptische reis in den winter van 1869–70 ben ik in de
-gelegenheid hieromtrent eenige zelfstandige opmerkingen te maken. In
-een der grotten van Beni Hassan, die volgens Mariette van ongeveer 3000
-jaren vóór Chr. dagteekenen (in het graf van Noem-Hotep, gouverneur van
-de provincie Sah onder den Pharao Amenehemha II) ziet men een
-muurschildering waarop de overledene rechtopstaande afgebeeld is; voor
-hem staan personen, die men aan hun sterk geprononceerden arendsneus en
-zwarten puntigen baard dadelijk voor Semieten herkent, en volgens
-Mariette ook Semieten zijn. [464] In de beroemde salle hypostyle van
-den tempel van Karnak, waarvan de oudste opschriften volgens Mariette
-uit den tijd van Seti I(1450 j. v. Chr.) dagteekenen, vindt men hoogst
-merkwaardige bas-reliefs, waarop genoemde koning zijn veldtochten in
-Westelijk Azië tegen de Armeniërs, de Assyriërs, de Schasoe en de Kharo
-heeft afgebeeld, terwijl andere de veldtochten van den Pharao Sesak
-tegen Palaestina voorstellen. Op die bas-reliefs zijn de nationale
-typen der overwonnenen zeer goed teruggegeven; de Assyriërs gelijken
-zeer op de afbeeldingen uit Niniveh; in de Schasoe (volgens Mariette
-een soort van woestijn-Arabieren of Bedoeïnen) is het Semietische type
-zeer goed te herkennen. Aan den hoofdingang van het paleis van Rhamses
-III (dat een gedeelte uitmaakt van den zoogenaamden tempel van
-Medinet-Aboe te Thebe) vindt men bas-reliefs, die den koning
-voorstellen, de krijgsgevangenen, door hem in zijn vele oorlogen
-gemaakt, aan de goden aanbiedende; elk dier krijgsgevangenen, waaronder
-ik o.a. zeer goed te herkennen Negers en Semieten opmerkte, vertoont
-het type van zijn ras met merkwaardige getrouwheid, en daar de namen er
-in hiëroglyphen zijn bijgeschreven, heeft men hier volgens Mariette de
-merkwaardigste van alle bekende bijdragen tot de ethnologie van
-Westelijk Azië, Libye en Soedan in de XIIIde eeuw v. Chr.
-
-Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude
-Egyptenaren voorstellen, op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae
-boven den eersten waterval van den Nijl toe, zeer duidelijk het zelfde
-bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking van
-Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd
-blijven van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën
-(zooals Mr. Snellen van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend
-werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze der Insekten”,
-„Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A. C. Kruseman, 1870) als een
-bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten,
-dat ook de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten,
-Negers) afzonderlijke scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun
-standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven kan niemand bewijzen, dat
-het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige kever of
-scarabaeus Ateuchus sacer) werkelijk volkomen onveranderd is gebleven.
-[465] Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier
-grootste roem dikwijls bestaat in het vinden van ééne of meer nieuwe
-soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd,
-verloopen sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van
-de eeuwigheid, die even goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de
-grootste ontwikkeling is in overvloed verloopen, al ging die
-ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten
-onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat
-het meeste dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is,
-waarop het is geschreven.”
-
-In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11,
-een paar afbeeldingen van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van
-een Nubiër, blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten,
-allen naar afbeeldingen op Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6,
-vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit Lachish (II Kon. XVIII, 14;
-Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het paleis van den
-Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr.
-Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en
-aarzelen daaruit te besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor
-Christus, er even zoo hebben uitgezien, als thans.”
-
-Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad
-om, als zij voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus,
-Maria en de Apostelen, of Mozes en andere Joodsche personen uit het
-Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken van Egyptenaars of
-Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen in hun
-schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver
-Indo-Germaansche gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij,
-als de „Vierge au Singe” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf
-aangaat een meesterstuk, waarop Maria afgebeeld is als een Duitsche
-vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina niet
-voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den
-achtergrond een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!
-
-(5) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed
-onderzocht, welke het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo
-vond men nabij Nieuw-Orleans in het Mississippi-delta bij diepe
-boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen, waarin boomen
-van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120
-jaarringen op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar
-oud zou wezen. In het vierde dier bosschen vond men onder de wortels
-van een cypres een menschenschedel, waarvan de ouderdom door Dowler op
-57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde den typischen vorm van
-het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij Altaville in
-Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op
-een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van
-neushoorns en andere uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier
-lagen vulkanische asch van verschillende dikte, die met zandlagen
-afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie met
-rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van
-een Digger-Indiaan” (J. D. Whitney, in „A Human Skull, discovered in
-California”, Anthrop. Review N°. 20, blz. 119). Ook bij dezen schedel,
-de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden, vindt men dus het
-type van het Amerikaansche ras terug!
-
-Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”, Maart
-1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is
-opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den
-mensch in het tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.
-
-In 1889 vond men in Butte County (Californië) bij de bewerking der
-mijnen aldaar in pliocene grintlagen steenen mortieren, die blijkbaar
-producten van menschelijke kunstvlijt zijn. Zij zijn uitgehold in
-blokken metamorphisch gesteente, de uitholling is gemiddeld 24 c.M.
-lang, 18 c.M. breed en 16 c.M. diep. Deze mortieren geven een nieuw
-bewijs voor het bestaan van den mensch in Californië in het tertiaire
-tijdvak. Sedert zij werden gevonden, heeft de 60 mijlen van Cherokee
-verwijderde vulkaan Lassens Peak het door het water aangespoelde zand
-met lavastroomen bedekt en opgehouden te werken. De Sacramento, San
-Joaquin en andere rivieren bestonden nog niet toen de mensch deze
-mortieren bewerkte. Dalen van 600 M. diep zijn sedert in het basalt
-uitgehold. Beenderen van den mastodon werden in de nabijheid dezer
-steenen mortieren gevonden. [466]
-
-Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker
-Lund den 21sten Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas
-Geraes, in Brazilië, te samen met de overblijfselen van uitgestorven
-diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft gevonden, is het echter
-eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche
-roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de
-volgende resultaten, die hij in de zitting van de Fransche Académie des
-Sciences van den 28sten November 1881 mededeelde:
-
-1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met
-zoogdieren samengeleefd, die in de fauna van den tegenwoordigen tijd
-ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die Lund in de holen van
-Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze
-rendierperiode, doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in
-het tijdperk van den mammouth. 3. Van alle fossiele Europeanen
-onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa door een reeks van
-kenmerken, waarvan het meest in het oogvallende de vereeniging der
-dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië, zoowel als
-in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de
-vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht
-hebben Lacerda en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging
-van het Lagoa-Santa-type beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog
-worden bepaald, en tevens of men onder de Lagoa Santa gevonden
-overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden, maar ten
-minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook
-deel aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer
-of minder duidelijk voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In
-Peru en Bolivia toont dit type zijn tegenwoordigheid menigmaal even
-duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit element een minder
-algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend. 10.
-Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van
-Zuid-Amerika dan Peru en Brazilië.
-
-In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een
-uitvoerige beschrijving van bovengenoemde beenderen uit de holen van
-Lagoa-Santa gegeven. [467] De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol
-afkomstig; er werden daar echter geen dierenbeenderen er bij gevonden,
-door welke een bepaald besluit zou kunnen worden gemaakt omtrent de
-geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig
-waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij.
-De beenderen zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en
-meer of min met ijzerconglomeraten geïncrusteerd. Hun kleur varieert
-van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer krachtig
-ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde
-holen, waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden,
-vertoonen een opmerkelijke gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en
-tevens lang met afgeronde schedelwelving. Het gelaat is van middelbare
-grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar veeleer van
-pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten
-zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening
-gelegen deelen der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De
-doorsnede van den schedel, van jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot,
-de basis van den jukboog breed, de boven de tepelvormige uitsteeksels
-van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk
-ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij
-zijn dolichocephaal, een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens
-hun beschadigden toestand onmogelijk.
-
-Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke
-overeenstemming tusschen deze schedels en die der tegenwoordige
-Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de Quatrefages, dat er in
-Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan, dat
-zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland
-uitstrekte, en zich met brachycephale elementen heeft vermengd,
-ontvangt door hen een sterken steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa
-aan een op lagen trap staand ras behoorden, wordt ook bewezen door het
-bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen
-(onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot één been), verder
-door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het
-opperarmbeen, door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der
-„ruwe lijn” (linea aspera) en de aanwezigheid van een derden trochanter
-aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke
-zijdelingsche afplatting (platycnemie) der scheenbeenderen.
-
-In nauwe betrekking tot de quaestie van de oorspronkelijke bevolking
-van Amerika staan ook Soren Hanssen’s onderzoekingen omtrent de
-inboorlingen van Groenland. [468] Tijdens een verblijf aldaar mat hij
-1200 individu’s en vond, dat zij onderling verschilden. Terwijl de
-Eskimogroep aan den Angmasalikfjord (Oostkust van Groenland) uit
-krachtige, intelligente en energieke menschen bestaat, die 1,647 meter
-lang zijn, op de hoogte van de borst een omtrek van 93,7 c.M. hebben,
-een zelfstandige beschaving en verrassende kunstvaardigheid bezitten,
-schijnen andere Eskimostammen, die onder minder gunstige omstandigheden
-leven,—zooals bovenal het grootste gedeelte van stammen aan de westkust
-van Groenland,—gedegenereerd. Tegenwoordig zijn de Eskimo’s van de
-Indianen in het zuiden en de Mongolen in het westen scherp gescheiden;
-hun uitbreiding moet echter vroeger veel grooter zijn geweest dan thans
-[469]; zij moeten volgens Soren Hanssen als laatste overblijfsel van
-een oorspronkelijk Amerikaansch ras worden beschouwd, waarvan de
-voorvaders met de tegenwoordige Papoea’s verwant waren. Dit
-oorspronkelijke ras verspreidde zich over geheel Amerika, en nog thans
-bestaan er enkele onvermengde overblijfselen van. Dit is de oorzaak van
-de verrassende gelijkenis tusschen de Eskimo’s en enkele
-Indianenstammen (o.a. van Zuid-Amerika). Dit oorspronkelijke
-Amerikaansche ras heeft later voor een ander ras moeten wijken, dat
-allengs naar het zuiden doordrong en zich met de oudere bevolking
-vermengde, uit welke vermenging de roodhuiden ontstonden, die in hun
-uiterlijk en oorsprong veel minder één zijn dan men gewoonlijk
-aanneemt. Door dit gemengde ras werden de Eskimo’s naar het noorden
-gedrongen, hoewel ook zij eenigszins met het ingedrongen ras zijn
-vermengd.
-
-De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de
-Vereenigde Staten gevonden vuursteenwerktuigen toe aan het ras van
-Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig in Europa en in
-Amerika als oudste bevolking optrad.
-
-(6) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het
-Land van den Orang-oetan en den Paradijs-vogel”, door A. R. Wallace,
-Ned. vert. van Prof. P. J. Veth, 1870. De grenslijn tusschen de beide
-menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die tusschen de
-zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring
-van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras
-voor de zeevaart en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat
-werd gesteld zich over een deel van het aangrenzend gebied te
-verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te verdringen.
-
-Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij
-gelegenheid der koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene
-redevoering, getiteld: „Wissenschaftliche Aufgaben, welche der
-geologischen Erforschung des Indischen Archipels gestellt sind”, waarin
-hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de
-grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische
-gewest van Insulinde met de oorspronkelijke grens tusschen het
-Aziatische en Australische vasteland samenvalt.
-
-Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur
-1886, blz. 299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit,
-dat het als hoogstwaarschijnlijk kan worden aangenomen:
-
-1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet
-worden beschouwd; dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den
-Indischen Archipel loopende reeks vulkanen samenvalt.
-
-2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van
-genoemde grenslijn gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet
-oorspronkelijk bewoonden, doch er zich eerst later over hebben
-verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het Aziatische
-continent hoe langer hoe grooter werd.
-
-Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de
-beide menschenrassen iets oostelijker ligt dan die tusschen de
-zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger wijze, namelijk doordat de
-strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare Papoea’s
-lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.
-
-De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van
-Azië door die van het kleine vasteland van Australië is echter in
-strijd met wat wij in Amerika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien
-gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit het grootere vasteland
-(Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!
-
-(7) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika
-voorkomen, is dit alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der
-noordelijke poolstreken van Azië en Europa de Kamschadalen,
-Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken, Samojeden,
-Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken
-worden echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als
-takken van het Mongoolsche ras beschouwd. In taalkundig opzicht
-schijnen van al de genoemde volken alleen de Kamschadalen en
-Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.
-
-(8) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10,
-vinden wij in een artikel van Karl Andree, „Zur Kennzeichnung der
-Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen”, het volgende over de
-bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders
-opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers
-bekend werk over het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige
-voortbrengselen van den omgang in de struiken”, die slechts zelden bij
-den stam der zwarten eenigen tijd in het leven blijven. Dikwijls neemt
-de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel te baat om
-het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind,
-dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een
-vroegtijdigen dood. Al beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te
-Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden der Nieuw-Hollandsche mulatten
-een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door de zwarten
-onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden.
-Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg,
-vond onder hen geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van
-Nieuw-Holland zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de
-zendeling Schmidt in Queensland weet, „dat het een regel was, die
-dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson en andere voorsprekers
-der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip volkomen
-het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij
-de Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort,
-heeft men, wel is waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven
-gelaten en zulk een geel voortbrengsel wel eens met een zekeren trots,
-of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de blanken getoond.
-„That my picaninny,—you gib it sixpence?” zeide een zwarte lachend tot
-den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen, getuigt
-echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd
-laat leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.
-
-„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig
-omtrent hun bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld;
-maar Bonwick wederlegt hem met feiten.
-
-„De heer G. A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee,
-werd officiëel verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten
-waren vermoord en dat men elk hunner op een afzonderlijk vuur tot asch
-had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen plaats, zag de
-overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken
-van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in
-zijn district de halfbloed-meisjes somtijds in leven laat, doch de
-jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden slechts geduld, om
-als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging
-hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te
-worden prijsgegeven.”
-
-In het eerste nummer van de „Memoirs of the Literature of the Imperial
-University of Japan”, komt een belangrijke verhandeling voor van R. H.
-Chamberlain over de Aino’s, de oorspronkelijke bevolking van Japan, die
-thans nog op het eiland Jesso voorkomt en buitengewoon harig is. Bij
-vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en de bastaarden
-sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het
-menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.
-
-(9) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-
-(10) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790
-werd bevolkt door een deel der oproerige bemanning van het Engelsche
-schip de „Bounty”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden
-gevoegd. Bij hun aankomst waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten
-gevolge van twisten tusschen de Engelschen en de Tahitiërs stierven al
-deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young genaamd, en
-eenige vrouwen uit Tahiti, een gewelddadigen dood. Van deze weinige
-overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het eiland
-Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere
-bijzonderheden mededeelt.
-
-(11) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo
-zijn de kleine schaamlippen (nymphae) bij de Hottentotsche vrouwen
-aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe) en vormen het
-bekende tablier. Verder ontbreekt bij haar het frenulum, zoodat elke
-groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door
-een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze
-inrichting, die derhalve bij een der laagste menschenrassen normaal
-voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche pasgeboren kinderen
-(als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”,
-Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 en 150. Ook
-onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar
-zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich
-bij haar, vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen
-ontwikkelen. Zie Virey, „Histoire Naturelle du Genre Humain”, tome I,
-pl. 2.
-
-Over deze zoogenaamde steatopygie van de vrouwen der Hottentotten en
-Bosjesmannen hebben J. Deniker en P. Topinard [470] onderzoekingen
-ingesteld bij gelegenheid, dat er vertegenwoordigers dier beide rassen
-in den acclimatatietuin te Parijs te zien waren. Volgens Deniker komt
-de steatopygie bij alle Hottentotsche vrouwen voor, maar in
-verschillende graden van ontwikkeling. De vetafzetting begint geregeld
-eerst aan het bovenste achterste gedeelte der billen, daarop strekt zij
-zich verder over de zijdelingsche gedeelten en naar onderen, en ook
-over de aan de trochanters van het dijbeen grenzende streek uit.
-Verderop ontwikkelt zich fibreus weefsel, dat aan het vetkussen van het
-onderste gedeelte der billen ten steun strekt. De steatopygie blijft in
-den regel zelfs bestaan, als het individu overigens vermagert. Bij
-Kaffervrouwen komt de steatopygie evenmin voor als bij blanke vrouwen;
-bij de eersten bedraagt het uitsteken der billen slechts 3,6% der
-geheele lichaamslengte (bij Europeesche vrouwen 3,4%), en bij twee
-vrouwen van Bosjesmannen daarentegen 8,5%, bij ééne Hottentotsche vrouw
-zelfs 10%. Evenals Deniker beschouwt Topinard de steatopygie als een
-monsterachtigen vergrooting der billen, die niet slechts massiever en
-van grooteren omvang dan gewoonlijk zijn, maar ook den indruk maken,
-alsof zij naar boven omgebogen waren. Zij vormen van boven een
-horizontaal vlak, waarop groote voorwerpen gemakkelijk kunnen liggen.
-Naar onderen eindigen de steatopyge billen plotseling met een
-huidplooi. Bij enkele Hottentotsche vrouwen strekt zich de hypertrophie
-en vetontwikkeling over de geheele beenen uit tot aan de enkels, waar
-zij met een ringvormige opzwelling eindigen. Zulk een persoon ziet er
-dan uit alsof zij een wijde, geplooide broek aan had. Volgens Topinard
-is het niet onwaarschijnlijk, dat de steatopygie bij de vrouwen der
-Hottentotten en Bosjesmannen door seksueele teeltkeus is ontstaan, daar
-de mannen bij die volken een voorliefde voor vrouwen met sterk
-ontwikkelde billen hebben, terwijl deze laatsten door melkdiëet en
-volstrekte rust de vetontwikkeling trachten te bevorderen.
-
-Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over
-Deniker’s en Topinand’s onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in
-Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie door de gewoonte der
-bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen, of
-daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke
-verworven eigenschap hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat
-zich in ééne generatie bij vrouwen van ander ras, die aldus de kinderen
-droegen, steatopygie zou ontwikkelen.
-
-Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen
-zou volgens Topinard geen verband bestaan.
-
-Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte
-bijzonderheid van de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten
-beschreven. Vóór, buiten en iets boven den trochanter vindt men bij
-haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand in de
-aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen
-aanmerkelijk vergroot. De geheele aesthetische indruk dien de vorm
-eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen
-Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste
-breedte bezit, is bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het
-gedeelte tusschen de taille en het benedenste gedeelte der dijen het
-breedst. Toch bezitten die vrouwen een even smal bekken als de vrouwen
-der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige vorm
-door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.
-
-(12) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die
-zes rassen omvatten. De eerste soort, die zich o.a. door een
-gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het blanke
-ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken en
-Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras
-(Maleiers). De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van
-75°–80° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het zwarte ras (Negers,
-Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten, Papoea’s). Het is dus
-eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch twee
-soorten of rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „Histoire Naturelle du
-Genre Humain”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.
-
-(13) De nieuwste ons bekende indeeling is die van Haeckel („Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”). Haeckel neemt de volgende twaalf hoofdrassen of
-menschensoorten aan: 1o. het Papoearas (Homo Papua); 2o. het
-Hottentotsche ras (Homo Hottentotus); 3o. het Kafferras (Homo Cafer);
-4o. het Negerras (Homo niger); 5o. het Maleische ras (Homo Malayus), de
-eigenlijke Maleiers en Sundanesiërs omvattende; 6o. het Mongoolsche ras
-(Homo mongolicus); 7o. het Poolras (Homo arcticus), de Eskimo’s en de
-bewoners van Noord-oostelijk Azië (niet die van Noordwestelijk Azië en
-Noord-Europa) omvattende; 8o. het Amerikaansche ras (Homo Americanus),
-de oorspronkelijke inwoners van Amerika, met uitzondering der Eskimo’s,
-omvattende; 9o. het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras (Homo
-australis) [471]; 10o. het Dravida-ras (Homo Dravida), gevormd door de
-niet-Arische oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië (Dekhanvolken) en
-Ceylon; 11o. Het Nubische ras (Homo Nuba), gevormd door de eigenlijke
-Nubiërs, die de landen aan den Boven-Nijl (Dongola, Schangalla,
-Barabra, Kordofan) bewonen, en door de Foela’s of Fellata’s (ook Peul,
-Poehl, Poelar, Foehl, Foelbe, Foelan, Fallah, Fellan of Fellatin
-genaamd), die een breede strook land ten zuiden van de westelijke
-Sahara bewonen, roodbruin van kleur zijn en volstrekt niet met de
-negers moeten worden verward; 12o. het Middellandsche ras (Homo
-mediterraneus), overeenkomende met het Kaukasische ras van andere
-schrijvers, en uit de Ariërs of Indo-Germanen, de Semieten, de oude
-Egyptenaren (Kopten), de Basken, de Berbers (Kabylen, Guanchen), en de
-eigenlijke Kaukasische volken (Daghestaners, Circassiërs, Mingreliërs
-en Georgiërs) bestaande. Op blz. 749 van de achtste uitgaaf van
-Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men het volgende
-
-
-
-SYSTEMATISCH OVERZICHT DER 12 MENSCHENSOORTEN.
-
-N.B. De kolom A geeft bij benadering het aantal individu’s in
-millioenen aan; de kolom B geeft het phyletische ontwikkelingsstadium
-der soort aan; Pr beteekent: voortgaande uitbreiding, Co: ongeveer
-gelijkblijven, Re: achteruitgang en uitsterving. De kolom C geeft de
-verhouding der oorspronkelijke taalstammen aan; Mn (Monoglottonisch)
-beteekent een enkelen oorspronkelijken taalstam; Pl (Polyglottonisch)
-meer dan éénen oorspronkelijken taalstam.
-
-==============+====================+=====+====+=====+================================
- Tribus. | Menschensoort. | A. | B. | C. | Vaderland.
-==============+====================+=====+====+=====+================================
- { | | | { Nieuw-Guinea en Melanesië,
-LOPHOCOMI { 1. Papoea’s. | 2 | Re | Mn { Philippijnsche eilanden,
-(omtrent 2 { | | | { Malakka.
-millioenen). { | | |
- { 2. Hottentotten. |1/20 | Re | Mn { Zuidpunt van Afrika
- { | | | { (Kaapland).
- | | |
- { | | | { Zuid-Afrika (tusschen 30°
- { 3. Kaffers. | 20 | Pr | Mn { Zuiderbreedte en 5°
-ERIOCOMI { | | | { Noorderbreedte).
-(omtrent 150 { | | |
-millioenen). { | | | { Midden-Afrika (tusschen
- { 4. Negers. | 130 | Pr | Mn { den aequator en 30°
- { | | | { Noorderbreedte).
- | | |
- { 5. Maleiers. | 30 | Co | Mn { Malakka, Sundanesië, Polynesië,
- { | | | { Madagascar.
- { | | |
- { 6. Mongolen. | 550 | Pr | Mn? { Het grootste deel van Azië
- { | | | { en noordelijk Europa.
-EUTHYCOMI { | | |
-(bijna 600 { 7. Poolmenschen. |1/25 | Co | Pl? { Noord-oostelijk Azië en
-millioenen). { | | | { het Noorden van Amerika.
- { | | |
- { 8. Amerikanen. | 12 | Re | Mn? { Geheel Amerika met uitzondering
- { | | | { van het noordelijk gedeelte.
- { | | |
- { 9. Australiërs. |1/12 | | Mn { Australië (Nieuw-Holland).
- | | |
- { 10. Dravida’s. | 34 | Co | Mn { Zuid-Azië (Voor-Indië en
- { | | | { Ceylon).
- { | | |
-EUPLOCAMI { 11. Nubiërs. | 10 | Co | Mn? { Midden-Afrika (Nubië en
-(bijna 600 { | | | { Foelaland).
-millioenen). { | | |
- { | | | { In alle werelddeelen, eerst
- { 12. Middellanders. | 550 | Pr | Pl { uit Zuid-Azië(?) naar
- { | | | { Noord-Afrika en Zuid-Europa
- { | | | { getrokken.
- | | | |
- | 13. Bastaarden | | | { In alle werelddeelen, doch
- | tusschen de | 11 | Pr | Pl { hoofdzakelijk in Amerika
- | soorten. | | | { en Azië.
---------------+--------------------+-----+----+-----+--------------------------------
-
-
-Verder vindt men op blz. 727 van de achtste uitgaaf der „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” den volgenden
-
-
- STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.
-
- Japaneezen. Hamo-Semieten. Indo-Germanen.
- | | Basken | Kaukasiërs.
- Koreanen. Chineezen. | | | |
- | | Thibetanen. +===+===+ +===+===+
- Magyaren Koreo-Japaneezen | | Siameezen | |
- | Finnen | | | | +======+======+
- | | | +======+=====+ |
- +===+===+ | | 12. Middellanders.
- | 8. Amerikanen. | Indo-Chineezen. | Foela’s.
- Samojeden. | | Eskimo’s | | | Dongaleezen.
- | | | | +===+=============+ | 11. Nubiërs.
- +====+====+ | Hyperboreërs | | |
- | | | | | |
- | | 7. Poolmenschen. | | |
- Uraliërs. | | | | |
- | Tataren. +===+===+ | | |
- | | Kalmukken. | | | |
- | | | Toengoezen. | | | |
- | | | | | | | |
- | +=====+==+==+========+ | | |
- | | | | |
- | Altaiërs. | | |
- | | | Polynesiërs Madagassen | |
- +==========+========+ | | | | |
- | | +=====+=====+ +====+===+
- | | | |
- Ural-Altaiërs. | Sundaneezen Tamilen Toda’s |
- | | | | | |
- +================+===================+ | +===+===+ |
- | 5. Maleiers. | |
-4. Negers. 6. Mongolen. | 10. Dravida’s. |
- | | | 9. Australiërs. | |
- | 3. Kaffers. 1. Papoea’s. +=======+========================+ | | |
- | | 2. Hottentotten. | | +=====+====+ |
- +==+===+ | | EUTHYCOMI. | |
- | +====+=======+ | +======+======+
- ERIOCOMI. | | |
- | LOPHOCOMI. | EUPLOCAMI.
- | | | |
- +========+========+ +========================+=======================+
- | |
- WOLHARIGEN SLUIKHARIGEN
- (ULOTRICHES). (LISSOTRICHES).
- | |
- +===================================+======================+
- |
- OERMENSCHEN (PROTANTHROPI).
- |
- AAPMENSCHEN (ALALI).
-
-
-Op blz. 751 van de achtste uitgaaf der „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte” vindt men den volgenden
-
-
- STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.
-
- Angel-Saksen. Hoogduitschers.
- | Platduitschers. |
- | | Nederlanders. |
- Littauers. Oud-Pruisen. | | | |
- | Letten. | | +==+===+ |
- | | | | | |
- +===+===+ | | Oud-Saksen. |
- | | | | |
- +======+====+ +=====+=====+ |
- | | |
- Baltische stam. Saksen. Friezen. |
- | | | |
- Sorben. | +=====+===+ |
- | | | |
- Polen. | | Nederduitschers. |
-Czechen. | | | | |
- | | | | | |
- +====++===+ | +===+=========+
- | | Skandinaviërs. |
- West-Slaven. | | Gothen. Duitschers.
- | | | | |
- | Russen. | +===+=+====================+
- | | | |
- | Zuid-Slaven. | | Oer-Germanen. Oude Britten.
- | | | | | |
- | +==+===+ | | Oude Schotten. |
- | | | | Romanen. Ieren. | | Galliërs.
- | Zuid-Oost-Slaven. | | | | | | |
- | | | | | +-+-+ +==+==+
- +====+====+ | | | | |
- | | | | Latijnen. Galen. Brittaniërs.
- Slaven. | | | | | |
- | | | | | | |
- +===+==========+ | +==+==+ +===+========+
- | | | |
- Slavo-Letten. | Italiërs. Kelten.
- | | | |
- +=======+=======+ +======+=======+
- | |
- Slavo-Germanen. Italo-Kelten.
- | |
- | Albaneezen. Grieken. |
- | | | |
- | +========+===+ |
- | | |
- | Oer-Thraciërs. |
- | | |
- | Indiërs. Iraniërs. | |
- | | | | |
- | +===+=====+ +===+====+
- | | |
- | Ariërs. Graeco-Romanen.
- | | |
- | +======+=========+
- | |
- | Ario-Romanen.
- | |
- +=====+=======+
- |
- Indo-Germanen.
-
-
-Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde
-Haeckel, nader verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke
-Hoogduitschers.
-
-Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden
-stamboom te geven, daar in een boek over de afstamming van den mensch
-en in een hoofdstuk over de menschenrassen wel iets over de lijnen van
-afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden verwacht, en
-Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet
-aanroert. Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld
-later enkele wijzigingen zullende ondergaan, op het standpunt der
-tegenwoordige wetenschap over het algemeen (met uitzondering o.a. van
-de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en
-juistheid zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!
-
-(14) Zeer verschillend is het maaksel van den larynx echter bij den
-neger en den blanke. Bij den blanke liggen de stembanden en de
-ventriculi Morgagnii horizontaal, bij den neger bijna verticaal; bij
-den laatste bezit de larynx daarenboven twee kraakbeenderen
-(cartilagines Wrisbergianae), die bij den blanke niet of ten minste
-slechts als hooge uitzondering en dan nog veel minder ontwikkeld dan
-bij den neger, voorkomen. [472] Zie: G. Duncan Gibb, „Essential points
-of difference between the Larynx of the Negro and that of the White
-Man”, „Memoirs read before the Anthropological Society of London”, vol.
-II, 1865, 66. Londen, 1866. Men kan zich ternauwernood bij twee nauw
-verwante soorten homologe deelen voorstellen, die meer van elkander
-verschillen dan de larynx van een neger en die van een blanke, door
-middel van den keelspiegel gezien! Ten bewijze lasschen wij hier een
-viertal afbeeldingen in (Fig. 12, 13, 14, 15.)
-
-Chudzinsky („Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines”
-in „Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III, T. 2, blz. 158) heeft
-vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen
-gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey
-gemiddeld 9600 m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den
-dikken darm komen), bedroeg die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M.
-De dunne darm van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den
-blanke, de dikke darm iets korter. De dikte van de lever (van voren
-naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld 200 m.M., bij den
-neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de lever
-bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan
-260 m.M. De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den
-neger 1266 gram. Gemiddeld is de lengte van de milt bij den blanke
-(volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky) 98 m.M., haar
-dikte, bij den blanke 82, bij den neger 60 m.M., haar gewicht bij den
-blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren zijn bij den blanke
-grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn veel
-kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is
-de linker nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn
-bijnieren zijn grooter dan die van den blanke. In menige bijzonderheid
-van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar tot de anthropomorphen
-en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang dan bij den
-blanke.
-
-(15) „Megalithische monumenten.” Onder dezen algemeenen naam omvat men
-de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen die men in
-Frankrijk Dolmen, Menhir en Cromlech, in Duitschland Hünengräber, in
-onze provincie Drenthe Hunebedden en Steenen Grafkelders noemt.
-
-De Dolmen (Hünengräber, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die
-overeind in den grond zijn geplaatst, en een meestal ovale ruimte
-insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken
-overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de
-zelfde wijze vervaardigden gang; vele zijn van boven open, andere
-worden omringd door een of meer concentrische cirkels van
-rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir
-noemt en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te
-Carnac in Bretagne) worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de
-overblijfselen die men er onder aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot
-begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn eveneens uit ruwe, ongehouwen
-steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot tempels schijnen
-te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland
-wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (grottes aux fées der
-Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.
-
-De Megalithische monumenten (waaraan de Franschen verkeerdelijk den
-naam van Monuments Celtiques [473] geven) zijn in de Oude Wereld over
-een zeer groote uitgestrektheid verspreid. Men vindt ze in de Krim,
-Koerland, Pruisen, Mecklenburg, Denemarken, Zuid-Zweden, Westphalen,
-Oldenburg, Nederland, in Engeland, aan den Ticino in Italië, in Spanje,
-in Portugal, in de Barbarijsche Staten (vooral ook in Algerië en Tunis)
-en Palaestina, langs de kusten der Roode Zee en van de Perzische Golf
-tot in Britsch-Indië toe. Noch in de Nieuwe Wereld, noch in het Noorden
-en Oosten van Azië, noch in Centraal- en Zuid-Afrika, noch in Australië
-vindt men daarentegen, voor zoover ons bekend is, eigenlijke
-megalithische monumenten. Een steenhoop op den top van een heuvel
-opgeworpen, zooals Darwin in Zuid-Amerika heeft aangetroffen, verdient
-geenszins dien naam.
-
-De megalithische monumenten dagteekenen in de verschillende landen der
-Oude Wereld, waar men ze aantreft, uit zeer verschillende, meestal
-voorhistorische tijden. Men heeft toch in de dolmen verschillende
-werktuigen aangetroffen. In het noorden van Duitschland, in het zuiden
-van Skandinavië, in Denemarken en Drenthe zijn deze van steen, hoe
-verder men naar het zuiden van Europa komt, hoe menigvuldiger men naast
-de steenen ook bronzen werktuigen aantreft. In Algerië is het brons
-regel, de steen uitzondering. In Britsch-Indië vindt men, volgens een
-mededeeling door J. Hooker, president van de „British Association for
-the Advancement of Science” aan die vereeniging op haar vergadering van
-1868 te Norwich gedaan, een halfwild Mongoloïdisch volk dat den naam
-van Khasia’s draagt, en dat nog heden ten dage dergelijke megalithische
-monumenten bouwt. Zij doen zulks het geheele jaar door behalve
-gedurende den regentijd. Dr. Thomson zag bij hen een pas gebouwden
-dolmen, waarvan de deksteen bijna 10 meter lang, meer dan 4½ meter
-breed en meer dan 6 decimeter dik was. Om dergelijke zeer zware
-steenblokken te verplaatsen, gebruiken zij slechts hefboomen en touwen
-(hetgeen de onderstellingen van velen onzer oudheidkundigen, b.v. van
-Picardt, over de wijze waarop de Drenthsche hunebedden zouden zijn
-gebouwd, overbodig maakt). [474] Hun doel met het oprichten dier
-gedenkteekenen is een graf aan te duiden, of wel de plaats waar de eene
-of andere gewichtige gebeurtenis plaats greep. In den naam dien zij aan
-die monumenten geven, komt meestal de wortel men voor, die men in het
-Fransche Dolmen en Menhir terugvindt, doch in die laatste taal geen
-beteekenis heeft. In de taal der Khasia’s beteekent men steen. [475]
-
-Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als
-de aard der werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die
-gedenkteekenen zelven, maar vooral de medegedeelde taalkundige
-bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk, dat zij,
-althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en
-dat men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht
-door verschillende volken die gelijksoortige uitvindende of
-verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk, het zoogenaamde Volk der
-Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der Oostzee te
-zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een
-gedeelte over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn
-overgestoken, terwijl het grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den
-bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika en trokken vervolgens
-langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar Indië, in
-welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er
-bestaat reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der
-Dolmen gedurende den steentijd noordwaarts Skandinavië is ingetrokken,
-en zich in den bronstijd tot Stokholm, in den ijzertijd tot Drontheim
-heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke richting van de
-kusten der Oostzee naar de Krim.
-
-(16) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke
-bewoners van Noord-Afrika, de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische
-ras, waartoe ook het grootste deel der bewoners van Europa en een groot
-deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren tot het zelfde
-ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië en
-worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het
-Mongoolsche ras beschouwd. Rassen die in historischen tijd naar andere
-continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs en Negers in Amerika,
-de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk niet in
-aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken
-verspreidt en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort
-blijft leven, kan het niet wel anders, of elk dier afdeelingen moet na
-eenigen tijd van de andere gaan verschillen, en wel na langen tijd zoo
-sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen ontstaan.
-Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich
-nu reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan
-onderscheidt, niettegenstaande zijn voorouders eerst sedert hoogstens
-twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd en de landverhuizing
-onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde
-Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen
-zullen echter steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij
-juist over verschillende, door wijde zeeën gescheiden werelddeelen
-verschillende rassen verspreid, die zulk een familietrek hebben, b.v.
-de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen, de
-Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de
-Papoea’s. Hieruit blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen
-van rassen reeds aanmerkelijk van elkander verschilden, voor zich nog
-de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en waarschijnlijk ook reeds
-voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen hadden
-verspreid.
-
-(17) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de
-Grieken en Romeinen in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna
-allen) tot het Kaukasische of blanke ras, dat meer en meer blijkt in
-den strijd om het bestaan de overwinning over alle andere rassen weg te
-dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken
-vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de
-Angel-Saksers geweken, niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het
-grootste gedeelte van Frankrijk in de macht der Engelschen was; evenmin
-hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs), of de Franschen
-(Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer
-men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke
-grenzen van de op den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men
-zien, dat die grenzen nagenoeg samenvallen met de zuidelijke en
-westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen en de
-Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië
-verdwenen voor de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig
-voor de blanken terugwijken en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de
-oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, de
-Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de Maleiers,
-noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs);
-met de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met
-de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen echter noch de Grieken, noch de
-Romeinen ooit in aanraking.
-
-Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen
-wel terugwijken voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische,
-maar geenszins of veel minder door het Spaansche ras, niettegenstaande
-de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker hebben bejegend dan de
-Angel-Saksers.
-
-Dat de voorouders van het blanke ras (en dus ook van de
-Graeco-Romeinen) werkelijk op de oorspronkelijke wilde, niet tot het
-blanke ras behoorende bevolking van Europa den zelfden invloed
-uitoefenen, als de tegenwoordige blanken op de wilden van Amerika en
-Nieuw-Holland, blijkt uit het spoorloos verdwijnen van de Australoïde
-[476], Negroïde [477] en Mongoloïde [478] stammen die voor de aankomst
-der blanken, in den steentijd, Centraal- en Zuid-Europa bevolkten, en
-van wier voormalig bestaan slechts de ruwe voortbrengselen hunner
-kunstvlijt en enkele bewaard gebleven schedels getuigen.
-
-(18) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. & Cultuurpl.”,
-Deel II, blz. 82.
-
-(19) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van
-het recruteeren van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar
-gedane onderzoekingen hebben bewezen, dat van elke 1000 personen van
-blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte huidskleur) gemiddeld
-385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd, terwijl
-van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere
-huidskleur) gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze
-statistiek zekere gebreken bezit, meent De Candolle er toch uit te
-mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk opzicht
-boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en
-wêerstandsvermogen tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder
-meent De Candolle te hebben ontdekt, dat de vrouwen van blond ras in
-Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette bevolking
-leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de
-vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen
-altijd donkere oogen bezit.
-
-Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000
-personen bij de blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen
-(negers en bastaarden van negers en blanken) 17,3 en bij de Indianen
-23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche
-levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een
-hoogere premie dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te
-bewijzen, dat de grootere sterfte bij de kleurlingen niet het gevolg is
-van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun
-leven verzekeren, behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse,
-welke in de gunstigste omstandigheden verkeeren—maar in het ras ligt.
-(Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „Zeitschrift für
-Ethnologie”, 1888.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET
-MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN.
-
-DOOR
-
-Professor HUXLEY, F. R. S.
-
-
-Het verschil van gevoelen omtrent den aard en de hoegrootheid der
-verschillen in het maaksel der hersenen bij den mensch en de apen, dat
-omstreeks vijftien jaar geleden begon, is nog niet beslist, hoewel de
-punten waarover wordt getwist, tegenwoordig geheel en al andere zijn
-dan vroeger. Oorspronkelijk werd beweerd, en telkens opnieuw beweerd,
-dat de hersenen van alle apen, zelfs van de hoogste, van die van den
-mensch verschilden door het ontbreken van zulke in het oog loopende
-deelen als de achterste kwabben van de halfronden der groote hersenen
-met den achtersten horen van de zijdelingsche holte en den hippocampus
-minor, in deze kwabben gelegen, die bij den mensch zoo duidelijk zijn.
-
-Maar de waarheid is, dat de drie deelen in quaestie in apenhersenen
-even goed of zelfs beter ontwikkeld zijn dan in menschenhersenen; en
-geen stelling der vergelijkende ontleedkunde rust tegenwoordig op
-steviger grondslag dan die, dat de goede ontwikkeling dezer deelen een
-kenmerk van al de Primaten (met uitzondering der Lemuriden) is.
-Daarenboven zijn alle ontleedkundigen welke in de laatste jaren hun
-aandacht hebben gewijd aan de rangschikking der ingewikkelde sleuven
-(sulci) en windingen (gyri), die zich op de oppervlakte van de
-halfronden der groote hersenen bij den mensch en de hoogere apen
-vertoonen, het daarover eens dat zij bij de eerste volgens volkomen het
-zelfde patroon zijn gevormd als bij de tweede. Iedere hoofdwinding en
-sleuf van de hersenen van een chimpanzee wordt duidelijk
-vertegenwoordigd bij die van den mensch, zoodat de terminologie die op
-de eerste wordt toegepast, ook bij de tweede aan het doel beantwoordt.
-Op dit punt is er geen verschil van gevoelen. Eenige jaren geleden gaf
-Professor Bischoff een verhandeling [479] uit over de hersenwindingen
-bij den mensch en de apen, en daar het doel van mijn geleerden collega
-zeker niet was om de waardij van de verschillen in dit opzicht tusschen
-den mensch en de apen te verkleinen, ben ik blijde hem te kunnen
-aanhalen.
-
-„Dat de apen, en vooral de orang, chimpanzee en gorilla, in hun
-bewerktuiging zeer tot den mensch naderen en veel meer met dezen
-overeenkomen dan met eenig ander dier, is een welbekend, door niemand
-betwist feit. Als men de zaak alleen uit het oogpunt van bewerktuiging
-beschouwt, zou niemand waarschijnlijk ooit de meening van Linnaeus
-hebben bestreden, dat de mensch eenvoudig als een bijzondere soort aan
-het hoofd der zoogdieren en van deze apen behoorde te worden geplaatst.
-Beide vertoonen in al hun organen zulk een nauwe verwantschap, dat het
-meest nauwkeurig ontleedkundig onderzoek noodig is om die verschillen
-aan te toonen, welke werkelijk bestaan. Evenzoo is het met de hersenen.
-De hersenen van den mensch, den orang, den chimpanzee, den gorilla
-komen elkander, niettegenstaande al de belangrijke verschillen welke
-zij vertoonen, zeer nabij” (l.c., blz. 101).
-
-Er is derhalve geen verschil van gevoelen meer omtrent de overeenkomst
-in fundamenteele kenmerken tusschen de hersenen van den aap en van den
-mensch, noch omtrent de verwonderlijk sterke overeenkomst tusschen die
-van den chimpanzee, orang en mensch, zelfs in de bijzonderheden van de
-rangschikking der windingen en sleuven van de halfronden der groote
-hersenen. Evenmin is er, wat de verschillen tusschen de hersenen van de
-hoogere apen en die van den mensch aangaat, eenige ernstige quaestie
-omtrent den aard en de grootte van die verschillen. Men neemt aan, dat
-de halfronden der groote hersenen bij den mensch, zoowel volstrekt als
-betrekkelijk, grooter zijn dan bij den orang en chimpanzee; dat de
-voorhoofdskwabben bij hem minder worden uitgehold door het naar boven
-uitsteken van het dak der oogkassen; dat de windingen en sleuven bij
-hem minder regelmatig gerangschikt zijn en een grooter aantal
-secundaire plooiingen vertoonen. En men neemt aan, dat de fissura
-temporo-occipitalis of perpendicularis externa, die gewoonlijk bij
-apenhersenen zoo sterk is ontwikkeld, bij den mensch in den regel
-slechts zwak is aangegeven. Het is echter duidelijk, dat geen van deze
-verschillen een scherpe scheiding vormt tusschen menschen- en
-apenhersenen. Ten opzichte van de fissura perpendicularis externa van
-Gratiolet, bij menschelijke hersenen, merkt Professor Turner b.v. op:
-[480]
-
-„Bij sommige hersenen vertoont zij zich eenvoudig als een inkerving van
-den rand van het halfrond, maar bij andere strekt zij zich over eenigen
-afstand min of meer schuins naar buiten uit. Ik zag haar aan het
-rechterhalfrond van de hersenen eener vrouw meer dan vijf centimeter
-naar buiten loopen; en bij een ander persoon strekte zij zich, ook aan
-het rechterhalfrond, over een lengte van een centimeter naar buiten uit
-en liep daarna naar beneden tot aan den ondersten rand van de buitenste
-oppervlakte van het halfrond. De onduidelijkheid van deze spleet bij de
-meeste menschelijke hersenen, in vergelijking met haar opmerkelijke
-duidelijkheid bij de hersenen van de meeste vierhandige zoogdieren, is
-het gevolg van de aanwezigheid, bij de eerste, van zekere aan de
-oppervlakte gelegen, goed uitgedrukte, secundaire windingen, welke haar
-overbruggen en de parietaalkwab met de occipitaalkwab verbinden. Hoe
-dichter de eerste van deze overbruggende windingen bij de overlangsche
-spleet ligt, des te korter is de fissura parieto-occipitalis externa.”
-(l.c. blz. 17.)
-
-De onduidelijkheid van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet
-is dus geen standvastig kenmerk van de hersenen van den mensch. Van den
-anderen kant is de volkomen ontwikkeling daarvan geenszins een
-standvastig kenmerk van de hersenen der hoogere apen. Want bij den
-chimpanzee is het over een kleinere of grootere uitgestrektheid
-bedekken van de fissura perpendicularis externa door „overbruggende
-windingen”, aan den eenen of aan den anderen kant, herhaaldelijk
-waargenomen door Prof. Rolleston, de heeren Marshall, Broca en
-Professor Turner. Aan het slot van een speciaal over dit onderwerp
-geschreven verhandeling [481], schrijft deze laatste:
-
-„De drie zooeven beschreven specimina van de hersenen van een
-chimpanzee bewijzen, dat het algemeene besluit dat Gratiolet heeft
-trachten te trekken, dat de volkomen afwezigheid van de eerste
-verbindende winding en het verborgen liggen van de tweede, essentiëel
-karakteristieke kenmerken van de hersenen van dit dier zijn, in geenen
-deele algemeen doorgaat. Slechts bij één der specimina volgden de
-hersenen de wet welke Gratiolet heeft uitgesproken. Wat de
-tegenwoordigheid van de bovenste overbruggende winding aangaat, ben ik
-geneigd om te denken, dat zij, ten minste in één halfrond, heeft
-bestaan bij de meeste hersenen van dit dier, welke tot den
-tegenwoordigen tijd toe zijn afgebeeld of beschreven. Het komt
-blijkbaar zeldzaam voor, dat de tweede overbruggende winding aan de
-oppervlakte ligt, en is tot dusver, naar ik geloof, nog alleen gezien
-bij de hersenen (A), welke in deze verhandeling worden besproken. Van
-de asymmetrische rangschikking van de windingen der beide halfronden,
-waarop vroegere waarnemers in hun beschrijvingen hebben gewezen, geven
-deze specimina ook goede voorbeelden.” (blz. 8, 9.)
-
-Zelfs als de aanwezigheid van de fissura temporo-occipitalis of
-perpendicularis externa een onderscheid tusschen de hoogere apen en den
-mensch was, zou de waarde van zulk een onderscheidend kenmerk zeer
-twijfelachtig worden gemaakt door het maaksel der hersenen bij de
-Platyrrhine apen. Terwijl de fissura temporo-occipitalis bij de
-Catarrhinen of apen der oude wereld een der meest standvastige groeven
-is, ontbreekt zij bij de kleinere Platyrrhinen, is rudimentair bij
-Pithecia [482], en min of meer uitgewischt door overbruggende windingen
-bij Ateles.
-
-Een kenmerk dat binnen de grenzen van een enkele groep zoo varieert,
-kan voor de systematiek geen groote waarde bezitten.
-
-Het staat verder vast, dat de graad van asymmetrie van de windingen der
-beide helften der menschelijke hersenen aan vele individueele variaties
-onderhevig is; en dat bij alle individu’s van het ras der Bosjesmannen,
-die zijn onderzocht, de windingen en groeven veel minder ingewikkeld en
-meer symmetrisch zijn dan bij Europeesche hersenen, terwijl bij sommige
-individu’s van den chimpanzee haar ingewikkeldheid en asymmetrie
-opmerkelijk wordt. Dit is bijzonder het geval bij de door Broca
-afgebeelde hersenen van een jongen mannelijken chimpanzee. („L’Ordre
-des Primates”, blz. 165, fig. 11.)
-
-Ook staat het vast, wat het vraagstuk der volstrekte grootte aangaat,
-dat het verschil tusschen de grootste en de kleinste gezonde
-menschelijke hersenen grooter is dan het verschil tusschen de kleinste
-gezonde menschelijke hersenen en de grootste chimpanzee’s of orang’s
-hersenen.
-
-Er is daarenboven één kenmerk, waarin de hersenen van den orang en
-chimpanzee gelijken op die van den mensch, maar waarin zij verschillen
-van die der lagere apen, namelijk in de aanwezigheid van twee
-mergheuvels (corpora candicantia)—terwijl de Cynomorpha er slechts één
-bezitten.
-
-Op grond van deze feiten aarzel ik niet in dit jaar 1874 de stelling te
-herhalen en met aandrang vol te houden, die ik in 1863 [483] uitsprak:
-
-„Het is daarom duidelijk, dat de mensch, wat het maaksel der hersenen
-aangaat, minder verschilt van den chimpanzee of orang, dan deze van de
-lagere apen, en dat het verschil tusschen de hersenen van den
-chimpanzee en van den mensch bijna onbeteekenend is in vergelijking van
-dat tusschen de hersenen van een chimpanzee en die van een halfaap.”
-
-In de door mij aangehaalde verhandeling ontkent Professor Bischoff de
-waarheid van het tweede gedeelte van deze uitspraak niet, maar hij
-maakt eerst de niets ter zake afdoende opmerking, dat het niet vreemd
-is, zoo de hersenen van den orang en van een halfaap zeer van elkander
-verschillen, en verzekert in de tweede plaats: „Indien wij
-achtereenvolgens de hersenen van een mensch met die van een orang, deze
-met die van een chimpanzee, deze met die van een gorilla vergelijken,
-en, zoo voortgaande, met die van een Hylobates, Semnopithecus,
-Cynocephalus, Cercopithecus, Macacus, Cebus, Callithrix, Lemur,
-Stenops, Hapale, zullen wij geen grooter, of zelfs geen even groote
-gaping in de mate van ontwikkeling der windingen ontmoeten, dan die
-welke wij vinden tusschen de hersenen van een mensch en die van een
-orang of chimpanzee.”
-
-Ik zou hierop willen antwoorden, dat deze verzekering, hetzij waar of
-valsch, volstrekt niets heeft te maken met de in „Man’s Place in
-Nature” uitgesproken stelling, welke betrekking heeft, niet slechts op
-de ontwikkeling der windingen, maar op het geheele maaksel der
-hersenen. Indien Professor Bischoff zich de moeite had gegeven blz. 96
-van het werk dat hij critiseert, op te slaan, zou hij de volgende
-zinsnede hebben gevonden: „En het is een opmerkelijke omstandigheid,
-dat, hoewel er een gaping bestaat in het maaksel der hersenen in de
-reeks van vormen der Primaten, die gaping niet ligt tusschen den mensch
-en de anthropomorphe apen, maar tusschen de lagere en laagste apen,
-tusschen de apen der Oude en Nieuwe Wereld en de halfapen. Bij elken
-halfaap die tot dusver onderzocht is, zijn feitelijk de kleine hersenen
-van boven af gedeeltelijk zichtbaar, en is de achterste kwab, met de
-daarin gelegen posterius cornu en hippocampus minor min of meer
-rudimentair. Bij elk zijdeaapje, elken Amerikaanschen aap, aap der Oude
-Wereld, baviaan of anthropomorphen aap worden daarentegen de kleine
-hersenen van achteren geheel en al verborgen door de kwabben der groote
-hersenen, en allen bezitten een groot posterius cornu en een wel
-ontwikkelden hippocampus minor.”
-
-Deze uitspraak stemde volkomen nauwkeurig overeen met hetgeen bekend
-was, toen zij werd gedaan; en het komt mij voor, dat zij alleen
-schijnbaar verzwakt is door de latere ontdekking van de betrekkelijk
-geringe ontwikkeling der achterste kwabben bij den siamang en den
-brulaap. Niettegenstaande de exceptioneele kortheid van de achterste
-lobben bij deze beide soorten zal niemand beweren, dat haar hersenen in
-het minst naderen tot die der halfapen. En indien wij, in plaats van
-Hapale uit zijn natuurlijke plaats te verdringen, gelijk Professor
-Bischoff op onverklaarbare wijze doet, de reeks van dieren die hij
-heeft verkozen te vermelden, schrijven als volgt: Homo, Pithecus,
-Troglodytes, Hylobates, Semnopithecus, Cynocephalus, Cercopithecus,
-Macacus, Cebus, Callithrix, Hapale, Lemur, Stenops, durf ik opnieuw
-verzekeren, dat de groote gaping in deze reeks ligt tusschen Hapale en
-Lemur en dat deze gaping aanmerkelijk grooter is dan die tusschen eenig
-ander tweetal van termen van die reeks. Professor Bischoff is onbekend
-met het feit, dat lang voor hij schreef, Gratiolet voorgesteld had de
-halfapen van de andere Primaten te scheiden, en wel juist op grond van
-het verschillend maaksel hunner hersenen; en dat Professor Flower de
-volgende opmerkingen had gemaakt bij het beschrijven der hersenen van
-de Javaansche lori’s [484]:
-
-„En het is bijzonder opmerkelijk dat er in de ontwikkeling der
-achterste kwabben geen toenadering is tot de korte halfronden
-bezittende hersenen der halfapen, bij die apen welke men gewoonlijk
-onderstelt, dat in andere opzichten tot deze familie naderen, namelijk
-de lagere leden van de groep der Platyrrhinen.”
-
-Wat het maaksel der volwassen hersenen betreft, bevestigen de zeer
-aanmerkelijke uitbreidingen van onze kennis, welke de onderzoekingen
-van zoovele geleerden gedurende het laatste tiental jaren ten gevolge
-hebben gehad, ten volle de uitspraak die ik in 1863 deed. Maar men
-heeft gezegd, dat al gaf men de gelijkenis toe tusschen de volwassen
-hersenen van een mensch en van een aap, zij toch in wezenlijkheid zeer
-verschillend zijn, omdat zij fundamenteele verschillen vertoonen in de
-wijze waarop zij zich ontwikkelen. Niemand zou meer bereid zijn dan ik
-om de bewijskracht van dit argument toe te geven, als er werkelijk
-dergelijke verschillen in de ontwikkeling bestonden. Maar ik ontken dat
-zij bestaan. Integendeel, er bestaat een fundamenteele overeenstemming
-in de ontwikkeling der hersenen bij den mensch en bij de apen.
-
-Gratiolet was de eerste die beweerde, dat er een fundamenteel verschil
-tusschen de ontwikkeling der hersenen van de apen en van den mensch
-bestaat—namelijk hierin, dat bij de apen de sleuven die het eerst
-verschijnen, gelegen zijn op het achterste gedeelte van de halfronden
-der groote hersenen, terwijl bij den menschelijken foetus de sleuven
-het eerst zichtbaar worden op de voorhoofdskwabben. [485]
-
-Deze algemeene uitspraak is gegrond op twee waarnemingen, de eene op
-een gibbon die op het punt stond te worden geboren, bij welken de
-achterste windingen „goed ontwikkeld”, die van de voorhoofdskwabben
-daarentegen „nauwelijks aangegeven” waren [486] (l.c. blz. 39), en de
-andere op een menschelijken foetus in de 22ste of 23ste week van de
-zwangerschap, bij welken Gratiolet opteekent, dat de insula onbedekt
-was, maar dat toch „des incisures sèment le lobe antérieur, une
-scissure peu profonde indique la séparation du lobe occipital, très
-réduit d’ailleurs dès cette époque. Le reste de la surface cérébrale
-est encore absolument lisse.”
-
-Drie afbeeldingen van deze laatste hersenen worden gegeven op plaat II,
-fig. 1, 2, 3 van het aangehaalde werk, vertoonende de halfronden van
-boven, op zijde en van onderen gezien, maar geen daarvan beeldt af, hoe
-zij er op de binnenvlakte uitzien. Het is opmerkenswaardig, dat de
-figuren volstrekt niet overeenkomen met Gratiolet’s beschrijving, in
-zoover als de fissura antero-temporalis op de achterste helft van de
-buitenzijde van het halfrond meer ontwikkeld is dan een der op de
-voorste helft onduidelijk aangegeven groeven. Als de figuur nauwkeurig
-is, rechtvaardigt zij in geenen deele het besluit van Gratiolet: „Il y
-a donc entre ces cerveaux (die van een Callitrix en van een gibbon), et
-celui du foetus humain une différence fondamentale. Chez celui-ci,
-longtemps avant que les plis temporaux apparaissent, les plis frontaux
-essayent d’exister.”
-
-Sinds Gratiolet’s tijd is echter de ontwikkeling van de windingen en
-groeven het voorwerp van hernieuwd onderzoek geweest, door Schmidt,
-Bischoff, Pansch [487] en meer in het bijzonder door Ecker [488], wiens
-werk niet slechts de laatste, maar ook verreweg de volledigste
-verhandeling over dit onderwerp is. [489]
-
-De eindresultaten van hun onderzoekingen zijn, kort opgesomd, de
-volgende:
-
-1. Bij den menschelijken foetus wordt de Sylvische spleet gevormd in
-den loop van de derde maand der zwangerschap. In deze en in de vierde
-maand zijn de halfronden glad en rond (met uitzondering van de
-Sylvische spleet) en steken zij achterwaarts tot ver voorbij de kleine
-hersenen uit.
-
-2. De eigenlijke zoogenaamde sleuven (sulci) beginnen te verschijnen in
-de tusschenruimte tusschen het einde van de vierde en het begin van de
-zesde maand van het leven van den foetus, maar Ecker wijst er met
-nadruk op, dat, niet slechts in den tijd maar ook in volgorde, hun
-verschijnen onderhevig is aan aanmerkelijke individueele variaties. In
-geen geval zijn, hetzij de frontale, hetzij de temporale, de vroegste.
-
-De eerste welke verschijnt, ligt feitelijk op het binnenvlak van het
-halfrond (van daar zag Gratiolet, die dit vlak bij zijn foetus niet
-schijnt te hebben onderzocht, haar ongetwijfeld over het hoofd) en is
-òf de perpendicularis internus (occipito-parietalis), òf de sulcus
-calcarinus, welke beide sleuven dicht bij elkander liggen en soms
-ineenloopen. In den regel is de occipito-parietalis er het eerst.
-
-3. In het laatste gedeelte van dit tijdvak ontwikkelt zich een andere
-sleuf, de „posterio-parietalis” of „fissura Rolandi” [490], en deze
-wordt, in den loop der zesde maand, gevolgd door de andere voornaamste
-sleuven van de voorhoofds-, wandbeen-, slaapbeen- en
-achterhoofdskwabben. Er is echter geen duidelijk bewijs dat ééne
-daarvan constant vóór de andere verschijnt, en het is opmerkelijk, dat
-in de hersenen, in het tijdperk door Ecker beschreven en afgebeeld (1.
-c. blz. 212–13, Taf. II, fig. 1, 2, 3, 4), de sulcus antero-temporalis
-(scissure parallèlle), zoo kenmerkend voor apen-hersenen, even goed,
-zoo niet beter ontwikkeld is dan de fissura Rolandi, en veel sterker
-uitgedrukt is dan de eigenlijke voorhoofds-sleuven.
-
-De feiten nemende, voor zoover op het oogenblik bekend, schijnt het mij
-toe, dat de volgorde waarin de sleuven en windingen in de hersenen van
-den menschelijken foetus verschijnen, in volkomen overeenstemming is
-met de ontwikkelingstheorie in het algemeen, en met de meening, dat de
-mensch zich heeft ontwikkeld uit den eenen of anderen op een aap
-gelijkenden vorm; hoewel er geen twijfel kan bestaan, dat die vorm in
-vele opzichten verschilde van alle thans levende leden van de groep der
-Primaten.
-
-Von Baer leerde ons, een halve eeuw geleden, dat verwante dieren in den
-loop hunner ontwikkeling eerst de kenmerken aannamen van de groote
-groepen waartoe zij behooren, en daarna trapsgewijze die kenmerken
-verkregen, welke hen beperken binnen de grenzen van hun familie,
-geslacht (genus) en soort; en hij bewees tegelijkertijd, dat geen
-ontwikkelingstrap van een hooger dier geheel en al gelijk is aan den
-volwassen toestand van eenig lager dier. Het is volkomen juist te
-zeggen, dat een kikvorsch den toestand van visch doorloopt, in zoo ver
-als de kikvorschlarve in een tijdperk van haar leven de kenmerken van
-een visch bezit, en, als zij zich niet verder ontwikkelde, onder de
-visschen zou moeten worden gerangschikt. Maar het is eveneens waar, dat
-een kikvorschlarve zeer van alle bekende visschen verschilt.
-
-Op gelijke wijze kan men met waarheid zeggen, dat de hersenen van een
-menschelijken foetus in de vijfde maand niet slechts de hersenen van
-een aap, maar zelfs dat zij de hersenen van een aap uit de familie der
-zijdeapen (Arctopitheci) zijn; want de halfronden, met hun groote,
-achterste kwabben en met geen andere sleuven dan die van Sylvius en den
-sulcus calcarinus, vertoonen de kenmerken die men in de groep der
-Primaten alleen bij de familie der zijdeapen (Arctopitheci) vindt. Maar
-het is eveneens waar, gelijk Gratiolet opmerkt, dat zij door haar wijd
-openstaande Sylvische spleet van de hersenen van alle thans levende
-zijdeapen (Arctopitheci) verschillen. Ongetwijfeld gelijken zij veel
-meer op de hersenen van een ver in ontwikkeling gevorderden foetus van
-een zijdeaap. Wij weten echter niets hoegenaamd van de
-ontwikkelingsgeschiedenis der hersenen bij de zijdeapen. Bij de
-eigenlijke Platyrrhini is de eenige waarneming welke mij bekend is, die
-van Pansch, die in de hersenen van den foetus van een Cebus Apella
-behalve de Sylvische spleet en een diepen sulcus calcarinus, slechts
-een zeer ondiepe fissura antero-temporalis (scissure parallèlle van
-Gratiolet) [491] vertoonde.
-
-Nu levert dit feit, samengenomen met de omstandigheid, dat de sulcus
-antero-temporalis aanwezig is bij zulke Platyrrhini als de saimiri, die
-slechts sporen van groeven op de buitenste voorste helft van de
-halfronden der groote hersenen vertoont of bij wien die sleuven soms
-zelfs geheel en al ontbreken, ongetwijfeld zoover als het gaat een
-goeden bewijsgrond ten gunste van de hypothese van Gratiolet, dat de
-achterste sleuven in de hersenen der Platyrrhini vóór de voorste
-verschijnen. Maar hieruit volgt in geenen deele, dat wij den regel, die
-steek mag houden voor de Platyrrhini, nu ook tot de Catarrhini mogen
-uitbreiden. Wij bezitten volstrekt geen gegevens omtrent de
-ontwikkeling der hersenen bij de Cynomorpha; en, wat de Anthropomorpha
-aangaat, niets als de beschrijving van de hersenen van een gibbon kort
-voor de geboorte, waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Op het
-oogenblik is er geen schaduw van bewijs, dat de sleuven van de hersenen
-van een chimpanzee of orang niet in de zelfde volgorde verschijnen als
-bij den mensch.
-
-Gratiolet begint zijn voorbericht met het aphorisme: „Il est dangereux
-dans les sciences de conclure trop vite.” Ik vrees, dat hij dit gezonde
-beginsel had vergeten, toen hij in zijn werk zelf aan de bespreking van
-de verschillen tusschen den mensch en de apen was gekomen. Ongetwijfeld
-zou de uitstekende schrijver van een der merkwaardigste bijdragen tot
-het juiste begrip der zoogdierhersenen, die ooit zijn gedaan, de eerste
-zijn geweest om het onvoldoende zijner gegevens toe te stemmen, als hij
-maar lang genoeg had geleefd om met den vooruitgang van het onderzoek
-zijn voordeel te doen. Het ongeluk is, dat van zijn besluiten door
-personen, onbevoegd om een oordeel te vellen over de grondslagen waarop
-zij steunden, gebruik is gemaakt als bewijsgronden ten gunste van het
-obscurantisme. [492]
-
-Het is echter belangrijk op te merken dat, hetzij Gratiolet gelijk of
-ongelijk had in zijn hypothese omtrent de betrekkelijke volgorde in het
-verschijnen der sulci temporales en frontales, het feit blijft bestaan,
-dat, vóór de sulci temporales of frontales verschijnen, de hersenen van
-den menschelijken foetus kenmerken vertoonen, die alleen bij de laagste
-groep der Primaten (de Lemuriden er buiten gelaten) worden gevonden, en
-dat dit juist is, wat wij zouden verwachten het geval te zijn, indien
-de mensch was ontstaan door trapsgewijze wijziging van den zelfden vorm
-waaruit de andere Primaten zijn gesproten. (1)
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING.
-
-(1) Men sla ook Broca’s vergelijkende waarnemingen na over de
-geestvermogens en de organisatie der hersenen bij apen en menschen
-(„Kosmos” 1879, Heft 7; „Revue internationale des sciences”, Juillet
-1879, blz. 91; „Isis” 1879, blz. 347). De bovenstaande verhandeling van
-Huxley is door Darwin zelf achter Hoofdstuk VII van de 2e Eng. uitgaaf
-van zijn werk over de „Afst. v. d. Mensch” ingelascht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE
-VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, [493]
-
-DOOR
-
-Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-
-
-De geschiedenis, gegrond op documenten en gedenkteekenen waarvan de
-belangrijkheid en oudheid vaststaat, en op overleveringen die men op
-begrijpelijke wijze kan verklaren, klimt op tot de grondvesting van het
-Egyptische rijk door Menes, volgens Mariette in het jaar 5004 vóór het
-begin onzer jaartelling. Op dit tijdstip hadden de Egyptenaars een
-georganiseerde maatschappij, een goed ontwikkelde beschaving en groote
-steden. Het is niet al te gewaagd om, als wij tot den oorsprong hunner
-beschaving willen opklimmen, daar nog omtrent even vele jaren bij te
-voegen, en Plato’s verzekering aan te nemen, dat het Egyptische volk in
-zijn tijd tienduizend jaar bestond. [494]
-
-Daaraan—twaalfduizend jaar geleden—gingen de vóórhistorische tijden
-vooraf, die zich tot een veel ouder verleden uitstrekken. Is het
-mogelijk om zonder schriftelijke gegevens, zelfs zonder een op
-gissingen gegronde chronologie, een raming te maken van den duur van
-die tijden? Al wat wij daartoe hebben, zijn sporen welke de
-voorhistorische mensch in de natuur heeft nagelaten, welke door haar
-onophoudelijke werking die sporen onder opeenhoopingen van
-verschillende lagen bedekt, en ons zoo een soort van betrekkelijke
-tijdrekenkunde gegeven heeft. De wetenschap houdt het tegenwoordig voor
-zeker, dat de mensch gedurende het geheele zoogenaamde Quaternaire
-Tijdvak (het Diluvium) heeft bestaan, en wanneer wij den duur van dat
-tijdvak kunnen berekenen, zullen wij in staat zijn om voor den ouderdom
-van het menschelijk geslacht bij benadering een minimum vast te
-stellen. Dit is hetgeen de Mortillet tracht te doen bij het formuleeren
-van zijn besluiten in zijn boek over de „Voorhistorische Oudheid van
-den Mensch.” [495] Heeft de mensch echter ook reeds gedurende een deel
-van het Tertiaire Tijdvak bestaan, dan klimt hij tot een nog verbazend
-veel hooger ouderdom op.
-
-Ook de vergelijkende taalkunde bevestigt de hooge oudheid van het
-menschelijk geslacht. Zoo klimt de Arische taalstam, (gelijk wij reeds
-in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 270,
-mededeelden) in zijn oorspronkelijke eenheid volgens de geestrijke
-onderzoekingen van Boltz (vergelijk Aug. Boltz, „Die Sprache und ihr
-Leben”, 1868) tot een oudheid van wel 50,000 jaar op! Naast het volk,
-dat 50,000 jaar geleden deze oorspronkelijke taal sprak, leefden
-natuurlijk destijds vele andere volken, die de moedertalen van de
-andere tegenwoordig bestaande familiën van talen spraken; want de
-Arische taalstam is slechts één uit vele!
-
-De jaarringen van boomen, die op bouwvallen in Amerika groeiden, de
-ouderdom van verschillende achtereenvolgend op de zelfde plaats
-gegroeide bosschen, die daar, boven elkander liggende, menschelijke
-overblijfselen bedekten, de vormingssnelheid van rivierdelta’s en
-aanslibbingen, de dikte van veenlagen enz. zijn de grondslagen geweest
-van partiëele en ongetwijfeld onvoldoende berekeningen, krachtens welke
-men o.a. aan het tijdperk van den geslepen steen van Robenhausen
-(Zwitsersch paaldorp) een ouderdom van vijf- of zesduizend jaar [496]
-toekent, en meer dan dertienduizend jaar aanneemt als de tijd noodig
-voor de afzetting van het Nijlslib dat een gebakken steen bedekte,
-welke onder een standbeeld van Rhamses werd gevonden. De druipsteen van
-de grot van Kent in Engeland, in welke men op verschillende diepten
-Romeinsche oudheden en overblijfselen uit het palaeolithische tijdvak
-heeft gevonden, zijn de grondslag geweest van berekeningen, die tot
-resultaat gaven, dat laatstgenoemde overblijfselen meer dan
-tweehonderdvijftigduizend jaar oud waren. [497] Men ging bij die
-berekening uit van de onderstelling, dat de vorming van dien druipsteen
-nooit sneller geschied was dan tegenwoordig. Andere berekeningen hebben
-een meer algemeene strekking. De schommelingen van den bodem gedurende
-het Quaternaire Tijdvak, waardoor in Europa en het bekken der
-Middellandsche Zee aanzienlijke veranderingen in de verdeeling van land
-en water plaats hadden, vereischten, naar de geologen meenen, niet
-minder dan zeventigduizend jaar. [498] Nog een ander en verwonderlijk
-verschijnsel, de uitbreiding van het bergijs der Alpen, waardoor groote
-rotsblokken over afstanden van zeventig of zelfs honderd
-vijf-en-zeventig mijlen werden vervoerd, vereischte een verbazende
-lengte van tijd. De snelste verplaatsing van dergelijke blokken door
-het bergijs is niet meer dan zestig meter in een jaar; doch in het
-Quaternaire Tijdvak, toen de hellingen nog op verre na zoo steil niet
-waren als tegenwoordig, ging de verplaatsing volgens de Mortillet
-vijfmaal langzamer, en elk zwerfblok moet meer dan twintigduizend jaar
-noodig hebben gehad voor zijn verplaatsing van den Mont Blanc naar de
-Beneden-Rhône. Wij mogen er bijvoegen, dat een verbazend groot aantal
-blokken aldus werden vervoerd om de eindmoraine te vormen. Bij den tijd
-gedurende welken die gletschers zich uitbreidden, moet nog gevoegd
-worden de tijd welken zij noodig hadden om tot hun tegenwoordige
-grootte samen te slinken, welke nagenoeg even lang zal zijn geweest als
-de eerste. De tijdperken van de uitbreiding en het zich weder
-samentrekken der gletschers werden verder voorafgegaan door een
-prae-glaciale periode, en al de berekeningen te zamen geven de
-Mortillet aanleiding om een totaal van 100000 jaar aan te nemen om den
-geheelen duur van het Quaternaire Tijdvak uit te drukken, gedurende
-hetwelk wij zeker zijn, dat de mensch op den bodem van Europa leefde.
-[499]
-
-Dit tijdvak, hoe lang het ook schijnt, is zeer kort in vergelijking van
-de tienduizenden eeuwen van geologische ontwikkeling, die er aan
-voorafgingen, en vertegenwoordigt alleen de laatste en kortste der
-geologische perioden. De vraag ontstaat: Hoe is het menschelijk
-geslacht in staat geweest zich over de geheele oppervlakte der aarde te
-verspreiden? Zijn op de verschillende vastelanden onafhankelijk van
-elkander menschen ontstaan, of heeft het geheele menschdom een
-gemeenschappelijke bakermat, een zelfde oorspronkelijk vaderland gehad?
-Op dit punt verschillen de geleerden van gevoelen; zoo beweert Karl
-Vogt, dat de menschen op verschillende plaatsen ontstonden, terwijl
-Quatrefages en Darwin, naar wij meenen terecht, volhouden dat het
-menschdom uit een enkelen oorspronkelijken stam is ontstaan. Het blijft
-in elk geval een feit, dat de mensch, de zelfde in al de wezenlijke
-kenmerken van de soort, zich heeft verspreid over al de bewoonbare
-plaatsen van den aardbol, en dat niet in de laatste eeuwen, toen hij
-was voorzien van al de hulpbronnen, welke ondervinding, uitvindend
-vernuft en wetenschap tot zijn beschikking stelden, maar in overoude
-tijden, toen hij nog onwetend en onbeschaafd was. Zwak en bijna naakt,
-nog pas in het bezit van het vuur en eenige weinige ruwe wapenen om
-zich mede te verdedigen en voedsel te verschaffen, veroverde toen
-niettemin het menschelijk geslacht de aarde en verspreidde zich van de
-Noordpoolstreken tot Vuurland, van het land der Samojeden tot Van
-Diemensland, van de Noordkaap tot de kaap De Goede Hoop. Van dezen
-oorspronkelijken uittocht, even zeker als hij onbegrijpelijk is, moeten
-wij een verklaring of ten minste een waarschijnlijke voorstelling
-geven, en dat in een eeuw, waarin de beschaafde mensch slechts na de
-verwonderlijkste ontdekkingen, met behulp van de krachtigste
-toepassingen der werktuigkunde op de scheepvaart, door de stoutste en
-meest avontuurlijke ontdekkingsreizen, zich hoogstens kan vleien, dat
-hij even ver is doorgedrongen als de oorspronkelijke mensch trok in een
-tijd die zoo ver van ons is verwijderd, dat zij met alle berekeningen
-spot.
-
-Wij moeten nadrukkelijk op dit punt wijzen; want het brengt een
-hinderpaal aan het licht, welke zij die hebben beproefd het verband op
-te sporen tusschen ver van elkander wonende rassen en den weg te
-bepalen, gevolgd door stammen, welke nu door oceanen en uitgebreide
-landstreken zijn gescheiden, tot dusver onoverkomelijk hebben gevonden;
-want indien de menschheid één is,—waarvoor wij meenen, dat door Darwin
-in Hoofdstuk VII van dit werk de meest overtuigende bewijsgronden zijn
-aangevoerd,—moeten wij aannemen, dat haar verhuizingen oorspronkelijk
-van een enkel punt zijn uitgegaan. Bij deze verhuizingen is de mensch
-gegaan waarheên hij slechts kon, en heeft op elke plaats waar hij zich
-vestigde, eigenaardige kenmerken verkregen, die hem verschillend
-maakten van de op andere plaatsen gevestigde menschen. Van daar de
-verschillen tusschen de menschenrassen. Sommige van deze plaatsen
-schijnen bijzonder gunstig te zijn geweest voor zijn vooruitgang en
-werden middelpunten van beschaving. Het aantal dier middelpunten is
-echter zeer klein en hun geographische ligging zeer opmerkelijk.
-
-De vastelanden vormen drie hoofdgroepen, in den vorm waarvan ééne
-eigenaardigheid iedereen moet treffen, die met aandacht een wereldkaart
-beschouwt. Hij zal opmerken, dat zij in het Noorden zoozeer zijn
-uitgebreid, dat zij elkander in die richting aanraken of slechts door
-nauwe zeearmen zijn gescheiden, en dat zij binnen den Noordpoolcirkel
-een zee omsluiten vol groote eilanden. Naar het Zuiden gaande vinden
-wij, dat de drie vastelanden Noord-Amerika, Europa en Azië, die zoo
-dicht bij elkander liggen, plaats maken voor drie aanhangsels:
-Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw Holland (met de omliggende continentale
-eilanden), welke op hun beurt langzamerhand smaller worden, tot zij
-slinken tot eenvoudige punten in een grenzenloozen oceaan, lang voor
-zij den Zuidpoolcirkel bereiken. [500] Binnen dezen cirkel is de
-verdeeling van land en zee juist omgekeerd als in het Noorden; rondom
-de Zuidpool strekt zich een landmassa uit te midden van een
-uitgestrekten oceaan.
-
-Indien wij de vastelanden nauwkeuriger beschouwen, zullen wij vinden,
-dat de beschaving in elk daarvan ontstond onder gelijksoortige
-geographische voorwaarden, namelijk nabij of iets ten Noorden van den
-Kreeftskeerkring tusschen 20° en 35° N.B. Het oostelijkste van deze
-middelpunten van beschaving is China, nabij de Japansche zee. Het
-westelijkste, en naar het schijnt jongste, lag aan de stranden van de
-golf van Mexico. Deze laatste beschaving was bezig toe te nemen en haar
-gebied uit te breiden, toen de Europeanen Amerika ontdekten, en was
-geheel onafhankelijk van die der Oude Wereld door zelfstandige
-ontwikkeling ontstaan; maar zwak en betrekkelijk nieuw [501], was zij
-niet in staat om weêrstand te bieden aan den plotselingen inval van een
-sterker ras.
-
-Omstreeks het midden van de ruimte, aan de uiterste punten waarvan
-China en Mexico zijn gelegen, moeten twee andere middelpunten van
-beschaving worden geplaatst, ouder dan Mexico en wellicht ook dan China
-[502], doch ongeveer op de zelfde breedte gelegen, Egypte in het
-Nijldal en nabij de Roode Zee, en Mesopotamië nabij de Perzische Golf.
-Zoo had elk vasteland zijn eigen middelpunt van beschaving, behalve
-Azië, dat er twee had—het eene in het uiterste Oosten, het andere nabij
-de lijn welke het met Europa verbindt [503]. Deze bijzondere
-groepeering van de voornaamste middelpunten van beschaving in zulk een
-betrekkelijke nabuurschap vormt het belangrijkste palaeoëthnische feit
-dat wij kennen. De Nijl en de Syrische zee in het Westen, Opper-Armenië
-en de Kaspische zee in het Noorden, het Hindoe-Koh-gebergte en de Indus
-in het Oosten, en de Roode zee in het Zuiden begrenzen de streek, waar
-Kushieten, Semieten en Ariërs, de eersten landbouwers, werklieden en
-stedenstichters, de tweeden een herdersvolk en de derden bergbewoners
-en later landverhuizers en veroveraars, elkander ontmoetten, in
-wrijving met elkander kwamen en zich vermengden, beurtelings
-veroveraars en veroverden, de kunsten en het gebruik der metalen
-uitvonden, betere wapenen leerden vervaardigen en zich hiërarchisch
-organiseerden, hun ideaal trachtten te bereiken door den godsdienst, en
-door de schrijfkunst in het bezit kwamen van het machtigste werktuig,
-waarover het menschelijk verstand beschikt. Met hen begint de
-geschiedenis en een onafgebroken keten van maatschappelijke
-inrichtingen, die zich tot onze dagen uitstrekt. De groei der
-beschaving in deze middelpunten laat echter de verspreiding der
-menschheid over de geheele aarde, welke in veel vroegeren tijd plaats
-vond, nog onverklaard.
-
-De verspreiding van den mensch over Europa en Azië levert geen zeer
-groote moeielijkheden op; want ten gevolge van de groote breedte
-waarover beide vastelanden samenhangen, is Europa eigenlijk slechts een
-stuk van Azië. De moeielijkheden zijn echter verbazend groot, als wij
-Amerika beschouwen, dat wij van het eene eind tot het andere bezet
-vinden door rassen, wier eenheid de beste waarnemers heeft getroffen.
-Niet alleen verhief zich daarenboven de Amerikaansche mensch op den
-bodem der Nieuwe Wereld tot een oorspronkelijke en betrekkelijk hooge
-beschaving; maar hij heeft, vooral in het Noorden, onmiskenbare sporen
-achtergelaten van zijn tegenwoordigheid in de meest verwijderde tijden.
-Om niet te spreken van de in Californië gevonden overblijfselen van den
-tertiairen mensch (vergelijk aanteekening 5, blz. 372), heeft men in de
-Delaware-vallei te Trenton (New-Jersey) en nabij Guanajuato in Mexico
-werktuigen gevonden, die zoo onmiskenbaar tot het palaeolithische
-tijdperk behooren, dat geen vergissing mogelijk is, hun vindplaats
-onder in de aanslibbingen uit het Quaternaire Tijdvak, tezamen met
-overblijfselen van olifanten en mastodonten bewijzen, evenals de door
-Lund in de holen van Lagoa Santa gevonden menschenschedels, het bestaan
-van een ras, gelijktijdig met dat, waarvan de vuursteenwerktuigen uit
-de Somme-vallei afkomstig zijn en dat in beschavingstoestand en
-ongetwijfeld ook in levenswijze en in vele lichamelijke kenmerken met
-dit laatste overeenkwam. Van waar kan dit oorspronkelijke Amerikaansche
-ras, de broeder van dat hetwelk in dien zelfden tijd in Europa leefde,
-zijn gekomen, tenzij wij onderstellen dat er een rechtstreeksche
-landverbinding tusschen beide vastelanden was? De moeielijkheden, die
-dergelijke menschen zouden hebben ondervonden als zij hadden beproefd
-den Atlantischen Oceaan over te steken, en de zekerheid, welke ons
-peilingen geven, van de oudheid van dien oceaan maken het echter
-volstrekt onmogelijk om aan te nemen dat hij destijds niet bestond of
-dat één der beide vastelanden van uit het andere werd ontdekt door
-dezen of genen onbekenden Columbus, welke hem een honderdduizendtal
-jaren vóór den historischen Columbus overstak.
-
-Wij staan dus tegenover het vraagstuk, dat zich altijd aan ons voordoet
-en waarvan de oplossing ons altijd ontgaat, van den oorsprong van den
-Amerikaanschen mensch. Blijkbaar kan het niet worden opgelost door een
-toevallige kolonisatie door Aziatische landverhuizers of door een troep
-schipbreukelingen te hulp te roepen; maar moeten wij er rekening bij
-houden met oorspronkelijke bevolkingen die zich, evenals in Europa, in
-achtereenvolgende golvingen verspreidden, en getuigen van de
-voortdurende aanwezigheid van den mensch, wiens trapsgewijze
-ontwikkeling en verspreiding in Amerika op de zelfde wijze plaats had
-als in de Oude Wereld. [504] De onderstelling van een landverhuizing
-uit Azië over de Aleutische eilanden naar Alaska [505] zou aanneembaar
-zijn, maar de zekerheid van het bestaan van een bevolking van
-inboorlingen in Amerika in het Quaternaire Tijdvak, brengt die in elk
-geval terug tot den rang van een secundair feit. Het zelfde is het
-geval met de betrekkingen—die wel is waar in tegenspraak met elkander
-en daarom verdacht zijn—welke sommigen hebben meenen te vinden tusschen
-de gedenkteekenen, standbeelden en hiëroglyphen van Centraal-Amerika en
-die van Egypte en Boeddhistisch Azië. Deze analogieën steunen op
-onvoldoende bewijzen en moeten daarenboven vallen voor twee
-overwegingen van het hoogste gewicht: in de eerste plaats de zekerheid,
-dat de mensch in Amerika gelijktijdig met de groote dieren van het
-Quaternaire Tijdvak heeft geleefd; en in de tweede plaats, de
-betrekkelijke eenvormigheid van het koperkleurige ras, dat zoo gelijk
-is over het geheele vasteland heên, met uitzondering van het gedeelte
-dat door de Eskimo’s wordt bewoond. De moeilijkheid ontspruit uit het
-feit dat de monogenisten, een enkele geboorteplaats en een enkel
-uitgangspunt voor het geheele menschelijke geslacht aannemende en geen
-van beide in de Nieuwe Wereld plaatsende, altijd hebben ondersteld, dat
-Amerika was gekoloniseerd door landverhuizers uit Europa of Azië, die
-de richting van de parallelcirkels waren gevolgd. Landverhuizing in
-deze richting (van Oost naar West of omgekeerd) vindt dadelijk een
-hinderpaal in de oceanen, die hoe langer hoe breeder worden, naarmate
-wij zuidelijker komen. Die hinderpaal verdwijnt echter, als wij het
-denkbeeld van een verhuizing in de richting der parallelcirkels opgeven
-en onderstellen, dat zij heeft plaats gehad in de richting der
-meridianen van het Noorden naar het Zuiden. Bij verhuizingen in die
-richting stuiten wij op volstrekt geen hinderpalen; en de betrekkelijke
-gelijkvormigheid van de Amerikanen van het eene uiteinde van hun
-vasteland tot het andere, zou nooit verwondering hebben gewekt, als wij
-niet bevooroordeeld waren geweest door het denkbeeld, dat zij in een
-betrekkelijk laten tijd derwaarts waren verhuisd.
-
-Wij moeten in verband hiermede opmerken, dat de uiterste zuidpunten der
-drie vastelanden worden bewoond door rassen die ongetwijfeld
-oorspronkelijk ergens elders vandaan kwamen, en die zoowel in Vuurland
-als aan de Kaap de Goede Hoop en in Van Diemens Land tot de minst
-ontwikkelde van het menschelijke geslacht worden gerekend. Die rassen,
-welke door andere derwaarts werden opgedrongen, hebben den zichtbaren
-stempel bewaard van de betrekkelijk lage ontwikkeling van den stam
-waaruit zij lang geleden sproten. Wij moeten toch aannemen, dat deze
-drie takken—Vuurlanders, Bosjesmannen en Tasmaniërs—zoo weinig verheven
-in hun physieke, intellectueele en moreele eigenschappen, alleen zoo
-ver voortgetrokken zijn en zich alleen in zoo afgelegen oorden hebben
-gevestigd, omdat de beide laatste voor zich uit landstreken vonden die
-nog geheel onbewoond waren, terwijl de Vuurlanders hoogstens door een
-met de Papoea’s verwante bevolking werden voorafgegaan, welke laatste
-echter geheel te gronde ging of door het roode ras werd geabsorbeerd.
-[506] Als pioniers voor het overige gedeelte van het menschelijk
-geslacht hebben zij stap voor stap de uiterste grenzen van het
-bewoonbare land bereikt. Zij moeten ten minste tijdelijk ook
-noordelijker gelegen landen hebben bewoond, maar zij konden gene
-weerstand bieden aan den aandrang der sterkere rassen en konden niet
-tot onzen tijd blijven bestaan, dan door zich terug te trekken op een
-klein gebied in het meest afgelegen gedeelte van hun vroegere
-woonplaats. Er is niets verwonderlijks in het feit dat Quatrefages en
-Hamy bij het beschrijven van het oudste Europeesche ras waarvan wij
-schedels bezitten, dat van Cannstatt [507], hebben gevonden, dat het
-alleen overeenkomst bezat met die van deze zelfde bewoners van het
-uiterste Zuiden—de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs.
-
-Men zal zien, dat wij geneigd zijn de rondom de Noordpool gelegen
-landstreken als de waarschijnlijke bakermat der oorspronkelijke
-menschheid te beschouwen. Van daar alleen kan zij, als van een
-middelpunt uitgestraald zijn om zich tegelijkertijd over verschillende
-vastelanden te verspreiden en achtereenvolgende landverhuizingen naar
-het Zuiden te veroorzaken. Deze theorie komt het best overeen met den
-weg, langs welken de menschenrassen waarschijnlijk hunne tegenwoordige
-woonplaatsen hebben bereikt. Er blijft over aan te toonen, dat zij
-evenzeer in overeenstemming is met de meest authentieke en nieuwste
-geologische gegevens, en dat zij behalve op den mensch ook toepasselijk
-is op de planten en dieren welke hem vergezellen en bij voortduring in
-het nauwste verband met hem zijn gebleven in de gematigde luchtstreken
-welke later de zetel zijner beschaving werden. De algemeene wetten der
-geologie begunstigen deze onderstelling opmerkelijk. Om haar
-waarschijnlijk te maken, hebben wij slechts twee hoofdpunten vast te
-stellen, die door geen geoloog ernstig zullen worden betwist. Vooreerst
-dat de poolstreken, welke met groote boomen waren bedekt, eens een
-gematigder klimaat bezaten dan dat van het tegenwoordige Midden-Europa
-en tot den 80° toe bewoonbaar en vruchtbaar waren minstens tot het
-midden van het Tertiaire Tijdvak toe, een langzame en voortdurende
-afkoeling ondergingen. Van toen af maakte de afkoeling snelle
-vorderingen, totdat het ijs uitsluitend meester werd van het nabij de
-polen gelegen land. Onder dergelijke omstandigheden moest de mensch,
-zoo die daar leefde, even goed als de dieren en planten wegtrekken of
-omkomen—stap voor stap verhuizen of zich tot een dagelijks onzekerder
-wordend bestaan teruggebracht zien.
-
-Het tweede punt is de betrekkelijke stabiliteit van de bestaande
-vastelanden en hun ligging rondom een zee welke de Noordpool omsluit;
-terwijl de andere pool wordt ingenomen door land, omringd door een
-onmetelijken oceaan. Het belang van de Noordpool ten opzichte van het
-ontstaan van dieren en planten en hun verhuizingen en de
-onbeduidendheid van de Zuidpoolstreken in dit opzicht volgen uit die
-groepeering. De hoofdzaak is, dat er niets grilligs is in die
-verdeeling van land en zee, en dat er, zoo niet altijd, ten minste
-sedert een zeer oud tijdvak, zich altijd landen hebben verheven, die
-een aanmerkelijk gedeelte van het Noordelijk Halfrond besloegen, en
-rondom de Poolzee een gordel van min of meer samenhangende landen en
-eilanden vormden. Dit is werkelijk, wat de geologie leert. De
-veranderingen, dalingen tot onder en verheffingen tot boven den
-zeespiegel zijn altijd slechts gedeeltelijk en achtereenvolgend
-geweest, terwijl de hoofdmassa’s der vastelanden sedert de oudste
-tijden betrekkelijk slechts weinig van gedaante zijn veranderd. Er
-zijn, zoolang er land bestaat, ook altijd een Europa, een Azië, een
-Amerika en Poollanden, geweest. [508] Wij weten zeker dat er altijd om
-de Noordpool uitgestrekte grondgebieden bestaan hebben; al zijn het
-geen vastelanden geweest; dat die langen tijd het verblijf waren van de
-zelfde planten als het overige gedeelte van den aardbol, en dat sedert
-het einde van het Jura-tijdvak, het klimaat, dat daar eerst schier even
-warm was als elders, langzamerhand trapsgewijze kouder is geworden. De
-daling van de temperatuur openbaarde zich eerst zeer langzaam, en was
-in het Tertiaire Tijdvak nog lang zoo ver niet voortgeschreden als
-tegenwoordig; want de boomen, toenmaals in Groenland groeiende,—de
-sequoia’s, magnolia’s en platanen,—bereiken nu in Zuid-Europa hun volle
-ontwikkeling en passen niet voor het klimaat van Midden-Europa. [509]
-We zijn dus verzekerd, dat er om de Noordpool vroeger een gordel van
-landen met een rijken plantengroei heeft bestaan. Het voortdurend
-bestaan eener Poolzee is niettemin bevestigd door versteeningen in alle
-gedeelten dier streek gevonden. De omstreken van de Noordpool waren
-lang bewoonbaar, en werden bewoond door den mensch, in een tijd niet
-ver van dien, waarop de eerste sporen van zijn nijverheid zich
-tegelijkertijd in Europa en in Amerika begonnen te vertoonen. Zich van
-de Poollanden begevende naar die welke aan den poolcirkel grenzen, en
-van de laatste naar Azië, Europa en Amerika, zou de mensch slechts den
-zelfden weg gevolgd hebben, als een heir van planten en dieren, hetzij
-vóór hem of ter zelfder tijd met hem, en onder de prikkel der zelfde
-omstandigheden. [510] Door de hulp van verhuizingen van uit de
-nabijheid der Noordpool kunnen wij in ’t algemeen het verschijnsel
-verklaren, dat soorten verspreid of in verschillende afzonderlijke
-deelen gescheiden zijn, een verschijnsel overeenstemmende met dat
-hetwelk de menschen van de Oude en die van de Nieuwe Wereld vertoonen,
-wanneer men ze met elkander vergelijkt.
-
-Wanneer wij de hier uiteengezette opvatting vergelijken met de
-aanwijzingen, door de fossielen geleverd, dan ontdekken wij talrijke
-voorbeelden van afscheiding, in welke verwante, dikwijls nauwelijks van
-elkander te onderscheiden vormen, terzelfdertijd in verschillende
-streken zijn verspreid, over ver van elkander verwijderde punten van
-het Noordelijk Halfrond, zonder eenige duidelijke verbinding langs de
-parallelcirkels, waardoor hun blijkbare overeenkomst zou kunnen worden
-verklaard. Europa getuigt door vele fossielen op onloochenbare wijze,
-dat het eertijds een heirleger van plantentypen en vormen had, die nu
-tot Amerika beperkt zijn, en die het alleen uit het uiterste Noorden
-kan ontvangen hebben. Het heeft bij voorbeeld magnolia’s, tulpenboomen,
-sassefras, ahornboomen en populieren bezeten, in alle opzichten
-vergelijkbaar met die welke tegenwoordig in de Vereenigde Staten
-groeien. De twee plataansoorten, die van het westelijk halfrond en die
-van Klein-Azië, waaraan wij een uitgestorven fossielen Europeeschen
-plataan mogen toevoegen, geven een voorbeeld van het zelfde
-verschijnsel van verspreiding. Europa was in het Tertiaire Tijdvak
-getuige van den groei van een ginko, gelijkende op die van Noordelijk
-China (Ginko biloba of Salisburia japonica). Het had sequoia’s en een
-kale cypres, overeenkomende met de boomen van dien naam, welke nu in
-Californië en Louisiana groeien. De beuk schijnt in de streken rondom
-de Noordpool gegroeid te hebben, vóór hij was doorgedrongen en zich had
-uitgebreid in de zuidelijker gedeelten van het Noordelijk Halfrond.
-Zonder twijfel is dit ook het geval geweest met de hemlock-spar (Tsuga
-canadensis), van welke duidelijke overblijfselen zijn gevonden in
-Grinnell-land op meer dan 82° breedte, en uit een veel vroegeren tijd
-afkomstig dan die waarin hij in Canada begon te groeien. De goed
-vastgestelde tegenwoordigheid in beide vastelanden van vele dieren die
-eigen zijn aan het Noordelijk Halfrond, moet worden toegeschreven aan
-landverhuizingen, zoo niet van de pool, dan ten minste uit landen in de
-nabijheid van den poolcirkel gelegen. Dit is duidelijk in het geval van
-het rendier, den bison, en het hert; maar het moet even waar zijn ten
-opzichte van dieren uit oudere tijden, en hoewel wij daarvan geen
-andere rechtstreeksche bewijzen hebben dan den overvloed van
-overblijfselen van mammouthen in Opper-Siberië, gaat deze wet
-ontegenzeggelijk ook voor de olifanten en mastodons door: wij bedoelen
-hier de soorten van deze beide geslachten, welke zich van het Noorden
-naar het Zuiden voortplantten, en die in Amerika en Europa de
-metgezellen van den oorspronkelijken mensch waren. De verbinding van de
-vastelandmassa’s met hun gordel van nauwelijks gescheiden landen rondom
-en binnen den Poolcirkel geeft den sleutel tot al deze verschijnselen.
-
-Volgens de denkbeelden van de transformistische school was de
-oorspronkelijke mensch een anthropomorphe aap, in lichamelijk opzicht
-volkomener geworden, wat zijn opgerichte houding en het gaan op twee
-voeten betrof, en in verstandelijk opzicht door het grooter worden en
-de ontwikkeling van zijn schedel en hersenen, waarmede het ontstaan van
-het vermogen om gearticuleerd te spreken gepaard ging. [511] In
-overeenstemming nu met onze theorie vinden wij, dat ook de apen, en
-zelfs de anthropomorphen vroeger in veel noordelijker streken gevonden
-werden dan tegenwoordig. Als voorbeelden halen wij aan den Mesopithecus
-Pentelici, door Gaudry [512] te Pikermi in Griekenland fossiel
-gevonden, den Dryopithecus van St. Gaudens, een anthropomorphen aap,
-aan welken Gaudry vroeger geneigd was de zeer ruw bewerkte vuursteenen
-toe te schrijven, welke de abt Bourgeois te Thénay in tertiairen
-kalksteen (Calcaire de la Beauce) vond. [513] Verder den Pliopithecus
-van Sansan (Gers), die op een gibbon gelijkt, enz. Om tegenwoordig de
-het naast met Pliopithecus en Dryopithecus uit Midden-Europa verwante
-diervormen te vinden, moet men den Kreeftskeerkring overschrijden en
-tot 12° noorderbreedte reizen, of meer dan dertig graden zuidelijker
-dan de plaatsen, waar deze fossielen zijn gevonden. Indien de zelfde
-afstand (in omgekeerde richting) bestond tusschen de plaatsen, waar men
-deze fossiele apen heeft gevonden en het oorspronkelijk vaderland van
-den mensch, dan zou dit laatste op de breedte van Groenland, d.i. op
-70° of 75° hebben gelegen. Deze onderstelling wordt gesteund door het
-feit, dat ook tegenwoordig de streken, waar de mensch de hoogste
-ontwikkeling bereikt, noordelijker liggen en koeler klimaat bezitten
-dan die waar anthropomorphe apen leven, en dat de oudste middelpunten
-van beschaving, allen, gelijk wij hebben gezien, tusschen 20° en 35°
-N.B. gelegen, in gemiddelde temperatuur overeenstemmen met dat gedeelte
-van het toenmalige Groenland. De overvloed van ruwe vuursteenwerktuigen
-in de nabij elkander gelegen valleien van de Somme en de Seine bewijst,
-dat daar oudtijds een klimaat enz. heerschte, bij uitstek geschikt voor
-de vermenigvuldiging van den mensch. De flora van dien tijd, waarvan
-nabij Fontainebleau fossiele overblijfselen zijn gevonden, bewijst dat
-dit klimaat overeenkwam met dat, ’t welk men tegenwoordig in het Zuiden
-van Frankrijk nabij den 42sten breedtegraad aantreft. Om nu, van dezen
-42sten breedtegraad uitgaande, de bijna tropische streken te bereiken,
-waar palmen, kamferboomen en zuidelijke laurieren te zamen groeien,
-moeten wij twaalf of vijftien graden zuidelijker gaan, waar wij de
-zelfde klimatologische toestanden aantreffen, die in Midden-Europa
-bestonden, toen het de woonplaats van anthropomorphe apen was. Maar
-toen er palmen groeiden in de nabijheid van Praag en kamferboomen in de
-nabijheid van Dantzig, kan de mensch, als hij destijds bestond, zonder
-bezwaar hebben geleefd in de streken onder den Noordpoolcirkel of nog
-verder Noordwaarts, en zou van daar uit even gemakkelijk Noord-Amerika
-als Europa hebben kunnen bereiken, welke hij bestemd was te bevolken.
-De mensch heeft zich uit zijn stamvorm ontwikkeld in een gematigd
-klimaat, en zoo hij tegenwoordig ook in de warmste landen leeft,
-bewijst dit eenvoudig dat hij het vermogen bezat zich naar de
-omstandigheden te schikken (zich te adapteeren aan de
-levensvoorwaarden), maar hij bloeit het meest en komt tot zijn hoogste
-ontwikkeling in de gematigde luchtstreek, terwijl de tegenwoordige
-anthropomorphen echte tropenkinderen zijn en in de gematigde
-luchtstreek slechts kort blijven leven.
-
-Het besluit, waartoe wij komen, is dus, dat in het begin van het
-Tertiaire Tijdvak de Noordpoolstreken grootendeels uit land bestonden
-[514], dat een tropisch klimaat bezat en waar de anthropomorphe
-stamvorm van den mensch leefde. Toen in den loop van de Miocene en
-Pliocene periode dit klimaat allengs meer gematigd werd, stierven de
-anthropomorphen daar gedeeltelijk uit, omdat zij het kouder klimaat
-niet konden verdragen, gedeeltelijk verhuisden zij naar het Zuiden,
-waarbij zij zich natuurlijk wijzigden, gedeeltelijk adapteerden zij
-zich aan de omstandigheden en werden tot menschen. In de Pliocene
-periode (of reeds vroeger) leefde derhalve de mensch (met vele andere
-thans naar zuidelijker breedten verhuisde dieren en planten) in de
-Noordpoolstreken, die een gematigd klimaat bezaten. Bij het invallen
-van het ijstijdperk werden de Poolstreken voor hem onbewoonbaar [515]
-en verspreidde hij zich (tegelijk met die dieren en planten) in alle
-richtingen naar het Zuiden over de gematigde luchtstreken van Europa,
-Azië en Noord-Amerika, terwijl de tropische vegetatie en de
-dierenwereld, welke die streken in het Tertiaire Tijdvak bezaten,
-tegelijkertijd ondergingen of naar het Zuiden werden teruggedrongen.
-Hierbij konden in de Nieuwe Wereld meer plantentypen behouden blijven
-dan in de Oude, omdat in deze laatste de vaak van het Oosten naar het
-Westen loopende bergketenen en zeearmen dikwijls onoverkomelijke
-hinderpalen voor de verhuizing der planten naar het Zuiden opleverden,
-hetgeen in de Nieuwe Wereld veel minder het geval was, omdat de
-voornaamste bergketenen daar van het Noorden naar het Zuiden loopen.
-Voor de dieren vormden echter de bergketenen der Oude Wereld, wegens de
-snelheid waarmede zij zich kunnen verplaatsen, veel minder
-onoverkomelijke hinderpalen dan voor de planten.
-
-Over het geheel moeten noodwendig de Poollanden ook in de oudste
-tijdvakken de plaatsen zijn geweest, waar de landdieren ontstonden en
-waar zij later de grootste wijzigingen ondergingen, waardoor nieuwe
-soorten en typen ontstonden, die zich naar den equator toe
-verspreidden. De polen moeten, zelfs toen de aarde nog gloeiend
-vloeibaar was, reeds kouder zijn geweest dan de equator; want aan den
-equator bestond aardwarmte + tropische zonnewarmte, aan de polen
-aardwarmte + polaire zonnewarmte; dit ging vroeger evenzeer door als
-tegenwoordig, al waren zoowel aardwarmte als zonnewarmte ook absoluut
-grooter dan thans. Aan de polen moet de aardschors zijn begonnen zich
-te vormen, daar moeten reeds voor planten en dieren bewoonbare streken
-zijn ontstaan toen de equator nog te warm was om organisch leven
-mogelijk te maken. Daar zijn de eerste planten en dieren ontstaan en
-van daar hebben zij zich naar den equator verspreid, naarmate de
-afkoeling voortschreed. Daar ontstonden door de afkoeling voortdurend
-nieuwe levensvoorwaarden, die nog nergens elders op aarde voorkwamen,
-naar welke de soorten zich moesten wijzigen of ondergaan, tenzij zij
-emigreerden en meer naar den equator toe haar oude levensvoorwaarden
-voor een groot deel terugvonden. Daar is ook eindelijk de ijskorst
-begonnen zich te vormen, die waarschijnlijk na tal van eeuwen de
-geheele aarde zal bedekken en een einde maken aan alle organisch leven
-op aarde! De tropen zijn in palaeontologischen zin achter-, de
-poolstreken vooruit in vergelijking van de gematigde luchtstreek. De
-tropen geven ons een beeld uit het verleden der aarde, de poolstreken
-schilderen ons haar toekomst!
-
-Aan de Zuidpool moet derhalve in de vroegste tijden een geheel van die
-aan de Noordpool verschillende dieren- en plantenwereld zijn ontstaan,
-die zich echter, zoover het landbewoners waren, niet verder kon
-uitbreiden dan het Zuidpoolland, en toen dit door het ijs werd bedekt,
-volkomen moet zijn ondergegaan. [516] (2) De Noordpooltypen konden zich
-daarentegen, zoodra de afkoeling het toeliet, over al de andere
-vastelanden, zelfs Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland uitbreiden,
-daar zij landverbindingen (of hoogstens nauwe zeearmen) op hun
-verhuizingen ontmoetten. De zeedieren en planten konden zich natuurlijk
-van uit beide polen gemakkelijk door den geheelen oceaan verspreiden,
-voor zoover en waar de temperatuur zulks toeliet. Zoo verklaart zich,
-dat de dieren- en plantenwereld op het land rondom de Noordpool en in
-de Noordelijke gematigde luchtstreek zoo eenvormig, zich hoe langer hoe
-meer differentieert naarmate men zuidelijker komt, dat die verschillen
-in de Zuidelijke gematigde luchtstreek het grootste zijn, en dat
-evenals men vertegenwoordigers der oudste menschenrassen (door
-gedwongen verhuizing derwaarts gekomen) aan de zuidpunten der
-vastelanden vindt, men daar ook de laatste Mohicanen van overal elders
-geheel of bijna geheel verdwenen dierentypen aantreft. Wij wijzen op de
-Edentata en Luiaards van Zuid-Amerika, op de Edentata en de aan het
-Tertiaire Tijdvak herinnerende fauna van Zuid-Afrika, op de
-Buideldieren, Snaveldieren, Ceratodus enz. van Nieuw-Holland, dat in
-zijn fauna aan het Secundaire Tijdvak van Europa herinnert!
-
-
-
-II.
-
-Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de mensch, uitgaande van
-een oorspronkelijk vaderland, waarvan de juiste plaats niet te bepalen
-is, maar dat om vele redenen moet worden geacht waarschijnlijk in het
-hooge Noorden te hebben gelegen, zich straalsgewijze in verschillende
-richtingen heeft verspreid; dat zijn verhuizingen over het algemeen
-plaats hadden van het Noorden naar het Zuiden en dat zij rassen hebben
-doen ontstaan, waarvan de oudste het verste naar het Zuiden trokken en
-het minst ontwikkeld waren. De hoogere rassen waren die, welke, later
-verhuizende en zich vestigende in streken met bijzonder gunstig
-klimaat, langzamerhand zijn opgeklommen tot hetgeen wij beschaving
-noemen.
-
-De Mortillet heeft zich met dit onderwerp beziggehouden, en overtuigd,
-dat de bestaande menschheid slechts een resultante en de laatste term
-is van een reeks achtereenvolgende transformaties, onderscheidt hij
-verschillende menschensoorten: de tertiaire mensch, de quaternaire
-mensch, de tegenwoordige mensch. De mensch van het oudste gedeelte van
-het Quaternaire Tijdvak, waarvan in het Neanderdal, te Denise [517], te
-Cannstatt, Spy enz. overblijfselen zijn gevonden, schijnt hem zoo
-verschillend van de tegenwoordige menschen, dat hij er hem niet slechts
-van scheidt, maar zelfs voor de tijden, voorafgaande aan het
-Quaternaire Tijdvak, een bijzondere soort van menschen of
-pseudo-menschen onderscheidt. [518] Dit waren, gelijk hij het uitdrukt,
-„voorloopers van den mensch”, waaraan hij den veelbeteekenenden naam
-van anthropopithecus of „mensch-aap” geeft, omdat hij gelooft, dat zij
-in de reeks der wezens aan den mensch voorafgingen, en een type
-vormden, dat het midden hield tusschen de tegenwoordig levende
-anthropomorphe apen en den mensch. Wij moeten ze ons voorstellen als
-wezens, die hoog genoeg stonden boven den gorilla en den chimpanzee om
-vuursteen ruw te kunnen bewerken [519] en het vuur te gebruiken, doch
-niet in staat waren om zich uit zich zelven boven dien trap van
-verstandelijke ontwikkeling te verheffen en een wezenlijk mensch te
-worden, als een ras dus, dat tot de Bosjesmannen en Tasmaniërs ongeveer
-in de zelfde verhouding stond als deze tot ons. Deze hypothese is door
-ons, onafhankelijk van de Mortillet, reeds vroeger uitgesproken (zie
-aanteekening 11, blz. 295). Wij stellen ons die menschapen echter voor
-als nauw verwant met den stam waaruit de eigenlijke mensch zich heeft
-ontwikkeld, of wellicht zelfs identiek met dien stam, zoodat wij hun
-den aanleg tot hoogere ontwikkeling geenszins ontzeggen (gelijk de
-Mortillet wel schijnt te doen) en houden hen dan zelfs voor een
-onmisbaren schakel in den stamboom van den mensch. Zulk een vorm moet
-eens hebben bestaan. Zelfs al vond men nimmer overblijfselen van hem of
-van zijn werktuigen of wapenen, vloeit zulks met logische
-noodzakelijkheid uit Darwin’s theorie van de afstamming van den mensch
-voort! Een geheel verschillende vraag is of die vorm in Frankrijk en
-Portugal voorkwam en reeds in de miocene periode met de anthropomorphen
-van St. Gaudens leefde.
-
-Wij worden er zoodoende toe geleid om te onderzoeken of de vuursteenen,
-door den abt Bourgeois te Thénay verzameld, en die welke later in
-Portugal zijn verzameld, wezenlijk bewerkt zijn, dan wel of het
-eenvoudig splinters en natuurlijke brokstukken zijn, die men bij
-vergissing voor met voordacht vervaardigde werktuigen heeft aangezien.
-Thénay, waar de oudste dezer vuursteenen zijn ontdekt, behoort tot de
-onderste miocene formatie welke lager ligt dan die van Sansan, waarin
-men de overblijfselen van anthropomorphen heeft gevonden, van welke wij
-hebben gesproken. Het bestaan (op die breedte natuurlijk) van den
-rhinoceros te dier tijde is nog twijfelachtig, de mastodons waren nog
-niet verschenen, de olifanten waren nog ver weg, de hipparions, de
-voorloopers van het paard, zouden niet dan lang daarna verschijnen. De
-buideldieren waren verdwenen en de verscheurende dieren werden alleen
-vertegenwoordigd door typen die het midden hielden tusschen
-tegenwoordig levende geslachten. Geen der diervormen welke den mensch
-op zijn vroegste tochten zouden vergezellen, en die hij zou moeten
-bestrijden, of aan zich onderwerpen, had zich nog vertoond. En toch zou
-de mensch moeten worden geplaatst in deze hem vreemde omgeving, in die
-wereld, welke als het ware nog slechts de embryo was van de
-tegenwoordige, en zou hij alleen soortelijk niet veranderd zijn! A
-priori bestaat dus weinig waarschijnlijkheid, dat destijds echte
-menschen hebben geleefd. Maar hun voorganger dan, soortelijk van den
-tegenwoordigen mensch verschillende en op een lageren trap staande dan
-hij? Om van diens bestaan in Frankrijk en Portugal tijdens de miocene
-periode volkomen overtuigd te worden, zouden meer bewijzen noodig zijn,
-dan men ons heeft geleverd,—eenige weinige vuursteenen, die wellicht
-met voordacht bewerkt zijn, te midden van vele duizenden andere! Het is
-iets, maar niet genoeg, met het oog op de menigte onwaarschijnlijkheden
-die ons weêrhouden vertrouwen te stellen in dergelijke aanwijzingen.
-Gaudry wijst er ook op, dat wanneer men de gerolde en zoogenaamd
-bewerkte vuursteenen uit den miocenen kalksteen van Thénay in groot
-aantal naast elkander legt, de grens tusschen beide soorten moeilijk is
-aan te wijzen.
-
-De tertiaire bewerkte vuursteenen welke men in Portugal heeft gevonden,
-komen uit een ongetwijfeld tertiaire zoetwatervorming uit de miocene
-periode. De Portugeesche flora van dien tijd werd gekenmerkt door de
-aanwezigheid van olmen, populieren, kaneelboomen, saponaria’s en
-tamarinden, welke bewijzen, dat er in Europa een zacht en gelijkmatig
-klimaat heerschte, waarin de mensch zeer gunstige voorwaarden voor zijn
-ontwikkeling zou hebben gevonden. Wanneer wij echter beproeven te
-bewijzen, dat hij daar toenmaals bestond, kunnen wij niets aanvoeren
-dan een laag zandsteen, waarin stukken kiezel voorkomen, gedeeltelijk
-gebroken, die onderworpen is geweest aan latere afspoelingen en
-atmospherische invloeden, die de tallooze kiezelsplinters verklaren,
-waarmede de grond bedekt is, en waaruit die, welke men meent dat sporen
-van bewerking vertoonen, na lang zoeken zijn uitgezift. Cazalis de
-Foudouce, die lid was van het Praehistorisch Congres te Lissabon in
-1880—iemand van erkende bevoegdheid omtrent dergelijke zaken—bezocht de
-miocene beddingen van Monte Redondo, en rechtvaardigt zijn
-ongeneigdheid om een bepaalde opinie uit te spreken over het al- of
-niet bewerkt zijn van de zeer weinige vuursteenen, welke het mogelijk
-is te vergelijken met die uit de zoogenaamde Moustier periode
-(waaromtrent later), door te wijzen op de ontblootingen, verschuivingen
-en verwoestingen, welke de lagen hebben ondergaan. Het is niet
-onmogelijk, dat de steenen door den mensch of zijn voorlooper bewerkt
-zijn. Een daarvan schijnt gevonden te zijn in een laag, die sedert haar
-vorming onaangeroerd was gebleven; maar, al geeft men dit toe, is het
-dan niet beter te wachten dan zulk een groot vraagstuk maar kortweg in
-eens en zonder rechtstreeksch bewijs te beslissen? De Mortillet zelf
-bevestigt niets rechtstreeks dan de echtheid der vuursteenwerktuigen.
-Hij voegt er bij, dat hun geringe grootte hem doet gelooven, dat de
-wezens welke ze maakten, geen wezenlijke menschen kunnen zijn geweest.
-Den twijfel, dien hij terecht oppert omtrent de makers, breiden wij uit
-tot de werktuigen, en wachten op de resultaten van toekomstige
-ontdekkingen, vóór wij het vraagstuk als opgelost beschouwen. Blijkt
-dan echter met zekerheid, dat in de miocene lagen van Zuid-Europa
-bewerkte vuursteenen voorkomen, dan houden wij het er stellig voor, dat
-zij afkomstig zijn van wezens, hooger staande dan de anthropomorphen,
-maar lager dan de echte mensch en soortelijk van dezen verschillende,
-en dat deze wezens verwant (of wellicht identiek) waren met de soort,
-waaruit de echte mensch zich ontwikkeld heeft.
-
-Het wordt nog moeielijker de miocene, zoogenaamde bewerkte steenen te
-beschouwen als bewijzen van het bestaan van den echten mensch in
-Zuid-Europa gedurende het Tertiaire Tijdvak, als wij zien, hoe helder
-licht de te Chelles (bij Parijs) gevonden overblijfselen op den mensch
-van de volgende periode werpen, welke de Mortillet „période Chelléenne”
-noemt, en die de oudste uit het Quaternaire Tijdvak is. De mensch bezat
-in die periode een blijkbare nijverheid—primitief wel is waar; want zij
-bestaat alleen in het vervaardigen van een enkele soort van werktuigen,
-maar deze zijn toch door hun vorm en grootte zoo duidelijk
-kunstproducten, dat zelfs de meest bevooroordeelde geest geen oogenblik
-kan betwijfelen, dat zij van één en het zelfde ras afkomstig zijn. De
-te Chelles gevonden bewerkte vuursteenen zijn zelfs karakteristieker
-dan die van St. Acheul, waar dergelijke in zoo groot aantal zijn
-gevonden. De Elephas antiquus van Falconer, de waarschijnlijke stamvorm
-van den Afrikaanschen olifant en de voorganger van den mammouth in
-Europa, wordt uitsluitend te Chelles te zamen met door den mensch
-vervaardigde werktuigen gevonden, terwijl te St. Acheul de mammouth
-veelvuldiger wordt gevonden, hoezeer de andere soort niet ontbreekt. De
-mensch uit de „periode van Chelles” zag dus twee soorten van olifanten
-voor elkander plaats maken. Waarschijnlijk veranderde ook langzamerhand
-het klimaat en werd het kouder, zonder echter de levenswijze en
-nijverheid van den mensch te veranderen. Op den duur bleef echter de
-werking van de physiologische en biologische gebeurtenissen waarvan
-Europa het tooneel werd, invloed op den quaternairen mensch uitoefenen
-en het ras van Chelles, overgaande in dat van Moustier, veranderde
-langzamerhand zijn levenswijze en leerde andere werktuigen
-vervaardigen. Deze ontwikkeling behoeft volstrekt niet plotseling in
-haar werk te zijn gegaan, daar zij het gevolg was van de eischen van
-een zeer langzaam kouder wordend klimaat. In den beginne waren de
-dieren, planten en klimaat die van het tegenwoordige Noord-Afrika, en
-waren de levensomstandigheden voor den mensch uitstekend. De mensch van
-Chelles leefde in de open lucht, wellicht in hutten van licht
-vlechtwerk, maar woonde niet in holen en was niet gewoon zijn dooden te
-begraven. Deze feiten verklaren den overvloed van werktuigen uit dien
-tijd in aanslibbingen, het ontbreken daarvan in de holen, waarin de
-mensch in de volgende perioden een schuilplaats zocht, en de zeer
-groote zeldzaamheid van menschenbeenderen. Het groote aantal
-werktuigen, in verschillende deelen van Frankrijk gevonden, geven den
-indruk van een werkzame en dichte bevolking, wier vreedzame uitbreiding
-gedurende vele eeuwen door geen ongelukkige gebeurtenissen werd
-verhinderd. Door het vinden van geheel gelijksoortige steenen
-werktuigen (behalve dat de steensoort natuurlijk verschilt, al naar de
-petrographische gesteldheid der vindplaatsen) heeft men sporen van dit
-zelfde menschenras teruggevonden in België, Engeland, Moravië,
-Duitschland, Spanje Portugal, Italië, Barbarije, Egypte, en zelfs aan
-de Kaap de Goede Hoop en in Noord-Amerika in de Delaware vallei
-(New-Jersey) en 4000 kilometers westelijker in het bekken van Bridger
-(Wyoming op 40° à 44° N.B.).
-
-Het menschenras van Chelles is dus, even voor het klimaat van het
-ijstijdperk zich in Europa begon te doen gevoelen, van uit het Noorden
-tegelijkertijd Europa en Noord-Amerika binnengetrokken en in beide tot
-de zelfde breedte doorgedrongen. [520] De Noordzee was destijds nog
-droog land en Engeland met Europa verbonden.
-
-De amandelvormige werktuigen uit de „periode van Chelles” mogen,
-volgens de Mortillet, geenszins als eigenlijke bijlen worden beschouwd.
-Ongeschikt om aan een steel te worden bevestigd, hield men ze in de
-hand vast, waarin ze juist pasten en waarvan het gewicht er door werd
-vergroot, terwijl de punt er uit te voorschijn kwam; de Mortillet geeft
-ze daarom den naam van „coup de poing.” Zij konden, al naar de
-omstandigheden, worden gebruikt als wapen (een soort van dolk) of als
-universaal-instrument, dat onvolkomen onze bijl, mes, beitel, zaag,
-boor enz. verving. Het hoofdwapen van het ras was waarschijnlijk een
-knots, waarvan alle sporen natuurlijk zijn verdwenen.
-
-De langzame ontwikkeling van de verdeeling van den arbeid schijnt
-plaats te hebben gehad in de volgende periode, die van Moustier, welke
-zich aan die van Chelles nauw aansluit, doch in welke de werktuigen,
-hoewel minder zorgvuldig afgewerkt, toch getuigen van meer bekwaamheid,
-een snellere bewerking en een meer op nuttigheid lettenden geest. De
-werktuigen van deze periode zijn verschillender van vorm en meer tot
-bijzondere doeleinden ingericht. Het klimaat was strenger geworden; de
-gletschers hadden bijna hun grootste uitgebreidheid bereikt; en de
-mensch uit de „periode van Moustier” was genoodzaakt een schuilplaats
-te zoeken in holen, waarin de overblijfselen van zijn nijverheid even
-veelvuldig worden aangetroffen als daarbuiten. In andere opzichten
-schijnt het ras en de periode van Moustier eenvoudig een voortzetting
-te zijn geweest van die van Chelles. Alleen ondervond de mensch, onder
-den drang van nieuwe noodzakelijkheden, behoeften welke hij vóór dien
-tijd niet had gekend. Hij moest arbeidzamer worden. De groote dieren
-waren in aantal toegenomen, hij moest zich voor zijn verdediging
-wapenen en werd een jager.
-
-Daar men zich geen moeite gaf om aan de dooden een blijvend graf te
-verschaffen, kunnen wij niet verwachten vele beenderen van deze oudste
-rassen te vinden. Mogelijk plaatsten zij de lijken op boomen, of in op
-palen gebouwde hutten, gelijk sommige Indiaansche stammen heden nog
-doen, en dat zou een reden te meer zijn, waarom hun overblijfselen zijn
-verdwenen. De twijfelachtige overblijfselen van geraamten daargelaten,
-vindt de Mortillet slechts eenige weinige beenderen, die geacht kunnen
-worden van den mensch uit de periode van Chelles afkomstig te zijn. Zij
-behooren allen tot het ras, dat de Quatrefages en Hamy op zuiver
-anatomische gronden, als een bijzonder uitgestorven menschenras
-beschreven, en waaraan zij den naam van „ras van Cannstatt” hebben
-gegeven, naar den schedel, daar ter plaatse met olifantsbeenderen te
-zamen gevonden in 1790. Deze schedel, de schedel van Eguisheim bij
-Colmar, de beenderen van Spy, van Denise, de Neanderdalschedel, die van
-Gibraltar, de kaak van la Naulette, die uit het Schipkahol, zijn schier
-al wat wij er van bezitten, en wij moeten erkennen dat zulks zeer
-weinig is. Genoeg echter om ons het ras in algemeene trekken voor te
-stellen en aan te toonen, dat het lager stond dan de Bosjesmannen,
-Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, ja volgens de Mortillet meer beneden
-hen dan deze beneden de Europeanen staan. De Mortillet gelooft, dat het
-ras van Cannstatt oploopend, ruw en strijdlustig was, en gaat zoover
-van het het bezit van een gearticuleerde spraak te ontzeggen. Dit is
-alles wat wij met eenige zekerheid weten van de oudste bewoners van
-Europa en van hun geschiedenis. Het gelijktijdig optreden van het ras
-van Cannstatt of Chelles in een zoo groot aantal zoo ver uiteengelegen
-streken, doet het denkbeeld oprijzen, dat het, ten minste
-oorspronkelijk, niet een bijzonder ras, maar den gemeenschappelijk
-stamvorm van alle latere rassen vertegenwoordigde, die zich op
-verschillende manieren zou wijzigen, toen hij zich op verschillende
-plaatsen vestigde, waar hij aan uiterst verschillende levensvoorwaarden
-zou zijn onderworpen. „Zijn bloed ging dus over in alle latere rassen
-en kan zich”, zegt de Mortillet, „zelfs in den tegenwoordigen tijd door
-het verschijnen van atavismen openbaren.” Het ras van Cannstatt was dus
-het origineel van hetgeen volgde. Steeds meer zuidwaarts
-voorttrekkende, heeft het de aarde bevolkt en is in allerlei locale
-rassen en stammen verdeeld geworden. [521] De periode van Moustier
-vertegenwoordigt in Europa het tweede bedrijf, en de perioden, volgende
-op die van Moustier, welke de Mortillet (naar plaatsen, waar in
-Frankrijk typische overblijfselen daaruit zijn gevonden) die van de
-Solutré [522] en van la Madeleine [523] heeft genoemd, stemmen overeen
-met de tijden, waarin de mensch, zich op bepaalde plaatsen gevestigd
-hebbende, zich langzamerhand wijzigde, en in verschillende opzichten de
-specifieke kenmerken verkreeg, waardoor die rassen zich onderscheidden,
-hoedanigheden ontwikkelde, even verschillend als zijn woonplaatsen, en
-achtereenvolgens bleef staan op allerlei verschillende sporten van de
-ladder welke hij bestemd was te beklimmen, maar die hem alleen kon
-leiden tot de volle uitoefening zijner edelste vermogens op voorwaarde
-dat hij tot haar hoogste sport zou doorklimmen.
-
-„De periode van Solutré” is slechts een kort overgangstijdperk, dat ons
-snel tot die van la Madeleine brengt, en schijnt meer een locale, dan
-een algemeene ontwikkeling te hebben vertegenwoordigd. Beide perioden
-zijn de uitdrukking van de steeds toenemende koude van het ijstijdperk,
-gedurende hetwelk de groote dikhuidige dieren langzamerhand verdwenen
-door de toenemende ruwheid van het klimaat, en het rendier en het paard
-zich vermenigvuldigden en de plaats daarvan innamen. Het rendier trok
-uit het Noorden naar Midden-Europa, schoon het de zuidelijke deelen
-daarvan niet bereikte, in talrijke verscheidenheden, die echter alle
-met de nog bestaande rendieren van Lapland verwant waren. Van het paard
-zijn minstens twintigduizend, mogelijk veertigduizend geraamten te
-Solutré gevonden. Geen van beide dieren was toen getemd, en de hond was
-nog onbekend. De mensch bemachtigde de dieren op de jacht, hetzij door
-hen te dooden, hetzij door hen gebonden mede naar zijn woonplaats te
-voeren. De mammouth was een soort van legendair wezen geworden, in het
-diepste der wouden verscholen, een voorwerp van nieuwsgierigheid,
-veelvuldig genoeg om ivoor op te leveren en den mensch van dien tijd te
-prikkelen om afbeeldingen van hem te maken. Feitelijk had de mensch uit
-die periode groote vorderingen in beschaving gemaakt. De verdeeling van
-den industrieelen arbeid was tot stand gekomen. De bewerking van den
-vuursteen was tot groote volkomenheid en fijnheid gebracht en een
-nieuwe tak van nijverheid was er aan toegevoegd, namelijk het bewerken
-van been, ivoor en rendierhoorn. Men maakte verschillende soorten van
-werktuigen uit bepaalde grondstoffen, de Saporta vermeldt punten van
-werpspietsen en pieken, die hij heeft gezien, welke aan beide zijden
-zeer kunstig waren bewerkt en bestemd om aan houten staven te worden
-bevestigd; ook de schrappers zijn uitstekend geschikt voor het gebruik
-waartoe zij uitsluitend waren bestemd. Van been werden naalden,
-harpoenen en tot sieraad bestemde voorwerpen, zooals beeldhouwwerk,
-vervaardigd en teekeningen er op gegraveerd. Het rendier, de holenbeer
-en mammouth werden afgebeeld, alsmede de mensch zelf. Deze schijnt
-altijd naakt te zijn voorgesteld. Op een afbeelding van een vrouw, uit
-deze periode afkomstig, ziet het lichaam er uit alsof het met haar was
-bedekt; wellicht stelt dit echter kleederen van dierenhuid voor. Een
-der afbeeldingen stelt een loopenden man voor met een knots over zijn
-schouders. De mensch wijzigde zich ook al naar de plaats die hij
-bewoonde, en de mensch van la Madeleine levert ons in Europa een der
-vroegste voorbeelden daarvan op. Het ras van Solutré, wiens lanspunten
-zoo fraai zijn afgewerkt, en het jongere en meer artistieke ras uit de
-holen van Périgord, wiens eenvoudige teekeningen en primitieve
-beeldhouwwerken wij bewonderen, vertoonen ons de eerste pogingen van
-dien geest van initiatief, die, na bij sommigen van hen tot
-ontwikkeling te zijn gekomen, hen leidde tot uitvindingen op stoffelijk
-gebied en tot ideale concepties, en door deze kwam de mensch allengs
-tot die hoogere ontwikkeling welke wij beschaving noemen.
-
-Gelijk de Mortillet aantoont, waren de menschen van la Madeleine
-jagers, actief, vernuftig en vatbaar om levendige gemoedsindrukken te
-ontvangen van de omringende natuur. Zij hadden een tehuis, vreugde en
-zorgen, vierden jachtfeesten en wisten zich te vermaken met het
-vervaardigen van primitieve beeldhouwwerken teekeningen en
-versierselen. Zij hadden verschil van stand en opperhoofden; want zij
-bezaten eereteekenen en commandostokken. Maar dit was alles. Zij kenden
-den landbouw niet, bezaten geen huisdieren, en begroeven hun dooden
-niet: indien zij de eene of andere bijzondere handelwijze omtrent hen
-in acht namen, plaatsten zij hen op boomen of in hutten op palen in de
-open lucht; en dit is waarschijnlijk de reden, dat men zoo weinig
-overblijfselen van hun skeletten vindt.
-
-Is het mogelijk zich een denkbeeld te maken van het lichamelijk
-voorkomen en de osteologische eigenaardigheden van den mensch van la
-Madeleine? Men dacht, dat de talrijke menschenbeenderen, te Cro-Magnon
-gevonden met voortbrengselen van kunstvlijt uit de periode van la
-Madeleine, van het kunstlievende ras van Périgord afkomstig waren; doch
-de Mortillet bestrijdt dit en tracht aan te toonen, dat de plaatsen
-waar men die overblijfselen vond, te huis behooren in een volgende
-periode, die van Robenhausen (waarmede het Neolithische Tijdvak
-begint). Hij beweert het zelfde omtrent de te Furfooz, te Aurignac, te
-Mentone gevonden schedels en geraamten. De menschenbeenderen van Eyzies
-(zie aant. 25 blz. 49) zijn echter waarschijnlijk van dit ras
-afkomstig.
-
-Volgens de Mortillet was het Europeesche ras van la Madeleine slechts
-een voortzetting van dat van Chelles en Moustier. Vermengingen door
-immigratie en het gelijktijdig bestaan van onderscheidene rassen,
-verschillend van schedelvorm, vonden volgens hem in Midden-Europa eerst
-plaats na het einde van het Quaternaire Tijdvak, toen de mammouth
-geheel was uitgestorven en het rendier zich weder naar het Noorden had
-teruggetrokken. Toen brak de tijd aan, waarin het klimaat zich weder
-verbeterde, de gletschers zich tot den voet der bergen terugtrokken en
-de verdeeling van land en zee in West-Europa meer en meer de zelfde
-werd als tegenwoordig: het Neolithische Tijdvak begon. Dit was een
-tijdvak van voortdurende ontwikkeling en werkzaamheid, waarin de
-vooruitgang ons langzamerhand, stap voor stap, brengt tot de uitvinding
-der metalen en de morgenschemering der geschiedenis. Dat Neolithische
-Tijdvak duurde echter zeer lang en wordt in vele kleinere perioden
-verdeeld. Het duurde nog zeer vele eeuwen vóór men de metalen ontdekte,
-en tot zoolang was steen nog steeds de eenige grondstof voor eigenlijk
-gezegde werktuigen; men sleep en polijstte echter den steen. Eenige
-weinige kunsten en bedrijven, die het noodzakelijke uitgangspunt zijn
-van elke maatschappij, begonnen te worden uitgeoefend; daaronder de
-temming van nuttige dieren, te beginnen met den hond, de veeteelt dus;
-later de landbouw, dus de cultuur van enkele voedselopleverende
-planten; de kunst om aardewerk te maken (waarvan de beginselen echter
-reeds tot het Palaeolithisch Tijdvak opklimmen), en eindelijk het
-bijeenwonen der menschen in dorpen, met het oog op gemakkelijker
-verdediging en op het nakomen van godsdienstvoorschriften.
-Overblijfselen uit dit tijdvak worden in alle werelddeelen en door
-geheel Europa, van Skandinavië tot Zwitserland, en van het hart van
-Frankrijk tot het Zuiden van Italië toe gevonden. Ook deze te bespreken
-en onze schets van de oorspronkelijke geschiedenis van den mensch tot
-den bronstijd toe voort te zetten, ligt buiten ons bestek. Het was het
-tijdvak der kjökkenmöddinger, der paaldorpen en der hunebedden
-(dolmen), en in hetzelve begon de mensch in Europa de kinderschoenen te
-ontwassen. Ofschoon hij (ten minste in ons werelddeel) onbekend was met
-de metalen en slechts in het bezit van een rudimentairen landbouw en
-nijverheid, ofschoon zijn voedsel nog schaarsch was en zijn leven door
-vele gevaren werd bedreigd, was hij reeds begonnen gerst en tarwe te
-zaaien, weefde hij van vlas ruwe kleederen, maakte hij aardewerk en
-bakte dat in het vuur, en bouwde hij wezenlijke gedenkteekenen voor
-zijn dooden, kunstmatige voorstellingen van grotten, vervaardigd door
-ruwe steenblokken opeen te stapelen. Godsdienstige gebruiken, een soort
-van weelde in de voorwerpen van dagelijksch gebruik, genees- en
-heelkundige practijken, zooals het trepaneeren, kwamen in zwang. Wij
-gevoelen, dat wij hier de morgenschemering aanschouwen van groote
-uitvindingen en reusachtige inspanning, die den weleer uiterst engen
-kring der kennis en van de kunstvlijt meer en meer zouden verruimen.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Wij zouden, liever dan hier aan Salomo’s Ophir te denken, geneigd
-zijn de ruïnen in Zuid-Afrika toe te schrijven aan het in de oudheid
-beroemde volk, dat bij de Grieken onder den naam van Macrobiërs bekend
-was. Herodotus (III, 17–25) verhaalt, dat eigenlijk tegen hen de tocht
-van Cambyses gericht was, die, volgens sommige berichten (Dion. p. 38),
-tot Meroë zou zijn doorgedrongen, en in elk geval tot ver bezuiden de
-grens van Egypte kwam. Volgens Herodotus woonden deze Macrobiërs aan de
-zuidelijke zee (d.i. den Indischen Oceaan) aan het uiterste einde der
-aarde, en had Cambyses, toen hij den tocht opgaf, nog niet het vijfde
-deel van den weg naar hen afgelegd. Een eenvoudige meting op de kaart
-kan bewijzen, dat Herodotus vrij nauwkeurig wist, hoever Afrika’s
-zuidkust van Egypte verwijderd was, en dat de Macrobiërs, als wij zijn
-bericht streng opvatten, nabij de Kaapkolonie moeten hebben gewoond.
-[524] De Macrobiërs bezaten volgens Herodotus een stad, voor de
-overblijfselen waarvan ik de ruïnen van Zimbalye houd; het goud was
-onder hen het algemeenste metaal, zoodat zelfs de boeien der gevangenen
-in de gevangenis daaruit bestonden (dit stemt overeen met de
-goudrijkheid van Transvaal en Matabeleland en de sporen van overoude
-ontginningen van goudmijnen aldaar). Zij kenden echter het brood niet
-en voedden zich met vleesch, hetgeen overeenstemt met het feit, dat ook
-de Kaffers en hun verwanten en de Hottentotten herdersvolken zijn, en
-ook met den grooten rijkdom van Zuid-Afrika (nog heden) aan grof wild
-(vele soorten van antilopen), dat een uitstekend voedsel oplevert.
-Macrobiërs, een naam van hun ondersteld lang (makros) leven (bios)
-afgeleid, kan echter de wezenlijke naam van dit volk evenmin zijn
-geweest als Kaffer (kafir = ongeloovige) die van de Kaffers, of Bantu’s
-(Bantu = mensch) die van de Bantuvolken is. In elk geval meenen wij te
-hebben aangetoond, dat er wel degelijk historische berichten zijn
-omtrent het bestaan van een beschaafd, stedenbouwend,
-goudmijnenontginnend volk in Zuid-Afrika, eenige eeuwen vóór het begin
-onzer jaartelling.
-
-(2) Als men nagaat, dat als de zeespiegel 1000 vademen daalde, het
-Zuidpoolland (waarvan wij ten stelligste het bestaan aannemen, schoon
-de kustlijn op het kaartje gedeeltelijk hypothetisch is) door juist
-zulke nauwe straten van Zuid-Amerika en Nieuw-Holland zou zijn
-gescheiden als Madagascar van Afrika en Nieuw-Zeeland van Nieuw-Holland
-[525]; als men verder bedenkt, dat in zeer ouden tijd Madagascar
-ongetwijfeld met Afrika [526] en Nieuw-Zeeland met Nieuw-Holland
-samenhing, is de onderstelling niet gewaagd, dat wellicht Zuid-Amerika
-eens met het Zuidpoolland en dit met Nieuw-Holland en over den
-Indischen Archipel met Azië samenhing; in welk geval natuurlijk, als
-die samenhang viel in den tijd dat het Zuidpoolland een warm of
-gematigd klimaat bezat, organismen van daar wel degelijk in
-Zuid-Amerika en Nieuw-Holland en uit het laatste in Azië [527] konden
-komen. Den evenaar konden zij echter ook dan niet overkomen vóór deze
-genoeg was afgekoeld om organisch leven toe te laten. Dan zouden zij
-echter, nadat de evenaar tot dien graad was afgekoeld, met de in de
-grootere vastelanden van het Noordelijk Halfrond ontstane organismen in
-concurrentie zijn gekomen, en daardoor waarschijnlijk op de zelfde
-wijze zijn verdrongen als de fauna en flora van Nieuw-Holland en
-Nieuw-Zeeland tegenwoordig terugwijkt voor de Europeesche.
-
-Als men de duizend vademenlijn beschouwt als de eigenlijke grens van
-het vasteland, ziet men hoe het vasteland op aarde een bijna gesloten
-kring om den wereldbol maakt, die over beide polen loopt [528] en
-krijgen wij een bijna even regelmatige verdeeling der continenten als
-op de planeet Mars, waar deze den bol echter in den vorm van een
-slechts een flauwen hoek met den evenaar makenden ring omgeven, zoodat
-de evenaar zelf, daar deze ring breed is, overal door land, met enkele
-nauwe straten er door, wordt bedekt. Die regelmatigheid wordt nog
-grooter als wij ons Afrika door de zee bedekt denken, daar zich dan aan
-weerszijden van den over de polen loopenden ring van continenten twee,
-gelijk men met één oogopslag ziet [529], nagenoeg even groote Oceanen
-uitstrekken
-
-Er is gegronde reden om de lijn van 1000 vademen ongeveer als de
-eigenlijke grens der continenten aan te nemen. Buiten deze lijn wordt
-de Oceaan spoedig veel dieper, zoodat men buiten die lijn bijna overal
-diepten van 2000 tot 3000 vademen aantreft.
-
-Hoe volslagen ontoereikend de gesteentemassa’s van het vasteland zouden
-zijn om die ontzettende diepten te vullen, blijkt hieruit, dat het
-vasteland (dat daarenboven slechts 7⁄25 of iets meer dan ¼ van de
-oppervlakte van den Oceaan beslaat) gemiddeld volgens Krümmel slechts
-440 M., volgens von Tillo 693 M. boven den zeespiegel uitsteekt. [530]
-Werd een deel van het diepe gedeelte [531] van den Oceaan door rijzing
-droog, dan zoude, daar de vaste bestanddeelen der geheele aarde niet
-toenemen, een even groot volumen, dus een zeer veel grootere
-oppervlakte van het vasteland moeten dalen, en om een eenigszins
-aanzienlijk gedeelte van den diepen Oceaan droog te doen worden, zou
-bijna het geheele vasteland beneden den zeespiegel moeten zinken. Alles
-tenzij men mocht willen aannemen, dat bij de rijzing van een gedeelte
-van den bodem des diepen Oceaans een ander deel van dien bodem zonk tot
-veel grooter diepte dan thans ergens wordt aangetroffen [532], wat zeer
-onwaarschijnlijk is. Hierin ligt één bewijs, dat de continenten over
-het geheel vaste trekken in het wezen der aarde zijn, die zich nimmer
-buiten beperkte grenzen, ten ruwe door de lijn van 1000 vademen
-aangegeven, hebben uitgebreid [533] en ook over het geheel nimmer
-gedeeltelijk door zeeën van meer dan 1000 vademen diep zijn bedekt
-geweest. Waar men op ’t vasteland dikke uit zeewater afgezette
-formaties aantreft, heeft men te denken aan langdurige daling van den
-bodem eener ondiepe zee die door de zich daarin afzettende bezinksels
-ook voortdurend ondiep bleef. Een tweede bewijs ligt daarin, dat uit
-diepzeepeilingen blijkt dat de bodem der zeer diepe deelen des Oceaans
-in aard van dien van het vasteland en der ondiepe zeeën afwijkt en
-bestaat uit eigenaardige slijkformaties (geheel bestaande uit
-overblijfselen van in zee levende organismen, zonder eenige inmenging
-van slib of zand) en brokstukken van gesteenten, waaronder men overal
-vele van vulkanischen aard, en ook een goed herkenbaar, uit de
-wereldruimte afkomstig (meteorisch) gedeelte onderscheidt, welk laatste
-natuurlijk op ’t vasteland evengoed neêrvalt, maar daar zeer spoedig
-door de verweering geheel onkenbaar wordt. [534]
-
-De projectie in twee halfronden, waarvan de polen het midden innemen,
-is daarom veel beter voor ons doel dan de door Wallace („Darwinism”,
-blz. 348) gevolgde Mercatorprojectie, omdat daaruit ten duidelijkste
-blijkt, dat de vroegere samenhang tusschen Amerika en Europa-Azië niet
-slechts bestond in tijdelijke landbruggen, nu eens over de
-Behringstraat, dan weder over IJsland en Groenland, maar dat beide
-vastelanden oudtijds één geheel uitmaakten, waarover de passage even
-ruim en vrij was als thans b.v. tusschen Canada en de Vereenigde Staten
-of tusschen Rusland, Polen en Duitschland. In de tweede plaats omdat er
-ten duidelijkste uit blijkt wat de beteekenis is der vreemdsoortige
-verlengstukken van minder dan 1000 vademen diep, die Wallace bezuiden
-Van Diemens Land en ten zuiden en zuidwesten van Kaap Hoorn teekent; op
-onze kaart blijken zij de verbinding te zijn tusschen Zuid-Amerika en
-Nieuw-Holland, over het Zuidpoolland heên, en noodzakelijke schakels in
-de rangschikking van het vasteland in een over beide polen loopenden
-ring, met twee nagenoeg gelijke oceanen aan weêrszijden, welke
-merkwaardige symmetrie wij meenen, dat vroeger nog nimmer door iemand
-is opgemerkt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE GEDEELTE.
-
-DE SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
-
- Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat
- van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk
- door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het
- mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje
- uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke
- teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in
- overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de
- sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van
- erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de
- seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de
- verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele
- dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke
- sekse door natuurlijke teeltkeus.
-
-
-Bij dieren die gescheiden seksen hebben, verschillen de mannetjes
-blijkbaar van de wijfjes in hun voortplantingsorganen; en deze vormen
-de primaire seksueele kenmerken. De seksen verschillen echter dikwijls
-in hetgeen Hunter secundaire seksueele kenmerken heeft genoemd, dat is
-in kenmerken die niet rechtstreeks in verband staan met de
-voortplantingshandeling; zoo bezit b.v. het mannetje soms zekere
-zintuigen die het wijfje geheel mist, of zij zijn bij hem hooger
-ontwikkeld, opdat hij haar gemakkelijk zou kunnen vinden of bereiken;
-of het mannetje heeft bijzondere grijpwerktuigen om het wijfje stevig
-vast te houden. Deze laatste organen van oneindig verschillende soorten
-vormen den overgang tot, en kunnen soms bijna niet worden onderscheiden
-van die welke gewoonlijk als primaire worden beschouwd, zooals de
-samengestelde aanhangsels aan het uiteinde (apex) van het achterlijf
-bij mannelijke insekten. Tenzij wij toch den term „primair” tot de
-geslachtsklieren beperken, is het, voorzoover er grijpwerktuigen in
-betrokken zijn, moeielijk te beslissen, welke primair en welke
-secundair behooren te worden genoemd.
-
-Het wijfje verschilt dikwijls van het mannetje door het bezit van
-organen voor de voeding of bescherming harer jongen, zooals de
-melkklieren der Zoogdieren en de buidels der Buideldieren. Het mannetje
-verschilt ook in eenige weinige gevallen van het wijfje door het bezit
-van dergelijke organen, zooals die welke tot opneming der eieren
-dienen, bij de mannetjes van sommige Visschen, en die welke zich bij de
-mannetjes van sommige kikvorschen tijdelijk ontwikkelen. De wijfjes der
-bijen hebben een bijzonderen toestel om stuifmeel te verzamelen en weg
-te dragen, en hun larven en de vereeniging waartoe zij behooren, te
-verdedigen. Bij de wijfjes van vele Insekten is de eierlegger op de
-meest ingewikkelde wijze veranderd om de eieren veilig te plaatsen.
-Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden opgenoemd, maar zij
-gaan ons hier niet aan. Er zijn echter andere seksueele verschillen die
-volstrekt niet in verband staan met de primaire organen, en die ons
-meer in het bijzonder aangaan,—zooals grootere lichaamsgestalte, kracht
-en strijdlustigheid van het mannetje, zijn aanvallende wapenen of
-verdedigingsmiddelen tegen zijn mededingers, de kleuren en
-verschillende versierselen waarmede hij prijkt, zijn vermogen om te
-zingen, en andere dergelijke kenmerken.
-
-Behalve door bovengenoemde primaire en secundaire verschillen wijken
-het mannetje en het wijfje soms van elkander af door inrichtingen die
-met een verschillende levenswijze in verband staan; en in het geheel
-niet, of slechts indirect, betrekking hebben op hun
-voortplantingshandelingen. Zoo zuigen de wijfjes der Steekmuggen en
-Dazen (Culicidae en Tabanidae) het bloed van andere dieren uit, terwijl
-de mannetjes op bloemen leven en aan hun mond geen bovenkaken bezitten.
-[535] Bij sommige soorten van Nachtvlinders en Schaaldieren (b.v.
-Tanais) hebben alleen de mannetjes onvolkomen, gesloten monden en
-kunnen zich niet voeden. De complementaire mannetjes van sommige
-Mosselkreeften (Cirrhipedia) leven gelijk woekerplanten hetzij op den
-vrouwelijken, of op den hermaphroditischen (tweeslachtigen) vorm, en
-bezitten geen mond, noch tot grijpen geschikte ledematen. In deze
-gevallen is het het mannetje dat gewijzigd is en zekere belangrijke
-organen heeft verloren, die de andere leden der zelfde groep bezitten.
-In andere gevallen is het het wijfje dat dergelijke deelen heeft
-verloren; zoo bezit bij voorbeeld het wijfje van den glimworm geen
-vleugels, en het zelfde is het geval met de wijfjes van vele
-nachtvlinders waarvan vele haar poppehulsel nooit verlaten. De wijfjes
-van vele parasitische Schaaldieren hebben haar zwempooten verloren. Bij
-sommige Snuitkevers (Curculionidae) is er tusschen het mannetje en het
-wijfje een groot verschil in de lengte van den snuit (rostrum) [536];
-de beteekenis van deze en vele dergelijke verschillen begrijpt men
-echter volstrekt niet. Verschillen in maaksel tusschen de twee seksen,
-die betrekking hebben op een verschillende levenswijze, zijn over het
-algemeen tot de lagere dieren beperkt; bij eenige weinige vogels echter
-verschilt de snavel van het mannetje van dien van het wijfje.
-Ongetwijfeld staan in de meeste dezer gevallen, maar blijkbaar niet in
-alle, de verschillen indirect in verband met de voortplanting der
-soort; zoo zal een wijfje dat een menigte eieren moet voeden, meer
-voedsel dan het mannetje en derhalve ook bijzondere middelen noodig
-hebben om zich dat te verschaffen. Een mannelijk dier dat slechts zeer
-korten tijd leeft, zal zonder schade door onbruik zijn organen om zich
-voedsel te verschaffen kunnen verliezen, maar het moet zijn
-bewegingsorganen behouden om het wijfje te kunnen bereiken. Het wijfje
-kan daarentegen veilig haar organen om te vliegen, te zwemmen of te
-loopen verliezen, als zij langzamerhand gewoonten heeft aangenomen, die
-dergelijke vermogens nutteloos maken.
-
-Wij hebben hier echter slechts te maken met die soort van teeltkeus
-welke ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt af van het
-voordeel dat zekere individu’s boven andere individu’s van de zelfde
-sekse en soort hebben, uitsluitend met betrekking tot de voortplanting.
-Als de beide seksen in maaksel verschillen met betrekking tot haar
-verschillende levenswijze, gelijk in de bovenvermelde gevallen, zijn
-zij ongetwijfeld door natuurlijke teeltkeus gewijzigd, vergezeld van
-tot ééne en de zelfde sekse beperkte erfelijkheid. Evenzoo behooren ook
-de primaire seksueele organen en die welke dienen om de jongen te
-voeden en te beschermen, tot deze zelfde afdeeling; want die individu’s
-welke zich het best voortplanten of hun kroost het best voeden, moeten,
-caeteris paribus, het grootste aantal nakomelingen nalaten om hun
-meerdere voortreffelijkheid te erven, terwijl zij die zich slecht
-voortplanten of hun kroost slecht voeden, weinig nakomelingen moeten
-nalaten om hun zwakkere vermogens te erven. Als het mannetje het wijfje
-moet gaan opzoeken, heeft hij tot dit doel zintuigen en
-bewegingsorganen noodig; maar indien deze organen noodig zijn voor
-andere levensdoeleinden, zooals gewoonlijk het geval is, zullen zij
-door natuurlijke teeltkeus ontwikkeld zijn geworden. Als het mannetje
-het wijfje heeft gevonden, heeft hij somtijds volstrekt grijporganen
-noodig om haar vast te houden; zoo meldt mij Dr. Wallace, dat de
-mannetjes van sommige nachtvlinders niet met de wijfjes kunnen paren,
-als hun voeten (tarsi) zijn gebroken. Bij de mannetjes van vele
-zeeschaaldieren zijn de pooten en sprieten in buitengewone mate
-gewijzigd om het wijfje te kunnen vasthouden; wij mogen daarom
-vermoeden, dat deze dieren, daar zij door de golven van de open zee
-worden voortgespoeld, deze organen volstrekt noodig hebben om hun soort
-te kunnen voortplanten, en als dit zoo is, zal de ontwikkeling daarvan
-het gevolg zijn geweest van gewone of natuurlijke teeltkeus.
-
-Sommige dieren die zeer laag op de ladder staan, zijn tot het zelfde
-doel gewijzigd; zoo is bij de mannetjes van zekere ingewandswormen, als
-zij volwassen zijn, de onderste oppervlakte van het achterste gedeelte
-van het lichaam ruw gelijk een rasp, en dit kronkelen zij om de wijfjes
-en houden ze zoo bestendig vast. [537]
-
-Als beide seksen volkomen de zelfde levenswijze leiden en het mannetje
-hooger ontwikkelde zintuigen of bewegingswerktuigen heeft dan het
-wijfje, dan kan het zijn, dat deze in hun volkomen staat voor het
-mannetje onmisbaar zijn om het wijfje te vinden; maar in verreweg de
-meeste gevallen dienen zij alleen om aan het eene mannetje een voordeel
-boven het andere te geven; want de minder goed begaafde mannetjes
-zouden er, als er hun tijd voor werd gegeven, in slagen om met de
-wijfjes te paren, en zij zouden, naar het maaksel van het wijfje te
-oordeelen, in alle andere opzichten even goed geschikt zijn voor hun
-gewone levenswijze. In dergelijke gevallen moet er seksueele teeltkeus
-in het spel zijn gekomen; want de mannetjes hebben hun tegenwoordig
-maaksel verkregen, niet omdat zij beter geschikt waren om in den strijd
-om het bestaan te blijven leven, maar omdat zij een voordeel boven
-andere mannetjes hadden verworven, en dat voordeel alleen op hun
-mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Het was de
-belangrijkheid van deze onderscheiding, die mij aanleiding gaf om dezen
-vorm van teeltkeus de Seksueele Teeltkeus te noemen. Indien de
-voornaamste dienst, aan het mannetje door zijn grijporganen bewezen, is
-om te voorkomen, dat het wijfje ontsnapt voor de aankomst van andere
-mannetjes, of als hij door deze wordt aangevallen, zullen deze organen
-evenzoo volkomener zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, dat is door
-het voordeel door zekere bepaalde mannetjes over hun mededingers
-verkregen. In de meeste gevallen is het echter nauwelijks mogelijk de
-gevolgen der natuurlijke en die der seksueele teeltkeus van elkander te
-onderscheiden. Geheele hoofdstukken zouden gemakkelijk kunnen worden
-gevuld met bijzonderheden omtrent de verschillen tusschen de seksen in
-haar zintuigen, bewegings- en grijporganen. Daar deze deelen echter
-niet belangwekkender zijn dan andere, die voor de gewone doeleinden van
-het leven zijn ingericht, zal ik er bijna niet van spreken, en erbij
-elke klasse slechts eenige voorbeelden van geven.
-
-Er zijn vele andere organen en instinkten die door seksueele teeltkeus
-moeten zijn ontwikkeld—zooals de aanvallende wapenen en
-verdedigingsmiddelen welke de mannetjes bezitten om met hun mededingers
-te vechten en hen weg te jagen—hun moed en strijdlustigheid—hun
-versierselen van velerlei soort—hun organen om vocale muziek voort te
-brengen—en hun riekende stoffen afscheidende klieren; want de meeste
-dezer laatste organen dienen om het wijfje aan te lokken of op te
-wekken. Dat deze kenmerken het gevolg zijn van seksueele en niet van
-gewone teeltkeus, is duidelijk, daar ongewapende, onversierde of niet
-aantrekkelijke mannetjes even voorspoedig zouden zijn in den strijd om
-het leven en het nalaten van een talrijk kroost, indien er geen beter
-begaafde mannetjes bestonden. Wij mogen besluiten, dat dit het geval
-zou zijn; want de wijfjes, die ongewapend en onversierd zijn, zijn in
-staat te blijven leven en haar soort voort te planten. Secundaire
-seksueele kenmerken van de zoo even vermelde soort zullen in de
-volgende hoofdstukken uitvoerig worden besproken, omdat zij in vele
-opzichten belangwekkend zijn, maar vooral ook omdat zij afhangen van
-den wil, de keus en de mededinging der individu’s van een der beide
-seksen. Als wij twee mannetjes om het bezit van het wijfje zien
-vechten, of verscheidene mannetjes met hun prachtig gevederte zien
-pronken en de vreemdste vertooningen zien uitvoeren voor een vergaderde
-menigte van wijfjes, kunnen wij niet twijfelen, dat zij, hoezeer door
-instinkt geleid, weten wat zij in hun schild voeren, en met bewustheid
-hun geestelijke en lichamelijke vermogens oefenen.
-
-Op de zelfde wijs als de mensch het ras van zijn vechthanen kan
-verbeteren door voor de voortteling die vogels uit te kiezen, welke in
-de hanengevechten overwinnaars zijn, schijnt het, dat ook in de natuur
-de sterkste en krachtigste mannetjes, of zij die met de beste wapens
-waren voorzien, de bovenhand hebben behouden en aanleiding gegeven tot
-de verbetering van het natuurlijke ras of de soort. Door herhaalde
-doodelijke gevechten, zou een geringe mate van variabiliteit, als zij
-eenig voordeel verschafte, hoe gering dan ook, voldoende zijn voor het
-werk der seksueele teeltkeus; en het is zeker, dat secundaire seksueele
-kenmerken bij uitnemendheid variabel zijn. Op de zelfde wijze als de
-mensch, overeenkomstig zijn smaak, schoonheid kan geven aan zijn
-mannelijk pluimgedierte,—aan de Bantamhoenders een nieuw en sierlijk
-gevederte, een opgerichte en bijzondere houding,—schijnen in den
-natuurstaat de wijfjes, door gedurende langen tijd de meest
-aantrekkelijke mannetjes voor de voortteling uit te kiezen, de
-schoonheid dezer laatste te hebben verhoogd. Ongetwijfeld onderstelt
-dit bij het wijfje vermogens van onderscheiding en smaak, die eerst
-uiterst onwaarschijnlijk zullen voorkomen; maar ik hoop later aan te
-toonen, dat dit geenszins het geval is.
-
-Wegens onze onwetendheid op verscheidene punten, is de juiste wijze
-waarop de seksueele teeltkeus werkt, tot op zekere hoogte onzeker.
-Indien echter de natuuronderzoekers die reeds aan de veranderlijkheid
-der soorten gelooven, de volgende hoofdstukken lezen, zullen zij mij,
-geloof ik, toegeven, dat de seksueele teeltkeus een belangrijke rol in
-de geschiedenis van de organische wereld heeft gespeeld. Het is zeker,
-dat bij bijna alle dieren de mannetjes met elkander vechten om het
-bezit van het wijfje. Dit feit is zoo bekend, dat het overtollig zou
-zijn daarvan voorbeelden te geven. Vandaar konden de wijfjes,
-ondersteld dat haar verstandelijke vermogens voldoende waren om een
-keus te doen, uit meerdere mannetjes één voor de voortteling uitkiezen.
-In talrijke gevallen schijnt het echter, alsof het er bijzonder op was
-aangelegd, dat er een strijd tusschen vele mannetjes zou zijn. Zoo
-komen bij de trekvogels de mannetjes over het algemeen vroeger in de
-streek waar zij broeden, dan de wijfjes, zoodat vele mannetjes gereed
-zijn om om elk wijfje te vechten. De vogelaars verzekeren, dat dit
-steeds het geval is met den nachtegaal en den zwartkop, zooals mij de
-heer Jenner Weir meldt, die deze getuigenis ten opzichte van den
-laatsten vogel bevestigt.
-
-De heer Swaysland van Brighton, die gedurende de laatste veertig jaar
-gewoon was onze trekvogels bij hun eerste aankomst te vangen, schrijft
-mij, dat hem geen enkele soort bekend is, van welke de wijfjes vroeger
-aankomen dan de mannetjes. Gedurende ééne lente schoot hij
-negen-en-dertig mannetjes van Ray’s kwikstaart (Budytes Raii), voordat
-hij een enkel wijfje zag. De heer Gould heeft zich, naar hij mij meldt,
-door ontleding overtuigd, dat de mannelijke snippen vroeger in dit land
-aankomen, dan de vrouwelijke. In het geval van visch zijn, als de zalm
-onze rivieren opzwemt, de mannetjes in grooten getale voor de
-voortplanting gereed, vóór de wijfjes zulks zijn. Evenzoo schijnt het
-bij kikvorschen en padden te zijn. In de geheele groote klasse der
-Insekten komen de mannetjes bijna altijd vroeger uit de pop dan de
-wijfjes, zoodat zij over het algemeen een tijd lang rondvliegen,
-voordat er een enkel wijfje te zien is. [538] De oorzaak van dit
-verschil tusschen de mannetjes en de wijfjes in hun tijden van aankomst
-en rijpheid is duidelijk genoeg. Die mannetjes welke jaarlijks het
-eerst naar eenig land verhuisden, of in de lente het eerst voor de
-paring gereed waren, of het vurigst waren, moesten het talrijkste
-kroost nalaten en dit moest de neiging hebben om dergelijke instinkten
-en gestel te erven. Over het geheel kan er geen twijfel bestaan, dat er
-bij bijna alle dieren bij welke de seksen gescheiden zijn, tusschen de
-mannetjes een voortdurend terugkeerende strijd om het bezit der wijfjes
-plaats heeft.
-
-Onze moeielijkheid ten opzichte der seksueele teeltkeus is, te
-begrijpen hoe het komt, dat de mannetjes die andere mannetjes
-overwinnen, of die welke het aantrekkelijkst voor de wijfjes blijken te
-zijn, een talrijker kroost nalaten om hun voortreffelijkheid te erven,
-dan de overwonnen en minder talrijke mannetjes. Wanneer dit niet het
-gevolg was, zouden de kenmerken die aan sommige mannetjes een voordeel
-over andere gaven, door de seksueele teeltkeus niet volkomener gemaakt
-en vermeerderd kunnen worden. Als de seksen volkomen even talrijk zijn,
-zullen de slechtst-begaafde mannetjes ten laatste (behalve bij dieren
-die veelwijvig zijn) wijfjes vinden, en evenvele nakomelingen, die even
-geschikt zijn voor hun algemeene levenswijze, nalaten, als de
-bestbegaafde mannetjes.
-
-Uit onderscheidene feiten en overwegingen leidde ik vroeger af, dat bij
-de meeste dieren die goed ontwikkelde secundaire seksueele kenmerken
-bezitten, de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen;
-en dit houdt in eenige weinige gevallen steek. Indien de mannetjes tot
-de wijfjes stonden als twee tot één of als drie tot twee, of zelfs in
-een nog iets lager verhouding, zou de geheele zaak eenvoudig zijn; want
-de beter gewapende of meer aantrekkelijke mannetjes zouden het
-talrijkste kroost nalaten. Maar na, zoover zulks mogelijk is, de
-getalsverhouding tusschen de beide seksen te hebben onderzocht, geloof
-ik niet, dat er gewoonlijk eenige groote ongelijkheid in aantal
-bestaat. In de meeste gevallen schijnt de seksueele teeltkeus op de
-volgende wijze te hebben gewerkt.
-
-Laat ons de eene of andere soort nemen, een vogel bij voorbeeld, en de
-wijfjes die in een landstreek wonen, in twee gelijke afdeelingen
-verdeelen, waarvan de eene uit de krachtiger en beter gevoede
-individu’s en de andere uit de minder krachtige en minder gezonde
-bestaat. Er kan weinig twijfel bestaan, of de eerste zullen in de lente
-vroeger gereed zijn om te paren dan de andere, en dit is ook de meening
-van den heer Jenner Weir die gedurende vele jaren de gewoonten der
-vogels nauwkeurig heeft nagegaan. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat
-de krachtigste, gezondste en best gevoede wijfjes er in zullen slagen
-om gemiddeld het grootste aantal jongen voort te brengen. De mannetjes
-zijn, zooals wij hebben gezien, over het algemeen vroeger gereed om te
-paren dan de wijfjes; van de mannetjes zullen de sterkste en in sommige
-gevallen de best gewapende de zwakkere wegjagen, en de eerste zullen
-zich dus vereenigen met de sterkste en best gevoede wijfjes, daar deze
-het eerst voor de paring gereed zijn. Dergelijke krachtige paren zullen
-zeker een grooter aantal jongen voortbrengen dan de achterlijke
-wijfjes, die genoodzaakt zullen zijn, ondersteld dat de beide seksen
-even talrijk waren, om zich met de overwonnen en minder krachtige
-mannetjes te verbinden, en dit is al wat wordt vereischt om, in den
-loop van opeenvolgende generaties, de grootte, de kracht en den moed
-van de mannetjes te vermeerderen, of hun wapenen te verbeteren.
-
-In een menigte gevallen komen echter de mannetjes die andere mannetjes
-overwinnen, niet in het bezit der wijfjes, tenzij deze laatste hen
-kiezen. De vrijage der dieren is in geenen deele een zoo eenvoudige en
-korte zaak als men wellicht zou denken. De wijfjes worden het meest
-opgewekt door, of paren bij voorkeur met de fraaist versierde
-mannetjes, of die welke de beste zangers zijn, of de schoonste
-vertooningen uitvoeren; het is echter blijkbaar waarschijnlijk, zooals
-in sommige gevallen ook werkelijk is waargenomen, dat zij
-tegelijkertijd aan de krachtigste en vurigste mannetjes de voorkeur
-zullen geven. [539] De krachtigste wijfjes, die het eerst voor de
-paring gereed zijn, zullen dus de keus tusschen vele mannetjes hebben;
-en al mogen zij niet altijd de sterkste en best gewapende kiezen,
-zullen zij toch die kiezen, welke sterk en goed gewapend en in andere
-opzichten het meest aantrekkelijk zijn. Zulke vroege paren zullen in
-het voortbrengen van jongen aan de vrouwelijke zijde het zelfde
-voordeel hebben als boven is verklaard, en aan de mannelijke zijde
-bijna het zelfde voordeel. En dit schijnt, gedurende een lange reeks
-van generaties voldoende voortgezet, voldoende te zijn geweest om niet
-alleen de kracht en het strijdvermogen der mannetjes, maar eveneens hun
-verschillende versierselen en andere aantrekkelijkheden te
-vermeerderen.
-
-In het omgekeerde en veel zeldzamer geval, dat de mannetjes bijzondere
-wijfjes voor de voortteling uitkiezen, is het duidelijk, dat zij die
-het krachtigst waren en anderen hebben overwonnen, de vrijste keus
-zullen hebben, en het is bijna zeker, dat zij krachtige en tegelijk
-aantrekkelijke wijfjes zullen uitkiezen. Dergelijke paren zullen een
-voordeel hebben in het voortbrengen van jongen, vooral als het mannetje
-het vermogen bezit om het wijfje gedurende den paartijd te verdedigen,
-zooals bij sommige hoogere dieren geschiedt, of om haar te helpen in de
-zorg voor de jongen. De zelfde beginselen zouden toepasselijk zijn,
-indien beide seksen wederkeerig de voorkeur gaven aan zekere individu’s
-van de andere sekse en deze voor de voortteling uitkozen, ondersteld
-dat zij niet slechts de aantrekkelijkste, maar tevens de sterkste
-individu’s kozen.
-
-Getalsverhouding tusschen de beide Seksen.—Ik heb opgemerkt, dat de
-seksueele teeltkeus een eenvoudige zaak zou zijn, als de mannetjes de
-wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen. Vandaar kwam ik er toe om,
-zoover ik kon, de verhoudingen tusschen de seksen van zoovele dieren
-als mogelijk was, te onderzoeken, maar de bronnen zijn beperkt. Ik zal
-hier slechts een kort uittreksel van den uitslag geven en de
-bijzonderheden als een bijvoegsel mededeelen, om den loop van mijn
-bewijsvoering niet af te breken. Alleen tamme dieren geven gelegenheid
-om zekerheid te verkrijgen omtrent de getalsverhouding bij de geboorte,
-maar men heeft geen aanteekeningen met dit bepaalde doel gemaakt. Langs
-indirecten weg heb ik echter een aanmerkelijke hoeveelheid statistieke
-gegevens verzameld, waaruit blijkt, dat bij de geboorte het aantal
-jongen van elke sekse nagenoeg gelijk is. Zoo zijn bij renpaarden 25560
-geboorten gedurende een-en-twintig jaren opgeteekend, en de mannelijke
-geboorten stonden tot de vrouwelijke als 99.7:100. Bij windhonden is de
-ongelijkheid grooter dan bij eenig ander dier; want gedurende twaalf
-jaren stonden bij 6878 geboorten de mannelijke geboorten tot de
-vrouwelijke als 110.1:100. Het is echter eenigermate twijfelachtig, of
-men hieruit veilig mag afleiden, dat in den natuurstaat de zelfde
-verhoudingsgetallen doorgaan als in den tammen staat; want kleine en
-onbekende verschillen in de levensvoorwaarden hebben tot op zekere
-hoogte invloed op de verhouding tusschen de seksen. Zoo staan bij den
-mensch de mannelijke geboorten in Engeland als 104.5, in Rusland als
-108.9 en bij de Lijflandsche Joden als 120 tot 100 vrouwelijke. Op deze
-verhouding oefenen ook de wettigheid of onwettigheid der geboorten een
-geheimzinnigen invloed uit.
-
-Voor ons tegenwoordig doel hebben wij te maken met de verhouding
-tusschen de seksen, niet bij de geboorte, maar op volwassen leeftijd,
-en dit doet een ander element van twijfel ontstaan; want het is een
-goed bewezen feit, dat bij den mensch voor of gedurende de geboorte en
-in de eerste dagen der kindsheid veel meer jongens dan meisjes sterven.
-Wij weten zeker, dat het evenzoo met mannelijke lammeren is, en
-wellicht is het ook zoo met de mannetjes van andere dieren. De
-mannetjes van sommige dieren dooden elkander in het gevecht, of drijven
-elkander rond, totdat zij zeer vermagerd zijn. Zij moeten ook, terwijl
-zij rondzwerven om vurig de wijfjes op te sporen, dikwijls aan
-onderscheidene gevaren blootgesteld zijn. Bij vele soorten van visschen
-zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, en men gelooft, dat zij
-dikwijls door deze laatste of door andere visschen worden verslonden.
-Bij sommige vogels schijnen de wijfjes in sterker verhouding te sterven
-dan de mannetjes; zij zijn ook blootgesteld om bij het broeden, of
-terwijl zij voor haar jongen zorgen, te worden omgebracht. Bij insekten
-zijn de vrouwelijke larven dikwijls grooter dan de mannelijke, en
-zullen bij gevolg meer kans hebben om te worden verslonden; in sommige
-gevallen zijn de wijfjes minder levendig en minder vlug in haar
-bewegingen dan de mannetjes, en zullen derhalve niet zoo goed in staat
-zijn om aan gevaar te ontsnappen. Vandaar moeten wij bij dieren in den
-natuurstaat, om te oordeelen over de verhouding tusschen de seksen in
-volwassen toestand, op bloote schatting afgaan; en dit verdient slechts
-weinig vertrouwen, behalve wanneer de ongelijkheid zeer aanmerkelijk
-is. Toch mogen wij, voor zoover wij er een oordeel over kunnen vormen,
-uit de als bijvoegsel medegedeelde feiten besluiten, dat bij eenige
-weinige Zoogdieren, bij vele Vogels en bij sommige Visschen en Insekten
-de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.
-
-De verhouding tusschen de seksen wisselt gedurende opeenvolgende jaren
-eenigszins af; zoo varieerden op elke 100 wijfjes die geboren werden,
-bij renpaarden de mannetjes van 107.1 in het eene jaar tot 92.6 in een
-ander jaar, en bij windhonden van 119.3 tot 95.3. Waren echter grooter
-getallen opgeteekend over een grooter oppervlakte dan Engeland, dan
-zouden deze afwisselingen waarschijnlijk zijn verdwenen, en zoo als zij
-zijn, zouden zij moeielijk voldoende wezen om in den natuurstaat tot de
-werking van den invloed der seksueele teeltkeus aanleiding te geven.
-Toch schijnen bij eenige weinige wilde dieren de verhoudingen, zooals
-in het bijvoegsel is aangetoond, hetzij gedurende verschillende
-jaargetijden of in verschillende streken in genoegzame mate af te
-wisselen om tot de werking daarvan aanleiding te geven. Want men moet
-bedenken, dat elk voordeel gedurende zekere jaren of in zekere streken
-behaald door die mannetjes welke in staat waren andere mannetjes te
-overwinnen of het aantrekkelijkst voor de wijfjes waren, waarschijnlijk
-op de jongen overgedragen en later niet geëlimineerd zou worden.
-Gedurende de volgende jaargetijden, als wegens de gelijkheid der seksen
-elk mannetje in staat was zich overal een wijfje te verschaffen, zouden
-de vroeger voortgebrachte sterkere of meer aantrekkelijke mannetjes nog
-een minstens even goede kans hebben om nakomelingen na te laten als de
-minder sterke of minder aantrekkelijke.
-
-
-
-Veelwijverij.—De gewoonte der veelwijverij (polygamie) leidt tot de
-zelfde uitwerkselen die zouden volgen uit een werkelijke ongelijkheid
-in het aantal der seksen; want als elk mannetje zich van twee of meer
-wijfjes meester maakt, zullen vele mannetjes niet in staat zijn te
-paren, en deze laatste zullen gewis de zwakkere en minder
-aantrekkelijke individu’s zijn. Vele zoogdieren en eenige weinige
-vogels leven in veelwijverij; bij tot de lagere klassen behoorende
-dieren vond ik geen bewijzen van deze gewoonte. De verstandelijke
-vermogens van dergelijke dieren zijn wellicht niet voldoende om hen er
-toe te brengen een harem van wijfjes te verzamelen en te beschermen.
-Dat er eenige betrekking bestaat tusschen veelwijverij en de
-ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken, schijnt bijna zeker,
-en dit ondersteunt de meening, dat een overwicht in getal van de
-mannetjes uiterst gunstig zou zijn voor de werking der seksueele
-teeltkeus. Toch vertoonen vele dieren, vooral vogels, die met slechts
-een enkel wijfje leven, sterk uitgesproken secundaire seksueele
-kenmerken, terwijl eenige weinige dieren die in veelwijverij leven,
-dergelijke kenmerken niet bezitten.
-
-Wij zullen eerst kortelijk de Klasse der Zoogdieren doorloopen en dan
-tot de Vogels overgaan. De gorilla schijnt in veelwijverij te leven, en
-het mannetje verschilt aanmerkelijk van het wijfje; evenzoo is het met
-sommige bavianen, die in kudden leven, welke tweemaal zooveel volwassen
-wijfjes als mannetjes bevatten. In Zuid-Amerika vertoont Mycetes Caraya
-goed uitgedrukte seksueele kenmerken in zijn kleur, baard en
-stemorganen en het mannetje leeft gewoonlijk met twee of drie wijfjes;
-het mannetje van Cebus capucinus verschilt een weinig van het wijfje en
-schijnt in veelwijverij te leven. [540] Weinig is in dit opzicht bekend
-omtrent de meeste andere apen; maar sommige soorten leven met slechts
-één wijfje (zijn monogaam). De Herkauwende Dieren zijn bij
-uitnemendheid in veelwijverij levende dieren en zij vertoonen
-veelvuldiger seksueele verschillen dan bijna eenige andere groep van
-zoogdieren, vooral in hun wapens, maar eveneens in andere kenmerken. De
-meeste soorten van herten, hoornvee en schapen leven in veelwijverij;
-en ook de meeste antilopen, hoewel sommige dezer laatste met slechts
-één wijfje leven. Sir Andrew Smith zegt, van de antilopen van
-Zuid-Afrika sprekende, dat er in kudden van ongeveer een dozijn zelden
-meer dan één volwassen mannetje was. De Aziatische Antilope Saïga
-schijnt van alle dieren der wereld de veelwijverij het sterkst uit te
-oefenen; want Pallas [541] verzekert, dat het mannetje alle mededingers
-verjaagt en een kudde van ongeveer een honderdtal individu’s, uit
-wijfjes en jongen bestaande, bijeenverzamelt: het wijfje bezit geen
-horens en heeft zachter haar, maar verschilt overigens niet veel van
-het mannetje. Het wilde paard leeft, zoowel op de Falklands-eilanden
-als in de Westelijke Staten van Noord-Amerika, in veelwijverij, maar,
-behalve door zijn aanzienlijker grootte en de verhoudingen van zijn
-lichaam, verschilt de hengst slechts weinig van de merrie. Het mannetje
-van het wilde zwijn vertoont in zijn slagtanden en sommige andere
-punten goed uitgedrukte seksueele kenmerken; in Europa en in Indië
-leidt het, behalve gedurende den paartijd, een eenzaam leven; maar
-gedurende dien tijd leeft het in Indië met verscheidene wijfjes, naar
-Sir W. Elliot, die veel ondervinding had in het waarnemen van dit dier,
-gelooft; of dit ook in Europa doorgaat, is twijfelachtig, maar wordt
-door sommige getuigenissen gesteund. De volwassen mannelijke Indische
-olifant brengt, evenals het wilde zwijn, een groot deel van zijn tijd
-in eenzaamheid door; maar als hij zich met andere vereenigt, „is het”,
-volgens Dr. Campbell, „zeldzaam om meer dan één mannetje bij een
-geheele kudde wijfjes te vinden.” De grootere mannetjes verjagen de
-kleinere en zwakkere. Het mannetje verschilt van het wijfje door zijn
-verbazende slagtanden en aanzienlijke lichaamsgrootte, kracht en
-taaiheid; in deze laatste opzichten is het verschil zoo groot, dat men
-de gevangen mannetjes twintig percent meer waard schat dan de wijfjes.
-[542] Bij de andere Dikhuidige Dieren verschillen de seksen zeer weinig
-of in het geheel niet, en zij leven, voor zoover ons bekend is, niet in
-veelwijverij. Ook heb ik nooit gehoord, dat eenige soort in de orden
-der Vledermuizen (Cheiroptera), Tandelooze Dieren (Edentata),
-Knaagdieren en Insekteneters (Insectivora) in veelwijverij leefde,
-behalve wellicht de gewone rat, van welke, naar sommige rattenvangers
-verzekeren, de mannetjes met verscheidene wijfjes leven. Toch
-verschillen de beide seksen van sommige luiaards (Edentata) in den aard
-en kleur van het haar van zekere vlekken op hun schouders. [543] En
-vele soorten van vledermuizen (Cheiroptera) vertoonen goed uitgedrukte
-seksueele verschillen, vooral doordat de mannetjes geur verspreidende
-klieren en zakken bezitten en lichter van kleur zijn. [544] In de
-groote orde der Knaagdieren verschillen de seksen, zoover ik kan
-nagaan, zelden, en als zij zulks doen, is het slechts door een
-eenigszins andere kleur van den pels.
-
-De leeuw leeft in Zuid-Afrika, naar ik van Sir Andrew Smith hoor,
-somwijlen met een enkel wijfje, maar gewoonlijk met meer dan één, en
-werd in één geval met niet minder dan vijf wijfjes gevonden, zoodat hij
-in veelwijverij leeft. Hij is, zoover ik kan ontdekken, het eenige in
-veelwijverij levende dier uit de geheele groep der Landroofdieren, en
-tevens het eenige dat goed uitgedrukte seksueele kenmerken bezit.
-Indien wij ons echter tot de Zeeroofdieren wenden, is het een geheel
-ander geval; want vele soorten van zeehonden bieden, gelijk wij zullen
-zien, buitengewoon groote seksueele verschillen aan, en zijn bij
-uitnemendheid in veelwijverij levende dieren. Zoo bezit de mannelijke
-zeeolifant van den zuidelijken oceaan, volgens Péron, altijd
-verscheidene wijfjes, en men zegt dat de zeeleeuw van Forster altijd
-door twintig tot dertig wijfjes wordt omringd. In het Noorden wordt de
-Stellersche zeebeer zelfs door een nog grooter aantal wijfjes
-vergezeld.
-
-Wat de Vogels aangaat, leven vele soorten van welke de seksen veel van
-elkander verschillen, gewis slechts met één wijfje. In Groot-Brittannië
-zien wij bij voorbeeld goed uitgedrukte seksueele kenmerken bij de
-wilde eend die met een enkel wijfje paart, bij de gewone merel of
-zwarte lijster, en bij den goudvink, die, naar men zegt, levenslang met
-het zelfde wijfje paart. Evenzoo is het, gelijk de heer Wallace mij
-mededeelt, met de Snatervogels (Cotingidae) van Zuid-Amerika en
-talrijke andere vogels. Bij verscheidene groepen was ik niet in staat
-te ontdekken, of de soorten al dan niet in veelwijverij leven. Lesson
-zegt, dat de paradijsvogels, die zoo opmerkelijk zijn wegens hun
-seksueele verschillen, in veelwijverij leven; doch de heer Wallace
-betwijfelt, of hij daarvoor bewijzen genoeg had. De heer Salvin meldt
-mij, dat hij aanleiding heeft gevonden om te gelooven, dat de kolibri’s
-in veelwijverij leven. Het schijnt zeker te zijn, dat de mannelijke
-weduwvogel, opmerkelijk wegens zijn staartvederen, in veelwijverij
-leeft. [545] De heer Jenner Weir en anderen hebben mij verzekerd, dat
-niet zelden drie spreeuwen het zelfde nest bezoeken, maar of dit een
-geval van veelwijverij (polygamie) of van veelmannerij (polyandrie) is,
-is niet uitgemaakt.
-
-De Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) vertoonen bijna even sterk
-uitgedrukte seksueele verschillen als de paradijsvogels of kolibri’s,
-en vele soorten daarvan leven, zooals algemeen bekend is, in
-veelwijverij, terwijl andere uitsluitend met een enkel wijfje leven.
-Welk een verschil tusschen de seksen bij den in veelwijverij levenden
-pauw of fazant, en de met een enkel wijfje levende parelhoenders en
-patrijzen! Vele dergelijke gevallen zouden kunnen worden vermeld,
-gelijk in de afdeeling der Ruigpoothoenders, in welke de in
-veelwijverij levende groote auerhaan en korhaan zeer van de wijfjes
-verschillen, terwijl bij de met een enkel wijfje levende roode
-Schotsche boschhoenders en sneeuwhoenders de seksen slechts weinig
-verschillen. Onder de Loopvogels (Cursores) (1) vertoont geen groot
-getal soorten sterk uitgedrukte seksueele kenmerken, behalve de
-trapganzen, en men zegt, dat de groote trapgans (Otis tarda) in
-veelwijverij leeft. Bij de Steltloopers (Grallatores) verschillen de
-seksen bij zeer weinige soorten; maar de kemphaan (Machetes pugnax)
-maakt hierop een sterke uitzondering, en Montagu gelooft, dat deze
-soort in veelwijverij leeft. Het schijnt dus, dat er bij vogels
-dikwijls een nauw verband bestaat tusschen veelwijverij en de
-ontwikkeling van sterk uitgedrukte seksueele verschillen. Toen ik in
-den Londenschen Dierentuin aan den heer Burlett, die zulk een groote
-ondervinding omtrent vogels heeft, vroeg, of de mannelijke tragopan
-(een der Hoenderachtige Vogels) in veelwijverij leeft, was ik getroffen
-door zijn antwoord: „Ik weet het niet, maar ik denk van ja, wegens zijn
-prachtige kleuren.”
-
-Het verdient opmerking, dat het instinkt om met een enkel wijfje te
-paren, gedurende de temming gemakkelijk wordt verloren. De wilde eend
-leeft uitsluitend met één wijfje, de tamme eend oefent in hooge mate de
-veelwijverij uit. De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat van sommige
-half getemde wilde eenden, die men in een grooten vijver in zijn
-nabuurschap hield, zoovele woerden door den boschwachter werden
-doodgeschoten, dat er slechts één voor elke zeven of acht wijfjes
-overbleef; toch werden ongewoon groote broedsels van jongen
-voortgebracht. Het parelhoen leeft uitsluitend met één wijfje, doch de
-heer Fox heeft bemerkt, dat hij met zijn vogels het voorspoedigst is,
-als hij één haan op twee of drie hennen houdt. [546] De kanarievogels
-leven in den natuurstaat paarsgewijze, maar de fokkers van vogels
-zetten met goed gevolg één mannetje bij vier of vijf wijfjes; het
-eerste wijfje wordt echter, naar men den heer Fox verzekerde, alleen
-als wettige vrouw beschouwd, zij en haar jongen alleen worden door het
-mannetje gevoed, de andere worden als bijwijven behandeld. Ik heb deze
-gevallen opgeteekend, omdat daardoor eenigermate waarschijnlijk wordt
-gemaakt, dat eenwijvige soorten in den natuurstaat gemakkelijk hetzij
-tijdelijk of blijvend de gewoonte van veelwijverij zouden kunnen
-aannemen.
-
-Wat de Reptielen en Visschen aangaat, is er te weinig van hun gewoonten
-bekend om ons in staat te stellen over hun huwelijkstoestanden te
-spreken. Men zegt echter, dat de stekelbaars (Gasterosteus) in
-veelwijverij leeft [547], en het mannetje verschilt gedurende den
-rijtijd in ’t oog loopend van het wijfje.
-
-Laten wij thans nog eens de middelen opsommen door welke, voorzoover
-wij kunnen beoordeelen, de seksueele teeltkeus tot de ontwikkeling der
-secundaire seksueele kenmerken heeft geleid. Wij hebben aangetoond, dat
-het grootste aantal krachtige jongen zal worden voortgebracht door de
-paring van de sterkste en best gewapende mannetjes, die andere
-mannetjes hebben overwonnen, met de sterkste en best gevoede wijfjes,
-die in de lente het eerst voor de voortplanting gereed zijn. Dergelijke
-wijfjes zullen, als zij de aantrekkelijkste en terzelfdertijd
-krachtigste mannetjes uitkiezen, een grooter aantal jongen voortbrengen
-dan de achterlijke wijfjes, die met de minder krachtige en minder
-aantrekkelijke mannetjes moeten paren. Evenzoo zal het gaan, als de
-krachtigste wijfjes uitkiezen; en dit zal vooral doorgaan, indien het
-mannetje het wijfje verdedigt en haar helpt om aan de jongen voedsel te
-verschaffen. Het aldus door de krachtigste paren verkregen voordeel in
-het voortbrengen van een grooter aantal nakomelingen is waarschijnlijk
-voldoende geweest om de seksueele teeltkeus invloed te doen uitoefenen.
-Een groot overwicht in getal van de mannetjes over de wijfjes zou
-echter nog krachtiger hebben gewerkt; hetzij dat dit overwicht slechts
-toevallig en plaatselijk, of blijvend was geweest, hetzij het bij de
-geboorte reeds bestond, of dat het eerst later door de grootere sterfte
-der wijfjes intrad; of dat het eindelijk een indirect gevolg was van de
-gewoonte der veelwijverij.
-
-
-
-Het Mannetje over het algemeen meer gewijzigd dan het Wijfje.—Door het
-geheele Dierenrijk heên is het, wanneer de seksen in uiterlijk aanzien
-van elkander verschillen, op weinige uitzonderingen na steeds het
-mannetje dat voornamelijk is gewijzigd; want het wijfje blijft meer
-gelijk aan de jongen van haar eigen soort en aan de andere leden van de
-zelfde groep. De oorzaak daarvan schijnt hierin te liggen, dat de
-mannetjes van bijna alle dieren sterker hartstochten hebben dan de
-wijfjes. Vandaar komt het, dat het de mannetjes zijn, die te zamen
-vechten en zich beijveren voor de wijfjes met hun bekoorlijkheden te
-pronken, en diegene welke overwinnaars zijn, planten hun
-voortreffelijkheid op hun mannelijke nakomelingen over. Waarom de
-mannetjes hun kenmerken niet op beide seksen overplanten, zal later
-worden overwogen. Dat de mannetjes van alle Zoogdieren met vurigheid de
-wijfjes vervolgen, is iedereen bekend. Evenzoo is het met de Vogels;
-maar vele mannelijke vogels vervolgen de wijfjes niet zoozeer, dan dat
-zij in haar tegenwoordigheid met hun gevederte pronken, vreemdsoortige
-vertooningen uitvoeren en hun zang aanheffen. Bij de weinige Visschen
-die zijn waargenomen, schijnt het mannetje veel vuriger te zijn dan het
-wijfje; evenzoo is het met de Alligators en waarschijnlijk ook met de
-Vorschen (Batrachii) gelegen. Door de geheele verbazend groote klasse
-der Insekten is het, gelijk Kirby opmerkt, „de wet, dat het mannetje
-het wijfje moet zoeken.” Bij de Spinnen en Schaaldieren zijn, naar ik
-van twee groote autoriteiten, de heeren Blackwall en C. Spence Bate
-hoor, de mannetjes bedrijviger en leiden een meer zwervende levenswijze
-dan de wijfjes. Als bij de Insekten en de Schaaldieren zintuigen of
-bewegingswerktuigen bij de eene sekse aanwezig zijn, doch bij de andere
-ontbreken, of als zij, zooals dikwijls het geval is, bij de eene hooger
-ontwikkeld zijn dan bij de andere, is het bijna altijd het mannetje,
-voorzoover ik kan nagaan, dat die organen heeft behouden, of ze in den
-meest ontwikkelden toestand bezit, en dit bewijst, dat het mannetje bij
-de vrijage der seksen het bedrijvigste lid is. [548]
-
-Het wijfje daarentegen is, op zeer zeldzame uitzonderingen na, minder
-vurig dan het mannetje. Gelijk de beroemde Hunter [549] lang geleden
-opmerkte, „is het over het algemeen noodig, dat haar het hof wordt
-gemaakt”: zij is ingetogen en men kan dikwijls zien, hoe zij gedurende
-langen tijd haar best doet om aan het mannetje te ontsnappen. Iedereen
-die op de gewoonten van dieren heeft gelet, zal zich voorbeelden
-daarvan kunnen herinneren. Naar onderscheidene, later te vermelden
-feiten en naar de uitwerkselen die men veilig aan seksueele teeltkeus
-kan toeschrijven, te oordeelen, oefent het wijfje, hoewel
-vergelijkenderwijze lijdelijk, over het algemeen eenige keus uit, en
-geeft aan het eene mannetje de voorkeur boven het andere. Of wellicht
-geeft zij, gelijk de schijn ons dikwijls zou doen gelooven, de voorkeur
-niet aan het mannetje dat haar het meest aantrekt, maar aan dat hetwelk
-haar het minst tegenstaat. De uitoefening van eenige keus van den kant
-van het wijfje schijnt een bijna even algemeene wet als de vurigheid
-van het mannetje.
-
-Wij komen er nu van zelf toe om te onderzoeken, waarom het mannetje in
-zoo vele en zoo sterk verschillende gevallen vuriger is geworden dan
-het wijfje, zoodat hij haar zoekt en bij de vrijage de bedrijvigste rol
-speelt. Er zou geen voordeel en zelfs eenig krachtverlies in zijn
-gelegen, als beide seksen elkander wederkeerig moesten zoeken; maar
-waarom moet het altijd het mannetje zijn dat zoekt? Bij planten moeten
-de eitjes na de bevruchting een tijd lang worden gevoed; vandaar moet
-het stuifmeel noodzakelijk naar de vrouwelijke organen gevoerd en door
-de tusschenkomst van insekten of van den wind of door de spontane
-bewegingen der meeldraden, en bij de Algen enz. door het
-bewegingsvermogen der antherozoïden op den stempel worden gebracht (2).
-Bij laag georganiseerde dieren die voortdurend op de zelfde plaats
-bevestigd blijven en gescheiden seksen bezitten, wordt steeds het
-mannelijk element naar het vrouwelijke gebracht, en wij kunnen de reden
-daarvan inzien; want de eieren kunnen, zelfs als zij vóór de
-bevruchting worden losgemaakt en geen latere voeding en bescherming
-vereischen, wegens hun betrekkelijk aanzienlijker grootte minder
-gemakkelijk worden verplaatst dan het mannelijk element. Vandaar komen
-de planten [550] en vele lagere dieren in dit opzicht overeen. Daar de
-mannetjes van vastzittende dieren er dus toe zijn gekomen om hun
-bevruchtend element uit te werpen, is het natuurlijk, dat eenige hunner
-nakomelingen, die hooger klommen op de ladder en het vermogen verkregen
-om van plaats te veranderen, de zelfde gewoonte moesten behouden en
-dicht tot het wijfje moesten naderen, opdat het bevruchtende element
-het gevaar niet zou loopen van een langen weg door het zeewater af te
-leggen. Bij eenige weinige der lagere dieren zijn alleen de wijfjes
-vastzittend en bij deze moet het mannetje haar zoeken. Wat de vormen
-aangaat, wier voorouders geen vastzittende dieren waren, is het
-moeilijk te begrijpen, waarom het altijd de mannetjes moesten zijn, die
-de gewoonte verkregen om naar de wijfjes toe te komen, in plaats dat
-deze laatste naar hen toe kwamen. In alle gevallen echter zou het,
-opdat de mannetjes met goed gevolg zouden zoeken, noodzakelijk zijn,
-dat zij met sterke hartstochten waren begiftigd; en het verkrijgen van
-dergelijke hartstochten moest daaruit volgen, dat de vurigste mannetjes
-meer nakomelingen nalieten dan de minder vurige.
-
-De groote vurigheid van het mannetje heeft aldus indirect geleid tot de
-veelvuldiger ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken bij het
-mannetje dan bij het wijfje. De ontwikkeling van dergelijke kenmerken
-zal echter, indien het besluit te vertrouwen is, waartoe ik door het
-bestudeeren der tamme dieren ben gekomen, zeer zijn bevorderd, doordat
-het mannetje meer aanleg tot variatie heeft dan het wijfje. Von
-Nathusius, die zeer groote ondervinding hieromtrent had, is van de
-zelfde meening. [551] Ik weet, hoe moeilijk het is een dergelijk
-besluit te verificeeren. Eenige geringe bewijzen daarvoor kunnen echter
-worden verkregen door de vergelijking der beide seksen van den mensch,
-daar de mensch zorgvuldiger is bestudeerd dan eenig ander dier.
-Gedurende de Novara-expeditie [552] werd een groot aantal metingen van
-onderscheidene lichaamsdeelen bij verschillende rassen gedaan, en in
-bijna ieder geval vond men, dat de mannen een grootere verscheidenheid
-vertoonden dan de vrouwen; op dit onderwerp zal ik echter in een
-volgend hoofdstuk moeten terugkomen. De heer J. Wood [553], die
-zorgvuldig de variaties in het spierstelsel bij den mensch heeft
-nagegaan, heeft met cursieve letters zijn besluit doen drukken, dat
-„het grootste aantal abnormale vormen bij een enkel persoon bij de
-mannen wordt gevonden.” Hij had te voren opgemerkt, dat „bij elkander
-gerekend op een aantal van 102 personen de afwijkingen door het bezit
-van overtallige deelen werden bevonden de helft veelvuldiger te zijn
-bij mannen dan bij vrouwen, hetgeen een sterke tegenstelling vormt met
-het te voren beschreven veelvuldiger voorkomen van afwijkingen door het
-ontbreken van deelen bij vrouwen.” Prof. Macalister merkt eveneens op
-[554], dat variaties in het spierstelsel, „waarschijnlijk algemeener
-bij mannen dan bij vrouwen voorkomen.” Zekere spieren die bij den
-mensch in normalen toestand niet aanwezig zijn, komen ook veelvuldiger
-bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse tot ontwikkeling, hoewel
-men zegt, dat uitzonderingen op dezen regel voorkomen. Dr. Burt Wilder
-[555] heeft een tabel gemaakt van 152 gevallen van individu’s met
-overtallige vingers, van welke 86 mannen en 39, of de helft minder,
-vrouwen waren; van de overige 27 was de sekse niet bekend. Men zie
-echter niet voorbij, dat vrouwen veelvuldiger een dergelijke misvorming
-zullen trachten te verbergen dan mannen. Ook verzekert Prof. L. Meyer,
-dat de ooren van den man verschillender van vorm zijn dan die van de
-vrouw. [556] Eindelijk is de temperatuur bij den man meer variabel dan
-bij de vrouw. [557]
-
-De oorzaak waarom de algemeene variabiliteit bij de mannelijke sekse
-grooter is dan bij de vrouwelijke, is onbekend, uitgezonderd in zoover
-als secundaire seksueele kenmerken uiterst variabel en gewoonlijk tot
-de mannetjes beperkt zijn; en, gelijk wij nu zullen zien, is dit feit
-tot op zekere hoogte begrijpelijk. Door de werking der seksueele
-teeltkeus zijn de mannelijke dieren in zeer vele gevallen zeer
-verschillend van hun wijfjes gemaakt; maar, onafhankelijk van
-teeltkeus, hebben de beide seksen, omdat ze constitutioneel
-verschillen, een neiging om op eenigszins verschillende wijze te
-varieeren. Het wijfje moet veel organische stof besteden tot de vorming
-van haar eieren, terwijl het mannetje veel kracht besteedt in de
-woedende gevechten met zijn medeminnaars, in het rondloopen om het
-wijfje te zoeken, het gebruiken van zijn stem, het afscheiden van
-welriekende stoffen enz.; en dit verbruik heeft over het algemeen
-geheel en al plaats gedurende een korten tijd van het jaar. De grootere
-kracht van het mannetje gedurende het jaargetijde der liefde schijnt
-dikwijls zijn kleuren levendiger te maken, onafhankelijk van eenig
-verschil van beteekenis met het wijfje. [558] Bij den mensch, en zelfs
-bij dieren die zoo laag op de ladder staan als de Schubvleugelige
-Insekten (Lepidoptera), is de temperatuur van het mannetje hooger dan
-die van het wijfje, hetgeen in het geval van den mensch gepaard gaat
-met een langzamer pols. [559] Over het geheel is het gebruik van stof
-en kracht door de beide seksen waarschijnlijk ongeveer gelijk, hoewel
-het geschiedt op zeer verschillende wijzen.
-
-Wegens bovengenoemde oorzaken kan het moeilijk anders, of de beide
-seksen moeten een weinig in gestel (constitutie) verschillen, ten
-minste gedurende den paartijd; en, hoewel zij aan volkomen de zelfde
-levensvoorwaarden mogen zijn onderworpen, zullen zij een neiging hebben
-op verschillende wijze te varieeren. Indien dergelijke variaties voor
-geen van beide seksen nuttig zijn, zullen zij niet worden opeengehoopt
-of vermeerderd door seksueele of natuurlijke teeltkeus. Desniettemin
-kunnen zij blijvend worden, indien de oorzaak waarvan zij het gevolg
-zijn, bestendig blijft werken; en in overeenstemming met een veelvuldig
-voorkomenden vorm van erfelijkheid kunnen zij worden overgeërfd alleen
-door die sekse bij welke zij het eerst zijn verschenen. In dit geval
-zullen de seksen bestendige, maar toch onbelangrijke verschillen in hun
-kenmerken gaan vertoonen. De heer Allen toont bij voorbeeld aan, dat
-bij een groot aantal vogels die de noordelijke en zuidelijke Vereenigde
-Staten bewonen, de voorwerpen uit het Zuiden donkerder gekleurd zijn
-dan die uit het Noorden; en dit schijnt een rechtstreeksch gevolg te
-zijn van het verschil in temperatuur, licht enz., tusschen die beide
-streken. Nu schijnen in eenige weinige gevallen de beide seksen van een
-zelfde soort verschillend te zijn aangedaan, bij Ageloeus phoeniceus
-zijn bij de mannetjes de kleuren in het Zuiden veel sterker geworden;
-terwijl bij Cardinalis virginianus zulks juist bij de wijfjes heeft
-plaats gehad; bij Quiscalus major zijn de wijfjes uiterst variabel van
-tint geworden, terwijl de mannetjes nagenoeg eenvormig bleven. [560]
-
-Bij onderscheidene Klassen van dieren komen eenige weinige
-exceptioneele gevallen voor, waarin niet het mannetje, maar het wijfje
-goed uitgedrukte secundaire seksueele kenmerken, zooals levendiger
-kleuren, grooter gestalte, sterkte of strijdlustigheid, bezit. Bij
-vogels heeft er, zooals wij later zullen zien, dikwijls een volkomen
-omkeering in de gewoonlijk aan elke sekse eigen kenmerken plaats gehad,
-daar de wijfjes het vurigst bij de vrijage zijn geworden en de
-mannetjes daarbij vergelijkenderwijze lijdelijk blijven, doch
-blijkbaar, voor zoover wij zulks uit de uitwerkselen mogen afleiden, de
-aantrekkelijkste wijfjes hebben uitgezocht. Zekere vrouwelijke vogels
-hebben op die wijze fraaier kleuren en andere versierselen gekregen,
-zijn sterker en strijdlustiger dan het mannetje geworden, terwijl deze
-kenmerken alleen op de vrouwelijke nakomelingen worden overgeplant.
-
-Men zou kunnen onderstellen, dat in sommige gevallen een dubbel proces
-van teeltkeus heeft plaats gehad, daar de mannetjes de aantrekkelijkste
-wijfjes, en deze laatste de aantrekkelijkste mannetjes uitkozen. Hoewel
-dit proces zou kunnen leiden tot wijziging van beide seksen, zou het de
-eene sekse niet verschillend maken van de andere, wanneer hun
-schoonheidsgevoel ten minste niet verschilde, maar deze onderstelling
-is te onwaarschijnlijk in het geval van eenig dier, uitgezonderd den
-mensch, om overweging te verdienen. Er zijn echter vele dieren bij
-welke de seksen op elkander gelijken en beide met de zelfde
-versierselen zijn voorzien, welke de analogie ons zou doen besluiten om
-aan de werking der seksueele teeltkeus toe te schrijven. In dergelijke
-gevallen zou het een zeer aannemelijke onderstelling schijnen, dat er
-een dubbel of wederkeerig proces van seksueele teeltkeus heeft plaats
-gehad, de sterkste en vroegst ontwikkelde wijfjes de aantrekkelijkste
-en krachtigste mannetjes hebben uitgekozen, en deze laatste alle
-wijfjes behalve de aantrekkelijkste hebben versmaad. Bij al wat wij van
-de gewoonten der dieren weten, is deze onderstelling echter niet zeer
-waarschijnlijk, daar het mannetje over het algemeen vurig met elk
-wijfje verlangt te paren. Het is waarschijnlijker, dat de aan beide
-seksen gemeen zijnde versierselen door ééne sekse, over het algemeen
-het mannetje, werden verkregen, en daarna op beide seksen werden
-overgeplant. Indien nochtans gedurende een lang tijdperk de mannetjes
-van de eene of andere soort de wijfjes sterk in aantal hadden
-overtroffen, en daarna gedurende een ander lang tijdperk onder
-verschillende omstandigheden het omgekeerde was geschied, zou er
-gemakkelijk een dubbel, maar niet gelijktijdig proces van seksueele
-teeltkeus plaats kunnen hebben gehad, waardoor de beide seksen zeer
-verschillend zouden kunnen zijn gemaakt.
-
-Wij zullen later zien, dat er vele dieren bestaan, bij welke geen van
-beide seksen prachtig gekleurd of van bijzondere versierselen is
-voorzien, en toch de leden van beide seksen, of van een enkele sekse
-waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. De afwezigheid
-van levendige kleuren of andere versierselen kan het gevolg daarvan
-zijn, dat zich nooit afwijkingen van de goede soort hebben voorgedaan,
-of dat de dieren zelf de voorkeur geven aan eenvoudige kleuren, zooals
-effen zwart of wit. Donkere kleuren zijn dikwijls door natuurlijke
-teeltkeus ter wille van de bescherming verkregen, en het verkrijgen van
-levendige kleuren door seksueele teeltkeus kan door het daardoor
-geloopen gevaar zijn tegengehouden. In andere gevallen hebben de
-mannetjes waarschijnlijk gedurende lange eeuwen met elkander gestreden,
-door ruwe kracht of door het pronken met hun bekoorlijkheden of door
-beide middelen tegelijk, en toch zal er geen uitwerking zijn
-voortgebracht, tenzij door de voorspoedigste mannetjes een grooter
-nakomelingschap werd nagelaten om hun meerdere voortreffelijkheid te
-erven, dan door de minder voorspoedige mannetjes, en dit hangt, gelijk
-vroeger is aangetoond, van verschillende ingewikkelde omstandigheden
-af.
-
-De seksueele teeltkeus werkt op minder strenge wijs dan de natuurlijke.
-Deze laatste brengt haar uitwerkselen voort door het leven of den dood
-op alle leeftijden van de meerder of minder voorspoedige individu’s.
-Nochtans is niet zelden de dood het gevolg van de gevechten tusschen
-mededingende mannetjes. Over het algemeen echter slaagt het minder
-voorspoedige mannetje er alleen niet in om een wijfje te verkrijgen, of
-verkrijgt eerst later in het jaargetijde een achterlijk en minder sterk
-wijfje, of, als hij in veelwijverij leeft, verkrijgt hij minder
-wijfjes, zoodat hij minder of zwakker of in het geheel geen
-nakomelingen achterlaat. Wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die
-door gewone of natuurlijke teeltkeus zijn verkregen, is er in de meeste
-gevallen, zoolang de levensvoorwaarden de zelfde blijven, een grens
-voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging met betrekking tot het
-eene of andere doel; maar wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die
-geschikt zijn om het eene mannetje overwinnaar van het andere te maken,
-hetzij in het gevecht of in het bekoren van het wijfje, is er geen
-bepaalde grens voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging, zoodat,
-zoolang zich geschikte variaties voordoen, de seksueele teeltkeus zal
-voortgaan te werken. Deze omstandigheid kan wellicht gedeeltelijk
-rekenschap geven van de veelvuldige en buitengewoon groote
-variabiliteit der secundaire seksueele kenmerken. Toch zal de
-natuurlijke teeltkeus veroorzaken, dat de overwinnende mannetjes geen
-dergelijke kenmerken kunnen verkrijgen, die voor hen in eenigszins
-groote mate nadeelig zouden zijn, hetzij omdat zij hun levenskrachten
-te veel uitputten, of hen aan het eene of andere groote gevaar
-blootstellen. De ontwikkeling van zekere deelen—bij voorbeeld van de
-horens van sommige soorten van herten—is echter tot een verwonderlijk
-uiterste gedreven; en in sommige gevallen tot een uiterste dat, voor
-zoover de algemeene levensvoorwaarden aangaat, eenigszins nadeelig voor
-het mannetje moet zijn. Wij leeren hieruit, dat de voordeelen die
-begunstigde mannetjes hebben verkregen door andere mannetjes in het
-gevecht of in de vrijage te overwinnen, op den langen duur grooter zijn
-geweest, dan die welke voortvloeiden uit iets betere geschiktheid voor
-de uitwendige levensvoorwaarden. Wij zullen later zien, en dit zou men
-nimmer vooruit hebben kunnen vermoeden, dat het vermogen om het wijfje
-te bekoren in eenige weinige gevallen belangrijker is geweest dan dat
-om andere mannetjes in het gevecht te overwinnen.
-
-
-
-
-
-WETTEN DER ERFELIJKHEID.
-
-Om te begrijpen hoe de seksueele teeltkeus gewerkt en in den loop der
-eeuwen in het oog loopende uitwerkselen op vele dieren van vele klassen
-heeft gehad, is het noodzakelijk, dat men zich steeds de wetten der
-erfelijkheid, voor zoover die bekend zijn, herinnert. Onder de
-uitdrukking „erfelijkheid” worden hier twee elementen omvat, namelijk
-de overplanting en de ontwikkeling van kenmerken, maar daar deze
-gewoonlijk te zamen gaan, wordt het onderscheid er tusschen dikwijls
-over het hoofd gezien. Wij zien dat onderscheid bij die kenmerken welke
-door de vroegste levensjaren heên worden overgeplant, maar zich slechts
-ontwikkelen op volwassen leeftijd of gedurende den ouderdom. Wij zien
-het zelfde onderscheid duidelijker bij secundaire seksueele kenmerken;
-want deze worden door beide seksen heên overgeplant, hoewel zij slechts
-bij de eene zijn ontwikkeld. Dat zij bij beide seksen aanwezig zijn,
-blijkt, wanneer twee soorten die sterk uitgesproken seksueele kenmerken
-bezitten, worden gekruist; want elk plant de kenmerken van zijn eigen
-mannetje en wijfje over op het bastaardkroost van de zelfde sekse. Het
-zelfde feit is eveneens duidelijk als kenmerken die aan het mannetje
-eigen zijn, nu en dan bij het wijfje tot ontwikkeling komen, wanneer
-dit oud of ziek wordt. Evenzoo komen nu en dan kenmerken voor, alsof
-zij van het mannetje op het wijfje overgeplant waren, zooals bij
-voorbeeld bij sommige hoenderrassen, bij welke geregeld sporen bij de
-jonge en gezonde wijfjes voorkomen; maar in waarheid zijn zij dan
-eenvoudig bij het wijfje tot ontwikkeling gekomen; want bij elk ras
-wordt elke bijzonderheid in het maaksel van de spoor door het wijfje op
-haar mannelijke nakomelingen overgeplant. In alle gevallen van atavisme
-worden kenmerken overgeplant door twee, drie of vele generaties heên en
-komen daarna onder zekere onbekende gunstige omstandigheden tot
-ontwikkeling. Dit belangrijk onderscheid tusschen overplanting en
-ontwikkeling zal het gemakkelijkst worden onthouden met behulp van de
-hypothese der pangenesis, hetzij die al of niet als waar wordt
-aangenomen. Volgens deze hypothese werpt elke eenheid of cel van het
-lichaam kiemen of onontwikkelde atomen af, die op de nakomelingen van
-beide seksen worden overgeplant en zich door zelfverdeeling
-vermenigvuldigen. Zij kunnen gedurende de vroegste levensjaren of
-gedurende opeenvolgende generaties onontwikkeld blijven, daar hun
-ontwikkeling tot eenheden of cellen, gelijk aan die waaruit zij
-ontstonden, afhangt van hun verwantschap tot, en vereeniging met andere
-eenheden of cellen, die zich te voren in de behoorlijke orde van groei
-hebben ontwikkeld.
-
-
-
-Overerving op overeenkomstige Levenstijdperken.—De neiging hiertoe is
-goed bewezen. Als een nieuw kenmerk bij een dier verschijnt terwijl het
-jong is, zal het, hetzij het levenslang blijft voortbestaan of slechts
-een tijd lang in stand blijft, als algemeene regel op den zelfden
-leeftijd en op de zelfde wijze bij de nakomelingen van het dier opnieuw
-verschijnen. Indien daarentegen een nieuw kenmerk op volwassen leeftijd
-of zelfs gedurende den ouderdom verschijnt, zal het bij de nakomelingen
-op den zelfden gevorderden leeftijd opnieuw verschijnen. Wanneer
-afwijkingen van dezen regel voorkomen, zullen de overgeplante kenmerken
-veel veelvuldiger verschijnen vóór, dan na den overeenkomstigen
-leeftijd. Daar ik dit onderwerp in een ander werk [561] uitvoerig
-genoeg heb besproken, zal ik hier slechts een of twee voorbeelden
-geven, om de zaak in het geheugen van den lezer terug te roepen. Bij
-verscheidene Hoenderrassen verschillen de kuikens terwijl zij nog met
-dons zijn bedekt, de jonge vogels in hun eerste ware gevederte en in
-het gevederte dat zij op volwassen leeftijd bezitten, zeer sterk van
-elkander en ook van hun gemeenschappelijken stamvorm, den Gallus
-bankiva; en deze kenmerken worden door elk ras getrouw op hun
-nakomelingen in het overeenkomstige levenstijdperk overgeplant. De
-kuikens van de Hamburger Pellen hebben, bij voorbeeld, terwijl zij nog
-met dons zijn bedekt, eenige weinige donkere vlekken op kop en romp,
-maar zijn niet overlangs gestreept, zooals vele andere rassen; in hun
-eerste ware gevederte „zijn zij fraai gepenseeld”, dat is, elke veder
-is geteekend met talrijke donkere dwarsstrepen; in hun tweede gevederte
-echter vertoonen alle vederen aan de punt een ronde donkere vlek. [562]
-Er hebben zich bij dit ras op drie verschillende leeftijden variaties
-voorgedaan en zijn op die zelfde leeftijden overgeplant. De Duif biedt
-een merkwaardiger geval aan, daar de oorspronkelijke stamsoort bij het
-klimmen harer jaren volstrekt geen verandering in haar gevederte
-ondergaat, behalve dat op volwassen leeftijd de borst meer iriseerend
-wordt, en er toch rassen zijn, die hun kenmerkende kleuren niet
-verkrijgen, voor zij twee-, drie- of viermaai hebben geruid; en deze
-wijzigingen van het gevederte worden geregeld overgeplant.
-
-
-
-Overerving op overeenkomstige Tijden van het Jaar.—Bij dieren in den
-natuurstaat komen tallooze voorbeelden voor van kenmerken die periodiek
-op verschillende tijden van het jaar verschijnen. Wij zien dit aan de
-horens van het hert en aan den pels der pooldieren, die gedurende den
-winter dik en wit wordt. Talrijke vogels krijgen alleen gedurende den
-paartijd levendige kleuren en andere versierselen. Ik kan op dezen vorm
-van erfelijkheid slechts weinig licht werpen door bij tamme dieren
-waargenomen feiten. Pallas [563] vermeldt, dat in Siberië het hoornvee
-en de paarden gedurende den winter periodiek lichter worden gekleurd en
-ik heb een dergelijke merkbare kleurverandering waargenomen bij zekere
-hitten in Engeland. Hoewel ik niet weet of deze neiging om gedurende
-verschillende tijden van het jaar een verschillende kleur van haar aan
-te nemen, erfelijk is, is dit toch waarschijnlijk; want alle
-verschillen van kleur zijn bij het paard in hooge mate erfelijk. Deze
-vorm van overerving, die tot één jaargetijde is beperkt, is daarenboven
-niet merkwaardiger dan overerving die tot een zekeren leeftijd of sekse
-is beperkt.
-
-
-
-Beperking der Overerving door de Sekse.—De gelijke overplanting van
-kenmerken op beide seksen is de meest gewone vorm van erfelijkheid, ten
-minste bij die dieren welke geen sterk uitgedrukte seksueele
-verschillen vertoonen, en inderdaad ook bij vele andere. Niet zelden
-echter worden kenmerken uitsluitend overgebracht op die sekse bij welke
-zij het eerst ontstonden. Tal van bewijzen hiervoor zijn opgesomd in
-mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik wil er
-hier echter eenige weinige voorbeelden van geven. Er zijn rassen van
-schapen of geiten, bij welke de horens van het mannetje in gedaante
-sterk afwijken van die van het wijfje; en deze gedurende de temming
-verkregen verschillen worden geregeld op de zelfde sekse overgeplant.
-Bij driekleurige katten zijn, als algemeene regel, slechts de wijfjes
-aldus gekleurd, terwijl de katers roestbruin zijn. Bij de meeste
-hoenderrassen worden de aan elke sekse eigen kenmerken alleen op die
-zelfde sekse overgeplant. Zoo algemeen is deze vorm van overplanting,
-dat het een anomalie is, wanneer wij bij sommige rassen afwijkingen
-gelijkelijk op beide seksen zien overgaan. Er zijn ook zekere
-onder-rassen van hoenders, bij welke de mannetjes nauwelijks van
-elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de wijfjes aanmerkelijk
-in kleur verschillen. Bij de duif verschillen de seksen van de
-stamsoort in geen enkel uitwendig kenmerk; desniettemin is bij sommige
-tamme rassen het mannetje anders gekleurd dan het wijfje. [564] De
-wrattige huid van den Engelschen Carrier en de krop van den kropper
-zijn bij het mannetje hooger ontwikkeld dan bij het wijfje, en hoewel
-deze kenmerken door lang voortgezette teeltkeus van den mensch zijn
-verkregen, is het verschil tusschen de seksen geheel te danken aan den
-vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden; want het is
-ontstaan, niet volgens, maar eer in tegenspraak met de begeerte van den
-fokker.
-
-De meeste onzer tamme rassen zijn gevormd door de opeenhooping van vele
-kleine variaties; en daar sommige achtereenvolgende wijzigingen alleen
-op ééne sekse zijn overgeplant en andere op beide seksen, vinden wij
-onder verschillende rassen van een zelfde soort alle overgangen
-tusschen groote seksueele ongelijkheid en volkomen gelijkheid. Hiervan
-zijn reeds voorbeelden gegeven bij de rassen van hoenders en duiven, en
-in den natuurstaat komen overeenkomstige gevallen dikwijls voor. Bij
-tamme dieren (maar, of dit ook in den natuurstaat wel plaats grijpt,
-durf ik niet zeggen) kan de eene sekse de haar eigen kenmerken
-verliezen en daardoor tot op zekere hoogte op de andere sekse gaan
-gelijken; zoo hebben, bij voorbeeld, de mannetjes van sommige
-hoenderrassen hun hanenvederen en kammen verloren. Omgekeerd kunnen ook
-de verschillen tusschen de seksen in tammen staat worden vermeerderd,
-zooals bij het merino-schaap, bij hetwelk de ooien haar horens hebben
-verloren. Verder kunnen kenmerken die aan de eene sekse eigen zijn,
-plotseling bij de andere verschijnen, gelijk bij die onder-rassen van
-hoenders, bij welke de hennen, terwijl ze jong zijn, sporen verkrijgen,
-of zooals bij sommige onder-rassen van Kuifhoenders, bij welke de
-wijfjes, gelijk er reden is om te gelooven, oorspronkelijk een kam
-verkregen en dien daarna op de mannetjes overbrachten. Al deze gevallen
-kunnen worden begrepen door de hypothese der pangenesis; want zij zijn
-daarvan afhankelijk, dat de kiemen van zekere eenheden (cellen) van het
-lichaam door den invloed der temming bij de eene sekse slapend (latent)
-worden; of, wanneer zij gewoonlijk slapend (latent) zijn, tot
-ontwikkeling komen.
-
-Er is ééne moeielijke vraag die het gepast zal zijn tot een volgend
-hoofdstuk uit te stellen; namelijk, of een kenmerk dat eerst bij beide
-seksen was ontwikkeld, door teeltkeus in zijn ontwikkeling alleen tot
-ééne sekse kan worden beperkt. Indien bij voorbeeld een duivenfokker
-opmerkte, dat sommige van zijn duiven (bij welke soort de kenmerken
-gewoonlijk in gelijke mate op beide seksen worden overgeplant) door een
-bleekblauwe kleur van de overige afweken, zou hij dan door lang
-voortgezette teeltkeus een ras kunnen vormen, bij hetwelk alleen de
-mannetjes die kleur vertoonden, terwijl de wijfjes onveranderd bleven?
-Ik zal hier alleen zeggen, dat dit, hoewel misschien niet onmogelijk,
-uiterst moeielijk zou zijn; want het natuurlijk gevolg van het fokken
-uit bleekblauwe mannetjes zou wezen om den geheelen stam, de eene sekse
-zoowel als de andere, die kleur te doen verkrijgen. Als zich echter
-variaties vertoonden, die de vereischte kleur bezaten, en deze van den
-beginne af in haar ontwikkeling tot de mannelijke sekse waren beperkt,
-zou het in het minst niet moeielijk zijn om een ras te vormen, dat door
-de verschillende kleur der beide seksen was gekenmerkt, zooals
-inderdaad is geschied met een Belgisch ras, bij hetwelk alleen de
-mannetjes zwarte strepen vertoonen. Op dergelijke wijze zou het, indien
-zich de eene of andere variatie voordeed in een vrouwelijke duif, die
-van den beginne af in haar ontwikkeling tot die sekse was beperkt,
-gemakkelijk zijn om een ras te vormen, bij hetwelk alleen de wijfjes
-dat kenmerk vertoonden; maar als de variatie oorspronkelijk niet op die
-wijze was beperkt, zou zulks een zeer moeielijk, wellicht onmogelijk
-werk zijn. [565]
-
-
-
-Over de Betrekking tusschen het tijdperk van Ontwikkeling van een
-Kenmerk en de overplanting daarvan op ééne sekse of op beide
-seksen.—Waarom zekere kenmerken door beide seksen en andere kenmerken
-slechts door ééne sekse worden overgeërfd, namelijk door die sekse bij
-welke het kenmerk het eerst verscheen, is in de meeste gevallen
-volkomen onbekend. Wij kunnen zelfs niet gissen, waarom bij zekere
-onder-rassen van duiven zwarte strepen, hoewel zij door het wijfje heên
-worden overgeplant, alleen bij het mannetje tot ontwikkeling komen,
-terwijl elk ander kenmerk in gelijke mate op beide seksen wordt
-overgebracht. Evenmin, waarom bij katten de driekleurigheid, op
-zeldzame uitzonderingen na, alleen bij het wijfje tot ontwikkeling
-komt. Geheel de zelfde kenmerken, zooals ontbrekende of overtallige
-vingers, kleurenblindheid enz., kunnen bij den mensch in de eene
-familie alleen door de mannen, en in de andere familie alleen door de
-vrouwen worden overgeërfd, hoewel zij in beide gevallen even goed door
-de tegenovergestelde als door de zelfde sekse op haar nakomelingen
-worden overgebracht. [566] Hoewel wij derhalve onwetend zijn, gaan twee
-regels door, namelijk dat variaties die zich bij ééne der beide seksen
-eerst op een laat levenstijdperk vertoonen, een neiging bezitten om
-alleen bij die zelfde sekse tot ontwikkeling te komen, terwijl
-variaties die reeds vroeg in het leven bij ééne der beide seksen voor
-het eerst verschijnen, een neiging bezitten om bij beide seksen tot
-ontwikkeling te komen. Ik ben echter ver van te onderstellen, dat dit
-de eenige bepalende oorzaak is. Daar ik elders dit onderwerp nog niet
-heb besproken, en het een belangrijke beteekenis heeft voor de
-seksueele teeltkeus, moet ik hier in tamelijk uitvoerige en eenigszins
-ingewikkelde bijzonderheden treden.
-
-Het is op zich zelf waarschijnlijk, dat een op vroegen leeftijd
-verschijnend kenmerk een neiging moet hebben om door beide seksen
-gelijkelijk te worden overgeërfd; want de seksen verschillen niet veel
-in gestel, voordat zij het vermogen om zich voort te planten hebben
-verkregen. Aan den anderen kant zullen, nadat dit vermogen is
-verkregen, en de seksen er toe zijn gekomen om in gestel te
-verschillen, de kiemen (als ik nogmaals de taal der pangenesis mag
-spreken) die door elk afwijkend deel bij de eene sekse worden
-afgeworpen, wel veel meer de geschikte verwantschappen bezitten om zich
-met de weefsels der zelfde sekse te vereenigen en zoo tot ontwikkeling
-te komen, dan om zich met die van de tegenovergestelde sekse te
-vereenigen.
-
-Ik werd er het eerst toe gebracht om te vermoeden, dat er een
-betrekking van dezen aard bestaat, door het feit, dat wanneer ook en op
-welke wijze ook het volwassen mannetje er toe is gekomen om van het
-volwassen wijfje te verschillen, het op de zelfde wijze van de jongen
-van beide seksen verschilt. De algemeenheid van dit feit is zeer
-opmerkelijk; het gaat door bij alle Zoogdieren, Vogels, Amphibieën en
-Visschen, ook bij vele Schaaldieren (Crustacea), Spinnen en bij eenige
-weinige Insekten, namelijk bij sommige Rechtvleugeligen (Orthophtera)
-en Waternimfen (Libellulae). In al deze gevallen moeten de variaties,
-door de opeenhooping waarvan het mannetje de hem eigen mannelijke
-kenmerken heeft verkregen, zich hebben vertoond in een eenigszins laat
-levenstijdperk; anders zouden de jonge mannetjes gelijksoortige
-kenmerken hebben verkregen; en overeenkomstig onzen regel worden zij
-alleen overgeplant op en ontwikkeld bij de volkomen mannetjes. Als
-daarentegen het volwassen mannetje veel op de jongen van beide seksen
-gelijkt (deze laatste komen op zeldzame uitzonderingen na met elkander
-overeen), gelijkt het over het algemeen ook op het volwassen wijfje; en
-in de meeste van deze gevallen ontstonden de variaties door welke de
-jongen en ouden hun tegenwoordige kenmerken verkregen, waarschijnlijk
-overeenkomstig onzen regel gedurende de jeugd. Er bestaat hier echter
-reden van twijfel, daar somtijds kenmerken op de jongen worden
-overgeplant op vroegeren leeftijd dan dien waarop zij zich het eerst
-bij de ouders vertoonden, zoodat de ouders wellicht zijn afgeweken toen
-zij volwassen waren, en hun kenmerken op hun kroost hebben overgeplant
-toen dat nog jong was. Er zijn daarenboven vele dieren bij welke de
-twee seksen sterk op elkander gelijken en beide toch van de jongen
-verschillen; hier moeten de kenmerken der volwassenen op lateren
-leeftijd zijn verkregen, en toch worden deze kenmerken, schijnbaar in
-tegenspraak met onzen regel, op beide seksen overgeplant. Wij moeten
-echter de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid niet voorbijzien,
-dat opeenvolgende variaties van den zelfden aard bij blootstelling aan
-gelijksoortige voorwaarden zich bij beide seksen tegelijkertijd
-vertoonden in een vrij laat levenstijdperk; en in dit geval zouden de
-variaties op de jongen van beiderlei seksen worden overgeplant in een
-overeenkomstig laat levenstijdperk, en zou er geen wezenlijke
-tegenspraak bestaan met onzen regel, dat variaties die zich in een laat
-levenstijdperk vertoonen, uitsluitend worden overgeplant op de sekse
-bij welke zij het eerst verschenen. Deze laatste regel schijnt meer
-algemeen door te gaan dan de tweede regel, namelijk dat variaties die
-zich bij ééne der beide seksen in een vroeg levenstijdperk vertoonen,
-een neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant. Daar het
-klaarblijkelijk onmogelijk was, zelfs bij schatting te bepalen, in hoe
-groot een aantal gevallen deze beide regels door het geheele dierenrijk
-heên doorgaan, kwam het mij in den zin eenige treffende of beslissende
-voorbeelden te onderzoeken, en mij op den uitslag te verlaten.
-
-Een uitnemend geval voor het onderzoek wordt opgeleverd door de familie
-der Herten. Bij alle soorten, ééne enkele uitgezonderd, zijn de horens
-alleen bij het mannetje ontwikkeld, hoewel zeker door het wijfje heên
-overgeplant, en vatbaar om nu en dan abnormaal bij haar te worden
-ontwikkeld. Bij het rendier daarentegen is het wijfje van horens
-voorzien, zoodat bij deze soort volgens onzen regel de horens vroeg in
-het leven behooren te verschijnen, lang voor de seksen volwassen
-geworden en er toe gekomen zijn om veel in gestel van elkander te
-verschillen. Bij alle andere soorten van herten behooren de horens in
-een laat levenstijdperk te verschijnen, hetgeen er toe leidt, dat zij
-alleen tot ontwikkeling komen bij die sekse bij welke zij onder de
-voorouders der geheele familie het eerst verschenen. Bij zeven soorten
-nu, tot verschillende afdeelingen van de familie behoorende en
-verschillende landen bewonende, vind ik, dat de horens het eerst
-verschijnen op tijdperken, afwisselende van negen maanden na de
-geboorte bij den reebok tot tien of twaalf of zelfs meer maanden bij de
-herten van de zes andere grootere soorten. [567] Bij het rendier echter
-is het een geheel ander geval; want, naar ik van Prof. Nilsson hoor,
-die zoo vriendelijk was voor mij een bijzonder onderzoek in Lapland in
-te stellen, verschijnen de horens bij de jonge dieren binnen vier of
-vijf weken na de geboorte en tegelijkertijd bij beide seksen. Wij
-hebben hier dus een deel, dat bij een enkele soort der familie op een
-buitengewoon vroegen leeftijd tot ontwikkeling komt, en ook alleen bij
-die ééne soort aan beide seksen gemeen is.
-
-Bij verscheidene soorten van Antilopen zijn alleen de mannetjes van
-horens voorzien, terwijl bij de meeste beide seksen horens hebben. Ten
-opzichte van het tijdperk van ontwikkeling meldt mij de heer Blyth, dat
-er in den Londenschen dierentuin tegelijkertijd een jonge koedoe
-(Antilope strepsiceros), bij welke soort alleen de mannetjes gehorend
-zijn, en de jongen van een verwante soort leefden, namelijk van de
-eland-antilope (Ant. oreas), bij welke beide seksen gehorend zijn. In
-volkomen overeenstemming met onzen regel nu, waren bij den jongen
-mannelijken koedoe, hoewel hij reeds tien maanden oud was, de horens
-opmerkelijk klein, in vergelijking met de grootte die zij ten laatste
-bereiken; terwijl bij den jongen mannelijken eland, hoewel nog slechts
-drie maanden oud, de horens reeds veel grooter dan bij den koedoe
-waren. Het is ook opmerkenswaardig, dat bij de antilope met gevorkte
-horens [568], bij welke soort de horens, hoewel bij beide seksen
-aanwezig, bij het wijfje bijna rudimentair zijn, zij niet verschijnen
-voor vijf of zes maanden na de geboorte. Bij de schapen, de geiten en
-het hoornvee, waarbij de horens, bij beide seksen goed ontwikkeld,
-hoewel niet volkomen even groot zijn, kan men ze bij de geboorte of
-spoedig daarna voelen of zelfs zien. [569] Onze regel gaat echter mank
-bij sommige onder-rassen van schapen, b.v. merino’s, bij welke alleen
-de mannetjes gehorend zijn; want na onderzoek [570] kan ik niet
-bevinden, dat de horens bij dit ras in een later tijdperk van het leven
-tot ontwikkeling komen dan bij gewone schapen, bij welke beide seksen
-gehorend zijn. Bij het tamme schaap is echter de aanwezigheid of
-afwezigheid van horens geen zeer standvastig kenmerk, daar een zeker
-aantal ooien van merino-schapen kleine horens dragen en enkele rammen
-ongehorend zijn, terwijl bij gewone schapen nu en dan ongehorende ooien
-worden voortgebracht. (3)
-
-Dr. W. Marshall heeft voor eenige jaren een bijzondere studie gemaakt
-van de uitwassen die op de koppen van vogels zoo algemeen zijn [571],
-en hij komt tot het volgende besluit: bij die soorten waarbij zij tot
-de mannetjes beperkt zijn, komen zij laat in het leven tot
-ontwikkeling, terwijl zij bij die soorten bij welke zij aan beide
-seksen gemeen zijn, op zeer jeugdigen leeftijd tot ontwikkeling komen.
-Dit is zeker een treffende bevestiging van mijn beide wetten der
-erfelijkheid.
-
-Bij de meeste soorten van de prachtige familie der Fazanten verschillen
-de mannetjes in het oog vallend van de wijfjes en verkrijgen zij hun
-versierselen in een vrij laat tijdperk van het leven. De geoorde fazant
-(Crossoptilon auritum) maakt hierop echter een merkwaardige
-uitzondering, want beide seksen bezitten de schoone staartvederen, de
-groote vederbossen op de ooren en het fluweelachtige karmozijn op den
-kop; en ik bevind na onderzoek in den Londenschen dierentuin, dat al
-deze kenmerken zich, overeenkomstig onzen regel, zeer vroeg in het
-leven vertoonen. Het volwassen mannetje kan echter door één kenmerk van
-het volwassen wijfje worden onderscheiden, namelijk door de
-aanwezigheid van sporen en overeenkomstig onzen regel beginnen deze
-zich, naar de heer Bartlett mij mededeelt, niet te ontwikkelen voor den
-leeftijd van zes maanden, en zelfs op dien leeftijd kan men te dien
-opzichte nauwelijks onderscheid tusschen de beide seksen zien. [572] De
-pauw en de pauwin verschillen in het oog loopend van elkander in bijna
-elk deel van hun gevederte, behalve in de sierlijke kuif, die aan beide
-seksen gemeen is; en deze ontwikkelt zich op zeer jongen leeftijd, lang
-voor de andere versierselen, die tot het mannetje zijn beperkt. De
-wilde eend levert een overeenkomstig geval op; want de fraaie, groene
-spiegelvlek op de vleugels is aan beide seksen gemeen, hoewel zij bij
-het wijfje doffer en iets kleiner is, en zij ontwikkelt zich op jongen
-leeftijd, terwijl de gekrulde staartvederen en andere blonder aan het
-mannetje eigen versierselen zich later ontwikkelen. [573] Men zou vele
-gevallen kunnen opnoemen, die tusschen de beide uitersten van groote
-overeenkomst en sterke ongelijkheid van de seksen, zooals die van den
-geoorden fazant en den pauw, inliggen, en in welke de kenmerken in de
-orde van hun ontwikkeling onze beide regels volgen.
-
-Daar de meeste Insekten in volwassen toestand uit de pop te voorschijn
-komen, is het twijfelachtig of het tijdperk van ontwikkeling de
-overplanting hunner kenmerken op ééne of op beide seksen bepaalt. Wij
-weten echter niet, of, bij voorbeeld, de gekleurde schubben van twee
-soorten van kapellen, bij de eene waarvan de seksen in kleur
-verschillen, terwijl zij bij de andere gelijk gekleurd zijn, op den
-zelfden betrekkelijken leeftijd in de pop worden gevormd. Wij weten ook
-niet, of al de schubben zich tegelijkertijd ontwikkelen op de vleugels
-van de zelfde soort van kapel, bij welke zekere gekleurde teekeningen
-tot de eene sekse beperkt, en andere teekeningen aan beide seksen
-gemeen zijn. Een verschil van dezen aard in het tijdperk van
-ontwikkeling is niet zoo onwaarschijnlijk als het op het eerste gezicht
-wel schijnt; want bij de Rechtvleugeligen (Orthoptera) die zich tot
-volkomen insekten ontwikkelen, niet door een enkele
-gedaanteverwisseling, maar door opeenvolgende vervellingen, gelijken de
-jonge mannetjes van eenige soorten eerst op de wijfjes en verkrijgen
-hun onderscheidende mannelijke kenmerken eerst bij een latere
-vervelling. Volkomen overeenkomstige gevallen komen voor gedurende de
-opeenvolgende vervellingen van zekere mannelijke Schaaldieren
-(Crustacea).
-
-Wij hebben tot dusverre de overplanting van kenmerken, met betrekking
-tot het tijdperk hunner ontwikkeling, alleen beschouwd hij soorten in
-den natuurstaat; wij zullen nu tot tamme dieren overgaan en eerst
-monstruositeiten en ziekten beschouwen. De aanwezigheid van overtallige
-vingers en het ontbreken van zekere kootjes moet in een vroeg
-embryonaal tijdperk worden bepaald—de neiging tot overmatige bloeding
-is op zijn minst aangeboren (congenitaal) en evenzoo is het
-waarschijnlijk met kleurenblindheid,—toch zijn deze en andere
-dergelijke bijzonderheden dikwijls in haar overplanting tot ééne sekse
-beperkt, zoodat de regel, dat kenmerken die zich op een vroeg tijdperk
-ontwikkelen, neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant,
-hier volstrekt niet doorgaat. Deze regel schijnt echter, gelijk vroeger
-is opgemerkt, lang zoo algemeen niet steek te houden als de omgekeerde
-stelling, namelijk dat kenmerken die zich bij ééne sekse laat in het
-leven vertoonen, in hun overplanting tot die zelfde sekse zijn beperkt.
-Uit het feit, dat de bovengenoemde abnormale bijzonderheden zich
-uitsluitend bij ééne sekse vertoonen, lang voor de seksueele functies
-in werking treden, mogen wij afleiden dat er op uiterst jeugdigen
-leeftijd reeds een zekere mate van verschil tusschen de seksen moet
-bestaan. Ten opzichte van tot ééne sekse beperkte ziekten weten wij te
-weinig van het tijdperk waarop zij ontstaan, om daaruit met eenige
-zekerheid gevolgtrekkingen te kunnen maken. De jicht schijnt echter aan
-onzen regel te gehoorzamen; want zij wordt gewoonlijk veroorzaakt door
-onmatigheid na de vroege jeugd en wordt door den vader op veel sterker
-uitgedrukte wijze op zijn zonen dan op zijn dochters overgeplant.
-
-Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee
-verschillen de mannetjes van hun respectieve wijfjes in den vorm of de
-ontwikkeling van hun horens, voorhoofd, manen, kossem, staart en bult
-op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen zich overeenkomstig
-onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen de
-seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen
-hertenhond, het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is;
-en, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen zien, begint het
-mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven in grootte toe te
-nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn
-meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt
-overgebracht. De driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de
-vrouwelijke katten is beperkt, is bij de geboorte volkomen te
-onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel. Er is een
-duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die
-strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij
-worden bij elke opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit
-gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk in overeenstemming met
-onzen regel is. Bij den Engelschen Carrier en Kropper heeft de volkomen
-ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat in het leven
-plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in
-volkomen ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De
-volgende gevallen behooren wellicht tot de klasse, waarop vroeger is
-gezinspeeld, bij welke beide seksen op de zelfde wijze hebben
-gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun nieuwe
-kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben
-overgeplant; en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet
-met onzen regel. Zoo zijn er onder-rassen van duiven door Neumeister
-beschreven [574], bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee-
-of driemaal te hebben geruid, zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet;
-hoewel deze veranderingen vrij laat in het leven plaats hebben, zijn
-zij toch aan beide seksen gemeen. Ééne variëteit van den kanarievogel,
-namelijk de „London Prize”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.
-
-Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken
-door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden
-bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo
-verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij
-sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort
-afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen
-kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij
-de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken,
-zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit
-maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op
-jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit
-bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van
-beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er
-in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de
-overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele
-natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de
-wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige
-onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte
-strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de
-zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen
-is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen
-zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt.
-Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de
-beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander
-dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun
-eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben
-duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere
-kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde
-stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel
-ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt
-deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge
-daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de
-Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk
-jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven;
-en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen,
-wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in
-afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders
-ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif
-draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en
-de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam
-[575]; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den
-schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.
-
-
-
-Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij
-vele natuurlijke soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk
-van de ontwikkeling hunner kenmerken en de wijze van overplanting
-daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen groei der
-horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in
-vergelijking van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke
-alleen het mannetje horens draagt—ten eerste besluiten, dat ééne
-oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen door ééne sekse
-overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op laten
-leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder
-werkzame oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van
-kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer
-de seksen slechts weinig in gestel verschillen. Het schijnt echter, dat
-er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende een
-vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in
-dien tijd ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.
-
-
-
-Overzicht en Slotopmerkingen.—Uit de voorgaande bespreking van de
-verschillende wetten van de erfelijkheid zien wij, dat kenmerken
-dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen
-bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde
-jaargetijde, waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders
-hebben vertoond. Deze wetten zijn echter, wegens onbekende oorzaken,
-zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende trappen in de
-wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende
-wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden
-overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op
-één leeftijd, en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der
-erfelijkheid zijn uiterst ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken
-die de variabiliteit teweegbrengen en besturen. De aldus veroorzaakte
-variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus, die
-op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van
-de vurigheid in de liefde, van den moed en de mededinging der
-mannetjes, en van de waarnemingsvermogens, den smaak en den wil van het
-wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke teeltkeus
-worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort. Het kan
-daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide
-worden aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate
-ingewikkeld zijn.
-
-Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de
-zelfde sekse op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de
-andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze onveranderd. Als zij zich
-laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den zelfden
-leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd.
-Variaties kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne
-sekse of bij beide vertoonen en op beide seksen op alle leeftijden
-worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s der soort op
-gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal
-men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen.
-
-De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den
-leeftijd heeft bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten.
-Wegens de groote vurigheid van het mannetje heeft zij over het algemeen
-op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt. De mannetjes zijn op die
-wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden, of met
-organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar
-op te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten
-verschillen, is het ook, gelijk wij hebben gezien, een uiterst
-algemeene wet, dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate
-van het jonge mannetje verschilt; en wij mogen uit dit feit besluiten,
-dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen mannetje is
-gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan
-op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of
-vele der variaties zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen
-de jonge mannetjes in meerdere of mindere mate deelen in de kenmerken
-der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen de oude en
-de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld
-bij vogels.
-
-Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging
-hebben bezeten om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op
-jongen leeftijd geen nut zou hebben aangebracht, maar werkelijk
-schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in het verkrijgen van
-levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben
-doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun
-ontwikkeling veel levenskracht zouden hebben verbruikt. Als variaties
-van deze soort zich bij de jonge mannetjes voordeden, zullen zij bijna
-zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd. Bij de volwassen
-en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het
-voordeel, door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun
-medeminnaars verworven, dikwijls meer dan opgewogen hebben tegen het
-blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.
-
-Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een
-meerderheid gaven over andere mannetjes in het gevecht, of in het
-vinden, vasthouden of bekoren van de andere sekse, als zij toevallig
-bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst zouden zijn, zullen zij
-bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn. Wij hebben
-voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard
-spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als
-zij niet zorgvuldig voor de voortplanting worden uitgezocht. Derhalve
-zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij
-eens bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te
-gaan; en de wijfjes zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd
-worden gelaten, behalve in zoover zij van de mannetjes door
-overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden en haar
-nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse
-overbrachten, zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes
-voordeelig waren, door de seksueele teeltkeus worden bewaard, hoewel
-zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval zouden beide
-seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze
-meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.
-
-Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne
-sekse werden overgeplant, hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit,
-en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus, in verband met de
-voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een
-onverklaarbaar feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn
-opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus, in verband met de gewone
-levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen dikwijls
-verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of
-aan gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna
-andere voorbeelden van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze
-soort tusschen de beide seksen bestaan, voornamelijk bij de lagere
-dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam. Wij moeten
-echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het
-algemeen de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de
-mannetjes varieerden op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te
-verschaffen enz. vermeerderde en dergelijke variaties alleen op hun
-mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden deze een organisatie
-verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter
-waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel
-hadden en aan de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of
-later op de zelfde wijze zouden varieeren; en zoodra dit gebeurde,
-zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus bij beide seksen
-gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander
-gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die
-door de seksueele teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der
-beide seksen met betrekking tot de voortplantingsfuncties zijn niet de
-zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen die voor de eene sekse
-nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige
-wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij
-deze laatste bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.
-
-In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire
-seksueele kenmerken bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval
-de in dit hoofdstuk uiteengezette beginselen trachten toe te passen. De
-laagste klassen zullen ons slechts zeer korten tijd bezig houden; maar
-de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig worden
-behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde
-redenen, mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden
-te geven van de tallooze inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje
-het wijfje vindt, of als hij haar heeft gevonden, vasthoudt.
-Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor het
-mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of
-opwekt, uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de
-meest belangwekkende zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIJVOEGSEL OVER DE VERHOUDING TUSSCHEN HET AANTAL INDIVIDU’S VAN
-BEIDERLEI SEKSE BIJ TOT VERSCHILLENDE KLASSEN BEHOORENDE DIEREN.
-
-
-Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan
-de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door
-het geheele dierenrijk heên, zal ik hier die bouwstoffen daartoe
-mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen, hoewel zij uiterst
-onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden van
-werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de
-verhoudingen op groote schaal alleen in het geval van den mensch met
-zekerheid bekend zijn, wil ik die eerst geven, als maatstaf van
-vergelijking.
-
-
-
-De Mensch.—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866)
-jaarlijks gemiddeld 707120 kinderen levend geboren, in de verhouding
-van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In 1857 stonden echter de
-mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland gerekend,
-als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten
-beschouwende, was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000
-kinderen worden geboren), de gemiddelde verhouding van de mannelijke
-tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele tijdperk der
-bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales
-(waar jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van
-106.2 tot 100 bereikte; een kleiner district nemende namelijk
-Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld 739 geboorten plaats
-grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als
-114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district
-was het gemiddelde van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien
-jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de zelfde verhouding als over geheel
-Engeland. [576] De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken
-eenigermate gewijzigd; zoo getuigt Prof. Faye, „dat er in sommige
-districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van tien jaren een
-voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken
-het tegenovergestelde verschijnsel voordeed.” In Frankrijk stonden
-gedurende vier-en-veertig jaren de mannelijke geboorten tot de
-vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende dit tijdvak is het in één
-departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat de vrouwelijke
-geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de
-gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100. [577] Te
-Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100.
-[578] Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks
-zeventig millioen geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen
-is bij blanke kinderen, aan de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal
-jongens zoo gering, dat gedurende een reeks van jaren van 90 tot 99
-jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is een vreemd feit, dat bij
-de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke
-stellig hooger is dan bij de Christenen (4); zoo is in Pruisen de
-verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120 tot 100;
-terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding
-vertoonen als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 100 [579]. Het is
-een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder
-verschillende omstandigheden en luchtstreken, in Napels, Pruisen,
-Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat van de mannelijke over
-de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan wanneer
-zij wettig zijn.
-
-In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en
-andere schrijvers, „een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien
-de dood beide seksen in gelijke verhouding trof in de baarmoeder en
-gedurende de geboorte. Het is echter een feit, dat in onderscheidene
-landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren
-jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste
-levensjaren meer jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij
-voorbeeld gedurende het eerste levensjaar 126 jongens tegen 100
-meisjes,—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is. [580] Dr.
-Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens
-veelvuldiger gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds
-vroeger gezien, dat de mannelijke sekse meer variabel van maaksel is
-dan de vrouwelijke, en variaties in belangrijke organen zullen over het
-algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het lichaam, en vooral van
-het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke is,
-is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te
-worden beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen
-onder de jongens talrijker en hebben, gelijk een hoogst bevoegd
-beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt [581], jongens dikwijls nog
-eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten gevolge
-van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de
-geboorte als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan
-verschillende gevaren zijn blootgesteld en meer neiging tot
-landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van ouds bewoonde landen
-waar statistieke opteekeningen zijn gedaan [582], aanmerkelijk
-talrijker dan de mannen. (5)
-
-Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in
-verschillende landen onder verschillende toestanden en klimaten, in
-Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland, Frankrijk, Engeland en de
-Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten over de
-vrouwelijke kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig
-zijn. [583] Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende
-wijzen verklaard, zooals omdat de moeders over het algemeen jong zijn,
-dat het grootendeels de eerste kinderen zijn die zij krijgen, enz. Doch
-wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere afmeting van hun
-hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders van
-onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan
-andere vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar
-zwangerschap te verbergen door zich sterk te rijgen, harden arbeid,
-wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten naar verhouding meer
-lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken,
-waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren
-kinderen kleiner is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de
-meeste dieren is de oorzaak dat het volwassen mannetje grooter dan het
-wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere mannetjes de zwakkere hebben
-overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje, en
-ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten
-minste van eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo
-hebben wij hier het merkwaardige feit, dat wij de grootere sterfte
-onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen, vooral onder de
-onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen
-toeschrijven.
-
-Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders
-de sekse der kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart [584] heeft zijns
-inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en
-zekere tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor
-daartoe is. Evenzoo dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting
-de daarbij werkzame oorzaak was; doch onlangs gedane waarnemingen
-strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld, dat bij den
-mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van
-een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell [585]
-gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt
-tot het besluit, dat de verhouding tusschen mannelijke en vrouwelijke
-geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen.
-(6) Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam)
-gemaakt als onze Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien,
-dat hun mannelijk en vrouwelijk kroost in aantal bijna geheel gelijk
-is.
-
-
-
-Paarden.—De heer Tegetmeier is zoo vriendelijk geweest uit de „Racing
-Calendar” voor mij een tabel te maken van de geboorten van renpaarden
-gedurende een tijdvak van één-en-twintig jaren, namelijk van 1846 tot
-1867; waarbij 1849 is overgeslagen, daar dat jaar het bedrag er van
-niet publiek is gemaakt. Het totaal aantal geboorten is 25,560 [586]
-geweest, bestaande uit 12763 hengstveulens en 12797 merrieveulens, of
-in de verhouding van 99.7 hengstveulens tegen 100 merrieveulens. Daar
-deze getallen tamelijk groot zijn, en daar zij zijn getrokken uit alle
-deelen van Engeland, gedurende verscheidene jaren, mogen wij met veel
-vertrouwen besluiten, dat bij het tamme paard, of ten minste bij het
-renpaard, de beide seksen in bijna gelijk aantal worden voortgebracht.
-De afwisselingen in de verhoudingen gedurende opeenvolgende jaren
-naderen zeer tot die welke bij den mensch plaats grijpen, als men een
-klein en dun bevolkt gebied beschouwt; zoo stonden in 1856 de
-hengstveulens tot de merrieveulens als 107.1, en in 1867 als slechts
-92.6 tot 100. Op de tabellen van het bedrag der geboorten wisselen de
-verhoudingen volgens vaste tijdperken af; want de hengstveulens
-overtroffen de merrieveulens in aantal gedurende zes achtereenvolgende
-jaren; en de merrieveulens overtroffen de hengstveulens in aantal
-gedurende twee tijdperken, elk van vier jaren; dit is echter wellicht
-slechts toevallig; ik kan ten minste niets van dezen aard ontdekken bij
-den mensch in de tienjarige tabel in het „Registrar’s Report” voor
-1866. Ik mag er bijvoegen, dat zekere merries, en dit is ook het geval
-bij zekere koeien en vrouwen, een neiging bezitten om meer jongen van
-de eene sekse voort te brengen dan van de andere; de heer Wright van
-Yeldersley House meldt mij, dat ééne van zijn Arabische merries, hoewel
-zeven malen door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens
-wierp.
-
-
-
-Honden.—Gedurende een tijdvak van twaalf jaren, van 1857 tot 1868, zijn
-de geboorteopgaven van een aanzienlijk aantal windhonden, door geheel
-Engeland heên, aan de „Field” courant gezonden; en ik ben wederom aan
-den heer Tegetmeier zorgvuldig bewerkte tabellen van den uitslag
-verschuldigd. De opgeteekende geboorten waren ten getale van 6878,
-bestaande uit 3605 reuen en 3273 teven, dat is in verhouding van 110.1
-reuen tegen 100 teven. De grootste afwisselingen hadden in 1864 plaats,
-toen de verhouding als 95.3 reuen, en in 1867, toen zij als 116.3 reuen
-tegen 100 teven was. De bovenvermelde gemiddelde verhouding 110.1 tot
-100 is waarschijnlijk bijna nauwkeurig in het geval van den windhond;
-maar of zij steek zou houden bij andere tamme rassen, is eenigermate
-twijfelachtig. De heer Cupples heeft onderzoek gedaan bij
-onderscheidene groote hondenfokkers en vindt, dat allen zonder
-uitzondering gelooven, dat er teven in overmaat worden geboren; hij
-oppert de meening, dat dit geloof wellicht kan zijn ontstaan, doordat
-teven minder waarde hebben, en doordat de daardoor teweeggebrachte
-teleurstelling een sterkeren indruk op den geest maakt.
-
-
-
-Schapen.—De sekse der schapen wordt door de landbouwers niet
-onderzocht, dan verscheidene maanden na de geboorte, op het tijdstip,
-dat de rammen worden gesneden (gecastreerd); zoodat de hier volgende
-getallen niet de verhoudingen bij de geboorte geven. Ik vind
-daarenboven, dat verscheidene groote veefokkers in Schotland, die
-jaarlijks eenige duizenden schapen aanfokken, vast overtuigd zijn, dat
-er gedurende de eerste een of twee jaar meer rammen dan ooien sterven;
-de verhouding der rammen zou dus bij de geboorte iets grooter zijn, dan
-op den leeftijd der snijding (castratie). Dit is een merkwaardiger
-overeenkomst met hetgeen, zooals wij hebben gezien, bij den mensch
-gebeurt, en beide gevallen hangen waarschijnlijk van de eene of andere
-gemeenschappelijke oorzaak af. Ik heb opgaven ontvangen van vier heeren
-in Engeland, die gedurende de laatste tien of zestien jaar laaglandsche
-schapen, voornamelijk Leicester-schapen, hebben aangefokt; het
-gezamenlijk bedrag der geboorten klimt tot 8965, bestaande uit 4407
-rammen en 4558 ooien, dat is in de verhouding van 96.7 rammen tot 100
-ooien. Ten opzichten van Cheviot- en zwartsnoetige schapen, in
-Schotland aangefokt, ontving ik opgaven van zes fokkers, twee daarvan
-op groote schaal, voornamelijk voor de jaren 1867–1869, maar sommige
-opgaven klommen op tot 1862. Het totale opgeteekende aantal klimt tot
-50685, bestaande uit 25071 rammen en 25614 ooien, dat is in de
-verhouding van 97.9 rammen tot 100 ooien. Indien wij de Engelsche en
-Schotsche opgaven te zamen nemen, klimt het totale aantal tot 59650,
-bestaande uit 29478 rammen en 30172 ooien, of als 97.7 tot 100, zoodat
-het zeker is, dat bij schapen op den leeftijd der snijding (castratie)
-de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen; maar of dit ook zou
-doorgaan bij de geboorte, is twijfelachtig, ten gevolge van het meer
-onderhevig zijn der mannetjes aan een vroegen dood. [587]
-
-
-
-Hoornvee.—Hieromtrent ontving ik opgaven van negen heeren van 982
-geboorten, te weinig om vertrouwen te verdienen; deze bestonden uit 477
-stierkalveren en 505 koekalveren, d.i. in de verhouding van 94.4
-stierkalveren tot 100 koekalveren. De weleerw. heer W. D. Fox meldt
-mij, dat in 1867 van 34 kalveren die op ééne hoeve in Derbyshire werden
-geboren, slechts één een stier was.
-
-
-
-Varkens.—De heer Harrison Weir schrijft mij, dat hij bij verscheidene
-varkensfokkers onderzoek heeft gedaan, en de meesten daarvan schatten,
-dat de geboorten van beeren tot die van zeugen ongeveer staan als 7 tot
-6.
-
-
-
-Konijnen.—De zelfde heer heeft voor vele jaren konijnen gefokt en heeft
-opgeteekend, dat er een veel grooter aantal rekels dan voedsters worden
-geboren.
-
-
-
-Zoogdieren in den natuurstaat.—Omtrent deze heb ik slechts zeer weinig
-kunnen te weten komen. Omtrent de gewone Rat heb ik tegenstrijdige
-mededeelingen ontvangen. De heer R. Elliot van Laighwood meldt mij, dat
-een rattenvanger hem heeft verzekerd, dat hij altijd een groote
-overmaat van mannetjes had gevonden, zelfs bij de jongen in het nest.
-Ten gevolge daarvan onderzocht de heer Elliot zelf later eenige
-honderden oude ratten en vond die mededeeling bevestigd.
-
-De heer F. Buckland heeft een groot aantal witte ratten aangefokt, en
-ook hij gelooft, dat de mannetjes de wijfjes verreweg in aantal
-overtreffen. Wat Mollen aangaat, wordt gezegd, dat „de mannetjes veel
-talrijker zijn dan de wijfjes” [588]; en daar het vangen van deze
-dieren een bijzonder beroep is, kan men deze getuigenis wellicht
-vertrouwen. Sir A. Smith merkt, een antilope van Zuid-Afrika [589]
-(Kobus ellipsiprymnus) beschrijvende, op, dat bij de kudden van deze en
-andere soorten de mannetjes gering in aantal zijn in vergelijking van
-de wijfjes; de inboorlingen gelooven, dat zij in die verhouding worden
-geboren; anderen gelooven, dat de jongere mannetjes uit de kudden
-worden verdreven, en Sir A. Smith zegt, dat, hoewel hij zelf nooit
-kudden heeft gezien die alleen uit jonge mannetjes bestonden, anderen
-hem verzekeren, dat dit wel voorkomt. Waarschijnlijk zullen de jonge
-mannetjes, als zij uit de kudde worden verdreven, zeer zijn
-blootgesteld om de prooi te worden van de vele roofdieren van dat land.
-
-
-
-
-
-VOGELS.
-
-Omtrent Hoenders heb ik slechts ééne opgaaf ontvangen, namelijk dat van
-1001 kuikens van een aan sterke familieparing onderworpen familie
-Cochinchina-hoenders, gedurende acht jaren door den heer Stretch
-opgekweekt, 487 hanen en 514 hennen bleken te zijn, zoodat de
-verhouding 94.7 tot 100 was. Omtrent tamme Duiven bestaan er goede
-bewijzen, dat er mannetjes in overmaat worden geboren, of dat zij
-langer leven; want deze vogels leven zonder uitzondering paarsgewijze,
-en afzonderlijke mannetjes kunnen, naar de heer Tegetmeier mij meldt,
-altijd goedkooper worden gekocht dan wijfjes. Gewoonlijk bestaan de
-beide vogels, opgekweekt uit de twee in het zelfde nest gelegde eieren,
-uit een mannetje en een wijfje; doch de heer Harrison Weir, die zulk
-een groot duivenfokker was, zegt, dat hij dikwijls twee doffers heeft
-opgekweekt uit het zelfde nest, en zelden twee vrouwelijke duiven;
-daarenboven is het wijfje de zwakste van de twee, en aan grootere
-sterfte onderhevig.
-
-Wat Vogels in den natuurstaat aangaat, zijn de heer Gould en anderen
-[590] overtuigd, dat de mannetjes over het algemeen het talrijkst zijn;
-en daar de jonge mannetjes van vele soorten op de wijfjes gelijken,
-zouden deze laatste natuurlijk het talrijkst schijnen. Een groot aantal
-Fazanten worden door den heer Baker van Leadenhall aangekweekt uit door
-wilde vogels gelegde eieren, en hij meldt den heer Jenner Weir, dat er
-gewoonlijk vier of vijf hanen tegen ééne hen worden voortgebracht. Een
-ondervindingrijk waarnemer merkt op [591], dat in Scandinavië de
-broedsels van het Auerhoen en het Korhoen meer hanen dan hennen
-bevatten; en dat bij de „Dal-ripa” (een soort van Sneeuwhoen) (7) meer
-hanen dan hennen op de „lek” of plaatsen waar zij elkander het hof
-maken, tegenwoordig zijn; maar deze laatste omstandigheid wordt door
-sommige waarnemers verklaard doordat een grooter aantal hennen door het
-ongedierte worden gedood. Uit verschillende door White van Seborne
-[592] medegedeelde feiten schijnt het duidelijk, dat in het zuiden van
-Engeland bij de Patrijzen een groote overmaat van mannetjes moet
-bestaan; en men heeft mij verzekerd, dat dit ook in Schotland het geval
-was. Toen de heer Weir onderzoek deed bij de kooplieden, die in zekere
-tijden van het jaar een groot aantal Kemphanen (Machetes pugnax)
-ontvangen, verhaalde men hem, dat de mannetjes verreweg het talrijkst
-zijn. De zelfde natuuronderzoeker heeft ook voor mij een onderzoek
-ingesteld bij de vogelvangers, die jaarlijks een verbazend groot aantal
-verschillende kleine vogels levend vangen voor de Londensche markt, en
-een oud en geloofwaardig man antwoordde hem zonder aarzeling, dat er
-bij den gewonen Vink een groote overmaat van mannetjes bestond; hij
-dacht, dat er wel 2 mannetjes tegen 1 wijfje, of minstens 5 mannetjes
-tegen drie wijfjes waren. [593] Ook bij de Merel of Zwarte Lijster
-beweerde hij, dat de mannetjes verreweg het talrijkst waren, als men ze
-met strikken of des nachts met netten ving. Deze getuigenissen
-verdienen blijkbaar vertrouwen, daar de zelfde man zeide, dat de seksen
-ongeveer even talrijk zijn bij den Leeuwerik, het Barmsijsje (Linaria
-montana) en den Distelvink. Hij is daarentegen zeker, dat er bij het
-gewone Kneutje een groote overmaat van wijfjes is, ofschoon ongelijk in
-verschillende jaren; in eenige jaren heeft hij gevonden, dat de wijfjes
-tot de mannetjes stonden als vier tot een. Men bedenke echter steeds,
-dat het voornaamste jaargetijde om vogels te vangen niet voor September
-begint, zoodat bij sommige soorten gedeeltelijke verhuizingen kunnen
-zijn begonnen, en de vluchten op dien tijd dikwijls alleen uit wijfjes
-bestaan. De heer Salvin vestigde zijn aandacht bijzonder op de sekse
-van de Kolibri’s in Midden-Amerika, en hij is overtuigd, dat er bij de
-meeste soorten een overmaat van mannetjes is; zoo verschafte hij zich
-in één jaar 204 voorwerpen, tot 10 soorten behoorende, en daarvan waren
-166 mannetjes en 38 wijfjes. Bij twee andere soorten was er een
-overmaat van wijfjes, doch de verhoudingen wisselden blijkbaar af;
-hetzij in verschillende jaargetijden of op verschillende plaatsen; want
-bij ééne gelegenheid stonden de mannetjes van Campylopterus
-hemileucurus tot de wijfjes als vijf tot twee, en bij een andere
-gelegenheid [594] was de verhouding juist omgekeerd. In verband met dit
-laatste punt kan ik er bijvoegen, dat de heer Powys bevond dat op Corfu
-en in Epirus de beide seksen van den vink afzonderlijk leven, „en de
-wijfjes verreweg het talrijkst zijn”; terwijl de heer Tristram bevond,
-dat in Palaestina „de vluchten mannelijke vinken die van vrouwelijke
-verreweg in aantal schijnen te overtreffen.” [595] Evenzoo zegt de heer
-G. Taylor [596] omtrent Quiscalus major, dat er in Florida „zeer weinig
-wijfjes waren, in verhouding tot de mannetjes”, terwijl in Honduras de
-verhouding omgekeerd was, en de soort daar in veelwijverij (polygamie)
-leefde.
-
-
-
-
-
-VISSCHEN.
-
-Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de
-verhoudingsgetallen der seksen door ze in volwassen of bijna volwassen
-staat te vangen; en het is zeer moeilijk tot eenig juist besluit te
-komen. [597] Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing
-voor mannetjes worden gehouden, zooals de heer Günther mij opmerkte ten
-opzichte van de forel. Bij sommige soorten gelooft men, dat de
-mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht. Bij
-vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een
-groot aantal mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de
-wijfjes werden gevangen. De heer Carbonnier [598], die bijzonder acht
-heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (Esox
-Lucius) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe
-grootte, door de grootere wijfjes worden verslonden; en hij gelooft,
-dat de mannetjes van bijna alle visschen wegens de zelfde oorzaak aan
-grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch schijnen in de
-weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn
-waargenomen, de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo
-zegt de heer R. Buist, de superintendent van de Stormontfieldsche
-proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die het eerst aan land werden
-gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer dan 60
-mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote
-wanverhouding tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den
-aanvang ten minste tien mannetjes tegen één wijfje.” Later werden
-genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er bij:
-„wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij
-voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.”
-[599] Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel
-rekenschap geven, doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan
-de wijfjes; maar of men haar daardoor geheel kan verklaren, is zeer
-twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent de forel op, „dat het
-een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker zijn dan de
-wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde
-het zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen
-één wijfje gevangen vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de
-mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes, òf de laatste zoeken zich
-liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te vluchten. Hij
-voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken
-een voldoende aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen. [600] De
-heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord
-Portsmouth’s park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.
-
-Bij de Karpervisschen (Cyprinidae) schijnen de mannetjes ook in
-overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden van deze familie,
-namelijk de karper, de zeelt, de brasem en Leuciscus phoxinus, schijnen
-geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij
-(polyandrie) te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje
-steeds door twee mannetjes vergezeld, één aan elke zijde, en in het
-geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit feit is zoo wel
-bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver
-twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke
-zeelten op twee wijfjes te nemen. Van Leuciscus phoxinus getuigt een
-uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de
-mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje
-onder de mannetjes komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een
-mannetje dicht op haar; en als deze een tijd lang in die positie zijn
-geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen. [601]
-
-
-
-
-
-INSEKTEN.
-
-In deze Klasse leveren alleen de Schubvleugeligen (Lepidoptera) de
-middelen op om over de verhoudingsgetallen van de seksen te oordeelen;
-want zij zijn met bijzondere zorg door vele goede waarnemers verzameld
-en op groote schaal uit het ei of den rupsentoestand opgekweekt. Ik had
-gehoopt, dat sommige kweekers van zijdewormen nauwkeurige opteekeningen
-zouden hebben gehouden; maar na naar Frankrijk en Italië geschreven en
-onderscheidene verhandelingen geraadpleegd te hebben, kan ik niet
-vinden, dat dit ooit is gedaan. De algemeene opinie schijnt te zijn,
-dat de seksen ongeveer even talrijk zijn; maar in Italië zijn, naar ik
-van Prof. Canestrini hoor, vele kweekers overtuigd, dat er wijfjes in
-overmaat worden voortgebracht. De zelfde natuuronderzoeker meldt mij
-echter, dat bij de twee groote jaarlijksche broedsels van den
-Ailanthus-zijdeworm (Bombyx Cynthia) de mannetjes verreweg de overhand
-hebben in het eerste, terwijl in het tweede de seksen nagenoeg even
-talrijk zijn, of de wijfjes eenigszins de overhand hebben.
-
-Ten opzichte van Kapellen in den natuurstaat zijn verscheidene
-waarnemers zeer getroffen geweest door de schijnbaar verbazend groote
-overmaat van mannetjes. [602] Zoo zegt de heer Bates [603], van de
-soorten sprekende, niet minder dan ongeveer honderd in getal, die den
-Boven-Amazonenstroom bewonen, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan
-de wijfjes, zelfs in de verhouding van honderd tot één. In
-Noord-Amerika schat Edwards die groote ondervinding had, dat bij het
-geslacht Papilio de mannetjes tot de wijfjes staan als vier tot één; en
-de heer Walsh welke mij die getuigenis mededeelde, zegt, dat dit bij P.
-Turnus met zekerheid het geval is. In Zuid-Afrika vond de heer R.
-Trimen de mannetjes in overmaat bij 19 soorten [604], en bij één
-daarvan, die op open plaatsen rondvliegt, schat hij, dat het aantal
-mannetjes tot dat der wijfjes staat als vijftig tot één. Van een andere
-soort, waarvan de mannetjes op sommige plaatsen talrijk zijn,
-verzamelde hij gedurende zeven jaar slechts vijf wijfjes. De heer
-Maillard getuigt, dat op het eiland Bourbon de mannetjes van ééne soort
-van Papilio twintigmaal talrijker zijn dan de wijfjes. [605] De heer
-Trimen meldt mij, dat het, zoover hij zelf gezien of van anderen
-gehoord heeft, een zeldzaamheid is, als de wijfjes van de eene of
-andere soort van kapel de mannetjes in aantal overtreffen, doch dat dit
-wellicht het geval is met drie Zuid-Afrikaansche soorten. De heer
-Wallace [606] getuigt, dat de wijfjes van Ornithoptera Croesus in
-Insulinde algemeener zijn en gemakkelijker worden gevangen dan de
-mannetjes; maar dit is een zeldzame soort van kapel. Ik mag hier
-bijvoegen, dat, volgens Guenée, van Hyperethra, een geslacht van
-nachtvlinders, van vier tot vijf wijfjes in verzamelingen uit Indië
-worden gezonden tegen één mannetje.
-
-Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in
-de Engelsche Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht [607],
-nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen
-(Lepidoptera), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal
-worden gevangen dan de wijfjes; maar dit feit werd door onderscheidene
-waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde levenswijze van het
-wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de pop
-komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) en ook met andere insekten. Zoo gaan,
-gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes van den tammen Bombyx
-Yama-Maju in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde
-daarvan verloren, wegens gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om
-mede te paren. [608] Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen,
-dat deze oorzaken voldoende zijn om de groote overmaat van mannetjes in
-de bovenvermelde gevallen bij kapellen die in haar vaderland uiterst
-gemeen zijn, te verklaren. De heer Stainton, die gedurende vele jaren
-zooveel studie van de kleinere nachtvlinders heeft gemaakt, meldt mij
-nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt
-verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de
-wijfjes, maar dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups
-opkweekte, overtuigd is, dat de wijfjes het talrijkst zijn.
-Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De heer Doubleday
-echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en
-overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer
-mannetjes dan wijfjes hebben opgekweekt.
-
-Behalve de meer bedrijvige levenswijze der mannetjes, hun vroeger uit
-de pop komen en hun veelvuldiger bezoeken van open plaatsen kunnen
-wellicht nog andere oorzaken worden aangegeven voor een schijnbaar of
-werkelijk verschil in de getalsverhouding van de seksen bij de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera), als zij in den toestand van volkomen
-insekt gevangen, en als zij uit de eieren of rupsen opgekweekt worden.
-Vele kweekers van zijdewormen in Italië gelooven, naar ik van Professor
-Canestrini hoor, dat de vrouwelijke rupsen meer van de voor korten tijd
-gewoed hebbende ziekte te lijden hadden dan de mannelijke; en Dr.
-Staudinger meldt mij, dat er bij het opkweeken van vlinders meer
-wijfjes in de pop sterven dan mannetjes. Bij vele soorten is de
-vrouwelijke rups grooter dan de mannelijke, en een verzamelaar zal
-natuurlijk de schoonste voorwerpen kiezen en zoo onbewust een grooter
-aantal wijfjes verzamelen. Drie verzamelaars hebben mij gezegd, dat dit
-hun gewoonte was; maar Dr. Wallace is zeker, dat de meeste verzamelaars
-al de voorwerpen nemen die zij kunnen vinden, van de meer zeldzame
-soorten, die alleen de moeite van het opkweeken waard zijn. Als vogels
-door rupsen zijn omringd, zullen zij waarschijnlijk de grootste kiezen;
-en Professor Canestrini meldt mij, dat sommige kweekers in Italië
-gelooven, hoewel zij geen voldoende bewijzen hebben, dat bij het eerste
-broedsel van den Ailanthus-zijdeworm de wespen een grooter aantal van
-de vrouwelijke dan van de mannelijke rupsen vernielen. Dr. Wallace
-merkt verder op, dat vrouwelijke rupsen, omdat zij grooter dan de
-mannelijke zijn, meer tijd voor haar ontwikkeling behoeven en meer
-voedsel en vocht verbruiken, en dus gedurende langer tijd moeten zijn
-blootgesteld aan gevaar van sluipwespen, vogels enz., en in tijden van
-schaarschte in grooter aantal moeten sterven. Het schijnt daarom zeer
-mogelijk, dat in den natuurstaat minder vrouwelijke dan mannelijke
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) tot vollen wasdom komen; en voor ons
-bijzondere doel hebben wij te maken met de getallen op volwassen
-leeftijd, als de seksen gereed zijn om haar soort voort te planten.
-
-De wijze waarop de mannetjes van zekere nachtvlinders in buitengewoon
-grooten getale samenkomen rondom een enkel wijfje, wijst blijkbaar op
-een groote overmaat van mannetjes, hoewel dit feit wellicht kan worden
-verklaard doordat de mannetjes vroeger uit de pop te voorschijn komen.
-De heer Stainton meldt mij, dat men soms van twaalf tot twintig
-mannetjes verzameld kan zien rondom een enkel wijfje van Elachista
-rufocinerea. Het is welbekend, dat, indien een maagdelijke Lasiocampa
-quercus of Saturnia carpini in een kooi wordt tentoongesteld, een groot
-aantal mannetjes zich rondom haar verzamelen, en als zij in een kamer
-is opgesloten, zelfs door den schoorsteen naar haar toe komen vliegen.
-De heer Doubleday gelooft, dat hij van vijftig tot een honderdtal
-mannetjes van deze beide soorten in den loop van een enkelen dag door
-een opgesloten wijfje aangelokt heeft gezien. De heer Trimen stelde op
-het eiland Wight een doos ten toon, waarin den vorigen dag een wijfje
-van de Lasiocampa was opgesloten geweest, en weldra trachtten vijf
-mannetjes daarin te komen. Toen de heer Verreaux in Nieuw-Holland een
-doos in zijn zak had, waarin zich het wijfje van een kleine
-Bombyx-soort bevond, werd hij door een menigte mannetjes gevolgd,
-zoodat ongeveer 200 met hem het huis binnenkwamen. [609]
-
-De heer Doubleday heeft mijn aandacht gevestigd op Dr. Staudinger’s
-lijst van Schubvleugeligen (Lepidoptera) [610], waarop de prijs
-voorkomt van de mannetjes en wijfjes van 300 soorten of goed
-uitgedrukte verscheidenheden van dagvlinders (Rhopalocera). De prijzen
-voor beide seksen van de zeer algemeene soorten zijn natuurlijk de
-zelfde, maar bij 113 der meer zeldzame soorten verschillen zij, en
-daarbij is het mannetje, op ééne uitzondering na, het goedkoopst. Bij
-de 113 soorten staat de prijs van het mannetje tot dien van het wijfje
-gemiddeld als 100 tot 149; en deze prijs schijnt aan te toonen, dat
-omgekeerd de mannetjes de wijfjes in de zelfde verhouding in aantal
-overtreffen. Ongeveer 2000 soorten of verscheidenheden van avond- en
-nachtvlinders (Heterocera) zijn gecatalogiseerd, waarbij die met
-vleugellooze wijfjes hier worden uitgesloten wegens de verschillende
-levenswijze der seksen; van 2000 soorten verschillen 141 in prijs
-volgens de sekse, daar van 130 de mannetjes goedkooper en slechts van
-11 de mannetjes duurder zijn dan de wijfjes. De prijs van de mannetjes
-der 130 soorten staat gemiddeld tot dien van de wijfjes als 100 tot
-143. Ten opzichte van de kapellen op deze prijslijst denkt de heer
-Doubleday (en niemand in Engeland heeft meer ondervinding gehad), dat
-er niets in de levenswijze der soorten is, dat rekenschap kan geven van
-het verschil in prijs tusschen de beide seksen, en dat men het alleen
-kan verklaren, doordat zijn verzamelaars een grooter aantal mannetjes
-dan wijfjes vangen en derhalve de eerste lager in prijs zijn. Ten
-opzichte van uit de rups opgekweekte voorwerpen gelooft Dr. Staudinger,
-gelijk vroeger is vermeld, dat in gevangen staat een grooter aantal van
-de wijfjes dan van de mannetjes in de pop sterven. Hij voegt er bij,
-dat bij zekere soorten de eene sekse gedurende zekere jaren de overhand
-schijnt te hebben boven de mannetjes.
-
-Van rechtstreeksche waarnemingen omtrent de sekse van Schubvleugeligen
-(Lepidoptera), gekweekt hetzij uit het ei of uit de rups, heb ik alleen
-de volgende weinige opgaven ontvangen:
-
-
- Mannetjes Wijfjes
- De weleerw. Heer J. Hellius [611] van Exeter
- kweekte in 1886 volkomen insekten van 73
- soorten, die bestonden uit 153 137
- De heer Albert Jones van Eltham kweekte in 1868
- volkomen insekten van 9 soorten, die bestonden
- uit 159 126
- In 1869 kweekte hij volkomen insekten van 4
- soorten, bestaande uit 114 112
- De heer Buckler van Emsworth, Hants, kweekte in
- 1869 volkomen insekten van 74 soorten, bestaande
- uit 180 169
- Dr. Wallace van Colchester kweekte uit één
- broedsel van Bombyx Cynthia 52 48
- Dr. Wallace kweekte in 1869 uit poppen van Bombyx
- Pernyi, hem uit China gezonden, 224 123
- Dr. Wallace kweekte in 1868 en 1869 uit twee
- partijen poppen van Bombyx Yama-Maju 52 46
- === ===
- Totaal 934 761
-
-
-Bij deze zeven partijen poppen en eieren werd dus een overmaat van
-mannetjes voortgebracht. Te zamen genomen is de verhouding van de
-mannetjes tot de wijfjes als 122.7 tot 100. De getallen zijn echter
-nauwelijks groot genoeg om vertrouwen te verdienen.
-
-Over het geheel leid ik uit de bovenvermelde verschillende
-bewijsgronden, die allen in de zelfde richting wijzen, af, dat bij de
-meeste soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) de mannetjes in den
-toestand van volkomen insekt over het algemeen de wijfjes in aantal
-overtreffen, welke dan ook de verhouding moge zijn bij hun eerste
-uitkomen uit het ei.
-
-Met betrekking tot de andere orden van Insekten heb ik slechts zeer
-weinige betrouwbare mededeelingen kunnen verzamelen. Bij het vliegend
-hert (Lucanus Cervus) „schijnen de mannetjes veel talrijker te zijn dan
-de wijfjes”; maar wanneer zich, gelijk Cornelius in 1867 opmerkte, een
-ongewoon aantal van deze kevers in één gedeelte van Duitschland
-vertoonde, schenen de wijfjes de mannetjes in aantal te overtreffen in
-de verhouding van zes tot één. Bij een der Springkevers (Elateridae)
-zegt men, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, en men
-vindt er dikwijls twee of drie met één wijfje vereenigd [612], zoodat
-hier veelmannigheid (polyandrie) schijnt te heerschen. Bij Siagonium
-(tot de Kortschilden, Staphylinidae, behoorende), waarbij de mannetjes
-van horens voorzien zijn, „zijn de wijfjes verreweg talrijker dan de
-andere sekse.” De heer Janson getuigde in de Engelsche Entomologische
-Vereeniging, dat de wijfjes van den zich met boomschors voedenden
-Tomicus villosus zoo algemeen zijn, dat zij een plaag zijn, terwijl de
-mannetjes zoo zeldzaam zijn, dat men ze nauwelijks kent.
-
-In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige
-gevallen blijkbaar ten gevolge van maagdelijke voortplanting
-(parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt, of zijn uiterst
-zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (Cynipidae). [613] Bij alle
-aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal
-talrijker, dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het
-geval met de gal-appelbewonende Cecidomyidae (Tweevleugeligen,
-Diptera). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (Tenthredinae)
-heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei
-grootte opgekweekt, maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen;
-daarentegen zegt Curtis [614], dat bij zekere door hem opgekweekte
-soort (Athalia) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één;
-terwijl juist het omgekeerde het geval was bij de volkomen insekten van
-de zelfde soort, die in het open veld werden gevangen. In de familie
-der Bijen verzamelde Herman Müller [615] een groot aantal voorwerpen
-van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen op, en telde
-de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes
-zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en
-bij wederom andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de
-meeste gevallen komen echter de mannetjes vroeger uit de pop dan de
-wijfjes, zoodat zij in het begin van den broedtijd feitelijk de
-meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal
-van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer
-onderscheiden was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten
-deze waarnemingen met eenige omzichtigheid worden ontvangen, daar de
-eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid ontsnapt dan de
-andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt, dat
-de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende
-soorten van bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (Orthoptera)
-betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der
-seksen: Körte [616] zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij
-onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes stonden als vijf tot zes.
-Omtrent de Netvleugeligen (Neuroptera) getuigt de heer Walsh, dat bij
-vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften (Ephemerina) een
-groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht Hetaerina zijn
-de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige
-soorten van het geslacht Gomphus zijn de mannetjes even talrijk als de
-wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de wijfjes minstens tweemaal
-of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige Europeesche
-soorten van Houtluizen (Psocus) kan men duizenden wijfjes verzamelen
-zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere soorten van het zelfde
-geslacht beide seksen algemeen voorkomen. [617] In Engeland heeft de
-heer MacLachlan honderden wijfjes van Apatania muliebris gevangen, maar
-het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van Boreus hyemalis zijn hier
-slechts vier of vijf mannetjes gezien. [618] Bij de meesten dezer
-soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen,
-Tenthredinae) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich
-zonder bevruchting kunnen voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend
-wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare verschil in de
-getalsverhouding der beide seksen.
-
-Omtrent de andere klassen der Gelede Dieren (Articulata) heb ik nog
-minder mededeelingen kunnen verzamelen. Omtrent Spinnen schrijft mij de
-heer Blackwall, die gedurende vele jaren een studie van deze klasse
-heeft gemaakt, dat de mannetjes wegens hun meer zwervende levenswijze
-meer algemeen worden gezien en daarom het talrijkst schijnen te zijn.
-Dit is werkelijk het geval met eenige weinige soorten; maar hij
-vermeldt onderscheidene soorten in zes geslachten, bij welke de wijfjes
-veel talrijker dan de mannetjes schijnen te zijn. [619] De geringe
-grootte der mannetjes in vergelijking met de wijfjes, die dikwijls tot
-een uitersten graad is gedreven, en hun zeer verschillend uiterlijk,
-kunnen wellicht in sommige gevallen hun zeldzaamheid in verzamelingen
-verklaren. [620]
-
-Sommige der lagere Schaaldieren (Crustacea) bezitten het vermogen hun
-soort zonder bevruchting (aseksueel) voort te planten, en dit kan de
-uiterste zeldzaamheid der mannetjes verklaren. Bij sommige andere
-vormen (zooals bij Tanais en Cypris) is er, naar Fritz Müller mij
-meldt, reden om te gelooven, dat het mannetje veel korter leeft dan het
-wijfje, hetgeen, ondersteld dat de beide seksen oorspronkelijk even
-talrijk waren, de zeldzaamheid der mannetjes zou verklaren. Daarentegen
-heeft deze zelfde natuuronderzoeker op de stranden van Brazilië zonder
-uitzondering meer mannetjes dan wijfjes van de Diastylidae en van
-Cypridina (Watervlooien) gevangen; zoo waren er op 63 voorwerpen van
-een soort van dit laatste geslacht, op den zelfden dag gevangen, 57
-mannetjes. Bij een der hoogere Braziliaansche krabben, namelijk een
-Gelasimus, vond Fritz Müller de mannetjes talrijker dan de wijfjes. Het
-omgekeerde schijnt het geval te zijn, volgens de uitgebreide
-ondervinding van den heer C. Spence Bate, met zes gewone Britsche
-krabben, waarvan hij mij de namen heeft gegeven.
-
-
-
-
-
-DE VERHOUDING DER SEKSEN MET BETREKKING TOT DE NATUURLIJKE TEELTKEUS.
-
-Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door
-teeltkeus indirect invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen
-seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen hebben een geneigdheid
-gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse dan van de
-andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij
-voorbeeld koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds,
-dat volgens den heer Wright van Yeldersley House, een zijner Arabische
-merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven
-merrieveulens voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb,
-zou de analogie leiden tot het geloof, dat de neiging om bij voorkeur
-jongen van een bepaalde sekse voort te brengen, kan worden overgeërfd
-gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld die om
-tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid
-heeft de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te
-bewijzen dat dit plaats heeft bij sommige families van korthoornige
-runderen. Kolonel Marshall [621] heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig
-onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam in Engelsch Indië,
-bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit is een
-verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier
-huwelijken veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd
-onveranderlijk de meeste vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze
-gewoonte is nu sedert aanmerkelijken tijd afgeschaft. Bij de in de
-laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker dan de meisjes
-in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit
-op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie
-huisgezinnen nemen om het gemiddelde van den geheelen stam voor te
-stellen; stel dat ééne moeder zes dochters en geen zoon voortbrengt;
-dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl de derde moeder
-drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens de
-gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De
-tweede behoudt haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er
-ééne, alsook haar drie zoons. Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen
-negen zoons en drie dochters, die hun geslacht verder voortplanten.
-Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen waarin de
-geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen
-grootendeels tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur
-meisjes voort te brengen. Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij
-voorkeur jongens voort te brengen met elke generatie, totdat wij
-eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons dan
-dochters hebben.”
-
-Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord,
-schijnt bijna zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om
-bij voorkeur kinderen van een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk
-is. Daar echter de bovengenoemde getallen zoo uiterst weinige zijn, heb
-ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen ik
-heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht
-vermeldenswaardig. De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord
-gepleegd, en de heer Fenton [622] getuigt, dat hij „voorbeelden heeft
-ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven harer kinderen, en wel
-meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn er over
-te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren
-bijna geheel heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men
-aannemen, dat 1835 het jaar is, waarin het geheel in onbruik is
-geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals bij de Toda’s,
-aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt op
-(blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze
-vreemde toestand van wanverhouding tusschen de beide seksen is
-begonnen, niet met zekerheid kan worden bepaald, is het volkomen
-duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende de jaren
-1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd
-voortgebracht, en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De
-volgende opgaven zijn ontleend aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar
-de getallen niet groot zijn en de volkstelling niet nauwkeurig was, kan
-men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in dit en het
-volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een
-overmaat van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen,
-voornamelijk ten gevolge van de grootere sterfte van de mannelijke
-sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van allerlei ongevallen in
-hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking van
-Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd,
-dat is in de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit
-zelfde jaar werden in sommige beperkte districten de getallen met veel
-zorg nagegaan, en waren hier de mannen van allerlei leeftijd 753 en de
-vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2 mannen op 100
-vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858
-bevond, dat in het zelfde district het aantal onvolwassen mannen 178 en
-het aantal onvolwassen vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van
-125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen, dat in 1844, op welken tijd het
-dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden, de
-onvolwassen mannen in een district 281 en de onvolwassen vrouwen
-slechts 194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op
-100 vrouwen.
-
-Op de Sandwich-eilanden overtreffen de mannen de vrouwen in aantal.
-Kindermoord werd daar vroeger op schrikbarende wijze gepleegd, maar was
-in geenen deele tot vrouwelijke kinderen beperkt, gelijk wordt
-aangetoond door den heer Ellis [623] en mij is medegedeeld door
-bisschop Staley en den weleerw. heer Coan. Toch merkt een ander naar
-het schijnt geloofwaardig schrijver, de heer Jarves [624], wiens
-waarnemingen zich over den geheelen archipel uitstrekken, op:—„Men
-vindt zeer vele vrouwen die bekennen van drie tot zes of acht harer
-kinderen te hebben gedood”; en hij voegt er bij: „Meisjes worden
-veelvuldiger gedood dan jongens, omdat men ze als minder nuttig
-beschouwt dan deze.” Wegens hetgeen men weet dat in andere deelen der
-wereld geschiedt, is dit waarschijnlijk juist, maar moet toch met veel
-omzichtigheid worden ontvangen. Het gebruik van kindermoord hield
-omstreeks het jaar 1819 op, toen de afgodendienst werd afgeschaft en
-zendelingen zich op de eilanden nederzetten. Een zorgvuldige telling in
-1839 van de volwassen en belastingschuldige mannen en vrouwen op het
-eiland Kauai en in één district van Oahu (Jarves, blz. 404), geeft 4723
-mannen en 3776 vrouwen; dat is in de verhouding van 125.08 tot 100.
-Terzelfdertijd was het aantal mannen beneden veertien jaar op Kauai en
-beneden achttien op Oahu 1797, en dat van de vrouwen van den zelfden
-leeftijd 1429; en hier hebben wij de verhouding van 125.75 mannen op
-100 vrouwen.
-
-Bij een volkstelling van al de eilanden in 1850 [625], bedroeg het
-aantal mannen van allerlei leeftijd 36272, dat der vrouwen 33128,
-zoodat de verhouding was 109,49 tot 100. Het aantal mannen beneden
-zeventien jaar bedroeg 10773, en dat der vrouwen beneden den zelfden
-leeftijd 9593, zoodat de verhouding was 112.3 tot 100. Volgens de
-volkstelling van 1872 staat het aantal mannen van allerlei leeftijd
-(met inbegrip van die van gekruist ras) tot dat der vrouwen als 125.36
-tot 100. Men bedenke, dat al deze opgaven omtrent de Sandwich-eilanden
-de verhouding tusschen het aantal levende mannen en vrouwen aangeven;
-en te oordeelen naar wat de statistiek in alle beschaafde landen leert,
-zou het aantal mannen in verhouding nog veel grooter zijn geweest, als
-de getallen op de geboorten betrekking hadden gehad. [626]
-
-Uit de verschillende bovenstaande gevallen kunnen wij eenigen grond
-ontleenen om te gelooven, dat kindermoord, uitgeoefend op de
-bovenvermelde wijze, een neiging doet ontstaan tot het vormen van een
-ras waarbij bij voorkeur mannelijke kinderen worden geboren; maar ik
-ben ver van te onderstellen, dat dit gebruik in het geval van den
-mensch of de eene of andere dergelijke handelwijze bij andere soorten
-de eenige determineerende oorzaak van de overmaat der mannelijke sekse
-is geweest. Er kan de eene of andere onbekende wet zijn, die tot dit
-resultaat leidt bij in aantal afnemende rassen die reeds eenigszins
-onvruchtbaar zijn. Behalve de verschillende oorzaken waarop vroeger, is
-gezinspeeld, zouden de meer gemakkelijke baring bij wilden en het bij
-gevolg minder beschadigd worden van hun mannelijke kinderen een
-geneigdheid doen ontstaan om het aantal levendgeboren jongens in
-verhouding van dat der meisjes grooter te maken. Er schijnt echter geen
-noodzakelijk verband te bestaan tusschen het wilde leven en een
-gemarkeerde overmaat van mannen; dat is, wanneer wij mogen oordeelen
-naar de verhouding bij het weinig talrijke kroost der voor korte jaren
-nog bestaande Tasmaniërs en het gekruiste kroost der Tahitiërs dat nu
-Norfolk-eiland bewoont.
-
-Daar de mannetjes en wijfjes van vele dieren eenigszins in leefwijze
-verschillen en in verschillende mate aan gevaar zijn blootgesteld, is
-het waarschijnlijk, dat in vele gevallen gemiddeld meer individu’s van
-de eene dan van de andere sekse worden gedood. Doch zoover ik de
-ingewikkelde oorzaken kan nasporen, zou een niet stelselmatige, hoewel
-groote vernieling van een van beide seksen niet de geneigdheid hebben
-het sekse-voortbrengend vermogen van de soort te wijzigen. Bij strikt
-sociale dieren, zooals mieren of bijen, welke een in vergelijking van
-de mannetjes grooter aantal onvruchtbare en vruchtbare wijfjes
-voortbrengen en voor welke zulks van overwegend belang is, kunnen wij
-inzien, dat die maatschappijen het meest zullen bloeien, welke wijfjes
-bevatten die een sterken erfelijken aanleg hebben om hoe langer hoe
-grooter overmaat van wijfjes voort te brengen; en in dergelijke
-gevallen zou de aanleg van de beide seksen in ongelijk aantal voort te
-brengen langzamerhand door natuurlijke teeltkeus kunnen zijn ontstaan.
-Bij dieren die in kudden of troepen leven, waarbij de mannetjes voor
-het front komen en de kudde verdedigen, gelijk bij de bisons van
-Noord-Amerika en sommige bavianen, is het begrijpelijk, dat de aanleg
-om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, door natuurlijke teeltkeus
-zou kunnen zijn ontstaan; want de individu’s van de kudden die het best
-werden verdedigd, zouden de talrijkste nakomelingschap nalaten. In het
-geval van den mensch onderstelt men, dat het voordeel om een overmaat
-van mannen in den stam te hebben, een der hoofdoorzaken is van het
-gebruik om vrouwelijke kinderen te dooden.
-
-In geen geval zou, zoover wij kunnen inzien, een erfelijke aanleg om
-beide seksen in gelijk aantal of een der seksen in overmaat voort te
-brengen, voor sommige individu’s meer dan voor andere een
-rechtstreeksch voordeel of nadeel zijn; een individu met den aanleg om
-meer mannetjes dan wijfjes voort te brengen, zou bij voorbeeld niet
-beter slagen in den strijd om het leven dan een individu met den
-tegenovergestelden aanleg; en daarom zou zulk een aanleg niet door
-natuurlijke teeltkeus kunnen worden verkregen. Er zijn echter sommige
-dieren, bij voorbeeld visschen en mosselkreeften (Cirrhipedia), bij
-welke twee of meer mannetjes noodig schijnen te zijn bij de bevruchting
-van het wijfje, en in overeenstemming daarmede zijn de mannetjes veel
-talrijker; maar het is in geenen deele duidelijk hoe deze aanleg om bij
-voorkeur mannetjes voort te brengen, kan zijn verkregen. Ik dacht
-vroeger, dat, wanneer de aanleg om de beide seksen in gelijk aantal
-voort te brengen voordeelig voor de soort was, hij door natuurlijke
-teeltkeus zou ontstaan, maar ik zie nu in, dat het geheele vraagstuk
-zoo ingewikkeld is, dat het veiliger is de oplossing er van aan de
-toekomst over te laten.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Onder den naam „Loopvogels” vat Harting („Leerboek van de
-Grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 435) een aantal
-vogels samen, welke alle kleine vleugels hebben, die hun volstrekt niet
-als eigenlijke vliegwerktuigen kunnen dienen: de Walgvogels (Didus),
-Vleugelloozen (Apterygii) en Struisachtige Vogels (Struthionidae).
-Binnen deze grenzen behooren de Trapganzen (Otis) niet tot de
-Loopvogels (Cursores), maar moeten hetzij tot de Moerasvogels
-(Grallatores) of tot de Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) worden
-gebracht.
-
-(2) Het zal bijna overbodig zijn hier op te merken, dat de Wieren
-(Algae), daar zij tot de Bloemlooze Gewassen (Cryptogamae) behooren,
-noch stuifmeel (pollen) noch stempel (stigma) bezitten, en dat dus bij
-de Wieren het stuifmeel onmogelijk op den stempel kan worden
-overgebracht „door het voortbewegend vermogen der Antherozoïden.” De
-Zwermsporen welke vele, doch niet alle Wieren bezitten, en die, nadat
-zij zich van haar moederplant hebben losgemaakt, met behulp van
-bewegelijke wimpers of draden (trilharen), gedurende eenigen tijd in de
-rondte zwemmen, staan ongetwijfeld met de voortplanting in verband,
-doch of zij in functie met het stuifmeel der Bloemdragende Gewassen
-(Phanerogamae) overeenkomen, is minstens twijfelachtig, daar men bij
-vele zoetwaterwieren heeft waargenomen, dat zij voor kieming vatbaar
-zijn. Anders is het gelegen met de eigenaardige, levendig zich
-bewegende Zwermdraden, waarvan alle bebladerde Bloemlooze Planten en de
-Krans-Wieren (Characeae) zijn voorzien. Zij gelijken zeer op de
-zaaddraden (Spermatozoïden) der Dieren en stemmen ook met deze in
-functie overeen; zij vormen het mannelijk element der bebladerde
-Bloemlooze Planten en Krans-Wieren en hun inwerking op het vrouwelijk
-element (de archegoniën) is onmisbaar voor de vorming van nieuwe
-individu’s. In de stuifmeelbuizen der Bloemdragende Gewassen, die zich
-uit het stuifmeel ontwikkelen, als dit op den stempel is overgebracht,
-vindt men vóór de bevruchting cellen die na de bevruchting zijn
-verdwenen; men beschouwt deze als rudimentaire spermatozoïden, waardoor
-de overeenkomst met de hoogere Bloemlooze Gewassen en Dieren volkomen
-wordt. Bij allen smelt een mannelijke kern met een vrouwelijke kern
-samen tot vorming van een nieuw individu, hetgeen Strassburger bij de
-Phanerogamen rechtstreeks waarnam.
-
-(3) Wij hebben steeds gemeend, dat bij het gewone tamme schaap de
-wijfjes in den regel geen horens bezaten. Zoo merkt ook wijlen Prof. H.
-Schlegel („De dieren van Nederland; Zoogdieren”, Haarlem, A. C.
-Kruseman 1862, blz. 120) op, dat de Moeflons vooral ook daardoor veel
-overeenkomst hebben met ons tam schaap, dat de wijfjes niet of slechts
-bij uitzondering in enkele gevallen en op hoogen leeftijd van horens
-zijn voorzien.
-
-(4) Niet alleen in het betrekkelijk aantal mannelijke geboorten, maar
-ook in alle andere levensverhoudingen wijken de Joden van de volken, te
-midden waarvan zij leven, af. Zoo vermeldt Dr. Lubach („Album der
-Natuur”, 1868, blz. 293), dat van 1822 tot 1840 in Pruisen van de
-Joodsche bevolking 2161 op de 100,000 overleden tegen 2961 op de
-niet-Joodsche. Deze sterfte was over de verschillende leeftijden
-verdeeld als volgt:
-
-
- Pruisen. Joden.
- Doodgeborenen 143 89
- Voor het einde van het 1ste jaar 697 459
-
- Van 1 tot 5 jaren 477 386
- ,, 5 ,, 14 ,, 202 151
- ,, 14 ,, 25 ,, 155 123
- ,, 25 ,, 45 ,, 334 231
- ,, 45 ,, 70 ,, 614 392
- ,, 70 en daarenboven 339 330
- ==== ====
- 2961 2161
-
-
-In Algerië was, volgens Crebrassa (aangehaald door Lubach, ibid.) de
-gemiddelde sterfteverhouding van 1844 tot 1849 onder de Joden 33.4 op
-de 1000 inwoners tegen 57.2 onder de Europeeërs. In de stad Algiers met
-de voorsteden waren in 1856 onder de Europeeërs 1553 sterfgevallen op
-1234 geboorten, onder de Mohammedanen 514 sterfgevallen op 331
-geboorten, onder de Joden 187 sterfgevallen op 211 geboorten.
-
-In de stad Frankfort sterft, volgens Dr. de Neufville (aangehaald door
-Dr. Lubach, ibid.):
-
-
- Bij de Christenen. Bij de Joden.
-
- ¼ der bevolking boven 6 jaren 11 m., boven 28 jaren 3 m.,
- ½ ,, ,, ,, 36 ,, 6 ,, ,, 53 ,, 1 ,,
- ¾ ,, ,, ,, 59 ,, 10 ,, ,, 71 ,, 0 ,,
-
-
-In Nederland, Pruisen, Rijn-Beieren, Zwitserland, België en Algiers is
-(volgens Dr. Lubach, ibid.) bij de Joden de jaarlijksche toeneming der
-bevolking grooter dan bij hun landgenooten en staat tot die der geheele
-bevolking:
-
-
- In Nederland als 2 : 1
- ,, Pruisen en Rijn-Beieren als 3 : 1
- ,, Zwitserland als 4 : 1
- ,, Algiers als 7 : 1
-
-
-Dr. Texeira de Mattos komt in zijn Verslag omtrent den ziektetoestand
-der stad Amsterdam in 1862, in verband met den geneeskundigen
-armendienst, Amsterdam, 1865 [627], tot de volgende op een 7-jarig
-(1856–1862) onderzoek steunende resultaten.
-
-1. Het aantal levendgeborenen is bij de Israelieten grooter, het aantal
-levenloos aangegevene kinderen waarschijnlijk kleiner, doch stellig
-niet grooter dan bij de overige bevolking.
-
-2. Het valt zeer te betwijfelen, of de kindersterfte in het 2de, 3de en
-4de levensjaar onder de Israelieten wel ongunstiger is dan onder de
-Christenen.
-
-3. Na den leeftijd van 4 jaren onderscheiden zich de Israelieten boven
-hun overige stadgenooten door een kleinere sterfte in elk
-levenstijdperk, bovenal in den leeftijd van 20–60 jaren.
-
-4. De buurten die grootendeels door Israelieten worden bewoond,
-onderscheiden zich allen door een gunstige sterfteverhouding, die niet
-alleen uit de gunstige plaatselijke gesteldheid, uit de locale
-omstandigheden dier buurten kan worden verklaard.
-
-5. De totale sterfte bedraagt bij de Israelieten 2.06 perc., tegen 2.87
-perc. bij de overige bevolking.
-
-(5) In het „Archivo per l’Anthropologia e la Etnologia, publicato dal
-Prof. Paolo Mantegazza e dal Prof. Felice Pinzi”, Firenze, 1871, vol.
-I, blz. 66, vindt men een verhandeling van Prof. G. Boccardo, getiteld:
-„Intorno alle cause determinante i numeri proporzionali dei due sesse
-nelle Statistiche delle Nascite”, waaraan wij de volgende stellingen en
-cijfers ontleenen.
-
-Het aantal jongens die elk jaar worden geboren, is grooter dan het
-aantal meisjes die in het zelfde tijdvak worden geboren, en
-desniettemin maken de vrouwen, overal en ten allen tijde, een talrijker
-gedeelte van de bevolking uit, dan de mannen. [628]
-
-Dit feit gaat zoo algemeen door, dat het den naam van een wezenlijke
-sociale natuurwet verdient. De schijnbare tegenstrijdigheid die er in
-is gelegen, wordt opgeheven door de volgende feiten:
-
-1. De jongens worden geboren in grooter aantal dan de meisjes (in de
-verhouding van 106 tot 100).
-
-2. In de eerste levensjaren is de sterfte grooter bij de jongens dan
-bij de meisjes.
-
-3. Omstreeks het 15de jaar zijn de beide seksen ongeveer gelijk in
-aantal, of, met andere woorden, de grootere sterfte bij de mannelijke
-sekse neutraliseert op dien leeftijd het overwicht in getal der
-mannelijke geboorten.
-
-4. Na het 15de jaar beginnen de vrouwen de mannen in aantal te
-overtreffen en de numerische meerderheid der vrouwelijke sekse gaat
-voort, doch volgens een variabele wet, in de volgende jaren, zoodat
-gemiddeld:
-
-
- van het 15de tot het 20ste jaar het verschil is 1⁄54​.
- ,, ,, 20ste ,, ,, 30ste ,, ,, ,, ,, omstreeks ⅓.
- ,, ,, 30ste ,, ,, 40ste ,, ,, ,, ,, ,, ⅕.
- ,, ,, 40ste ,, ,, 50ste ,, ,, ,, ,, ,, ¼.
-
-
-5. De numerische ongelijkheid der beide seksen wordt hoe langer hoe
-kleiner en eindigt met geheel op te houden van het 50ste tot het 70ste
-jaar.
-
-6. Van het 70ste tot het 80ste jaar hernemen de vrouwen de overhand met
-omstreeks ⅛.
-
-7. Boven het 80ste jaar is de numerische meerderheid van de vrouwelijke
-sekse omstreeks ½.
-
-De numerische meerderheid van de mannelijke boven de vrouwelijke
-geboorten is een algemeen (universeel) feit.
-
-Veertien millioen van 1817 tot 1830 in Frankrijk opgeteekende geboorten
-gaven als gemiddelde verhouding 106.38 mannelijke tot 100 vrouwelijke.
-[629]
-
-Kapitein Bickes verzamelde meer dan zeventig millioen opteekeningen van
-geboorten in de voornaamste landen van Europa, en leidde er uit af
-[630], dat op elke 100 vrouwelijke geboorten, in Rusland 108.91, in de
-provincie Milaan 107.61, in Mecklenburg 107.07, in Frankrijk 106.55, in
-België en Nederland 106.44, in Brandenburg en Pommeren 106.27, in het
-Koninkrijk der beide Siciliën 106.18, in Oostenrijk 106.10, in Pruisen
-105.94, in Westfalen en de Rijnprovincie 105.86, in Wurtemberg 105.69,
-in Boheme 105.38, in Groot-Brittannië 104.75, in Zweden 104.62 en
-gemiddeld in geheel Europa 106 mannelijke geboorten plaats hebben.
-
-Gegevens die op latere en meer nauwkeurige waarnemingen berusten, vindt
-men in de (door Prof. G. Boccardo aangehaalde) „Statistica del Regno
-d’Italia”, „Movimento dello Stato civile nell’ anno 1868”, blz. XXXV.
-Men vindt aldaar opgegeven, dat op elke 100 vrouwelijke geboorten in
-Italië 106.1, in Spanje 106.8, in Griekenland 106.3, in Hannover 106.2,
-in Denemarken 106.2, in Oostenrijk 106.1, in Portugal 106, in Saksen
-105.8, in Nederland 105.4, in Beieren 105.3, in Frankrijk 105.3, in
-België 105.2, in Noorwegen 105.2, in Engeland 104.9, in Rusland 104.9,
-in Pruisen 104.8, en in Zweden 104.7 mannelijke geboorten plaats
-hebben.
-
-In sinds korte eeuwen gekoloniseerde landen gaat het echter anders; zoo
-werden aan de Kaap de Goede Hoop op 100 blanke meisjes in 1813 97, in
-1814 95, in 1815 99, in 1816 90, in 1817 99, in 1818 98, in 1819 99 en
-in 1820 98 blanke jongens geboren [631].
-
-Omtrent het verschil tusschen het betrekkelijk aantal der seksen bij
-wettige en onwettige geboorten geven de aanteekeningen van Bickes en
-andere statistici de volgende verhoudingen:
-
-
- Aantal jongens, geboren op 100 meisjes,
- wettig. onwettig.
-
- Frankrijk 106.69 104.78
- Keizerrijk Oostenrijk 106.15 104.32
- Koninkrijk Pruisen 106.17 102.89
- Zweden 104.73 103.12
- Wurtemberg 105.97 103.54
- Boheme 105.65 100.44
- Provincie Milaan 107.79 102.30
- Oost-Pruisen en Posen 105.81 103.60
- Brandenburg en Pommeren 106.65 102.42
- Silezië en Saksen 106.30 103.27
- Westfalen en Rijnprovincie 106.07 101.55
-
- Parijs 103.82 103.42
- Amsterdam 105.00 108.83
- Livorno 104.68 93.21
- Frankfort aan de Main 102.83 107.84
- Leipzig 106.16 105.94
-
-
-In een brief aan Sir D. Brewster levert de uitnemende Engelsche
-mathematicus en staathuishoudkundige Dr. Babbage de volgende gegevens
-[632]:
-
-
-LANDEN EN Wettige Geheel Onwettige Geheel
-PLAATSEN. mannelijke aantal mannelijke aantal
- geboorten opgeteekende geboorten opgeteekende
- op 100 geboorten. op 100 geboorten.
- vrouwelijke. vrouwelijke.
-
-Frankrijk 106.57 9656135 104.84 673047
-Napels 104.52 1059055 103.67 51309
-Pruisen 106.09 3672251 102.78 212804
-Westfalen 104.71 151169 100.39 19950
-Montpellier 107.07 25064 100.81 2735
- ------ ------
-Gemiddeld 105.75 102.50
-
-
-Omtrent de verhouding tusschen de beide seksen in Nederland bij de
-geboorte en op verschillende leeftijden vindt men uitnemende gegevens
-in de door Mr. M. M. von Baumhauer bewerkte hoofdstukken II tot XIII
-van Deel II der „Algemeene Statistiek van Nederland”, uitgegeven door
-de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland, Leiden bij A. W.
-Sijthoff, 1871. De onderstaande cijfers zijn allen daaruit overgenomen
-of uit de daar gegevene berekend. [633]
-
-Ook in Nederland gaf elk der vier algemeene volkstellingen, in 1829,
-1839, 1849 en 1859 gehouden, een grooter aantal personen van het
-vrouwelijke dan van het mannelijke geslacht. In onderstaanden staat
-vindt men voor elke provincie naar de uitkomsten dier vier tellingen,
-met onderscheiding der feitelijke en werkelijke bevolking voor de
-laatste [634], het getal vrouwen op 100 mannen voor de gemeenten
-waarvan de werkelijke bevolking meer, en voor die waarvan zij minder
-dan 10,000 zielen bedroeg:
-
-
-PROVINCIËN. Gemeenten boven 10,000 zielen. | Gemeenten beneden 10,000 zielen. | De Provincie.
- | |
- 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859
- Feit. Werk. | Feit. Werk. | Feit. Werk.
- | |
-Noord-Brabant 98.8 96.6 106.2 107 106.8 | 101.8 100.9 100.5 100.1 100 | 101.4 100.3 101.2 101 100.9
-Gelderland 105.8 104 109 109 109.1 | 98.3 98.5 97.4 97.7 96.6 | 99.4 99.5 99.3 99.8 98.7
-Zuid-Holland 119.2 118.4 119.5 117.8 117.8 | 101.5 100.7 101.4 102.6 101.7 | 109.3 109.1 109.1 110.3 109
-Noord-Holland 120.8 119 116.9 117.6 115.6 | 102.7 102.6 101.2 100.8 100.3 | 113.2 112.1 110.2 110.3 109
-Zeeland 114.9 108.5 108.4 109.2 107.7 | 102.8 103.5 102.4 103.5 103.3 | 104.7 104.3 103.3 104.4 104
-Utrecht 112.5 110.8 119.2 115.5 115 | 98 100.3 98.4 97.1 97.2 | 103.8 104.6 105.2 104.3 104.2
-Friesland 102.7 103.5 101.7 99.8 99.6 | 103.1 104.9 103.6 102.4 101.7 | 103 104.4 103.1 101.7 101.1
-Overijsel 105.7 112.4 110.6 106.4 105.6 | 95.7 97.1 96.1 95.3 95.3 | 97.7 100.1 98.9 97.5 97.4
-Groningen 114.3 112.4 117.5 117.1 114.7 | 100.3 101.5 101.8 101.9 100.5 | 102.9 103.5 104.5 104.3 102.8
-Drenthe — — — — — | 96.4 97.2 95.8 94 93.9 | 96.4 97.2 95.8 94 93.9
-Limburg 102 88 103.5 107.1 107.5 | 101 99 97.6 96.9 96.5 | 101.1 97.5 98.3 98.1 97.9
- | |
-Het Rijk 114.2 112.6 114.2 114.2 112.9 | 100.5 100.7 99.8 99.5 99.1 | 104.5 104.2 104 103.8 103.1
-
-
-De overmaat van vrouwen is dus bij ons te lande het grootst in de
-gemeenten van meer dan 10,000 zielen. In de provinciën waar weinig of
-geen sterk bevolkte gemeenten voorkomen en het platteland de overhand
-heeft (Gelderland, Overijsel, Drenthe, Limburg), hebben zelfs de mannen
-de meerderheid. In de grootste gemeenten is daarentegen de overmaat van
-vrouwen het grootst, zooals blijkt uit den volgenden staat:
-
-
-GEMEENTEN. Overmaat der vrouwen. | Aantal vrouwen op 100 mannen.
- |
- 1829 1839 1849 1859 | 1829 1839 1849 1859
- Werk. | Werk.
- |
-Amsterdam 21700 20653 20323 20684 | 124 121.7 120 118.6
-Rotterdam 7761 8480 8673 9738 | 124.1 124.4 121.3 120.2
-’s Gravenhage 4835 5236 6445 7244 | 118.9 118 119.6 120.4
-Utrecht 2627 2811 4037 4008 | 114.3 112.3 118.5 116.4
-Leiden 2302 2252 3063 2352 | 112.9 112.8 118.7 113.5
-Groningen 2022 1954 2706 2447 | 115.6 112.4 117.5 114.7
-
-
-De overmaat van vrouwen is niet slechts betrekkelijk het grootst in de
-meest-, maar tevens het kleinst in de minst-bevolkte gemeenten. Bij de
-volkstellingen van 1859 werden er op 100 mannen aangetroffen in de
-gemeenten van 10000 tot 6001 zielen, 106; in die van 6000 tot 3001
-zielen, 99.4; in die van 3000 zielen en minder 98.4 vrouwen. Een der
-oorzaken hiervan is, dat zoovele vrouwen van het platteland naar de
-grootere gemeenten gaan om daar dienstboden te worden.
-
-Wanneer men de levenstijdperken in aanmerking neemt, was de verhouding
-tusschen het aantal individu’s van de mannelijke en de vrouwelijke
-sekse in Nederland als volgt:
-
-
-LEVENSTIJDPERKEN. 1 Januari 1830. | 1 Januari 1840.
- |
- Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal
- aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen
- mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100
- mannen. | mannen.
- |
- 0–1 jaar 33646 31824 97.5 | 37055 36488 98.4
- 1–6  ,,  172093 167995 97.6 | 187843 169423 90.1
- 6–12  ,,  178970 174810 93.8 | 183861 178981 97.3
-12–16  ,,  106909 104976 98.1 | 122400 119057 97.1
-16–20  ,,  90924 93918 103.2 | 110319 111907 101.4
-20–30  ,,  206372 218689 105.9 | 228941 241011 105.2
-30–50  ,,  289064 318995 110.3 | 328422 350147 106.6
-50–75  ,,  176521 199952 113.2 | 183316 213201 116.3
-75–90  ,,  17335 21588 124.5 | 17889 22866 127.8
-90 en hooger. 414 628 151.6 | 419 636 151.7
-Van onbekenden ouderdom 5758 917 — | 539 50 —
- ======= ======= ===== | ======= ======= =====
-Totaal 1278006 1335292 104.4 | 1401004 1459555 104.1
-
-
-LEVENSTIJDPERKEN. 19 November 1849. | 31 December 1859.
- | Werkelijke bevolking.
- |
- Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal
- aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen
- mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100
- mannen. | mannen.
- |
- 0–1 jaar 40344 39062 96.8 | 49032 48215 98.3
- 1–6  ,,  169423 167199 98.6 | 188829 186554 98.7
- 6–12  ,,  209676 203345 98.2 | 212331 208205 98.1
-12–16  ,,  127906 125417 98 | 124474 121888 97.9
-16–20  ,,  192619 194950 101.2 | 220407 220824 100.1
-20–30  ,,  181492 188021 103.5 | 181832 189331 104.1
-30–50  ,,  358750 376813 105 | 406331 420575 103.4
-50–75  ,,  202769 238956 117.8 | 228181 261244 110.1
-75–90  ,,  17995 23594 121.1 | 16634 22054 132.5
-90 en hooger 402 614 152.7 | 330 505 153
-Van onbekenden ouderdom 135 97 — | 647 698 —
- ======= ======= ===== | ======= ======= =====
-Totaal 1498811 1558068 104.0 | 1629035 1680093 103.1
-
-
-Voor Nederland moeten dus de regels 4 tot 7 van Prof. Boccardo (blz.
-504) eenigszins worden gewijzigd, daar de vrouwelijke sekse na het 15de
-jaar voortdurend talrijker is dan de mannelijke, en deze overmaat met
-den leeftijd hoe langer hoe meer toeneemt, zoodat tusschen het 50ste en
-70ste jaar dan ook geen periode van numerische gelijkheid intreedt.
-
-Overigens is de verhouding in de verschillende provinciën van ons
-vaderland eenigszins verschillend. Zoo waren er bij de volkstelling van
-1859 in Zuid-Holland van elk levensjaar meer vrouwen dan mannen en in
-Drenthe van elk levensjaar beneden 90 jaren meer mannen dan vrouwen.
-
-Het aantal geboren jongens overtreft dat der meisjes in elk jaar en in
-elke provincie. Gedurende het 25-jarig tijdperk 1840–64 werden op 100
-meisjes in Zeeland 105.9, in Zuid-Holland 106, in Gelderland 106.3, in
-Groningen 106.4, in Friesland 106.8, in Noord-Holland 106.9, in Drenthe
-107, in Utrecht 107.1, in Overijsel 107.2, in Noord-Brabant 107.4, in
-Limburg 107.4, en gemiddeld over het geheele Rijk 106.6 jongens
-geboren.
-
-Daar krachtens een circulaire van den minister van justitie van 13 Mei
-1839 alle kinderen, overleden vóór de aangifte, als levenloos
-aangegeven in de sterfte-registers worden ingeschreven, zonder dat het
-blijkt of zij al dan niet na de geboorte hebben geleefd, is het
-onmogelijk de in Nederland geborenen in levend- en doodgeborenen, maar
-wel in levend- en levenloos aangegevenen te splitsen. Wanneer men bij
-beide categoriën de verhouding tusschen de seksen nagaat, vindt men dat
-er in verhouding tot het geheele aantal meer jongens dan meisjes
-levenloos worden aangegeven, hetgeen overeenkomt met den door Darwin op
-blz. 477 aangehaalden regel. Dit blijkt uit den volgenden staat, waarin
-voor elke sekse wordt aangegeven op hoeveel geborenen één levenloos
-aangegevene komt.
-
-
- 1840/64 1865 1840/64 1865
-
- Drenthe 22 19.51 27.58 20.03
- Friesland 21.53 18.13 27.52 22.43
- Limburg 20.46 22.32 25.06 21.99
- Groningen 19.57 18.37 23.32 22.81
- Utrecht 19.11 20.34 21.82 20.31
- Noord-Brabant 18.25 15.10 22.01 18.73
- Noord-Holland 18.18 18.32 22.12 22.19
- Zuid-Holland 18.05 18.85 21.71 21.89
- Overijsel 17.28 16.35 20.01 20.13
- Gelderland 17.15 15.25 20.37 19.76
- Zeeland 16.44 14.56 20.27 16.93
- Het Rijk 18.41 17.50 22.18 20.80
-
-
-Ook het door Darwin op blz. 477, 478, 479 vermelde feit, dat de
-overmaat van de mannelijke geboorten over de vrouwelijke kleiner is,
-wanneer zij wettig dan wanneer zij onwettig zijn, gaat in Nederland in
-den regel door, zooals blijkt uit den volgenden staat, die de
-gemiddelde getallen over het vijf-en-twintigjarig tijdperk 1840/64
-geeft.
-
-
- PROVINCIËN. Aantal wettig geboren Aantal onwettig geboren
- jongens op 100 wettig jongens op 100 onwettig
- geboren meisjes. geboren meisjes.
-
- Noord-Brabant 107.4 107.7
- Gelderland 106.3 105.3
- Zuid-Holland 106.1 104.4
- Noord-Holland 106.9 106.2
- Zeeland 106 103.7
- Utrecht 107.3 103.4
- Friesland 106.9 101.7
- Overijsel 107.3 106.2
- Groningen 106.6 103.8
- Drenthe 107 106
- Limburg 107.6 102.2
- Het Rijk 106.7 104.8
-
-
-Voor uitvoeriger bijzonderheden omtrent de verhouding tusschen het
-aantal individu’s van beide seksen in Nederland verwijzen wij naar de
-aangehaalde hoofdstukken van de „Algemeene Statistiek van Nederland.”
-De drie na 1859 gehouden volkstellingen behoeven wij hier niet in
-bijzonderheden na te gaan. Zij bevestigen de algemeene resultaten,
-waartoe wij boven uit de vier volkstellingen van 1829, 1839, 1849 en
-1859 kwamen.
-
-(6) Omtrent de oorzaken die bepalen tot welke sekse een kind zal
-behooren, merkt Prof. Dr. E H. Kisch te Praag in „Humboldt”, Aug. 1888
-(„Zur Geschlechtsentstehung beim Menschen”) o.a. op (omtrent de gronden
-waarop zijn stellingen berusten, zie men het oorspronkelijke):
-
-1. Als de man minstens tien jaar ouder is dan de vrouw en deze 20 tot
-25 jaar oud is, ontstaan zeer aanmerkelijk meer jongens dan meisjes.
-Deze overmaat van jongens is ook nog groot als de man minstens tien
-jaar ouder dan de vrouw en deze meer dan 26 jaar oud is. Daarentegen
-ontstaan minder jongens dan meisjes, zelfs als de man ouder is dan de
-vrouw, als deze minder dan 20 jaar oud is. Het grootst is de overmaat
-van meisjes als de man en de vrouw even oud zijn. Als de vrouw ouder
-dan de man is, ontstaat een matige overmaat van jongens.
-
-2. Uit een door Düsing omtrent de geboorten in Noorwegen,
-Elzas-Lotharingen en te Berlijn opgemaakte statistiek blijkt, dat bij
-gelijken leeftijd der moeder oude en jonge mannen meer jongens
-verwekken dan bij mannen van middelbaren leeftijd het geval is.
-
-3. Behalve den leeftijd der ouders is ook hun doorvoedheid van invloed.
-De voeding der ouders schijnt van invloed te zijn op de hoedanigheid
-der seksueele stoffen (ei en sperma). Physiologisch wordt aangenomen,
-dat een zeer gunstige toestand van ei en sperma tot het ontstaan van
-meisjes leidt. Het ei, zoodra het in de baarmoeder is getreden, en het
-sperma na de ejaculatie gaan, zoolang zij niet met elkander in
-aanraking zijn gekomen, den dood tegemoet. Hoe langer dus die aanraking
-op zich laat wachten, hoe meer zij verkwijnen. Daardoor hangt de sekse
-af van het tijdstip waarop het ei na zijn intrede in de baarmoeder
-wordt bevrucht, zoodat uit het spoedig bevruchte ei een meisje, uit het
-laat (minstens acht dagen na de menstruatie) bevruchte een jongen
-ontstaat. Echter kan de uitstekende hoedanigheid van het sperma ook in
-het laatste geval een meisje en de slechte hoedanigheid van het sperma
-ook in het eerste geval een jongen doen ontstaan.
-
-4. Volgens E. Fürst te Weenen ontstaat als de conceptie vier of vijf
-dagen na het einde der menstruatie plaats heeft, een overmaat van
-jongens; heeft zij later plaats, een overmaat van meisjes. Dit
-resultaat leidt Fürst af uit een statistiek van de dagen der conceptie
-en bevalling van 292 gevallen uit de Braunsche kliniek te Weenen. Het
-komt niet goed met 3 overeen.
-
-5. Bij zwakke menstruatie is er een grooter overmaat van jongens dan
-bij overvloedige menstruatie (Düsing).
-
-6. Uit de statistiek der Pruisische stoeterijen blijkt volgens Düsing,
-dat, als de hengst dikwijls dekt, meer hengstveulens worden geboren dan
-wanneer hij weinig dekt. Fouquet kwam tot het zelfde resultaat bij
-stieren. Een stier die dikwijls springt, verwekt overmaat van
-stierkalveren; bij kudden bij welke veel stieren worden gehouden,
-ontstaat een overmaat van koekalveren.
-
-In „Humboldt”, Oct. 1888, deelt W. O. Focke mede, dat volgens het „1.
-Supplement zu den Veröffentlichungen des Statistischen Amtes der Stadt
-Berlin” aldaar in 1886 op 40000 wettig geborenen de volgende
-verhoudingen plaats hadden:
-
-
-Van 19-jarige vaders ontstonden 3 mannelijke, 0 vrouwelijke kinderen.
-,, 20 ,, ,, ,, 20 ,, 2 ,, ,,
-,, 21 ,, ,, ,, 73 ,, 16 ,, ,,
-,, 22 ,, ,, ,, 213 ,, 51 ,, ,,
-,, 23 ,, ,, ,, 394 ,, 194 ,, ,,
-,, 24 ,, ,, ,, 603 ,, 379 ,, ,,
-
-enz.
-
-
-Door vaders onder 24 jaar werden bij moeders onder 18 jaar 10 jongens
-en geen enkel meisje verwekt. Van vaders en moeders onder 21 jaren
-stamden eveneens 10 jongens en geen enkel meisje af.
-
-De jongste gehuwde moeders waren 16 jaren oud, maar onder de ongehuwde
-waren eenigen nog jonger. Buiten echt werden geboren:
-
-
- Van moeders onder 15 jaar 2 meisjes.
- ,, ,, van 15 ,, 3 jongens, 6 ,,
- ,, ,, ,, 16 ,, 27 ,, 26 ,,
- ,, ,, ,, 17 ,, 62 ,, 62 ,,
-
-enz.
-
-
-Bij jeugdigen leeftijd des vaders (22–26 jaar) en hoogeren leeftijd der
-moeders (33–43 jaar) werden 88 jongens en 28 meisjes verwekt.
-
-(7) De wetenschappelijke naam van den „Dal-ripa” is Lagopus subalpina.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET
-DIERENRIJK.
-
- Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende
- kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren
- (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer
- ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen, dan op
- volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren;
- sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda).
-
-
-Bij de laagste klassen zijn de beide seksen niet zelden in één en het
-zelfde individu vereenigd, en kunnen daarom geen secundaire seksueele
-kenmerken worden ontwikkeld. In vele gevallen, waarin de twee seksen
-zijn gescheiden, zijn beide bestendig aan een of ander steunsel
-vastgehecht, en de eene kan de andere niet zoeken of om haar bezit
-kampen. Daarenboven is het bijna zeker, dat deze dieren te onvolmaakte
-zinnen en veel te laag ontwikkelde geestvermogens hebben om
-ijverzuchtig op elkander te zijn of om elkanders schoonheid of andere
-bekoorlijkheden op prijs te stellen
-
-Vandaar komen in deze klassen, zooals de Vormlooze Dieren (Protozoa)
-(1), de Neteldieren (Coelenterata), de Stekelhuidigen (Echinodermata),
-de Weekwormen (Scolecida) enz. geen ware secundaire seksueele kenmerken
-voor, en dit feit komt overeen met het geloof, dat die kenmerken bij de
-hoogere klassen zijn verkregen door seksueele teeltkeus, welke afhangt
-van den wil, de begeerten en de keus der beide seksen. Toch bestaan er
-hierop eenige weinige schijnbare uitzonderingen; zoo verschillen, naar
-ik van Dr. Baird hoorde, de mannetjes van sommige Ingewandswormen
-(Entozoa) een weinig in kleur van de wijfjes; maar wij hebben geen
-reden om te onderstellen, dat die verschillen door seksueele teeltkeus
-zijn vermeerderd.
-
-Vele der lagere dieren, hetzij hermaphrodieten of met gescheiden
-geslachten, prijken met de schitterendste kleuren, of zijn op bevallige
-wijze geschakeerd en gestreept. Dit is het geval met vele Koralen en
-Zeeanemonen (Actiniae), met sommige Schijfkwallen (Medusae, Porpita
-enz.), met sommige Platwormen (Planariae), Zakpijpen (Ascidiae),
-talrijke Zeesterren, Zeeklitten (Echini) enz.; maar wij mogen besluiten
-om de reeds opgegeven redenen, namelijk de vereeniging van de beide
-seksen bij sommige dezer dieren, den bestendig vastzittenden toestand
-van anderen, en de laag ontwikkelde geestvermogens van allen, dat deze
-kleuren niet dienen als middel om de andere sekse aan te trekken en
-niet zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Met de hoogere
-dieren is het een geheel ander geval; want, wanneer bij deze de eene
-sekse veel schitterender of opzichtiger gekleurd is dan de andere, en
-er geen onderscheid is tusschen de gewoonten der beide seksen, dat dit
-verschil verklaart, hebben wij reden om aan den invloed der seksueele
-teeltkeus te gelooven; en dit geloof wordt sterk bevestigd, wanneer de
-meer versierde individu’s, dat bijna altijd de mannetjes zijn, met hun
-bekoorlijkheden voor de andere sekse pronken. Wij mogen dit besluit ook
-tot beide seksen uitstrekken, wanneer zij de zelfde kleuren bezitten,
-en die kleuren duidelijk overeenkomen met die, welke bij zekere soorten
-van de zelfde groep alleen aan ééne der seksen eigen is. Hoe moeten wij
-ons dan rekenschap geven van de schoone en zelfs prachtige kleuren van
-sommige dieren in de laagste klassen? Het schijnt zeer twijfelachtig,
-of dergelijke kleuren gewoonlijk tot bescherming dienen; maar wij
-kunnen uiterst gemakkelijk dwalen ten opzichte van kenmerken van
-allerlei aard met betrekking tot bescherming, zooals iedereen zal
-toegeven, die de uitnemende verhandelingen van den heer Wallace heeft
-gelezen. Het zou bij voorbeeld niemand dadelijk invallen, dat de
-volkomen doorzichtigheid der Medusen of Schijfkwallen hun als
-beschermend middel de grootste diensten bewees, maar wanneer Haeckel
-ons herinnert, dat niet slechts de Medusen, maar ook vele drijvende
-weekdieren, schaaldieren en zelfs kleine zeevisschen dit zelfde
-glasachtige maaksel bezitten (2), dan kunnen wij moeilijk betwijfelen,
-dat zij daardoor ontsnappen aan de opmerkzaamheid van zeevogels en
-andere vijanden.
-
-Niettegenstaande onze onwetendheid, in hoever de kleur in vele gevallen
-tot bescherming dient, komt het mij voor de waarschijnlijkste meening
-ten opzichte der prachtige tinten van vele der laagste dieren te zijn,
-dat hun kleuren het rechtstreeksche gevolg zijn, hetzij van de
-scheikundige samenstelling of van de fijnere structuur van hun
-weefsels, onafhankelijk van elk daaruit ontspruitend voordeel. Geen
-kleur is wellicht schooner dan die van slagaderlijk bloed; maar er is
-geen reden om te onderstellen, dat de kleur van het bloed op zich zelve
-in eenig opzicht voordeelig is; en hoewel zij de schoonheid der wangen
-van een meisje vermeerdert, zal niemand willen beweren, dat zij tot dit
-doel is verkregen. Evenzoo is bij vele dieren, vooral bij de lagere, de
-gal rijk gekleurd; de heer Hancock deelt mij bij voorbeeld mede, dat de
-buitengewone schoonheid der Eolidae (naakte zeeslakken) vooral daarvan
-het gevolg is, dat men de galklieren door de doorschijnende huid heên
-ziet; van deze schoonheid hebben deze dieren waarschijnlijk geen
-dienst. (3) De tinten der afvallende bladeren in een Amerikaansch bosch
-worden door iedereen als prachtig beschreven, en toch onderstelt
-niemand, dat deze tinten aan de boomen in het minst voordeelig zijn.
-Wanneer men bedenkt, hoevele zelfstandigheden die in hooge mate met
-natuurlijke organische stoffen overeenkomen, en die de prachtigste
-kleuren bezitten, in den laatsten tijd door de scheikundigen zijn
-gevormd, zou het een vreemd verschijnsel zijn geweest, indien eveneens
-gekleurde stoffen niet dikwijls, onafhankelijk van een daardoor te
-bereiken nuttig doel, in het samengestelde laboratorium der levende
-organismen waren ontstaan.
-
-
-
-Het Onder-Rijk der Weekdieren (Mollusca).—In deze groote afdeeling (in
-haar wijdste beteekenis genomen) van het Dierenrijk komen secundaire
-seksueele kenmerken, zooals die waarover wij hier handelen, voor zoover
-ik kan nagaan, nooit voor. Dit kon men ook niet verwachten bij de drie
-laagste klassen, namelijk de Zakpijpen (Ascidiae), de Mosdieren
-(Polyzoa) en Armpootigen (Brachiopoda), die te zamen de Molluscoïda van
-Huxley uitmaken; want de meeste dezer dieren zijn bestendig aan een
-steunsel bevestigd of hebben beide seksen in één en het zelfde individu
-vereenigd. Bij de Plaatkieuwigen (Lamellibranchiata) is
-hermaphroditisme niet zeldzaam. Bij de in rang onmiddellijk boven hen
-staande Buikpootigen (Gasteropoda) zijn de seksen bij sommige soorten
-vereenigd en bij andere gescheiden. In dit laatste geval bezitten de
-mannetjes echter nooit bijzondere organen om de wijfjes te vinden, vast
-te houden of te bekoren, of om met andere mannetjes te vechten. Het
-eenige uitwendige verschil tusschen de beide seksen bestaat, naar de
-heer Gwyn Jeffreys mij mededeelt, in een eenigszins anderen vorm van de
-schelp; zoo is bij voorbeeld de schelp van de mannelijke alikruik
-(Littorina littorea) nauwer en heeft een langer spiraal dan die van het
-wijfje. Men mag echter vermoeden, dat dergelijke verschillen in
-rechtstreeksch verband staan met de voortplantingshandeling of met de
-ontwikkeling van de eieren.
-
-Hoewel de Buikpootigen zich vrij kunnen bewegen en onvolkomen oogen
-bezitten, schijnen zij geen genoeg ontwikkelde geestvermogens te
-bezitten, dan dat de leden van de zelfde seksen als medeminnaars samen
-zouden strijden en zoo secundaire seksueele kenmerken verkrijgen. Bij
-de het land bewonende Longslakken (Pulmonata) wordt de paring door een
-vrijage voorafgegaan; want deze dieren, hoewel hermaphrodieten, worden
-door hun maaksel genoodzaakt met elkander te paren. Agassiz merkt op
-[635]: „Quiconque a eu l’occasion d’observer les amours des limaçons,
-ne saurait mettre en doute la séduction déployée dans les mouvements et
-les allures, qui préparent et accomplissent le double embrassement de
-ces hermaphrodites.” Deze dieren schijnen ook vatbaar te zijn voor een
-zekere mate van bestendige genegenheid; een nauwkeurig waarnemer, de
-heer Lonsdale, deelt mij mede, dat hij een paar wijngaardslakken (Helix
-pomatia), waarvan de eene zwak was, in een kleinen en slecht voorzienen
-tuin zette. Na korten tijd verdween het sterke en gezonde individu en
-het slijmige spoor, dat het had achtergelaten, bewees, dat het over den
-muur naar een naburigen wel voorzienen tuin was gekropen. De heer
-Lonsdale besloot hieruit, dat het zijn ziekelijken makker had verlaten,
-maar na een afwezigheid van vier-en-twintig uren keerde het terug en
-deelde blijkbaar den uitslag van zijn voorspoedige ontdekkingsreis
-mede; want beide kropen toen langs het zelfde spoor weg en verdwenen
-over den muur.
-
-Zelfs in de hoogste klasse der Weekdieren, namelijk die der Koppootigen
-(Cephalopoda), waarin de seksen gescheiden zijn, komen, voor zoover ik
-kan ontdekken, geen secundaire seksueele kenmerken van die soort welke
-wij hier beschouwen, voor. Dit is een verwonderlijk feit, daar deze
-dieren hoog ontwikkelde zintuigen en aanmerkelijke geestvermogens
-bezitten, zooals iedereen zal toestemmen, die hun kunstige popingen om
-hun vijanden te ontsnappen heeft waargenomen. [636] Sommige Koppootigen
-onderscheiden zich echter door één buitengewoon kenmerk, dat namelijk
-het mannelijk element zich in een der armen of voelers verzamelt, die
-daarna wordt afgeworpen, en, zich met zijn zuignappen aan het wijfje
-klemmende, voor een tijd een zelfstandig leven leidt. De afgeworpen arm
-gelijkt zoo volkomen op een afzonderlijk dier, dat hij door Cuvier als
-een parasietische worm is beschreven onder den naam van Hectocotylus.
-Dit verwonderlijke orgaan kan echter eer als een primair dan als een
-secundair seksueel kenmerk worden beschouwd. (4)
-
-Hoewel bij de Weekdieren de seksueele teeltkeus niet in het spel
-schijnt te zijn gekomen, zijn toch vele horens en schelpen, zooals
-spiraalhorens (Voluta), kegelhorens (Conus), pelgrimschelpen enz.,
-fraai gekleurd en schoon van vorm. De kleuren schijnen in de meeste
-gevallen niet tot bescherming te dienen; zij zijn waarschijnlijk,
-evenals bij de laagste klassen, het rechtstreeksche gevolg van den aard
-der weefsels, terwijl de vorm van de schelp van haar wijze van groei
-afhangt. De hoeveelheid licht schijnt tot zekere hoogte van invloed te
-zijn; want hoewel, zooals herhaaldelijk door den heer Gwyn Jeffreys is
-getuigd, de horens en schelpen van sommige op groote diepte levende
-soorten levendige kleuren vertoonen, zien wij toch over het algemeen,
-dat de ondervlakten en de door den mantel bedekte deelen minder hoog
-gekleurd zijn, dan de bovenvlakten en de aan het licht blootgestelde
-deelen. [637] In sommige gevallen, zooals bij horens en schelpen wier
-bezitters tusschen koralen of helder gekleurde zeewieren leven, dienen
-de levendige kleuren wellicht tot bescherming. [638] Vele
-Naaktkieuwigen (Nudibranchia), of Zeeslakken, zijn echter even schoon
-gekleurd als eenige horen of schelp, zooals men kan zien in het
-prachtige werk van de heeren Alder en Hancock; en volgens de inlichting
-die de heer Hancock zoo vriendelijk was mij te geven, is het uiterst
-twijfelachtig, of deze kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige
-soorten is dit wellicht het geval, zooals bij een, die op het groene
-loof van wieren (Algae) leeft en zelf helder groen is. Maar vele helder
-groene, witte of op andere wijze opzichtig gekleurde soorten zoeken
-zich niet te verbergen, terwijl daarentegen sommige even opzichtige,
-evenals andere dof gekleurde soorten onder steenen en in donkere
-schuilhoeken leven. Bij deze Naaktkieuwigen staat derhalve de kleur
-blijkbaar volstrekt niet in een nauw verband met den aard hunner
-woonplaats.
-
-Hoewel deze naakte Zeeslakken hermaphrodieten zijn, paren zij toch met
-elkander, evenals de Landslakken, van welke laatsten vele uiterst
-fraaie horens hebben. Het is denkbaar, dat twee hermaphrodieten, door
-elkanders groote schoonheid aangetrokken, zich vermengen en kroost
-nalaten, dat de grootere schoonheid hunner ouders zou overerven. Bij
-zulke laag georganiseerde wezens is dit echter uiterst
-onwaarschijnlijk. (5) Het is ook volstrekt niet duidelijk, waarom het
-kroost van de schoonere hermaphrodieten eenig voordeel waardoor het in
-aantal toenam, zou hebben boven het kroost der minder schoone, wanneer
-ten minste schoonheid en kracht niet gewoonlijk gepaard gingen. Wij
-hebben hier niet een aantal mannetjes die vroeger tot volkomen
-seksueele ontwikkeling komen dan de wijfjes, en waarvan de schoonste
-door de sterkste wijfjes worden uitgekozen. Indien echter schitterende
-kleuren voor een hermaphroditisch dier voordeelig waren met betrekking
-tot zijn algemeene levenswijze, dan zouden inderdaad de levendiger
-gekleurde individu’s het best slagen en in aantal toenemen; maar dit
-zou een geval van natuurlijke en niet van seksueele teeltkeus zijn.
-
-
-
-Het Onder-Rijk der Wormen (Vermes): Klasse der Ringwormen
-(Annelida).—Hoewel in deze klasse de seksen (wanneer zij gescheiden
-zijn) somtijds van elkander verschillen in zoo belangrijke kenmerken,
-dat zij wel eens tot verschillende geslachten of zelfs families zijn
-gebracht, schijnen die verschillen echter niet van zoodanigen aard te
-zijn, dat zij veilig aan seksueele teeltkeus kunnen worden
-toegeschreven. Deze dieren zijn dikwijls fraai gekleurd; doch, daar de
-beide seksen in dit opzicht niet verschillen, zijn zij hier voor ons
-niet van veel belang. Zelfs de Snoerwormen (Nemertina) wedijveren,
-hoewel zoo laag georganiseerd, „in schoonheid en verscheidenheid van
-kleuren met elke andere groep ongewervelde dieren”; Dr. McIntosh [639]
-kan echter toch niet ontdekken, dat deze kleuren eenig nut hebben. De
-vastzittende ringwormen worden volgens Quatrefages [640] na den
-voortplantingstijd doffer gekleurd, en ik onderstel, dat dit aan hun te
-dier tijde minder krachtigen toestand mag worden toegeschreven. Al deze
-wormachtige dieren staan blijkbaar te laag op de ladder, dan dat de
-individu’s van ééne der beide seksen eenige voorkeur zouden betoonen
-bij het zoeken naar een individu van de andere sekse om zich mede voort
-te planten, of dat de individu’s van een zelfde sekse als medeminnaars
-met elkander zouden strijden.
-
-
-
-Het Onder-Rijk der Gelede Dieren (Arthrozoa): Klasse der Schaaldieren
-(Crustacea).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst
-ontwijfelbare secundaire seksueele kenmerken, die dikwijls buitengewoon
-ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten der Schaaldieren slechts
-zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele deelen die
-slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij
-de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte,
-en bezitten alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen,
-terwijl de wijfjes deze organen missen en haar lichaam dikwijls slechts
-uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone verschillen tusschen
-de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar hoogst
-verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij
-verschillende Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende,
-zijn de voorste sprieten voorzien van bijzondere draadvormige lichamen,
-die men voor reukorganen houdt, en deze zijn veel talrijker bij de
-mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder eenige
-buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat
-zouden zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de
-vermeerdering van het aantal reukdraden waarschijnlijk een gevolg van
-de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes die er het grootste getal van
-bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden en hun geslacht
-voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische
-soort van Tanais beschreven, bij welke het mannetje door twee
-verschillende vormen wordt vertegenwoordigd, tusschen welke geen
-overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het mannetje
-een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer
-knijpers (chelae), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz
-Müller oppert het denkbeeld, dat deze verschillen tusschen de beide
-mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan, doordat bij
-sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en grootte
-der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in
-staat waren het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best
-in staat waren haar vast te houden als zij haar hadden gevonden, het
-grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten, die hun respectieve
-voordeelen erfden. [641]
-
-Bij sommige der lagere Schaaldieren verschilt de rechter voorste spriet
-zeer in maaksel van den linker, welke laatste evenals die van het
-wijfje uit leedjes bestaat, die naar het einde toe dunner worden. De
-gewijzigde spriet van het mannetje is in het midden òf opgezwollen òf
-met een hoek omgebogen òf in een bevallig en soms verwonderlijk
-samengesteld grijporgaan (Fig. 16) veranderd. [642] Het dient, naar ik
-van Sir J. Lubbock hoor, om het wijfje vast te houden, en voor het
-zelfde doel is één der beide achterpooten (b) aan de zelfde zijde van
-het lichaam in een knijper veranderd. In een andere familie vertoonen
-de onderste of achterste sprieten alleen bij de mannetjes „een
-merkwaardigen zigzag-vorm.”
-
-Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers
-(chelae) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het
-wijfje. Bij vele soorten zijn de knijpers aan de tegenovergestelde
-zijden van het lichaam van ongelijke grootte; die aan de rechterzijde
-is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk, hoewel niet
-altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het
-mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook
-in maaksel (Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het
-wijfje gelijkt. Welk voordeel wordt verkregen door hun ongelijkheid in
-grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en door
-hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en
-waarom beide, als zij even groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel
-grooter zijn dan bij het wijfje, is niet bekend. De knijpers zijn
-dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer Spence Bate
-hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den
-mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben
-(Palaemon) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam.
-[643] Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot
-met zijn knijpers het mannetje helpt bij het gevecht met zijn
-medeminnaars; maar dit gebruik verklaart hun ongelijke grootte aan de
-tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje niet. Bij een
-soort van strandkrab (Gelasimus) leven, volgens een door Milne Edwards
-aangehaalde mededeeling [644], het mannetje en het wijfje in het zelfde
-hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar het bewijst, dat zij
-paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het hol met
-een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze
-hier indirect als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun
-voornaamste doel is echter waarschijnlijk om het wijfje te grijpen en
-vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de zoetwatergarnalen
-(Gammarus) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone
-strandkrab (Carcinus maenas) paren de beide seksen echter, naar de heer
-Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk nadat het wijfje is verveld en
-haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht, dat zij zou
-worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje
-werd gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en
-medegedragen, vóór zij vervelt, kan het dan zonder gevaar geschieden.
-
-Fritz Müller verhaalt, dat sommige soorten van Melito zich van alle
-andere Vlookreeften (Amphipoda) onderscheiden, doordat bij de wijfjes
-de „heupplaatjes van het voorlaatste paar pooten tot haakvormige
-aanhangsels zijn verlengd, welke aanhangsels de mannetjes grijpen met
-de knijpers van het eerste paar.” De ontwikkeling dezer haakvormige
-aanhangsels werd waarschijnlijk veroorzaakt, doordat die wijfjes welke
-gedurende de voortplantingshandeling het stevigst vast konden worden
-gegrepen, de grootste nakomelingschap nalieten. Fritz Müller beschrijft
-nog een andere soort van Braziliaansche vlookreeft (Orchestia Darwinii,
-fig. 20, 21, 22), die een dergelijk dimorphisme als Tanais vertoont;
-want er bestaan daarvan twee mannelijke vormen, die in den bouw hunner
-knijpers verschillen. [645] Daar knijpers van ééne dier beide vormen
-zeker voldoende zouden zijn geweest om het wijfje vast te houden, want
-beide worden tegenwoordig voor dat doel gebruikt, zijn de beide
-mannelijke vormen waarschijnlijk ontstaan, doordat sommige individu’s
-op de eene, andere op de andere wijze afweken; terwijl beide vormen het
-een of ander bijzonder, maar bijna even groot voordeel trokken uit hun
-verschillend gevormde organen.
-
-Het is niet bekend, of de Schaaldieren met elkander strijden om het
-bezit der wijfjes, maar dit is waarschijnlijk het geval; want bij de
-meeste dieren waarvan het mannetje grooter is dan het wijfje, schijnt
-het zijn grootere gestalte te hebben verkregen, doordat gedurende vele
-geslachten de grootere mannetjes de kleinere hebben overwonnen. Nu
-deelt mij de heer Spence Bate mede, dat bij de meeste orden der
-Schaaldieren, in het bijzonder bij de hoogste, die der Krabben
-(Brachyura) het mannetje grooter is dan het wijfje; de parasietische
-geslachten, waarbij de beide seksen een verschillende levenswijze
-volgen, en de meeste Entomostraca maken hierop echter een uitzondering.
-De knijpers van de meeste Schaaldieren zijn uitnemend voor den strijd
-geschikte wapenen. Zoo zag een zoon van den heer Bate een duivelskrab
-(Portunus puber) met een strandkrab (Carcinus maenas) vechten, waarbij
-de laatste spoedig op den rug geworpen en alle leden van zijn lichaam
-afgescheurd werden. Toen Fritz Müller verscheidene mannetjes van een
-Braziliaansche strandkrab (Gelasimus), een soort die ontzaglijke
-knijpers bezit, bij elkander in een glazen vat plaatste, doodden en
-verminkten zij elkander. De heer Bate zette een groote mannelijke
-strandkrab (Carcinus maenas) in een pot met water, die door een wijfje
-dat met een kleiner mannetje gepaard was, werd bewoond; dit laatste
-werd spoedig onteigend; „als zij echter vochten”, voegt de heer Bate er
-bij „dan kostte de overwinning geen bloed; want ik zag geen wonden.” De
-zelfde natuuronderzoeker scheidde een mannelijke vlookreeft (Gammarus
-marinus), zoo gewoon op onze stranden, van zijn wijfje, en zette beide,
-elk afzonderlijk, in één vat met vele individu’s van de zelfde soort.
-Het aldus van haar mannetje gescheiden wijfje paarde met haar makkers.
-Na eenigen tijd werd het mannetje weder in het zelfde vat gebracht, en
-na een tijd lang te hebben rondgezwommen, begaf hij zich te midden der
-overigen en voerde zonder eenig gevecht eensklaps zijn wijfje mede. Dit
-feit bewijst, dat bij de Vlookreeften (Amphipoda), een orde die laag op
-de ladder staat, de mannetjes en wijfjes elkander herkennen en
-wederkeerig aan elkander gehecht zijn.
-
-De geestvermogens der Schaaldieren zijn waarschijnlijk hooger
-ontwikkeld dan men wellicht zou hebben verwacht. Ieder die heeft
-beproefd een der op vele kusten van tropische landen zoo menigvuldige
-strandkrabben te vangen, zal hebben bemerkt, hoe voorzichtig en
-waakzaam zij zijn. Op koraaleilanden vindt men een groote krabsoort
-(Birgus latro), die op den bodem van een diep hol een dik bed maakt van
-door haar bijeen verzamelde vezels van de kokosnoot. Zij voedt zich met
-de afgevallen vruchten der kokospalmen, pelt er de vezels van het
-omkleedsel vezel voor vezel van af, en begint daarbij altijd aan dat
-einde, waar de drie oogvormige diepten zijn gelegen. Daarna doorboort
-zij ééne dier diepten door er met haar groote voorste knijpers op te
-kloppen, en haalt eindelijk, al ronddraaiende, de taaie witte
-zelfstandigheid die binnen in de vrucht zit, met haar smalle achterste
-knijpers er uit. Deze handelingen zijn echter waarschijnlijk
-instinktmatig, zoodat zij even goed door een jong als door een oud dier
-worden volbracht. Het volgende geval kan echter niet zoo worden
-beschouwd: een geloofwaardig natuuronderzoeker, de heer Gardner [646],
-nam een strandkrab (Gelasimus) waar, terwijl zij haar hol maakte, en
-wierp er eenige schelpen naar toe. Een daarvan rolde in het hol,
-terwijl drie andere schelpen op weinige duimen van den ingang bleven
-liggen In ongeveer vijf minuten bracht de krab de naar binnen gevallen
-schelp weêr naar buiten en droeg haar ongeveer een voet ver weg; toen
-zag zij de drie andere schelpen liggen, en blijkbaar bedenkende, dat
-zij er ook in zouden kunnen rollen, droeg zij ze naar de plaats, waar
-zij de eerste had gelegd. Het zou, dunkt mij, moeielijk zijn deze
-handelingen te onderscheiden van een die door den mensch met behulp
-zijner rede wordt volbracht.
-
-Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen
-behooren, zoo dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence
-Bate hiervan geen enkel sterk sprekend voorbeeld bij de Britsche
-Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter het wijfje
-eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit
-verschil voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun
-verschillende levenswijze, zooals doordat het mannetje meer rondloopt
-en derhalve meer aan het licht blootgesteld is. Bij een merkwaardige
-krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd de beide
-seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het
-mannetje minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de
-soorten die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar
-het mislukte hem voortdurend, behalve bij een enkele soort van
-steurkrab (Squilla, waarschijnlijk Squilla stylifera), van welke het
-mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige
-aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en
-de roode deelen bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het
-mannetje.” [647] In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele
-teeltkeus in het spel is geweest. Bij Saphirina (een den oceaan
-bewonend geslacht van Entomostraca, en daarom laag op de ladder) zijn
-de mannetjes voorzien van kleine schilden of op cellen gelijkende
-lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken
-bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen. [648] Het zou echter
-zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend
-dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche
-soort van strandkrab (Gelasimus) is, naar Fritz Müller mij mededeelt,
-het geheele lichaam bijna effen grijsachtig bruin. Bij het mannetje is
-het achterste deel van het kop-borststuk (cephalothorax) zuiver wit, en
-het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is
-merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te
-veranderen,—waarbij het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het
-groen „veel van zijn schoonheid verliest.” De mannetjes zijn blijkbaar
-veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid opmerking, dat
-zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn.
-Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner
-knijpers. Bij sommige soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij
-alle, leven de seksen paarsgewijze en bewonen het zelfde hol. Het zijn
-ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op deze verschillende
-gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje
-zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te
-wekken.
-
-Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van Gelasimus zijn
-opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor
-de voortplanting geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele
-merkwaardige verschillen in maaksel tusschen de beide seksen in de
-geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen later zien, dat
-de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren
-(Vertebrata) doorgaat, en in alle gevallen is het bij uitnemendheid
-kenmerkend voor alle eigenschappen die door seksueele teeltkeus zijn
-verkregen. Fritz Müller [649] geeft eenige sterk sprekende voorbeelden
-van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje van de zeevloo (Orchestia)
-zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van
-het wijfje, niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong
-is, gelijken zijn tangen op die van het wijfje. Evenzoo bezit het
-mannetje van Brachyscelus, gelijk alle andere Vlookreeften (Amphipoda),
-een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer
-buitengewone omstandigheid, ontbreken zij, en eveneens bij het
-mannetje, voordat het volwassen is. (6)
-
-
-
-Klasse der Arachnida (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder,
-maar soms ook lichter dan de wijfjes, zooals men kan zien in het
-prachtige werk van den heer Blackwall. [650] Bij sommige soorten
-verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo is het
-wijfje van Sparassus smaragdulus dof groen, terwijl het achterlijf van
-het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche strepen van rijk
-rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (Thomisus) gelijken de seksen
-nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo zijn bij
-Thomisus citreus de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of
-groen, terwijl de voorste pooten van het mannetje roodachtig bruin
-zijn; bij T. floricolens zijn de pooten van het wijfje bleekgroen,
-terwijl die van het mannetje zeer in het oog loopende ringen van
-verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen zouden
-kunnen worden gegeven uit de geslachten Epeira, Nephila, Philodromus,
-Theridion, Linyphia, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der
-beide seksen het meest afwijkt van de gewone kleur van het geslacht
-waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall denkt, dat het over
-het algemeen het mannetje is. Canestrini [651] merkt op, dat in zekere
-geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk, doch bij de
-wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de
-seksen in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide
-ondergaan dikwijls groote veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende
-ververvellingen, vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van
-den bovengenoemden Sparassus eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn
-bijzondere kleuren pas, als het omstreeks volwassen is. Spinnen
-bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk algemeen
-bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar
-eieren, die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De
-mannetjes zoeken vurig naar de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben
-gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten. De zelfde schrijver zegt,
-dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten is
-waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de
-mannetjes die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt
-en ten laatste na veel aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op
-deze verschillende gronden mogen wij met eenig vertrouwen aannemen, dat
-de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen de seksen van sommige
-soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de beste
-soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen,
-hier ontbreekt. Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij
-het mannetje van sommige soorten, bijvoorbeeld van Theridion lineatum,
-schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver
-niet zeer bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit
-af uit het feit, dat de mannetjes van sommige soorten twee vormen
-vertoonen, die van elkander verschillen in de grootte en lengte der
-kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen van
-dimorphische schaaldieren.
-
-Het mannetje is over het algemeen veel kleiner dan het wijfje, somtijds
-in buitengewone mate [652], en hij is genoodzaakt uiterst voorzichtig
-te zijn als hij haar het hof maakt, daar het wijfje dikwijls haar
-preutschheid tot een gevaarlijke hoogte opvoert. De Geer zag een
-mannetje dat midden in zijn voorbereidende liefkoozingen door het
-voorwerp zijner liefde gegrepen, in spinrag gewikkeld en daarna
-verslonden werd, een gezicht dat hem, zooals hij er bijvoegt, „met
-afschuw en verontwaardiging vervulde.” [653]
-
-De weleerw. heer O. P. Cambridge [654] verklaart op de volgende wijze
-de uiterste kleinheid van het mannetje in het geslacht Nephila. „De
-heer Vinson geeft een levendige beschrijving van de vlugge manier
-waarop het uiterst kleine mannetje aan de bloeddorstigheid van het
-wijfje ontsnapt, door weg te glijden en verstoppertje te spelen op haar
-lichaam en reusachtige ledematen; bij zulk een vervolging is het
-duidelijk, dat de kleinste mannetjes de grootste kans hebben van te
-ontsnappen, terwijl de grootere spoedig slachtoffers van het wijfje
-zouden worden; en op die wijze moest allengs door natuurlijke teeltkeus
-de grootte van de mannetjes afnemen, totdat zij ten laatste de
-geringste grootte verkregen, die nog vereenigbaar was met de
-uitoefening van hun voortplantingsfuncties,—feitelijk waarschijnlijk
-tot de grootte die zij nu bezitten, d.i. zoo klein, dat zij een soort
-van parasiet op het wijfje zijn, en hetzij beneden haar aandacht, of te
-vlug en te klein, dan dat zij ze zonder groote moeite kan vangen.”
-
-Westring heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de mannetjes
-van verscheidene soorten van Theridion [655] het vermogen bezitten om
-een sjirpend (striduleerend) geluid voort te brengen (gelijk dat
-hetwelk vele kevers en andere insekten maken, maar zwakker), terwijl de
-wijfjes geheel stom zijn. Het daartoe dienend orgaan is een getande
-lijst aan het grondvlak van het achterlijf, waartegen het harde
-achterste deel van het borststuk wordt gewreven, en van dit deel kon
-bij de wijfjes geen spoor worden ontdekt. Het verdient opmerking, dat
-verscheidene schrijvers waaronder de welbekende araneoloog Walckenaer,
-hebben verklaard, dat spinnen door muziek worden aangetrokken. [656]
-Uit de analogie met de Rechtvleugelige en Gelijkvleugelige Insekten
-(Orthoptera en Homoptera), die in het volgende hoofdstuk moeten worden
-beschreven, mogen wij bijna met zekerheid opmaken, dat dit geluid,
-zooals Westwood opmerkt, dient, hetzij om het wijfje te roepen of om
-haar op te wekken, en dit is het eerste mij bekende voorbeeld, bij het
-opklimmen op de ladder van het dierenrijk, van geluiden die met dit
-doel worden gemaakt. (7)
-
-
-
-Klasse der Myriapoda (Duizendpooten).—In geen der beide orden van deze
-klasse, die de eigenlijke duizendpooten en millioenpooten omvat, kan ik
-eenig sterksprekend voorbeeld vinden van dergelijke seksueele
-verschillen als die welke ons hier meer in het bijzonder aangaan. Bij
-Glomeris limbata echter, en wellicht bij eenige weinige andere soorten,
-verschillen de mannetjes eenigszins van de wijfjes in kleur; maar deze
-Glomeris is een zeer veranderlijke soort. Bij de mannetjes van de
-Diplopoda zijn de pooten die tot een der voorste segmenten van het
-lichaam, of tot het achterste segment behooren, vervormd in
-grijporganen, welke dienen om het wijfje te vatten. Bij sommige soorten
-van Julus zijn de voeten (tarsi) van het mannetje met het zelfde doel
-van vliezige zuigers voorzien. Een veel ongewoner geval is het, zooals
-wij zullen zien als wij de Insekten behandelen, dat het bij Lithobius
-het wijfje is, dat aan het einde van het lichaam grijpwerktuigen heeft
-om het mannetje te vatten. [657]
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) De Protozoa, en volgens de meeste hedendaagsche dierkundigen ook de
-Coelenterata (waarmede zij dan ook de Sponzen vereenigen) en
-Echinodermata, zijn Onder-Rijken, en geen Klassen. De afdeeling der
-Weekwormen (Scolecida), die ook op een hoogeren rang dan dien van
-klasse, schoon geenszins op een zoo hoogen rang als dien van
-onder-rijk, aanspraak zou kunnen maken, omvat volgens Haeckel alle
-Wormen, met uitzondering der Ringwormen (Annelida) en van de, door vele
-dierkundigen met de Crustaceeën vereenigd wordende Raderdieren
-(Rotatoria). De naam Ringwormen wordt dan beperkt tot die vormen welke
-door Harting („Leerboek”, III, 1, blz. 507) tot de orde der
-Borstelwormen (Chaetophora st. Setigera) worden gebracht.
-
-(2) Tot deze „pelagische Fauna der Glasdieren”, zooals Haeckel ze
-noemt, behooren: uit de klasse der Visschen, de familie der
-Helmichthyoïdeï (Leptocephalus, Oxystomus, Tilurus, Leptocephalichthys,
-Helmichthys); uit de klasse der Cephalopoden, de familie der
-Loligopsidae (Loligopsis, Taonius), uit die der Gasteropoden, de
-familie der Phyllirhoïdae (Phyllirhoë, Acura) en bijna alle Pteropoden
-en Heteropoden; uit die der Tunicata, de beide orden der Thaliacea en
-Luciae; uit de klasse der Schaaldieren, menigvuldige soorten uit alle
-orden, vooral uit die der Copepoden en Amphipoden; uit het rijk der
-Wormen, de geslachten Alciope en Sagitta en vele larven; uit het
-onder-rijk der Echinodermata, de zwemmende larven; uit dat der
-Coelenterata, de geheele klasse der Rib- of Kamkwallen (Ctenophora),
-verder de Schijf- of Schermkwallen (Discomedusae) en de Siphonophoren.
-
-(3) Ongetwijfeld zal niemand willen beweren, dat de schoone kleur van
-het slagaderlijk bloed is verkregen om de schoonheid van een meisje te
-verhoogen. Schrijft men echter de verschillen tusschen de
-menschenrassen aan seksueele teeltkeus toe, dan ligt het voor de hand,
-dat bij die rassen bij welke de huid der wangen doorschijnend genoeg is
-om de kleur van het slagaderlijk bloed door te laten, die
-doorschijnendheid waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus is.
-De zelfde redeneering zou men op de Eoliden kunnen toepassen, en
-veronderstellen, dat niet de schoone kleur der galklieren, maar de
-doorschijnendheid der huid, welke toelaat, dat die kleuren uitwendig
-waarneembaar zijn, het gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn. Zeer
-waarschijnlijk vinden wij echter deze onderstelling niet.
-
-(4) Bij Argonauta bezit alleen het wijfje de verbreede eindplaten aan
-twee der vangarmen en de daardoor afgescheiden wordende schelp. Deze
-schijnen ons een goed voorbeeld van een secundair seksueel kenmerk bij
-Cephalopoden.
-
-(5) Wanneer dit niet zoo onwaarschijnlijk was, kon men op deze wijze
-wellicht de vorming der zonderlinge zoogenaamde liefdepijlen (Harting,
-„Leerboek”, Deel III, Afd. 1, blz. 816) bij sommige Gasteropoden
-verklaren.
-
-(6) Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat bij verschillende
-dieren de mannetjes eigenaardige bewegingen, als het ware dansen
-uitvoeren, als zij aan de wijfjes het hof maken. In „Eigen Haard”, 11
-Mei 1889, no. 19, vinden wij een referaat van een stuk van den heer
-Morgan uit de „Popular Science Monthly”, waaruit blijkt, dat ook een
-soort van krab (Platyonychus ocellatus) zulks doet. Als het mannetje
-van deze krab aan het wijfje het hof maakt, gaat hij recht op staan op
-het derde en vierde paar pooten, trekt het achterste paar tegen zijn
-lichaam aan, slaat zijn scharen en oogen naar boven, en gaat om zijn as
-staan draaien. Nu en dan staakt hij die draaiende beweging om zich naar
-links en rechts te buigen of zich wat vooruit of achteruit te bewegen.
-Dit gaat zoo door tot vermoeidheid hem dwingt er mede op te houden.
-Zoodra echter het wijfje hem nadert, begint hij weêr van voren af aan
-en gedraagt zich „als een dronken man.” Nu en dan tracht hij met zijn
-lange scharen het wijfje te „omhelzen, maar op zoodanige wijze, dat men
-er aan twijfelt, of het zijn doel is haar door overreding en niet door
-geweld voor zich te winnen, dan wel of ontzag voor de scharen van zijn
-dame hem zich zoo betamelijk doet gedragen.”
-
-(7) Het is bekend, dat de spinnen een uitnemend gehoor en veel smaak
-voor muziek bezitten. Pélisson merkte in zijn gevangenis een spin op,
-die dagelijks voor den dag kwam, wanneer men in de gevangenis op den
-doedelzak speelde. Walckenaer verhaalt, dat een dame bij het bespelen
-van haar harp een spin opmerkte, die aan den zolder juist boven haar
-zat. Zij verplaatste zich herhaaldelijk, doch werd telkens door de spin
-gevolgd. [658] Grétry zag, wanneer hij op de piano speelde, telkens een
-spin naderen, die zich op de piano zette en zich verwijderde, wanneer
-Grétry met spelen ophield. Van Beethoven wordt een dergelijke opmerking
-verhaald. Ik heb zelf waargenomen, hoe bij het spelen van een trio in
-een kamer een spin te voorschijn kwam, hoe langer hoe nader kwam en
-zich eindelijk plaatste op de hand van den persoon die violoncel
-speelde. Dit alles versterkt in geen geringe mate het geloof, dat de
-muzikale geluiden welke sommige mannelijke spinnen voortbrengen, dienen
-om het wijfje te bekoren en aan te lokken. Volgens sommigen voelen de
-spinnen wel de trillingen der geluidgevende lichamen, maar hooren het
-geluid niet. Dit verklaart moeilijk het geval van de spin die zich op
-de hand van den cellist plaatste, daar zoo’n week deel wel niet
-gevoelig zal trillen. In elk geval werd de spin gelokt, ’t zij dan door
-de trilling of door het geluid.
-
-Wood Mason nam te Bombay waar, dat twee groote schorpioenen, welke
-tegen elkander werden opgehitst, een geluid maakten, gelijkende op dat
-hetwelk men hoort als men over een stuk zijde schrapt of met de nagels
-over een stijven tandenborstel strijkt. Het geluidmakend orgaan bleek
-te bestaan uit een schrapper en een rasp. De schrapper is bezet met
-stevige, kegelvormige en gebogen tandjes en ligt aan de platte
-buitenvlakte van het grondlid der voelerpooten. De rasp vertoont
-talrijke regelmatige, dicht bij elkander geplaatste paddestoelvormige
-knobbeltjes en ligt op het aan het grondlid der voelerpooten
-beantwoordende lid van het eerste paar pooten. („Nature”, 25 Oct. 1876,
-blz. 565.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
-
- Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te
- grijpen.—Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet
- wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de
- seksen.—Springstaarten (Thysanura).—Tweevleugeligen
- (Diptera).—Halfvleugeligen (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen
- (Homoptera); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale
- geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen (Orthoptera); de
- muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel;
- strijdlustigheid; kleuren.—Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele
- kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid
- en kleuren.—Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige
- bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken;
- gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen.
-
-
-In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen
-soms in haar bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in
-de gekamde en schoon gevederde sprieten van de mannetjes van vele
-soorten. Bij een der Haften (Ephemerae), namelijk Chloëon, heeft het
-mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist. [659] De
-bijoogjes (ocelli) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere
-insekten, zooals bij de Mutillen, bij welke zij ook vleugelloos zijn.
-Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen waardoor het
-eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen,
-hetzij in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust,
-versierselen of muziek. Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje
-in staat stellen het wijfje te grijpen, behoeven wij hier daarom
-slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen aan de
-spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen [660]
-moeten worden beschouwd, „is het verwonderlijk”, zooals de heer B. D.
-Walsh [661] heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de
-natuur voorkomen, die slechts tot het schijnbaar onbeteekenende doel
-dienen om het mannetje in staat te stellen het wijfje stevig vast te
-grijpen.” De bovenkaken (mandibulae) worden daartoe somtijds gebruikt;
-zoo heeft het mannetje van Corydalis cornutus (een Netvleugelig Insekt,
-eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend groote kromme
-kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad
-in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te
-beschadigen. [662] Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (Lucanus
-Elaphus) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het
-wijfje, tot het zelfde doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij
-een der Graafwespen (Ammophila) gelijken de bovenkaken der beide seksen
-nauwkeurig op elkander, maar worden tot zeer verschillende doeleinden
-gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood opmerkt,
-„uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun
-sikkelvormige kaken” [663], terwijl de wijfjes deze organen gebruiken
-om in het zand te graven en haar nesten te maken.
-
-De voeten (tarsi) der voorpooten zijn bij de mannetjes van vele kevers
-uitgezet of met breede haarkussens voorzien en bij vele geslachten van
-Waterroofkevers zijn zij gewapend met een ronden platten zuiger, opdat
-het mannetje zich aan het glibberige lichaam van het wijfje zou kunnen
-vasthechten. Het is een veel meer ongewone omstandigheid, dat bij de
-wijfjes van sommige Waterroofkevers (Dytiscus) de dekschilden (elytra)
-diepe groeven bezitten en dat zij bij Acilius sulcatus dik met haren
-zijn bezet, om het mannetje te helpen. Bij de wijfjes van sommige
-andere Waterroofkevers (Hydroporus) vertoonen de dekschilden met het
-zelfde doel verdiepte stippels. [664] Bij het mannetje van Crabro
-cribrarius (Fig. 23) is de scheen (tibia) tot een breede hoornachtige
-plaat uitgezet met kleine vliezige vlekken, die er een vreemd aanzien
-aan geven, gelijk aan dat van een zeef. [665] Bij het mannetje van
-Penthe (een kevergeslacht) zijn eenige weinige van de middelste leedjes
-der sprieten (antennae) uitgezet en aan de ondervlakte van haarkussens
-voorzien, volkomen gelijkende op die aan de voeten der Loopkevers
-(Carabidae), „en blijkbaar tot het zelfde doel dienende.” Bij de
-mannetjes der Waternimfen, „zijn de aanhangsels aan het uiteinde van
-den staart gewijzigd volgens een bijna oneindige verscheidenheid van
-merkwaardige modellen om hen in staat te stellen den hals van het
-wijfje te vatten.” Eindelijk zijn bij de mannetjes van vele insekten de
-pooten van bijzondere stekels, knobbels en sporen voorzien, of de
-geheele poot is gebogen of verdikt; dit is echter in geenen deele
-altijd een seksueel kenmerk, of één paar of alle drie de paren zijn
-verlengd, somtijds in buitensporige mate. [666]
-
-In al de orden vertoonen de seksen van vele soorten verschillen waarvan
-men de beteekenis niet begrijpt. Eén merkwaardig geval is dat van een
-kever (fig. 25, 26) bij het mannetje waarvan de linker bovenkaak veel
-grooter is dan de rechter, zoodat de mond zeer misvormd is. Bij een
-anderen Loopkever, den Eurygnathus, hebben wij, voor zoover de heer
-Wollaston weet, het eenige geval, waarin het wijfje, hoewel in
-veranderlijke verhouding, een veel breeder en grooter kop bezit dan het
-mannetje. Een aantal dergelijke gevallen zouden hier kunnen worden
-opgenoemd. Zij zijn veelvuldig bij de Schubvleugelige Insekten
-(Lepidoptera); een der meest buitengewone is, dat bij vele Dagvlinders
-de voorpooten min of meer geatrophieerd zijn, zoodat de schenen
-(tibiae) en voeten (tarsi) in eenvoudige rudimentaire knobbels zijn
-overgegaan. Ook het beloop der vleugeladeren verschilt dikwijls bij de
-twee seksen [667], en soms verschilt ook de vorm van den omtrek der
-vleugels aanmerkelijk, zooals bij den Aricoris epitus, die mij in het
-Britsch Museum door den heer A. Butler werd getoond. De mannetjes van
-sommige Zuid-Amerikaansche Dagvlinders hebben bosjes haar op de randen
-der vleugels en horenachtige uitwassen op de oppervlakte van het
-achterste paar. [668] Bij verscheidene Britsche Dagvlinders zijn,
-zooals de heer Wonfor heeft aangetoond, alleen de mannetjes
-gedeeltelijk met bijzondere schubben bekleed. (1)
-
-Over het nut van het heldere licht van het wijfje van den glimworm is
-veel geredeneerd. Het mannetje is zwak lichtgevend, evenals de larven
-en zelfs de eieren. Sommige schrijvers hebben ondersteld dat het licht
-dient om vijanden te verschrikken, andere om het mannetje den weg naar
-het wijfje te wijzen. De heer Belt [669] schijnt eindelijk het raadsel
-te hebben opgelost; hij heeft ontdekt, dat al de Lampyridae welke hij
-heeft onderzocht, in hooge mate walgelijk van smaak zijn voor
-insektenetende zoogdieren en vogels. Het is daarom in overeenstemming
-met de onderstelling van den heer Bates, die later zal worden
-uiteengezet, dat vele insekten de Lampyridae nauwkeurig nabootsen,
-zoodat ze voor deze zullen worden aangezien en zoo aan den dood
-ontsnappen. Hij gelooft verder, dat het voor de lichtgevende soorten
-voordeelig is, dat zij dadelijk als oneetbaar worden herkend.
-Waarschijnlijk kan de zelfde verklaring worden uitgebreid tot de
-Springkevers (Elater), van welke beide seksen in hooge mate lichtgevend
-zijn. Het is niet bekend, waarom de vleugels van den vrouwelijken
-glimworm niet tot ontwikkeling zijn gekomen; maar in haar
-tegenwoordigen toestand gelijkt zij zeer veel op een larve, en, daar
-vele dieren zoo gretig op larven azen, kunnen wij begrijpen, waarom zij
-zooveel lichtgevender en opzichtiger dan het mannetje is geworden, en
-waarom de larven zelf ook lichtgevend zijn.
-
-Verschil in grootte tusschen de Seksen.—Bij Insekten van alle soorten
-zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner dan de wijfjes [670]; en dit
-verschil kan soms zelfs in den larventoestand worden opgemerkt. Zoo
-aanmerkelijk is het verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke
-cocons van den zijdeworm (Bombyx mori), dat zij in Frankrijk door een
-bijzondere wijze van wegen van elkander worden gescheiden. [671]
-
-In de lagere klassen van het Dierenrijk schijnt de meerdere grootte van
-de wijfjes algemeen daarvan af te hangen, dat zij een verbazend groot
-aantal eieren voortbrengen; en dit gaat tot op zekere hoogte wellicht
-ook bij de Insekten door. Dr. Wallace heeft echter een veel
-waarschijnlijker verklaring voorgesteld. Hij vindt na zorgvuldig acht
-te hebben gegeven op de ontwikkeling van de rupsen van Bombyx Cynthia
-en Yama-Maju, en vooral van eenige dwerg-rupsen, opgekweekt uit een
-tweede broedsel met onnatuurlijk voedsel, „dat naar verhouding dat de
-individueele nachtvlinder fraaier is, ook de voor haar
-gedaanteverwisseling noodige tijd langer is; en dit is de reden, dat
-het wijfje, hetwelk zwaarder en grooter is, omdat zij haar talrijke
-eieren moet dragen, zal worden voorafgegaan door het mannetje, dat
-kleiner is en minder noodig heeft om rijp te worden.” [672] Daar nu de
-meeste Insekten een kort leven hebben en daar zij aan vele gevaren zijn
-blootgesteld, zal het blijkbaar voordeelig voor het wijfje zijn om zoo
-spoedig mogelijk te worden bevrucht. Dit doel zal worden bereikt, als
-de mannetjes, doordat zij het eerst rijp worden, bij de komst der
-wijfjes in grooten getale gereed zijn, en dit zal op zijn beurt, zooals
-de heer A. R. Wallace heeft opgemerkt [673], op natuurlijke wijze het
-gevolg zijn van de natuurlijke teeltkeus; want de kleinste mannetjes
-zullen het eerst rijp zijn, en dus een grooter aantal nakomelingen
-nalaten, die de mindere grootte hunner voorvaderen zullen overerven,
-terwijl de grootere mannetjes, omdat zij later rijp worden, minder
-nakomelingen zullen nalaten.
-
-Er zijn echter uitzonderingen op den regel, dat de mannetjes der
-Insekten kleiner zijn dan de wijfjes, en van sommige dezer
-uitzonderingen kan men de oorzaak begrijpen. Lichaamsgrootte en kracht
-zullen een voordeel zijn voor de mannetjes die om het bezit der wijfjes
-vechten; en in deze gevallen, zooals bij het Vliegend Hert (Lucanus),
-zijn de mannetjes grooter dan de wijfjes. Er zijn echter andere kevers,
-die, voor zoover men weet, niet met elkander vechten, bij welke toch de
-mannetjes grooter zijn dan de wijfjes; en wij begrijpen de beteekenis
-van dit feit niet; in sommige dezer gevallen echter, zooals bij de
-groote Dynastes en Megasoma, kunnen wij ten minste inzien, dat er geen
-noodzakelijkheid bestond, dat de mannetjes kleiner waren dan de
-wijfjes, opdat zij vroeger rijp zouden zijn dan deze; want deze kevers
-hebben geen kort leven, en er blijft dus tijd genoeg over voor de
-paring der seksen. Zoo zijn ook de mannetjes der Waternimfen
-(Libellulidae) soms aanmerkelijk grooter en nooit kleiner dan de
-wijfjes [674]; en de heer MacLachlan gelooft, dat zij gewoonlijk met de
-wijfjes paren, voor er één of twee weken zijn voorbijgegaan, en voor
-zij de aan de mannetjes eigen kleuren hebben verkregen. Het
-merkwaardigste geval echter, dat ons toont, hoe ingewikkeld en
-gemakkelijk voorbij te zien de oorzaken dikwijls zijn, waarvan een zoo
-onbeduidend kenmerk, als een verschil in grootte tusschen de seksen,
-afhangt, leveren ons de Angeldragende Vliesvleugelige Insekten
-(Hymenoptera aculeata); want de heer F. Smith deelt mij mede, dat in
-bijna geheel die groote groep de mannetjes, in overeenstemming met den
-algemeenen regel, kleiner dan de wijfjes zijn en ongeveer een week
-vroeger dan deze uit de pop te voorschijn komen; onder de Bijen zijn
-echter de mannetjes van de honigbij (Apis mellifica), van Anthidium
-manicatum en Anthophora acervorum, en onder de Graafwespen (Fossores)
-de mannetjes van Methoca ichneumonides, grooter dan de wijfjes. De
-verklaring van deze afwijking is, dat bij deze soorten bij de paring
-het vliegen in de open lucht volstrekt noodzakelijk is, en de mannetjes
-veel kracht en een groote lichaamsgestalte noodig hebben om de wijfjes
-door de lucht met zich te dragen. De toeneming der lichaamsgrootte is
-hier verkregen in tegenspraak met de gewone betrekking tusschen de
-grootte en den duur van het ontwikkelingstijdperk; want hoewel de
-mannetjes grooter zijn, komen zij vroeger uit de pop dan de kleinere
-wijfjes.
-
-Wij zullen nu een overzicht geven van de verschillende orden, en
-daarbij die feiten uitkiezen, welke ons hier meer bijzonder aangaan. De
-Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) of Vlinders zullen voor een
-afzonderlijk hoofdstuk bewaard blijven.
-
-
-
-Orde der Springstaarten (Thysanura).—De leden dezer orde zijn voor hun
-klasse laag georganiseerd. Het zijn vleugellooze, dof gekleurde, kleine
-insekten, met leelijke, bijna misvormde koppen en lichamen. De seksen
-verschillen niet van elkander; maar zij bieden ons één belangwekkend
-feit aan, waardoor wordt aangetoond dat de mannetjes zelfs op een laag
-gedeelte van de ladder van het dierenrijk vlijtig het hof aan de
-wijfjes maken. Bij de beschrijving van Smynthurus luteus zegt Sir J.
-Lubbock [675]: „Het is zeer vermakelijk deze kleine schepsels met
-elkander te zien koketteeren. Het mannetje, dat veel kleiner dan het
-wijfje is, loopt rondom haar, en zij stooten elkander, met het
-aangezicht naar elkander toestaande, en achterwaarts en voorwaarts
-gaande als twee speelsche lammeren. Dan houdt het wijfje zich, alsof
-zij weg wil loopen, en het mannetje loopt haar achterna, terwijl uit
-zijn uiterlijk op vreemdsoortige wijze zijn toorn blijkt, haalt haar in
-en gaat weder tegenover haar staan; dan draait zij op preutsche wijze
-rond maar hij, vlugger en levendiger, loopt ook snel rond, en schijnt
-haar met zijn sprieten te slaan; daarop staan zij een tijd lang
-tegenover elkander, spelen met hun sprieten en schijnen geheel en al in
-elkander verdiept te zijn.”
-
-
-
-Orde der Tweevleugeligen (Diptera).—De seksen verschillen weinig in
-kleur. Het grootste aan den heer F. Walker bekende verschil is in het
-geslacht Bibio, waarin de mannetjes zwartachtig of geheel zwart, en de
-wijfjes donker bruinachtig oranje zijn. Het geslacht Elaphomyia, door
-den heer Wallace [676] in Nieuw Guinea ontdekt, is zeer opmerkelijk,
-daar de mannetjes horens bezitten, waarvan de wijfjes geen spoor
-vertoonen. De horens ontspringen onder de oogen en gelijken merkwaardig
-veel op die van herten, daar zij hetzij van puntige of van afgeplatte
-vertakkingen zijn voorzien. Zij evenaren bij een der soorten het
-geheele lichaam in lengte. Men zou kunnen denken, dat zij dienden om
-mede te vechten maar daar zij bij ééne soort van een prachtige met
-zwart omzoomde rozeroode kleur zijn, met een bleeke streep in het
-midden, en daar al deze insekten er zeer fraai uitzien, is het wellicht
-waarschijnlijker, dat deze horens tot sieraad dienen. Dat de mannetjes
-van sommige Tweevleugeligen met elkander vechten, is zeker; want Prof.
-Westwood [677] heeft dit meermalen bij sommige soorten van Tipula of
-Langbeenige Muggen gezien. De mannetjes van andere Tweevleugeligen
-schijnen te trachten de wijfjes door hun muziek te winnen. H. Müller
-[678] bespiedde een tijd lang twee mannetjes van Eristalis, die aan een
-wijfje het hof maakten; zij zweefden boven haar en vlogen heên en weêr,
-tegelijkertijd een hoog gonzend geluid voortbrengende. Muggen en
-muskieten (Culicidae) schijnen elkander ook door gegons aan te trekken,
-en Prof. Mayer heeft voor eenige jaren aangetoond, dat de haren op de
-sprieten van het mannetje eenstemmig trillen met de noten van een
-stemvork, binnen de grenzen van de geluiden die door het wijfje worden
-voortgebracht. (2) De lange haren trillen sympathetisch met de lage, en
-de korte met de hooge tonen. Landois verzekert ook, dat hij
-herhaaldelijk een geheelen zwerm muggen naar zich toe heeft doen
-vliegen door een bijzondere noot te zingen. De verstandelijke vermogens
-der Tweevleugeligen zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan die der
-meeste andere orden van Insekten [679], in overeenstemming met hun hoog
-ontwikkeld zenuwstelsel.
-
-
-
-Orde der Halfvleugeligen (Hemiptera).—De heer J. W. Douglas die een
-bijzondere studie van de Britsche soorten heeft gemaakt, is zoo
-vriendelijk geweest mij het een en ander mede te deelen omtrent haar
-seksueele verschillen. De mannetjes van sommige soorten bezitten
-vleugels, terwijl de wijfjes vleugelloos zijn; de seksen verschillen in
-den vorm van het lichaam en van de voorste vleugels (elytra), in de
-tweede geledingen van haar sprieten en in haar voeten (tarsi); maar
-daar de beteekenis dezer verschillen volkomen onbekend is, kunnen wij
-ze hier stilzwijgend voorbijgaan. De wijfjes zijn over het algemeen
-grooter en sterker dan de mannetjes. Bij de Britsche en, voor zoover de
-heer Douglas weet, ook bij de uitlandsche soorten, verschillen de
-seksen gewoonlijk niet veel in kleur; bij ongeveer zes Britsche soorten
-is echter het mannetje aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en bij
-omstreeks vier andere soorten is het wijfje donkerder dan het mannetje.
-Van sommige soorten zijn beide seksen fraai gekleurd; en, daar deze
-insekten uiterst erg stinken, kunnen hun opzichtige kleuren aan
-insektenetende dieren tot een teeken dienen, dat zij oneetbaar zijn. In
-eenige weinige gevallen schijnen hun kleuren rechtstreeks beschermend
-te zijn; zoo meldt mij Prof. Hoffman, dat hij een kleine bleekroode en
-groene soort nauwlijks kon onderscheiden van de knoppen op de stammen
-van de limmetjesboomen welke dit insekt veelvuldig bezoekt.
-
-Eenige soorten van Roofwantsen (Reduvidae) maken een sjirpend
-(striduleerend) geluid, dat bij Pirates stridulus, naar men zegt [680],
-wordt voortgebracht door de beweging van den hals in de holte van het
-voorste segment van het borststuk (prothorax). Volgens Westring maakt
-ook Reduvius personatus een piepend geluid. Het is mij echter niet
-mogen gelukken, eenige bijzonderheden omtrent deze insekten te
-vernemen; en ik heb ook geen reden om te onderstellen, dat er in dit
-opzicht verschil tusschen de beide seksen bestaat.
-
-
-
-Orde der Gelijkvleugeligen (Homoptera) (3).—Ieder die in een woud
-tusschen de keerkringen heeft gewandeld, moet verbaasd zijn geweest
-over het geraas dat de mannetjes der Cicaden maakten. De wijfjes zijn
-stom, zooals de Grieksche dichter Xenarchus zegt: „Gelukkig leven de
-Cicaden, daar zij sprakelooze vrouwen hebben.” Het daardoor
-veroorzaakte rumoer kon duidelijk worden gehoord aan boord van de
-„Beagle”, toen deze op een vierde mijl afstands van de kust van
-Brazilië voor anker lag; en kapitein Hancock zegt, dat het op een
-afstand van een mijl kan worden gehoord. De Grieken sloten weleer de
-Cicaden ter wille van haar zang in kooien op, en de Chineezen doen
-zulks nog heden, zoodat hij in de ooren van sommige menschen aangenaam
-moet klinken. [681] (4) De Cicadidae zingen gewoonlijk over dag, de
-Lantaarndragers (Fulgoridae) schijnen nachtzangers te zijn. Volgens
-Landois [682], die dit onderwerp onlangs heeft bestudeerd, wordt het
-geluid voortgebracht door de trilling van de randen der spleten van de
-stigmata, die in beweging worden gebracht door een uit de luchtbuizen
-(tracheae) voortkomenden luchtstroom. Doch deze meening is vóór eenige
-jaren betwist. Dr. Powell schijnt te hebben bewezen [683], dat het
-geluid wordt voortgebracht door de trilling van een vlies, dat door een
-bijzondere spier in werking wordt gebracht. Bij het levende insekt kan
-men, als het sjirpt, dit vlies zien trillen, en bij het doode insekt
-wordt het juiste geluid gehoord, wanneer aan de spier, als zij een
-weinig is gedroogd en verhard, met de punt van een speld wordt
-getrokken. Bij het wijfje is de muzikale toestel aanwezig, maar veel
-minder ontwikkeld dan bij het mannetje en wordt nimmer gebruikt om
-geluid voort te brengen. (5)
-
-Ten opzichte van het doel der muziek zegt Dr. Hartman, van de Cicada
-septemdecim der Vereenigde Staten sprekende [684]: „Het gezang wordt nu
-(6den en 7den Juni 1851) in alle richtingen gehoord. Ik geloof dat het
-de liefdesverklaringen der mannetjes zijn. In een dicht jong
-kastanjeboschje van ongeveer manshoogte staande, waar honderden Cicaden
-mij omgaven, nam ik waar, dat de wijfjes zich rondom de zingende
-mannetjes plaatsen.” Hij voegt erbij: „In dit jaargetijde (Aug. 1868)
-bracht een dwergpereboom in mijn tuin omstreeks vijftig larven van
-Cicada pruinosa voort; en ik merkte meermalen op, hoe de wijfjes naar
-een mannetje toegingen, als hij zijn schelle tonen voortbracht.” Fritz
-Müller schrijft mij uit Zuid-Brazilië, dat hij dikwijls naar een
-muzikalen wedstrijd tusschen twee of drie mannetjes van Cicaden heeft
-geluisterd, die een bijzonder krachtige stem hadden en op
-aanmerkelijken afstand van elkander zaten. Zoodra het eerste zijn zang
-had geëindigd, begon onmiddellijk het tweede; wanneer dit gereed was,
-begon een ander, en zoo vervolgens. Daar er veel wedijver tusschen de
-mannetjes bestaat, is het waarschijnlijk, dat de wijfjes hen niet
-slechts ontdekken door de voortgebrachte tonen, maar dat zij ook,
-evenals de wijfjes van vogels, worden opgewekt of aangelokt door het
-mannetje dat de aantrekkelijkste stem heeft.
-
-Ik heb geen goed uitgedrukte gevallen van tot versiering dienende
-verschillen tusschen de seksen van de Gelijkvleugeligen gevonden. De
-heer Douglas meldt mij, dat er drie Britsche soorten zijn, bij welke
-het mannetje zwart of met zwarte banden geteekend is, terwijl de
-wijfjes bleek gekleurd of donker zijn. (6)
-
-
-
-Orde der Rechtvleugeligen (Orthoptera).—In de drie families van
-springende insekten, die tot deze orde behooren, namelijk de Krekels
-(Achetidae), de Sabelsprinkhanen (Locustidae) en de Veldsprinkhanen
-(Acridiidae), munten de mannetjes uit door hun muzikale vermogens. Het
-door sommige Sabelsprinkhanen voortgebracht gesjirp is zoo sterk, dat
-het gedurende den nacht op een mijl afstands kan worden gehoord [685],
-en dat hetwelk door sommige soorten wordt voortgebracht, is niet
-wanluidend zelfs voor menschelijke ooren, zoodat de Indianen aan den
-Amazonenstroom hen in gevlochten kooien bewaren. Alle waarnemers zijn
-het er over eens, dat de tonen dienen om de wijfjes hetzij te roepen of
-op te wekken. Men heeft echter opgemerkt [686], dat het mannetje van
-den Russischen Treksprinkhaan (een der Veldsprinkhanen), als hij met
-het wijfje gepaard is, van toorn en ijverzucht sjirpt, wanneer een
-ander mannetje nadert. Als de huiskrekel ’s nachts wordt overvallen,
-gebruikt hij zijn stem om zijn makkers te waarschuwen. [687] Een der
-Sabelsprinkhanen, Platyphyllum concavum, die door de Noord-Amerikanen
-„Katy-did” wordt genoemd, klimt, volgens de beschrijving [688], op de
-bovenste takken van een boom, en begint des avonds zijn luidruchtig
-gesnap, terwijl de tonen zijner mededingers uit de naburige boomen
-voortkomen, en de bosschen weêrgalmen den geheelen nacht door van den
-kreet van „Katy-did-she-did.” De heer Bates zegt van den Europeeschen
-zwarten veldkrekel (een der Achetidae): „men heeft opgemerkt, dat het
-mannetje zich ’s avonds aan den ingang van zijn hol plaatst, en sjirpt
-tot er een wijfje nadert; dan worden de luide tonen vervangen door een
-meer gesmoord geluid, terwijl de gelukkige muzikant de gezellin die hij
-heeft verworven, met zijn sprieten liefkoost.” [689] Door met een
-penneschacht over een vijl te strijken, slaagde Dr. Scudder er in een
-dezer insekten zoo ver te brengen, dat het hem beantwoordde. [690] Bij
-beide seksen is door von Siebold een merkwaardig gehoorwerktuig
-gevonden, dat in de voorpooten is gelegen. [691]
-
-Bij de drie Families worden de geluiden op verschillende wijze
-voortgebracht. Bij de mannetjes der Krekels (Achetidae) hebben beide
-voorvleugels den zelfden toestel; en deze bestaat bij den zwarten
-veldkrekel (Gryllus campestris, Fig. 24, 25), volgens de beschrijving
-van Landois [692] uit 131 tot 138 scherpe, dwarse ruggen of tanden
-(st), aan de onderzijde van een der aderen van den voorvleugel. Deze
-getande ader wordt snel gestreken over een gladde, harde, uitstekende
-ader van den tegenovergestelden vleugel. Eerst wordt de eene vleugel
-over den anderen gewreven en daarna wordt de beweging omgekeerd. Beide
-vleugels worden tegelijkertijd een weinig opgelicht om de resonantie te
-vermeerderen. Bij sommige soorten zijn de voorvleugels van het mannetje
-voorzien van een plaatje dat er als talk uitziet. [693] Ik heb hier een
-teekening gegeven (Fig. 29) van de onderzijde van de ader bij een
-andere soort van krekel, namelijk den huiskrekel (Gryllus domesticus).
-
-Wat het ontstaan dezer tanden aangaat, heeft Dr. Gruber [694]
-aangetoond, dat zij ontwikkeld zijn met behulp der teeltkeus uit de
-kleine schubben en haren waarmede de vleugels en het lichaam bedekt
-zijn, en ik kwam tot het zelfde besluit ten opzichte van die der
-Schildvleugeligen (Coleoptera). Doch Dr. Gruber toont verder aan, dat
-hun ontwikkeling gedeeltelijk een rechtstreeksch gevolg is geweest van
-de wrijving van den eenen vleugel over den anderen.
-
-Bij de Sabelsprinkhanen (Locustidae) verschillen de tegenovergestelde
-voorvleugels in maaksel (Fig. 30, 31, 32), en kunnen niet, gelijk in de
-vorige familie, op omgekeerde wijze worden gebruikt. De linkervleugel,
-die als de strijkstok van de viool werkt, ligt over den rechtervleugel
-die de viool zelf voorstelt. Een der aderen (a, Fig. 31) aan de
-ondervlakte van den eersten is fijn gezaagd en wordt gestreken over de
-vooruitstekende aderen aan de onderste oppervlakte van den
-tegenovergestelden of rechtervleugel. Bij onze Britsche Phasgonura
-viridissima scheen het mij toe, dat de gezaagde ader wordt gewreven
-tegen den afgeronden achterhoek van den tegenovergestelden vleugel,
-waarvan de rand verdikt, bruin gekleurd en zeer scherp is. Aan den
-rechtervleugel, maar niet aan den linker-, is een klein plaatje, zoo
-doorzichtig als talk, door aderen omgeven en spiegel (speculum)
-genaamd. Bij Ephippiger vitium een lid van de zelfde familie, hebben
-wij een merkwaardige ondergeschikte wijziging; want bij dezen zijn de
-voorvleugels sterk in grootte afgenomen, maar „het achterste gedeelte
-van het voorborststuk (prothorax) verheft zich als een soort van
-koepeldak over de voorvleugels en deze inrichting dient waarschijnlijk
-tot versterking van het geluid.” [695] (7)
-
-Wij zien derhalve, dat het muziekinstrument meer is gedifferentieerd en
-gespecialiseerd bij de Sabelsprinkhanen, waartoe ik geloof, dat de
-krachtigste muzikanten van de orde behooren, dan bij de Krekels, bij
-welke beide voorvleugels het zelfde maaksel hebben en tot de zelfde
-functie dienen. [696] Landois ontdekte echter bij een der
-Sabelsprinkhanen, namelijk bij Decticus, een korte en smalle rij kleine
-tanden, bloote rudimenten, op de ondervlakte van den
-rechtervoorvleugel, die onder den anderen ligt en nooit als strijkstok
-wordt gebruikt. Ik nam het zelfde rudimentaire deel waar aan de
-onderzijde van den rechtervoorvleugel bij Phasgonura viridissima. Wij
-mogen hieruit gerust afleiden, dat de Sabelsprinkhanen afstammen van
-een vorm, bij welken, evenals bij de hedendaagsche Krekels, beide
-voorvleugels aan de ondervlakte gezaagde aderen bezaten en beide even
-goed als strijkstok konden worden gebruikt, maar dat bij de
-Sabelsprinkhanen de beide voorvleugels trapsgewijze zijn
-gedifferentieerd en volkomener gemaakt, volgens het beginsel van
-verdeeling van den arbeid, de eene om uitsluitend de rol van
-strijkstok, de andere om die van viool te vervullen. Op welke wijze de
-eenvoudiger inrichting bij de Krekels ontstond, weten wij niet; het is
-echter waarschijnlijk, dat de basale deelen der voorvleugels elkander
-vroeger evenals tegenwoordig overdekten, en dat de wrijving der aderen
-een knarsend geluid voortbracht, zooals ik zie, dat nu het geval met de
-voorvleugels is. [697] Een dergelijk knarsend geluid, nu en dan eens
-bij toeval door de mannetjes gemaakt, kan, als het hen, al was het maar
-nog zoo weinig, diende als een loktoon voor de wijfjes, gemakkelijk
-door de seksueele teeltkeus zijn versterkt, doordat gepaste wijzigingen
-in de ruwheid der aderen voortdurend behouden bleven.
-
-Bij de derde en laatste familie, namelijk de Acridiidae of
-Veldsprinkhanen, wordt het gesjirp op een geheel verschillende wijze
-voortgebracht, en is, volgens Dr. Scudder, niet zoo schril, als bij de
-voorgaande families. De binnenvlakte van de dij (Fig. 33) is voorzien
-van een overlangsche rij kleine, sierlijke, lancetvormige,
-veerkrachtige tandjes, van 85 tot 93 in getal [698] (Fig. 34); en deze
-worden over de scherpe, uitstekende aderen der voorvleugels gestreken,
-welke daardoor in trilling geraken en geluid geven. Harris [699] zegt,
-dat wanneer een der mannetjes begint te sjirpen, hij eerst „de scheen
-van den achterpoot onder de dij brengt, waar zij in een daartoe
-bestemde groeve wordt opgenomen, en dan den poot snel op en neder
-trekt. Hij speelt niet op beide zijn violen te gelijk, maar afwisselend
-eerst op de eene en dan op de andere.” (8) Bij vele soorten is het
-grondvlak van het achterlijf uitgehold tot een groote holte, die, naar
-men gelooft, als klankbodem werkt. Bij Pneumora (Fig. 35 en 36), een
-Zuid-Afrikaansch geslacht tot de zelfde familie behoorende, ontmoeten
-wij een nieuwe en opmerkelijke wijziging: bij de mannetjes steekt
-namelijk een smalle scherpe rug aan beide zijden van het achterlijf
-uit, waartegen de dijen der achterpooten worden gewreven. [700] Daar
-het mannetje vleugels bezit, hoewel het wijfje vleugelloos is, is het
-opmerkelijk, dat de dijen niet op de gewone wijze tegen de voorvleugels
-worden gewreven; maar dit moet wellicht worden verklaard door de
-ongewoon geringe grootte der achterpooten. Ik ben niet in de
-gelegenheid geweest om de binnenste oppervlakte der dijen te
-onderzoeken, die, naar de analogie te oordeelen, fijn gezaagd zou zijn.
-De Pneumora-soorten zijn ter wille van haar sjirpvermogen sterker
-gewijzigd, dan eenig ander Rechtvleugelig Insekt; want bij het mannetje
-is het geheele lichaam in een muziekinstrument veranderd, als een
-groote doorzichtige blaas, door lucht uitgezet, om daardoor de
-resonantie te vermeerderen. (9) De heer Trimen deelt nog mede, dat aan
-de Kaap de Goede Hoop deze insekten gedurende den nacht een
-verwonderlijk geraas maken.
-
-Er is ééne uitzondering op den regel, dat de wijfjes in deze drie
-families geen bruikbaar muziekinstrument bezitten; want bij Ephippiger
-(een der Sabelsprinkhanen) zegt men [701], dat beide seksen daarvan
-voorzien zijn. Dit geval kan worden vergeleken bij dat van het rendier,
-de eenige soort van hert bij welke beide seksen horens bezitten. Hoewel
-de wijfjes der Rechtvleugeligen dus bijna zonder uitzondering stom
-zijn, vond Landois [702] toch rudimenten van sjirporganen aan de dijen
-der vrouwelijke Veldsprinkhanen, en dergelijke rudimenten aan het
-ondervlak der voorvleugels van de vrouwelijke Krekels; maar hij slaagde
-er niet in om dergelijke rudimenten te vinden bij de wijfjes van
-Decticus, een der Sabelsprinkhanen. Bij de Gelijkvleugeligen bezitten
-de stomme wijfjes der Cicaden het eigenaardige muziekinstrument in
-onontwikkelden staat; en wij zullen later in andere afdeelingen van het
-dierenrijk tallooze voorbeelden ontmoeten van deelen die aan het
-mannetje eigen zijn, doch in rudimentairen toestand ook bij het wijfje
-worden gevonden. Dergelijke gevallen schijnen op het eerste gezicht aan
-te toonen, dat de beide seksen oorspronkelijk op de zelfde wijze
-gebouwd waren, doch dat zekere organen later door de wijfjes verloren
-werden. Het is echter een meer waarschijnlijke meening, zooals vroeger
-is verklaard, dat bedoelde organen door de mannetjes werden verkregen
-en gedeeltelijk op de wijfjes overgebracht.
-
-Landois heeft een ander belangwekkend feit waargenomen, namelijk dat
-bij de wijfjes der Veldsprinkhanen de sjirptandjes op de dijen
-levenslang in den zelfden toestand blijven, waarin zij bij beide seksen
-in den larvenstaat het eerst verschijnen. Bij de mannetjes daarentegen
-komen zij tot volkomen ontwikkeling en verkrijgen zij hun volkomen
-inrichting bij de laatste vervelling, als het insekt volwassen en voor
-de voortplanting gereed is.
-
-Uit de hier vermelde feiten zien wij, dat de middelen waardoor de
-mannetjes hun geluiden voortbrengen, bij de Rechtvleugeligen van zeer
-onderscheiden aard zijn, en dat zij geheel verschillen van die welke
-bij de Gelijkvleugeligen worden gebruikt. [703] Maar in het geheele
-dierenrijk vinden wij onophoudelijk, dat het zelfde doel door de meest
-verschillende middelen wordt bereikt, hetgeen daardoor wordt
-veroorzaakt, dat de geheele organisatie in den loop der eeuwen
-veelvuldige veranderingen ondergaat; en daar eerst het eene, daarna het
-andere deel wordt gewijzigd, wordt uit verschillende veranderingen
-voordeel getrokken tot het zelfde algemeene doel. De verscheidenheid
-der middelen om geluid voort te brengen bij de drie families der
-Rechtvleugeligen en bij de Gelijkvleugeligen vervult onzen geest met de
-hooge belangrijkheid van deze organen voor de mannetjes, ten einde de
-wijfjes te roepen of aan te lokken. Wij behoeven ons niet te
-verwonderen over de groote verandering welke de Rechtvleugeligen in dit
-opzicht hebben ondergaan, daar wij tegenwoordig door Dr. Scudder’s
-merkwaardige ontdekking [704] weten, dat daarvoor meer dan overvloedig
-tijd is geweest. Deze natuuronderzoeker heeft onlangs een fossiel
-insekt gevonden in de Devonische vorming van Nieuw-Brunswijk, dat
-voorzien is van „het welbekende tympanum of sjirp-orgaan der mannelijke
-Sabelsprinkhanen.” Dit insekt, hoewel in de meeste opzichten met de
-Netvleugeligen (Neuroptera) verwant, schijnt, zooals met zeer oude
-vormen zoo dikwijls het geval is, de beide orden der Netvleugeligen en
-Rechtvleugeligen te verbinden, die nu algemeen als geheel onderscheiden
-worden gerangschikt.
-
-Ik heb weinig meer over de Rechtvleugeligen te zeggen. Sommige soorten
-zijn zeer strijdlustig; als twee mannelijke zwarte Veldkrekels (Gryllus
-campestris) bij elkander worden opgesloten, vechten zij, totdat de eene
-den anderen doodt, en de Mantis soorten (Roofsprinkhanen) manoeuvreeren
-volgens de beschrijving met hun zwaardvormige voorpooten als huzaren
-met sabels. De Chineezen bewaren deze insekten in kleine bamboezen
-kooien en laten ze met elkander vechten evenals vechthanen. [705] Wat
-de kleur aangaat, munten sommige uitlandsche (exotische) sprinkhanen
-uit, wier achtervleugels met rood, blauw en zwart versierd zijn; maar
-daar in deze geheele orde de beide seksen zelden veel in kleur
-verschillen, is het twijfelachtig, of zij deze fraaie kleuren aan
-seksueele teeltkeus verschuldigd zijn. Opzichtige kleuren kunnen voor
-deze insekten nuttig zijn als een bescherming, volgens het beginsel,
-dat in het volgende hoofdstuk zal worden verklaard, door hun vijanden
-te waarschuwen, dat zij oneetbaar zijn. Zoo heeft men waargenomen
-[706], dat een Indische fraai gekleurde sprinkhaan standvastig werd
-weggeworpen, als men hem aan vogels en hagedissen aanbood. Er zijn
-echter in deze orde enkele gevallen van seksueele kleurverschillen
-bekend. Het mannetje van een Amerikaanschen krekel [707] wordt
-beschreven als ivoorwit, terwijl het wijfje afwisselt van bijna wit tot
-geelachtig groen of zwartachtig. De heer Walsh deelt mij mede, dat het
-volwassen mannetje van Spectrum femoratum, een der Spookinsekten of
-Wandelende Bladeren (Phasmidae), „van een glanzend bruinachtig gele
-kleur is, terwijl de volwassen wijfjes dof ondoorschijnend aschachtig
-bruin en de jongen van beide seksen groen zijn. Eindelijk kan ik
-vermelden, dat het mannetje van ééne merkwaardige soort van krekel
-[708] voorzien is van een „lang vliesachtig aanhangsel, dat als een
-sluier over het gelaat valt”; of dit echter tot een sieraad dient, is
-niet bekend.
-
-
-
-Orde der Netvleugeligen (Neuroptera).—Hierover behoeft weinig te worden
-gezegd, behalve ten opzichte der kleur. Bij de Haften (Ephemeridae)
-verschillen de donkere kleuren dikwijls bij de seksen een weinig [709];
-maar het is niet waarschijnlijk, dat de mannetjes daardoor
-aantrekkelijker voor de wijfjes worden gemaakt. De Waternimfen
-(Libellulidae) zijn versierd met prachtige groene, blauwe, gele en
-vermiljoenkleurige metaalglanzende tinten; en de seksen verschillen
-dikwijls. Zoo zijn de mannetjes van sommige Agrionidae, gelijk Prof.
-Westwood opmerkt [710], „van een rijk blauw met zwarte vleugels,
-terwijl de wijfjes schoon groen met ongekleurde vleugels zijn.” Bij
-Agrion Ramburii zijn deze kleuren echter bij beide seksen juist
-omgekeerd. [711] Bij het uitgebreide Noord-Amerikaansche geslacht
-Hetaerina hebben alleen de mannetjes een fraaie karmijnroode vlek op
-het begin van elken vleugel. Bij Anax junius is het gronddeel van het
-achterlijf bij het mannetje levendig ultramarijnblauw en bij het wijfje
-grasgroen. Bij het verwante geslacht Gomphus en bij sommige andere
-geslachten verschillen de seksen daarentegen slechts weinig in kleur.
-In het geheele dierenrijk komen vele dergelijke gevallen voor, waarin
-de seksen van nauw verwante vormen hetzij grootelijks, of zeer weinig,
-of in het geheel niet verschillen. Hoewel bij vele Waternimfen zulk een
-groot verschil in kleur tusschen de seksen bestaat, is het dikwijls
-moeielijk te zeggen, welke de schitterendste is, en bij ééne soort van
-Agrion is de gewone kleuring der seksen juist omgekeerd, zooals wij
-daareven hebben gezien. Het is niet waarschijnlijk, dat in eenig geval
-haar kleuren tot bescherming zijn verkregen. Zooals de heer MacLachlan,
-die deze familie nauwkeurig heeft bestudeerd, mij schrijft, zijn de
-Waternimfen—de tyrannen der insektenwereld—van alle insekten het minst
-vatbaar om door vogels of andere vijanden te worden aangevallen. Hij
-gelooft, dat haar schitterende kleuren dienen om de andere sekse aan te
-lokken. Het verdient met betrekking hiertoe opmerking, dat de
-Waternimfen door bijzondere kleuren schijnen te worden aangetrokken; de
-heer Patterson [712] nam waar, dat die soorten van Agrionidae, wier
-mannetjes blauw zijn, zich in grooten getale op den blauwen dobber van
-een vischlijn neerzetten; terwijl twee andere soorten door blinkende
-witte kleuren werden aangetrokken.
-
-Het is een belangwekkend, het eerst door Schelver opgemerkt feit, dat
-de mannetjes bij verscheidene geslachten, tot twee onder-families
-behoorende, als zij pas uit het larvenhulsel voortkomen, juist zoo zijn
-gekleurd als de wijfjes; maar dat hun lichamen binnen korten tijd een
-opzichtige melkachtige blauwe tint aannemen, die het gevolg is van de
-uitzweeting van een soort van in aether en alcohol oplosbare olie. De
-heer MacLachlan gelooft, dat deze kleursverandering bij Libellula
-depressa geen plaats grijpt voor ongeveer veertien dagen na de
-gedaanteverwisseling, als de seksen gereed zijn om te paren.
-
-Sommige soorten van Neurothemis vertoonen volgens Brauer [713] een
-merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij
-sommige wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere
-wijfjes „zeer rijk aan aderen is, evenals bij de mannetjes van de
-zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel volgens de
-Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote
-rijkdom aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”.
-Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar
-het, evenals elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent
-voorhanden is, komt het nu en dan ook bij deze tot ontwikkeling. Wij
-hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de beide seksen van vele
-dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te gelijken,
-namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij
-dit bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de
-wijfjes; bij dit bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge
-en volkomen overbrenging tot stand. De heer MacLachlan deelt mij een
-ander geval van dimorphisme mede, dat bij verscheidene soorten van
-Agrion plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt
-van een oranjekleur, en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is
-waarschijnlijk een geval van atavisme; want wanneer bij de ware
-Waternimfen (Libellulae) de seksen in kleur verschillen, zijn de
-wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als men onderstelt dat Agrion
-afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de
-kenmerkende seksueele kleuren der typische Waternimfen (Libellulae)
-bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die
-richting af te wijken, alleen bij de wijfjes bestond.
-
-Hoewel deze Waternimfen zulke groote, sterke en wreedaardige insekten
-zijn, heeft de heer MacLachlan nooit waargenomen, dat de mannetjes met
-elkander vochten, behalve, naar hij gelooft, bij sommige der kleinere
-Agrion-soorten. Bij een andere zeer verschillende groep in deze orde,
-namelijk bij de Termieten of Witte Mieren, kan men soms in den
-zwermtijd de seksen elkander achterna zien zitten, „het mannetje achter
-het wijfje, somtijds twee mannetjes één wijfje najagende en met groote
-vurigheid wedijverende, wie den prijs zal winnen.” [714]
-
-
-
-Orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera).—Bij de beschrijving der
-levenswijze van een Graafwesp (Cerceris), merkt de heer Fabre [715],
-die onovertreffelijke waarnemer, op, dat „veelvuldig gevechten plaats
-grijpen tusschen de mannetjes om het bezit van het eene of andere
-bijzondere wijfje, dat schijnbaar, alsof zij er niet in was betrokken,
-naar den strijd om de oppermacht zit te kijken, en, als de overwinning
-is beslist, bedaard wegvliegt in gezelschap van den overwinnaar.”
-Westwood [716] zegt, dat de mannetjes van een der Bladwespen
-(Tenthredinidae) „te zamen vechtende met toegeklemde bovenkaken zijn
-gevonden.” Daar de heer Fabre zegt, dat de mannetjes van Cerceris een
-bijzonder wijfje trachten te verkrijgen, is het goed ons te herinneren,
-dat insekten, tot deze orde behoorende, het vermogen bezitten om
-elkander na lange tusschenruimten van tijd te herkennen, en zeer aan
-elkander zijn gehecht. Pierre Huber, wiens nauwkeurigheid niemand
-betwijfelt, scheidde bijvoorbeeld eenige mieren, en toen zij na een
-tusschenruimte van eenige maanden andere ontmoetten, die vroeger tot de
-zelfde vereeniging hadden behoord, herkenden zij elkander wederkeerig
-en liefkoosden elkander met haar sprieten. Waren zij vreemdelingen
-geweest, dan zouden zij te zamen hebben gevochten. Als daarentegen twee
-vereenigingen elkander slag leveren, vallen de mieren van de eene
-partij elkander soms in de algemeene verwarring aan; maar spoedig
-bemerken zij haar dwaling en dan liefkoost de eene mier de andere.
-[717]
-
-In deze orde zijn geringe verschillen in kleur volgens de sekse gemeen;
-maar in ’t oog loopende verschillen zijn zeldzaam, behalve in de
-familie der Bijen; echter zijn beide seksen van zekere groepen zoo
-schitterend gekleurd,—bijvoorbeeld die van de Goudwespen (Chrysis) bij
-welke vermiljoen en metaalglanzend groen de overhand hebben,—dat wij in
-verzoeking komen om zulks voor een gevolg der seksueele teeltkeus te
-houden. Bij de Sluipwespen (Ichneumonidae) zijn volgens den heer Walsh
-[718] de mannetjes bijna algemeen lichter gekleurd dan de wijfjes. Bij
-de Bladwespen (Tenthredinidae) daarentegen zijn de mannetjes over het
-algemeen donkerder dan de wijfjes. Bij de Houtwespen (Siricidae)
-verschillen de seksen dikwijls; zoo heeft het mannetje van Sirex
-juvencus oranje banden over het lichaam, terwijl het wijfje donker
-purperkleurig is; maar het is moeielijk te zeggen, welke sekse het
-meest versierd is. Bij de Tremex columbae is het wijfje veel levendiger
-gekleurd dan het mannetje. Bij de Mieren zijn, naar de heer F. Smith
-mij mededeelde, de mannetjes van verscheidene soorten zwart, terwijl de
-wijfjes bruinachtig zijn. In de familie der Bijen, vooral bij de
-eenzaam levende soorten, verschillen, naar ik van den zelfden
-uitnemenden insektenkenner hoor, de seksen dikwijls in kleur. De
-mannetjes zijn over het algemeen het levendigst gekleurd, en bij
-Bombus, zoowel als bij Apathus, veel veranderlijker van kleur dan de
-wijfjes. Bij Anthophora retusa is het mannetje van een rijk roodachtig
-bruin, terwijl het wijfje geheel zwart is; evenzoo zijn de wijfjes van
-onderscheidene soorten van Xylocopa zwart, terwijl de mannetjes helder
-geel zijn.
-
-Daarentegen zijn bij sommige soorten, gelijk Andraena fulva, de wijfjes
-veel levendiger gekleurd dan de mannetjes. Dergelijke verschillen in
-kleur kunnen moeilijk alleen worden verklaard, doordat de mannetjes,
-zonder verdedigingsmiddelen zijn en dus bescherming noodig hebben,
-terwijl de wijfjes goed worden verdedigd door haar angels. H. Müller
-[719], die een bijzondere studie heeft gemaakt van bijen, schrijft deze
-verschillen in kleur voornamelijk aan seksueele teeltkeus toe. Dat
-bijen een scherp waarnemingsvermogen voor kleuren hebben, is zeker. Hij
-zegt, dat de mannetjes de wijfjes hartstochtelijk zoeken en om haar
-bezit vechten; en hij verklaart door dergelijke gevechten, hoe de
-bovenkaken van de mannetjes bij sommige soorten grooter zijn dan die
-van de wijfjes. In sommige gevallen zijn de mannetjes veel talrijker
-dan de wijfjes, hetzij vroeg in het voorjaar, of op alle tijden en
-plaatsen, of locaal. Bij sommige soorten schijnen de schoonste
-mannetjes door de wijfjes, en bij andere de schoonste wijfjes door de
-mannetjes te zijn uitgezocht. Bij gevolg verschillen in zekere
-geslachten (Müller, blz. 42) de mannetjes van de verschillende soorten
-zeer in uiterlijk, terwijl de wijfjes bijna niet van elkander zijn te
-onderscheiden; bij andere geslachten heeft het tegendeel plaats. H.
-Müller gelooft (blz. 82), dat de door de eene sekse door seksueele
-teeltkeus verkregen kenmerken dikwijls in verschillende mate op de
-andere sekse zijn overgegaan, juist gelijk de toestel om stuifmeel te
-verzamelen van het wijfje dikwijls op het mannetje is overgegaan, voor
-wien hij volstrekt nutteloos is. [720] Bij een Nieuw-Hollandsche bij
-(Lestis bombylans) is het wijfje van een uiterst schitterend
-staalblauw, soms met levendig groene schakeeringen, terwijl het
-mannetje van een heldere bronskleur en rijk met roodachtig dons
-begroeid is. Daar in deze groep de wijfjes in haar angels uitnemende
-verdedigende wapenen bezitten, is het niet waarschijnlijk, dat zij in
-kleur van de mannetjes zijn begonnen te verschillen ter wille van de
-bescherming.
-
-Mutilla Europea maakt een sjirpend geluid; en volgens Goureau [721]
-hebben beide seksen dit vermogen. Hij schrijft het geluid toe aan de
-wrijving van den derden en de daarvoorgaande ringen (segmenten) van het
-achterlijf, en ik heb waargenomen, dat de oppervlakte daarvan met
-fijne, gelijkmiddelpuntige (concentrische) richeltjes is bezet; maar
-dit is ook het geval met den uitstekenden kraag van het borststuk,
-waaraan de kop door een geleding is verbonden; en deze kraag geeft, als
-men hem met de punt van een naald bekrast, juist het zelfde geluid. Het
-is nog al vreemd, dat beide seksen het vermogen om te sjirpen zouden
-bezitten, daar het mannetje gevleugeld en het wijfje vleugelloos is.
-Het is bekend, dat Bijen sommige gemoedsaandoeningen, b.v. toorn,
-uitdrukken door den toon van hun gebrom, gelijk ook sommige
-Tweevleugelige Insekten doen (10); ik heb echter geen melding van die
-geluiden gemaakt, daar zij in volstrekt geen verband met de vrijage
-staan.
-
-
-
-Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera).—Vele kevers zijn zoodanig
-gekleurd, dat zij gelijken op de oppervlakten die zij gewoonlijk
-bezoeken. Andere soorten zijn met prachtige metallieke kleuren
-versierd,—bij voorbeeld, vele Loopkevers (Carabidae), die op den grond
-leven en het vermogen bezitten om zich te verdedigen door de
-afscheiding van een scherpe bijtende stof,—de prachtige Diamantkevers,
-die door een uiterst harde huid worden beschermd,—vele soorten van
-Goudhaantjes (Chrysomela), zooals Chrysomela cerealis, een groote,
-fraai met verschillende kleuren gestreepte soort die in
-Groot-Brittannië tot den naakten top van Snowdon beperkt zijn,—en een
-menigte andere soorten. Deze prachtige kleuren, die dikwijls in
-strepen, vlekken, kruisen en volgens andere sierlijke modellen
-gerangschikt zijn, kunnen moeielijk voordeelig zijn voor de
-bescherming, behalve in het geval van sommige zich met bloemen voedende
-soorten; en wij kunnen niet gelooven, dat zij doelloos zijn. Daarom
-rijst bij ons het vermoeden, dat zij strekken om de andere sekse te
-bekoren; maar wij hebben daarvan geen bewijzen; want de seksen
-verschillen zelden in kleur. Blinde kevers, die elkanders schoon
-natuurlijk niet kunnen zien, prijken, naar ik van den heer Waterhouse
-jun. hoor, nimmer met schitterende kleuren, hoewel zij dikwijls
-glanzende bekleedselen hebben; maar de reden van hun donkere kleur is
-wellicht, dat blinde insekten holen en andere duistere plaatsen
-bewonen.
-
-Sommige Boktorren (Longicornia) echter, vooral zekere Prionidae, bieden
-een uitzondering aan op den gewonen regel, dat de seksen van kevers
-niet in kleur verschillen. De meeste dezer insekten zijn groot en
-prachtig gekleurd. De mannetjes van het geslacht Pyrodes [722] zijn,
-gelijk ik in de verzameling van den heer Bates zag, over het geheel
-rooder, maar iets doffer dan de wijfjes, welke laatste meer of minder
-prachtig goudgroen zijn gekleurd. Bij het geslacht Esmeralda
-verschillen de seksen zoozeer in kleur, dat zij als verschillende
-soorten zijn gerangschikt; bij ééne soort zijn beiden van een prachtig
-glinsterend groen; maar het mannetje heeft een rood borststuk (thorax).
-Over het geheel zijn, zoover ik er over kan oordeelen, de wijfjes van
-die Prionidae bij welke de seksen verschillen, rijker gekleurd dan de
-mannetjes; en dit stemt niet overeen met den algemeenen regel ten
-opzichte van de kleur, wanneer deze door seksueele teeltkeus is
-verkregen.
-
-Een zeer merkwaardig onderscheid tusschen de seksen van vele kevers
-wordt opgeleverd door de groote horens, die op den kop, het borststuk
-of het schildje (clypeus) der mannetjes en in eenige weinige gevallen
-op de ondervlakte van hun lichaam zijn ingeplant. Deze horens gelijken
-in de groote familie der Bladsprietigen (Lamellicornia) op die van
-verschillende viervoetige dieren, zooals herten, neushoorns, enz., en
-zijn verwonderlijk zoowel door hun grootte als door de verscheidenheid
-hunner vormen. In plaats van hen te beschrijven heb ik afbeeldingen
-gegeven van de mannetjes en wijfjes der merkwaardigste vormen (Fig.
-37–46). De wijfjes vertoonen gewoonlijk rudimenten van horens in den
-vorm van kleine knobbels of ribbetjes; maar sommige bezitten zelfs die
-rudimenten niet. Daarentegen zijn de horens bij het wijfje bijna even
-goed ontwikkeld als bij het mannetje bij Phanaeus lancifer, en slechts
-een weinig minder ontwikkeld bij de wijfjes van sommige andere soorten
-van het zelfde geslacht en van Copris. Bij de verschillende
-onderafdeelingen der familie bestaat er, naar de heer Bates mij
-mededeelt, geen verhouding tusschen de verschillen in het maaksel der
-horens en de meer belangrijke en kenmerkende verschillen; zoo zijn er
-in de zelfde natuurlijke afdeeling van het geslacht Onthophagus-soorten
-die een enkelen hoorn, en andere die twee verschillende horens op den
-kop hebben.
-
-In bijna alle gevallen zijn de horens opmerkelijk wegens hun
-bovenmatige variabiliteit, zoodat een trapsgewijze reeks kan worden
-gevormd van de hoogst ontwikkelde mannetjes tot andere, die zoo weinig
-ontaard zijn, dat zij slechts even van de wijfjes te onderscheiden
-zijn. De heer Walsh [723] bevond, dat bij Phanaeus carnifex de horens
-bij sommige mannetjes driemaal zoo lang waren als bij andere. De heer
-Bates dacht, na meer dan honderd mannetjes van Onthophagus rangifer
-(Fig. 44) te hebben onderzocht, dat hij eindelijk een soort had
-ontdekt, bij welke de horens niet variabel waren; maar een nader
-onderzoek bewees het tegendeel.
-
-De buitengewone grootte der horens en hun zeer verschillend maaksel bij
-nauw verwante vormen bewijzen, dat zij met het eene of andere
-belangrijke doel zijn gevormd; maar hun bovenmatige variabiliteit bij
-de mannetjes van de zelfde soort voert tot het besluit, dat dit doel
-niet van een bepaalden aard kan zijn. De horens vertoonen geen teekenen
-van afslijting, alsof zij voor het eene of andere gewone werk werden
-gebruikt. Sommige schrijvers onderstellen [724], dat de mannetjes, daar
-zij veel meer rondtrekken dan de wijfjes, horens noodig hebben om zich
-tegen hun vijanden te verdedigen; in vele gevallen schijnen echter de
-horens niet goed voor de verdediging geschikt te zijn, daar zij niet
-scherp zijn. De meest voor de hand liggende onderstelling is, dat zij
-door de mannetjes worden gebruikt om te vechten; maar men heeft nooit
-waargenomen, dat zij vochten; ook kon de heer Bates na een zorgvuldig
-onderzoek van vele soorten, in hun verminkten of gebroken toestand geen
-voldoende bewijzen vinden, dat zij daarvoor waren gebruikt. Als de
-mannetjes gewoon waren met elkander te vechten, zou hun grootte
-waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn toegenomen, zoodat zij die
-bij het wijfje zou hebben overtroffen; de heer Bates vindt echter, na
-de beide seksen bij meer dan honderd soorten van Mesttorren (Copridae)
-met elkander te hebben vergeleken, bij goed ontwikkelde individu’s in
-dit opzicht volstrekt geen merkbaar verschil. Er is bovendien één
-kever, tot de zelfde groote afdeeling der Bladsprietigen
-(Lamellicornia) behoorende, van welke men weet, dat de mannetjes met
-elkander vechten; maar zij zijn niet van horens voorzien, hoewel hun
-bovenkaken veel grooter zijn dan die van het wijfje.
-
-Het besluit, dat het best in overeenstemming is met het feit, dat de
-horens zoo verbazend en toch niet standvastig ontwikkeld zijn,—zooals
-door hun uitermate groote variabiliteit bij de zelfde soort wordt
-bewezen,—is, dat zij als versierselen zijn verkregen. Deze meening zal
-eerst uiterst onwaarschijnlijk voorkomen; maar wij zullen later zien,
-dat zich bij vele dieren die veel hooger op de ladder staan, namelijk
-Visschen, Amphibieën, Reptielen en Vogels, verschillende soorten van
-knobbels, horens en kammen blijkbaar met het zelfde doel hebben
-ontwikkeld.
-
-De mannetjes van Onitis furcifer (Fig. 46) bezitten aan de dijen hunner
-voorpooten vreemdsoortige uitsteeksels en aan de ondervlakte van het
-borststuk een groote vork of een paar horens. Deze plaatsing schijnt
-uiterst slecht geschikt om met deze uitsteeksels te pronken, en
-wellicht dienen zij werkelijk voor het eene of andere bijzondere doel,
-maar tot dusverre kan men er het gebruik niet van bepalen. Het is een
-zeer merkwaardig feit, dat, hoewel de mannetjes zelfs geen spoor van
-horens op de bovenvlakte van het lichaam vertoonen (Fig. 48), bij de
-wijfjes toch een rudiment van een enkelen hoorn op den kop (Fig. 49, a)
-en een dergelijk van een kam (b) op het borststuk duidelijk zichtbaar
-zijn. Dat de kleine kam op het borststuk van het wijfje een rudiment is
-van een aan het mannetje eigen uitsteeksel, hoewel dit geheel ontbreekt
-bij het mannetje van deze bijzondere soort, is duidelijk; want het
-wijfje van Bubas bison, (die zeer nauw met Onitis verwant is) heeft een
-dergelijken kleinen kam op het borststuk, terwijl het mannetje op de
-zelfde plaats een groot uitsteeksel heeft. Zoo kan er ook geen twijfel
-zijn, of de kleine punt (a) op den kop van het wijfje van Onitis
-furcifer en op dien van de wijfjes van twee of drie verwante soorten is
-een rudimentaire vertegenwoordiger van den hoorn op den kop, zooals die
-van Phanaeus (Fig. 41, 42), welke aan de mannetjes van zoovele
-Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) gemeen is. De mannetjes van eenige
-nog geen namen ontvangen hebbende torren in het Britsch Museum, die men
-tegenwoordig gelooft, dat tot het geslacht Onitis behooren, zijn van
-een dergelijken hoorn voorzien. De opmerkelijke aard van dit geval zal
-het best door een voorbeeld worden begrepen: de Herkauwende Zoogdieren
-vormen een evenwijdige reeks met de Bladsprietige Kevers
-(Lamellicornia), daar bij sommige de wijfjes horens bezitten, die even
-groot zijn als die van het mannetje, terwijl de wijfjes van andere veel
-kleiner horens hebben of de horens bij haar slechts in rudimentairen
-toestand bestaan (ofschoon dit bij de Herkauwende Zoogdieren even
-zeldzaam, als bij de Bladsprietige Kevers algemeen is), en zij
-eindelijk bij wederom andere in het geheel geen horens hebben. Als nu
-een nieuwe soort van hert of schaap werd ontdekt, bij welke het wijfje
-duidelijk rudimenten van horens bezat, terwijl de kop van het mannetje
-volkomen glad was, zouden wij een met dat van Onitis furcifer
-overeenkomend geval hebben.
-
-In dit geval is het oude geloof, dat rudimentaire deelen zijn geschapen
-om het plan (schema) der natuur volledig te maken, zoover van steek te
-houden, dat alle gewone regels geheel overtreden schijnen. De meest
-waarschijnlijke meening komt mij voor te zijn, dat de eene of andere
-vroegere voorvader van Onitis, evenals andere Bladsprietige Kevers
-(Lamellicornia), horens op den kop en het borststuk verkreeg en ze
-daarop, evenals bij zoovele nog levende soorten, op het wijfje
-overbracht, door hetwelk zij sinds dien tijd steeds zijn behouden. Het
-later verlies van de horens door het mannetje kan wellicht het gevolg
-zijn geweest van het beginsel van compensatie wegens de ontwikkeling
-der uitsteeksels op de onderste oppervlakte, terwijl die invloed zich
-bij het wijfje niet doet gelden, daar zij deze uitsteeksels niet bezit
-en bij gevolg de rudimenten van horens op de bovenste oppervlakte heeft
-behouden. Hoewel deze meening wordt gesteund door het geval van
-Bledius, dat dadelijk zal worden medegedeeld, zoo verschillen toch de
-uitsteeksels op de onderste oppervlakte zeer in maaksel en ontwikkeling
-bij de verschillende soorten van Onitis en zijn bij sommige zelfs
-rudimentair; desniettemin vertoont de bovenste oppervlakte bij al deze
-soorten geen spoor van horens. Daar secundaire seksueele kenmerken zoo
-bij uitnemendheid variabel zijn, is het mogelijk dat de uitsteeksels op
-de onderste oppervlakte eerst door den eenen of anderen voorvader van
-Onitis zijn verkregen en hun invloed door compensatie hebben doen
-gelden, en daarna in zekere gevallen volkomen verloren zijn gegaan.
-
-Al de tot dusverre vermelde gevallen hebben betrekking op Bladsprietige
-Kevers (Lamellicornia); ook de mannetjes van eenige weinige andere
-Kevers, tot twee zeer verschillende groepen, namelijk de Snuitkevers
-(Curculionidae) en Kortschilden (Staphylinidae) behoorende, zijn echter
-van horens voorzien,—bij de eerste op de benedenste oppervlakte van het
-lichaam [725], bij de laatste op de bovenste oppervlakte van den kop en
-het borststuk. Bij de Kortschilden (Staphylinidae) zijn de horens bij
-de mannetjes van eene en de zelfde soort buitengewoon veranderlijk,
-juist zooals wij bij de Bladsprietigen (Lamellicornia) hebben gezien.
-Bij Siagonium hebben wij een geval van dimorphisme: want de mannetjes
-kunnen in twee afdeelingen worden verdeeld, die sterk in
-lichaamsgrootte en in de ontwikkeling hunner horens verschillen, zonder
-eenige tusschenbeidenstaande overgangsvormen. Bij eene soort van
-Bledius (Fig. 50 en 51), die ook tot de Kortschilden (Staphylinidae)
-behoort, kunnen, gelijk Professor Westwood getuigt, mannelijke
-voorwerpen op een en de zelfde plaats worden gevonden, „bij welke de
-middelste hoorn van het borststuk zeer groot is, maar de horens op den
-kop geheel rudimentair zijn, en andere bij welke de hoorn op het
-borststuk veel korter is, terwijl de uitsteeksels op den kop lang
-zijn.” [726] Hier hebben wij dus blijkbaar een voorbeeld van
-compensatie van groei, dat licht werpt op het juist vermelde
-merkwaardige geval van het verlies der bovenste horens bij Onitis
-furcifer.
-
-Gevechten.—Sommige mannelijke kevers die slecht voor het gevecht
-schijnen ingericht, voeren desniettemin strijd om het bezit van de
-wijfjes. De heer Wallace [727] zag twee mannetjes van Leptorhynchus
-angustatus, een lijnvormigen kever met zeer verlengden snuit (rostrum),
-„om een wijfje vechten, dat in de onmiddellijke nabijheid met boren
-bezig was. Zij stooten elkander met hun snuiten en krabden en sloegen
-elkander blijkbaar met de grootste woede.” Het kleinste mannetje „liep
-echter spoedig weg en erkende zich overwonnen.” In eenige weinige
-gevallen zijn de mannetjes goed geschikt om te vechten door het bezit
-van groote getande bovenkaken (mandibula), veel grooter dan die der
-wijfjes. Dit is het geval met het gewone Vliegende Hert (Lucanus
-cervus), waarvan de mannetjes ongeveer een week vroeger uit de pop te
-voorschijn komen dan de andere sekse, zoodat men er dikwijls
-verscheidene het zelfde wijfje kan zien vervolgen. Toen de heer A. H.
-Davis [728] twee mannetjes met één wijfje in een doos opsloot, kneep
-het grootste mannetje het kleinste met kracht totdat het zijn
-aanspraken liet varen. Een vriend meldt mij, dat hij, toen hij een
-jongen was, de mannetjes dikwijls bij elkander zette om hen te zien
-vechten, en opmerkte, dat zij veel stoutmoediger en woester zijn dan de
-wijfjes, evenals men algemeen weet, dat bij de hoogere dieren het geval
-is. De mannetjes pakten zijn vinger en knepen daarin als hij hun dien
-voorhield, maar de wijfjes niet. Bij vele Lucanidae, zoowel als bij den
-bovenvermelden Lepidorhynchus zijn de mannetjes grooter en krachtiger
-insekten dan de wijfjes. De beide seksen van Lethrus cephalotes (een
-der Bladsprietige Kevers) bewonen het zelfde hol: en het mannetje heeft
-grooter bovenkaken dan het wijfje. Indien gedurende den paartijd een
-vreemd mannetje in het hol beproeft te komen, wordt hij aangevallen;
-het wijfje blijft hierbij niet lijdelijk, maar sluit de opening van het
-hol en moedigt haar metgezel aan door hem voortdurend van achteren te
-stooten. Het gevecht eindigt niet voor de aanvaller is gedood of op de
-vlucht gaat. [729] De beide seksen van een anderen Bladsprietigen
-Kever, Ateuchus cicatricosus, leven paarsgewijze en schijnen zeer aan
-elkander te zijn gehecht; het mannetje spoort het wijfje aan om de
-ballen van mest te rollen, waarin de eieren worden gelegd; en als men
-haar wegneemt, wordt hij zeer onrustig. Als het mannetje wordt
-weggenomen, houdt het wijfje geheel en al met werken op en zou, gelijk
-de heer Brulerie [730] gelooft, op de zelfde plaats blijven tot zij
-stierf.
-
-De groote bovenkaken der mannelijke Lucaniden zijn uiterst
-veranderlijk, zoowel in grootte als in maaksel en gelijken in dit
-opzicht op de horens op den kop en het borststuk van vele mannelijke
-Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) en Kortschilden (Staphylinidae).
-Men kan een volkomen reeks vormen van de best voorziene tot de slechtst
-voorziene of ontaarde mannetjes. Hoewel de bovenkaken van het gewone
-Vliegende Hert en waarschijnlijk die van vele andere soorten werkelijk
-bij het gevecht als wapens worden gebruikt, is het twijfelachtig of men
-zich aldus rekenschap kan geven van haar aanzienlijke grootte. Wij
-hebben gezien, dat zij bij den Noord-Amerikaanschen Lucanus elaphus
-worden gebruikt om het wijfje te grijpen. Daar zij zoo sterk in het oog
-vallen en zoo sierlijk zijn vertakt, is het vermoeden soms bij mij
-opgekomen, of zij aan de mannetjes wellicht tot sieraad zouden kunnen
-dienen, op de zelfde wijze als de horens op den kop en het borststuk
-van de verschillende hierboven beschreven soorten. Het mannetje van
-Chiasognathus Grantii (Fig. 52) uit Zuid Chili,—een prachtigen kever,
-die tot de zelfde familie behoort,—heeft verbazend ontwikkelde
-bovenkaken; hij is stoutmoedig en strijdlustig; als hij aan de eene of
-andere zijde wordt bedreigd, draait hij zich om, opent zijn groote
-kaken en sjirpt tegelijkertijd op luidruchtige wijze; de bovenkaken
-waren echter niet sterk genoeg om mij zoo krachtig in den vinger te
-knijpen, dat het mij werkelijk pijn deed.
-
-De seksueele teeltkeus die het bezit van aanmerkelijke waarnemende
-vermogens en van hevige hartstochten veronderstelt, schijnt op de
-Bladsprietige Kevers meer invloed te hebben uitgeoefend, dan op eenige
-andere Familie van Schildvleugelige Insekten (Coleoptera). Bij sommige
-soorten zijn de mannetjes voorzien van wapens om te vechten; sommige
-leven paarsgewijze en toonen genegenheid voor elkander; vele bezitten
-het vermogen om te sjirpen, als zij worden geprikkeld; vele zijn
-voorzien van de meest buitengewone horens, die klaarblijkelijk tot
-versiering dienen; sommige die dagdieren zijn, bezitten de prachtigste
-kleuren; en eindelijk, vele van de grootste kevers der wereld behooren
-tot deze Familie welke door Linnaeus en Fabricius aan het hoofd van de
-Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera) werd geplaatst. [731]
-
-Sjirporganen.—Kevers, tot vele en zeer verschillende Families
-behoorende, bezitten deze organen. Het geluid kan somtijds op den
-afstand van verscheidene voeten of zelfs ellen worden gehoord [732],
-maar kan niet met dat hetwelk de Rechtvleugeligen (Orthoptera)
-voortbrengen, worden vergeleken. Het deel dat de rasp kan worden
-genoemd, bestaat gewoonlijk uit een smalle, eenigszins bolle
-oppervlakte waarover zeer fijne, evenwijdige ribbetjes loopen, soms zoo
-fijn, dat zij iriseerende kleuren doen ontstaan, en die er onder het
-microscoop zeer sierlijk uitzien. In sommige gevallen, b.v. bij
-Typhaeus, kan men duidelijk zien, dat uiterst kleine, borstelachtige,
-op schubben gelijkende uitsteeksels die de geheele omringende
-oppervlakte volgens nagenoeg evenwijdige lijnen bedekken, de ribbetjes
-van de rasp vormen, door samen te vloeien en recht en tegelijkertijd
-uitstekend en glad te worden. Een harde rug op eenig nabij gelegen deel
-van het lichaam, die in sommige gevallen bijzonder voor dat doel is
-gewijzigd, dient als schrapper voor de rasp. De schrapper wordt snel
-over de rasp, of omgekeerd de rasp over den schrapper bewogen.
-
-Deze organen zijn op uiterst verschillende plaatsen gelegen. Bij de
-Doodgravers (Necrophorus) staan twee evenwijdige raspen (r, fig. 55) op
-de rugvlakte van den vijfden ring van het achterlijf, terwijl dwars
-over elke rasp, volgens de beschrijving van Landois [733], 126 tot 140
-fijne ribbetjes loopen. Deze ribbetjes worden geschrapt door de
-achterranden der dekschilden, waarvan een klein deel buiten den
-algemeenen omtrek uitsteekt. Bij vele Crioceridae en bij Clythra 4
-punctata, één der Bladkevers (Chrysomelidae), en bij sommige
-Zwartlijven (Tenebrionidae), enz. [734], is de rasp aan den bovenkant
-van de spits (apex) van het achterlijf op het pygidium of propygidium
-gelegen, en wordt, evenals boven, met de dekschilden geschrapt. Bij
-Heterocerus, die tot een andere familie behoort, zijn de raspen op de
-zijden van den eersten ring van het achterlijf geplaatst en worden met
-op de dijen gelegen ruggen geschrapt. [735] Bij sommige Snuitkevers
-(Curculionidae) en Loopkevers (Carabidae) [736] liggen de deelen juist
-omgekeerd; want de raspen bevinden zich op de ondervlakten der
-dekschilden, dicht bij hun spitsen, of langs hun buitenranden, en de
-randen van de ringen van het achterlijf dienen als schrappers. Bij
-Pelobius hermanni, een der waterroofkevers (Dytiscidae), loopt een
-sterke rug evenwijdig aan en dicht bij de binnenranden der dekschilden,
-en dwars over den rug loopen ribbetjes, in het middelste gedeelte grof,
-maar aan de beide einden, voornamelijk aan het boveneinde, hoe langer
-hoe fijner wordende; als dit insekt onder water of in de lucht wordt
-gehouden, maakt het een sjirpend geluid, door den uitersten
-hoornachtigen rand van het achterlijf over de rasp te schrappen. Bij
-een groot aantal Boktorren (Longicornia) bevinden zich de organen op
-een geheel andere plaats, daar de rasp op het middenborststuk
-(mesothorax) ligt, dat tegen het voorborststuk (prothorax) wordt
-geschrapt; Landois telde 238 zeer fijne ribbetjes op de rasp van
-Cerambyx heros.
-
-Vele Bladsprietigen (Lamellicornia) bezitten het vermogen om te sjirpen
-zeer luid, zoodat, toen de heer F. Smidt een voorwerp van Trox
-sabulosus ving, een boschwachter die er bij stond, dacht, dat hij een
-muis had gevangen; ik slaagde er echter niet in om de sjirporganen bij
-dezen kever te ontdekken. Bij Geotrupes en Typhaeus loopt een smalle
-rug (r, Fig. 56) schuins over de heup (coxa) van elken achterpoot, die
-bij Geotrupes stercorarius 84 ribben heeft, die worden geschrapt met
-een bijzonder uitstekend deel van een der ringen van het achterlijf.
-Bij de nauw verwante Copris lunaris loopt een uiterst smalle fijne rasp
-langs de binnenranden der dekschilden en een andere korte rasp dicht
-bij den grond van den buitenrand; maar bij sommige andere mesttorren
-(Coprini) is de rasp, volgens Leconte [737], op de rugvlakte van het
-achterlijf gelegen. Bij Oryctes ligt zij op het propygidium en bij
-sommige andere houteters (Dynastini), volgens den zelfden
-insektenkenner, op de ondervlakte der dekschilden. Eindelijk vermeldt
-Westring, dat bij Omaloplia brunnea de rasp op het prosternum en de
-schrapper op het metasternum is geplaatst, zoodat deze deelen derhalve
-aan de onderste oppervlakte van het lichaam zijn geplaatst, in plaats
-van aan de bovenste, zooals bij de Boktorren (Longicornia).
-
-Wij zien dus, dat de sjirporganen bij de verschillende families van
-Schildvleugeligen een verwonderlijke verscheidenheid vertoonen in hun
-plaatsing, maar weinig in hun maaksel. In ééne en de zelfde familie
-zijn sommigen van deze organen voorzien, terwijl anderen ze geheel
-missen. Deze verscheidenheid is te begrijpen, als wij veronderstellen,
-dat oorspronkelijk verscheidene soorten een schokkend en sissend geluid
-maakten door de harde en ruwe gedeelten van hun lichaam, die elkander
-aanraakten, tegen elkander te wrijven, en dat, daar het zoo
-voortgebrachte geluid op de eene of andere wijze nuttig was, de ruwe
-oppervlakten zich allengs tot regelmatige sjirporganen ontwikkelden.
-Sommige kevers brengen tegenwoordig, wanneer zij zich bewegen, hetzij
-opzettelijk of onopzettelijk, een schokkend geluid voort, zonder eenig
-bepaald daarvoor bestemd orgaan te bezitten. De heer Wallace meldt mij,
-dat Euchirus longimanus (een Bladsprietige Kever, waarvan het mannetje
-verwonderlijk lange porten bezit) „als hij zich beweegt, een laag
-sissend geluid voortbrengt door het uitzetten en samentrekken van het
-achterlijf, en dat hij, als hij wordt aangevat, een krassend geluid
-voortbrengt door zijn achterpooten tegen de randen van zijn dekschilden
-te wrijven.” Het sissende geluid wordt blijkbaar veroorzaakt doordat
-een smalle rasp tegen den binnenrand van elk dekschild wordt gewreven:
-en ik kon ook het krassende geluid doen ontstaan door de op
-sagrijnleder gelijkende binnenste oppervlakte van de dij tegen den
-korreligen rand van het overeenkomstige dekschild te wrijven; maar ik
-kon hier volstrekt geen eigenlijke rasp ontdekken, en het is niet
-waarschijnlijk, dat ik die over het hoofd zou hebben gezien bij zulk
-een groot insekt. Nadat ik Cychrus heb onderzocht, en gelezen wat
-Westring in zijn beide verhandelingen over dien kever schreef, schijnt
-het mij zeer twijfelachtig, of hij een ware rasp bezit, hoewel hij het
-vermogen heeft om een geluid voort te brengen.
-
-Wegens de analogie met de Rechtvleugeligen (Orthoptera) en
-Gelijkvleugeligen (Homoptera) verwachtte ik te vinden, dat de
-sjirporganen bij de Schildvleugeligen (Coleoptera) naar de sekse
-verschilden; maar Landois die verscheidene soorten zorgvuldig
-onderzocht, nam geen dergelijk verschil waar; evenmin deed zulks
-Westring, noch de heer G. R. Crotch bij het prepareeren der
-verschillende soorten die hij zoo vriendelijk was mij ter onderzoeking
-te zenden. Een of ander gering seksueel verschil zou echter moeilijk
-zijn te ontdekken, de groote variabiliteit dezer organen in aanmerking
-genomen. Zoo was bij het eerste voorwerp van Necrophorus humator en van
-Pelobius, dat ik onderzocht, de rasp aanmerkelijk grooter bij het
-mannetje dan bij het wijfje; maar bij volgende voorwerpen niet. Bij
-Geotrupes stercorarius scheen de rasp mij dikker, ondoorschijnender en
-meer uitstekend bij drie mannetjes dan bij het zelfde aantal wijfjes;
-mijn zoon, de heer F. Darwin, verzamelde daarom, om te ontdekken, of de
-seksen ten opzichte van haar sjirpvermogen verschillen, 57 levende
-voorwerpen welke hij in twee afdeelingen verdeelde, al naar zij, als
-zij op de zelfde wijze werden vastgehouden, een sterker of zwakker
-geluid voortbrachten. Daarna onderzocht hij hun seksen, maar vond, dat
-in beide afdeelingen de mannetjes ongeveer geheel in de zelfde
-verhouding als de wijfjes waren. De heer F. Smith heeft talrijke
-levende voorwerpen van Mononychus pseudacori (die tot de Snuitkevers,
-Curculionidae, behoort) bezeten en is overtuigd, dat beide seksen
-sjirpen, en, naar het schijnt, in gelijke mate.
-
-Desniettemin is het sjirpvermogen bij eenige weinige Schildvleugeligen
-ongetwijfeld een seksueel kenmerk. De heer Crotch heeft ontdekt, dat
-alleen de mannetjes van twee soorten van Heliopathes (tot de
-Zwartlijven, Tenebrionidae, behoorende) sjirporganen bezitten. Ik
-onderzocht vijf mannetjes van H. gibbus, en bij deze allen was er een
-goed ontwikkelde rasp, gedeeltelijk in tweeën verdeeld, op de rugvlakte
-van den laatsten ring van het achterlijf; terwijl bij het zelfde aantal
-wijfjes zelfs geen spoor van een rasp bestond en het vlies van dit
-segment doorschijnend en veel dunner dan bij het mannetje was. Bij H.
-crilratostriatus heeft het mannetje een soortgelijke rasp, behalve, dat
-zij niet gedeeltelijk in tweeën is gedeeld, en het wijfje mist dit
-orgaan geheel; maar daarenboven heeft het mannetje aan de randen der
-dekschilden, nabij de spitsen daarvan, aan elke zijde van den naad drie
-of vier korte overlangsche ruggen die door uiterst fijne ribbetjes
-worden gekruist, evenwijdig aan en gelijkende op die van de rasp van
-het achterlijf; of deze ruggen dienen als een afzonderlijke rasp, of
-als een schrapper voor de rasp van het achterlijf, kon ik niet
-beslissen; het wijfje toont geen spoor van, dit laatste deel.
-
-Bij drie soorten van het tot de Bladsprietige Kevers behoorende
-geslacht Oryctes hebben wij ook een bijna overeenkomstig geval. Bij de
-wijfjes van O. gryphus en nasicornis zijn de ribben op de rasp van het
-propygidium minder samenhangend en minder duidelijk dan bij de
-mannetjes; het voornaamste verschil is echter, dat men ziet, dat de
-geheele bovenste oppervlakte van dezen ring, als men haar in het
-daartoe geschikte licht beschouwt, met haren is bezet, die bij de
-mannetjes ontbreken of door een uiterst fijn dons worden vervangen. Wij
-moeten hier opmerken, dat bij alle Schildvleugeligen het werkzame deel
-van de rasp onbehaard is. Bij O. senegalensis is het verschil tusschen
-de seksen sterker uitgedrukt, en dit wordt het best gezien, als men den
-bedoelden ring schoonmaakt en bij doorvallend licht beschouwt. Bij het
-wijfje is de geheele oppervlakte bedekt met kleine, afzonderlijke, met
-stekels bezette kammen, terwijl bij het mannetje deze kammen, naarmate
-zij de spits naderen, hoe langer hoe meer samenvloeien, regelmatig en
-naakt worden; zoodat drie vierden van den ring met uiterst fijne
-evenwijdige ribbetjes zijn bedekt, die bij het wijfje geheel ontbreken.
-Bij de wijfjes van alle drie deze soorten van Oryctes kan men, als men
-het achterlijf van een geweekt voorwerp beurtelings naar achteren en
-naar voren duwt, een zwak krassend of sjirpend geluid voortbrengen.
-
-In geval van Heliopathes en Oryctes kan er nauwelijks eenige twijfel
-bestaan, dat de mannetjes sjirpen, om de wijfjes te lokken of op te
-wekken; maar bij de meeste kevers dient het gesjirp vermoedelijk beide
-seksen tot wederkeerigen loktoon. Deze meening wordt niet
-onwaarschijnlijk gemaakt, doordat kevers sjirpen bij verschillende
-gemoedsaandoeningen; wij weten, dat vogels hun stem voor vele
-doeleinden gebruiken, behalve dat om voor hun gezellin te zingen. De
-groote Chiasogathus sjirpt van toorn of uit wantrouwen; vele soorten
-doen het zelfde uit smart of vrees, als men ze zoo vasthoudt, dat zij
-niet kunnen ontsnappen; de heeren Wollaston en Crotch waren in staat om
-op de Kanarische eilanden door tegen holle boomstammen te kloppen, de
-aanwezigheid van kevers, tot het geslacht Acalles behoorende, aan hun
-gesjirp te ontdekken. Het mannetje van Ateuchus, eindelijk, sjirpt om
-het wijfje bij haar werk aan te moedigen en van smart, als men haar
-wegneemt. [738] Sommige natuuronderzoekers gelooven, dat de kevers dit
-geluid maken om hun vijanden te verschrikken; maar ik kan niet denken,
-dat viervoetige dieren of vogels die in staat zijn de grootere
-keversoorten met uiterst harde huidpantsers te verslinden, zouden
-worden verschrikt door zulk een zwak knarsend geluid. Het geloof, dat
-het gesjirp tot een seksueele lokstem dient, wordt gesteund door het
-welbekende feit, dat de Doodskloppertjes (Anobium tesselatum) op
-elkanders getik, of, zooals ik zelf heb waargenomen, op een kunstmatig
-voortgebracht kloppend geluid antwoorden: en de heer Doubleday [739]
-meldt mij, dat hij twee- of driemaal een tikkend wijfje heeft
-waargenomen, en haar na verloop van een uur of twee met een mannetje
-verbonden en bij ééne gelegenheid door onderscheidene mannetjes omringd
-vond. Eindelijk schijnt het waarschijnlijk, dat de beide seksen van
-vele soorten van kevers eerst in staat waren elkander te vinden door
-het zwakke schokkende geluid, voortgebracht door het tegen elkander
-wrijven der nabij elkander gelegen deelen hunner harde lichamen, en
-dat, dewijl de mannetjes en de wijfjes, die het sterkste geluid
-maakten, het best slaagden om gezellen van de andere sekse te vinden,
-de oneffenheden op verschillende deelen van hun lichaam zich allengs
-door de seksueele teeltkeus tot sjirporganen ontwikkelden.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) In een brief aan Darwin, gedateerd 19 October 1877, en gepubliceerd
-in „Nature” vol. XVII, 1877, blz. 78, zegt Fritz Müller naar aanleiding
-dezer plaats over het verschillend beloop der aderen op de vleugels van
-vlinders van verschillende sekse: „In alle gevallen die ik ken, staat
-dit verschil in verband met de ontwikkeling van vlekken uit eigenaardig
-gevormde schubben, haarbosjes of andere inrichtingen bij het mannetje,
-welke geuren van zich geven, die ongetwijfeld het wijfje aangenaam
-zijn, en zijn zij waarschijnlijk daardoor ontstaan. Dit is het geval
-bij de geslachten Mechanitis, Dircenna, bij eenige soorten van Thecla
-enz.” (Vergelijk aant. 2 op Hoofdstuk XI.)
-
-(2) Zie omtrent Mayer’s proeven: „Amer. Journ. of Science and Arts”,
-1874, blz. 94. Volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen
-aangehaalde verhandeling) zou het geluid bij de Diptera worden
-voortgebracht door uitstrooming van lucht uit de in bromtoestellen
-veranderde voorste en achterste stigmata van het borststuk. Dicht onder
-de stigma-opening ligt een ring, de bromring, die van dunne als
-stembanden werkende chitineplaatjes is voorzien, welke door de door
-tracheeën aangevoerde lucht in trilling geraken. Het geluid der Diptera
-kan dus evenzeer een eigenlijke stem worden genoemd als dat der
-Homoptera (blz. 444). Volgens J. Perez („Compt. rend.” T. LXXXVII, blz
-378) wordt het brommen der Tweevleugeligen en het zachte en weeke
-geluid dat sommige Schubvleugeligen en Netvleugeligen bij het vliegen
-maken, veroorzaakt door trillingen, waarvan de vleugelgewrichten de
-zitplaatsen zijn, terwijl het min of meer wordt gewijzigd door de
-wrijving der vleugels tegen de lucht. Naar aanleiding van de
-mededeelingen van Perez, schrijft Jousset de Bellesme („Compt. rend.”
-T. LXXXVII, blz. 659), dat alle insecten die, vliegende, meer dan 80
-vleugeltrillingen per seconde maken, geluid geven, mits de
-vleugeloppervlakte groot genoeg is. Zoo ontstaat het lage geluid in het
-gebrom der Tweevleugeligen en Vliesvleugeligen. In dat gebrom is echter
-ook een hoog geluid en dit laatste is een gevolg van trillingen van den
-thorax, die worden veroorzaakt doordat de vliegspieren zich niet
-inplanten aan de vleugels zelven, maar aan gedeelten van den thorax,
-die de vleugels dragen.
-
-Men zie overigens omtrent de door insekten voortgebrachte geluiden Dr.
-R. Horst, „De Stemwerktuigen der Insekten” (met afbeeldingen), in „Alb.
-d. Nat.” 1881, blz. 45.
-
-(3) De Homoptera worden door de meeste dierkundigen niet als een
-zelfstandige orde, maar slechts als een onderafdeeling van de orde der
-Hemiptera beschouwd.
-
-(4) Volgens Pape („Handwörterbuch der Griechischen Sprache”, Bd. II,
-blz. 108, kolom 1, regel 3 v. b.) zou men in Spanje nog heden de
-Cicaden in kooitjes bewaren ter wille van hun gezang.
-
-Dat de oude Grieken het gezang der Cicaden bewonderden, blijkt uit
-onderscheidene plaatsen der oude schrijvers. Zoo weet Homerus (Ilias
-III, 146–154) de welsprekendheid van de oudsten des Trojaanschen volks
-(de demogeronten) niet beter te verheerlijken, dan door ze bij Cicaden
-te vergelijken; Plato (Phaedr. 230, C) prijst den toon van het koor der
-Cicaden; Hesiodus (Opera et Dies, 583) vermeldt de liefelijkheid van
-hun gezang; Anakreon wijdt daaraan de 43ste zijner oden.
-
-Strabo verhaalt (Libr. VI, cap. 1, § 9) het volgende: „De rivier Halex
-doorboort een rots, tusschen Rhegium en Locri Epizephyrii gelegen. De
-Cicaden op het grondgebied der Locriërs geven geluid; de andere zijn
-stom. [740] Dit schijnt daarvandaan te komen, dat de landstreek aan den
-kant van Rhegium zeer in de schaduw ligt en de Cicaden daar vochtig
-bedauwd blijven, terwijl die aan den kant van Locri zeer aan de zon
-zijn blootgesteld en een hoornachtige huid hebben, zoodat zij een
-behoorlijk geluid kunnen geven.”
-
-„Te Locri werd een standbeeld getoond van Eunomos den citherspeler, dat
-een Cicade op de cither had zitten. Timaeus verhaalt daaromtrent, dat
-Eunomos van Locri en Ariston van Rhegium eens met elkander wedijverden
-in het citherspelen bij gelegenheid van de Pythische spelen; dat
-Ariston de hulp van de Delphiërs inriep, omdat zijn voorouders
-priesters van den Delphischen god waren geweest, en omdat van Delphi
-een volkplanting” (naar Rhegium?) „was gezonden; dat, toen Eunomos
-zeide, dat zij in muziekwedstrijden volstrekt geen stem hadden, daar de
-Cicaden, de welluidendste (!) der dieren, bij hen stom waren, Ariston
-desniettemin uitmuntte en veel hoop had de overwinning te behalen; maar
-dat Eunomos toch overwinnaar bleef en het bovengenoemde standbeeld in
-zijn vaderstad Locri oprichtte, nadat tijdens den wedstrijd, toen een
-van zijn snaren was gesprongen, een Cicade op de cither was gaan zitten
-en den ontbrekenden toon had aangevuld.”
-
-Bekend is ook de sage van Tithonus die door zijn gemalin Eos (of
-Hemera, zie Hellanici Fragm., 142, Schol. Homer. II. I, 151) in een
-Cicade was veranderd, uit medelijden voor zijn hulpeloozen ouderdom;
-hij had namelijk op haar verzoek van Zeus de onsterfelijkheid
-verkregen, doch zij had vergeten daarbij tevens een eeuwige jeugd voor
-hem te vragen (zie hierover ook Erasmi Adagia, in voce longaevitas).
-
-Volgens een andere Grieksche sage waren de Cicaden vroeger menschen
-geweest, uit het slijk der aarde voortgekomen [741], zij hadden van de
-Muzen de muziek geleerd en oefenden zelven die kunst met zooveel ijver,
-dat zij er eten en drinken voor vergaten en den hongerdood stierven. De
-dankbare Muzen deden ze als Cicaden herleven en schonken hun het
-vermogen om zonder voedsel te kunnen leven, opdat zij zich ongestoord
-aan de kunst zouden kunnen wijden.
-
-De Romeinen dweepten niet met het gezang der Cicaden. Dit blijkt o.a.
-uit een paar plaatsen van Virgilius (Ecl. II, 13 en Georg. III, 328),
-waar hij zingt:
-
-
- At mecum raucis, tua dum vestigia lustro,
- Sole sub ardenti resonant arbusta cicadis.
-
-
-en:
-
-
- Et cantu querulae rumpent arbusta cicadae.
-
-
-(5) Het stemorgaan der Cicaden wordt zeer uitvoerig beschreven en is
-experimenteel onderzocht door Prof. G. Carlet te Grenoble („Revue
-Scientifique”, 1 Dec. 1877, waar hij ook een vergroote afbeelding heeft
-gegeven). Elke twijfel schijnt opgeheven, dat het in hoofdzaak bestaat
-uit een vlies, dat door de snelle beweging van een daaraan ingeplante
-spier in trilling wordt gebracht.
-
-(6) Wellicht behoort onder de secundaire seksueele kenmerken bij de
-Homoptera melding te worden gemaakt van het lichtend vermogen dat,
-volgens sommigen, de soorten van de familie der Lantaarndragers zouden
-bezitten. De eerste die daarvan melding heeft gemaakt en het zelf zou
-hebben waargenomen, was Mejuffrouw Maria Sibylla Merian. Daar later
-echter het bestaan van dit lichtend vermogen door andere
-natuuronderzoekers welke die dieren in hun vaderland waarnamen, niet
-alleen niet werd bevestigd, maar zelfs formeel tegengesproken, kwamen
-de meeste dierkundigen tot de overtuiging, dat het bericht van
-Mejuffrouw Merian op een dwaling moest berusten, totdat voor eenige
-jaren de heer J. Smith eenige waarnemingen omtrent den Chineeschen
-Lantaarndrager (Fulgora candelaria) publiek maakte; hij beweert, dat
-dit dier van Mei tot in Augustus niet zeldzaam is, en dat in die
-maanden de spits van de lantaarn (het blazige, vooruitstekende deel van
-den kop) een blauw of groenachtig licht verspreidt, dat bij het wijfje
-sterker is dan bij het mannetje en na de paring geheel verdwijnt. [742]
-Deze laatste omstandigheid zou kunnen verklaren, hoe zoovele waarnemers
-hebben kunnen volhouden, dat het lichtgevend vermogen een sprookje was;
-ook onze gewone mannelijke Glimworm intusschen geeft dikwijls geen
-licht.
-
-Tot de Orde of Onder-Orde der Homoptera behoort ook de zeer
-merkwaardige familie der Membraciden, bij welke groep het voorborststuk
-(prothorax) allerlei grillige fantastisch gevormde uitsteeksels
-vertoont, welke aan deze insekten een allerzonderlingst uiterlijk
-geven. Daar het mij niet onwaarschijnlijk voorkwam, dat deze
-uitsteeksels door seksueele teeltkeus waren ontstaan, richtte ik tot
-wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, de
-vraag, of er in de grootte en den vorm dezer uitsteeksels eenig
-verschil tusschen de seksen bestond. Hij antwoordde mij, dat hij zulks
-niet geloofde.
-
-Desniettemin kunnen deze uitsteeksels die bij nauw verwante soorten
-zeer sterk verschillen, zeer wel door seksueele teeltkeus zijn
-ontstaan, hetzij dan dat de aldus oorspronkelijk door de eene sekse
-verkregen kenmerken later op de andere werden overgeplant, of dat beide
-seksen door wederkeerige teeltkeus tegelijkertijd in deze richting
-werden veranderd.
-
-(7) Het grootste en sterkste muziekinstrument bezit een soort van
-Sabelsprinkhaan van Java en Borneo, Macrolyristes genaamd.
-
-Dat de door de mannetjes der Sabelsprinkhanen met hun instrument [743]
-voortgebrachte muziek werkelijk dient tot seksueele lokstem en dat het
-wijfje werkelijk een keus tusschen verschillende mannetjes doet en niet
-met het eerste het beste paart, blijkt o.a. overtuigend uit een
-waarneming van wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van
-Vollenhoven, die hij in zijn uitnemend, reeds meer aangehaald werk
-„Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz.
-87, in zijn gewonen onderhoudenden stijl met de volgende woorden
-mededeelt:
-
-„Ik herinner mij, dat ik eens kwam op een glooienden grond met een
-vergezicht dat mij uitlokte om er lang naar te zien,—dat mij uitlokte
-om te gaan liggen om er naar te blijven zien”.....
-
-..... „Terwijl ik daar lag roerloos als een doode op de ademhaling na,
-hoor ik een licht geritsel aan mijn zijde, een hrr, hrr, zeer flauw,
-maar kenbaar geslaakt om attentie te trekken. Ik zie naar dien kant,
-doch bespeur niets; korten tijd daarna wordt het geluid herhaald, ik
-zoek nauwlettender met de oogen, en op de zelfde oogenblik springt mij
-een kleine sprinkhaan op den arm. Het spreekt van zelf, dat ik het
-diertje niet verontrustte, noch wegjoeg, maar in afwachting bleef wien
-zijn roepstem gold. Hij sjirpte weder, en het was mij of zijn geluid
-helderder was; misschien maakten wij beiden de zelfde opmerking, want
-nu barstte zijn muzikaal talent eerst recht los, en met intervallen van
-eenige seconden sjirpte hij wat hij kon. Gelukkig niet te vergeefs;
-zijn roepstem was gehoord. Evenals men op de oude platen der bijbelsche
-prentenboeken bij de offerande van Abraham altijd een ramskop tusschen
-de struiken afgebeeld ziet, zoo verscheen mij op kleinen afstand
-tusschen de grassprietjes een andere sprinkhaankop. Het duurde eenigen
-tijd eer deze tweede sprinkhaan behoedzaam durfde naderen, doch
-langzamerhand legde het diertje alle vrees af en kwam, gelokt door de
-liefelijke tonen, nader en nader, toen ik in de verte, als het
-hoorngeluid van Hernani, een tweede hrr, hrr hoorde weêrklinken. De
-tweede sprinkhaan bleef staan en luisterde; de minnaar riep haar met
-aandrang, met gevoel, maar de medeminnaar sprong dichterbij en sjirpte
-weder. Deze laatste kreet besliste de zaak; het bleek dat dit de toon
-niet was, waarmede men vrouwenharten verovert, want de geliefde wendde
-zich tot den eersten zanger, en beide—eensgezind—sprongen op en over
-mij heên om in het gras een offerande te brengen aan moeder Isis, de
-alles onderhoudende.”
-
-Zoo schreef Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, tegenstander der
-Darwinistische beginselen, in 1870, vóór Darwin’s boek over seksueele
-teeltkeus was uitgekomen. In 1871, na het verschijnen van dit boek, op
-de zomervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
-ontkende hij daarentegen, nadat ik een discussie over het Darwinisme
-had uitgelokt, dat, zelfs bij de hoogere dieren, laat staan bij de
-lagere, het wijfje een keus deed tusschen verschillende mannetjes;
-„integendeel”, zeide hij, „het wijfje paart niet dan na daartoe formeel
-te zijn genoodzaakt, maar neemt dan ook het eerste het beste mannetje
-aan!” Het is niet onaardig op te merken, hoe zelfs de tegenstanders van
-Darwin’s leer huns ondanks bouwstoffen verzamelen, die haar de
-zegepraal helpen verzekeren.
-
-(8) Volgens Goureau zouden er soorten van Veldsprinkhanen zijn, die wel
-de dijen tegen de randen der vleugels wrijven, doch daarbij geen geluid
-voortbrengen. Waarschijnlijk wordt er wel degelijk een toon
-voortgebracht, doch is deze te hoog om door het menschelijk oor te
-kunnen worden waargenomen. [744] Vele menschen kunnen zelfs het voor
-anderen zoo vervelende krieken van den Huiskrekel volstrekt niet
-waarnemen.
-
-(9) De Nederlandsche bewoners van de Kaapkolonie noemen dit dier daarom
-Blaasop.
-
-(10) Het komt mij voor, dat men het ontstaan van het stemorgaan der
-Diptera even goed kan verklaren door seksueele teeltkeus als in het
-geval van Kevers bij welke beide seksen sjirpen (blz. 467 v.v.). Gaat
-bij de Diptera en sommige andere insekten die verklaring niet door, dan
-wordt het mijns inziens ook minder waarschijnlijk, dat zij in andere
-gevallen de juiste is. Hebben de Diptera en sommige andere insekten het
-vermogen om geluid voort te brengen, verkregen zonder de inwerking der
-seksueele teeltkeus, dan zou het vreemd zijn, dat zij de eenigen waren,
-en dan is het ook onnoodig bij Kevers, bij welke beide seksen sjirpen,
-dat beginsel ter verklaring te hulp te roepen. Het ligt overigens voor
-de hand, dat ook bij de Diptera die individu’s van beiderlei sekse, die
-eenigermate het vermogen bezaten om geluid voort te brengen, elkander
-gemakkelijker konden vinden dan andere, derhalve grooter kans hadden om
-nakomelingschap na te laten dan deze, en op die nakomelingschap het
-vermogen om geluid voort te brengen overplantten, terwijl die
-nakomelingen welke het vermogen om geluid voort te brengen, in de
-sterkste mate bezaten, op hun beurt de kans hadden zich het sterkst te
-vermenigvuldigen. Ik geloof dus, dat wij ook in dit geval de werking
-der seksueele teeltkeus moeten aannemen, doch, zoo wij dit niet willen,
-ook geen recht hebben haar in andere gevallen waarin beide seksen
-sjirpen, aan te nemen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG—ORDE DER
-SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).
-
- Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan
- beide seksen gemeen of het schitterendst bij de
- mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de
- rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot
- bescherming geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der
- Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der
- Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—Oorzaken van het verschil in
- kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke
- Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de
- mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en
- slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der
- Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten.
-
-
-In deze groote Orde is het belangrijkste punt voor ons het verschil in
-kleur tusschen de seksen van ééne en de zelfde soort. Bijna het geheele
-volgende hoofdstuk zal aan dit onderwerp zijn gewijd; maar ik zal eerst
-eenige weinige opmerkingen maken over een of twee andere punten. Men
-kan dikwijls zien hoe verscheidene mannetjes rondom het zelfde wijfje
-vliegen en haar vervolgen. Hun vrijage schijnt een langdurige zaak te
-zijn; want ik heb dikwijls mannetjes bespied, die rondom een wijfje
-fladderen, totdat het mij eindelijk verveelde, zonder het eind van de
-vrijage te zien. Hoewel Dagvlinders zulke zwakke en broze schepsels
-zijn, zijn ze toch strijdlustig, en men heeft een Irisvlinder [745]
-gevangen, bij welken de punten van de vleugels in een gevecht met een
-ander mannetje waren gebroken. De heer Collingwood zegt, sprekende van
-de veelvuldige gevechten tusschen de kapellen van Borneo: „Zij
-dwarrelen met de grootste snelheid om elkander heên en schijnen met de
-grootste verwoedheid te zijn bezield.”
-
-Er is een geval bekend van een Dagvlinder, namelijk Ageronia feronia,
-die een geluid maakt, gelijkende op dat hetwelk wordt voortgebracht
-door een tandrad dat onder een springhaak doorloopt en dat op den
-afstand van verscheiden ellen kan worden gehoord. Te Rio de Janeiro
-werd dit geluid alleen door mij opgemerkt, als twee dergelijke kapellen
-elkander in onregelmatige vlucht nazaten, zoodat het waarschijnlijk
-alleen wordt gemaakt gedurende de vrijage van de seksen; maar ik
-verzuimde op dit punt nauwkeurig acht te slaan. [746]
-
-Ook sommige nachtvlinders brengen geluiden voort; bij voorbeeld de
-mannetjes van Thecophora fovea. Bij twee gelegenheden hoorde de heer F.
-Buchanan White [747] een scherp, kort geluid, voortgebracht door het
-mannetje van Hylophila prasinana, en dat hij gelooft, dat evenals bij
-Cicada door een veerkrachtig vlies, van een spier voorzien, wordt
-voortgebracht. Hij haalt ook Guenée aan om te bewijzen, dat Senita een
-geluid voortbrengt, dat op het tikken van een horloge gelijkt, naar het
-schijnt met behulp van twee groote trommelvormige blazen, in de
-borststreek gelegen; en deze „zijn veel ontwikkelder bij het mannetje
-dan bij het wijfje.” Vandaar schijnen de geluidvoortbrengende organen
-bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) in eenige betrekking te staan met
-de seksueele functies. Ik heb geen melding gemaakt van het welbekende
-geluid dat de doodshoofduil voortbrengt; want dit wordt over het
-algemeen gehoord kort nadat de uil uit de pop is gekomen. (1)
-
-Girard heeft altijd opgemerkt, dat de muskusgeur, welke door twee
-soorten van pijlstaart-vlinders (Sphinx) wordt voortgebracht, alleen
-aan de mannetjes eigen is [748]; en bij de hoogere dieren zullen wij
-talrijke gevallen ontmoeten, waarin alleen de mannetjes een bijzonderen
-geur hebben. (2)
-
-Iedereen heeft de buitengewone schoonheid van vele Dagvlinders en van
-sommige Nachtvlinders bewonderd; en wij worden er toe gebracht om te
-vragen, hoe zij deze schoonheid hebben verkregen? Zijn hun kleuren en
-de zooveel verscheidenheid vertoonende teekeningen op hun vleugels
-eenvoudig het gevolg van de physische toestanden waaraan deze insekten
-zijn blootgesteld geweest, zonder dat daardoor eenig voordeel is
-verkregen? Of hebben opeenvolgende veranderingen zich opeengehoopt, en
-zijn zij ontstaan, hetzij ter bescherming, hetzij met een of ander
-onbekend doel, of opdat de eene sekse aantrekkelijker zou worden
-gemaakt voor de andere? En wat beteekent het daarenboven, dat bij
-sommige soorten de kleuren van de mannetjes zeer veel van die der
-wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen op de
-zelfde wijze zijn gekleurd? Voor wij beproeven om een antwoord op deze
-vragen te geven, moeten wij eenige feiten mededeelen.
-
-Bij de meeste van onze Engelsche Dagvlinders, zoowel bij die welke
-schoon zijn, gelijk de Nommerkapel, de Dagpauwoog en de Distelvink
-(Vanessae) als bij die welke effen zijn gekleurd, zooals de Zandoogjes
-(Hipparchia), gelijken de beide seksen op elkander. Dit is ook het
-geval bij de prachtige Heliconiden en Danaïden der Keerkringslanden.
-Bij sommige andere groepen uit de verzengde luchtstreek echter, en bij
-sommige onzer Engelsche kapellen, zooals den Irisvlinder, den
-Peterselievlinder enz. (Apatura Iris en Antocharis cardamines),
-verschillen de seksen hetzij zeer sterk, hetzij een weinig in kleur.
-Geen taal is in staat om de pracht der mannetjes van sommige soorten
-uit de verzengde luchtstreek te beschrijven. Zelfs in één en het zelfde
-geslacht vinden wij dikwijls soorten, bij welke de seksen buitengewoon
-sterk van elkander verschillen, terwijl zij bij andere zeer sterk op
-elkander gelijken. Zoo verhaalt mij de heer Bates, aan wien ik zeer ben
-verplicht, daar hij mij de meeste der volgende feiten mededeelde, en
-zoo goed was dit geheele hoofdstuk na te zien, dat hij in het
-Zuid-Amerikaansche geslacht Epicalia twaalf soorten kent, waarvan beide
-seksen de zelfde plaatsen bezoeken (en dit is met kapellen niet altijd
-het geval), en waarop daarom de uitwendige toestanden geen
-verschillenden invloed kunnen hebben uitgeoefend. [749] Bij negen dezer
-soorten behooren de mannetjes tot de schitterendste van alle vlinders
-en verschillen zoo sterk van de vergelijkenderwijze dof gekleurde
-wijfjes, dat zij vroeger tot verschillende geslachten werden gebracht.
-De wijfjes dezer negen soorten gelijken op elkander in de algemeene
-type van hun kleuring en gelijken eveneens op beide seksen in
-verscheidene verwante geslachten welke in verschillende deelen der
-wereld worden gevonden. Wij mogen daaruit in overeenstemming met de
-afstammingstheorie afleiden, dat deze negen soorten, en waarschijnlijk
-al de andere van het geslacht, afstammen van éénen stamvorm, die op
-ongeveer de zelfde wijze was gekleurd. Bij de tiende soort behoudt het
-wijfje nog de zelfde algemeene kleuring, maar het mannetje gelijkt op
-haar, zoodat hij op veel minder fraaie en afwisselende wijze is
-gekleurd, dan de mannetjes der vorige soorten. Bij de elfde en twaalfde
-soort wijken de wijfjes af van de type van kleuring, die gewoonlijk in
-dit geslacht aan haar sekse eigen is; want zij zijn sierlijk gekleurd
-op ongeveer de zelfde wijze als de mannetjes, maar in iets mindere
-mate. Vandaar schijnt het, dat bij deze beide soorten dus de
-schitterende kleuren der mannetjes op de wijfjes zijn overgebracht;
-terwijl het mannetje der tiende soort de effen kleuren van het wijfje
-en van den stamvorm van het geslacht hetzij behouden, hetzij
-teruggekregen heeft; in beide gevallen zijn dus de seksen, hoewel op
-tegenovergestelde wijze, aan elkander gelijk gemaakt. Bij het verwante
-geslacht Eubagis zijn beide seksen van sommige soorten effen gekleurd
-en gelijken zeer op elkander, terwijl bij de meeste soorten de
-mannetjes met fraaie metallieke kleuren met zeer veel verscheidenheid
-zijn gekleurd, en veel van de wijfjes verschillen. De wijfjes behouden
-in dit geheele geslacht, wat haar kleuring aangaat, de zelfde algemeene
-type, zoodat zij gewoonlijk veel meer op elkander dan op de mannetjes
-van haar eigen soort gelijken.
-
-In het geslacht Papilio zijn al de soorten van de Aeneasgroep
-opmerkelijk wegens haar opzichtige en sterk tegen elkander afstekende
-kleuren, en zij geven een voorbeeld van de veelvuldig voorkomende
-neiging tot langzame overgangen in de hoegrootheid van het verschil
-tusschen de seksen. Bij eenige weinige soorten, bij voorbeeld bij P.
-Ascanius, zijn de mannetjes en wijfjes gelijk; bij andere zijn de
-mannetjes een weinig of zeer veel prachtiger gekleurd dan de wijfjes.
-Het met onze Schoenlappers (Vanessae) verwante geslacht Junonia biedt
-een bijna overeenkomstig geval aan; want hoewel de seksen der meeste
-soorten op elkander gelijken en geen rijke kleuren bezitten, zoo is
-toch bij zekere soorten, zooals bij J. oenone, het mannetje iets
-levendiger gekleurd dan het wijfje, en bij eenige weinige (bij
-voorbeeld J. andremiaja) is het mannetje zoo verschillend van het
-wijfje, dat hij bij vergissing voor een andere soort zou kunnen worden
-gehouden.
-
-Op een ander treffend geval werd in het Britsch Museum mijn aandacht
-gevestigd door den heer A. Butler, namelijk op een der Page’s (Theclae)
-uit tropisch Amerika, bij welken beide seksen bijna gelijk en
-verwonderlijk schitterend zijn gekleurd; bij een anderen is het
-mannetje op overeenkomstige prachtige wijze gekleurd, terwijl bij het
-wijfje de geheele bovenste oppervlakte dof effen bruin is. Onze gewone
-kleine Engelsche blauwe kapellen van het geslacht Lycaena geven een
-bijna even goed, hoewel minder treffend voorbeeld van de onderscheidene
-verschillen in kleur tusschen de beide seksen, als de bovengenoemde
-exotische geslachten. Bij Lycaena agestis hebben beide seksen vleugels
-van een bruine kleur, omzoomd met kleine oogvormige oranje vlekjes, en
-zijn derhalve gelijk. Bij L. aegon zijn de vleugels van het mannetje
-fraai blauw, met zwart omzoomd, terwijl de vleugels van het wijfje
-bruin en evenzoo omzoomd zijn, en zeer op die van L. agestis gelijken.
-Bij L. arion eindelijk zijn beide seksen van een blauwe kleur en bijna
-gelijk, hoewel bij het wijfje de randen der vleugels iets donkerder,
-met effener zwarte vlekken zijn, en bij een helderblauwe Indische soort
-gelijken de beide seksen nog meer op elkander.
-
-Ik heb de voorgaande gevallen eenigszins uitvoerig behandeld om aan te
-toonen, in de eerste plaats, dat, wanneer de seksen der kapellen
-verschillen, de algemeene regel is, dat het mannetje fraaier is en het
-meest afwijkt van de gewone type van kleuring van de groep waartoe de
-soort behoort. Vandaar gelijken in de meeste groepen de wijfjes van de
-onderscheidene soorten veel meer op elkander, dan de mannetjes. In
-sommige exceptioneele gevallen waarop ik later zal wijzen zijn echter
-de wijfjes schitterender gekleurd dan de mannetjes. In de tweede plaats
-zijn deze gevallen behandeld om helder voor den geest te brengen, dat
-in één en het zelfde geslacht de beide seksen dikwijls allerlei
-overgangen vertoonen tusschen geen verschil in kleur en een zoo groot
-verschil, dat het lang duurde, voor beide door de insektenkenners in
-het zelfde geslacht werden geplaatst. In de derde plaats hebben wij
-gezien, dat, wanneer de seksen veel op elkander gelijken, dit
-waarschijnlijk een gevolg daarvan is, dat het mannetje, hetzij zijn
-kleuren op het wijfje heeft overgebracht, of dat het de oorspronkelijke
-kleuren van het geslacht waartoe de soort behoort, hetzij heeft
-behouden of herkregen. Het verdient opmerking, dat in die groepen bij
-welke de seksen eenig verschil in kleur vertoonen, de wijfjes
-gewoonlijk tot op zekere hoogte op de mannetjes gelijken, zoodat, als
-de mannetjes buitengewoon schoon zijn, de wijfjes bijna zonder
-uitzondering een zekere mate van schoonheid vertoonen. Wegens de
-talrijke gevallen van overgang in de hoegrootheid van het verschil
-tusschen de seksen, en wegens het heerschen van de zelfde algemeene
-type van kleuring door een geheele zelfde groep heên, mogen wij
-besluiten, dat de oorzaken, welke zij dan ook mogen zijn geweest, die
-de schitterende kleuren bij sommige soorten alleen van de mannetjes en
-bij andere soorten van beide seksen in meer of minder gelijken graad
-hebben bepaald, over het algemeen de zelfde zijn geweest.
-
-Daar zoo vele prachtige kapellen de tropische gewesten bewonen, heeft
-men dikwijls verondersteld, dat zij haar kleuren aan de groote hitte en
-vochtigheid van die streken zijn verschuldigd; maar de heer Bates [750]
-heeft door de vergelijking van onderscheidene nauw verwante
-insektengroepen van de gematigde en verzengde luchtstreek aangetoond,
-dat deze meening niet houdbaar is, en het bewijs wordt onwederlegbaar,
-wanneer schitterend gekleurde mannetjes en effen gekleurde wijfjes van
-de zelfde soort de zelfde landstreek bewonen, zich met het zelfde
-voedsel voeden en volkomen de zelfde levenswijze leiden. Zelfs als de
-seksen op elkander gelijken, kunnen wij moeielijk gelooven, dat haar
-prachtige en fraai geschikte kleuren het doelloos gevolg van den aard
-harer weefsels en van de werking der omringende omstandigheden zijn.
-
-Bij dieren van alle soorten is, wanneer ook de kleur voor eenig
-bijzonder doel is gewijzigd, dit, voor zoover wij er over kunnen
-oordeelen, steeds geschied, hetzij tot bescherming, of om de andere
-sekse aan te trekken. Bij vele soorten van kapellen zijn de bovenste
-oppervlakten der vleugels donker gekleurd, en dit dient naar alle
-waarschijnlijkheid om aan de opmerkzaamheid en aan gevaar te
-ontsnappen. Kapellen moeten echter, vooral wanneer zij rusten, aan de
-aanvallen harer vijanden zijn blootgesteld, en bijna alle soorten
-richten, wanneer zij rusten, haar vleugels rechtop, zoodat alleen de
-ondervlakten kunnen worden gezien. Vandaar is het deze zijde die in
-vele gevallen blijkbaar zoodanig is gekleurd, dat zij de oppervlakten
-nabootst, waarop deze insekten gewoonlijk rusten. Dr. Rössler was,
-geloof ik, de eerste die de gelijkenis der gesloten vleugels van zekere
-Schoenlappers (Vanessae) en andere kapellen op de schors van boomen
-opmerkte. Vele overeenkomstige en treffende gevallen zouden kunnen
-worden medegedeeld. Het meest belangwekkende is dat hetwelk de heer
-Wallace [751] vermeldt van een in Indië en op Sumatra algemeen
-voorkomende kapel (Kallima), die als door een tooverslag verdwijnt, als
-zij zich op een struik nederzet; want zij verbergt haar kop en sprieten
-tusschen haar gesloten vleugels, en deze kunnen in vorm, kleur en
-aderbeloop niet worden onderscheiden van een verlept blad met zijn
-bladsteel. In sommige andere gevallen zijn de ondervlakten der vleugels
-schitterend gekleurd en dienen toch tot bescherming; zoo zijn bij de
-Bramenpage (Thecla rubi) de vleugels, als zij zijn gesloten,
-smaragdgroen en gelijken op de jonge bladeren van de braamstruik waarop
-men dezen vlinder in de lente dikwijls kan zien zitten.
-
-Hoewel de donkere tinten van de boven- en ondervlakten van vele
-kapellen ongetwijfeld dienen om haar te verbergen, kunnen wij deze
-beschouwingswijze bij geen mogelijkheid toepassen op de schitterende en
-in ’t oog vallende kleuren van vele soorten, zooals van onze
-Nommerkapel en Dagpauwoog (Vanessae), onze witte Koolvlinders (Pieris)
-of den grooten Venkelvlinder (Papilio), die de open vlakten
-bezoekt;—want deze kapellen worden daardoor voor elk levend wezen
-zichtbaar gemaakt. Bij deze soorten gelijken de beide seksen op
-elkander; maar bij den gewonen Citroenvlinder (Gonopteryx rhamni) is
-het mannetje levendig geel gekleurd, terwijl het wijfje veel bleeker
-is; en bij den Peterselievlinder (Anthocharis cardamines) hebben alleen
-de mannetjes helderoranje punten aan hun vleugels. In deze gevallen
-zijn de mannetjes en de wijfjes even opzichtig, en het is niet
-geloofbaar, dat hun verschil in kleur in eenige betrekking tot gewone
-bescherming staat. Desniettemin is het mogelijk, dat de opzichtige
-kleuren van vele soorten haar op indirecte wijze voordeelig kunnen
-zijn, zooals later zal worden verklaard, door te maken, dat haar
-vijanden dadelijk zien, dat zij oneetbaar zijn. Zelfs in dit geval
-volgt hier nog niet met zekerheid uit, dat haar levendige kleuren en
-fraaie teekeningen voor dit bepaalde doel werden verkregen. In sommige
-andere merkwaardige gevallen is schoonheid verkregen tot bescherming
-door de nabootsing van andere schoone soorten die de zelfde streek
-bewonen en tegen een aanval zijn beveiligd, omdat zij langs den eenen
-of anderen weg haar vijanden schade kunnen berokkenen.
-
-Het wijfje van den bovenvermelden Peterselievlinder en van een
-Amerikaansche soort (Anth. genutia) vertoonen ons waarschijnlijk,
-gelijk de heer Walsh mij deed opmerken, de oorspronkelijke kleuren van
-de stamsoort van het geslacht; want beide seksen van vier of vijf, in
-zeer ver uiteengelegen streken levende soorten zijn bijna op de zelfde
-wijze gekleurd. Wij mogen hieruit afleiden, gelijk in verscheidene
-vroegere gevallen, dat het de mannetjes van Anth. cardamines en genutia
-zijn, die van de gewone type van kleuring van hun geslacht zijn
-afgeweken. Bij Anth. sara uit Californië zijn de oranje punten ook bij
-het wijfje tot gedeeltelijke ontwikkeling gekomen; want haar vleugels
-bezitten roodachtig oranje punten, maar bleeker dan die van het
-mannetje en ook in enkele andere opzichten eenigszins verschillend. Bij
-een verwanten Indischen vorm, den Iphias glaucippe, zijn de oranje
-punten bij beide seksen geheel ontwikkeld. Bij dezen Iphias gelijkt de
-ondervlakte der vleugels, gelijk de heer A. Butler mij aanwees,
-verwonderlijk veel op een bleek gekleurd blad; en bij onzen Engelschen
-Peterselievlinder gelijkt de ondervlakte op de bloemhoofdjes van de
-wilde peterselie waarop men hem ’s nachts kan zien gaan rusten. [752]
-Het zelfde redeneerend vermogen dat ons aandrijft om te gelooven, dat
-de ondervlakten hier zijn gekleurd ter wille van de bescherming, brengt
-ons er toe om te ontkennen, dat de punten der vleugels met dit zelfde
-doel oranjekleurig zijn gemaakt, vooral daar dit kenmerk tot de
-mannetjes beperkt is.
-
-Laten wij nu tot de Nachtvlinders overgaan: de meeste van deze blijven
-gedurende den geheelen of het grootste gedeelte van den dag
-bewegingloos met neêrgeslagen vleugels zitten; en de bovenste
-oppervlakten van hun vleugels zijn dikwijls, gelijk de heer Wallace
-[753] heeft opgemerkt, op bewonderenswaardige wijze geschakeerd en
-gekleurd om aan de ontdekking te ontsnappen. Bij de meeste Spinners
-(Bombycidae) en Uilen (Noctuïdae) overdekken en verbergen, wanneer zij
-rusten, de voorvleugels de achtervleugels, zoodat deze laatsten zonder
-veel gevaar levendig zouden kunnen zijn gekleurd; en zij zijn bij vele
-soorten van beide families aldus gekleurd. Gedurende het vliegen moeten
-nachtvlinders dikwijls in staat zijn om hun vijanden te ontsnappen;
-desniettemin moeten, daar hun achtervleugels dan geheel zichtbaar zijn,
-hun levendige kleuren ten koste van eenig gevaar zijn verkregen. Het
-volgende feit bewijst echter, hoe voorzichtig wij moeten zijn met
-hieromtrent besluiten te trekken. De soorten van het geslacht Triphaena
-vliegen dikwijls over dag of in den vroegen avond rond en vallen dan
-door de gele kleur harer ondervleugels zeer in het oog. Men zou
-natuurlijk denken, dat dit een bron van gevaar was; maar de heer J.
-Jenner Weir gelooft, dat dit haar werkelijk dient tot een middel om te
-ontsnappen; want de vogels treffen gewoonlijk deze levendig gekleurde
-en broze oppervlakte in plaats van het lichaam. De heer Weir bracht bij
-voorbeeld een prachtig voorwerp van den Hooivlinder (Triphaena pronuba)
-in zijn vogelhuis; het werd dadelijk door een roodborstje vervolgd;
-maar daar de oplettendheid van den vogel zich richtte op de gekleurde
-vleugels, werd de uil niet gevangen dan na ongeveer vijftig vergeefsche
-pogingen, en werden herhaaldelijk kleine stukjes van de vleugels
-afgebroken. Hij deed de zelfde proef in de open lucht met een
-Zoombandvlinder (Triphaena fimbria) en een zwaluw; maar de aanzienlijke
-grootte van dezen uil verhinderde waarschijnlijk, dat hij werd gevangen
-[754]. Wij worden hierdoor herinnerd aan een mededeeling van den heer
-Wallace [755], namelijk dat in de Braziliaansche bosschen en in
-Insulinde vele algemeen voorkomende en zeer fraaie vlinders slechte
-vliegers zijn, hoewel zij van bijzonder groote vleugels zijn voorzien,
-en dat zij „dikwijls worden gevangen met doorboorde en gebroken
-vleugels, alsof zij door vogels waren gegrepen, maar aan deze ontsnapt;
-indien de vleugels veel kleiner waren geweest in verhouding tot het
-lichaam, schijnt het waarschijnlijk, dat het insekt veelvuldiger in een
-voor het leven noodzakelijk deel zou zijn getroffen of doorboord, en
-zoo kan de vermeerderde grootte der vleugels op indirecte wijze
-voordeelig zijn geweest.”
-
-
-
-Pronkerij.— De levendige kleuren van de Kapellen en van sommige
-Nachtvlinders zijn bijzonder ingericht om er mede te pronken, hetzij
-zij daarenboven tot bescherming mogen dienen of niet. Levendige kleuren
-zouden gedurende den nacht niet zichtbaar zijn; en er kan geen twijfel
-bestaan, dat de Nachtvlinders, over het geheel genomen, minder levendig
-zijn gekleurd dan de Kapellen die allen dagdieren zijn. De
-Nachtvlinders van zekere families, zooals de Zygaenidae, verscheidene
-Onrusten (Sphingidae), Uraniidae, sommige Beerrupsvlinders (Arctiidae)
-en Nachtpauwoogen (Saturniidae) vliegen gedurende den dag of in den
-vroegen avond rond en vele van deze zijn uiterst fraai en veel
-levendiger gekleurd dan die soorten, welke een uitsluitend nachtelijke
-levenswijze hebben. Eenige weinige exceptioneele gevallen van levendig
-gekleurde nachtelijke soorten zijn echter opgeteekend. [756]
-
-Er zijn bewijzen van een andere soort, wat het pronken aangaat. Zooals
-boven is opgemerkt, houden kapellen, als zij rusten, de vleugels
-omhoog, en slaan ze, terwijl zij zich in de zon koesteren, beurtelings
-open en dicht; op die wijze stellen zij beide oppervlakten ten volle
-aan het gezicht bloot; en hoewel de ondervlakte dikwijls tot
-bescherming donker is gekleurd, is zij bij vele soorten toch even hoog
-en dikwijls op geheel andere wijze gekleurd dan de bovenvlakte. Bij
-eenige tropische soorten is zelfs de ondervlakte schitterender gekleurd
-dan de bovenvlakte. [757] Bij een Engelsche Parelmoêrkapel, de Argynnis
-aglaia, is alleen de ondervlakte versierd met blinkende zilveren
-schijven. Als algemeene regel is echter de bovenvlakte die
-waarschijnlijk het meest aan het gezicht is blootgesteld, op
-schitterende wijze gekleurd en vertoont meer verscheidenheid van
-kleuren dan de ondervlakte. Vandaar biedt de ondervlakte gewoonlijk aan
-de insektenkenners de bruikbaarste kenmerken aan om de verwantschappen
-der verschillende soorten te ontdekken. Fritz Müller meldt nog, dat bij
-zijn huis in Zuid-Brazilië drie soorten van Gastnia voorkomen; bij twee
-daarvan zijn de achtervleugels donker en worden altijd door de
-voorvleugels bedekt, als deze vlinders in rust zijn; maar de derde
-soort heeft zwarte ondervleugels, fraai gevlekt met rood en wit, en
-deze worden altijd volkomen uitgestrekt en vertoond, wanneer de kapel
-in rust is. Andere soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden
-gevoegd.
-
-Als wij ons nu wenden tot de verbazend groote groep der Nachtvlinders
-die gewoonlijk de ondervlakte hunner vleugels niet volkomen aan het
-gezicht blootstellen, dan is die zijde, naar ik van den heer Stainton
-hoor, zeer zelden levendiger of zelfs even levendig gekleurd, als de
-bovenzijde. Er bestaan echter eenige, hetzij wezenlijke of schijnbare
-uitzonderingen op den regel, zooals die van Hypopyra die door den heer
-Wormald is beschreven. [758] De heer R. Trimen meldt mij, dat in
-Guinée’s groot werk drie nachtvlinders zijn afgebeeld, bij welke de
-ondervlakte het schitterendst is. Bij de Australische Gastrophora is
-bij voorbeeld de bovenvlakte van den voorvleugel grijsachtig
-okerkleurig, terwijl de ondervlakte versierd is met een kobaltblauwe
-oogvlek (ocellus), op een zwarten grond geplaatst, die door oranjegeel,
-en dit laatste door blauwachtig wit wordt omringd. De levenswijze van
-deze drie nachtvlinders is echter onbekend, zoodat geen verklaring van
-den ongewonen stijl, volgens welken zij gekleurd zijn, kan worden
-gegeven. De heer Trimen meldt mij ook, dat de ondervlakten der vleugels
-bij zekere andere Spanners (Geometrae) [759] en vierdeelige Noctuae,
-hetzij meer geschakeerd of levendiger gekleurd zijn dan de
-bovenvlakten; maar sommige dezer soorten hebben de gewoonte „om haar
-vleugels geheel rechtstandig boven den rug te houden en geruimen tijd
-in die houding te blijven zitten”, aldus de ondervlakte aan het gezicht
-blootstellende. Andere soorten hebben de gewoonte, als zij op den grond
-of op het gras zitten, nu en dan plotseling hun vleugels een weinig op
-te lichten. Daarom is het feit, dat bij zekere nachtvlinders de
-ondervlakte der vleugels levendiger is gekleurd dan de bovenvlakte,
-niet zulk een onregelmatigheid als men op het eerste gezicht zou
-zeggen. De Nachtpauwoogen (Saturniidae) omvatten eenige der schoonste
-van alle nachtvlinders, daar hun vleugels, evenals bij onzen Britschen
-grooten Nachtpauwoog, met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd zijn; en
-de heer T. W. Wood [760] merkt op, dat zij in sommige hunner bewegingen
-op kapellen gelijken; „bij voorbeeld in het zachte op en neêr bewegen
-van de vleugels, als ware het om er mede te pronken, hetgeen meer een
-kenmerk van Dagvlinders is.”
-
-Het is een vreemd feit, dat er geen Britsche Nachtvlinders, en zoover
-ik na kan gaan, ook bijna geen uitlandsche soorten zijn, die aan
-schitterende kleuren een verschil in kleur tusschen de seksen paren,
-hoewel dit met vele schitterende Kapellen het geval is. Het mannetje
-van éénen Amerikaanschen nachtvlinder, Saturnia Io, heeft echter
-volgens de beschrijving diepgele voorvleugels, op sierlijke wijze met
-purperachtig roode vlekken geteekend, terwijl de vleugels van het
-wijfje purperbruin en met grijze strepen zijn beteekend. [761] De
-Britsche nachtvlinders bij welke de seksen in kleur verschillen, zijn
-allen bruin of bijna wit, of zij vertoonen verschillende dofgele of
-bijna witte tinten. Bij onderscheidene soorten zijn de mannetjes veel
-donkerder dan de wijfjes [762], en deze behooren tot soorten die
-omstreeks den namiddag vliegen. Bij vele geslachten zijn daarentegen,
-gelijk de heer Stainton mij meldt, de achtervleugels van het mannetje
-witter dan die van het wijfje, van welk feit Agrotis exclamationis een
-goed voorbeeld oplevert. De mannetjes worden daardoor gemakkelijker
-zichtbaar gemaakt dan de wijfjes, als zij gedurende de schemering
-rondvliegen. Bij Hepialus humuli is het verschil sterker uitgedrukt,
-daar de mannetjes wit en de wijfjes geel met donkerder vlekken zijn.
-Het is moeielijk te gissen, welke de beteekenis kan zijn van deze
-verschillen tusschen de seksen in donkerheid of lichtheid van kleur;
-maar wij kunnen moeilijk onderstellen, dat zij alleen het gevolg zijn
-van variabiliteit met seksueel beperkte erfelijkheid, zonder dat
-daardoor eenig voordeel werd verkregen.
-
-Wegens het boven medegedeelde is het onmogelijk aan te nemen, dat de
-schitterende kleuren der Kapellen en van eenige weinige Nachtvlinders
-gewoonlijk ter wille der bescherming zijn verkregen. Wij hebben gezien,
-dat de kleuren en sierlijke teekeningen op hun vleugels zijn ingericht
-en worden gebruikt om er mede te pronken. Daardoor ben ik er toe
-gekomen om te onderstellen, dat de wijfjes over het algemeen de
-voorkeur geven aan, of het meest worden opgewekt door de schitterendste
-mannetjes; want bij elke andere onderstelling zouden de mannetjes, voor
-zoover wij kunnen nagaan, zonder eenig doel zijn versierd. Wij weten
-dat de Mieren en sommige Bladsprietige Kevers vatbaar zijn om
-gehechtheid voor elkander te gevoelen, en dat mieren haar makkers na
-een tusschenruimte van verscheidene maanden herkennen. In het
-afgetrokkene beschouwd, is het daarom niet onwaarschijnlijk, dat de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera), die waarschijnlijk bijna of volkomen
-even hoog op de ladder staan als deze insekten, voldoende
-geestvermogens hebben om levendige kleuren te bewonderen. Zij ontdekken
-gewis bloemen aan haar kleur, en, zooals ik elders heb aangetoond,
-hebben de planten die uitsluitend door den wind worden bevrucht, nimmer
-opzichtig gekleurde bloemkronen. Men kan den Meêkrapvlinder dikwijls
-van op een afstand op een tros bloemen te midden van het groen
-gebladerte zien neêrschieten; en een vriend heeft mij verzekerd, dat
-deze vlinders herhaaldelijk op bloemen afkwamen, die op den muur van
-een kamer in het Zuiden van Frankrijk waren geschilderd. De gewone
-Witjeskapel vliegt, gelijk ik van den heer Doubleday hoor, dikwijls op
-een op den grond liggend stukje papier af, het ongewijfeld voor een
-voorwerp van haar eigen soort houdende. De heer Collingwood zegt [763],
-sprekende over de moeilijkheid om zekere kapellen in Insulinde te
-vangen, „dat een dood voorwerp, op een in ’t oog vallend takje
-vastgestoken, dikwijls een insekt van de zelfde soort in zijn overijlde
-vlucht doet stilhouden, en het naar beneden lokt, zoodat het
-gemakkelijk met het netje kan worden bereikt, vooral als het van de
-tegenovergestelde sekse is.”
-
-De vrijage der Kapellen is een langdurige zaak. De mannetjes vechten
-dikwijls met elkander uit minnenijd; en men kan soms vele mannetjes het
-zelfde wijfje zien vervolgen of omgeven. Indien dus het wijfje niet aan
-het eene mannetje de voorkeur geeft boven het andere, moet de paring
-aan het bloote toeval zijn overgelaten en dit komt mij niet
-waarschijnlijk voor. Indien daarentegen de wijfjes gewoonlijk, of zelfs
-slechts nu en dan, aan de schoonste mannetjes de voorkeur geven, zullen
-de kleuren dezer laatste trapsgewijze fraaier gemaakt en overgeplant
-zijn op beide seksen of op ééne sekse, al naar de wet van erfelijkheid,
-die de overhand behield. De werking der seksueele teeltkeus zal veel
-gemakkelijker zijn gemaakt, indien de besluiten waartoe wij door vele
-bewijsgronden in het bijvoegsel op het negende hoofdstuk kwamen, kunnen
-worden vertrouwd; namelijk dat de mannetjes van vele Schubvleugeligen
-(Lepidoptera), ten minste in den toestand van volkomen insekt, de
-wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.
-
-Er zijn echter eenige feiten die in strijd zijn met het geloof, dat
-vrouwelijke kapellen aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven; zoo
-kan men, naar mij door onderscheidene waarnemers werd verzekerd,
-dikwijls ongeschonden wijfjes met ontredderde verflenste of vuile
-mannetjes gepaard zien; het kon echter moeilijk missen, of deze
-omstandigheid moest dikwijls daarvan het gevolg zijn, dat de mannetjes
-vroeger uit de pop komen dan de wijfjes. Bij de Nachtvlinders tot de
-familie der Spinners (Bombycidae) behoorende, paren de seksen
-onmiddellijk, nadat zij den staat van volkomen insekt hebben bereikt;
-want zij kunnen zich dan niet voeden ten gevolge van den rudimentairen
-toestand van hun monden. De wijfjes liggen, zooals onderscheidene
-insektenkenners mij deden opmerken, bijna in een toestand van
-verdooving en schijnen geen de minste verkiezing te toonen ten opzichte
-der mannetjes waarmede zij paren. Dit is het geval met den gewonen
-Zijdeworm (Bombyx mori), naar mij door sommige kweekers van het
-Vasteland en uit Engeland is gezegd. Dr. Wallace die zulk een
-verbazende ondervinding heeft in het aankweeken van den Ailanthus
-Zijdeworm (Bombyx cynthia), is overtuigd, dat de wijfjes geen
-verkiezing of voorkeur toonen. Hij heeft meer dan 300 dezer vlinders
-levend bijeen gehad en vond dikwijls de krachtigste wijfjes met slecht
-ontwikkelde mannetjes gepaard. Het omgekeerde schijnt zelden voor te
-komen; want, naar hij gelooft, gaan de krachtigste mannetjes de zwakke
-wijfjes voorbij, daar zij worden aangetrokken door die welke de meeste
-levenskracht vertoonen. Desniettemin zijn de Spinners (Bombycidae),
-hoewel donker gekleurd, dikwijls in onze oogen schoon wegens hun
-sierlijke en gevlekte schakeeringen.
-
-Ik heb tot dusver alleen gesproken van de soorten bij welke de
-mannetjes levendiger zijn gekleurd dan de wijfjes, en ik heb haar
-schoonheid daaraan toegeschreven, dat de wijfjes gedurende vele
-geslachten (generaties) de aantrekkelijkste mannetjes hebben uitgekozen
-en met deze hebben gepaard. Doch ook het omgekeerde geval komt voor,
-hoewel zeldzaam, waarin de wijfjes schitterender dan de mannetjes zijn;
-en dan hebben, naar mijn meening, de mannetjes de schoonste wijfjes
-voor de voortteling uitgezocht en daardoor haar schoonheid
-langzamerhand grooter doen worden. Wij weten niet, waarom bij
-verschillende klassen van dieren de mannetjes de fraaiste wijfjes
-hebben uitgezocht, in plaats van gaafweg het eerste wijfje het beste
-aan te nemen, gelijk de algemeene regel in het dierenrijk schijnt te
-zijn; maar indien, in tegenstelling van wat over het algemeen bij de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) plaats grijpt, de wijfjes veel talrijker
-dan de mannetjes waren, zouden deze laatsten waarschijnlijk de fraaiste
-wijfjes uitkiezen. De heer Butler vertoonde mij verschillende soorten
-van Callidryas in het Britsch Museum, bij sommige waarvan de wijfjes de
-mannetjes in schoonheid evenaarden, terwijl zij hen bij andere ver
-daarin overtroffen, want alleen de wijfjes hadden bij deze laatsten de
-randen van haar vleugels overgoten met scharlakenrood en oranje en
-gevlekt met zwart. De minder opgesmukte mannetjes van deze soorten
-gelijken zeer veel op elkander, een bewijs, dat hier de wijfjes zijn
-gewijzigd; terwijl in die gevallen waarin de mannetjes het meest zijn
-versierd, deze gewijzigd zijn, daar de wijfjes zeer veel op elkander
-zijn blijven gelijken.
-
-In Engeland hebben wij eenige soortgelijke gevallen, hoewel niet zoo
-sterk sprekend. De wijfjes alleen hebben bij twee soorten van Thecla
-een heldere purperen of oranjevlek op haar voorvleugels. Bij Hipparchis
-verschillen de seksen niet veel; doch bij H. janira heeft alleen het
-wijfje een opzichtige lichtbruine vlek op haar vleugels; en de wijfjes
-van sommige andere soorten zijn levendiger gekleurd dan haar mannetjes.
-Verder hebben de wijfjes van Colias edusa en hyale „oranje of gele
-vlekken op de zwarte randstreek van haar vleugels, die bij de mannetjes
-slechts door smalle strepen worden vertegenwoordigd”; en bij Pieris
-zijn het de wijfjes die „versierd zijn met zwarte vlekken op de
-voorvleugels, en deze zijn slechts gedeeltelijk tegenwoordig bij de
-mannetjes.” Nu weet men, dat de mannetjes van vele dagvlinders de
-wijfjes bij hun bruiloftsvlucht dragen; maar bij de zoo even genoemde
-soorten dragen integendeel de wijfjes de mannetjes, zoodat de rol die
-de beide seksen spelen, is omgekeerd, evenals haar betrekkelijke
-schoonheid. Door het geheele dierenrijk heên nemen de mannetjes het
-meest actief deel aan de vrijage, en schijnt hun schoonheid te zijn
-vermeerderd, doordat de wijfjes de aantrekkelijkste individu’s hebben
-aangenomen maar bij deze kapellen nemen de wijfjes het meest actief
-deel aan de slotplechtigheid van het huwelijk, zoodat wij mogen
-besluiten, dat zij zulks ook aan de vrijage doen; en in dit geval
-kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat zij de schoonsten zijn
-geworden. De heer Meldola, aan wien bovenstaande opgaven zijn ontleend,
-zegt in zijn besluit: „Hoewel ik niet ben overtuigd van de werking der
-seksueele teeltkeus in het voortbrengen van kleuren bij de insekten,
-kan echter niet worden ontkend, dat deze feiten de beschouwingen van
-den heer Darwin op treffende wijze bevestigen.” [764]
-
-Daar de seksueele teeltkeus aanvankelijk op het voorkomen van
-variabiliteit berust, moeten eenige weinige woorden over dit onderwerp
-hier worden bijgevoegd. Ten opzichte van de kleur is er geen
-moeilijkheid, daar een groot aantal zeer veel verscheidenheid
-vertoonende Schubvleugeligen (Lepidoptera) zouden kunnen worden
-opgenoemd. Eén goed voorbeeld zal voldoende zijn. De heer Bates toonde
-mij een reeks voorwerpen van Papilio Sesostris en childrenae; bij dezen
-laatste verschilden de mannetjes zeer in de grootte van de fraaie op
-email gelijkende groene vlek op de voorvleugels, en in de grootte der
-witte vlek en die van de prachtige karmozijnen streep op de
-achtervleugels, zoodat er een groote tegenstelling was tusschen de
-meest en de minst versierde mannetjes. Het mannetje van Papilio
-Sesostris, hoewel een fraai insekt, is zulks veel minder dan P.
-childrenae; het verschilt ook een weinig in de grootte van de groene
-vlek op de voorvleugels en door een slechts nu en dan voorkomende
-karmozijnen streep op de achtervleugels, die, naar het schijnt, aan
-zijn eigen wijfje is ontleend; want de wijfjes van deze en van vele
-soorten van de Aeneasgroep bezitten deze karmozijnen streep. Vandaar
-was er tusschen de levendigst gekleurde voorwerpen van P. Sesostris en
-de minst levendig gekleurde van P. childrenae slechts een kleine
-tusschenruimte; en het was duidelijk, dat het, voor zoover bloot de
-verscheidenheid aangaat, niet moeilijk zou zijn de schoonheid van elk
-dier twee soorten door middel der teeltkeus te vermeerderen. De
-verscheidenheid is hier bijna alleen tot de mannelijke sekse beperkt;
-maar de heeren Wallace en Bates hebben aangetoond [765], dat er onder
-de wijfjes van sommige andere soorten uiterst veel verscheidenheid
-heerscht, terwijl de mannetjes bijna gelijk aan elkander zijn. Daar ik
-vroeger Hepialus humuli heb vermeld als een der beste voorbeelden in
-Groot-Brittannië van een verschil tusschen de seksen van Nachtvlinders,
-is het wellicht de moeite waard hier bij te voegen [766], dat men op de
-Shetlandsche eilanden dikwijls mannetjes vindt, die zeer veel op de
-wijfjes gelijken. In een volgend hoofdstuk zal ik gelegenheid hebben om
-aan te toonen, dat de oogvlekken (ocelli), die op de vleugels van vele
-Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo algemeen zijn, aan een groote mate
-van verscheidenheid onderhevig zijn.
-
-
-
-Over het geheel schijnt het waarschijnlijk, hoewel vele ernstige
-tegenwerpingen hiertegen kunnen worden aangevoerd, dat de meeste
-soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera), die schitterend gekleurd
-zijn, haar kleuren aan seksueele teeltkeus zijn verschuldigd, behalve
-in zekere gevallen die thans moeten worden vermeld, waarin opzichtige
-kleuren voordeelig zijn tot bescherming. Wegens de vurigheid van het
-mannetje, door het geheele dierenrijk heên, is hij over het algemeen
-bereid elk wijfje aan te nemen, en is het het wijfje dat gewoonlijk een
-keus doet. Vandaar moet het mannetje, als de seksueele teeltkeus heeft
-gewerkt, wanneer de seksen verschillen, het schitterendst zijn
-gekleurd; en dit is ongetwijfeld de algemeene regel. Als de seksen
-schitterend zijn gekleurd en op elkander gelijken, schijnen de door de
-mannetjes verkregen kenmerken op beide seksen te zijn overgeplant. Zal
-echter deze verklaring van de gelijkheid of ongelijkheid in kleur
-tusschen de seksen voldoende zijn?
-
-Het is bekend, dat de mannetjes en de wijfjes van de zelfde soort van
-kapel zich in onderscheidene gevallen op verschillende plaatsen
-ophouden, en dat alsdan de eersten zich gewoonlijk in den zonneschijn
-koesteren, terwijl de laatsten donkere bosschen bezoeken. [767] Het is
-daarom mogelijk, dat de verschillende levensvoorwaarden rechtstreeks op
-beide seksen hebben gewerkt; doch dit is niet waarschijnlijk [768],
-daar zij als volkomen insekt gedurende een zeer kort tijdperk aan
-verschillende levensvoorwaarden, en de larven van beide aan de zelfde
-voorwaarden zijn blootgesteld. De heer Wallace gelooft, dat de minder
-schitterende kleuren van het wijfje in alle of in bijna alle gevallen
-bijzonder ter wille van de bescherming zijn verkregen. Daarentegen
-schijnt het mij waarschijnlijker, dat alleen de mannetjes in verreweg
-de meeste gevallen hun levendige kleuren door seksueele teeltkeus
-hebben verkregen, terwijl de wijfjes slechts weinig zijn gewijzigd. Bij
-gevolg moeten de wijfjes van verschillende doch verwante soorten, veel
-meer op elkander gelijken dan de mannetjes van die zelfde soorten; dit
-is de algemeene regel. De wijfjes vertoonen ons dus bij benadering de
-oorspronkelijke kleuring van den stamvorm van de groep waartoe zij
-behooren. Zij zijn echter bijna altijd tot op zekere hoogte gewijzigd,
-doordat eenige der opeenvolgende trappen van variatie, door de
-opeenhooping (accumulatie) waarvan de mannetjes fraai werden gemaakt,
-ook op haar zijn overgeplant. De mannetjes en de wijfjes van verwante,
-ofschoon verschillende soorten zullen ook over het algemeen gedurende
-hun langdurigen larventoestand aan verschillende levensvoorwaarden zijn
-blootgesteld geweest, en kunnen daardoor wellicht indirect zijn
-aangedaan; hoewel bij de mannetjes eenige geringe aldus veroorzaakte
-kleurverandering dikwijls geheel zal zijn gemaskeerd door de door
-seksueele teeltkeus verkregen schitterende kleuren. Als wij over de
-Vogels handelen, zal ik het geheele vraagstuk moeten bespreken, of de
-kleurverschillen tusschen mannetjes en wijfjes door deze laatsten
-gedeeltelijk bijzonder tot bescherming zijn verkregen, zoodat ik hier
-alleen onvermijdelijke bijzonderheden wil mededeelen.
-
-In alle gevallen waarin de meer gewone vorm van gelijke overerving door
-beide seksen de overhand heeft behouden, moet het voor de voortteling
-uitkiezen van levendig gekleurde mannetjes een streven doen geboren
-worden om de wijfjes levendig te kleuren, en het uitkiezen van dof
-gekleurde wijfjes een streven om de mannetjes dof te maken. Hadden
-beide processen tegelijkertijd plaats, dan zouden zij er naar streven
-om elkander te neutraliseeren. Zoover ik kan nagaan, zou het uiterst
-moeielijk zijn om door teeltkeus den eenen vorm van overerving in den
-anderen te veranderen. Als echter voor de voortteling opeenvolgende
-wijzigingen werden uitgekozen, die van het begin af in haar
-overplanting tot ééne sekse waren beperkt, zou het in het minst niet
-moeilijk zijn om alleen aan de mannetjes schitterende, en
-tegelijkertijd of later alleen aan de wijfjes doffe kleuren te geven.
-Op deze laatste wijze kunnen, zooals ik volkomen toegeef, vrouwelijke
-kapellen en nachtvlinders ter wille van de bescherming kleuren hebben
-verkregen, die haar voor het oog verborgen, en zeer verschillend van
-haar mannetjes hebben gemaakt.
-
-De heer Wallace [769] heeft met veel kracht zijn meening verdedigd,
-dat, als de seksen verschillen, het wijfje bijzonder is gewijzigd ter
-wille der bescherming, en dat dit is veroorzaakt, doordat de eene vorm
-van overerving, namelijk de overplanting van kenmerken op beide seksen,
-door de werking der natuurlijke teeltkeus in den anderen vorm, namelijk
-overplanting op ééne sekse, is veranderd. Ik was eerst sterk geneigd om
-de waarheid dezer meening aan te nemen; maar hoe meer ik de
-verschillende Klassen door het geheele dierenrijk heên bestudeerde, hoe
-minder waarschijnlijk zij mij scheen. De heer Wallace voert aan, dat
-beide seksen van de Heliconidae, Danaidae, Acraeidae even schitterend
-zijn, omdat beide door haar walgelijken stank tegen de aanvallen van
-vogels en andere vijanden zijn beveiligd; maar dat in andere groepen
-die dezen vrijdom niet bezitten, de wijfjes niet in ’t oog vallende
-kleuren hebben verkregen, omdat zij meer bescherming noodig hadden dan
-de mannetjes. Dit veronderstelde verschil in het „noodig hebben van
-bescherming van beide seksen” is vrij bedriegelijk en vereischt eenige
-bespreking. Het is duidelijk, dat levendig gekleurde individu’s, hetzij
-het mannetjes of wijfjes waren, evenzeer de oplettendheid hunner
-vijanden tot zich moesten trekken en donker gekleurde individu’s
-daaraan evenzeer moesten ontsnappen. Wij hebben hier echter te maken
-met de uitwerkselen van de vernietiging of het bewaard blijven van
-zekere individu’s van ééne der beide seksen op den aard van het ras.
-Bij insekten kan, nadat het mannetje het wijfje heeft bevrucht en dit
-laatste haar eieren gelegd, de grootere of mindere veiligheid voor
-gevaar van ééne der beide seksen bij geen mogelijkheid eenige
-uitwerking op hun nakomelingen hebben. Voor de seksen die haar eigen
-functies hadden volbracht, zou, indien zij in even groot getal
-bestonden en allen paarden (alle andere omstandigheden de zelfde
-blijvende), het bewaard blijven der mannetjes voor het bestaan der
-soort en voor den aard der nakomelingen even belangrijk zijn als het
-bewaard blijven der wijfjes. Bij de meeste dieren kan echter het
-mannetje, gelijk men weet, dat met den tammen zijdeworm het geval is,
-twee of drie wijfjes bevruchten, zoodat de vernieling der mannetjes
-niet zoo schadelijk voor de soort zou zijn als die der wijfjes. Dr.
-Wallace gelooft nochtans, dat bij nachtvlinders de nakomelingschap,
-door de tweede of derde bevruchting voortgebracht, aanleg tot zwakte
-heeft en dus een minder goede kans zou hebben om te blijven leven.
-Wanneer de mannetjes in veel grooter aantal bestaan dan de wijfjes,
-zouden ongetwijfeld vele mannetjes zonder nadeel voor de soort kunnen
-worden vernield; maar ik kan niet inzien, dat het in ongelijk aantal
-bestaan der seksen invloed zou hebben op de gevolgen der gewone
-teeltkeus ten opzichte van de bescherming; want waarschijnlijk zouden
-de opzichtigste individu’s, hetzij dit mannetjes of wijfjes waren, in
-de zelfde verhouding worden vernield. Indien nochtans de mannetjes een
-grootere verscheidenheid in kleur vertoonden, zou het resultaat anders
-zijn; maar het is onnoodig, dat wij hier zulke ingewikkelde
-bijzonderheden nagaan. Over het geheel kan ik niet begrijpen, hoe een
-ongelijkheid in aantal van beide seksen op eenigszins merkbare wijze
-invloed zou kunnen hebben op de uitwerkselen van de gewone teeltkeus
-ten opzichte van de kenmerken der jongen.
-
-De heer Wallace wijst er met aandrang op, dat de vrouwelijke vlinders
-eenige dagen noodig hebben om haar bevruchte eieren te leggen en
-daarvoor een geschikte plaats te zoeken; gedurende dit tijdperk (waarin
-het leven der mannetjes van geen belang is) zouden de levendigst
-gekleurde wijfjes aan gevaar zijn blootgesteld en kans hebben om te
-worden vernield. De meer dof gekleurde wijfjes daarentegen zouden
-blijven leven en zoo, naar men mag vermoeden, een merkbaren invloed
-hebben op de kenmerken der soort,—hetzij van beide seksen of van ééne
-sekse, al naar den vorm van erfelijkheid, die de overhand behield. Men
-moet echter niet uit het oog verliezen, dat de mannetjes eenige dagen
-vroeger uit de pop komen dan de wijfjes en gedurende dit tijdperk
-waarin de nog niet geboren wijfjes veilig zijn, zouden de levendiger
-gekleurde mannetjes aan gevaar zijn blootgesteld; zoodat ten slotte
-beide seksen gedurende een ongeveer even lange tijdruimte aan gevaar
-zouden zijn blootgesteld en de eliminatie van opzichtige kleuren op de
-eene sekse niet veel meer in zou werken dan op de andere.
-
-Het is een belangrijker overwegingspunt, dat vrouwelijke vlinders,
-gelijk de heer Wallace opmerkt en gelijk aan ieder verzamelaar bekend
-is, over het algemeen langzamer vliegen, dan de mannetjes. Bij gevolg
-zouden de laatsten, als zij wegens hun opzichtige kleuren aan grooter
-gevaar waren blootgesteld, in staat kunnen zijn om aan hun vijanden te
-ontsnappen, terwijl de eveneens gekleurde wijfjes zouden worden
-vernield, en zoo zouden de wijfjes den meesten invloed hebben op het
-wijzigen van de kleur hunner nakomelingen.
-
-Er is nog één ander overwegingspunt: schitterende kleuren zijn,
-voorzoover de seksueele teeltkeus aangaat, gewoonlijk aan wijfjes van
-geen dienst, zoodat, indien deze laatsten in levendigheid van kleur
-verschilden en de overplanting van die verschillen tot ééne sekse was
-beperkt, het eenvoudig van het toeval zou afhangen, of de levendigheid
-van kleur der wijfjes zou toenemen; en dit zou een neiging doen geboren
-worden om door de geheele Orde heên het aantal soorten met levendig
-gekleurde wijfjes minder te maken in verhouding tot de soorten welke
-levendig gekleurde mannetjes bezaten. Daar levendige kleuren worden
-verondersteld voor de mannetjes van veel dienst te zijn in den
-wedstrijd der liefde, zouden van den anderen kant de levendig gekleurde
-mannetjes (zooals wij in het hoofdstuk over Vogels zullen zien), hoewel
-aan iets grooter gevaar blootgesteld, toch gemiddeld een talrijker
-kroost voortbrengen dan de dof gekleurde mannetjes. In dit geval
-zouden, indien de variaties in haar overplanting tot de mannelijke
-sekse waren beperkt, alleen de mannetjes fraaier kleuren verkrijgen;
-indien echter een dergelijke beperking niet plaats greep, zou het
-bewaard blijven en de toeneming van dergelijke variaties daarvan
-afhangen, of er meer kwaad werd berokkend aan de soort door het
-verkrijgen van opzichtige kleuren door de wijfjes, dan goed aan de
-mannetjes, doordat zekere individu’s de zegepraal over hun mededingers
-behaalden.
-
-Daar het nauwelijks kan worden betwijfeld, dat beide seksen van vele
-dag- en nachtvlinders doffe kleuren hebben verkregen ter wille van de
-bescherming, kan het wellicht even zoo zijn gegaan met de wijfjes
-alleen van sommige soorten, waarin opeenvolgende variaties in de
-richting der doffe kleur eerst bij de vrouwelijke sekse verschenen en
-in haar overplanting van den beginne af tot die zelfde sekse bleven
-beperkt. Had een dergelijke beperking niet plaats, dan moesten beide
-seksen doffe kleuren hebben verkregen. Wij zullen zoo dadelijk zien,
-als wij over nabootsing („mimickry”) handelen, dat bij sommige kapellen
-alleen de wijfjes uiterst fraai zijn gemaakt ter wille van de
-bescherming, zonder dat een enkele der opvolgende beschermende
-variaties op het mannetje is overgeplant, voor wien zij bij geen
-mogelijkheid in het minst schadelijk zouden kunnen zijn geweest, zoodat
-zij niet door de natuurlijke teeltkeus zouden kunnen zijn geëlimineerd.
-Of het bij elke bijzondere soort bij welke de seksen in kleur
-verschillen, het wijfje is geweest, dat bijzonder is gewijzigd ter
-wille van de bescherming; dan wel of het het mannetje is geweest, dat
-bijzonder is gewijzigd om daardoor aantrekkelijk te worden voor de
-wijfjes, terwijl deze laatsten haar oorspronkelijke kleur hebben
-behouden, alleen in geringe mate veranderd door de inwerkingen waarop
-vroeger is gezinspeeld; dan wel eindelijk, of beide seksen zijn
-gewijzigd, het wijfje tot bescherming, het mannetje om aantrekkelijker
-voor het wijfje te worden, kan alleen voorgoed worden beslist, als wij
-de geschiedenis van het leven van elke soort kennen.
-
-Zonder stellige bewijzen ben ik niet geneigd om aan te nemen, dat bij
-een menigte soorten gedurende langen tijd een dubbel proces van
-teeltkeus heeft gewerkt, waardoor de mannetjes schitterender werden,
-omdat zij daardoor de zegepraal behaalden over hun vijanden en de
-wijfjes doffer kleuren verkregen, omdat zij daardoor aan hun vijanden
-ontsnapten. Wij kunnen als voorbeeld den gewonen Citroenvlinder
-(Gonopteryx) noemen, die vroeg in de lente vóór elke andere soort
-verschijnt. Het mannetje van deze soort is veel levendiger geel
-gekleurd dan het wijfje, ofschoon dit laatste bijna evenzeer in het oog
-valt; en in dit geval schijnt het niet waarschijnlijk, dat zij haar
-bleeke kleuren verkreeg met het bijzondere doel om haar te beschermen,
-hoewel het waarschijnlijk is, dat het mannetje zijn levendige kleur
-verkreeg om aantrekkelijker voor haar te worden. Het wijfje van den
-Peterselievlinder (Antocharis cardamines) bezit aan haar vleugels de
-fraaie oranje punten niet, waarmede het mannetje is versierd; bij
-gevolg gelijkt zij zeer veel op de Witjeskapellen (Pieris) die in onze
-tuinen zoo algemeen zijn; wij hebben echter geen bewijzen, dat deze
-gelijkenis voordeelig voor haar is. Daar zij gelijkt op beide seksen
-van verscheidene soorten van het zelfde geslacht, die verschillende
-deelen der wereld bewonen, is het integendeel waarschijnlijker, dat zij
-eenvoudig haar oorspronkelijke kleuren grootendeels heeft behouden.
-
-Verschillende feiten ondersteunen dit besluit, dat het bij de meeste
-schitterend gekleurde vlinders het mannetje is, dat is gewijzigd, en
-dat de beide seksen er toe zijn gekomen om van elkander te verschillen
-of op elkander te gelijken, al naar den vorm van erfelijkheid, die de
-overhand behield. De erfelijkheid wordt door zoovele onbekende wetten
-of voorwaarden beheerscht, dat zij ons zeer grillig in haar werking
-schijnen te zijn [770], en wij kunnen in zoo verre begrijpen, hoe het
-komt, dat bij nauwverwante soorten de seksen van sommige verbazend
-verschillen, terwijl die van andere de zelfde kleur bezitten. Daar de
-opeenvolgende trappen van het proces van variatie allen noodzakelijk
-door het wijfje heên worden overgeplant, zou een grooter of kleiner
-aantal daarvan gemakkelijk ook bij haar tot ontwikkeling kunnen komen,
-en op die wijze kunnen wij de veelvuldige overgangen begrijpen tusschen
-een uitermate groot verschil en volstrekt geen verschil tusschen de
-seksen bij de soorten van ééne en de zelfde groep. Deze gevallen van
-overgang zijn veel te algemeen om de veronderstelling te begunstigen,
-dat wij hier de wijfjes juist bezig zien met het proces van overgang te
-ondergaan en haar levendige kleuren ter wille der bescherming te
-verliezen; want wij hebben alle reden om te besluiten, dat op elk
-gegeven tijdstip het grootste aantal soorten in een blijvenden toestand
-verkeeren. Ten opzichte van de verschillen tusschen de wijfjes van de
-soorten van één en het zelfde geslacht of ééne en de zelfde familie,
-kunnen wij opmerken, dat zij, ten minste gedeeltelijk, daarvan
-afhangen, dat de wijfjes deelen in de kleuren van haar respectieve
-mannetjes. Hiervan geven die groepen een goed voorbeeld, bij welke de
-mannetjes in buitengewone mate zijn versierd; want bij deze groepen
-deelen de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte in de pracht van haar
-mannelijke gezellen. Eindelijk vinden wij steeds, zooals reeds is
-opgemerkt, dat de wijfjes van bijna alle soorten van één en het zelfde
-geslacht, of zelfs van ééne en de zelfde familie, veel meer in kleur op
-elkander gelijken dan de mannetjes, en dit bewijst, dat de mannetjes
-een grootere mate van wijziging hebben ondergaan dan de wijfjes.
-
-
-
-Nabootsing („Mimickry”).—Dit beginsel werd het eerst duidelijk gemaakt
-in een bewonderenswaardige verhandeling van den heer Bates [771] die
-daardoor een stroom van licht op menig duister vraagstuk wierp. Men had
-reeds vroeger opgemerkt, dat zekere kapellen in Zuid-Amerika, tot
-geheel verschillende families behoorende, zoo volkomen op de
-Heliconidae geleken in elke streep en schakeering harer kleuren, dat
-zij daarvan slechts door een geoefend insektenkenner konden worden
-onderscheiden. Daar de Heliconidae op haar gewone wijze zijn gekleurd,
-terwijl de andere afwijken van de gewone kleuring der groepen waartoe
-zij behooren, is het duidelijk, dat deze laatsten de nabootsers en de
-Heliconidae de nagebootsten zijn. De heer Bates merkte verder op, dat
-de nabootsende soorten vergelijkenderwijze zeldzaam zijn, terwijl de
-nagebootste in grooten getale rondvliegen, en dat beide met elkander
-dooreengemengd leven. Uit het feit, dat de Heliconidae opzichtige en
-fraai gekleurde insekten en toch zoo talrijk in individu’s en soorten
-zijn, besloot hij, dat zij tegen de aanvallen der vogels moesten worden
-beschermd door de eene of andere afscheiding of stank, en deze
-onderstelling is nu door een groot aantal merkwaardige bewijzen
-bevestigd. [772] Uit deze overwegingen leidde de heer Bates af, dat de
-kapellen die de beschermde soorten nabootsen, haar tegenwoordig
-verwonderlijk bedriegelijk uiterlijk hebben verkregen door afwijking en
-natuurlijke teeltkeus, opdat zij voor de beschermde soorten zouden
-worden gehouden en daardoor zouden ontsnappen aan het gevaar van te
-worden verslonden. Geen verklaring wordt hier beproefd van de
-schitterende kleuren der nagebootste, maar alleen van die der
-nabootsende kapellen. Wij moeten ons van de kleuren der eersten
-rekenschap geven op de zelfde algemeene wijze als in de vroeger in dit
-hoofdstuk besproken gevallen. Sinds de uitgaaf van de verhandeling van
-den heer Bates zijn gelijksoortige en even treffende gevallen door den
-heer Wallace [773] in Insulinde, door den heer Trimen in Zuid Afrika en
-door den heer Riley in de Vereenigde Staten waargenomen.
-
-Daar sommige schrijvers [774] veel moeite hebben gehad om te begrijpen,
-hoe de eerste stappen van het proces van nabootsing („mimickry”) door
-natuurlijke teeltkeus tot stand konden zijn gekomen, zal het wellicht
-goed zijn op te merken, dat het proces waarschijnlijk nimmer is
-begonnen met vormen die zeer veel in kleur verschilden. Bij twee
-soorten echter, die tamelijk op elkander geleken, kan de grootst
-mogelijke gelijkenis gemakkelijk op die wijze zijn verkregen, indien
-zij voor één van beide vormen voordeelig was; en, indien de nagebootste
-vorm daarna allengs door seksueele teeltkeus of door eenige andere
-oorzaak werd gewijzigd, moest de nabootsende vorm hem op dat zelfde
-spoor volgen en aldus tot bijna elke hoogte worden gewijzigd, zoodat
-hij ten laatste een uiterlijk of kleuring verkreeg, geheel
-verschillende van dat der andere leden van de groep waartoe hij
-behoorde. Daar uiterst geringe variaties in kleur in vele gevallen niet
-voldoende zouden zijn om een soort zoo gelijk aan een andere beschermde
-soort te maken dat zij behouden bleef, moet ik er aan herinneren, dat
-vele soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) vatbaar zijn voor
-aanmerkelijke en plotselinge variaties in kleur. Eenige weinige
-voorbeelden daarvan zijn in dit hoofdstuk gegeven; men zou echter goed
-doen over dit punt zoowel de oorspronkelijke verhandeling van den heer
-Bates over nabootsing („mimickry”), als de verhandelingen van den heer
-Wallace te raadplegen.
-
-Bij verscheidene soorten zijn de seksen gelijk en bootsen de beide
-seksen van een andere soort na. Doch de heer Trimen deelt in de reeds
-aangehaalde verhandeling drie gevallen mede, waarin de seksen van den
-nagebootsten vorm van elkander in kleur verschillen, en de seksen van
-den nabootsenden vorm op dezelfde wijze van elkander verschillen.
-Onderscheidene gevallen zijn ook opgeteekend, waar alleen de wijfjes
-schitterend gekleurde en beschermde soorten nabootsen, terwijl de
-mannetjes „het normale uiterlijk van hun naaste verwanten” hebben
-behouden. Het is hier duidelijk, dat de opeenvolgende variaties
-waardoor het wijfje is gewijzigd, op haar alleen zijn overgeplant. Het
-is echter waarschijnlijk, dat sommige van de vele opeenvolgende
-variaties ook op de mannetjes zouden zijn overgebracht en zich ook bij
-deze zouden hebben ontwikkeld, als dergelijke mannetjes niet waren
-geëlimineerd, omdat zij daardoor minder aantrekkelijk voor de wijfjes
-werden gemaakt; zoodat alleen die variaties bewaard bleven, die van den
-beginne af in haar overerving stipt tot de vrouwelijke sekse waren
-beperkt. Wij hebben een voorbeeld tot opheldering van deze opmerkingen
-in een mededeeling van den heer Belt [775], dat de mannetjes van
-sommige Leptaliden, die beschermende soorten nabootsen, toch op
-verborgen wijze eenige hunner oorspronkelijke kenmerken bewaren. Zoo is
-bij de mannetjes „de bovenhelft van den ondervleugel zuiver wit van
-kleur, terwijl het geheele overige gedeelte van de vleugels zwarte,
-roode en gele strepen en vlekken vertoont, evenals bij de soorten die
-zij nabootsen. De wijfjes hebben deze witte vlek niet, en de mannetjes
-verbergen haar gewoonlijk door haar met den bovenvleugel te bedekken,
-zoodat ik niet kan begrijpen, dat zij van eenig ander nut voor hen zou
-zijn dan als een aantrekkingsmiddel bij de vrijage, waarbij zij haar
-aan de wijfjes vertoonen en daardoor van de diepgewortelde voorkeur
-partij trekken, welke deze gevoelen voor de normale kleur van de groep
-waartoe de Leptaliden behooren.”
-
-
-
-Levendige Kleuren van Rupsen.—Terwijl ik nadacht over de schoonheid van
-vele kapellen, viel het mij in, dat sommige rupsen prachtig zijn
-gekleurd, en daar hier de seksueele teeltkeus bij geen mogelijkheid kan
-hebben gewerkt, scheen het overijld om de schoonheid der volkomen
-insekten aan de werking daarvan toe te schrijven, tenzij de levendige
-kleuren van hun larven op de eene of andere wijze konden worden
-verklaard. In de eerste plaats kan worden opgemerkt, dat de kleuren van
-rupsen volstrekt niet in nauw verband staan met die van het volkomen
-insekt. In de tweede plaats dienen hun levendige kleuren op geen enkele
-gewone wijze tot bescherming. Als een voorbeeld hiervan deelt de heer
-Bates mij mede, dat de meest opzichtige rups welke hij ooit zag, een
-Pijlstaartrups (Sphinx), leefde op de groote groene bladeren van een
-boom in de open Llano’s van Zuid-Amerika; zij was ongeveer een
-decimeter lang en bezat zwarte of gele dwarsbanden, terwijl de kop,
-pooten en staart helder rood waren. Daardoor viel zij elk mensch die op
-vele ellen afstands voorbijging, en waarschijnlijk elk voorbijkomend
-levend schepsel in het oog.
-
-Ik wendde mij toen tot den heer Wallace die een aangeboren vernuft
-bezit om moeilijkheden op te lossen. Na eenig nadenken antwoordde deze
-mij: „De meeste rupsen hebben bescherming noodig, zooals daaruit mag
-worden afgeleid, dat vele soorten van doornen en prikkelende haren zijn
-voorzien, of groen gekleurd, gelijk de bladeren waarmede zij zich
-voeden, of merkwaardig veel gelijken op de twijgen der boomen waarop
-zij leven.” Ik kan hier als een ander voorbeeld van bescherming
-bijvoegen, dat er een rups van een nachtvlinder is, gelijk de heer J.
-Mansel Weale mij mededeelde, die op de mimosa’s van Zuid-Afrika leeft,
-en zich een verblijfplaats vervaardigt, die volstrekt niet van de
-omringende doornen kan worden onderscheiden. Op grond van dergelijke
-overwegingen hield de heer Wallace het voor waarschijnlijk, dat
-opzichtig gekleurde rupsen werden beschermd, doordat zij een
-walgelijken smaak hadden; maar daar haar huid uiterst teeder is, en
-haar ingewanden gemakkelijk uitpuilen uit een wond, zou een geringe pik
-van den snavel van een vogel bijna even noodlottig voor haar zijn,
-alsof zij verslonden waren geworden. Daarom zou, gelijk de heer Wallace
-opmerkt, „een walgelijke smaak alleen onvoldoende zijn om een rups te
-beschermen, tenzij eenig uiterlijk teeken aan het dier dat haar wilde
-verslinden, aantoonde, dat zijn prooi een wansmakelijk gerecht was.”
-Onder deze omstandigheden zou het in hooge mate voordeelig voor een
-rups zijn om oogenblikkelijk en met zekerheid door alle vogels en
-andere dieren als oneetbaar te worden herkend. Zoo zouden de
-levendigste kleuren nuttig zijn, en zouden kunnen zijn verkregen door
-variatie en het in leven blijven der gemakkelijkst herkenbare
-individu’s.
-
-Deze veronderstelling schijnt op het eerste gezicht zeer stout, maar
-toen zij aan het oordeel der Engelsche Entomologische Vereeniging werd
-onderworpen [776], werd zij door onderscheidene mededeelingen
-bevestigd; en de heer Jenner Weir die een groot aantal vogels in een
-vogelhuis (volière) houdt, heeft, naar hij mij meldt, talrijke proeven
-genomen en vindt geen uitzondering op den regel, dat al de rupsen die
-een nachtelijke levenswijze hebben, zich schuil houden en een zachte
-huid bezitten, allen die groen van kleur zijn, en allen die twijgen
-nabootsen, gretig door zijn vogels worden verslonden. De harige en
-doornige soorten worden onveranderlijk weggeworpen, en evenzoo ging het
-met vier opzichtig gekleurde soorten. Als de vogels een rups
-wegwierpen, toonden zij duidelijk door hun koppen te schudden en hun
-bekken schoon te maken, dat zij van den smaak walgden. [777] Drie
-opzichtige soorten van rupsen werden ook door den heer A. Butler aan
-eenige hagedissen en kikvorschen gegeven, en werden weggeworpen, hoewel
-andere soorten gretig werden gegeten. De waarschijnlijke waarheid van
-de meening van den heer Wallace wordt dus bevestigd, dat namelijk
-zekere rupsen opzichtig zijn gemaakt voor haar eigen bestwil, opdat zij
-gemakkelijk door haar vijanden zouden kunnen worden herkend, ongeveer
-volgens het zelfde beginsel, als zekere vergiften door de apothekers
-worden gekleurd ten bestwil van den mensch.
-
-Wij kunnen echter tegenwoordig de sierlijke verscheidenheid van de
-kleuren van vele rupsen niet op die wijze verklaren; maar elke soort
-die in een of ander vroeger tijdperk een dof gevlekt of gestreept
-uiterlijk had verkregen, hetzij in nabootsing van omringende voorwerpen
-of door de rechtstreeksche werking van het klimaat enz, zou bijna zeker
-niet eenvormig van kleur worden, als haar kleuren sterk en levendig
-werden; want, als het eenvoudig was te doen om een rups opzichtig te
-maken, zou er geen teeltkeus in de eene of andere bepaalde richting
-zijn.
-
-
-
-Overzicht en Slotopmerkingen aangaande de Insekten.—Laten wij thans een
-terugblik slaan op de verschillende Orden. Wij hebben gezien, dat de
-seksen dikwijls in onderscheidene kenmerken verschillen, waarvan de
-beteekenis niet wordt begrepen. De seksen verschillen ook dikwijls in
-haar zintuigen of bewegingswerktuigen, opdat de mannetjes de wijfjes
-spoedig zouden kunnen ontdekken of bereiken, en nog veelvuldiger,
-doordat de mannetjes allerlei werktuigen hebben om het wijfje vast te
-houden als zij haar hebben gevonden. Wij hebben hier echter met
-dergelijke seksueele verschillen niet veel te maken.
-
-In bijna alle Orden weet men, dat de mannetjes van sommige soorten,
-zelfs van zwakke en teedere, zeer strijdlustig zijn; en eenige weinige
-zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun medeminnaars te
-vechten. De wet van den strijd geldt echter bij de Insekten lang zoo
-algemeen niet als bij de hoogere dieren. Daardoor komt het
-waarschijnlijk, dat de mannetjes zelden grooter en sterker zijn
-geworden dan de wijfjes. Zij zijn daarentegen gewoonlijk kleiner, opdat
-zij zich in korten tijd zouden kunnen ontwikkelen, zoodat zij in
-grooten getale gereed zijn, als de wijfjes uit de pop komen.
-
-In twee families van de Gelijkvleugeligen (Homoptera) bezitten alleen
-de mannetjes in werkzamen staat werktuigen die men stemorganen zou
-kunnen noemen; en in drie families van de Rechtvleugeligen (Orthoptera)
-bezitten alleen de mannetjes sjirporganen. In beide gevallen worden
-deze organen gedurende den paartijd onophoudelijk gebruikt, niet alleen
-om de wijfjes te lokken, maar ook om haar in den wedstrijd met andere
-mannetjes te bekoren of op te wekken. Niemand die de werking der
-natuurlijke teeltkeus aanneemt, zal betwisten, dat deze
-muziekinstrumenten door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In vier
-andere Orden bezitten de leden van de eene sekse, of meer algemeen van
-beide seksen organen om verschillende geluiden voort te brengen, die
-alleen als loktonen schijnen te dienen. Zelfs wanneer beide seksen
-daarvan zijn voorzien, moeten zij die in staat zijn het luidste of
-langst aanhoudende geluid te maken, eerder gezellen krijgen dan zij die
-minder luidruchtig zijn, zoodat hun organen waarschijnlijk door
-seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is leerzaam om na te denken
-over de verwonderlijke verscheidenheid der middelen om geluid voort te
-brengen, welke alleen de mannetjes of beide seksen in niet minder dan
-zes Orden bezitten, en welke door ten minste één insekt in een uiterst
-lang geleden geologisch tijdvak werden bezeten. Wij leeren daaruit, hoe
-werkzaam de seksueele teeltkeus is geweest in het veroorzaken van
-verschillende wijzigingen van maaksel, die soms, zooals bij de
-Gelijkvleugeligen (Homoptera), belangrijk van aard zijn.
-
-Wegens in het vorige hoofdstuk vermelde reden is het waarschijnlijk,
-dat de groote horens van de mannetjes van vele Bladsprietigen
-(Lamellicornia) en sommige andere Kevers als een sieraad zijn
-verkregen. Evenzoo is het wellicht ook met zekere andere tot de
-mannelijke sekse beperkte bijzonderheden. Wegens de geringe grootte der
-insekten zijn wij geneigd hun uiterlijk aanzien laag te schatten. Als
-wij ons een mannelijke Chalcosoma (Fig. 57) konden voorstellen, met
-zijn maliënkolder van gepolijst brons, tot de grootte van een paard of
-zelfs slechts van een hond vergroot, zou het een der indrukwekkendste
-dieren van de wereld zijn.
-
-De kleuring der insekten is een ingewikkeld en duister onderwerp. Als
-het mannetje weinig van het wijfje verschilt en geen van beide
-schitterend gekleurd zijn, is het waarschijnlijk, dat de beide seksen
-op een eenigszins verschillende wijze hebben gevarieerd en de variaties
-op de zelfde sekse zijn overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel
-is verkregen of nadeel geleden. Als het mannetje schitterend is
-gekleurd en in ’t oog loopend van het wijfje verschilt, zooals bij
-sommige Waternimfen en vele Kapellen, is het waarschijnlijk, dat hij
-alleen is gewijzigd en dat hij zijn kleuren aan seksueele teeltkeus is
-verschuldigd, terwijl het wijfje een oorspronkelijke of zeer oude type
-van kleuring heeft behouden, eenigermate gewijzigd door vroeger
-verklaarde oorzaken, en dus, ten minste in de meeste gevallen, niet
-donker is gekleurd ter wille van de bescherming. Maar soms is ook
-alleen het wijfje schitterend gekleurd, zoodanig, dat het andere in de
-zelfde streek wonende beschermde soorten nabootst. Als de seksen op
-elkander gelijken, en beide donker gekleurd zijn, is er geen twijfel,
-dat zij in een menigte gevallen die kleur ter wille van de bescherming
-hebben verkregen. Evenzoo is het in sommige gevallen, als beide
-levendig gekleurd zijn en zij daardoor op hen omringende voorwerpen,
-zooals bloemen, of op andere beschermde soorten gelijken, of op
-indirecte wijze haar vijanden doen weten, dat zij oneetbaar zijn. In
-vele andere gevallen waarin de seksen op elkander gelijken en
-schitterend gekleurd zijn, vooral wanneer de kleuren geschikt zijn om
-er mede te pronken, mogen wij besluiten, dat zij door de mannelijke
-sekse als een aantrekkelijkheid zijn verkregen en op beide seksen
-overgeplant. Wij worden meer in het bijzonder tot dit besluit gebracht,
-als de zelfde type van kleur door een geheele groep heên heerscht, en
-wij vinden, dat de mannetjes van sommige soorten zeer in kleur van de
-wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen geheel
-gelijk zijn en tusschenliggende overgangen deze uiterste toestanden
-verbinden.
-
-Op de zelfde wijze als levendige kleuren dikwijls gedeeltelijk van de
-mannetjes op de wijfjes zijn overgeplant, is het ook soms gegaan met de
-buitengewone horens van vele Bladsprietigen (Lamellicornia) en sommige
-andere kevers. Evenzoo zijn ook de stem- of instrumentale organen die
-aan de mannetjes der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en Rechtvleugeligen
-(Orthoptera) eigen zijn, gewoonlijk in een rudimentairen of zelfs in
-een bijna volkomen toestand op de wijfjes overgeplant, en toch niet
-volkomen genoeg om tot het voortbrengen van geluid te worden gebezigd.
-Het is ook een belangwekkend feit, daar het op seksueele teeltkeus
-wijst, dat de sjirporganen van sommige mannelijke Rechtvleugeligen
-(Orthoptera) niet tot volkomen ontwikkeling komen voor de laatste
-vervelling, en dat de kleuren van de mannetjes van sommige Waternimfen
-niet tot volkomen ontwikkeling komen, dan korten tijd nadat zij uit de
-pop zijn gekomen en als zij gereed zijn voor de paring.
-
-De seksueele teeltkeus sluit in zich, dat aan de aantrekkelijkste
-individu’s door de andere sekse de voorkeur wordt gegeven; en daar bij
-de insekten, wanneer de seksen verschillen, met zeldzame uitzonderingen
-het mannetje het meest is versierd en het meest afwijkt van de type
-waartoe de soort behoort, moeten wij veronderstellen, dat de wijfjes
-gewoonlijk of somtijds aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven, en
-dat deze op die wijze hun schoonheid hebben verkregen. Dat in de meeste
-of alle Orden de wijfjes het vermogen bezitten om eenig bijzonder
-mannetje van de hand te wijzen, mogen wij veilig afleiden uit de vele
-vreemdsoortige dwangwerktuigen welke de mannetjes bezitten om het
-wijfje te grijpen, zooals groote kaken, zuigkussentjes, doornen,
-verlengde pooten enz.; want deze dwangwerktuigen bewijzen, dat er aan
-de handeling eenige moeite is verbonden. In het geval van vereenigingen
-tusschen verschillende soorten, waarvan vele voorbeelden zijn
-opgeteekend, moet het wijfje daarin hebben toegestemd. Te oordeelen
-naar hetgeen wij weten van de waarnemingsvermogens en de neigingen van
-verschillende insekten, is er a priori volstrekt geen
-onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de seksueele teeltkeus sterk heeft
-gewerkt; maar wij bezitten daarvan tot dusver nog geen rechtstreeksche
-bewijzen, en sommige feiten pleiten tegen dit geloof. Desniettemin
-kunnen wij, als wij vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen,
-moeielijk gelooven, dat de paring aan het blinde toeval is
-overgelaten,—dat het wijfje geen keus uitoefent en dat de prachtige
-kleuren of andere versierselen waarmede het mannetje prijkt, geen
-invloed op haar uitoefenen.
-
-Als wij aannemen, dat de wijfjes van de Gelijkvleugeligen (Homoptera)
-en Rechtvleugeligen (Orthoptera) de door hun mannelijke gezellen
-voortgebrachte muzikale tonen op prijs stellen, en dat de verschillende
-tot dit doel bestemde instrumenten door seksueele teeltkeus volkomener
-zijn gemaakt, is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat de wijfjes van
-andere insekten schoonheid van vorm of kleur op prijs stellen, en dat
-bijgevolg dergelijke kenmerken op die wijze door de mannetjes zijn
-verkregen. Maar wegens de omstandigheid, dat de kleur zoo variabel is,
-en omdat zij dikwijls ter wille van de bescherming is gewijzigd, is het
-uiterst moeielijk te beslissen in hoe sterk een verhouding van gevallen
-de seksueele teeltkeus in het spel geweest. Dit is meer in het
-bijzonder moeielijk in die Orden, zooals de Rechtvleugeligen
-(Orthoptera), Vliesvleugeligen (Hymenoptera) en Schildvleugeligen
-(Coleoptera), in welke de beide seksen zelden veel in kleur
-verschillen; want wij zijn dan beroofd van ons beste bewijs voor eenige
-betrekking tusschen de voortplanting der soort en de kleur. Onder de
-Schildvleugeligen (Coleoptera) is het echter, zooals vroeger is
-opgemerkt, in de groote groep der Bladsprietige Kevers (Lamellicornia),
-door sommige schrijvers aan het hoofd van de Orde geplaatst, en waarin
-wij somtijds een wederkeerige gehechtheid tusschen de seksen waarnemen,
-dat wij de mannetjes van sommige soorten in het bezit van bijzondere
-wapens voor den strijd om de wijfjes, andere van verwonderlijke horens,
-vele van sjirporganen voorzien en andere met prachtige metallieke
-kleuren versierd vinden. Het schijnt daarom waarschijnlijk, dat al deze
-kenmerken door het zelfde middel, namelijk seksueele teeltkeus, zijn
-verkregen.
-
-Als wij de vogels behandelen, zullen wij zien, dat zij in hun
-secundaire seksueele kenmerken de grootste analogie met de Insekten
-vertoonen. Zoo zijn vele mannelijke vogels in hooge mate strijdlustig
-en sommigen zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun
-medeminnaars te vechten. Zij bezitten organen die gedurende den
-paartijd worden gebruikt om vocale en instrumentale muziek voort te
-brengen. Zij zijn dikwijls versierd met kammen, horens, vleeschlappen
-en vederen van den meest verschillenden aard en prijken met schoone
-kleuren, hetwelk alles klaarblijkelijk dient om er mede te pronken. Wij
-zullen zien, dat, evenals bij de insekten, in sommige groepen beide
-seksen even schoon zijn, en beide gelijkelijk versierselen bezitten,
-die anders gewoonlijk tot de mannelijke sekse zijn beperkt. In andere
-groepen zijn beide seksen even dof gekleurd en onversierd. Eindelijk
-zijn in eenige weinige van den regel afwijkende gevallen de wijfjes
-fraaier dan de mannetjes. Wij zullen dikwijls in ééne en dezelfde groep
-van vogels allerlei overgangen vinden van volstrekt geen verschil
-tusschen de seksen tot een uiterst groot verschil toe. In het laatste
-geval zullen wij zien, dat de wijfjes evenals vrouwelijke insekten
-dikwijls min of meer duidelijke sporen bezitten van de kenmerken die
-eigenlijk aan de mannetjes toebehooren. De overeenkomst in al deze
-opzichten tusschen Vogels en Insekten is inderdaad merkwaardig groot.
-Elke verklaring die bij de eene Klasse toepasselijk is, is zulks
-waarschijnlijk ook bij de andere, en die verklaring is, zooals wij
-later zullen trachten aan te toonen, bijna zeker Seksueele Teeltkeus.
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) De Doodshoofd-uil (Acherontia atropos) maakt een eigenaardig
-piepend geluid dat volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen
-aangehaalde verhandeling) door het wrijven van de voelers (palpi) tegen
-den zuiger wordt voortgebracht. Deze voelers bezitten aan de onbehaarde
-binnenzijde zeer fijne ribbetjes. [778]
-
-De heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Dr. M. C. Verloren en R.
-T. Maitland antwoordden op mijn vraag, of er ten opzichte van dit
-geluidgevend vermogen ook eenig verschil tusschen de seksen van A.
-atropos werd waargenomen, dat zij zulks niet geloofden. Dit neemt niet
-weg, dat ik het toch zeer mogelijk acht, dat het vermogen om geluid
-voort te brengen, door A. atropos is verkregen ten gevolge van
-seksueele teeltkeus op de zelfde wijze waarop Darwin zulks verklaart
-bij torren van welke de beide seksen sjirpen. [779]
-
-Ook bij andere Sphingidae vond Landois ribbetjes op de palpen, en wel
-in veel grooter aantal met betrekking tot de oppervlakte die zij
-innemen, zooals blijkt uit het volgende staatje:
-
-
- SOORTEN. Lengte der Breedte der Aantal
- wrijfplaat (in wrijfplaat (in ribbetjes.
- millimeters). millimeters).
-
- A. atropos 2 0.75 35
- Sphinx convolvuli 2 1 92
- S. ligustri 1.1 0.38 30
- Deilephila elpenor 1.16 0.41 36
- Sphinx pinastri 1.33 0.5 39
-
-
-Daar nu bij gelijke wrijvingssnelheid een grooter aantal ribbetjes op
-een even lang gedeelte van de wrijfplaat noodzakelijk moet overeenkomen
-met een grooter aantal trillingen, dus met een hoogeren toon, ligt de
-gevolgtrekking voor de hand, dat al deze vlinders geluiden
-voortbrengen, doch dat wij slechts dat van A. atropos hooren, omdat die
-der andere te hoog zijn om door onze ooren te kunnen worden
-waargenomen. Wanneer wij verder aannemen, dat het geluidgevend vermogen
-door A. atropos is verkregen ten gevolge van de werking der seksueele
-teeltkeus, dan valt dit ook voor het overige niet te betwijfelen. Op
-die wijze komen wij er toe te bepalen op welke wijze deze laatsten een
-vermogen hebben verkregen, van welks bestaan wij ons door directe
-waarnemingen niet kunnen overtuigen.
-
-Men kan nog verder gaan. Reuter („Zool. Anz.”, blz. 288, 17 Sept. 1888)
-onderzocht eenige honderden soorten van vlinders uit Finland, en vond
-bij allen zulk een onbehaarde plek aan de binnenzijde der voelers als
-Landois bij de Sphingiden had gevonden, en die plek schijnt voor de
-geheele orde der Schubvleugeligen typisch te zijn. Bij bijna alle
-onderzochte vlinders vond Reuter de door Landois ontdekte ribbetjes,
-bij vele soorten wel is waar vrij onduidelijk en onvolkomen, maar bij
-slechts weinige geheel ontbrekende. Steeds was de ligging zoo, dat de
-met een verhoogde lijst voorziene basis van den zuiger er gemakkelijk
-kon worden tegenaan gedrukt. Bij alle vlinders komt derhalve zulk een
-sjirporgaan of een rudiment daarvan voor. Naast de ribbetjes vond
-Reuter een eigenaardig zintuig, over de functie waarvan hij geen zeker
-besluit meende te kunnen trekken. Het bestaat uit een kegelvormig met
-een ringvlies omgeven orgaan, waarin zich haarvormige deeltjes
-bevinden, die met zenuwen in verbinding staan. De analogie hiervan met
-sommige deelen van ons eigen inwendig oor doet schrijver dezes
-vermoeden, dat wij hier wel met een gehoororgaan zullen hebben te doen.
-
-Bij de dagvlinders waren zoowel de ribbetjes op de wrijfplaat als het
-zintuig aanmerkelijk grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes,
-hetgeen o.i. duidelijk bewijst, dat die deelen met de seksueele
-teeltkeus in verband staan.
-
-Romanes, Mr. Sachlan, Buchanan White en Cunningham hebben in „Nature”,
-Jan. en Febr. 1877, blz. 177, 293, verscheidene mededeelingen gedaan
-omtrent geluidgevende vlinders. Verscheidene soorten van Vanessa maken
-een dergelijk geluid als Ageronia feronia, ofschoon zwakker, en het
-geluid wordt voortgebracht door een als een vijl getanden ader van den
-bovenvleugel, die strijkt over een uitpuilenden ader aan den
-ondervleugel, terwijl er bovendien daar ook een schubloos plekje is,
-door een lijstje omsloten. Ook in de geslachten Euprepia en Chelonia
-komen geluidgevende vlinders voor. Bij Chelonia pudica wordt het geluid
-voortgebracht door een soortgelijk orgaan als bij Setina, en gelijkt op
-het tikken van een horloge.
-
-Dionychopus niveus Mén. bezit volgens Dönitz („Berl. Entomol.
-Zeitschrift”, 1887, Heft 1) een eigenaardig stemorgaan. Aan de
-bovenzijde van den achtervleugel en aan de onderzijde van den
-voorvleugel, daar waar de vleugels elkander bedekken, bevinden zich
-namelijk omstreeks 2 m.m. lange en 1 m.m. breede uit sterk
-gechitiniseerde dorens bestaande borstels. Door het tegen elkander
-wrijven daarvan brengt de vlinder een sjirpend geluid voort. Bij de
-Spinners (Bombycidae) zou de stemtoestel meestal aan de borst liggen en
-bestaan uit een over een holte gespannen vlies dat waarschijnlijk door
-wrijving met de achterpooten in trilling wordt gebracht.
-
-(2) Wij zullen in Hoofdstuk XII, XIII en XVIII zien, dat Darwin den
-muskusachtigen geur welken de krokodillen, de Australische muskuseend
-(Bizura lobata) en vele zoogdieren verspreiden, met hun seksueele
-functiën in verband brengt, en de ontwikkeling der klieren waardoor de
-riekende stof wordt afgescheiden, ten minste bij sommige dezer dieren,
-door seksueele teeltkeus verklaart. Het bevreemdt mij, dat in dit
-hoofdstuk alleen, en dan nog maar ter loops, wordt gerept van den geur
-dien twee pijlstaartvlinders verspreiden, daar het zelfde bij zeer vele
-andere vlinders is opgemerkt.
-
-Fritz Müller („Ausland”, 7 Oct. 1878) doet omtrent den geur van
-mannelijke vlinders eenige mededeelingen. (Vergelijk ook boven aant.
-1).
-
-De schubben welke op de vleugels der vlinders als dakpannen over
-elkander liggen, vertoonen, gelijk men weet, bij de mannetjes dikwijls
-kleinere of grootere onregelmatigheden door tusschenschubben.
-
-Deze tusschenschubben zijn volgens F. Müller’s waarnemingen de zetel
-van den eigenaardigen geur welken bijna alle mannelijke vlinders in
-meerdere of mindere mate bezitten. Deze waarnemingen zijn later door
-verschillende andere natuuronderzoekers bevestigd.
-
-Slechts die soorten welke tusschenschubben bezitten, verspreiden geur,
-en deze geur is vooral bij de door aanmerkelijke grootte uitmuntende
-Zuid-Amerikaansche soorten sterk, en werkt op den mensch dikwijls als
-de geur eener welriekende bloem. Daarbij is aangetoond, dat het steeds
-slechts aangename geuren, zooals vanille, muskus, jasmijn, citroen enz.
-zijn.
-
-Gelijk sinds lang bekend is, kenmerken zich ook onder de Europeesche
-vlinders Charaxes jasius, Sphinx ligustri en Sphinx convolvuli, vooral
-de laatste, door een muskusgeur, Papilio Machaon door een venkelgeur.
-
-De bedoelde geurschubben komen in den meest verschillenden vorm en op
-de meest verschillende plaatsen bij de dieren voor. Nu eens liggen zij
-in grootere of kleinere hoedanigheid tusschen de vleugelschubben
-verspreid, dan weder zijn zij in de nabijheid van den kop op één punt
-gelocaliseerd. Hier liggen zij aan de zijde van het lichaam in een
-soort van knobbel verborgen, ginds omhult ze aan den rand van den
-vleugel een soort van omslag die zich slechts bij het uitspreiden der
-vleugels opent; zelfs aan de pooten heeft men ze waargenomen. Zij zijn
-evenzoo verschillend van vorm, schildvormig, gestrekt, rondachtig,
-lancetvormig, gewonden enz., doch van boven eindigt de schub bijna
-altijd in een bos fijne haartjes, aan wier punten, evenals bij
-uitzweetende hars of oliën, kleine bolletjes hangen. Kanaalachtige
-strengen loopen van den klierachtigen wortel der schubben naar de
-haartjes.
-
-Bij Hepiolus Humuli ontbreekt volgens Bertkau („Humboldt”, Mai 1885)
-het derde paar pooten en wordt vervangen door een peervormige plaat,
-uit welker verdiepte oppervlakte een dicht penseel van geelachtige
-borstels oprijst. In het binnenste van dezen rudimentairen poot ziet
-men reeds bij zwakke vergrooting groote van kernen voorziene
-kliercellen door de huid heên schijnen. Zij hebben den vorm eener
-flesch waarvan de hals uitmondt in een huidporie waaruit de met een
-kanaal doorboorde gele borstels ontspringen. Deze klieren scheiden een
-zwak aromatisch riekende aetherische olie af, die geelachtig groen van
-kleur is en droppelsgewijs aan de spits der borstels te voorschijn
-komt. Ter beschutting van dezen toestel bezit het dier aan weêrszijden
-van den eersten ring van het achterlijf een dunhuidig zakje waarin het
-steeds zijn vervormde achterste pooten tracht te verbergen.
-
-Vraagt men naar den oorsprong van den geur der mannelijke vlinders en
-houdt men daarbij in het oog, dat het uitstroomen van den geur van den
-wil van het dier afhankelijk is, gelijk verschillende proeven
-onweêrlegbaar hebben bewezen, dan leidt ons dit ook hier tot de
-seksueele teeltkeus. Men kan aannemen, dat het mannetje zich door zijn
-geur aan het wijfje aangenaam wil maken, het koketteert daarmede als
-het ware, en het wijfje geeft van den anderen kant de voorkeur aan het
-mannetje dat het aangenaamst riekt. Aan het wijfje ontbreekt de geur,
-daar deze haar schadelijk is, omdat daardoor slechts vijanden zouden
-worden gelokt.
-
-In zijn „Studien über Descendenztheorie” toont Professor Weissman iets
-dergelijks bij de ontwikkeling van de kleuren der vlinders.
-Bovengenoemde onderstelling wint nog meer aan waarschijnlijkheid, als
-men de soorten van één geslacht met betrekking daartoe nauwkeuriger
-onderzoekt. Het gebeurt vaak, dat niet bij alle soorten de mannelijke
-vlinders de geurschubben en den geur bezitten, en de soorten bij welke
-zij ontbreken, behooren dan ook ten opzichte van de kleur en teekening
-der vleugels tot de meest ontwikkelde van het geslacht. Dit is b.v. het
-geval bij de „blauwtjes.”
-
-Eerst langzamerhand is hun oorspronkelijk bruine kleur door teeltkeus
-in blauw overgegaan; er zijn zelfs soorten welke eerstgenoemde kleur
-nog bezitten. Juist bij deze ontbreken nu ook de geurschubben.
-
-De Schubvleugeligen zijn overigens niet de eenige Orde van Insekten,
-die welriekende soorten bevat. Ook onderscheidene Schildvleugeligen
-verspreiden een aangenamen geur; zoo riekt Aromia moschata naar
-Oostersche rozenolie, Velleius dilatatus naar muskus, Staphylinus olens
-naar renetappels of aether nitricus; Cicindela campestris en hybrida
-verspreiden eveneens een welriekenden geur, naar dien van rozen
-zweemende en ook eenigszins overeenstemmende met dien der producten
-welke men somtijds verkrijgt, als men essentia terebinthinae met
-mengsels van zwavel- en salpeterzuur behandelt. Wanneer men nu den geur
-van sommige vlinders voor een gevolg van seksueele teeltkeus houdt, zal
-men er van zelf toe komen om dit ook bij bovengenoemde Kevers aan te
-nemen. Moeilijker schijnt, oppervlakkig beschouwd, deze verklaring toe
-te passen op een aantal soorten van Mieren die een sterken muskusgeur
-verspreiden, vooral als men haar nesten omwoelt; want de meeste
-individu’s zijn hier geslachtloozen of zoogenaamde arbeiders. Men kan
-echter aannemen, dat die geur, oorspronkelijk door de mannelijke mieren
-door seksueele teeltkeus verkregen zijnde, later ook op hun niet
-mannelijke nakomelingschap is overgebracht. Evenzoo kan men aannemen,
-dat bij insekten bij welke beide seksen rieken, de geur oorspronkelijk
-tot ééne sekse was beperkt, maar later, doordat de wet van gelijke
-overerving op beide seksen de overhand kreeg boven die van seksueel
-beperkte erfelijkheid, de oorspronkelijk tot ééne sekse beperkte geur
-ook op de nakomelingschap van de andere sekse werd overgeplant.
-
-Wat den stank aangaat, dien vele insekten (b.v. wantsen) verspreiden,
-zoo zal deze in de meeste gevallen wel, als een beschermingsmiddel,
-door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In sommige gevallen kan hij
-echter ook een seksueele aantrekkelijkheid uitmaken en zich derhalve
-door seksueele teeltkeus hebben ontwikkeld; want wij moeten niet
-vergeten, dat het aangename of onaangename van een geur zeer subjectief
-is, zoodat iets dat wij een stank noemen, op een anders georganiseerd
-wezen een welriekenden indruk kan maken. Vele insekten worden b.v.
-aangetrokken door den reuk van rottend vleesch, faecalia, enz. Zelfs
-onder menschen zijn er individu’s die welriekend noemen hetgeen anderen
-voorkomt stinkend te zijn, en bij voorbeeld gaarne Asa foetida ruiken.
-Het is immers met andere zintuigen evenzoo. Wat den een heerlijk
-smaakt, lust de ander niet. De muziek waarin wilde volksstammen behagen
-scheppen, schijnt ons wanluidend; een schilderij die een Chinees fraai
-zal vinden, komt ons zeer leelijk voor; de Abessiniër vindt een stuk
-rauw vleesch, uit het levende rund gesneden, het heerlijkste gerecht,
-terwijl wij het liever gebraden, en uit een geslacht dier gesneden,
-eten. Hoe mogelijk is het derhalve, dat geuren die wij stank noemen,
-sommige insekten aangenaam aandoen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING
-OP HOOFDSTUK XI.
-
-DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, DOOR C. Darwin.
-
-(Vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237.)
-
-
-Dr. Schulte te Fürstenwalde heeft mij opmerkzaam gemaakt op de schoone
-kleuren welke op alle vier de vleugels van een vlinder, de Diadema
-bolina, te voorschijn komen, als men hem van een bepaald punt uit
-beschouwt. De beide seksen van dezen vlinder verschillen aanmerkelijk
-van kleur. De vleugels van het mannetje zijn, als men het van een
-achter het dier gelegen punt uit beziet, zwart met zes zuiver witte
-vlekken en bieden een bevalligen aanblik, maar beschouwd van een vóór
-het dier gelegen standpunt, in welke positie het mannetje als het het
-wijfje nadert, door dit wordt gezien, vertoonen de witte vlekken zich
-met een kring van schoon blauw omgeven. De heer Butler liet mij in het
-Britsch museum een soortgelijk maar nog in ’t oogvallender verschijnsel
-zien bij een vlinder uit het geslacht Apature, waarbij de seksen ook in
-kleur verschillen en bij het mannetje de prachtigste blauwe en groene
-tinten alleen voor een persoon die vóór hetzelve is geplaatst,
-zichtbaar zijn. Verder vertoonen bij verscheidene soorten van
-Ornithoptera de achtervleugels van het mannetje een schoone goudgele
-kleur, maar alleen als zij van voren worden beschouwd; dit geldt ook
-voor O. magellanus, maar hier hebben wij, gelijk mij de heer Butler
-toonde, een gedeeltelijke uitzondering, want de kleuren gaan, als men
-ze van achteren beschouwt, van goudgeel in een bleek, iriseerend blauw
-over. Of deze laatste kleur de eene of andere bijzondere beteekenis
-heeft, zou alleen kunnen worden uitgemaakt door iemand die het gedrag
-van het mannetje kon waarnemen in het land waar dit in de natuur
-voorkomt. Dagvlinders sluiten, als zij stilzitten, hun vleugels tegen
-elkander aan; de ondervlakten welke dikwijls donker zijn gekleurd,
-kunnen dan alleen worden gezien, en dit dient, gelijk algemeen wordt
-aangenomen, tot bescherming. Als echter de mannetjes de wijfjes het hof
-maken, doen zij de vleugels afwisselend dalen en weêr oprijzen, en het
-schijnt een natuurlijk besluit, dat zij op die wijze handelen om de
-wijfjes te behagen of op te wekken. Door de boven beschreven gevallen
-wordt dit besluit nog waarschijnlijker gemaakt, doordat de schoonheid
-van het mannetje door het wijfje alleen volkomen wordt gezien, als dit
-haar nadert. Wij worden daardoor herinnerd aan de verschillende
-manieren waarop de mannetjes van vele vogels, b.v. de pauw, de
-Argusfazant enz., de wijfjes uitlokken en met hun verwonderlijk fraai
-gevederte zoodanig dat het op het voordeeligst uitkomt, voor hun niet
-versierde vriendinnen te pronken. (1)
-
-Deze beschouwing geeft mij aanleiding er eenige opmerkingen aan toe te
-voegen over de vraag, in hoever bij het eerste verkrijgen van zekere
-instinkten, met inbegrip van seksueele pronkerijen, noodzakelijk
-bewustzijn in het spel komt; want daar alle mannetjes van de zelfde
-soort zich op de zelfde wijze gedragen, als zij aan de wijfjes het hof
-maken, mogen wij daaruit het gevolg trekken, dat het pronken
-tegenwoordig instinktmatig is geworden. De meeste natuuronderzoekers
-schijnen te gelooven, dat elk instinkt eerst met bewustzijn werd
-ontwikkeld, maar dat schijnt mij in vele gevallen een onjuist besluit
-te zijn, hoewel het in andere juist is. Vogels die op verschillende
-wijzen worden opgewekt, nemen zonderlinge posities aan en zetten hun
-vederen op; en als het opzetten der vederen bij een bijzondere soort
-voordeelig was voor een mannetje dat aan een wijfje het hof maakte, zoo
-komt het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk voor, dat deze voordeelige
-eigenschap door zijn nakomelingen werd overgeërfd; wij weten, dat bij
-den mensch dikwijls leelijke aanwensels en onbewust aangenomen nieuwe
-gebaren erfelijk zijn. (2) Wij kunnen een ander geval beschouwen
-(waarop, naar ik meen, reeds door iemand de aandacht werd gevestigd),
-namelijk dat van jonge, op den grond levende vogels die zelfs
-onmiddellijk na het uit het ei komen neêrhurken en zich verbergen, als
-zij in gevaar zijn; hier schijnt het nauwelijks mogelijk, dat deze
-gewoonte dadelijk na de geboorte en zonder bewustzijn kan zijn
-verkregen. Wanneer echter die jonge vogels welke, wanneer zij
-schrikten, bewegingloos bleven zitten, veelvuldiger voor roofdieren
-bewaard bleven dan die welke trachtten te ontvluchten, dan kan de
-gewoonte van het neêrhurken door de jonge vogels zonder eenig
-bewustzijn hoegenaamd zijn verkregen. Deze redeneering kan met
-bijzondere kracht worden toegepast op zoodanige jonge loop- en
-watervogels, wier ouden zich zelven niet verbergen, als zij in gevaar
-komen. Van den anderen kant vliegt een patrijshen, als er gevaar
-bestaat, een kort eind van haar jongen dicht ineengedoken weg en laat
-die achter, vliegt dan op de aan bijna iedereen bekende manier, alsof
-het was verlamd, maar toch anders dan een werkelijk gewonde vogel dicht
-over den grond langs: zij maakt zich zelve in het oog vallend. Nu is
-het echter meer dan twijfelachtig, of er ooit een vogel heeft bestaan,
-die verstand genoeg bezat om te denken, dat hij een hond of anderen
-vijand van zijn jongen kon weglokken, als hij het gedrag van een
-verwonden vogel nabootste. Want dit veronderstelt, dat hij zulk een
-gedrag bij een verwonden kameraad had waargenomen en wist, dat het een
-vijand tot vervolging zou aansporen. Vele natuuronderzoekers nemen
-tegenwoordig bijvoorbeeld aan, dat het slot van een tweeschalig
-schelpdier door het behouden blijven en overerven van kleine nuttige
-wijzigingen (variaties) is ontstaan, daar de individu’s met een iets
-beter ingerichte schelp in grooter aantal behouden bleven, dan die met
-een minder goed ingerichte; waarom zouden niet voordeelige wijzigingen
-in de overgeërfde handelingen van een patrijs op de zelfde wijze
-bewaard zijn gebleven, zonder dat het dier er bij dacht of een bewust
-doel had, even goed als in het geval van het schelpdier, waarbij het
-slot der schalen onafhankelijk van het bewustzijn is gewijzigd en
-verbeterd?
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-(1) Zie Deel II, hoofdstuk XIII, XIV en XV van het onderhavige werk.
-Wat Darwin hier van vogels zegt, had in dit werk beter achter die
-hoofdstukken gestaan, maar wij wilden het niet scheiden van hetgeen
-daaraan over kapellen voorafgaat, omdat het daarmede in het
-oorspronkelijk stuk in „Nature” door Darwin zelf tot één geheel is
-verbonden.
-
-(2) Vergelijk: C. Darwin, „Het uitdrukken der Gemoedsaandoeningen bij
-den Mensch en de Dieren”.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOETNOTEN
-
-
-[1] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel I, „Het Ontstaan der
-Soorten”, vertaald door Dr. T. G. Winkler, 3de Ned. Uitgaaf, Arnhem,
-Gebr. E. & M. Cohen, blz. 679.
-
-[2] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel II, en III, „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, vertaald en van
-aanteekeningen voorzien door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Arnhem,
-Gebrs. E. & M. Cohen.
-
-[3] De autobiographie loopt tot 1 Mei 1881. Zijn boek over de Vorming
-van Humus door de werkzaamheid der Aardwormen, was toen nog niet
-verschenen, maar juist ter perse gezonden.
-
-[4] De werken der eerstgenoemde schrijvers zijn zoo bekend, dat het mij
-onnoodig voorkomt de titels daarvan op te geven; maar daar die der
-laatstgenoemden in Engeland minder bekend zijn, zal ik daarvan de
-titels noemen:—„Sechs Vorlesungen über die Darwin’sche Theorie”: zweite
-Auflage, 1868, von Dr. L. Büchner; in het Fransch overgezet onder den
-titel: „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869. „Der Mensch im
-Lichte der Darwin’sche Lehre”, 1865 von Dr. F. Rolle. Ik zal niet
-beproeven hier alle schrijvers op te sommen, die het vraagstuk van de
-zelfde zijde hebben beschouwd. Zoo heeft G. Canestrini („Annuario della
-Soc. d. Nat.” Modena, 1867, blz. 81) een zeer merkwaardige verhandeling
-uitgegeven over rudimentaire kenmerken die wijzen op den oorsprong van
-den mensch. Een ander werk, in 1869 door Dr. Barrago Francesco
-uitgegeven, draagt in het Italiaansch den titel van: „De mensch
-geschapen naar Gods beeld, werd ook geschapen naar het beeld van den
-aap.”
-
-[5] Prof. Haeckel is de eenige schrijver, die, sinds de uitgave van
-„The Origin of Species”, in zijn verschillende werken op hoogst bekwame
-wijze over de teeltkeus met betrekking tot de sekse heeft gesproken, en
-ten volle de belangrijkheid van dit onderwerp heeft ingezien.
-
-[6] „Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 96.
-
-[7] „Leç. sur la Phys.”, 1866, blz. 890, aangehaald door M. Daily,
-„L’Ordre des Primates et le Transformisme”, 1868, blz. 29.
-
-[8] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 50.
-
-[9] Brehm „Thierleben”, B. I., 1864, blz. 75, 86. Over den Ateles, blz.
-105. Voor andere overeenkomstige opgaven, zie blz. 25, 107.
-
-[10] Over insekten, zie Dr. Laycock: „On a General Law of Vital
-Periodicity”, British Association, 1842; Dr. Macculloch, „Silliman’s
-North American Journal of Science”, vol. XVI, blz. 305, heeft een hond
-gezien, die aan derdendaagsche koorts leed.
-
-[11] Ik heb het bewijs hiervan gegeven in mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten” Ned. vertaling, Deel I, blz. 512. (In de
-tweede in het Ned. vertaalde uitgave laat Darwin zich hieromtrent lang
-zoo sterk niet uit als in de eerste Engelsche uitgaaf, vol. II, blz.
-15, die hier eigenlijk wordt aangehaald. Dr. H. H. H. v. Z.).
-
-[12] „Mares e diversis generibus Quadrumanorum sine dubio dignoscunt
-feminas humanas a maribus. Primum credo, odoratu, postea aspectu. Mr.
-Youatt, qui diu in Hortis Zoologicis (Bestiariis) medicus animalium
-erat, vir in rebus observandis cautus et sagax, hoc mihi certissime
-probavit, et curatoris ejusdem loci et alii e ministris confirmaverunt.
-Sir Andrew Smith et Brehm notabant idem in Cynocephalo. Illustrissimus
-Cuvier etiam narrat multa de hac re quâ ut opinor nihil turpius potest
-indicari inter omnia hominibus et Quadrumanis communia. Narrat enim
-Cynocephalum quemdam in furorem incidere aspectu feminarum aliquarum,
-sed nequaquam accendi tanto furore ab omnibus. Semper eligebat
-juniores, et dignoscebat in turba et advocabat voce gestuque.”(12)
-
-[13] Deze opmerking wordt gemaakt ten opzichte van den Cynocephalus en
-de anthropomorphe apen door Geoffroy Sint-Hilaire en F. Cuvier, „Hist.
-Nat. des Mammifères”, tome I, 1824.
-
-[14] Huxley, „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 34.
-
-[15] „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 67.
-
-[16] De menschelijke embryo (bovenste fig.) is naar Ecker, „Icones
-Phys.”, 1851–1858, tab. XXX, fig. 2. Deze embryo was 21 m.M. lang,
-zoodat de teekening veel vergroot is. De embryo van den hond is naar
-Bischoff, „Entwicklungsgeschichte des Hunde-Eies”, 1845, tab. XI, fig.
-42 B. Deze teekening is vijfmalen vergroot; de embryo was 25 dagen oud.
-De ingewanden zijn niet geteekend, en de aanhangsels die in den uterus
-met den embryo zijn verbonden, bij beide teekeningen weggelaten. Ik
-werd op deze figuren gebracht door Prof. Huxley, aan wiens boek „Man’s
-Place in Nature” het denkbeeld om ze te geven is ontleend. Ook Haeckel
-heeft in zijne „Schöpfungsgeschichte” dergelijke teekeningen gegeven.
-
-[17] Prof. Wyman in „Proc. of American Acad. of Sc.”, vol. IV, 1860,
-blz. 17.
-
-[18] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, blz. 533.
-
-[19] „Die Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 95.
-
-[20] „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz. 533.
-
-[21] „Proc. Soc. Nat. Hist.”, Boston, 1863, vol. IX, blz. 185.
-
-[22] „Man’s Place in Nature”, blz. 65.
-
-[23] Ik had dit hoofdstuk in het ruwe geschreven, voordat ik een
-gewichtig stuk had gelezen: „Caratteri rudimentali in ordine
-all’origine del uomo” („Annuario della Soc. de Nat.”, Modena, 1867,
-blz. 81), door G. Canestrini, aan welk stuk ik veel verschuldigd hen.
-Haeckel heeft bewonderenswaardige verhandelingen gegeven over dit
-geheele onderwerp, onder den titel van Dysteleologie, in zijn
-„Generelle Morphologie” en „Schöpfungsgeschichte.”
-
-[24] De HH. Murie en Mivart hebben eenige goede kritische opmerkingen
-hieromtrent gemaakt in „Transact. Zoolog. Soc.”, 1869, vol. VI, blz.
-92.
-
-[25] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel
-II, blz. 357–359 en 455. Zie ook het „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned.
-Uitgaaf, blz. 196, 627, 637.
-
-[26] M. Richard („Annales des Sciences Nat.”, 3e Série, Zoolog. 1852,
-tome XVIII, blz. 13) geeft b.v. beschrijvingen en afbeeldingen van
-rudimenten, van hetgeen hij noemt de „muscle pédieux de la main”, die,
-zegt hij, somtijds „infiniment petit” is. Een andere spier, „le tibial
-posterieur” genaamd, ontbreekt in de hand gewoonlijk geheel, maar komt
-soms in meer of min rudimentairen toestand voor.
-
-[27] Prof. W. Turner, „Proc. Royal Soc. Edinburgh”, 1866–67, blz. 65.
-
-[28] Canestrini haalt een dergelijk voorbeeld uit Hyrtl aan („Annuario
-della Soc. de Naturalisti”, Modena, 1867, blz. 97).
-
-[29] „The Diseases of the Ear”, door J. Toynbee, F. R. S., 1860, blz.
-12.
-
-[30] Zie ook eenige opmerkingen en afbeeldingen van de ooren der
-Lemuroidea in de uitstekende verhandeling van de HH. Murie en Mivart in
-„Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 6 en 90.
-
-[31] „Ueber das Darwin’sche Spitzohr”, „Archiv für Path., Anat. und
-Phys.”, 1871, blz. 485.
-
-[32] „Het Uitdrukken der Gemoedsaandoeningen”, Ned. Vert. Tweede
-uitgaaf, blz. 136.
-
-[33] Müller’s „Elements of Physiology”, Eng. vertaling, 1842, blz.
-1117. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 260; de zelfde
-over den walrus, „Proc. Zoolog. Soc.” van 8 November 1854. Zie ook R.
-Knox’ „Great Artists of Anatomists”, blz. 106. Dit rudimentaire deel is
-bij negers en Nieuw-Hollanders naar het schijnt iets grooter dan bij de
-Europeanen, zie Carl Vogt, „Lectures on Man”, Engelsche vertaling, blz.
-129.
-
-[34] „The Physiology and Pathology of Mind”, 2nd. edit. 1868, blz. 134.
-
-[35] Eschricht, „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper”.
-„Muller’s Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 47. Dikwijls zal ik
-naar dit zeer belangrijke stuk moeten verwijzen.
-
-[36] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, 1853, vol. II, blz. 71.
-
-[37] Eschricht, ibid., blz. 40, 47.
-
-[38] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-deel II, blz. 379. Prof. Alex. Brandt heeft mij onlangs nog een nieuw
-geval medegedeeld van een vader en een zoon, in Rusland geboren, die de
-zelfde bijzonderheden vertoonden. Ik heb afbeeldingen van beiden uit
-Parijs ontvangen.
-
-[39] Dr. Webb, „Teeth in Man and the Anthropoid Apes”, aangehaald door
-Dr. D. Carter Clake in „Anthropological Review”, Juli 1867, blz. 299.
-
-[40] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 320, 321 en 325.
-
-[41] „On the Primitive Form of the Skull”, Eng. vertaling in
-„Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 426.
-
-[42] Professor Mantegazza schrijft mij uit Florence, dat hij onlangs de
-achterste kiezen bij de verschillende menschenrassen heeft bestudeerd,
-en tot het zelfde besluit is gekomen, als ik in den tekst heb
-medegedeeld, namelijk, dat zij bij de hoogere rassen op weg zijn om te
-atrophieeren en te verdwijnen.
-
-[43] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 416, 434, 441.
-
-[44] „Annuario della Soc. d. Nat.”, Modena, 1867, blz. 94.
-
-[45] M. C. Martins („De l’Unité Organique”, in „Revue des deux Mondes”,
-15 Juni 1862, blz. 16) en Haeckel („Generelle Morphologie”, B. II, blz.
-278), hebben beiden het zonderlinge feit opgemerkt, dat dit rudiment
-soms den dood veroorzaakt.
-
-[46] „The Lancet”, 24 Jan. 1863, blz. 83. Dr. Knox („Great Artists and
-Anatomists”, blz. 63). Zie ook een gewichtig stuk hierover door Dr.
-Grube, in het „Bulletin de l’Acad. Imp. de St. Pétersbourg”, tome XII,
-1867, blz. 448.
-
-[47] „On the Caves of Gibraltar”. „Transact. Internat. Congress of
-Prehist. Arch.” Third Session, 1860, blz. 54.
-
-[48] Quatrefages heeft eenige jaren geleden de bewijzen hiervoor
-bijeenverzameld, „Revue des Cours Scientifiques”, 1867–1868, blz. 625.
-In 1840 vertoonde Fleischmann een menschelijken foetus, die een vrijen
-staart bezat, welke, hetgeen niet altijd het geval is, wervellichamen
-insloot; en deze staart werd critisch onderzocht door de vele
-ontleedkundigen die tegenwoordig waren op de bijeenkomst van
-natuuronderzoekers te Erlangen (zie Marshall in het „Niederländisches
-Archiv für Zoölogie”, December 1871).
-
-[49] Owen, „On the Nature of Limbs”, 1847, blz. 140.
-
-[50] Leuckart in Todd’s „Cyclop. of Anat.”, 1849–1851, vol. IV, blz.
-1415. Bij den mensch heeft dit orgaan slechts 6½–12½ m.M. lengte, maar
-evenals vele andere rudimentaire deelen, verschilt het in ontwikkeling
-zoowel als in andere kenmerken.
-
-[51] Zie over dit onderwerp Owen, „Anatomy of Vertebrates,” vol. III,
-blz. 675, 676, 706.
-
-[52] Dat de vleugels der vlinders geen bloote uitbreidingen der huid,
-maar werkelijk vervormde pooten zijn, blijkt uit een monster van
-Zygaena filipendulae, dat vijf pooten en vijf vleugels bezat, omdat één
-der pooten door een vleugel was vervangen. Dr. Lubach („Alb. d. Nat.”,
-1890, Wet. Bijbl. blz. 5) trekt hieruit ten onrechte het besluit, dat
-de vleugels der vlinders niet slechts analoog, maar ook homoloog zijn
-met die der vogels. Er blijkt slechts uit, dat bij beide groepen de
-vleugels homoloog zijn met de pooten, maar er volgt geen homologie van
-de ledematen der eene groep met die der andere groep uit.
-
-[53] H. W. de Graaf, „Bijdrage tot de kennis van den bouw en de
-ontwikkeling der Epiphyse bij Amphibieën en Reptielen”, Leiden,
-Adriani, 1886.
-
-[54] „Nature”, 13 Mei 1886.
-
-[55] Zie hoofdstuk VI en de aanteekeningen daarop.
-
-[56] „Proceedings of the American Association for the Advancement of
-Science”, New-York, 1889.
-
-[57] Linnaeus nam in zijn Orde der Primaten ook de vledermuizen op.
-Deze moeten echter van de apen en den mensch als afzonderlijke orde
-gescheiden blijven.
-
-[58] De chimpanzee wordt den mensch hoe langer hoe ongelijker, naarmate
-hij meer tot den volwassen toestand nadert.
-
-[59] Een ras van duiven. Zie „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 173.
-
-[60] Zie: „Sur les Caractères Anatomiques de l’Homme Préhistorique” par
-M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général
-de la société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 32.
-
-[61] Apophyses genianae (Fransch: apophyses géni). Vier knobbeltjes die
-soms de plaats innemen van de inwendige kinlijst (spina mentalis
-interna).
-
-[62] Liever mediaanvlak; het is het vlak, dat het lichaam in twee
-symmetrische helften verdeelt.
-
-[63] Ofschoon de tanden van de onderkaak van la Naulette waren
-uitgevallen, heeft men uit de grootte, vorm en plaatsing der tandkassen
-tot hun betrekkelijke grootte en plaatsing kunnen besluiten.
-
-[64] „Mémoire sur les Ossements des Eyzies” („Époque du Mammouth”) par
-M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général
-de la Société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 12.
-
-[65] La Race Humaine de Neanderthal ou de Cannstatt en Belgique.
-Recherches Ethnographiques sur des Ossements Humains. Gand 1887.
-
-[66] „Investigations in Military and Anthropolog. Statistics of
-American Soldiers”, door B. A. Gould, 1869, blz. 256.
-
-[67] Zie ten opzichte van de schedelvormen van inboorlingen van
-Amerika, Dr. Aitken Meigs in „Proc. Acad. Nat. Sc.”, Philadelphia, Mei
-1866. Over de Australiërs, Huxley, in Lyell’s „Antiquity of Man”, 1863,
-blz. 87. Over de Sandwich-eilanders, Prof. J. Wyman, „Observations on
-Crania”, Boston, 1868, blz. 18.
-
-[68] „Anatomy of the Arteries”, door R. Quain.
-
-[69] „Transact. Royal Soc.”, Edinburg, vol. XXIV, blz. 175, 189.
-
-[70] „Proc. Royal Soc.”, 1867, blz 544 en 1868, blz. 483, 524. Men
-vindt daarover nog een vroeger stuk, ibid. 1866, blz. 229.
-
-[71] „Proc. R. Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 141.
-
-[72] „Act. Acad.”, St. Petersburg, 1778, deel II, blz. 217.
-
-[73] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 58, 87. Rengger, „Säugethiere von
-Paraguay”, blz. 57.
-
-[74] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Hoofdstuk XII, VIII
-en XIV.
-
-[75] „Hereditary Genius: an Inquiry into its Laws and Consequences”,
-1869.
-
-[76] De heer Bates merkt („The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol.
-II, blz. 159) ten opzichte der Indianen van een zelfden Amerikaanschen
-stam op, dat „er geen twee onder hen waren, die volkomen de zelfde
-gedaante van hoofd hadden; de een had een ovaal gelaat en schoone
-gelaatstrekken, de ander geleek volkomen op een Mongool door de breedte
-en het uitsteken zijner jukbeenderen, zijn wijde neusgaten en den
-schuinschen stand zijner oogen.”
-
-[77] Blumenbach, „Treatises on Anthropology”, Eng. Vert., 1865, blz.
-205.
-
-[78] Mitford’s „History of Greece”, vol. I, blz. 282. Het schijnt ook
-te blijken uit een plaats in Xenophon’s „Memorabilia”, Bd. II, 4
-(waarop mijn aandacht werd gevestigd door den weleerw. heer J. N.
-Hoare), dat het bij de Grieken een algemeen erkend beginsel was, dat de
-mannen bij de keus van hun vrouwen er op moesten letten, in hoever deze
-zoodanig gestel bezaten, dat het waarschijnlijk was, dat zij gezonde en
-krachtige kinderen zouden voortbrengen. De Grieksche dichter Theognis,
-die in het jaar 550 v. Chr. leefde, zag duidelijk in, hoe belangrijk
-zorgvuldig toegepaste teeltkeus voor de verbetering van het menschelijk
-geslacht was. Hij zag ook in, dat rijkdom dikwijls een beletsel is voor
-de goede werking der seksueele teeltkeus. Hij schrijft als volgt:
-
- „’t Vered’len van het dier wordt als een kunst geleerd,
- Het fokvee, dat gezond en edel is van ras,
- Voor hoogen prijs gekocht, ’t gebrekkige geweerd;
- Steeds fraaier wordt het kroost, steeds ed’ler dan het was.
- Zoo doet men met het dier, maar niet zoo met den mensch,
- Wij trouwen om het geld; de schatten dezer aard
- Bepalen onze keus, slechts die zijn onze wensch.
- Zoo wordt de mensch verzuimd en ’t vee met zorg gepaard.
- Een vrek of groote fielt, die schatten samenbrengt,
- Huwt zijne kind’ren uit aan ’t fierste en trotschste ras;
- Wat edel is en laag, wordt dus te zaâm vermengd,
- Een basterdras ontstaat, zoo slecht als nimmer was.
- Ik heb u de oorzaak, vriend! nu duid’lijk aangewezen;
- Te treuren om ’t gevolg kan ’t onheil niet genezen.”
-
- (The Works of J. Hookham Frere, vol. II, 1872, blz. 334.)
-
-[79] Godron, „De l’Espèce”, 1859, tome II, livre III. Quatrefages,
-„Unité de l’Espèce Humaine”, 1861. Zie ook de voordrachten over
-anthropologie, medegedeeld in de „Revue des Cours Scientifiques”,
-1866–1868.
-
-[80] „Hist. Gén. et Part. des Anomalies de l’Organisation”, in drie
-deelen, deel I, 1832.
-
-[81] Ik heb deze wetten uitvoerig besproken in mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, hoofdstukken XXII tot en met XXVI. M. J.
-Durand heeft onlangs (1868) een verdienstelijke verhandeling „De
-l’Influence des Milieux” enz. uitgegeven. Hij hecht veel gewicht aan
-den aard van den bodem.
-
-[82] „Investigations in Military and Anthrop. Statistics” enz. 1869,
-door B. A. Gould, blz. 93, 107, 126, 131, 134.
-
-[83] Zie, wat de Polynesiërs aangaat, Prichard’s „Physical Hist. of
-Mankind”, vol. V, blz. 145, 283. Eveneens Godron, „De l’Espèce”, tome
-II, blz. 289. Er bestaat ook een merkwaardig verschil in uiterlijk
-aanzien tusschen nauw-verwante Hindoe’s, die aan den Boven-Ganges en in
-Bengalen wonen; zie Elphinstone’s „History of India”, vol. I, blz. 324.
-
-[84] „Memoirs Anthrop. Soc.”, vol. III, 1867–69, blz. 61, 565, 567.
-
-[85] Dr. Brakenridge, „Theory of Diathesis”, „Medical Times”, 19 Juni
-en 17 Juli 1869.
-
-[86] Ik heb bewijzen van verschillende beweringen gegeven in mijn
-„Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz.
-336–340. Dr. Jaeger „Ueber das Längenwachsthum der Knochen”, „Jenaische
-Zeitschrift”, B. v. afl. 1.
-
-[87] „Investigations” enz. door B. A. Gould, 1869, blz. 288.
-
-[88] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 4.
-
-[89] „History of Greenland”, Eng. vert. 1767, vol. I, blz. 230.
-
-[90] „Intermarriage”, door Alex. Walther, 1838, blz. 377.
-
-[91] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz.
-497, II, 375.
-
-[92] „Principles of Biology”, vol. I, blz. 455.
-
-[93] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, vol. I, 1853, blz. 209.
-
-[94] Het is een vreemd en onverwacht feit, dat zeelieden voor
-landbewoners onderdoen in hun gemiddelden afstand van duidelijk zien.
-Dr. B. A. Gould („Sanitary Memoirs of the War of the Rebellion”, 1889,
-blz. 530) heeft bewezen, dat zulks het geval is; en hij verklaart het
-doordat de gezichtskring bij zeelieden gewoonlijk „beperkt is tot de
-lengte van het schip en de hoogte van de masten.”
-
-[95] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert. Deel I, blz.
-505.
-
-[96] „Säugethiere von Paraguay”, blz. 8, 10. Ik ben in de gelegenheid
-geweest om de buitengewone scherpte van gezicht der Vuurlanders waar te
-nemen. Zie ook Lawrence („Lectures on Physiology”, 1822, blz. 404) over
-dit zelfde onderwerp. De heer Giraud-Teulon heeft onlangs („Revue des
-Cours Scientifiques”, 1870, blz. 625) vele gewichtige bewijzen
-verzameld, dat de oorzaak van kortzichtigheid „le travail assidu de
-près” is.
-
-[97] Prichard, „Phys. Hist. of Mankind” voor de opmerking van
-Blumenbach, vol. I, 1817, blz. 311; voor de bewering van Pallas, vol.
-IV, 1844, blz. 107.
-
-[98] Aangehaald bij Prichard, „Researches into the Phys. Hist. of
-Mankind”, vol. V, blz. 463.
-
-[99] De hoogst belangrijke verhandeling van den heer Forbes is nu
-uitgegeven in het: „Journal of the Ethnological Society of London”, New
-Series, vol. II, 1870, blz. 193.
-
-[100] Dr. Wilckens („Landwirthschaft. Wochenblatt”, no. 10, 1869) heeft
-onlangs een belangrijke verhandeling uitgegeven, waarin wordt betoogd,
-dat bij huisdieren die in bergachtige streken leven, wijzigingen in het
-geraamte ontstaan.
-
-[101] „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 53, 125, 169, 171,
-184–198.
-
-[102] Prof. Laycock drukt het karakter van dierlijke idioten uit door
-hen theroïde te noemen: „Journal of Mental Science”, Juli 1863. Dr.
-Scott („The Deaf and Dumb”, 2e uitg., 1870, blz 10) heeft dikwijls het
-onnoozele rieken aan het voedsel waargenomen. Zie over dit zelfde
-onderwerp en over de behaardheid van idioten, Dr. Maudsley, „Body and
-Mind”, 1870, blz. 46–51. Pinel heeft ook een treffend geval van
-behaardheid bij een idioot medegedeeld.
-
-[103] In mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, (eerste
-Eng. Uitgaaf, vol. II, blz. 57) schreef ik de niet zeer zeldzame
-gevallen van overtallige tepels bij vrouwen aan atavisme toe. Ik werd
-er toe geleid dit besluit waarschijnlijk te vinden, omdat de
-overtallige tepels over het algemeen symmetrisch op de borst zijn
-geplaatst, en meer bijzonder wegens één geval, waarin een enkele
-melkgevende tepel voorkwam in de liesstreek van een vrouw, de dochter
-van een vrouw met overtallige tepels. Ik bevind nu echter (zie b.v.
-Prof. Preyer, „Der Kampf um das Dasein”, 1869, blz. 45), dat mammae
-erraticae op andere plaatsen voorkomen, zooals op den rug (4), onder
-den oksel, en op de dij, en dat zij op deze laatste plaats wel eens
-zooveel melk hebben gegeven, dat het kind er mede werd gezoogd. De
-waarschijnlijkheid, dat de overtallige tepels een gevolg zijn van
-atavisme, wordt hierdoor veel geringer gemaakt; toch komt zulks mij nog
-waarschijnlijk voor, omdat dikwijls twee paar symmetrisch op de borst
-zijn geplaatst; en hiervan heb ik zelf verscheidene malen bericht
-ontvangen. Het is algemeen bekend, dat bij halfapen (Lemuriden) normaal
-twee paar tepels op de borst voorkomen. Vijf gevallen zijn opgeteekend
-van meer dan één paar tepels (natuurlijk rudimentaire) bij mannen; zie
-„Journal of Anat. and Physiology”, 1872, blz. 56, voor een geval,
-medegedeeld door Dr. Handyside, waarin twee broeders deze bijzonderheid
-vertoonden; zie ook een verhandeling van Dr. Bartels, in Reichert’s en
-Du Bois Reymond’s „Archiv”, 1872, blz. 304. In een der gevallen,
-waarvan Dr. Bartels melding maakt, had een man vijf tepels, waarvan een
-in de mediaanlijn van het lichaam boven den navel was geplaatst; Meckel
-von Hemsbach meent, dat dit laatste geval overeenstemt met een op de
-mediaanlijn gelegen tepel, die bij sommige vledermuizen (Chiroptera)
-voorkomt. Over het geheel mogen wij betwijfelen, of zich ooit
-overtallige tepels bij beide seksen van den mensch zouden hebben
-ontwikkeld, als zijn vroege voorouders niet van meer dan een paar
-voorzien waren geweest.
-
-In bovengenoemd werk (deel II, blz. 12) heb ik ook, hoewel zeer
-aarzelend, de vele gevallen van veelvingerigheid (polydactylisme) bij
-den mensch en verschillende dieren aan atavisme toegeschreven. Ik werd
-hiertoe gedeeltelijk geleid door de opgaaf van Prof. Owen, dat sommige
-zeedraken (Ichthyopterygia) meer dan vijf vingers bezaten, en daarom,
-naar ik onderstelde, een oorspronkelijken toestand hadden bewaard, maar
-Prof. Gegenbaur („Jenaische Zeitschrift”, B. v. Heft 3, blz. 341)
-bestrijdt Owen’s besluit. Van den anderen kant schijnt er, volgens de
-voor korten tijd door Dr. Günther omtrent de vin van Ceratodus
-uitgesproken meening, welke vin is voorzien van gelede beenige stralen
-aan weêrszijde van een middelste aaneenschakeling van beenderen, niet
-veel tegen te zijn om aan te nemen, dat zes of meer vingers aan de eene
-zijde of aan beide zijden door atavisme weder zouden verschijnen. Dr.
-Hartogh Heys van Zouteveen meldt mij, dat er een geval is opgeteekend
-van een man, die vier-en-twintig vingers en vier-en-twintig teenen
-bezat (vergelijk aant. 8, blz. 38. Dr. H. H. H. v. Z.) Ik werd
-voornamelijk geleid tot het besluit, dat het bezit van overtallige
-vingers een gevolg van atavisme zou kunnen zijn, omdat dergelijke
-vingers niet slechts sterk erfelijk zijn, maar, gelijk ik toen
-geloofde, evenals de normale vingers van de lagere Gewervelde Dieren
-het vermogen bezaten om opnieuw aan te groeien, wanneer zij waren
-afgezet. (5) Ik heb echter in de 2de uitgaaf van mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten” uiteengezet, waarom ik nu weinig
-vertrouwen stel in de opgeteekende gevallen van dergelijk opnieuw
-aangroeien. Desniettemin verdient het opmerking, in zoover als
-stilstand in de ontwikkeling en atavisme nauwverwante zaken zijn, dat
-verschillende organen die in een embryonalen toestand verkeeren of in
-ontwikkeling zijn blijven stilstaan, zooals een gekloofd verhemelte,
-dubbele uterus enz., dikwijls gepaard gaan met polydactylisme. Hierop
-is met veel aandrang gewezen door Meckel en Isidore Geoffroy de
-St.-Hilaire. Voor het oogenblik is het echter het veiligst het
-denkbeeld geheel op te geven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen
-de ontwikkeling van overtallige vingers en terugkeer tot den eenen of
-anderen laag georganiseerden stamvader van den mensch (atavisme).
-
-[104] Zie Dr. A. Farre’s welbekend artikel in de „Cyclop. of Anat. and
-Phys.”, vol V, 1859, blz. 642. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III
-1868, blz. 687; Prof. Turner in „Edinburgh Medical Journal”, Febr.
-1865.
-
-[105] „Anuario della Soc. dei Naturalisti in Modena”, 1867, blz. 83.
-Prof. Canestrini geeft over dit onderwerp uittreksels uit verschillende
-gezaghebbende schrijvers. Laurillard merkt op, dat hij, daar hij een
-volkomen overeenkomst in vorm, afmetingen en verbindingswijze tusschen
-de beide jukbeenderen van verscheidene menschelijke individu’s en die
-van sommige apen heeft gevonden, die inrichting der deelen niet als een
-eenvoudig toeval kan beschouwen. Een andere verhandeling over de zelfde
-anomalie is door Dr. Saviotti publiek gemaakt in de „Gazetta della
-cliniche”, Turijn, 1871, waar hij zegt, dat sporen van de verdeeling
-worden gevonden bij omstreeks twee percent der schedels van
-volwassenen; hij merkt ook op, dat zij meer voorkomt bij prognathische
-schedels die niet tot het Arische ras behooren, dan bij andere. Zie ook
-G. Delorenzi over het zelfde onderwerp: „Tre nuovi casi d’anomalia
-dell’osso malare”, Modena, 1872. Ook E. Morselli, „Sopra una rara
-anomalia dell’osso malare”, Turijn. 1872. Later heeft ook Gruber nog
-een brochure geschreven over de verdeeling van dit been. Ik doe deze
-aanhalingen, omdat een recensent, zonder eenige gronden of schroom,
-mijn beweringen in twijfel heeft getrokken.
-
-[106] Een geheele reeks dergelijke gevallen wordt gegeven door Isid.
-Geoffroy St.-Hilaire, „Hist. des Anomalies”, tome III, blz. 437. Een
-recensent („Journal of Anat. and Phys.”, 1871, blz. 366) keurt het zeer
-af, dat ik de talrijke gevallen die zijn opgeteekend van stilstand in
-ontwikkeling in verschillende deelen, niet heb besproken. Hij zegt, dat
-volgens mijn theorie „elke voorbijgaande toestand van een orgaan
-gedurende de ontwikkeling daarvan, niet slechts een middel voor een
-doel, maar op zich zelf een doel was.” Dit schijnt mij niet
-noodzakelijk juist te zijn. Waarom zouden geen afwijkingen voorkomen
-gedurende een vroeg ontwikkelingstijdperk, die in geen verband stonden
-tot atavisme; toch zouden zulke afwijkingen kunnen worden bewaard en
-opgehoopt als zij op eenige wijze nuttig waren, b.v. door den loop der
-ontwikkeling korter en eenvoudiger te maken? En waarom zouden van den
-anderen kant schadelijke afwijkingen, zooals geatrophieerde of
-gehypertrophieerde deelen, welke in geen verband staan tot een
-vroegeren toestand van bestaan, niet even goed in een vroeg tijdperk
-als gedurende den volwassen leeftijd voorkomen?
-
-[107] „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, 1868, blz. 323.
-
-[108] „Generelle Morphologie”, 1866, Bd. II, blz. clv.
-
-[109] Carl Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert. 1864, blz. 151.
-
-[110] C. Carter Bake, Over een kaak van la Naulette, „Anthropolog.
-Review”, 1867, p. 295; Schaaffhausen, ibid. 1868, blz. 426.
-
-[111] „The Anatomy of Expression”, 1844, blz. 110, 131.
-
-[112] Aangehaald door Prof. Canestrini in het „Annuario” etc, 1867,
-blz. 90.
-
-[113] Deze verhandelingen verdienen zorgvuldig te worden bestudeerd
-door ieder die wenscht te leeren, hoe veelvuldig wijzigingen van ons
-spierstelsel voorkomen en hoe dikwijls het door die wijzigingen op dat
-der apen gelijkt. De volgende aanhalingen hebben betrekking op de
-weinige punten die ik heb behandeld in mijn tekst: „Proc. Royal Soc.”
-deel XIV, 1865, blz. 379–384, deel XV, 1866, blz. 241, 242, deel XV,
-1867, blz. 544, deel XVI, 1868, blz. 524. Ik kan hierbij voegen, dat
-Dr. Murie en de heer Sir George Mivart in hun verhandelingen over de
-Lemuroidea „Transact. Zoolog. Soc.”, deel VII, 1869, blz. 96, hebben
-aangetoond, in hoe buitengewone mate sommige spieren aan wijziging
-onderhevig zijn bij deze dieren, de laagste leden van de orde der
-Primaten. Wijzigingen in het spierstelsel, overeenkomende met de
-inrichting daarvan bij dieren die nog lager op den ladder staan, zijn
-bij de Lemuriden ook talrijk.
-
-[114] Prof. Macalister in „Proc. R. Irish Academy”, deel X, 1868, blz.
-124.
-
-[115] Prof. Macalister (ibid. blz, 124) heeft een tabel gemaakt van
-zijn waarnemingen en vindt, dat afwijkingen in het spierstelsel het
-veelvuldigst voorkomen in de voorarmen, in de tweede plaats in het
-gelaat, enz.
-
-[116] De weleerw. heer Dr. Haughton deelt („Proc. R. Irish Academy” 27
-Juni 1864, blz. 715) een opmerkelijk geval van afwijking in den
-menschelijken flexor pollicis longus mede, en merkt daarbij op: „dit
-merkwaardige voorbeeld bewijst, dat de mensch somtijds in zijn duim en
-vingers de rangschikking der pezen kan bezitten, die het geslacht
-Macacus kenmerken, maar of zulk een geval moet worden beschouwd als een
-Macacus zich tot een mensch ontwikkelende, of als een mensch afdalende
-tot den Macacus, of als een aangeboren natuurspeling, durf ik niet
-zeggen.” Het doet mij genoegen, dat een zoo bekwaam ontleedkundige en
-een zoo verbitterd tegenstander van de ontwikkelingstheorie zelfs de
-mogelijkheid van de beide eerste stellingen aanneemt. Ook Prof.
-Macalister heeft („Proc. R. Irish Acad.”, deel X, 1864, blz 188)
-wijzigingen in den flexor pollicis longus beschreven, merkwaardig door
-haar betrekkingen tot de zelfde spier bij de apen.
-
-[117] De personen, op wier gezag deze verschillende stellingen rusten,
-zijn te vinden in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-Ned. Vert., Deel II, blz. 373–391.
-
-[118] Dit onderwerp is uitvoerig besproken in Hoofdstuk XXIII, Deel II,
-van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-
-[119] Zie het steeds gedenkwaardige: „Essay on the Principle of
-Population”, door den weleerw. heer T. Malthus, deel I, 1816, blz. 6,
-517.
-
-[120] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, Ned.
-Vert., blz. 98–101, 161.
-
-[121] De heer Sedgwick, „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”,
-Juli 1863, blz. 1870.
-
-[122] „The Annals of Rural Bengal”, door W. Hunter, 1868, blz. 259.
-
-[123] „Primitive Marriage”, 1865.
-
-[124] Zie eenige goede opmerkingen hieromtrent door W. Stanley Jevons,
-„A Deduction from Darwin’s Theory”, „Nature”, 1869, blz. 231.
-
-[125] Latham, „Man and his Migrations”, 1851, blz. 135.
-
-[126] De heeren Murie en Mivart zeggen in hun „Anatomy of the
-Lemuroïdea” („Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VIII, 1869, blz. 96–98):
-„Sommige spieren komen zoo ongeregeld voor, dat zij niet goed tot een
-der bovenvermelde afdeelingen kunnen worden gebracht”. Deze spieren
-verschillen zelfs bij een en het zelfde individu in de beide
-tegenovergestelde helften van het lichaam.
-
-[127] „Quarterly Review”, April, 1869, blz. 392. Dit onderwerp is
-uitvoeriger besproken in „Contributions on the Theory of Natural
-Selection”, 1870, van den heer Wallace, waarin al zijn in dit werk
-aangehaalde verhandelingen zijn herdrukt. Zijn verhandeling over den
-mensch is op zeer bekwame wijze gekritiseerd door Prof. Claparède, een
-der bekwaamste dierkundigen van Europa, in een artikel in de
-„Bibliothèque Universelle”, Juni 1870. De in mijn tekst aangehaalde
-aanmerking zal iedereen verwonderen, die de beroemde verhandeling van
-den heer Wallace heeft gelezen over den oorsprong der menschenrassen,
-afgeleid uit de theorie der natuurlijke teeltkeus, oorspronkelijk
-geplaatst in de „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII. Ik
-kan, mij niet weêrhouden hier met betrekking tot deze verhandeling een
-zeer juiste opmerking van Sir J. Lubbock („Prehistoric Times”, 1865,
-blz. 479) aan te halen, namelijk dat de heer Wallace, „met eigenaardige
-onbaatzuchtigheid, het” (het denkbeeld van de natuurlijke teeltkeus)
-„geheel en al aan den heer Darwin toeschrijft, hoewel hij, zooals wel
-bekend is, onafhankelijk van den heer Darwin op dat denkbeeld kwam en
-het tegelijkertijd met dezen, hoewel niet zoo zorgvuldig uitgewerkt,
-publiek maakte.”
-
-[128] Aangehaald door den heer Lawson Tait in zijn „Law of Natural
-Selection”,—„Dublin Quarterly Journal of Medical Science”, Febr. 1869.
-Ook Dr. Keller wordt met betrekking tot die zaak aangehaald.
-
-[129] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71.
-
-[130] „Quarterly Review”, April 1869, blz. 392.
-
-[131] Bij Hylobates syndactylus zijn, zooals de naam uitdrukt, steeds
-twee der vingers aaneengegroeid, en de heer Blyth deelt mij mede, dat
-dit soms ook het geval is met de vingers van H. agilis, Lar en
-leuciscus. Bij Colobus ontbreekt ook de duim; deze apen leven
-voortdurend in de boomen en zijn bijzonder levendig (Brehm,
-„Thierleben”, Bd. I, blz. 50), maar of zij beter kunnen klimmen of
-grijpen dan de soorten van verwante geslachten, is onbekend.
-
-[132] Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 80.
-
-[133] „The Hand, its Mechanism”, etc., „Bridgewater Treatise”, 1813,
-blz. 38.
-
-[134] Haeckel bespreekt op uitnemende wijze de trappen, langs welke de
-mensch een tweevoetig dier werd: „Natürliche Schöpfungsgeschichte”,
-1868, blz. 507. Dr. Büchner („Conférences sur la Théorie Darwinienne”,
-1869, blz. 35) heeft goede voorbeelden gegeven van het gebruik van den
-voet als een grijpwerktuig door den mensch; en ook van de wijze van
-loopen van de hoogere apen, waarop ik in de volgende alinea zinspeel.
-Zie over dit laatste onderwerp ook Owen („Anatomy of Vertebrates”, vol.
-III, blz. 71).
-
-[135] „On the Primitive Form of the Skull”, vertaald in
-„Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 528. Owen, „Anatomy of
-Vertebrates”, vol. II, 1866, blz. 551, over de tepelvormige
-uitsteeksels bij de hoogere apen.
-
-[136] „Die Grenzen der Thierwelt, eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”,
-1868, blz. 51.
-
-[137] Dujardin, „Annales des Sc. Nat.”, 3rd series, Zoolog. tome XIV,
-1850, blz. 203. Zie ook de heer Lowne, „Anatomy and Phys. of the Musca
-vomitoria”, 1870, blz. 44. Mijn zoon, de heer F. Darwin, ontleedde voor
-mij de hersengangliën van Formica rufa.
-
-[138] „Philosophical Transactions”, 1869, blz. 513.
-
-[139] Aangehaald in C. Vogt’s „Lectures on Man”, Eng. Vertaling, 1846,
-blz. 88, 90. Prichard, „Phys. Hist of Mankind”, vol. I, 1838, blz. 305.
-
-[140] In het belangwekkend artikel waarvan boven melding is gemaakt,
-heeft Prof. Broca terecht opgemerkt, dat bij beschaafde volken de
-gemiddelde inhoud van den schedel kleiner moet worden gemaakt door het
-behouden blijven van een aanmerkelijk aantal individu’s, zwak van
-lichaam en geest, die in den wilden staat spoedig te gronde zouden zijn
-gegaan. Van den anderen kant sluit bij wilden het gemiddelde alleen de
-verstandigste individu’s in, die in staat zijn geweest om te blijven
-leven onder uiterst harde levensvoorwaarden. Broca verklaart aldus het
-anders onverklaarbare feit, dat de gemiddelde schedelinhoud van de oude
-holbewoners van Lozère grooter is dan die der hedendaagsche Franschen.
-
-[141] „Compt. Rend. des Séances” enz., 1 Juni 1868.
-
-[142] „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-Deel I, blz. 145–149.
-
-[143] Schaaffhausen deelt de gevallen van de krampen en van het
-litteeken op gezag van Blumenbach en Busch mede in „Anthropolog.
-Review”, Oct. 1868, blz. 420. Dr. Jarrold („Anthropologica”, 1808, blz.
-115, 116) verhaalt gevallen, door Camper en door hem zelf waargenomen,
-van schedelwijzigingen ten gevolge van een onnatuurlijke houding van
-het hoofd. Hij gelooft, dat sommige ambachten, zooals dat van
-schoenmaker, doordat zij medebrengen, dat men het hoofd gewoonlijk
-voorover houdt, het voorhoofd ronder en meer vooruitstekend maken.
-
-[144] „Varieeren der Huisdieren” enz., Ned. Vert, Deel I, blz. 137,
-over de verlenging van den schedel; blz. 139, 146, over de gevolgen van
-het naar voren hangen van het oor.
-
-[145] Aangehaald door Schaaffhausen in „Anthrop. Review”, Oct. 1868,
-blz. 419.
-
-[146] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 619.
-
-[147] Isidore Geoffroy St.-Hilaire maakt („Hist. Nat. Gén.”, tome II,
-1859, blz. 215–217) opmerkingen over het lange haar, waarmede ’s
-menschen hoofd bedekt is, en over het feit, dat de bovenste
-oppervlakten van apen en andere zoogdieren dichter met haar begroeid
-zijn dan de onderste oppervlakten. Dit is eveneens door verschillende
-andere schrijvers opgemerkt. Prof. Gervais („Hist. Nat. des
-Mammifères”, tome I, 1854, blz. 28) deelt echter mede, dat bij den
-gorilla het haar dunner is op den rug, waar het gedeeltelijk is
-afgeschuurd, dan op de onderste oppervlakte.
-
-[148] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 209. Eenigszins ter
-bevestiging van de meening van den heer Belt, kan ik de volgende plaats
-aanhalen uit Sir W. Denison („Varieties of Vice Regal Life”, vol. I,
-1870, blz. 440): „Men zegt, dat de Nieuw-Hollanders gewoon zijn zich te
-zengen, als het ongedierte lastig wordt.”
-
-[149] De heer H. George Mivart, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 562,
-583. Dr. J. E. Gray, „Cat. Brit. Mus. Skeletons”. Owen, „Anatomy of
-Vertebrates”, vol. II, blz 517. Isidore Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”,
-tome II, blz. 244.
-
-[150] „Revue d’Anthropologie”, 1872; „La Constitution des Vertèbres
-Caudales”.
-
-[151] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1872, blz. 210.
-
-[152] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-311, 312.
-
-[153] „Primeval Man”, 1869, blz. 66.
-
-[154] Bixia orellana.
-
-[155] Volgens een verhandeling door hen voorgelezen op de vergadering
-te Philadelphia van de „American Association for the Advancement of
-Science”, 1884, zie ook „Nature”, 3 Nov. 1886.
-
-[156] „Verhandlungen der Berliner Anthropol. Gesellsch.” in het
-„Zeitschrift für Ethnologie” 1885, Heft V, blz. 434.
-
-[157] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, blz. 157.
-
-[158] Het bewijs hiervan is te vinden in Lubbock’s „Prehistoric Times”,
-blz. 344 v.v.
-
-[159] „Instinct chez les Insectes”. „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870
-blz 690.
-
-[160] „The American Beaver and his Works”, 1868.
-
-[161] „The Principles of Psychology”, 2nd edit., 1870, blz. 418–443.
-
-[162] „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz.
-212.
-
-[163] „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 173.
-
-[164] Al de volgende op autoriteit van deze twee geleerden medegedeelde
-feiten zijn ontleend aan Rengger, „Naturges. der Säugethiere von
-Paraguay”, 1830, blz. 41–57 en aan Brehm’s „Thierleben”, Deel 1, blz.
-10–87.
-
-[165] Aangehaald door Dr. Lauder Lindsay in zijn „Physiology of Mind in
-the Lower Animals”, „Journal of Mental Science”, April 1871, blz. 36.
-
-[166] „Bridgewater Treatise”, blz. 263.
-
-[167] W. C. L. Martin, „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 405.
-
-[168] Aangehaald bij Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz.
-168.
-
-[169] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-Deel I, blz. 33.
-
-[170] „Ann. d. Scienc. Nat.” (1e Serie), tome XXII, blz. 397.
-
-[171] „Les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150.
-
-[172] Aangehaald in Dr. Maudsley’s „Physiology and Pathology of Mind”,
-1868, blz. 19, 220.
-
-[173] Dr. Jerdon, „Birds of India”, vol. I, 1862, blz. XXI. Houzeau
-zegt, dat zijn parkieten en kanarievogels droomden: „Facultés
-Mentales”, tome II, blz. 136.
-
-[174] „Fac. Ment.”, 1872, tome II, blz. 181.
-
-[175] Het werk van den heer L. H. Morgan over „The American Beaver”,
-1868, levert een goed voorbeeld hiervan op. Ik kan niet nalaten te
-denken, dat hij te ver gaat in het geringschatten van de macht van het
-instinkt.
-
-[176] „Die Bewegungen der Thiere”, enz., 1873, blz. 11.
-
-[177] „Facultés Mentales des Animaux”, 1872, tome II, blz. 265.
-
-[178] Prof. Huxley heeft met bewonderenswaardige duidelijkheid de
-verstandelijke stappen geanalyseerd, waardoor een mensch, zoowel als
-een hond, tot een besluit komt in een dergelijk geval, als door mij in
-den tekst is medegedeeld. Zie zijn artikel: „Mr. Darwin’s Critics”, in
-de „Contemporary Review”, Nov. 1871, blz. 462, en in zijn „Critiques
-and Essays”, 1873, blz. 279.
-
-[179] „The Moor and the Loch”, blz. 45. Kol. Hutchinson over „Dog
-Breaking”, 1850, blz. 46.
-
-[180] „Personal Narrative”, Engelsche vertaling, vol. III, blz. 106.
-
-[181] Aangehaald door Sir C. Lyell, „Antiquity of Man”, blz. 497.
-
-[182] Voor meer bewijzen, met bijzonderheden, zie Houzeau, „Les
-Facultés Mentales”, tome II, 1872, blz. 147.
-
-[183] Zie ten opzichte van vogels op oceanische eilanden mijn „Journal
-of Researches during the voyage of the Beagle”, 1845, blz. 398,
-„Ontstaan der Soorten”, Ned. Vert., 3de uitgaaf, blz. 309, 344.
-
-[184] „Lettres Phil. sur l’Intelligence des Animaux”, nouvelle édit.,
-1802, blz. 86.
-
-[185] Het bewijs hiervan is te vinden in hoofdst. I, Deel I, van „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-
-[186] „Proc. Zool. Soc.”, 1864, blz. 186.
-
-[187] Savage en Wyman in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol IV,
-1843–44, blz. 383.
-
-[188] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 51–56.
-
-[189] „The Indian Field”, 4 Maart 1871.
-
-[190] „Thierleben”, Bd. I, blz. 79, 82.
-
-[191] „The Malay Archipelago”, vol. I, 1869, blz. 87.
-
-[192] „Primaeval Man”, 1869, blz. 145, 147.
-
-[193] „Prehistoric Times”, 1865, blz. 473 enz.
-
-[194] De heer Hookham, in een brief aan Prof. Max Müller, in de
-„Birmingham News”, Mei 1873.
-
-[195] „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, Fransche vertaling,
-1869, blz. 132.
-
-[196] De weleerw. zeer gel. Heer Dr. J. M’Cann, „Anti-Darwinisme”,
-1869, blz. 13.
-
-[197] Aangehaald in „Anthropological Review”, 1869, blz. 158.
-
-[198] Rengger, ibid. blz. 45.
-
-[199] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl.
-Vert., Deel I, blz 32.
-
-[200] „Facultés Mentales des Animaux”, tome II, blz. 346–349.
-
-[201] Een verhandeling hierover vindt men in het zeer belangwekkende
-werk van den heer E. B. Tylor, „Researches into the Early History of
-Mankind”, 1865, chaps. II–IV.
-
-[202] Ik heb hierover verschillende uitvoerige mededeelingen ontvangen.
-Admiraal Sir J. Sulivan, dien ik als een nauwkeurig waarnemer ken,
-verzekert mij, dat een Afrikaansche papegaai die lang in zijn vaders
-huis werd gehouden, steeds sommige personen der huishouding, zoowel als
-bezoekers, bij hun naam riep. Hij zeide iedereen bij het ontbijt
-„goeden morgen”, en „goeden avond” als zij ’s avonds de kamer
-verlieten, en verwarde die groeten nooit. Tegen Sir J. Sulivan’s vader
-placht hij bij het „goeden morgen” een korten volzin te voegen, dien
-hij na den dood van dezen nooit weer herhaalde. Hij schold heftig op
-een vreemden hond die door het open venster in de kamer kwam, en hij
-berispte een anderen papegaai, die uit zijn kooi was ontvlucht en bezig
-was appels op de keukentafel te snoepen, met de woorden: „Jou stoute
-Polly.” Zie over papegaaien ook Houzeau „Facultés Mentales”, tome II,
-blz. 309. Dr. A. Moschkau meldt mij, dat hij een spreeuw heeft gekend,
-die zich nooit vergiste met in het Duitsch „goeden morgen” te zeggen
-tegen personen die aankwamen, en „adieu, oude jongen”, tegen degenen
-die weggingen. Ik zou er verscheidene andere dergelijke gevallen bij
-kunnen voegen. (8)
-
-[203] Zie eenige goede opmerkingen hierover door Prof. Whitney, in zijn
-„Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 354. Hij merkt op, dat de
-wensch naar gedachtenwisseling bij den mensch de levende kracht is,
-welke bij de ontwikkeling der taal „zoowel bewust als onbewust werkt;
-bewust, wat aangaat het doel dat men onmiddellijk wenscht te bereiken;
-onbewust, wat de verdere gevolgen der handeling aangaat.”
-
-[204] Daines Barrington in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 262.
-Zie ook Dureau de la Malle in „Ann. des Sc. Nat.”, 3ième série, Zool.,
-tome X, blz. 119.
-
-[205] „On the Origin of Language”, door H. Wedgwood, 1866; „Chapters on
-Language”, door den weleerw. heer F. W. Farrer, 1865. Deze werken zijn
-zeer belangwekkend. Zie ook: „De la Phys. et de Parole”, door Albert
-Lemoine, 1865, blz. 190. Wijlen Prof. Aug. Schleicher’s werk over dit
-onderwerp is door Dr. Bikkers in het Engelsch vertaald, onder den titel
-van „Darwinism tested by the Science of Language”, 1869.
-
-[206] Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 169. Ten
-opzichte van wilden, heb ik eenige feiten vermeld in mijn „Journal of
-Researches”, enz., 1849, blz. 206.
-
-[207] Zie het duidelijk bewijs hiervan in de reeds zoo dikwijls
-aangehaalde werken, bij Brehm en Rengger.
-
-[208] Zie hierover de opmerkingen van Dr. Maudsley, „The Physiology and
-Pathology of Mind”, 2de uitgaaf, 1868, blz. 199.
-
-[209] Hiervan zijn vele merkwaardige voorbeelden opgeteekend. Zie b.v.
-Dr. Bateman „On Aphasia”, 1870, blz. 27, 31, 53, 100, enz. Ook
-„Inquiries concerning the Intellectual Powers”, door Dr. Abercrombie,
-1838, blz. 150.
-
-[210] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I,
-blz. 502.
-
-[211] Lezingen over „Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873.
-
-[212] Het oordeel van een philoloog van naam, Dr. Whitney, zal omtrent
-dit punt van veel meer gewicht zijn dan iets dat ik kan zeggen. Hij
-merkt („Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 297), van Bleek’s
-beweringen sprekende, op: „Omdat over het algemeen gesproken de spraak
-de noodzakelijke helpster der gedachte is, onmisbaar voor de
-ontwikkeling van het denkvermogen, voor de duidelijkheid en
-verscheidenheid en ingewikkeldheid van de kennis, voor het verkrijgen
-van volkomen zelfbewustzijn, daarom zou hij de gedachte gaarne
-volstrekt onmogelijk maken zonder de spraak, het vermogen
-vereenzelvigende met het werktuig. Hij zou met juist evenveel reden
-kunnen verzekeren, dat de hand van den mensch niets kan verrichten
-zonder een werktuig. Met zulk een leer als uitgangspunt kan het niet
-anders of hij moet vervallen in de ergste drogredenen van Müller, dat
-een klein kind (in fans, niet sprekend) geen menschelijk wezen is, en
-dat doofstommen niet in het bezit van rede komen, vóór zij hun vingers
-hebben leeren gebruiken om gesproken woorden na te bootsen.” Max Müller
-(„Lectures on Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873, 3e lezing)
-laat de volgende uitspraak cursief drukken: „Er is geen gedachte zonder
-woorden, evenmin als er woorden zonder gedachte zijn.” Welk een vreemde
-definitie moet hier aan het woord gedachte worden gegeven!
-
-[213] „Essays on Free-thinking”, enz., 1873, blz. 82.
-
-[214] Hierover zijn eenige goede opmerkingen te vinden bij Dr.
-Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 199.
-
-[215] Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. II, 1839, blz. 29.
-Een uitnemend waarnemer, de heer Blackwall, merkt op, dat de ekster
-afzonderlijke woorden en zelfs korte volzinnen spoediger leert
-uitspreken dan eenige andere Britsche vogel; echter heeft hij, zooals
-hij er bijvoegt, na lang en nauwkeurig zijn gewoonten te hebben
-onderzocht, nooit opgemerkt, dat deze vogel in den natuurstaat eenigen
-bijzonderen aanleg voor het nabootsen vertoont. „Researches in
-Zoology”, 1834, blz. 158.
-
-[216] Zie de hoogst belangrijke vergelijking tusschen de ontwikkeling
-van soorten en talen, door Sir C. Lyell gegeven in „De Geol. Bewijzen
-voor de Oudheid v. h. Mensch. Geslacht”, in ’t Ned. vertaald door Dr.
-T. C. Winkler Zalt-Bommel 1861, Hoofdstuk XIII. (13)
-
-[217] Zie hierover de opmerkingen van den weleerw. heer F. W. Farrar in
-een belangrijk artikel, getiteld „Philology and Darwinism”, March 24
-1870, blz. 528.
-
-[218] „Nature”, 6 Jan. 1870, blz. 357.
-
-[219] Aangehaald door C. S. Wake, „Chapters on Man”, 1868, blz. 101.
-
-[220] Buckland, „Bridgewater Treatise”, blz. 411.
-
-[221] Zie eenige goede opmerkingen over de vereenvoudiging van talen
-bij Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 278 (Ned.
-Vert. „De Oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden,
-1876, blz. 262–280).
-
-[222] „The Spectator”, 4 Dec. 1869, blz. 1430.
-
-[223] Zie een uitnemend artikel over dit onderwerp door den weleerw.
-heer F. W. Farrer in de „Anthropological Review”, Aug. 1864, blz.
-CCXVII. Voor verdere feiten zie Sir J. Lubbock „Prehistoric Times”,
-2nd. edit. 1869 blz. 564, en vooral ook de hoofdstukken over den
-Godsdienst in zijn „Origin of Civilisation”, 1870.
-
-[224] „The Worship of Animals and Plants”, in „Fortnightly Review”,
-Oct. 1, 1869, blz. 422.
-
-[225] Tylor „Early History of Mankind”, 1865, blz. 6. Zie ook de drie
-treffende hoofdstukken over de Ontwikkeling van den Godsdienst in
-Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870. Op gelijke wijze verklaart de
-heer Herbert Spencer, in zijn vernuftige verhandeling in de
-„Fortnightly Review” (May, 1870, blz. 535) het ontstaan der vroegste
-vormen van godsdienstig geloof in de geheele wereld, doordat de mensch
-door droomen, schaduwen en andere oorzaken er toe werd gebracht, zich
-zelf een dubbel bestaan toe te kennen, een lichamelijk en een
-geestelijk. Daar het geestelijk wezen wordt ondersteld na den dood
-voort te bestaan en machtig te zijn, wordt het door verschillende
-giften en plechtigheden vereerd en wordt zijn hulp ingeroepen. Hij
-toont daarop verder aan, dat de namen of bijnamen van dieren of andere
-voorwerpen, aan de voorouders of hoofden van een stam gegeven, na
-verloop van tijd werden ondersteld den wezenlijken stamvader voor te
-stellen, en men gelooft dan natuurlijk, dat zulk een dier of voorwerp
-als geest voortleeft; het wordt voor heilig gehouden en als godheid
-vereerd. Echter vermoed ik, dat er nog een vroeger en ruwer tijdperk
-van godsdienstige ontwikkeling heeft bestaan, waarin elk voorwerp, dat
-eenig vermogen of beweging bezat, werd ondersteld leven en
-geestvermogens te bezitten gelijk de mensch.
-
-[226] Zie een uitstekend artikel over de psychische elementen van den
-godsdienst door den heer L. Owen Pike, in: „Anthropholog. Review”,
-April 1870, blz. 63.
-
-[227] „Religion, Moral etc. der Darwinschen Art-Lehre”, 1862, blz. 53.
-
-[228] „Prehistoric Times”, 2nd. ed., blz 571. In dit werk kan men vele
-vreemde en zonderlinge gewoonten van wilde volksstammen verhaald
-vinden.
-
-[229] De Duitsche woorden zijn hetgeen de papegaai zegt.
-
-[230] God behoede U (enkelvoud).
-
-[231] God behoede U (meervoud).
-
-[232] Psittacus erithacus.
-
-[233] De inhoud van den schedel varieerde bij tien door Vogt opgemeten
-microcephalen-schedels tusschen 272 en 622 kub. centimeter. Een normaal
-pasgeboren kind heeft omtrent 400 kub. centimeter schedelinhoud, en
-overtreft ⅔ dier microcephalen, waarvan zeven boven de twintig jaar oud
-waren, in hersencapaciteit. De inhoud van den schedel van een normaal
-kind van één jaar is omstreeks 900 kub. centimeter, van een van vijf
-jaar omstreeks 1150 kub, centimeter, van een volwassen Europeaan 1450
-tot 1570 kub. centimeter, van een jongen chimpanzee 300 kub.
-centimeter, van een volwassen gorilla 460 tot 530 kub. centimeter.
-
-Omtrent het gewicht der hersenen van pasgeboren jongens en meisjes
-heeft Mies onderzoekingen gedaan. Uit de resultaten van 203 wegingen
-berekent deze het gemiddeld gewicht van pasgeboren jongens (te Weenen)
-op 339,3 gram en dat van pasgeboren meisjes op 330 gram. Het lichtste
-gewicht was 170, het zwaarste 482 gram. Het hersengewicht van
-pasgeborenen staat tot hun lichaamsgewicht als 1 : 7 à 8,5. Mies woog
-alleen hersenen van kinderen die levend ter wereld waren gekomen.
-(„Wiener klinische Wochenschrift”, 1889.)
-
-[234] Vgl. „Lucifer” IV, blz. 266 on 267, benevens Bernstein, „Het
-leven der Planten, Dieren en Menschen”, vert. door Rissik, 2de druk,
-blz. 217.
-
-[235] Max Müller, „De Uitkomsten van de Wetenschap der Taalk.”, vert.
-door G. Penon, I, 269.
-
-[236] Om daarvan een voorbeeld te geven, ontleen ik het volgende aan M.
-Müller, t.a.p., II. 314–333.
-
-De wortel Mar, die in het Sanskriet fijnmalen beteekent, en die o.a.
-ook den vorm Mal kan aannemen, heeft, behalve aan een menigte
-Grieksche, Indische, Latijnsche en andere vreemde woorden, het aanzijn
-geschonken aan deze, meest Nederlandsche woorden: malen, molen,
-molenaar, meel; fr. mort, fr. mortel, ons mortel (kalk), moorden; murg,
-merg; moer (as), meer; Miölner (de hamer van Thor), h.d. zermalmen,
-molm, mul; m.n.l. molde (moede) mol; mal, malen (suffen); (Karel)
-Martel, Mars; melken; mollig, malsch fr. mou (mol), mild, smart, eng.
-to smart, smelten eng. to melt; marmer h.d. Marmor, marbels en mulvers
-(knikkers), memorie.
-
-[237] Veel overeenkomst heeft hiermede hetgeen Max Müller, „Vorlesungen
-über Urspr. u. Entw. der Religion”, blz. 214 (Die ältesten Begriffe) en
-211 (Alles als thätig benannt) opmerkt. Ook Darwin duidt dit tijdperk
-der godsdienstige ontwikkeling in de vier laatste regels van noot 2 op
-blz. 128, (die in de eerste uitgaaf van de „Afst v. d. Mensch” niet
-voorkomen) zeer kort aan.
-
-[238] Zelfs bij ons wordt dikwijls het woord „leven” gebruikt voor
-beweging, zelfs van levenlooze voorwerpen, b.v. „levend” water voor
-stroomend water. Bij een boschbrand hoorde ik eens een man zeggen: „Het
-vuur loopt zoo hard als een man te paard.” Evenzoo zegt ook de
-schooljongen: „De som wil niet uitkomen” en de keukenmeid: „De
-aardappels willen niet gaar worden” enz. en stellen dus de som en de
-aardappels enz. als levende, met een wil begaafde wezens voor.
-
-[239] Vergelijk J. Lippert, „Seelencult”, die, wel wat eenzijdig,
-nagenoeg allen godsdienst van de vereering der zielen van voorouders
-afleidt.
-
-[240] Hoofdzakelijk naar „Die Ursprache der Menschheit” in „Die
-Kulturgeschichte in einzelnen Hauptstücken” door Julius Lippert,
-Leipzig, 1886.
-
-[241] Met uitzondering waarschijnlijk van sommige door den mensch
-onderwezen papegaaien (vergelijk aant. 8, blz. 152). Ook verstaan
-ongetwijfeld sommige huisdieren b.v. honden, sommige door hun meester
-gesproken woorden. Sir John Lubbock leerde zelfs zijn hond eenvoudige
-in letters op plankjes gedrukte woorden begrijpen (zie zijn „Sense in
-Animals”, Londen, 1889, blz. 277) en het gesprokene of gedrukte te
-verstaan vereischt een dergelijke verstandelijke verbinding tusschen
-geluid of teeken en voorwerp of denkbeeld als het spreken of schrijven
-zelf. In al deze gevallen ging echter de impulsie van den mensch uit.
-Kan het blaffen, dat den hond alleen in tammen staat eigen is, geen
-poging zijn om de menschelijke spraak, zoover de stemorganen het
-toelaten, na te bootsen?
-
-[242] Lippert spreekt van „jodeln”, een onvertaalbaar woord, dat echter
-onze meeste lezers wel zullen verstaan; het drukt een eigenaardige
-wijze van zingen uit, die bij vele Alpenbewoners, o.a. de Tyrolers in
-zwang is, en waarvan het eigenaardige in den overgang uit de borsttonen
-in de falsetstem bestaat. Het is een melodieuse uiting van levenslust,
-die door de zuivere Alpenlucht zoo gemakkelijk wordt opgewekt.
-
-[243] De voorzetsels hadden waarschijnlijk eens in alle talen een
-plaatselijke beteekenis, althans in het Latijn worden jegens, behalve,
-wegens, overeenkomstig, uit hoofde van enz., kortom alle de zoo
-talrijke verbindingen en betrekkingen tusschen personen en zaken door
-voorzetsels uitgedrukt, die oorspronkelijk slechts plaatselijke
-verhoudingen, als: voor, achter, boven, tusschen enz. uitdrukten.
-
-[244] Op Otaheite heette b.v. de nacht vroeger „Po” maar sedert koning
-Pomaré is gestorven, is ook het eerste woord uit de taal van het eiland
-verdwenen.
-
-[245] Als b.v. in het Nederlandsch: drank (z. n.), dronk (z. n.), drenk
-(wortel van het werkwoord drenken), drink (wortel van het werkwoord
-drinken) waaraan zich het Engelsch drunk b. n. (beschonken) aansluit.
-Deze methode is zeer algemeen in de Semietische talen, en wordt ook bij
-onze ongelijkvloeiende en vele onregelmatige werkwoorden naast de
-volgende toegepast.
-
-[246] Hierdoor ontstaan eindelijk ook verbuigingen en vervoegingen door
-wijziging der uitgangen, en soms met voorvoeging van lettergrepen. De
-vervoeging onzer gelijkvloeiende werkwoorden behoort hiertoe.
-
-[247] Zoo heeft het Engelsche woord deer de beteekenis van hert, reeds
-zeer vroeg in Germanië het voornaamste jachtdier, en zal dit wellicht
-de oorspronkelijke beteekenis zijn, terwijl in het verwante
-Nederlandsch en Hoogduitsch dier en Thier tegenwoordig een dier, meer
-in ’t bijzonder een viervoetig dier, in het algemeen beteekenen. Een
-omgekeerde verschuiving zien wij als de boer onder „beesten” eenvoudig
-koeien verstaat.
-
-[248] Zie b.v. over dit onderwerp Quatrefages, „Unité de l’Espèce
-Humaine”, 1861, blz. 21, enz.
-
-[249] „Dissertation on Ethical Philosophy”, 1837, blz. 231, enz.
-
-[250] „Metaphysics of Ethics”, vertaald door J. W. Semple, Edinburg,
-1836, blz. 136.
-
-[251] De heer Bain geeft een lijst („Mental and Moral Science”, 1836,
-blz. 543, 725) van zes-en-twintig Engelsche schrijvers die dit
-onderwerp hebben behandeld en wier namen aan elken lezer bekend zijn;
-bij deze moeten nog de naam van den heer Bain zelf en die van de heeren
-Lecky, Shadworth Hodgson, Sir J. Lubbock en nog meer anderen worden
-gevoegd.
-
-[252] Nadat Sir B. Brodie („Psychological Enquiries”, 1855, blz. 192)
-heeft opgemerkt, dat de mensch een sociaal dier is, stelt hij de
-belangrijke vraag: „Behoort dit het twistpunt omtrent het bestaan van
-het zedelijk gevoel niet te beslissen?” Dergelijke denkbeelden zijn
-waarschijnlijk bij vele personen, evenals in lang verleden tijden bij
-Marcus Aurelius, opgekomen. De heer J. S. Mill spreekt in zijn beroemd
-werk, „Utilitarianism” (1864, blz. 46) van de aandrift tot het
-gezellige leven als van een „machtig natuurlijk gevoel” en als van „den
-grondslag der van het nuttigheidsbeginsel uitgaande zedeleer”; maar op
-de vorige bladzijde zegt hij: „indien mijn meening juist is, dat het
-zedelijk gevoel niet aangeboren, maar aangeleerd is, dan is het daarom
-nog niet minder natuurlijk.” Met beschroomdheid waag ik het, van een
-zoo diep denker in meening te verschillen, maar het kan moeielijk
-worden ontkend, dat de aandrift tot het gezellige leven bij de lagere
-dieren instinktmatig of aangeboren is; en waarom zou zij dat ook niet
-bij den mensch zijn? De heer Bain (zie b.v. „The Emotions and the
-Will”, 1865, blz. 481) en anderen gelooven, dat het zedelijk gevoel
-door elk individu gedurende zijn leven wordt aangeleerd. Als men de
-algemeene ontwikkelingstheorie aanneemt, is dit minst genomen zeer
-onwaarschijnlijk.
-
-[253] „Die Darwin’sche Theorie”, blz. 101.
-
-[254] De heer R. Browne in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 400.
-
-[255] Brehm, „Thierleben”, B. I, 1864, blz. 52, 79. Voor het verhaal
-van de apen die elkander doornen uittrekken, zie blz. 54. Wat de
-Hamadryas aangaat, die steenen omkeeren, dit feit wordt (blz. 76) op
-autoriteit van Alvarez medegedeeld, wiens waarnemingen Brehm voor
-volkomen geloofwaardig houdt. Voor het geval van de oude
-mannetjes-bavianen die de honden aanvielen, zie blz. 79; voor dat van
-den arend, blz. 56.
-
-[256] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, November 1868, blz. 382.
-
-[257] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit., blz. 447.
-
-[258] Aangehaald door den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”,
-1868, blz. 272. Kapitein Stansbury geeft ook een belangwekkend verhaal
-van de wijze, waarop een zeer jonge pelikaan, door een sterken stroom
-medegesleept, geleid, en in zijn pogingen om den oever te bereiken
-aangemoedigd werd door een zestal oude vogels.
-
-[259] Zooals de heer Bain zegt: „werkdadige hulp aan iemand die lijdt,
-ontspruit uit individueel medegevoel.” „Mental and Moral Science”,
-1868, blz. 245.
-
-[260] „Thierleben”, B. I, blz. 85.
-
-[261] „De l’Espèce et de la Classe”, 1869, blz. 97.
-
-[262] „Die Darwin’sche Art-lehre”, 1869, blz. 54.
-
-[263] Zie ook Hooker’s „Himalayan Journals”, vol. II, 1854, blz. 333.
-
-[264] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 76.
-
-[265] Zie zijn uiterst belangwekkende verhandeling over „Gregariousness
-in Cattle and in Man”, „Macmillan’s Mag.”, Febr. 1871, blz. 353.
-
-[266] Zie het eerste en treffende hoofdstuk in Adam Smith’s „Theory of
-Moral Sentiments.” Insgelijks des heeren Bain’s „Mental and Moral
-Science”, 1868, blz. 244, en 275–282. De heer Bain beweert, dat
-„medegevoel indirect een bron van genoegen is voor hem die het
-ondervindt”; en hij brengt hierbij ook de wederkeerigheid in rekening.
-Hij merkt op, dat „de beweldadigde persoon, of anderen in zijn plaats,
-door hun wederkeerig medegevoel en goede diensten wellicht de geheele
-opoffering kunnen vergoeden.” Wanneer echter, zooals werkelijk het
-geval schijnt te zijn, medegevoel eigenlijk een instinkt is, zal de
-uitoefening daarvan rechtstreeks genoegen verschaffen, evenals de
-uitoefening van bijna elk ander instinkt doet, zooals wij hierboven
-reeds opmerkten.
-
-[267] Dit feit werd volgens den weleerw. heer L. Jenyns (zie zijn
-uitgaaf van White’s „Nat. Hist. of Selborne”, 1853, blz. 204) het eerst
-vermeld door den beroemden Jenner in „Phil. Transact.”, 1824, en is
-sinds bevestigd door onderscheidene waarnemers, vooral door den heer
-Blackwall. Deze laatste zorgvuldige waarnemer onderzocht gedurende twee
-jaren laat in den herfst zes-en-dertig nesten; hij bevond, dat twaalf
-daarvan doode jonge vogels bevatten, vijf bevatten eieren op het punt
-van uit te komen, en drie eieren die nog lang niet waren uitgebroed.
-Vele vogels die nog niet oud genoeg zijn om lang achtereen te vliegen,
-worden insgelijks achtergelaten. Zie Blackwall, „Researches in
-Zoology”, 1834, blz. 108, 118. Voor nog meer bewijzen, hoewel die
-overbodig zijn, zie men Leroy, „Lettres Phil.”, 1802, blz. 217.
-
-[268] Hume merkt op („An Enquiry concerning the Principles of Morals”,
-uitgaaf van 1751, blz. 132): „Het schijnt noodzakelijk om te bekennen,
-dat het geluk en de ellende van anderen voor ons geen volkomen
-onverschillig schouwspel is, maar het gezicht van het eerste ... ons
-heimelijke vreugde verschaft, terwijl de aanblik van de tweede ... een
-zwaarmoedigen nevel voor onze verbeelding werpt”
-
-[269] „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 254.
-
-[270] Ik heb één dergelijk geval medegedeeld, namelijk van drie
-Patagonische Indianen, die liever één voor één werden doodgeschoten dan
-de plannen hunner krijgsmakkers te verraden („Journal of Researches”,
-1845, blz. 103).
-
-[271] Vijandschap of haat schijnt ook een gevoel te zijn dat zeer
-moeilijk verdwijnt, moeilijker wellicht dan eenig ander dat kan worden
-genoemd. Nijd wordt bepaald als haat tegen een ander, omdat hij in het
-een of ander uitmunt of slaagt; en Baco zegt (Essay IX): „Van alle
-hartstochten is de nijd de lastigste en langdurigste.” Honden zijn zeer
-geneigd zoowel vreemde menschen als vreemde honden te haten, vooral
-indien zij dichtbij wonen, maar niet behooren tot het zelfde huisgezin,
-den zelfden stam of clan; dit gevoel schijnt dus aangeboren te zijn, en
-verdwijnt zeker uiterst moeilijk. Uit hetgeen wij van wilden hooren,
-zou men afleiden, dat ook bij deze iets van den zelfden aard bestaat.
-Indien dit zoo ware, zou het slechts een kleine stap voor iemand zijn
-om die gevoelens over te brengen op eenig lid van den zelfden stam, die
-hem had beleedigd of benadeeld en zijn vijand was geworden. Het is ook
-niet waarschijnlijk, dat het oorspronkelijke geweten iemand zou
-verwijten, dat hij zijn vijand schade had berokkend; eer zou het hem
-verwijten doen, als hij zich niet had gewroken. Kwaad met goed te
-vergelden, zijn vijand lief te hebben, is een zedelijke hoogte, waartoe
-men mag betwijfelen, of de sociale instinkten op zich zelven ooit
-zouden hebben geleid. Het was noodzakelijk dat deze instinkten, en
-tevens het medegevoel, zeer werden ontwikkeld en uitgebreid met behulp
-der rede, van het onderwijs en de liefde of vrees voor God, eer ooit
-aan zulk een gulden gebod kon worden gedacht of gehoorzaamd.
-
-[272] „Insanity in Relation to Law”, London, Ontario, 1871, blz. 14.
-
-[273] E. B. Tylor in „Contemporary Review”, April 1873, blz. 707.
-
-[274] Dr. Prosper Despine geeft in zijn „Psychologie Naturelle”; tom.
-I, blz. 243, tom. II, blz. 169, verscheidene merkwaardige gevallen van
-de ergste misdadigers, die volstrekt geen geweten schijnen te hebben
-bezeten.
-
-[275] Zie een uitnemend artikel in de „North British Review”, 1867,
-blz. 395. Zie ook de artikelen van den heer W. Bagehot over „The
-Importance of Obedience and Coherence to Primitive Man” in the
-„Fortnightly Review”, 1867, blz. 529, en 1868, blz. 457 enz.
-
-[276] De uitgebreidste mededeeling die ik daarover heb gevonden, komt
-voor in Dr. Gerland’s werk „Ueber das Aussterben der Naturvölker”,
-1868. Ik zal echter in een volgend hoofdstuk op den kindermoord terug
-moeten komen.
-
-[277] Zie de zeer belangrijke bespreking van zelfmoord in Lecky’s
-„History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 223. Wat wilden
-aangaat, meldt de heer Winwood Reade mij, dat de negers van West-Afrika
-dikwijls zelfmoord begaan. Het is algemeen bekend, hoe algemeen die was
-onder de ongelukkige inboorlingen van Zuid-Amerika, na de verovering
-door de Spanjaarden. Voor Nieuw-Zeeland, zie de reis van de „Novara”,
-en voor de Aleutische eilanden, Müller, aangehaald door Houzeau, „Les
-Facultés Mentales” enz. tome II, blz. 136.
-
-[278] Zie b.v. hetgeen de heer Hamilton over de Kaffers mededeelt
-„Anthropological Review”, 1870, blz. XV.
-
-[279] De heer M’Lennan heeft („Primitive Marriage”, 1865, blz. 176) een
-groot aantal hierop betrekking hebbende feiten vermeld.
-
-[280] Lecky, „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 109.
-
-[281] „Embassy to China”, vol. II, blz. 348.
-
-[282] Overvloedige bewijzen hiervan zijn te vinden in Hoofdstuk VII van
-Sir J. Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870 (Ned. Vert. „De
-oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876).
-
-[283] B. v. Lecky, „Hist. European Morals”, vol. I, blz. 124.
-
-[284] Deze uitdrukking wordt gebruikt in een uitnemend artikel in de
-„Westminster Review”, Oct. 1869, blz. 498. Over het „Beginsel van het
-grootste geluk”, zie J. S. Mill, „Utilitarianism”, blz. 17.
-
-[285] Mill erkent („System of Logic”, vol. II, blz. 422) op de
-duidelijkste wijze, dat handelingen kunnen worden volbracht uit
-gewoonte zonder het voorgevoel van genoegen. Ook de heer H. Sidgwick
-merkt in zijn „Essay on Pleasure and Desire” („The Contemporary
-Review”, April 1872, blz. 671) op: „Om kort te gaan, in tegenspraak met
-de leer, dat onze bewuste actieve aandriften altijd de strekking hebben
-om ons zelven aangename gewaarwordingen te bezorgen, houd ik vol, dat
-wij overal bij de bewuste wezens aandriften vinden die een strekking
-hebben buiten hen zelven gelegen, en zijn gericht op iets dat geen
-genoegen is; dat in vele gevallen de aandrift zoo onvereenigbaar is met
-het egoïsme, dat beide niet gemakkelijk gelijktijdig in ons bewustzijn
-kunnen bestaan.” Een duister gevoel, dat onze aandriften volstrekt niet
-altijd ontstaan uit het genoegen waarmede zij vergezeld gaan of waarop
-zij doen hopen, is volgens mijn overtuiging een der voornaamste
-oorzaken geweest van het aannemen der intuïtieve theorie der
-zedelijkheid en van de verwerping van de utilitarische of „grootste
-geluk” theorie. Wat deze laatste theorie aangaat, zijn ongetwijfeld de
-maatstaf en de beweegreden van het gedrag dikwijls met elkander
-verward, maar zij hangen werkelijk tot op zekere hoogte innig met
-elkander samen.
-
-[286] Goede voorbeelden hiervan geeft de heer Wallace in: „Scientific
-Opinion”, 15 Sept. 1869; en uitgebreider in zijn „Contributions to the
-Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 353.
-
-[287] Tennyson, „Idylls of the King”, blz. 244.
-
-[288] „The Thoughts of the Emperor M. Aurelius Antonius”, Engelsche
-vertaling, 2de uitgaaf, 1869, blz. 112. Marcus Aurelius werd geboren in
-het jaar des Heeren 121.
-
-[289] Brief van den heer Mill in Bain’s „Mental and Moral Science”,
-1868, blz. 722.
-
-[290] Een schrijver in de „North British Review” (Juli 1869, blz. 531)
-die zeer goed in staat is een gezond oordeel te vellen, drukt zich
-hierover sterk uit. De heer Lecky („Hist. of Morals”, vol. I, blz. 143)
-schijnt tot zekere hoogte dit gevoelen te deelen.
-
-[291] Zie zijn merkwaardig werk „Hereditary Genius”, 1869, blz. 349. De
-hertog van Argyll („Primaeval Man”, 1869, blz. 188) maakt eenige goede
-opmerkingen over den strijd tusschen goed en kwaad in ’s menschen
-natuur.
-
-[292] „The Thoughts of Aurelius” enz., blz. 139.
-
-[293] Wij zeggen met opzet „gewoonlijk.” Wanneer toch de oude koningin
-met een deel der bijen uit „zwermen” gaat, en een nieuwe koningin in
-den ouden korf heerscht, zullen, zoodra die jonge koningin op haar
-beurt moeder is geworden, de bijen in den ouden korf niet meer allen
-broeders en zusters van elkander zijn, maar er zullen er onder zijn die
-elkander als oom of tante en neef en nicht bestaan.
-
-[294] Isidore Geoffroy St. Hilaire en Quatrefages. De eerste beweerde,
-tegen alle evidentie in, dat de mensch het eenige dier is, dat denkt:
-ook hij zocht daarenboven in het beginsel der moraliteit een
-qualitatief onderscheid tusschen mensch en dier.
-
-[295] Onder de oudere geschriften over dit onderwerp noemen wij:
-
-„Histoire critique de l’âme des bêtes”, par mr. Guer. à Amsterdam,
-1749.
-
-D’Argensius (gelatiniseerd?), „Lettres cabbalistiques”, lib. IV, lettre
-134.
-
-Bouiller, „Essai philosophique sur l’âme des bêtes”, 2 ed., Amsterdam
-1737.
-
-Reimarus, Hoogleeraar te Hamburg, „Algemeene Beschouwing van de driften
-der Dieren”, enz., uit het Hoogduitsch vertaald door J. W. van Haar,
-met een voorrede van Johan Lulofs, Hoogleeraar te Leiden, Leiden 1774.
-
-„Geschichte des menschlichen Verstandes” (anoniem), Breslau (nuper
-177.?).
-
-’t Bovenstaande aangehaald in J. G. H. Feder, „Homo natura non ferus,
-dissertatio philosophica”, blz. 447 van „Syntagma dissertationum ad
-philos. moralem pertinentium”; Ed. M. Tydeman. Traj. ad Rh. 1777 4to.
-
-J. H. Winkler, Prof. te Leipzig, „Philosophische Onderzoekingen over
-het bestaan en de natuur der ziel bij dieren.” In Nederl. Vert. 1765.
-„Dit Werkje vervat in zich datgene, waarover de Geleerde Heeren
-Martinus Schrok, Professor in de Philosophie te Groningen; Johan
-Lulofs, Professor te Leiden, in zijne Voorrede voor het werk van S.
-Reimarus, Professor te Hamburg; Adrianus Bradit, Predikant te
-Amsteldam; Bernardus Martinus, Predikant te Elspeet, en anderen, hunne
-Gevoelens de Geleerde Wereld hebben medegedeeld.”
-
-Een bibliographie over dit onderwerp gaf Dr. A. van der Linde in
-„Androcles, Tijdschrift aan de bescherming der dieren gewijd”, 1875
-(afl. Mei?).
-
-[296] Wij herinneren hier, dat er onder de oudheden uit de
-rendierperiode in het Zuiden van Frankrijk ook een zoogenaamde
-Pansfluit is gevonden, uit pijpen van verschillende lengte (en dus
-verschillende tonen gevende) samengesteld, een bewijs, dat de
-voorhistorische mensch aldaar wel degelijk verschillende modulaties met
-zijn instrument uitdrukte.
-
-[297] Geschreven te Londen, Januari 1874. Een uittreksel van Wallace’s
-„Scientific Aspect of the Supernatural” (Het Bovennatuurlijke van een
-Wetenschappelijk Standpunt beschouwd) en een vrije bewerking van zijn
-verdediging van het hedendaagsche spiritisme („Defence of modern
-Spiritualism”) vindt men in het Nederlandsche werk „Een Nieuw Veld voor
-de Wetenschap”, ’s Gravenhage, Mensing en Visser, 1877. Geen lezer van
-dat werk zal in twijfel trekken, dat Wallace een volkomen overtuigd
-spiritist is.
-
-[298] Eigenlijk staat er: rubbish, d.i. prullen, lorren. Deze brief en
-de volgende zijn ontleend aan „Life and Letters”, vol II, chapt. IX.
-
-[299] „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII.
-
-[300] Na eenigen tijd beweren, zooals de heer Maine opmerkt („Ancient
-Law”, 1861, blz. 131), de leden van een stam, die met een anderen
-samengesmolten zijn, dat zij gezamenlijk van de zelfde voorouders
-afstammen.
-
-[301] Morlot, „Soc. Vaud. Sc. Nat.”, blz. 294.
-
-[302] Zie een merkwaardige reeks artikelen over „Physics and Politics”
-in de „Fortnightly Review”, Nov. 1867; 1 April, 1868; 1 Juli, 1869.
-
-[303] De heer Wallace geeft hiervan voorbeelden in zijn „Contributions
-to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 354.
-
-[304] „Ancient Law”, 1861, blz. 22. Voor de opmerkingen van den heer
-Bagehot, „Fortnightly Review”, 1 April 1868, blz. 452.
-
-[305] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz.
-360.
-
-[306] „Frasers Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. Dit artikel schijnt
-veel personen te hebben getroffen en heeft aanleiding gegeven tot twee
-merkwaardige verhandelingen en een repliek in den „Spectator”, 3 en 17
-Oct. 1868. Het is ook besproken in het „Q. Journal of Science”, 1869,
-blz. 152, door den heer Lawson Tait in het „Dublin Q. Journal of
-Medical Science”, Febr. 1869, en door den heer E. Ray Lankester in zijn
-„Comparative Longevity”, 1870, blz. 128. Dergelijke beschouwingen
-verschenen reeds vroeger in de „Australasian”, 13 Juli 1867. Ik heb aan
-verscheidenen dezer schrijvers denkbeelden ontleend.
-
-[307] Voor den heer Wallace, zie „Anthropolog. Review”, op de vroeger
-aangehaalde plaats. De heer Galton in „Macmillan’s Magazine”, Aug.
-1865, blz. 318; ook zijn groot werk, „Hereditary Genius”, 1870.
-
-[308] Prof. H. Fick („Einfluss der Naturwissenschaft auf das Recht”,
-Juni 1872) geeft eenige goede opmerkingen omtrent deze en andere
-dergelijke zaken.
-
-[309] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 132–140.
-
-[310] Zie de vijfde en zesde kolom van de uit goede bronnen geputte
-tabel in het werk van den heer E. R. Lankester, „Comparative
-Longevity,” 1870, blz. 115.
-
-[311] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 330.
-
-[312] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 347.
-
-[313] E. Ray Lankester, „Comparative Longevity”, 1870, blz. 115. De
-opgave omtrent dronkaards is uit Nelson’s „Vital Statistics”. Ten
-opzichte van losbandigheid, zie Dr. Farr, „Influence of Marriage on
-Mortality”, „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858.
-
-[314] „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. „Macmillan’s
-Magazine”, Aug. 1865, blz. 318. De weleerw. heer F. W. Farrar
-(„Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 264) beschouwt de zaak uit een ander
-oogpunt.
-
-[315] „On the Law of the Fertility of Women” in „Transact. Royal Soc.”
-Edinburgh, vol. XXIV, blz. 287. Zie ook de opmerkingen van den heer
-Galton over het zelfde onderwerp „Hereditary Genius”, blz. 352–357.
-
-[316] „Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc. in Scotland”, 1867,
-blz. XXIX.
-
-[317] Deze aanhalingen zijn ontleend aan onze hoogste autoriteit in
-dergelijke vraagstukken, namelijk Dr. Farr in zijn verhandeling „On the
-Influence of Marriage on the Mortality of the French People”,
-voorgedragen voor de „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”,
-1858.
-
-[318] Dr. Farr, ibid. De lager aangehaalde feiten zijn aan de zelfde
-treffende verhandeling ontleend.
-
-[319] Ik heb het gemiddelde genomen van de gemiddelden over vijf jaren,
-gegeven in „The Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc., in
-Scotland”, 1853. De aanhaling van Dr. Stark is overgenomen uit een
-artikel in de „Daily News”, 17 Oct. 1868, dat Dr. Farr voor zeer
-zorgvuldig geschreven houdt.
-
-[320] Zie het vernuftige en oorspronkelijke bewijs daarvan bij den heer
-Galton, „Hereditary Genius”, blz. 340–342.
-
-[321] De heer Greg, „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 157.
-
-[322] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 357–359. De weleerw. heer F. H.
-Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 257) brengt bewijsgronden
-daartegen in. De heer Lyell heeft reeds vroeger („Principles of
-Geology”, vol. III, 1868, blz. 489) in een treffende passage de
-aandacht gevestigd op den slechten invloed der Heilige Inquisitie, daar
-zij door teeltkeus de algemeene verstandelijke ontwikkeling heeft doen
-achteruitgaan.
-
-[323] De heer Galton, „Macmillan’s Magazine”, Augustus 1865, blz. 325.
-Zie ook „Nature”, „On Darwinism and National Life”, Dec. 1869, blz.
-184.
-
-[324] „Last Winter in the United States”, 1868, blz. 29.
-
-[325] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer John Morley voor
-eenige goede kritische opmerkingen omtrent dit onderwerp; zie ook
-Broca, „Les Sélections”, „Revue d’Anthropologie”, 1872.
-
-[326] „On the Origin of Civilisation”, „Proc. Ethnological Soc.”, 26
-Nov. 1867.
-
-[327] „Primeval Man”.
-
-[328] „Royal Institution of Great Britain”, 15 Maart 1867. Ook,
-„Researches into the Early History of Mankind”, 1865.
-
-[329] „Primitive Marriage”, 1865. Zie ook een uitnemend artikel,
-blijkbaar van dien zelfden schrijver, in de „North British Review”,
-Juli, 1869. Ook de heer L. H. Morgan, „A Conjectural Solution of the
-Origin of the Class. System of Relationship”, in „Proc. American Acad.
-of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868. Prof. Schaaffhausen („Anthropolog.
-Review”, Oct. 1869, blz. 373) vestigt de aandacht op de „sporen van
-menschenoffers die men zoowel in Homerus als in het Oude Testament
-vindt.”
-
-[330] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1889, chap. XV en
-XVI et passim.
-
-[331] Dr. F. Müller heeft hierover eenige goede opmerkingen gemaakt, in
-de „Reise der Novara. Anthropolog. Theil”, Abtheil. III, 1868, blz.
-127.
-
-[332] „United States Explor. Exp.”, vol. I, blz. 191.
-
-[333] Gomara, „Hist. de las Indias”, blz. 289.
-
-[334] Vergelijk ook Max Scheffer, „Die Landwirthschaft der
-alt-Amerikanischen Kulturvölker”, Leipzig 1883.
-
-[335] Isidore Geoffroy St. Hilaire geeft een uitgebreid overzicht van
-de plaats door verschillende natuuronderzoekers in hun klassificaties
-aan den mensch toegekend: „Hist. Nat. Gén.” tome II, 1859, blz.
-170–189.
-
-[336] Zie het zeer belangwekkende artikel, „l’Instinct chez les
-insectes”, door den heer George Pouchet, „Revue des Deux Mondes”, Febr.
-1870, blz. 682.
-
-[337] Westwood, „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz.
-87.
-
-[338] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 4.
-
-[339] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 70, et passim.
-
-[340] Isid. Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”, tome II, 1859, blz. 217.
-
-[341] „Ueber die Richtung der Haare” enz., Müllers „Archiv für Anat.
-und Phys.”, 1837, blz. 5.
-
-[342] Aangehaald door Reade, „The African Sketchbook”, vol. I, 1873,
-blz. 152.
-
-[343] Over het haar bij Hylobates, zie „Nat. Hist. of Mammals”, door C.
-L. Martin, 1841, blz. 415. Ook Isid. Geoffroy over de Amerikaansche en
-andere aapsoorten, „Hist. Nat. Gén.”, vol. II, 1859, blz. 216, 243.
-Eschricht, ibid., blz. 46, 55, 61. Owen, „Anat. of Vertebrates”, vol.
-III, blz. 619. Wallace, „Contributions to the Theory of Natural
-Selection”, 1870, blz. 344.
-
-[344] „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederl. Uitgaaf, blz. 599. „Het
-Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 401–405.
-
-[345] „An Introduction to the Classification of Animals”, 1869, blz.
-99.
-
-[346] Dit is ongeveer de zelfde klassificatie als die, welke voorloopig
-door den heer St. George Mivart („Transact. Philosoph. Soc.”, 1867,
-blz. 300) is aangenomen, die, na de Lemuriden te hebben afgescheiden,
-de overige Primaten verdeelt in de Hominidae, de Simiadae
-(overeenkomende met de Catarrhinae), de Cebidae en de Hapalidae (welke
-beide laatste groepen met de Platyrrhinae overeenkomen).
-
-[347] „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VI, 1867, blz. 214.
-
-[348] De heer H. G. Mivart, „Transact. Phil. Soc.” 1867, blz. 410.
-
-[349] De heeren Murie en Mivart over de Lemuriden, „Transact. Zoolog.
-Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 5.
-
-[350] Haeckel is tot het zelfde besluit gekomen. Zie „Ueber die
-Entstehung des Menschengeschlechts”, in Virchow’s „Sammlung
-gemeinwissenschaftl. Vorträge”, 1868, blz. 61. Ook zijn „Natürliche
-Schöpfungsgeschichte”, 1868, waarin hij zijn beschouwingen over den
-stamboom van den mensch uitvoerig uiteenzet.
-
-[351] „Anthropological Review”, April, 1867, blz. 236.
-
-[352] „Elements of Geology”, 1865, blz. 583–585. „Antiquity of Man”,
-1863, blz. 145.
-
-[353] „Man’s Place in Nature”, blz. 105.
-
-[354] Uitvoerige tabellen zijn gegeven in zijn „Generelle Morphologie”,
-B. II, blz. CLIII, en 425; en meer bijzonder met betrekking tot den
-mensch in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868. Prof. Huxley
-zegt in zijn beschouwing van dit laatste werk („The Academy”, 1869,
-blz. 42), dat hij gelooft, dat het phylum of de lijnen van afstamming
-der gewervelde dieren door Haeckel op bewonderenswaardige wijze zijn
-behandeld, ofschoon hij in enkele punten een verschillende meening is
-toegedaan. Hij drukt ook den hoogen dunk uit dien hij van de waarde en
-de algemeene strekking en geest van het geheele werk koestert.
-
-[355] „Palaeontology”, 1860, blz. 199.
-
-[356] Ik had de voldoening op de Falklandseilanden, in April 1833, en
-dus eenige jaren vroeger dan eenig ander natuuronderzoeker, de jongen
-te zien zwemmen van een samengestelde Ascidia, nauw verwant met, doch
-blijkbaar tot een ander geslacht behoorende dan Synoicum. De staart was
-ongeveer vijfmaal zoo lang als de langwerpige kop, en eindigde in een
-zeer fijnen draad. Zij werd, volgens een door mij onder een loep
-gemaakte schets door dwarse ondoorschijnende tusschenschotten duidelijk
-in afdeelingen verdeeld, welke, naar ik vermoed, overeenkomen met de
-groote cellen die door Kowalewski zijn afgebeeld. Op een vroeger
-tijdstip van de ontwikkeling was de staart dicht om den kop der larve
-gerold.
-
-[357] „Mémoires de l’Acad. des Sciences de St. Pétersbourg”, tome X,
-No. 15, 1866.
-
-[358] Ik ben echter verplicht hier bij te voegen, dat sommige bevoegde
-beoordeelaars de juistheid van dit besluit betwisten, b.v. de heer
-Giard, in een reeks artikelen in zijn „Archives de Zoologie
-Expérimentale” voor 1872. Toch merkt deze natuuronderzoeker op, blz.
-281: „L’organisation de la larve ascidienne en dehors de toute
-hypothèse et de toute théorie, nous montre comment la nature peut
-produire la disposition fondamentale du type vertébré (l’existence
-d’une corde dorsale) chez un invertébré par la seule condition vitale
-de l’adaptation, et cette simple possibilité du passage supprime
-l’abîme entre les deux sous-règnes, encore bien qu’on ignore par où le
-passage s’est fait en réalité.”
-
-[359] Dit is het besluit, waartoe een der hoogste autoriteiten in de
-vergelijkende ontleedkunde, namelijk Prof. Gegenbaur in zijn:
-„Grundzüge der Vergleich. Anat.”, 1870, blz. 876 komt. Hij heeft dit
-vooral afgeleid uit zijn studiën over de Amphibieën; maar volgens de
-onderzoekingen van Waldeyer (aangehaald in „Journal of Anat. and
-Phys.”, 1869, blz. 161), schijnt het, dat de geslachtsdeelen zelfs van
-„de hoogere Gewervelde Dieren in den vroegsten toestand
-hermaphroditisch zijn.” Dergelijke beschouwingen zijn sinds lang door
-sommige schrijvers gemaakt, ofschoon zij tot voor korten tijd niet op
-een goeden grondslag berustten.
-
-[360] Het mannetje van den buidelwolf (Thylacinus) levert hiervan het
-beste voorbeeld. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 771.
-
-[361] Hermaphroditisme is waargenomen bij verscheidene soorten van
-Serranus, zoowel als bij sommige andere visschen, bij welke het òf
-normaal en symmetrisch, òf abnormaal en asymmetrisch is. Dr. H. Hartogh
-Heys van Zouteveen heeft mij inlichtingen hieromtrent verstrekt, meer
-bijzonder omtrent eene verhandeling daarover van Prof. Halbertsma, in
-de Verslagen en Mededeelingen der Nederlandsche Kon. Akad. v. Wet. Dr.
-Günther betwijfelt de zaak, maar zij is tegenwoordig door te vele goede
-waarnemers opgemerkt om langer te worden betwist. Dr. M. Lessona heeft
-de waarheid onderzocht en bevestigd gevonden van de door Cavolini
-omtrent Serranus gedane waarnemingen. Prof. Ercolani heeft voor eenige
-jaren aangetoond („Accad. delle scienze”, Bologna, Dec. 28, 1871), dat
-de aal hermaphroditisch is. (16)
-
-[362] Prof. Gegenbaur heeft aangetoond („Jenaïsche Zeitschrift”, Bd.
-VII blz. 212), dat bij de onderscheidene orden van Zoogdieren twee
-verschillende typen van tepels bestaan, maar dat het volkomen
-begrijpelijk is, hoe beide zich kunnen hebben ontwikkeld uit de tepels
-der Buideldieren, en die van de laatste uit die der Snaveldieren. (17)
-Zie ook een verhandeling van Dr. Max Huss, over de melkklieren, ibid.
-B. VIII, blz. 176.
-
-[363] De heer Lockwood (aangehaald in het „Quart. Journal of Science”,
-April 1868, blz. 269) gelooft, wegens hetgeen hij heeft waargenomen
-omtrent de ontwikkeling van het Zeepaardje (Hippocampus), dat namelijk
-de wanden van den broedzak van het mannetje op deze of gene wijze
-voedsel geven. Over mannelijke visschen die de eieren in hun bek
-uitbroeden, zie een zeer belangwekkende verhandeling van Prof. Wyman in
-„Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857; ook Prof. Turner in
-„Journal of Anat. and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Dr. Günther heeft
-eveneens dergelijke gevallen beschreven.
-
-[364] Alle levensfuncties vertoonen een neiging om haar loop te
-voleindigen in vaste en terugkeerende perioden, en bij stranddieren
-zullen die perioden waarschijnlijk van de schijngestalten der maan
-afhankelijk zijn; want dergelijke dieren moeten op het droge gelaten of
-met diep water bedekt zijn, overvloedig of karig voedsel hebben
-gekregen,—gedurende tallooze geslachten, op regelmatig terugkeerende,
-van de schijngestalten der maan afhankelijke tijden. Indien derhalve de
-Gewervelde dieren afstammen van stranddieren, met de tegenwoordig
-levende Zakpijpen (Ascidiae) verwant, wordt het geheimzinnige feit
-verklaarbaar, dat bij de hoogere en tegenwoordig het land bewonende
-Gewervelde Dieren, om andere klassen niet te vermelden, vele normale en
-abnormale levensprocessen hun loop voleindigen volgens perioden, die
-van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. Een terugkeerende
-periode zou, eens verkregen zijnde, als zij bij benadering den juisten
-tijd duurde, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, niet aan
-verandering onderhevig zijn; bijgevolg zou zij dus overgaan gedurende
-een bijna onbeperkt aantal generaties. Indien deze gevolgtrekking kon
-worden bewezen steek te houden, zou zij merkwaardig zijn; want wij
-zouden dan zien, dat de tijd der zwangerschap van elk zoogdier en de
-tijd noodig voor het uitbroeden der eieren van elken vogel, en vele
-andere levensprocessen, nog het oorspronkelijke vaderland dezer dieren
-verrieden. (20)
-
-[365] De gewone Braziliaansche Saüba-mier (Oecodoma cephalotes).
-
-[366] Deze Orde omvat de Herkauwende Dieren, de Anoplotheria, de
-Varkens en Hippopotamus (de gehoefde dieren met een even aantal
-vingers).
-
-[367] Deze Orde omvat de Eenhoevigen, de Neushoorns, Tapiren,
-Palaeotheria, enz. (de gehoefde dieren met een oneven aantal vingers,
-met uitzondering der Olifantachtige Dieren).
-
-[368] De Olifantachtige Dieren.
-
-[369] Deze Orde omvat slechts twee fossiele geslachten (Toxodon en
-Nesodon).
-
-[370] Owen’s Bruta zijn de Edentata van andere schrijvers.
-
-[371] Men vindt Catarrhinae en Platyrrhinae in de Zoologische boeken
-meestal met ééne r gespeld. Volgens den stelligen regel der Grieksche
-taal moet echter de r in dergelijke samenstellingen, als er een korte
-klinker aan voorafgaat, worden verdubbeld. Eigenlijk zou men dus ook
-moeten schrijven Ornithorrhynchus, R. tichorrhinus enz. Wij hebben dit
-echter niet gedaan, daar die woorden slechts een enkele maal in dit
-werk voorkomen en in de soort- en geslachtnamen in de zoölogie en
-botanie toch allerwege de vreemdsoortigste samenstellingen en
-barbarismen worden aangetroffen. Bij de namen van de beide
-hoofdafdeelingen der apen die in dit werk en de aanteekeningen
-veelvuldig voorkomen en ten opzichte van het onderwerp van dit boek zoo
-gewichtig zijn, hebben wij gemeend ons aan den regel te moeten houden
-en de juiste spelling te moeten volgen.
-
-[372] De quaestie van den tertiairen mensch kan men uitvoeriger
-besproken vinden in Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en
-Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
-
-[373] Prof. Kupffer te Kiel (zie o.a. „Entwicklungsgeschichte der
-Ascidien” in „Archiv. f. mikroskop. Anatomie”, Bd. VII) had destijds
-Kowalewski’s waarnemingen omtrent de stamverwantschap tusschen
-Zakpijpen en Gewervelde Dieren bevestigd en uitgebreid. Eveneens is
-zulks gedaan door Prof. A. Giard te Rijsel („Revue Scientifique”, 11
-Juillet 1874, „Compt. Rend.”, 29 Juin 1874, blz. 1860), die bij sommige
-Ascidiënlarven (Molgula, Cynthia) uit de chorda dorsalis ontspringende
-vinstralen waarnam. Ook Ussow verdedigde in „Archiv. für
-Naturgeschichte” 1875, blz. 1–8, de afstamming der Gewervelde Dieren
-van Ascidiën.
-
-[374] Zie ook Dohrn’s Geschrift „Ueber den Ursprung der Wirbelthiere”,
-Leipzig 1875.
-
-[375] „Centralblatt für die medic. Wissenschaften”, 1874, No. 35 en 52;
-„Die Stammesverwandtschaft der Wirbelthiere und Wirbellosen, Arbeiten
-des zoot. Instituts in Würzburg”, 1874, Bd. II, blz. 25.
-
-[376] „Journal of Microscopical Science”, 1875.
-
-[377] Verdeeling in achter elkander gelegen, gelijkwaardige segmenten.
-
-[378] De verdere gevolgen van deze opneming, vooral met het oog op de
-verwantschappen met de Polyzoa (Mosdieren) en Gephyrea (Brugdieren,
-Sipunculaceeën) openen, gelijk R. Lankester opmerkt, een wijd veld voor
-de bespiegeling en daarvan uitgaand embryologisch en anatomisch
-onderzoek. De Gephyrea zijn van den anderen kant onmiskenbaar met
-Echinodermata (Holothuriën) verwant, en ook de larvevorm van een der
-Balanoglossus-soorten gelijkt op die der Echinodermata. Blijkt hieruit
-een zekere verwijderde genetische betrekking tusschen deze en de
-Vertebrata, waarop Lankester, gelijk wij later zullen zien, vrij sterk
-wijst, zoo bedenke men, dat ten slotte door de gastrula alle Metazoa
-verwant zijn, en het er hier meer om te doen is sommige stammen van
-ongewervelden uit dat algemeene verband los te maken en hun nauwere
-verwantschap met de gewervelden aan te toonen.
-
-[379] Operculum is de naam dien Agassiz geeft aan het toestel dat de
-kieuwen der visschen beschermt. Het wezenlijke kieuwdeksel wordt
-gesteund door vier beenplaten: het operculum, het prae-, sub- en
-interoperculum; het kieuwdekselvlies door beenstralen.
-
-[380] Van epi, op, en pleura, zijde, dus zijdelingsche plooi. De
-epipleurale plooi, bij den jongen Amphioxus nog afwezig, ontstaat als
-parig orgaan langs de voorste helft ter weêrszijden van het lichaam, en
-groeit benedenwaarts. Zij vormt zijdelingsche overkappingen van de
-mondopening, alsmede een bedekking van de talrijke kieuwspleten, en
-haar beide deelen groeien in de mediaanlijn aan de buikzijde te zamen
-tot ééne onparige plooi, behalve op één punt, dat tot den porus
-branchialis wordt.
-
-[381] De in de laatste uitgaaf (1889) der „Natürl.
-Schöpfungsgeschichte” daarin aangebrachte veranderingen zullen wij in
-noten aangeven.
-
-[382] Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen
-tal van organische verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere
-synthese hebben gevormd, dat zulks derhalve ook in de natuur onder den
-invloed der anorganische natuurkrachten heeft kunnen geschieden, en dat
-op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren kunnen
-zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit
-nog geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd,
-zou zich niet voeden, bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren
-volgens Haeckel doen; het zou, aan zich zelf overgelaten, verrotten en
-te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende proeven van
-Pasteur krachtig tegen het bestaan van de generatio spontanea, ten
-minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar
-merkt Haeckel op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane
-vorming van organismen in vloeistoffen die organische stoffen bevatten
-(Plasmogenie), terwijl de door hem bedoelde generatio spontanea
-betrekking heeft op de vorming van organismen in anorganische
-vloeistoffen (Autogenie); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens
-spontaan organismen vormen in vloeistoffen die in overvloed de
-verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer
-onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die
-verbindingen ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit,
-maar een zeer samengesteld mengsel van een groot aantal organische
-verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt
-niet te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde
-organisatie en bepaalde organen bezit, en alleen de onvolkomenheid
-onzer hulpmiddelen belet ons die in al haar fijnheid te leeren kennen.
-(Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”, Jena,
-1889.)
-
-De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar niet
-het protoplasma, maar de kern het oorspronkelijkste deel van de cel
-schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening, blz. 194 en 195, Deel II,
-van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en de kern voor
-de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit,
-behalve de physische en chemische, ook historische eigenschappen,
-zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische
-deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de
-Vries, gelijk wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten” Deel II, blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van
-pangenen. Zij zijn niet identiek met de physico-chemische moleculen,
-maar daaruit opgebouwd en in de kern der cellen opgehoopt. Die kern is
-voor het leven der cel onmisbaar; gaat zij te gronde, dan sterft de cel
-weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern intact blijft, dan gaat
-het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij het
-splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het
-normale leven, de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van
-Haeckel’s Moneren, d.i. kernlooze naakte cellen, komt ons dus, zoowel
-tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk voor. Zijn
-Bathybius is reeds gebleken geen levend wezen te zijn, maar slechts een
-neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje waarin men andere
-organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt ons
-zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i.
-geheel vervallen. Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag
-ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren of Amoeben zijn, maar hoogstens
-veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes, wier grootte ver
-beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat
-en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn,
-dan de eenvoudigste ons bekende organismen. Die organische wezentjes
-zouden wellicht eeuwen noodig hebben, eer er zich vormen uit hadden
-ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig, en groot
-genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien
-en onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten,
-maar die langzamerhand in den loop der generaties verkrijgen, naarmate
-zij in grootte toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van
-eenvoudige pangenen hebben. Een dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli
-uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten en Theorieën”, bewerkt
-door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf, blz.
-279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische
-hypothese, volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte
-of van andere hemellichamen tot ons zouden zijn gekomen, ons
-causaliteitsgevoel volkomen bevredigt).
-
-[383] Van daar wordt in de 8ste uitgaaf van Haeckel’s „Natürl.
-Schöpfungsgeschichte”, 1889, deze trap Moraeaden genoemd.
-
-[384] Overeenkomende met den ontwikkelingstrap van het bevruchte ei,
-dien men Blastala noemt. Van daar heet deze trap in de 8ste uitgaaf der
-„Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, Blastaeaden.
-
-[385] De zevende en achtste trap worden dan ook in de 8ste uitgaaf der
-„Natürl. Schöpfungsgeschichte” vervangen door:
-
-Zevende trap: Nemertinen of Snoerwormen.
-
-Achtste trap: Enteropneusta of Eikelwormen (tot deze afdeeling behoort
-ook Balanoglossus).
-
-Negende trap: Prochordonia of Oerchordadieren. De sedert lang
-uitgestorven gemeenschappelijke stamgroep der Manteldieren en
-Gewervelde Dieren.
-
-De Schedelloozen of Acraniën worden nu de tiende trap enz.
-
-[386] Tusschen dezen trap en den volgenden wordt in de 8ste uitgaaf der
-„Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, nog ingelascht een nieuwe trap,
-die der Ganoïden of Emailvisschen. Deze groep, die eens zeer talrijk
-was, wordt in de levende schepping nog slechts door weinige vormen
-(Lepidosteus, Polypterus, Amia, Accipenser, waartoe de steur behoort,
-en Spatularia) vertegenwoordigd. Een andere, nauw met de Dipneusten
-verwante groep van visschen, de Crossopterygii, zou wellicht
-bestanddeelen van de groep rechtstreeksche voorouders van den mensch
-bevatten. De Dipneusten worden nu de veertiende trap.
-
-[387] De dertiende, veertiende en vijftiende trap komen in de 8ste
-uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, als vijftiende,
-zestiende en zeventiende trap voor onder nieuwe namen, namelijk:
-
-Vijftiende trap: Stegocephalen of Amphibieën met blijvende kieuwen;
-onze oudste voorouders uit de klasse der Amphibieën zouden tot de
-Stegosauriërs hebben behoord, en waarschijnlijk uit de groepen der
-Archegosauriërs en Branchiosauriërs.
-
-Zestiende trap: Salamandrinen of Gestaarte Amphibieën.
-
-Zeventiende trap: Proreptiliën of Protamniën. Verwant met de fossiele
-Protecosauriërs en de levende Hatteria.
-
-Nu volgt een nieuwe
-
-Achttiende trap: Zoogdier-reptielen of Theriosauriërs. Van deze groep
-zijn verschillende fossiele leden bekend.
-
-De Stamzuigers of Promammaliën (boven de zestiende trap) worden thans
-de negentiende trap, zoodat er in het geheel vijf-en-twintig trappen
-(in plaats van twee-en-twintig) worden genoemd.
-
-[388] Lang dacht men, dat zij tegenwoordig geheel tot Nieuw-Holland
-beperkt waren, wat voor Ornithorhynchus ook het geval schijnt te zijn.
-Van Echidna is echter tegenwoordig ook een op Nieuw-Guinea levende
-soort ontdekt.
-
-[389] In de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” 1889,
-worden de Half-Apen of Prosimiën slechts als de voorouders der
-Lemuriden, der ware Apen en van den Mensch beschouwd.
-
-[390] Merkwaardig is het, dat zij daarbij (ibid., blz. 148) de zelfde
-opmerking maakt, die ook Darwin is ingevallen, omtrent het zoogen der
-jongen door het mannetje: „Cependant il prend grand soin de sa
-progéniture: si la mère lui donne la naissance, le mâle contribue avec
-elle á la nourrir, car ses mammelles sont encore lactifères.”
-
-Dr. E. Krause te Berlijn (Carus Sterne) komt in Humboldt, Juni 1888,
-blz. 236, met heftigheid op tegen de onderstelling dat bij de
-zoogdieren ooit de mannetjes de jongen zouden hebben gezoogd. „Met het
-zelfde recht”, zegt hij, „als men uit de tepels van den man besluit,
-dat zijn stamvorm de jongen mede heeft gezoogd, zou men uit zijn
-rudimentaire baarmoeder (de recula prostatica) kunnen besluiten, dat
-vroeger niet de vrouwen, maar de mannen de kinderen ter wereld hebben
-gebracht; want dit orgaan behoort geheel en al tot de zelfde categorie
-van organen die door overerving van de eene sekse op de andere zijn
-overgebracht, als de borstklieren.”
-
-[391] Ik geloof de Nederlandsche lezers van Darwin’s „Afstamming van
-den Mensch” geen ondienst te doen door aan dit Hoofdstuk als bijlage
-toe te voegen de stellingen, door den toenmaligen nestor van Nederlands
-dierkundigen in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Nat. Afd.,
-zitting van 25 Februari 1871, bij gelegenheid, dat hij de eerste
-uitgaaf van mijn bewerking van Ch. Darwin’s „Afstamming van den Mensch”
-aan die Akademie aanbood, voorgedragen, en waarin de toenmalige stand
-van het vraagstuk in korte, duidelijke, algemeene trekken wordt
-weêrgegeven. Zijn Hoog Geleerde was zoo welwillend mij te veroorloven,
-die stellingen in mijne bewerking van Darwin’s boek over te drukken.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[392] Dit moet niet zoo worden verstaan dat de door de
-levensomstandigheden rechtstreeks ontstane veranderingen erfelijk zijn,
-maar dat door de natuur steeds die variaties in den levensstrijd worden
-begunstigd, welke het geschiktst zijn voor de levensomstandigheden.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[393] Deze volzin bevat een denkbeeld, dat geheel in strijd is met
-latere theorieën hieromtrent. Zie mijn opstel over het oorspronkelijk
-vaderland van den mensch, achter Hoofdstuk VII geplaatst.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[394] Wij verwijzen naar aant. 15, blz. 297, waar de verwantschap
-tusschen den mensch en de Ascidiën, in verband met latere denkbeelden,
-uitvoerig wordt besproken. De Ascidiën zijn een gedegenereerde zijtak
-der Chordadieren, maar behooren niet tot de hoofdafstammingslijn der
-Gewervelde Dieren.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[395] Dit is ongetwijfeld waar, wanneer men de geestvermogens in
-rekening brengt. Laat men deze echter buiten rekening, stelt men zich
-op zuiver anatomisch en zoölogisch standpunt, dan schijnt het mij niet
-twijfelachtig, dat b.v. de kloven tusschen de Catarrhinen, de
-eigenlijke Platyrrhinen of Hesperopitheci en de Hapaliden, en vooral
-tusschen de Ware Apen en de Lemuriden of Prosimiae (welke groepen allen
-door geen levende tusschenvormen zijn verbonden) grooter zijn, dan die
-tusschen de hoogste vormen der Catarrhinen en den mensch.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[396] „History of India”, 1841, vol. I, blz. 323. Pater Ripa maakt
-volkomen de zelfde opmerking ten opzichte van de Chineezen.
-
-[397] Een zeer groot aantal metingen van blanken, zwarten en Indianen
-worden medegedeeld in de „Investigations in the Military and
-Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1859,
-blz. 228–358; over de grootte der longen, blz. 471. Zie ook de talrijke
-en belangrijke tabellen, door Dr. Weisbach, van de waarnemingen van Dr.
-Scherzer en Dr. Schwarz in de „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”,
-1867.
-
-[398] Zie, bij voorbeeld, de mededeeling van den heer Marshall over de
-hersenen van een vrouwelijke Bosjesman, in „Phil. Transact.” 1864, blz
-519.
-
-[399] Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 178.
-
-[400] Ten opzichte der beelden in de beroemde Egyptische grotten van
-Aboe Simbel, zegt de heer Pouchet („The Plurality of the Human Races”,
-Eng. vert. 1864, blz. 50), dat hij ver was van herkenbare afbeeldingen
-te vinden van de twaalf of meer volken welke sommige schrijvers beweren
-te kunnen herkennen. Zelfs sommigen van de meest sterk geteekende
-rassen kunnen niet tot thans levende worden teruggebracht met die mate
-van eenstemmigheid, die men zou mogen verwachten na hetgeen over dit
-onderwerp is geschreven. Zoo getuigen de heeren Nott en Gliddon („Types
-of Mankind”, blz. 148), dat Rhamses II, of de Groote, prachtige
-Europeesche gelaatstrekken heeft, terwijl Knox, een ander krachtig
-voorstander van het soortelijk verschil der menschenrassen, („Races of
-Man”, 1850, blz. 201), van den jongen Memnon sprekende (de zelfde
-persoon als Rhamses II, naar de heer Birch mij verzekert), er zeer
-sterk op drukt, dat hij in uiterlijk voorkomen gelijkt op de
-Antwerpsche Joden. Toen wij in het Britsch Museum met twee bevoegde
-rechters, die aan die inrichting waren geplaatst, het standbeeld van
-Amenophis III beschouwden, waren wij het allen daarover eens, dat de
-vorm van zijn gelaat zeer met dien van een neger overeenkwam. De heeren
-Nott en Gliddon (ibid., blz. 146, fig. 53) beschrijven hem echter als:
-„een bastaard, doch zonder inmenging van negerbloed.” (4)
-
-[401] Aangehaald door Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz.
-439, Zij bekrachtigen dit ook met bewijzen; maar C. Vogt meent, dat dit
-punt nog nader onderzoek vereischt.
-
-[402] „Diversity of Origin of the Human Races”, in de „Christian
-Examiner”, Juli 1850.
-
-[403] „Transact. R. Soc. of Edinburg”, vol. XXII, 1861, blz. 567.
-
-[404] „On the Phenomena of Hybridity in the Genus Homo”, Eng. vert.
-1864.
-
-[405] Zie den belangwekkenden brief van den heer T. A. Murray in de
-„Anthropolog. Review”, April, 1868, blz. LIII. In dezen brief wordt de
-juistheid der bewering van Graaf Strzelecki, dat Nieuw-Hollandsche
-vrouwen die kinderen hebben voortgebracht bij blanke mannen, daarna
-onvruchtbaar zijn met haar eigen ras, ontkend. De heer A. de
-Quatrefages heeft („Revue des Cours Scientifiques”, Maart 1869, blz.
-239) ook vele bewijzen verzameld, dat Nieuw-Hollanders en Europeanen
-niet onvruchtbaar zijn, als zij zich met elkander kruisen.
-
-[406] „An Examination of Prof. Agassiz’s Sketch of the Nat. Provinces
-of the Animal World”, Charleston, 1855, blz. 44.
-
-[407] „Military and Anthopolog. Statistics of American Soldiers” door
-B. A. Gould, 1869, blz. 319.
-
-[408] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz.
-371, 224, Deel II, blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de
-onvruchtbaarheid van soorten bij kruising geen afzonderlijk verkregen
-hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid van sommige boomen om op
-elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen afhangt. De
-aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het
-bijzonder op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig
-maaksel of gewone verschillen in gestel betrekking. Eén belangrijk
-element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten ligt blijkbaar
-daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden;
-want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen
-invloed hebben op het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden
-om aan te nemen (zooals vroeger is opgemerkt), dat de afwisselende
-levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen geboren worden tot
-opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de
-kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz.
-185–191, en „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door
-mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten niet is
-verkregen door natuurlijke teeltkeus (9); wij kunnen inzien, dat het,
-wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt, nauwelijks
-mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden
-blijven of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want
-als de onvruchtbaarheid vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder
-nakomelingen worden geboren, die zich kunnen voortplanten, en ten
-laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote tusschenruimten
-worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van
-onvruchtbaarheid. Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij
-geslachten van planten, die talrijke soorten bevatten, een reeks kan
-worden gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden
-voortbrengen, tot soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar
-op welke toch het stuifmeel van de andere soorten nog invloed
-uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk
-onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben
-opgehouden zaden te geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat
-het toppunt van onvruchtbaarheid, waarbij alleen de kiem wordt
-aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen. Dit toppunt, en
-ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige
-gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het
-voortplantingsstelsel der soorten die worden gekruist.
-
-[409] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-75–78.
-
-[410] De heer Quatrefages heeft („Anthropological Review”, Jan. 1869,
-blz. 22) een belangwekkende mededeeling gedaan over het succes en de
-energie van de Paulista’s in Brazilië, die een gekruist ras van
-Indianen en Portugeezen zijn met inmenging van het bloed van andere
-rassen.
-
-[411] Bij voorbeeld bij de inboorlingen van Amerika en Nieuw-Holland.
-Prof Huxley zegt („Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.”,
-1868, blz. 105), dat „de schedels van vele Zuid-Duitschers en Zwitsers
-even kort en breed zijn als die der Tartaren” enz.
-
-[412] Zie een goede beschouwing hierover bij Waitz, „Introduct. to
-Anthropology”, Eng. translat. 1863, blz. 198–208, 227. Ik heb eenige
-der bovenvermelde mededeelingen ontleend aan H. Tuttle’s „Origin and
-Antiquity of Physical Man”, Boston, 1866, blz. 35.
-
-[413] Prof. Nägeli heeft verschillende treffende gevallen zorgvuldig
-beschreven in zijn „Botanische Mittheilungen”, Bd. II, 1866, blz.
-291–369. Prof. Asa Gray heeft overeenkomstige opmerkingen gemaakt
-omtrent sommige tusschenvormen bij de Saâmgesteldbloemige Planten
-(Compositae) van Noord-Amerika.
-
-[414] „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 101.
-
-[415] Zie hierover Prof. Huxley in de „Fortnightly Review”, 1865, blz.
-275.
-
-[416] „Lectures on Man”, Eng. vert. 1863, blz. 468.
-
-[417] „Die Racen des Schweines”, 1860, blz. 46. „Vorstudiën für
-Geschichte, enz. Schweineschädel”, 1864, blz. 104. Ten opzichte van het
-vee, de Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 119.
-
-[418] Tylor’s „Early History of Mankind”, 1865; omtrent het bewijs ten
-opzichte van gebarentaal, zie blz. 54, Lubbock’s „Prehistoric Times”,
-2nd edit. 1869.
-
-[419] „The Primitive Inhabitants of Scandinavia”, Eng. vert.,
-uitgegeven door Sir J. Lubbock, 1868, blz. 104.
-
-[420] Hodder W. Westropp, „On Cromlechs”, enz., „Journal of
-Ethnological Soc.”, aangehaald in „Scientific Opinion”, 2 Juni 1862,
-blz. 3.
-
-[421] „Journal of Researches: Voyage of the „Beagle””, blz. 46.
-
-[422] „Prehistoric Times”, 1869, blz. 574.
-
-[423] Vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1866, blz. 431.
-
-[424] „Transact. Internat. Congress of Prehistoric Arch.”, 1866, blz.
-172–175. Zie ook Broca (vertaling) in „Anthropological Review”, Oct.
-1886, blz. 410.
-
-[425] Dr. Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz.
-82.
-
-[426] Gerland (ibid. blz. 12) geeft feiten tot ondersteuning van deze
-bewering.
-
-[427] Zie opmerkingen hierover in Sir H. Holland’s „Medical Notes and
-Reflections”, 1839, blz. 390.
-
-[428] Ik heb („Journal of Researches, Voyage of the „Beagle””, blz.
-435) een aanmerkelijk aantal gevallen verzameld, die op dit onderwerp
-betrekking hebben. Zie ook Gerland, ibid. blz. 8. Poeppig spreekt van
-den „voor wilden vergiftigen adem der beschaving”.
-
-[429] Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 284.
-
-[430] Bagehot, „Physics and Politics”, „Fortnightly Review”, 1 April,
-1868, blz. 455.
-
-[431] Alle hier gegeven bijzonderheden zijn ontleend aan „The last of
-the Tasmanians” door J. Bonwick, 1870.
-
-[432] Volgens een mededeeling van den gouverneur van Tasmania, Sir W.
-Denison, „Varieties of Vice Regal Life”, 1870, vol. I, blz. 67.
-
-[433] Voor deze gevallen, zie Bonwick’s „Daily Life of the Tasmanians”,
-1870, blz. 90; en de „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 386.
-
-[434] „Observations on the Aboriginal Inhabitants of New-Zealand”
-uitgegeven door de Regeering, 1859.
-
-[435] „New-Zealand”, door Alex. Kennedy, 1873, blz. 47.
-
-[436] „Life of J. C. Patterson”, door C. M. Younge, 1874; zie meer in
-het bijzonder vol. I, blz. 530.
-
-[437] De bovenstaande opgaven zijn hoofdzakelijk ontleend aan de
-werken: Jarves, „History of the Hawaiian Islands”, 1843, blz. 400–407.
-Cheever, „Life in the Sandwich Islands”, 1851, blz. 277. Ruschenberger
-wordt aangehaald door Bonwick, „Last of the Tasmanians”, 1870, blz.
-378. Bishop wordt aangehaald door Sir E. Belcher, „Voyage Round the
-World”, 1843, vol. I, blz. 272. Ik ben de resultaten van de
-volkstelling der verschillende jaren verschuldigd aan de
-vriendelijkheid van den heer Coan, door tusschenkomst van Dr. Youmans
-van New-York; en in de meeste gevallen heb ik de cijfers van Youmans
-vergeleken met die, welke in verschillende der bovengenoemde werken
-werden medegedeeld. Ik sloeg de volkstelling van 1850 over, daar ik
-zag, dat er twee zeer verschillende getallen werden opgegeven.
-
-[438] „The Indian Medical Gazette”, Nov., 1871, blz. 40.
-
-[439] Over de nauwe verwantschap tusschen de Norfolk-eilanders, zie Sir
-W. Denison, „Variaties of Vice-Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 410.
-Voor de Toda’s, zie Kolonel Marshall’s werk, 1873, blz. 110. Voor de
-eilanden bewesten Schotland, Dr. Mitchell, „Edinburgh Medical Journal”,
-Maart tot Juni, 1865.
-
-[440] Voor bewijzen hiervan, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel
-II, blz. 100, 147–166.
-
-[441] „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 162.
-
-[442] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan „The Mutineers of the
-„Bounty””, door Lady Belcher, 1870; en aan „Pitcairn Island”, tot het
-drukken waarvan het House of Commons den 29sten Mei last gaf. De daarop
-volgende opgaven omtrent de Sandwich-eilanden zijn uit de „Honolulu
-Gazette” en van den heer Coan.
-
-[443] „On Anthropology”, Eng. vertaling, „Anthropolog. Review”, Jan.
-1868, blz. 38.
-
-[444] „The Annals of Rural Bengal”, 1868, blz. 134.
-
-[445] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-67–73 (18).
-
-[446] Pallas, „Act. Acad. St. Petersburgh”, 1870, part II, blz. 69. Hij
-werd gevolgd door Rudolphi in zijn „Beiträge zur Anthropologie”, 1812.
-Een uitnemend overzicht der bewijzen wordt gegeven door Godron, „De
-l’Espèce”, 1859, vol. II, blz. 146 enz.
-
-[447] Sir Andrew Smith, aangehaald bij Knox, „Races of Man”, 1850, blz.
-473.
-
-[448] Zie hierover Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct.
-17, 1868, blz. 731.
-
-[449] Livingstone’s „Travels and Researches in S. Africa”, 1857, blz.
-338, 329. D’Orbigny, aangehaald bij Godron, „De l’Espèce”, vol II, blz.
-266.
-
-[450] Zie een verhandeling, voorgedragen in de Royal Soc. in 1813 en in
-zijn „Essays” uitgegeven. Ik heb een overzicht van de beschouwingen van
-Dr. Wells gegeven in de „Historische Schets” (blz. XVI) die bij mijn
-„Ontstaan der Soorten” behoort (zie „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned.
-Uitg., blz. 28). Verschillende voorbeelden van het verband tusschen
-kleur en bijzonderheden van gestel zijn gegeven in mijn „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 389–391.
-
-[451] Zie b.v. Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, blz. 68.
-
-[452] Majoor Tulloch in een verhandeling, voorgedragen voor de
-„Statistical Society”, 20 April 1848, en uitgegeven in het „Athenaeum”,
-1840, blz. 353.
-
-[453] „The Plurality of the Human Races”, Eng. vertaling, 1864, blz.
-60.
-
-[454] Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 205. Waitz,
-„Introduct. to Anthropology”, vertaling vol. I, 1863, blz. 124.
-Livingstone geeft overeenkomstige gevallen in zijn „Travels.”
-
-[455] In de lente van het jaar 1862 kreeg ik verlof van den
-Directeur-Generaal van het Geneeskundig Departement van het Leger, om
-aan de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten die
-voor den dienst in het buitenland waren bestemd, een oningevulde tabel
-te zenden met bijvoeging der volgende opmerking, maar ik kreeg er geen
-terug: „Daar bij onze huisdieren verschillende sterk sprekende
-voorbeelden zijn opgeteekend van een samenhang tusschen de kleur der
-huidaanhangsels en het gestel; en daar het bekend is, dat er een
-beperkte mate van betrekking bestaat tusschen de kleur der
-menschenrassen en het door hen bewoond klimaat, schijnt het volgend
-onderzoek der overweging waardig. Of er namelijk bij Europeanen eenige
-betrekking bestaat tusschen de kleur van het haar en hun vatbaarheid
-voor de ziekten van tropische landen. Indien de Officieren van
-Gezondheid van de verschillende regimenten, als zij in ongezonde
-tropische streken verblijf houden, zoo goed wilden zijn, eerst, als
-maatstaf van vergelijking, te tellen, hoevele manschappen bij de
-militaire macht, waarvan de zieken afkomstig zijn, donker en licht
-gekleurd haar en haar van tusschenbeide liggende of twijfelachtige
-kleur hadden, en indien dan een dergelijke aanteekening werd gehouden
-door de zelfde heeren geneeskundigen van al de manschappen die aan
-moeraskoortsen en gele koorts of aan dissenterie leden, zou het spoedig
-blijken, nadat eenige duizenden gevallen in tabel waren gebracht, of er
-eenig verband bestaat tusschen de kleur van het haar en de
-constitutioneele vatbaarheid voor tropische ziekten. Wellicht zou geen
-dergelijke betrekking worden ontdekt, maar het onderzoek is wel waard
-om te worden ingesteld. In geval het eene of andere positieve resultaat
-werd verkregen, zou zulks eenig praktisch nut kunnen hebben bij het
-uitkiezen van manschappen voor den eenen of anderen bijzonderen dienst.
-Theoretisch zou het resultaat van hoog belang zijn, daar het een der
-oorzaken zou aanwijzen, waardoor een menschenras dat sinds zeer langen
-tijd een ongezond tropisch klimaat bewoonde, donker gekleurd zou kunnen
-zijn geworden, doordat de individu’s met donkere haren of donkere huid
-gedurende een langer opeenvolging van generaties beter zouden zijn
-bewaard gebleven.”
-
-[456] „Anthropological Review”, Jan. 1866, blz. XXI. Dr. Sharpe zegt
-ook ten opzichte van Indië („Man a Special Creation”, 1873, blz. 118),
-dat door sommige officieren is opgemerkt, „dat Europeanen met licht
-haar en blozende aangezichten minder hebben te lijden van ziekten der
-tropische gewesten dan personen met donker haar en bleeke gelaatskleur;
-en zoover ik weet, schijnen er goede gronden voor deze opmerking te
-zijn.” Daarentegen is de heer Heddle, van Sierra Leone, „onder wien
-meer klerken zijn gestorven dan onder eenig ander”, door het klimaat
-der westkust van Afrika (W. Reade, „African Sketch Book”, vol. II, blz.
-522), van een juist tegenovergestelde meening, evenals ook Kapitein
-Burton.
-
-[457] „Man a Special Creation”, 1873, blz. 119.
-
-[458] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 242
-v.v., 389–391.
-
-[459] Zie, bij voorbeeld, Quatrefages („Revue des Cours Scientifiques”,
-10 Oct. 1868, blz. 724) over de gevolgen van een verblijf in Abessinië
-en Arabië en andere dergelijke gevallen. Dr. Rolle („Der Mensch, seine
-Abstammung”, enz. 1865, blz. 99) deelt op autoriteit van Khanikof mede,
-dat het grootste gedeelte der in Georgië gevestigde Duitsche familiën
-in den loop van twee generaties donker haar en donkere oogen hebben
-verkregen. De heer D. Forbes deelt mij mede, dat de Quichua’s der Andes
-zeer in kleur verschillen, al naar de ligging der valleien die zij
-bewonen.
-
-[460] Harlan, „Medical Researches”, blz. 532. Quatrefages („Unité de
-l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 128) heeft vele bewijzen daarvoor
-bijeengezameld.
-
-[461] Zie Prof. Schaaffhausen, Eng. vertaling, in „Anthropological
-Review”, Oct. 1868.
-
-[462] De heer Catlin getuigt („N. American Indians”, 3de edit. 1842,
-vol. I, blz. 49) dat bij den geheelen stam der Mandanen ongeveer één
-van elke tien of twaalf leden van alle leeftijden en beide seksen
-glanzig zilverachtig grijs haar had, hetgeen erfelijk was. Dit haar nu
-was even grof en hard als paardenhaar, terwijl het haar van andere
-kleuren fijn en zacht was.
-
-[463] Over den geur der huid, Godron, „Sur l’Espèce”, tom. II, blz.
-217. Over de poriën der huid, Dr. Wilckens, „Die Aufgaben der
-landwirth. Zootechnik”, 1869, blz. 7.
-
-[464] Deze personen zijn vergezeld van hun kudden, die uit ezels,
-antilopen en steenbokken bestaan; 3000 jaren v. Chr. bestonden dus de
-kudden grootendeels uit diersoorten die thans niet in getemden toestand
-voorkomen of niet meer in kudden worden gehouden, terwijl schapen,
-geiten, runderen, paarden en kameelen ontbraken, dat thans de
-voornaamste tamme dieren uit Egypte zijn.
-
-[465] Ofschoon dit a priori hoogst waarschijnlijk is, daar de
-omstandigheden waaronder het dier leefde, sedert de oudste dynastieën
-wel degelijk geheel dezelfde zijn gebleven! Ieder die Egypte, vooral
-Opper-Egypte, heeft bezocht, in welke laatste streek het bouwland
-slechts een smalle strook vormt tusschen twee woestijnen, die nimmer
-bebouwd zijn geweest, en geheel in het klimaat dier woestijnen deelt,
-zal zulks toegeven.
-
-[466] Men vergelijke S. B. Sketchley, „On the Occurrence of Stone
-Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)”, in
-„Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland”, 1889,
-blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de
-Mortillet eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij
-zouden liever spreken van een pliolithische, miolithische en
-eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen in pliocene of
-eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.
-
-Omtrent de in onze aanteekening 22, blz. 43, vermelde indeeling der
-voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd (in 1836 in de
-wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op
-grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen),
-wenschen wij hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van
-verschillende zijden in twijfel is getrokken, of zelfs ontkend, dat men
-van een bepaalden bronstijd mag spreken, en beweerd, dat de kennis van
-het ijzer ouder was dan die van het brons. Men vergelijke: R. Andree,
-„Die Metalle bei den Naturvölkern”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „Die
-Geschichte des Eisens”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg,
-„Die Anfänge der Bronzecultur”, Berlin, 1885; Dr. A. J. C. Snijders,
-„De oorsprong der menschelijke nijverheid” (Slot), in den „Tijdspiegel”
-van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen dezen en
-den steentijd te plaatsen kopertijd echter ook Prof. R. S. Tjaden
-Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81.
-
-[467] „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 75.
-
-[468] „Archiv für Anthropologie”, 1889, blz. 375.
-
-[469] Omstreeks 1000 n. Chr. vonden de Noormannen aan den Atlantischen
-Oceaan in het tegenwoordige Canada en de noordelijke Vereenigde Staten
-de zoogenaamde „Skraelinger”, naar de beschrijving stellig Eskimo’s. Na
-het terugvinden van Amerika door Columbus vonden de Franschen en
-Engelschen in die zelfde streken Roodhuiden, die dus tusschen 1000 en
-1500 de Eskimo’s daar moeten hebben verdrongen.
-
-Soren Hanssen onderstelt, dat de Eskimo’s over den Stillen Oceaan, de
-stamouders der Roodhuiden over de Behringstraat Amerika zijn
-binnengedrongen. Met deze stellingen kan ik mij, om later te vermelden
-redenen, volstrekt niet vereenigen, vooral met de eerste niet.
-
-[470] „Les Hottentots au Jardin d’Acclimatation”, en „La Stéatopygie
-des Hottentots”, beide in de „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 15 en
-194.
-
-[471] Deze wordt wegens den aard van zijn haar door Haeckel als nauwer
-met de Dravida’s, Nubiërs en zelfs Middellanders verwant beschouwd dan
-met de wolharige Papoea’s, Hottentotten, Kaffers en Negers. Wij zouden
-eer geneigd zijn hem als nauw verwant met deze laatsten, vooral met de
-Papoea’s te beschouwen en achten de geaardheid van het haar alleen niet
-zulk een belangrijk kenmerk als de kleur, schedelvorm, schedelgrootte
-enz te zamen.
-
-[472] In het laatste geval zijn zij wellicht te verklaren als terugslag
-(atavisme) tot het type van een voorvader van het blanke ras, en zijn
-gelijk te stellen met de in Hoofdstuk II van dit werk vermelde
-aapachtige afwijkingen van het spierstelsel. Op het merkwaardige feit
-van de algemeene dolichocephalie der oorspronkelijke Afrikanen en der
-Afrikaansche anthropomorphen, in tegenoverstelling van de
-brachycephalie der Maleiers en Mongolen en der Aziatische
-anthropomorphen is reeds vroeger, aant. 10, blz. 294, gewezen.
-
-[473] Zij komen in grooten getale voor in landen waar nimmer Kelten
-hebben gewoond, en de Fransche zijn zeker ouder dan de Keltische tijd.
-Zie mijn artikel: „Wie waren de stichters der Drenthsche hunebedden?”
-in den „Nieuwen Drenthschen Volksalmanak”, jaargang 1886.
-
-[474] Men vergelijke over de wijze, waarop de hunebedden zijn gebouwd,
-ook het slot van mijn artikel: „Hunebedden in Noordwest-Duitschland” in
-„Nieuwe Drenthsche Volksalmanak”, 1891, blz. 152.
-
-[475] De overste Yole, die in 1844, en de botanist J. Hooker, die in
-1866 deze Khasia’s bezocht, vermelden beiden ook hun megalithische
-monumenten. Het woord men komt menigmaal in den naam hunner dorpen
-voor, evenzeer als dit het geval is in Bretagne, Wales en Cornwallis.
-Mensmaï duidt in het Khasiaansch een eed of zweersteen aan; menflong
-een begraasden steen; memloe een zoutsteen. De Khasia’s bewonen een
-deel der bergstreken die ten oosten van de Brahmapoetra liggen. Zij
-zijn nimmer in gemeenschap met de Hindoe’s geweest en behooren tot de
-vóór-Arische bewoners van Indië. Zij hebben zeer geringe en verwarde
-godsdienstige begrippen en staan op een zeer lagen trap van
-ontwikkeling. Hun uit steen en bamboes samengestelde hutten zijn even
-armoedig als zij zelven zijn.
-
-Witkamp vermeldt in zijn Geschiedenis der XVII Nederlanden deze
-Khasia’s en schat den ouderdom onzer hunebedden op minstens 2500 jaren,
-mogelijk zelfs op 30, 35 of meer eeuwen. Naar mijn gevoelen zijn zij
-echter waarschijnlijk nog veel ouder, hetgeen daarmede samenhangt, dat
-Witkamp het Volk der Dolmen uit Indië naar Europa laat trekken, juist
-omgekeerd als ik.
-
-[476] Schedels van Engis, Neanderthal, Eguisheim, Gibraltar enz. (ras
-van Chelles, oudste steentijd).
-
-[477] Schedel van Florence (oudste steentijd).
-
-[478] Schedels van Eyzies, Cro Magnon, Furfooz enz. (middelste
-steentijd); Borreby enz. (jongste steentijd).
-
-[479] „Die Grosshirn-Windungen des Menschen.” „Abhandlungen der K.
-Bayerischen Akademie”, Bd. X, 1868.
-
-[480] „Convolutions of The Human Cerebrum Topographically Considered”
-1866, blz. 12.
-
-[481] Aanteekeningen meer bijzonder over de overbruggende windingen in
-de, hersenen van den chimpanzee, „Proceedings of the Royal Society of
-Edinburgh”, 1865–66.
-
-[482] Flower, „On the Anatomy of Pithecia Monachus”, „Proceedings of
-the Zoological Society”, 1862.
-
-[483] „Man’s Place in Nature”, blz. 102.
-
-[484] „Transactions of the Zoological Society”, vol. V, 1862.
-
-[485] „Chez tous les singes les plis postérieurs se développent les
-premiers; les plis antérieurs se développent plus tard; aussi la
-vertébre occipitale et la pariétale sont elles relativement très
-grandes chez le foetus. L’Homme présente une exception remarquable
-quant à l’époque de l’apparition des plis frontaux, qui sont les
-premiers indiqués; mais le développement général du lobe frontal,
-envisagé seulement par rapport à son volume, suit les mêmes lois que
-dans les singes.” Gratiolet, „Mémoire sur les plis cérébraux de l’Homme
-et des Primates”, blz. 39, Tab. IV, fig. 3.
-
-[486] Gratiolet’s woorden zijn (l.c. blz. 39): „Dans le foetus dont il
-s’agit les plis cérébraux postérieurs sont bien développés, tandis que
-les plis du lobe frontal sont à peine indiqués.” De plaat (Pl. IV, fig.
-3) vertoont echter de groef van Rolando en een der voorhoofdsgroeven
-duidelijk genoeg. Desniettemin schrijft de heer Alix, in zijn „Notice
-sur les travaux anthropologiques de Gratiolet” („Mém. de la Société
-d’Antropologie de Paris”, 1868, blz. 32), als volgt: „Gratiolet a eu
-entre les mains le cerveau d’un foetus de Gibbon, singe éminemment
-supérieur et tellement rapproché de l’orang, que des naturalistes très
-compétents l’ont rangé parmi les anthropoïdes. M. Huxley, par exemple,
-n’hésite pas sur ce point. Eh bien, c’est sur le cerveau d’un foetus de
-Gibbon que Gratiolet a vu les circonvolutions du lobe
-temporo-sphenoïdal déjà développées, lorsqu’il n’existe pas encore des
-plis sur le lobe frontal. Il était donc bien autorisé à dire, que chez
-l’homme les circonvolutions apparaissent d’ α en ω, tandis que chez les
-singes elles se développent d’ ω en α.”
-
-[487] „Ueber die typische Anordnung der Furchen und Windungen auf den
-Grosshirnhemisphären des Menschen und der Affen.” „Archiv. für
-Anthropologie”, III, 1868.
-
-[488] „Zur Entwicklungsgeschichte der Furchen und Windungen der
-Grosshirn-Hemisphären im Foetus des Menschen.” „Archiv. für
-Anthropologie”, III, 1868.
-
-[489] Later verscheen daarover nog een werk van Ad. Pansch, Berlijn
-1879.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[490] Sulcus centralis. Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[491] Fissura temporalis superior. Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[492] Bij voorbeeld de abt Lecomte in zijn vreeselijk pamflet „le
-Darwinisme et l’Origine de l’Homme,” 1873.
-
-[493] Vrij bewerkt naar een opstel van den markies G. de Saporta, „Un
-Essai de Synthèse Paléoethnique”, voorkomende in de „Revue des deux
-Mondes” van 1 Mei 1883. Deze belangrijke studie werpt een geheel nieuw
-en verrassend licht op het oorspronkelijk vaderland van den mensch en
-de verspreiding der menschenrassen, om welke reden wij een vrije
-bewerking met menigvuldige uitbreidingen daarvan als aanhangsel aan het
-eerste gedeelte van Darwin’s „Afstamming v. d. Mensch” toevoegen.
-
- Dr. H. H. H. v. Z.
-
-[494] In het jaar 450 v. Chr. vertoonde de Egyptische priester aan
-Herodotus aan de buitenzijde van den grooten tempel te Thebe de 345
-houten beelden der voormalige opperpriesters, welke gedurende even
-zoovele menschenleeftijden van vader op zoon te Thebe hadden geheerscht
-(Herod. II, 143). Stellen wij een menschenleeftijd op 30 jaar, dan
-geeft dit reeds meer dan 10000 jaren.
-
-[495] „La préhistorique antiquité de l’homme”, par M. Gabriel de
-Mortillet; „Musée préhistorique” par M.M. Gabriel et Adrien de
-Mortillet; Paris 1883 et 1881.
-
-[496] Andere berekeningen klimmen tot 11000 jaar! Er liggen te
-Robenhausen drie paaldorpen boven elkander in het veen bedolven!
-
-[497] Deze berekening geeft waarschijnlijk een te hooge uitkomst, daar
-nieuwere waarnemingen hebben bewezen, dat druipsteen zich veel sneller
-kan vormen dan men vroeger aannam en niets ons waarborgt, dat die
-druipsteen zich steeds met eenparige snelheid heeft verdikt (zie „Alb.
-d. Nat.”, 1888. Wet. Bijblad, blz. 31). Ging de druipsteenvorming
-echter vóór den Romeinschen tijd tienmaal sneller dan daarna, wat
-onwaarschijnlijk is, dan komen wij nog tot een minimum van
-vijf-en-twintigduizend jaar.
-
-[498] Als men de nieuwere theorie van O. Torell aanneemt, waren die
-veranderingen in Noord- en Centraal-Europa echter veel minder groot dan
-men vroeger meende, wat natuurlijk ook op den berekenden tijd invloed
-moet oefenen. Vergelijk mijn stuk „Het diluvium der
-Nederlandsch-Noordduitsche vlakte” in „Isis”, 1881, blz. 97.
-
-[499] Tot veel matiger berekening (ofschoon altijd nog ver over de
-vroeger door de theologen op grond van den bijbel aangenomen oudheid
-van het menschdom) leidt de theorie van den bekenden sterrekundige R.
-Falb, volgens welke geregeld perioden van grootere koude en grootere
-warmte, elk van 10500 jaren elkander zouden afwisselen (R. Falb, „Das
-Wetter und der Mond”, Wien 1887). In vroegere geologische tijdvakken
-dan het diluvium, tijdvakken, waarin èn de zon èn de aarde warmer waren
-dan tegenwoordig, behoeven de maxima van koude zich niet gekenmerkt te
-hebben door vorst en gletschers, maar toch waren zij kouder dan de
-minima. De voorlaatste ijsperiode kenmerkte zich daarentegen door
-buitengewoon sterke uitbreiding der gletschers. Zij valt in het
-zoogenaamde diluvium.
-
-Deze theorie geeft voor de maxima en minima van koude (alleen de
-laatste en eerstvolgende duizendtallen van jaren in aanmerking nemende)
-de volgende jaren.
-
- Minimum 19850 jaren v. Chr.
- Maximum 14600 jaren v. Chr. (voorlaatste ijstijd, groote ijstijd).
- Minimum 9350 jaren v. Chr. (interglaciaire periode).
- Maximum 4100 jaren v. Chr. (laatste ijstijd).
- Minimum 1150 jaren na Chr. (midden der tegenwoordige
- interglaciaire periode).
- Maximum 6400 jaren na Chr. (eerstvolgende ijstijd.)
-
-Nemen wij dus aan (gelijk nader zal worden uiteengezet) dat de
-poolgewesten de bakermat van het menschdom zijn geweest en het daaruit
-door het kouder worden van het klimaat naar het Zuiden is verhuisd, dan
-zou, als Falb’s theorie juist was, die verhuizing tusschen 19850 en
-14600 jaren v. Chr. begonnen zijn. In 14600 was dan zelfs Scandinavië
-voor den mensch onbewoonbaar en begint in Centraal- en Zuid-Europa de
-palaeolithische periode. Het rendiertijdperk in Europa kunnen wij dan
-omstreeks 9350 j. v. Chr. plaatsen. Omstreeks 4100 v. Chr. begint in
-Europa de neolithische periode of het tijdperk van den geslepen steen
-(dit komt dus vrij goed uit met den op geheel andere gronden berekenden
-ouderdom van het paaldorp te Robenhausen, zie blz. 401). In dien tijd
-zullen door de groote atmosferische neêrslagen vele tegenwoordige
-woestijnen in Azië en Afrika vruchtbaar zijn geweest; in
-Centraal-Europa was toen om de zelfde reden groote uitbreiding der
-gletschers en groote waterrijkdom der rivieren. Dat het in Europa in
-den Romeinschen tijd niet zoo warm was als in de 12e eeuw, maar dat
-daarentegen na de 13de eeuw het klimaat van Europa voortdurend kouder
-is geworden, wordt door vele oude berichten aangetoond (vergelijk Prof.
-v. Hall, in „Alb. d. Natuur”, 1861, blz. 27), en dat ook in de laatste
-tientallen jaren de daling der gemiddelde jaarlijksche temperatuur zeer
-merkbaar voortgaat, is een feit, waarop nog onlangs door C. Flammarion
-is gewezen, alles geheel in overeenstemming met Falb’s minimum, 1150 na
-Chr.
-
-[500] Van Diemens Land moet worden beschouwd als de zuidpunt van
-Nieuw-Holland.
-
-[501] Ofschoon de Azteken nog slechts kort beschaafd waren, waren zij
-door andere volken voorafgegaan, wier beschaving zij overnamen. Men kan
-de oudheid der Mexicaansche beschaving vóór Cortez’ tijd, van haar
-eerste begin af, gerust op een paar duizend jaar stellen.
-
-[502] A. H. Sayce, een der hoogste autoriteiten in Europa op dit
-gebied, zegt („Nature” en daaruit vertaald in „Isis”, 1876, blz. 84),
-dat de Babyloniërs tusschen 4000 en 3000 jaren vóór het begin onzer
-jaartelling Mesopotamië binnentrokken en daarna veroverden, maar er
-reeds een beschaafd volk (de zoogenaamde Akkadiërs) gevestigd vonden.
-De stellig historische tijd van China begint met de dynastie Hia (van
-2207–1767 v. Chr.), hun half-mythische tijd met den keizer Fo-hi, die
-tusschen 3468–2952 v. Chr. zou hebben geregeerd, of volgens Prof. G.
-Schlegel te Leiden 2852 v. Chr. Deze noemt („Uranographie Chinoise”,
-Leiden, Brill, 1875, blz. 754) nog vijf oudere keizers op. Volgens
-dezen laatste is de Chineesche beschaving echter nog veel ouder, en
-zouden de Chineezen vóór ongeveer 19000 jaren de sterrenbeelden hebben
-uitgevonden (ib. blz. 704) en toen ongeveer even beschaafd zijn geweest
-als de tegenwoordige wilde bewoners der Zuidzee-eilanden, van de
-binnenlanden van Afrika, Sumatra en Borneo, en onder keizer Yao (2357
-v. Chr.) even beschaafd als de Egyptenaars van dien tijd (ib. blz. 749
-en 773).
-
-[503] Ook Voor-Indië in het Noorden waarvan zich reeds zeer vroeg een
-zelfstandig middelpunt van beschaving vormde, verdient hier te worden
-genoemd. In Amerika vinden wij nabij den Steenbokskeerkring Peru als
-een tweede middelpunt van beschaving. Wèl lag dit dichter bij de linie,
-maar wegens de grootere hoogte boven den zeespiegel in dergelijk
-klimaat als Mexico. Het uitgangspunt der Peruaansche beschaving lag
-waarschijnlijk aan het meer Titicaca op 16° Z.B. De Peruaansche
-beschaving, die ook op dergelijke wijze onderging als de Mexicaansche,
-schijnt van deze laatste geheel onafhankelijk te zijn ontstaan. Beide
-volken kenden elkander in de vijftiende eeuw niet. Toch vertoonen hun
-oudheden onmiskenbare sporen van gelijkenis. In Zuid-Afrika ontdekte
-Karl Mauch in 1871 de grootsche ruïnen van Zimbalye. Er moeten zich in
-die streek nog verscheidene andere bouwvallen bevinden. Hun oorsprong
-ligt geheel in het duister. Geheel ten onrechte heeft men ze met
-Salomo’s Ophir in verband gebracht. Uit Ophir kwamen zoowel apen als
-pauwen, en Indië is het eenige land, waar deze beide diervormen naast
-elkander voorkomen. (2) De ruïnen van Zimbalye liggen op den 20sten
-graad Zuiderbreedte, 32 graden Oosterlengte van Greenwich, ongeveer 50
-mijlen ten Westen van Sofala, niet ver van de rivier Sabia, die de
-wateren van het Matoppogebergte naar Sofala afvoert. Hier staat op een
-400 voet hoogen granietklomp nog een geweldig groot stuk ruïne, dat
-deels uit de rotsen gehouwen, deels met muren opgebouwd is. Het is met
-zigzagvormige voorwerken omgeven, die het als vesting kenmerken. Dicht
-daarbij ziet men op eene gneisplaat nog eene „rondeau”, dat door
-voorwerken met de vesting verbonden is. In het midden staat een ronde
-toren, die door een dubbelen muur omsloten wordt. In puin gevallen
-vertrekken en gangen laten den vroegeren vorm nog raden. Mauch vernam
-van een ouden priester, dat de toren „het huis van de koningin” heette.
-Iedere drie of vier jaar gaat het volk daar naar toe om te offeren.
-Door den Portugees de Barros (zestiende eeuw) wordt medegedeeld, dat
-hier een gedeelte van den hofstaat van den koning van Monomotapa heeft
-gewoond. De ruïnen van Zimbalye zijn echter ongetwijfeld veel ouder dan
-den tijd der Arabieren en Portugeezen, en schijnen te bewijzen, dat
-eens ook in Afrika onder den Steenbokskeerkring een zelfstandig, geheel
-ondergegaan middelpunt van beschaving lag. Ruïnen in de
-Kalahari-woestijn, waarvan wij voor eenige jaren een afbeelding in het
-Fransche Tijdschrift „Le Tour du Monde” zagen, bevestigen dit gevoelen.
-Zoo ook een soort van schriftteekens (zie de afbeelding bij J. C.
-Voigt, „Een belangrijke ontdekking” in „Eigen Haard” 1890, No. 1, blz.
-15), die men in een voorhistorische mijnschacht in Transvaal heeft
-gevonden. Met Egyptische hiëroglyphen hebben deze niets te maken; wèl
-zijn er teekens bij, die aan onze letters X, Y en O en aan de Grieksche
-letter π herinneren, maar dit zal wel een louter toeval zijn. Men vindt
-in het aangehaalde stuk nog verschillende bijzonderheden omtrent de
-ruïnen van Zimbalye en een bezoek daaraan in den zomer van 1889 door
-zekeren Posselt uit Transvaal gebracht. Deze middelpunten van
-beschaving op het Zuidelijk Halfrond zijn echter zonder invloed op de
-ontwikkeling van het menschdom als geheel gebleven.
-
-[504] Markies de Nadaillac bespreekt deze quaestie uitvoerig in zijn
-„Amérique préhistorique”, Paris 1883. Hoever echter enkele wilde
-stammen zich ook over uitgestrekte zeeën hebben verplaatst, bewijzen de
-landverhuizingen der Polynesiërs, die legenden daaromtrent hebben
-bewaard, welke men kan vinden in Waitz, „Anthropologie der
-Naturvölker.” Zij kwamen uit den Maleischen Archipel (waarheên zij
-oorspronkelijk waarschijnlijk uit Achter-Indië verhuisd waren) naar den
-Samoa-archipel en verspreidden zich van dezen uit over de
-Sandwich-eilanden, Tahiti en Nieuw-Zeeland.
-
-[505] Zie Otto Kuntze, „De oudheid van Amerika’s oorspronkelijke
-bevolking bewezen door haar cultuurplanten” in „Isis”, 1878, blz. 331.
-
-[506] De Bosjesmannen zijn eenerzijds verwant met de dwergstammen, die
-men als overblijfselen van de oudste bevolking van Centraal-Afrika kan
-beschouwen, anderzijds met de Hottentotten. De Hottentotten naderen,
-vooral door den aard van hun haar (vergelijk aanteekening 2, blz. 370),
-tot de Papoea’s, waartoe ook de Tasmaniërs behooren. Dat ook in
-Zuid-Amerika eens een met de Papoea’s verwant volk leefde, heeft het
-nader onderzoek der schedels van Lagoa-Santa bewezen (vergelijk
-aanteekening 5, blz. 374). Deze met de Papoea’s en Hottentotten
-verwante menschen zijn in Zuid-Amerika door de Roodhuiden verdrongen,
-wier laagst ontwikkelde stammen (de Vuurlanders) thans het uiterste
-Zuiden van dat werelddeel bewonen. Alles wijst er dus op dat een zelfde
-ras van menschen met wolachtig, in bosjes groeiend kroeshaar, de eerste
-bevolking was, die zich van uit de bakermat van het menschdom over de
-verschillende vastelanden verspreidde. Wellicht was dit het
-uitgestorven ras van Cannstatt, dat ook in Amerika schijnt te zijn
-doorgedrongen. De tweede bevolking waren in de Oude Wereld
-donkergekleurde menschen, gedeeltelijk met wolachtig, gelijkmatig over
-de schedelhuid verspreid kroeshaar (gelijk de Kaffers en Negers),
-gedeeltelijk sluikharig gelijk de Nieuw-Hollanders, en ook tot deze kan
-het ras van Cannstatt hebben behoord, dat wellicht ook de stam zoowel
-van deze rassen als van het eerstgenoemde, met de Papoea’s en
-Hottentotten verwante ras was. Daarop volgen in de Oude Wereld de
-Dravida’s en Nubiërs (in de beteekenis die Haeckel (zie blz. 379) aan
-die woorden geeft; ook den naam Nieuw-Hollanders gebruiken wij hier om
-een bepaald ras aan te duiden, en geenszins in den zin van inboorlingen
-van Nieuw-Holland, schoon deze tot dat ras behooren), en de Maleiers.
-Op deze laatsten volgen weldra de Mongolen, die zich van uit het
-Noorden van Azië Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts (ook over een
-groot deel van Europa) verspreiden (de Dravida’s worden teruggedrongen
-naar Voor-Indië, de Maleiers naar Malakka en den Maleischen archipel en
-waarschijnlijk ook over Formosa naar de Philippijnsche eilanden) en in
-Amerika de Roodhuiden en Eskimo’s. De Roodhuiden der Vereenigde Staten
-bezitten overleveringen die wijzen op een herkomst uit een koud land,
-waar veel ijs en sneeuw voorkwamen. (Zie „Historical and Statistical
-Information, respecting the history, conditions and prospects of the
-Indian Tribes of the United States, collected and prepared under the
-direction of the bureau of Indian Affairs, by H. R. Schoolcraft,
-published by authority of the Congress”, Philadelphia 1851.) Ook de
-Azteken waren volgens hun historische overleveringen uit noordelijker
-streken naar Mexico verhuisd, streken waar het sterk sneeuwde en de
-zomer slechts zes weken duurde! Eindelijk komt in de Oude Wereld het
-blanke ras, dat zich het eerst in het Noorden van Europa vertoonde, en
-over geheel Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië uitspreidt, de
-Mongolen worden teruggedrongen naar Centraal- en Oost Azië, de
-Dravida’s naar het Zuiden van Voor-Indië, de Nubiërs naar Nubië en
-Soedan. Elk der achtereenvolgende golven van landverhuizing dringt de
-vroegere naar het Zuiden terug of roeit ze geheel of grootendeels uit
-of absorbeert ze, en elke opeenvolgende golf bestaat gewoonlijk uit een
-lichter gekleurd en meer ontwikkelbaar ras. Al deze golvingen hadden
-plaats van het Noorden naar het Zuiden. Vermenging op groote schaal en
-wijziging gedurende de verhuizingen zelve, ten gevolge der veranderde
-levensvoorwaarden, konden daarbij natuurlijk niet uitblijven.
-
-[507] Zie blz. 40.
-
-[508] Vergelijk „Traité de géologie” par A. de Lapparent, Paris 1883,
-blz. 1245–1248; Voorts: Lowthian Green, „Vestiges of the molten Globe”,
-London, 1875.
-
-[509] Tegen het midden van het Secundaire Tijdvak zijn waarschijnlijk
-de boomen met afvallend loof in de Noordpoolstreken ontstaan (tegen het
-einde van dat Tijdvak vindt men hun overblijfselen in de gematigde
-luchtstreek). Het afvallen van het loof is voornamelijk een adaptatie
-aan den maandenlangen nacht der poolstreken, en niet (of ten minste in
-veel mindere mate) aan den winter, daar ook ’s winters het bladgroen in
-het zonlicht zijn functies kan uitoefenen.
-
-[510] Evenzoo zagen wij in aant. 15, blz. 385, dat het Volk der Dolmen
-zich waarschijnlijk in Europa van het Noorden naar het Zuiden, en van
-Europa via Noord-Afrika naar Indië heeft verplaatst. Ook de Ariërs zijn
-volgens de jongste onderzoekingen een volk dat oorspronkelijk in
-Noord-Europa woonde (zie „Kosmos” 1884, Bd. II, Heft 1, blz. 65 en
-Prof. S. A. Naber in de Gids van Juli 1884, „Penka, die Herkunft der
-Ariër”, Wien 1887), en dus van daar naar Midden- en Zuid-Europa, en
-Perzië en Indië (en niet omgekeerd) is getrokken. De Oude Perzen hadden
-overleveringen, dat zij kwamen uit een land, waaruit zij door het
-strenger worden van den winter verjaagd waren en waar de winter tien en
-de zomer slechts twee maanden duurde. Dat oorspronkelijk vaderland der
-Mongoolsche volken in Noord-Azië te zoeken is, is bekend. De oude
-Egyptenaars waren volgens Mariette over de landengte van Suez naar
-Egypte getrokken en kwamen dus ook uit noordelijker streken. Zeer
-merkwaardig is het, dat ook in latere en zelfs in historische tijden
-verreweg de meeste veroveringen die blijvende ethnologische
-veranderingen hebben ten gevolge gehad, zich van het Noorden naar het
-Zuiden bewogen. Zoo hebben de Belgische Kelten, van uit het Noorden
-komende, de Kymrische Kelten tot over de Seine, en de Germanen, uit het
-Noorden komende, de Belgische Kelten over den Rijn teruggedrongen, de
-Kymrische Kelten verdrongen in Spanje de zuidelijker wonende Iberiërs,
-de Romeinen overwonnen zuidelijker wonende Carthagers en koloniseerden
-Noordwest-Afrika, de Germanen (Gothen, Franken enz.) drongen bij de
-volksverhuizing van uit het Noorden het Romeinsche rijk binnen en
-verdrongen zuidelijker wonende Romaansche volken, de Turken kwamen uit
-Noord-Azië, toen zij hun eerste invallen in Centraal-Azië en later in
-het nog zuidelijker Klein-Azië, Balkan-schiereiland, Egypte en
-Noord-Afrika deden. Van uit het noordelijker gelegen Malakka drongen de
-Maleiers den Indischen Archipel binnen en drongen de oorspronkelijke
-zwarte, met de Nieuw-Hollanders verwante bevolking terug. In het
-jaarverslag van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia
-over 1890, door den voorzitter Dr. Van der Stok uitgebracht, leest men
-o.a. omtrent de op regeeringskosten gedane opgravingen van Dr. E.
-Dubois in Kediri op Java, dat in de grotten van de afdeeling Ngrowo
-deelen van menschengeraamten werden gevonden, die, evenals een vroeger
-aan genoemde vereeniging toegezonden schedel, de kenmerken vertoonen
-van het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras. Blijkbaar hebben dus op
-Java de Maleiers de Nieuw-Hollanders verdrongen, evenals deze
-waarschijnlijk vroeger zelve de voorouders der Papoea’s Westwaarts van
-uit den Maleischen Archipel naar Nieuw-Guinea en omliggende eilanden en
-van uit Nieuw-Holland naar Van Diemen’s Land drongen. De
-Moorsch-Arabische bewoners van Noord-Afrika breiden zich allengs over
-Centraal-Afrika uit, Spaansch-Amerika ligt zuidelijker dan Spanje, de
-Vereenigde Staten en de meest bevolkte gedeelten van Canada zuidelijker
-dan Engeland of Frankrijk, Nieuw-Holland, Nieuw-Zeeland, de Kaaplanden,
-Suriname enz. zuidelijker dan Engeland of Nederland, enz. enz. Van
-volks- of landverhuizingen van het Zuiden naar het Noorden met blijvend
-gevolg zal men daarentegen in de geheele geschiedenis nauwelijks een
-enkel voorbeeld kunnen aanwijzen. De Noorsche kolonisatie van Groenland
-ging te gronde en de tegenwoordige bezittingen der Denen aldaar worden
-door Eskimo’s, niet door een Deensche bevolking (uitgezonderd de
-ambtenaren), bewoond. De Moorsche verovering van Spanje, die hier nog
-het best zou kunnen worden aangehaald, eindigde daarmede dat de Mooren
-eindelijk toch weêr naar het Zuiden en ten slotte naar Afrika werden
-teruggedrongen. De geheele geschiedenis is „im Ganzen und Groszen”
-beschouwd, een terugdringen en overstroomen van zuidelijke volken door
-oorspronkelijk meer noordelijk wonende.
-
-[511] Van hier af tot aan II is grootendeels niet ontleend aan den
-Markies de Saporta, maar (gelijk ook veel van het voorgaande) bijna
-geheel door mij geschreven.
-
-[512] A. Gaudry, „Les enchaînements du monde animal”, Paris, 1878.
-
-[513] Lartet maakte uit het in 1856 gevonden onderkaaksfragment op, dat
-deze aap minder vooruitspringend aangezicht dan andere apen zou hebben
-gehad, dat hij door de afgeronde knobbels der kiezen op de
-Nieuw-Hollanders zou hebben geleken, en dat de „kies van verstand” bij
-hem evenals bij den mensch na den hoektand zou zijn verschenen, zoodat
-hij in al die opzichten nader bij den mensch zou hebben gestaan dan een
-der thans levende anthropomorphen. Uit een tweede, later ter zelfder
-plaatse gevonden onderkaak van een ander individu van Dryopithecus
-leidt Gaudry thans echter af, dat deze den laagsten trap onder de
-anthropomorphen bekleedde en dus ongetwijfeld niet de bewerker der
-bedoelde steenen is geweest.
-
-[514] De fjorden en nauwe straten, die thans de pooleilanden onderling
-en van de vastelanden scheiden, zijn waarschijnlijk allen sedert het
-begin van het Quaternaire Tijdvak door ijswerking ontstaan. De
-Barendszee tusschen Noorwegen, Spitsbergen, Nova-Zembla en
-Frans-Josephsland was ongetwijfeld in een geologisch kort geleden tijd
-vast land, dat zich, wie weet hoever, naar het Noorden uitstrekte. Er
-bestond dus oudtijds in de Noordpoolstreken nog veel meer land dan
-tegenwoordig, en de Oude en de Nieuwe Wereld maakten destijds, over de
-Pool heên, een nagenoeg onafgebroken geheel uit. Als men een
-wereldkaart beschouwt, zoo geteekend, dat de Noordpool het middelpunt
-daarvan vormt, en zich de Poolzee voorstelt als nagenoeg geheel door
-land ingenomen, zal men zien, dat Azië, Europa en Noord-Amerika een
-nagenoeg samenhangenden driehoek vormen, waarvan Malakka, Arabië en
-Mexico de hoeken vormen en dat b.v. de Oostkust van Noord-Amerika (van
-Noord naar Zuid) in het verlengde valt van de Westkust van de Roode Zee
-(van Zuid naar Noord)! Men vergelijke het wereldkaartje, blz. 294.
-
-[515] Reeds vroeger kunnen ook overbevolking en oorlogen tusschen
-stammen tot verhuizingen aanleiding hebben gegeven. In 1886 is door de
-Quatrefages in de zitting der Parijsche Académie des Sciences van 6
-October en in een zitting van het Parijsche Aardrijkskundig Genootschap
-in December 1887 een dergelijk gevoelen uitgesproken. Hij houdt het
-uiterste Noord-Oosten van Azië voor de wieg van het menschdom in het
-tertiaire tijdvak en laat den mensch door de koude gedwongen naar
-lagere breedten trekken. Het laatstgenoemd denkbeeld was door hem ook
-reeds in 1877 in zijn boek „l’Espèce humaine” uitgesproken.
-
-[516] Vandaar zouden palaeontologische nasporingen op het Zuidpoolland,
-zoo zij mogelijk waren, buitengewoon belangrijke resultaten beloven!
-Zoolang de equator te warm was om organisch leven toe te laten, maar de
-polen daartoe genoeg waren afgekoeld, waren de dieren en planten van
-het Noordelijk en Zuidelijk halfrond elkander even vreemd alsof zij
-verschillende planeten bewoonden.
-
-[517] Onder de lava van een der uitgebrande vulkanen van Auvergne.
-
-[518] Quatrefages houdt het er voor dat dit ras tot het Tertiaire
-Tijdvak opklimt („Nature”, 1887, blz. 23). Prof. Fraipont („Bull. de
-l’Acad. royale de Belgique”), aangehaald door A. H. Keane („Nature”,
-1887, blz. 565), brengt het daarentegen tot de zoogenaamde Moustier
-periode (zie onder, blz. 426) en voor jonger dan de „période
-Chelléenne” (zie onder, blz. 423), en dus ook dan het nog oudere
-tertiaire tijdvak. De mensch van „la période Chelléenne” en van het
-Tertiaire Tijdvak zou dus nog dierlijker ontwikkeld zijn geweest dan
-het ras van Cannstatt.
-
-[519] Zij zouden dit hebben gedaan door hem in het vuur te laten
-springen en de voor het doel geschikte splinters uit te zoeken, en niet
-door er stukjes af te slaan, gelijk de quaternaire menschen.
-
-[520] Volgens professor J. Kollmann te Bazel (vergelijk: „Het Varieeren
-der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 82) zou ook het blonde
-menschen-type Europa van uit het Noorden zijn binnengetrokken, wat
-geheel in overeenstemming met onze hypothese is. Het moet dus uit het
-centrale Noordpoolgebied of uit het uiterste Noordoosten van Azië over
-het centrale Noordpoolgebied naar Europa zijn gekomen. Het brunette
-type zou daarentegen uit het Zuiden, dus uit Noord-Afrika Europa zijn
-binnengedrongen, hetgeen als een soort terugvloeiing naar het Noorden
-zou kunnen worden beschouwd door den drang van uit het Noord-Oosten van
-uit Azië Afrika binnenstroomende stammen. In dit geval zou men zelfs
-kunnen onderstellen, dat het brunette type, na in het Zuiden brunet
-geworden te zijn, door nieuwe verhuizingen uit Azië naar zijn vroegere,
-meer noordelijke woonplaats in Europa werd teruggedrongen.
-
-[521] Dit is slechts schijnbaar in strijd met de in noot 1, blz. 410,
-gegeven schets van de waarschijnlijke wijze van verspreiding der
-menschenrassen (die wij daar volgens het systeem van Haeckel noemden).
-Al stond ’t ras van Cannstatt beneden de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders
-en Tasmaniërs, zoo kunnen deze toch voor de minst veranderde
-afstammelingen daarvan gelden. En al staan de hoogere menschenrassen
-nog meer boven het ras van Cannstatt, zoo zullen toch de
-oorspronkelijke stamvormen dier rassen niet zoo hoog hebben gestaan en
-onderling meer gelijkvormig zijn geweest dan de tegenwoordige rassen.
-Het leidt geen twijfel of alle tegenwoordige rassen stammen
-oorspronkelijk van een enkel ras af, dat lager stond dan zij allen, en
-dit kan zeer goed het ras van Cannstatt zijn geweest. In elk geval
-bedoelt de noot 1, blz. 410, alleen een schematisch overzicht te geven
-van de wijze waarop de tegenwoordige hoofdrassen elkander zijn
-opgevolgd en elkander zuidwaarts hebben teruggedrongen, en geenszins,
-dat de voorouders dier rassen, toen zij hun verhuizingen begonnen,
-reeds geheel de tegenwoordige kenmerken dier rassen bezaten en zich
-niet, door zich naar nieuwe levensvoorwaarden te voegen, in nieuwe
-locale rassen hebben gesplitst. In een beschouwing, gelijk in deze
-verhandeling wordt gegeven, moet noodzakelijk op het tegenwoordig
-standpunt onzer kennis, veel onbestemds blijven!
-
-[522] Département Saône et Loire.
-
-[523] Arrondissement Sarlat (Dordogne).
-
-[524] In de pyramidengraven van Sakara in Egypte vond men een
-afbeelding van een vrouw die sterke steatopygie vertoont (zie blz.
-378). Ofschoon Dr. H. Ploss („Das Weib”, 3e Auft., Leipzig, 1891), die
-er een houtsneê naar geeft, het verklaarde voor een Arabische vorstin
-van Aethiopisch ras uit de 18de eeuw voor Chr., houden wij het er voor,
-daar steatopygie in onzen tijd alleen bij de Hottentotten en hun naaste
-verwanten in Zuid-Afrika voorkomt, dat deze afbeelding bewijst, dat òf
-laatstgenoemde volken zich in de 18de eeuw v. Chr. veel noordelijker
-uitstrekten dan thans, òf dat de Egyptenaars destijds eenigszins met
-het uiterste Zuiden van Afrika bekend waren. De gelaatsvorm der
-afbeelding is volstrekt niet Arabisch, noch Egyptisch, maar bevestigt
-veeleer laatstgenoemde onderstelling.
-
-[525] Men zie het wereldkaartje, blz. 294, waarop het land geel, de
-deelen van den Oceaan, die minder dan 1000 vademen diep zijn, wit, en
-de meer dan 1000 vademen diepe gedeelten van den Oceaan blauw zijn
-geteekend.
-
-[526] Madagascar bewaart ons nog een voorbeeld van de fauna van Afrika,
-voordat daar de groote dikhuidige, herkauwende en verscheurende dieren
-en de ware apen waren, die waarschijnlijk uit het Europeesch-Aziatisch
-vasteland kwamen. Het Atlasgebergte hing toen met Europa samen, en de
-Sahara, Egypte en Tripoli waren door de zee bedekt. Dat in een tijd
-toen in Europa-Azië al de genoemde diervormen reeds voorkwamen (zij het
-in andere soorten dan de tegenwoordige), in Afrika (met uitzondering
-der natuurhistorisch tot Europa behoorende Atlaslanden) nog slechts
-Lemuriden voorkwamen, maakt het uiterst onwaarschijnlijk, dat Afrika
-het oorspronkelijk vaderland van den mensch zou zijn.
-
-De uitgestorven reuzenvogels van Nieuw-Zeeland wijzen op een vroegeren
-samenhang, ook van die eilandengroep met een groot vasteland.
-
-[527] Of uit Zuid-Amerika over het Zuidpoolland in Nieuw-Holland en
-Azië en vice-versa.
-
-[528] De Noordelijke IJszee is zoover bekend, allerwege ondiep, en er
-is geen reden om aan te nemen, dat die naar de pool toe dieper wordt
-(wel om aan te nemen dat daar nog onbekend land ligt). Wij hebben het
-geheele centrale Noordpoolgebied daarom op het kaartje wit geteekend.
-
-[529] Berekening bevestigt dit.
-
-De Atlant. Oceaan is groot 1,610 millioen □ geographische mijlen.
-De Ind. Oceaan ,, ,, 1,340 ,, ,, ,, ,,
-Afrika ,, ,, 0,545 ,, ,, ,, ,,
- =====
-Samen 3,495 ,, ,, ,, ,,
-
-De Stille Oceaan is groot 3,190 millioen □ geographische mijlen.
-
-Men houde hierbij in het oog, dat geologisch kort geleden een zeer
-aanzienlijk deel van Afrika (de Sahara, Tripoli en Egypte) stellig een
-deel des Oceaans was. Stelt men dit op ⅓ van Afrika, dus 0,181 millioen
-geographische mijlen, dan heeft men 1,610 + 1,340 + 0,181 = 3,131
-millioen geographische mijlen, en komen wij nog dichter bij de grootte
-van den Stillen Oceaan dan bij onze eerste onderstelling Zuid- en
-Centraal-Afrika blijven dan als een groot driehoekig eiland in het
-middelpunt van den ring midden in den Indo-Atlantischen Oceaan liggen!
-
-[530] Volgens Wallace is de gemiddelde hoogte van het land 2250 Eng.
-voet, de gemiddelde diepte van den Oceaan 14,640 Eng. voet, het volumen
-van het droge land 23,450,000 kub. mijlen, het volumen van het water
-van den Oceaan 323,800,000 kub. mijlen, zoodat, als al de vaste stof
-der aarde tot een bol was vereenigd, deze door een Oceaan van omstreeks
-twee mijlen diep bedekt zou zijn.
-
-[531] Hiermede bedoelen wij dieper dan 1000 vademen.
-
-[532] Deze mogelijkheid wordt door Wallace niet besproken.
-
-[533] Derhalve hebben landen als Lemurië, Atlantis en ’t onderstelde
-vasteland waarvan de eilanden van Polynesië de overblijfselen zouden
-zijn, nimmer bestaan. Wel kan Nieuw-Holland over Nieuw-Guinea en den
-Oost-Indischen Archipel met Azië hebben samengehangen, en hangt het
-daarmede door een onderzeesch plateau nog heden aldus samen.
-
-[534] De beide bewijzen zijn in hoofdzaak ontleend aan Wallace
-(„Darwinism”, Hoofdstuk XII).
-
-[535] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol II 1840, blz. 541. De
-later vermelde mededeelingen omtrent Tanais, ben ik aan Fritz Müller
-verschuldigd.
-
-[536] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826,
-blz. 309.
-
-[537] Dr. Perrier („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 865) voert
-dit geval aan als een afdoend argument tegen de seksueele teeltkeus,
-onderstellende, dat ik alle verschillen tusschen de beide seksen aan
-seksueele teeltkeus toeschrijf. Deze bekende natuuronderzoeker heeft
-dus, evenals zoovele andere Franschen, de moeite niet genomen om zelfs
-de eerste beginselen der seksueele teeltkeus te begrijpen. Een Engelsch
-natuuronderzoeker wijst er op, dat de grijporganen van sommige
-mannelijke dieren niet door de keus van het wijfje kunnen zijn
-ontwikkeld. Had ik deze opmerking niet ontmoet, dan zou ik het voor
-onmogelijk hebben gehouden, dat iemand die dit hoofdstuk had gelezen,
-zich zou hebben verbeeld, dat ik volhield, dat de keus van het wijfje
-iets te maken had met de ontwikkeling der grijporganen bij het
-mannetje.
-
-[538] Zelfs bij die planten, bij welke de seksen zijn gescheiden, zijn
-de mannelijke bloemen gewoonlijk vroeger rijp, dan de vrouwelijke. Vele
-tweeslachtige (hermaphroditische) planten zijn, zooals het eerst door
-C. K. Sprengel is aangetoond, dichogaam, d.i. hun mannelijke en
-vrouwelijke organen zijn niet tegelijkertijd gereed, zoodat zij zich
-zelf niet kunnen bevruchten. Nu is bij zulke planten het stuifmeel
-gewoonlijk vroeger rijp dan de stempel, hoewel eenige soorten, bij
-welke de vrouwelijke organen vroeger rijp worden dan de mannelijke,
-hierop een uitzondering maken.
-
-[539] Ik heb hieromtrent mededeelingen ontvangen, waarvan ik later
-gewag zal maken ten opzichte van hoenders. Zelfs bij vogels, zooals
-duiven, die zich voor hun geheele leven paren, verlaat, gelijk ik van
-den heer Jenner Weir hoor, het wijfje haar levensgezel, wanneer deze
-gekwetst of ziekelijk wordt.
-
-[540] Over den gorilla, Savage en Wyman, „Boston Journal of Nat. Hist.”
-vol. V, 1845–47, blz. 423. Over Cynocephalus, Brehm, „Illustr.
-Thierleben”, Bd. I, 1864, blz. 77. Over Mycetes, Rengger, „Naturgesch.:
-Saügethiere von Paraguay”, 1830, blz. 14, 20. Over Cebus, Brehm, ibid.,
-blz. 108.
-
-[541] Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, Fasc. XII, 1777, blz. 29. Sir
-Andrew Smith, „Illustration of the Zoölogy of S. Africa”, 1849, pl. 29,
-over den Kobus. Owen geeft in zijn „Anatomy of Vertebrates” (vol. III,
-blz. 633) een tabel, waarop bij elke soort van antilope is opgeteekend,
-of zij paarsgewijze of in kudden leeft.
-
-[542] Dr. Campbell in „Proc. Zoölog. Soc.”, 1869, blz. 138. Zie ook een
-belangwekkende verhandeling van Luitenant Johnstone in „Proc. Asiatic
-Soc. of Bengal”, Mei 1868.
-
-[543] Dr. Gray, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, blz. 302.
-
-[544] Zie Dr. Dobson’s uitnemende verhandeling, in „Proc. Zoolog.
-Soc.”, 1873, blz. 241.
-
-[545] „The Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133, over den Progne-Weduwvogel.
-Zie ook over Vidua axillaris, ibid., vol. II, 1860, blz. 211. Over de
-veelwijverij van den grooten auerhaan en groote trapgans, zie L. Lloyd,
-„Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 19 en 182. Montagu en Selby spreken
-van den korhaan als veelwijvig en van den rooden Schotschen boschhaan
-als eenwijvig.
-
-[546] De weleerw. heer Dixon zegt echter nadrukkelijk („Ornamental
-Poultry”, 1848, blz. 76), dat de eieren van het parelhoen onvruchtbaar
-zijn, als men meer dan één wijfje met een zelfde mannetje houdt.
-
-[547] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826,
-blz. 324.
-
-[548] Een parasietisch Vliesvleugelig Insekt (Westwood, „Modern
-Classification of Insects”, vol. II, blz. 160) vormt een uitzondering
-op den regel, daar het mannetje rudimentaire vleugels heeft en de cel
-waarin hij is geboren, nooit verlaat, terwijl het wijfje goed
-ontwikkelde vleugels bezit. Audouin gelooft, dat de wijfjes worden
-bevrucht door de mannetjes die met haar in de zelfde cel worden
-geboren, maar het is waarschijnlijker, dat de wijfjes andere cellen
-bezoeken en dus een paring tusschen zeer nauwe bloedverwanten
-vermijden. Wij zullen later in verschillende klassen eenige weinige
-exceptioneele gevallen ontmoeten, waarin het wijfje, en niet het
-mannetje, de andere sekse opzoekt en haar het hof maakt.
-
-[549] „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, vol. I, 1861,
-blz. 194.
-
-[550] Prof. Sachs („Lehrbuch der Botanik”, 1870, blz. 633) merkt, van
-de mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen sprekende, op:
-„Verhält sich die eine bei der Vereinigung activ .... die andere
-erscheint bei der Vereinigung passiv.”
-
-[551] „Vorträge über Viehzucht”, 1872, blz. 63.
-
-[552] „Reise der Novara: Anthropologischer Theil”, 1167, blz. 216–269.
-De resultaten werden berekend door Dr. Weisbach uit metingen van Dr. K.
-Scherzer en Dr. Schwarz. Over de grootere neiging tot variabiliteit van
-de mannetjes van tamme dieren, zie mijn „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Deel II, blz 54, 55.
-
-[553] „Proceedings Royal Soc.”, vol. XVI, Juli, No. 3, 1868, blz. 519
-en 521.
-
-[554] „Proc. Royal Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 123.
-
-[555] „Massachusetts Medical Soc.”, vol. II, No. 3, 1868, blz. 9.
-
-[556] „Archiv für Path. Anat. und Phys.”, 1871, blz. 448.
-
-[557] De besluiten waartoe voor eenige jaren Dr. J. Stockton Hough is
-gekomen ten opzichte van de temperatuur van den man, worden medegedeeld
-in de „Pop. Science Review”, 1 Jan. 1874, blz. 97.
-
-[558] Prof. Mantegazza is geneigd te gelooven („Lettera a Carlo
-Darwin”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1871, blz. 306), dat de
-levendige kleuren waardoor zoovele mannelijke dieren zich
-onderscheiden, worden veroorzaakt door de tegenwoordigheid en het door
-hen bewaren der zaadvloeistof; maar dit kan moeilijk het geval zijn;
-want vele mannelijke vogels, bij voorbeeld jonge fazanten, worden
-levendig gekleurd in den herfst van hun eerste levensjaar.
-
-[559] Voor den mensch, zie Dr. J. Stockton Hough, wiens besluiten
-worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1874, blz. 97. Zie
-omtrent Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) Girard’s mededeelingen,
-medegedeeld in „The Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.
-
-[560] „Mammals and Birds of E. Florida”, blz. 234, 280, 295.
-
-[561] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-54, 55. In op één na het laatste hoofdstuk wordt de hypothese der
-pangenesis uitvoerig verklaard.
-
-[562] Deze feiten worden medegedeeld op de gewichtige autoriteit van
-een groot hoenderfokker, den heer Teebay in Tegetmeier’s „Poultry
-Book”, 1868, blz. 158. Over de kenmerken van kuikens van verschillende
-rassen, en over de duivenrassen, waarop boven wordt gedoeld, zie
-„Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 288, Deel II, blz. 57.
-
-[563] „Novae Species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Over
-de overplanting van de kleur door het paard, zie „Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz 67. Ook Deel II, blz. 52,
-voor de algemeene bespreking van de beperking der overerving door de
-sekse.
-
-[564] Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87. Boitard
-en Corbié, „Les Pigeons de Volière” enz., 1824, blz. 173. Zie ook
-omtrent dergelijke verschillen tusschen zekere rassen te Modena, „Le
-variazioni dei Columbi domestici”, del Paolo Bonizzi, 1873.
-
-[565] Sedert het verschijnen van de eerste uitgaaf van dit werk heeft
-het mij groote voldoening geschonken de volgende opmerkingen te vinden
-(„The Field”, Sept. 1872) van zulk een ondervindingrijk fokker als de
-heer Tegetmeier. Na eenige merkwaardige gevallen bij duiven te hebben
-beschreven, van het overplanten der kleur door de eene sekse alleen, en
-de vorming van een onder-ras met dat kenmerk, zegt hij: „Het is
-merkwaardig dat de heer Darwin het denkbeeld heeft geopperd, dat het
-mogelijk was om de seksueele kleuren van vogels door voortgezette
-kunstmatige teeltkeus te wijzigen. Toen hij dit deed, was hij onbekend
-met de feiten die ik thans heb medegedeeld; maar het is opmerkelijk hoe
-nauwkeurig hij de juiste methode aangaf, die men daarbij moest volgen.”
-
-[566] Ik verwijs daaromtrent naar mijn „Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Deel II, blz. 52.
-
-[567] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples, die omtrent
-den reebok en het edelhert van Schotland een onderzoek voor mij deed
-bij den heer Robertson, de ondervindingrijke opperhoutvester van den
-markies van Breadalbane. Wat het damhert aangaat, ben ik den heer Eyton
-en anderen inlichtingen verschuldigd. Omtrent den eland (Cervus alces)
-van Noord-Amerika, zie „Land and Water”, 1868, blz. 221 en 254; en
-omtrent Cervus virginianus en strongyloceros van het zelfde werelddeel,
-zie J. D. Caton in „Ottawa Acad. of Nat. Sc.”, 1868, blz. 13. Omtrent
-Cervus Eldi van Pegu, zie Luit. Beavan, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867,
-blz. 762.
-
-[568] Antilocapra americana, Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III,
-blz. 627.
-
-[569] Men heeft mij verzekerd, dat men de horens van de schapen in
-Noord-Wallis altijd kan voelen, en dat zij soms bij de geboorte zelfs
-2½ c.M. lang zijn. Omtrent hoornvee zegt Youatt („Cattle”, 1834, blz.
-277), dat het uitsteeksel van het voorhoofdsbeen bij de geboorte door
-de huid dringt, en dat de hoornachtige zelfstandigheid zich spoedig
-daarover vormt.
-
-[570] Ik ben grooten dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus, die bij
-de hoogste autoriteiten een onderzoek voor mij deed omtrent de
-merino-schapen van Saksen. Aan de kust van Guinea in Afrika is er een
-ras van schapen bij hetwelk, evenals bij de merino’s, alleen de
-mannetjes horens dragen; en de heer Winwood Reade meldt mij, dat in het
-eenige waargenomen geval een jonge ram, die den 10den Februari was
-geboren, het eerst horens vertoonde op den 6den Maart, zoodat in dit
-geval de ontwikkeling der horens in een later tijdperk van het leven
-plaats had, in overeenkomst met onzen regel, dan bij het schaap van
-Wales, bij hetwelk beide seksen gehorend zijn.
-
-[571] „Ueber die knöchernen Schädelhöcker der Vögel” in het
-„Niederländisches Archiv für Zoologie”, Bd. 1, Heft 2, 1872.
-
-[572] Bij den gewonen pauw (Pavo cristatus) bezit alleen het mannetje
-sporen, terwijl zich bij den Javaanschen pauw (Pavo muticus) het
-ongewone geval voordoet, dat beide seksen van sporen voorzien zijn. Ik
-verwachtte daarom stellig, dat zij zich bij laatstgenoemde soort op
-jonger leeftijd zouden ontwikkelen dan bij den gewonen pauw; maar de
-heer Hegt, van Amsterdam, meldt mij, dat tusschen jonge vogels van het
-vorige jaar, tot beide soorten behoorende, vergeleken op den 23sten
-April 1869, geen verschil in de ontwikkeling der sporen bestond. De
-sporen werden toen nog slechts door kleine knobbels of verhevenheden
-gevormd. Ik onderstel, dat ik bericht zou hebben ontvangen, indien
-later eenig verschil in de mate van ontwikkeling was waargenomen.
-
-[573] Bij sommige andere soorten van de familie der Eenden verschilt de
-spiegelvlek bij de twee seksen in grootere mate; maar ik ben niet in
-staat geweest te ontdekken, of de volkomen ontwikkeling daarvan bij de
-mannetjes van dergelijke soorten op later leeftijd plaats grijpt dan
-bij de gewone eend, zooals volgens onzen regel zou moeten geschieden.
-Bij den verwanten Mergus cucullatus hebben wij echter een geval van
-dien aard; de beide seksen verschillen in het oog vallend in algemeen
-gevederte, en in aanmerkelijke mate in de spiegelvlek, die bij het
-mannetje zuiver wit en bij het wijfje grijsachtig wit is. Nu gelijken
-de jonge mannetjes eerst in alle opzichten op het wijfje en hebben een
-grijsachtig witte spiegelvlek; maar deze wordt zuiver wit op een
-jongeren leeftijd dan dien waarop het volwassen mannetje zijn andere
-sterker uitgedrukte verschillen in gevederte verkrijgt: zie Audubon,
-„Ornithological Biography”, vol. III, 1835, blz. 249–250.
-
-[574] „Das Ganze der Taubenzucht”, 1837, blz. 21, 24. Omtrent het geval
-der gestreepte duiven, zie Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”,
-1865, blz. 87.
-
-[575] Voor uitvoerige bijzonderheden en aanhalingen omtrent al deze
-punten ten opzichte van de verschillende hoenderrassen, zie „Varieeren
-der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 261 v.v. Wat de hoogere
-dieren aangaat, zijn de seksueele verschillen die ten gevolge der
-temming zijn ontstaan, in het zelfde werk bij elke soort beschreven.
-
-[576] „Twenty-ninth Annual Report of the Registrar-General for 1886”.
-In dit verslag (p. XII) wordt een bijzondere tienjarige tabel gegeven.
-
-[577] Omtrent Noorwegen en Zweden, zie een uittreksel van de
-onderzoekingen van Dr. Faye in „British and Foreign Medico-Chirurg.
-Review”, April, 1867, blz 343, 345. Omtrent Frankrijk, het „Annuaire
-pour l’An 1867”, blz. 213.
-
-[578] Voor Philadelphia zie Dr. Stockton Hough, „Social Science
-Assoc.”, 1874. Voor de Kaap de Goede Hoop, Quetelet, aangehaald door
-Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen in de Nederlandsche vertaling van dit
-werk, in wiens vijfde aanteekening op dit hoofdstuk vele opgaven zijn
-bijeengebracht omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen.
-
-[579] Ten opzichte der Joden, zie den heer Thury, „La Loi de Production
-des Sexes”, 1863, blz. 25.
-
-[580] „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz.
-343. Dr. Stark merkt ook op („Tenth Annual Report of Births, Deaths,
-etc, in Scotland”, 1867, blz. XXVIII): „Deze voorbeelden mogen
-voldoende zijn, om aan te toonen, dat op elken leeftijd de mannen in
-Schotland meer kans hebben om te sterven dan de vrouwen, en dat hun
-gemiddelde sterfte grooter is dan die van deze laatste. Het feit
-echter, dat deze bijzonderheid het sterkst is ontwikkeld in dat
-kinderlijk tijdperk van het leven, waarin de kleeding, het voedsel en
-de behandeling van beide seksen het zelfde zijn, schijnt te bewijzen,
-dat de grootere gemiddelde sterfte der mannen een aangeboren,
-natuurlijke en constitutioneele, alleen door de sekse veroorzaakte
-bijzonderheid is.”
-
-[581] „West-Riding Lunatic Asylum Reports”, vol. I, 1871, blz. 8. Sir
-J. Simpson heeft bewezen, dat het hoofd van de jongens bij de geboorte
-in omtrek ruim 9 millimeter en in dwarse doorsnede ruim 3 millimeter
-grooter is dan dat van de meisjes. Quetelet heeft bewezen, dat de
-meisjes kleiner geboren worden dan de jongens; zie Dr. Duncan,
-„Fecundity, Fertility, Sterility”, 1871, blz. 382.
-
-[582] Bij de wilde Guarani’s van Paraguay staat volgens den
-nauwkeurigen Azara („Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome II, 1809,
-blz. 60, 179) het aantal vrouwen tot dat der mannen als 14 tot 13.
-
-[583] Babbage „Edinburgh Journal of Science”, 1829, vol. I, blz. 88;
-ook blz. 90, omtrent doodgeboren kinderen. Over onwettige kinderen in
-Engeland, zie „Report of Registrar-General” voor 1866, blz. XV.
-
-[584] Leuckart in Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853,
-blz. 774.
-
-[585] „Anthropological Review”, April, 1870, blz. CVIII.
-
-[586] Gedurende de laatste elf jaren is er aanteekening gehouden van
-het aantal merries die onvruchtbaar bleken te zijn of haar veulens te
-vroeg baarden, en dit verdient opmerking, daar het bewijst hoe
-onvruchtbaar deze sterk gevoede en vrij dicht in de familie met
-elkander gepaarde dieren zijn geworden, zoodat bijna een derde gedeelte
-van de merries geen levende veulens voortbrachten. Zoo werden in 1886
-809 hengstveulens en 816 merrieveulens geboren en 743 merries brachten
-geen jongen voort. In 1867 werden 836 hengstveulens en 902
-merrieveulens geboren, 794 merries bleven onvruchtbaar.
-
-[587] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples die mij de
-boven vermelde opgaven uit Schotland, zoowel als sommige van de
-volgende omtrent hoornvee heeft verschaft. De heer R. Elliot van
-Laighwood vestigde het eerst mijn aandacht op den vroegtijdigen dood
-der mannetjes—een mededeeling later door den heer Aitchison en anderen
-bevestigd. Aan dezen laatsten heer en aan den heer Payan heb ik de
-uitgebreidste opgaven omtrent schapen te danken.
-
-[588] Bell, „History of British Quadrupeds”, blz. 100.
-
-[589] „Illustrations of the Zoology of S. Africa”, 1849, blz. 29.
-
-[590] Brehm („Illust. Thierleben”, Bd. IV, blz. 990) komt tot het
-zelfde besluit.
-
-[591] Op autoriteit van L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz.
-12, 132.
-
-[592] „Nat Hist. of Selborne”, brief XXIX, uitgaaf van 1825, vol. I,
-blz. 139.
-
-[593] De heer Jenner Weir ontving overeenkomstige mededeelingen, toen
-hij gedurende het volgende jaar onderzoek deed. Om het aantal gevangen
-vinken aan te toonen, kan ik vermelden, dat er in 1869 een wedstrijd
-tusschen twee deskundigen was; en de eene man ving op éénen dag 62, de
-andere 40 mannelijke vinken. Het grootste aantal dat ooit door éénen
-man op een enkelen dag is gevangen, bedroeg 70.
-
-[594] „Ibis”, vol. II, blz. 260, aangehaald in Gould’s „Trochilidae”,
-1861, blz. 25. Wat de overige verhoudingsgetallen aangaat, ben ik aan
-den heer Salvin een tabel van zijn resultaten verschuldigd.
-
-[595] „Ibis”, 1860, blz. 137, en 1867, blz. 369.
-
-[596] „Ibis”, 1862, blz. 137.
-
-[597] Leuckart haalt Bloch aan (Wagner „Handwörterbuch der Phys.” Bd.
-IV, 1835, blz. 775), die zegt, dat er bij de visschen tweemaal zooveel
-mannetjes als wijfjes zijn.
-
-[598] Aangehaald in de „Farmer”, 18 Maart, 1869, blz. 369.
-
-[599] „The Stormontfield Piscicultural Experiments”, 1866, blz. 33. De
-„Field” Courant, 29 Juni, 1867.
-
-[600] „Land and Water”, 1862, blz. 41.
-
-[601] Yarrel, „Hist. British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 307; over
-Cyprinus carpio, blz. 331; over Tinca vulgaris, blz. 331; over Abramis
-brama, blz. 336. Zie omtrent Leuciscus phoxinus, „Loudon’s Mag. of Nat.
-Hist.”, vol. V, 1832, blz. 682.
-
-[602] Leuckart haalt Meinecke aan (Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”,
-Bd. IV, 1853, blz. 775), die zegt, dat bij de Kapellen de mannetjes
-drie- of viermaal talrijker zijn dan de wijfjes.
-
-[603] „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, 347.
-
-[604] Vier van deze gevallen worden door den heer Trimen medegedeeld in
-zijn „Rhopalocera Africae Australis.”
-
-[605] Aangehaald door Trimen, „Transact. Ent. Soc.”, vol. V, part IV,
-1806, blz. 330.
-
-[606] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, blz. 37.
-
-[607] „Proc. Entomolog. Soc.”, 17 Febr. 1868.
-
-[608] Aangehaald door Dr. Wallace in „Proc. Ent. Soc.”, 3rd. Series,
-vol. V, 1867, blz. 487.
-
-[609] Blanchard, „Metamorphoses, Moeurs des insectes”, 1868, blz.
-225–226.
-
-[610] „Lepidopteren-Doubletten Liste”, Berlin, No. X, 1866.
-
-[611] Deze natuuronderzoeker is zoo vriendelijk geweest mij eenige
-opgaven omtrent vroegere jaren te zenden, gedurende welke de wijfjes de
-overhand schenen te hebben; maar zoovele daarvan waren slechts
-schattingen, dat het mij niet mogelijk was er een tabel van te maken.
-
-[612] Günthers „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 260. Over
-de overmaat van wijfjes bij Lucanus, ibid., blz. 250. Over de mannetjes
-van Lucanus in Engeland, Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I,
-blz. 187. Over Siagonium, ibid., blz. 172.
-
-[613] Walsh, in „The American Entomologist”, vol. I, 1869, blz. 103. F.
-Smith, „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 328.
-
-[614] „Farm Insects”, blz. 45–46.
-
-[615] „Anwendung der Darwinschen Lehre. Verh. d. n. V. Jahrg. XXIV.”
-
-[616] „Die Strich-, Zug- oder Wanderheuschrecke”, 1828, blz. 20.
-
-[617] „Observations in N. American Neuroptera”, door H. Hagen en B. D.
-Walsh, „Proc. Ent. Soc. Philadelphia”, October 1863, blz. 168, 223,
-239.
-
-[618] „Proc. Ent. Soc. London”, 17 Febr. 1868.
-
-[619] Een andere groote autoriteit in deze klasse, Prof. Thorel van
-Upsala („On European Spiders”, 1869–70, part I, blz. 205) spreekt,
-alsof vrouwelijke spinnen over het algemeen meer voorkwamen dan
-mannelijke.
-
-[620] Zie over dit onderwerp den heer Pickart-Cambridge, aangehaald in
-„Quarterly Journal of Science”, 1868, blz. 429.
-
-[621] „The Todas”, 1878, blz. 100, 111, 194, 196.
-
-[622] „Aboriginal Inhabitants of New-Zealand; Government Report”, 1859,
-blz. 36.
-
-[623] „Narrative of a Tour through Hawaii”, 1826, blz. 298.
-
-[624] „History of the Sandwich-Islands”, 1843, blz. 93.
-
-[625] Dit wordt medegedeeld in des weleerw. heeren H. T. Cheever’s
-„Life in the Sandwich-Islands”, 1851, blz. 277.
-
-[626] Dr. Coulter zegt („Journal R. Geograph. Soc.” 1835, vol. V, blz.
-67), den toestand van Californië omstreeks het jaar 1830 beschrijvende,
-dat de inboorlingen die door de Spaansche zendelingen waren bekeerd,
-bijna allen zijn omgekomen of omkomen, hoewel zij goed behandeld en
-niet uit hun geboorteland verdreven worden, en men hen belet
-alcoholische dranken te gebruiken. Hij schrijft dit voor een groot deel
-toe aan het ontwijfelbare feit, dat de mannen de vrouwen aanmerkelijk
-in aantal overtreffen, maar hij weet niet, of dit komt, omdat er minder
-meisjes worden geboren, of omdat meer meisjes in haar prille jeugd
-sterven. Het laatste is volgens alle analogie zeer onwaarschijnlijk.
-Hij voegt er bij, dat „eigenlijk gezegde kindermoord niet algemeen is,
-ofschoon men zeer dikwijls zijn toevlucht neemt tot abortie.” Indien
-Dr. Coulter gelijk heeft omtrent kindermoord, kan dit geval niet tot
-ondersteuning van kolonel Marshall’s meening worden aangehaald. Wegens
-de snelle afneming van de bekeerde inboorlingen mogen wij vermoeden,
-dat, evenals in de vroeger medegedeelde gevallen, hun vruchtbaarheid is
-verminderd wegens verandering der levensvoorwaarden.
-
-Ik had gehoopt eenig licht te verkrijgen omtrent dit onderwerp uit het
-fokken van honden, in zoover als bij de meeste rassen, uitgezonderd
-misschien bij windhonden, meer jonge teven dan reuen worden gedood,
-gelijk bij de kinderen der Toda’s. De heer Cupples verzekert mij, dat
-dit gewoonlijk geschiedt bij de Schotsche hertenhonden. Ongelukkig weet
-ik niets omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen bij eenig ras,
-met uitzondering der windhonden, en bij deze laatste staat het aantal
-reuen dat wordt geboren, tot het aantal teven als 110.1 tot 100. Nu
-schijnt het volgens navraag bij vele fokkers gedaan, dat de teven in
-sommige opzichten hooger worden geschat, hoewel zij in andere opzichten
-lastig zijn; en het blijkt niet, dat de jonggeboren teven van de beste
-hondenrassen die worden gefokt, stelselmatig in grooter aantal worden
-gedood dan de reuen, hoewel dit soms in beperkte mate plaats grijpt. Ik
-ben daarom niet in staat te beslissen, of wij volgens de bovenvermelde
-beginselen de overmaat van mannelijke geboorten bij windhonden kunnen
-verklaren. Van den anderen kant hebben wij gezien, dat bij paarden,
-runderen en schapen, die te kostbaar zijn om de jongen van een van
-beide seksen te dooden, als er eenig verschil is, de vrouwelijke sekse
-eenigszins talrijker is.
-
-[627] Behalve dit werk worden door Dr. Lubach nog aangehaald: Boudin,
-„Géographie médicale” en „Du non-cosmopolitisme des races humaines”,
-Nott, „Acclimatation” en Dr. S. Coronel, „Iets over het verschil in
-levensverhoudingen tusschen Joden en Christenen” in „Schat der
-Gezondheid”, jaargang VII, blz. 372 v.v.
-
-[628] Dit laatste gaat niet door voor Servië, ofschoon daar het aantal
-vrouwen in verhouding tot de mannen jaarlijks toeneemt en dus in een
-nabijzijnde toekomst de wet ook voor Servië door zal gaan. Volgens Dr.
-Hugo Bach (in een artikel over „De bevolking van het koninkrijk
-Servië”, voorkomende in het Oostenrijksche „Statistische
-Monatschrift”), kwamen daar op elke duizend mannen:
-
- 1859 voor 938 vrouwen.
- 1863 ,, 939 ,,
- 1866 ,, 941 ,,
- 1874 ,, 946 ,,
- 1884 ,, 958 ,,
-
-In de landen van Europa waar de beschaving geene vorderingen maakt, en
-bij de natuurvolken zou men tot nog toe in den regel een overwicht van
-de mannelijke bevolking hebben opgemerkt; het tegenovergestelde
-verschijnsel treedt in de beschaafde landen aan den dag, ofschoon er
-toch meer jongens dan meisjes worden geboren.
-
-[629] „Annuaire du Bureau des Longitudes”, 1834, aangehaald door Prof.
-G. Boccardo.
-
-[630] „Mémorial Encyclopédique”, 1832, Mei, aangehaald door Prof. G.
-Boccardo.
-
-[631] Quetelet, „Physique Sociale”, vol. I, blz. 168 v.v., aangehaald
-door Prof. G. Boccardo die het verschil aan de Kaap aan de breedte
-toeschrijft.
-
-[632] Aangehaald door Quetelet (volgens Boccardo; zie ook Brewster’s
-„Journal of Sciences”, New Series, No. I).
-
-[633] Wij meenen omtrent Nederland, het vaderland van al onze lezers,
-wel eenigszins uitvoeriger te mogen zijn.
-
-[634] Men onderscheidt: wettelijke, feitelijke en werkelijke bevolking.
-De wettelijke bevolking is de bevolking in de registers ingeschreven of
-de wettig gedomicilieerde bevolking (Artt. 74–80 Burg. Wetb.); de
-feitelijke bevolking wordt uit de wettelijke afgeleid door aftrekking
-der tijdelijk afwezigen en bijvoeging der tijdelijk aanwezigen. Onder
-werkelijke bevolking verstaat men de hoegrootheid der bevolking,
-wanneer tot grondslag wordt genomen, niet de woonplaats of het
-domicilie in den zin van het Burgerlijk Wetboek, maar de werkelijke
-woonplaats of de plaats, waar men gewoon is verblijf te houden.
-
-[635] „De l’Espèce et de la Class.” enz., 1869, blz. 106.
-
-[636] Zie b.v. mijn mededeeling in „Journal of Researches”, 1845, blz.
-7.
-
-[637] Ik heb („Geolog. Observations on Volcanic Islands”, 1844, blz.
-53) een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van den invloed van het licht
-op de kleuren van een loofvormige korst, door de branding op de
-rotsachtige kusten van Ascension afgezet, en door de oplossing van
-fijngewreven zeeschelpen gevormd.
-
-[638] Dr. Morse heeft voor eenige jaren dit onderwerp besproken in zijn
-verhandeling over „Adaptive Colouring of Mollusca”, „Proc. Boston Soc.
-of Nat. Hist.”, vol. XIV, April 1871.
-
-[639] Zie zijn fraaie monografie over „British Annelids”, deel I, 1873,
-blz, 3.
-
-[640] Zie Perrier, „l’Origine de l’Homme d’après Darwin”, „Revue
-scientifique”, Feb. 1873, blz 866.
-
-[641] In „Facts and Arguments for Darwin”, Eng. Vert., 1869, blz. 20,
-is het bovenvermeld onderzoek over de reukdraden te vinden. Sars
-(aangehaald in „Nature”, 1870, blz. 455) heeft een dergelijk geval
-beschreven bij een Noorweegsch schaaldier, Pontoporeia affinis.
-
-[642] Zie Sir J. Lubbock in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XI,
-1853, pl. I en X; en vol. XII (1853), pl. VII. Zie ook Lubbock in
-„Transact. Ent. Soc.”, vol. VI, nieuwe serie, 1856–1858, blz. 8. Ten
-opzichte van de lager aangehaalde zigzagvormige sprieten, zie Fritz
-Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 40, onderste noot.
-
-[643] Zie een verhandeling met platen van den heer C. Spence Bate in
-„Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 363, en over de nomenclatuur van het
-geslacht, ibid., blz. 585. Ik ben den heer Spence Bate grooten dank
-verschuldigd voor bijna al de bovengaande mededeelingen ten opzichte
-der knijpers bij de hoogere Schaaldieren.
-
-[644] „Hist. Nat. des Crust.”, tome II, 1837, blz. 50.
-
-[645] Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 25–28.
-
-[646] „Travels in the Interior of Brazil”, 1846, blz. 111. Ik heb in
-mijn „Journal of Researches”, blz. 463, de levenswijze van den Birgus
-medegedeeld.
-
-[647] De heer Ch. Fraser, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 3. De
-mededeeling omtrent Dr. Power ben ik aan den heer Bate verschuldigd.
-
-[648] Claus: „Die freilebenden Copepoden”, 1863, blz. 35.
-
-[649] „Facts and Arguments” enz., blz. 79.
-
-[650] „A History of the Spiders of Great Britain”, 1862. Omtrent de
-volgende feiten, zie blz. 102, 77, 88.
-
-[651] Deze schrijver heeft vóór eenige jaren een belangrijk stuk
-geschreven over „Caratteri sessuali secondarii degli Arachnidi”, in de
-„Atti della Soc. Veneto-Trentina di Sc. Nat.”, Padova, vol. I, fasc. 3,
-1873.
-
-[652] Aug. Vinson („Aranéides des Iles de la Réunion”, pl. VI, fig. 1
-en 2) geeft een goed voorbeeld van de geringe grootte van het mannetje
-bij Epeira nigra. Bij deze soort, moet ik er bijvoegen, is het mannetje
-bruin, en het wijfje zwart met roode banden op de pooten. Andere nog
-sterker voorbeelden van ongelijke grootte der beide seksen zijn
-opgeteekend in „Quarterly Journal of Science”, 1868, Juli, blz. 429;
-maar ik heb de oorspronkelijke verhandelingen niet gelezen.
-
-[653] Kirby en Spence. „Introduction to Entomology”, vol. I, 1818, blz.
-280.
-
-[654] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 621.
-
-[655] Theridion (Asagenas, Sund.) serratipes, 4 punctatum en guttatum:
-zie Westring, in Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, vol. IV, 1842–43, blz.
-349. Zie ook, voor andere soorten, „Araneae Suecicae”, blz. 184.
-
-[656] Dr. Hartogh Heys van Zouteveen heeft in zijn Nederlandsche
-vertaling van dit werk (zie aant. 7 op dit hoofdstuk) verscheidene
-gevallen hiervan bijeengebracht.
-
-[657] Walckenaer en P. Gervais, „Hist. Nat. des Insectes Aptères”, tome
-IV, 1847, blz. 17, 19, 68.
-
-[658] Darwin noemt Walckenaer in de eerste uitgaaf van dit werk niet en
-ontleende zijn opmerking omtrent Walckenaer aan deze aanteekening, die
-reeds in de eerste uitgaaf van dit werk iets korter voorkomt.
-
-[659] Sir J. Lubbock, „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXV, 1866, blz.
-484. Ten opzichte der Mutillen zie Westwood, „Modern Class. of
-Insects”, vol. II, blz. 213.
-
-[660] Deze organen van het mannetje verschillen dikwijls bij nauw
-verwante soorten, en leveren uitnemende soortskenmerken op. Hun
-belangrijkheid ten opzichte hunner functie heeft men echter, volgens
-een opmerking die de heer R. MacLachlan mij maakte, waarschijnlijk te
-hoog geschat. Men heeft beweerd, dat kleine verschillen in deze organen
-voldoende zouden zijn om de kruising tusschen goed uitgedrukte
-verscheidenheden of beginnende soorten te voorkomen, en derhalve haar
-ontwikkeling bevorderen. Dat dit moeielijk het geval kan zijn, mogen
-wij afleiden uit vele gevallen, die zijn opgeteekend van verschillende
-soorten, die in copulatie met elkander zijn waargenomen. (Zie b.v.
-Bronn, „Geschichte der Natur”, Bd. II, 1843, blz. 164, en Westwood,
-„Transact. Ent. Soc.”, vol. III, 1842, blz. 195). De heer MacLachlan
-deelt mij mede, (zie „Stett. Ent. Zeitung”, 1867, blz. 155), dat, toen
-verschillende soorten van Kokerjuffers (Phryganidae), die sterk
-uitgesproken verschillen van deze soort vertoonen, door Dr. Aug. Meyer
-bij elkander werden opgesloten, zij met elkander paarden, en dat één
-paar vruchtbare eieren voortbracht.
-
-[661] „The Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, Mei 1867,
-blz. 88.
-
-[662] De heer Walsh, ibid., blz. 107.
-
-[663] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 106, 205.
-De heer Walsh, die mijn aandacht vestigde op dit dubbel gebruik der
-kaken, zegt, dat hij het feit herhaaldelijk heeft waargenomen.
-
-[664] Wij hebben hier een merkwaardig en onverklaarbaar geval van
-dimorphisme; want sommige van de wijfjes van vier Europeesche soorten
-van Dytiscus hebben gladde dekschilden; en er zijn geen overgangen
-tusschen gegroefde of van verdiepte stippels voorziene en geheel gladde
-dekschilden waargenomen. Zie Dr. H. Schaum, aangehaald in de
-„Zoologist”, vol. V–VI, 1847–48, blz. 1896. Evenzoo Kirby en Spence,
-„Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 305.
-
-[665] Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 193. De volgende
-mededeelingen omtrent Penthe en andere, tusschen aanhalingstekens
-geplaatst, zijn ontleend aan den heer Walsh, „Practical Entomologist”,
-Philadelphia, vol. II, blz. 88.
-
-[666] Kirby en Spence, „Introduction”, enz., vol. III, blz. 332–336.
-
-[667] E. Doubleday, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz.
-379. Ik kan er bijvoegen, dat bij sommige Vliesvleugelige Insekten
-(Hymenoptera) het beloop der aderen op de vleugels bij de twee seksen
-verschilt (zie Shuckard, „Fossorial Hymenop.”, 1837, blz. 39–43).
-
-[668] H. W. Bates, in „Journal of Proc. Linn. Soc.”, vol VI, 1862, blz.
-74. De waarnemingen van den heer Wonfor worden aangehaald in „Popular
-Science Review”, 1868, blz. 343.
-
-[669] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 316–320. Over het
-lichten der eieren, zie „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, Nov.,
-blz. 372.
-
-[670] Kirby and Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, blz.
-209.
-
-[671] Robinet, „Vers à Soie”, 1848, blz. 207.
-
-[672] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd series, vol. V, blz. 386.
-
-[673] „Journal of Proc. Ent. Soc.”, 4 Febr. 1867, blz. LXXI.
-
-[674] Voor deze en andere mededeelingen omtrent de grootte der seksen,
-zie Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 300; over den levensduur der
-Insekten, ibid., blz. 444.
-
-[675] „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXVI, 1868, blz. 296.
-
-[676] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 313.
-
-[677] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 526.
-
-[678] „Anwendung” enz. „Verh. d. n. V. Jahrg.”, XXIV, blz. 80. Mayer,
-in „American Naturalist”, 1874, blz. 236.
-
-[679] Zie het hoogst belangwekkende werk van den heer B. F. Laune, „On
-the Anatomy of the Blow-Fly, Musea vomitoria”, 1870, blz. 14.
-
-[680] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 473.
-
-[681] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Westwood’s „Modern Class.
-of Insects”, vol. II, 1840, blz. 422. Zie ook, over de Fulgoridae,
-Kirby and Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 401.
-
-[682] „Zeitschrift für wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz.
-152–158.
-
-[683] „Transact. New-Zeeland Institute”, vol. V, 1873, blz. 286.
-
-[684] Ik ben het volgende verschuldigd aan den heer Walsh, die mij dit
-uittreksel van een „Journal of the Doings of Cicada septemdecim” door
-Dr. Hartman, heeft gezonden.
-
-[685] L. Guilding, „Transact. Linn. Soc.”, vol. XV, blz. 154.
-
-[686] Köppen, aangehaald in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 460.
-
-[687] Gilbert White, „Nat. Hist. of Selborne”, vol. II, 1825, blz. 252.
-
-[688] Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 128.
-
-[689] „The Naturalist on the Amazons”, vol. 1, blz. 252. De heer Bates
-bespreekt op zeer belangwekkende wijze de overgangen tusschen de
-muziekinstrumenten der drie families. Zie ook Westwood, „Modern
-Class.”, vol. II, blz. 445 en 453.
-
-[690] „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868.
-
-[691] „Nouveau Manuel d’Anat. Comp.” (Fransche vertaling), tome I,
-1850, blz. 567.
-
-[692] „Zeitschrift für Wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz.
-117.
-
-[693] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 440.
-
-[694] „Ueber den Ton-apparat der Locustiden, ein Beitrag zum
-Darwinismus”, „Zeitschr. f. wiss. Zoölog.”, Bd. XXII, 1872, blz. 100.
-
-[695] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 453.
-
-[696] Landois, ibid., blz. 121, 122.
-
-[697] De heer Walsh deelt mij mede, dat hij heeft opgemerkt, dat het
-wijfje van Platyphyllum concavum, als men het vangt, een zwak knarsend
-geluid maakt door haar boven vleugels tegen elkander te wrijven.
-
-[698] Landois, ibid., blz. 117.
-
-[699] „Insects of New England”, 1842, blz. 133.
-
-[700] Westwood, „Modern Classification”, vol. I, blz. 462.
-
-[701] Westwood, ibid., vol. I, blz. 453.
-
-[702] Landois, ibid., blz. 115, 116, 120, 122.
-
-[703] Landois heeft eenige jaren geleden bij sommige Rechtvleugeligen
-(Orthoptera) rudimentaire organen gevonden, die zeer sterk gelijken op
-de geluidvoortbrengende organen der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en
-dit is een verwonderlijke zaak. Zie „Zeitschr. für wissensch. Zoölog.”,
-B. XXII, Heft 3, 1871, blz. 348.
-
-[704] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd. series, vol. II („Journal of
-Proceedings”), blz. 117.
-
-[705] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 427; voor de
-Krekels blz. 445.
-
-[706] De heer Ch. Horne in „Proc. Ent. Soc.”, 3 Mei, 1869, blz. XII.
-
-[707] De Oecanthus nivalis. Harris, „Insects of New England”, 1842,
-blz. 124.
-
-[708] Platyblemnus: Westwood, „Modern Class.”, vol. I, blz. 447.
-
-[709] B. D. Walsh, de Pseudo-Neuroptera van Illinois, in „Proc. Ent.
-Soc. of Philadelphia”, 1862, blz. 361.
-
-[710] „Modern Class.”, vol. II, blz. 37.
-
-[711] Walsh, ibid., blz. 381. Ik ben de volgende feiten over Hetaerina,
-Anax en Gomphus aan dezen natuuronderzoeker verschuldigd.
-
-[712] „Transact. Ent. Soc.”, vol. I, 1836, blz. LXXXI.
-
-[713] Zie uittreksel in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 450.
-
-[714] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. II, 1818,
-blz. 35.
-
-[715] Zie een belangwekkend artikel, „The Writings of Fabre”, in „Nat.
-Hist. Review”, April, 1862, blz. 122.
-
-[716] „Journal of Proc. of Entomolog. Soc.”, Sept. 1863, blz. 169.
-
-[717] P. Huber, „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz.
-150, 165.
-
-[718] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1866, blz. 238–239.
-
-[719] „Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen”, Verh. d. n. Jahrg.
-XXIX.
-
-[720] De heer Perrier maakt in zijn artikel „La Sélection sexuelle
-d’après Darwin” („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 868), zonder
-naar het schijnt veel over de zaak te hebben nagedacht, de
-tegenwerping, dat, daar men weet, dat de mannetjes van sociale bijen
-voortkomen uit onbevruchte eieren, zij geen nieuwe kenmerken op hun
-mannelijke nakomelingschap kunnen overbrengen. Dit is een buitengewone
-tegenwerping. Een vrouwelijke bij, bevrucht door een mannetje dat een
-of ander kenmerk bezat, waardoor de vereeniging der seksen
-gemakkelijker werd gemaakt, of dat hem aantrekkelijker voor het wijfje
-maakte, zal eieren leggen, waaruit alleen wijfjes zullen voortkomen;
-maar deze jonge wijfjes zullen het volgende jaar mannetjes
-voortbrengen; en zal men nu beweren, dat dergelijke mannetjes de
-kenmerken van hun grootvaders niet kunnen erven? Om een geval te nemen
-met gewone dieren, dat zoo dicht mogelijk daarbij komt: indien een
-wijfje van eenig wit viervoetig dier of vogel werd gekruist met een
-mannetje van zwart ras, en hun mannelijke en vrouwelijke jongen met
-elkander werden gepaard, zal men dan beweren, dat de kleinkinderen niet
-een aanleg tot zwartheid van hun grootvaders zouden kunnen erven? Het
-verkrijgen van nieuwe kenmerken door de onvruchtbare werkbijen is een
-veel moeielijker geval, maar ik heb in mijn „Ontstaan der Soorten”
-trachten aan te toonen, op welke wijze deze onvruchtbare wezens worden
-onderworpen aan de macht der natuurlijke teeltkeus.
-
-[721] Aangehaald bij Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II,
-blz. 214.
-
-[722] Pyrodes pulcherrimus, bij welke de seksen in ’t oog loopend
-verschillen, is door den heer Bates beschreven in „Transact. Ent.
-Soc.”, 1862, blz. 50. Ik zal eenige weinige andere gevallen opnoemen,
-waarin ik van een verschil in kleur tusschen de seksen van kevers
-hoorde. Kirby en Spence („Introduct. to Entomology”, vol. III, blz.
-301) vermelden een Cantharis, Meloe, Rhagium en de Leptura testacea;
-het mannetje van deze laatste is bruinachtig van kleur, met een zwart
-borststuk en het wijfje over het geheele lichaam dof rood. Deze twee
-laatste kevers behooren tot de familie der Boktorren (Longicornia). De
-heeren R. Trimen en Waterhouse jun. geven mij bericht omtrent twee
-Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), namelijk een Peritrichia en
-Trichius, het mannetje van den laatsten is donkerder gekleurd dan het
-wijfje. Bij Tillus elongatus is het mannetje zwart en het wijfje, naar
-men meent, altijd van een donker blauwe kleur met een rood borststuk
-(thorax). Ook het mannetje van Orsodacna atra is, naar ik van den heer
-Walsh hoor, zwart, terwijl het wijfje (de zoogenaamde O. ruficollis)
-een roodachtig bruin borststuk heeft.
-
-[723] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1864, blz. 228.
-
-[724] Kirby en Spence, „Introduct. Entomolog.”, vol. III, blz. 300.
-
-[725] Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 329.
-
-[726] „Modern Classification of Insects”, vol. I, blz. 172. Op de
-zelfde bladzijde vindt men een beschrijving van Siagonium. Op het
-Britsch Museum merkte ik één mannelijk voorwerp van Siagonium in een
-tusschenbeidenstaanden toestand op, zoodat het dimorphisme niet streng
-doorgaat.
-
-[727] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 276.
-
-[728] „Entomological Magazine”, vol. II, 1833, blz. 82. Zie ook omtrent
-de gevechten van deze soort, Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz.
-314; en Westwood, ibid., vol. I, blz. 187.
-
-[729] Aangehaald door Fischer, in „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome X,
-blz. 324.
-
-[730] „Ann. Soc. Entomolog. France”, 1866, aangehaald in „Journal of
-Travel”, door A. Murray, 1868, blz. 135.
-
-[731] Westwood, „Modern Class.”, I, blz. 184.
-
-[732] Wollaston, over eenige muziekmakende Snuitkevers (Curculionidae),
-„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. VI, 1860, blz. 14.
-
-[733] „Zeitschrift für wiss. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 127.
-
-[734] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer G. R. Crotch,
-zoowel wegens de toezending van talrijke geprepareerde voorwerpen van
-verschillende torren, tot deze drie Families en andere behoorende, als
-wegens belangrijke inlichtingen van allerlei soort. Hij gelooft, dat
-het sjirpvermogen bij Clythra nog nooit te voren was waargenomen. Ik
-ben ook veel dank verschuldigd aan den heer E. W. Janson voor
-inlichtingen en voorwerpen. Ik mag hierbij voegen, dat mijn zoon, de
-heer F. Darwin, heeft ontdekt, dat Dermestes murinus sjirpt, maar hij
-zocht te vergeefs het daartoe dienende orgaan. Scolytus is onlangs door
-den heer Algen als een sjirpend insekt beschreven in het „Edinburgh
-Monthly Magazine”, 1869, Nov., 130.
-
-[735] Schiödte, vertaald in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XX,
-1867, blz. 37.
-
-[736] Westring heeft (Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, Bd. II.
-1848–1849, blz. 334) de sjirporganen zoowel bij deze twee, als bij
-andere Families beschreven. Van de Loopkevers (Carabidae) heb ik
-Elaphrus uliginosus en Blethisa multipunctata onderzocht, mij door den
-heer Crotch toegezonden. Bij Blethisa worden de dwarse ruggen op den
-gerimpelden rand van den ring van het achterlijf, voor zoover ik kon
-beoordeelen, niet gebruikt om de raspen op de dekschilden te schrappen.
-
-[737] Ik ben aan den heer Walsh, van Illinois, dank verschuldigd voor
-de toezending van uittreksels uit Leconte’s „Introduction of
-Entomology”, blz. 101, 143.
-
-[738] De heer P. de la Brulerie, aangehaald in „Journal of Travel”, A.
-Murray, vol. I, 1868, blz. 135.
-
-[739] De heer Doubleday meldt mij, dat „het geluid wordt voortgebracht,
-doordat het insekt zich zoo hoog, als het kan, op zijn pooten verheft,
-en dan zijn borststuk vijf of zes malen in snelle opeenvolging tegen de
-zelfstandigheid slaat, waarop het zit.” Voor mededeelingen aangaande
-dit onderwerp, zie Landois, „Zeitschrift für wissens. Zoolog.”, Bd.
-XVII, blz. 131. Olivier (aangehaald bij Kirby en Spence, „Introduct.”,
-vol. II, blz. 325) zegt, dat het wijfje van Pimelia striata een vrij
-sterk geluid voortbrengt door met haar achterlijf tegen de eene of
-andere harde zelfstandigheid te kloppen, „en dat het mannetje, aan
-dezen loktoon gehoor gevende, haar spoedig volgt, waarop zij paren.”
-
-[740] De sage zegt, dat Hercules, aan den Rhegiaanschen oever der
-rivier willende uitrusten, zoo werd gehinderd door het gesjirp der
-Cicaden, dat hij Zeus bad ze te doen verstommen. Zijn bede werd
-verhoord; aan den Rhegiaanschen oever werd na dien tijd nooit weêr het
-geluid van een Cicade vernomen, terwijl de Locrische oever van hun
-eentonig gesjirp bleef weêrgalmen. Deze fabel bewijst, dat er toch ook
-wel Grieken waren, die minder bewondering voor het gezang der Cicaden
-gevoelden.
-
-[741] Vandaar hadden de Atheners van goeden huize gouden Cicaden op het
-voorhoofd, of op de kruin van het hoofd in de haren gevlochten, of op
-het gevest van het zwaard, als zinnebeeld, dat zij autochthonen waren
-(Thucyd. I, 6; Scholiast op Aristophan.; Nubes vs. 984; Athenaeus XII,
-512, 6; Virgilius, Ciris, 126).
-
-[742] „Proc. Ent. Soc. of Lond.”, 1864, blz. 13.
-
-[743] Wij spreken hier van Sabelsprinkhanen, daar wij onderstellen, dat
-de hieronder medegedeelde waarneming van Mr. S. C. Snellen van
-Vollenhoven betrekking heeft op een der tot die familie behoorende
-soorten. Wanneer wij ons hierin vergissen en de bedoelde soort een der
-Veldsprinkhanen is, dan blijft onze redeneering toch volkomen in haar
-geheel; men heeft hier dan slechts te lezen Veldsprinkhanen, en het
-hier opgemerkte bij aanteekening 7 in plaats van bij aanteekening 6 te
-voegen.
-
-[744] De grenzen der waarneembare tonen zijn bij alle menschen niet
-geheel de zelfde. Helmholtz neemt aan, dat gemiddeld de laagste
-waarneembare toon overeenstemt met 16 trillingen per seconde, de
-hoogste waarneembare toon met 38000 trillingen per seconde. Elke toon
-die derhalve met minder dan 16 of meer dan 38000 trillingen per seconde
-overeenstemt, maakt geen indruk op ons gehoorwerktuig.
-
-[745] Apatura Iris: „The Entomologist’s Weekly Intelligencer”, 1859,
-blz. 139. Voor de kapellen van Borneo zie C. Collingwood, „Rambles of a
-Naturalist”, 1868, blz. 183.
-
-[746] Zie mijn „Journal of Researches”, 1845, blz. 33. De heer
-Doubleday („Proc. Ent. Soc.”, 3 Maart, 1845, blz. 123) heeft een
-bijzonderen vliezigen zak ontdekt aan de basis der voorvleugels, die
-waarschijnlijk met de voortbrenging van het geluid in verband staat.
-
-[747] „The Scottish Naturalist”, Juli 1872, blz. 213.
-
-[748] „Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.
-
-[749] Zie ook de verhandeling van den heer Bates in „Proc. Ent. Soc. of
-Philadelphia”, 1855, blz. 206. Ook den heer Wallace over het zelfde
-onderwerp, ten opzichte van Diadema, in „Transact. Entomolog. Soc. of
-London”, 1869, blz. 278.
-
-[750] „The Naturalist on the Amazons”, vol. I, 1863, blz. 19.
-
-[751] Zie het belangwekkende artikel in de „Westminster Review”, Juli,
-1867, blz. 10. Een houtsnede, Kallima voorstellende, is door den heer
-Wallace gegeven in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 196.
-
-[752] Zie de belangwekkende waarnemingen van den heer T. W. Wood, „The
-Student”, Sept. 1868, blz. 81.
-
-[753] De heer Wallace in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz.
-193.
-
-[754] Zie hierover ook de verhandeling van den heer Weir in „Transact.
-Ent. Soc.”, 1869, blz. 23.
-
-[755] „Westminster Review”, Juli 1867, blz. 16.
-
-[756] Bij voorbeeld, Lithosia; Prof. Westwood („Modern Class. of
-Insects”, vol. II, blz. 390) schijnt over dit geval verwonderd. Over de
-betrekkelijke kleuren van Dag- en Nachtvlinders, zie ibid., blz. 333 en
-392; ook Harris, „Treatise on the Insects of New England”, 1842, blz.
-315.
-
-[757] Dergelijke verschillen tusschen de boven- en ondervlakten der
-vleugels van verschillende soorten van Papilio kan men zien op de
-fraaie platen bij de verhandeling van den heer Wallace over de
-Papilionidae van Insulinde in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, part I,
-1865.
-
-[758] „Proc. Ent. Soc.”, 2 Maart, 1868.
-
-[759] Zie ook een mededeeling omtrent het Amerikaansche geslacht
-Erateina (een der Geometrae) in „Transact. Ent. Soc.”, new series, vol.
-V, pl. XV en XIV.
-
-[760] „Proc. Ent. Soc. of London”, 6 Juli, 1868, blz. XXVII.
-
-[761] Harris, „Treatise” enz., uitgegeven door Flint, 1862, blz. 395.
-
-[762] Ik merk bij voorbeeld in de insektenverzameling van mijn zoon op,
-dat de mannetjes bij Lasiocampa quercus, Odonestis potatoria, Hypogymna
-dispar, Dasychira pudibunda en Cycnia mendica veel donkerder zijn dan
-de wijfjes. Bij deze laatste soort is het verschil in kleur tusschen de
-beide seksen sterk sprekend; en de heer Wallace meldt mij, dat wij hier
-naar hij gelooft, een voorbeeld hebben van tot ééne sekse beperkte
-beschermende nabootsing („mimickry”), zooals later uitvoeriger zal
-worden verklaard. Het witte wijfje van de Cycnia gelijkt op de zeer
-algemeene Spilosoma menthastri, van welke beide seksen wit zijn; en de
-heer Stainton nam waar, dat deze laatste nachtvlinder met de grootste
-walging werd weggeworpen door een geheel broedsel jonge kalkoenen die
-andere nachtvlinders gaarne aten; zoodat, als Cycnia door de Britsche
-vogels gewoonlijk voor Spilosoma werd aangezien, zij zou ontsnappen aan
-het gevaar van te worden verslonden, en op die wijze zou haar
-bedriegelijke witte kleur haar in hooge mate voordeelig zijn.
-
-[763] „Rambles of a Naturalist in the Chinese Seas”, 1868, blz. 132.
-
-[764] „Nature”, 27 April 1871, blz. 508. De heer Meldola haalt Donzel
-aan, in „Soc. ent. de France”, 1837, blz. 77, over het vliegen der
-kapellen bij het paren. Zie ook den heer G. Fraser in „Nature”, 20
-April 1871, blz. 489, over de seksueele verschillen van verschillende
-Britsche kapellen.
-
-[765] Wallace, over de Papilionidae van Insulinde, in „Transact. Linn.
-Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 8, 36. Een treffend geval van een zeldzame
-verscheidenheid die juist tusschen twee andere goed uitgedrukte
-verscheidenheden van wijfjes in staat, wordt door den heer Wallace
-vermeld. Zie ook den heer Bates, in „Proc. Entomolog. Soc.”, 19 Nov.
-1866, blz. XL.
-
-[766] De heer R. MacLachlan, „Transact. Ent. Soc.”, vol. II, part 6th.,
-3rd series; 1866, blz. 459.
-
-[767] H. W. Bates, „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz.
-228, A. R. Wallace, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 10.
-
-[768] Zie over dit geheele onderwerp, „Het Varieeren der Huisdieren en
-Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, hoofdstuk XXIII.
-
-[769] A. R. Wallace in „Journal of Travel”, vol. I, 1868, blz. 88.
-„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 37. Zie ook de heeren Wallace en
-Bates in „Proc. Ent. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XXXIX.
-
-[770] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,
-deel I, hoofdstuk XII, blz. 513.
-
-[771] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXIII, 1862, blz. 495.
-
-[772] „Proc. Ent. Soc.”, Dec. 1866, blz. XLV.
-
-[773] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 1; ook „Transact.
-Ent. Soc.”, vol. IV (3rd series), 1867, blz. 301. Trimen, „Linn.
-Transact.”, vol XXVI, 1869, blz. 497. Riley, „Third Annual Report on
-the Noxious Insects of Missouri”, 1871, blz. 163–168. Deze laatste
-verhandeling is belangrijk, omdat de heer Riley daarin alle
-tegenwerpingen bespreekt, die tegen de theorie van den heer Bates zijn
-gemaakt.
-
-[774] Zie een vernuftig artikel, getiteld, „Difficulties of the Theory
-of Natural Selection”, in de „Month”, 1869. Het is vreemd, dat de
-schrijver veronderstelt, dat ik de variaties in kleur van de
-Schubvleugeligen (Lepidoptera), waardoor zekere soorten tot
-verschillende familie’s behoorende, er toe zijn gekomen om op elkander
-te gelijken, aan terugkeer tot de type van een gemeenschappelijken
-stamvader (atavisme) toeschrijf; er is echter niet meer reden om deze
-variaties aan atavisme toe te schrijven, dan in het geval van elke
-gewone variatie.
-
-[775] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 385.
-
-[776] „Proc. Entomolog. Soc.”, 3 Dec. 1866, blz. XIV en 4 Maart 1867,
-blz. LXXX.
-
-[777] Zie de verhandeling van den heer J. Jenner Weir over insekten en
-insektenetende vogels, in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 21; ook de
-verhandeling van den heer Butler, ibid., blz. 27.
-
-[778] Ik schreef reeds in de eerste uitgaaf dezer bewerking van de
-Afstamming van den Mensch, dat ik niet volkomen overtuigd was, dat het
-geluid van A. atropos werkelijk op de door Landois aangegeven wijze
-wordt voortgebracht; want Dr. M. C. Verloren heeft mij verzekerd, ook
-de pop, ja zelfs de rups van dezen vlinder een gelijksoortig, ofschoon
-zwakker geluid dan het volkomen insekt te hebben hooren voortbrengen.
-Is de door Landois gegeven verklaring onjuist, dan vervallen natuurlijk
-de gevolgtrekkingen omtrent andere Sphingidae die ribbetjes op de
-palpen bezitten.
-
-De heer R. T. Maitland zeide mij reeds in 1873, dat het geluidgevend
-orgaan van A. atropos de kropsgewijs gedilateerde oesophagus is; hij
-vond daarenboven, dat het geheele achterlijf (abdomen) met lucht gevuld
-en door een spiraalsgewijs gedraaid vlies als het ware in verschillende
-compartimenten verdeeld is; hij kon echter geen gemeenschap tusschen
-deze luchtreservoirs en den oesophagus ontdekken.
-
-In zijn „Thierstimmen” (Freiburg i/B., 1874) geeft Landois zelf ook een
-andere verklaring en zegt: „De doodshoofdvlinder heeft een stijf met
-lucht gevulde zuigblaas welke dicht vóór de eigenlijke maag ligt, het
-voorste gedeelte van het achterlijf inneemt en in het einde der
-spijsbuis uitmondt. Dit orgaan speelt wellicht een rol bij het opzuigen
-van honig en ander vloeibaar voedsel. De beide helften van de roltong
-sluiten van voren niet volkomen tegen elkander, maar laten een fijne
-spleet tusschen zich open. De toon ontstaat, doordat de lucht uit de
-zuigbuis door deze spleet wordt gedreven. Men kan zulks bewijzen door
-een dooden, maar nog niet verstijfden doodshoofdvlinder door den zuiger
-lucht in te blazen, waardoor het achterlijf opzwelt; drukt men dan op
-het achterlijf, dan houdt de toon aan, zoo lang men drukt.”
-
-Swinton vond in de mondholte van dezen vlinder, na den zuiger ver naar
-beneden te hebben gedrukt, een neêrhangend vlies dat bij het klinken
-van den toon sterk trilde, evenals de stembanden der hoogere dieren.
-
-Volgens deze laatste verklaringen kan men dus zeggen, dat de
-doodshoofdvlinder niet alleen sjirpt, maar een werkelijke stem, evenals
-de hoogere dieren, bezit.
-
-[779] Dr. M. C. Verloren deed mij echter terecht opmerken, dat deze
-verklaring niet gemakkelijk is overeen te brengen met het feit, dat A.
-atropos alleen geluid geeft als men haar aanraakt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN
-DE SEKSUEELE TEELTKEUS (DEEL 1 VAN 2) ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/69013-0.zip b/old/69013-0.zip
deleted file mode 100644
index e953ab0..0000000
--- a/old/69013-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h.zip b/old/69013-h.zip
deleted file mode 100644
index a946761..0000000
--- a/old/69013-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/69013-h.htm b/old/69013-h/69013-h.htm
deleted file mode 100644
index a05a44d..0000000
--- a/old/69013-h/69013-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,27773 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-09-19T19:02:48Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>De Afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Charles Darwin (1809–1882)">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
-<meta name="DC.Title" content="De Afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus">
-<meta name="DC.Creator" content="Charles Darwin (1809–1882)">
-<meta name="DC.Contributor" content="Hermanus Hartogh Heijs van Zouteveen (1841–1891)">
-<meta name="DC.Contributor" content="Tiberius Cornelius Winkler (1822–1897)">
-<meta name="DC.Contributor" content="Thomas Henry Huxley (1825–1895)">
-<meta name="DC.Contributor" content="Pieter Harting (1812–1885)">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-span.accent {
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
-line-height: 0.40em;
-}
-span.accent span.top {
-font-weight: bold;
-font-size: 5pt;
-}
-span.accent span.base {
-display: block;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.externalUrl {
-font-size: small;
-font-family: monospace;
-color: gray;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-vertical-align: bottom;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em;
-padding: 5em 10% 6em;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-td.leftbrace, td.rightbrace {
-vertical-align: middle;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.inlineTable {
-display: inline-table;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0 solid black;
-}
-table.borderAll,
-table.rtlBorderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td,
-table.rtlBorderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop,
-table.rtlBorderAll .cellHeadTop, table.rtlBorderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom,
-table.rtlBorderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom,
-table.rtlBorderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft,
-table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight,
-table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.rtlBorderAll .cellLeft,
-table.rtlBorderAll .cellHeadLeft {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.rtlBorderAll .cellRight,
-table.rtlBorderAll .cellHeadRight {
-border-left: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border-width: 0 !important;
-width: 1em;
-}
-.cellDummy {
-border-width: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-span.ditto {
-display: inline-block;
-vertical-align: middle;
-text-align: center;
-}
-span.ditto span.s {
-height: 0;
-visibility: hidden;
-line-height: 0;
-}
-span.ditto span.d {
-display: block;
-text-align: center;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.ditto span.i {
-position: relative;
-top: -2px;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tableCaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.small {
-font-size: small;
-}
-.large {
-font-size: large;
-}
-.vam {
-vertical-align: middle;
-}
-.center {
-text-align: center;
-}
-.lbrace5 {
-border-style: solid; border-width: 0 0 0 12px; border-image: url(images/lbrace5.png) 0 100% stretch; padding-left: 0.5em;
-}
-.lbrace10 {
-border-style: solid; border-width: 0 0 0 20px; border-image: url(images/lbrace10.png) 0 100% stretch; padding-left: 0.5em;
-}
-.lbrace26 {
-border-style: solid; border-width: 0 0 0 20px; border-image: url(images/lbrace26.png) 0 100% stretch; padding-left: 0.5em;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd31e4075 {
-width:14.286%;
-}
-.xd31e9021 {
-width:33.33%;
-}
-.xd31e12289 {
-text-align:right; width:14.286%;
-}
-.xd31e14089 {
-text-align:right;
-}
-.xd31e17208 {
-border-left:1px solid black;
-}
-.xd31e18051 {
-padding-left:2em; text-align:right;
-}
-.xd31e18055 {
-padding-left:2em;
-}
-.xd31e12296 {
-text-align:center !important;
-}
-.cover-imagewidth {
-width:520px;
-}
-.series-titlepage-imagewidth {
-width:465px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:491px;
-}
-.fig01width {
-width:339px;
-}
-.fig02width {
-width:188px;
-}
-.fig03width {
-width:313px;
-}
-.fig04width {
-width:495px;
-}
-.fig05width {
-width:251px;
-}
-.fig06width {
-width:259px;
-}
-.fig07width {
-width:410px;
-}
-.fig08width {
-width:460px;
-}
-.tbl119\.1 {
-text-align:center; width:100%;
-}
-.tbracewidth {
-width:388px;
-}
-.p296width {
-width:720px;
-}
-.fig09width {
-width:438px;
-}
-.fig10width {
-width:190px;
-}
-.fig11width {
-width:418px;
-}
-.p308width {
-width:461px;
-}
-.p381width {
-width:541px;
-}
-.p382width {
-width:527px;
-}
-.fig12width {
-width:218px;
-}
-.fig13width {
-width:225px;
-}
-.fig14width {
-width:208px;
-}
-.fig15width {
-width:202px;
-}
-.xd31e14722 {
-text-align:right;
-}
-.tbl520\.1 {
-font-size:small;
-}
-.fig16width {
-width:192px;
-}
-.fig17width {
-width:414px;
-}
-.fig18width {
-width:177px;
-}
-.fig19width {
-width:126px;
-}
-.fig20width {
-width:458px;
-}
-.fig21width {
-width:423px;
-}
-.fig22width {
-width:385px;
-}
-.fig23width {
-width:208px;
-}
-.fig24width {
-width:225px;
-}
-.fig25width {
-width:122px;
-}
-.fig26width {
-width:105px;
-}
-.fig27width {
-width:160px;
-}
-.fig28width {
-width:106px;
-}
-.fig29width {
-width:93px;
-}
-.fig30width {
-width:579px;
-}
-.fig33width {
-width:179px;
-}
-.fig34width {
-width:250px;
-}
-.fig35width {
-width:360px;
-}
-.fig36width {
-width:191px;
-}
-.fig37width {
-width:349px;
-}
-.fig38width {
-width:239px;
-}
-.fig39width {
-width:294px;
-}
-.fig40width {
-width:220px;
-}
-.fig41width {
-width:260px;
-}
-.fig42width {
-width:196px;
-}
-.fig43width {
-width:304px;
-}
-.fig44width {
-width:196px;
-}
-.fig45width {
-width:201px;
-}
-.fig46width {
-width:141px;
-}
-.fig47width {
-width:142px;
-}
-.fig48width {
-width:157px;
-}
-.fig49width {
-width:171px;
-}
-.fig50width {
-width:246px;
-}
-.fig51width {
-width:190px;
-}
-.fig52width {
-width:189px;
-}
-.fig53width {
-width:157px;
-}
-.fig54width {
-width:148px;
-}
-.fig55width {
-width:177px;
-}
-.fig56width {
-width:123px;
-}
-.fig57width {
-width:349px;
-}
-.spineswidth {
-width:275px;
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus (deel 1 van 2)</span>, by Charles Darwin</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus (deel 1 van 2)</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Charles Darwin</p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Translator: H. Hartogh Heijs van Zouteveen</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: September 19, 2022 [eBook #69013]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS (DEEL 1 VAN 2)</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="520" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure series-titlepage-imagewidth"><img src="images/series-title.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="465" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">DARWIN’S <br>BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN<span class="corr" title="Niet in bron">,</span></div>
-</div>
-<div class="byline">VOOR NEDERLANDERS BEWERKT <br>DOOR <br><span class="docAuthor">Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN</span> <br>EN <br><span class="docAuthor">Dr. T. C. WINKLER.</span> </div>
-<div class="docTitle">
-<div class="volumeTitle">VIERDE DEEL.</div>
-<div class="mainTitle">De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.</div>
-<div class="volumeTitle"><span class="sc">Eerste Gedeelte.</span></div>
-</div>
-<div class="docImprint"><span class="sc">Arnhem-Nijmegen.</span> <br><span class="sc">Gebr.</span> E. &amp; M. COHEN.</div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="491" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle"><span class="sc">De Afstamming</span> <br>VAN <br>DEN MENSCH <br>DE SEKSUEELE TEELTKEUS, </div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br><span class="docAuthor">CHARLES DARWIN.</span>
-<br>Naar de tweede herziene en veel vermeerderde Engelsche uitgave, (<i>13de duizend</i>), omgewerkt en van aanteekeningen voorzien,
-<br>DOOR
-<br><span class="docAuthor">Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.</span> </div>
-<div class="docTitle">
-<div class="volumeTitle">EERSTE DEEL.</div>
-</div>
-<div class="docImprint"><span class="sc">Arnhem-Nijmegen—Gebr. E. &amp; M. COHEN.</span></div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first center small"><span class="sc">Stoomdrukkerij</span>—H. BORN—<span class="sc">Assen</span>.
-<span class="pageNum" id="pb.i">[<a href="#pb.i">I</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Darwin’s Biologische Meesterwerken.
-</p>
-<p>III<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.
-</p>
-<p class="tocLabel">EERSTE DEEL.
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="sc"><a href="#preface" id="xd31e246">VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK</a></span> door <i>Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. van Zouteveen</i> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 1.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="sc"><a href="#preface2" id="xd31e256">VOORREDE VAN DE 2DE ENGELSCHE UITGAAF</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">5.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="sc"><a href="#inleiding" id="xd31e264">INLEIDING</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">7.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">EERSTE GEDEELTE.
-</p>
-<p class="tocPart">De Afstamming van den Mensch.
-</p>
-<p class="tocLabel">EERSTE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch1" id="xd31e277">DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.—Gelijkvormigheid
-van maaksel bij den mensch en de lagere diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—Ontwikkeling.—Rudimentaire
-organen, spieren, zintuigen, haar, geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie
-groote klassen van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 11.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch1n" id="xd31e288">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">33.</span>
-<span class="pageNum" id="pb.ii">[<a href="#pb.ii">II</a>]</span></p>
-<p class="tocLabel">TWEEDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch2" id="xd31e298">OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM HEEFT ONTWIKKELD.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.—Oorzaken van variabiliteit.—De
-wetten der variabiliteit zijn bij den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
-invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd gebruik en van het niet-gebruiken
-van deelen.—Stilstand in de ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—Toeneming
-der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke teeltkeus.—De mensch is van alle
-dieren dat, hetwelk de grootste geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van
-zijn lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den opgerichten gang—Veranderingen
-in zijn maaksel die daarvan het gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering
-der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—Naaktheid—Ontbreken van den
-staart.—Weerlooze toestand van den mensch &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 52.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch2n" id="xd31e308">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">99.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">DERDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch3" id="xd31e317">VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den minst ontwikkelden
-wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht
-tot navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen
-en wapenen door dieren gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof
-in God, in de werkzaamheid van geesten, bijgeloof &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 111.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch3n" id="xd31e327">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">149.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch3s" id="xd31e335">OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL</a></span>, door <i>Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. van Zouteveen</i> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">164.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">VIERDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch4" id="xd31e347">VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.—VERVOLG.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van gezellig levende of
-sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde
-instinkten.—De mensch <span class="pageNum" id="pb.iii">[<a href="#pb.iii">III</a>]</span>is een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen andere minder
-duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen worden door wilden gewaardeerd.—De
-deugden jegens zich zelven worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De
-belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde maatschappij over
-het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide
-laatste hoofdstukken vermelde feiten leiden &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 180.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch4n" id="xd31e359">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">215.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch4s" id="xd31e367">WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH</a></span>, door <i>Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. van Zouteveen</i> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">226.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">VIJFDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch5" id="xd31e378">OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE
-EN BESCHAAFDE TIJDEN.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke teeltkeus.—Belangrijkheid
-van de nabootsing.—Sociale en zedelijke vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen
-van een zelfden stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken invloed
-uit—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat verkeerden &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 237.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch5n" id="xd31e388">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">260.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">ZESDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch6" id="xd31e397">OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Plaats van den mensch in het dierenrijk—Het natuurlijke stelsel berust op de afstamming.—Adaptieve
-kenmerken hebben geringe waarde—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen
-den mensch en de apen—Rang van den mensch in het natuurlijke stelsel.—Plaats van ontstaan
-en oudheid van den mensch.—Afwezigheid van fossiele verbindingsleden—Lagere trappen
-in den stamboom van den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede
-uit het maaksel van zijn lichaam—Voormalige tweeslachtigheid (<i>hermaphroditisme</i>) der Gewervelde Dieren.—Besluit &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 264.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch6n" id="xd31e410">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">289.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch6b" id="xd31e420">STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN HET MENSCHELIJK
-GESLACHT</a></span>, door <i>Dr. P. Harting</i>, in leven Hoogleeraar te Utrecht &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 323.</span>
-<span class="pageNum" id="pb.iv">[<a href="#pb.iv">IV</a>]</span></p>
-<p class="tocLabel">ZEVENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch7" id="xd31e432">OVER DE MENSCHENRASSEN.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">De aard en waarde van soortkenmerken.—Toepassing op de menschenrassen.—Bewijsgronden
-voor en tegen het rangschikken der zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten
-(<i>Sub-species</i>).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst
-in lichaam en geest tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van
-den mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras stamt niet af
-van een enkel paar.—Het uit sterven van rassen.—Het ontstaan van rassen.—De uitwerkselen
-van kruising.—Geringe invloed van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de
-natuurlijke teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele teeltkeus
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 329<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch7n" id="xd31e447">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">370.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch7a" id="xd31e455">VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET MAAKSEL EN DE
-ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN</a></span>, door Professor <i>Huxley, F.&nbsp;R. S.</i> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">389.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch7an" id="xd31e465">AANTEEKENING</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">399.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch7b" id="xd31e473">HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE VOLKSVERHUIZINGEN IN HET
-PALAEOLITHISCHE TIJDVAK</a></span>, door <i>Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. van Zouteveen</i> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">400.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch7bn" id="xd31e484">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">430.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">TWEEDE GEDEELTE.
-</p>
-<p class="tocPart"><a href="#pt2">De Seksueele Teeltkeus.</a>
-</p>
-<p class="tocLabel">ACHTSTE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch8" id="xd31e499">GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat van mannetjes.—Veelwijverij.—Het
-mannetje alleen wordt gewoonlijk door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid
-van het mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje uitgeoefend.—Vergelijking
-tusschen de seksueele en de natuurlijke teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen
-leeftijd, in overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de sekse.—Betrekking
-tusschen de verschillende vormen van erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en
-de jongen door de seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de verhouding
-tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele dierenrijk.<span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span>—Over de beperking van het aantal individu’s van elke sekse door natuurlijke teeltkeus
-&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 434.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch8n" id="xd31e511">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">501.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">NEGENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch9" id="xd31e520">SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende kleuren.—Weekdieren
-(<i>Mollusca</i>).—Ringwormen (<i>Annelida</i>).—Schaaldieren (<i>Crustacea</i>); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer ontwikkeld; dimorphisme; kleur;
-de kenmerken niet verkregen dan op volwassen leeftijd.—Spinnen (<i>Arachnoïdea</i>); haar seksueele kleuren; sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (<i>Myriapoda</i>) blz. 511.
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch9n" id="xd31e537">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">528.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">TIENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch10" id="xd31e547">SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—Verschillen tusschen
-de seksen, waarvan de beteekenis niet wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen
-de seksen.—Springstaarten (<i>Thysanura</i>).—Tweelingen (<i>Diptera</i>).—Halfvleugeligen (<i>Hemiptera</i>).—Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen
-(<i>Orthoptera</i>); de muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid;
-kleuren.—Netvleugeligen (<i>Neuroptera</i>); seksueele kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (<i>Hymenoptera</i>); strijdlustigheid en kleuren.—Schildvleugeligen (<i>Celeoptera</i>); kleuren; sommige bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken;
-gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 531.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch10n" id="xd31e574">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">570.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">ELFDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p class="tocChapter"><a href="#ch11" id="xd31e583">SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG.—ORDE DER SCHUBVLEUGELIGEN
-(<i>Lepidoptera</i>).</a>
-</p>
-<p class="tocArgument">Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan beide seksen gemeen
-of het schitterendst bij de mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de
-rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming geschikt
-zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—<span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span>Oorzaken van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke
-Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht
-en slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der Insekten.—Vergelijking
-tusschen Vogels en Insekten &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">blz. 575.</span>
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch11n" id="xd31e597">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">607.</span>
-</p>
-<p class="tocLabel">SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch11s" id="xd31e607">DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS</a></span>, door <i>C. Darwin</i> (vertaald uit <i>Nature</i>, vol. XXI, 1880, blz. 237) blz. 612.
-</p>
-<p class="tocSection"><span class="asc"><a href="#ch11sn" id="xd31e616">AANTEEKENINGEN</a></span> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">614.</span>
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-<div id="preface" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e246">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">DARWINS BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN.</h2>
-<h2 class="super"><span class="divNum">III.</span> DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS.</h2>
-<h2 class="main">VOORWOORD</h2>
-<h2 class="sub">BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">DOOR
-</p>
-<p class="center">Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-</p>
-<p><i>Charles Darwin</i> zegt in zijn autobiographie (voorkomende in het in 1888 verschenen werk van zijn
-zoon Francis Darwin „<span lang="en">The Life and Letters of Charles Darwin</span>”) omtrent zijn werk over de afstamming van den mensch het volgende:
-</p>
-<p>„Mijn „<span lang="en">Descent of Man</span>” (Afstamming van den Mensch) verscheen in 1871. Zoodra ik, in het jaar 1837 of 1838,
-overtuigd was geworden, dat de soorten veranderlijke voortbrengselen der natuur zijn,
-kon ik mij niet losmaken van het geloof, dat ook de mensch aan de zelfde wet onderworpen
-moest zijn. Ik verzamelde daarom aanteekeningen over dat onderwerp voor mijn eigen
-genoegen, en het duurde lang, eer ik het voornemen opvatte ze uit te geven. Ofschoon
-in de „<span lang="en">Origin of Species</span>” (Ontstaan der Soorten) nergens over de afstamming van een enkele bepaalde soort
-wordt gesproken, achtte ik het toch het best, opdat geen man van eer mij zou kunnen
-beschuldigen, dat ik mijn gevoelen verzweeg, daarin te vermelden, dat door dit werk
-„licht zou worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis.”<a class="noteRef" id="xd31e652src" href="#xd31e652">1</a> <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>Het zou nutteloos en schadelijk voor het succes van het boek zijn geweest, zoo ik,
-zonder eenige bewijzen te geven, met mijn overtuiging omtrent zijn oorsprong had gepronkt.
-</p>
-<p>„Toen ik echter bevond, dat vele natuuronderzoekers de leer van de ontwikkeling der
-soorten volkomen aannamen, scheen het mij raadzaam al de aanteekeningen, die ik bezat,
-uit te werken en een bijzondere verhandeling omtrent den oorsprong van den mensch
-uit te geven. Ik was des te meer belust zulks te doen, omdat het mij gelegenheid gaf
-tot uitvoerige bespreking van de seksueele teeltkeus—een onderwerp, waarin ik altijd
-zeer veel belang had gesteld. Dit onderwerp, en dat van het varieeren der huisdieren
-en cultuurplanten<a class="noteRef" id="xd31e659src" href="#xd31e659">2</a>, benevens de oorzaken en wetten van het varieeren, de erfelijkheid en het kruisen
-der planten met elkander, zijn de eenige onderwerpen, waarover ik in staat ben geweest
-zoo uitvoerig te schrijven, dat ik alle bouwstoffen gebruikte, die ik er over had
-verzameld.<a class="noteRef" id="xd31e662src" href="#xd31e662">3</a> Het schrijven van de „<span lang="en">Descent of Man</span>” hield mij drie jaar bezig, maar gelijk gewoonlijk ging een gedeelte van dien tijd
-verloren door mijn slechte gezondheid, en een ander gedeelte daarvan werd verbruikt
-door het voor de pers gereed maken van nieuwe uitgaven van vroegere werken en andere
-kleinere verhandelingen. Een tweede en veel vermeerderde uitgaaf van de „<span lang="en">Descent</span>” verscheen in 1874.”
-</p>
-<p>In het tweede deel van de „<span lang="en">Life and Letters of Charles Darwin</span>”, waarin één hoofdstuk geheel en twee hoofdstukken gedeeltelijk aan de „<span lang="en">Descent of Man</span>” zijn gewijd, deelt Francis Darwin o.a. nog mede, dat in Februari 1867, toen het
-handschrift van het boek over „<span lang="en">The Variation of Animals and Plants under Domestication</span>” (Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten) naar den drukker was gezonden,
-zijn vader een „Hoofdstuk over den Mensch” begon te schrijven, maar spoedig bevond,
-dat het onder zijn handen zoo aangroeide, dat hij besloot het afzonderlijk uit te
-geven als een „zeer klein boekje.” Die <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>arbeid werd echter afgebroken door de noodzakelijkheid om de proeven van de „<span lang="en">Variation of Animals and Plants</span>” te verbeteren en door eenige botanische onderzoekingen, en niet vóór het volgende
-jaar kon hij hem weder opvatten en zich geheel daaraan wijden.
-</p>
-<p>Uit het bovenstaande volgt de nauwe samenhang van de „Afstamming van den Mensch” met
-het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, waarvan het oorspronkelijk slechts
-een hoofdstuk zou zijn. Evenzoo hangt het „Varieeren der Huisdieren enz.” weder ten
-nauwste zamen met het „Ontstaan der Soorten”, welke het uitbreidt en met nadere bewijzen
-versterkt. Zoo vormen deze drie werken een ondeelbaar geheel. De seksueele teeltkeus,
-in de beide eerstverschenen werken slechts ter loops vermeld, wordt in dit derde uitvoerig
-behandeld.
-</p>
-<p>Ik had, toen de derde druk van mijn Nederlandsche bewerking van de „Afstamming van
-den Mensch” verscheen, mij niet durven vleien, dat ze reeds in 1889 geheel uitverkocht
-en een vierde druk noodzakelijk zou zijn. Ik onderstel, dat bijna ieder, die dezen
-vierden druk leest, eerst de drie eerste deelen dezer serie, bevattende het Ontstaan
-der Soorten, het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten en eenige kleinere biologische
-geschriften zal hebben gelezen, hetgeen hem het recht begrip van het onderhavige werk
-veel gemakkelijker zal maken. Voor hen die deze drie eerste deelen niet hebben gelezen,
-zullen enkelen der aanteekeningen, welke ik achter de hoofdstukken van dit werk heb
-bijgevoegd, waarschijnlijk veel verduidelijken. Die aanteekeningen zijn grootendeels
-de zelfde als in den vorigen druk; zeer enkele zijn naar het „Ontstaan der Soorten”
-en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” overgebracht, een paar der minst
-beduidende geschrapt, een paar andere verplaatst en bijgewerkt en enkele nieuwe bijgevoegd.
-Al te uitvoerig kon dit echter niet geschieden, om het boek niet al te lijvig te doen
-worden.
-</p>
-<p>De van Darwin’s meening gedeeltelijk afwijkende gevoelens omtrent den oorsprong der
-hoogste geestvermogens, welke Wallace in zijn „<span lang="en">Darwinism</span>”, 1889, heeft publiek gemaakt, mochten hier wegens de groote beteekenis die Wallace
-voor het Darwinisme heeft en wegens de belangrijkheid van zijn boven aangehaald werk,
-waaraan wij in onze aanteekeningen op „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”
-zoo menige aanvulling en uitbreiding van Darwins leer en zoo menige scherpzinnige
-opmerking hebben ontleend, hier niet worden doodgezwegen, ofschoon wij in geenen deele
-met de door Wallace gegeven <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>verklaring van het ontstaan dier vermogens kunnen instemmen.
-</p>
-<p>Ook Wallace’s, van die van Darwin afwijkende, in het zelfde werk uiteengezette meening
-omtrent de seksueele teeltkeus, en in verband daarmede omtrent de beteekenis der kleur
-in de organische wereld in het algemeen, vereischten een nadere uiteenzetting.
-</p>
-<p>Verder scheen het ons wenschelijk, een overzicht in dit werk in te lasschen van Julius
-Lippert’s beschouwingen over den oorsprong der spraak en taal.
-</p>
-<p>Een paar kleine geschriften van Darwin, die totdusver nog niet in het Nederlandsch
-waren verschenen, zijn ter behoorlijker plaatse ingelascht.
-</p>
-<p>Eindelijk heeft mijne verhandeling over het oorspronkelijk vaderland van den mensch
-en de oudste volksverhuizingen eenige uitbreiding en wijziging ondergaan, waardoor
-tevens gelegenheid ontstond over eenige in nauw verband daarmede staande vraagstukken
-eenigszins uitvoeriger te bespreken.
-<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span> </p>
-<div id="preface2" class="div2 last-child preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e256">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VOORREDE VAN DE 2de ENGELSCHE UITGAAF.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Gedurende de achtereenvolgende herdrukken van de eerste, in 1871 verschenen uitgaaf
-van dit werk, was ik in staat om onderscheidene belangrijke verbeteringen aan te brengen;
-en thans, nu er meer tijd is verloopen, heb ik mijn voordeel gedaan met de vuurproef,
-die het boek had ondergaan en gebruik gemaakt van al de kritieken die mij gegrond
-schenen te zijn. Ik ben ook aan een groot aantal correspondenten de mededeeling verschuldigd
-van een verwonderlijk aantal nieuwe feiten en opmerkingen. Deze zijn zoo talrijk geweest,
-dat ik alleen de meest belangrijke heb kunnen gebruiken, en van deze, zoowel als van
-de belangrijkste verbeteringen, zal ik een lijst hierachter laten volgen. Eenige nieuwe
-houtsneden zijn in het werk opgenomen, en vier der oude zijn vervangen door betere,
-naar het leven geteekend door den heer T.&nbsp;W. Wood. Ik moet vooral de aandacht vestigen
-op eenige opmerkingen, die ik aan de vriendelijkheid van Prof. Huxley verschuldigd
-ben (gegeven als een Supplement op het einde van het Eerste Gedeelte) over den aard
-der verschillen tusschen de hersenen van den mensch en die der hoogere apen. Ik ben
-bijzonder blijde geweest, dat ik die opmerkingen kon mededeelen, omdat over dat onderwerp
-op het vasteland in de allerlaatste jaren onderscheidene verhandelingen zijn verschenen,
-en dat de belangrijkheid daarvan in sommige gevallen door populaire schrijvers erg
-is overdreven.
-</p>
-<p>Ik veroorloof mij bij deze gelegenheid op te merken, dat mijn critici dikwijls verzekeren,
-dat ik alle veranderingen in het lichamelijk maaksel en de geestvermogens uitsluitend
-daaraan toeschrijf, dat de natuur bepaalde zoogenaamd spontane verscheidenheden voor
-de voortplanting uitkiest; terwijl ik toch, zelfs in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan
-der Soorten”, duidelijk uitsprak, dat men groot gewicht moet hechten aan de overgeërfde
-gevolgen van gebruik en onbruik, zoowel ten opzichte <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>van het lichaam als van den geest. Ik schreef ook een zekere hoeveelheid wijzigingen
-toe aan de rechtstreeksche en voortdurende werking van gewijzigde levensvoorwaarden.
-Ook moeten wij eenigen invloed toeschrijven aan nu en dan voorkomende atavismen, en
-moeten ook datgene niet vergeten, wat ik correlatie van groei heb genoemd, waarmede
-ik bedoelde, dat verschillende deelen van het organisme op de eene of andere onbekende
-wijze zoodanig met elkander in verband staan, dat als één daarvan verandert, ook de
-anderen het doen; en indien veranderingen in het eene door natuurlijke teeltkeus worden
-opgehoopt (en dus grooter gemaakt), ook andere deelen wijzigingen zullen ondergaan.
-Ook is door verscheidene critici gezegd, dat ik, bevonden hebbende dat vele bijzonderheden
-in het maaksel van den mensch niet door natuurlijke teeltkeus konden worden verklaard,
-de seksueele teeltkeus had uitgevonden; ik gaf echter een vrij duidelijke schets van
-dit beginsel in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, en verklaarde toen
-reeds, dat het op den mensch kon worden toegepast. Dit onderwerp (de seksueele teeltkeus)
-wordt in het onderhavige werk uitvoerig behandeld, eenvoudig omdat mij daarin voor
-het eerst gelegenheid daartoe werd gegeven. Ik ben getroffen geweest door de gelijkenis
-van velen der halfgunstige critieken omtrent de seksueele teeltkeus met die, welke
-in het eerst omtrent de natuurlijke teeltkeus verschenen; zooals, dat zij wellicht
-eenige weinige bijzonderheden kon verklaren, maar zeker niet in zoo uitgebreiden zin
-toepasselijk was, als ik meende. Mijn overtuiging omtrent het vermogen der seksueele
-teeltkeus blijft ongeschokt, doch het is waarschijnlijk, of nagenoeg zeker, dat onderscheidenen
-mijner besluiten later onjuist zullen worden bevonden; dit kan moeilijk anders, wanneer
-men een onderwerp voor de eerste maal behandelt. Als de natuuronderzoekers gemeenzaam
-zijn geworden met het denkbeeld van seksueele teeltkeus, zal deze, naar ik vermeen,
-veel meer algemeen worden aangenomen; en zij heeft reeds een volkomen gunstig onthaal
-gevonden bij verscheidene bevoegde beoordeelaars.
-</p>
-<p class="dateline"><span class="sc">Down, Beckenham, Kent</span>, <br>September 1874.
-<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e652">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e652src">1</a></span> Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel I, „Het Ontstaan der Soorten”, vertaald
-door Dr. T.&nbsp;G. Winkler, 3de Ned. Uitgaaf, Arnhem, Gebr. E. &amp; M. Cohen, blz. 679.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e652src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e659">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e659src">2</a></span> Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel II, en III, „Het Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten”, vertaald en van aanteekeningen voorzien door Dr. H. Hartogh Heys
-van Zouteveen, Arnhem, Gebrs. E. &amp; M. Cohen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e659src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e662">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e662src">3</a></span> De autobiographie loopt tot 1 Mei 1881. Zijn boek over de Vorming van Humus door de
-werkzaamheid der Aardwormen, was toen nog niet verschenen, maar juist ter perse gezonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e662src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="inleiding" class="div1 last-child introduction"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e264">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH; <br>EN OVER <br>TEELTKEUS MET BETREKKING TOT DE SEKSE.</h2>
-<h2 class="main">INLEIDING.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De aard van het volgende werk zal het beste worden begrepen door een korte mededeeling
-der redenen, die mij aanleiding gaven het te schrijven. Gedurende vele jaren verzamelde
-ik aanteekeningen over den oorsprong of afstamming van den mensch, zonder eenig voornemen
-om iets over dat onderwerp in het licht te geven, of liever met het stellige voornemen
-om niets daarover in het licht te geven, daar ik meende, dat ik daardoor het vooroordeel
-tegen mijn beschouwingen slechts zou doen toenemen. Het scheen mij voldoende, in de
-eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan der Soorten” aan te stippen, dat door dit werk „licht
-zou worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis”, en hierin
-ligt opgesloten, dat elk algemeen besluit omtrent de wijze, waarop de organische wezens
-op aarde zijn verschenen, ook op den mensch toepasselijk is. Op dit oogenblik echter
-verschijnt de zaak in een geheel ander daglicht. Als een zoo beroemd natuuronderzoeker
-als Carl Vogt niet schroomt om in zijn toespraak als President van het Nationale Instituut
-van Genève (1869) te zeggen: „<span lang="fr">personne, en Europe au moins, n’ose plus soutenir la création indépendante et de toutes
-pièces des espèces</span>”, dan is het duidelijk, dat ten minste een groot aantal natuuronderzoekers moeten
-aannemen, dat de tegenwoordig levende soorten de gewijzigde afstammelingen van andere
-soorten zijn; en dit is vooral het geval met de jonge en opkomende natuuronderzoekers.
-Het grootste gedeelte van hen nemen de werking der natuurlijke teeltkeus aan, schoon
-sommigen beweren, of het met recht is, moet de toekomst beslissen, dat ik de belangrijkheid
-er van veel te hoog heb geschat. Van de oudere en geëerde hoofden in de <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>natuurwetenschap zijn ongelukkig velen nog tegenstanders van de ontwikkelingstheorie
-in welken vorm dan ook.
-</p>
-<p>Ten gevolge van de beschouwingen, die tegenwoordig door de meeste natuuronderzoekers
-worden aangenomen, en die ten laatste, evenals in elk ander geval, door andere menschen
-zullen worden gedeeld, ben ik er toe gekomen om mijn aanteekeningen bijeen te brengen,
-om daardoor te zien in hoeverre de algemeene besluiten, waartoe ik in mijn vorige
-werken kwam, op den mensch toepasselijk waren. Dit scheen mij des te wenschelijker,
-daar ik met opzet deze beschouwingen nog nooit op ééne enkele soort, afzonderlijk
-genomen, had toegepast. Als wij onze aandacht tot een bepaalden vorm beperken, zijn
-wij beroofd van de gewichtige bewijsgronden, welke worden afgeleid uit den aard der
-verwantschappen, die geheele groepen van organismen onderling verbinden—hun geographische
-verspreiding, zoowel in vroegere tijdvakken als tegenwoordig, en hun geologische opeenvolging.
-De homologe structuur<b>(<a href="#en1.1" id="en1.1src">1</a>)</b>, embryologische ontwikkeling en rudimentaire organen<b>(<a href="#en1.2" id="en1.2src">2</a>)</b> van een soort, hetzij het de mensch of eenig ander dier zij, waarop onze aandacht
-is gevestigd, blijven ter overweging over; maar deze groote klassen van feiten leveren,
-dunkt mij, overvloedige en afdoende bewijsgronden op ten gunste van het beginsel van
-trapsgewijze ontwikkeling. De sterke steun, dien de andere bewijsgronden daaraan nog
-geven, moet echter steeds in acht worden genomen.
-</p>
-<p>Het eenige doel van dit werk is om na te gaan, eerstens, of de mensch, evenals elke
-andere diersoort, van dezen of genen vroeger bestaan hebbenden vorm afstamt; ten tweede,
-de wijze, waarop hij zich heeft ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen
-tusschen de zoogenaamde menschenrassen. Daar ik mij tot deze punten wil beperken,
-zal het niet noodig zijn de verschilpunten tusschen de onderscheidene rassen uitvoerig
-te beschrijven—een hoogst uitgebreid onderwerp, dat in vele uitnemende werken grondig
-is besproken. De hooge oudheid van het menschelijk geslacht is sedert korten tijd
-bewezen door de onderzoekingen van een menigte uitstekende mannen, te beginnen met
-den heer Boucher de Perthes<b>(<a href="#en1.3" id="en1.3src">3</a>)</b>; en dit is een onmisbare grondslag voor het begrijpen van deszelfs oorsprong. Ik
-zal daarom dit feit voor bewezen houden, en mijn lezers verwijzen naar de bewonderenswaardige
-verhandelingen van Sir Charles Lyell<b>(<a href="#en1.4" id="en1.4src">4</a>)</b>, Sir John Lubbock en anderen. Ik zal ook geen gelegenheid hebben om meer te doen
-dan te zinspelen op de hoegrootheid van het verschil <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>tusschen den mensch en de anthropomorphe apen; want Prof. Huxley heeft volgens de
-meening van zeer bevoegde rechters overtuigend aangetoond, dat de mensch in elk afzonderlijk
-zichtbaar kenmerk minder verschilt van de hoogere apen, dan deze van de lagere leden
-der zelfde orde van de Primaten.
-</p>
-<p>Dit werk bevat bijna geen enkel nieuw feit omtrent den mensch; maar daar de besluiten,
-waartoe ik na een ruwe optelling kwam, mij belangrijk voorkwamen, dacht ik, dat ook
-anderen er wellicht belang in konden stellen. Men heeft dikwijls met het meeste zelfvertrouwen
-verzekerd, dat de oorsprong van den mensch nimmer bekend kan worden; maar onwetendheid
-leidt dikwijls meer tot zelfvertrouwen dan grondige kennis; slechts zij die weinig
-weten, en geenszins zij die veel weten, verzekeren zoo stellig, dat het eene of andere
-vraagstuk nimmer door de <span class="corr" id="xd31e766" title="Bron: wetensnhap">wetenschap</span> zal worden opgelost. Het besluit, dat de mensch gezamenlijk met andere soorten van
-den eenen of anderen ouden, lageren en uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet
-nieuw. Lamarck kwam reeds lang geleden tot dit besluit, dat onlangs door verscheidene
-beroemde natuurkundigen en wijsgeeren is verdedigd; bij voorbeeld door Wallace, Huxley,
-Lyell, Vogt, Lubbock, Büchner, Rolle enz.<a class="noteRef" id="xd31e769src" href="#xd31e769">1</a>, en vooral door Haeckel. Deze laatste natuuronderzoeker heeft, behalve zijn groot
-werk „<i lang="de">Generelle Morphologie</i>” (1866) onlangs (1868, met een tweede uitgaaf in 1870) zijn „<i lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</i>” uitgegeven, waarin hij de afstamming van den mensch uitvoerig bespreekt. <b>(<a href="#en1.5" id="en1.5src">5</a>)</b> Ware dit werk in het licht verschenen, voor mijn geschrift geheel was geschreven,
-dan zou ik het waarschijnlijk nooit hebben voltooid. Bijna al de besluiten, waartoe
-ik ben gekomen, vind ik door dezen natuuronderzoeker bevestigd, wiens kennis op vele
-punten veel vollediger is dan de mijne. Overal <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>waar ik eenig feit of gevoelen uit Prof. Haeckel’s geschriften hieraan heb toegevoegd,
-geef ik zulks in den tekst op; andere opgaven laat ik zooals zij oorspronkelijk in
-mijn handschrift stonden, nu en dan in de noten naar zijn werken verwijzende, als
-een bevestiging van de meer twijfelachtige of belangrijke <span class="corr" id="xd31e799" title="Bron: pnnten">punten</span>.
-</p>
-<p>Sinds vele jaren scheen het mij zeer waarschijnlijk, dat de seksueele teeltkeus een
-groote rol had gespeeld bij het differentieeren der menschenrassen; maar in mijn „Ontstaan
-der Soorten” stelde ik mij tevreden met slechts te zinspelen op dit geloof. Toen ik
-er toe kwam, om dit gevoelen op den mensch toe te passen, vond ik het volstrekt noodig
-dit geheele onderwerp zeer uitvoerig te behandelen.<a class="noteRef" id="xd31e804src" href="#xd31e804">2</a> Ten gevolge daarvan is het tweede gedeelte van dit werk, dat over de teeltkeus met
-betrekking tot de sekse handelt, tot een, in vergelijking van het eerste gedeelte,
-zeer onevenredige lengte aangegroeid, maar dit kon niet worden vermeden.
-</p>
-<p>Ik was eerst voornemens bij deze deelen nog een <span class="corr" id="xd31e814" title="Bron: verhandeiing">verhandeling</span> te voegen over het uitdrukken der verschillende gemoedsaandoeningen bij den mensch
-en de lagere dieren. Mijn aandacht werd reeds vele jaren geleden op dit onderwerp
-gevestigd door het bewonderenswaardige werk van Sir Charles Bell. Deze beroemde ontleedkundige
-beweert, dat de mensch sommige spieren alleen bezit, ten einde daarmede zijn gemoedsaandoeningen
-uit te <span class="corr" id="xd31e817" title="Bron: drekken">drukken</span>. Daar dit gevoelen klaarblijkelijk in tegenspraak is met het geloof, dat de mensch
-van dezen of genen lageren vorm afstamt, was het noodig, dat ik het behandelde. Ik
-wenschte eveneens uit te maken, in hoeverre de gemoedsaandoeningen door de verschillende
-menschenrassen op de zelfde wijze worden uitgedrukt. Met het oog op de lengte van
-het onderhavige werk, heb ik echter gemeend, dat het beter was mijn verhandeling,
-die gedeeltelijk is voltooid, voor een afzonderlijke uitgave te bewaren.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Ch.</span> DARWIN.
-<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e769">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e769src">1</a></span> De werken der eerstgenoemde schrijvers zijn zoo bekend, dat het mij onnoodig voorkomt
-de titels daarvan op te geven; maar daar die der laatstgenoemden in Engeland minder
-bekend zijn, zal ik daarvan de titels noemen:—<span lang="de">„Sechs Vorlesungen über die Darwin’sche Theorie”: zweite Auflage, 1868, von Dr. L.
-Büchner</span>; in het Fransch overgezet onder den titel: <span lang="fr">„Conférences sur la Théorie Darwinienne”</span>, 1869. <span lang="de">„Der Mensch im Lichte der Darwin’sche Lehre”, 1865 von Dr. F. Rolle</span>. Ik zal niet beproeven hier alle schrijvers op te sommen, die het vraagstuk van de
-zelfde zijde hebben beschouwd. Zoo heeft G. Canestrini („<span lang="it">Annuario della Soc. d. Nat.</span>” Modena, 1867, blz. 81) een zeer merkwaardige verhandeling uitgegeven over rudimentaire
-kenmerken die wijzen op den oorsprong van den mensch. Een ander werk, in 1869 door
-Dr. Barrago Francesco uitgegeven, draagt in het Italiaansch den titel van: „De mensch
-geschapen naar Gods beeld, werd ook geschapen naar het beeld van den aap.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e769src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e804">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e804src">2</a></span> Prof. Haeckel is de eenige schrijver, die, sinds de uitgave van „<span lang="en">The Origin of Species</span>”, in zijn verschillende werken op hoogst bekwame wijze over de teeltkeus met betrekking
-tot de sekse <span class="corr" id="xd31e809" title="Niet in bron">heeft </span>gesproken, en ten volle de belangrijkheid van dit onderwerp heeft ingezien.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e804src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div0 part">
-<h2 class="label">EERSTE GEDEELTE.</h2>
-<h2 class="main">DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH.</h2>
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e277">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.—Gelijkvormigheid
-van maaksel bij den mensch en de lagere diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—Ontwikkeling.—Rudimentaire
-organen, spieren, zintuigen, haar, geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie
-groote klassen van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hij die wil beslissen, of de mensch een gewijzigde afstammeling is van dezen of genen
-vorm die vroeger heeft bestaan, zal waarschijnlijk eerst onderzoeken, of er bij den
-mensch verschillen bestaan, in hoe geringen graad dan ook, ten opzichte van het maaksel
-van zijn lichaam en van zijn geestvermogens; zoo ja, of die verschillen op zijn afstammelingen
-worden overgeplant volgens de zelfde wetten, die zich bij de lagere diersoorten doen
-gelden; zooals b.v. het overplanten van kenmerken op den zelfden ouderdom, de zelfde
-sekse. Verder nog, of die verschillen, zoover wij daarover bij onze geringe kennis
-kunnen oordeelen, het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken, of zij worden
-beheerscht door de zelfde wetten als bij andere organismen; b.v. door correlatie<b>(<a href="#en1.6" id="en1.6src">6</a>)</b>, door de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, enz.? Is de mensch onderhevig
-aan gelijksoortige misvormingen, die het gevolg zijn van stilstand in de ontwikkeling<b>(<a href="#en1.7" id="en1.7src">7</a>)</b>, van reduplicatie van deelen<b>(<a href="#en1.8" id="en1.8src">8</a>)</b> enz., en blijkt uit een van zijn anomalieën het terugkeeren tot eenig vroeger en
-ouder type van organisatie?<b>(<a href="#en1.9" id="en1.9src">9</a>)</b> Men zou natuurlijk ook moeten vragen, of de mensch, evenals zoovele andere dieren,
-het aanzijn heeft gegeven aan verscheidenheden en onder-rassen, <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>die maar weinig van elkander verschillen, of aan rassen, die zooveel verschil opleveren,
-dat men moet betwijfelen, of het geen onderscheidene soorten zijn? Hoe zijn die rassen
-over de wereld verspreid; en hoe wijzigen zij elkander, zoowel in de eerste als in
-de volgende generaties, wanneer zij zich vermengen? En evenzoo is het met vele andere
-punten.
-</p>
-<p>Hij die dit onderzoekt, zou dan tot de volgende gewichtige vraag komen: streeft de
-mensch naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat daardoor somtijds een hevige strijd
-voor het leven ontstaat, en dus de voordeelige wijzigingen, hetzij van lichaam of
-ziel, behouden blijven en de schadelijke uitsterven? Benadeelen de rassen of soorten
-van menschen (welken naam men daarvoor ook wil gebruiken) elkander en verdringt het
-ééne het andere, zoodat er eenigen ten laatste geheel worden uitgeroeid? Wij zullen
-zien, dat al deze vragen, zooals ook duidelijk is ten opzichte van de meesten daarvan,
-bevestigend moeten worden beantwoord, op de zelfde wijze als bij de lagere diersoorten.
-De verschillende bovenvermelde beschouwingen kunnen echter zeer gepast tot later worden
-uitgesteld; en eerst willen wij zien, in hoeverre het maaksel van het menschelijk
-lichaam meer of minder duidelijke sporen van zijn afstamming van dezen of genen lageren
-vorm vertoont. In de twee volgende hoofdstukken zullen wij de geestvermogens van den
-mensch met die van de lagere diersoorten vergelijken.
-</p>
-<p><i>Maaksel van het menschelijk lichaam.</i>—Het is algemeen bekend, dat de mensch is gebouwd volgens den zelfden grondvorm of
-type als de andere zoogdieren. Al de beenderen van zijn geraamte kunnen worden vergeleken
-met de overeenkomstige beenderen in een aap, vleêrmuis of zeehond. Evenzoo is het
-met zijn spieren, zenuwen, bloedvaten of ingewanden. De hersenen, het belangrijkste
-van alle organen, volgen de zelfde wet, zooals Huxley en andere ontleedkundigen hebben
-aangetoond. Bischoff<a class="noteRef" id="xd31e869src" href="#xd31e869">1</a>, een getuige die tot onze tegenpartij behoort, geeft toe, dat elke hoofd-spleet en
-winding in de hersenen van den mensch overeenstemt met een spleet of winding in de
-hersenen van een orang-oetan, maar, voegt hij er bij, er is geen tijdstip van hun
-ontwikkeling, waarop zij volmaakt overeenkomen; dit kon men ook niet verwachten; want
-dan zouden hun geestvermogens de zelfde moeten zijn. Vulpian<a class="noteRef" id="xd31e875src" href="#xd31e875">2</a> <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>merkt op: „<span lang="fr">Les différences réelles, qui existent entre l’encéphale de l’homme et celui des singes
-supérieurs, sont bien minimes. Il ne faut pas se faire d’illusions à cet égard. L’homme
-est bien plus près des singes anthropomorphes par les caractères <span class="corr" id="xd31e888" title="Bron: anatomiqes">anatomiques</span> de son cerveau, que ceux-ci ne le sont non seulement des autres mammifères, mais
-même de certains quadrumanes, des guenons et des macaques.</span>”<b>(<a href="#en1.10" id="en1.10src">10</a>)</b> Het zou echter overtollig zijn hier verdere bijzonderheden op te geven omtrent de
-overeenkomst, die tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren in het maaksel der
-hersenen en van alle andere lichaamsdeelen bestaat.
-</p>
-<p>Het is echter wellicht de moeite waard eenigszins meer in het bijzonder enkele punten
-te behandelen, die niet rechtstreeks of niet zoo duidelijk in verband staan met het
-maaksel, doch waardoor deze overeenstemming of verwantschap goed wordt aangetoond.
-</p>
-<p>De mensch kan zekere ziekten, zooals watervrees, koepokken, droes, enz., van de lagere
-diersoorten overnemen of ze aan hen mededeelen; en dit feit bewijst de groote gelijkvormigheid
-van hun weefsel en bloed, zoowel in den fijneren bouw als in samenstelling, veel duidelijker
-dan de vergelijking ervan onder het beste mikroskoop, of door middel van de beste
-scheikundige ontleding. Apen zijn vatbaar voor vele niet-besmettelijke ziekten, waaraan
-ook wij onderhevig zijn; zoo vond Rengger<a class="noteRef" id="xd31e901src" href="#xd31e901">3</a>, die lang en zorgvuldig den <i>Cebus Azarae</i> in zijn vaderland gadesloeg, dat dit dier voor verkoudheid vatbaar was, met de gewone
-verschijnselen, en dat, wanneer die verkoudheid zich dikwijls herhaalde, zij aanleiding
-gaf tot tering. Deze apen leden ook aan beroerten, ontsteking in de ingewanden en
-grauwe staar. De jongen stierven dikwijls aan de koorts, wanneer zij hunne melktanden
-verloren. Geneesmiddelen hadden bij hen de zelfde uitwerking als bij ons. Vele soorten
-van apen houden zeer veel van thee, koffie en geestrijke dranken; ook rooken ze, zooals
-ik zelf heb gezien, met smaak tabak. Brehm beweert, dat de inboorlingen van Noord-Oost-Afrika
-de wilde bavianen vangen door bakken met zwaar bier neêr te zetten, waardoor zij dronken
-worden gemaakt. Hij heeft er eenigen, die hij in gevangen staat bezat, in dien toestand
-gezien, en hij geeft een lachwekkend verhaal van hun gedrag en wonderlijke grimassen.
-Den volgenden dag waren ze zeer verdrietig en neêrslachtig; zij hadden hoofdpijn,
-hielden hun kop met beide handen vast en zagen er beklagenswaardig uit; <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>als men hun bier of wijn voorhield, wendden zij zich met walging af, maar limoen-sap
-dronken zij met smaak.<a class="noteRef" id="xd31e911src" href="#xd31e911">4</a> Een Amerikaansche aap, een <i>Ateles</i>-soort, die van brandewijn dronken was geweest, wilde dien nooit meer aanraken en
-handelde dus verstandiger dan menig mensch. Deze kleine feiten bewijzen hoeveel overeenkomst
-er moet zijn tusschen de smaakzenuwen van apen en menschen, en hoeveel overeenkomst
-er is in de wijze, waarop hun geheele zenuwstelsel wordt aangedaan.
-</p>
-<p>De mensch wordt gekweld door inwendige parasieten en soms met noodlottig gevolg; hij
-wordt ook geteisterd door uitwendige parasieten, die allen tot de zelfde genera of
-families behooren, als die waarmede andere zoogdieren zijn behept. De mensch is evenals
-andere zoogdieren, vogels en zelfs insekten<a class="noteRef" id="xd31e921src" href="#xd31e921">5</a> aan die geheimzinnige wet onderworpen, die zekere normale processen zooals de zwangerschap
-en evenzoo de ontwikkeling en den duur van vele ziekten volgens tijdperken doet plaats
-hebben, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. <b>(<a href="#en1.11" id="en1.11src">11</a>)</b> Zijn wonden herstellen door het zelfde genezingsproces; en de stompen, die bij afzetting
-van zijn ledematen overblijven, hebben, voornamelijk in een vroege embryonale periode,
-een zeker regeneratievermogen, evenals bij de laagste diersoorten.<a class="noteRef" id="xd31e936src" href="#xd31e936">6</a>
-</p>
-<p>Bij alle zoogdieren is er in het geheele verloop van de voortplanting der soort, die
-hoogst belangrijke functie, een treffende overeenkomst van het oogenblik af, dat het
-mannetje het eerst zijn begeerlijkheid toont<a class="noteRef" id="xd31e947src" href="#xd31e947">7</a> <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>tot aan de geboorte en de voeding van de jongen toe. De apen komen bijna even hulpeloos
-ter wereld als onze eigene kinderen <b>(<a href="#en1.13" id="en1.13src">13</a>)</b> en bij zekere genera is er in het uiterlijk aanzien evenveel verschil tusschen de
-jongen en de volwassenen, als tusschen onze kinderen en hun volwassen ouders.<a class="noteRef" id="xd31e963src" href="#xd31e963">8</a> Sommige schrijvers hebben als een belangrijk verschil aangevoerd, dat bij den mensch
-de jongen veel later volwassen worden dan bij eenig ander dier; maar, wanneer wij
-de menschenrassen beschouwen die tusschen de keerkringen wonen, is het verschil niet
-groot; want van den orang wordt algemeen aangenomen, dat hij niet volwassen is voor
-zijn 10de of 15de jaar.<a class="noteRef" id="xd31e969src" href="#xd31e969">9</a> De man verschilt van de vrouw in grootte, lichaamskracht, behaardheid enz. zoowel
-als in inborst op de zelfde wijze, als de beide seksen van vele andere zoogdieren.
-Kortom men kan bijna niet te ver gaan in het aannemen van een zeer nauwe overeenkomst
-in het algemeene maaksel, in de fijnere structuur der weefsels, de chemische samenstelling
-en in constitutie bij den mensch en de hoogere diersoorten, voornamelijk de anthropomorphe
-apen. <b>(<a href="#en1.14" id="en1.14src">14</a>)</b>
-</p>
-<p><i>Embryonale ontwikkeling.</i>—De mensch ontwikkelt zich uit een eitje dat ongeveer 1⁄50 centimeter middellijn heeft
-en in geen enkel opzicht van de eitjes van andere dieren verschilt. De embryo zelf
-kan in een zeer vroeg tijdperk van zijn ontwikkeling nauwelijks van dien van andere
-gewervelde dieren worden onderscheiden. In dat tijdperk vormen de slagaderen boogsgewijze
-takken, als ware het om het bloed naar kieuwen te voeren, die bij de hoogere gewervelde
-dieren niet aanwezig zijn, hoewel aan beide zijden van den hals nog spleten voorkomen
-(f, g, Fig. 1) waardoor hun vroegere plaats wordt aangegeven. In een eenigszins later
-tijdperk, waarop de ledematen zich ontwikkelen, „ontstaan”, zooals de beroemde Von
-Baer opmerkt, „de pooten der hagedissen en zoogdieren, de vleugels en pooten der vogels
-en evenzoo de handen en voeten van den mensch, allen uit den zelfden grondvorm.” „Alleen
-in de latere tijdperken van zijn ontwikkeling”, zegt Prof. Huxley<a class="noteRef" id="xd31e986src" href="#xd31e986">10</a>, „vertoont het jonge menschelijke wezen bepaalde verschillen met een jongen aap,
-terwijl deze laatste in de wijze van zijn ontwikkeling <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>evenveel van den hond verschilt, als de mensch. Hoe onaangenaam deze laatste bewering
-ons ook moge verrassen, zij is volkomen juist en onwederlegbaar te bewijzen.”
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig01width"><img src="images/fig01.png" alt="Fig. 1. Bovenste figuur menschelijke embryo, naar Ecker. Onderste figuur die van een hond, naar Bischoff." width="339" height="673"><p class="figureHead">Fig. 1. Bovenste figuur menschelijke embryo, naar Ecker. Onderste figuur die van een
-hond, naar Bischoff.</p>
-<p class="first"><i>a.</i> Voorhersenen (halfronden der groote hersenen, enz.)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <i>b.</i> Middelhersenen (vierdubbele lichamen). <i>c.</i> Achterhersenen (kleine hersenen, verlengde merg). <i>d.</i> Oog. <i>e.</i> Oor. <i>f.</i> Eerste kieuwboog. <i>g.</i> Tweede kieuwboog. H. Zich ontwikkelende beenderen en spieren van de wervelkolom.
-<i>i.</i> Voorste ledematen. K. Achterste ledematen. L. Staart of koekoeksbeen. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Daar sommigen mijner lezers wellicht nimmer een afbeelding van een embryo hebben gezien,
-geef ik er hier een van dien van den mensch en een andere van dien van den hond, beide
-ongeveer in het zelfde vroege tijdperk hunner ontwikkeling, zorgvuldig gekopiëerd
-uit twee werken van onbetwistbare nauwkeurigheid.<a class="noteRef" id="xd31e1020src" href="#xd31e1020">11</a> (Fig. 1)
-</p>
-<p>Na de voorgaande <span class="corr" id="xd31e1036" title="Bron: getuinissen">getuigenissen</span>, afgelegd door zoo groote autoriteiten, zou het overtollig zijn, als ik van mijn
-zijde een groot aantal nageschreven bijzonderheden mededeelde om aan te toonen, dat
-de menschelijke embryo zeer veel op dien van andere zoogdieren gelijkt. Er dient echter
-te worden bijgevoegd, dat de menschelijke embryo eveneens in verschillende bijzonderheden
-van zijn maaksel gelijkt op sommige lagere vormen, wanneer deze volwassen zijn. Zoo
-bestaat b.v<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> het hart eerst slechts <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>uit een eenvoudig kloppend vat; de uitwerpselen worden door een cloaca <b>(<a href="#en1.15" id="en1.15src">15</a>)</b> ontlast, en het koekoeksbeen (os <span class="corr" id="xd31e1049" title="Bron: coceyx">coccyx</span>) steekt uit als een ware staart, „zich aanmerkelijk voorbij de rudimentaire beenen
-uitstrekkende.”<a class="noteRef" id="xd31e1053src" href="#xd31e1053">12</a> Bij de embryo’s van alle luchtademende gewervelde dieren komen zekere klieren, de
-corpora Wolffiana genaamd, overeen met de nieren van volwassen visschen en hebben
-de zelfde functie.<a class="noteRef" id="xd31e1060src" href="#xd31e1060">13</a> Zelfs in een later tijdperk van de embryonale ontwikkeling kan men sommige treffende
-punten van overeenkomst tusschen den mensch en de lagere dieren opmerken. Bischoff
-zegt, dat de hersenwindingen bij een menschelijken foetus aan het einde van de zevende
-maand ongeveer de zelfde mate van ontwikkeling bezitten, als bij een volwassen baviaan.<a class="noteRef" id="xd31e1066src" href="#xd31e1066">14</a> Prof. Owen merkt op<a class="noteRef" id="xd31e1072src" href="#xd31e1072">15</a>, dat de groote teen, „die bij het staan of loopen het steunpunt vormt, wellicht de
-meest karakteristieke bijzonderheid in het maaksel van den mensch is”; maar in een
-embryo van ongeveer 2.5 c.M. lengte vond Prof. Wyman<a class="noteRef" id="xd31e1078src" href="#xd31e1078">16</a>, „dat de groote teen korter dan de anderen was, en in plaats van evenwijdig met hen
-te loopen, aan de zijde van den voet met een hoek uitstak, op deze wijze overeenkomende
-met den blijvenden toestand van dit deel bij de vierhandige zoogdieren.” Ik wil besluiten
-met een aanhaling van Huxley<a class="noteRef" id="xd31e1084src" href="#xd31e1084">17</a>, die na te hebben gevraagd of de mensch op een andere wijze ontstaat dan een hond,
-vogel, kikvorsch of visch, zegt: „Het antwoord is geen oogenblik twijfelachtig; zonder
-quaestie zijn de wijze van ontstaan en de vroege ontwikkelingstrappen van den mensch
-gelijk aan die van de dieren die op de ladder <span class="corr" id="xd31e1091" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> beneden hem staan: zonder twijfel staat hij in dit opzicht veel dichter bij de apen,
-dan de apen bij den hond.”
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p><i>Rudimentaire organen.</i>—Dit onderwerp, hoewel eigenlijk niet belangrijker dan de twee laatsten, zal om verscheidene
-redenen hier uitvoeriger worden behandeld.<a class="noteRef" id="xd31e1098src" href="#xd31e1098">18</a> Men kan niet ééne van de hoogere diersoorten noemen, die niet een of ander in rudimentairen
-toestand verkeerend deel bezit, en de mensch maakt geen uitzondering op dien regel.
-De rudimentaire organen moet men onderscheiden van die, welke in wordenden toestand
-verkeeren, hoewel in sommige gevallen de onderscheiding niet gemakkelijk is. De eersten
-zijn òf bepaald nutteloos, zooals de tepels der mannelijke zoogdieren of de snijtanden
-der herkauwende dieren, die nooit door het tandvleesch komen; òf zij bewijzen zoo
-weinig dienst aan hun tegenwoordige bezitters, dat wij niet kunnen onderstellen, dat
-zij onder de tegenwoordig bestaande voorwaarden tot ontwikkeling zijn gekomen. De
-organen die in den laatstgenoemden toestand verkeeren, zijn strikt genomen niet rudimentair,
-maar zij streven er naar het te worden. Wordende organen integendeel, hoewel niet
-geheel ontwikkeld, zijn voor hun bezitters van groot nut, en voor verdere ontwikkeling
-vatbaar. Rudimentaire organen zijn in hooge mate variabel, en dit is gedeeltelijk
-te begrijpen, daar zij nutteloos of bijna nutteloos, en dus niet langer aan den invloed
-van de natuurlijke teeltkeus onderworpen zijn. Zij verdwijnen dikwijls geheel. Wanneer
-dit gebeurt, kunnen zij evenwel nu en dan opnieuw verschijnen door atavisme; en deze
-bijzonderheid is zeer opmerkenswaardig.
-</p>
-<p>Het niet-gebruiken gedurende dat tijdperk in het leven, waarin een orgaan hoofdzakelijk
-gebruikt wordt, en dit is meestal de volwassen leeftijd, gepaard aan overerving in
-een overeenkomstig levenstijdperk, schijnen de hoofdoorzaken te zijn geweest van het
-rudimentair worden van organen. De term „niet-gebruiken” heeft niet alleen betrekking
-op de verminderde werking der spieren, maar sluit ook in zich een verminderden toevoer
-van bloed naar een deel of orgaan, omdat het aan minder afwisseling van drukking onderworpen,
-of omdat het in een of ander opzicht op den duur minder in werking is gebracht. Bij
-de ééne sekse kunnen echter deelen in rudimentairen toestand voorkomen, die bij de
-andere sekse in normalen toestand te vinden zijn; en zulke <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>rudimentaire organen zijn, zooals wij later zullen zien, dikwijls op een andere wijze
-ontstaan. In sommige gevallen zijn organen kleiner geworden door natuurlijke teeltkeus,
-omdat zij voor de diersoort, die een andere levenswijze had aangenomen, nadeelig werden.
-Het verkleiningsproces wordt waarschijnlijk dikwijls in de hand gewerkt door de twee
-beginselen van compensatie <b>(<a href="#en1.16" id="en1.16src">16</a>)</b> en spaarzaamheid van groei; maar de laatste stadiën van de verkleining, nadat onbruik
-alles heeft gedaan, wat men er billijkheidswijze aan kan toeschrijven, en wanneer
-de besparing, die door spaarzaamheid van groei kan worden verkregen, zeer gering is,
-zijn moeilijk te begrijpen.<a class="noteRef" id="xd31e1123src" href="#xd31e1123">19</a> Het voorgoed en geheel en al verdwijnen van een deel, dat reeds nutteloos en zeer
-in omvang verminderd was, in welk geval noch compensatie noch spaarzaamheid in het
-spel kunnen komen, is misschien verklaarbaar met behulp van de hypothese van de pangenesis,
-en waarschijnlijk op geen andere wijze. Maar, daar het geheele onderwerp der rudimentaire
-organen uitvoerig is behandeld en toegelicht in mijn vorige werken<a class="noteRef" id="xd31e1129src" href="#xd31e1129">20</a>, behoef ik daarover niets meer te zeggen.
-</p>
-<p>Men heeft in vele deelen van het menschelijk lichaam rudimenten van verschillende
-spieren opgemerkt<a class="noteRef" id="xd31e1134src" href="#xd31e1134">21</a>; en niet weinige spieren die bij de eene of andere lagere diersoort steeds aanwezig
-zijn, kan men nu en dan bij den mensch in zeer verkleinden toestand waarnemen. Iedereen
-moet hebben opgemerkt, dat verscheidene dieren, vooral paarden, het vermogen bezitten
-om hun huid te bewegen of te doen trillen; dit wordt veroorzaakt door den <i>panniculus carnosus</i>. Overblijfsels van deze spier, en in werkzamen toestand, worden in verschillende
-deelen van ons lichaam gevonden; b.v. op het voorhoofd dat—waardoor de wenkbrauwen
-worden in de hoogte gebracht<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De <i lang="la">platysma myoides</i>, die in den hals zeer ontwikkeld voorkomt, behoort ook tot dit stelsel, maar kan
-niet willekeurig in beweging worden gebracht. Prof. Turner te <span class="corr" id="xd31e1156" title="Bron: Edinburg">Edinburgh</span> heeft nu en dan, naar hij mij <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>meêdeelde, op vijf verschillende plaatsen, namelijk in de oksels, bij de schouders
-enz., spierbundels ontdekt, die allen tot het stelsel van den <i lang="la">panniculus</i> moeten worden teruggebracht. Hij heeft ook aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e1165src" href="#xd31e1165">22</a>, dat de <i>musculus sternalis</i> of <i lang="la">sternalis brutorum</i>, die geen verlenging van den <i lang="la">rectus abdominalis</i>, maar zeer nauw met den <i lang="la">panniculus</i> verwant is, over meer dan 600 lichamen berekend, in een verhouding van ongeveer 3
-perct. voorkwam. Hij voegt er bij, dat „deze spier een uitstekend voorbeeld geeft
-van het feit, dat toevallig voorkomende en rudimentaire organen bijzonder onderhevig
-zijn aan verscheidenheid in hun ligging.
-</p>
-<p>Enkele menschen bezitten het vermogen om de spieren die onder hun schedelhuid liggen,
-te kunnen samentrekken, en deze spieren verkeeren in een veranderlijken en gedeeltelijk
-rudimentairen slaat. M.&nbsp;A. De Candolle heeft mij een merkwaardig voorbeeld medegedeeld
-van het lang voortbestaan of de overerving van dat vermogen, en tevens van een ongewone
-ontwikkeling daarvan. Hij kent een familie, waarvan één lid, nu het hoofd van een
-huisgezin, toen hij jong was, alleen door de beweging van zijn schedelhuid, verscheidene
-zware boeken van zijn hoofd kon werpen; dikwijls won hij weddenschappen door het verrichten
-van dit kunststuk. Zijn vader, zijn oom, zijn grootvader en zijn drie kinderen bezitten
-allen het zelfde vermogen in buitengewone mate. Acht generaties te voren was deze
-familie in twee takken verdeeld geworden, zoodat het hoofd van bovengenoemden tak
-een neef in den zevenden graad was van het hoofd van den anderen tak. Die verre neef
-woont in een ander gedeelte van Frankrijk, en toen men hem vroeg, of hij het zelfde
-vermogen bezat, toonde hij dadelijk, dat dit het geval was. Dit voorbeeld geeft een
-duidelijke toelichting van het feit, hoe standvastig een geheel nutteloos vermogen
-kan worden overgeërfd.
-</p>
-<p>De uitwendige spieren die dienen om het geheele uitwendige oor te bewegen, en de inwendige
-spieren die de verschillende deelen ervan in beweging brengen, en die allen tot het
-stelsel van den <i lang="la">panniculus</i> behooren, verkeeren bij den mensch in een rudimentairen toestand. Zij vertoonen ook
-verschillen in ontwikkeling of ten minste in functie. Ik heb iemand gezien, die zijn
-ooren naar voren kon trekken, en een ander die ze naar achteren kon trekken<a class="noteRef" id="xd31e1189src" href="#xd31e1189">23</a>; en uit hetgeen een <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>van die menschen mij meêdeelde, is het waarschijnlijk, dat de meesten van ons na herhaalde
-proefnemingen het vermogen om de ooren te bewegen min of meer terug zouden krijgen,
-wanneer wij ze dikwijls aanraakten en er onze aandacht op vestigden. Het vermogen
-om de ooren te bewegen en ze naar alle kanten te kunnen richten, bewijst zonder twijfel
-aan vele dieren den grootsten dienst, omdat zij daardoor kunnen<span id="xd31e1197"></span> bemerken van welken kant het gevaar hen bedreigt; maar ik heb nooit gehoord van iemand
-die het vermogen bezat om zijn ooren omhoog te steken—de eenige beweging die een mensch
-van nut kon zijn. Men kan het geheele uitwendige oor als rudimentair beschouwen met
-al zijn plooien en uitstekende punten (helix en anti-helix, tragus en anti-tragus
-enz.), die bij de lagere diersoorten het oor, wanneer het omhoog staat, kracht en
-steun geven, zonder het veel zwaarder te maken. Sommige schrijvers denken evenwel,
-dat het kraakbeen van het oor dient om trillingen over te brengen op de gehoorzenuw;
-maar de heer Toynbee<a class="noteRef" id="xd31e1199src" href="#xd31e1199">24</a> komt, na al de bewijzen die hiervoor worden aangevoerd, te hebben nagegaan, tot het
-<span class="corr" id="xd31e1206" title="Bron: beslnit">besluit</span> dat het uitwendige oor geen bepaald nut heeft. De ooren van den chimpanzee en den
-orang gelijken opmerkelijk veel op die van den mensch; en de oppassers in den Londenschen
-dierentuin hebben mij verzekerd, dat deze dieren ze nooit bewegen of omhoog steken,
-zoodat zij, wat hun functie betreft, in even rudimentairen staat verkeeren als bij
-den mensch. Waarom deze dieren, evenals de voorouders van den mensch, het vermogen
-om hun ooren omhoog te steken verloren hebben, kunnen wij niet zeggen. Het kan zijn,
-hoewel deze beschouwingswijze mij niet geheel voldoet, dat zij door hun gewoonte om
-in boomen te leven en door hun groote kracht maar weinig aan gevaren waren blootgesteld,
-en dus gedurende vrij langen tijd hun ooren maar weinig bewogen, waardoor langzamerhand
-het vermogen om ze te bewegen verloren ging. Dit zou een dergelijk geval zijn als
-dat van die groote logge vogels, die, oceanische eilanden <b>(<a href="#en1.17" id="en1.17src">17</a>)</b> bewonende en daar niet blootgesteld zijnde aan de aanvallen van roofdieren, het vermogen
-hebben verloren om hun vleugels tot vliegen te gebruiken.
-</p>
-<div class="figure floatRight fig02width"><img src="images/fig02.png" alt="Fig. 2. Oor van een mensch, gemodelleerd en geteekend door den heer Woolner." width="188" height="243"><p class="figureHead">Fig. 2. Oor van een mensch, gemodelleerd en geteekend door den heer Woolner.</p>
-<p class="first"><i>a.</i> De vooruitstekende punt. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De beroemde beeldhouwer Woolner deelt mij een kleine bijzonderheid mede van het uitwendige
-oor, die hij dikwijls zoowel bij vrouwen als bij mannen heeft opgemerkt, en waarvan
-hij de beteekenis <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>volkomen begreep. Zijn aandacht werd er het eerst op gevestigd toen hij aan het beeld
-van een kabouter werkte, waaraan hij puntige ooren had gegeven. Daardoor werd hij
-er toe gebracht de ooren van verschillende aapsoorten, en vervolgens nog zorgvuldiger
-die van den mensch te beschouwen. De bijzonderheid bestaat uit een kleine, stompe
-punt, die op den naar binnen omgevouwen rand of helix uitsteekt. De heer Woolner maakte
-een nauwkeurig model van zulk een geval, en zond mij nevensgaande teekening (Fig.
-2). Deze punten steken niet alleen naar binnen uit, maar dikwijls ook een weinig naar
-buiten, zoodat zij zichtbaar worden wanneer men het hoofd recht van voren of van achteren
-ziet. Zij verschillen in grootte en ook een weinig in stand, daar zij nu eens iets
-hooger, dan weder iets lager staan; ook komen zij soms voor aan het eene oor en niet
-aan het andere. <b>(<a href="#en1.18" id="en1.18src">18</a>)</b> Zij zijn niet beperkt tot den mensch; want ik nam ze eens waar bij een der spinapen
-(<i>Ateles Beelzebuth</i>) in den Londenschen dierentuin, en Dr. E. Ray Lankester deelt mij een ander geval
-mede bij een chimpanzee in den Hamburgschen dierentuin. De helix bestaat duidelijk
-uit den uitersten rand van het oor, die naar binnen omgevouwen is; en dit omvouwen
-schijnt eenigszins in verband te staan met het voortdurend naar achteren drukken van
-het geheele uitwendige oor. Bij vele apen die in hun orde geen hooge plaats innemen,
-zooals bavianen en sommige soorten van het geslacht Macacus<a class="noteRef" id="xd31e1233src" href="#xd31e1233">25</a>, is het bovendeel van het oor een weinig gepunt en de rand in het geheel niet naar
-binnen omgevouwen; maar werd de rand op die wijze omgevouwen, dan zou noodzakelijk
-een kleine punt naar binnen en waarschijnlijk ook een weinig naar buiten uitsteken;
-en dit geloof ik, dat in vele gevallen hun oorsprong is. Daarentegen houdt Prof. L.
-Meyer in een dergelijke, onlangs gepubliceerde verhandeling<a class="noteRef" id="xd31e1239src" href="#xd31e1239">26</a> vol, dat het geheele geval slechts een toevallige <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>afwijking is; en dat de uitsteeksels werkelijk niet als rudimenten moeten worden opgevat,
-maar alleen zijn ontstaan, doordat het inwendige kraakbeen ter weêrszijden van deze
-punten niet tot volkomen ontwikkeling is gekomen. Ik ben bereid aan te nemen, dat
-dit in vele gevallen de juiste verklaring is, zooals in die, welke door Prof. Meyer
-zijn afgebeeld en waarin er verscheidene kleine puntjes zijn of de geheele rand gegolfd
-is. In heb zelf, door de vriendelijkheid van Dr. L. Down, het oor gezien van een microcephalen
-idioot, bij ’t welk er een uitsteeksel is aan de buitenzijde van de helix, en niet
-op den naar binnen omgevouwen rand, zoodat deze punt in geen betrekking kan staan
-tot een vroegere punt van het oor. Toch komt mijn oorspronkelijke meening, dat de
-punten sporen zijn van de spitsen van vroegere overeindstaande en gepunte ooren, mij
-in sommige gevallen nog waarschijnlijk voor. Ik denk zulks wegens het veelvuldig voorkomen
-daarvan, en omdat hun plaats algemeen overeenstemt met die van de spits van een gepunt
-oor. In één geval, waarvan mij een photogram is gezonden, is het uitsteeksel zoo groot,
-dat, wanneer men onderstelt, in overeenstemming met de meening van Prof. Meyer, dat
-het oor volkomen werd gemaakt door de gelijkmatige ontwikkeling van het kraakbeen
-over de geheele uitgebreidheid van den rand, het ten volle een derde van het geheele
-oor zou bedekken. Twee gevallen zijn mij medegedeeld, één uit Noord-Amerika en het
-andere uit Engeland, waarin het bovengedeelte van den rand volstrekt niet naar binnen
-omgevouwen, maar gepunt is, zoodat de omtrek ervan zeer sterk gelijkt op dien van
-het gepunte oor van een gewoon viervoetig dier. In één dezer gevallen, dat bij een
-jong kind was, vergeleek de vader het oor met de teekening<a class="noteRef" id="xd31e1253src" href="#xd31e1253">27</a> welke ik heb gegeven van het oor van een aap, den <i>Cynopithecus niger</i>, en zegt, dat hun omtrekken nauwkeurig overeenstemmen. Indien in deze beide gevallen
-de randen op de gewone wijze waren omgevouwen, moest er een naar binnen loopend uitsteeksel
-zijn gevormd. Ik mag er bijvoegen, dat in twee andere gevallen de omtrek nog eenigszins
-gepunt blijft, hoewel de rand van het bovenste gedeelte van het oor op de gewone wijze
-naar binnen <span class="corr" id="xd31e1258" title="Bron: in">is</span> omgevouwen—bij één daarvan echter zeer weinig. De volgende houtsnede (Fig. 3.) is
-een nauwkeurige copie van een photogram van den foetus van een orang (die Dr. Nitsche
-zoo vriendelijk was mij te zenden), waarop men <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>kan zien hoe <span class="corr" id="xd31e1263" title="Bron: verschiliend">verschillend</span> de gepunte omtrek van het oor in dit tijdperk is van het oor van een volwassen orang,
-dat over het algemeen zeer sterk op een menschenoor gelijkt. Het is duidelijk dat
-als de spits van zulk een oor werd omgevouwen, als het gedurende zijn verdere ontwikkeling
-niet sterk veranderde, een naar binnen uitstekende punt zou ontstaan. Over het algemeen
-komt het mij waarschijnlijk voor, dat de punten in quaestie in sommige gevallen, zoowel
-bij den mensch als bij de apen, rudimenten van een vroegeren toestand zijn.
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig03width"><img src="images/fig03.png" alt="Fig. 3. Foetus van een orang. Nauwkeurige copie van een photogram, den vorm van het oor op dien vroegen leeftijd aantoonende." width="313" height="314"><p class="figureHead">Fig. 3. Foetus van een orang. Nauwkeurige copie van een photogram, den vorm van het
-oor op dien vroegen leeftijd aantoonende.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De <i>membrana nictitans</i> of het derde ooglid <b>(<a href="#en1.19" id="en1.19src">19</a>)</b> met zijn bijbehoorende spieren en andere deelen, is bijzonder goed ontwikkeld bij
-vogels, en door zijn functie voor hen van groot gewicht, daar het snel over den geheelen
-oogbol kan worden getrokken. Men vindt het bij sommige reptielen en amphibieën en
-bij sommige visschen, zooals de haaien. In de twee lagere afdeelingen van de klasse
-der zoogdieren, namelijk bij de snaveldieren (Monotremata) en bij de buideldieren,
-en ook bij enkele hoogere zoogdieren, zooals bij den walrus, komt het eveneens goed
-ontwikkeld voor. Maar bij den mensch, de apen en de meeste andere zoogdieren, bestaat
-het, naar door alle ontleedkundigen wordt aangenomen, alleen rudimentair en vormt
-de zoogenaamde <i>plica semilunaris</i>.<a class="noteRef" id="xd31e1282src" href="#xd31e1282">28</a>
-</p>
-<p>De reukzin is voor de meeste zoogdieren van het hoogste gewicht—sommigen, zooals de
-herkauwende dieren, waarschuwt hij voor gevaar; anderen, zooals de verscheurende dieren,
-helpt hij hun prooi vinden; bij nog anderen, zooals het wilde zwijn, dient hij voor
-beide die doeleinden. <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>Maar de reukzin is, zoo van eenig, dan toch van zeer weinig nut, zelfs voor de wilden,
-bij wie hij in ’t algemeen meer ontwikkeld is dan bij de beschaafde rassen. Hij waarschuwt
-hen niet voor gevaren, en doet hun hun voedsel niet vinden; hij verhindert niet, dat
-de Eskimo’s in de meest bedorven lucht leven, noch dat vele wilden half verrot vleesch
-eten. Zij die gelooven aan het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling, zullen niet
-gereedelijk toegeven, dat de mensch dien zin oorspronkelijk slechts in die mate heeft
-verkregen, waarin hij hem tegenwoordig bezit. Ongetwijfeld heeft hij dien zin in verzwakten
-en dus gedeeltelijk rudimentairen toestand van den eenen of anderen voorouder geërfd,
-die er zeer veel nut van had en hem voortdurend gebruikte. Wij kunnen daaruit misschien
-de zeer juiste opmerking van Dr. Maudsley<a class="noteRef" id="xd31e1305src" href="#xd31e1305">29</a> begrijpen, als hij zegt, dat de reuk bij den mensch „bijzonder dienstig is om de
-gedachte aan en het beeld van vergeten tooneelen en plaatsen levendig in het geheugen
-terug te roepen”; want bij dieren waarbij dit zintuig ontwikkeld is, zooals honden
-en paarden, zien wij, dat oude herinneringen van personen en plaatsen in nauw verband
-staan met hun reuk.
-</p>
-<p>De mensch verschilt zeer van al de andere Primaten, doordat hij bijna geheel onbehaard
-is. Over het grootste gedeelte van het lichaam vindt men bij den man slechts enkele
-korte haren, hier en daar verspreid; bij de vrouw slechts fijn dons. Bij individu’s,
-die tot het zelfde ras behooren, vindt men veel verschil in behaardheid, niet alleen
-wat het getal der haren aangaat, maar ook in de plaats waar zij groeien; zoo zijn
-de schouders van sommige Europeanen geheel kaal, terwijl zich daarop bij andere dikke
-bossen haar vertoonen.<a class="noteRef" id="xd31e1313src" href="#xd31e1313">30</a> <b>(<a href="#en1.20" id="en1.20src">20</a>)</b> Het valt bijna niet te betwijfelen, of de haren, die zoo ongelijk over het lichaam
-verspreid zijn, zijn slechts rudimenten van het harig bekleedsel, dat de lagere diersoorten
-geheel bedekt. Deze voorstelling krijgt te meer waarschijnlijkheid, wanneer men bedenkt,
-dat fijne, korte, licht gekleurde haren op armen en beenen en andere lichaamsdeelen
-nu en dan overgaan in „dicht opeenstaande, lange, eenigszins grove, donkere haren”,
-wanneer zij abnormaal worden gevoed dicht bij plekken, die zich sinds lang in ontstoken
-toestand bevinden.
-<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p>
-<p>De heer Paget<a class="noteRef" id="xd31e1332src" href="#xd31e1332">31</a> deelt mij mede, dat menschen die tot de zelfde familie behooren, dikwijls in hun
-wenkbrauwen enkele haren hebben, die langer zijn dan de overige, zoodat deze kleine
-bijzonderheid schijnt te worden overgeërfd. Deze haren vertegenwoordigen klaarblijkelijk
-de vibrissae <b>(<a href="#en1.21" id="en1.21src">21</a>)</b>, die bij velen van de lagere diersoorten als tastorganen worden gebruikt. Bij een
-jongen chimpanzee heb ik opgemerkt, dat enkele rechtopstaande, vrij lange haren boven
-de oogen uitstaken, op de plaats waar de ware wenkbrauwen zouden hebben gestaan, wanneer
-zij aanwezig waren geweest.
-</p>
-<p>Het fijne, wollige haar, het zoogenaamde lanugo, waarmede de menschelijke foetus gedurende
-de zesde maand dicht bedekt wordt, levert een nog opmerkenswaardiger geval op<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het ontwikkelt zich eerst in de vijfde maand, op de wenkbrauwen en op het gelaat,
-voornamelijk rondom den mond, waar het veel langer is dan op het hoofd. Eschricht<a class="noteRef" id="xd31e1348src" href="#xd31e1348">32</a> vond een knevel van deze soort bij een vrouwelijken foetus; dit is evenwel niet zoo
-verwonderlijk, als men op het eerste gezicht zou denken, want de twee seksen hebben,
-wat uiterlijke kenmerken aangaat, gedurende het eerste tijdperk van hun ontwikkeling
-over het algemeen veel overeenkomst met elkander. De richting en rangschikking der
-haren zijn op alle deelen van het lichaam van den foetus de zelfde als bij den volwassen
-mensch, maar zijn aan veel verschil onderhevig. De geheele oppervlakte, zelfs voorhoofd
-en ooren daaronder begrepen, is dicht met haar bezet; maar het is een veelbeteekenend
-feit, dat de palmen der handen en de voetzolen geheel kaal zijn, evenals de onderste
-deelen van alle vier de ledematen bij de meeste lagere dieren. Daar dit alles moeielijk
-aan een toevalligen samenloop van omstandigheden kan worden toegeschreven, moeten
-wij de wollige bedekking van den foetus beschouwen als de rudimentaire vertegenwoordiger
-van het blijvende harige bekleedsel der zoogdieren, die behaard ter wereld komen.
-Er zijn drie of vier gevallen opgeteekend van personen, die bij hun geboorte hun geheele
-lichaam en gelaat dik bedekt hadden met fijne, lange haren; en deze vreemde toestand
-is in hooge mate erfelijk en gaat gepaard met een abnormalen toestand der tanden.<a class="noteRef" id="xd31e1351src" href="#xd31e1351">33</a> Prof. Alex. <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>Brandt bericht mij, dat hij het haar van een zoodanig man, vijf-en-dertig jaren oud,
-heeft vergeleken met het wolhaar van een foetus, en het geheel gelijksoortig heeft
-bevonden; daarom kan, naar hij opmerkt, het geval worden toegeschreven aan een stilstand
-in de ontwikkeling van het haar, gepaard met het voortdurend groeien daarvan. Een
-dokter van een kinderhospitaal heeft mij verzekerd, dat bij vele teêre kinderen de
-rug met vrij lange zijdeachtige haren bedekt is; en zulke gevallen behooren waarschijnlijk
-tot de zelfde categorie.
-</p>
-<p>Het schijnt, dat de achterste maaltanden of kiezen van verstand bij de meer beschaafde
-menschenrassen een neiging bezitten om rudimentair te worden. Deze kiezen zijn iets
-kleiner dan de andere maaltanden, zooals ook het geval is met de overeenkomstige tanden
-van den chimpanzee en den orang; en zij hebben slechts twee afzonderlijke wortels.
-Zij komen niet voor het zevende jaar door het tandvleesch heên, en tandmeesters hebben
-mij verzekerd, dat zij veel meer aan verrotting onderhevig zijn en vroeger uitvallen
-dan de andere tanden. Het is ook opmerkelijk, dat bij die tanden meer verschil bestaat,
-zoowel in vorm als in het tijdperk van hun ontwikkeling, dan bij de andere.<a class="noteRef" id="xd31e1358src" href="#xd31e1358">34</a> Bij de Melanesische rassen daarentegen hebben de kiezen van verstand gewoonlijk drie
-afzonderlijke wortels en zijn ze doorgaans gezond; in grootte verschillen zij bij
-deze minder van de andere maaltanden dan bij de Kaukasische rassen.<a class="noteRef" id="xd31e1367src" href="#xd31e1367">35</a> Prof. Schaaffhausen geeft van dit verschil tusschen genoemde rassen de volgende reden:
-„het gedeelte van de kaak, waar de laatste kiezen komen, wordt bij de beschaafde rassen
-voortdurend korter”<a class="noteRef" id="xd31e1373src" href="#xd31e1373">36</a>, en dit steeds korter worden, geloof ik, dat men veilig daaraan kan toeschrijven,
-dat beschaafde menschen zich steeds met zachte, gekookte spijzen voeden en dat zij
-dus hun kaken minder gebruiken. Van den heer Brace heb ik vernomen, dat het tegenwoordig
-in de Vereenigde Staten een vrij algemeene gewoonte is geworden, den kinderen eenige
-maaltanden uit te trekken, omdat de kaak niet groot genoeg wordt voor de volledige
-ontwikkeling van het normale getal.<a class="noteRef" id="xd31e1382src" href="#xd31e1382">37</a>
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>Wat het darmkanaal betreft, heb ik slechts één rudimentair deel vermeld gevonden,
-namelijk het wormvormige aanhangsel van den blinden darm. De blinde darm is een tak
-of diverticulum van het darmkanaal, die blind eindigt, en is bij velen van de lagere
-plantetende zoogdieren buitengewoon lang. Bij de tot de buideldieren behoorende <span class="corr" id="xd31e1390" title="Bron: kaola">koala</span> is hij zelfs meer dan driemaal zoo lang als het lichaam.<a class="noteRef" id="xd31e1393src" href="#xd31e1393">38</a> Somtijds loopt hij in een trapsgewijze dunner wordende punt uit, en somtijds wordt
-hij ook door vernauwingen in deelen verdeeld. Het schijnt, dat ten gevolge van een
-veranderden leefregel of van andere gewoonten de blinde darm bij vele dieren veel
-korter is geworden, terwijl het wormvormig aanhangsel als een rudiment van het verkorte
-deel is overgebleven. Dat dit aanhangsel een rudiment is, kunnen wij afleiden uit
-zijn geringe grootte en de verschillen, die het, zooals Prof. Canestrini<a class="noteRef" id="xd31e1399src" href="#xd31e1399">39</a> heeft bewezen, bij den mensch vertoont. Somtijds ontbreekt het geheel en al, andere
-malen is het daarentegen bijzonder ontwikkeld. De opening ervan is somtijds over de
-helft, somtijds over twee derden van de lengte gesloten; het uiteinde is dan plat
-en zonder inwendige holte. Bij den orang is dit aanhangsel lang en samengerold; bij
-den mensch neemt het zijn oorsprong aan het uiteinde van den korten blinden darm,
-is gewoonlijk 10 tot 12.5 c.M. lang en heeft slechts 8 m.M. middellijn. Niet alleen
-is dit aanhangsel nutteloos, maar het veroorzaakt somtijds den dood; hiervan heb ik
-onlangs twee gevallen gehoord: dit wordt veroorzaakt door kleine, harde voorwerpen,
-zooals zaadjes, die in de opening ervan dringen en daar ontsteking veroorzaken.<a class="noteRef" id="xd31e1405src" href="#xd31e1405">40</a>
-</p>
-<p>Bij de vierhandigen en eenige andere orden van zoogdieren, in het bijzonder bij de
-verscheurende dieren, is er een opening aan het benedeneinde van het opperarmbeen,
-<i>foramen supra-condyloïdeum</i> genaamd, door welke de groote zenuw en dikwijls ook de groote slagader van het voorste
-lid heêngaan. In het <span class="corr" id="xd31e1421" title="Bron: opperarmbeeen">opperarmbeen</span> van den mensch is er, zooals Dr. Struthers<a class="noteRef" id="xd31e1424src" href="#xd31e1424">41</a> en anderen hebben aangetoond, doorgaans <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>een spoor van deze opening en somtijds is zij vrij goed ontwikkeld en wordt dan door
-een haakvormig uitsteeksel van het been en een daaraan verbonden band gevormd. Wanneer
-deze opening er is, gaat de groote zenuw er altijd door, en dit bewijst duidelijk,
-dat zij homoloog met een rudiment van het <i>foramen supra-condyloïdeum</i> der lagere diersoorten is. Prof. Turner schat, naar hij mij mededeelde, dat zij aanwezig
-is bij één percent van de skeletten uit onzen tijd; in oude tijden schijnt zij veelvuldiger
-te zijn geweest. De heer Busk<a class="noteRef" id="xd31e1443src" href="#xd31e1443">42</a> heeft hiervan de volgende bewijzen bijeengebracht: Prof. Broca „vond deze opening
-bij vier en een half percent van de armbeenderen, die in het „<span lang="fr">Cimétière du Sud</span>” te Parijs werden verzameld; en in het hol van Orrony, waarvan de inhoud tot den
-Bronstijd <b>(<a href="#en1.22" id="en1.22src">22</a>)</b> moet worden gebracht, bezaten acht opperarmbeenderen van de twee-en-dertig haar;
-hij gelooft echter dat deze buitengewone verhouding daaraan is toe te schrijven, dat
-het een soort van familiegraf was.” De heer Dupont vond, dat 30 percent van de beenderen
-uit de holen van de Lesse, die tot het Rendiertijdperk <b>(<a href="#en1.23" id="en1.23src">23</a>)</b> behooren, deze opening bezaten; terwijl de heer Leguay in een soort van <i>dolmen</i> te Argenteuil beenderen vond, waarvan vijf-en-twintig percent aldus waren doorboord.
-De heer <span class="corr" id="xd31e1472" title="Bron: Pruner Bey">Pruner-Bey</span> vond, dat bij de beenderen van Vauréal 26 percent de opening bezaten. Wij mogen hier
-niet onvermeld laten, dat de heer Pruner-Bey mededeelt, dat die bijzonderheid bij
-de Guanche-skeletten wordt opgemerkt. <b>(<a href="#en1.24" id="en1.24src">24</a>)</b> Het feit, dat oude rassen in dit en vele andere gevallen, veelvuldiger voorbeelden
-opleveren van vormen welke op die van lagere diersoorten gelijken, dan de nieuwere
-rassen, verdient opmerking. <b>(<a href="#en1.25" id="en1.25src">25</a>)</b> Een van de hoofdredenen schijnt te wezen, dat in de lange rij van afstammelingen
-de oude rassen iets nader bij hun verwijderde op dieren gelijkende voorouders staan
-<span class="corr" id="xd31e1488" title="Niet in bron">dan </span>de tegenwoordige.
-</p>
-<p>Hoewel het koekoeksbeen bij den mensch niet tot <span class="corr" id="xd31e1492" title="Bron: ataart">staart</span> dient, vertegenwoordigt het bij hem met eenige wervels, die wij later zullen beschrijven,
-volkomen dat deel van de overige gewervelde dieren. In een vroeg embryonaal tijdperk
-is het vrij, en strekt zich, zooals men in Fig. 1, een menschelijk embryo voorstellende,
-kan zien, tot voorbij de onderste ledematen uit. In sommige zeldzame en abnormale
-gevallen, <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>heeft men volgens Isidore Geoffroy en anderen opgemerkt, dat het zelfs na de geboorte
-een klein uitwendig rudiment van een staart vormde.<a class="noteRef" id="xd31e1497src" href="#xd31e1497">43</a> <b>(<a href="#en1.26" id="en1.26src">26</a>)</b> Het koekoeksbeen is kort, bestaat gewoonlijk slechts uit vier wervels en deze verkeeren
-in een rudimentairen toestand; want met uitzondering van den bovensten bestaan zij
-alleen uit het wervellichaam.<a class="noteRef" id="xd31e1512src" href="#xd31e1512">44</a> Zij zijn voorzien van eenige spieren, waarvan er een, naar mij door Prof. Turner
-is medegedeeld, door Theile uitdrukkelijk is beschreven als een rudimentaire herhaling
-van de uitstrekkende spier van den staart, die bij vele zoogdieren zoo bijzonder ontwikkeld
-is.
-</p>
-<p>Het ruggemerg strekt zich bij den mensch benedenwaarts slechts tot de laatste rug-
-of eerste lendenwervels uit; maar een op een draad gelijkend deel (het <i lang="la">filum terminale</i>) loopt door de as van dat gedeelte van het wervelkanaal, dat in het heiligbeen is
-gelegen, en zelfs over den rug van de koekoeksbeentjes naar beneden. Het bovenste
-gedeelte van dezen draad is, naar Prof. Turner mij mededeelt, ongetwijfeld homoloog
-met het ruggemerg, maar het onderste gedeelte bestaat waarschijnlijk alleen uit de
-<i lang="la">pia mater</i> of het vaatachtige bekleedende vlies. Zelfs in dit geval kan men zeggen, dat het
-koekoeksbeen een overblijfsel bezit van zulk een belangrijk deel als het ruggemerg,
-al is het dan ook niet langer in een beenig kanaal omsloten. Het volgende feit, dat
-ik ook aan Prof. Turner ben <span class="corr" id="xd31e1526" title="Bron: verschnldigd">verschuldigd</span>, toont hoe volkomen het koekoeksbeen met den waren staart der lagere dieren overeenkomt.
-Luschka heeft onlangs aan het uiteinde der koekoeksbeenderen een zeer eigenaardig
-samengerold lichaam ontdekt, dat een voortzetting vormt van den middelsten slagader
-van het heiligbeen, en deze <span class="corr" id="xd31e1529" title="Bron: ondekking">ontdekking</span> gaf aan Krause en Meyer aanleiding om den staart van een aap (Macacus) en van een
-kat te onderzoeken: in beide vonden zij, hoewel niet aan het uiteinde, een dergelijk
-samengerold lichaam.
-</p>
-<p>Het voortplantingsstelsel vertoont verschillende rudimentaire deelen, maar deze verschillen
-in één belangrijk opzicht van de voorgaande gevallen. Wij hebben hier niet te doen
-met een overblijfsel dat bij de <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>soort in haar tegenwoordigen toestand doelloos is, maar met een deel dat bij de ééne
-sekse altijd tegenwoordig en noodig is, terwijl het bij de andere slechts rudimentair
-is ontwikkeld. Toch is het voorkomen van zulke rudimentaire deelen, als men uitgaat
-van het geloof aan de afzonderlijke schepping van elke soort, even moeilijk te verklaren,
-als in de voorgaande gevallen. Later zal ik op deze rudimentaire deelen moeten terugkomen,
-en zal aantoonen, dat hun tegenwoordigheid over het algemeen uitsluitend van overerving
-afhangt, dat namelijk deelen, door de ééne sekse verkregen, gedeeltelijk op de andere
-zijn overgeplant. Ik wil hier slechts eenige voorbeelden van dergelijke rudimentaire
-deelen geven. Het is algemeen bekend, dat bij de mannetjes van alle zoogdieren, de
-mensch niet uitgezonderd, rudimentaire tepels worden gevonden; er bestaan verschillende
-voorbeelden, dat deze zich goed ontwikkeld en overvloedig melk opgeleverd hebben.
-<b>(<a href="#en1.27" id="en1.27src">27</a>)</b> Een wezenlijke identiteit bij de twee seksen wordt ook daardoor aangetoond, dat zij
-bij beide somtijds sympathetisch opzwellen gedurende een aanval van de mazelen. Het
-is tegenwoordig algemeen erkend, dat de <i>vesicula prostatica</i> <b>(<a href="#en1.28" id="en1.28src">28</a>)</b>, die bij vele mannelijke zoogdieren is opgemerkt, homoloog is met de vrouwelijke
-baarmoeder en den daarmede verbonden doorgang. Het is onmogelijk Leuckart’s uitnemende
-beschrijving van dit orgaan en zijn redeneering te lezen, zonder te worden overtuigd
-van de juistheid van zijn besluit. Dit is vooral duidelijk in het geval van die zoogdieren,
-bij welke de ware vrouwelijke baarmoeder tweehoornig is, want bij de mannetjes van
-deze is ook de vesicula vorksgewijze verdeeld.<a class="noteRef" id="xd31e1550src" href="#xd31e1550">45</a> Nog enkele andere, tot het voortplantingsstelsel behoorende rudimentaire deelen zouden
-hierbij kunnen worden gevoegd.<a class="noteRef" id="xd31e1557src" href="#xd31e1557">46</a>
-</p>
-<p>De beteekenis van de drie bovenvermelde groote klassen van feiten is onmiskenbaar.
-Het zou echter overtollig zijn den keten van bewijzen, in het breede in mijn „Ontstaan
-der Soorten” gegeven, hier uitvoerig te herhalen. De homologe bouw van het geheele
-geraamte der ledematen in de zelfde dierklasse kan worden begrepen, als wij aannemen,
-dat zij afstammen van een gemeenschappelijken stamvader, en daarna door langzame verandering
-voor gewijzigde levensvoorwaarden geschikt zijn geworden. Bij elke andere beschouwingswijze
-is de typische overeenkomst <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>tusschen de hand van een mensch en een aap, den poot van een paard, den zwempoot van
-een zeehond, den vleugel van een vledermuis volkomen onverklaarbaar. Het is geen wetenschappelijke
-verklaring te beweren, dat zij allen volgens het zelfde ideale plan zijn gevormd.
-Ten opzichte van de ontwikkeling kunnen wij duidelijk begrijpen, uitgaande van het
-beginsel, dat verschillen in een vrij laat embryonaal tijdperk ontstonden en in een
-overeenkomstig tijdperk werden overgeërfd, hoe het komt, dat embryo’s van hoogst verschillende
-diervormen, toch meer of minder volkomen het maaksel van hun gemeenschappelijken stamvader
-hebben kunnen bewaren. Geen andere verklaring is ooit gegeven van het verwonderlijke
-feit, dat de embryo’s van een mensch, een hond, een zeehond, een vledermuis, een reptiel
-enz. in den beginne nauwelijks van elkander kunnen worden onderscheiden. Om het bestaan
-van rudimentaire organen te begrijpen, hebben wij slechts te onderstellen, dat een
-vroegere voorvader die deelen in volkomen staat bezat, en dat zij onder veranderde
-levensvoorwaarden zeer werden verkleind, hetzij alleen doordat zij niet werden gebruikt,
-hetzij doordat de natuur die individu’s voor de voortplanting uitkoos, welke het minst
-waren overladen met een overtollig deel, geholpen door de overige boven aangegeven
-middelen.
-</p>
-<p>Op die wijze kunnen wij begrijpen, wat de reden is van het feit, dat de mensch en
-al de overige gewervelde dieren volgens het zelfde algemeene type zijn gevormd, waarom
-zij de zelfde vroege ontwikkelingstrappen doorloopen en waarom sommige rudimentaire
-deelen bij hen allen voorkomen. Bij gevolg moeten wij onbewimpeld hun gemeenschappelijke
-afstamming aannemen; aan een andere beschouwingswijze de voorkeur geven, is aannemen,
-dat ons eigen maaksel en dat van alle ons omringende dieren slechts een valstrik is,
-gespannen om ons oordeel van den goeden weg af te brengen. Dit besluit wordt zeer
-versterkt, als wij de leden van de geheele dierlijke reeks beschouwen, en letten op
-de bewijzen, afgeleid van hun verwantschappen of klassificatie, hun geographische
-verspreiding en geologische opeenvolging. <b>(<a href="#en1.29" id="en1.29src">29</a>)</b> Het zijn alleen ons natuurlijk vooroordeel en die hoogmoed, die onze voorouders deed
-verklaren, dat zij van halfgoden afstamden, die er ons toe leiden dit besluit te betwijfelen.
-De tijd zal echter weldra aanbreken, dat men het vreemd zal vinden, dat natuuronderzoekers,
-die goed bekend waren met de vergelijkende ontleedkunde en met de ontwikkelingsgeschiedenis
-van den mensch en van andere zoogdieren, hebben kunnen gelooven, dat elke soort door
-een afzonderlijke scheppingshandeling was voortgebracht.
-<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span> </p>
-<div id="ch1n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e288">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en1.1" class="first">(<a href="#en1.1src">1</a>) „<i>Homologe structuur.</i>” Er bestaat in het wetenschappelijk taalgebruik een groot verschil tusschen <i>homologie</i> en <i>analogie</i>. <i>Homoloog</i> noemt men die deelen, welke volgens het zelfde algemeene type gebouwd en op de zelfde
-wijze met de overige deelen verbonden zijn, en dus uit een vergelijkend anatomisch
-oogpunt met elkander overeenkomen, al verschilt hun gebruik geheel. Zoo zijn b.v.
-de hand van een mensch, de vleugel van een vledermuis, de graafpoot van een mol homoloog,
-evenzoo de zwemblaas van een visch en de longen van een zoogdier. Twee soorten vertoonen
-dus een homologe structuur, wanneer de deelen waaruit het lichaam van de eene bestaat,
-homoloog zijn met de deelen van het lichaam van de andere. Bij eene en de zelfde soort
-merkt men tusschen de beide seksen een homologe structuur op. <i>Analoog</i> noemt men die deelen, welke tot de zelfde functie dienen, al komen zij uit een vergelijkend
-anatomisch oogpunt volstrekt niet overeen. Zoo zijn b.v. de vleugels van een vogel
-analoog met die van een vlinder, daar beide dienen om te vliegen, en is, hoewel beide
-pooten zijn, de poot van een vogel volstrekt niet homoloog met die van een vlinder<a class="noteRef" id="xd31e1595src" href="#xd31e1595">47</a>; evenzoo zijn de longen van een zoogdier analoog met de kieuwen van een visch, daar
-beide ademhalingswerktuigen zijn, enz. Twee deelen kunnen natuurlijk ook tegelijkertijd
-homoloog en analoog zijn, b.v. de armen van een mensch en de voorpooten van een aap,
-de vleugels van een vogel en die van een vledermuis, enz.
-</p>
-<p>Ook in één en het zelfde dierlijke lichaam merkt men op, dat sommige deelen, volgens
-het zelfde type gebouwd, op de zelfde wijze met andere deelen verbonden en dus homoloog
-zijn. Zoo zijn b.v. de wervels homologe deelen, evenzoo de ribben. In dezen zin zijn
-de voorste ledematen van een gewerveld dier homoloog met de achterste, en de linkerhelft
-van het lichaam met de rechterhelft. R. Owen noemt deze soort van homologie <i>homotypie</i> en bezigt het woord homologie alleen bij vergelijking van overeenkomstige deelen
-van <span class="corr" id="xd31e1606" title="Bron: verschilende">verschillende</span> soorten of seksen.
-</p>
-<p id="en1.2">(<a href="#en1.2src">2</a>) „<i>Rudimentaire organen.</i>” Gelijk aan de lezers van het „Ontstaan der Soorten” en van het „Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten” bekend is, merkt men dikwijls op, dat organen, die bij de eene
-diersoort in geheel ontwikkelden toestand voorkomen en tot bepaalde functiën dienen,
-bij andere soorten in groei achtergebleven en door onvolledige ontwikkeling ook in
-vorm veranderd zijn. Somtijds hebben zij dan bij die tweede soort geen of gering nut,
-ja kunnen in enkele gevallen zelfs schadelijk worden; zij zijn om zoo te zeggen slechts
-daar als vertegenwoordigers der ontwikkelde organen en bewijzen de eenheid van type
-der twee soorten. Dergelijke onvolledig ontwikkelde deelen noemt men <i>rudimentaire organen</i>. Evenzoo komen sommige organen die bij de eene sekse goed ontwikkeld zijn, bij de
-andere <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>gewoonlijk slechts in rudimentairen toestand voor (b.v. de zogklieren bij den mensch).
-Ook vindt men bij volwassen individu’s organen, die gedurende het foetale leven goed
-ontwikkeld waren, in rudimentairen staat terug. Zoo zijn de <i lang="la">vasa aberrantia</i> van de ballen bij den man en de zoogenaamde <i>lichamen of organen van Rosenmüller</i> bij de vrouw rudimenten van de <i lang="la">corpora Wolffiana</i> of <i>primordiaalnieren</i> van den embryo. Evenzoo zijn, wanneer men bij een en het zelfde <span class="corr" id="xd31e1631" title="Bron: iudividu">individu</span> homotype organen vergelijkt, bij het eene sommige deelen slechts rudimentair aanwezig,
-die bij het andere volkomen ontwikkeld zijn. Zoo zijn de beentjes van het staartbeen
-slechts rudimenten van wervels.
-</p>
-<p>Ten vorigen jare heeft W. Pfitsner een anatomische verhandeling, „<span lang="de">Die kleine Zehe</span>”, uitgegeven, waarin hij er op wijst, dat de kleine teen bij den mensch rudimentair
-begint te worden. Deze teen behoort eigenlijk uit drie kootjes te bestaan, maar bij
-36% der Duitschers zijn de beide laatste kootjes met elkander vergroeid (hoewel de
-grens er tusschen nog zichtbaar is) en wel in den regel aan beide voeten, bij ruim
-41% der vrouwen en 31% der mannen. De druk van het schoeisel kan de oorzaak hiervan
-niet zijn (tenzij men hier aan de overerving eener verworven eigenschap mag denken),
-daar deze vergroeiing even veelvuldig voorkomt bij embryo’s (van de vijfde maand af)
-en bij kinderen van 1–7 jaar als bij volwassenen, en daarenboven behooren de personen,
-wier lijken op de snijkamers kunnen worden onderzocht, zelden tot die kringen der
-maatschappij, welke gewoon zijn nauwe schoenen te dragen. Het eindresultaat zal wel
-zijn, dat op den duur de kleine teen bij allen slechts uit twee kootjes zal bestaan,
-en naar schrijver meent, zou dit de eerste stap zijn tot volkomen rudimentair worden
-van den kleinen teen. Schrijver acht het terecht wenschelijk, dat deze in dit opzicht
-ook bij volken die geen schoenen of sandalen dragen, wordt onderzocht. Hij wijst er
-op, dat men ook bij levenden door strekking en buiging van den kleinen teen gemakkelijk
-kan onderzoeken of de laatste kootjes daarvan al dan niet met elkander vergroeid zijn.
-</p>
-<p>Een der merkwaardigste rudimentaire organen, dat ook bij den mensch voorkomt, is de
-zoogenaamde pijnappelklier, door Descartes nog voor „de verblijfplaats der redelijke
-ziel” gehouden.
-</p>
-<p>In 1886 is door de Graaf<a class="noteRef" id="xd31e1642src" href="#xd31e1642">48</a> en Spencer<a class="noteRef" id="xd31e1648src" href="#xd31e1648">49</a> gelijktijdig aangetoond, dat de zoogenaamde pijnappelklier (epiphyse) in de hersenen
-het rudiment is van een <i>derde</i> oog, dat bij de vroege voorouders der gewervelde dieren als zoodanig werd gebruikt.
-Bij sommige fossiele amphibieën (Labyrinthodonten) en hagedissen komt in den schedel
-een gat voor (een rudiment daarvan is bij de levende dieren dezer klasse de zoogenaamde
-parietaalopening), waar de gezichtszenuw met de epiphyse was verbonden. Bij de embryo’s
-der tegenwoordige amphibieën en reptielen begint het derde oog zich als een blaas
-aan het uiteinde van een veelal lang uitgegroeiden steel te ontwikkelen, maar wordt
-later door de hersenvliezen geheel van zijn steel gescheiden. De steel verandert daarna
-in de epiphyse en uit het oog wordt bij de amphibieën de zoogenaamde Stiedasche voorhoofdsklier
-gevormd, die bij de geboorte onder de epidermis in de lederhuid ligt, terwijl het
-bij de reptielen als een uit cellen bestaande blaas, die nog pigment en een soort
-van lens bezit, tusschen de hersenvliezen blijft liggen. Uit den steel ontwikkelt
-zich na <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>de afsnoering de pijnappelklier. Bij den hazelworm (<i>Anguis fragilis</i>) herinnert de genoemde blaas zeer aan het oog van hoogontwikkelde ongewervelde dieren
-(b.v. inktvisschen).
-</p>
-<p>Spencer vond bij <i>Hatteria punctata</i> (een Nieuw-Zeelandsch reptiel) en later ook bij <i>Iguana</i>, <i>Cameleon vulgaris</i> en <i>Lacerta agilis</i> het derde oog, klein maar duidelijk herkenbaar en <i>volkomen ontwikkeld</i>, ofschoon de lens troebel is, en <i>door een gezichtszenuw met de epiphyse verbonden</i>, in de zoogenaamde parietaalopening liggen. Een dikke laag bindweefsel scheidt het
-van de huid, die de parietaalopening bedekt. Ofschoon die huid ter plaatse der opening
-naar binnen gedrukt is, kan het derde oog ook bij deze dieren dus niet meer tot zien
-dienen. Ook Spencer merkt de gelijkenis met het oog van sommige ongewervelde dieren
-op („<span lang="en">Nature</span>”, 13 Mei 1886).
-</p>
-<p>Uitvoeriger besprak Spencer zijn ontdekking in „<span lang="en">Quart. Journ. of Microsc. Science</span>”, vol. 27, waar hij de resultaten van zijn onderzoek bij 29 soorten van hagedissen
-mededeelt en bewijst, dat men hier zeer zeker met een rudimentair, tegenwoordig in
-ontwikkeling achteruitgegaan orgaan te doen heeft.
-</p>
-<p>Reeds vroeger had Rabl. Rückhard er op gewezen, dat bij de reusachtige zeehagedissen
-uit de liasformatie in de parietaalopening een zintuig had gelegen, dat ongetwijfeld
-met de epiphyse in betrekking stond en volgens hem waarschijnlijk tot waarneming der
-stralende warmte had gediend.
-</p>
-<p>De Zwitsersche geleerde Béraneck geeft toe, dat het parietaalorgaan bij de reptielen
-eens als derde oog heeft gefungeerd, maar houdt het er voor, dat het alleen bij die
-klasse der gewervelde dieren zich tot een gezichtswerktuig heeft ontwikkeld en bij
-de overigen een andere functie heeft.
-</p>
-<p>Leydig, die reeds zeventien jaren geleden het bedoelde orgaan waarnam, hield het niet
-voor een gezichtswerktuig, maar rekende het tot de huidzintuigen, hetgeen door Spencers
-ontdekking van een directe zenuwverbinding daarvan met de epiphyse bij <i>Hatteria</i> enz., wat de reptielen aangaat, voor weêrlegd mag worden gehouden. Leydig wijst daarbij
-op de bijzondere ontwikkeling der voorhoofdsklier bij de visschen uit de groep der
-Scopeliden, waar die geheel gelijkt op de zoogenaamde „nevenoogen”, welke ook bij
-andere visschen, gelijk <i>Chauliodus</i>, voorkomen en op de bij de enkelvoudige oogen der arthropoden en de bij andere ongewervelde
-dieren aangewezen gevallen, waarbij gezichtsorganen en beker- of knopvormige organen
-zoo kunnen samenhangen, dat men, om zich deze betrekking duidelijk te maken, zijn
-toevlucht heeft genomen tot de uitdrukking <i>overgangszintuigen</i>.
-</p>
-<p>Er bestaan ongetwijfeld bij sommige andere dieren zintuigen, die de mensch mist (zie
-J. Lubbock, „<span lang="en">Sense in Animals</span>”, 1889), en zulke zintuigen kunnen ook bij de stamouders der gewervelde dieren hebben
-bestaan<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Van de indrukken en wijze van werking van zintuigen die wij missen, kunnen wij ons
-evenmin een heldere voorstelling maken als een blindgeborene van het licht of een
-geboren doofstomme van het geluid.
-</p>
-<p>Bij de Scopeliden zijn de nevenoogen zeker geen gezichtsorganen, maar dienen als lichtgevende
-organen, waardoor haar in de duistere diepten van den Oceaan het zien mogelijk wordt
-gemaakt (Emery, „<span lang="de">Die <span class="corr" id="xd31e1705" title="Bron: augenähnliche">augenähnlichen</span> Organe der Fische</span>”, Bonn, 1881; „<span lang="en">Reports of the Scientific Results of the Expedition of the Challenger, Zoology</span>”, vol. XXII).
-</p>
-<p>Waarschijnlijk zal eens blijken, dat het derde oog homoloog is met de pigmentvlek
-van Amphioxus en het oog der Ascidiënlarven.<a class="noteRef" id="xd31e1714src" href="#xd31e1714">50</a> Het feit, dat er <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>in de pijnappelklier zelfs bij den mensch nog een rudiment van bewaard is gebleven,
-is een sterk bewijs voor den samenhang der gewervelde dieren en van ’s menschen afstamming
-van een lageren vorm.
-</p>
-<p id="en1.3">(<a href="#en1.3src">3</a>) „<i>te beginnen met den heer Boucher de Perthes.</i>” De Fransche geleerde Boucher de Perthes was de eerste, die de aandacht vestigde
-op voortbrengselen van menschelijke nijverheid, die tot een geologisch tijdvak, ouder
-dan het tegenwoordige (het <i>postpliocene</i> tijdvak of <i>diluvium</i>) opklimmen. Hij gaf in 1847 in zijn „<span lang="fr">Antiquités Celtiques et Antédiluviennes</span>” beschrijvingen en afbeeldingen van zeer ruw bewerkte vuursteenen wapenen uit het
-diluvium der Somme-vallei, na in 1846 in zijn werk „<span lang="fr">De l’Industrie Primitive ou les Arts et leur Origine</span>” reeds te hebben medegedeeld, dat hij dergelijke wapenen aldaar gevonden had. Men
-sloeg eerst weinig geloof aan zijne bewering, tot de waarheid daarvan in 1853 door
-Dr. Rigollot en later door de Engelsche geleerden Dr. Falconer, Joseph Evans en Joseph
-Prestwich, die een onderzoek op de plaats zelve instelden, boven allen twijfel verheven
-werd. Deze vuursteenen wapenen zijn voor ons even ontwijfelbare bewijzen van ’s menschen
-bestaan in de voorwereld, als de voetstappen der wilden het voor Robinson Crusoë waren
-van het bezoeken van zijn eiland door andere menschen. Zij zijn, om met een Engelsch
-hoogleeraar te spreken, even duidelijke producten van menschelijke nijverheid, als
-de messen van Sheffield. Boucher de Perthes had ook het geluk de eerste te zijn, die
-een deel van een menschelijk geraamte—de beroemde onderkaak van Moulin-Quignon—in
-een gestratifieerde diluviale laag ontdekte. Merkwaardige en overtuigende bewijzen
-voor het bestaan van den mensch gedurende het postpliocene tijdvak zijn de later gevonden,
-door tijdgenooten vervaardigde, afbeeldingen van diluviale dieren, onder anderen van
-den holenbeer (Fig. 4) en van den mammouth (zie de steendrukplaat in het Album der
-Natuur 1867, blz. 366).
-</p>
-<div class="figure fig04width"><img src="images/fig04.png" alt="Fig. 4." width="495" height="319"><p class="figureHead">Fig. 4.</p>
-<p class="first">Afbeelding van den holenbeer, gevonden in de grot van Massat (Fransche dep. Ariège).
-Halve grootte. </p>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p>
-<p>Dat niet alleen in de Oude Wereld, maar ook in Amerika de mensch reeds gedurende het
-diluvium tegelijk met uitgestorven diersoorten leefde, is volkomen zeker. In mijn
-artikelen over „De Voorhistorische Menschen in Amerika” („Album der Natuur”, 1870
-en 71) heb ik daaromtrent reeds het een en ander medegedeeld. In 1889 heeft Dr. Abbott
-op de vergadering van de „<span lang="en">American Association for the Advancement of Science</span>” een overzicht gegeven van de tot het jaar toe in Noord-Amerika gevonden wapens en
-werktuigen uit den oudsten steentijd of palaeolithische periode.<a class="noteRef" id="xd31e1747src" href="#xd31e1747">51</a> De gewichtigste vondsten zijn bij Trenton aan de „<span lang="en">Little Falls</span>” (Minnesota) en in het dal van de kleine Miami bij Loveland (Ohio) gedaan. Op het
-ras, waaraan deze steenen wapens en werktuigen moeten worden toegeschreven, komen
-wij later terug. Abbott bewijst, dat het eind der ijsperiode slechts het minimum van
-tijd aangeeft, die tusschen het tijdvak der palaeolithischen mensch in Noord-Amerika
-en den tegenwoordigen tijd is verstreken. De erosie van de rotskloof waardoor de Niagara
-stroomt, is eerst begonnen, nadat de ruw bewerkte vuursteenen van Trenton en Madisonville
-in den bodem bedolven waren. Gedurende den ijstijd werden gedeelten van Noord-Amerika
-door den mensch bewoond, wiens tijdgenooten o.a. de <span class="corr" id="xd31e1756" title="Bron: mastodou">mastodon</span>, de mammouth en het sedert veel verder naar het noorden terug geweken rendier waren.
-</p>
-<p>Op nog ouder sporen van den mensch <span class="corr" id="xd31e1761" title="Bron: is">in</span> Californië, die tot het <span class="corr" id="xd31e1764" title="Bron: tertaire">tertiaire</span> tijdvak opklimmen, komen wij later terug.
-</p>
-<p id="en1.4">(<a href="#en1.4src">4</a>) Zie Charles Lyell’s beroemd werk over de oudheid van den mensch, door Dr. T.&nbsp;C.
-Winkler in onze taal overgezet, onder den titel van „De Geologische Bewijzen voor
-de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”, Zalt-Bommel, bij Joh. Noman en Zoon, 1864.
-</p>
-<p id="en1.5">(<a href="#en1.5src">5</a>) Het uitvoerigst, duidelijkst en grondigst bespreekt Haeckel den <span class="corr" id="xd31e1777" title="Bron: oorprong">oorsprong</span>, de afstamming en ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch in zijn „<span lang="de">Anthropogenie <span class="corr" id="xd31e1782" title="Bron: ober">oder</span> Entwickelungsgeschichte des Menschen. Gemeinverständliche wissenschaftliche Vorträge
-über die Grundzüge der <span class="corr" id="xd31e1785" title="Bron: mensshlichen">menschlichen</span> Keimes- und Stammes-geschichte</span>”, waarvan de derde omgewerkte uitgaaf in 1877, bij W. Engelmann te Leipzig verscheen.
-Een achtste omgewerkte en uitgebreide uitgaaf van de „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>” verscheen in 1889.
-</p>
-<p id="en1.6">(<a href="#en1.6src">6</a>) „<i>Correlatie.</i>” Hieronder verstaat men, gelijk aan de lezers der drie vorige deelen van Darwin’s
-Biologische Meesterwerken bekend is, het feit, dat zoowel bij den mensch als bij de
-dieren sommige deelen in zoo innig verband met elkander staan, dat wanneer het eene
-zekere wijzigingen vertoont of abnormaal ontwikkeld is, zulks ook met het andere het
-geval is, zonder dat wij ons in de meeste gevallen rekenschap van de oorzaak kunnen
-geven. Vooral homotype deelen vertoonen correlatie; wanneer een individu b.v. aan
-de linkerhand meer dan vijf vingers heeft, zal het meestal ook aan de rechterhand
-een even groot aantal bezitten (Correlatie tusschen de beide homotype lichaamshelften),
-en daarenboven ook aan de voeten dikwijls een abnormaal aantal teenen hebben (Correlatie
-tusschen de homotype voorste en achterste ledematen). Een voorbeeld hiervan vindt
-men in de achtste aanteekening op dit hoofdstuk. Ook het feit, dat een abnormaal ontwikkeld
-lichaamsdeel meestal in zijn afwijking den normalen bouw van een ander daarmede homotyp
-deel teruggeeft, draagt den naam van correlatie. Als b.v. de spieren van den arm abnormaal
-ontwikkeld zijn, vindt men er dikwijls den normalen bouw van de spieren van het been
-in terug en omgekeerd <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span><span class="corr" id="xd31e1800" title="Bron: Ook">ook</span> niet-abnormaal ontwikkelde deelen vertoonen correlatie, daar bepaalde wijzigingen
-in het eene met overeenkomstige wijzigingen in het andere gepaard gaan. Zoo bestaat
-er bij den mensch correlatie tusschen het haar, de huid en de oogen. Personen met
-donker gekleurde huid hebben toch gewoonlijk donker haar en donkere oogen, terwijl
-blond en vooral rood haar gepaard gaan met bijzonder blanke huid en lichte oogen.
-Evenzoo gaat groote lengte der ledematen gewoonlijk gepaard met groote lengte van
-het hoofd en van het lichaam, en het geheele dier neemt rankere vormen aan, zooals
-wij aan onze windhonden kunnen opmerken. Zie verder over <i>Correlatie</i>: Hoofdstuk II van dit werk en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned.
-Vert., Deel II, blz. 370.
-</p>
-<p id="en1.7">(<a href="#en1.7src">7</a>) Misvorming ten gevolge van „<i>stilstand in de ontwikkeling</i>.” De Duitschers noemen dit „<i lang="de">Hemmungsbildung</i>.” Wanneer volwassen individuen misvormingen vertoonen, die bij den embryo of den
-foetus op zeker tijdstip zijner ontwikkeling normaal voorkomen, dan wordt zulks toegeschreven
-aan een storing, een stilstand in de ontwikkeling van het misvormde orgaan, die begonnen
-is op het tijdstip, waarop den embryo of de foetus normaal den waargenomen vorm vertoont.
-Op elke 500 menschen vindt men er b.v. gemiddeld één met een hazenlip, nog minder
-vindt men er, die een dubbele hazenlip hebben; eindelijk zijn er nog zeldzamer voorbeelden
-van verhemelten, die zoo zijn gespleten, dat de neusholte met de mondholte samenhangt.
-Dit zijn allen echter vormen, die ieder mensch gedurende het foetale leven heeft doorloopen.
-De enkele en dubbele hazenlip, het gespleten verhemelte van sommige menschen zijn
-derhalve misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling (<i lang="de">Hemmungsbildungen</i>).
-</p>
-<p id="en1.8">(<a href="#en1.8src">8</a>) „<i>Reduplicatie van deelen.</i>” Er worden soms, zoowel bij de dieren als bij den mensch individu’s geboren, die
-zekere deelen in grooter getal bezitten, dan zulks in normalen toestand bij de soort
-waartoe zij behooren, wordt waargenomen. Zoo zijn dikwerf kinderen <span class="corr" id="xd31e1826" title="Bron: waargenonen">waargenomen</span>, die aan handen of voeten een grooter aantal vingers of teenen bezaten, dan gewoonlijk.
-Het sterkst mij hiervan bekende geval is dat van een persoon, die aan elken voet 12
-teenen en aan elke hand tevens 12 vingers had (Hyrtl, „Handboek der Topographische
-Ontleedkunde”, Ned. Vertaling van Dr. E. Hanlo, Deel II, blz. 626). Een ander voorbeeld
-van een dergelijke reduplicatie van deelen leveren ons de tepels. „De gevallen van
-overtallige borsten of tepels naast de normale, of in de okselholte, in de lies, op
-den rug enz. zijn bij het vrouwelijke geslacht zeer dikwijls waargenomen” (ibid.,
-Deel I, blz. 529). Soms heeft ééne klier zelfs meer dan éénen tepel.
-</p>
-<p id="en1.9">(<a href="#en1.9src">9</a>) „<i>Terugkeer tot een vroeger en ouder type van organisatie.</i>” Het atavisme berust meestal op een stilstand in de ontwikkeling (<i lang="de">Hemmungsbildung</i>). Volgens de denkbeelden van de voorstanders der ontwikkelingstheorie toch beantwoordt
-de reeks van ontwikkelingsphasen, welke een diersoort gedurende het foetale leven
-doorloopt, verkort aan die, welke de soort zelve bij haar ontwikkeling heeft doorloopen.
-Een merkwaardig voorbeeld van <i>atavisme</i> door stilstand in de ontwikkeling bij den mensch leveren de zoogenaamde <i>microcephalen</i>, waarover Carl Vogt een uitnemende verhandeling heeft geschreven. Op zeker tijdstip
-van zijn ontwikkeling bezit de menschelijke foetus hersenen, die niet meer ontwikkeld
-zijn dan die van een aap. Heeft op dit tijdstip een stilstand in de ontwikkeling plaats,
-dan wordt er een kind geboren, dat de laatste ontwikkelingsphase van den menschelijken
-typus niet heeft medegemaakt, een kind, dat <i>atavisme</i>, dat in zijn hersenen den normalen toestand der hersenen van de naaste stamouders
-van het <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>menschelijk geslacht vertoont, een <i>microcephaal</i> of <i>aapmensch</i> (deze laatste uitdrukking is door den volksmond gevonden). Zijn de hersenen van dergelijke
-microcephalen aapachtig ontwikkeld, hun gelaat is menschelijk, maar vertoont het type
-van een zoo laag en dierlijk menschenras, dat de laagste Papoea van den tegenwoordigen
-tijd in vergelijking zeer ontwikkeld mag heeten. De zoogenaamde Azteken, ook hier
-te lande rondgevoerd, waren niets anders dan dergelijke microcephalen, die een roodhuid
-tot vader en een negerin tot moeder hadden. (Zie over de Microcephalen de bekroonde
-prijsverhandeling van Carl Vogt in „<span lang="de">Archiv für Anthropologie</span>”, Bd. II, Brunswijk, 1867, blz. 129–285, met 26 groote steendrukplaten, 74 afbeeldingen
-van schedels bevattende.)
-</p>
-<p id="en1.10">(<a href="#en1.10src">10</a>) Hoogst merkwaardig zijn in dit opzicht de afbeeldingen, die Vogt in het eerste deel
-zijner „<span lang="de">Vorlesungen über den Menschen</span>”, Giessen, 1863, geeft. Zie aldaar Fig. 36, 37, 61, 62, 67, 69. Het zal wellicht
-niet ongepast zijn, hier een kort overzicht te geven van den strijd, die voor ettelijke
-jaren over het maaksel der hersenen bij den mensch en de apen tusschen Professor Owen
-aan de eene en Prof. Huxley en vele andere geleerden aan de andere zijde plaats had,
-een strijd, waarin de Nederlandsche hoogleeraren Schroeder <span class="corr" id="xd31e1863" title="Bron: yan">van</span> der Kolk en Vrolik zich bijzonder onderscheidden. Tot het jaar 1857 waren alle beroemde
-ontleedkundigen, die zich met het maaksel der hersenen van de apen hadden bezig gehouden,
-Cuvier, Tiedeman, Sandifort, Vrolik, J.&nbsp;G. St. Hilaire, Schroeder van der Kolk, Gratiolet
-enz. het daarover eens, dat die hersenen volgens het zelfde type waren gebouwd als
-die van den mensch. In 1857 echter beweerde Owen in een in het tijdschrift van de
-Linnean Society afgedrukte verhandeling, dat de hersenen van de apen zich van die
-van den mensch zouden onderscheiden, doordat de groote hersenen bij de eersten de
-kleine niet geheel overdekken (als men ze van boven beschouwde) en door het gemis
-van den achtersten hoorn der zijdelingsche hersenholte en van den Hippocampus minor.
-Huxley kwam hier tegen op, en het bleek<span id="xd31e1866"></span> dat Owen ongelijk had. Owen beriep zich onder anderen op een afbeelding, door Schroeder
-van der Kolk en Vrolik van de hersenen van den chimpanzee gegeven, doch waarvan de
-onnauwkeurigheid door Gratiolet was aangetoond. Schroeder van der Kolk en Vrolik verklaarden
-echter, dat zij, hoewel groote tegenstanders van alle vormen van de leer der trapsgewijze
-ontwikkeling, de waarheid boven alles lief hadden; dat zij daarom, op gevaar af van
-steun te geven aan theorieën, die zij bestreden, het hun plicht achtten openlijk te
-protesteeren tegen het misbruik, dat Owen van hun autoriteit maakte, en de volkomen
-juistheid van de kritiek van Gratiolet erkenden. Zij gaven daarenboven nieuwe en juiste
-afbeeldingen van de hersenen van den orang en toonden het werkelijk bestaan van de
-betwiste deelen in een der zittingen van de Academie van Wetenschappen te Amsterdam
-aan, met het gevolg, dat „<span lang="fr">la présence des parties contestées y a été universellement reconnue par les anatomistes
-présents à la séance.</span>” De onjuistheid der beweringen van Owen werd daarenboven door meerdere dissecties
-van hersenen van vele verschillende aapsoorten door Prof. Huxley zelf, door Prof.
-Rolleston F.&nbsp;R. S., de heeren Marshal F.&nbsp;R. S., Flower en Turner, allen ontleedkundigen,
-volkomen bewezen. De onnauwkeurigheid der eerste afbeelding van Schroeder van der
-Kolk en Vrolik was daaraan te wijten dat het nageteekende voorwerp in alcohol werd
-bewaard, en daardoor de deelen waren misvormd.
-</p>
-<p id="en1.11">(<a href="#en1.11src">11</a>) „<i lang="en">Man is subject like other animals, birds and even insects to that mysterious law,
-which causes certain normal processes, such as gestation as <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>well as the maturation and duration of various diseases to follow lunar periods.</i>”
-</p>
-<p>Het beste voorbeeld van een normaal proces dat aan maandelijksche perioden is gebonden,
-leveren ons de maandstonden der vrouw. Zwangere vrouwen lijden soms, ten tijde dat
-de maandstonden zouden moeten plaats hebben, aan witten vloed. Men heeft ook maandelijks
-periodiek terugkeerende neusbloedingen en maagbloedingen waargenomen, die dan de plaats
-der maandstonden bekleeden. Darwin schijnt echter werkelijk aan een geheimzinnig verband
-tusschen den loop der hemellichamen en de lichaamsverrichtingen van menschen en dieren
-te hebben geloofd en het periodiek terugkeeren van sommige normale en abnormale verschijnselen
-met de omwenteling der maan om de aarde in verband te hebben gebracht. Hij tracht
-daarvan in Hoofdstuk VI zelfs een verklaring te geven. Deze meening komt ons hoogst
-onwaarschijnlijk, ja onhoudbaar voor. Die perioden toch zijn bij verschillende individu’s
-van verschillende lengte. Zoo zijn er vrouwen, die elke veertien dagen, andere, die
-slechts om de zes weken menstrueeren. Ook bij het zelfde individu zijn die perioden
-niet altijd volkomen regelmatig.
-</p>
-<p id="en1.12">(<a href="#en1.12src">12</a>) Boitard (aangehaald door Houzeau, „<span lang="fr">Facultés mentales des Animaux</span>”, 1872, tome I, blz. 399) verhaalt, dat in den Jardin des Plantes te Parijs, een
-choak-kama (<i>Cynocephalus porcarius</i>) uit zijn kooi ontsnapte en den oppasser Richard gevaarlijk verwondde, zoodat niemand
-hem durfde naderen. De dochter van Richard, die de voorliefde van den aap voor haar
-kende, liep naar den anderen kant van de kooi, riep een jongen die dicht daarbij aan
-het werk was en verzocht dezen haar een kus te geven. Toen de aap hem <span class="corr" id="xd31e1892" title="Bron: uit">dit</span> zag doen, uitte hij een verschrikkelijken kreet van jaloerschheid en sprong in de
-kooi om den jongen door de tralies heen te straffen.
-</p>
-<p><span lang="la">Leo quoque odoratu mulieres a viris distinguit, atque his illas praeferre videtur.
-Narravit mihi domitor quidam animalium, se leonis in caveam non <span class="corr" id="xd31e1898" title="Bron: ngredi">ingredi</span> solere, antequam mulieris menstruantis pollutum panniculum sub veste sua abscondidisset;
-qua re leonis animum adeo leniri dixit, ut leonis (non esurientis) caveam intrare
-minime periculosum esset. Panni odor igitur, superans odorem masculinum, efficere
-videtur ut leo <i>virum</i> odorari nequeat, atque domitorem, ut ita dicam, <i>feminam</i> oleat.</span> Misschien beweerde derhalve ook Plinius niet ten onrechte, dat een leeuw mannen meer
-dan vrouwen aanbrult. (Plin., „Hist. Nat”, lib. VIII, cap. XIX, 16).
-</p>
-<p id="en1.13">(<a href="#en1.13src">13</a>) Merkwaardig zijn in dit opzicht de waarnemingen van A.&nbsp;R. Wallace, die gedurende
-meer dan drie maanden een levend jong van een orang-oetan bezat. Zie: „Insulinde:
-het Land van den Orang-Oetan en den Paradijsvogel”, door Alfred Russel Wallace; uit
-het Engelsch vertaald en van aanteekeningen voorzien door Prof. P.&nbsp;J. Veth, Amsterdam,
-P.&nbsp;N. van Kampen, 1870, <span class="corr" id="xd31e1911" title="Bron: Dee">Deel</span> I, blz. 73 v.v.
-</p>
-<p id="en1.14">(<a href="#en1.14src">14</a>) De dieren, die het meest op den mensch gelijken, zijn de <i>apen</i>. Elk spiertje of zenuwtje van den mensch vindt zijn homoloog deel bij den aap. Niet
-alleen komt het skelet om zoo te zeggen beentje voor beentje overeen; of liever, niet
-alleen verschillen de skeletten der verschillende aapsoorten onderling meer, dan zij
-<span class="corr" id="xd31e1921" title="Niet in bron">van </span>dat van den mensch verschillen, maar ook in alle andere deelen van de bewerktuiging
-vindt men de meest merkwaardige overeenkomst. Zoo vindt men b.v. de fijne ribbetjes
-op de binnenzijde onzer vingers op die der apen weder, en de rangschikking dier ribbetjes
-gelijkt bij hen meer op die bij den mensch, naarmate de aapsoort in andere kenmerken
-meer tot den mensch nadert. Van alle dieren zijn behalve den mensch de apen de eenigen,
-die aan de extremiteiten, zoogenaamde tastlichaampjes (<i>corpuscula <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>tactus</i>), de organen van onzen tastzin, bezitten, de eenigen, wier oog de <i>fovea centralis</i> en de gele vlek op het netvlies (<i>macula lutea</i>) vertoont; ook het wezenlijk deel van het inwendig gehoorwerktuig stemt bij de ware
-apen in alle belangrijks punten volkomen overeen met dat van den mensch; bij de halfapen
-of <i>Lemuriden</i> daarentegen, en bij de overige dieren wijkt het daarvan geheel af. Het tandstelsel,
-een zoo belangrijk zoölogisch kenmerk, gelijkt bij de apen der Oude Wereld meer op
-dat van den mensch, dan op dat van de apen der Nieuwe Wereld. De wijfjes van sommige
-apen zijn de eenige dieren die maandstonden hebben, evenals de vrouw.
-</p>
-<p>De apen die het meest op den mensch gelijken, en zich o.a. door het volkomen gemis
-van een staart kenmerken, noemt men de <i>anthropomorphen</i> (van <span class="trans" title="antērōpos"><span lang="grc" class="grek">ἄντηρωπος</span></span> mensch, en <span class="trans" title="morphē"><span lang="grc" class="grek">μορφὴ</span></span> vorm). Tot de anthropomorphen worden gebracht: de Gorilla en de Chimpanzee, die alleen
-in het westen van tropisch Afrika worden gevonden, de Orang oetan, tot Borneo en Sumatra
-beperkt, en de langarmige apen of Gibbons, die in Achter-Indië en in het Aziatisch
-gewest van Insulinde leven. (Zie: Insulinde, door A.&nbsp;R. Wallace, Nederl. vertaling
-van Prof. Veth, Deel I, blz. 12).
-</p>
-<p>De apen zijn vierhandig, dat wil zeggen, dat zij vier handen hebben. Op het eerste
-gezicht zou men denken, dat hierin de apen hooger zijn georganiseerd, dan de mensch,
-daar de hand een hooger ontwikkeld orgaan is, dan de voet. Maar ook hier geldt de
-oeconomische wet van de verdeeling van den arbeid; twee functies in één orgaan vereenigd,
-wijzen op een lager staand organisme. De voet is het werktuig van het gaan, de hand
-is een grijpwerktuig. Hierin is dus de mensch den aap vooruit.
-</p>
-<p>Echter is de scheiding tusschen mensch en aap hierin niet zoo scherp, als men wellicht
-gelooft. De voet van den mensch vormt een veêrkrachtigen boog, waarop het gewicht
-van geheel het lichaam rust; maar op dezen regel zijn vele uitzonderingen. Men weigert
-in onze legers vele zoogenaamde <i>platvoeten</i> en de voet van den neger vormt geen ontwikkelden boog. Er zijn ook overgangen ten
-opzichte van het gebruik van den grooten teen: bij de lagere rassen kunnen de voeten
-bijna als handen worden gebruikt; de Nieuw-Hollanders sleepen bv. met hun voet lansen
-van 10 voet lengte achter zich. Bij den gorilla begint de voet zich te welven, de
-vingers der achterhanden worden een soort van teenen, en Huxley merkt terecht op,
-dat de voet van den gorilla minder verschilt van dien van den mensch, dan van die
-der andere apen.
-</p>
-<p>Het valt eigenlijk te betwijfelen, of men wel het recht heeft, een enkele aapsoort
-vierhandig te noemen. Neemt men als kenmerkend verschil tusschen hand en voet aan,
-dat bij den laatsten de groote teen niet opponibel aan de overige teenen is, dan zijn
-de achterhanden der apen geen voeten. Neemt men echter de inwendige anatomische structuur
-als kenmerk aan, dan zijn de achterhanden der apen evenmin handen als de voeten van
-den mensch. De menschelijke voet onderscheidt zich van de hand door de volgende anatomische
-verschillen.
-</p>
-<p>1o. Door de rangschikking der beenderen van den voetwortel.
-</p>
-<p>2o. Doordat de buigende en uitstrekkende spieren der teenen kort zijn, dat wil zeggen,
-dat de vleezige deelen dier spieren niet liggen in het been, dat met den voorarm overeenkomt,
-maar in den rug en de zool van den voet, die met den rug en de palm van de hand overeenkomen.
-</p>
-<p>3o. Door het uitsluitend bezit der spier, die men <i>peronaeus longus</i> noemt.
-</p>
-<p>Nu heeft Huxley aangewezen, dat de achterhanden der apen in deze drie kenmerken met
-de voeten van den mensch overeenkomen. De tegenwerping <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>van Lucae, dat de twee laatstgenoemde kenmerken ook aan de achterpooten van den leeuw
-worden waargenomen, kan het feit niet ontzenuwen, dat de achterste ledematen van den
-aap werkelijk op de zelfde wijze van de voorste ledematen onderscheiden zijn als die
-van den mensch. De term vierhandig is dus eigenlijk verkeerd, en de zoölogen, die
-zoo verschillende wezens als den zeehond, den leeuw en den beer tot de zelfde orde
-brengen, hebben niet het minste recht om den mensch, als tweehandig, van de orde der
-vierhandigen te scheiden. Deze laatsten zijn ook tweehandig, en wij moeten dus terugkeeren
-tot het denkbeeld van Linnaeus, en den mensch met de apen in ééne orde, die der <i>Primaten</i>, vereenigen.<a class="noteRef" id="xd31e1974src" href="#xd31e1974">52</a> Zie over dit punt Huxley, „<span lang="en">Evidence as to Man’s Place in Nature.</span>”
-</p>
-<p>In 1886 verscheen te Parijs het werk van J. <span class="corr" id="xd31e1982" title="Bron: Denicker">Deniker</span>, „<span lang="fr">Recherches anatomiques et embryologiques sur les singes anthropoïdes.</span>” De schrijver kwam ook daarin tot het resultaat, dat zoowel bij den embryo als bij
-het volwassen individu, de verschillen tusschen den mensch en de hoogere apen niet
-grooter zijn dan die tusschen deze laatsten en de lagere apen.
-</p>
-<p id="en1.15">(<a href="#en1.15src">15</a>) „<i>Cloaca.</i>” Hieronder verstaat men de gemeenschappelijke holte, waardoor bij de <i>Monotremata</i> (de laagste orde der zoogdieren), de vogels, reptielen en amphibieën en ook bij sommige
-visschen (de <i>Selachieërs</i> en <i>Lepidosiren</i>) zoowel de vaste als de vloeibare uitwerpselen worden afgevoerd, omdat daarin zoowel
-het uiteinde van het darmkanaal als de pisleiders en de geslachtsopeningen uitmonden.
-</p>
-<p id="en1.16">(<a href="#en1.16src">16</a>) „<i>Compensatie van groei.</i>” Hierdoor verstaat men, dat, als een deel zich buitengewoon ontwikkelt, andere deelen
-doorgaans slecht zijn ontwikkeld. Zoo gaat b.v. een buitengewone ontwikkeling der
-lichaamsharen bij den mensch dikwijls gepaard met onvolkomenheden in het tandstelsel
-(vergelijk aanteekening 20, blz. 48); mannen, wier <span class="sic">zogklieren</span> zoo ontwikkeld zijn, dat zij melk geven, hebben weinig ontwikkelde geslachtsdeelen
-(vergelijk aanteekening 27, blz. 50). Evenzoo schijnt de ontwikkeling van den schedel
-en van de hersenen die van den staart en zelfs van het aangezicht te belemmeren en
-sleept de ontwikkeling van een hoornachtigen bek de verdwijning der tanden met zich.
-De buitengewoon sterke ontwikkeling der achterste ledematen gaat dikwijls gepaard
-met bijzonder kleine voorste ledematen (b.v. bij den Kangoeroe, de Struisachtige Vogels,
-enz.)
-</p>
-<p id="en1.17">(<a href="#en1.17src">17</a>) „<i>Oceanische eilanden.</i>” <i>Oceanische eilanden</i> zijn die, welke in den ruimen Oceaan verre van het vasteland liggen en van dit laatste
-door diepe zeeën zijn gescheiden. Men noemt ze aldus ter onderscheiding van de <i>Continentale</i>, welke laatsten in de nabijheid van het vasteland zijn gelegen en gewoonlijk door
-ondiepten daarmede samenhangen, zoodat men ze als door natuuromwentelingen daarvan
-afgescheurde stukken kan beschouwen. De continentale eilanden zijn meestal langwerpig
-van gedaante, bezitten geologisch dikwijls het karakter van de naburige kusten van
-het vasteland en hun fauna vertoont met die van dit laatste een grootere of geringere
-overeenkomst. De oceanische eilanden zijn òf boven den zeespiegel uitstekende toppen
-van onderzeesche gebergten en van vulkanischen aard, òf koraaleilanden; zij bezitten
-soms eigene diersoorten en hun fauna kenmerkt zich door volkomen gebrek of groote
-armoede aan zoogdieren (behalve vledermuizen) en vorschachtige dieren (Batrachii);
-zij zijn meestal rondachtig van gedaante en <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>liggen gewoonlijk ook in cirkelvormige groepen bijeen, terwijl de continentale eilanden
-dikwijls reeksen vormen.
-</p>
-<p id="en1.18">(<a href="#en1.18src">18</a>) Ik heb opgemerkt, dat als men het oor van personen die dit uitwas niet bezitten,
-op de aangeduide plaats bevoelt, men aldaar dikwijls nog als laatste spoor er van,
-een klein kraakbeenig knobbeltje kan bemerken.
-</p>
-<p>Deze punten aan het oor schijnen de verbeeldingskracht van het publiek sterk te hebben
-getroffen. Een recensent in „Nature” (April 6, 1872) stelt voor ze <i>angulus Woolnerianus</i> te noemen. Darwin schreef aan Woolner („<span lang="en">Life and Letters</span>”, chapt. VIII), dat zeker Duitscher <i>trotsch</i> was ze zeer ontwikkeld te bezitten, en Darwin een photogram van zijn ooren wilde
-zenden!
-</p>
-<p id="en1.19">(<a href="#en1.19src">19</a>) „<i>De membrana nictitans of het derde ooglid.</i>” Bij de dieren, waarbij het goed ontwikkeld is, is het zichtbaar als een verticaal
-geplaatst vlies aan den binnenhoek van het oog, aan de achterzijde van de twee horizontale
-oogleden.
-</p>
-<p id="en1.20">(<a href="#en1.20src">20</a>) Nog sterker worden deze verschillen in behaardheid, wanneer men verschillende menschenrassen
-met elkander vergelijkt. Het is bekend, dat er stammen bestaan, die geen of bijna
-geen baard bezitten. Daarentegen leeft aan de monden van den Amoer en vooral op de
-Kurilische eilanden en het Japansche eiland Jesso, een volksstam, de Aino’s genaamd,
-wier geheele lichaam bijzonder ruig en met zwarte of rosse haren bedekt is. De zeer
-dichte, dikwijls twee voet lange baard van de mannen van dezen stam bedekt om zoo
-te zeggen het geheele gelaat met uitzondering van neus en oogen.
-</p>
-<p>De dwergstammen, die Stanley op zijn tocht tot ontzet van Emin pacha in het groote
-woud aan den Congo aantrof, zijn met haren van meer dan een centimeter lengte bedekt.
-</p>
-<p>In Birma leeft een sterk behaarde familie, (door Darwin in het „Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten” vermeld) die op den rug nog langer en zwaarder haar bezit dan op
-de borst, en zoo een hoofdkenmerk van de beharing der zoogdieren teruggeeft. Wallace
-(<span lang="en">„Contributions to the Theory of Natural Selection”. London, 1870</span>) beschouwt dit echter eerder als een monstruositeit, dan als een echt atavisme, omdat
-ook het aangezicht, het voorhoofd en de ooren geheel met haar bedekt, en de tanden
-zeer onvolkomen ontwikkeld zijn. Wij moeten tegen het eerste argument aanvoeren, dat
-bij de zoogdieren die nog lager dan de apen staan, en ook onder deze zijn er ongetwijfeld,
-die aan een voormaligen toestand van het type mensch beantwoorden (vergelijk Hoofdstuk
-VI van dit werk), het aangezicht, het voorhoofd, en het grootste gedeelte der ooren
-met haren bedekt zijn.
-</p>
-<p id="en1.21">(<a href="#en1.21src">21</a>) „<i>Vibrissae.</i>” Eigenlijk zijn dit lange, stijve, dikke haren, die aan de lippen van vele zoogdieren
-gehecht zijn, en tot wier wortel takken van het vijfde zenuwpaar (<i>nervus trigeminus</i>) loopen. Het zijn tastorganen en men heeft waargenomen, dat katten ongeschikt worden
-om muizen te vangen, als men ze wegsnijdt, en dat konijnen zich zonder behulp der
-oogen door middel van deze haren in enge gangen een weg weten te banen. Soms komen
-dergelijke tastharen in de wenkbrauwen voor.
-</p>
-<p id="en1.22">(<a href="#en1.22src">22</a>) „<i>Bronstijd.</i>” Ten einde de voortgaande ontwikkeling der menschheid, van haar eerste verschijning
-in Europa af tot den historischen tijd toe, goed te kunnen uiteenzetten, hebben de
-archaeologen drie hoofdtijdperken aangenomen, die echter onmogelijk scherp begrensd
-en vaneengescheiden kunnen worden, maar integendeel allengs in elkander overgaan en
-altijd onderling door overgangstijdperken zijn verbonden. Deze drie hoofdtijdvakken
-zijn: 1<sup>o</sup>. De <i>Steentijd</i>, gekenschetst door volkomen onbekendheid met de metalen; 2<sup>o</sup>. De <i>Bronstijd</i>, zoo genoemd, daar het metaal, dat voornamelijk <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>werd gebruikt, het brons was en men het ijzer nog niet kende; 3<sup>o</sup>. De <i>IJzertijd</i>, die den overgang vormt tot de historische tijden.
-</p>
-<p id="en1.23">(<a href="#en1.23src">23</a>) „<i>Rendiertijdperk.</i>” Daar de steentijd zeer lang geduurd heeft en overgangen tot zeer verschillende trappen
-van beschaving bevat, wordt hij in drie afdeelingen onderscheiden, waarvan de beide
-eersten tot in het postpliocene of diluviale tijdvak (het geologische tijdvak, dat
-het onze voorafgaat) reiken. Deze drie afdeelingen zijn: 1<sup>o</sup>. De <i>Oudste Steentijd of het Tijdperk van den Mammouth en den Holenbeer</i>; 2<sup>o</sup>. De <i>Middelste Steentijd of het Tijdperk van het Rendier en de overige Noordsche Dieren</i>; 3<sup>o</sup>. De <i>Jongste Steentijd</i> of <i>het Tijdperk der Huisdieren en Geslepen Steenen Werktuigen</i>. Men noemt dezen laatsten Steentijd ook wel <i>Neolithische Periode</i> en wat daaraan voorafgaat <i>Palaeolithische Periode</i>.
-</p>
-<p>Aan den jongsten steentijd sluit zich de <i>Bronstijd</i> aan. Het wordt meer en meer zeker, dat men vóór het tijdperk van den mammouth een
-nog ouderen, <i>Tertiairen</i> Steentijd moet aannemen. Zie over dat alles: <span lang="fr">le Hon, „<span lang="fr">l’Homme Fossile en Europe</span>”, Paris et Bruxelles</span>, 1868 (liefst niet de zeer slechte Nederl. Vertaling), Ch. Lyell, „De Geol. Bewijzen
-voor de Oudheid van het Menschelijk Geslacht”, Nederl. Vertaling van Winkler, mijn
-brochure, „De Voorhistorische Mensch in Europa”, ’s Gravenhage, 1869 en mijn bewerking
-van Dr. Büchners „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
-</p>
-<p id="en1.24">(<a href="#en1.24src">24</a>) De Guanchen waren de oorspronkelijke bewoners der Canarische eilanden en met de
-Berbers (Kabylen) verwant. Ook bij Egyptische mummiën komt de hier besproken opening
-zeer veelvuldig voor.
-</p>
-<p id="en1.25">(<a href="#en1.25src">25</a>) Dit schijnt vooral in hooge mate het geval te zijn geweest bij de menschenrassen,
-die gedurende het postpliocene of diluvatie tijdvak Europa bevolkten. Bijna alle menschelijke
-geraamten of onderdeelen van geraamten uit dat tijdvak die tot dusverre gevonden zijn,
-vertoonen in het eene of andere opzicht toenadering tot lagere, en wel meer bepaald
-tot aapachtige vormen. Als voorbeelden daarvan zullen wij hier iets omtrent een zestal
-dergelijke overblijfselen mededeelen, namelijk omtrent het menschelijk geraamte uit
-de grot in het Neanderdal, omtrent den schedel van Eguisheim, de onderkaak van la
-Naulette, de onderkaak uit het Schipkahol in Moravië, de menschelijke geraamten uit
-de grot van Eyzies in Périgord en die uit de grot „<span lang="fr">Betche aux Roches</span>” bij Spy (provincie Namen) in België, die allen worden gebracht tot den tijd, dat
-de mammouth en vele andere uitgestorven diersoorten nog in Centraal Europa leefden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Nabij Dusseldorf ligt een diepe bergkloof, het Neanderdal geheeten. In een in dat
-dal gelegen kleine grot ontdekte Dr. Fühlrott in 1857 een menschelijken schedel, die
-door een leemlaag van anderhalf meter diepte werd bedekt. Waarschijnlijk lag het geheele
-geraamte aldaar bedolven, maar de werklieden hebben bij het uitgraven door onoplettendheid
-waarschijnlijk een groot deel der beenderen weggeworpen; want men heeft slechts de
-grootste kunnen verzamelen.
-</p>
-<p>Er zijn geleerden geweest, die betwijfelden, of de Neanderdalbeenderen werkelijk van
-een mensch uit het postpliocene tijdperk afkomstig waren, omdat men in de grot volstrekt
-geen beenderen van uitgestorven diersoorten vond. De leem in de grot kwam echter volkomen
-overeen met die, waarin men in andere grotten beenderen van uitgestorven diersoorten
-aantreft; de beenderen van den Neanderdalmensch kleven sterk aan de tong en zijn met
-kleine puntjes bezet, die, met de loupe onderzocht, <i>dendriten</i> bleken te zijn; in de nabijheid van de grot eindelijk heeft men in den zelfden leem
-beenderen van den mammouth en den holenbeer gevonden. De meeste geologen hielden het
-er daarom steeds voor, dat zij wel degelijk aan een tijdgenoot <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>van deze dieren hebben toebehoord, en sedert het bekend worden der beenderen uit de
-grot bij Spy kan zulks niet meer worden betwijfeld.
-</p>
-<p>Van den Neanderdalschedel (Fig. 5) zijn slechts het voorhoofdsbeen, de beide wandbeenderen,
-een gedeelte van een slaapbeen en het bovenste gedeelte van het achterhoofdsbeen bewaard
-gebleven. Hij kenmerkt zich door een buitengewone ontwikkeling der voorhoofdsboezems,
-dat wil zeggen, door het sterk vooruitspringen der wenkbrauwbogen, die door een diepe
-groeve van het voorhoofd gescheiden zijn (dit is ook een kenmerk der anthropomorphe
-apen), de schedelbeenderen zijn buitengewoon dik, het voorhoofd is smal en zoo weinig
-ontwikkeld, dat het bijna de helft overschrijdt van den afstand, die in dit opzicht
-tusschen een hedendaagsch Europeaan en een volwassen<a class="noteRef" id="xd31e2156src" href="#xd31e2156">53</a> chimpanzee bestaat (Fig. 6); zulk een mensch zou, bij zijn leven gezien, bijna geen
-voorhoofd hebben vertoond; de indrukken der kauwspieren op de slaapbeenderen zijn
-zeer ontwikkeld, hetgeen op een groote ontwikkeling der kaken wijst.
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig05width"><img src="images/fig05.png" alt="Fig. 5." width="251" height="167"><p class="figureHead">Fig. 5.</p>
-<p class="first">Afgietsel van een gedeelte van een menschenschedel, uit een hol in het Neanderdal
-bij Dusseldorf. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Prof. Schaaffhausen, die in <span lang="de">Müller’s Archiv</span> etc. 1858 een hoogst interessante verhandeling, getiteld: „<span lang="de">Zur <span class="corr" id="xd31e2170" title="Bron: Kenntnisz">Kenntniß</span> der ältesten Rassenschädel</span>”, heeft geplaatst, merkt daarenboven op, dat de beenderen der armen en beenen van
-den Neanderdalmensch naar verhouding even lang zijn als die van een hedendaagsch Europeaan
-van de zelfde lengte (de Neanderdalbeenderen hebben aan een individu van middelbare
-grootte toebehoord), maar dat ze veel dikker zijn dan deze, terwijl daarenboven de
-sterke ontwikkeling der spierindruksels op die beenderen bewijst, dat het individu,
-waarvan het skelet afkomstig is, in de noodzakelijkheid verkeerde zijn spieren veel
-meer te gebruiken en te oefenen dan wij.
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig06width"><img src="images/fig06.png" alt="Fig. 6." width="259" height="148"><p class="figureHead">Fig. 6.</p>
-<p class="first">Omtrekken van drie schedels in profiel gezien op de zelfde relatieve grootte en in
-den zelfden stand geteekend, om hunne relatieve verschillen voor te stellen.
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Schedel van een volwassen chimpanzee. </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Neanderdalschedel. </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3.</span> Hedendaagsche Europeesche schedel. </li>
-</ul><p> </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Prof. Schaaffhausen meent, dat de Neanderdalschedel een minder ontwikkeld verstand
-aanduidt, dan dat van de door de natuur het meest misdeelde negerstammen, met andere
-woorden, dat het de bestiaalste van alle bekende menschenschedels is.
-</p>
-<p>Huxley zegt van dezen schedel o.a. het volgende: „Hoe men dezen schedel ook moge beschouwen,
-overal zien wij apen-kenmerken, die hem tot den aapachtigsten <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>van alle bekende schedels maken”; en wat verder: „De Neanderdalbeenderen kunnen echter
-op geenerlei wijze worden beschouwd als overblijfselen van een menschelijk wezen,
-dat het midden houdt tusschen mensch en aap. Zij bewijzen het bestaan van een mensch,
-van wiens schedel men kan zeggen, dat hij eenigermate tot den apentypus terugkeert,
-zooals bij sommige tuimelaars<a class="noteRef" id="xd31e2198src" href="#xd31e2198">54</a> de vederen van hun oorspronkelijk ras, de wilde duif (<i>Columba livia</i>) zich opnieuw vertoonen.”
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig07width"><img src="images/fig07.png" alt="Fig. 7." width="410" height="228"><p class="figureHead">Fig. 7.</p>
-<p class="first">Omtrekken van twee gedeelten schedels op de zelfde relatieve grootte en in den zelfden
-standen stand geteekend.
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Neanderdalschedel. </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Schedel van Eguisheim. </li>
-</ul><p> </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De <i>schedel van Eguisheim</i> bestaat uit een menschelijk voorhoofdsbeen en wandbeen, die door Dr. Faudel in het
-löss (een diluviale kleilaag) van de Rijn-vallei te Eguisheim nabij Colmar zijn gevonden.
-Deze overblijfselen waren vergezeld van beenderen van het reuzenhert, den mammouth
-en den Europeeschen bison (<i>Bison Europaeus</i>). Hij komt in zijn kenmerken bijna volkomen met den Neanderdalschedel overeen, maar
-is nog veel minder gewelfd (Fig. 7)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig08width"><img src="images/fig08.png" alt="Fig 8." width="460" height="206"><p class="figureHead">Fig 8.</p>
-<p class="first">Gedeelte van een menschelijke onderkaak, in de grot van la Naulette nabij Dinant gevonden.
-Natuurlijke grootte. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>P. Belsanti („<span lang="it">Studi sur alcuni Carratteri Regressive del Cranio Humano</span>”, „<span lang="it">Archivio per l’Anthropologia</span>”, 1888) heeft de volgende kenmerken, die bij de lagere menschenrassen <i>veelvuldig</i> en bij de hoogere slechts <i>zeldzaam</i> voorkomen, als de <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>gewichtigste aapachtige kenmerken van den menschelijken schedel aangegeven: 1. Duidelijke
-veelhoekigheid van den schedel; 2. Atrophie der neusbeenderen; 3. Hoefijzervorm van
-het beenig verhemelte; 5. Zeer ontwikkelde beenlijsten; 6. Eenvoudigheid der schedelnaden;
-7. Groote ontwikkeling van het voorhoofduitsteeksel des slaapbeens; 8. Achterovergebogen
-vleugels van het wiggebeen; 9. Wormsche beentjes in het wiggebeen; 10<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Naar achteren toe geregeld in grootte toenemen der kiezen.
-</p>
-<p>De <i>onderkaak van la Naulette</i> (Fig. 8) is door den heer Edouard Dupont in 1866 in de grot van la Naulette nabij
-Dinant gevonden. De bekende anthropoloog Broca heeft in een der zittingen (30 Aug.)
-van het palaeo-anthropologische Congres te Parijs van 1867 een merkwaardig betoog
-over deze onderkaak gehouden, waaraan wij het volgende ontleenen<a class="noteRef" id="xd31e2251src" href="#xd31e2251">55</a>:
-</p>
-<p>„Het lichaam van de onderkaak der anthropomorphe apen onderscheidt zich van dat van
-menschelijke onderkaken door de volgende kenmerken: 1o. Het volstrekt ontbreken van
-de kin; als men de streek van de kin in profil beziet, beschrijft zij, in plaats van
-vooruit te steken, een sterk naar achteren buigende bocht; 2o. Het volstrekt ontbreken
-der vier <i>apophyses genianae</i><a class="noteRef" id="xd31e2263src" href="#xd31e2263">56</a>; en niet alleen ontbreken deze, maar zij worden vervangen door een holte, in welke
-de kintongspier (<i>musculus genioglossus</i>) zich vasthecht; 3o. Zeer groote dikte van het lichaam van de kaak in vergelijking
-met zijn hoogte; 4o. Elliptische vorm van den tandboog, wiens beide takken in plaats
-van parabolisch, dat wil zeggen divergent te zijn, zooals bij den mensch, integendeel
-naar achteren toe op de wijze van een hoefijzer convergent worden, zoodat de laatste
-kies dichter bij de mediaanlijn<a class="noteRef" id="xd31e2273src" href="#xd31e2273">57</a> ligt, dan de eerste; 5o. Aanmerkelijke grootte en breedte van den hoektand, in vergelijking
-met de afmetingen der naburige tanden; 6o. Eindelijk is, juist andersom als bij den
-mensch, waar het volumen der ware kiezen afneemt van de eerste tot de tweede en van
-de tweede tot de kies van verstand, de eerste ware kies der apen kleiner dan de tweede
-en deze wederom kleiner dan de derde.”
-</p>
-<p>„Al deze aapachtige kenmerken vindt men aan de onderkaak van la Naulette terug …”<a class="noteRef" id="xd31e2280src" href="#xd31e2280">58</a>
-</p>
-<p>„Het is dan ook niet te verwonderen, dat de vereeniging van al deze aapachtige kenmerken
-wel eens heeft doen betwijfelen, of het werkelijk een menschelijke onderkaak was,
-en dat zelfs Pruner-Bey daarover een oogenblik heeft geaarzeld. Tegenwoordig is, ik
-herhaal het, echter geen twijfel meer mogelijk, vooral sedert men aan andere kaken
-van oude rassen, of van hedendaagsche lagere rassen afkomstig, eenigen der kenmerken
-van de onderkaak van la Naulette heeft waargenomen.”
-</p>
-<p>„Zelfs Pruner-Bey is getroffen geworden door de vele punten van overeenkomst, die
-bestaan tusschen deze onderkaak en die, welke de Marquis de Vibraye in de grot van
-Arcy heeft gevonden, en die ook van het tijdperk van <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>den mammouth dagteekent. Verscheidene andere onderkaken, in de dolmens van het tijdperk
-der geslepen steenen werktuigen gevonden, vormen overgangen tusschen de type van la
-Naulette en die der hedendaagsche Europeanen.”
-</p>
-<p>Ook in het Schipkahol in Moravië is een stuk van een diluviale menschelijke onderkaak,
-op die van la Naulette gelijkende, gevonden (K.&nbsp;J. Maska, „<span lang="de">Der diluviale Mensch in Möhren</span>”, Neutitscheim, 1886). Over deze kaak schreef ik een artikel, „Een Aapachtige Menschelijke
-Onderkaak” in „Isis”, 1881, blz. 120, waaraan het volgende is ontleend:
-</p>
-<p>„De zelfde laag bevatte mammouthsbeenderen en ruwe steenen werktuigen. Slechts het
-voorste gedeelte der kaak met drie snijtanden, den hoektand en de beide valsche kiezen
-der rechterzijde waren voorhanden. De laatste drie tanden steken nog onontwikkeld
-in de kaak, maar zijn zichtbaar, omdat de voorste wand der kaak ontbreekt. Wat vooreerst
-aan deze kaak opvalt, is haar grootte en dikte. De ontwikkeling der tanden komt overeen
-met die bij een kind van acht jaar, doch de kaak en de tanden zijn zoo groot als die
-van een volwassen mensch. Slechts de snijtanden hebben gewisseld, de na deze wisselende
-tanden ontwikkelen zich in de kaak, gelijk dat bij den mensch de regel is; eerst zou
-de eerste valsche kies, dan de hoektand, eindelijk de tweede valsche kies zijn doorgebroken.
-De hoogte van de kaak in de mediaanlijn is tot aan den rand der tandkassen 30, tot
-aan het boveneinde der snijtanden 39 m.M. Aan den schedel van een zevenjarig kind
-bedragen deze maten 23 en 30, bij een negenjarig meisje 24 en 33, bij een twaalfjarigen
-knaap 22 en 31, bij acht onderkaken van volwassen mannen bedroeg de hoogte der kaak
-tot aan den rand der tandkassen gemiddeld 31 m.M. Het stuk onderkaak is aan zijn onderkant
-in de mediaanlijn 14 m.M. dik, onder den hoektand is de dikte 15 m<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>M. Aan een gewone volwassen onderkaak bedraagt de dikte op eerstgenoemde plaats omstreeks
-11 m.M. Als men de slijtvlakte der snijtanden horizontaal plaatst, wijkt het onderste
-gedeelte van de prognathe kaak zoozeer naar achteren, dat een kin niet voorhanden
-is. Het achtervlak der symphysis is schuin geplaatst, gelijk zulks in hoogere mate
-bij de anthropomorphe apen het geval is, en in minderen graad bij wilden voorkomt,
-doch ook bij fossiele menschelijke overblijfselen reeds is waargenomen, gelijk bij
-de kaak van la Naulette, met welke de kaak uit het Schipkahol vele punten van overeenkomst
-vertoont.
-</p>
-<p>„De vorm der snijtanden stemt overeen met de meerdere dikte van de prognathe kaak,
-de breedste plaats der wortels meet van voren naar achteren 8½ m.M., terwijl de gewone
-breedte op deze plaats omstreeks 6 m.M. is. Ook zijn de tanden naar voren convex gekromd,
-de kromming komt overeen met een straal van 27 m.M. lengte<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De <i>spina mentalis interna</i> ontbreekt, in de plaats daarvan is, evenals bij de anthropomorphe apen, een holte
-aanwezig, aan den ondersten rand waarvan men nauwelijks eenige oneffenheden kan voelen.
-Sterk ontwikkeld zijn de ruwe plaatsen, waar zich de <i>m. digastrici</i> aanhechten, hetgeen tot een overeenkomstig sterke ontwikkeling van hun antagonisten,
-de kauwspieren aan den schedel, doet besluiten. Al deze kenmerken zijn aan de kaak
-van la Naulette voorhanden, doch sterker ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat de
-kaak van het Schipkahol ook die aapachtige eigenaardigheid had, dat haar tandlijn
-niet horizontaal was, maar van de valsche kiezen naar de snijtanden omhoog liep, en
-haar lichaam van voren hooger was dan aan de zijden, omdat de snede der buitenste
-snijtanden naar buiten schuin afloopt. Opmerkelijk is nog de grootte van den hoektand,
-waarvan de emailkroon 13,5 m.M. lang is. Bij de fossiele onderkaak van Helde steekt
-de hoektand 3,5 m.M. boven de valsche kiezen uit. Volgens meting <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>aan tien mannelijke Europeesche volwassen schedels met niet of nauwelijks afgesleten
-tanden kreeg men voor de emailkroon van den hoektand 11.5 m.M. Slechts eens vond men
-onder meer dan 50 schedels de kroon van den hoektand 14 m.M. lang.
-</p>
-<p>„Met lagere organisatie stemt altijd een snellere ontwikkeling overeen. Alle zoogdieren
-komen met tanden ter wereld. Reeds uit de omstandigheid, dat een orang van 0.4 M hoogte
-nog zijn geheele melkgebit, een van 0.7 M. echter reeds 14 blijvende tanden heeft,
-kan men besluiten, dat ook bij deze dieren het wisselen der tanden vroeger plaats
-heeft dan bij den mensch. De grootte van het voorste gedeelte van de kaak kan eenvoudig
-als een aapachtig kenmerk worden opgevat, en dat des te eer, omdat onafhankelijk daarvan
-nog andere aapachtige kenmerken aan die kaak voorhanden zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het uiterlijk van het grijsgele been met daarop zittende kleine zwarte vertakte vlekjes
-vindt men vaak bij holenbeenderen. Het email der tanden gelijkt geheel op dat der
-diluviale holendieren, het vertoont overlangsche scheuren met zwarte infiltraties;
-naast deze vertoonen zich blauwachtige en op andere plaatsen gele vlekken.”
-</p>
-<p>In de <i>grot van Eyzies</i> (Périgord) zijn door Lartet fils menschenbeenderen uit het tijdperk van den mammouth
-gevonden, die voor het meerendeel van drie individu’s afkomstig waren, en ook door
-Broca onderzocht zijn. Vooral de scheenbeenderen en ellepijpen van deze individu’s
-zijn hoogst merkwaardig. „Deze scheenbeenderen”, zegt Broca<a class="noteRef" id="xd31e2316src" href="#xd31e2316">59</a>, „vertoonen in de hoogste mate dien op het lemmet van een sabel gelijkenden vorm,
-welke het gevolg is van een zijdelingsche afplatting, en de scheenbeenderen der groote
-apen kenmerkt. Wij kennen dit kenmerk reeds, dat wij voor het eerst in Mei 1864 hebben
-opgemerkt aan de scheenbeenderen uit het dolmen van Chamant (Oise), vervolgens bij
-die van het dolmen van Maintenon (Eure-et-Loir) en dat men overigens, zoowel in Frankrijk
-als in den vreemde, bij een groot aantal scheenbeenderen uit het tijdperk der geslepen
-steenen werktuigen heeft teruggevonden …”
-</p>
-<p>… „Herinneren wij ons ten laatste, dat de heer Busk, wiens onderzoekingen van 1863
-dagteekenen, heeft opgemerkt, dat alle scheenbeenderen in groot aantal in de grotten
-van Gibraltar gevonden, op de zelfde wijze afgeplat zijn als die uit de grot van Eyzies.
-Deze vorm, zoo verschillend van dien der hedendaagsche scheenbeenderen, schijnt dus
-aan vele voorhistorische rassen eigen te zijn geweest.”
-</p>
-<p>De ellepijpen uit de grot van Eyzies vertoonen onder de halvemaansgewijze insnijding
-een eigenaardige kromming, waarvan Broca (l. l. blz. 22) zegt: „Deze kromming komt
-overeen met die, welke men aan het boveneinde van de ellepijp van sommige anthropomorphe
-apen waarneemt.”
-</p>
-<p>De opmerkingen van Broca over de onderkaak van la Naulette en de beenderen van Eyzies
-kunnen volstrekt niet van partijdigheid ten voordeele van ’s menschen afstamming uit
-lagere vormen worden beschuldigd, daar zij van een beslist tegenstander der Darwinistische
-begrippen afkomstig zijn.
-</p>
-<p>Drie jaren geleden beschreven de Belgische geleerden M. Fraipont en M. Lohest<a class="noteRef" id="xd31e2328src" href="#xd31e2328">60</a> twee menschelijke skeletten, in Juni 1868 in het hol „<span lang="fr">Betche aux <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>Roches</span>” bij Spy (provincie Namen) met beenderen van diluviale zoogdieren (mammouth, neushoorn,
-holenhyena enz.) gevonden en wier schedels geheel overeenkwamen met den Neanderdalschedel.
-De onderkaken dezer skeletten komen zeer goed overeen met den vorm, dien Schaaffhausen
-aan de onderste helft van het gelaat van den door hem gereconstrueerden Neanderdalmensch
-heeft gegeven. Zij hebben geen kin, zijn plomp, van voren 41 m.M. hoog, de naar boven
-gaande tak vormt met het lichaam der onderkaak een rechten hoek. In haar voornaamste
-kenmerken stemmen die onderkaken geheel met die van la Naulette en Schipkahol overeen.
-Uit den eigenaardigen vorm van het dijbeen en het kniegewricht besluiten Fraipont
-en Lohest, dat de Spymenschen, en ongetwijfeld ook de Neanderdalmensch niet volkomen
-rechtop hebben geloopen, maar veeleer op de wijze der anthropomorphe apen met eenigszins
-gebogen knieën. Armen en beenen waren kort, de lichaamshoogte ongeveer die der tegenwoordige
-Laplanders.
-</p>
-<p>Deze skeletten van Spy zijn daarom zoo belangrijk, omdat daaraan deelen bewaard waren
-gebleven, die aan de menschelijke overblijfselen van het Neanderdal enz. ontbraken.
-</p>
-<p>De stelling van de Quatrefages, Hauy en de Mortillet, dat de Neanderdalschedel met
-dien van Cannstatt (een dergelijke schedel, die vroeger gevonden maar later beschreven
-is), Eguisheim, de kaken van la Naulette, het Schipkahol enz. van een bepaald menschenras—het
-ras van Cannstatt of Neanderdal, ook wel ras van Chelles genoemd—afkomstig zijn, dat
-van alle thans levende menschenrassen verschilt en beneden deze staat, wordt door
-de geraamten van Spy op schitterende wijze bevestigd. De meening van Virchow, die
-in den Neanderdalschedel een pathologisch gewijzigden individueelen vorm wilde zien,
-wordt daardoor geheel onhoudbaar.
-</p>
-<p id="en1.26">(<a href="#en1.26src">26</a>) In „Kosmos” V. Jahrg. (1881), Heft 7, blz. 13, vindt men hierover een merkwaardig
-artikel van Dr. E. Krause met <i>afbeeldingen</i> van gestaarte menschen, hun staarten afzonderlijk op grooter schaal, enz. getiteld:
-„<span lang="de">Die schwanzartigen Bildungen beim Menschen. Nach den Untersuchungen von Dr. Bartels,
-Prof. Ecker, Dr. Ornstein u. a.</span>” Meer algemeen dan een werkelijken staart vindt men als laatste spoor daarvan een
-sterke beharing in de kruis- en stuitstreek (<i>Trichosis sacralis</i>). Vooral bij Grieksche recruten wordt die veelvuldig opgemerkt. Deze „staart„haren
-kunnen soms zoo lang worden, dat men ze vlechten en om het lichaam heên van voren
-samenknoopen kan! Dr. Krause meent, dat aan dergelijke gevallen de voorstellingen
-der faunen en van Silenus in de Oud-Grieksche kunst zijn ontleend.
-</p>
-<p id="en1.27">(<a href="#en1.27src">27</a>) Humboldt en Bonpland zagen in Zuid-Amerika in Arenas, een arbeider, met name Francisco
-Lucano, 32 jaar oud, die zijn kind met eigen borst voedde, daar de moeder kort na
-de geboorte was overleden. Een tweede geval wordt door Dr. Schmelzer („<span lang="de">Wurtemburg, Correspondenzblatt</span>”, Bd. VI, n<sup>o</sup>. 33) medegedeeld, en betrof een 22jarigen jongen man, die dagelijks twee ons zuivere
-melk afscheidde, en Jarjavay beroept zich op de geschiedenis (die door Carpentier-Méricourt
-bekend is geworden) van dien matroos, bij wien het zuigen van zijn kind, dat hij in
-wanhoop over den dood zijner vrouw tegen de naakte borst drukte, een zoo overvloedige
-afscheiding van melk teweegbracht, dat hij het kind zelf zoogde. Mannen met vrouwelijke
-borsten zouden geen levendige geslachtsdrift vertoonen, en weinig ontwikkelde geslachtsdeelen
-bezitten. Bédor wil hun zelfs daarom van regeeringswege het huwelijk laten verbieden.
-(Hyrtl, „Handboek der Topogr. Ontleedkunde”, Nederl. vertaling van Dr. E. Hanlo. Deel
-I, blz. 530, Burdach. „<span lang="de">Die Physiologie als Erfahrungswissenschaft</span>”, Humboldt<span id="xd31e2365"></span>, April 1888, blz. 158.)
-<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
-<p id="en1.28">(<a href="#en1.28src">28</a>) „<i>Vesicula prostatica.</i>” Een blind zakje, dat bij den mensch tusschen de openingen van de afvoerende buizen
-der ballen in de pisblaas uitmondt, en later bij verschillende andere zoogdieren is
-opgemerkt. Door de onderzoekingen van Weber en Huschke heeft het als overblijfsel
-van een in de vrucht aanwezige mannelijke baarmoeder, waarvoor genoemde ontleedkundigen
-het verklaarden, een gewichtige morphologische beteekenis verkregen. Zie: E.&nbsp;H. Weber
-in het „<span lang="de">Bericht der Versamml. der Naturforscher in Braunschweig</span>”, 1842, blz. 64; Huschke in zijn uitgave van „<span lang="de">S.&nbsp;T. von Soemmering’s Lehre von dem Eingeweide</span>”, Leipzig, 1844, enz.
-</p>
-<p id="en1.29">(<a href="#en1.29src">29</a>) Men vergelijke over deze en andere „Bewijzen vóór de theorie van Darwin” ook het
-aldus getitelde werkje van G.&nbsp;J. Romanes, in het Nederl. vertaald door P.&nbsp;F. Spaink,
-Amsterdam, J.&nbsp;F. Sikken, 1884.
-<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e869">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e869src">1</a></span> „<span lang="de">Grosshirnwindungen des Menschen</span>”, 1868, blz. 96.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e869src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e875">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e875src">2</a></span> „<span lang="fr">Leç. sur la Phys.</span>”, 1866, blz. 890, aangehaald door M. Daily, „<span lang="fr">L’Ordre des Primates et le Transformisme</span>”, 1868, blz. 29.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e875src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e901">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e901src">3</a></span> „<span lang="de">Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay</span>”, 1830, blz. 50.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e901src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e911">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e911src">4</a></span> Brehm „<span lang="de">Thierleben</span>”, B. I., 1864, blz. 75, 86. Over den Ateles, blz. 105. Voor andere overeenkomstige
-opgaven, zie blz. 25, 107.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e911src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e921">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e921src">5</a></span> Over insekten, zie Dr. Laycock: <span lang="en">„On a General Law of Vital Periodicity”, British Association, 1842</span>; Dr. Macculloch, „<span lang="en">Silliman’s North American Journal of Science</span>”, vol. XVI, blz. 305, heeft een hond gezien, die aan derdendaagsche koorts leed.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e921src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e936">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e936src">6</a></span> Ik heb het bewijs hiervan gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”
-Ned. vertaling, Deel I, blz. 512. (In de tweede in het Ned<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> vertaalde uitgave laat Darwin zich hieromtrent lang zoo sterk niet uit als in de
-eerste Engelsche uitgaaf, vol. II, blz. 15, die hier eigenlijk wordt aangehaald. Dr.
-H. H<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> H. v. Z<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e936src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e947" lang="la">
-<p class="footnote" lang="la"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e947src">7</a></span> „Mares e diversis generibus Quadrumanorum sine dubio dignoscunt feminas humanas a
-maribus. Primum credo, odoratu, postea aspectu. Mr. Youatt, qui diu in Hortis Zoologicis
-(Bestiariis) medicus animalium erat, vir in rebus observandis cautus et sagax, hoc
-mihi certissime probavit, et curatoris ejusdem loci et alii e ministris confirmaverunt.
-Sir Andrew Smith et Brehm notabant idem in Cynocephalo. Illustrissimus Cuvier etiam
-narrat multa de hac re quâ ut opinor nihil turpius potest indicari inter omnia hominibus
-et Quadrumanis communia. Narrat enim Cynocephalum quemdam in furorem incidere aspectu
-feminarum aliquarum, sed nequaquam accendi tanto furore ab omnibus. Semper eligebat
-juniores, et dignoscebat in turba et advocabat voce gestuque.”<b>(<a href="#en1.12" id="en1.12src">12</a>)</b>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e947src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e963">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e963src">8</a></span> Deze opmerking wordt gemaakt ten opzichte van den Cynocephalus en de anthropomorphe
-apen door Geoffroy Sint-Hilaire en F. Cuvier, „<span lang="fr">Hist. Nat. des Mammifères</span>”, tome I, 1824.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e963src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e969">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e969src">9</a></span> Huxley, „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>”, 1863, blz. 34<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e969src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e986">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e986src">10</a></span> „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>”, 1863, blz. 67.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e986src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1020">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1020src">11</a></span> De menschelijke embryo (bovenste fig.) is naar Ecker, „Icones Phys.”, <span class="pageNum" id="pb17m">[<a href="#pb17m">17</a>]</span>1851–1858, tab. XXX, fig. 2. Deze embryo was 21 m.M. lang, zoodat de teekening veel
-vergroot is. De embryo van den hond is naar Bischoff, „<span lang="de">Entwicklungsgeschichte des Hunde-Eies</span>”, 1845, tab. XI, fig. 42 B. Deze teekening is vijfmalen vergroot; de embryo was 25
-dagen oud. De ingewanden zijn niet geteekend, en de aanhangsels die in den uterus
-met den embryo zijn verbonden, bij beide teekeningen weggelaten. Ik werd op deze figuren
-gebracht door Prof. Huxley, aan wiens boek „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>” het denkbeeld om ze te geven is ontleend. Ook Haeckel heeft in zijne „<span lang="de">Schöpfungsgeschichte</span>” dergelijke teekeningen gegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1020src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1053">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1053src">12</a></span> Prof. Wyman in „<span lang="en">Proc. of American Acad. of Sc.</span>”, vol. IV, 1860, blz. 17<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1053src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1060">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1060src">13</a></span> Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. I, blz. 533.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1060src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1066">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1066src">14</a></span> „<span lang="de">Die Grosshirnwindungen des Menschen</span>”, 1868, blz. 95.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1066src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1072">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1072src">15</a></span> „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. II, blz. 533.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1072src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1078">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1078src">16</a></span> „<span lang="en">Proc. Soc. Nat. Hist.</span>”, Boston, 1863, vol. IX, blz. 185.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1078src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1084">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1084src">17</a></span> „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>”, blz. 65.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1084src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1098">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1098src">18</a></span> Ik had dit hoofdstuk in het ruwe geschreven, voordat ik een gewichtig stuk had gelezen:
-„<span lang="it">Caratteri rudimentali in ordine all’origine del uomo</span>” („<span lang="it">Annuario della Soc. de Nat.</span>”, Modena, 1867, blz. 81), door G. Canestrini, aan welk stuk ik veel verschuldigd
-hen. Haeckel heeft bewonderenswaardige verhandelingen gegeven over dit geheele onderwerp,
-onder den titel van Dysteleologie, in zijn „<span lang="fr">Generelle Morphologie</span>” en „<span lang="de">Schöpfungsgeschichte</span>.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1098src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1123">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1123src">19</a></span> De HH. Murie en Mivart hebben eenige goede kritische opmerkingen hieromtrent gemaakt
-in „<span lang="en">Transact. Zoolog. Soc.</span>”, 1869, vol. VI, blz. 92.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1123src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1129">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1129src">20</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel II, blz. 357–359
-en 455. Zie ook het „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 196, 627, 637.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1129src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1134">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1134src">21</a></span> M. Richard („<span lang="fr">Annales des Sciences Nat.</span>”, 3e Série, Zoolog. 1852, tome XVIII, blz. 13) geeft b.v. beschrijvingen en afbeeldingen
-van rudimenten, van hetgeen hij noemt de „<span lang="fr">muscle pédieux de la main</span>”, die, zegt hij, somtijds „<span lang="fr">infiniment petit</span>” is. Een andere spier, „<span lang="fr">le tibial posterieur</span>” genaamd, ontbreekt in de hand gewoonlijk geheel, maar komt soms in meer of min rudimentairen
-toestand voor.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1134src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1165">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1165src">22</a></span> Prof. W. Turner, „<span lang="en">Proc. Royal Soc. Edinburgh</span>”, 1866–67, blz. 65.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1165src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1189">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1189src">23</a></span> Canestrini haalt een dergelijk voorbeeld uit Hyrtl aan („<span lang="it">Annuario della Soc. de Naturalisti</span>”, Modena, 1867, blz. 97).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1189src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1199">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1199src">24</a></span> „<span lang="en">The Diseases of the Ear</span>”, door J. Toynbee, F.&nbsp;R. S., 1860, blz. 12.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1199src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1233">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1233src">25</a></span> Zie ook eenige opmerkingen en afbeeldingen van de ooren der Lemuroidea in de uitstekende
-verhandeling van de HH. Murie en Mivart in „<span lang="en">Transact. Zoolog. Soc.</span>”, vol. VII, 1869, blz. 6 en 90.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1233src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1239">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1239src">26</a></span> „<span lang="de">Ueber das Darwin’sche Spitzohr</span>”, „<span lang="de">Archiv für Path.<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> Anat. und Phys.</span>”, 1871, blz. 485.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1239src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1253">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1253src">27</a></span> „Het Uitdrukken der Gemoedsaandoeningen”, Ned. Vert. Tweede uitgaaf, blz. 136.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1253src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1282">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1282src">28</a></span> Müller’s „<span lang="en">Elements of Physiology</span>”, Eng. vertaling, 1842, blz. 1117. Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 260; de zelfde over den walrus, „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>” van 8 November 1854. Zie ook R. Knox’ „<span lang="en">Great Artists of Anatomists</span>”, blz. 106. Dit rudimentaire deel is bij negers en Nieuw-Hollanders naar het schijnt
-iets grooter dan bij de Europeanen, zie Carl Vogt, „<span lang="en">Lectures on Man</span>”, Engelsche vertaling, blz. 129.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1282src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1305">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1305src">29</a></span> „<span lang="en">The Physiology and Pathology of Mind</span>”, 2nd. edit. 1868, blz. 134.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1305src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1313">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1313src">30</a></span> Eschricht, „<span lang="de">Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper</span>”. „<span lang="de">Muller’s Archiv für Anat. und Phys.</span>”, 1837, blz. 47. Dikwijls zal ik naar dit zeer belangrijke stuk moeten verwijzen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1313src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1332">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1332src">31</a></span> Paget, „<span lang="en">Lectures on Surgical Pathology</span>”, 1853, vol. II, blz. 71.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1332src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1348">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1348src">32</a></span> Eschricht, ibid., blz. 40, 47.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1348src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1351">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1351src">33</a></span> Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel II, blz. 379.
-Prof. Alex. Brandt heeft mij onlangs nog een nieuw geval medegedeeld van een vader
-en een zoon, in Rusland geboren, die de zelfde bijzonderheden vertoonden. Ik heb afbeeldingen
-van beiden uit Parijs ontvangen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1351src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1358">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1358src">34</a></span> Dr. Webb, „<span lang="en">Teeth in Man and the Anthropoid Apes</span>”, aangehaald door Dr. D. Carter Clake in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Juli 1867, blz. 299.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1358src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1367">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1367src">35</a></span> Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 320, 321 en 325.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1367src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1373">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1373src">36</a></span> „<span lang="en">On the Primitive Form of the Skull</span>”, Eng. vertaling in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Oct. 1868, blz. 426.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1373src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1382">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1382src">37</a></span> Professor Mantegazza schrijft mij uit Florence, dat hij onlangs de achterste kiezen
-bij de verschillende menschenrassen heeft bestudeerd, en tot het <span class="pageNum" id="pb28n">[<a href="#pb28n">28</a>]</span>zelfde besluit is gekomen, als ik in den tekst heb medegedeeld, namelijk, dat zij
-bij de hoogere rassen op weg zijn om te atrophieeren en te verdwijnen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1382src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1393">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1393src">38</a></span> Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 416, 434, 441.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1393src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1399">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1399src">39</a></span> <span class="corr" id="xd31e1400" title="Niet in bron">„</span><span lang="it">Annuario della Soc. d. Nat.</span>”, Modena, 1867, blz. 94.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1399src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1405">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1405src">40</a></span> M.&nbsp;C. Martins („<span lang="fr">De l’Unité Organique</span>”, in „<span lang="fr">Revue des deux Mondes</span>”, 15 Juni 1862, blz. 16) en Haeckel („<span lang="de">Generelle Morphologie</span>”, B. II, blz. 278), hebben beiden het zonderlinge feit opgemerkt, dat dit rudiment
-soms den dood veroorzaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1405src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1424">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1424src">41</a></span> „<span lang="en">The Lancet</span>”, 24 Jan. 1863, blz. 83. Dr. Knox („<span lang="en">Great Artists and Anatomists</span>”, <span class="pageNum" id="pb29n">[<a href="#pb29n">29</a>]</span>blz. 63). Zie ook een gewichtig stuk hierover door Dr. Grube, in het „<span lang="fr">Bulletin de l’Acad. Imp. de St. Pétersbourg</span>”, tome XII, 1867, blz. 448.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1424src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1443">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1443src">42</a></span> „<span lang="en">On the Caves of Gibraltar</span>”. „<span lang="en">Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.</span>” <span lang="en">Third Session</span>, 1860, blz. 54.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1443src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1497">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1497src">43</a></span> Quatrefages heeft eenige jaren geleden de bewijzen hiervoor bijeenverzameld, „<span lang="fr">Revue des Cours Scientifiques</span>”, 1867–1868, blz. 625. In 1840 vertoonde Fleischmann een menschelijken foetus, die
-een vrijen staart bezat, welke, hetgeen niet altijd het geval is, wervellichamen insloot;
-en deze staart werd critisch onderzocht door de vele ontleedkundigen die tegenwoordig
-waren op de bijeenkomst van natuuronderzoekers te Erlangen (zie Marshall in het „<span lang="de">Niederländisches Archiv für Zoölogie</span>”, December 1871).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1497src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1512">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1512src">44</a></span> Owen, „<span lang="en">On the Nature of Limbs</span>”, 1847, blz. 140.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1512src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1550">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1550src">45</a></span> Leuckart in Todd’s „<span lang="en">Cyclop. of Anat.</span>”, 1849–1851, vol. IV, blz. 1415. Bij den mensch heeft dit orgaan slechts 6½–12½ m.M.
-lengte, maar evenals vele andere rudimentaire deelen, verschilt het in ontwikkeling
-zoowel als in andere kenmerken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1550src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1557">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1557src">46</a></span> Zie over dit onderwerp Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>,” vol. III, blz. 675, 676, 706.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1557src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1595">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1595src">47</a></span> Dat de vleugels der vlinders geen bloote uitbreidingen der huid, maar werkelijk vervormde
-pooten zijn, blijkt uit een monster van <i>Zygaena filipendulae</i>, dat vijf pooten en vijf vleugels bezat, omdat één der pooten door een vleugel was
-vervangen. Dr. Lubach („Alb. d. Nat.”, 1890, Wet. Bijbl. blz. 5) trekt hieruit ten
-onrechte het besluit, dat de vleugels der vlinders niet slechts analoog, maar ook
-homoloog zijn met die der <i>vogels</i>. Er blijkt slechts uit, dat bij beide groepen de vleugels homoloog zijn met de pooten,
-maar er volgt geen homologie van de ledematen der eene groep met die der andere groep
-uit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1595src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1642">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1642src">48</a></span> H.&nbsp;W. de Graaf, „Bijdrage tot de kennis van den bouw en de ontwikkeling der Epiphyse
-bij <span class="corr" id="xd31e1644" title="Bron: Amphibiën">Amphibieën</span> en Reptielen”, Leiden, Adriani, 1886.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1642src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1648">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1648src">49</a></span> „<span lang="en">Nature</span>”, 13 Mei 1886.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1648src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1714">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1714src">50</a></span> Zie hoofdstuk VI en de aanteekeningen daarop.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1714src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1747">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1747src">51</a></span> „<span lang="en">Proceedings of the American Association for the Advancement of Science</span>”, New-York, 1889.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1747src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e1974">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1974src">52</a></span> Linnaeus nam in zijn Orde der Primaten ook de vledermuizen op. Deze moeten echter
-van de apen en den mensch als afzonderlijke orde gescheiden blijven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1974src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2156">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2156src">53</a></span> De chimpanzee wordt den mensch hoe langer hoe ongelijker, naarmate hij meer tot den
-volwassen toestand nadert.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2156src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2198">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2198src">54</a></span> Een ras van duiven. Zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
-Deel I, blz. 173.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2198src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2251">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2251src">55</a></span> Zie: „<span lang="fr">Sur les Caractères Anatomiques de l’Homme Préhistorique</span>” <span lang="fr">par M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général de la société
-d’anthropologie, Paris, 1868</span>, blz. 32.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2251src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2263">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2263src">56</a></span> <i>Apophyses genianae</i> (Fransch: <i>apophyses géni</i>). Vier knobbeltjes die soms de plaats innemen van de inwendige kinlijst (<i>spina mentalis interna</i>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2263src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2273">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2273src">57</a></span> Liever <i>mediaanvlak</i>; het is het vlak, dat het lichaam in twee symmetrische helften verdeelt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2273src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2280">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2280src">58</a></span> Ofschoon de tanden van de onderkaak van la Naulette waren uitgevallen, heeft men uit
-de grootte, vorm en plaatsing der tandkassen tot hun betrekkelijke grootte en plaatsing
-kunnen besluiten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2280src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2316">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2316src">59</a></span> <span lang="fr">„Mémoire sur les Ossements des Eyzies” („Époque du Mammouth”) par M. Paul Broca, professeur
-à la faculté de médecine, secrétaire général de la Société d’anthropologie, Paris<span class="corr" title="Bron: .">,</span></span> 1868, blz. 12.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2316src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2328" lang="fr">
-<p class="footnote" lang="fr"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2328src">60</a></span> La Race Humaine de Neanderthal ou de Cannstatt en Belgique. Recherches Ethnographiques
-sur des Ossements Humains. Gand 1887.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2328src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e298">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM HEEFT ONTWIKKELD.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.—Oorzaken van de variabiliteit.—De
-wetten der variabiliteit zijn bij den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
-invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd gebruik en van het niet-gebruiken
-van deelen.—Stilstand in de ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—Toeneming
-der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke teeltkeus.—De mensch is van alle
-dieren dat, hetwelk de grootste geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van
-zijn lichamelijk maaksel.—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den opgerichten
-gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het gevolg zijn.—Afneming in grootte
-der hoektanden.—Vermeerdering der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel—Naaktheid.—Ontbreken
-van den staart.—Weêrlooze toestand van den mensch.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De mensch is tegenwoordig ongetwijfeld zeer variabel. Geen twee individu’s van het
-zelfde ras zijn volkomen aan elkander gelijk. Als wij millioenen personen met elkander
-vergelijken, zal elk hunner gelaatstrekken vertoonen, welke van die der overige verschillen.
-Een even groote verscheidenheid heerscht in de verhoudingen en afmetingen der verschillende
-lichaamsdeelen; vooral in de lengte der beenen bestaat veel verschil.<a class="noteRef" id="xd31e2397src" href="#xd31e2397">1</a> Hoewel in sommige deelen der wereld een lange, in andere een korte schedel het meest
-voorkomt, bestaat er toch een groote verscheidenheid van schedelvorm, zelfs binnen
-de grenzen van één en het zelfde ras, b.v. onder de inboorlingen van Amerika en van
-Zuid-Australië, welke laatste waarschijnlijk een ras zijn, „even zuiver en homogeen
-van bloed, gewoonten en taal als eenig ander ter wereld”,—en zelfs onder de bewoners
-van een zoo beperkt <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>grondgebied als de Sandwich-eilanden.<a class="noteRef" id="xd31e2405src" href="#xd31e2405">2</a> Een uitstekend tandmeester verzekert mij, dat er bijna evenveel verschil is tusschen
-de tanden van verschillende personen als tusschen hun gelaatstrekken. De voornaamste
-slagaderen loopen zoo dikwijls in abnormale richtingen, dat men het voor chirurgale
-doeleinden nuttig heeft gevonden om te berekenen, hoe dikwijls bij 12000 personen
-elke richting voorkomt.<a class="noteRef" id="xd31e2417src" href="#xd31e2417">3</a> De spieren zijn bij uitstek variabel: zoo vond prof. Turner<a class="noteRef" id="xd31e2420src" href="#xd31e2420">4</a>, dat onder vijftig lijken er geen twee waren waarbij de spieren van den voet volkomen
-overeenstemden, en bij sommigen daarvan waren de afwijkingen zeer groot. Prof. Turner
-merkt hierbij op, dat het vermogen om doelmatige bewegingen te maken in overeenstemming
-met deze verschillende afwijkingen moet zijn gewijzigd. De heer J. Wood<a class="noteRef" id="xd31e2427src" href="#xd31e2427">5</a> heeft het voorkomen van 295 verscheidenheden in het spierstelsel van 36 individu’s
-opgeteekend, en in een ander stel van 36 personen vond hij niet minder dan 558 verscheidenheden,
-de beide zijden van het lichaam voor één rekenende. In dit laatste stel bevond hij,
-dat niet een der 36 lichamen „geheel vrij was van afwijkingen van de standaardbeschrijving
-van het spierstelsel, zooals die in ontleedkundige boeken wordt gegeven.” Een enkel
-lichaam vertoonde het buitengewone aantal van 25 afwijkingen. Ééne en de zelfde spier
-verschilt soms op vele wijzen; zoo beschrijft prof. Macalister<a class="noteRef" id="xd31e2433src" href="#xd31e2433">6</a> niet minder dan 20 verscheidenheden van den <i lang="la">palmaris accessorius</i>.
-</p>
-<p>De beroemde oude ontleedkundige Wolff<a class="noteRef" id="xd31e2444src" href="#xd31e2444">7</a> wijst er met nadruk op, dat de ingewanden veel meer verschillen opleveren dan de
-uitwendige deelen: <i lang="la">Nulla particula, quae non aliter et aliter in aliis se habeat hominibus</i>. Hij heeft zelfs een verhandeling geschreven over de keus van typische voorbeelden
-voor afbeeldingen van ingewanden. Een onderzoek naar den idealen vorm van de lever,
-de longen, de nieren enz., alsof het ’s menschen goddelijk gelaat ware, klinkt ons
-vreemd in de ooren.
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>De variabiliteit of verscheidenheid der geestvermogens bij menschen van het zelfde
-ras, om van de grootere verschillen tusschen de menschen van verschillende rassen
-niet te spreken, is zoo algemeen bekend, dat hierover geen woord behoeft te worden
-gezegd. Evenzoo is het bij de lagere dieren, zooals in het laatste hoofdstuk met enkele
-voorbeelden is aangetoond. Brehm wijst er met nadruk op, dat onder de apen die hij
-in Afrika in gevangen staat bezat, elk individu zijn bijzonderen aanleg en karakter
-had; hij vermeldt éénen baviaan, die merkwaardig was wegens zijn hoog ontwikkeld verstand;
-en evenzoo wezen mij de oppassers in den Londenschen dierentuin een Amerikaanschen
-aap aan, die zich door zijn verstand onderscheidde. Ook Rengger wijst met nadruk op
-de verscheidenheid in de verschillende geestvermogens bij apen van eene en de zelfde
-soort, die hij in Paraguay bezat, en deze verscheidenheid, zegt hij, is gedeeltelijk
-aangeboren en gedeeltelijk het gevolg van de wijze, waarop zij zijn behandeld en opgevoed.<a class="noteRef" id="xd31e2461src" href="#xd31e2461">8</a>
-</p>
-<p>Ik heb elders<a class="noteRef" id="xd31e2472src" href="#xd31e2472">9</a> zoo uitvoerig over de erfelijkheid gesproken, dat het nauwelijks noodig is daarover
-iets hieraan toe te voegen. Ten opzichte der overerving zoowel van de geringste als
-van de meest belangrijke kenmerken is bij den mensch een grooter aantal feiten bekend,
-dan bij een der lagere dieren; hoewel ten opzichte dezer laatste het aantal feiten
-al groot genoeg is. Zoo is ten opzichte van de geestvermogens bij onze honden, paarden
-en andere huisdieren, de erfelijkheid duidelijk genoeg. Behalve bijzondere smaken
-en gewoonten zijn ook verstand in het algemeen, moed, een goed of een slecht karakter
-enz. ongetwijfeld erfelijk. Bij den mensch zien wij dergelijke feiten in bijna elke
-familie; wij weten tegenwoordig door de bewonderenswaardige onderzoekingen van den
-heer Galton<a class="noteRef" id="xd31e2475src" href="#xd31e2475">10</a>, dat het genie, hetwelk een verwonderlijk samengestelde vereeniging van hooge vermogens
-in zich sluit, neiging tot erfelijkheid bezit; en van den anderen kant is het maar
-al te zeker, dat krankzinnigheid en zwakke geestvermogens eveneens bij bepaalde families
-veelvuldig voorkomen.
-</p>
-<p>Ten opzichte van de oorzaken van de variabiliteit zijn wij in allen gevalle zeer onwetend;
-maar zoowel bij den mensch als bij de lagere dieren kunnen wij zien, dat zij eenigszins
-in verband staan met <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>de levensvoorwaarden waaraan elke soort gedurende verscheidene generaties is blootgesteld
-geweest. Tamme dieren vertoonen grooter verschillen dan die, welke in den natuurstaat
-leven; en dit schijnt te worden veroorzaakt door den verschillenden en veranderden
-aard van hun levensvoorwaarden. De verschillende menschenrassen gelijken in dit opzicht
-op tamme dieren, en het zelfde is het geval met individu’s van één en het zelfde ras,
-die over een zeer groot grondgebied zijn verspreid, zooals b.v. het Amerikaansche
-ras. Wij zien den invloed van de verscheidenheid der levensvoorwaarden bij de meer
-beschaafde volken, waarvan de leden tot verschillende rangen en standen behooren en
-verschillende beroepen uitoefenen, en daardoor ook minder op elkander gelijken dan
-de leden van onbeschaafde volksstammen. De onderlinge gelijkenis der wilden is echter
-dikwijls overdreven, ja, kan in sommige gevallen nauwelijks worden gezegd te bestaan.<a class="noteRef" id="xd31e2487src" href="#xd31e2487">11</a> Zelfs indien wij alleen de levensvoorwaarden beschouwen waaraan hij onderworpen is
-geweest, is het desniettemin toch een dwaling om den mensch „in veel grooter mate
-getemd”<a class="noteRef" id="xd31e2493src" href="#xd31e2493">12</a> te noemen, dan eenig ander dier. Sommige wilde rassen, zooals de Nieuw-Hollanders
-zijn niet aan meer verschillende levensvoorwaarden blootgesteld dan menige diersoort,
-die een zeer groote geographische verspreiding heeft. In een ander en veel belangrijker
-opzicht verschilt de mensch zeer van alle eigenlijke tamme dieren; want men heeft
-nooit door stelselmatige of onbewuste teeltkeus toezicht gehouden op zijn voortplanting.
-Geen menschenras en geen vereeniging van menschen is ooit door andere menschen zoo
-volkomen onder het juk gebracht, dat sommige individu’s gespaard bleven en dus onbewust
-voor de voortplanting werden uitgekozen, omdat zij op de eene of andere wijze nuttiger
-waren voor hun meesters. Evenmin zijn sommige mannelijke en vrouwelijke individu’s
-met voordacht uitgekozen en met elkander gepaard, behalve in het welbekende geval
-van de Pruisische grenadiers, en in dit geval gehoorzaamde de mensch, zooals te verwachten
-was aan de wet der stelselmatige teeltkeus; want men verzekert, dat vele lange mannen
-werden voortgebracht in de dorpen die de grenadiers <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>met hun lange vrouwen bewoonden. Te Sparta was ook een vorm van teeltkeus in gebruik;
-want de wet schreef voor, dat men alle kinderen kort na de geboorte moest onderzoeken,
-de welgemaakte en krachtige bewaren, en de andere aan hun lot overlaten en zoo laten
-omkomen.<a class="noteRef" id="xd31e2501src" href="#xd31e2501">13</a> <b>(<a href="#en2.1" id="en2.1src">1</a>)</b>
-</p>
-<p>Indien wij alle menschenrassen beschouwen als tot eene enkele soort behoorende, dan
-is de geographische verspreiding dier soort verbazend groot; maar ook sommige afzonderlijke
-rassen, zooals het Amerikaansche en Polynesische, hebben een groote geographische
-verspreiding. Het is een bekende wet, dat soorten die een groote geographische verspreiding
-hebben, veel meer verscheidenheden vertoonen, dan soorten die tot een klein grondgebied
-beperkt zijn; en de verscheidenheden van den mensch kunnen meer naar waarheid worden
-vergeleken met die van dieren, welke een groote geographische verspreiding bezitten,
-dan met die van getemde dieren.
-</p>
-<p>Niet alleen schijnt de veranderlijkheid bij den mensch en de lagere dieren het gevolg
-te zijn van de zelfde algemeene oorzaken, maar bij beiden worden de zelfde kenmerken
-op geheel overeenkomstige wijze <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>aangedaan. Dit is door Godron en Quatrefages tot in zulke kleine bijzonderheden bewezen,
-dat ik hier slechts naar hun werken behoef te verwijzen.<a class="noteRef" id="xd31e2545src" href="#xd31e2545">14</a> De monstruositeiten, die trapsgewijze overgaan in geringe afwijkingen, zijn eveneens
-bij den mensch en de lagere dieren zoo overeenkomstig, dat voor beide de zelfde klassificatie
-en de zelfde uitdrukkingen kunnen worden gebezigd, zooals men in Isidore Geoffroy
-St.-Hilaire’s groot werk<a class="noteRef" id="xd31e2557src" href="#xd31e2557">15</a> kan zien. Dit is een noodwendig gevolg daarvan, dat in het geheele dierenrijk de
-veranderingen door de zelfde wetten worden beheerscht. In mijn werk over het varieeren
-der huisdieren heb ik de wetten der <span class="corr" id="xd31e2563" title="Bron: varatie">variatie</span> in het grove tot de volgende rubrieken trachten te brengen:—De rechtstreeksche en
-bepaalde werking van de levensvoorwaarden, die wordt aangetoond, doordat alle individu’s
-van eene en de zelfde soort onder de zelfde omstandigheden op de zelfde wijs <span class="corr" id="xd31e2566" title="Bron: vvarieeren">varieeren</span>. De uitwerkselen van lang voortgezet gebruik of onbruik van deelen. De samenhang
-tusschen homotype deelen. De variabiliteit van deelen die in een zeker aantal voorkomen.
-Compensatie van groei, maar van deze wet heb ik in het geval van den mensch geen goede
-voorbeelden gevonden. De uitwerkselen van mechanischen druk van het eene deel op het
-andere, zooals van de bekkenbeenderen der moeder op den schedel van de ongeboren vrucht.
-Stilstand in ontwikkeling, leidende tot de verkleining of het geheel verdwijnen van
-deelen. Het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken door atavisme. Eindelijk
-correlatieve variatie. Al deze zoogenaamde wetten zijn even goed op den mensch als
-op de lagere dieren en de meesten er van zelfs op planten toepasselijk. Het zou overbodig
-zijn ze hier allen te bespreken<a class="noteRef" id="xd31e2570src" href="#xd31e2570">16</a>; maar verscheidenen daarvan zijn zoo belangrijk voor ons, dat er een aanmerkelijke
-ruimte aan moet worden gewijd.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>De rechtstreeksche en bepaalde werking van veranderde levensvoorwaarden.</i>—Dit is een zeer moeilijk onderwerp<span class="corr" id="xd31e2581" title="Bron: ,">.</span> Het kan niet worden <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>ontkend, dat veranderde levensvoorwaarden eenige, en soms groote uitwerking hebben
-op organismen van alle soorten en het komt op het eerste gezicht waarschijnlijk voor,
-dat, indien een daartoe voldoende tijdruimte gegeven was, dit steeds het geval zou
-zijn. Het is mij echter niet gelukt duidelijke bewijzen voor de waarheid van deze
-gevolgtrekking te vinden; en er kunnen geldige redenen tegen worden aangevoerd, voor
-zoover ten minste de tallooze deelen aangaat, die tot bepaalde doeleinden zijn ingericht.
-Ongetwijfeld veroorzaken echter veranderde levensvoorwaarden een bijna onbepaald bedrag
-van vlottende variabiliteit, waardoor de geheele organisatie eenigszins plastisch
-wordt gemaakt.
-</p>
-<p>In de Vereenigde Staten werden meer dan 1.000.000 soldaten die in den laatsten oorlog
-dienden, gemeten, en daarbij de Staten opgeteekend waarin zij waren geboren en opgevoed.<a class="noteRef" id="xd31e2589src" href="#xd31e2589">17</a> Door dit verbazende aantal waarnemingen is bewezen, dat sommige plaatselijke invloeden
-rechtstreeks terugwerken op de lengte van het lichaam; en verder leeren wij er uit,
-dat „de Staat, waarin de groei grootendeels heeft plaats gevonden, en de Staat van
-de geboorte, die de afkomst aanwijst, een kennelijken invloed op de lichaamsgrootte
-schijnt uit te oefenen.” Zoo is b.v<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> bewezen „dat het verblijf in de Westelijke Staten gedurende het tijdperk van den
-groei gewoonlijk een toeneming der lichaamsgrootte ten gevolge heeft.” Van den anderen
-kant is het zeker, dat bij matrozen hun levenswijze den groei belemmert, zooals blijkt
-„uit het groote verschil in lengte tusschen soldaten en matrozen op den leeftijd van
-17 en 18 jaar.” De heer B.&nbsp;A. Gould beijverde zich om den aard te bepalen van de invloeden,
-die aldus op de lichaamsgrootte werken; maar hij verkreeg slechts negatieve resultaten,
-namelijk, dat zij in geen betrekking stonden tot het klimaat, de hoogte van het land,
-den aard van den bodem, noch zelfs „in eenige merkbare mate” tot de overvloedigheid
-van of het gebrek aan de gemakken van het leven. Dit laatste besluit is in volkomen
-tegenspraak met dat, waartoe Villermé werd geleid door de statistiek van de lengte
-der lotelingen in verschillende deelen van Frankrijk. Als wij de verschillen in lichaamsgrootte
-vergelijken tusschen de Polynesische opperhoofden en de lagere volksklassen van de
-zelfde eilanden, of tusschen de bewoners van de vruchtbare vulkanische en de lage
-dorre koraaleilanden van den zelfden <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>oceaan<a class="noteRef" id="xd31e2599src" href="#xd31e2599">18</a>, of eindelijk tusschen de Vuurlanders op de oostelijke en westelijke kusten van hun
-land, waar de middelen van bestaan zeer verschillend zijn, dan is het bijna onmogelijk
-om niet tot het besluit te komen, dat beter voedsel en grooter levensgemakken wel
-degelijk van invloed zijn op de lichaamsgrootte. De boven aangehaalde getuigenissen
-bewijzen echter, hoe moeilijk het is tot eenig nauwkeurig resultaat te komen. Dr.
-Beddoe heeft onlangs bewezen, dat bij de bewoners van Groot Brittannië het verblijf
-in steden en sommige ambachten een nadeeligen invloed op de lichaamsgrootte uitoefenen;
-en hij komt tot het besluit, dat de gevolgen daarvan tot op zekere hoogte erfelijk
-zijn, zooals eveneens in de Vereenigde Staten het geval is. Dr. Beddoe gelooft verder,
-dat overal waar een „ras zijn maximum van physische ontwikkeling bereikt, het ook
-tot zijn toppunt van energie en zedelijke kracht klimt.”<a class="noteRef" id="xd31e2611src" href="#xd31e2611">19</a>
-</p>
-<p>Of uitwendige toestanden eenige verdere rechtstreeksche uitwerking op den mensch hebben,
-is niet bekend. Men zou hebben mogen verwachten dat klimatologische verschillen een
-kennelijken invloed zouden hebben gehad, daar de longen en nieren door een lagere
-temperatuur, en de lever en de huid door een hoogere, tot grooter werkzaamheid worden
-gebracht.<a class="noteRef" id="xd31e2621src" href="#xd31e2621">20</a> Men dacht vroeger, dat de kleur der huid en de aard van het haar door licht of warmte
-werden bepaald; en hoewel het moeilijk valt te loochenen, dat daardoor eenige invloed
-wordt uitgeoefend, zijn toch bijna alle waarnemers het tegenwoordig eens, dat die
-invloed zeer gering is geweest, zelfs na een gedurende vele generaties voortgezette
-inwerking. Dit onderwerp zal echter meer in het bijzonder worden behandeld, wanneer
-wij over de verschillende menschenrassen zullen spreken. Er bestaan gronden om aan
-te nemen, dat bij onze huisdieren koude en vochtigheid rechtstreeks op den haargroei
-inwerken, maar bij den mensch ken ik daarvoor volstrekt geen bewijzen. <span id="xd31e2627"></span>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Gevolgen van vermeerderd gebruik of onbruik van deelen.</i>—Iedereen <span class="corr" id="xd31e2634" title="Niet in bron">weet, dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen onbruik,
-of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het</span> <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>oog wordt vernield, neemt dikwijls de gezichtszenuw in omvang af. Als een slagader
-wordt afgebonden, neemt niet slechts de middellijn der zijdelingsche kanalen, maar
-ook de dikte en sterkte van hun weefsel toe. Als door een ziekte de eene nier ophoudt
-te werken, neemt de andere in grootte toe en doet dubbel werk<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Beenderen nemen niet alleen in dikte, maar ook in lengte toe; wanneer zij een grooter
-gewicht dragen.<a class="noteRef" id="xd31e2640src" href="#xd31e2640">21</a> Het geregeld uitoefenen van sommige bedrijven veroorzaakt veranderingen in de verhoudingen
-van verscheidene lichaamsdeelen. Zoo bewees de door de regeering der Vereenigde Staten
-benoemde commissie<a class="noteRef" id="xd31e2649src" href="#xd31e2649">22</a> ten duidelijkste, dat de beenen der matrozen, die in den oorlog aldaar werden gebruikt,
-0.65 centimeter langer waren dan die der soldaten, hoewel de gemiddelde lichaamslengte
-der matrozen kleiner was, terwijl hun armen 2.76 centimeter korter en daarom met betrekking
-tot hun lichaamslengte naar evenredigheid nog veel korter waren. De kortheid van hun
-armen is blijkbaar het gevolg van het grooter gebruik, dat zij er van maken, en is
-een onverwacht resultaat; matrozen gebruiken echter hun armen voornamelijk om te trekken
-en niet om gewichten te dragen. De omtrek van den hals en de diepte van de wreef zijn
-grooter, de omtrek van de borstkas, van het middel en de heupen daarentegen kleiner
-bij matrozen, dan bij soldaten.
-</p>
-<p>Of de verschillende bovengemelde wijzigingen erfelijk zouden worden, wanneer de zelfde
-levenswijze gedurende vele generaties werd voortgezet, is niet bekend, doch is waarschijnlijk.
-Rengger<a class="noteRef" id="xd31e2657src" href="#xd31e2657">23</a> schrijft de dunne beenen en de dikke armen van de Payaguas-Indianen daaraan toe,
-dat opeenvolgende generaties bijna hun geheele leven in kano’s hebben doorgebracht,
-waarbij hun onderste ledematen zonder beweging bleven. Andere schrijvers zijn in andere
-dergelijke gevallen tot het zelfde besluit gekomen. <b>(<a href="#en2.2" id="en2.2src">2</a>)</b> Volgens Cranz<a class="noteRef" id="xd31e2669src" href="#xd31e2669">24</a>, die langen tijd bij de Eskimo’s leefde, „gelooven de inboorlingen, dat vernuft en
-behendigheid in het zeehonden vangen (hun hoogste kunst en deugd) erfelijk is; en
-werkelijk is daar iets waars in, want de zoon van een vermaard zeehondenvanger onderscheidt
-zich daarin gewoonlijk, zelfs al verloor hij zijn vader, <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>toen hij nog slechts een klein kind was.” In dit geval schijnt echter geestelijke
-aanleg evenzoo goed te worden overgeërfd als lichamelijk maaksel. Men beweert, dat
-de handen van Engelsche boeren bij de geboorte grooter zijn, dan die van de hoogere
-burgerklasse.<a class="noteRef" id="xd31e2677src" href="#xd31e2677">25</a> Wegens de correlatie die ten minste in sommige gevallen<a class="noteRef" id="xd31e2684src" href="#xd31e2684">26</a> bestaat tusschen de ontwikkeling der ledematen en die der kaken, is het mogelijk,
-dat bij klassen welke niet met hun handen en voeten werken, de kaken daardoor in grootte
-zouden afnemen. Dat de kaken over het algemeen kleiner zijn bij ontwikkelde en beschaafde
-menschen dan bij menschen, die hard moeten werken, en bij wilden, is zeker. Bij wilden
-werkt echter, zooals de heer Herbert Spencer<a class="noteRef" id="xd31e2687src" href="#xd31e2687">27</a> heeft opgemerkt, het grooter gebruik van de kaken bij het kauwen van grof ongekookt
-voedsel op rechtstreeksche wijze op de kauwspieren en de beenderen, waaraan deze zijn
-vastgehecht, in. Bij kinderen is lang voor de geboorte de huid aan de voetzolen dikker
-dan op eenige andere plaats van het lichaam<a class="noteRef" id="xd31e2693src" href="#xd31e2693">28</a>; en het valt moeilijk te betwijfelen, dat dit het gevolg is van de overgeërfde gevolgen
-der drukking gedurende een lange reeks van geslachten.
-</p>
-<p>Iedereen weet, dat horlogemakers en graveurs een neiging hebben om bijziende te worden,
-terwijl zeelieden en vooral wilden over het algemeen verziende zijn.<a class="noteRef" id="xd31e2701src" href="#xd31e2701">29</a> Bijziendheid en verziendheid nu hebben ongetwijfeld een neiging tot erfelijkheid.<a class="noteRef" id="xd31e2710src" href="#xd31e2710">30</a> De minderheid van Europeanen, in vergelijking met wilden, in scherpte van het gezicht
-en van de andere zinnen, is ongetwijfeld het opeengestapeld en overgeërfd gevolg van
-verminderd gebruik gedurende vele generaties; want Rengger<a class="noteRef" id="xd31e2713src" href="#xd31e2713">31</a> verzekert, dat hij herhaaldelijk Europeanen heeft waargenomen, die met de wilde Indianen
-waren grootgebracht en hun geheele leven bij hen <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>hadden doorgebracht, en toch in scherpte van zinnen voor hen onderdeden. De zelfde
-dierkundige merkt op, dat de schedelholten, bestemd voor de opneming der verschillende
-zintuigen bij de inboorlingen van Amerika, grooter zijn dan bij Europeanen, en dit
-wijst ongetwijfeld op een overeenkomstig verschil in afmetingen der zintuigen zelven.
-Blumenbach heeft eveneens de aandacht gevestigd op den grooten omvang der neusholten
-in de schedels van Amerikaansche inboorlingen, en brengt dit feit in verband met de
-opmerkelijke scherpte van hun reukvermogen. De Mongolen der vlakten van Noord-Azië
-hebben, volgens Pallas, verwonderlijk volmaakte zinnen, en Prichard gelooft, dat de
-groote breedte hunner schedels, over de jukbeenderen gemeten, een gevolg is van hun
-hoog ontwikkelde zintuigen. <b>(<a href="#en2.3" id="en2.3src">3</a>)</b><a class="noteRef" id="xd31e2735src" href="#xd31e2735">32</a>
-</p>
-<p>De Quechua-Indianen bewonen de hoogvlakten van Peru, en Alcide d’Orbigny getuigt<a class="noteRef" id="xd31e2748src" href="#xd31e2748">33</a>, dat zij, door onophoudelijk een zeer verdunde lucht in te ademen, borstkassen en
-longen van buitengewone afmetingen hebben verkregen. Ook de cellen van de longen zijn
-grooter en talrijker dan bij Europeanen. Men heeft de juistheid dezer waarnemingen
-betwijfeld; doch de heer Forbes mat zorgvuldig verscheidene Aymara’s, een verwanten
-stam, die op een hoogte van 3300 tot 5000 meter leeft; en hij deelt mij mede<a class="noteRef" id="xd31e2754src" href="#xd31e2754">34</a>, dat zij in den omtrek en de lengte van hun romp sterk afwijken van de menschen van
-alle rassen die hij heeft gezien. In de tabel van zijn metingen wordt de geheele lengte
-van elk persoon gelijk aan duizend gesteld, en de overige metingen tot dezen standaard
-herleid. Het blijkt dan, dat de uitgestrekte armen van de Aymara’s korter zijn dan
-die van Europeanen, en veel korter dan die van negers. De beenen zijn ook korter en
-vertoonen de merkwaardige bijzonderheid, dat bij elken opgemeten Aymara het dijbeen
-korter is dan het scheenbeen. Gemiddeld staat de lengte van het dijbeen tot die van
-het scheenbeen als 211 tot 252; terwijl bij twee tegelijkertijd gemeten Europeanen
-de dijbeenderen zich tot de scheenbeenderen verhielden als 244 tot 230, en bij drie
-negers als 258 tot 241. Het opperarmbeen is eveneens korter <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>in verhouding tot den voorarm. De heer Forbes bracht mij op het denkbeeld, dat deze
-verkorting van dat deel van het lid, hetwelk het dichtst bij het lichaam ligt, een
-geval van compensatie is met betrekking tot de sterke vermeerdering in lengte van
-den romp. De Aymara’s vertoonen in hun maaksel nog eenige andere eigenaardigheden,
-b.v. het zeer weinig <span class="corr" id="xd31e2765" title="Bron: uisteken">uitsteken</span> van den hiel.
-</p>
-<p>Deze menschen zijn zoo volkomen geacclimatiseerd in hun koude en hooge woonplaats,
-dat, toen weleer de Spanjaarden hen naar de lage oostelijke vlakten brachten, en wanneer
-zij nu, door hoog loon in verzoeking gebracht, van hun bergen afdalen naar de goudwasscherijen,
-de sterfte onder hen tot een schrikbarende hoogte klimt. Toch vond de heer Forbes
-eenige weinige huisgezinnen van zuiver bloed, die gedurende twee generaties in leven
-waren gebleven; en hij merkte op, dat zij hun kenmerkende eigenaardigheden nog hadden
-geërfd. Het was echter duidelijk te zien, zelfs zonder meting, dat deze eigenaardigheden
-allen afgenomen waren; en bij meting bleek, dat hun romp niet zoo lang was als die
-hunner stamgenooten van de hooge bergvlakte, terwijl hun dijbeenderen een weinig langer
-waren geworden, evenals ook, hoewel in mindere mate, hun scheenbeenderen. De juiste
-afmetingen kan men vinden in de verhandeling van den heer Forbes. Na deze belangrijke
-waarnemingen kan het dunkt mij, niet worden betwijfeld, dat een gedurende vele generaties
-voortgezet verblijf op groote hoogte een directe en indirecte neiging tot erfelijke
-wijzigingen in de verhoudingen van het lichaam ten gevolge heeft.<a class="noteRef" id="xd31e2770src" href="#xd31e2770">35</a>
-</p>
-<p>Hoewel de mensch gedurende de latere trappen zijner ontwikkeling niet moge zijn gewijzigd
-door het vermeerderde of verminderde gebruik van deelen, toonen de bovengemelde feiten,
-dat zijn vatbaarheid daarvoor niet verloren is gegaan, en wij weten met zekerheid,
-dat de zelfde wet bij lagere dieren doorgaat. Wij mogen daaruit bij gevolg afleiden,
-dat, toen in een lang geleden tijdperk de voorouders van den mensch, in een overgangstoestand
-verkeerden en bezig waren om van viervoetige in tweevoetige dieren te veranderen,
-de natuurlijke teeltkeus waarschijnlijk in groote mate werd geholpen door de overgeërfde
-gevolgen van het vermeerderde of verminderde gebruik van de verschillende deelen van
-het lichaam.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p><i>Stilstand in de ontwikkeling.</i><span class="corr" id="xd31e2783" title="Bron: ">—</span>Stilstand in de ontwikkeling verschilt daarin van stilstand in den groei, dat de deelen
-doorgaan met groeien, ofschoon zij hun vroegeren ontwikkelingstoestand behouden. Verschillende
-misvormingen behooren tot deze afdeeling, en van sommigen daarvan weet men, dat zij
-erfelijk zijn, zooals b.v. een gespleten verhemelte. Voor ons doel zal het genoeg
-zijn te verwijzen naar den stilstand in de ontwikkeling der hersenen bij microcephale
-idioten, zooals die in Vogt’s groote verhandeling worden beschreven.<a class="noteRef" id="xd31e2786src" href="#xd31e2786">36</a> Hun schedels zijn kleiner en de hersenwindingen minder ingewikkeld, dan bij normale
-menschen. De voorhoofdsboezem, of het vooruitsteken der wenkbrauwbogen, is sterk ontwikkeld,
-en de kaken vertoonen een „schrikbarende” mate van prognathisme; zoodat deze idioten
-eenigszins gelijken op de laagste typen van het menschelijk geslacht. Hun verstand
-en hun meeste geestvermogens zijn uiterst zwak. Zij kunnen niet leeren spreken en
-zijn geheel buiten staat hun aandacht lang op iets te vestigen, daarentegen hebben
-zij veel neiging tot nabootsing. Zij zijn sterk en opmerkelijk bedrijvig, daar zij
-voortdurend springen en rondhuppelen, en grimassen maken. Zij klimmen dikwijls op
-handen en voeten de trap op; en houden merkwaardig veel van het klimmen op meubels
-en in de boomen. Dit herinnert ons, hoe gaarne de meeste jongens in de boomen klimmen,
-en dit laatste herinnert ons weder, met hoeveel vermaak lammeren en jonge geiten,
-oorspronkelijk in bergstreken levende dieren, op elk heuveltje, hoe klein ook, rondspringen.
-Idioten gelijken ook in sommige andere opzichten op de lagere dieren; zoo zijn er
-verscheidene voorbeelden aangeteekend, dat zij elken mondvol voedsel zorgvuldig beroken,
-voor zij hem opaten. Van éénen idioot wordt vermeld, dat hij dikwijls, als hij zich
-luisde, zijn mond gebruikte om zijn handen te helpen. Zij hebben dikwijls vuile gewoonten
-en geen begrip van wat betamelijk is, en er zijn verschillende gevallen opgeteekend
-van opmerkelijke behaardheid van hun lichaam.<a class="noteRef" id="xd31e2792src" href="#xd31e2792">37</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p><i>Atavisme.</i>—Vele gevallen die hier moeten worden opgesomd, zouden tot de vorige afdeeling kunnen
-zijn gebracht. Wanneer een orgaan in zijn ontwikkeling blijft stilstaan, maar voortgaat
-met groeien totdat het nauwkeurig gelijkt op een overeenkomstig orgaan van een of
-ander lager en volwassen lid van de zelfde groep, mogen wij zulks altijd eenigermate
-als een geval van atavisme beschouwen. De lagere leden van een groep geven ons eenig
-denkbeeld van het maaksel van den gemeenschappelijken stamvader van de groep; en het
-is moeielijk te gelooven, dat een deel, in welks ontwikkeling een stilstand was ontstaan
-gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven, in staat zou zijn om zoodanig
-met groeien voort te gaan, dat het ten laatste zijn bijzondere functie kon vervullen,
-wanneer het dit vermogen van voortgaanden groei niet had verkregen gedurende den eenen
-of anderen vroegeren toestand van bestaan, toen zijn thans exceptioneel en door stilstand
-in de ontwikkeling veroorzaakt maaksel normaal was. De eenvoudige hersenen van een
-microcephalen idioot kunnen, in zoover zij op die van een aap gelijken, worden gezegd
-een geval van atavisme te zijn.<a class="noteRef" id="xd31e2812src" href="#xd31e2812">38</a> Er zijn andere gevallen, die nog volkomener in onze tegenwoordige afdeeling over
-atavisme passen. <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>Sommige vormen, die bij de lagere leden van de groep waartoe de mensch behoort, geregeld
-voorkomen, worden nu en dan ook bij dezen laatsten waargenomen, hoewel men ze niet
-bij den normalen menschelijken embryo aantreft, of, wanneer zij bij den normalen embryo
-worden gevonden, zich op abnormale wijze ontwikkelen, hoewel die wijze van ontwikkeling
-bij de lagere leden der zelfde groep normaal is. Deze opmerkingen zullen duidelijker
-worden gemaakt door de volgende voorbeelden.
-</p>
-<p>Bij de verschillende zoogdieren klimt de baarmoeder van een dubbel orgaan met twee
-gescheiden openingen en twee doorgangen, zooals bij de buideldieren, trapsgewijze
-op tot een enkelvoudig orgaan, dat geen andere teekenen van tweevoudigheid vertoont
-dan een kleine inwendige <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>plooi zooals bij de apen en den mensch. De knaagdieren vertoonen een volledige rij
-van overgangen tusschen deze beide uitersten. Bij alle zoogdieren ontwikkelt zich
-de baarmoeder oorspronkelijk uit enkelvoudige buizen, waarvan de onderste deelen de
-hoornen vormen, en wordt, volgens de woorden van Dr. Farre, „door de samengroeiing
-van de beide hoornen aan hun benedenste uiteinden het lichaam van de baarmoeder bij
-den mensch gevormd; terwijl bij die dieren, bij welke geen middelste gedeelte of lichaam
-bestaat, de hoornen onverbonden blijven. Naarmate de ontwikkeling der baarmoeder voortgaat,
-worden de beide hoornen hoe langer hoe korter, tot zij ten laatste geheel verdwijnen,
-of zich als het ware in het lichaam van de baarmoeder oplossen.” Zelfs op zulk een
-hoogen ontwikkelingstrap als die der lagere apen en hun verwanten, de Lemuriden, zijn
-de hoeken van de baarmoeder nog tot hoornen verlengd.
-</p>
-<p>Nu zijn bij vrouwen anomalieën niet zeer zeldzaam, waarbij de volwassen baarmoeder
-van hoornen voorzien of gedeeltelijk in twee organen verdeeld is; en dergelijke gevallen
-herhalen, volgens Owen, „in hun ontwikkeling den graad van concentratie” die door
-sommige knaagdieren wordt bereikt. Hier hebben wij misschien een voorbeeld van een
-eenvoudigen stilstand in de ontwikkeling van den embryo, met voortgaanden groei en
-volledige geschiktwording van het orgaan voor zijn functie; want elke zijde van de
-gedeeltelijke dubbele baarmoeder is geschikt om bij de zwangerschap haar eigenaardige
-taak te vervullen.
-</p>
-<p>In andere en meer zeldzame gevallen worden twee afgescheiden baarmoederlijke holten
-gevormd, elk met haar eigen opening en doorgang.<a class="noteRef" id="xd31e2862src" href="#xd31e2862">39</a> Deze ontwikkelingstrap wordt door een normaal embryo niet doorloopen, en het is moeielijk
-te gelooven, ofschoon het misschien niet onmogelijk is, dat twee eenvoudige, kleine,
-primitieve buisjes de kunst zouden verstaan (als ik mij zoo eens mag uitdrukken) om
-zich te ontwikkelen tot twee afgescheiden baarmoeders, elk met een goed gevormde opening
-en doorgang, en beide voorzien van talrijke spieren, zenuwen, klieren en vaten, als
-zij niet vroeger een dergelijken ontwikkelingsgang hadden doorloopen, zooals bij de
-tegenwoordig levende buideldieren het geval is. Niemand zal beweren, dat een zoo volkomen
-orgaan als de abnormale dubbele baarmoeder bij de vrouw alleen als <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>een gevolg van het toeval kan worden beschouwd. Het beginsel van atavisme, waardoor
-sinds lang verloren en om zoo te zeggen slapende kenmerken opnieuw in het leven worden
-teruggeroepen, zou echter de volkomen ontwikkeling van het orgaan kunnen verklaren,
-zelfs wanneer een ontzaglijk lange tijd was verloopen sedert die ontwikkelingswijze
-normaal bij de voorouders van den mensch voorkwam.
-</p>
-<p>Professor Canestrini<a class="noteRef" id="xd31e2875src" href="#xd31e2875">40</a> komt, na het voorgaande en verschillende dergelijke gevallen te hebben besproken,
-tot het zelfde besluit waartoe ik zooeven kwam. Hij voegt er, als een ander voorbeeld,
-het jukbeen bij, dat bij sommige vierhandige en andere zoogdieren normaal uit twee
-deelen bestaat. Dit is ook het geval bij den menschelijken foetus van twee maanden;
-en ook soms door stilstand in de ontwikkeling bij den volwassen mensch, meer in het
-bijzonder bij de lagere prognathische rassen. Hieruit besluit Canestrini, dat bij
-den eenen of anderen vroegeren voorvader van den mensch dit been normaal uit twee
-deelen bestond, die later met elkander tot één geheel vergroeiden. Bij den mensch
-bestaat het voorhoofdsbeen uit één stuk, maar bij den embryo en bij kinderen, en bij
-bijna alle lagere zoogdieren bestaat het uit twee stukken, die door een afzonderlijken
-naad worden gescheiden. Deze naad blijft soms bij den volwassen mensch min of meer
-duidelijk bestaan en veelvuldiger bij oude dan bij nieuwere schedels, vooral, zooals
-Canestrini heeft opgemerkt, bij die, welke uit het diluvium zijn opgegraven en tot
-het brachycephale type behooren. Hij komt hier weder tot het zelfde besluit als in
-het overeenkomstige geval van de jukbeenderen. In dit en in andere gevallen die wij
-hier <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>moeten mededeelen, schijnt de reden dat oude rassen in sommige kenmerken veelvuldiger
-tot de lagere dieren naderen dan de nieuwere rassen, te zijn, dat deze laatste in
-de lange lijn van afstamming op een iets grooter afstand staan van hun voormalige
-half-menschelijke voorouders<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Verschillende andere anomalieën bij den mensch, meer of min met de voorgaande overeenkomende,
-zijn door verschillende schrijvers<a class="noteRef" id="xd31e2901src" href="#xd31e2901">41</a> voor atavismen verklaard; maar deze schijnen niet weinig twijfelachtig, want wij
-moeten uiterst laag in de reeks der zoogdieren afdalen, vóór wij dergelijke vormen
-normaal aanwezig vinden.
-</p>
-<p>Bij den mensch zijn de hoektanden werktuigen die volkomen geschikt zijn voor het kauwen.
-Dat zij echter werkelijk met de hondstanden van andere zoogdieren overeenkomen, wordt,
-zooals Owen<a class="noteRef" id="xd31e2915src" href="#xd31e2915">42</a> opmerkt, „aangetoond door de kegelvormige kroon, die in een stompe punt eindigt,
-aan de buitenzijde bol, aan de binnenzijde plat of eenigszins hol is, aan de basis
-van welk oppervlak een geringe verhevenheid is. De kegelvorm is het best uitgedrukt
-bij de Melanesische rassen, vooral bij het Nieuw-Hollandsche. De hoektand is dieper
-en met een sterker wortel ingeplant dan de snijtanden.” Desniettemin dient deze tand
-den mensch niet meer als een bijzonder wapen om zijn vijanden of zijn prooi vaneen
-te scheuren; hij kan dus, voor zoover zijn eigenlijke bestemming aangaat, als rudimentair
-worden beschouwd. In iedere groote verzameling van menschelijke schedels kan men er
-enkele vinden<a class="noteRef" id="xd31e2921src" href="#xd31e2921">43</a>, waarvan de hoektanden aanmerkelijk boven de andere <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>uitsteken op de zelfde wijze maar in mindere mate, dan bij de anthropomorphen. In
-deze gevallen bevinden zich tusschen de tanden van de eene kaak open plaatsen tot
-opneming van de hoektanden der andere kaak. Bij een door Wagner afgebeelden Kafferschedel
-merkt men een verbazend groote dergelijke tusschenruimte op.<a class="noteRef" id="xd31e2929src" href="#xd31e2929">44</a> Wanneer men in aanmerking neemt, hoe weinig oude schedels in vergelijking met nieuwere
-schedels bestudeerd zijn, is het een belangrijk feit, dat in ten minste drie gevallen
-de hoektanden sterk uitsteken, en bij de kaak van la Naulette zijn zij, naar men zegt,
-zeer groot.<a class="noteRef" id="xd31e2935src" href="#xd31e2935">45</a>
-</p>
-<p>Bij de anthropomorphe apen hebben alleen de mannetjes volkomen ontwikkelde hondstanden;
-maar bij den vrouwelijken gorilla en in mindere mate bij den vrouwelijken orang steken
-deze tanden aanmerkelijk boven de andere uit; het feit, dat vrouwen, zooals men mij
-heeft verzekerd, sterk uitstekende hoektanden hebben, is daarom geen ernstige tegenwerping
-tegen het geloof, dat hun nu en dan voorkomende groote ontwikkeling bij den mensch
-een geval van atavisme, van terugkeer tot de kenmerken van een op een aap gelijkenden
-voorvader is. Hij die met verachting het geloof verwerpt, dat de gedaante van zijn
-eigen hoektanden en hun nu en dan waargenomen groote ontwikkeling bij andere menschen
-daardoor worden veroorzaakt, dat onze vroegere voorouders van deze vreeselijke wapens
-voorzien zijn geweest, zal waarschijnlijk zijn afkomst duidelijk toonen door den neus
-op te trekken. Want hoewel hij noch het voornemen, noch het vermogen meer heeft om
-deze tanden als wapenen te gebruiken, zal hij onbewust zijn bromspieren, zooals Sir
-Bell<a class="noteRef" id="xd31e2945src" href="#xd31e2945">46</a> ze noemt, optrekken, even alsof hij ze voor den aanval wilde ontblooten gelijk een
-hond, die zich voorbereidt tot het gevecht.
-</p>
-<p>Vele spieren die aan de apen of andere zoogdieren eigen zijn, komen soms ook bij den
-mensch in ontwikkelden toestand voor. Professor Vlacovich<a class="noteRef" id="xd31e2953src" href="#xd31e2953">47</a> onderzocht veertig mannelijke lijken, en vond bij negentien daarvan een spier, door
-hem <i>musculus ischio-pubicus</i> genoemd; bij drie andere was er een band welke deze spier vertegenwoordigde; en bij
-de overige achttien geen spoor daarvan. Dertig vrouwelijke lijken onderzoekende, vond
-hij, dat alleen bij twee daarvan deze spier aan <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>beide zijden ontwikkeld was, maar bij drie andere bestond de rudimentaire band. Deze
-spier schijnt daarom veel algemeener te zijn bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke
-sekse, en wanneer men het beginsel der afstamming van den mensch van dezen of genen
-lageren vorm <span class="corr" id="xd31e2963" title="Bron: aannneemt">aanneemt</span>, kan haar tegenwoordigheid worden begrepen; want zij is bij verschillende lagere
-dieren ontdekt, en bij deze allen dient zij uitsluitend om het mannetje bij de paring
-behulpzaam te zijn.
-</p>
-<p>De heer J. Wood heeft in zijne gewichtige reeks verhandelingen<a class="noteRef" id="xd31e2968src" href="#xd31e2968">48</a> een groot aantal wijzigingen van het spierstelsel bij den mensch, die op de normale
-inrichting daarvan bij lagere dieren gelijken, nauwkeurig beschreven.
-</p>
-<p>Wanneer men alleen de spieren beschouwt welke volkomen gelijken op die, welke bij
-onze naaste verwanten, de apen, steeds voorkomen, zijn zij nog te talrijk om hier
-zelfs maar te worden opgenoemd. Bij een enkel mannelijk lijk, dat een sterken lichaamsbouw
-en welgevormden schedel bezat, werden niet minder dan zeven wijzigingen in het spierstelsel
-waargenomen, die allen geheel overeenkwamen met spieren welke aan verschillende soorten
-van apen eigen zijn. Deze man had b<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>v. aan beide zijden van zijn hals een waren en krachtigen „<i>levator claviculae</i>”, zooals die bij alle aapsoorten wordt gevonden, en welke, naar men zegt, bij één
-van de zestig menschen voorkomt.<a class="noteRef" id="xd31e2985src" href="#xd31e2985">49</a> Daarenboven had die man „een bijzondere afvoerende spier van het middelhandsbeen
-der pink”, die, zooals Prof<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Huxley en de heer Flower hebben aangetoond, bij de hoogere en lagere apen standvastig
-voorkomt. Ik wil er nog twee gevallen bijvoegen; de <i lang="la">musculus acromio-basilaris</i> wordt bij alle zoogdieren die beneden den mensch staan, gevonden, en <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>schijnt in verband te staan met een viervoetigen gang, en hij komt voor bij omstreeks
-één van de zestig menschen. In de onderste ledematen vond de heer Bradley een <i lang="la">abductor ossis metatarsi quinti</i> in beide voeten van den mensch; deze spier was tot dien tijd toe bij den mensch niet
-opgeteekend, maar is altijd aanwezig bij de anthropomorphe apen. De handen en armen
-van den mensch vertoonen in hooge mate een eigenaardig maaksel; maar hun spieren zijn
-uiterst onderhevig aan wijzigingen waardoor zij op de overeenkomstige spieren bij
-de lagere dieren gaan gelijken.<a class="noteRef" id="xd31e3002src" href="#xd31e3002">50</a> Dergelijke gelijkenissen zijn of volledig en volmaakt of onvolmaakt, en vormen in
-dit laatste geval blijkbaar overgangen. Sommige wijzigingen zijn meer algemeen bij
-den man en andere bij de vrouw, zonder dat wij in staat zijn hiervan de oorzaak aan
-te wijzen. De heer Wood maakt, na verscheidene gevallen te hebben beschreven, de volgende
-belangrijke opmerking:
-</p>
-<p>„Aanmerkelijke afwijkingen van het gewone type van het spierstelsel loopen in lijnen
-of richtingen, die men moet onderstellen, dat eenigen onbekenden factor aanduiden
-die hoogst belangrijk is voor een begrijpelijke kennis van algemeene en wetenschappelijke
-ontleedkunde.”<a class="noteRef" id="xd31e3007src" href="#xd31e3007">51</a>
-</p>
-<p>Dat deze onbekende factor atavisme of terugkeer tot een vroegeren toestand van bestaan
-is, mag men voor hoogst waarschijnlijk houden. Het is volkomen ongeloofelijk, dat
-een mensch door zuiver toeval in de abnormale ontwikkeling van niet minder dan zeven
-zijner spieren op zekere apen zou gelijken, indien er geen bloedverwantschap tusschen
-hen bestond. Indien daarentegen de mensch afstamt van een <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>of ander op een aap gelijkend wezen, kan er geen gegronde reden worden opgegeven,
-waarom sommige spieren niet plotseling opnieuw zouden verschijnen na een tusschenruimte
-van vele duizenden generaties, op de zelfde wijze als bij paarden, ezels en muildieren
-donker gekleurde strepen plotseling opnieuw verschijnen op de pooten en schouders
-na een tusschenruimte van honderden of waarschijnlijker duizenden geslachten.
-</p>
-<p>Deze verschillende gevallen van atavisme zijn zoo nauw verwant met die van rudimentaire
-organen, in het eerste hoofdstuk medegedeeld, dat het bij velen van hen onverschillig
-zou zijn geweest, in welk der beide hoofdstukken zij werden besproken. Zoo kan men
-zeggen, dat een van hoornen voorziene menschelijke baarmoeder in rudimentairen staat
-den normalen toestand van het zelfde orgaan bij sommige zoogdieren vertegenwoordigt.
-Sommige deelen die bij den mensch rudimentair zijn, zooals het koekoeksbeen bij beide
-seksen en de tepels bij de mannelijke sekse, zijn altijd tegenwoordig, terwijl andere,
-zooals het <i>foramen supra condyloideum</i> alleen nu en dan verschijnen, en daarom onder de afdeeling atavisme zouden kunnen
-zijn gebracht. Deze verschillende atavistische vormingen verraden, even goed als de
-strikt rudimentaire, ’s menschen afstamming van dezen of genen lagen vorm op onmiskenbare
-wijze. <b>(<a href="#en2.6" id="en2.6src">6</a>)</b>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Correlatie.</i>—Bij den mensch zoowel als bij de lagere dieren bestaat er een zoo innig verband tusschen
-vele organen, dat als het eene deel afwijkingen vertoont, ook het andere dit doet,
-zonder dat wij daarvan in de meeste gevallen de oorzaak kunnen aangeven. Wij kunnen
-niet zeggen of het eene deel het andere bestuurt, dan wel of beide door eenig vroeger
-ontwikkeld deel worden bestuurd. I. Geoffroy drukt er herhaaldelijk op, dat er tusschen
-verschillende monstruositeiten een dergelijk innig verband bestaat.
-</p>
-<p>Vooral homotype deelen veranderen dikwijls tegelijkertijd, zooals wij zien aan de
-tegenovergestelde lichaamshelften, en aan de bovenste en onderste ledematen, Meckel
-merkte reeds voor langen tijd op, dat wanneer de spieren van den arm van haar gewoon
-type afwijken, zij bijna altijd die van het been nabootsen, en evenzoo gaat het omgekeerd
-met de spieren van het been. De zintuigen van het gezicht en het gehoor, de tanden
-en de haren, de kleur der huid en van het haar, de kleur en het gestel staan op de
-zelfde wijze min of meer met elkander in verband.<a class="noteRef" id="xd31e3044src" href="#xd31e3044">52</a> <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Prof. Schaaffhausen vestigde het eerst de aandacht op de betrekking, die er blijkbaar
-bestaat tusschen een gespierden lichaamsbouw en sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen,
-die zoo kenmerkend zijn voor de lagere menschenrassen.
-</p>
-<p>Behalve de wijzigingen, die met meer of minder waarschijnlijkheid tot de voorgaande
-afdeelingen kunnen worden gebracht, is er nog een groote klasse van wijzigingen, die
-men <i>spontane</i> zou kunnen noemen, want ten gevolge onzer onwetendheid ontstaan zij schijnbaar zonder
-eenige aanleidende oorzaken. Men kan echter bewijzen, dat dergelijke wijzigingen,
-hetzij zij bestaan in geringe individueele verschillen of in sterk in het oog vallende
-en plotselinge afwijkingen van maaksel, veel meer afhangen van het gestel van het
-organisme dan van den aard der levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geworden.<a class="noteRef" id="xd31e3053src" href="#xd31e3053">53</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Bedrag van den aanwas der bevolking.</i>—Er zijn voorbeelden bekend van beschaafde volken, b.v. in de Vereenigde Staten, die
-hun aantal in vijf-en-twintig jaren hebben verdubbeld; en volgens een berekening van
-Euler zou dit in iets meer dan twaalf jaren kunnen geschieden.<a class="noteRef" id="xd31e3061src" href="#xd31e3061">54</a> Volgens de eerste verhouding zou de tegenwoordige bevolking der Vereenigde Staten,
-namelijk dertig millioen menschen <b>(<a href="#en2.7" id="en2.7src">7</a>)</b>, in 657 jaar den geheelen aardbol, zoowel het land als den oceaan, zoo dicht bedekken,
-dat op elk viertal vierkante meters negentien menschen zouden moeten staan. Het voornaamste
-of fundamenteele beletsel tegen de voortdurende vermeerdering van het menschelijk
-geslacht is de moeielijkheid om zijn levensonderhoud te verkrijgen en op aangename
-wijze te leven. Dat dit het geval is, mogen wij afleiden uit hetgeen wij b.v. in de
-Vereenigde Staten zien, waar het levensonderhoud gemakkelijk te verkrijgen en waar
-overvloed van ruimte is. Indien in Groot-Brittannië plotseling het levensonderhoud
-tweemaal gemakkelijker was te verkrijgen en de ruimte verdubbelde, zou ook het aantal
-Engelschen en Schotten spoedig verdubbeld zijn. Bij beschaafde volken werkt het bovengenoemde
-voornaamste beletsel voornamelijk door het aantal huwelijken te beperken. Ook de groote
-sterfte van kinderen in de armste klassen is zeer <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>belangrijk, zoowel als de grootere sterfte op alle leeftijden en aan verschillende
-ziekten der bewoners van overbevolkte en slecht ingerichte huizen. De uitwerkselen
-van vreeselijke epidemieën en oorlogen worden spoedig vereffend, en meer dan vereffend,
-bij volken die onder gunstige voorwaarden zijn geplaatst. Bij de uiterst arme klassen
-werkt ook de landverhuizing als een tijdelijk beletsel, maar op niet zeer uitgebreide
-wijze.
-</p>
-<p>Er bestaat reden om te vermoeden, zooals Malthus heeft opgemerkt, dat de vruchtbaarheid
-tegenwoordig geringer is bij wilde dan bij beschaafde rassen. Wij weten daarvan niets
-met zekerheid, want bij wilden bestaan geen volkstellingen; maar volgens de overeenstemmende
-getuigenissen van zendelingen en anderen, die lang bij dergelijke volken hebben gewoond,
-schijnen hun huisgezinnen gewoonlijk klein en slechts zelden groot te zijn. Dit moet,
-naar men beweert, wellicht daaraan worden toegeschreven, dat de vrouwen de kinderen
-gedurende zeer langen tijd zoogen; maar het is zeer waarschijnlijk, dat wilden, die
-dikwijls vele vermoeienissen doorstaan, en niet zooveel voedzame spijs krijgen als
-beschaafde menschen, tegenwoordig minder vruchtbaar zijn. Ik heb in een vroeger werk<a class="noteRef" id="xd31e3077src" href="#xd31e3077">55</a> aangetoond, dat al onze tamme zoogdieren en vogels, en al de planten die wij verbouwen,
-vruchtbaarder zijn dan de overeenkomstige soorten in den natuurstaat. Het is geen
-gegronde tegenwerping tegen dit besluit, dat dieren als men ze plotseling van een
-overvloed van voedsel voorziet of vetmest, en dat de meeste planten, als men ze zeer
-plotseling uit een zeer schralen in een zeer vetten bodem overplant, min of meer onvruchtbaar
-worden. Wij konden daarom verwachten, dat beschaafde volken, die in zekeren zin in
-hooge mate getemd zijn, vruchtbaarder zouden zijn dan wilden. Het is ook waarschijnlijk,
-dat de vermeerderde vruchtbaarheid van beschaafde volken, evenals bij onze tamme dieren
-een erfelijk kenmerk zou worden; het is ten minste bekend, dat bij den mensch de aanleg
-om tweelingen voort te brengen, in sommige families erfelijk is.<a class="noteRef" id="xd31e3082src" href="#xd31e3082">56</a>
-</p>
-<p>Niettegenstaande wilden minder kinderen schijnen voort te brengen dan beschaafde menschen,
-zouden zij ongetwijfeld snel vermeerderen, indien hun aantal niet door sommige oorzaken
-krachtig werd beperkt. De Santali-stammen, die de heuvels van Indië bewonen, hebben
-voor <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>korten tijd een goed bewijs daarvan geleverd; want de heer Hunter<a class="noteRef" id="xd31e3092src" href="#xd31e3092">57</a> heeft aangetoond, dat hun aantal in buitengewone mate is toegenomen, sedert de koepokinenting
-bij hen is ingevoerd, andere besmettelijke ziekten zijn getemperd en de oorlog krachtig
-is bedwongen. Die toeneming zou echter niet mogelijk zijn geweest, wanneer deze ruwe
-menschen zich niet in de naburige districten verspreid en zich daar als werklieden
-hadden verhuurd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wilden huwen bijna altijd, maar nemen daarbij een soort van voorzichtig zelfbedwang
-in acht; want zij huwen gewoonlijk niet op den jongstmogelijken leeftijd. Men eischt
-dikwijls van de jonge mannen het bewijs, dat zij een vrouw kunnen onderhouden, en
-over het algemeen moeten zij eerst den prijs verdienen, dien zij voor haar aan haar
-ouders moeten betalen. Bij wilden beperkt de moeielijkheid om voedsel te verkrijgen
-hun aantal op een veel meer rechtstreeksche wijze dan bij beschaafde menschen; want
-alle stammen hebben periodiek zware hongersnooden door te staan. In zulke tijden zijn
-de wilden genoodzaakt veel slecht voedsel te verslinden, en het kan bijna niet missen,
-dat hun gezondheid hierdoor wordt benadeeld. Vele verhalen zijn medegedeeld van hun
-hangbuiken en vermagerde ledematen na en gedurende hongersnooden. Zij zijn dan ook
-genoodzaakt veel rond te trekken, terwijl hun kinderen, naar men mij in Nieuw-Holland
-verzekerde, in grooten getale omkomen. Daar de hongersnooden periodiek zijn, omdat
-zij voornamelijk van de jaargetijden afhangen, moet het aantal zielen van alle stammen
-beurtelings af- en toenemen. Hun aantal kan niet voortdurend en regelmatig vermeerderen,
-omdat er geen kunstmatige vermeerdering van den voorraad voedsel plaats vindt. Door
-den nood gedrongen, overschrijden de wilden elkanders grondgebied, waarvan oorlog
-het gevolg is; maar zij zijn werkelijk bijna voortdurend in oorlog met hun naburen.
-Zij zijn aan vele ongelukken te land en te water blootgesteld bij hun zoeken naar
-hun voedsel, en in sommige landen hebben zij veel te lijden van de groote roofdieren.
-Zelfs in Indië zijn geheele districten ontvolkt geworden door de verwoestingen van
-tijgers.
-</p>
-<p>Malthus heeft deze verschillende beletsels van hun vermeerdering besproken; maar hij
-hecht niet genoeg gewicht aan dat, hetwelk waarschijnlijk het belangrijkste van allen
-is, namelijk kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen, en de gewoonte om miskraam
-te <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>verwekken. Deze practijken heerschen nog heden in vele deelen der wereld, en in vroegeren
-tijd schijnt de kindermoord, zooals de heer M’Lennan<a class="noteRef" id="xd31e3104src" href="#xd31e3104">58</a> heeft aangetoond, op nog uitgebreider schaal plaats te hebben gehad. De oorzaak van
-deze practijken schijnt te zijn geweest, dat de wilden de moeielijkheid of liever
-de onmogelijkheid inzagen om alle kinderen die werden geboren, te onderhouden. Bij
-de voorgaande beletsels kan ook de losbandigheid worden gevoegd, maar deze is niet
-het gevolg van het gebrek aan levensmiddelen; er bestaat echter reden om aan te nemen,
-dat zij in sommige gevallen (zooals in Japan) met voordacht is aangemoedigd als een
-middel om den aanwas der bevolking tegen te gaan.
-</p>
-<p>Als wij terugzien tot een uiterst lang geleden tijdvak, moet de mensch, voor hij tot
-de menschelijke waardigheid was opgeklommen, meer door instinkt en minder door rede
-zijn geleid, dan de tegenwoordige wilden. Onze vroege half-menschelijke voorouders
-moeten geen kindermoord hebben bedreven; want de instinkten der lagere dieren zijn
-nooit zoo verdorven, dat zij hen geregeld leiden tot de vernietiging van hun eigen
-kroost. Geen voorzichtig zelfbedwang moet het aantal huwelijken hebben beperkt, en
-de beide seksen moeten zich op jeugdigen leeftijd vrijelijk hebben vermengd. Daartoe
-moet bij de voorouders van den mensch een streven naar snelle vermeerdering zijn ontstaan;
-maar beletsels van den eenen of anderen aard, hetzij periodiek of voortdurend werkende,
-moeten de toeneming van hun getal nog krachtiger hebben tegengegaan dan bij de tegenwoordige
-wilden. Van welken aard deze beletsels eigenlijk zijn geweest, kunnen wij evenmin
-zeggen als bij de meeste andere dieren. Wij weten, dat paarden en hoornvee, die geen
-zeer vruchtbare dieren zijn, toen zij voor het eerst in Z.-Amerika waren losgelaten,
-zich verbazend hebben vermeerderd. De olifant, die zich het langzaamst van alle bekende
-dieren voortplant, zou in weinige duizendtallen van jaren de geheele wereld bevolken.
-De vermeerdering van elke aapsoort moet door de eene of andere oorzaak worden tegengegaan,
-maar niet, zooals Brehm opmerkt, door de aanvallen van roofdieren. Niemand zal beweren,
-dat het voortplantingsvermogen der wilde paarden en van het hoornvee van Amerika in
-den beginne in eenige merkbare mate toenam, of dat, naarmate elke landstreek dicht
-werd bevolkt, dit zelfde vermogen afnam. Ongetwijfeld <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>werken in dit geval en in alle andere vele beletselen samen, en de aard dier beletsels
-verschilt naar omstandigheden; de belangrijkste van alle zijn waarschijnlijk periodieke
-hongersnooden, veroorzaakt door ongunstige jaargetijden. Evenzoo zal het zijn gegaan
-met de vroege voorouders van den mensch.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Natuurlijke teeltkeus.</i>—Wij hebben nu gezien, dat de mensch variabel is naar lichaam en geest, en dat die
-veranderingen, hetzij direct of indirect, het gevolg zijn van de zelfde algemeene
-oorzaken en aan de zelfde algemeene wetten gehoorzamen als bij de lagere dieren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De mensch heeft zich wijd en zijd over den aardbodem verspreid en moet gedurende
-zijn onophoudelijke verhuizingen<a class="noteRef" id="xd31e3121src" href="#xd31e3121">59</a> aan de meest verschillende levensvoorwaarden zijn onderworpen geweest. De bewoners
-van Vuurland, de Kaap de Goede Hoop en van Diemensland in het eene halfrond en die
-der poolstreken in het andere, moeten vele luchtstreken zijn doorgetrokken, en hun
-gewoonten vele malen hebben veranderd, voor zij hun tegenwoordige woonplaats bereikten.<a class="noteRef" id="xd31e3130src" href="#xd31e3130">60</a> Bij de vroege voorouders van den mensch moet ook, evenals bij alle andere dieren,
-de neiging hebben bestaan om in sterkere mate te vermeerderen dan hun voedingsmiddelen;
-zij moeten daarom somtijds zijn blootgesteld geweest aan een strijd om het leven,
-en bijgevolg aan de strenge wet der natuurlijke teeltkeus. Voordeelige veranderingen
-van alle soorten zullen dus, hetzij somtijds, hetzij gewoonlijk, behouden zijn gebleven,
-en nadeelige te gronde zijn gegaan. Ik bedoel hier niet sterk in het oog springende
-afwijkingen van maaksel die slechts nu en dan met lange tusschenpoozen verschijnen,
-maar slechts eenvoudige individueele verschillen. Wij weten b.v., dat bij de spieren
-onzer handen en voeten die ons vermogen van beweging bepalen, evenals bij die der
-lagere dieren<a class="noteRef" id="xd31e3136src" href="#xd31e3136">61</a> zeer vele individueele verschillen voorkomen. Indien derhalve de op apen gelijkende
-voorouders van den mensch, welke de eene of andere landstreek bewoonden, vooral wanneer
-die landstreek eenige verandering in haar toestand onderging, in twee even groote
-afdeelingen waren verdeeld, <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>dan zou die helft, waartoe al de individu’s behoorden welke door hun vermogen van
-beweging het best geschikt waren om hun levensonderhoud te verkrijgen of om zich te
-verdedigen, kans hebben om voor een grooter gedeelte te blijven leven en meer kroost
-voort te brengen dan de andere minder goed begaafde helft.
-</p>
-<p>De mensch is in den wildsten staat waarin hij nu bestaat, het meest heerschende dier,
-dat ooit op aarde is verschenen. Hij heeft zich over een grootere uitgestrektheid
-verspreid dan eenige andere hooggeorganiseerde vorm, en alle andere zijn voor hem
-teruggeweken. Hij is deze verbazende meerderheid blijkbaar verschuldigd aan zijn verstandelijke
-vermogens, zijn sociale gewoonten, die er hem toe brengen om zijn makkers te helpen
-en te verdedigen, en aan zijn lichamelijk maaksel. De hooge belangrijkheid dezer kenmerken
-is bewezen door de einduitkomst van den strijd om het leven. Door zijn verstandelijke
-vermogens heeft zich de gearticuleerde spraak ontwikkeld; en hiervan heeft voornamelijk
-zijn verwonderlijke vooruitgang afgehangen. Hij heeft verschillende wapenen, werktuigen,
-vallen enz. uitgevonden, en is in staat die te gebruiken tot zijn verdediging, om
-zijn prooi te dooden of te vangen en zich op andere wijzen voedsel te verschaffen.
-Hij heeft vlotten of kano’s gemaakt om daarin te visschen of naar naburige vruchtbare
-eilanden over te steken. Hij heeft de kunst uitgevonden om vuur te maken, waardoor
-harde en vezelige wortels verteerbaar en vergiftige wortels en kruiden onschadelijk
-kunnen worden gemaakt. Deze laatste uitvinding, waarschijnlijk, met uitzondering der
-spraak, de grootste, die ooit door den mensch is gedaan, dagteekent van vóór de morgenschemering
-der geschiedenis. Deze verschillende uitvindingen, waardoor de mensch in den meest
-onbeschaafden staat zoo machtig is geworden, zijn het rechtstreeksche gevolg van de
-ontwikkeling zijner vermogens van waarneming, geheugen, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht
-en rede. Ik kan daarom niet begrijpen, hoe de heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e3152src" href="#xd31e3152">62</a> kan volhouden, dat: <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>„de natuurlijke teeltkeus den wilde slechts zou hebben kunnen begiftigen met hersenen,
-niet veel meer ontwikkeld dan die van een aap.”
-</p>
-<p>Hoewel de verstandelijke vermogens en sociale gewoonten van den mensch hoogst belangrijk
-voor hem zijn, moeten wij echter ook de belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel
-niet gering schatten, aan welk onderwerp het nog overige gedeelte van dit hoofdstuk
-zal zijn gewijd. De ontwikkeling van de verstandelijke en sociale of zedelijke vermogens
-zal in het volgende hoofdstuk worden besproken.
-</p>
-<p>Zelfs om een hamer met juistheid te gebruiken, is geen gemakkelijke zaak, zooals ieder
-die timmeren heeft geleerd, zal toegeven. Om met een steenworp zoo juist het doel
-te treffen als zulks een Vuurlander kan, wanneer hij zich verdedigt of vogels doodt,
-vereischt de volledigste bedrevenheid in het gezamenlijk gebruik van de spieren, de
-hand, den arm en den schouder, om van fijn tastgevoel niet te spreken. Bij het werpen
-met een steen of speer en bij vele andere handelingen moet iemand vast op zijn voeten
-staan, en dit vereischt weder de volkomene samenwerking van verscheidene spieren.
-Uit een stuk vuursteen het ruwste werktuig te hakken, of met een been een van weêrhaken
-voorziene speer of haak te vormen, vereischt het gebruik van een volkomen gevormde
-hand; want, zooals een zeer bevoegd rechter, de heer Schoolcraft<a class="noteRef" id="xd31e3179src" href="#xd31e3179">63</a> opmerkt, bewijst het vervaardigen van messen, lansen of pijlpunten uit stukjes steen:
-„buitengewone bekwaamheid en langdurige oefening.” Wij nebben een bewijs hiervan in
-het feit, dat de oorspronkelijke mensch de verdeeling van den arbeid toepaste; ieder
-man vervaardigde niet zijn eigen vuursteenen werktuigen of grof aardewerk, maar bepaalde
-individu’s schijnen zich met dergelijk werk te hebben beziggehouden, en ontvingen
-ongetwijfeld de opbrengst van de jacht in ruil. De oudheidkundigen zijn overtuigd,
-dat een verbazend lange tijd moet zijn verloopen vóór onze voorouders op het denkbeeld
-kwamen, hun ruw bewerkte vuursteenen werktuigen te slijpen en te polijsten. <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>Het valt moeielijk te betwijfelen, dat een op een mensch gelijkend dier, dat in het
-bezit was van een hand en arm, volkomen genoeg om een steen met juistheid te werpen
-of een vuursteen in een ruw werktuig te vervormen, als het zich voldoende oefende,
-bijna alles zou kunnen maken, voor zoover daarvoor slechts werktuigelijke behendigheid
-wordt vereischt, wat een beschaafd man kan maken. In dit opzicht zou men het maaksel
-der hand kunnen vergelijken met dat der stemorganen, welke bij de apen worden gebruikt
-tot het voortbrengen van verschillende signaalkreten, of, zooals bij één soort, van
-muzikale tonen, terwijl bij den mensch geheel overeenkomstige stemorganen door de
-overgeërfde gevolgen van het gebruik geschikt zijn geworden tot het voortbrengen van
-een gearticuleerde spraak.
-</p>
-<p>Als wij ons nu wenden tot die dieren, welke het nauwst met den mensch verwant zijn
-en ons daarom het best een voorstelling geven van onze vroege voorouders, dan vinden
-wij, dat bij de apen de handen volgens het zelfde algemeene model gebouwd zijn als
-bij ons, maar dat zij veel minder volkomen ingericht zijn voor verschillende gebruiken.
-Hun handen zijn minder goed geschikt om te loopen dan de pooten van een hond, zooals
-men kan zien aan die apen, welke op den buitenrand van de inwendige vlakte hunner
-handen, of op de knokkels van hun omgebogen vingers loopen, zooals de chimpanzee en
-orang.<a class="noteRef" id="xd31e3197src" href="#xd31e3197">64</a> Hun handen zijn echter bewonderenswaardig goed geschikt om de boomen te beklimmen.
-De apen grijpen dunne takken of touwen met den duim aan de eene zijde en de vingers
-en de binnenvlakte der hand aan de andere zijde, evenals wij zulks doen. Zij kunnen
-evenzoo ook tamelijk dikke voorwerpen, zooals den hals eener flesch, naar den bek
-brengen. De bavianen keeren met hun handen steenen om en graven er wortels mede op.
-Zij pakken noten, insekten en andere kleine voorwerpen tusschen hun duim en vingers
-en halen ongetwijfeld op de zelfde wijze eieren en de jongen uit de nesten der vogels.
-De Amerikaansche apen slaan de wilde oranjeappelen tegen de takken, tot de schil barst,
-en pellen die dan met de vingers van beide handen af. Andere apen openen mosselschelpen
-met hun beide duimen. Met hun vingers trekken zij dorens en stekels uit en maken zij
-jacht op elkanders luizen.
-</p>
-<p>In den natuurstaat breken zij harde vruchten met behulp van steenen. Zij rollen steenen
-naar beneden, of werpen daarmede naar hun vijanden; <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>zij volbrengen echter deze verschillende handelingen hoogst onhandig, en zij zijn,
-zoo als ik zelf heb gezien, volstrekt niet in staat om een steen met juistheid te
-werpen.<a class="noteRef" id="xd31e3207src" href="#xd31e3207">65</a>
-</p>
-<p>Het schijnt mij verre van waar, dat, omdat „de voorwerpen door apen op onhandige wijze
-worden aangegrepen, een veel minder volkomen grijpwerktuig” hun evenveel dienst zou
-hebben bewezen, als hun tegenwoordige handen. Van den anderen kant zie ik geen reden
-om te twijfelen, dat een op meer volkomen wijze ingerichte hand voordeelig voor hen
-zou zijn geweest, mits, en het is belangrijk dit aan te teekenen, hun handen daardoor
-niet minder geschikt werden gemaakt om in de boomen te klimmen. Wij mogen vermoeden,
-dat een volmaakte hand nadeelig voor het klimmen zou zijn geweest, daar die apen,
-welke het meest uitsluitend in de boomen leven, namelijk Ateles in Amerika en Hylobates
-in Azië, hetzij zeer verkleinde en zelfs rudimentaire duimen, of gedeeltelijk samengegroeide
-vingers hebben, zoodat hun handen in eenvoudige grijphaken zijn veranderd.<a class="noteRef" id="xd31e3215src" href="#xd31e3215">66</a>
-</p>
-<p>Zoodra het eene of andere voormalige lid van de groote reeks der Primaten er door
-een verandering in zijn wijze om zich voedsel te verschaffen of door een verandering
-in den toestand van zijn geboorteland toe kwam om wat minder in de boomen en wat meer
-op den grond te leven, moest zijn manier van loopen worden gewijzigd, en in dit geval
-moest hij hetzij meer volkomen viervoetig of tweevoetig worden. De bavianen bezoeken
-dikwijls heuvelachtige en rotsachtige landstreken en beklimmen alleen uit noodzakelijkheid
-hooge boomen<a class="noteRef" id="xd31e3231src" href="#xd31e3231">67</a>; en zij hebben bijna den gang van een hond verkregen. De mensch alleen is tweevoetig
-geworden, en wij kunnen, dunkt mij, gedeeltelijk nagaan, hoe hij zijn opgerichten
-gang heeft verkregen, die een der meest aanmerkelijke verschillen tusschen hem en
-zijn naaste verwanten vormt. De mensch zou zijn tegenwoordige heerschersplaats in
-de wereld niet hebben kunnen verkrijgen zonder het gebruik zijner handen, die zoo
-bewonderenswaardig geschikt zijn om de bevelen van zijn wil <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>uit te voeren. Zooals Sir G. Bell opmerkt, „vervangt de hand alle werktuigen en geeft
-door haar gemeenschap met het verstand den mensch heerschappij over alles.”<a class="noteRef" id="xd31e3239src" href="#xd31e3239">68</a> De handen en armen konden echter moeilijk volmaakt genoeg worden om er wapenen mede
-te vervaardigen, of om er steenen en speren met juistheid mede naar een doelwit te
-werpen, zoolang zij gewoonlijk werden gebruikt om op te loopen en het geheele gewicht
-van het lichaam te dragen, of zoolang zij, zooals reeds hierboven opgemerkt is, voornamelijk
-waren ingericht om goed in de boomen te klimmen. Zulk een ruwe behandeling zou ook
-het tastgevoel hebben verstompt, waarvan hun fijner gebruik grootendeels afhangt.
-Om deze oorzaken alleen zou het reeds een voordeel voor den mensch zijn geweest om
-een tweevoetig dier te zijn geworden, maar voor vele handelingen is het bijna noodzakelijk,
-dat beide armen en het geheele lichaam vrij zijn, en daarvoor moest hij stevig op
-zijn voeten staan. Om dit groote voordeel te verkrijgen, zijn de voeten plat gemaakt
-en heeft de groote teen een bijzondere wijziging ondergaan, hoewel dit het verlies
-van het grijpvermogen ten gevolge heeft gehad. Het is overeenkomstig het beginsel
-van de verdeeling van den physiologischen arbeid, dat in het geheele dierenrijk heerscht,
-dat, toen de handen zich tot volmaakte grijptuigen ontwikkelden, de voeten zich ontwikkelden
-tot volmaakte werktuigen om op te staan<span id="xd31e3248"></span> en te loopen. Bij sommige wilden heeft de voet echter zijn grijpvermogen nog niet
-geheel verloren, zooals blijkt uit hun wijzen om boomen te beklimmen en uit andere
-doeleinden, waartoe zij hun voeten gebruiken.<a class="noteRef" id="xd31e3250src" href="#xd31e3250">69</a> <b>(<a href="#en2.8" id="en2.8src">8</a>)</b>
-</p>
-<p>Als het een voordeel is voor den mensch zijn handen en armen vrij te hebben en stevig
-op zijn voeten te staan, en dit kan niet betwijfeld worden wegens den uitnemenden
-uitslag, waarmede hij den strijd om het leven heeft gestreden, dan kan ik geen reden
-zien, waarom het voor de voorouders van den mensch niet voordeelig zou zijn geweest
-om meer en meer rechtopgaand of tweevoetig te worden. Zij zouden daardoor geschikter
-zijn geworden om zich met steenen of knuppels te <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>verdedigen, om hun prooi aan te vallen, of op andere wijze voedsel te verkrijgen.
-De best gebouwde individu’s zouden op den langen duur het best zijn geslaagd en in
-grooter aantal zijn blijven leven. Als de gorilla en eenige weinige verwante vormen
-waren uitgestorven, zou men met groote kracht en schijnbare waarheid hebben kunnen
-aanvoeren, dat een viervoetig dier niet trapsgewijze in een tweevoetig kon zijn veranderd,
-daar alle individu’s in een tusschen die beiden instaanden toestand allerellendigst
-slecht ingericht zouden zijn geweest voor het loopen. Wij weten echter, en dit is
-wel waard om er eens over na te denken, dat verschillende soorten van apen tegenwoordig
-in dien tusschenliggenden toestand verkeeren, en niemand betwijfelt, dat zij over
-het geheel goed zijn ingericht voor de voorwaarden waaronder zij leven. Zoo loopt
-de gorilla met een zijdelings wankelenden gang; maar gewoonlijk rust hij bij het loopen
-op zijn gesloten handen. De langarmige apen gebruiken soms hun armen als krukken,
-en slingeren hun lichaam tusschen dezelve vooruit, en sommige soorten van Hylobates
-kunnen, zonder het te hebben geleerd, tamelijk snel rechtop loopen. Zij bewegen zich
-echter onhandig en met veel minder zekerheid dan de mensch. Wij zien, om kort te gaan,
-bij de tegenwoordig levende apen verschillende overgangen tusschen een wijze van loopen,
-volkomen gelijk aan die van een viervoetig dier, en die van een tweevoetig dier of
-mensch. Toen de voorouders van den mensch rechtopgaande werden, doordat hun handen
-en armen meer en meer werden gewijzigd om te grijpen en voor andere doeleinden, terwijl
-hun voeten en beenen tegelijkertijd werden gewijzigd om er goed op te kunnen staan
-en te loopen, moeten tallooze andere veranderingen van maaksel noodig zijn geweest.
-Zoo was het noodig, dat het bekken werd verbreed, dat de ruggegraat op bijzondere
-wijze gekromd <b>(<a href="#en2.9" id="en2.9src">9</a>)</b> en het hoofd in een gewijzigde stelling werd bevestigd, en al deze veranderingen
-heeft de mensch verkregen. Prof. Schaaffhausen<a class="noteRef" id="xd31e3279src" href="#xd31e3279">70</a> beweert, dat „de sterk ontwikkelde tepelvormige uitsteeksels van den menschelijken
-schedel het gevolg zijn van zijn rechtopgaande houding”; en deze uitsteeksels ontbreken
-bij den orang, chimpanzee, enz., terwijl zij bij den gorilla kleiner zijn dan bij
-den mensch. Er zouden hier nog verscheidene andere inrichtingen kunnen worden opgegeven
-die in verband schijnen te staan met ’s menschen <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>rechtopgaande houding. Het is zeer moeielijk te beslissen, in hoeverre al deze met
-elkander in verband staande wijzigingen het gevolg der natuurlijke teeltkeus, en in
-hoeverre zij dat van de overgeërfde gevolgen van het vermeerderde gebruik van een
-dezer deelen of van de werking van het eene deel op het andere zijn. Ongetwijfeld
-werken deze oorzaken van verandering op elkander terug. Wanneer b.v. zekere spieren
-en de uitsteeksels der beenderen waaraan zij zijn bevestigd, door voortdurend gebruik
-worden vergroot, dan bewijst dit, dat zekere handelingen voortdurend worden volbracht
-en voordeel moeten aanbrengen. Daardoor zouden de individu’s, die ze het best volbrachten,
-kans hebben in grooter aantal te blijven leven.
-</p>
-<p>Het vrij gebruiken van armen en handen, gedeeltelijk de oorzaak en gedeeltelijk het
-gevolg van ’s menschen rechtopgaande houding, schijnt op indirecte wijze aanleiding
-te hebben gegeven tot andere wijzigingen in zijn maaksel<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De vroege mannelijke voorouders van den mensch waren, zooals hierboven is aangetoond,
-waarschijnlijk voorzien van groote hondstanden; maar toen zij langzamerhand de gewoonte
-verkregen om bij het bestrijden hunner vijanden van steenen, knuppels en andere wapenen
-gebruik te maken, moeten zij hun kaken en tanden al minder en minder hebben gebruikt.
-Uit tallooze overeenkomstige gevallen mogen wij met zekerheid afleiden, dat in dit
-geval de kaken en tegelijkertijd de tanden in grootte moeten zijn afgenomen. In een
-volgend hoofdstuk zullen wij een geheel gelijksoortig geval ontmoeten in de verkleining
-of volkomene verdwijning der hondstanden bij mannelijke herkauwende dieren, klaarblijkelijk
-in verband met de ontwikkeling hunner horens; en bij paarden in verband met hun gewoonte
-om met hun snijtanden en hoeven te vechten.
-</p>
-<p>Bij de volwassen mannetjes der anthropomorphe apen zijn, zooals Rütimeijer<a class="noteRef" id="xd31e3299src" href="#xd31e3299">71</a> en anderen hebben aangetoond, de vorm van den schedel, waardoor deze in vele opzichten
-van dien van den mensch afwijkt, en de werkelijk vreesaanjagende uitdrukking, waardoor
-hij zich onderscheidt, juist het gevolg van de groote ontwikkeling der kauwspieren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Toen de kaken en tanden der voorouders van den mensch allengs in grootte afnamen,
-moet derhalve hun volwassen schedel omtrent de zelfde kenmerken hebben vertoond, waardoor
-hij zich bij de jongen der anthropomorphe apen onderscheidt, en moet aldus een grootere
-gelijkenis met <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>dien der tegenwoordig levende menschen hebben verkregen. Een aanmerkelijke verkleining
-van de hondstanden bij de mannetjes zou, zooals wij later zullen zien, bijna zeker
-door overerving invloed hebben gehad op de tanden der wijfjes.
-</p>
-<p>Toen de verschillende geestvermogens trapsgewijze werden ontwikkeld, is het bijna
-zeker, dat ook de hersenen in grootte zijn toegenomen. Niemand betwijfelt, geloof
-ik, dat de groote omvang van de hersenen bij den mensch met betrekking tot zijn lichaam
-in vergelijking daarvan bij den gorilla of orang in nauw verband staat met zijn hoogere
-geestvermogens. Wij ontmoeten geheel overeenkomstige feiten bij de insekten, onder
-welke de hersengangliën bij de mieren van buitengewone afmetingen zijn, terwijl deze
-gangliën bij al de Hymenoptera verscheidene malen grooter zijn dan bij de verstandelijk
-slechter bedeelde orden, zooals de kevers.<a class="noteRef" id="xd31e3313src" href="#xd31e3313">72</a> Van den anderen kant veronderstelt niemand, dat het verstand van twee verschillende
-dieren of van twee verschillende menschen nauwkeurig kan worden afgemeten naar den
-kubieken inhoud van hun schedels. Het is zeker, dat buitengewone geestelijke bedrijvigheid
-samen kan gaan met een uiterst kleine absolute hoeveelheid zenuwzelfstandigheid. Zoo
-zijn de verwonderlijk verschillende instinkten, geestvermogens en gemoedsbewegingen
-der mieren algemeen bekend, en toch zijn hun hersengangliën niet zoo groot als het
-vierde gedeelte van een kleinen speldekop. Uit dit laatste oogpunt behooren de hersenen
-van een mier tot de verwonderlijkste stof-atomen der wereld en zijn zij wellicht nog
-verwonderlijker dan de hersenen van den mensch.
-</p>
-<p>De meening, dat er bij den mensch de eene of andere nauwe betrekking bestaat tusschen
-de grootte der hersenen en de ontwikkeling der verstandelijke vermogens, wordt ondersteund
-door de vergelijking der schedels van wilde en beschaafde rassen, van menschen, die
-in oudere of nieuwere tijden leefden, en door de analogie van de geheele reeks der
-gewervelde dieren. Dr. J. Barnard Davids<a class="noteRef" id="xd31e3327src" href="#xd31e3327">73</a> heeft door vele zorgvuldige metingen bewezen, dat de gemiddelde inwendige inhoud
-van den schedel bij Europeanen 1512,44 kubiek centimeter, bij Amerikanen 1433,25 kubiek
-centimeter, bij Aziaten 1426,69 kubiek centimeter en bij Australiërs slechts 1341,52
-kubiek centimeter is. Professor Broca<a class="noteRef" id="xd31e3333src" href="#xd31e3333">74</a> <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>vond, dat de inhoud van schedels uit Parijsche graven van de negentiende eeuw zich
-verhield tot dien van schedels uit grafkelders van de twaalfde eeuw als 1484 tot 1426;
-en Prichard is overtuigd, dat de tegenwoordige bewoners van Groot-Brittannië „veel
-ruimer hersenkassen” bezitten, dan de oude bewoners. Men moet echter aannemen, dat
-sommige schedels van zeer hoogen ouderdom, zooals de beroemde Neanderdalschedel, goed
-ontwikkeld en ruim van inhoud waren.<a class="noteRef" id="xd31e3344src" href="#xd31e3344">75</a> <b>(<a href="#en2.10" id="en2.10src">10</a>)</b> Ten opzichte van de lagere dieren is E. Lartet<a class="noteRef" id="xd31e3354src" href="#xd31e3354">76</a>, door de schedels van tot de zelfde groepen behoorende tertiaire en hedendaagsche
-dieren met elkander te vergelijken, tot het opmerkelijke resultaat gekomen, dat de
-hersenen over het algemeen grooter en de hersenwindingen ingewikkelder zijn bij de
-jongere vormen. <b>(<a href="#en2.11" id="en2.11src">11</a>)</b> Van den anderen kant heb ik aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e3366src" href="#xd31e3366">77</a>, dat de hersenen van tamme konijnen aanmerkelijk in grootte zijn afgenomen in vergelijking
-van die van het wilde konijn of van den haas, en dit kan daaraan worden toegeschreven,
-dat zij gedurende vele generaties eng zijn opgesloten geweest, zoodat zij hun verstand,
-instinkten, zinnen en willekeurige bewegingen slechts weinig hebben geoefend.
-</p>
-<p>De trapsgewijze vermeerdering van het gewicht van hersenen en schedel bij den mensch
-moet invloed hebben uitgeoefend op de hen dragende wervelkolom, vooral terwijl hij
-bezig<span id="xd31e3372"></span> was den opgerichten stand aan te nemen. Toen deze verandering van houding tot stand
-was gekomen, zal ook de inwendige drukking der hersenen invloed hebben uitgeoefend
-op den vorm van den schedel; want vele feiten bewijzen, hoe gemakkelijk de schedel
-aldus wordt aangedaan. De ethnologen beweren, dat hij wordt gewijzigd door de soort
-van wieg, waarin het kind slaapt. Er bestaan voorbeelden van, dat de aangezichtsbeenderen
-blijvende <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>wijzigingen hebben ondergaan ten gevolge van zich dikwijls herhalende spierkrampen
-en van een door een sterke brandwond veroorzaakt litteeken. Bij jonge personen wier
-hoofden door ziekte een zijdelingsche of achterwaartsche houding hadden aangenomen,
-veranderde een der oogen van stelling en werden de schedelbeenderen gewijzigd, en
-dit is blijkbaar het gevolg daarvan, dat de hersenen in een nieuwe richting drukten.<a class="noteRef" id="xd31e3376src" href="#xd31e3376">78</a> Ik heb aangetoond, dat bij langoorige konijnen zelfs een zoo geringe oorzaak als
-het naar voren hangen van het eene oor aan die zijde bijna elk been van den schedel
-naar voren trekt, zoodat de beenderen der tegenovergestelde zijden van den kop niet
-meer volkomen overeenstemmen. Wanneer eindelijk het eene of andere dier veel in algemeene
-lichaamsgrootte toe- of afnam, zonder eenige verandering in zijn geestvermogens; of
-wanneer de geestvermogens veel toe of afnamen zonder de minste groote verandering
-in de lichaamsgrootte, zou de vorm van den schedel bijna zeker verandering ondergaan.
-Ik leid dit af uit mijn waarnemingen omtrent tamme konijnen, waarvan sommige rassen
-veel grooter zijn geworden dan het wilde dier, terwijl andere ongeveer de zelfde grootte
-hebben behouden; maar in beide gevallen zijn de hersenen veel kleiner geworden in
-verhouding tot de lichaamsgrootte. Nu was ik eerst zeer verwonderd te vinden, dat
-bij al deze konijnen de schedel meer langwerpig of dolichocephaal was geworden; zoo
-was bij voorbeeld bij twee schedels van ongeveer de zelfde breedte, de eene van een
-wild konijn en de andere van een groot tam ras, de eerste slechts 8 en de tweede 10,9
-centimeter lang.<a class="noteRef" id="xd31e3385src" href="#xd31e3385">79</a> Een der sterkst uitgedrukte verschillen tusschen onderscheidene menschenrassen is,
-dat de schedel bij sommige verlengd en bij andere rond is; en hier kan de verklaring,
-in het geval der konijnen gegeven, gedeeltelijk gelden; want Welcker vindt, dat „korte
-menschen meer tot brachycephalie en lange meer tot dolichocephalie overhellen<a class="noteRef" id="xd31e3394src" href="#xd31e3394">80</a>; en lange menschen kunnen met de grootere <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>en een langer lichaam bezittende konijnen worden vergeleken, die allen meer langwerpige
-schedels hebben, met andere woorden dolichocephaal zijn.
-</p>
-<p>Uit deze onderscheidene feiten kunnen wij tot zekere hoogte begrijpen, op welke wijze
-de mensch de bijzondere grootte en een meer of min afgeronden vorm van den schedel
-heeft verkregen; en deze eigenschappen kenmerken hem bij uitnemendheid in vergelijking
-van de lagere dieren.
-</p>
-<p>Een ander zeer in ’t oog vallend verschil tusschen den mensch en de lagere dieren
-is de onbehaardheid der huid. De walvisschen en dolfijnen (Cetacea), de dugongs en
-lamantijnen (Sirenia) en het rivierpaard (Hippopotamus) zijn onbehaard; dit is hun
-wellicht voordeelig bij het in het water glijden; en kan hun niet nadeelig zijn wegens
-het verlies van warmte, daar de soorten die koudere streken bewonen, door een dikke
-speklaag worden beschermd, die tot het zelfde doel dient als de pels van zeehonden
-en otters. Olifanten en neushoorns hebben bijna geen haar; en daar sommige uitgestorven
-soorten die vroeger in een poolklimaat woonden, met lange wol of haar waren bedekt
-<b>(<a href="#en2.12" id="en2.12src">12</a>)</b>, zou het bijna schijnen, dat de bestaande soorten van beide geslachten hun harige
-bekleeding ten gevolge van de blootstelling aan de warmte hadden verloren. Dit is
-des te waarschijnlijker, daar in Indië de olifanten, die in hooge en koele streken
-wonen, sterker behaard zijn dan in de laaglanden.<a class="noteRef" id="xd31e3412src" href="#xd31e3412">81</a> Mogen wij dus het gevolg trekken, dat de mensch zijn lichaamsharen verloor, omdat
-hij oorspronkelijk een of ander tropische gewest bewoonde? Het feit, dat het haar
-bij de mannelijke sekse vooral op de borst en het gelaat, en bij beide seksen op de
-plaatsen waar de vier ledematen zich met den romp vereenigen, bewaard is gebleven,
-ondersteunt deze gevolgtrekking, wanneer men aanneemt dat het haar werd verloren,
-voordat de mensch den opgerichten stand aannam; want de deelen die nu het sterkst
-zijn behaard, zouden toen het meest tegen de zonnewarmte beschut zijn geweest. De
-kruin van het hoofd maakt echter een merkwaardige uitzondering, want ten allen tijde
-moet deze een der meest blootgestelde deelen zijn geweest, en toch is zij dicht met
-haar begroeid. In dit opzicht komt de mensch met de groote meerderheid der viervoetige
-dieren overeen, bij welke over het algemeen de bovenste en blootgestelde oppervlakte
-dikker behaard is dan de onderste oppervlakte. Het feit, dat de andere leden <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>van de orde der Primaten, waartoe de mensch behoort, hoewel zij verschillende warme
-streken bewonen, goed met haar zijn bekleed, dat over het algemeen het dikst is op
-de bovenste oppervlakte<a class="noteRef" id="xd31e3420src" href="#xd31e3420">82</a>, is echter zeer in tegenspraak met de onderstelling, dat de mensch zijn haar door
-de werking van de zon heeft verloren. De heer Belt meent<a class="noteRef" id="xd31e3433src" href="#xd31e3433">83</a>, dat het tusschen de keerkringen een voordeel voor den mensch is onbehaard te zijn,
-omdat hij daardoor in staat is zich te bevrijden van een menigte teken (acari) en
-andere parasieten, waardoor hij dikwijls wordt gekweld en die soms zweren veroorzaken.
-Of echter dit kwaad groot genoeg is om door natuurlijke teeltkeus tot ontblooting
-van zijn lichaam te hebben geleid, mag worden betwijfeld, omdat zich bij geen van
-de vele zoogdieren die de keerkringsgewesten bewonen, eenig bijzonder middel tot bescherming
-daartegen heeft ontwikkeld. De meening, die mij het waarschijnlijkste voorkomt, is,
-dat de mensch<span class="corr" title="Bron: .">,</span> of liever oorspronkelijk de vrouw, van haren werd ontbloot met het doel om zijn schoonheid
-te verhoogen, en wanneer men dit aanneemt, is het niet te verwonderen, dat de mensch
-zoozeer in behaardheid verschilt van al zijn lagere broeders, want kenmerken, die
-ten gevolge van seksueele teeltkeus zijn verkregen, verschillen soms bij zeer nauw
-verwante soorten in buitengewone mate.
-</p>
-<p>Volgens een algemeen volksgeloof onderscheidt de mensch zich van de dieren vooral
-door het gemis van een staart; maar daar de apen welke het naast met den mensch verwant
-zijn, dit orgaan niet bezitten, behoeven wij dat gemis hier eigenlijk niet te bespreken.
-Het kan echter geen kwaad om te erkennen, dat er, voor zooverre mij bekend is, nog
-nooit een verklaring is gegeven van het verlies van den staart door sommige apen en
-den mensch<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wij behoeven ons nochtans over dit verlies niet te verwonderen; want de staart verschilt
-soms merkwaardig veel <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>in lengte bij soorten van één en het zelfde geslacht; zoo is bij sommige soorten van
-Macacus de staart langer dan het geheele lichaam en bestaat uit vier-en-twintig wervels;
-bij andere bestaat hij uit een <span class="corr" id="xd31e3452" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> zichtbare stomp, die slechts drie of vier wervels bevat. Bij sommige soorten van
-bavianen zijn er vijf-en-twintig, doch bij den mandril slechts tien, of volgens Cuvier<a class="noteRef" id="xd31e3455src" href="#xd31e3455">84</a> soms slechts vijf zeer kleine, slecht ontwikkelde staartwervels. De staart wordt
-bijna altijd aan het einde dunner, hetzij hij lang of kort is; en dit wordt, naar
-ik onderstel, veroorzaakt door atrophie ten gevolge van onbruik van de spieren van
-het einde met hun slagaderen en zenuwen, die de atrophie van de laatste staart beentjes
-met zich sleept. Geen verklaring kan echter op het oogenblik nog worden gegeven van
-de groote verschillen in lengte, die men bij den staart opmerkt. Hier hebben wij echter
-meer in het bijzonder te maken met het geheel en al verdwijnen van den uitwendigen
-staart. Prof. Broca heeft onlangs aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e3472src" href="#xd31e3472">85</a>, dat de staart bij alle viervoetige dieren uit twee deelen bestaat, over het algemeen
-scherp van elkander gescheiden. Het basale gedeelte bestaat uit wervels, meer of minder
-van een kanaal en van uitsteeksels voorzien, evenals gewone wervels; terwijl die van
-het achterste gedeelte geen kanaal bezitten, bijna glad zijn en nauwelijks op gewone
-wervels gelijken. Een staart, hoewel niet uitwendig zichtbaar, is werkelijk aanwezig
-bij den mensch en de anthropomorphe apen en is bij beiden volkomen volgens het zelfde
-model gemaakt. In het achterste gedeelte zijn de wervels die het koekoeksbeen (<i>os coccyx</i>) vormen, geheel rudimentair en zeer verminderd in grootte en aantal. In het basale
-gedeelte zijn de wervels eveneens weinig in getal, stevig met elkander verbonden,
-en zijn in ontwikkeling blijven stilstaan, maar zij zijn veel breeder en platter dan
-de overeenkomstige wervels in de staarten van andere dieren; zij vormen, wat Broca
-noemt de bijkomende wervels van het heiligbeen. Deze zijn belangrijk voor het organisme,
-doordat zij sommige inwendige deelen steunen en om meer andere redenen; en hun wijziging
-staat in rechtstreeksch verband met de opgerichte of half-opgerichte houding van den
-mensch en de anthropomorphe apen. Dit besluit verdient des te meer vertrouwen, omdat
-Broca vroeger van een andere meening was, die hij <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>nu heeft opgegeven. De wijziging van de basale staartwervels bij den mensch en de
-hoogere apen kan dus direct of indirect een gevolg zijn geweest van natuurlijke teeltkeus.
-</p>
-<p>Wat moeten wij echter zeggen van de rudimentaire en zeer variabele wervels van het
-achterste gedeelte van den staart, die het koekoeksbeen (<i>os coccyx</i>) vormen? Een verklaring, die dikwijls belachelijk is gemaakt, en zulks ongetwijfeld
-weder zal worden, namelijk, dat wrijving iets heeft te maken met het verdwijnen van
-het uitwendige gedeelte van den staart, is niet zoo belachelijk, als zij op het eerste
-gezicht schijnt. Dr. Anderson<a class="noteRef" id="xd31e3490src" href="#xd31e3490">86</a> zegt, dat de <span class="corr" id="xd31e3496" title="Bron: uiterste">uiterst</span> korte staart van <i>Macacus brunneus</i> uit elf wervels bestaat, met inbegrip van de inwendig gelegen basale. Het uiteinde
-is peesachtig en bevat geen wervels; hierop volgen vijf rudimentaire wervels, zoo
-klein, dat zij te zamen nog geen 4 millimeter lang zijn, en deze zijn bestendig naar
-den eenen kant gebogen in den vorm van een haak. Het vrije gedeelte van den staart,
-slechts weinig meer dan 2½ centimeter lang, bevat nog slechts vier andere kleine wervels
-meer. Deze korte staart wordt opgericht gedragen, maar omstreeks een vierde van zijn
-geheele lengte is om zich zelf naar den linkerkant omgebogen en dit eindgedeelte,
-dat de haakvormige wervels insluit, dient „om de tusschenruimte tusschen het bovenste
-divergeerende gedeelte van de eeltplekken op te vullen”, zoodat het dier er op zit
-en het daardoor ruw en eeltachtig maakt. Dr. Anderson vat zijn waarnemingen als volgt
-samen: „Deze feiten schijnen mij slechts ééne verklaring toe te laten: deze staart
-zit wegens zijn kortheid den aap in den weg als hij zit, en komt dikwijls onder het
-dier te liggen als het in die houding is, en daar hij zich niet verder uitstrekt dan
-het uiteinde van de knobbels van het zitbeen, schijnt het alsof de staart oorspronkelijk
-door den wil van het dier was rondgebogen in de tusschenruimte tusschen de eeltplekken,
-opdat hij niet zou worden gedrukt tusschen deze en den grond, en dat na verloop van
-tijd <span class="corr" id="xd31e3501" title="Bron: ds">de</span> buiging blijvend werd, zich van zelf invoegende als het toevallig gebeurde, dat het
-dier op dat orgaan ging zitten.” Onder deze omstandigheden is het niet te verwonderen,
-dat de oppervlakte van den staart ruw en eeltachtig is geworden; en <span class="corr" id="xd31e3505" title="Bron: dr.">Dr.</span> Murie, die in den Londenschen dierentuin deze soort, zoowel als drie andere nauw
-verwante met een weinig langere staarten zorgvuldig waarnam, zegt, dat wanneer het
-dier zit, de <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>staart „noodzakelijk naar ééne zijde van de billen wordt gekromd; en dat, hetzij hij
-lang of kort is, de wortel kans loopt om te worden gewreven of beschadigd.” Daar wij
-tegenwoordig bewijzen hebben dat verminkingen somtijds erfelijke gevolgen hebben,
-is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat bij kortgestaarte apen het uitstekende gedeelte
-van den staart, geen nut voor het organisme hebbende, na vele generaties rudimentair
-en krom is geworden, omdat het voortdurend gewreven en beschadigd werd. Wij zien het
-uitstekende gedeelte van den staart in dezen toestand bij den <i>Macacus brunneus</i>, en volkomen verdwenen bij <i>Macacus ecaudatus</i> en onderscheidene hoogere apen. Ten slotte dan: de staart is, voor zoover wij kunnen
-beoordeelen, verdwenen bij den mensch en de hoogere apen, omdat het achterste gedeelte
-gedurende een lang tijdsverloop door wrijving beschadigd is, terwijl het basale en
-inwendige gedeelte zoodanig verkort en gewijzigd is, dat het geschikt werd voor de
-opgerichte of halfopgerichte houding.
-</p>
-<p>Ik heb nu trachten aan te toonen, dat sommigen der meest eigenaardige kenmerken van
-den mensch waarschijnlijk geheel en al, hetzij op directe, of veelvuldiger op indirecte
-wijze, door natuurlijke teeltkeus zijn verkregen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wij moeten ons herinneren, dat wijzigingen in maaksel of gestel, die een organisme
-niet dienen om het geschikt te maken voor zijn levensgewoonten, voor het voedsel dat
-het verteert, of lijdelijk voor de levensvoorwaarden waaraan het is onderworpen, niet
-op die wijze kunnen zijn verkregen. Wij moeten echter niet te veel op ons eigen oordeel
-vertrouwen bij het beslissen, welke wijzigingen voor elk wezen voordeelig zijn: wij
-moeten bedenken, hoe weinig wij weten van het gebruik van vele deelen, of welke veranderingen
-in het bloed of in de weefsels kunnen dienen om een organisme geschikt te maken voor
-een nieuw klimaat of de eene of andere nieuwe soort van voedsel. Ook moeten wij het
-beginsel van correlatie niet vergeten, waardoor, zooals Isidore Geoffroy in het geval
-van den mensch heeft aangetoond, vele vreemde afwijkingen in maaksel met elkander
-verbonden zijn. Onafhankelijk van de correlatie, veroorzaakt een verandering in een
-deel door het vermeerderd of verminderd gebruik van andere deelen andere veranderingen
-van geheel onverwachten aard. Het is ook goed, na te denken over zulke feiten, als
-den verwonderlijken groei van galnoten op planten, veroorzaakt door het vergif van
-insekten; en over de merkwaardige kleurveranderingen van de vederen van <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>papegaaien, als zij met sommige visschen worden gevoed, of met het vergif van padden
-<span class="corr" id="xd31e3520" title="Bron: wo rden">worden</span> ingeënt<a class="noteRef" id="xd31e3523src" href="#xd31e3523">87</a>; want wij kunnen daardoor zien, dat de vloeistoffen van het organisme, als zij door
-de eene of andere bijzondere oorzaak zijn gewijzigd, andere vreemde veranderingen
-kunnen veroorzaken. Wij moeten vooral steeds bedenken, dat wijzigingen, in vroegere
-tijden verkregen en voortdurend gebruikt voor het eene of andere nuttige doel, waarschijnlijk
-zeer standvastig en gedurende langen tijd moesten worden overgeërfd.
-</p>
-<p>Men mag op die wijze gerust een zeer groote en onbepaalde uitbreiding geven aan de
-directe en indirecte gevolgen der natuurlijke teeltkeus; maar tegenwoordig, na de
-verhandeling van Nägeli over planten en de opmerkingen van verschillende schrijvers
-ten opzichte van dieren, vooral die welke onlangs door Professor Broca gemaakt zijn,
-te hebben gelezen, neem ik aan, dat ik in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan der
-Soorten”, waarschijnlijk te veel toeschreef aan de natuurlijke teeltkeus of het overleven
-van de meest geschikten. Ik had vroeger niet genoeg gelet op het bestaan van vele
-deelen, die, voor zooverre wij er over kunnen oordeelen, noch voor- noch nadeelig
-schijnen te zijn, en ik geloof, dat dit een der grootste misslagen is, die tot dusverre
-in mijn werk zijn ontdekt. Het moge mij veroorloofd zijn eenigermate als verontschuldiging
-te zeggen, dat ik twee verschillende zaken beoogde: ten eerste, om aan te toonen,
-dat de soorten niet elk afzonderlijk zijn geschapen, en ten tweede, dat de natuurlijke
-teeltkeus de voornaamste oorzaak der verandering was geweest, hoewel in hooge mate
-geholpen door de overgeërfde gevolgen van de gewoonte en in geringe mate door de rechtstreeksche
-werking der omringende toestanden. Ik was echter niet in staat om den invloed van
-mijn vroeger geloof, toen bijna algemeen aangenomen, dat elke soort opzettelijk was
-geschapen, geheel te niet te doen; en dit bracht mij er toe om aan te nemen, dat elke
-bijzonderheid van het maaksel, behalve de rudimentaire organen, eenig bijzonder, ofschoon
-onbekend, nut had. Iedereen, die met dit denkbeeld vervuld is, moet er natuurlijk
-toe komen de werking van de natuurlijke teeltkeus, hetzij gedurende vroegere of tegenwoordige
-tijden, te ver uit te breiden. Sommigen van hen die het beginsel van ontwikkeling
-aannemen, maar de natuurlijke teeltkeus verwerpen, schijnen bij het kritiseeren van
-mijn <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>boek te vergeten, dat ik de bovengemelde beide zaken beoogde; als ik dus heb gedwaald
-in het toekennen van groote macht aan de natuurlijke teeltkeus, hetgeen ik volstrekt
-niet geloof, of als ik de macht daarvan heb overdreven, hetgeen op zich zelf waarschijnlijk
-is, dan heb ik ten minste, hoop ik, een nuttig werk gedaan door het dogma der afzonderlijke
-scheppingen omver te helpen werpen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Dat alle organische wezens, met inbegrip van den mensch, vele wijzigingen van maaksel
-vertoonen die tegenwoordig voor hen van geen nut zijn en dit ook vroeger niet zijn
-geweest, is, zooals ik nu inzie, waarschijnlijk. Wij kennen de oorzaak niet, die tusschen
-de individu’s van iedere soort tallooze kleine verschillen voortbrengt; want het beginsel
-van atavisme brengt het vraagstuk slechts eenige weinige stappen achterwaarts, maar
-elke bijzonderheid moet haar eigen voortbrengende oorzaak hebben gehad. Indien deze
-oorzaken, welke zij ook mogen zijn geweest, eens gedurende een lang tijdvak eenvormiger
-en krachtiger werkten (en geen reden kan worden gegeven, waarom dit niet soms zou
-gebeuren), zouden waarschijnlijk niet eenvoudige individueele verschillen, maar sterk
-uitgesproken bestendige wijzigingen daarvan het gevolg zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wijzigingen die op geenerlei wijze voordeelig zijn, kunnen niet onveranderd zijn
-gehouden door natuurlijke teeltkeus, hoe wel nadeelige daardoor zouden zijn vernietigd.
-Onveranderlijkheid van kenmerken zou echter het natuurlijk gevolg zijn van het ondersteld
-niet-veranderen der voortbrengende oorzaken en eveneens van de vrije kruising van
-vele individu’s. Het zelfde organisme zou op die wijze gedurende opeenvolgende tijdperken
-opeenvolgende wijzigingen verkrijgen, en deze zouden in nagenoeg onveranderden staat
-worden overgeërfd, zoolang de voortbrengende oorzaken de zelfde bleven en de kruising
-vrij bleef. Ten opzichte der voortbrengende oorzaken kunnen wij alleen zeggen, wanneer
-wij b.v. van de zoogenaamde spontane veranderingen spreken, dat zij in veel nauwer
-betrekking staan met het gestel van het veranderde organisme dan met den aard der
-levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geweest.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Besluit.</i> Wij hebben in dit hoofdstuk gezien, dat evenals de mensch, gelijk elk ander dier,
-tegenwoordig onderhevig is aan menigvuldige individueele verschillen of kleine wijzigingen,
-zulks ook ongetwijfeld het geval is geweest met de vroege voorouders van den mensch,
-en dat die wijzigingen destijds het gevolg waren van de zelfde algemeene oorzaken
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>en onderworpen waren aan de zelfde algemeene en samengestelde wetten, als tegenwoordig.
-Daar bij alle dieren een streven bestaat om sterker te vermenigvuldigen dan hun middelen
-van bestaan toelaten, moet zulks ook het geval zijn geweest bij de voorouders van
-den mensch; en dit zal onvermijdelijk hebben geleid tot een strijd om het leven en
-tot natuurlijke teeltkeus<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Dit laatste proces moet zeer geholpen zijn door de overgeërfde gevolgen van het vermeerderd
-gebruik van deelen, daar deze beide processen onophoudelijk op elkander terugwerken.
-Het schijnt ook, zooals wij later zullen zien, dat verscheidene weinig belangrijke
-kenmerken door den mensch zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Er blijven
-nog eenige, wellicht vele, onverklaarde veranderingen over, die moeten worden toegeschreven
-aan de onderstelde voortdurende en onveranderde inwerking van die onbekende invloeden,
-welke nu en dan sterk uitgesproken en plotselinge afwijkingen van maaksel teweegbrengen
-bij onze kunstmatig gefokte huisdierrassen.
-</p>
-<p>Te oordeelen naar de gewoonten van de wilden en van de meeste apen, leidden de oorspronkelijke
-menschen en zelfs de op apen gelijkende voorouders van den mensch waarschijnlijk een
-gezellig leven. Bij streng sociale dieren werkt de natuurlijke teeltkeus soms indirect
-op het individu door het bewaard blijven van wijzigingen die slechts voor de geheele
-vereeniging nuttig zijn. Een vereeniging die een groot aantal goed begaafde individu’s
-bevat, neemt in getal toe en overwint andere, minder goed begaafde vereenigingen,
-hoewel elk afzonderlijk lid geen voordeel moge hebben boven de andere leden van die
-zelfde vereeniging. Door de sociale insekten zijn op die wijze vele merkwaardige deelen
-verkregen, die van weinig of geen nut zijn voor het individu en diens eigen kroost,
-zooals de toestel om stuifmeel te verzamelen of de angel van de werkbij of de groote
-kaken van de soldaten bij de mieren. Bij de hoogere sociale dieren is nog geen voorbeeld
-bekend, dat eenig deel alleen ten beste der vereeniging is gewijzigd, hoewel sommige
-haar secondair van dienst mogen zijn. De horens der herkauwende dieren en de grootste
-hondstanden der bavianen schijnen b.v. door de mannetjes te zijn verkregen als wapens
-bij den kampstrijd om de wijfjes, maar zij worden ook gebruikt tot verdediging van
-de kudde of den troep. Met sommige geestvermogens is het, zooals wij in het volgende
-hoofdstuk zullen zien, een geheel ander geval; want deze vermogens zijn voornamelijk,
-of zelfs uitsluitend, verkregen ten voordeele der vereeniging; terwijl de individu’s
-waaruit de vereeniging <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>bestond, daardoor tegelijkertijd indirect bevoordeeld werden.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Men heeft dikwijls tegen dergelijke beschouwingen als de voorgaande ingebracht, dat
-de mensch een der meest hulpelooze en van verdedigingsmiddelen ontbloote wezen is,
-die bestaan, en dat hij gedurende zijn vroegeren, minder goed ontwikkelden toestand
-nog hulpeloozer geweest zou moeten zijn. De Hertog van Argyll<a class="noteRef" id="xd31e3553src" href="#xd31e3553">88</a> beweert b.v. dat „de lichaamsbouw van den mensch van het maaksel der reddelooze dieren
-afgeweken is in de richting van grootere physische hulpeloosheid en zwakheid. Dat
-wil zeggen, het is een afwijking die het van alle andere het minst mogelijk is alleen
-toe te schrijven aan natuurlijke teeltkeus.” Als bewijzen daarvoor voert hij aan den
-naakten en onbeschermden toestand van het lichaam, de afwezigheid van groote tanden
-en klauwen voor de verdediging, de geringe spierkracht van den mensch, zijn langzaamheid
-in het loopen en zijn weinig ontwikkeld reukvermogen, waardoor hij voedsel moet ontdekken
-of gevaar vermijden. Bij deze onvolkomenheden zou nog kunnen worden gevoegd het nog
-gewichtiger verlies van het vermogen om snel in de boomen te klimmen en daardoor aan
-vijanden te ontsnappen. Als men nagaat, dat de Vuurlanders in hun ellendig klimaat
-naakt loopen, moet het verlies van het haar den oorspronkelijken mensch, als hij een
-warm land bewoonde, niet zeer nadeelig zijn geweest. Als wij den van verdedigingsmiddelen
-ontblooten mensch vergelijken met de apen, waarvan velen geduchte hondstanden hebben,
-moeten wij bedenken, dat deze in volkomen ontwikkelden toestand alleen door de mannetjes
-bezeten, en door deze voornamelijk worden gebruikt om hun mededingers te bevechten,
-en dat de wijfjes, die daarmede niet gewapend zijn, toch in staat zijn te blijven
-leven.
-</p>
-<p>Wat lichaamsgrootte en spierkracht aangaat, weten wij niet, of de mensch afstamt van
-deze of gene vergelijkenderwijs kleine soort, zooals de chimpanzee, of van zulk een
-groote en sterke als de gorilla; en wij kunnen daarom niet zeggen, of de mensch grooter
-en sterker, of kleiner en zwakker is geworden, in vergelijking zijner voorouders.
-Wij moeten echter bedenken, dat een dier, hetwelk een aanzienlijke lichaamsgrootte,
-kracht en woestheid bezat, en dat zich, evenals de gorilla, tegen alle vijanden kon
-verdedigen, waarschijnlijk, hoewel niet <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>noodzakelijk, geen gezellige levenswijze zou hebben aangenomen; en dit zou de krachtigste
-hinderpaal zijn geweest tegen de ontwikkeling van ’s menschen hoogere geestvermogens,
-zooals medegevoel en liefde voor zijn medeschepselen. Het kan daarom een zeer groot
-voordeel voor den mensch zijn geweest om uit een of ander vergelijkenderwijs zwak
-wezen te zijn ontstaan.
-</p>
-<p>De geringe spierkracht van den mensch, zijn langzame gang, zijn gebrek aan natuurlijke
-wapenen enz. worden meer dan opgewogen, ten eerste door zijn verstandelijke vermogens,
-met behulp waarvan hij, terwijl hij nog in den wilden <span class="corr" id="xd31e3563" title="Bron: toetand">toestand</span> bleef verkeeren, voor zich zelven wapenen, werktuigen, enz. vervaardigde, en ten
-tweeden door zijn sociale hoedanigheden, die veroorzaakten, dat hij zijn medemenschen
-hielp, en wederkeerig door hen werd geholpen. Geen land ter wereld bezit een grooter
-overvloed van gevaarlijke dieren dan Zuid-Afrika; geen land vertoont vreeselijker
-physische toestanden dan de Noordpoolstreken; toch houdt zich een der zwakste menschenrassen,
-de Bosjesmannen, in Zuid-Afrika staande, en doen de dwergachtige Eskimo’s het zelfde
-in de Noordpoolstreken. De vroege voorouders van den mensch deden ongetwijfeld in
-verstand en in aanleg voor het gezellige leven voor de minst ontwikkelden der tegenwoordige
-wilden onder; maar het is zeer goed te begrijpen, dat zij bleven bestaan en zelfs
-bloeiden, wanneer zij, terwijl zij trapsgewijze hun dierlijke kracht verloren, tegelijkertijd
-in verstand toenamen. Maar toegegeven, dat de voorouders van den mensch veel hulpeloozer
-en van verdedigingsmiddelen ontbloot waren dan een der thans levende stammen van wilden,
-dan zouden zij toch, wanneer zij het eene of andere warme vasteland of groote eiland,
-zooals Nieuw-Holland of Nieuw-Guinea, of Borneo (welk laatste eiland tegenwoordig
-het verblijf is van den orang) hadden bewoond, aan geen bijzonder gevaar zijn blootgesteld
-geweest. In een streek, zoo groot als een dezer eilanden, zou de wedijver tusschen
-de verschillende stammen onder gunstige omstandigheden voldoende zijn geweest om den
-mensch, door het overleven der geschiktsten, verbonden met de overgeërfde gevolgen
-van het gebruik, op te heffen tot zijn tegenwoordige hooge plaats op de ladder der
-wezens.
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span> </p>
-<div id="ch2n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e308">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en2.1" class="first">(<a href="#en2.1src">1</a>) Men zou nog eenige andere voorbeelden van kunstmatige teeltkeus bij den mensch kunnen
-aanhalen. Bij verscheidene stammen van Roodhuiden in Noord-Amerika heerscht de gewoonte
-om alle zwakke, ziekelijke of misvormde kinderen dadelijk na de geboorte te dooden,
-zoodat slechts de krachtige, gezonde en goedgevormde kinderen in leven blijven en
-zich later kunnen voortplanten. Krijgshaftigheid en krachtige lichamelijke ontwikkeling
-is het gevolg hiervan. Van de Goajiren, een Indiaanschen stam, die in de nabijheid
-van het meer van Maracaïbo woont, deelt Elisée Reclus („<span lang="fr">Revue des Deux Mondes</span>”, 1860, 15 Maart, blz. 438) o.a. het volgende mede: „<span lang="fr">Comme pour tant d’autres nations sauvages, barbares et civilisées, le mariage n’est
-le plus souvent chez les Goajires qu’un contrat de vente; mais ce contrat ne s’opère
-que si l’homme et la femme se conviennent par l’âge et <i>sont également forts et bien faits: les avortons et les infirmes</i>, très rares d’ailleurs, <i>sont impitoyablement condamnés au célibat</i> .… Si le prétendant se fait remarquer entre tous ses compagnons par sa force, sa
-haute taille et sa grâce, ils lui accordent gratuitement une ou même plusieurs femmes;
-parfois ils vont jusqu’à lui faire un présent de boeufs, de chevaux, de perles ou
-de fusils, pour le remercier de l’insigne honneur qu’il leur fait d’entrer dans leur
-famille. Pour ces hommes la véritable aristocratie est celle de la beauté; la richesse
-et le pouvoir appartiennent à ceux que la nature a favorisés sous ce rapport. Lorsque
-le hasard des naufrages jette sur les côtes Goajires quelques matelots étrangers,
-les Indiens, <i>qui n’ignorent pas l’importance callipédique des croisements bien entendus, retiennent
-les hommes grands et vigoureux et leur font payer par quelques années de mariage forcé
-avec deux ou trois belles Goajires l’hospitalité qu’ils leur accordent</i>. Quant aux infortunés matelots affligés par le destin d’une apparence chétive, ils
-sont dépouillés de leurs vêtements et renvoyés de tribu en tribu jusqu’à Rio Hacha,
-poursuivis par les huées et les rires.</span>”
-</p>
-<p>Ziehier dus een stam, die voorbedachtelijk een kunstmatige teeltkeus op zich zelf
-toepast, met het doel om schoone lichaamsvormen te verkrijgen, en ook in dit geval
-gehoorzaamt de mensch, zooals was te verwachten, aan de wetten der stelselmatige teeltkeus.
-Niet slechts vindt men onder de Goajiren slechts hoogst zeldzaam gebrekkige of misvormde
-menschen, maar Elisée Reclus geeft (ibid., blz. 437) van hen de volgende beschrijving:
-„<span lang="fr">Les Goajires sont admirablement beaux, et je ne crois pas que dans toute l’Amérique
-on puisse trouver des aborigènes ayant le regard plus fier, la démarche plus imposante
-et les formes plus sculpturales. Les hommes, toujours drapés à la manière des empereurs
-Romains dans leur manteau multicolore, attaché par une ceinture bariolée, ont en général
-la figure ronde comme le soleil, dont leurs frères, les Muyscas, se disent les descendants;
-ils regardent presque toujours en face d’un air de défi sauvage, et leur lèvre inférieure
-est relevée par un sourire sardonique. Ils sont forts et gracieux, très habiles à
-tous les exercices du corps. Leur teint dans la jeunesse est d’un rouge brique beaucoup
-plus clair que celui des Indiens de San-Blas et des côtes de l’Amérique Centrale;
-mais il noircit avec l’âge, et dans la vieillesse il ressemble à peu près à la belle
-couleur de l’acajou .…</span>”
-</p>
-<p>.… „<span lang="fr">Les femmes ont sans exception et jusque dans la vieillesse la plus avancée des formes
-d’une admirable fermeté et d’une grande perfection de contours; leur démarche est
-vraiment celle de la <span class="corr" id="xd31e3596" title="Bron: déese">déesse</span>, ou plutôt celle de la femme qui vit dans la libre nature et dont la beauté carressée
-par le <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>soleil, se développe sans entraves. Leurs traits, qui ressemblent à ceux des belles
-Irlandaises, sont malheureusement défigurés par des bariolages, tracés sur les joues
-et sur le nez au moyen du roucou<a class="noteRef" id="xd31e3601src" href="#xd31e3601">89</a> et simulant assez bien les bésicles de nos bisaieules; mais en dépit de ces grands
-tracés rouges les sauvages filles du désert n’en frappent pas moins par leur fière
-et rayonnante beauté, surtout quand elles lancent leurs chevaux rapides à travers
-la plaine et que le vent rejette en arrière leur longue chevelure.</span>”
-</p>
-<p>Bij de hedendaagsche beschaafde naties werken twee soorten van kunstmatige teeltkeus,
-die, wel verre van de strekking te hebben het ras te verbeteren, het noodzakelijk
-hoe langer hoe meer moeten doen degenereeren. Haeckel (<span lang="de">„Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 2te Auflage</span>, blz. 153) onderscheidt deze als „<i>Militaire</i>” en „<i>Medicinale</i>” teeltkeus.
-</p>
-<p>In die staten toch, waar de algemeene dienstplicht bestaat, worden jaarlijks alle
-krachtige, gezonde jonge mannen uit alle kringen der maatschappij uitgezocht en bij
-het leger ingelijfd, terwijl de zieke, zwakke en gebrekkige individu’s daarvan verschoond
-blijven. Hoe krachtiger, gezonder, normaler een jongeling is, des te grooter kans
-heeft hij door repeteergeweren, Kruppkanonnen en mitrailleuses in den bloeitijd zijns
-levens te worden omgebracht, en om dus niet te kunnen huwen en zich voort te planten.
-Een groot deel van de gezonde en krachtige mannelijke bevolking blijft, ook in vollen
-vrede, nog op lateren leeftijd vrijwillig bij het staande leger, huwt niet, en plant
-zich dus ook niet voort. De zieke, zwakke en gebrekkige individu’s daarentegen blijven
-gedurende den oorlog t’huis en nemen in vredestijd ook niet vrijwillig dienst bij
-het staande leger. Hoe ziekelijker, zwakker en misvormder dus een jongeling is, des
-te meer kans heeft hij om te kunnen huwen en kinderen te krijgen, die krachtens het
-beginsel der erfelijkheid dikwijls min of meer de gebreken huns vaders zullen overerven.
-„Wij behoeven ons daarom waarlijk niet te verwonderen”, zegt Haeckel (ibid. blz. 454),
-„dat werkelijk de lichamelijke en geestelijke zwakheid onzer hedendaagsche beschaafde
-naties voortdurend toeneemt, en met het sterke, gezonde lichaam ook de vrije, onafhankelijke
-geest hoe langer hoe zeldzamer wordt.”
-</p>
-<p>Niet alleen de algemeene dienstplicht maar ook, schoon in geringer mate, de conscriptie,
-ja zelfs eenvoudig het bezit van een staand leger, moet noodwendig de zelfde uitwerking
-hebben. Hoe oorlogzuchtiger een volk daarenboven is, des te sterker moeten de noodlottige
-gevolgen van deze Militaire teeltkeus zich doen gevoelen.
-</p>
-<p>Onder Medicinale teeltkeus verstaat Haeckel het feit, dat de geneeskunde, door zwakke
-en ziekelijke individu’s die volgens den gewonen loop der natuur zouden zijn gestorven,
-in het leven te houden, hen in de gelegenheid stelt zich voort te planten en hun kwalen
-en gebreken op hun nakomelingschap over te brengen. In de Geneeskundige Courant van
-20 en 27 Febr. 1870 heb ik, zonder met de werken van Haeckel bekend te zijn, op het
-bestaan dezer medicinale teeltkeus gewezen, en de bijzonder moeilijke baring van vele
-blanke vrouwen verklaard uit de vorderingen der obstetrie. Ik ben thans van meening,
-dat ook de seksueele teeltkeus daarbij een groote rol heeft gespeeld.
-</p>
-<p>Als dank zij de ontdekkingen van Prof. Koch de <span class="corr" id="xd31e3619" title="Bron: tubercolose">tuberculose</span>, die thans een zevende der sterfgevallen veroorzaakt, en meer andere besmettelijke
-ziekten zullen zijn verdwenen, zal een groot aantal personen van zwakke constitutie
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>die thans sterven, in leven worden gehouden en een zwak nageslacht voortbrengen. Evenals
-graan, op allerlei soort van bodem gezaaid, slechts op bepaalde soorten van bodem
-opkomt en slechts op enkele zich welig ontwikkelt, worden natuurlijk thans veel meer
-personen onbewust met de kiemen der tuberkelbacillen enz. besmet, dan er werkelijk
-tuberculose enz. krijgen, juist bij de personen met erfelijke praedispositie tot die
-ziekten, en bij tuberculose zijn dit vermoedelijk meestal menschen met een zwak gestel,
-ontwikkelen zich de kiemen en treden de bacillen verwoestend op. Hoe zegenrijk ook
-voor de zieke individu’s en hun naaste verwanten zullen Koch’s ontdekkingen door de
-uitwieding (sit venia verba) van zwakke individu’s tegen te gaan die thans door de
-tuberkelbacillen enz. plaats heeft, o.i<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> op den duur waarschijnlijk niet bevorderlijk zijn aan de krachtige en gezonde ontwikkeling
-van het menschelijk geslacht. Zij schijnen ons een uitnemend voorbeeld van <i>Medicinale teeltkeus</i>, die niet tot verbetering maar tot achteruitgang van het ras leidt.
-</p>
-<p>Nuchter en <span class="corr" id="xd31e3630" title="Bron: onbevoordeeld">onbevooroordeeld</span> beschouwd, is het dus twijfelachtig of die ontdekkingen een voordeel voor het menschdom
-als geheel beschouwd, zullen blijken te zijn.
-</p>
-<p>Men zou de noodlottige gevolgen der Medicinale teeltkeus kunnen tegengaan door eenvoudig
-aan alle zwakke, ziekelijke en misvormde individu’s het huwelijk te verbieden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p id="en2.2">(<a href="#en2.2src">2</a>) Men vergelijke wat in mijn aanteekening op Hoofdstuk XII van „Het Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 529, wordt medegedeeld omtrent de Beronazono’s
-van <span class="corr" id="xd31e3643" title="Bron: Madagaskar">Madagascar</span>; men vergelijke echter tevens wat op blz. 530 en elders in mijn aanteekeningen op
-het Varieeren, omtrent de erfelijkheid van verworven eigenschappen wordt gezegd.
-</p>
-<p id="en2.3">(<a href="#en2.3src">3</a>) Tot de merkwaardigste physiologische verschijnselen behooren de uitingen van den
-smaak- en den reukzin, hoezeer we hieraan door dagelijksche ondervinding gewoon zijn.
-</p>
-<p>Het is vrijwel bekend, dat sommige personen een zeer fijnen smaak hebben en evenzoo,
-dat die door aanhoudende oefening nog buitengewoon verfijnd kan worden. Maar ook zonder
-opzettelijke vorming is de gevoeligheid der smaakzenuwen zeer groot. Men denke slechts
-aan de kieskeurigheid van kleine kinderen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd geitemelk
-van koemelk, gekookte van ongekookte melk onderscheiden, die dadelijk proeven als
-er geneesmiddelen in hun voedsel zijn gedaan, hoe weinig smaak deze ook mogen hebben,
-en het voedsel dan weigeren, en dit op een leeftijd dat andere geestelijke eigenschappen
-nog in ’t geheel niet zijn ontwikkeld.
-</p>
-<p>Nog oneindig fijner dan de smaak is de reuk. Wij kunnen daarmede de aanwezigheid van
-stoffen waarnemen, die in zulke uiterst geringe hoeveelheden aanwezig zijn, dat in
-vergelijking van de ruikproef alle nadere chemische reacties niets beteekenen. Een
-kleine berekening zal dit duidelijk maken.
-</p>
-<p>Tien kilogram rozen leveren bij destillatie ongeveer een gram rozenolie; daar één
-roos hoogstens 2 gram weegt, bevat zij slechts het 5000ste deel van een gram en dus
-een half milligram aetherische olie. Deze olie moet nu voortdurend vervluchtigen om
-voor onzen neus merkbaar te zijn. Nemen we aan dat een roos in 50 uur haar geur verliest,
-dan wordt het vervliegen van dat halve milligram rozenolie verdeeld over 3000 minuten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In elke minuut staat dus de roos 0.00017 milligram aetherische olie af. Nu weet ieder
-dat er veel minder dan een minuut noodig is om een roos aan haar geur te herkennen;
-ja wat meer zegt, het verschil in geur bij de rozenvariëteiten berust op de aanwezigheid
-van nog veel geringere hoeveelheden aetherische olie die met de rozenolie vermengd
-is, en toch ruiken wij dat onderscheid gemakkelijk. <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>Dit is dus een reactie, zoo fijn, dat zij met geen ander waarnemingsproces kan worden
-vergeleken.
-</p>
-<p>Hoe lang de geur van kunst-muskus blijft aanhangen, is ook bekend. Iemand had de kurk
-van een flesch met die stof even aangeraakt en na herhaalde wasschingen met water
-en zeep gedurende drie dagen was hij de lucht nog niet kwijt. Door een kamer werd
-een toegesloten flesch met muskus slechts even <span class="corr" id="xd31e3661" title="Bron: heên">heen</span> gedragen en ook na dagen lang luchten was de stof nog door de reuk herkenbaar. De
-hoeveelheden, die hier worden waargenomen, zijn zoo uiterst gering, dat zij niet meer
-door berekening kunnen aangegeven worden.
-</p>
-<p>Merkwaardig is het, dat ook bij de lagere dieren de reuk- en smaakzin buitengewoon
-ontwikkeld zijn. Hoe nauwkeurig bijen en hommels verschillende bloesems onderscheiden,
-is bekend. Zij worden door den reuk ook naar weinig in ’t oog vallende bloemen als
-die der linde van zeer ver aangetrokken. In een verffabriek werden door het dagelijks
-uitgieten van een aniline-houdende stof geregeld honderdduizenden bijen en wespen
-aangetrokken, die zich te goed deden aan den zeer verdunden, bloesemachtigen geur
-van de aniline.
-</p>
-<p>Maar ook de fijnheid van den smaakzin der insekten schijnt door een zeer origineele
-proef van Dr. Rabow te Potsdam aangetoond te zijn. In een suikerbakkerij waar tallooze
-vliegen waren, liet hij een koek neerleggen, die niet met suiker maar met de bekende
-uit koolteer gewonnen saccharine was bestrooid. Terwijl alle andere koeken sterk door
-vliegen werden bezocht, bleef de koek met saccharine daarvan verschoond—de vliegen
-onderscheidden scherp tusschen de zoetheid van suiker en die van saccharine. Wellicht
-roken zij echter het verschil, in welk geval de proef niets omtrent den smaakzin zou
-bewijzen.
-</p>
-<p>Hyrtl („Handboek der Top. Ontleedkunde”, Nederl. Vert. van Dr. Hanlo 2de druk, Deel
-I, blz. 289, 290 en 291) geeft verscheidene belangrijke voorbeelden van de verbazende
-hoogte, waartoe zich bij wilden de scherpte van den reukzin ontwikkelt. „Zij sporen”,
-zegt hij, „door den reuk het spoor hunner vijanden op, en Natterer, die 18 jaren lang
-in de bosschen van Brazilië leefde, verhaalde mij, dat de Indianen zelfs de pis der
-blanken door den reuk onderscheiden, en afzonderlijke woorden hebben voor het zweet
-van een neger en van een Europeaan. Mevrouw Pfeiffer gaf op haar laatste reis rondom
-de wereld aan een bewoner van Papeiti een vergulden tombakring ten geschenke. De wilde
-berook hem, en gaf hem met teekenen van afkeer terug, terwijl hij een echten met genoegen
-berook en niet wachtte, totdat men hem dien gaf .…” „De wilden van de eilanden van
-den Stillen Oceaan die den beroemden natuuronderzoeker Commerson op het fregat La
-Boudeuse een bezoek brachten, erkenden dadelijk door den reuk, dat zijn bediende,
-wiens geslacht door de overige schepelingen niet werd vermoed, een vrouw in mannenkleederen
-was—de bekende Hortense, te wier eer een plant die van deze reis was medegebracht,
-den naam van <i>Hortensia</i> draagt. Eveneens waren het de wilden van Tonga Taboe, die het eerst roken, dat er
-onder de bemanning van het Hollandsche schip Dordrecht een meisje aanwezig was, dat,
-als koksjongen verkleed, dienst in de kombuis deed.” Dat echter ook bij de Europeanen
-de reuk soms zeer scherp is, blijkt daaruit, dat Hyrtl op blz. 291 ook mededeelt,
-dat enkelen een zoo scherpen reuk hebben bezeten, dat zij „het tijdperk der maandelijksche
-reiniging der vrouw door den reuk waarnamen,<span class="corr" id="xd31e3670" title="Niet in bron">”</span> en in de <i lang="la">acta Hafniensia</i>, vol. I, van Marcus Marci te Kroonland, toenmalig hoogleeraar in de geneeskunde aan
-de universiteit te Praag, wordt van een Boheemschen priester verhaald, die maagden
-en vrouwen door den reuk herkende. Volgens Seneca herkende de Romeinsche Senator Mammercus
-Scaurus <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>menstrueerende vrouwen en meisjes door den reuk<span id="xd31e3677"></span>, en op blz. 290: „De geneesheeren Mead en Heim <span class="corr" id="xd31e3680" title="Bron: erkenden">herkenden</span> de huiduitslagen op het zelfde oogenblik, als zij den neus in de kamer van den lijder
-staken.”
-</p>
-<p>Kardinaal Alberoni kon, toen hij oud en blind was geworden, door den reuk oude dames
-van jonge onderscheiden. Rousseau had zulk een fijnen reuk, dat hij een „geurbotanie”
-had kunnen schrijven, als de taal zoovele uitdrukkingen had als er geuren in de natuur
-zijn. Kant kon geen armoedig levend student in zijn auditorium velen, daar hij de
-uitwasemingen van menschen die zich slecht voeden, niet kon verdragen: hij noemde
-menschen die veel zwart roggebrood eten, „gemeen volk.” Napoleon werd op de reis naar
-St. Helena van de teerlucht ziek, en bleef tijdens zijn ballingschap aldaar liever
-in een oud slecht ingericht huis wonen, dan een nieuw geriefelijk te betrekken, uit
-vrees voor den geur van versche olieverf.
-</p>
-<p>Uit proeven van de Amerikaansche physiologen Nichols en Bailey<a class="noteRef" id="xd31e3686src" href="#xd31e3686">90</a> volgt, dat de ontwikkeling van den reuk al naar het individu en de sekse zeer verschilt.
-Terwijl drie mannen blauwzuur roken in een mengsel van 1 gram daarvan op 2000 kilogram
-water, roken andere mannen het zelfs in een honderdmaal meer blauwzuur bevattend mengsel<span class="corr" id="xd31e3692" title="Niet in bron"> niet</span>. Zij onderzochten 44 mannen en 39 <span class="corr" id="xd31e3694" title="Bron: vrouweu">vrouwen</span>. De vrouwen hadden allen veel zwakker reukvermogen dan de mannen. Geen vrouw kon
-blauwzuur ruiken in een verdunning met 20000 deelen water, terwijl de meeste mannen
-het nog in een verdunning met 100000 deelen water roken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Citroenolie met 250000 deelen eener reukelooze stof vermengd, werd door de mannen
-nog geroken, terwijl de vrouwen een tweemaal zoo sterke vermenging noodig hadden.
-Het zelfde resultaat gaven <span class="corr" id="xd31e3699" title="Bron: knoflookextraxt">knoflookextract</span> en andere riekende stoffen.
-</p>
-<p>Wellicht is hieruit de voorliefde van vrouwen voor sterke odeurs te verklaren. Zij
-hebben om die goed te ruiken een sterken prikkel noodig, die bij de mannen lastig
-is.
-</p>
-<p>De verklaring is wellicht, dat de man, in de tijden dat de mensch nog van de jacht
-leefde, zijn reukorgaan meer noodig had dan de vrouw, het dus meer oefende, en de
-mannen die het beste reukvermogen bezaten, daardoor een voordeel hadden in den strijd
-om het bestaan, en hun beter reukvermogen op hun mannelijke nakomelingen overbrachten,
-terwijl de vrouwen, die door de mannen werden onderhouden, dien scherpen reuk zonder
-nadeel konden missen.
-</p>
-<p>Uit onderzoekingen van W. Ramsay te Bristol blijkt, dat de reukgewaarwording waarschijnlijk
-het gevolg van uiterst snelle trillingen der gasmoleculen is. Evenals er bij het geluid
-tonen zijn, waarmede andere tot accoorden en harmonieën samensmelten, zijn er volgens
-hem ook geuren, die uit een grondgeur en een geheele reeks harmonische geuren, dus
-uit geuraccoorden bestaan, en ontstaat hieruit de verschillende hoedanigheid der geuren.
-</p>
-<p>Geen ander zintuig heeft zooveel invloed op onze stemming, op ons gevoel van sympathie
-en antipathie, geen roept sterker vroegere indrukken in het geheugen terug dan de
-geur.
-</p>
-<p>In vergelijking van de hooge volmaaktheid van den reuk bij vele dieren, is dit zintuig
-bij den mensch zeer weinig ontwikkeld.
-</p>
-<p id="en2.4">(<a href="#en2.4src">4</a>) Wij hebben reeds in aanteekening 8, blz. 38 medegedeeld, dat overtallige tepels
-ook in de okselholte, de lies en den rug doorkwamen. Het zonderlingste geval dat wij
-opgeteekend hebben gevonden, was dat van een <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>vrouw, die een overtalligen tepel aan de dij had, welken men vroeger voor een moedervlek
-had gehouden, doch na haar zwangerschap zooveel melk opleverde, dat zij haar kind
-daaraan drie jaar lang kon zoogen (Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert.
-van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel I, blz. 529). De moeder van den Romeinschen Keizer Julius
-Severus, die daaraan den bijnaam van Julia Mammea verschuldigd was, en Anna Boleyn,
-een der gemalinnen van Hendrik VIII van Engeland, bezaten overtallige tepels.
-</p>
-<p>In 1889 deed D. <span class="corr" id="xd31e3717" title="Bron: Hanzemann">Hansemann</span> aan het „<span lang="de">Berliner anthr. Gesellschaft</span>” mededeelingen omtrent eenige gevallen van overtallige zogklieren (polymastie) en
-overtallige tepels (polythelie).<a class="noteRef" id="xd31e3723src" href="#xd31e3723">91</a> Een dezer gevallen betrof een man, bij welken omstreeks 13 c.M. onder de normale
-tepels, maar dichter naar de mediaanlijn toe, zich aan weêrszijden een kleine donkere
-vlek bevond, die een tepel in miniatuur bleek te zijn (van zogklieren was hierbij
-niets te voelen). Een tweede geval betrof een vrouw, die behalve twee zeer ontwikkelde
-normale borsten nog twee kleinere <span class="corr" id="xd31e3734" title="Bron: bezit">bezat</span>, die wel tepels <span class="corr" id="xd31e3737" title="Bron: hebben">hadden</span> maar geen hof om die tepels heen, en verder nog een tepel met slecht ontwikkelde
-zogklier in de okselholte. De vrouw, die 12 kinderen had gehad, had die wegens de
-gebrekkige ontwikkeling harer overtallige tepels alleen aan haar normale borsten kunnen
-zoogen, en daarbij veel last gehad van die overtallige tepels, daar uit deze de melk
-van zelf uitliep, terwijl het kind aan een normale borst zoog. Uit de litteratuur
-heeft <span class="corr" id="xd31e3741" title="Bron: Hanzemann">Hansemann</span> 262 gevallen van polymastie en polythelie bijeengezocht, waaronder 81 mannen en 104
-vrouwen. Het hoogste aantal overtallige borsten bij één individu was 8. In verreweg
-de meeste gevallen liggen de overtallige borsten onder de normale en eenigszins dichter
-bij de mediaanlijn dan deze, er zijn echter ook gevallen, waarbij tepels op den rug,
-schouder, buitenzijde der dij, in de lies en op een der groote schaamlippen voorkomen.
-In drie gevallen kon worden aangetoond, dat de polymastie van de moeder op de dochter
-was overgeërfd. Daarentegen kon niet worden bewezen, dat er samenhang bestond tusschen
-overtallige zogklieren of tepels en den aanleg om twee- of drielingen te krijgen.
-Het ontstaan der polymastie en polythelie is op drieërlei wijze verklaard. Von Leichtenstern,
-Neugebauer e. a. houden ze voor atavismen, terugslag tot zekere voorouders van den
-mensch. Ahlfeldt meent daarentegen, dat de overtallige zogklieren en tepels in de
-eerste tijden van het embryonale leven worden verworven, doordat hetzij deelen van
-de normale klier losgemaakt worden of met de eivliezen vergroeien en van deze uit
-als het ware op andere plaatsen geënt worden. Champneys en Doran eindelijk meenen,
-dat zogklieren zich bij vrouwen, zelfs nog gedurende het kraambed, uit talkklieren
-kunnen ontwikkelen, wat vooral in de okselholte niet zelden plaats zou vinden. Max
-Bartels meent, dat niet alle gevallen van overtallige zogklieren en tepels op de zelfde
-wijze moeten worden verklaard, en dat het in een aantal gevallen volkomen duidelijk
-is, dat er eenvoudig een verdubbeling, een gedeeltelijke of volkomen verdeeling in
-tweeën van den normalen kiemaanleg voor de borst plaats heeft gehad. In een der door
-Bartels beschreven gevallen kan men zelfs nog een streng kiemweefsel voelen, die de
-normale zogklier met de overtallige verbond. Alle mogelijke overgangen van een eenvoudig
-verbreeden of beschuitvormigen tepel tot twee afzonderlijke tepels en verder tot twee
-afzonderlijke mamheuvels elk met een tepel en omgevenden hof, zijn waargenomen. Bartels
-nam ook een overtalligen tepel, op de mediaanlijn <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>gelegen, waar, welke plaatsing door Hansemann onmogelijk was verklaard.
-</p>
-<p id="en2.5">(<a href="#en2.5src">5</a>) Omtrent de vraag in hoever overtallige vingers door atavisme kunnen worden verklaard,
-verwijzen wij naar onze aanteekeningen, Deel 1, blz. 527 en 528 en Deel II, blz. 364
-van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
-</p>
-<p>Hyrtl („Handb. der Top. <span class="corr" id="xd31e3753" title="Bron: Outleedk.">Ontleedk.</span>”, Ned. Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel I, blz. 416) geeft, behalve het in aant.
-8, blz. 38 vermelde, nog de volgende gevallen van polydactylisme en van de sterke
-erfelijkheid daarvan op:
-</p>
-<p>„Behalve de in de Middeleeuwen bekende familie der Bilfingers (veelvingers), die haar
-naam aan deze misvorming heeft te danken, behoort ook een nieuw geval hiertoe. Zezak
-Colburn, de beroemde rekenaar uit het hoofd, had aan den buitenkant van elke hand
-een zesden vinger en eveneens aan elken voet een zesden teen. Zijn vader had de zelfde
-afwijking; van zijn zeven zusters zijn vijf normaal gevormd, twee gelijk aan den vader
-en ééne heeft wel zes vingers aan elke hand, doch slechts aan éénen voet zes teenen.
-De grootmoeder had deze bijzonderheid in de familie gebracht, die zij wederom van
-haar grootmoeder had overgeërfd, wier elf kinderen allen met deze afwijking waren
-behept (Meckel’s „<span lang="de">Deutsches Archiv</span>”, 4 Bd., blz. 32). Brown maakt in zijn „<span lang="de">Handbuch der Geschichte der Natur</span>”, (Stuttgart, 1843, 2 Bd., blz. 183) melding van een Spanjaard met zes vingers, wiens
-kinderen allen zes vingers hadden, behalve het laatste, dat hij hardnekkig weigerde
-als het zijne te erkennen, omdat het slechts vijf vingers had. Ruysch beschreef in
-zijn „Observ. anat. chir.” onder den naam van „Sceleton polydactylum” een geraamte,
-dat aan de rechterhand 7, aan de linkerhand 6 vingers, tevens dubbele duimen, aan
-den rechtervoet 8, aan den linkervoet 9 teenen had. Het oudst bekende geval van polydactylisme
-vindt men in het oude testament (2 Samuel, XXI: v. 20). Twee dochters van Cajus Horatius
-hadden zes vingers aan elke hand (Plinius, „Hist. Nat.”, XI, 99), de dichter Volcatus
-Sedigitus en Anna Boleyn hadden zes vingers aan de rechterhand. Anna Boleyn bezat
-daarenboven overtallige tepels (aanteekening 4, blz. 104), en ging toch door voor
-de schoonste vrouw van haar tijd!
-</p>
-<p>In „<span lang="en">Nature</span>” van 7 Maart 1878 deelde de heer Lengleen, geneesheer te Arras, een geval mede van
-zekeren heer Gamelon in de vorige eeuw, die aan elke hand zes vingers en aan elken
-voet zes teenen bezat. Zijn zoon had het normale getal vingers en teenen, maar in
-drie volgende generaties trad de anomalie weder te voorschijn, en verscheidenen zijner
-thans nog levende afstammelingen hebben zes vingers en teenen aan handen en voeten.
-Quatrefages verhaalt van een zesteenigen haan, die zijn afwijking in zoo sterke mate
-op zijn nageslacht overbracht, dat thans in de streek waar hij leefde, schier alle
-hanen en kippen zes teenen bezitten.
-</p>
-<p>Bij den regeerenden stam der Fodli in Zuid-Arabië bezitten, gelijk Baron Maltzan op
-zijn reis opmerkte („<span lang="de">Zeitschrift für Ethnologie</span>”, 1873 no. 2) velen zes vingers en <span class="corr" id="xd31e3775" title="Bron: toonen">teenen</span>, en wordt zulks door het volk als bewijs van adellijk bloed beschouwd. Deze Fodli’s
-huwen veel onder elkander, hetgeen de voortplanting dezer abnormaliteit natuurlijk
-bevordert.
-</p>
-<p>Op Malta heeft een familie zesvingerige menschen bestaan, bij welke deze eigenaardigheid,
-hoewel niet bij alle, maar toch bij een zeker aantal nakomelingen gedurende drie of
-vier generaties erfelijk was, hoewel allen met vijfvingerige vrouwen huwden (Portal,
-„<span lang="fr">Mém. de la première Classe de l’Institut</span>”, 1807; Huxley, „<span lang="en">Origin of Species</span>”, lect<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> IV). Het zelfde was het geval bij een familie zesvingerige menschen in de vallei
-Kennebec in de Vereenigde Staten, die in 1862 nog bestond („<span lang="en">Report of the Commissioner of Agriculture</span>”, 1862, blz. 237).
-<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p>
-<p id="en2.6">(<a href="#en2.6src">6</a>) Als merkwaardig voorbeeld van atavisme bij den mensch noemen wij nog het somtijds
-ontbreken van de balk of het eeltachtig lichaam (<i>corpus callosum</i>) in de hersenen, waardoor die het type van de hersenen der Buideldieren en Snaveldieren
-(<i>Monotremata</i>) verkrijgen. Ook bij de Vogels en de lagere Gewervelde Dieren ontbreekt het. Verder
-het somtijds bestaan blijven van een open verbinding tusschen de rechter- en linkerhelft
-van ’t hart, gelijk bij de amphibieën normaal voorkomt, maar den mensch die er meê
-behept is, tot een vroegen dood doemt. Ook verdient hier vermelding de hooge verdeeling
-van den arm-slagader in spaak- en ellepijp-slagader, welke bij apen, knaag- en buideldieren
-normaal voorkomt, maar soms ook bij den mensch wordt opgemerkt (Henle, „<span lang="de">Handbuch der Syst. Anat. d. Menschen</span>”, vol. III, 1868, blz. 266).
-</p>
-<p>Bij Ricord („<span lang="fr">Journal Hebdomadaire</span>”, 1833, tome XIII, aangehaald bij Hyrtl, „Handb. der Top. Ontleedk.”, Ned. Vert.
-van Dr. Hanlo, Deel II, blz. 131) vindt men een geval aangehaald van een vrouw van
-22 jaar, bij welke het rectum zich in de scheede ontlastte. Bij deze vrouw bestond
-dus slechts ééne uitmonding waardoor de vaste en vloeibare uitwerpselen en de afscheidingsproducten
-der geslachtsdeelen zich ontlastten; zij bezat een cloaca, een inrichting, die bij
-de laagste Zoogdieren, de Snaveldieren (<i>Monotremata</i>), en bij de meeste lagere Gewervelde Dieren normaal is, en een <i>hoogst merkwaardig</i> geval van atavisme oplevert. Opmerkelijk is het, dat de echtgenoot dezer vrouw, na
-drie jaar getrouwd geweest te zijn, dien toestand niet eens had vermoed.
-</p>
-<p id="en2.7">(<a href="#en2.7src">7</a>) Zij bedraagt thans (1890) 64 millioen menschen, hetgeen sedert 1872 (toen Darwin
-dit schreef) een vermeerdering van 34 millioen menschen aanwijst, ongeveer overeenstemmende
-met een verdubbeling in 15 jaar. Men vergete echter niet, dat dit geenszins de natuurlijke
-aanwas der bevolking is, daar ook de sterke landverhuizing er veel toe heeft bijgedragen.
-</p>
-<p id="en2.8">(<a href="#en2.8src">8</a>) Bory de St. Vincent beweert zelfs, dat de Hottentotten een grooten teen zouden bezitten,
-die geopponneerd kan worden, en dat daardoor hun voetstappen in het zand gemakkelijk
-van die van een Europeaan te onderscheiden zouden zijn. Hyrtl, („Handboek der Top.
-Ontleedk.”, Ned Vert. van Dr. Hanlo, 2de druk, Deel II, blz. 625) betwijfelt echter,
-onzes inziens terecht, de juistheid van deze bewering.
-</p>
-<p>Volgens het jaarverslag over 1878 van den Engelschen consul te Saigon aan zijn regeering,
-zouden er in het noordelijk gedeelte van het Anamietische rijk stammen leven, bij
-welke de groote teenen der voeten geheel van de andere teenen zijn afgescheiden en
-bijna even goed als de duimen der handen kunnen worden gebruikt. Deze bijzonderheid
-zou reeds in Chineesche jaarboeken van het jaar 2300 v. C. worden vermeld. Daar ook
-de Chineezen hun grooten teen veel beter kunnen gebruiken om b.v. iets vast te klemmen,
-dan wij, blijkt hieruit, dat de afwijking bijzonder sterk moet zijn en wij hier wellicht
-aan een opponiebelen grooten teen, min of meer als die van den gorilla, moeten denken.
-Het komt ons echter voor dat ook dit bericht bevestiging behoeft! In vroegeren tijd
-zou deze bijzonderheid bij de Anamieten zoo algemeen zijn geweest, dat hun naam oorspronkelijk
-daarvan zou zijn afgeleid. (Vergelijk mijn artikel „Vierhandige Menschen”, in „Isis”,
-1879, blz. 346.)
-</p>
-<p id="en2.9">(<a href="#en2.9src">9</a>) In 1886 verscheen een uitvoerig werk van Prof. Cunningham van Trinity College, Dublin,
-„<span lang="en">On the lumbar curve in man and apes.</span>” Het is gedrukt voor rekening der „<span lang="en">Royal Irish Academy</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hij toont daarin o.a. aan, dat de eigenaardige kromming van de ruggegraat, die men
-altijd met de opgerichte houding van den mensch in verband gebracht en als een bij
-uitnemendheid menschelijk kenmerk heeft beschouwd, bij vele menschenrassen <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>(Nieuw-Hollanders, Negers, <span class="corr" id="xd31e3840" title="Bron: Audaman-eilanders">Andaman-eilanders</span>) volstrekt niet zoo goed ontwikkeld is als bij de Europeanen. Wel bezit hun ruggegraat
-die kromming, maar terwijl bij den Europeaan de wervellichamen min of meer naar het
-beloop van de kromming vervormd zijn, bestaat van die vervorming bij genoemde menschenrassen
-geen spoor. Bij den gorilla bestaat de kromming, bij den chimpanzee is zij zelfs slechts
-weinig zwakker dan bij den mensch, bij den orang is zij veel zwakker. Zij bestaat
-echter nog bij de lagere apen en onder bepaalde voorwaarden vindt men er zelfs bij
-de viervoetige dieren duidelijke sporen van. De wervels schijnen bij de wijfjes over
-het algemeen meer in harmonie met de kromming vervormd te zijn dan bij de mannetjes.
-</p>
-<p id="en2.10">(<a href="#en2.10src">10</a>) De schedel van het Neanderdal is, zooals wij reeds in aanteekening 25, blz. 45 mededeelden,
-volgens de eenparige getuigenis van alle deskundigen hoogst dierlijk ontwikkeld. Daar
-hij slechts gedeeltelijk voor ons behouden gebleven is, is de inhoud er van niet rechtstreeks
-bepaald kunnen worden. Daar Prof. Schaaffhausen echter voor den inhoud van het bewaard
-gebleven gedeelte 1033 kub. centimeter heeft gevonden, schat Huxley<a class="noteRef" id="xd31e3848src" href="#xd31e3848">92</a> den geheelen inhoud op 1228 kub. centimeter. Hij blijft dus nog even ver onder den
-Nieuw-Hollander, volgens de opgaaf van Darwin, als deze onder den Amerikaan of Aziaat.
-</p>
-<p>Ter vergelijking van de bij Darwin opgegeven getallen, laten wij hier een lijstje
-volgen van de resultaten van eenige schedelmetingen:
-</p>
-<div class="table">
-<h4 class="tableCaption"><i>Tabel van den gemiddelden schedelinhoud van eenige rassen.</i></h4>
-<table class="small">
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom"><span class="ex"><span class="corr" id="xd31e3866" title="Bron: VOLKSTAM">VOLKSSTAM</span></span>. </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadTop cellHeadBottom alignDecimalNotNumber"><span class="corr" id="xd31e3870" title="Bron: Volum">Volume</span> in <br>kub. cent. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Waarnemers.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Australiërs (Nieuw-Hollanders). </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1228</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,27</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Polynesiërs. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1230</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellRight">Morton. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Hottentotten. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1233</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,78</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Papoea’s. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1253</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,45</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Amerikanen in ’t algemeen. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1315</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,71</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">In Amerika geboren Negers. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1323</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,90</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Maleiers. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1328</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellRight">Morton. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="corr" id="xd31e3941" title="Bron: Mexikanen">Mexicanen</span>. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1338</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,65</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Groenlanders. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1340</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellRight">Welcker. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Chineezen. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1345</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellRight">Morton. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Oude Peruanen. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1361</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellRight">Morton. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">In Afrika geboren Negers. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1371</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,42</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs, </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Wilde Indianen. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1376</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,71</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Parijzenaars uit armengraven (van de 12de tot de 18de eeuw).
-</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1403</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,14</td>
-<td class="cellRight">Broca. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Parijzenaars uit de 12de eeuw. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1425</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,98</td>
-<td class="cellRight">Broca. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Duitschers. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1448</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellRight">Welcker. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Parijzenaars uit de 19de eeuw. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1461</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,53</td>
-<td class="cellRight">Broca. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Anglo-Amerikanen. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1474</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,65</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Parijzenaars uit eigen graven (19de eeuw).
-</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1484</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,23</td>
-<td class="cellRight">Broca. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Germanen in het algemeen. </td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">1534</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">,27</td>
-<td class="cellRight">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Engelschen. </td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">1572</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">,95</td>
-<td class="cellRight cellBottom">Aitken Meigs. </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span></p>
-<p>Zooals men ziet, zijn de door deze waarnemers verkregen getallen, die grootendeels
-berusten op metingen van een aanzienlijk aantal schedels van elk ras, voor het meerendeel
-aanmerkelijk lager dan de door Darwin opgegeven gemiddelde getallen, en komt de Neanderdalmensch
-volgens deze tabel in schedelinhoud met de Nieuw-Hollanders overeen, die ook in andere
-opzichten van alle thans levende menschenrassen het naast met hem verwant zijn. Men
-ziet ook uit deze tabel, dat de wilde Indianen (Roodhuiden) en de in Afrika geboren
-negers grooter hersenen bezitten dan de <span class="corr" id="xd31e4068" title="Bron: Mexikanen">Mexicanen</span>, de oude Peruanen en de Chineezen, waaruit blijkt, dat men uit de capaciteit van
-den schedel nog niet onmiddellijk tot de verstandelijke ontwikkeling kan besluiten.
-Merkwaardig is het ook, dat in Amerika geboren negers geringer gemiddelden schedelinhoud
-bezitten dan die, welke in Afrika zijn geboren. Wel een bewijs van de degradeerende
-werking der slavernij. Owen (aangehaald in Vogt, „<span lang="de">Vorlesungen über den Menschen</span>”, Bd. I, blz. 181) geeft voor den gemiddelden schedelinhoud van eenige hoofdrassen
-en der anthropomorphen de volgende getallen (in kub. Engelsche duimen, door ons, evenals
-de opgaven van Darwin en Huxley, herleid tot kub. centimeters):
-</p>
-<div class="table">
-<table class="small tbl119.1">
-<tr>
-<td class="xd31e4075 cellLeft cellTop">Engelschman. </td>
-<td class="xd31e4075 cellTop">Maleier. </td>
-<td class="xd31e4075 cellTop">Neger. </td>
-<td class="xd31e4075 cellTop">Nieuw-Holl. </td>
-<td class="xd31e4075 cellTop">Gorilla. </td>
-<td class="xd31e4075 cellTop">Orang. </td>
-<td class="xd31e4075 cellRight cellTop">Chimpanzee. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e4075 cellLeft cellBottom"> 1572,67 </td>
-<td class="xd31e4075 cellBottom">1409,21 </td>
-<td class="xd31e4075 cellBottom">1343,66 </td>
-<td class="xd31e4075 cellBottom"> 1228,96 </td>
-<td class="xd31e4075 cellBottom"> 491,58 </td>
-<td class="xd31e4075 cellBottom">458,82 </td>
-<td class="xd31e4075 cellRight cellBottom"> 458,81. </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Men vergelijke over de verschillen in den omvang van den schedel ook de belangrijke
-opmerkingen van den heer Le Bon te Parijs, medegedeeld door Dr. D. Lubach in het „Album
-der Natuur”, 1878, blz. 377.
-</p>
-<p>Een goede gelegenheid tot het onderzoeken van vroegere menschelijke schedelvormen
-en van de verandering, die de schedelvorm in den loop van vele eeuwen heeft ondergaan,
-bieden de graftomben van Egypte en van het oude Etrurië aan. In deze beide landen
-heeft Dr. Schmidt rijke verzamelingen van schedels verkregen, die hem in staat stelden
-daarvan een grondige studie te maken. De uitkomsten van deze studie, voor zoover die
-de Egyptische schedels betreft, heeft hij in een vakblad medegedeeld. Bij eene vergelijking
-van 294 oude schedels, van mummies afkomstig en van 86 nieuwe, verzameld in verschillende
-streken, bleek, dat de ruimte voor de hersenen van de tegenwoordige bevolking gedurende
-de beide laatste duizend jaren gemiddeld 44 kubieke centimeter kleiner is geworden,
-en wel de mannelijke schedels 31, die van vrouwen 54 kubieke centimeter, een verschijnsel,
-dat de schrijver verklaart uit den achteruitgang in ontwikkeling en beschaving, die
-er in den loop der eeuwen bij het Egyptische volk heeft plaats gehad, en dat hij stelt
-tegenover de waarneming, dat de grootte der schedels van de Parijsche kerkhoven in
-de laatste eeuwen, overeenkomstig de toenemende beschaving der bevolking, gemiddeld
-met 35 kub. centimeter is toegenomen. In vorm komen de oude en nieuwe schedels, zoowel
-wat den geheelen bouw als wat kleinere bijzonderheden betreft, in ’t algemeen <span class="corr" id="xd31e4117" title="Bron: mel">met</span> elkaâr overeen, er zijn thans evenals vroeger drie hoofdtypen: een zuiver Egyptische,
-een zuiver Nubische en een brachycephale vorm en overgangsvormen daartusschen. Tegenwoordig
-treedt het Nubische type sterker op den voorgrond dan vroeger.
-</p>
-<p>Naar aanleiding van den algemeen aangenomen regel, dat men bij menschen die veel ingespannen
-arbeid verrichten, meestal grootere hoofden aantreft dan bij hen, die bezigheden hebben
-welke minder inspanning van den geest vereischen, heeft een Parijzer geneesheer, Dr.
-Delaunay, de volgende statistische beschouwingen gemaakt, die uit een physiologisch
-oogpunt <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>niet van belang zijn ontbloot. De hoofddeksels als maat nemende, heeft Dr. Delaunay
-bewezen, dat de bezoekers der polytechnische school en der hoogescholen te Parijs
-grootere hoofden hebben dan de kadetten van de militaire academie en de leerlingen
-van het seminarie van St. Sulpice. Deze laatsten hebben over ’t algemeen kleinere
-hoofden dan de overige bevolking van Parijs. De cilinderhoeden, die voornamelijk door
-de meest gegoede en beschaafde klasse worden gedragen, hebben steeds hoogere nummers
-dan de mutsen en petten, die voor den kleinen koopman en ambtenaar worden gemaakt.
-Bij de goedkoopste mutsen voor werklieden, bedienden enz. is de wijdte nog minder.
-In die wijken van Parijs waar veel handel <span class="corr" id="xd31e4124" title="Bron: word">wordt</span> gedreven, zooals in den faubourg Montmartre, hebben de hoeden die in de magazijnen
-gereed liggen, meestal een wijdte (in omtrek) van 56 tot 58 centimeter. In de wijk
-Mouffetard, een der minste achterbuurten van Parijs, bedraagt de wijdte over het algemeen
-slechts 52 à 53 centimeter. In de wijk St. Sulpice, waar voor het meerendeel geestelijken,
-seminaristen, enz. wonen, en in den faubourg St. Germain treft men de kleinste hoeden;
-daarentegen gebruikt men de grootste hoeden (58 tot 60 centimeter) in die wijken waar
-zich de inrichtingen voor hooger en middelbaar onderwijs bevinden. Ook zijn, volgens
-de waarnemingen der doctoren Broca en Laccossagne, de hoofden der officieren grooter
-dan die van de minderen, hebben de geneesheeren grootere hoofden dan de ziekenoppassers
-enz. Geconstateerd wordt mede, dat bij boeren die zich in de stad komen vestigen,
-waar zij meer hun geest moeten inspannen, de omvang van het hoofd toeneemt.
-</p>
-<p>In <span lang="fr"><i>Revue Scientifique</i>, 21 Juillet 1889</span>, wordt medegedeeld (naar waarnemingen op studenten te Cambridge), dat, hoewel over
-het algemeen de schedel na het 19de jaar niet grooter wordt, hij bij studeerenden
-nog op 25 jarigen leeftijd in afmetingen toeneemt. Ik kan uit eigen ervaring hierbij
-voegen, dat op 25-jarigen leeftijd een hoed, dien ik op 23-jarigen leeftijd had gedragen,
-mij veel te klein was geworden, en ik die twee jaren juist veel meer gestudeerd had
-dan vroeger.
-</p>
-<p>Wat de verschillen in de tanden bij onderscheidene menschenrassen aangaat, waarvan
-Darwin (blz. 69) gewag maakt, wenschen wij nog de aandacht te vestigen op de opmerkingen
-van E. Lambert („<span lang="fr">Bulletin de l’Acad. royale de <span class="corr" id="xd31e4137" title="Bron: Belge">Belgique</span></span>”<span class="corr" title="Bron: .">,</span> 1877, T. XLIII, „<span lang="fr">Journ. de Zool.</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> 1867, T. VI, blz. 252). Hij toonde aan, dat bij de zwarte rassen, vooral bij Nieuw-Hollanders,
-Tasmaniërs en Nieuw-Caledoniërs, de hoektanden merkelijk grooter zijn dan bij de blanke
-en gele rassen, dat er een kleine tusschenruimte (diastema) om de spits daarvan op
-te nemen, is waar te nemen, dat de groote kiezen niet, als bij het blanke ras, vier,
-maar meestal vijf knobbels hebben enz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, en dat over het algemeen bij hen ten opzichte van het tandstelsel een toenadering
-tot dat der anthropomorphe apen onmiskenbaar is.
-</p>
-<p>Het metopisme (het gescheiden blijven van het voorhoofdsbeen in twee helften door
-een naad, de <i>sutura frontalis</i>), dat door Darwin blz. 68 wordt <span class="corr" id="xd31e4154" title="Bron: vermeldt">vermeld</span>, wordt o.a. bij Papoeas veelvuldig waargenomen („<span lang="en">The Academy</span>”<span class="corr" title="Bron: .">,</span> 2 Juni 1878, blz. 560).
-</p>
-<p id="en2.11">(<a href="#en2.11src">11</a>) Ook Prof. Marsh heeft aangetoond („<span lang="en">American Journal of Science and Arts</span>”, 1874, vol. VIII, blz. 66, en <span lang="fr">„Revue Scientifique”, 6 Mars 1886</span>), dat de zoogdieren der eocene periode over het algemeen bijzonder kleine hersenen
-hebben, de verwante soorten uit de miocene merkelijk grootere, die der pliocene periode
-nog grootere, de thans levende eindelijk wederom grootere. Naarmate men meer nadert
-tot den jongeren tijd, neemt de gemiddelde grootte der hersenen, vooral van de halfronden
-der groote hersenen, <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>toe, de windingen worden ingewikkelder, en de kleine hersenen en <i>lobi optici</i> naar evenredigheid kleiner. De soorten met groote hersenafmetingen schijnen bovendien
-langer in stand te zijn gebleven dan die met kleine, en de eerst uitstervende in dit
-opzicht minder begunstigd dan de langer overblijvende, zoodat in den loop <span class="corr" id="xd31e4179" title="Bron: ker">der</span> palaeontologische ontwikkeling de nakomelingen steeds in verstandelijke ontwikkeling
-en grootte der hersenen het voorgeslacht overtroffen.
-</p>
-<p id="en2.12">(<a href="#en2.12src">12</a>) De hier bedoelde soorten zijn de mammouth (<i>Elephas primigenius</i>) en de neushoorn met beenig neusschot (<i>Rhinoceros tichorhinus</i>); van beide zijn verscheidene malen lijken die nog huid, haar en vleesch behouden
-hadden, in het poolijs van Siberië vastgevroren gevonden (het eerste mammouths-lijk
-in 1799 aan den mond der Lena). Uit die lijken bleek, dat de mammouth, evenals Darwin
-zegt, een wolpels bezat; de neushoorn bezat eenigszins stijve, doch niet borstelachtige
-haren (van 30–37 millimeter lengte)<span class="corr" title="Bron: .">,</span> maar volstrekt geen lange wolharen, zooals de mammouth („<span lang="fr">Mélanges biologiques tirés du Bullet. de l’Acad. de St. Pétersbourg</span>”, t. VII, blz. 195).
-<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2397">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2397src">1</a></span> „<span lang="en">Investigations in Military and Anthropolog. Statistics of American Soldiers</span>”, door B.&nbsp;A. Gould, 1869, blz. 256.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2397src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2405">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2405src">2</a></span> Zie ten opzichte van de schedelvormen van inboorlingen van Amerika, Dr. Aitken Meigs
-in „<span lang="en">Proc. Acad. Nat. Sc.</span>”, Philadelphia, Mei 1866. Over de Australiërs, Huxley, in Lyell’s „<span lang="en">Antiquity of Man</span>”, 1863, blz. 87. Over de Sandwich-eilanders, Prof. J. Wyman, „<span lang="en">Observations on Crania</span>”, Boston, 1868, blz. 18.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2405src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2417">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2417src">3</a></span> „Anatomy of the Arteries”, door R. Quain.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2417src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2420">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2420src">4</a></span> „<span lang="en">Transact. Royal Soc.</span>”, Edinburg, vol. XXIV, blz. 175, 189.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2420src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2427">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2427src">5</a></span> „<span lang="en">Proc. Royal Soc.</span>”, 1867, blz. 544 en 1868, blz. 483, 524. Men vindt daarover nog een vroeger stuk,
-ibid. 1866, blz. 229.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2427src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2433">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2433src">6</a></span> „<span lang="en">Proc. R. Irish Academy</span>”, vol. X, 1868, blz. 141.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2433src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2444">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2444src">7</a></span> „<span lang="fr">Act. Acad.</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> St. <span class="corr" id="xd31e2451" title="Bron: Peterburg">Petersburg</span>, 1778, deel II, blz. 217.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2444src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2461">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2461src">8</a></span> Brehm, „<span lang="de">Thierleben</span>”, B. I, blz. 58, 87. Rengger, „<span lang="de">Säugethiere von Paraguay</span>”, blz. 57.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2461src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2472">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2472src">9</a></span> „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Hoofdstuk XII, VIII en XIV.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2472src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2475">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2475src">10</a></span> „<span lang="en">Hereditary Genius: an Inquiry into its Laws and <span class="corr" id="xd31e2479" title="Bron: Consequenses">Consequences</span></span>”, 1869.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2475src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2487">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2487src">11</a></span> De heer Bates merkt („<span lang="en">The Naturalist on the Amazons</span>”, 1863, vol. II, blz. 159) ten opzichte der Indianen van een zelfden Amerikaanschen
-stam op, dat „er geen twee onder hen waren, die volkomen de zelfde gedaante van hoofd
-hadden; de een had een ovaal gelaat en schoone gelaatstrekken, de ander geleek volkomen
-op een Mongool door de breedte en het uitsteken zijner jukbeenderen, zijn wijde neusgaten
-en den schuinschen stand zijner oogen.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2487src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2493">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2493src">12</a></span> Blumenbach, „<span lang="en">Treatises on Anthropology</span>”, Eng. Vert., 1865, blz. 205.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2493src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2501">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2501src">13</a></span> Mitford’s „<span lang="en">History of Greece</span>”, vol. I, blz. 282. Het schijnt ook te blijken uit een plaats in Xenophon’s „Memorabilia”,
-Bd. II, 4 (waarop mijn aandacht werd gevestigd door den weleerw. heer J.&nbsp;N. Hoare),
-dat het bij de Grieken een algemeen erkend beginsel was, dat de mannen bij de keus
-van hun vrouwen er op moesten letten, in hoever deze zoodanig gestel bezaten, dat
-het waarschijnlijk was, dat zij gezonde en krachtige kinderen zouden voortbrengen.
-De Grieksche dichter Theognis, die in het jaar 550 v. Chr. leefde, zag duidelijk in,
-hoe belangrijk zorgvuldig toegepaste teeltkeus voor de verbetering van het menschelijk
-geslacht was. Hij zag ook in, dat rijkdom dikwijls een beletsel is voor de goede werking
-der seksueele teeltkeus. Hij schrijft als volgt:
-</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter footnote">
-<p class="line">„’t Vered’len van het dier wordt als een kunst geleerd, </p>
-<p class="line">Het fokvee, dat gezond en edel is van ras, </p>
-<p class="line">Voor hoogen prijs gekocht, ’t gebrekkige geweerd; </p>
-<p class="line">Steeds fraaier wordt het kroost, steeds ed’ler dan het was. </p>
-<p class="line">Zoo doet men met het dier, maar niet zoo met den mensch, </p>
-<p class="line">Wij trouwen om het geld; de schatten dezer aard </p>
-<p class="line">Bepalen onze keus, slechts die zijn onze wensch. </p>
-<p class="line">Zoo wordt de mensch verzuimd en ’t vee met zorg gepaard. </p>
-<p class="line">Een vrek of groote fielt, die schatten samenbrengt, </p>
-<p class="line">Huwt zijne kind’ren uit aan ’t fierste en trotschste ras; </p>
-<p class="line">Wat edel is en laag, wordt dus te zaâm vermengd, </p>
-<p class="line">Een basterdras ontstaat, zoo slecht als nimmer was. </p>
-<p class="line">Ik heb u de oorzaak, vriend! nu duid’lijk aangewezen; </p>
-<p class="line">Te treuren om ’t gevolg kan ’t onheil niet genezen.” </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">(<span lang="en">The Works of J. Hookham Frere, vol. II, 1872</span>, blz. 334.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2501src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2545">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2545src">14</a></span> Godron, „<span lang="fr">De l’Espèce</span>”, 1859, tome II, livre III. Quatrefages, „<span lang="fr">Unité de l’Espèce Humaine</span>”, 1861. Zie ook de voordrachten over anthropologie, medegedeeld in de „<span lang="fr">Revue des Cours Scientifiques</span>”, 1866–1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2545src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2557">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2557src">15</a></span> „<span lang="fr">Hist. Gén. et Part. des Anomalies de l’Organisation</span>”, in drie deelen, deel I, 1832.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2557src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2570">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2570src">16</a></span> Ik heb deze wetten uitvoerig besproken in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-hoofdstukken XXII tot en met XXVI.&nbsp;M.&nbsp;J. Durand heeft onlangs (1868) een verdienstelijke
-verhandeling „<span lang="fr">De l’Influence des Milieux</span>” enz. uitgegeven. Hij hecht veel gewicht aan den aard van den bodem.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2570src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2589">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2589src">17</a></span> „<span lang="en">Investigations in Military and Anthrop. Statistics</span>” enz. 1869, door B.&nbsp;A. Gould, blz. 93, 107, 126, 131, 134.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2589src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2599">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2599src">18</a></span> Zie, wat de Polynesiërs aangaat, Prichard’s <span lang="en">„Physical Hist. of Mankind”, vol. V</span>, blz. 145, 283. Eveneens Godron, <span lang="fr">„De l’Espèce”, tome II</span>, blz. 289. Er bestaat ook een merkwaardig verschil in uiterlijk aanzien tusschen
-nauw-verwante Hindoe’s, die aan den Boven-Ganges en in Bengalen wonen; zie Elphinstone’s
-„<span lang="en">History of India</span>”, vol. I, blz. 324.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2599src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2611">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2611src">19</a></span> „<span lang="en">Memoirs Anthrop. Soc.</span>”, vol. III, 1867–69, blz. <span class="sic">61</span>, 565, 567.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2611src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2621">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2621src">20</a></span> Dr. Brakenridge, <span lang="en">„Theory of Diathesis”, „Medical Times”</span>, 19 Juni en 17 Juli 1869.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2621src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2640">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2640src">21</a></span> Ik heb bewijzen van verschillende beweringen gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 336–340. Dr. Jaeger „<span lang="de">Ueber das Längenwachsthum der Knochen</span>”, „<span lang="de">Jenaische Zeitschrift</span>”, B. v. afl. 1.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2640src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2649">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2649src">22</a></span> „<span lang="en">Investigations</span>” enz. door B.&nbsp;A. Gould, 1869, blz. 288.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2649src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2657">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2657src">23</a></span> „<span lang="de">Säugethiere von Paraguay</span>”, 1830, blz. 4.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2657src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2669">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2669src">24</a></span> „<span lang="en">History of Greenland</span>”, Eng. vert. 1767, vol. I, blz. 230.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2669src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2677">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2677src">25</a></span> „<span lang="en">Intermarriage</span>”, door Alex. Walther, 1838, blz. 377.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2677src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2684">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2684src">26</a></span> „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz. 497, II, 375.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2684src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2687">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2687src">27</a></span> „<span lang="en">Principles of Biology</span>”, vol. I, blz. 455.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2687src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2693">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2693src">28</a></span> Paget, „<span lang="en">Lectures on Surgical Pathology</span>”, vol. I, 1853, blz. 209.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2693src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2701">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2701src">29</a></span> Het is een vreemd en <span class="corr" id="xd31e2703" title="Bron: overwacht">onverwacht</span> feit, dat zeelieden voor landbewoners onderdoen in hun gemiddelden afstand van duidelijk
-zien. Dr. B.&nbsp;A. Gould („<span lang="en">Sanitary Memoirs of the War of the Rebellion</span>”, 1889, blz. 530) heeft bewezen, dat zulks het geval is; en hij verklaart het doordat
-de gezichtskring bij zeelieden gewoonlijk „beperkt is tot de lengte van het schip
-en de hoogte van de masten.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2701src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2710">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2710src">30</a></span> „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert. Deel I, blz. 505.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2710src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2713">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2713src">31</a></span> „<span lang="de">Säugethiere von Paraguay</span>”, blz. 8, 10. Ik ben in de gelegenheid geweest om de buitengewone scherpte van gezicht
-der Vuurlanders waar te nemen. Zie ook Lawrence („<span lang="en">Lectures on Physiology</span>”, 1822, blz. 404) over dit zelfde onderwerp. De heer Giraud-Teulon heeft onlangs
-(„<span lang="fr">Revue des Cours Scientifiques</span>”, 1870, blz. 625) vele gewichtige bewijzen verzameld, dat de oorzaak van kortzichtigheid
-„<i lang="fr">le travail assidu de près</i>” is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2713src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2735">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2735src">32</a></span> Prichard, „<span lang="en">Phys. Hist. of Mankind</span>” voor de opmerking van <span class="corr" id="xd31e2740" title="Bron: Blumen, bach">Blumenbach</span>, vol. I, 1817, blz. 311; voor de bewering van Pallas, vol. IV, 1844<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> blz. 107.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2735src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2748">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2748src">33</a></span> Aangehaald bij Prichard, „<span lang="en">Researches into the Phys. Hist. of Mankind</span>”, vol. V, blz. 463.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2748src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2754">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2754src">34</a></span> De hoogst belangrijke verhandeling van den heer Forbes is nu uitgegeven in het: „<span lang="en">Journal of the Ethnological Society of London</span>”, <span lang="en">New Series, vol. II, 1870</span>, blz. 193.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2754src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2770">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2770src">35</a></span> Dr. Wilckens („<span lang="de">Landwirthschaft. Wochenblatt</span>”, no. 10, 1869) heeft onlangs een belangrijke verhandeling uitgegeven, waarin wordt
-betoogd, dat bij huisdieren die in bergachtige streken leven, wijzigingen in het geraamte
-ontstaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2770src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2786">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2786src">36</a></span> „<span lang="fr">Mémoire sur les Microcéphales</span>”, 1867, blz. 53, 125, 169, 171, 184–198.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2786src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2792">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2792src">37</a></span> Prof. Laycock drukt het karakter van dierlijke idioten uit door hen <i>theroïde</i> te noemen: „<span lang="en">Journal of Mental Science</span>”, Juli 1863. Dr. Scott („<span lang="en">The Deaf and Dumb</span>”, 2e uitg., 1870, blz. 10) heeft dikwijls het onnoozele rieken aan het voedsel waargenomen.
-Zie over dit zelfde onderwerp en over de behaardheid van idioten, Dr. Maudsley, „<span lang="en">Body and Mind</span>”, 1870, blz. 46–51. Pinel heeft ook een treffend geval van behaardheid bij een idioot
-medegedeeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2792src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2812">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2812src">38</a></span> In mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, (eerste Eng. Uitgaaf, vol. II,
-blz. 57) schreef ik de niet zeer zeldzame gevallen van overtallige tepels bij vrouwen
-aan atavisme toe. Ik werd er toe geleid dit besluit waarschijnlijk te vinden, omdat
-de overtallige tepels over het algemeen symmetrisch op de borst zijn geplaatst, en
-meer bijzonder wegens één geval, waarin een enkele melkgevende tepel voorkwam in de
-liesstreek van een vrouw, de dochter van een vrouw met overtallige tepels. Ik bevind
-nu echter (zie b.v. Prof. Preyer, „<span lang="de">Der Kampf um das Dasein</span>”, 1869, blz. 45), dat <i>mammae erraticae</i> op andere plaatsen voorkomen, zooals op den rug <b>(<a href="#en2.4" id="en2.4src">4</a>)</b>, onder den oksel, en op de dij, en dat zij op deze laatste plaats wel eens zooveel
-melk hebben gegeven, dat het kind er mede werd gezoogd. De waarschijnlijkheid, dat
-de overtallige tepels een gevolg zijn van atavisme, wordt hierdoor veel geringer gemaakt;
-toch komt zulks mij nog waarschijnlijk voor, omdat dikwijls twee paar symmetrisch
-op de borst zijn geplaatst; en hiervan heb ik zelf verscheidene malen bericht ontvangen.
-Het is algemeen bekend, dat bij halfapen (Lemuriden) normaal twee paar tepels op de
-borst voorkomen. Vijf gevallen zijn opgeteekend van meer dan één paar tepels (natuurlijk
-rudimentaire) bij mannen; zie „<span lang="en">Journal of Anat. and Physiology</span>”, 1872, blz. 56, voor een geval, medegedeeld door Dr. Handyside, waarin twee broeders
-deze bijzonderheid vertoonden; zie ook een verhandeling van Dr. Bartels, in Reichert’s
-en Du Bois Reymond’s „<span lang="de">Archiv</span>”, 1872, blz. 304. In een der gevallen, waarvan Dr. Bartels melding maakt, had een
-man vijf tepels, waarvan een in de mediaanlijn van het lichaam boven den navel was
-geplaatst; Meckel von Hemsbach meent, dat dit laatste geval overeenstemt met een op
-de mediaanlijn gelegen tepel, die bij sommige vledermuizen (Chiroptera) voorkomt.
-Over het geheel <span class="pageNum" id="pb66n">[<a href="#pb66n">66</a>]</span>mogen wij betwijfelen, of zich ooit overtallige tepels bij beide seksen van den mensch
-zouden hebben ontwikkeld, als zijn vroege voorouders niet van meer dan een paar voorzien
-waren geweest.
-</p>
-<p class="footnote cont">In bovengenoemd werk (deel II, blz. 12) heb ik ook, hoewel zeer aarzelend, de vele
-gevallen van veelvingerigheid (polydactylisme) bij den mensch en verschillende dieren
-aan atavisme toegeschreven. Ik werd hiertoe gedeeltelijk geleid door de opgaaf van
-Prof. Owen, dat sommige zeedraken (Ichthyopterygia) meer dan vijf vingers bezaten,
-en daarom, naar ik onderstelde, een oorspronkelijken toestand hadden bewaard, maar
-Prof. Gegenbaur („<span lang="de">Jenaische Zeitschrift</span>”, B. v. Heft 3, blz. 341) bestrijdt Owen’s besluit. Van den anderen kant schijnt
-er, volgens de voor korten tijd door Dr. <span class="corr" id="xd31e2840" title="Bron: Gunther">Günther</span> omtrent de vin van Ceratodus uitgesproken meening, welke vin is voorzien van gelede
-beenige stralen aan weêrszijde van een middelste aaneenschakeling van beenderen, niet
-veel tegen te zijn om aan te nemen, dat zes of meer vingers aan de eene zijde of aan
-beide zijden door atavisme weder zouden verschijnen. Dr. Hartogh Heys van Zouteveen
-meldt mij, dat er een geval is opgeteekend van een man, die vier-en-twintig vingers
-en vier-en-twintig teenen bezat (vergelijk aant. 8, blz. 38. Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.) Ik
-werd voornamelijk geleid tot het besluit, dat het bezit van overtallige vingers een
-gevolg van atavisme zou kunnen zijn, omdat dergelijke vingers niet slechts sterk erfelijk
-zijn, maar, gelijk ik toen geloofde, evenals de normale vingers van de lagere Gewervelde
-Dieren het vermogen bezaten om opnieuw aan te groeien, wanneer zij waren afgezet.
-<b>(<a href="#en2.5" id="en2.5src">5</a>)</b> Ik heb echter in de 2de uitgaaf van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”
-uiteengezet, waarom ik nu weinig vertrouwen stel in de opgeteekende gevallen van dergelijk
-opnieuw aangroeien. Desniettemin verdient het opmerking, in zoover als stilstand in
-de ontwikkeling en atavisme nauwverwante zaken zijn, dat verschillende organen die
-in een embryonalen toestand verkeeren of in ontwikkeling zijn blijven stilstaan, zooals
-een gekloofd verhemelte, dubbele uterus enz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, dikwijls gepaard gaan met polydactylisme. Hierop is met veel aandrang gewezen door
-Meckel en Isidore Geoffroy de St.-Hilaire. Voor het oogenblik is het echter het veiligst
-het denkbeeld geheel op te geven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen de ontwikkeling
-van overtallige vingers en terugkeer tot den eenen of anderen laag georganiseerden
-stamvader van den mensch (atavisme).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2812src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2862">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2862src">39</a></span> Zie Dr. A. Farre’s welbekend artikel in de „<span lang="en">Cyclop. of Anat. and Phys.</span>”, vol V, 1859, blz. 642. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III 1868, blz. 687;
-Prof. Turner in „<span lang="en">Edinburgh Medical Journal</span>”, Febr. 1865.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2862src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2875">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2875src">40</a></span> „<span lang="it">Anuario della Soc. dei Naturalisti in Modena</span>”, <span class="corr" id="xd31e2880" title="Bron: 1367">1867</span>, blz. 83. Prof. Canestrini geeft over dit onderwerp uittreksels uit verschillende
-gezaghebbende schrijvers. Laurillard merkt op, dat hij, daar hij een volkomen overeenkomst
-in vorm, afmetingen en verbindingswijze tusschen de beide jukbeenderen van verscheidene
-menschelijke individu’s en die van sommige apen heeft gevonden, die inrichting der
-deelen niet als een eenvoudig toeval kan beschouwen. Een andere verhandeling over
-de zelfde anomalie is door Dr. Saviotti publiek gemaakt in de „<span lang="it">Gazetta della cliniche</span>”, Turijn, 1871, waar hij zegt, dat sporen van de verdeeling worden gevonden bij omstreeks
-twee percent der schedels van volwassenen; hij merkt ook op, dat zij meer voorkomt
-bij prognathische schedels die niet tot het Arische ras behooren, dan bij andere.
-Zie ook G. Delorenzi over het zelfde onderwerp: „<span lang="it">Tre nuovi casi d’anomalia dell’osso malare</span>”, Modena, 1872. Ook E. Morselli, „<span lang="it"><span class="corr" id="xd31e2890" title="Bron: sopra">Sopra</span> una rara anomalia dell’osso malare</span>”, Turijn. 1872. Later heeft ook Gruber nog een brochure geschreven over de verdeeling
-van dit been. Ik doe deze aanhalingen, omdat een recensent, zonder eenige gronden
-of schroom, mijn beweringen in twijfel heeft getrokken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2875src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2901">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2901src">41</a></span> Een geheele reeks dergelijke gevallen wordt gegeven door Isid. Geoffroy St.-Hilaire,
-„<span lang="fr">Hist. des Anomalies</span>”, tome III, blz. 437. Een recensent („<span lang="en">Journal of Anat. and Phys.</span>”, 1871, blz. 366) keurt het zeer af<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat ik de talrijke gevallen die zijn opgeteekend van stilstand in ontwikkeling in
-verschillende deelen, niet heb besproken. Hij zegt, dat volgens mijn theorie „elke
-voorbijgaande toestand van een orgaan gedurende de ontwikkeling daarvan, niet slechts
-een middel voor een doel, maar op zich zelf een doel was.” Dit schijnt mij niet noodzakelijk
-juist te zijn. Waarom zouden geen afwijkingen voorkomen gedurende een vroeg ontwikkelingstijdperk,
-die in geen verband stonden tot atavisme; toch zouden zulke afwijkingen kunnen worden
-bewaard en opgehoopt als zij op eenige wijze nuttig waren, b.v. door den loop der
-ontwikkeling korter en eenvoudiger te maken? En waarom zouden van den anderen kant
-schadelijke afwijkingen, zooals geatrophieerde of gehypertrophieerde deelen, welke
-in geen verband staan tot een vroegeren toestand van bestaan, niet even goed in een
-vroeg tijdperk als gedurende den volwassen leeftijd voorkomen?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2901src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2915">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2915src">42</a></span> „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, 1868, blz. 323.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2915src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2921">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2921src">43</a></span> „<span lang="de">Generelle Morphologie</span>”, 1866, Bd. II, blz. clv.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2921src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2929">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2929src">44</a></span> Carl Vogt, „<span lang="en">Lectures on Man</span>”, Eng. vert. 1864, blz. 151.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2929src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2935">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2935src">45</a></span> C. Carter Bake, Over een kaak van la Naulette, „<span lang="en">Anthropolog. Review</span>”, 1867, p. 295; Schaaffhausen, ibid<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 1868, blz. 426.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2935src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2945">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2945src">46</a></span> „<span lang="en">The Anatomy of Expression</span>”, 1844, blz. 110, 131.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2945src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2953">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2953src">47</a></span> Aangehaald door Prof. Canestrini in het „<span lang="it">Annuario</span>” etc, 1867, blz. 90.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2953src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2968">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2968src">48</a></span> Deze verhandelingen verdienen zorgvuldig te worden bestudeerd door ieder die wenscht
-te leeren, hoe veelvuldig wijzigingen van ons spierstelsel voorkomen en hoe dikwijls
-het door die wijzigingen op dat der apen gelijkt. De volgende aanhalingen hebben betrekking
-op de weinige punten die ik heb behandeld in mijn tekst: „<span lang="en">Proc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Royal Soc.</span>” deel XIV, 1865, blz. 379–384, deel XV, 1866, blz. 241, 242, deel XV, 1867, blz.
-544, deel XVI, 1868, blz. 524. Ik kan hierbij voegen, dat Dr. Murie en de heer Sir
-George Mivart in hun verhandelingen over de Lemuroidea „<span lang="en">Transact. Zoolog. Soc.</span>”, deel VII, 1869, blz. 96, hebben aangetoond, in hoe buitengewone mate sommige spieren
-aan wijziging onderhevig zijn bij deze dieren, de laagste leden van de orde der Primaten.
-Wijzigingen in het spierstelsel, overeenkomende met de inrichting daarvan bij dieren
-die nog lager op den ladder staan, zijn bij de Lemuriden ook talrijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2968src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e2985">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2985src">49</a></span> Prof. Macalister in „<span lang="en">Proc. R. Irish Academy</span>”, deel X, 1868, blz. 124.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2985src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3002">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3002src">50</a></span> Prof. Macalister (ibid. blz, 124) heeft een tabel gemaakt van zijn waarnemingen en
-vindt, dat afwijkingen in het spierstelsel het veelvuldigst voorkomen in de voorarmen,
-in de tweede plaats in het gelaat, enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3002src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3007">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3007src">51</a></span> De weleerw. heer Dr. Haughton deelt („<span lang="en">Proc. R. Irish Academy</span>” 27 Juni 1864, blz. 715) een opmerkelijk geval van afwijking in den menschelijken
-<i lang="la">flexor pollicis longus</i> mede, en merkt daarbij op: „dit merkwaardige voorbeeld bewijst, dat de mensch somtijds
-in zijn duim en vingers de rangschikking der pezen kan bezitten, die het geslacht
-Macacus kenmerken, maar of zulk een geval moet worden beschouwd als een Macacus zich
-tot een mensch ontwikkelende, of als een mensch afdalende tot den Macacus, of als
-een aangeboren natuurspeling, durf ik niet zeggen.” Het doet mij genoegen, dat een
-zoo bekwaam ontleedkundige en een zoo verbitterd tegenstander van de ontwikkelingstheorie
-zelfs de mogelijkheid van de beide eerste stellingen aanneemt. Ook Prof. Macalister
-heeft („<span lang="en">Proc. R. Irish Acad.</span>”, deel X, 1864, blz. 188) wijzigingen in den <i lang="la">flexor pollicis longus</i> beschreven, merkwaardig door haar betrekkingen tot de zelfde spier bij de apen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3007src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3044">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3044src">52</a></span> De personen, op wier gezag deze verschillende stellingen rusten, zijn te vinden in
-mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 373–391.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3044src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3053">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3053src">53</a></span> Dit onderwerp is uitvoerig besproken in Hoofdstuk XXIII, Deel II, van mijn „Varieeren
-der Huisdieren en Cultuurplanten.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3053src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3061">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3061src">54</a></span> Zie het steeds gedenkwaardige: „<span lang="en">Essay on the Principle of Population</span>”, door den weleerw. heer T. Malthus, deel I, 1816, blz. 6, 517.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3061src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3077">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3077src">55</a></span> „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, Ned. Vert<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, blz. 98–101, 161.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3077src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3082">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3082src">56</a></span> De heer Sedgwick, „<span lang="en">British and Foreign Medico-Chirurg. Review</span>”, Juli 1863, blz. 1870.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3082src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3092">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3092src">57</a></span> „<span lang="en">The Annals of Rural Bengal</span>”, door W. Hunter, 1868, blz. 259.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3092src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3104">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3104src">58</a></span> „<span lang="en">Primitive Marriage</span>”, 1865.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3104src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3121">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3121src">59</a></span> Zie eenige goede opmerkingen hieromtrent door W. Stanley Jevons, „<span lang="en">A Deduction from Darwin’s Theory</span>”, „<span lang="en">Nature</span>”, 1869, blz. 231.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3121src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3130">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3130src">60</a></span> Latham, „<span lang="en">Man and his Migrations</span>”, 1851, blz. 135.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3130src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3136">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3136src">61</a></span> De heeren Murie en Mivart zeggen in hun „<span lang="en">Anatomy of the Lemuroïdea</span>” („<span lang="en">Transact. Zoolog. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, vol. VIII, 1869, blz. 96–98): „Sommige spieren komen zoo ongeregeld voor, dat zij
-niet goed tot een der bovenvermelde afdeelingen kunnen worden gebracht”<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Deze spieren verschillen zelfs bij een en het zelfde individu in de beide tegenovergestelde
-helften van het lichaam.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3136src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3152">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3152src">62</a></span> „<span lang="en">Quarterly Review</span>”, April, 1869, blz. 392. Dit onderwerp is uitvoeriger besproken in „<span lang="en">Contributions on the Theory of Natural Selection</span>”, 1870, van den heer Wallace, waarin al zijn in dit werk aangehaalde verhandelingen
-zijn herdrukt. Zijn verhandeling over den mensch is op zeer bekwame wijze gekritiseerd
-door Prof. Claparède, een der bekwaamste dierkundigen van Europa, in een artikel in
-de „<span lang="fr">Bibliothèque Universelle</span>”, Juni 1870. De in mijn tekst aangehaalde aanmerking zal iedereen verwonderen, die
-de beroemde verhandeling van den heer Wallace heeft gelezen over den oorsprong der
-menschenrassen, afgeleid uit de theorie der natuurlijke teeltkeus, oorspronkelijk
-geplaatst in de „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Mei 1864, blz. CLVIII. Ik kan, <span class="pageNum" id="pb80n">[<a href="#pb80n">80</a>]</span>mij niet weêrhouden hier met betrekking tot deze verhandeling een zeer juiste opmerking
-van Sir J. Lubbock („<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 1865, blz. 479) aan te halen, namelijk dat de heer Wallace, „met eigenaardige onbaatzuchtigheid,
-het” (het denkbeeld van de natuurlijke teeltkeus) „geheel en al aan den heer Darwin
-toeschrijft, hoewel hij, zooals wel bekend is, onafhankelijk van den heer Darwin op
-dat denkbeeld kwam en het tegelijkertijd met dezen, hoewel niet zoo zorgvuldig uitgewerkt,
-publiek maakte.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3152src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3179">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3179src">63</a></span> Aangehaald door den heer Lawson Tait in zijn <span lang="en">„<span lang="en">Law of Natural Selection</span><span class="corr" id="xd31e3185" title="Bron: ’">”</span>,—„<span lang="en">Dublin Quarterly Journal of Medical Science</span>”</span>, Febr. 1869. Ook Dr. Keller wordt met betrekking tot die zaak aangehaald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3179src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3197">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3197src">64</a></span> Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 71.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3197src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3207">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3207src">65</a></span> „<span lang="en">Quarterly Review</span>”, April 1869, blz. 392.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3207src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3215">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3215src">66</a></span> Bij <i>Hylobates syndactylus</i> zijn, zooals de naam uitdrukt, steeds twee der vingers aaneengegroeid, en de heer
-Blyth deelt mij mede, dat dit soms ook het geval is met de vingers van <i>H. agilis</i>, <i>Lar</i> en <i>leuciscus</i>. Bij Colobus ontbreekt ook de duim; deze apen leven voortdurend in de boomen en zijn
-bijzonder levendig (Brehm, „<span lang="de">Thierleben</span>”, Bd. I, blz. 50), maar of zij beter kunnen klimmen of grijpen dan de soorten van
-verwante geslachten, is onbekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3215src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3231">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3231src">67</a></span> Brehm, „<span lang="de">Thierleben</span>”, Bd. I, blz. 80.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3231src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3239">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3239src">68</a></span> „<span lang="en">The Hand, its Mechanism</span>”, etc., „<span lang="en">Bridgewater Treatise</span>”, 1813, blz. 38.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3239src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3250">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3250src">69</a></span> Haeckel bespreekt op uitnemende wijze de trappen, langs welke de mensch een tweevoetig
-dier werd: „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”, 1868, blz. 507. Dr. Büchner („<span lang="fr">Conférences sur la Théorie Darwinienne</span>”, 1869, blz. 35) heeft goede voorbeelden gegeven van het gebruik van den voet als
-een grijpwerktuig door den mensch; en ook van de wijze van loopen van de hoogere apen,
-waarop ik in de volgende alinea zinspeel. Zie over dit laatste onderwerp ook Owen
-(„<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 71).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3250src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3279">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3279src">70</a></span> „<span lang="en">On the Primitive Form of the Skull</span>”, vertaald in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Oct. 1868, blz. 528. Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. II, 1866, blz. 551, over de tepelvormige uitsteeksels bij de hoogere apen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3279src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3299">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3299src">71</a></span> „<span lang="de">Die Grenzen der Thierwelt, eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre</span>”, 1868, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 51.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3299src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3313">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3313src">72</a></span> Dujardin, „<span lang="fr">Annales des Sc. Nat.</span>”, 3rd series, Zoolog. tome XIV, 1850, blz. 203. Zie ook de heer Lowne, „<span lang="en">Anatomy and Phys. of the <i>Musca vomitoria</i></span>”, 1870, blz. 44. Mijn zoon, de heer F. Darwin, ontleedde voor mij de hersengangliën
-van <i>Formica rufa</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3313src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3327">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3327src">73</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>”, 1869, blz. 513.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3327src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3333">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3333src">74</a></span> Aangehaald in C. Vogt’s „<span lang="en">Lectures on Man</span>”, Eng. Vertaling, 1846, blz. 88, 90. Prichard, „<span lang="en">Phys. Hist of Mankind</span>”, vol. I, 1838, blz. 305.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3333src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3344">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3344src">75</a></span> In het belangwekkend artikel waarvan boven melding is gemaakt, heeft Prof. Broca terecht
-opgemerkt, dat bij beschaafde volken de gemiddelde inhoud van den schedel kleiner
-moet worden gemaakt door het behouden blijven van een aanmerkelijk aantal individu’s,
-zwak van lichaam en geest, die in den wilden staat spoedig te gronde zouden zijn gegaan.
-Van den anderen kant sluit bij wilden het gemiddelde alleen de verstandigste individu’s
-in, die in staat zijn geweest om te blijven leven onder uiterst harde levensvoorwaarden.
-Broca verklaart aldus het anders onverklaarbare feit, dat de gemiddelde schedelinhoud
-van de oude holbewoners van Lozère grooter is dan die der hedendaagsche Franschen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3344src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3354">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3354src">76</a></span> „<span lang="fr">Compt. Rend. des Séances</span>” enz., 1 Juni 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3354src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3366">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3366src">77</a></span> „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 145–149.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3366src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3376">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3376src">78</a></span> Schaaffhausen deelt de gevallen van de krampen en van het litteeken op gezag van Blumenbach
-en Busch mede in „<span lang="en">Anthropolog. Review</span>”, Oct. 1868, blz. 420. Dr. Jarrold („<span lang="en">Anthropologica</span>”, 1808, blz. 115, 116) verhaalt gevallen, door Camper en door hem zelf waargenomen,
-van schedelwijzigingen ten gevolge van een onnatuurlijke houding van het hoofd. Hij
-gelooft, dat sommige ambachten, zooals dat van schoenmaker, doordat zij medebrengen,
-dat men het hoofd gewoonlijk voorover houdt, het voorhoofd ronder en meer vooruitstekend
-maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3376src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3385">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3385src">79</a></span> „Varieeren der Huisdieren” enz., <span class="corr" id="xd31e3387" title="Bron: Ved.">Ned.</span> Vert, Deel I, blz. 137, over de verlenging <span class="corr" id="xd31e3390" title="Bron: vanden">van den</span> schedel; blz. 139, 146, over de gevolgen van het naar voren hangen van het oor.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3385src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3394">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3394src">80</a></span> Aangehaald door Schaaffhausen in „<span lang="en">Anthrop. Review</span>”, Oct. 1868, blz. 419.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3394src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3412">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3412src">81</a></span> Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 619.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3412src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3420">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3420src">82</a></span> Isidore Geoffroy St.-Hilaire maakt („<span lang="fr">Hist. Nat. Gén<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, tome II, 1859, blz. 215<span class="corr" id="xd31e3426" title="Bron: ">–</span>217) opmerkingen over het lange haar, waarmede ’s menschen hoofd bedekt is, en over
-het feit, dat de bovenste oppervlakten van apen en andere zoogdieren dichter met haar
-begroeid zijn dan de onderste oppervlakten. Dit is eveneens door verschillende andere
-schrijvers opgemerkt. Prof. Gervais („<span lang="fr">Hist. Nat. des Mammifères</span>”, tome I, 1854, blz. 28) deelt echter mede, dat bij den gorilla het haar dunner is
-op den rug, waar het gedeeltelijk is afgeschuurd, dan op de onderste oppervlakte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3420src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3433">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3433src">83</a></span> „<span lang="en">The Naturalist in Nicaragua</span>”, 1874, blz. 209. Eenigszins ter bevestiging van de meening van den heer Belt, kan
-ik de volgende plaats aanhalen uit Sir W. Denison („<span lang="en">Varieties of Vice Regal Life</span>”, vol. I, 1870, blz. 440): „Men zegt, dat de Nieuw-Hollanders gewoon zijn zich te
-zengen, als het ongedierte lastig wordt.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3433src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3455">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3455src">84</a></span> De heer H. George Mivart, „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc.</span>”, 1865, blz. 562, 583. Dr. J.&nbsp;E. Gray, „<span lang="en">Cat. Brit. Mus. <span class="corr" id="xd31e3462" title="Bron: Sketelons">Skeletons</span></span>”. Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. II, blz. 517. Isidore Geoffroy, „<span lang="fr">Hist. Nat. Gén.</span>”, tome II, blz. 244.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3455src" title="Ga terug naar noot 84 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3472">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3472src">85</a></span> „<span lang="fr">Revue d’Anthropologie</span>”, 1872; „<span lang="fr">La Constitution des Vertèbres Caudales</span>”.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3472src" title="Ga terug naar noot 85 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3490">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3490src">86</a></span> „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc.</span>”, 1872, blz. 210.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3490src" title="Ga terug naar noot 86 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3523">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3523src">87</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 311, 312.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3523src" title="Ga terug naar noot 87 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3553">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3553src">88</a></span> „Primeval Man”, 1869, blz. 66.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3553src" title="Ga terug naar noot 88 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3601">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3601src">89</a></span> <i>Bixia orellana.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3601src" title="Ga terug naar noot 89 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3686">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3686src">90</a></span> Volgens een verhandeling door hen voorgelezen op de vergadering te Philadelphia van
-de „<span lang="en">American Association for the Advancement of Science</span>”, 1884, zie ook „Nature”, 3 Nov. 1886.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3686src" title="Ga terug naar noot 90 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3723">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3723src">91</a></span> „<span lang="de"><span class="corr" id="xd31e3726" title="Bron: Verhandelingen">Verhandlungen</span> der Berliner Anthropol. Gesellsch.</span>” in het „<span lang="de">Zeitschrift für Ethnologie</span>” 1885, Heft V, blz. 434.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3723src" title="Ga terug naar noot 91 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e3848">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3848src">92</a></span> „<span lang="en">Evidence as to Man’s Place in Nature</span>”, blz. 157.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3848src" title="Ga terug naar noot 92 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e317">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den minst ontwikkelden
-wilde is verbazend groot.—Sommige instinkten zijn aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht
-tot navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen
-en wapenen door dieren gebruikt.—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof
-in God, in de werkzaamheid van geesten, bijgeloof.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij hebben in de beide vorige hoofdstukken gezien, dat de mensch in het maaksel van
-zijn lichaam duidelijke bewijzen draagt van zijn afstamming van dezen of genen lageren
-vorm; maar men zou kunnen aanvoeren, dat er eenige dwaling in deze gevolgtrekking
-moet zijn, daar de mensch, wat zijn geestvermogens aangaat, zoozeer van alle dieren
-verschilt. Ongetwijfeld is in dit opzicht het verschil verbazend groot, zelfs als
-wij de vermogens van een der minst ontwikkelde wilden, die geen woord heeft om eenig
-getal, grooter dan vier uit te drukken, en geen afgetrokken uitdrukkingen heeft voor
-de meest gewone voorwerpen of aandoeningen<a class="noteRef" id="xd31e4208src" href="#xd31e4208">1</a>, vergelijken met die van den hoogst georganiseerden aap. Het verschil zou ongetwijfeld
-nog verbazend groot blijven, zelfs wanneer een der hoogere apen evenzeer ontwikkeld
-of beschaafd was geworden, als een hond dat is geworden in vergelijking van zijn stamvorm,
-den wolf of den jakhals. De Vuurlanders behooren tot de laagste stammen van wilden;
-maar ik stond er onophoudelijk over verbaasd, hoezeer de drie tot dien stam behoorende
-menschen aan boord van Harer Majesteits stoomschip „Beagle” <b>(<a href="#en3.1" id="en3.1src">1</a>)</b>, <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>die eenige jaren in Engeland hadden geleefd en een weinig Engelsch konden spreken,
-op ons geleken in aanleg en in de meesten hunner geestvermogens. Indien geen organisch
-wezen, behalve de mensch, eenige geestvermogens bezat, of als zijn vermogens van een
-geheel anderen aard waren dan die der lagere dieren, zouden wij nimmer in staat zijn
-geweest om ons te overtuigen, dat onze groote vermogens zich trapsgewijze hadden ontwikkeld.
-Maar het is duidelijk aan te toonen, dat dergelijk fundamenteel verschil niet bestaat.
-Wij moeten derhalve aannemen, dat er een veel grooter tusschenruimte in geestvermogens
-bestaat tusschen een der laagste visschen, zooals een lamprei of een slakprik <b>(<a href="#en3.2" id="en3.2src">2</a>)</b>, en een der hoogere aapsoorten, dan tusschen een aap en den mensch; deze verbazend
-groote tusschenruimte wordt echter ingenomen door tallooze tusschentrappen.
-</p>
-<p>Het verschil in zedelijken aanleg is ook ver van gering tusschen een barbaar, zooals
-de man, door den ouden zeevaarder Byron beschreven, die zijn kind tegen de rotsen
-verbrijzelde, omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen, en een Howard of Clarkson;
-en evenzoo is er een groot verschil in verstandelijken aanleg tusschen een wilde die
-volstrekt geen afgetrokken uitdrukkingen kent, en een Newton of Shakespeare. Verschillen
-van deze soort tusschen de hoogst staande mannen van de meest ontwikkelde rassen en
-de laagste wilden worden door de fijnste overgangstrappen verbonden. Het is daarom
-mogelijk, dat zij in elkander kunnen overgaan en zich uit elkander ontwikkelen.
-</p>
-<p>In dit hoofdstuk is mijn doel alleen om aan te toonen, dat er ten opzichte van de
-geestvermogens tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren geen fundamenteel verschil
-bestaat. Ik zou elke onderafdeeling van dit hoofdstuk tot een afzonderlijke verhandeling
-hebben kunnen uitbreiden, maar zij moeten hier kort worden behandeld<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Daar geen klassificatie der geestvermogens algemeen is aangenomen, zal ik mijn opmerkingen
-rangschikken in de orde, welke het meest geschikt is voor mijn doel; en zal die feiten
-uitzoeken, die mij het meest hebben getroffen, in de hoop dat zij eenigen indruk op
-den lezer mogen maken.
-</p>
-<p>Wat die dieren aangaat, welke zeer laag op den ladder der wezens staan, zal ik nog
-eenige feiten hieraan toevoegen in de afdeeling over de seksueele teeltkeus, waaruit
-men zal zien dat hun geestvermogens hooger ontwikkeld zijn, dan men wellicht zou hebben
-verwacht. De verantwoordelijkheid van de vermogens bij de individu’s van eene en <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>de zelfde soort is voor ons een belangrijk punt en eenige weinige voorbeelden daarvan
-zullen hier worden gegeven. Het zou echter overbodig zijn hierover in vele bijzonderheden
-te treden; want ik heb door veelvuldig onderzoek bevonden, dat het de eenparige meening
-is van al degenen die lang dieren van verschillende soorten, vogels daaronder begrepen,
-hebben verzorgd, dat de individu’s in elk verstandelijk kenmerk onderling zeer verschillen.
-Het onderzoek naar de wijze waarop de verstandelijke vermogens zich het eerst bij
-de laagste organismen ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong
-van het leven. Dit zijn vraagstukken voor de verste toekomst, als zij zelfs ooit door
-den mensch zullen kunnen worden opgelost.
-</p>
-<p>Daar de mensch de zelfde zinnen bezit als de lagere dieren, moeten ook de indrukken,
-die de buitenwereld op hem maakt, in den grond der zaak de zelfden zijn. De mensch
-heeft dan ook sommige instinkten met hen gemeen, zooals dat van het zelfbehoud, de
-geslachtsdrift, de liefde van de moeder voor haar pasgeboren kroost, het vermogen
-van dit laatste om te zuigen, enz. De mensch heeft echter wellicht nog wat minder
-instinkten dan die, welke worden bezeten door de dieren die in de reeks het naast
-bij hem staan. De orang-oetan in Insulinde en de chimpanzee in Afrika bouwen platte
-nesten, waarop zij slapen; en, daar beide soorten die zelfde gewoonte hebben, zou
-men kunnen aanvoeren, dat die aan het instinkt was verschuldigd, maar wij kunnen er
-niet zeker van zijn, dat zij niet een gevolg daarvan is, dat beide dieren gelijksoortige
-behoeften en een gelijksoortig denkvermogen bezitten. Wij mogen aannemen, dat deze
-apen de vele vergiftige vruchten van de tropische gewesten vermijden, en de mensch
-bezit een dergelijke kennis niet; maar daar onze huisdieren, als men ze naar vreemde
-landen overbrengt en zij in het voorjaar voor het eerst worden losgelaten, dikwijls
-vergiftige kruiden eten die zij naderhand vermijden, kunnen wij er niet zeker van
-zijn, dat de apen niet door hun eigen ondervinding of door die van hun verwanten leeren,
-welke vruchten zij moeten uitzoeken. Het is echter zeker, zooals wij in dit hoofdstuk
-zullen zien, dat apen een instinktmatige vrees voor slangen hebben, en waarschijnlijk
-ook voor andere gevaarlijke dieren.
-</p>
-<p>Wanneer men de hoogere dieren met de lagere vergelijkt, is het opmerkelijk, hoeveel
-geringer in aantal en hoeveel eenvoudiger de instinkten der eersten zijn. Cuvier beweerde<a class="noteRef" id="xd31e4240src" href="#xd31e4240">2</a>, dat instinkt en verstand tot elkander <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>in omgekeerde verhouding stonden; en sommigen hebben gedacht, dat de verstandelijke
-vermogens der hoogere dieren zich langzamerhand uit hun instinkten hebben ontwikkeld.
-Pouchet heeft echter in een belangwekkende verhandeling aangetoond, dat een dergelijke
-omgekeerde verhouding in werkelijkheid niet bestaat. Die insektensoorten welke de
-verwonderlijkste instinkten bezitten, zijn ook ongetwijfeld de meest verstandige.
-In de reeks der gewervelde dieren bezitten de minst verstandige leden, namelijk de
-visschen en amphibieën, geen ingewikkelde instinkten; en onder de zoogdieren is dat
-dier hetwelk het opmerkelijkst is wegens zijn instinkt, namelijk de bever, ook zeer
-verstandig, zooals niemand zal ontkennen, die de uitnemende verhandeling van den heer
-Morgan over dit dier heeft gelezen.<a class="noteRef" id="xd31e4251src" href="#xd31e4251">3</a>
-</p>
-<p>Hoewel de eerste schemeringen van het verstand, volgens den heer Herbert Spencer<a class="noteRef" id="xd31e4259src" href="#xd31e4259">4</a>, ontwikkeld zijn geworden door de vermenigvuldiging en coördinatie van reflex-handelingen,
-en hoewel velen der eenvoudige instinkten trapsgewijze in dergelijke handelingen overgaan
-en nauwelijks van hen zijn te onderscheiden, zooals b.v. bij het zuigen van jonge
-dieren, schijnen toch de meer samengestelde instinkten oorspronkelijk onafhankelijk
-van het verstand te zijn ontstaan. Ik ben echter verre verwijderd van te willen ontkennen,
-dat instinktmatige handelingen hun vast en niet-aangeleerd karakter kunnen verliezen,
-en door andere worden vervangen, die met behulp van den vrijen wil worden volbracht.
-Van den anderen kant gaan sommige verstandige handelingen—zooals wanneer vogels op
-oceanische eilanden voor het eerst den mensch leeren vermijden—na gedurende vele generaties
-te zijn volbracht, in instinkten over en worden erfelijk<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Men kan dan zeggen, dat zij in innerlijke waarde zijn achteruitgegaan; want zij worden
-niet langer volbracht uit redeneering of uit ondervinding. Het grootste aantal der
-meer samengestelde instinkten schijnt echter op geheel verschillende wijze te zijn
-verkregen, namelijk doordat de natuur verscheidenheden met eenvoudiger instinktmatige
-handelingen voor de voortplanting uitkoos. Dergelijke verscheidenheden schijnen te
-zijn ontstaan door inwerking op de organisatie der hersenen van de zelfde onbekende
-oorzaken die geringe verscheidenheden of individueele verschillen in andere deelen
-van het lichaam voortbrengen, en onze onwetendheid geeft dikwijls aanleiding om te
-zeggen, dat deze verscheidenheden van zelf zijn ontstaan. Wij kunnen, <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>dunkt mij, tot geen ander besluit komen ten opzichte van den oorsprong van de meer
-samengestelde instinkten, als wij denken aan de verwonderlijke instinkten van onvruchtbare
-werkmieren en werkbijen, die geen kroost nalaten dat de uitwerkselen van ondervinding
-en gewijzigde gewoonten van hen kan erven.
-</p>
-<p>Hoewel voorzeker een hooge graad van verstand vereenigbaar is met het bestaan van
-ingewikkelde instinkten, zooals wij zien bij de daareven genoemde insekten en bij
-den bever, is het echter niet onwaarschijnlijk, dat zij tot op zekere hoogte elkanders
-ontwikkeling belemmeren. Er is nog weinig bekend van de functies der hersenen, maar
-wij kunnen nagaan, dat, als de verstandelijke vermogens zeer worden ontwikkeld, de
-verschillende deelen der hersenen ook door de meest ingewikkelde gemeenschapswegen
-moeten zijn verbonden; en ten gevolge daarvan zou elk afzonderlijk deel wellicht allengs
-minder goed geschikt worden om op een bepaalde, steeds gelijke, dat wil zeggen instinktmatige
-wijze te antwoorden op bijzondere gewaarwordingen en vereenigingen van indrukken.
-</p>
-<p>Ik heb gedacht, dat het de moeite waard was mij deze uitweiding te veroorloven, omdat
-wij de geestvermogens van de hoogere dieren en vooral van den mensch licht te gering
-zouden schatten, als wij hun handelingen, gegrond op de herinnering aan vroegere gebeurtenissen,
-op voorzorg, rede en verbeeldingskracht, vergelijken met volkomen gelijksoortige handelingen,
-die door de lagere dieren instinktmatig worden volbracht; in dit laatste geval is
-de geschiktheid om dergelijke handelingen te volbrengen stap voor stap verkregen door
-de variabiliteit der centrale deelen van het zenuwstelsel en door de natuurlijke teeltkeus,
-zonder eenige zelfbewuste verstandsinspanning van de zijde van het dier gedurende
-elke opeenvolgende generatie. Ongetwijfeld is, zooals de heer Wallace heeft aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e4273src" href="#xd31e4273">5</a>, veel van den door den mensch verrichten verstandelijken arbeid op nabootsing en
-niet op rede gegrond; maar er bestaat dit groote verschil tusschen zijn handelingen
-en velen van die, welke door de lagere dieren worden volbracht, dat de mensch, als
-hij het voor het eerst beproeft, bijvoorbeeld geen vuursteenwerktuig of kano kan vervaardigen
-door zijn vermogen van nabootsing. Hij moet zijn werk door de praktijk leeren; een
-bever daarentegen kan zijn beek of zijn vijver, en een vogel zijn nest, als hij het
-voor het <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>eerst beproeft, even goed of bijna even goed maken, als wanneer hij oud is en ondervinding
-heeft opgedaan. <b>(<a href="#en3.3" id="en3.3src">3</a>)</b>
-</p>
-<p>Om tot ons eigenlijk onderwerp terug te komen: de lagere dieren gevoelen ongetwijfeld,
-evenals de mensch, genoegen en verdriet, geluk en ongeluk. Geluk wordt nooit beter
-getoond dan door jonge dieren, zooals hondjes, katjes, lammeren enz, als zij met elkander
-spelen, evenals onze eigen kinderen. Zelfs insekten spelen met elkander, zooals is
-beschreven door P. Huber<a class="noteRef" id="xd31e4289src" href="#xd31e4289">6</a>, dien uitnemenden waarnemer, die zag hoe mieren elkander naliepen en zich hielden
-alsof zij elkander wilden bijten, evenals of het jonge hondjes waren.
-</p>
-<p>Het feit, dat de lagere dieren door de zelfde gemoedsaandoeningen worden aangedaan
-als wij, is zoo goed bewezen, dat het onnoodig zal zijn den lezer met vele bijzonderheden
-te vermoeien. Schrik werkt op hen op de zelfde wijze als op ons, doet hun spieren
-beven, hun hart kloppen, hun sluitspieren verslappen, hun haren te berge rijzen. Achterdocht,
-die dochter der vrees, is bijzonder kenmerkend voor vele wilde dieren. Het is, dunkt
-mij, onmogelijk om de mededeelingen van Sir E. Tennent omtrent het gedrag van vrouwelijke
-tamme olifanten die worden gebruikt om wilde mannelijke te lokken, te lezen, zonder
-te worden overtuigd, dat zij met voordacht bedrog plegen en wel weten wat zij doen.
-Moed en vreesachtigheid zijn hoedanigheden, die bij de individu’s van eene en de zelfde
-soort zeer verschillen, zooals duidelijk is te zien bij onze honden. Sommige honden
-en paarden hebben een slechte inborst en worden gemakkelijk kwaadaardig; anderen hebben
-een goede inborst; en deze hoedanigheden zijn ongetwijfeld erfelijk. Iedereen weet,
-hoe vatbaar dieren zijn voor woedenden toorn en hoe duidelijk zij dit toonen. Vele
-waarschijnlijk ware anekdoten zijn bekend omtrent lang uitgestelde en slim overlegde
-wraak van verschillende dieren. De nauwkeurige Rengger en Brehm<a class="noteRef" id="xd31e4299src" href="#xd31e4299">7</a> getuigen, dat de tamme Amerikaansche en Afrikaansche apen die zij bezaten, zich steeds
-poogden te wreken. Sir Andrew Smith, een dierkundige wiens strenge nauwgezetheid aan
-vele personen bekend is, verhaalde mij de volgende geschiedenis, waarvan hij zelf
-ooggetuige was. Aan de Kaap de Goede Hoop had een officier dikwijls zekeren baviaan
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>geplaagd. Toen op zekeren Zondag het dier hem, voor de parade gekleed, zag aankomen,
-wierp het water in een holte in den grond, maakte snel wat dikken modder en wierp
-dien behendig over den officier, toen deze voorbijging, tot groot vermaak van vele
-omstanders. Nog lang daarna verheugde zich de baviaan en keek zegepralend als hij
-zijn slachtoffer zag.
-</p>
-<p>De liefde van den hond voor zijn meester is bekend, gelijk een oud schrijver aardig
-zegt<a class="noteRef" id="xd31e4315src" href="#xd31e4315">8</a>: „Een hond is het eenige ding op deze aarde dat meer van u houdt dan van zich zelf.”
-Er bestaan voorbeelden, dat een hond in zijn doodsstrijd nog zijn meester liefkoosde,
-en iedereen heeft hooren spreken van dien hond, die, terwijl men een vivisectie op
-hem deed, niettegenstaande zijn lijden, de hand van den operateur likte; als deze
-man geen hart van steen heeft bezeten, moet hij tot aan zijn dood berouw hebben gevoeld.
-„Wie kan”, zooals Whewell<a class="noteRef" id="xd31e4327src" href="#xd31e4327">9</a> heeft opgemerkt, „als hij de treffende voorbeelden van moederlijke liefde leest,
-zoo dikwijls van vrouwen van alle natiën en van de wijfjes van alle dieren verhaald,
-betwijfelen dat het beginsel der handeling in beide gevallen het zelfde is?”
-</p>
-<p>Wij zien die moederlijke liefde tot in de nietigste kleinigheden uitblinken; zoo nam
-Rengger een Amerikaanschen aap (een <i>Cebus</i> soort) waar, die zorgvuldig de vliegen wegjoeg, die haar jong plaagden; en Duvaucel
-zag een soort van het geslacht <i>Hylobates</i> de aangezichten van haar jongen in een rivier wasschen. Zoo innig is de smart van
-wijfjesapen over het verlies harer jongen, dat zij steeds den dood veroorzaakte van
-sommige soorten die Brehm in N.-Afrika in gevangen staat bezat. Jonge apen die hun
-ouders hebben verloren, worden altijd geadopteerd en zorgvuldig beschermd door de
-andere apen, mannetjes zoo goed als wijfjes. Zekere wijfjesbaviaan had zulk een ruim
-hart, dat zij niet alleen jonge apen van andere soorten adopteerde, maar zelfs jonge
-honden en katten stal, die zij voortdurend bij zich droeg. Haar vriendelijkheid ging
-echter niet zoover, dat zij haar voedsel met haar aangenomen kroost deelde, waarover
-Brehm verwonderd was, daar zijn apen met hun eigen jongen alles altijd heel eerlijk
-deelden. Een der geadopteerde katjes krabde eens den bovenvermelden liefderijken baviaan,
-die zeker bijzonder verstandig was, want hij was <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>zeer verbaasd te worden gekrabd, onderzocht dadelijk de pooten van het katje, en beet
-er zonder zich verder te beklagen de nagels af<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In den Londenschen dierentuin hoorde ik van een oppasser, dat een oude wijfjesbaviaan
-(<i>C. chacma</i>) een <i>Rhesus</i>-aap had geadopteerd; maar toen men een jongen dril en jongen mandril <b>(<a href="#en3.4" id="en3.4src">4</a>)</b> in de zelfde kooi plaatste, scheen zij te begrijpen, dat deze apen, hoewel van een
-andere soort als zij, haar toch nader verwant waren; want opeens verstiet zij den
-jongen <i>Rhesus</i> en adopteerde den dril en mandril. Ik zag, dat de jonge <i>Rhesus</i> over deze verstooting zeer ontevreden was, en hij beproefde om, even als een stout
-kind, den jongen dril en mandril te plagen en aan te vallen, zoodra hij dit zonder
-gevaar doen kon, welk gedrag de verontwaardiging van den ouden baviaan opwekte. Apen
-verdedigen volgens Brehm ook hun meester, als deze door iemand wordt aangevallen,
-even goed als honden waaraan zij gehecht zijn, tegen de aanvallen van andere honden.
-Maar hier zouden wij vervallen tot het bespreken van het medegevoel, op welk onderwerp
-ik zal terugkomen. Sommigen van Brehm’s apen hadden er veel vermaak in om een ouden
-hond waarvan zij een afkeer hadden, en ook wel andere dieren, op verschillende slim
-bedachte wijzen te plagen.
-</p>
-<p>De meeste meer samengestelde gemoedsaandoeningen zijn aan de hoogere dieren en aan
-ons zelven gemeen. Iedereen heeft wel eens gezien, hoe naijverig een hond op de genegenheid
-van zijn meester is, als deze eenig ander wezen liefkoost; en ik heb het zelfde feit
-bij apen waargenomen. Dit toont, dat dieren niet slechts vatbaar zijn voor liefde,
-maar ook voor de begeerte om te worden bemind. De dieren gevoelen blijkbaar naijver.
-Zij worden gaarne geprezen, zijn gevoelig voor goedkeuring; en een hond, die voor
-zijn meester een mandje draagt, geeft blijken van in hooge mate met zich zelf tevreden
-en trotsch te zijn op hetgeen hij doet. Het kan, dunkt mij, aan geen twijfel onderhevig
-zijn, dat een hond schaamte gevoelt, afgescheiden van vrees, en ook iets dat zeer
-op bedeesdheid gelijkt, als hij te dikwijls om voedsel bedelt. Een groote hond veracht
-het brommen van een kleinen hond, en dit kan grootmoedigheid worden genoemd. Verscheidene
-waarnemers hebben getuigd, dat apen ongetwijfeld ongaarne worden uitgelachen; en soms
-vinden zij denkbeeldige beleedigingen uit. In den Londenschen dierentuin zag ik een
-baviaan, die altijd in woedenden toorn geraakte, als zijn oppasser een brief of een
-boek opnam en hem daaruit hardop voorlas; en die toorn was zoo hevig, dat hij, zooals
-ik bij een enkele <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>gelegenheid waarnam, in zijn eigen achterpoot beet, totdat het bloed vloeide. Honden
-vertoonen iets, dat gerust gevoel voor scherts mag worden genoemd en van eenvoudig
-spelen verschilt. Indien men een stukje hout of ander dergelijk voorwerp aan een hond
-toewerpt, zal hij het dikwijls een klein eindje wegdragen, het daarna op den grond
-in zijn onmiddellijke nabijheid neerleggen, gaan zitten en wachten tot zijn meester
-vlak bij hem is. Daarop zal de hond het weer pakken, in triomf wegloopen en de zelfde
-handeling later herhalen, en blijkbaar vermaak scheppen in zijn eigen schalkschheid.
-</p>
-<p>Wij zullen nu overgaan tot de meer verstandelijke gemoedsaandoeningen en vermogens,
-die zeer belangrijk zijn, daar zij den grondslag vormen voor de ontwikkeling der hoogere
-geestvermogens. Dieren worden gaarne aangespoord en lijden aan verveling, zooals men
-kan zien aan honden, en volgens Rengger aan apen. Alle dieren gevoelen <i>verwondering</i>, en vele toonen <i>nieuwsgierigheid</i>. Zij hebben soms nadeel van deze laatste hoedanigheid, zooals wanneer de jager grappen
-maakt en ze zoo lokt; ik heb dit gezien met hinden en het is ook het geval met de
-zoo voorzichtige gems en met sommige soorten van wilde eenden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Brehm geeft een merkwaardig verhaal van de instinktmatige vrees die zijn apen voor
-slangen vertoonden; maar hun nieuwsgierigheid was zoo groot, dat zij niet na konden
-laten tusschenbeide hun afschuw op zeer menschelijke wijze te toonen, door het deksel
-van de kist op te lichten, waarin zich de slangen bevonden. Ik was van dit verhaal
-zoo verbaasd, dat ik een opgezette slang in het apenhuis in den Londenschen dierentuin
-liet brengen, en de daardoor veroorzaakte opschudding was een van de merkwaardigste
-tooneelen die ik ooit zag. Drie soorten van Cercopithecus waren het meest verschrikt;
-zij sprongen in hun kooien rond onder het slaken van doordringende kreten om voor
-het gevaar te waarschuwen, en deze werden door de andere apen verstaan. Enkele jonge
-apen en een oude Anubis baviaan waren de eenigen die geen acht sloegen op de <span class="corr" id="xd31e4370" title="Bron: slamg">slang</span>. Toen plaatste ik het opgezette voorwerp op den grond in een der grootere hokken.
-Na korten tijd schaarden alle apen er zich kringsgewijze om heên en staarden het ingespannen
-en uitvorschend aan, hetgeen een allergrappigste vertooning vormde<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zij werden buitengewoon zenuwachtig, zoodat zij, als een houten bal, waarmede zij
-gewoon waren te spelen, toevallig werd bewogen in het stroo, waardoor hij gedeeltelijk
-was bedekt, allen dadelijk wegsprongen. Deze apen gedroegen zich geheel <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>anders, als een doode visch, een muis en eenige andere nieuwe voorwerpen in hun kooien
-werden geplaatst: want, hoewel eerst ook verschrikt, kwamen zij er in dit laatste
-geval weldra dichter bij, grepen ze met de handen aan en bekeken ze. Daarop plaatste
-ik een levende slang in een papieren zak, die van boven losjes weg was dichtgemaakt,
-in één der grootere hokken. Dadelijk naderde één der apen, opende den zak zeer voorzichtig
-een weinig, gluurde er even in en sprong dadelijk weg. Toen zag ik met eigen oogen
-hetgeen Brehm heeft beschreven; want de eene aap voor en de andere na konden de begeerte
-niet weêrstaan om, het hoofd omhoog houdende en naar den eenen kant wendende, even
-in den rechtopstaanden zak te gluren naar het vreeselijke voorwerp dat rustig op den
-bodem daarvan lag. Het heeft er zelfs iets van, alsof apen eenig begrip hebben van
-zoölogische verwantschap; want die welke Brehm bezat, vertoonden een vreemden, ofschoon
-misplaatst en, instinktmatigen afkeer van onschuldige hagedissen en kikvorschen. Er
-is ook een voorbeeld bekend van een orang, die zeer verschrikt was toen hij voor het
-eerst een schildpad zag.<a class="noteRef" id="xd31e4378src" href="#xd31e4378">10</a>
-</p>
-<p>Het beginsel van <i>nabootsing</i> is bij den mensch en vooral, gelijk ik zelf heb opgemerkt, bij den mensch in wilden
-staat, sterk ontwikkeld. Bij zekere ziekelijke toestanden van de hersenen neemt deze
-neiging in buitengewone mate toe; sommige lijders aan hemiplegie en anderen bootsen
-bij het begin van de ontstekingachtige hersenverweeking onbewust elk woord na, dat,
-hetzij in hun eigen, hetzij in een vreemde taal wordt gesproken, en elk gebaar of
-elke handeling die in hun nabijheid wordt gemaakt of gedaan. Desor<a class="noteRef" id="xd31e4388src" href="#xd31e4388">11</a> heeft opgemerkt, dat geen dier willekeurig uit zich zelf een door den mensch volbrachte
-handeling nabootst, totdat wij in de opklimmende reeks aan de apen komen, die, zooals
-zeer bekend is, belachelijke nabootsers zijn. Somtijds bootsen echter dieren elkanders
-handelingen na: zoo leerden twee soorten van wolven, die door honden waren opgevoed,
-blaffen, evenals ook de jakhals dit wel eens leert<a class="noteRef" id="xd31e4394src" href="#xd31e4394">12</a>, maar of dit een willekeurige nabootsing kan worden genoemd, is een andere vraag.
-Vogels bootsen den zang van hun verwanten en somtijds die van andere vogels na; en
-papegaaien bootsen, zooals bekend is, alle tonen na, die zij dikwijls <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>hooren. Dureau de la Malle verhaalt van een hond, die door een kat was grootgebracht<a class="noteRef" id="xd31e4399src" href="#xd31e4399">13</a>, die de welbekende kattengewoonte nabootste om de pooten te likken en daarmede ooren
-en gelaat te wasschen; dit werd ook waargenomen door den beroemden natuuronderzoeker
-Audouin. Ik heb verschillende bevestigingen hiervan ontvangen; in een daarvan was
-een hond niet door een kat gezoogd, maar was er door een grootgebracht, gezamenlijk
-met haar eigen jongen, en had daardoor bovengenoemde gewoonte aangenomen, die hij
-later gedurende de dertien jaar dat hij leefde, voortdurend bleef in praktijk brengen.
-Dureau de la Malle’s hond leerde ook van de katjes met een bal spelen, door dien met
-zijn voorpooten voort te rollen en er op te springen. Een mijner correspondenten verzekert
-mij, dat een kat te zijnen huize de gewoonte had om haar pooten te steken in melkkannen,
-waarvan de opening te nauw was om haar kop door te laten. Een jong van deze kat leerde
-spoedig het zelfde kunstje en bracht het later altijd in praktijk, zoo dikwijls het
-er gelegenheid toe vond.
-</p>
-<p>Men kan zeggen, dat bij vele dieren de ouders, vertrouwende op het beginsel van nabootsing,
-en meer bijzonder op instinktmatige en overgeërfde eigenschappen hunner jongen, deze
-opvoeden. Wij zien dit als een kat haar jongen een levende muis brengt; en Dureau
-de la Malle deelt in de bovenaan gehaalde verhandeling zijn merkwaardige waarnemingen
-mede omtrent valken, die hun jongen behendigheid en het beoordeelen van afstanden
-leerden, door eerst doode muizen en musschen door de lucht te laten vallen, in het
-vangen waarvan de jongen over het algemeen niet slaagden, en hun daarna levende vogels
-te brengen en die los te laten.
-</p>
-<p>Nauwelijks eenig vermogen is belangrijker voor de verstandelijke ontwikkeling van
-den mensch dan dat van de <i>oplettendheid</i>. Dieren toonen blijkbaar dat vermogen te bezitten, een kat bijvoorbeeld als zij bij
-een muizengat op de loer ligt, en zich gereed houdt om haar prooi te bespringen. Wilde
-dieren zijn somtijds in dergelijke gevallen zoozeer in hun gedachten verdiept, dat
-men ze dan gemakkelijk kan naderen. De heer Bartlett gaf mij een merkwaardig bewijs
-hoe verschillend deze eigenschap bij apen is. Een man, die apen opleidde voor een
-apenspel, was gewoon de gewone soorten van de Zoölogische Vereeniging te koopen voor
-den prijs van vijf pond sterling per stuk; maar hij bood aan <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>den dubbelen prijs te geven, als hij vier of vijf apen een dag of wat bij zich mocht
-houden, en er daarna een uitkiezen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Toen men hem vraagde, hoe het mogelijk was, dat hij zoo spoedig kon te weten komen,
-of de eene of andere aap een goeden aanleg voor het tooneel had, antwoordde hij, dat
-alles afhing van hun vermogen van oplettendheid. Indien, wanneer hij een aap iets
-zeide en verklaarde, de oplettendheid van het dier gemakkelijk werd afgetrokken, bijvoorbeeld
-door een vlieg op den muur of eenige andere nietigheid, dan was het geval hopeloos.
-Indien hij trachtte een onoplettenden aap door bestraffing voor het tooneel af te
-richten, dan werd het dier kwaadaardig. Een aap daarentegen die zorgvuldig oplette,
-als hij tegen hem sprak, kon altijd worden afgericht.
-</p>
-<p>Het is bijna overbodig om uiteen te zetten, dat dieren een uitnemend <i>geheugen</i> voor personen en plaatsen hebben. Sir Andrew Smith heeft mij medegedeeld, dat een
-baviaan hem aan de Kaap de Goede Hoop met vreugde herkende na een afwezigheid van
-negen maanden. Ik had een hond, die kwaadaardig was en een afkeer van alle vreemdelingen
-had, en beproefde met voordacht zijn geheugen na een afwezigheid van vijf jaren en
-twee dagen. Ik ging naar den stal, waarin hij zich bevond en riep hem op mijn oude
-manier: hij vertoonde geen vreugde, maar volgde mij dadelijk op mijn wandeling en
-gehoorzaamde mij, evenals of ik eerst een half uur te voren van hem was weggegaan.
-Een aaneenschakeling van gedachten, die vijf jaar lang had geslapen, was dus oogenblikkelijk
-weder in zijn geest ontwaakt. P. Huber<a class="noteRef" id="xd31e4418src" href="#xd31e4418">14</a> heeft duidelijk aangetoond, dat zelfs mieren andere mieren van het zelfde nest na
-een scheiding van vier maanden herkennen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Dieren kunnen ongetwijfeld op de eene of andere wijze de tijdsruimten beoordeelen,
-die tusschen periodiek terugkeerende gebeurtenissen verloopen. <b>(<a href="#en3.5" id="en3.5src">5</a>)</b>
-</p>
-<p>De <i>verbeeldingskracht</i> is een der grootste voorrechten van den mensch. Door dit vermogen verbindt hij, onafhankelijk
-van zijn wil, vroegere beelden en ideeën en schept daardoor schitterende en nieuwe
-uitkomsten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> „Een dichter”, zooals Jean Paul Richter opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e4439src" href="#xd31e4439">15</a>, „die er over moet nadenken, of hij een zijner personen ja of neen zal laten zeggen—moet
-naar den duivel loopen, hij is slechts een dom lijk.” Het droomen geeft ons het beste
-denkbeeld van dit vermogen; zooals Jean Paul <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>op een andere plaats zegt: „Droomen is een onwillekeurige dichterlijke handeling.”
-De waarde van de voortbrengselen onzer verbeeldingskracht hangt natuurlijk af van
-het aantal, de nauwkeurigheid en de helderheid onzer indrukken, van ons oordeel en
-onzen smaak in het uitkiezen en verwerpen van onwillekeurige gedachtenverbindingen,
-en tot op zekere hoogte van ons vermogen om ze willekeurig te verbinden. Daar honden,
-katten, paarden en waarschijnlijk al de hoogere dieren, zelfs vogels, naar door bevoegde
-autoriteiten wordt getuigd<a class="noteRef" id="xd31e4448src" href="#xd31e4448">16</a>, levendige droomen hebben, en dit blijkt uit hun bewegingen en de kreten die zij
-slaken, moeten wij hieruit opmaken, dat zij eenige verbeeldingskracht bezitten. Er
-moet een bijzondere oorzaak zijn, waarom honden ’s nachts huilen, en vooral bij maneschijn
-op die bijzondere en zwaarmoedige manier, die men janken noemt. Alle honden doen dit
-niet; en volgens Houzeau<a class="noteRef" id="xd31e4458src" href="#xd31e4458">17</a> kijken zij dan niet naar de maan, maar naar een of ander vast punt nabij den horizon.
-Houzeau denkt, dat hun verbeeldingskracht op een dwaalspoor wordt gebracht door de
-onbestemde omtrekken der omringende voorwerpen, en dat deze fantastische beelden voor
-hun geest doen verrijzen; indien dit zoo is, kan men hun gevoelens bijna bijgeloof
-noemen.
-</p>
-<p>Van alle vermogens van den menschelijken geest zal men, naar ik onderstel, wel aannemen,
-dat de <i>rede</i> het hoogste staat. Bijna niemand betwijfelt meer, dat de dieren eenigszins het vermogen
-bezitten om te redeneeren. Men kan voortdurend dieren zien aarzelen, bij zich zelven
-overleggen en een besluit nemen. Het is een veelbeteekenend feit, dat, hoe meer de
-gewoonten van het eene of andere bijzondere dier door een natuuronderzoeker worden
-bestudeerd, hoe meer hij toeschrijft aan redeneering, en hoe minder aan aangeboren
-instinkten.<a class="noteRef" id="xd31e4469src" href="#xd31e4469">18</a> In volgende hoofdstukken zullen wij zien, dat sommige dieren, die uiterst laag op
-de ladder staan, een zekere hoeveelheid rede schijnen te vertoonen. Ongetwijfeld is
-het dikwijls moeilijk om de uitwerkselen der rede en die van het instinkt van elkander
-te onderscheiden. Zoo merkt Dr. Hayes in zijn werk over „de open Poolzee” herhaaldelijk
-op, dat zijn honden, als zij aan dun ijs kwamen, in plaats van voort <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>te gaan met de sleden in dichten drom voort te trekken, uiteengingen en zich van elkander
-verwijderden, opdat hun gewicht meer gelijkelijk zou worden verdeeld. Dit was dikwijls
-de eerste waarschuwing en het eerste teeken waaraan de reizigers bemerkten, dat het
-ijs dun en gevaarlijk werd. Deden de honden dit nu uithoofde van de ondervinding van
-elk individu of op het <span class="corr" id="xd31e4477" title="Bron: voorheeld">voorbeeld</span> van oudere en wijzere honden, of uit een overgeërfde gewoonte, dat wil zeggen uit
-instinkt? Dit instinkt zou wellicht kunnen zijn ontstaan sedert den reeds lang geleden
-tijd, dat de inboorlingen voor het eerst honden gebruikten om hun sleden voort te
-trekken; of wellicht hebben de poolwolven, de stamvorm van de honden der Eskimo’s,
-dit instinkt gekregen, dat hen aandreef hun prooi op dun ijs niet in een dichten drom
-aan te vallen.
-</p>
-<p>Wij kunnen alleen uit de omstandigheden waaronder handelingen worden volvoerd, besluiten
-of zij door instinkt, door rede of eenvoudig door associatie van denkbeelden worden
-verricht; dit laatste beginsel staat echter in innig verband met rede. Prof. Möbius<a class="noteRef" id="xd31e4482src" href="#xd31e4482">19</a> deelt een merkwaardig geval mede van een snoek, die door een glasplaat was gescheiden
-van een met visschen gevuld aquarium, en die, trachtende de andere visschen te vangen,
-zich dikwerf met zooveel kracht tegen het glas aanwierp, dat hij somtijds volkomen
-bedwelmd werd. De snoek ging daarmede drie maanden lang voort, maar leerde ten laatste
-voorzichtig te zijn en hield er mede op. De glasplaat werd daarop weggenomen, maar
-de snoek viel deze bijzondere visschen niet aan, hoewel hij wel andere verslond, die
-er later werden ingebracht; zoo sterk was het denkbeeld van een hevigen schok in zijn
-zwakken geest geassocieerd met een aanval op zijn vroegere buurlieden. Indien een
-wilde die nooit een groote spiegelruit had gezien, er zich eens tegen stootte, zou
-hij langen tijd daarna het denkbeeld van een schok associeeren met dat van een spiegelruit;
-maar zeer verschillend van den snoek, zou hij waarschijnlijk nadenken over den aard
-van het beletsel en onder dergelijke omstandigheden voorzichtig zijn. Nu is bij apen,
-gelijk wij thans zullen zien, een pijnlijke of ook eenvoudig onaangename indruk van
-een eens volbrachte handeling dikwijls voldoende om te maken, dat het dier die handeling
-niet andermaal volbrengt. Indien wij het verschil tusschen den aap en den snoek alleen
-daaraan toeschrijven, dat de associatie van denkbeelden bij den een zooveel sterker
-<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>en blijvender is dan bij den ander, hoewel de snoek dikwijls veel erger letsel bekwam,
-kunnen wij dan in het geval van den mensch volhouden, dat een dergelijk verschil het
-bezit van een fundamenteel verschillenden geest bewijst?
-</p>
-<p>Houzeau<a class="noteRef" id="xd31e4492src" href="#xd31e4492">20</a> verhaalt, dat, terwijl hij een uitgestrekte en dorre vlakte in Texas overtrok, zijn
-beide honden erg aan dorst leden, en dat zij tusschen de dertig en veertig malen naar
-lagere plekken renden om water te zoeken. Deze lagere plekken waren geen valleien,
-en er stonden geen boomen op, noch eenige andere verschillende plantengroei, en daar
-zij volkomen droog waren, kan het er ook niet naar vochtige aarde hebben geroken.
-De honden gedroegen zich, alsof zij wisten, dat een laagte in den grond hun de beste
-kans aanbood, om water te vinden, en Houzeau heeft dikwijls opgemerkt, dat ook andere
-dieren zich op de zelfde wijze gedroegen.
-</p>
-<p>Ik, en ik durf zeggen ook anderen, hebben gezien, dat als een klein voorwerp op den
-grond wordt geworpen buiten het bereik van een der olifanten in den Londenschen dierentuin,
-hij door zijn snuit blaast op den grond voorbij dat voorwerp, zoodat de naar alle
-zijden teruggekaatste luchtstroom het voorwerp binnen zijn bereikt drijft. Een welbekend
-ethnoloog, de heer Westrop, meldt mij, dat hij te Weenen een beer waarnam, die met
-voordacht met zijn klauw een stroom veroorzaakte in eenig water, dat dicht bij de
-tralies van zijn hok was, om een stuk brood, dat er in dreef, binnen zijn bereik te
-brengen. Deze handelingen van den olifant en beer kunnen moeilijk aan instinkt of
-overgeërfde gewoonte worden toegeschreven, daar zij een dier in den natuurstaat van
-weinig nut zouden zijn. Wat is nu het verschil tusschen dergelijke handelingen, als
-zij door een onbeschaafd mensch, en als zij door een der hoogere dieren worden verricht?
-</p>
-<p>De wilde en de hond hebben water gevonden op een laag peil, en deze beide zaken zijn
-in hun geest geassocieerd geworden. Een beschaafd mensch zou daaruit wellicht daarover
-de eene of andere algemeene gevolgtrekking afleiden; maar al wat wij van wilden weten,
-maakt het uiterst twijfelachtig of deze zulks zouden doen, en een hond zou het stellig
-niet doen. Maar een wilde, zoowel als een hond, zoude op de zelfde wijze water zoeken,
-al werden zij dikwijls teleurgesteld; en bij beiden schijnt dit gelijkelijk een redelijke
-handeling te zijn, <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>hetzij eenige algemeene gevolgtrekking omtrent het verband tusschen beide feiten al
-dan niet bewust in hun geest bestond.<a class="noteRef" id="xd31e4503src" href="#xd31e4503">21</a> Het zelfde zou van toepassing zijn op den olifant en den beer, die stroomen veroorzaken
-in de lucht of het water. De wilde zou zeker noch weten, noch er belang in stellen
-te weten, door welke wet de gewenschte bewegingen tot stand kwamen; toch zou deze
-handeling worden geleid door een ruw proces van redeneeren, even zeker als een wijsgeer
-in zijn langste keten van syllogismen. Er zou ongetwijfeld dit verschil zijn tusschen
-hem en een van de hoogere dieren, dat hij op veel geringer omstandigheden en voorwaarden
-zou letten, en elk verband tusschen deze na veel minder ervaring zou opmerken, en
-dit zou van het grootste belang zijn. Ik hield een dagboek van de handelingen van
-een mijner kinderen, en toen het omstreeks elf maanden oud was, en vóór het een enkel
-woord kon spreken, werd ik voortdurend getroffen door de grootere snelheid, waarmede
-allerlei voorwerpen en geluiden in zijn geest met elkander werden geassocieerd, in
-vergelijking van die van de verstandigste honden die ik ooit heb gekend. Maar de hoogere
-dieren verschillen op volkomen de zelfde wijze in dit vermogen van associatie, zoowel
-als in dat van gevolgtrekkingen te maken en waarnemingen te doen, van die welke laag
-op de ladder staan, gelijk de snoek.
-</p>
-<p>De besluiten der rede, na zeer korte ervaring, worden goed aangetoond door de volgende
-handelingen van Amerikaansche apen, die in hun orde een lage plaats innemen. Rengger,
-een zeer zorgvuldig waarnemer, verhaalt, dat zijn apen, toen hij hun voor de eerste
-maal eieren gaf, die stuk wierpen en daardoor veel van den inhoud verloren; later
-sloegen zij ze voorzichtig met het eene einde tegen het eene of andere harde lichaam,
-en pelden de stukken van de schaal met hun vingers af. Na zich slechts eens met een
-scherp werktuig te hebben gesneden, raakten zij het nooit meer aan zonder het met
-de grootste voorzichtigheid te behandelen. Dikwijls werden hun klontjes suiker, in
-papier gewikkeld, gegeven; en soms deed Rengger een levende wesp in het papier, zoodat
-zij, als zij het haastig openmaakten, werden gestoken; nadat dit eens was gebeurd,
-hielden zij het papier altijd eerst aan het oor, om te hooren, of er eenige beweging
-<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>in was. Iemand die door feiten als deze en door hetgeen hij bij zijn eigen honden
-kan waarnemen, niet wordt overtuigd dat dieren kunnen redeneeren, zou door niets dat
-ik er nog bij zou kunnen voegen, worden overtuigd.
-</p>
-<p>De volgende gevallen hebben op honden betrekking. De heer Colquhoun<a class="noteRef" id="xd31e4521src" href="#xd31e4521">22</a> kwetste twee wilde eenden aan den vleugel, en zij vielen aan de overzijde van een
-beek; zijn jachthond beproefde ze beide tegelijk daarover te brengen, maar kon dit
-niet gedaan krijgen; daarop doodde hij de eene, hoewel hij vroeger nooit een veêrtje
-van het wild had beschadigd, bracht de andere over en keerde terug om den dooden vogel
-te halen. Kol. Hutchinson verhaalt, dat hij eens twee patrijzen tegelijk schoot, de
-eene was gedood, de andere slechts gekwetst; deze laatste liep weg en werd door den
-jachthond gepakt, die bij zijn terugkeeren den dooden vogel vond liggen; „hij bleef
-klaarblijkelijk zeer in verlegenheid staan, en toen hij, na het eens of tweemaal te
-hebben beproefd, bemerkte, dat hij hem niet op kon nemen zonder den gekwetsten vogel
-te laten ontsnappen, bedacht hij zich een oogenblik, doodde toen dezen laatsten koelbloedig
-door een fikschen beet en apporteerde daarna beide tegelijk. Dit was het eenige bekende
-voorbeeld, dat hij willens eenig wild beschadigde.” Hier hebben wij rede, schoon geen
-volmaakte, want de hond had eerst den gekwetsten vogel kunnen apporteeren, en dan
-terugkeeren om den dooden te halen, zooals in het geval van de twee wilde eenden.
-Ik deel de bovengenoemde gevallen mede, omdat zij berusten op de getuigenis van twee
-van elkander onafhankelijke waarnemers, en omdat in beide gevallen de jachthonden,
-na er over te hebben nagedacht, braken met een gewoonte die zij hadden overgeërfd
-(om namelijk het wild dat zij apporteerden, niet te dooden) en omdat zij toonen, hoe
-sterk hun redeneerend vermogen moet zijn geweest om een vaste gewoonte daardoor te
-laten varen.
-</p>
-<p>Ik wil besluiten door een opmerking van den beroemden Humboldt<a class="noteRef" id="xd31e4532src" href="#xd31e4532">23</a> aan te halen. De muilezeldrijvers in Zuid-Amerika zeggen: „Ik zal u niet den muilezel
-geven, die den gemakkelijksten stap heeft, maar <i lang="es">la mas racional</i>,—de redelijkste”, en, gelijk hij er bij voegt: „deze populaire uitdrukking, ingegeven
-door lange ondervinding, bestrijdt het <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>stelsel der levende werktuigen (automaten) wellicht beter dan al de bewijsgronden
-der bespiegelende wijsbegeerte.” Toch ontkennen sommige schrijvers zelfs nu nog, dat
-de hoogere dieren een spoor van rede bezitten, en zij trachten door iets dat op bloote
-breedsprakigheid gelijkt, al zulke feiten als boven zijn gegeven, weg te redeneeren.
-</p>
-<p>Het is, dunkt mij, nu bewezen, dat de mensch en de hoogere dieren, vooral de Primaten,
-eenige weinige instinkten gemeen hebben. Allen hebben zij de zelfde zinnen, wijzen
-van waarneming en gewaarwordingen—gelijksoortige hartstochten, neigingen en gemoedsaandoeningen,
-zelfs de meer samengestelde; zij gevoelen verwondering en nieuwsgierigheid; zij bezitten
-de zelfde vermogens van nabootsing, oplettendheid, geheugen, verbeeldingskracht en
-rede, hoewel in zeer verschillende graden. Toch hebben vele schrijvers volgehouden,
-dat de mensch door zijn geestelijke vermogens door een onoverkomelijken slagboom van
-alle lagere dieren is gescheiden. Ik heb vroeger eens een verzameling gemaakt van
-meer dan twintig dergelijke aphorismen, maar zij zijn niet waard hier te worden medegedeeld,
-daar hun verbazend verschil en hun aantal de moeilijkheid, zoo niet de onmogelijkheid
-der poging bewijzen. Men heeft verzekerd, dat alleen de mensch vatbaar is voor trapsgewijze
-ontwikkeling, dat hij alleen werktuigen en het vuur gebruikt, andere dieren temt,
-eigendom bezit of een taal gebruikt; dat geen ander dier zelfbewust is, zich zelf
-begrijpt, het vermogen heeft afgetrokken denkbeelden te vormen, of algemeene begrippen
-bezit; dat de mensch alleen schoonheidsgevoel heeft, onderhevig is aan luimen, het
-gevoel van dankbaarheid, den trek naar het geheimzinnige bezit, enz., in God gelooft
-of met een geweten begaafd is. Ik zal mij eenige weinige opmerkingen veroorloven over
-de voornaamsten en belangrijksten van deze punten.
-</p>
-<p>De aartsbisschop Summer<a class="noteRef" id="xd31e4546src" href="#xd31e4546">24</a> hield vroeger vol, dat alleen de mensch vatbaar is voor trapsgewijze ontwikkeling.
-Als wij bij de dieren eerst de individu’s beschouwen, dan weet ieder die eenige ondervinding
-heeft in het zetten van vallen, dat jonge dieren zich veel gemakkelijker laten vangen
-dan oude, en dat hun vijanden hen ook veel gemakkelijker kunnen naderen. Zelfs bij
-oude dieren is het onmogelijk velen op de zelfde plaats en in de zelfde soort van
-val te vangen, of hen met het zelfde soort van vergif te vernielen; en toch is het
-onwaarschijnlijk, <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>dat allen het vergif zouden hebben geproefd, en onmogelijk, dat allen in de val gevangen
-zouden zijn geweest. In Noord-Amerika, waar men sinds lang op de pelsdragende dieren
-heeft gejaagd, vertoonen zij volgens de eenparige getuigenis van alle waarnemers een
-bijna ongelooflijken vooruitgang in scherpzinnigheid, voorzichtigheid en geslepenheid,
-maar het zetten van vallen is daar zoo langen tijd in gebruik, dat hier wel erfelijk
-geworden eigenschappen in het spel kunnen zijn. <b>(<a href="#en3.6" id="en3.6src">6</a>)</b> Ik heb verschillende mededeelingen ontvangen, dat, wanneer in de eene of andere streek
-pas telegrafen zijn aangelegd, vele vogels zich zelf dooden door tegen de draden te
-vliegen, maar dat zij na verloop van zeer weinige jaren dit gevaar leeren vermijden,
-naar het schijnt daar zij zien dat hun kameraden worden gedood.<a class="noteRef" id="xd31e4560src" href="#xd31e4560">25</a>
-</p>
-<p>Als wij opeenvolgende generaties beschouwen, valt het niet te betwijfelen, dat vogels
-en andere dieren omzichtigheid jegens den mensch en andere vijanden<a class="noteRef" id="xd31e4569src" href="#xd31e4569">26</a> zoowel kunnen verkrijgen als verliezen; en deze omzichtigheid is zeker voornamelijk
-een overgeërfde gewoonte of instinkt, maar gedeeltelijk het resultaat van individueele
-ondervinding. Een goed waarnemer, Leroy<a class="noteRef" id="xd31e4575src" href="#xd31e4575">27</a>, getuigt, dat in streken, waar veel vossenjachten worden gehouden, de jonge vossen,
-als zij voor het eerst hun holen verlaten, ongetwijfeld veel voorzichtiger zijn dan
-de oude in streken waar zij niet veel worden verontrust.
-</p>
-<p>Onze huishonden stammen van wolven en jakhalzen af<a class="noteRef" id="xd31e4582src" href="#xd31e4582">28</a>, en hoewel zij wellicht geen vorderingen hebben gemaakt in geslepenheid en misschien
-zijn achteruitgegaan in omzichtigheid en achterdochtigheid, zijn zij vooruitgegaan
-in sommige zedelijke hoedanigheden, zooals in aanhankelijkheid, trouw, karakter en
-waarschijnlijk in algemeene verstandelijke ontwikkeling. De gewone rat <b>(<a href="#en3.7" id="en3.7src">7</a>)</b> heeft door geheel Europa, in gedeelten van Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland, en onlangs
-in Formosa, zoowel als op het vasteland van China verschillende andere soorten overwonnen
-en uitgeroeid. De heer Swinhoe<a class="noteRef" id="xd31e4591src" href="#xd31e4591">29</a>, die deze laatste gevallen <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>beschrijft, schrijft de overwinning van de gewone rat over den grooten <i>Mus coninga</i> toe aan haar grootere omzichtigheid, en deze laatste hoedanigheid kan worden toegeschreven
-aan de voortdurende oefening van al haar vermogens om haar uitroeiing door den mensch
-tegen te gaan, zoowel als aan het achtereenvolgens dooden door dezen van bijna alle
-ratten die minder omzichtig of zwak van geestvermogens zijn. Zonder eenig direct bewijs
-vol te houden, dat geen dier gedurende den loop der eeuwen in verstand of andere zielsvermogens
-is vooruitgegaan, staat gelijk met de verandering der soorten weg te cijferen. Wij
-zullen hieronder zien, dat volgens Lartet de bestaande zoogdieren van verschillende
-orden grooter hersenen bezitten dan hun oude tertiaire stamvormen.
-</p>
-<p>Men heeft dikwijls gezegd, dat geen enkel dier werktuigen gebruikt, maar de chimpanzee
-kraakt in zijn natuurstaat een vrucht uit zijn eigen vaderland, die wel wat op een
-walnoot gelijkt, door middel van een steen.<a class="noteRef" id="xd31e4604src" href="#xd31e4604">30</a> Rengger<a class="noteRef" id="xd31e4611src" href="#xd31e4611">31</a> leerde een Amerikaanschen aap om op die wijze harde palmnoten open te breken en daarna
-gebruikte deze uit eigen beweging steenen om andere soorten van noten, en ook doozen
-te openen. Hij verwijderde op die wijze ook de zachte schil van zekere vrucht, die
-een onaangenamen smaak had. Een andere aap werd geleerd om het deksel van een groote
-kist met een stok te openen, en daarna gebruikte hij den stok als een hefboom om zware
-lichamen op te lichten; en ik heb zelf gezien, hoe een jonge orang een stok in een
-spleet stak, zijn hand naar het andere einde verschoof en hem daarna op de juiste
-wijze als een hefboom gebruikte. Het is welbekend, dat in Indië de tamme olifanten
-boomtakken afbreken en die gebruiken om de vliegen te verdrijven; en de zelfde handeling
-is waargenomen bij een olifant in den natuurstaat.<a class="noteRef" id="xd31e4619src" href="#xd31e4619">32</a> Ik heb een jong orangwijfje gezien, dat als het dacht dat het slaag zou krijgen,
-zich met een laken of met stroo bedekte en beschermde. In de bovengenoemde gevallen
-dienden de steenen en stokken tot werktuigen; maar zij worden ook tot wapens gebruikt.
-Brehm<a class="noteRef" id="xd31e4625src" href="#xd31e4625">33</a> deelt op gezag van den welbekenden reiziger Schimper mede, dat, als in Abessinië
-een zekere soort van bavianen (<i>C. Gelada</i>) in troepen van de bergen afdaalt om de velden te plunderen, zij somtijds troepen
-van <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>een andere soort (<i>C. Hamadryas</i>) ontmoeten, waarvan dan vechtpartijen het gevolg zijn. De Gelada’s rollen groote
-steenen naar beneden, die de Hamadryas trachten te vermijden, en daarna stuiven de
-beide soorten onder een vervaarlijk rumoer woedend op elkander los. Toen Brehm den
-Hertog van Coburg-Gotha vergezelde, nam hij deel aan een aanval met vuurwapenen op
-een troep bavianen in den bergpas van Menda in Abessinië<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De bavianen verdedigden zich door zooveel steenen van den berg af te rollen, waarvan
-sommigen zoo groot als een menschenhoofd waren, dat de aanvallers haastig den terugtocht
-moesten aannemen en de bergpas werkelijk een tijdlang voor het reisgezelschap was
-gesloten. Het verdient opmerking, dat deze bavianen aldus gezamenlijk handelden. De
-heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e4640src" href="#xd31e4640">34</a> zag bij drie gelegenheden vrouwelijke orangs, door haar jongen vergezeld, „blijkbaar
-in woede ontstoken, takken en de groote stekelige vrucht van den Doerianboom afbreken;
-en daarmede zulk een hagelbui van werptuigen veroorzaken, dat zij ons wezenlijk beletten
-den boom al te zeer te naderen.”
-</p>
-<p>In den Londenschen dierentuin was een aap, die slechte tanden had, gewoon noten met
-een steen stuk te slaan; en de oppassers verzekerden mij, dat dit dier, als het een
-steen had gebruikt, hem in het stroo verborg, en niet wilde toelaten, dat een andere
-aap hem aanraakte. Hier hebben wij dus het denkbeeld van eigendom: maar dit denkbeeld
-vinden wij terug bij elken hond ten opzichte van een been, en bij bijna alle vogels
-ten opzichte van hun nesten.
-</p>
-<p>De Hertog van Argyll<a class="noteRef" id="xd31e4649src" href="#xd31e4649">35</a> merkt op, dat het fatsoeneeren van een voorwerp tot een bepaald doel uitsluitend
-aan den mensch eigen is; en hij meent, dat dit een onmetelijken afgrond tusschen dezen
-en de dieren vormt. Het is ongetwijfeld een zeer belangrijk verschil, maar het schijnt
-mij toe, dat er veel waars gelegen is in het door John Lubbock<a class="noteRef" id="xd31e4655src" href="#xd31e4655">36</a> geopperde denkbeeld, dat, toen de oorspronkelijke mensch voor de eerste maal vuursteenen
-voor eenig doel gebruikte, hij ze wellicht toevallig brak en daarna de scherpe splinters
-gebruikte. Nadat dit was geschied, zou er slechts een kleine stap noodig zijn geweest
-om de vuursteenen met voordacht te breken, en geen zeer groote om ze grovelijk te
-fatsoeneeren. Voor dezen laatsten vooruitgang schijnen echter vele eeuwen noodig te
-zijn geweest, als wij mogen oordeelen naar den <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>ontzaglijken tijd, die verliep, voordat de menschen van de neolithische periode er
-toe kwamen om hun werktuigen te slijpen en te polijsten. Bij het stukslaan der vuursteenen
-zouden er dan, zooals Sir John Lubbock eveneens opmerkt, vonken zijn afgevlogen, en
-bij het slijpen er van zou zich warmte hebben ontwikkeld; „aldus zijn wellicht de
-twee gewone methoden om vuur te verkrijgen ontstaan.” De aard van het vuur zou bekend
-zijn geweest in de vulkanische streken, waar nu en dan lava door de bosschen stroomt.
-De anthropomorphe apen bouwen zich, waarschijnlijk door hun instinkt geleid, tijdelijk
-platte nesten; maar, daar vele instinkten in groote mate onder het toezicht van de
-rede staan, zouden de meer eenvoudige, zooals dat om een plat nest te bouwen, wel
-eens gemakkelijk in een willekeurige en zelfbewuste handeling kunnen overgaan. Het
-is bekend, dat de orang zich des nachts met de bladeren van den Pandanus bedekt, en
-Brehm deelt mede, dat een zijner bavianen gewoon was zich tegen de hitte der zon te
-beschutten door een stroomat over zijn hoofd te werpen. In deze laatste gewoonte zien
-wij waarschijnlijk de eerste stappen tot sommigen van de meer eenvoudige kunsten;
-namelijk ruwe bouwkunde en kleeding, zooals zij ontstonden onder de vroege voorouders
-van den mensch.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Vermogen van de dieren om afgetrokken denkbeelden en algemeene begrippen te vormen.
-Zelfbewustheid. Individualiteit van den geest.</i> Het zou zeer moeilijk zijn voor ieder, zelfs al bezat hij veel meer kennis dan ik,
-om te bepalen in hoever dieren eenig spoor van deze hooge verstandelijke vermogens
-vertoonen. Deze moeilijkheid is het gevolg van de onmogelijkheid om te bepalen wat
-in den geest van een dier plaats heeft, terwijl daarenboven het feit, dat de schrijvers
-in hooge mate verschillen in de beteekenis die zij aan bovengenoemde termen hechten,
-nog een tweede moeilijkheid veroorzaakt. Indien men mag oordeelen naar verschillende
-artikelen die in den laatsten tijd het licht hebben gezien, schijnt de grootste klem
-te worden gelegd op het onderstelde volkomen ontbreken bij de dieren van het vermogen
-om afgetrokken denkbeelden of algemeene begrippen te vormen. Maar als een hond een
-anderen hond op een afstand ziet, is het dikwijls duidelijk, dat hij waarneemt, dat
-het een hond in het algemeen (<span lang="la">in abstracto</span>) is; want, als hij dichter bij komt, verandert zijn geheele gedrag plotseling, als
-de andere hond een vriend van hem is. Een schrijver van den laatsten tijd merkt op,
-dat het in alle dergelijke gevallen een bloote onderstelling is, als men verzekert
-dat de verstandelijke werking bij <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>het dier niet wezenlijk van den zelfden aard is als bij den mensch. Indien een van
-beiden hetgeen hij met zijn zintuigen waarneemt, in zijn geest tot een algemeen begrip
-verwerkt, dan doen beiden het.<a class="noteRef" id="xd31e4673src" href="#xd31e4673">37</a> Als ik tot mijn terrier met begeerige stem zeg: „Hei, hei, waar is het?” vat hij
-dit dadelijk op als een teeken, dat er op iets moet worden gejaagd, en kijkt over
-het algemeen eerst snel in de rondte, en rent daarop in het naaste kreupelboschje
-om te ruiken of er ook eenig wild in is, maar niets vindende, kijkt hij op naar den
-eenen of anderen naburigen boom, of er ook een eekhoorn in zit. Toonen deze handelingen
-nu niet duidelijk aan, dat hij in zijn geest een algemeen denkbeeld of begrip had,
-dat een of ander dier moest worden opgespeurd en gejaagd?
-</p>
-<p>Men mag gerust aannemen, dat geen dier zelfbewust is, als men onder dit woord verstaat,
-dat het nadenkt over zulke punten als: van waar het komt en waarheên het zal gaan,
-of wat dood of wat leven is, enz. Kunnen wij er echter zeker van zijn, dat een oude
-hond met een uitnemend geheugen en eenige verbeeldingskracht, zooals uit zijn droomen
-blijkt, nooit nadenkt over het genoegen, dat hij op de jacht heeft gesmaakt? en dit
-zou een vorm van zelfbewustheid zijn. Hoe weinig kan van de andere zijde, zooals Büchner<a class="noteRef" id="xd31e4681src" href="#xd31e4681">38</a> heeft opgemerkt, de vrouw van een ruwen wilden Nieuw-Hollander, die altijd hard moet
-werken, bijna geen woorden kent om afgetrokken denkbeelden uit te drukken en niet
-verder kan tellen dan vier, haar zelfbewustheid ontwikkelen of nadenken over de natuur
-van haar eigen bestaan. Men neemt algemeen aan, dat de hoogere dieren geheugen, oplettendheid,
-het vermogen van denkbeelden te associeeren, en zelfs eenige verbeeldingskracht en
-rede bezitten. Indien deze vermogens, die bij de verschillende diersoorten zeer verschillen,
-voor ontwikkeling vatbaar zijn, komt het mij niet zeer onwaarschijnlijk voor, dat
-meer ingewikkelde vermogens, zooals de hoogere vormen van het vermogen om afgetrokken
-denkbeelden te vormen en zelfbewustheid, enz. zijn ontstaan door de ontwikkeling en
-vereeniging van meer eenvoudige. Tegen de hier verdedigde meeningen is dikwijls ingebracht,
-dat het onmogelijk is te zeggen, op welk punt van de opklimmende reeks dieren in staat
-worden afgetrokken denkbeelden te vormen, enz.; maar wie kan zeggen <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>op welken leeftijd dit bij jonge kinderen gebeurt? Wij zien ten minste, dat dergelijke
-vermogens zich bij kinderen bij onmerkbare trappen ontwikkelen.
-</p>
-<p>Dat dieren hun geestelijke individualiteit behouden, is ontwijfelbaar. Toen mijn stem
-een aaneenschakeling van denkbeelden uit vroeger tijd in den geest van den bovenvermelden
-hond terugriep, moest hij zijn geestelijke individualiteit hebben behouden, hoewel
-elk atoom van zijn hersenen in den tijd van vijf jaren waarschijnlijk meer dan eens
-verandering had ondergaan. Deze hond zou den bewijsgrond hebben kunnen aanvoeren,
-die onlangs is aangevoerd om alle voorstanders der ontwikkelingstheorie te verpletteren,
-en zou hebben kunnen zeggen: „Ik blijf bestaan te midden van alle aandoeningen van
-mijn geest en alle stoffelijke veranderingen.…. De leer, dat atomen hun indrukken
-legateeren aan andere atomen, die de plaatsen innemen, die ze hebben verlaten, is
-in tegenspraak met de uiting van zelfbewustheid, en is daarom valsch; maar het is
-de leer, die noodzakelijk uit de ontwikkelingstheorie voortvloeit, derhalve is ook
-die theorie valsch.”<a class="noteRef" id="xd31e4691src" href="#xd31e4691">39</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Spraak.</i> Dit vermogen is terecht beschouwd als een der voornaamste punten van verschil tusschen
-den mensch en de lagere dieren. Maar de mensch is, zooals een zeer bevoegd rechter,
-de Aartsbisschop Whately<a class="noteRef" id="xd31e4702src" href="#xd31e4702">40</a> opmerkt, „geenszins het eenige dier, dat van het geluid gebruik kan maken om uit
-te drukken, wat in zijn geest plaats grijpt, en min of meer kan begrijpen, wat op
-die wijze door anderen wordt uitgedrukt.” In Paraguay uit de <i>Cebus Azarae</i>, als hij daartoe wordt opgewekt, minstens zes verschillende klanken, die bij andere
-apen gelijksoortige gemoedsaandoeningen teweeg brengen.<a class="noteRef" id="xd31e4710src" href="#xd31e4710">41</a> De aangezichtsbewegingen en gebaren der apen worden door ons begrepen, en zij begrijpen
-ook gedeeltelijk de onze, zooals Rengger en anderen verklaren. Het is een opmerkenswaardig
-feit, dat de hond, sinds hij is getemd, heeft leeren blaffen<a class="noteRef" id="xd31e4713src" href="#xd31e4713">42</a> en hierbij minstens vier of vijf verschillende geluiden voortbrengt. Hoewel het blaffen
-een nieuwe kunst is, drukte ongetwijfeld de wilde soort, waarvan de hond afstamt,
-haar gewaarwordingen door kreten van verschillenden aard uit. Bij den huishond hebben
-wij het <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>opgewekte geblaf b.v. bij de jacht; het toornige geblaf; het jankende of huilende
-geblaf der vertwijfeling, wanneer men hem b.v. opsluit; dat der vreugde, als hij b.v.
-met zijn meester uit wandelen gaat, en het zeer eigenaardige geblaf, waardoor hij
-het een of ander vraagt, b.v. als hij wenscht, dat een deur of een venster open zal
-worden gemaakt. Volgens Houzeau<a class="noteRef" id="xd31e4725src" href="#xd31e4725">43</a>, die bijzondere aandacht aan dit onderwerp heeft gewijd, maakt het huishoen minstens
-een dozijn verschillende geluiden, die elk hun beteekenis hebben.
-</p>
-<p>Het gewoonlijk gebruiken van gearticuleerde spraak is echter uitsluitend eigen aan
-den mensch; maar deze gebruikt daarenboven evenals de dieren ongearticuleerde kreten
-om zijn gevoelens uit te drukken, en doet die vergezeld gaan van gebaren en van bewegingen
-van de spieren van het aangezicht.<a class="noteRef" id="xd31e4733src" href="#xd31e4733">44</a> Dit is vooral het geval bij de meer eenvoudige en levendige gevoelens, die slechts
-weinig hebben te maken met ons meer ontwikkeld verstand. Onze kreten van smart, angst,
-verwondering, toorn, vergezeld van de daaraan eigenaardige gebaren, en het stamelen
-van een moeder tegen haar geliefd kind drukken meer uit dan alle woorden. Niet het
-vermogen van articuleeren zelf onderscheidt den mensch van andere dieren; want zooals
-iedereen weet, kunnen papegaaien spreken. Evenmin is het eenvoudig het vermogen om
-bepaalde klanken met bepaalde denkbeelden te verbinden; want het is zeker, dat sommige
-papegaaien die hebben leeren spreken, zonder zich te vergissen woorden met zaken en
-personen met gebeurtenissen verbinden.<a class="noteRef" id="xd31e4738src" href="#xd31e4738">45</a> De lagere dieren <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>verschillen van den mensch alleen door zijn bijna oneindig grooter vermogen om de
-meest verschillende klanken en denkbeelden te verbinden; en dit is blijkbaar het gevolg
-van de hooge ontwikkeling zijner verstandelijke vermogens.
-</p>
-<p>Zooals Horne Took, een der grondvesters van de edele wetenschap der philologie, opmerkt,
-is het spreken een kunst, evengoed als koken en bakken; schrijven zou echter een veel
-gepaster vergelijking zijn geweest. Het is zeker geen waar instinkt, daar iedere taal
-moet worden aangeleerd. Het verschilt echter zeer van alle gewone kunsten; want de
-mensch bezit een instinktmatige aandrift om te spreken, zooals wij aan het stamelen
-onzer jonge kinderen zien, terwijl geen kind een instinktmatige aandrift heeft om
-te koken, te bakken of te schrijven. Bovendien onderstelt geen enkel philoloog meer,
-dat eenige taal met opzet is uitgevonden; alle talen hebben zich langzaam en onbewust
-trapsgewijze ontwikkeld.<a class="noteRef" id="xd31e4753src" href="#xd31e4753">46</a> De klanken door vogels voortgebracht hebben in vele opzichten de grootste overeenkomst
-met de spraak, want alle leden van een zelfde soort drukken hun gewaarwordingen door
-de zelfde instinktmatige geluiden uit; en al de soorten die het vermogen bezitten
-om te zingen, oefenen dit vermogen instinktmatig uit; maar hun tegenwoordige wijze
-van zingen en zelfs hun loktonen hebben zij van hun ouders of pleegouders geleerd.
-Deze tonen zijn, zooals Daines Barrington<a class="noteRef" id="xd31e4762src" href="#xd31e4762">47</a> heeft bewezen, „hun evenmin aangeboren als de spraak den mensch. Hun eerste pogingen
-om te zingen kunnen worden vergeleken bij de onvolmaakte pogingen van een kind om
-te stamelen.” De jonge mannetjes gaan gedurende tien of elf maanden voort met zich
-te oefenen of, zooals de vogelaars het noemen, te repeteeren. In hun eerste pogingen
-is bijna geen spoor van hun lateren zang herkenbaar; maar als zij ouder worden, kunnen
-wij nagaan wat zij bedoelen, en ten laatste wordt hun zang zooals hij behoort te zijn.
-Jonge nestvogels die den zang van een andere soort hebben geleerd, <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>zooals de in Tyrol opgevoede kanarievogels, leeren een nieuwen zang aan hun kroost
-en leveren hem zoo aan hetzelve over. De kleine natuurlijke verschillen in den zang
-bij individu’s van de zelfde soort die verschillende streken bewonen, kunnen, zooals
-Barrington opmerkt, zeer gepast met „provinciale dialecten” worden vergeleken; en
-de wijzen van zingen van verwante, hoewel verschillende soorten, kunnen met de talen
-van verschillende menschenrassen worden vergeleken. Ik heb bovenstaande bijzonderheden
-medegedeeld om aan te toonen, dat een instinktmatige aandrift om een kunst te leeren
-niet uitsluitend aan den mensch eigen is.
-</p>
-<p>Wat den oorsprong van de gearticuleerde spraak aangaat, kan ik, na zoowel de zeer
-belangrijke werken van den heer Hensleigh Wedgwood, den weleerw. heer E. Farrer en
-Prof. Schleicher<a class="noteRef" id="xd31e4776src" href="#xd31e4776">48</a> als de beroemde voordrachten van Prof. Max Müller te hebben gelezen, niet betwijfelen,
-dat de spraak haar oorsprong is verschuldigd aan de nabootsing en <span class="corr" id="xd31e4798" title="Bron: wijziziging">wijziging</span> van verschillende natuurlijke klanken, van de geluiden van andere dieren en van de
-instinktmatige kreten van den mensch zelf, geholpen door teekens en gebaren. Wanneer
-wij de seksueele teeltkeus gaan behandelen, zullen wij zien, dat de oorspronkelijke
-mensch, of liever de eene of andere vroege voorvader van den mensch, waarschijnlijk,
-evenals tegenwoordig een der gibbonsoorten doet, ruimschoots zijn stem gebruikte om
-werkelijke muzikale tonen voort te brengen, d.i. om te zingen; wij mogen besluiten
-uit een zeer algemeen voorkomende analogie, dat dit vermogen vooral werd uitgeoefend
-gedurende den paringstijd der seksen, en dat het diende om verschillende gemoedsaandoeningen,
-zooals liefde, ijverzucht, zegepraal uit te drukken, en ook om mededingers uit te
-dagen. Het door middel van gearticuleerde klanken nabootsen van muzikale geluiden,
-kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van woorden om verschillende ingewikkelde
-gemoedsaandoeningen uit te drukken. Ten opzichte van het punt van nabootsing verdient
-de sterke aandrift opmerking, die niet alleen onze naaste bloedverwanten, de apen,
-maar ook microcephale idioten<a class="noteRef" id="xd31e4801src" href="#xd31e4801">49</a> <b>(<a href="#en3.9" id="en3.9src">9</a>)</b>, en de wilde <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>menschenrassen bezitten, om alles na te bootsen wat zij hooren. Daar de apen zonder
-twijfel veel verstaan van hetgeen door den mensch tegen hen wordt gezegd, en daar
-zij in den natuurstaat signaalkreten gebruiken om hun makkers voor gevaar te waarschuwen<a class="noteRef" id="xd31e4819src" href="#xd31e4819">50</a>, schijnt het niet geheel en al ongeloofelijk, dat het eene of andere bijzonder verstandige
-aapachtige dier op het denkbeeld is gekomen om het gehuil van een roofdier na te bootsen
-<b>(<a href="#en3.10" id="en3.10src">10</a>)</b>, om zijn medeapen den aard van het verwachte gevaar aan te toonen. En dit zou de
-eerste stap tot de vorming van een spraak zijn geweest.
-</p>
-<p>Daar de stem meer en meer werd gebruikt, zouden de stemorganen meer en meer versterkt
-en volmaakt zijn geworden door het beginsel van de overgeërfde gevolgen van het gebruik
-en dit zou hebben teruggewerkt op het spraakvermogen. Maar de betrekking tusschen
-het voortgezet gebruik van de spraak en de ontwikkeling der hersenen is ongetwijfeld
-veel belangrijker geweest. De zielsvermogens van den eenen of anderen vroegeren voorvader
-van den mensch moeten ontwikkelder zijn geweest dan die van eenigen thans levenden
-aap, voor zelfs ook maar de minst volmaakte vorm van spraak in gebruik kon komen;
-wij kunnen echter gerust aannemen, dat het voortgezet gebruik en de vooruitgang van
-dit vermogen op den geest terugwerkte en dezen in staat stelde en aanmoedigde om lange
-ketens van denkbeelden aan elkander te schakelen. Een lange en samengestelde keten
-van denkbeelden kan evenmin worden aaneengeschakeld zonder behulp van woorden, hetzij
-uitgesproken of niet, als een lange berekening kan worden uitgevoerd <span class="corr" id="xd31e4830" title="Bron: zender">zonder</span> behulp van cijfers of algebraïsche teekens. Zelfs gewone aaneenschakelingen van gedachten
-schijnen bijna nog een soort van taal noodig te hebben, want men heeft opgemerkt,
-dat Laura Bridgman, een meisje dat tegelijkertijd doofstom en blind was, als zij droomde
-haar vingers gebruikte.<a class="noteRef" id="xd31e4833src" href="#xd31e4833">51</a> Desniettemin kan een lange opeenvolging van levendige en met elkander verbonden denkbeelden
-den geest bezig houden zonder behulp van eenige soort van taal, zooals wij uit de
-lange droomen van honden mogen afleiden. Wij hebben gezien, dat jachthonden in zekere
-mate kunnen redeneeren; en dit doen zij klaarblijkelijk zonder behulp van een taal.
-De nauwe band tusschen <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>de hersenen, zooals zij nu bij ons zijn ontwikkeld, en het spraakvermogen wordt duidelijk
-aangetoond door die zonderlinge gevallen van hersenziekten, waarbij het spraakvermogen
-slechts gedeeltelijk is aangedaan, als b.v. het vermogen om zich zelfstandige naamwoorden
-te herinneren is verloren gegaan, terwijl andere woorden op juiste wijze kunnen worden
-gebruikt.<a class="noteRef" id="xd31e4841src" href="#xd31e4841">52</a> Of waar zelfstandige naamwoorden van een zekere soort, of alle letters, behalve de
-beginletters van zelfstandige naamwoorden en eigennamen zijn vergeten. Het is niet
-onwaarschijnlijker, dat de gevolgen van het voortgezet gebruik van de spraak- en denkorganen
-erfelijk zijn <b>(<a href="#en3.11" id="en3.11src">11</a>)</b>, dan in het geval van het schrijven met de hand, dat gedeeltelijk van het maaksel
-van de hand en gedeeltelijk van den geestelijken aanleg afhangt; en de aanleg om goed
-te leeren schrijven is zonder twijfel erfelijk.<a class="noteRef" id="xd31e4857src" href="#xd31e4857">53</a>
-</p>
-<p>Verschillende schrijvers, meer in het bijzonder Prof. Max Müller<a class="noteRef" id="xd31e4866src" href="#xd31e4866">54</a>, hebben in den laatsten tijd met aandrang beweerd, dat het gebruik van een taal het
-vermogen onderstelt om algemeene begrippen te vormen; en dat, daar men onderstelt
-dat geen dier dit vermogen bezit, hierdoor een onoverkomelijke slagboom tusschen dier
-en mensch wordt opgericht.<a class="noteRef" id="xd31e4872src" href="#xd31e4872">55</a> Wat de dieren aangaat, heb ik reeds trachten aan te toonen, dat zij dit vermogen,
-ten minste de grove beginselen er <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>van, bezitten. Wat kinderen van tien of elf maanden oud en doofstommen aangaat, schijnt
-het mij ongeloofelijk, dat zij in staat zouden zijn om zekere klanken zoo snel in
-verband te brengen met zekere algemeene denkbeelden, als zij het doen, wanneer zulke
-denkbeelden niet reeds in hun geest waren gevormd. De zelfde opmerking kan worden
-uitgebreid tot de meer verstandige dieren; gelijk de heer Leslie Stephen opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e4890src" href="#xd31e4890">56</a>, „vormt zich een hond een algemeen begrip van katten of schapen, en kent de overeenkomstige
-woorden even goed als een wijsgeer. En het vermogen van te verstaan is even goed een
-bewijs van begrip van spreken, hoewel in mindere mate, als het vermogen van zelf te
-spreken.”
-</p>
-<p>Waarom de organen, die nu voor de spraak worden gebruikt, oorspronkelijk meer voor
-dit doel geschikt werden gemaakt, dan deze of gene andere organen, is niet moeielijk
-te begrijpen. Huber, die een geheel hoofdstuk aan de taal der mieren wijdt, heeft
-aangetoond, dat deze dieren een uitgebreid vermogen bezitten om elkander hun gedachten
-mede te deelen door middel van hun sprieten. <b>(<a href="#en3.12" id="en3.12src">12</a>)</b> Ook wij zouden onze vingers met vrucht als spraakorganen kunnen <span class="corr" id="xd31e4904" title="Bron: gebrniken">gebruiken</span>, want een persoon, welke met die kunst bekend is, kan een doof mensch ieder woord
-van een op een publieke vergadering uitgesproken redevoering overbrengen; maar het
-verlies van onze handen, als wij ze daarvoor hadden gebruikt, zou een ernstig bezwaar
-daartegen zijn geweest. Daar al de hoogere zoogdieren stemorganen bezitten, volgens
-het zelfde algemeene model gebouwd als de onze, en die worden gebruikt als een middel
-om elkander denkbeelden mede te deelen, was het natuurlijk <span class="corr" id="xd31e4907" title="Bron: wazrschijnlijk">waarschijnlijk</span>, dat, als het vermogen om van denkbeelden te wisselen zich uitbreidde, het die zelfde
-organen zouden zijn, die verder werden ontwikkeld; en dit is geschied met behulp van
-naburige en daartoe zeer geschikte deelen, de tong en de lippen.<a class="noteRef" id="xd31e4910src" href="#xd31e4910">57</a> Het feit dat de hoogere apen hun stemorganen niet gebruiken om te spreken, wordt
-ongetwijfeld veroorzaakt doordat hun verstand daartoe niet genoeg is ontwikkeld. Dat
-zij organen bezitten die na lang voortgezette oefening zouden kunnen zijn gebruikt
-om te spreken, hoewel zij daarvoor nu niet dienen, komt overeen met het feit, dat
-vele vogels organen bezitten die geschikt zijn voor den zang, en toch nooit zingen.
-Zoo komen <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>de stemorganen van den nachtegaal in maaksel overeen met die van de kraai, hoewel
-de eerste die gebruikt voor een afwisselend gezang en de laatste alleen om te krassen.<a class="noteRef" id="xd31e4919src" href="#xd31e4919">58</a>
-</p>
-<p>De vormingswijze van de verschillende talen en van de verschillende soorten, en de
-bewijzen dat beide door een proces van trapsgewijze ontwikkeling zijn ontstaan, zijn
-merkwaardigerwijze de zelfde.<a class="noteRef" id="xd31e4930src" href="#xd31e4930">59</a> Wij kunnen echter bij het opsporen van den oorsprong van vele woorden hooger opklimmen
-dan in het geval van de soorten; want wij kunnen nagaan, dat zij zijn ontstaan uit
-de nabootsing van verschillende klanken, evenals rijmende verzen. Wij vinden in onderscheidene
-talen treffende homologieën, veroorzaakt door gemeenschappelijke afstamming, en analogieën,
-veroorzaakt door een gelijksoortig vormingsproces. De wijze, waarop sommige letters
-of klanken veranderen, wanneer andere veranderen, gelijkt veel op correlatie van groei<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In beide gevallen hebben wij reduplicatie van deelen, de gevolgen van lang voortgezet
-gebruik, enz. Het veelvuldig voorkomen van rudimenten, zoowel in talen, als bij soorten,
-is nog merkwaardiger<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De letter <i>m</i> in het Engelsche woord <i lang="en">am</i> beteekent ik; zoodat in de uitdrukking: <i lang="en">I am</i> (ik ben) een overtollig en nutteloos rudiment behouden is gebleven. Ook in de spelling
-van woorden blijven dikwijls letters bestaan als rudimenten van oude wijzen van uitspraak.
-Talen kunnen evenals organische wezens worden geklassificeerd in groepen en ondergroepen;
-en zij kunnen worden geklassificeerd, hetzij natuurlijk volgens hun afstamming, hetzij
-kunstmatig volgens andere kenmerken. Heerschende talen en dialecten breiden hun gebied
-ver uit en leiden tot het trapsgewijze uitsterven van andere tongvallen. Een taal
-ontstaat evenals een soort, zooals Sir Lyell opmerkt, als zij eens is uitgestorven,
-nimmer opnieuw. De zelfde taal wordt nimmer op twee plaatsen tegelijk geboren. Twee
-verschillende talen kunnen met elkander worden gekruist en vereenigd.<a class="noteRef" id="xd31e4951src" href="#xd31e4951">60</a> <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>Wij zien in elken tongval veranderlijkheid, en op den duur komen nieuwe woorden in
-gebruik; maar, daar het geheugen zijn grenzen heeft, sterven ook enkele woorden, zoowel
-als geheele talen langzamerhand uit. Zooals Max Müller<a class="noteRef" id="xd31e4961src" href="#xd31e4961">61</a> juist heeft opgemerkt, „heeft in elke taal tusschen de woorden en grammatikale vormen
-een onophoudelijke strijd plaats. De beste, de kortste, de gemakkelijkste vormen,
-behouden voortdurend de overhand en zijn hun overwinning aan hun eigen innerlijke
-voortreffelijkheid verschuldigd.” Bij deze meer belangrijke oorzaken van het overleven
-van sommige woorden mag dunkt mij eenvoudig hun nieuwheid worden gevoegd; want er
-bestaat in ’s menschen geest een sterke voorliefde voor kleine veranderingen in alle
-dingen. Het overleven of behouden blijven van sommige begunstigde woorden in den strijd
-voor het bestaan is natuurkeus.
-</p>
-<p>De volkomen regelmatige en verwonderlijk ingewikkelde bouw van de talen van vele wilde
-volken is dikwijls aangevoerd als een bewijs, hetzij van den goddelijken oorsprong
-van deze talen, hetzij van de groote kunstvaardigheid en voormalige hoogere beschaving
-van hen die ze spreken. Zoo schrijft b.v. F. von Schlegel: „Bij die talen, welke op
-den laagsten graad van verstandelijke ontwikkeling schijnen te staan, merken wij dikwijls
-een zeer groote mate van kunstvaardigheid en van zorgvuldige bewerking in haar grammatikale
-struktuur op. Dit is vooral het geval met het Baskisch en het Laplandsch, en velen
-der Amerikaansche talen.”<a class="noteRef" id="xd31e4969src" href="#xd31e4969">62</a> Het is echter ongetwijfeld een dwaling van eenige taal te spreken, als van iets kunstmatigs,
-dat met voordacht zorgvuldig bewerkt en naar een vaste methode zou zijn gevormd. De
-taalkundigen nemen tegenwoordig aan, dat de uitgangen van vervoegingen, verbuigingen
-enz. oorspronkelijk afzonderlijke woorden waren, doch later met de hoofdwoorden werden
-verbonden, en daar zulke woorden de duidelijkste betrekkingen tusschen zaken en personen
-uitdrukken, is het niet te verwonderen, dat zij door de meeste menschenrassen wellicht
-reeds in de vroegste eeuwen gebruikt zijn. Wat volmaaktheid aangaat, zal het volgende
-voorbeeld het beste aantoonen, hoe gemakkelijk wij kunnen dwalen: Een Crinoïde bestaat
-somtijds uit niet minder dan <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>150,000 schelpstukken<a class="noteRef" id="xd31e4977src" href="#xd31e4977">63</a>, allen met volmaakte symmetrie volgens uit een punt uitstralende lijnen gerangschikt;
-maar een natuuronderzoeker beschouwt daarom een dergelijk dier niet als volmaakter
-dan een bilateraal dier dat uit vergelijkenderwijze weinig deelen bestaat, maar waarbij
-geen van deze aan een ander gelijk is behalve aan de tegenovergestelde kanten van
-het lichaam. Hij beschouwt terecht de differentiatie en specialisatie van de organen
-als het kenmerk van volmaaktheid. Evenzoo met de talen; de meest symmetrische en samengestelde
-behooren niet hooger geacht te worden dan die, welke vol onregelmatige en verkorte
-uitdrukkingen en bastaardwoorden zijn, doch aan verschillende overwinnende of overwonnene
-of geïmmigreerde volken uitdrukkingsvolle woorden en nuttige vormen van constructie
-<span class="corr" id="xd31e4983" title="Bron: hehben">hebben</span> ontleend.
-</p>
-<p>Uit deze weinige en onvolledige opmerkingen trek ik het besluit, dat de uiterst ingewikkelde
-en regelmatige bouw van vele barbaarsche talen geen bewijs is, dat zij hun oorsprong
-aan een bijzondere scheppingshandeling zijn verschuldigd.<a class="noteRef" id="xd31e4988src" href="#xd31e4988">64</a> Evenmin vormt, zooals wij hebben gezien, het bezit van een gearticuleerde spraak
-op zich zelf een onoverkomelijke tegenwerping tegen het geloof, dat de mensch zich
-uit den eenen of anderen lageren vorm heeft ontwikkeld.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Schoonheidsgevoel.</i>—Men heeft verklaard, dat het schoonheidsgevoel alleen aan den mensch eigen was. Ik
-zal hier alleen spreken van het behagen dat men schept in zekere kleuren, vormen en
-geluiden, dat met recht schoonheidsgevoel kan worden genoemd; bij beschaafde menschen
-staan dergelijke gewaarwordingen in nauw verband met ingewikkelde denkbeelden en aaneenschakelingen
-van gedachten. Wanneer wij echter zien, hoeveel moeite mannelijke vogels zich geven
-om hun vederen en prachtige kleuren aan de wijfjes te vertoonen, terwijl andere niet
-aldus versierde vogels zich die moeite niet geven, valt het onmogelijk te betwijfelen,
-dat de wijfjes de schoonheid van hun mannelijke makkers bewonderen. Daar de vrouwen
-zich overal met deze vederen versieren, kan de schoonheid daarvan niet worden betwist.
-Gelijk wij later zullen zien, zijn de nesten der kolibries en de lustprieeltjes der
-prieelvogels <b>(<a href="#en3.14" id="en3.14src">14</a>)</b> smaakvol versierd met vroolijk gekleurde voorwerpen; en dit bewijst, dat zij in het
-zien van dergelijke zaken een zekere soort <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>van behagen scheppen. Bij de groote meerderheid der dieren is echter de smaak voor
-het schoone, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, beperkt tot de aantrekkelijkheid
-die de andere sekse voor hen bezit. De zoete tonen, door vele mannelijke vogels gedurende
-het jaargetijde der liefde voortgebracht, worden zeker door de wijfjes bewonderd,
-van welk feit later bewijzen zullen worden medegedeeld. Zoo de wijfjes niet in staat
-waren de schoone kleuren, de versierselen en den zang van hun mannelijke makkers te
-bewonderen, zou al de moeite en zorg die deze besteden om hun bekoorlijkheden aan
-de wijfjes te vertoonen, <span class="corr" id="xd31e5007" title="Bron: nuttteloos">nutteloos</span> zijn, en dit is onmogelijk aan te <span class="corr" id="xd31e5010" title="Bron: nemên">nemen</span>.
-</p>
-<p>Waarom sommige schitterende kleuren en sommige tonen ons aangenaam aandoen als zij
-in harmonie met elkander zijn, kan, geloof ik, evenmin worden verklaard, als waarom
-sommige geuren en smaken ons behagen; maar de gewoonte staat daarmede in eenig verband,
-want hetgeen eerst onze zintuigen onaangenaam aandeed, wordt ten laatste aangenaam,
-en gewoonten worden overgeërfd. Wat geluiden aangaat, heeft Helmholtz tot op zekere
-hoogte volgens physiologische beginselen verklaard, waarom harmonieën en sommige toonvallen
-aangenaam zijn. Maar behalve dit, zijn geluiden die zich veelvuldig met onregelmatige
-tusschenruimten herhalen, in hooge mate onaangenaam, gelijk iedereen zal toegeven,
-die ’s nachts aan boord van een schip naar het onregelmatige klapperen van een touw
-heeft geluisterd. Het zelfde beginsel schijnt bij het gezicht in het spel te komen,
-daar het oog de voorkeur geeft aan symmetrie of figuren waarin sommige trekken regelmatig
-terugkomen. Dergelijke patronen worden zelfs door de laagste wilden als versierselen
-gebruikt, en zijn door seksueele teeltkeus tot opsiering van sommige mannelijke dieren
-ontwikkeld geworden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hetzij wij al dan niet eenige oorzaak kunnen aangeven van het vermaak, aldus door
-het gezicht en het gehoor gegeven, staat het in elk geval vast, dat zoowel de mensch
-als vele lagere dieren gelijkelijk behagen scheppen in de zelfde kleuren, bevallige
-schakeering en vormen, en de zelfde geluiden.
-</p>
-<p>De smaak voor het schoone, ten minste voor zoover vrouwelijke schoonheid er bij betrokken
-is, is zeker in den menschelijken geest niet van een bijzondere natuur; want hij is
-zeer verschillend bij de onderscheidene menschenrassen, gelijk later zal worden aangetoond,
-en is zelfs bij de verschillende natiën van een en het zelfde ras niet geheel en al
-de zelfde. Te oordeelen naar de afgrijselijke versierselen <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>en de even afgrijselijke muziek waarin de meeste wilden behagen scheppen, zou men
-kunnen beweren, dat hun aesthetisch gevoel minder hoog ontwikkeld is dan dat van vele
-dieren, bij voorbeeld van vogels. Het spreekt van zelf, dat geen dier in staat is
-tooneelen als den nachtelijken sterrenhemel, een schoon landschap of klassieke muziek
-te bewonderen; maar barbaren en personen van weinig opvoeding scheppen daarin ook
-geen behagen, daar het gevoel daarvoor afhankelijk is van beschaving en ingewikkelde
-aaneenschakelingen van denkbeelden.
-</p>
-<p>Het kon niet missen, of vele vermogens, die den mensch onschatbare diensten hebben
-bewezen bij zijn trapsgewijze ontwikkeling, zooals verbeeldingskracht, verwondering,
-nieuwsgierigheid, een onbestemd schoonheidsgevoel, de aandrift tot nabootsing en de
-lust naar prikkeling of naar het nieuwe, moesten hem leiden tot de grilligste veranderingen
-van gewoonten en smaak. Ik zinspeel hierop, omdat onlangs een schrijver<a class="noteRef" id="xd31e5023src" href="#xd31e5023">65</a> op den allerzonderlingsten inval is gekomen om grilligheid te verklaren „voor een
-der merkwaardigste en meest typische punten van verschil tusschen wilden en dieren.”
-Wij kunnen echter niet alleen begrijpen, hoe het komt dat de mensch grillig is, maar
-ook de lagere dieren zijn, zooals wij later zullen zien, grillig in hun afkeer en
-in hun schoonheidsgevoel. Er bestaan derhalve goede gronden om te onderstellen, dat
-zij het nieuwe beminnen, alleen omdat het nieuw is.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Geloof in God; Godsdienst.</i>—Er zijn geen bewijzen, dat de mensch oorspronkelijk was begaafd met het veredelend
-geloof in het bestaan van een Almachtig God. Integendeel zijn er duidelijke bewijzen,
-niet ontleend aan reizigers die haastig een land doortrokken, maar aan menschen die
-lang onder wilde volken hebben gewoond, dat er talrijke rassen hebben bestaan en nog
-bestaan, die geen denkbeeld hebben van één of meer goden, en die in hun taal geen
-bewoordingen hebben om dat denkbeeld uit te drukken.<a class="noteRef" id="xd31e5035src" href="#xd31e5035">66</a> <b>(<a href="#en3.15" id="en3.15src">15</a>)</b> Dit vraagstuk is natuurlijk geheel onderscheiden van het veel belangrijker, of er
-een Schepper en Bestuurder van het heelal bestaat; en dit is door sommigen der grootste
-vernuften die ooit hebben geleefd, bevestigend beantwoord.
-<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
-<p>Indien wij evenwel in het begrip „godsdienst” het geloof opnemen aan onzichtbare of
-geestelijke krachten, krijgt de zaak een geheel ander aanzien; want dit geloof schijnt
-bijna algemeen bij de minder beschaafde rassen te worden gevonden; en het is niet
-moeielijk te begrijpen hoe dit geloof ontstond. Zoodra de verbeeldingskracht, verwondering
-en nieuwsgierigheid, die belangrijke geestvermogens, gepaard aan een zekere mate van
-redeneerkracht, zich gedeeltelijk hadden ontwikkeld, moest de mensch er natuurlijk
-naar streven om een begrip te verkrijgen van hetgeen om hem voorviel; en onbestemd
-beginnen na te denken over zijn eigen bestaan.
-</p>
-<p>Zooals de heer <span class="corr" id="xd31e5054" title="Bron: M’ Lennan">M’Lennan</span><a class="noteRef" id="xd31e5056src" href="#xd31e5056">67</a> heeft opgemerkt, „moet de mensch voor zich zelf de eene of andere verklaring uitdenken
-van de verschijnselen des levens; en te oordeelen naar de algemeenheid daarvan, schijnt
-de eenvoudigste hypothese, die het eerst bij den mensch opkwam, te zijn geweest, dat
-de natuurverschijnselen moeten worden toegeschreven aan het aanwezen in dieren, planten,
-zaken en natuurkrachten van geestvermogens die tot handelen aanzetten, evenals de
-mensch zich bewust is, zelf te bezitten.”
-</p>
-<p>Het is ook waarschijnlijk, zooals de heer Tylor duidelijk heeft aangetoond, dat droomen
-de eerste aanleiding hebben gegeven tot het begrip van geesten; want de wilden onderscheiden
-subjectieve en objectieve indrukken niet duidelijk van elkander. Wanneer een wilde
-droomt, gelooft hij, dat de gedaanten die voor hem verschijnen, van een afstand komen
-en zich dan aan hem vertoonen, of „de ziel van den droomer gaat op reis en komt terug
-met een herinnering aan hetgeen zij heeft gezien.”<a class="noteRef" id="xd31e5069src" href="#xd31e5069">68</a>
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>Maar zoo niet de bovengenoemde vermogens, verbeeldingskracht, nieuwsgierigheid, rede
-enz. behoorlijk in ’s menschen ziel ontwikkeld waren geweest, zouden de droomen hem
-geen aanleiding hebben gegeven om in geesten te gelooven<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> evenmin als dit het geval is bij den hond.
-</p>
-<p>De neiging der wilden, om zich te verbeelden, dat natuurlijke voorwerpen en krachten
-onder den invloed staan van geestelijke of levende wezens, wordt misschien opgehelderd
-door een kleine waarneming, die ik zelf heb gedaan: mijn hond, een volwassen en zeer
-schrander dier, lag op het grasperk gedurende een warmen en stillen dag, toen een
-licht windje op een kleinen afstand toevallig een geopende parasol in beweging bracht,
-iets waarop de hond in het geheel niet zou hebben gelet, als er iemand had bijgestaan.
-In dit geval echter huilde en blafte de hond hevig, zoo dikwijls de parasol zich maar
-even bewoog. Ik houd het er voor, dat hij op snelle en onbewuste wijze bij zich zelf
-de gevolgtrekking heeft gemaakt, dat een beweging zonder blijkbare oorzaak het bestaan
-van een vreemden, levenden invloed aanduidde en dat geen vreemdeling het recht had
-zich op zijn erf te begeven. <b>(<a href="#en3.16" id="en3.16src">16</a>)</b>
-</p>
-<p>Het geloof aan geestelijke krachten kon lichtelijk overgaan in het geloof aan één
-of meer goden. De wilden toch moesten aan de geesten wel de zelfde hartstochten, de
-zelfde wraakzucht of eenvoudigsten vorm van rechtsgevoel en de zelfde gevoelens van
-genegenheid toeschrijven, die zij zelven bezaten. De Vuurlanders schijnen in dit opzicht
-in een overgangsperiode te zijn; want toen de scheepsdokter van de „<span lang="en">Beagle</span>” eenige jonge eenden voor een verzameling van naturaliën schoot, zeide York Minster
-op de plechtigste wijze: „O! mijnheer Bynoc, veel regen, veel sneeuw, veel wind”;
-en dit was blijkbaar naar zijn meening een straf voor het verkwisten van menschelijk
-voedsel. Zoo verhaalde hij bij een andere gelegenheid, dat, toen zijn broeder een
-„<span lang="en">wild man</span>” had gedood, het lang stormde, regende en sneeuwde. Het is ons evenwel niet gelukt
-te ontdekken, of de Vuurlanders gelooven in wat wij een god zouden noemen of eenige
-godsdienstige plechtigheden verrichten; en Jemmy Button beweerde met verschoonbaren
-trots stoutweg, dat er in zijn land geen duivel was. Deze laatste bewering is te meer
-opmerkenswaardig, <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>daar bij de wilden het geloof aan kwade geesten veel algemeener is dan dat aan goede<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Het godsdienstig gevoel is iets samengestelds, daar het bestaat uit liefde, geheele
-onderwerping aan een verheven en geheimzinnig hooger wezen, een krachtig gevoel van
-afhankelijkheid<a class="noteRef" id="xd31e5113src" href="#xd31e5113">69</a>, vrees, eerbied, dankbaarheid, hoop op de toekomst en misschien nog andere bestanddeelen.
-Geen wezen kon zulk een samengesteld gevoel bezitten, voordat zijn verstandelijke
-en zedelijke vermogens een meer dan middelmatigen graad van ontwikkeling hadden bereikt.
-Wij zien echter een verwijderde toenadering tot deze geestesgesteldheid in de groote
-liefde van den hond voor zijn meester, gepaard aan een volkomen ondergeschiktheid,
-een weinig vrees en wellicht nog andere gevoelens. Het gedrag van een hond, wanneer
-hij zijn meester, als deze eenigen tijd afwezig is geweest, terugziet, en ik mag er
-bijvoegen dat van een aap na zijn oppasser in lang niet te hebben gezien, is zeer
-verschillend van dat tegenover hun makkers. In het laatste geval bemerkt men minder
-vreugdebetoon, elke handeling toont meer het gevoel van gelijkheid aan. Prof. Braubach<a class="noteRef" id="xd31e5119src" href="#xd31e5119">70</a> gaat zoo ver van te beweren, dat een hond zijn baas als zijn God beschouwt. <b>(<a href="#en3.17" id="en3.17src">17</a>)</b>
-</p>
-<p>De zelfde zielsvermogens, die er den mensch eerst toe brachten aan onzichtbare geestelijke
-machten, daarna aan het fetichisme, vervolgens aan het polytheïsme en eindelijk aan
-het monotheïsme te gelooven, moesten hem, zoolang zijn verstandelijke vermogens maar
-zwak waren ontwikkeld, noodzakelijk tot velerlei bijgeloovigheden en vreemde gewoonten
-leiden. Velen daarvan zijn afschuwelijk om aan te denken, b.v. het offeren van menschelijke
-wezens aan een bloeddorstig god; het onderzoek van onschuldige personen door ’t godsoordeel
-van vergif of vuur, hekserij enz.—en toch is het niet ongepast over al die bijgeloovigheden
-na te denken; want zij toonen ons, hoeveel wij zijn verschuldigd aan de ontwikkeling
-van ons verstand en aan de meerdere kennis<a class="noteRef" id="xd31e5133src" href="#xd31e5133">71</a>, die wij hebben verkregen. Terecht heeft Sir John Lubbock opgemerkt: „dat men niet
-te veel zegt, als men beweert, dat er een verschrikkelijke vrees voor onbekend kwaad,
-gelijk een dikke wolk over <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>het leven der wilden heenzweeft, en elk hunner genoegens verbittert.” Deze ellendige
-en middellijke gevolgen van onze hoogste vermogens kunnen worden vergeleken bij de
-nu en dan opgemerkte toevallige vergissingen van de instinkten der lagere dieren.
-<b>( 18 )</b>
-</p>
-<div id="ch3n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e327">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en3.1" class="first">(<a href="#en3.1src">1</a>) <i>Harer Majesteits Stoomschip „Beagle.”</i> Met dit schip maakte Darwin een reis om de wereld, door hem beschreven in zijn werk:
-<span lang="en">„<i>A Naturalist’s Voyage round the World; or, a Journal of Researches into the Natural
-History and Geology of the Countries</i>, visited during the Voyage of H.&nbsp;M.&nbsp;S. „Beagle”, under the Command of Captain <span class="corr" id="xd31e5160" title="Bron: Fitz Roy">FitzRoy</span>, R. N.”, London, John Murray.</span>
-</p>
-<p id="en3.2">(<a href="#en3.2src">2</a>) „<i>Een slakprik.</i>” De slakprik (<i>Amphioxus lanceolatus</i>) is de onvolkomenste soort van den typus der Gewervelde Dieren, binnen de grenzen
-waarin die nog kort geleden door onze dierkundigen (v. d. Hoeven, Harting, Lubach
-enz.) algemeen werd beperkt. In den ontwikkelingsgraad zijner organen wordt hij niet
-slechts door de meeste weekdieren, schaaldieren en insekten, maar zelfs door de meeste
-wormen overtroffen. Hij bezit geen wervelkolom, doch slechts een door een vezelige
-scheede omsloten ruggestreng (<i>chorda dorsalis</i>), evenals de embryo’s der overige werveldieren op een zeker tijdstip hunner ontwikkeling.
-Zijn bloed is niet rood, maar wit, en het hart wordt door kloppende vaten vervangen.
-Zijn darmkanaal is niet gekronkeld. De geslachtsdeelen zijn bij beide seksen van eenerlei
-maaksel. Nabij den anus vindt men een opening, waar het water uitstroomt, en die men
-derhalve als ademhalingsopening kan beschouwen; zij dient echter tevens tot ontlasting
-van het sperma en de eieren. De oudere dierkundigen brengen den slakprik tot de visschen,
-doch Haeckel en de meeste nieuwere beweren terecht, dat hij onder de werveldieren
-een afzonderlijke klasse vertegenwoordigt.
-</p>
-<p id="en3.3">(<a href="#en3.3src">3</a>) Dit is onjuist; de beroemde Amerikaansche waarnemer Wilson (aangehaald in Wallace’s
-„<span lang="en">Contributions to the Theory of Natural Selection</span>”, 1870) heeft opgemerkt, dat er bij nesten van vogels van de zelfde soort verschillen
-bestaan, en het eene veel beter gemaakt is dan het andere, en schrijft dit daaraan
-toe, <i>dat de minst volkomen nesten door jonge, de meer volkomen door oude vogels zijn gemaakt</i>. Evenzoo zal een mensch, die voor het eerst beproeft een zeer eenvoudig werktuig
-of een kano na te maken, hierin wel min of meer slagen, maar zijn werk zal veel minder
-volkomen zijn dan dat van anderen die zulks meer hebben gedaan. Vogels die uit in
-kooien gelegde eieren zijn opgevoed, en dus nimmer den nestbouw hunner soort hebben
-gezien, bouwen, zelfs al geeft men hun de daartoe benoodigde materialen, of in het
-geheel geen nest, maar hoopen die materialen slechts ruwelijk op elkander, of zij
-bouwen (en dit is het minst voorkomende geval) wel een soort van nest, doch dit is
-veel onvolkomener dan het gewone nest hunner soort, en wijkt daarvan geheel af. De
-vogel moet even goed zijn nest leeren bouwen, als de mensch zijn huis (vergelijk aanteekening
-6, hieronder). De Europeesche bever, die vroeger even fraaie dijken (blz. 114, onderste
-regel, <i>staat</i>: beek, <i>lees</i>: dijk) en hutten bouwde als de Amerikaansche, heeft die kunst geheel vergeten en
-graaft zich slechts een ruw hol.
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p id="en3.4">(<a href="#en3.4src">4</a>) Dril is de naam van <i>Cynocephalus Leucophaeus</i>, mandril die van <i>Cynocephalus Mormon</i>.
-</p>
-<p id="en3.5">(<a href="#en3.5src">5</a>) Van ’t geheugen bij dieren is het volgende voorbeeld merkwaardig: Toen de bekende
-dierentemmer Martin zich reeds vóór jaren in het privaat leven had teruggetrokken,
-bekroop hem eens de lust, nog eenmaal zijn menagerie, die hij in geen vijf jaar had
-gezien, te bezoeken. Hij reisde van Rotterdam naar Brussel en trad tegen vier uur,
-den tijd waarop de dieren werden gevoederd, het gebouw binnen. Martin, in zijn mantel
-gehuld, mengde zich tusschen de menigte en wachtte, tot men den dieren hun voedsel
-zou geven. Op het oogenblik dat dit zou geschieden, begon hij te hoesten. Plotseling
-richtten alle dieren hun koppen op, luisterden, lieten een wild gehuil hooren en deden
-de ijzeren traliën onder hun rukken trillen, zoodat vele toeschouwers ijlings het
-gebouw verlieten. De papegaaien, kangoeroe’s, pelikanen en voornamelijk de apen begonnen
-te schreeuwen en te krijschen, de hyena’s en de wolven huilden—‘t was een helsch lawaai.
-</p>
-<p>Nu trad Martin te voorschijn, gebood stilte en eensklaps zweeg alles. Hij sprong over
-de barrière welke de toeschouwers van de dieren scheidde, en stak de handen door de
-traliën, om de dieren te liefkozen. Een groote tijgerin betuigde luidruchtig haar
-vreugde. Toen Martin met zijn hand over de glanzige huid van het woeste dier streek,
-liep een zenuwachtig schokken door haar lichaam, zij stiet een zwak, zacht gebrul
-uit en lekte met haar ruwe tong het gezicht van haar vroegeren gebieder. Toen Martin
-zich verwijderde, ging ze liggen en liet haar voedsel onaangeroerd staan.
-</p>
-<p>Na de tijgerin kreeg de leeuw Nero een bezoek. Nero was de zelfde ruwe gast die den
-dierentemmer eenmaal een stuk uit de heup had gebeten, waarvoor hij duchtig was gestraft.
-Sedert dien tijd had hij een ongekenden haat tegen zijn meester opgevat. Geen enkel
-bewijs van vreugde had hij tot nu toe gegeven—slechts had hij even den kop opgericht,
-en zijn oogen, die fonkelden als twee smaragden, op den binnentredende gericht. Rustig
-bleef hij achter in de kooi liggen, toen Martin hem naderde. De dierentemmer riep
-hem, doch hij gaf geen antwoord. Toen Martin zich echter verwijderde, richtte plotseling
-de leeuw zich op, wierp zich met zijn krachtige klauwen tegen de traliën en verscheurde
-nog een gedeelte van Martins mantel.
-</p>
-<p>Wat het beoordeelen van tijdsruimten tusschen periodiek terugkeerende gebeurtenissen
-aangaat, haalt Prof. Harting daarvan het volgende merkwaardige voorbeeld aan in het
-„Album der Natuur”, 1852, blz. 214, in het stuk „Merkwaardige trekken uit het leven
-van paarden”, dat zeer gelezen verdient te worden door ieder, die nog niet overtuigd
-is, dat bij vele diersoorten meer dan alleen instinkt werkzaam is. „Een paard, gewoon
-met den bode van een provinciaal dagblad wekelijks de ronde te doen bij de geabonneerden,
-hield altijd geregeld van zelf op aan de deur van ieders woning, hoewel hun aantal
-tusschen zestig en zeventig beliep<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Maar twee dier geabonneerden namen te zamen één exemplaar van het blad, in dier voege,
-dat zij het beurtelings het eerst ter lezing ontvingen. Weldra werd het paard aan
-deze schikking gewoon, en hoewel deze personen twee Engelsche mijlen van elkander
-verwijderd woonden, hield het geregeld op, zonder zich ooit te bedriegen, de eene
-week voor het huis des eenen, de andere voor dat des tweeden geabonneerden.”
-</p>
-<p>Mij is nog een geval bekend van een oude juffrouw, die ’s morgens geregeld een rijtoertje
-maakte, en haar hond in het rijtuig medenam, uitgenomen Zondags, daar zij dan naar
-de kerk ging. De hond wist dit zoo goed, dat hij door de week onrustig werd, als hij
-het rijtuig hoorde aankomen, en dadelijk de voordeur uit en het portier insprong,
-als deze werden geopend. <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>Zondags echter bleef hij rustig in zijn mand liggen als het rijtuig aankwam en de
-voordeur werd geopend. Hij wist, dat hij dien dag niet mede ging.
-</p>
-<p>Men vergelijke ook omtrent de geestvermogens der dieren: „Alb. d. Nat.” 1872. blz.
-305, 1873, blz. 23, 58, 193.
-</p>
-<p id="en3.6">(<a href="#en3.6src">6</a>) Een schoon bewijs, dat sommige dieren, even goed als de mensch, vatbaar zijn voor
-trapsgewijze ontwikkeling hunner geestvermogens; dat zij, om zoo te zeggen, in beschaving
-vooruit kunnen gaan, en b.v. hun architectuur kunnen verbeteren en hun woningen geschikter
-maken voor hun doel; dat het derhalve onwaar is, dat die woningen steeds in alle tijden
-op de zelfde wijze waren ingericht en slechts uit instinktmatige aandrift worden gebouwd,
-levert ons de gewone zwaluw (<i>Hirundo urbica</i>). Ponchet heeft aangetoond („<span lang="fr">Comptes Rendus</span>”, No. 10, 1870), dat deze vogel in Frankrijk tegenwoordig een geheel ander nest bouwt,
-dan in het begin dezer eeuw, en de verschillen tusschen deze twee soorten van nesten
-en de voordeelen van het tegenwoordige boven het vroegere nauwkeurig beschreven. In
-de zelfde verhandeling worden meer andere voorbeelden aangehaald van vogels, die hun
-nestbouw wijzigden naar de omstandigheden. Hierbij voegt zich in den laatsten tijd
-het volgende nieuwe geval: De voortgang der beschaving in Zuid Afrika begint ook invloed
-uit te oefenen op de gewoonten van de wevervogels (<i>Ploceus</i>)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Deze vogels zijn bijzonder gezellig van aard en bouwen hun merkwaardige hangende
-nesten, vervaardigd van zeer net en dicht samengeweven grashalmen, aan den oever eener
-rivier, waar zij dan hunne kunstig gebouwde woningen aan de takken van wilgeboomen
-bevestigen. Dikwijls ziet men wel twintig of dertig van die nesten aan een enkelen
-boom hangen. In Natal echter, waar het aantal boomen afneemt en dat der jongens die
-vogelnesten uithalen, toeneemt, hebben de wevervogels zich naar de omstandigheden
-geschikt en hangen thans hun nesten aan de telegraafdraden buiten bereik van den Natalschen
-kwajongen. Daarbij is de volgende bijzonderheid opgemerkt. Toen de nesten nog aan
-wilgentakken hingen, maakten de vogels de opening aan den bodem, hetgeen eene betere
-bescherming tegen slangen opleverde. Doch daar geen slangen langs de telegraafdraden
-bij de nesten kunnen komen, maken nu de vogels een meer gemakkelijken ingang aan de
-zijde van het nest.
-</p>
-<p>Op Nieuw-Zeeland hebben de daar ingevoerde musschen hun nestbouw in dier voege gewijzigd,
-dat zij, waar puimsteenlagen zijn doorgehouwen, in gaten daarvan broeden. Zelfs schijnen
-zij zelven dergelijke gaten te boren, of ten minste dieper te maken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Door Grün werden dergelijke gaten van twee meters diepte gevonden („<span lang="en">Nature</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> 1889).
-</p>
-<p>Stelt men tegenover bovenstaande voorbeelden van gewijzigden nestbouw, dat de Arabieren
-nog heden in tenten wonen, die geheel overeenkomen met die, welke hun voorvaderen
-voor duizenden jaren gebruikten, dat de palmhutten der Zuid-Amerikanen en der Maleiers
-en de slijkdorpen der Egyptische Fellahs in oude tijden moeilijk onvolkomener kunnen
-zijn geweest dan thans, dan zal men onwederstaanbaar er toe worden gebracht om Wallace
-gelijk te geven, wanneer hij in zijn „<span lang="en">Contributions to the Theory of Natural Selection</span>” zegt: „Kortom, ik geloof, dat vogels hunne nesten <i>niet</i> uit instinkt bouwen, en dat de mensch zijn woningen <i>niet met verstand</i> opricht; maar dat vogels veranderen en verbeteren, wanneer zij door de zelfde oorzaken
-worden bewogen die de menschen er toe brengen zulks te doen, en dat menschen noch
-veranderen, noch verbeteren, als zij onder voorwaarden leven, welke overeenkomen met
-diegene, welke bij de vogels bijna algemeen heerschen.”
-</p>
-<p id="en3.7">(<a href="#en3.7src">7</a>) Hier wordt de bruine rat (<i>Mus decumanus</i>, Pall.) bedoeld. Deze soort <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>is eerst in het laatst der vorige eeuw uit het Oosten naar westelijk Europa doorgedrongen,
-en heeft thans in vele streken de vroeger in ons werelddeel algemeen voorkomende zwarte
-rat (<i>Mus Rattus</i>, L.) verdrongen en bijna geheel uitgeroeid.
-</p>
-<p id="en3.8">(<a href="#en3.8src">8</a>) Papegaaien schijnen van alle vogels de hoogst ontwikkelde geestvermogens te bezitten,
-en deze schijnen bij de individu’s van de zelfde soort van papegaai zeer veel te verschillen.
-Ook een zeer vertrouwbaar en geloofwaardig schrijver, namelijk Brehm, verzekert, dat
-er onder de papegaaien individu’s zijn, die zeer stellig de beteekenis der door hen
-uitgesproken woorden verstaan. „Wellicht de uitstekendste van alle papegaaien in het
-algemeen”, zegt Brehm („<span lang="de">Thierleben</span>”, Bd. III, blz. 23), leefde jaren lang te Weenen en Salzburg en vond gelukkig trouwe
-en vlijtige waarnemers. De mededeelingen van deze zijn reeds herhaaldelijk gedrukt;
-desniettemin moeten zij hier haar plaats vinden. Lenz heeft volkomen gelijk, als hij
-zegt, „dat wellicht nooit, zoolang er vogels op aarde leven, een papegaai of eenige
-andere vogel in kunst en wetenschap tot grootere hoogte is geklommen, dan deze papegaai,
-Jako genaamd” .… „Een vriend van wijlen mijn vader, graaf Gourcy Droitaumont, was
-de eerste, die in het jaar 1835 in Oken’s Isis een bericht omtrent dezen vogel gaf,
-dat overal verbazing wekte. Dit bericht heeft de laatste bezitter, president von Kleimayrn,
-op verlangen van onzen Lenz, volkomener gemaakt, en zoo kon deze het hem medegedeelde
-samenvatten, als volgt:
-</p>
-<p>„Jako let op alles, wat om hem heên voorvalt, weet alles te beoordeelen, heeft op
-vragen het juiste antwoord, doet op bevel wat hem wordt gelast, begroet komenden,
-neemt afscheid van heengaanden, zegt <i>slechts</i> in de vroegte „<span lang="de">guten Morgen</span>”, en <i>slechts</i> ’s avonds „<span lang="de">Gute Nacht</span>”, vraagt om voeder, als hij honger heeft. Elk lid van het huisgezin roept hij bij
-zijn naam, en het eene staat hooger in zijn gunst dan het andere. Wil hij mij (Kleimayrn)
-bij zich hebben, dan roept bij: „<span lang="de">Papa komm her!</span>” Wat hij spreekt, zingt en fluit, draagt hij volkomen voor als een mensch. Soms toont
-hij zich in oogenblikken van geestdrift een improvisator, en zijn taal klinkt dan
-juist als die van een redenaar, dien men van verre hoort zonder hem te verstaan.<span class="corr" id="xd31e5284" title="Bron: ””">”</span>
-</p>
-<p>Nu volgt bij Brehm een opgaaf van al wat Jako sprak. Wij ontleenen hieraan slechts
-het volgende: „„<span lang="de">Paperl, schiesz, schiesz, Paperl!</span>”<a class="noteRef" id="xd31e5292src" href="#xd31e5292">72</a> Daarop schiet hij door luid roepen „Puh””.… „Hij luidt aan een klokje, dat aan zijn
-kooi is aangebracht, en roept luid: „<span lang="de">Wer läut? Wer läut? Der Paperl.</span>””.… „<span lang="de">’s Hunderl ist da, a schön’s Hunderl ist da, gar a schön’s Hunderl!</span>” Dan fluit hij den hond.—Hij vraagt: „<span lang="de">Wie spricht’s Hunderl?</span>” Dan blaft hij. Daarop spreekt hij: „<span lang="de">Pfeif’n Hunderl!</span>” Dan fluit hij den hond.—Als men hem beveelt: „Schiet!” dan schreeuwt hij „Puh!”
-Dan kommandeert hij behoorlijk: „<span lang="de">Halt! richt Euch! Halt, richt! Macht euch fertig! Schlagt an; hoch! Feuer! Puh! Bravo,
-Bravissimo!</span><span class="corr" id="xd31e5310" title="Niet in bron">”</span> Soms laat hij het „<span lang="de">Feuer</span>” weg en roept na het „<span lang="de">Schlagt an; hoch!</span>” dadelijk „Puh!” Waarop hij dan echter niet „<span lang="de">bravo, bravissimo</span>” laat volgen, alsof hij zich van zijn fout bewust was .…”
-</p>
-<p>.… „Als zijn heer buiten koortijd uitgaat, roept de papegaai, al is hij ook den geheelen
-tijd stil geweest, bij het openen van de deur bijna altijd zoo recht goedhartig: „<span lang="de">Bsiet Gott</span>”;<a class="noteRef" id="xd31e5326src" href="#xd31e5326">73</a>—Waren er echter vreemde personen bij, dan roept hij als zij weggaan: „<span lang="de">Bsiet <i>Ihnen</i> Gott!</span><a class="noteRef" id="xd31e5333src" href="#xd31e5333">74</a> .…””
-<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p>
-<p>.… „De eigenaar van Jako had een kwartel. Toen deze in het voorjaar voor de eerste
-maal zijn pickerwick sloeg, draaide zich de papegaai naar zijn kant en riep: „Bravo!
-Paperl! Bravo!.…””
-</p>
-<p>.… „Om te zien, of het mogelijk was hem een weinig zingen te leeren, koos men eerst
-zulke woorden, die hij buitendien kon uitspreken, b.v. als volgt: „<span lang="de">Ist der schöne Paperl da? ist der brave Paperl da? ist der liebe Paperl da? ist der
-Paperl da? Ja, ja!</span>”—Later leerde hij het liedje zingen: „<span lang="de">O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagot, blas anstatt meiner Fagot, blas,
-blas<span class="corr" title="Bron: .">,</span> blas, blas anstatt meiner Fagot, blas anstatt meiner Fagot!</span>”—Hij heft ook accoorden aan en fluit een toonladder zeer gemakkelijk en zuiver op
-en af, fluit ook andere stukjes en trillers; hij fluit en zingt echter dit alles niet
-altijd in den zelfden toon, maar soms een halven of geheelen toon lager of hooger,
-zonder dat hij valsche tonen voortbrengt.—Te Weenen leerde hij een aria uit de opera
-Martha fluiten, en dewijl hem daarbij zijn leermeester ook naar de maat voordanste,
-bootste hij den dans ten minste hierdoor na, dat hij de voeten beurtelings ophief
-en daarbij het lichaam potsierlijk op en neêr bewoog.…”
-</p>
-<p>.… „Kleimayrn stierf in het jaar 1853. Jako begon, en naar het scheen uit verlangen
-naar zijn geliefden meester, te sukkelen, werd in het jaar 1854 zeer verzwakt in een
-bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd, snapte daar nog vlijtig, zeide dikwijls met
-een treurige stem: „<span lang="de">Der Paperl ist krank, armer Paperl ist krank</span>”, en stierf.”
-</p>
-<p>Van een anderen Jako vernam Brehm (ibid., blz. 24) van een jonge dame het volgende:
-</p>
-<p>„De papegaai waarvan ik iets wil mededeelen, werd ons door een man, die lang in Oost-Indië
-had geleefd, ten geschenke gegeven. Hij sprak reeds veel, doch alleen Hollandsch.
-Spoedig leerde hij echter Duitsch en Fransch. In deze drie talen sprak hij zoo duidelijk
-als een mensch. Daarbij was hij zoo oplettend, dat hij dikwijls spreekwijzen gebruikte,
-die hem nooit waren voorgezegd; hij wendde ze dan, tot aller verbazing, als de gelegenheid
-zich voordeed, hoogst gepast aan.
-</p>
-<p>„Hij sprak afzonderlijke woorden en samenhangende volzinnen in de Hollandsche taal,
-bracht echter ook Hollandsche woorden verstandig tusschen Duitsche aan, als hij in
-deze laatste taal het passende woord niet kende of het hem niet inviel. Hij vraagde
-en antwoordde, vorderde iets en bedankte daarvoor; hij wendde de woorden met kennis
-van tijd, plaats en personen aan.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e5359" title="Bron: „„">„</span><span lang="de">Papchen will „Klukkluk” machen</span><span class="corr" id="xd31e5363" title="Bron: ””">”</span> (drinken).
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e5367" title="Bron: „„">„</span><span lang="de">Papchen will was zu fressen haben.</span>” Kreeg hij het verlangde niet dadelijk, dan riep hij: „<span lang="de">Papchen <i>will und musz</i> aber was zu fressen haben.</span>” Gebeurde het nog niet, dan wierp hij alles door elkander, om zijn toorn lucht te
-geven.
-</p>
-<p><span id="xd31e5378"></span>Hij groette ’s morgens met „<span lang="fr">bonjour</span>”, en ’s avonds met „<span lang="fr">bonsoir</span>”; hij verlangde naar rust en nam afscheid. „<span lang="de">Papchen will schlafen gehen.</span>” Werd hij weggedragen, dan riep hij herhaaldelijk „bonsoir, bonsoir.”
-</p>
-<p>„Zijn meesteres, die hem gewoonlijk voeder gaf, was hij uiterst genegen. Als hij voedsel
-van haar ontving, drukte hij haar kussend den snavel op de hand en zeide: „<span lang="de">Küss’ der Frau die Hand.</span>” Hij nam in alles deel<span id="xd31e5394"></span> wat zijn meesteres deed, en dikwijls riep hij, als hij haar ergens mede bezig zag,
-met oneindig komischen ernst: „<span lang="de">Ja, was macht denn da die Frau?</span>” En toen hij haar niet meer zag, omdat de dood haar had weggevoerd, voelde ook hij
-het verlies en de smart. Men had moeite om hem voedsel in te krijgen en in het leven
-te houden. Ja, dikwijls deed hij opnieuw de felle smart <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>der treurenden ontwaken, door te vragen: „Wo ist denn die Frau?”.…
-</p>
-<p>.… <span class="corr" id="xd31e5403" title="Bron: „„">„</span><span lang="de">Papchen, wie sagt denn Lottchen?</span>” vraagde hij soms zich zelf en antwoordde daarop, even alsof die vraag door iemand
-anders was gedaan: „<span lang="de">O, mein schönes, schönes Papchen, komm, küss mich.</span>” En dat zeide hij met de juiste uitdrukking van teederheid zooals Lotje het maar
-kon zeggen. Zijn tevredenheid met zich zelf drukte hij met de woorden uit: „<span lang="de">Ach, ach, wie ist doch das Papchen schön</span>”, en daarbij streek hij zich met zijn pooten over den snavel.
-</p>
-<p>„Hij was echter in geenen deele schoon, want ook hij had de slechte gewoonte, zich
-zijn vederen uit te trekken. Als tegenmiddel werden hem nu wijnbaden voorgeschreven,
-die men hem door middel van een fijnen gieter toediende<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De baden waren hem hoogst onaangenaam: zoodra hij bemerkte dat men daartoe toebereidselen
-maakte, begon hij dringend te smeeken: „<span lang="de">Papchen doch nicht nasz machen,—ach, das arme Papchen—nicht nasz—machen.</span>”.…
-</p>
-<p>.… „Een dikke majoor, dien hij goed kende, beproefde eens hem kunsten te leeren. „Ga
-op den stok, papje, op den stok!” beval de krijgsman. Papje was bepaald verdrietig.
-Doch plotseling lacht hij luid en zegt: „<span lang="de">Major auf den Stock, Major!</span>”
-</p>
-<p>„Een ander zijner vrienden had in langen tijd in het huis geen bezoek gebracht<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Er werd daarover gesproken en men verwachtte, dat <i>Roth</i>, zoo heette degeen, naar wien men verlangde, heden wel zou komen. „<span lang="de">Da kommt Roth</span>”, zei papje plotseling:—hij had uit het venster gezien en den verwachte van verre
-herkend.
-</p>
-<p>„Een zoon des huizes, George, werd na lange afwezigheid verwacht en daarover natuurlijk
-in het huisgezin gesproken. George kwam eerst ’s avonds laat aan, toen papje reeds
-in het donker zijner toegedekte kooi sliep. Na de eerste begroeting wendde zich de
-teruggekeerde tot aller lieveling en lichtte het overdek op: „<span lang="de">Ah, George, bist du da? Das ist schön, sehr schön</span>”, zeide de vogel.
-</p>
-<p>„Hij had bemerkt, dat zijn meester, als hij naar het venster ging, dikwijls den rentmeester
-of Voigt uit den tuin naar boven riep. Zag hij nu, dat zijn meester wederom snel naar
-het venster ging, dan riep hij telkens de namen, maar van beiden, daar hij immers
-niet kon weten, wien zijn meester wilde roepen.
-</p>
-<p>„Wat de vogel daarenboven nog heeft gesproken en gedaan, kan ik onmogelijk alles mededeelen;
-hij was een half mensch!.…”
-</p>
-<p>.… „Hij floot verwonderlijk, vooral de wijs: „<span lang="de">Ich dank dir schon durch deinen Sohn</span>”; hij zong ook zeer prachtig: „<span lang="de">Das Papchen musz ’mal singen</span>” vermaande hij zich zelf, en dan begon hij:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">„Perroquet mignon, </p>
-<p class="line">Dis moi sans façon, </p>
-<p class="line">Qu’ a-t-on fait dans ma maison </p>
-<p class="line">Pendant mon absence? </p>
-</div>
-<p class="first">of
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">„Ohne Lieb und ohne Wein </p>
-<p class="line">Können wir doch leben.” </p>
-</div>
-<p class="first">Nu stelde hij somtijds ook samen:
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">„Ohne Lieb und ohne maison, </p>
-<p class="line">Können wir doch leben.” </p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
-<p>of
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">„Ein Kusz—<span lang="fr">sans façon</span>.” </p>
-</div>
-<p class="first">wat hem dan zoo vroolijk maakte, dat hij in een luid gelach uitbrak.”
-</p>
-<p>.… „Papje had een treurig einde. Hij werd aan een oude verwante van het huis, die
-kinds was geworden en den vogel kinderlijk lief had gekregen, ten geschenke gegeven.
-Allen weenden, toen het heerlijke dier werd weggedragen; Papje weende wel is waar
-niet, maar kon toch de scheiding van zijn geliefkoosden niet verdragen; weinige dagen
-later was hij dood.”.…
-</p>
-<p>.… „Onnoodig zou het zijn”, besluit Brehm (ibid., blz. 26), „om over de geestvermogens
-dezer vogels nog een woord te zeggen. Het bovenstaande spreekt voor zich zelf, en
-zooveel zal wel zelfs den meest bevooroordeelde duidelijk zijn, dat hier niet van
-zoogenaamd onbewust instinkt, maar slechts van helder verstand sprake kan zijn!
-</p>
-<p>„Doch niet alleen over het verstand, maar ook over het gemoed van den grijzen papegaai<a class="noteRef" id="xd31e5482src" href="#xd31e5482">75</a> zijn aardige waarnemingen bekend geworden. „Een vriend van mij”, verhaalt Wood, „bezat
-een vogel van deze soort, welke de liefste en beminnenswaardige pleegmoeder van andere
-kleine hulpbehoevende schepsels was. In den tuin van zijn eigenaar stonden een aantal
-rozestruiken, die door een hek van metaaldraad waren omgeven en met dichte slingerplanten
-dicht omsponnen. Hier nestelden een paar vinken, die voortdurend door de inwoners
-van het huis werden gevoederd, daar deze jegens alle dieren vriendelijk gezind waren.
-De vele bezoeken aan het rozeboschje vielen Polly, den papegaai, spoedig in het oog;
-zij zag, hoe daar voeder werd gestrooid en besloot een zoo goed voorbeeld te volgen.
-Daar zij zich vrij kon bewegen, verliet zij spoedig haar kooi, bootste den loktoon
-der oude vinken bedriegelijk na en sleepte den jongen hierop den eenen snavel vol
-met zijn voeder voor, den anderen na toe. Haar bewijzen van genegenheid jegens de
-pleegkinderen waren echter den ouden een weinig te onstuimig; onbekend met den grooten
-vogel, vlogen zij verschrikt heên, en Polly zag, dat thans de jongen geheel weezen
-waren geworden en dat voor haar zorgen de wijdste speelruimte open was. Van dat oogenblik
-af weigerde zij in haar kooi terug te keeren, bleef veeleer dag en nacht bij haar
-pleegkinderen, voederde ze zeer zorgvuldig en had het genoegen ze groot te brengen.
-Toen de kleinen konden fladderen, gingen zij op den kop en den hals van hun pleegmoeder
-zitten, en dan gebeurde het soms, dat Polly heel deftig met haar last rondwandelde.
-Toch oogstte de papegaai weinig dank in; nadat den jongen de slagpennen waren gegroeid,
-vlogen zij op en weg.<span class="corr" id="xd31e5486" title="Bron: ””">”</span>
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e5490" title="Bron: „„">„</span>De arme Polly gaf eenigen tijd blijken van groot hartzeer, doch troostte zich spoedig
-daarop, daar zij gelegenheid vond haar moederlijke gevoelens door de verpleging van
-andere kleine wezens te bevredigen. Zij had jonge grasmusschen opgediept, die door
-het eene of andere ongeval weezen waren geworden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Deze bracht zij één voor één naar haar kooi en wist zich werkelijk met hen te verstaan.<span class="corr" id="xd31e5495" title="Bron: ””">”</span>
-</p>
-<p id="en3.9">(<a href="#en3.9src">9</a>) „<i>Microcephale idioten.</i>” Men moet deze wezens scherp van de andere idioten onderscheiden. Terwijl het gewone
-idiotisme moet worden verklaard door een ziekelijke misvorming, is het <i>microcephalisme</i> waarschijnlijk een atavisme, een terugkeer tot een vroeger type van organisatie (vergelijk
-aanteekening 9, blz. 38). Geboren uit normaal gevormde ouders, komen de microcephalen
-ter wereld met een hoeveelheid hersenen, te klein voor een <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>mensch, maar voldoende voor een apenleven.<a class="noteRef" id="xd31e5509src" href="#xd31e5509">76</a> Zij zijn menschen door de geboorte, apen door het verstand. De kleinheid der hersenen
-gaat bij de microcephalen gepaard aan een zeer groote ontwikkeling van de wenkbrauwbogen,
-en zij vertoonen op den schedel sporen van de zelfde kammen en lijsten, die men op
-dien der volwassen anthropomorphen opmerkt (zeer belangrijk is in dit opzicht de vergelijking
-van de door Vogt in zijne „<span lang="de">Vorlesungen über den Menschen</span>”, Bd. I, fig. 44 en 45 gegeven, afbeeldingen van den schedel van een ouden chimpanzee
-en Tab. II, XI, XIV, XX van zijn verhandeling „<span lang="de">Ueber die Microcephalen oder Affen-Menschen</span>”). Terwijl andere idioten voor een zekere opvoeding vatbaar, doch dikwijls zeer dof
-en wezenloos zijn, leeren de microcephalen nooit spreken, doch zijn zeer vlug en levendig,
-en bezitten evenals de apen een merkwaardig vermogen van nabootsing.
-</p>
-<p id="en3.10">(<a href="#en3.10src">10</a>) Deze oplossing van het raadsel door de theorie der <i>klanknabootsing</i>, voorgestaan door Farrer en Prof. Moltzer (Taal- en Letterbode II, blz. 173), wordt
-door Max Müller bestempeld met den spotnaam <i>bow-bow-theorie</i>. Terecht zegt echter de Groningsche Hoogleeraar (ibid., blz. 178): „de taal der kinderwereld
-is zeer rijk aan klanknabootsingen”, en met hem houden wij het voor zeker, dat in
-dit opzicht het kind overeenkomt met den natuurmensch. De oplossing zelve is daarmeê
-echter nog niet gevonden; want een kind dat den hond <i>waf-waf</i> noemt, <i>articuleert</i> reeds en het zwaartepunt ligt juist in de vraag: „<i>Hoe is de mensch tot het uiten van gearticuleerde geluiden gekomen?</i>” Daarop geeft ook de leer der <i>gevoelsklanken</i> of <i>ontboezemingen</i> geen voldoend antwoord. De <i>klanknabootsingen</i> zijn als gearticuleerde klanken, van te <i>jongen</i>, de <i>ontboezemingen</i>, voor zoover ze oorspronkelijk zijn, van te <i>ouden</i> datum. De oorspronkelijke ontboezemingen van pijn, toorn, angst, blijdschap enz moeten
-niet anders dan onduidelijke, meest samengestelde vocalen zijn geweest. <i>Aau(w)! Ai! â(h)!</i> zijn daarvan juister voorbeelden dan <i>ach! helaas!</i> enz. Met de zoogenaamde <i>klankgebaren</i> (<span lang="de">Lautgeberde</span>) eindelijk komen we tot de ontknooping, hoewel we aan het woord een ruimere beteekenis
-moeten geven dan men tot nog toe heeft gedaan. De geluiden, hier bedoeld, komen namelijk
-daarin overeen, dat zij een gebaar, een geste, vergezellen of vervangen. Vooral dit
-soort van geluiden kan men in de kinderkamer <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>onophoudelijk waarnemen, vóórdat de kleinen nog van een <i>waf</i>, een <i>boe</i> of een <i>miauw</i> weten. Minder gemakkelijk zijn ze intusschen te beschrijven of door graphische teekens
-voor te stellen. Uw kleine telg stoot b.v. zijn hoofd, en daar het genoegzaam zonder
-pijn afloopt, gelukt het u een afleiding te geven aan de dreigende waterlandertjes,
-door te vragen wat er aan scheelt, en ofschoon hij u daarvan geen volledig relaas
-kan geven, deelt hij u mee, dat hij zich heeft gestooten, en wel door het gebaar van
-zijn hoofdje en handje te vergezellen met een half gearticuleerd geluid, dat men zou
-kunnen noemen: de kiem van de K<span class="corr" id="xd31e5576" title="Bron: ,">.</span> Het min of meer vokaalachtig geluid, dat men er bij waarneemt, geeft iets van een
-zeer korte è of à. De intensiteit van die elementaire articulatie hangt af van de
-energie waarmee zij wordt geuit, en bestaat in het meer of minder dichtknijpen van
-de keel. Wanneer het kind, door de eene of andere behoefte of begeerte gedrongen,
-ongeduldig om hulp schreeuwt, krijgt de klank iets meer van de echte K. Is er echter
-meer verveling dan ongeduld in het spel, dan wordt het consonantisch element een onvolkomen
-NG., die echter meer neus- dan keelklank is en waarbij de geheele achterholte van
-den mond meêtrilt. Een daarmede overeenkomstig dreunend geluid wordt in het voorste
-gedeelte van den mond gevormd. Men zou het kunnen voorstellen door MN, terwijl het
-door de trilling van den neus, de tanden en de lippen wordt voortgebracht en den kleinen
-dient om bloot te roepen, te groeten of de opmerkzaamheid te trekken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Als middel om hun blijdschap of vroolijkheid te kennen te geven, gebruiken zij een
-geluid, dat een weinig meer bepaald is en tusschen I en J zweeft, terwijl het een
-heel enkele maal door een duidelijke <i>â</i> wordt gevolgd. Mengt zich nu de verveling, die het kind eenige minuten heeft moeten
-uitstaan, met de blijdschap over de eenigszins langzaam volbrachte vragende belofte:
-„Moet-i (moet ze) bij ma-tje komen?” dan hoort men NJ(A) of ook soms NGA of GA (fr.
-<i>g</i>).
-</p>
-<p>Genoeg hierover. De spraakschat onzer zuigelingen is hiermede niet uitgeput; maar
-dat is ook voor ons doel niet noodig. Er moest alleen worden aangetoond, dat de consonanten
-oorspronkelijk inderdaad niet anders zijn dan gebaren, wier intensiteit onmiddellijk
-afhangt van de energie, waarmee ze worden voortgebracht. Daar nu deze weer in het
-nauwste verband staat met de ontwikkeling der hersenen<a class="noteRef" id="xd31e5588src" href="#xd31e5588">78</a>, zoo is de quaestie van het ontstaan der gearticuleerde taal opgelost door aan te
-nemen, dat de eerste onzer articuleerende stamvaders ten opzichte der hersenontwikkeling
-gunstiger bedeeld was dan zijn voorgangers, en wat er verder van te onderzoeken blijft,
-behoort om de zelfde reden tot de bevoegdheid der natuuronderzoekers, en niet tot
-die der taalkundigen.
-</p>
-<p>Wanneer we nu het een en ander aangaande den oorsprong van ons spraakvermogen kort
-samenvatten, dan blijkt:
-</p>
-<p>1o. Dat <i>klanknabootsingen</i> niet den overgang hebben gevormd tot de gearticuleerde taal.
-</p>
-<p>2o. Dat deze voorafgegaan moeten zijn door ongearticuleerde <i>gevoelsklanken</i>, die de mensch ook op het dierlijkste standpunt moet hebben bezeten.
-</p>
-<p>3o. Dat de overgang tusschen die beide waarschijnlijk gevormd is door zeer elementaire
-articuleeringen, die door ontwikkeling der hersenen als werktuig der energie allengs
-volkomener zijn geworden.
-</p>
-<p>Met dat volkomener worden—en vermeerderen—der articuleeringen <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>ontstonden de woorden, die door de taalkundigen met den naam <i>wortels</i> worden bestempeld, d. z. woordvormen van één lettergreep, waaruit de later gevormde
-woorden zich hebben ontwikkeld. Voorbeelden daarvan, zijn <i>i</i>, gaan; <i>ar</i>, ploegen; <i>ad</i> eten; <i>plu</i>, vloeien enz.
-</p>
-<p>Die wortels hadden geen bepaalde <span class="corr" id="xd31e5619" title="Bron: teekenis">beteekenis</span>: een en de zelfde wortel diende zoowel om een <i>voorwerp</i>, als om een <i>werking</i> of <i>hoedanigheid</i> aan te duiden, terwijl sommigen van hen uitsluitend dienden als <i>aanwijzingen</i>.<a class="noteRef" id="xd31e5631src" href="#xd31e5631">79</a> Door allerlei wijziging en vooral door samenstelling van die oudste woordelementen
-zijn van lieverlede de echte woorden ontstaan<a class="noteRef" id="xd31e5636src" href="#xd31e5636">80</a>, die, door middel van rijzende en dalende klemtonen tot volzinnen vereenigd, de <i>taal</i> vormden, in die hoogere beteekenis die we tegenwoordig daaraan hechten, terwijl het
-verschil in bodem en klimaat, en vooral volksverhuizingen het <i>onderscheid</i> tusschen verschillende talen in het leven heeft geroepen. (Naar Dr. T.&nbsp;M. ten Bergen
-in zijn: „De begrafenis van den Duivel”, Rotterdam, J.&nbsp;H. Dunk, 1874.)
-</p>
-<p>Sedert ik het bovenstaande schreef, is een geheel nieuw licht op den oorsprong der
-taal geworpen door Dr. C. Abel, in zijn „<span lang="de">Sprachwissenschaftliche Abhandlungen</span>”, Leipzig, 1885, Abh. VII, waarin hij met behulp van zijn Egyptische studiën de grondfout
-van alle tot dusver gedane onderzoekingen daaromtrent blootlegt, welke ligt in de
-valsche onderstelling, dat de taal altijd <i>verstaanbaar</i> zou zijn geweest. Aan de <span class="corr" id="xd31e5766" title="Bron: hieroglyphische">hiëroglyphische</span> en koptische taal, die een vijfduizendjarige ontwikkeling omvat, en, in den aanvang
-op het peil der natuurvolken staande, aan het einde het standpunt der beschaafde volken
-bereikte, toont hij nu op de meest gelukkige wijze door vele voorbeelden van woorden
-aan, dat de ontwikkelingsgang dezer taal was „<span lang="de">ein allmähliches Auftauchen aus vagen Ton und Sinn in gesonderten Laut und präzisierte
-Bedeutung</span>.” Ook wat hij in Abh. VIII zegt omtrent den „<span lang="de">Gegensinn der Urwörter</span>”, dat namelijk oorspronkelijk zeer dikwijls twee volkomen tegenovergestelde begrippen
-(b.v. hooren en doof zijn, sterk en zwak enz.) door het zelfde woord worden uitgedrukt,
-is in dit verband hoogst merkwaardig. Evenzoo beteekent b.v. in het Latijn <i lang="la">sacer</i> zoowel heilig en eerwaardig, als goddeloos en afschuwelijk, <i lang="la">imprecari</i> zoowel bidden als verwenschen enz. Wij verwijzen verder naar het oorspronkelijke.
-</p>
-<p>De gearticuleerde spraak wordt aangeleerd doordat het kind het spreken der menschen
-te midden waarvan het opgroeit, nabootst. Menschen, die lang in volslagen eenzaamheid
-leven, verliezen het spraakvermogen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Alexander Selkirk (het prototype van Robinson Crusoë) had na een vijfjarig eenzaam
-verblijf op het eiland Juan Fernandez het spraakvermogen bijna geheel verloren. De
-groote mogol Akbar deed, bij wijze van proef dertig kinderen te <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>zamen zoo opvoeden, dat zij niemand konden hooren spreken. Geen gearticuleerde tonen,
-geen taal of spraak ontwikkelde zich bij die kinderen.
-</p>
-<p>Ook de verwilderde kinderen (zoogenaamde „wilde” menschen of „woudmenschen”, die men
-herhaaldelijk in Europa en elders heeft aangetroffen, en op welke wij in een latere
-aanteekening uitvoeriger terugkomen), spraken niet, brachten geen gearticuleerde tonen
-voort. Dat zij echter als kinderen in de wildernis of in afgelegen bosschen zonder
-hulp van oudere menschen konden opgroeien en in hun voeding voorzien, bewijst, dat
-ook bij de oudste menschengeslachten kinderen vroegtijdig den stam hebben kunnen verlaten,
-en afgescheiden van dezen kunnen zijn blijven voortleven en zich voortplanten. Wat
-in Europa in later eeuwen bij hooge uitzondering is geschied (men kent in dat werelddeel
-meer dan <i>zestien</i> gevallen van zulke „woudmenschen”) kan in zeer oude tijden zeer veelvuldig zijn voorgekomen
-en in plaats van enkele kinderen kunnen zoo geheele groepen van kinderen, die nog
-slechts enkele woorden konden spreken, zich van hun stam hebben afgescheiden en een
-nieuwe vereeniging hebben gegrond. Of zelfs als zij niet spraken, kan zich bij hun
-<span class="corr" id="xd31e5792" title="Bron: afstmamelingen">afstammelingen</span> zelfstandig een taal hebben ontwikkeld. In beide gevallen zou die taal buitengewoon
-sterk afwijken of zelfs volstrekt geen gelijkenis vertoond hebben met die van den
-stam, waartoe zij oorspronkelijk behoorden. Op soortgelijke wijs zoekt <i>Horatio Hale</i> (in een verhandeling in Augustus 1886 in de anthropologische afdeeling van de „<span lang="en">American Association for the Advancement of Science</span>” voorgedragen), het ontstaan der verschillende groepen van talen, die in wortels
-en grammaticale structuur geheel van elkander afwijken, te verklaren door aan te nemen,
-dat zij zich hebben ontwikkeld uit verschillende onder kinderen ontstane dialecten,
-nadat de nog sprakelooze mensch zich over de aarde had verspreid. Waarom eerder onder
-de kinderen dan onder de volwassen sprakelooze menschen het spreken zou zijn ontstaan,
-zegt hij niet. Wij zouden eer aannemen, dat uit een afdeeling kinderen, die zich op
-zeer jeugdigen leeftijd, toen zij nog zeer onvolkomen konden spreken, van een (reeds
-sprekenden) stam afscheidden, een dialect kon ontstaan, dat zoowel in bijna alle wortelwoorden
-als in grammaticale structuur van de taal van den moederstam geheel afweek, en later
-ook de enkele wortels nog grootendeels verloor, die het met deze gemeen had. Enkele
-wortels (b.v. pa, ma,) komen zeer algemeen over de geheele wereld verspreid voor en
-hebben juist betrekking op begrippen, die het kind zeer vroeg krijgt. Wel is waar
-noemen enkele volken den vader <i>ma</i> en de moeder <i>pa</i>, maar het blijven toch namen van een der ouders.
-</p>
-<p id="en3.11">(<a href="#en3.11src">11</a>) De heer J. Bikkers, tijdens het verschijnen der eerste uitgaaf van dit werk Adjunct-Hoofdonderwijzer
-aan de Inrichting voor Doofstommen-Onderwijs te Rotterdam, heeft mij verzekerd meermalen
-te hebben opgemerkt, dat doofstomme kinderen, wier ouders gebreken in de spraak hadden,
-b.v. lispelden, nadat men ze op kunstmatige wijze spreken had geleerd, die zelfde
-gebreken vertoonden. Deze kinderen hadden ze niet kunnen verkrijgen door nabootsing
-van huns vaders spraak, daar zij volkomen doof waren. De heer D. Hirsch, Directeur-Hoofdonderwijzer
-van voornoemde inrichting, deelde mij mede, dat J. G., een doofgeboren knaap, bij
-het spreekonderwijs een kortademigheid, „een krampachtige uitademing” vertoonde, welke
-hij bij zijn vader ook had waargenomen, welk gebrek, gedurende de acht jaren, welke
-J.&nbsp;G. aan de inrichting bleef, niet merkbaar werd overwonnen, en dat M. de G., een
-doofgeboren meisje, evenals haar moeder, een vooruitstekende onderkaak met groote
-tanden had, ten gevolge waarvan het gedurende de acht jaren, welke zij aan de inrichting
-vertoefde, niet mogelijk <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>was, haar tot die zuivere uitspraak te brengen, welke gemiddeld bij doofstommen met
-normale spraakwerktuigen is te bereiken; deze beide gevallen, welke volgens den heer
-Hirsch met zeer vele zouden te vermeerderen zijn, bewijzen ongetwijfeld een erfelijkheid
-in de conformatie der spraakwerktuigen, maar de bijzondere conformatie daarvan bij
-de ouders kan moeielijk worden bewezen een gevolg van het gebruik te zijn. Dr. Brester,
-leeraar aan de H. Burgerschool te Delft, deelde mij mede, dat een doofstomme Engelsche
-knaap, die te Rotterdam onderricht in het spreken had genoten, het Nederlandsch met
-een sterk Engelsch accent uitsprak; dit zou ongetwijfeld een prachtig voorbeeld zijn
-van de erfelijkheid van de gevolgen van het gebruik bij de spraakorganen; de heer
-Hirsch schreef mij echter, „dat hij geenszins de mogelijkheid wil betwisten, dat een
-opzettelijk kritisch onderzoek tot deze gevolgtrekking zou kunnen leiden, maar wel,
-dat genoemde waarneming wetenschappelijk vertrouwbaar is.” „Ik meen”, schrijft hij,
-„dat men—wetende, dat de knaap van Engelsche afkomst is—het vreemde in zijn spraak
-al te spoedig aan een volkseigenaardigheid heeft toegeschreven.” Later is echter in
-Frankrijk, Engeland en Spanje herhaaldelijk opgelet, dat doofstommen die spreken leerden,
-het accent bezaten van de streek, van waar zij afkomstig waren (zie: <span lang="de">„Kosmos”, V. Jahrgang (1881), Heft II</span>, blz. 387).
-</p>
-<p id="en3.12">(<a href="#en3.12src">12</a>) In het „Album der Natuur”, 1857, blz. 380, vindt men aangetoond, dat ook de bijen
-elkander verstaan en een taal bezitten.
-</p>
-<p id="en3.13">(<a href="#en3.13src">13</a>) Zie ook daarover Ferrière, het Darwinisme, in ’t Ned. vertaald door Dr. H. Hartogh
-Heys van Zouteveen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1874, waarin dit onderwerp zeer
-uitvoerig wordt behandeld.
-</p>
-<p id="en3.14">(<a href="#en3.14src">14</a>) De priëelvogels zijn Australische vogels. Men onderscheidt vier soorten: den grooten
-priëelvogel, den gevlekten priëelvogel, den regentvogel en den satijnvogel. De laatste
-(<i lang="la">Ptilorhynchus holosericeus</i>) is de meest bekende. Hij heeft omtrent de grootte eener duif; het mannetje is glinsterend
-blauwzwart, het wijfje olijfkleurig. Zij bouwen een soort van kleine priëeltjes, samengesteld
-uit een vloer van dooreengevlochten twijgjes en een zich daarover heên verheffend
-gewelf, op de zelfde wijze gevormd. Zij versieren deze priëeltjes, die hun gedurende
-den paartijd tot tijdelijk verblijf strekken, doch waarin men nimmer eieren of jonge
-vogels aantreft, met allerlei bontgekleurde en blinkende voorwerpen, b.v. vederen
-van papegaaien en andere vogels, schelpjes, steentjes, en, als zij ze vinden kunnen,
-lapjes en snippers van gekleurde kleedingstoffen, stukjes blik of glas, enz. Een andere
-<span class="corr" id="xd31e5833" title="Bron: prieelvogel">priëelvogel</span> (<i lang="la">Chlamydera maculata</i>) bouwt met het zelfde doel dergelijke lusthoven, die echter aan beide zijden open
-zijn, en dus meer op onze ouderwetsche berceaux gelijken. Deze zijn soms een meter
-lang, van buiten met gras bekleed en van binnen met steentjes bestrooid, en weder
-met allerlei blinkende en bontgekleurde voorwerpen versierd. Wanneer de inlanders
-eenig klein voorwerp, b.v. een pijlspits, missen, zoeken zij het gewoonlijk in de
-nesten van deze beide soorten van vogels en vinden het daar dikwijls terug. (Harting,
-„De Bouwkunst der Dieren”, „Vlechters, Mandemakers, Wevers, Vilt- en Tapijtwerkers”,
-in het „Album der Natuur”, 1861, blz. 215, 216.)
-</p>
-<p id="en3.15">(<a href="#en3.15src">15</a>) Door zendelingen en andere reizigers zijn dikwijls de bespottelijkste redeneeringen
-gehouden om te bewijzen, dat de eene of andere wilde stam een denkbeeld van het bestaan
-van een of meer goden had. Zoo zegt Kolben (aangehaald in Sir John Lubbock’s werk
-„<span lang="fr">l’Homme avant l’histoire</span>”, Fransche vertaling van Barbier, blz. 343), eerst dat de Hottentotten „<i lang="fr">aucun <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>culte constitué</i>” hadden. De oudste schrijvers beschouwden wel is waar sommigen hunner dansen als
-godsdienstige plechtigheden, maar deze zienswijze werd formeel tegengesproken door
-de inboorlingen zelven, hetgeen Kolben niet verhindert ons te verzekeren: „<i lang="fr">que c’étaient des actes religieux</i>”, en er naïef bij te voegen: „<i lang="fr">quoi qu’en disent les Hottentots</i>.”
-</p>
-<p id="en3.16">(<a href="#en3.16src">16</a>) Bij sommige dieren bestaan ongetwijfeld de kiemen van het geloof aan geheimzinnige
-wezens van hoogere natuur. Terecht merkt Carl Vogt („<span lang="de">Vorlesungen über den Menschen</span>”, 1863, Bd. I, blz. 294) op: „De hond is klaarblijkelijk even bang voor spoken als
-de Bretagner of de Bask; elk verschijnsel dat hem treft en waarover zijn neus hem
-geen goede inlichtingen kan geven, brengt zelfs den moedigsten hond tot uitingen van
-de meest onzinnige vrees. Ik ken een boschje waarin zich volgens de overtuiging der
-boeren des nachts een vurige man ophield; als bewijs van het bestaan van dit vuurspook
-voerden zij aan, dat de honden in dat boschje ’s nachts bang waren en dat men honden
-die daarin ’s nachts eenmaal waren geweest, zelfs door slagen er niet meer toe kon
-krijgen om derwaarts terug te keeren. Het spook in welks nabijheid een overigens moedige
-hond zich niet dorst wagen, zelfs al ging zijn meester, mijn vader, met hem mede,
-was een witte, rottende boomstronk, die ’s nachts een lichtschijn van zich gaf. De
-vrees voor het bovennatuurlijke, voor het onbekende is de kiem der godsdienstige voorstellingen,
-zij is bij onze intelligente huisdieren, den hond en het paard, in hooge mate ontwikkeld.
-De kiem van deze voorstellingen wordt, evenals die van zoovele andere, slechts bij
-den mensch verder uitgewerkt tot een stelsel, tot een geloof. Met het zelfde recht,
-waarmede men het geloof aan iets bovennatuurlijks als een eigenschap beschouwt, die
-alleen aan den menschelijken geest eigen is, zou men zulks ook van de wiskunde kunnen
-beweren. Geen dier kent de wiskunde, de meetkunde—maar er zijn dieren, die ongetwijfeld
-kunnen tellen, al is het ook slechts tot weinige cijfers, en dat is de kiem van geheel
-het trotsche gebouw, dat de mensch heeft opgetrokken, en door middel waarvan hij de
-ruimten des hemels en der aarde heeft gemeten. Evenzoo bezit geen dier een geloof—maar
-het bezit de vrees voor het onbekende, en is het niet de vrees voor het onbekende,
-de god<i>vreez</i>endheid, waaruit de mensch de godsdiensten heeft ontwikkeld?” Men vergelijke ook het
-door mij vertaalde stukje van Eugène N.&nbsp;S. Ringueberg, „Een bijgeloovige hond” in
-„de Dageraad”, Juni 1883.
-</p>
-<p>De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „<span lang="en">Origin of Species</span>”, Mme Clémence Royer<span class="corr" title="Bron: .">,</span> merkt in haar werk „<span lang="fr">Origine de l’Homme et des Sociétés</span>”, Paris, 1870, blz. 86, zeer juist op: „<span lang="fr">Partout où nous constatons un certain degré d’intelligence et d’activité et la <span class="corr" id="xd31e5882" title="Bron: trace">tracé</span> d’une communicabilité quelconque entre deux <span class="corr" id="xd31e5885" title="Bron: étres">êtres</span> de même espèce, il peut exister ce commencement de science spéculative qui s’appelle
-une religion et qui par plusieurs côtés se reliant au sens social et moral, l’entrave
-ou le fortifie selon les cas. Ainsi pour l’animal domestique, pour le chien surtout,
-l’homme est <span class="corr" id="xd31e5888" title="Bron: peut-ètre">peut-être</span> un Dieu. On ne saurait expliquer sans un certain sentiment de vénération, sans une
-espèce d’instinct religieux, la passivité de son obéissance, sa fidélité, son dévouement,
-en dépit même des mauvais traitements. La reine abeille doit être un être divin pour
-sa ruche: lorsque deux reines combattent pour l’empire, qui ne peut appartenir qu’à
-l’une d’elles, nul ne trouble leur combat; le peuple attend la décision du sort et
-adorera la divinité victorieuse, tout comme la Grèce antique passait du culte d’Uranus
-au culte du fils qui l’avait mutilé, pour accepter plus tard celui de Jupiter, également
-usurpateur des droits divins de son père. Si les fourmis ont un langage descriptif
-et idéalogique, <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>elles peuvent avoir une mythologie où l’homme certainement ne joue pas le beau rôle.
-Ce doit être leur Siwah destructeur, leur Ahriman, leur Moloch. L’oiseau, dans son
-chant matinal, salue <span class="corr" id="xd31e5893" title="Bron: peut ètre">peut-être</span> le soleil; Philomèle a voué sans doute son culte à la lune et aux étoiles; le pigeon
-voyageur doit être plus fort astronomie que les anciens pasteurs chaldéens ou que
-les pilotes phéniciens s’orientant à travers les déserts ou sur les flots de la mer
-Atlantique d’après l’étoile immobile de l’Ourse ou le lever héliaque de Sirius. Si
-rien de tout cela n’est prouvé, rien de tout cela n’est impossible, ni même improbable.
-Et de quel droit vient-on donc affirmer avec beaucoup moins de preuves encore, que
-chez l’homme seul existe l’instinct religieux?</span>”
-</p>
-<p id="en3.17">(<a href="#en3.17src">17</a>) Over het vraagstuk van den oorsprong van het godsdienstig gevoel vergelijke men
-ons boekje: „Over den oorsprong der Godsdienstige Denkbeelden”, Amsterdam, J.&nbsp;F. Sikken,
-1883. Wij zoeken den eersten oorsprong daarvan met <i>Tito Vignoli</i> (<span lang="it">„Mito e Science”, Milano, Fratelli Dumolard, 1879</span>) daarin, dat het <i>dier</i>, gelijk Vignoli onwederlegbaar heeft bewezen (en derhalve moet zulks ook bij de dierlijke
-stamouders van den mensch het geval zijn geweest) bij alle dingen die voor zijn waarneming
-toegankelijk zijn, de onbestemde voorstelling heeft van een levend, bewust handelend
-wezen, dat elk voorwerp, elk verschijnsel voor het dier een virtueel willend ding,
-een levend wezen is, dat evenals hij zelf kan gevoelen en begeeren, dat de wereld
-voor hem een machtig samenwerken van levende en willende wezens is, zoodat de onophoudelijke
-stroom der dingen, waarin alles plaats heeft volgens de wetten die hem leven en bestaan
-verzekeren, voor hem slechts een groot drama is, gespeeld door vorm bezittende of
-ook vormlooze, doch altijd werkzame wezens, die nu eens tot zijn nut, dan weder tot
-zijn schade handelen, hem wel of kwaad gezind zijn, zich aangenaam of lastig toonen.<a class="noteRef" id="xd31e5909src" href="#xd31e5909">81</a> Deze wijze van voorstelling, van welke bij de ruwste <span class="corr" id="xd31e5929" title="Bron: nauurvolken">natuurvolken</span> van den tegenwoordigen tijd nog onmiskenbare sporen in menigte voorhanden zijn<a class="noteRef" id="xd31e5932src" href="#xd31e5932">82</a>, was natuurlijk nog sterker aanwezig bij onze oudste menschelijke voorouders, die
-nog nauwelijks boven het dier verheven, ver beneden de wildste stammen van den tegenwoordigen
-tijd stonden. Zoodra hij zich boven den ontwikkelingstrap der hoogere anthropomorphen
-had verheven, <i>vond dus de nauwelijks ontstane mensch in de voorstellingswijze van de buitenwereld
-welke hij van zijn dierlijke voorouders had geërfd, de kiem van een geheele mythologie</i>, waarin de voorwerpen zelven (b.v. hemel en aarde, wolken, zon, maan, vuur, donder
-enz.) de goden waren en de ziel niet werd onderscheiden van het lichaam.
-</p>
-<p>Zoodra echter het denkbeeld dat er ook levenlooze voorwerpen waren, <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>zich bij den mensch had ontwikkeld, zocht hij naar een oorzaak waaraan dit leven moest
-worden toegeschreven, en zoo kwam hij tot de hypothese van zielen of geesten, welke
-het eigenlijk levende zouden zijn dat in zijn verbinding met de doode stof aan deze
-laatste het leven geeft en die dikwerf met den adem, den wind, de schaduw enz. werden
-vereenzelvigd. Zoo komen wij tot den ontwikkelingstrap, welke Tylor het <i>animisme</i> noemt en als den oudsten vorm van godsdienst beschouwt. Ook droomen kunnen hierop
-grooten invloed hebben gehad, daar de menschen, van afgestorvenen droomend, later
-geloofden dat hun ziel hun was verschenen omdat zij wisten dat hun lijk was verrot
-en toch in geenen deele de objectieve realiteit van het gedroomde betwijfelden.<a class="noteRef" id="xd31e5951src" href="#xd31e5951">83</a> Ook hallucinaties, zelfs van krankzinnigen, zullen niet zonder invloed zijn geweest.
-</p>
-<p>Ware de evolutieleer er nog niet, dan zou men vele bezwaren tegen deze verklaring
-kunnen opwerpen, die ons toeschijnt zeer geleidelijk aan te geven op welke wijze de
-godsdienstige gevoelens zich bij den mensch zijn begonnen te ontwikkelen, maar op
-<i>grond</i> van de evolutieleer kan men met groote zekerheid zeggen: zij <i>moeten</i> op <i>natuurlijke</i> wijze <i>allengs</i> zijn ontstaan uit psychologische verschijnselen waarvan de kiemen reeds bij de dieren
-moeten zijn waar te nemen.
-</p>
-<p>Angst, egoïsme, onkunde, van de dierlijke voorouders geërfde verkeerde voorstelling
-der buitenwereld, het voor objectief reëel houden van droomen en hallucinaties deden,
-naar het ons voorkomt<span class="corr" title="Bron: .">,</span> het eerste <i>geloof</i> (en niet slechts ’t <i>mythisch</i> spraakgebruik) ontstaan aan bovenmenschelijke wezens, van wie men afhankelijk was,
-het <i>afhankelijkheidsgevoel</i> dus, de god<i>vreez</i>endheid.
-</p>
-<p>Sluwheid, beter inzicht, macht, egoïsme hielden deze ideeën wakker (geestelijken tegenover
-leeken).
-</p>
-<p>Daarna treedt de symboliek op, waarmede <i>onvermijdelijk</i> het verval van den ouden godsdienst (incluis godsbegrip) gepaard gaat—„<span lang="de">aus den Ruïnen blüht ein neues Leben empor</span>”; rudimenten zijn in menigte aan te toonen; evenwel denkt men nu de eenige ware leer
-te bezitten, „trapt de ladder waar men langs is opgestegen, weg”, zoodra men weder
-vasten grond voelt, en vervolgt en veracht de oude oercel (ontwikkeling der hoogere
-godsdienstvormen uit de lagere).
-</p>
-<p>Een schoone zedeleer wordt er in geweven, doch hoewel men <i>zegt</i> die als zwaartepunt aan te nemen, als hoofdzaak waarmede het geloof staat of valt,
-is daarvan in de handelingen, niet alleen van de leeken maar ook van de geestelijken,
-slechts al te weinig waar te nemen.
-</p>
-<p>Geloof <i>is</i> bijgeloof, zegt Multatuli.
-</p>
-<p>Geloof is het wezen van allen godsdienst, Prof. Tiele, in de Gids van Mei 1884.
-</p>
-<p>Maar bij de dieren vindt men reeds duidelijke sporen van bijgeloof! (Vergelijk aant.
-<a href="#en3.16">16</a>.)
-</p>
-<p>De conclusie is gemakkelijk te trekken!
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e4208">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4208src">1</a></span> Het bewijs hiervan is te vinden in Lubbock’s „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, blz. 344 v.v.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4208src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4240">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4240src">2</a></span> „<span lang="fr">Instinct chez les Insectes</span>”. „<span lang="fr">Revue des Deux Mondes</span>”, Febr. 1870 blz. 690.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4240src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4251">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4251src">3</a></span> „<span lang="en">The American Beaver and his Works</span>”, 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4251src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4259">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4259src">4</a></span> „<span lang="en">The Principles of Psychology</span>”, 2nd edit., 1870, blz. 418–443.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4259src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4273">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4273src">5</a></span> „<span lang="en">Contributions to the Theory of Natural Selection</span>”, 1870, blz. 212.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4273src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4289">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4289src">6</a></span> „<span lang="fr">Recherches sur les Moeurs des Fourmis</span>”, 1810, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 173.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4289src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4299">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4299src">7</a></span> Al de volgende op autoriteit van deze twee geleerden medegedeelde feiten zijn ontleend
-aan Rengger<span class="corr" title="Bron: .">,</span> „<span lang="de">Naturges. der Säugethiere von Paraguay</span>”, 1830, blz. 41–57 en aan Brehm’s „<span lang="de">Thierleben</span>”, Deel 1, blz. 10–87.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4299src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4315">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4315src">8</a></span> Aangehaald door Dr. Lauder Lindsay in zijn <span lang="en">„<span lang="en">Physiology of Mind in the Lower Animals</span>”, „<span lang="en">Journal of Mental Science</span>”</span>, April 1871, blz. 36.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4315src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4327">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4327src">9</a></span> „<span lang="en">Bridgewater Treatise</span>”, blz. 263.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4327src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4378">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4378src">10</a></span> W.&nbsp;C.&nbsp;L. Martin, „<span lang="en">Nat. Hist. of Mammalia</span>”, 1841, blz. 405.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4378src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4388">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4388src">11</a></span> Aangehaald bij Vogt, „<span lang="fr">Mémoire sur les Microcéphales</span>”, 1867, blz. 168.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4388src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4394">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4394src">12</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 33.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4394src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4399">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4399src">13</a></span> „<span lang="fr">Ann. d. Scienc. Nat.</span>” (1e Serie), tome XXII, blz. 397.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4399src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4418">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4418src">14</a></span> „<span lang="fr">Les Moeurs des Fourmis</span>”, 1810, blz. 150.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4418src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4439">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4439src">15</a></span> Aangehaald in Dr. Maudsley’s <span class="corr" id="xd31e4441" title="Niet in bron">„</span><span lang="en">Physiology and Pathology of Mind</span>”, 1868, blz. 19, 220.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4439src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4448">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4448src">16</a></span> Dr. Jerdon, „<span lang="en">Birds of India</span>”, vol. I, 1862, blz. XXI. Houzeau zegt, dat zijn parkieten en kanarievogels droomden:
-„<span lang="fr">Facultés Mentales</span>”, tome II, blz. 136.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4448src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4458">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4458src">17</a></span> „<span lang="fr">Fac. Ment.</span>”, 1872, tome II, blz. 181<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4458src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4469">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4469src">18</a></span> Het werk van den heer L.&nbsp;H. Morgan over „<span lang="en">The American Beaver</span>”, 1868, levert een goed voorbeeld hiervan op. Ik kan niet nalaten te denken, dat
-hij te ver gaat in het geringschatten van de macht van het instinkt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4469src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4482">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4482src">19</a></span> „<span lang="de">Die Bewegungen der Thiere</span>”, enz., 1873, blz. 11.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4482src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4492">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4492src">20</a></span> „<span lang="fr">Facultés Mentales des Animaux</span>”, 1872, tome II, blz. 265.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4492src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4503">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4503src">21</a></span> Prof. Huxley heeft met bewonderenswaardige duidelijkheid de verstandelijke stappen
-geanalyseerd, waardoor een mensch, zoowel als een hond, tot een besluit komt in een
-dergelijk geval, als door mij in den tekst is medegedeeld. Zie zijn artikel: „<span lang="en">Mr. Darwin’s Critics</span>”, in de „<span lang="en">Contemporary Review</span>”, Nov. 1871, blz. 462, en in zijn „<span lang="en">Critiques and Essays</span>”, 1873, blz. 279.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4503src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4521">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4521src">22</a></span> „<span lang="en">The Moor and the Loch</span>”, blz. 45. Kol. Hutchinson over „<span lang="en">Dog Breaking</span>”, 1850, blz. 46.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4521src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4532">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4532src">23</a></span> „<span lang="en">Personal Narrative</span>”, Engelsche vertaling, vol. III, blz. 106.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4532src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4546">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4546src">24</a></span> Aangehaald door Sir C. Lyell, „<span lang="en">Antiquity of Man</span>”, blz. 497.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4546src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4560">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4560src">25</a></span> Voor meer bewijzen, met bijzonderheden, zie Houzeau, „<span lang="fr">Les Facultés Mentales</span>”, tome II, 1872, blz. 147.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4560src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4569">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4569src">26</a></span> Zie ten opzichte van vogels op oceanische eilanden mijn „<span lang="en">Journal of Researches during the voyage of the Beagle</span>”, 1845, blz. 398, „Ontstaan der Soorten”, Ned. Vert., 3de uitgaaf, blz. 309, 344.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4569src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4575">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4575src">27</a></span> <span lang="fr">„Lettres Phil. sur l’Intelligence des Animaux”, nouvelle édit., 1802</span>, blz. 86.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4575src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4582">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4582src">28</a></span> Het bewijs hiervan is te vinden in hoofdst. I, Deel I, van „Het Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4582src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4591">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4591src">29</a></span> „<span lang="en">Proc. Zool. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, 1864, blz. 186.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4591src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4604">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4604src">30</a></span> Savage en Wyman in „<span lang="en">Boston Journal of Nat. Hist<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, vol IV, 1843–44, blz. 383.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4604src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4611">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4611src">31</a></span> „<span lang="de"><span class="corr" id="xd31e4614" title="Bron: Saügethiere">Säugethiere</span> von Paraguay</span>”, 1830, blz. 51–56.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4611src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4619">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4619src">32</a></span> „<span lang="en">The Indian Field</span>”, 4 Maart 1871.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4619src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4625">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4625src">33</a></span> „<span lang="de">Thierleben</span>”, Bd. I, blz. 79, 82.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4625src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4640">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4640src">34</a></span> „<span lang="en">The Malay Archipelago</span>”, vol. I, 1869, blz. 87.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4640src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4649">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4649src">35</a></span> „<span lang="en">Primaeval Man</span>”, 1869, blz. 145, 147.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4649src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4655">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4655src">36</a></span> „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 1865, blz. 473 enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4655src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4673">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4673src">37</a></span> De heer Hookham, in een brief aan Prof. Max Müller, in de „<span lang="en">Birmingham News</span>”, Mei 1873.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4673src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4681">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4681src">38</a></span> „<span lang="fr">Conférences sur la Théorie Darwinienne</span>”, Fransche vertaling, 1869, blz. 132.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4681src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4691">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4691src">39</a></span> De weleerw. zeer gel. Heer Dr. J. M’Cann, „<span lang="en">Anti-Darwinisme</span>”, 1869, blz. 13.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4691src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4702">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4702src">40</a></span> Aangehaald in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, 1869, blz. 158.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4702src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4710">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4710src">41</a></span> Rengger, ibid. blz. 45.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4710src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4713">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4713src">42</a></span> Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. Vert.<span class="corr" id="xd31e4715" title="Bron: ,,">,</span> <span class="corr" id="xd31e4718" title="Bron: el">Deel</span> I, blz. 32.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4713src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4725">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4725src">43</a></span> „<span lang="fr">Facultés Mentales des Animaux</span>”, tome II, blz. 346–349.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4725src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4733src">44</a></span> Een verhandeling hierover vindt men in het zeer belangwekkende werk van den heer E.&nbsp;B.
-Tylor, „<span lang="en">Researches into the Early History of Mankind”, 1865, chaps. II–IV.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4733src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4738">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4738src">45</a></span> Ik heb hierover verschillende uitvoerige mededeelingen ontvangen. Admiraal Sir J.
-Sulivan, dien ik als een nauwkeurig waarnemer ken, verzekert mij, dat een Afrikaansche
-papegaai die lang in zijn vaders huis werd gehouden, steeds sommige personen der huishouding,
-zoowel als bezoekers, bij hun naam riep. Hij zeide iedereen bij het ontbijt „goeden
-morgen”, en „goeden avond” als zij ’s avonds de kamer verlieten, en verwarde die groeten
-nooit. Tegen Sir J. Sulivan’s vader placht hij bij het „goeden morgen” een korten
-volzin te voegen, dien hij na den dood van dezen nooit weer herhaalde. Hij schold
-heftig op een vreemden hond die door het open venster in de kamer kwam, en hij berispte
-een anderen papegaai, die uit zijn kooi was ontvlucht en bezig was appels op de keukentafel
-te snoepen, met de woorden: „Jou stoute Polly.” Zie over papegaaien ook Houzeau „<span lang="fr">Facultés Mentales</span>”, tome II, blz. 309. Dr. A. Moschkau meldt mij, dat hij een spreeuw heeft gekend,
-die zich nooit vergiste met in het Duitsch „goeden morgen” te zeggen tegen personen
-die aankwamen, en „adieu, oude jongen”, tegen degenen die weggingen. Ik zou er verscheidene
-andere dergelijke gevallen bij kunnen voegen. <b>(<a href="#en3.8" id="en3.8src">8</a>)</b>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4738src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4753">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4753src">46</a></span> Zie eenige goede opmerkingen hierover door Prof. Whitney, in zijn „<span lang="en">Oriental and Linguistic Studies</span>”, 1873, blz. 354. Hij merkt op, dat de wensch naar gedachtenwisseling bij den mensch
-de levende kracht is, welke bij de ontwikkeling der taal „zoowel bewust als onbewust
-werkt; bewust, wat aangaat het doel dat men <span class="corr" id="xd31e4758" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> wenscht te bereiken; onbewust, wat de verdere gevolgen der handeling aangaat.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4753src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4762">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4762src">47</a></span> Daines Barrington in „<span lang="en">Philosoph. Transactions</span>”, 1773, blz. 262. Zie ook Dureau de la Malle in <span lang="fr">„Ann. des Sc. Nat.”, 3ième série, Zool., tome X</span>, blz. 119.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4762src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4776">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4776src">48</a></span> „<span lang="en">On the Origin of Language</span>”, door H. Wedgwood<span class="corr" id="xd31e4781" title="Bron: ;">,</span> 1866<span class="corr" id="xd31e4784" title="Bron: ,">;</span> „<span lang="en">Chapters on Language</span>”, door den weleerw. heer F.&nbsp;W. Farrer, 1865. Deze werken zijn zeer belangwekkend.
-Zie ook: „<span lang="fr">De la Phys. et de Parole</span>”, door Albert Lemoine, 1865, blz. 190. Wijlen Prof. Aug. Schleicher’s werk over dit
-onderwerp is door Dr. Bikkers in het Engelsch vertaald, onder den titel van „<span lang="en">Darwinism tested by the Science of Language</span>”, 1869.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4776src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4801">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4801src">49</a></span> Vogt, „<span lang="fr">Mémoire sur les Microcéphales</span>”, 1867, blz. 169. Ten opzichte van wilden, heb ik eenige feiten vermeld in mijn „<span lang="en">Journal of Researches</span>”, enz., 1849, blz. 206.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4801src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4819">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4819src">50</a></span> Zie het duidelijk bewijs hiervan in de reeds zoo dikwijls aangehaalde werken, bij
-Brehm en Rengger.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4819src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4833">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4833src">51</a></span> Zie hierover de opmerkingen van Dr. Maudsley, „<span lang="en">The Physiology and Pathology of Mind</span>”, 2de uitgaaf, 1868, blz. 199.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4833src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4841">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4841src">52</a></span> Hiervan zijn vele merkwaardige voorbeelden opgeteekend. Zie b.v. Dr. Bateman „<span lang="en">On Aphasia</span>”, 1870, blz. 27, 31, 53, 100, enz. Ook „<span lang="en">Inquiries concerning the Intellectual Powers</span>”, door Dr. Abercrombie, 1838, blz. 150.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4841src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4857">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4857src">53</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurpl.”, Ned<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Vert<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, Deel I, blz. 502.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4857src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4866">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4866src">54</a></span> Lezingen over „<span lang="en">Mr. Darwin’s Philosophy of Language</span>”, 1873.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4866src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4872">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4872src">55</a></span> Het oordeel van een philoloog van naam, Dr. Whitney, zal omtrent dit punt van veel
-meer gewicht zijn dan iets dat ik kan zeggen. Hij merkt („<span lang="en">Oriental and Linguistic Studies</span>”, 1873, blz. 297), van Bleek’s beweringen sprekende, op: „Omdat over het algemeen
-gesproken de spraak de noodzakelijke helpster der gedachte is, onmisbaar voor de ontwikkeling
-van het denkvermogen, voor de duidelijkheid en verscheidenheid en ingewikkeldheid
-van de kennis, voor het verkrijgen van volkomen zelfbewustzijn, daarom zou hij de
-gedachte gaarne volstrekt onmogelijk maken zonder de spraak, het vermogen vereenzelvigende
-met het werktuig. Hij zou met juist evenveel reden kunnen verzekeren, dat de hand
-van den mensch niets kan verrichten zonder een werktuig<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Met zulk een leer als uitgangspunt kan het niet anders of hij moet vervallen in de
-ergste drogredenen van Müller, dat een klein kind (<i>in fans</i>, niet sprekend) geen menschelijk wezen is<span class="corr" title="Bron: .">,</span> en dat doofstommen niet in het bezit van rede komen, vóór zij hun vingers hebben
-leeren gebruiken om gesproken woorden na te bootsen.” Max Müller („<span lang="en">Lectures on Mr. Darwin’s Philosophy of Language</span>”, 1873, 3e lezing) laat de volgende uitspraak cursief drukken: „Er is geen gedachte
-zonder woorden, evenmin als er woorden zonder gedachte zijn.” Welk een vreemde definitie
-moet hier aan het woord gedachte worden gegeven!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4872src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4890">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4890src">56</a></span> „<span lang="en">Essays on Free-thinking</span>”, enz., 1873, blz. 82.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4890src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4910">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4910src">57</a></span> Hierover zijn eenige goede opmerkingen te vinden bij Dr. Maudsley, „<span lang="en">The Physiology and Pathology of Mind</span>”, 1868, blz. 199.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4910src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4919">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4919src">58</a></span> Macgillivray, „<span lang="en">Hist. of British Birds</span>”, vol. II, 1839, blz. 29. Een uitnemend waarnemer, de heer Blackwall, merkt op, dat
-de ekster afzonderlijke woorden en zelfs korte volzinnen spoediger leert uitspreken
-dan eenige andere Britsche vogel; echter heeft hij, zooals hij er bijvoegt, na lang
-en nauwkeurig zijn gewoonten te hebben onderzocht, nooit opgemerkt, dat deze vogel
-in den natuurstaat eenigen bijzonderen aanleg voor het nabootsen vertoont. „<span lang="en">Researches in Zoology</span>”, 1834, blz. 158.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4919src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4930">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4930src">59</a></span> Zie de hoogst belangrijke vergelijking tusschen de ontwikkeling van soorten en talen,
-door Sir C. Lyell gegeven in „De Geol. Bewijzen voor de Oudheid v. h. Mensch. Geslacht”,
-in ’t Ned. vertaald door Dr. T.&nbsp;C. Winkler Zalt-Bommel 1861, Hoofdstuk XIII. <b>(<a href="#en3.13" id="en3.13src">13</a>)</b>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4930src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4951">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4951src">60</a></span> Zie hierover de opmerkingen van den weleerw. heer F.&nbsp;W. Farrar in een belangrijk artikel,
-getiteld „<span lang="en">Philology and Darwinism</span><span class="corr" id="xd31e4955" title="Bron: ’">”</span>, March 24 1870, blz. 528.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4951src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4961">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4961src">61</a></span> „<span lang="en">Nature</span>”, 6 Jan. 1870, blz. 357.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4961src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4969">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4969src">62</a></span> Aangehaald door C.&nbsp;S. Wake, „<span lang="en">Chapters on Man</span>”, 1868, blz. 101.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4969src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4977">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4977src">63</a></span> Buckland, „<span lang="en">Bridgewater Treatise</span>”, blz. 411.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4977src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e4988">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4988src">64</a></span> Zie eenige goede opmerkingen over de vereenvoudiging van talen bij Sir J. Lubbock,
-„<span lang="en">Origin of Civilisation</span>”, 1870, blz. 278 (Ned. Vert. „De Oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van
-Heusden, 1876, blz. 262–280).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4988src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5023">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5023src">65</a></span> „<span lang="en">The Spectator</span>”, 4 Dec. 1869, blz. 1430.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5023src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5035">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5035src">66</a></span> Zie een uitnemend artikel over dit onderwerp door den weleerw. heer F.&nbsp;W. Farrer in
-de „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Aug. 1864, blz. CCXVII. Voor verdere feiten zie Sir J. Lubbock „Prehistoric Times”,
-2nd. edit. 1869 blz. 564, en vooral ook de hoofdstukken over den Godsdienst in zijn
-„<span lang="en">Origin of Civilisation</span>”, 1870.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5035src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5056">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5056src">67</a></span> „<span lang="en">The Worship of Animals and Plants</span>”, in <span class="corr" id="xd31e5061" title="Bron: ”">„</span><span lang="en">Fortnightly Review</span>”, Oct. 1, 1869, blz. 422.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5056src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5069">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5069src">68</a></span> Tylor „<span lang="en">Early History of Mankind</span>”, 1865, blz. 6. Zie ook de drie treffende hoofdstukken over de Ontwikkeling van den
-Godsdienst in Lubbock’s „<span lang="en">Origin of Civilisation</span>”, 1870. Op gelijke wijze verklaart de heer Herbert Spencer, in zijn vernuftige verhandeling
-in de „<span lang="en">Fortnightly Review</span>” (<span lang="en">May, 1870</span>, blz. 535) het ontstaan der vroegste vormen van godsdienstig geloof in de geheele
-wereld, doordat de mensch door droomen, schaduwen en andere oorzaken er toe werd gebracht,
-zich zelf een dubbel bestaan toe te kennen, een lichamelijk en een geestelijk. Daar
-het geestelijk wezen wordt ondersteld na den dood voort te bestaan en machtig te zijn,
-wordt het door verschillende giften en plechtigheden vereerd en wordt zijn hulp ingeroepen.
-Hij toont daarop verder aan, dat de namen of bijnamen van dieren of andere voorwerpen,
-aan de voorouders of hoofden van een stam gegeven, na verloop van tijd werden ondersteld
-den wezenlijken stamvader voor te stellen, en men gelooft dan natuurlijk, dat zulk
-een dier of voorwerp als geest voortleeft; <span class="pageNum" id="pb147n">[<a href="#pb147n">147</a>]</span>het wordt voor heilig gehouden en als godheid vereerd. Echter vermoed ik, dat er nog
-een vroeger en ruwer tijdperk van godsdienstige ontwikkeling heeft bestaan, waarin
-elk voorwerp, dat eenig vermogen of beweging bezat, werd ondersteld leven en geestvermogens
-te bezitten gelijk de mensch.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5069src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5113">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5113src">69</a></span> Zie een uitstekend artikel over de psychische elementen van den godsdienst door den
-heer L. Owen Pike, in: „<span lang="en">Anthropholog. Review</span>”, April 1870, blz. 63.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5113src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5119">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5119src">70</a></span> „<span lang="de">Religion, Moral etc. der Darwinschen Art-Lehre</span>”, 1862, blz. 53.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5119src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5133">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5133src">71</a></span> „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 2nd. ed., blz. 571. In dit werk kan men vele vreemde en zonderlinge gewoonten van
-wilde volksstammen verhaald vinden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5133src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5292">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5292src">72</a></span> De Duitsche woorden zijn hetgeen de papegaai zegt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5292src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5326">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5326src">73</a></span> God behoede U (enkelvoud).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5326src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5333">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5333src">74</a></span> God behoede U (meervoud).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5333src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5482">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5482src">75</a></span> <i lang="la">Psittacus erithacus.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5482src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5509">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5509src">76</a></span> De inhoud van den schedel varieerde bij tien door Vogt opgemeten microcephalen-schedels
-tusschen 272 en 622 kub. centimeter. Een normaal pasgeboren kind heeft omtrent 400
-kub. centimeter schedelinhoud, en overtreft ⅔ dier microcephalen, waarvan zeven boven
-de twintig jaar oud waren, in hersencapaciteit. De inhoud van den schedel van een
-normaal kind van één jaar is omstreeks 900 kub. centimeter, van een van vijf jaar
-omstreeks 1150 kub, centimeter, van een volwassen Europeaan 1450 tot 1570 kub. centimeter,
-van een jongen chimpanzee 300 kub. centimeter, van een volwassen gorilla 460 tot 530
-kub. centimeter.
-</p>
-<p class="footnote cont">Omtrent het gewicht der hersenen van pasgeboren jongens en meisjes heeft Mies onderzoekingen
-<span class="corr" id="xd31e5513" title="Bron: gedaaa">gedaan</span>. Uit de resultaten van 203 wegingen berekent deze het gemiddeld gewicht van pasgeboren
-jongens (te Weenen) op 339,3 gram en dat van pasgeboren meisjes op 330 gram. Het lichtste
-gewicht was 170, het zwaarste 482 gram. Het hersengewicht van pasgeborenen staat tot
-hun lichaamsgewicht als 1 : 7 à 8,5. Mies woog alleen hersenen van kinderen die levend
-ter wereld waren gekomen.<a class="noteRef" id="xd31e5516src" href="#xd31e5516">77</a>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5509src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5516">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5516src">77</a></span> „<span lang="de">Wiener klinische Wochenschrift</span>”, 1889.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5516src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5588">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5588src">78</a></span> Vgl. „Lucifer” IV, blz. 266 on 267, benevens Bernstein, „Het leven der Planten, Dieren
-en Menschen”, vert. door Rissik, 2de druk, blz. 217.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5588src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5631">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5631src">79</a></span> Max Müller, „De Uitkomsten van de Wetenschap der Taalk.<span class="corr" id="xd31e5633" title="Niet in bron">”</span>, vert. door G. Penon, I, 269.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5631src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5636">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5636src">80</a></span> Om daarvan een voorbeeld te geven, ontleen ik het volgende aan M. Müller, <abbr title="ter aangehaalde plaatse">t.a.p.</abbr>, II. 314–333.
-</p>
-<p class="footnote cont">De wortel <i>Mar</i>, die in het Sanskriet fijnmalen beteekent, en die o.a. ook den vorm <i>Mal</i> kan aannemen, heeft, behalve aan een menigte Grieksche, Indische, Latijnsche en andere
-vreemde woorden, <span class="corr" id="xd31e5648" title="Bron: bet">het</span> aanzijn geschonken aan deze, meest Nederlandsche woorden: <i>malen</i>, <i>molen</i>, <i>molenaar</i>, <i>meel</i>; <abbr title="Fransch">fr.</abbr> <i>mort</i>, fr. <i>mortel</i>, ons <i>mortel</i> (kalk), <i>moorden</i>; <i>murg</i>, <i>merg</i>; <i>moer</i> (as), <i>meer</i>; <i>Miölner</i> (de hamer van Thor), <span class="corr" id="xd31e5683" title="Bron: hd.">h.d.</span> <i lang="de">zermalmen</i>, <i lang="de">molm</i>, <i>mul</i>; <abbr title="Middelnederlandsch">m.n.l.</abbr> <i>molde</i> (moede) <i>mol</i>; <i>mal</i>, <i>malen</i> (suffen); (Karel) <i>Martel</i>, <i>Mars</i>; <i>melken</i>; <i>mollig</i>, <i>malsch</i> fr. <i lang="fr">mou</i> (mol), <i lang="fr">mild</i>, <i>smart</i>, eng. to <i lang="en">smart</i>, <i>smelten</i> <abbr title="Engelsch">eng.</abbr> to <i lang="en">melt</i>; <i>marmer</i> <abbr title="Hoog-Duitsch">h.d.</abbr> <i lang="de">Marmor</i>, <i lang="en">marbels</i> en <i lang="en">mulvers</i> (knikkers), <i>memorie</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5636src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5909">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5909src">81</a></span> Veel overeenkomst heeft hiermede hetgeen Max Müller, „<span lang="de">Vorlesungen über Urspr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> u. Entw. der Religion</span>”, blz. 214 (<span lang="de">Die ältesten Begriffe</span>) en 211 (<span lang="de">Alles als thätig benannt</span>) opmerkt. Ook Darwin duidt dit tijdperk der godsdienstige ontwikkeling in de vier
-laatste regels van noot 2 op blz. 128<span class="corr" id="xd31e5922" title="Bron: ), ">, (</span>die in de eerste uitgaaf van de „Afst v. d. Mensch” <i>niet</i> voorkomen) zeer kort aan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5909src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5932">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5932src">82</a></span> Zelfs bij ons wordt dikwijls het woord „leven” gebruikt voor beweging, zelfs van levenlooze
-voorwerpen, b.v. „<i>levend</i>” water voor stroomend water. Bij een boschbrand hoorde ik eens een man zeggen: „Het
-vuur loopt zoo hard als een man te paard.” Evenzoo zegt ook de schooljongen: „De som
-<i>wil</i> niet uitkomen” en de keukenmeid: „De aardappels <i>willen</i> niet gaar worden” enz. en stellen dus de som en de aardappels enz. als levende, met
-een <i>wil</i> begaafde wezens voor.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5932src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e5951">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e5951src">83</a></span> Vergelijk J. Lippert, „<span lang="de">Seelencult</span>”, die, wel wat eenzijdig, nagenoeg allen godsdienst van de vereering der zielen van
-voorouders afleidt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e5951src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3s" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e335">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">DOOR
-</p>
-<p class="center">Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.<a class="noteRef" id="xd31e6013src" href="#xd31e6013">1</a>
-</p>
-<p>Zoowel als de mensch, geven vele dieren door geluiden hun aanwezigheid, gewaarwordingen
-en wenschen te kennen. Alleen de mensch brengt echter<a class="noteRef" id="xd31e6024src" href="#xd31e6024">2</a> den vorm van het geluid in verband met een voorwerp buiten hem, en gaat dan nog verder
-en brengt het geluid op dergelijke wijze in verband met algemeene begrippen en gedachten.
-</p>
-<p>Het is onmogelijk in elk geval uit te maken, waarom een vogel zeker geluid maakt;
-evenmin waarom een mensch die alleen is, zingt (zingen hier in de beteekenis genomen
-van b.v. een deuntje neuriën, <i>zonder</i> de woorden uit te spreken, of ten minste op de beteekenis te letten).<a class="noteRef" id="xd31e6042src" href="#xd31e6042">3</a> Oorspronkelijk kan beide niets anders zijn dan een levensuiting die met geen bepaalde
-bedoeling wordt gedaan, evenals het rondspringen van het kind of het jonge dier. De
-ervaring verbindt daarmede <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>echter feiten die men langzamerhand door het maken van het geluid verwezenlijkt tracht
-te krijgen, hetzij zulks uit overleg of instinkt geschiedt. Zulk een spreekuiting
-van de laagste soort is de loktoon der vogels in den herfst. In den zomer verspreiden
-zich de vogels in afzonderlijke families, maar in den herfst, als het voedsel slechts
-op bepaalde plaatsen is te krijgen, of de tocht naar de landen waar zij zich ’s winters
-ophouden, moet worden ondernomen, hebben zij er belang bij met de ervaring van allen
-te rade te gaan, en in zoo groot mogelijke scharen te reizen. Hiertoe dient de loktoon,
-dien de vogelaar op verraderlijke wijze misbruikt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Als een sijsje omstreeks dezen tijd de elzen afzoekt, verzuimt het niet, intusschen
-onvermoeibaar een en den zelfden toon te laten hooren. Het heeft daarbij geen bepaald
-doel; het maakt geluid omdat het er aandrang toe gevoelt, en de aard van dat geluid
-wordt bepaald door den bouw zijner stemorganen. Dit geluid voortbrengen heeft echter
-voor den vogel een zeer nuttig gevolg, het roept als het ware aan de andere sijsjes
-toe: „Hier is een sijsje!” Door den trek naar gezelligheid geleid, komen deze nu naar
-het eerste sijsje toe, maken het zelfde geluid, dat nu echter door hun aantal sterker
-klinkt, en roepen dus vereenigd weder als het ware aan wederom andere sijsjes toe:
-„Hier <i>zijn</i> sijsjes!”
-</p>
-<p>Al moge de vogel ook nooit meer dan dit, en zelfs eigenlijk nauwelijks dit <i>willen</i> zeggen, kunnen de anderen door dat geluid nog veel andere dingen <i>hooren</i>. Uit het hoe langer hoe meer uit de verte klinken van het geluid, hoort de vogel
-het bericht: „Wij vliegen weg, kom met ons mede!”—en als het geluid naderbij komt,
-zegt het hun: „Daar komen wij aan!”
-</p>
-<p>Een dergelijk nuttig gebruik heeft natuurlijk ook de oorspronkelijke mensch van zijn
-stem gemaakt. Als menschen in een bosch elkander hebben verloren, roepen zij thans
-nog dikwijls luid, zonder dat dat geluid op zich zelf iets uitdrukt. Nu hebben echter
-de stemorganen van elk individueel mensch een bijzonderen klank, waaraan degeen die
-hem hoort roepen, ook zonder woorden den persoon die roept, kan herkennen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Dit geroep in het bosch zegt dus niet alleen: „Hier is een mensch!” maar: „Hier is
-A. of B.!” Tevens drukt ’s menschen stem in nog hoogere mate dan die van het dier
-zijn gemoedstoestand uit. Hij gevoelt een natuurlijken aandrang om bij smart te schreien,
-een klagend geluid te maken, bij vreugde te juichen. Als dus twee oorspronkelijke
-menschen in het bosch elkander (zonder nog woorden te <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>bezigen) op bovenvermelde wijs riepen, kon hun stem niet slechts uitdrukken: „Hier
-is A.” maar daarenboven: „A. is ginds in het woud zeer blijde” of „A. is ginds in
-het woud zeer treurig”. Daar de verwachtingen en zorgen van die oorspronkelijke menschen
-veel eenvoudiger en minder verscheiden waren dan de onze, en hen in het woud vooral
-het vinden van voedsel verheugd en het ontmoeten van een gevaarlijk roofdier (of vijand)
-verschrikt zal hebben, ligt het voor de hand, dat men dit zal hebben verstaan als:
-„A. heeft ginds in het woud voedsel gevonden” en „A heeft ginds in het woud een gevaarlijk
-roofdier (of vijand) aangetroffen<span class="corr" id="xd31e6063" title="Niet in bron">”</span>. <i>Welk</i> voedsel hij aangetroffen of <i>welk</i> roofdier (of vijand) hij ontmoet had, kon men echter niet verstaan, en moest naar
-hem toe gaan om het te <i>zien</i> als men het wilde weten.
-</p>
-<p>Als echter wellicht slechts een enkele eetbare vrucht of een enkel schrikverwekkend
-roofdier in dat woud was voorgekomen, zouden de beide kreten voor de familieleden
-van A. een enger beteekenis hebben gekregen en zich zoodanig in hun gedachten hebben
-kunnen verbinden, dat zij voor de familieleden de <i>namen</i> van die vrucht en dat roofdier waren geworden. Die namen zouden echter onverstaanbaar
-zijn geweest voor menschen eener andere streek, waar andere vruchten en roofdieren
-voorkwamen. (Een hagedissenliefhebber van het zwarte ras zal op het zien van zulk
-een diertje ook een ander geluid maken dan een blanke jonge dame, en op die wijze
-kan dus al zeer vroeg de kiem zijn gelegd voor een babylonische spraakverwarring.)
-</p>
-<p>Ook de als tusschenwerpsels gebezigde uitroepen die de natuur zelve aan de menschelijke
-borst ontlokt, zijn door de gewoonte in onze spraak blijven leven en maken in het
-gewone leven een veel grooter deel daarvan uit dan men uit de spraakleer zou meenen,
-die ze slechts als een der tien soorten van rededeelen beschouwt. Deze wijze van uitdrukken
-treedt meer op den voorgrond, naarmate een taal minder volkomen is of er een onbeschaafder
-gebruik van wordt gemaakt, en men hoort nu nog het volk dikwijls samenspraken houden,
-waarbij de eene partij zich bijna alleen bedient van tusschenwerpsels, die afwisselend
-bijval, schrik, ongeloof, medelijden, afschuw enz. te kennen geven. Zelfs is er nog
-een overblijfsel van te vinden in de oude Duitsche rechtspleging. De wanhoopkreet:
-„Jo, io” heeft op zich zelf geen beteekenis, maar hij die hem hoorde, wist dat er
-een misdaad werd gepleegd en hij verplicht was te helpen. Zoo ontstonden na bijvoeging
-van een woord dat den aard der misdaad uitdrukte, de bekende kreten „Dieb-io” en „Mord-io”
-<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>waarvan de Duitschers nu nog de uitdrukking „Mordio roepen” hebben overgehouden.
-</p>
-<p>Dit alles kunnen wij echter nog niet gelijkstellen met een menschelijke taal, waarvan
-men ten minste kan verlangen, dat elk geluid zoo nauw verbonden is met het begrip
-van een handeling of voorwerp, dat elk met die taal bekende zich met het geluid ook
-dadelijk van de beteekenis bewust wordt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> En zoo staan wij voor de veelbesproken vraag, of er ééne oorspronkelijke taal heeft
-bestaan, met andere woorden, of ooit alle menschen de hun bekende voorwerpen met den
-zelfden naam hebben genoemd en de onderlinge betrekking der dingen op de zelfde wijze
-aangeduid. Tegen de laatste bewering voert de vergelijkende taalwetenschap genoeg
-bewijzen aan, daar de verschillende taalstammen der menschen juist daarin van elkaar
-afwijken, dat zij de betrekking waarin de begrippen onderling staan, op geheel verschillende
-wijze uitdrukken.
-</p>
-<p>Er blijft dus slechts in zooverre de mogelijkheid over van een eerste algemeene taal,
-als deze aan de zelfde begrippen de zelfde geluiden zou hebben verbonden; maar daar
-zij elke uitdrukking voor de onderlinge betrekking miste, zou zij dan veel armer moeten
-zijn geweest dan de meeste tegenwoordige talen. Dat zulk een taal mogelijk is, bewijst
-onder de oudere talen het Chineesch, dat geen <span class="corr" id="xd31e6086" title="Bron: bizondere">bijzondere</span> vormen voor zulke betrekkingen kent, en onder de nieuwere het Engelsch, dat ze voor
-een groot deel weder heeft afgeslepen en over boord geworpen. Dit laatste geschiedt
-het gemakkelijkst bij overbrenging van een taal op volken die een andere taal spreken.
-Het is dan veel gemakkelijker de namen der begrippen en dingen te onthouden, dan de
-meestal verminkte en daardoor onherkenbare betrekkingsvormen in zich op te nemen.
-Deze laten wij onwillekeurig zelven weg, als we iemand die onze taal slechts weinig
-kent, iets duidelijk willen maken. Wij noemen dan de zelfstandige naamwoorden in den
-vorm die ons het duidelijkst de beteekenis schijnt weêr te geven, en de werkwoorden
-in de onbepaalde wijs, zoodat de onderlinge betrekking alleen aan de opvolging der
-woorden is te herkennen. Zoo heeft het Latijn een overvloed van betrekkingsvormen
-in zijn declinaties en conjugaties en daarbij een groote vrijheid van woordvoeging;
-daarentegen hebben het Fransch en het Engelsch slechts een overblijfsel van die vormen
-en een vaste woordschikking.
-</p>
-<p>Tylor geeft ons in een Chineeschen zin het volgende beeld van een <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>oude taal. <i>Kou</i>, <i>chi</i>, <i>shi</i>, <i>jen</i>, <i>sse</i>, beteekent woordelijk: „hond, zwijn, eten, mensch, voedsel”; maar de Chinees ziet
-uit de woordschikking dat de zin beteekent: honden en zwijnen eten het voedsel der
-menschen. Ook voor de bij ons gebruikelijke vormen van zelfstandig naamwoord, bijwoord
-en werkwoord heeft het klassieke Oud-Chineesch geen onderscheidingsteekenen. <i>Thwan</i> beteekent in die taal kogel, rond, rondmaken, in het rond zitten, enz., en uit het
-verband moet blijken wat er mede bedoeld is.
-</p>
-<p>Zooals gezegd is, blijft ons dus voor de onderstelde oorspronkelijke taal niets over
-dan een hoeveelheid aan allen gemeenzame geluiden, die voor allen met de zelfde begrippen
-zijn verbonden geweest. Wij moeten dus nagaan of deze onderstelling werkelijk kan
-worden toegepast op alle soorten van woorden die wij rededeelen noemen. Onder de woorden
-welke met zelfstandige begrippen zijn verbonden, hebben wij sommigen, die grammaticale
-rededeelen worden genoemd, en welke in geregelde zinnen niet kunnen worden gemist,
-zooals de voorzetsels en de voornaamwoorden. Nu zien wij bij vergelijking der talen
-spoedig, dat deze in nauwen samenhang met de betrekkingsuitdrukkingen staan en dat
-de verschillende taalfamiliën zich ook op dit gebied zelfstandig hebben bewogen. Zoo
-heeft het Latijn voor ons woordje „met” een zesden uitgang of naamval, vele Slavische
-talen een zevenden en de laatsten voor ons „in” een zesden.<a class="noteRef" id="xd31e6109src" href="#xd31e6109">4</a> Het Chineesch echter heeft daarvoor in het geheel geen woorden gehad, maar gebruik
-gemaakt van den voorhanden voorraad.
-</p>
-<p>Zoo zegt de Chinees in plaats van „een mensch met den stok dooden” op zijn wijze „dooden
-menschen gebruiken stok.” De Mandingo-neger denkt op de zelfde manier bij het begrip
-„ingesloten zijn” aan zijn buik, en zegt, in plaats van in huis „huis buik”, en bij
-het begrip „dragen” aan zijn nek, en zegt in plaats van op de tafel „tafel nek”. Zoo
-zijn dan langzamerhand de zelfstandige naamwoorden kous (buik) en <i>kang</i> (nek) voorzetsels geworden.
-</p>
-<p>Met de voornaamwoorden zijn de verschillende taalstammen even zelfstandig te werk
-gegaan en de beschaving moet bij sommige volken <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>reeds op een vrij hoogen trap van ontwikkeling hebben gestaan, vóór zij in de taal
-werden opgenomen. Zoo gebruikten de Groenlandsche Eskimo’s eerst het woordje daar
-voor den aangesproken en hier voor den eersten persoon, de Maleier maakte van het
-woordje „amba”, dienaar, zijn eerste en van „toewan”, heer, zijn tweede persoon. Ook
-bij kinderen kan men opmerken, hoe moeielijk het den ongeoefenden geest valt zich
-een voorstelling te maken van de telkens wisselende betrekking tusschen de verschillende
-personen. Op het schreeuwen, als eenvoudige levens- en gevoelsuiting, volgt het verbinden
-van verschillende geluiden met verschillende voorwerpen en personen, maar als een
-persoon eenmaal een bepaalden naam heeft ontvangen, behoudt hij dien voor het kind,
-onverschillig of hij in een gesprek als aangesproken of als sprekende persoon voorkomt.
-Zoo zal het, van zich zelf sprekende, zeggen, „Karel geeft dit aan Hans”, maar eerst
-na eenige jaren zal het in het zelfde geval „ik geef het aan u” zeggen. Het kan er
-zich nog niet indenken, dat een zelfde persoon nu eens <i>ik</i>, dan eens <i>gij</i> en dan weer <i>hij</i> kan worden genoemd. Over deze moeielijkheid, welke het kind door onzen invloed in
-een paar jaar leert overwinnen, hebben de vroegste menschen, die geen opleiding genoten,
-niet zoo spoedig kunnen heênkomen, en dus kunnen wij voor deze ontwikkeling der taal
-een zeer geruimen tijd vaststellen, waarin de menschen echter ver verspreid kunnen
-zijn geraakt en zeer verschillende wegen kunnen hebben ingeslagen om het doel te bereiken.
-</p>
-<p>Ook het bezit van grammatikale rededeelen moeten wij dus aan de oorspronkelijke taal
-ontzeggen en zoo kunnen wij ons haar dan niet anders meer denken dan als bestaande
-uit een reeks geluiden, behoorende bij begrippen van voorwerpen, handelingen en eigenschappen,
-dus uit zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden. Maar ook
-hiervan moeten wij weder iets loslaten. Het bijvoegelijk naamwoord is namelijk òf
-één met het zelfstandig naamwoord, zooals in het Chineesche woord voor kogel, òf ontstaan
-door verwijzing naar een zichtbaar voorwerp ter vergelijking, zoodat eigenlijk alleen
-het daarvoor gebruikte spraakbeeld een zelfstandig deel der taal uitmaakt. Zoo vergeleek
-de Tasmaniër in zijn taal het harde met den steen en het ronde met de maan. Uit het
-spraakgebruik der oude Hebreërs heeft men willen afleiden, dat zij kleuren slechts
-onvolkomen konden waarnemen, daar men de zelfde kleur vergelijkenderwijze aan het
-gras en aan den hemel toegekend vond. Inderdaad ligt echter juist in de vergelijking
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>de onderscheiding opgesloten en berust ook op de vergelijking het toekennen van eigenschappen.
-Men kan dit zelfs nog aan vele Nederlandsche bijvoegelijke naamwoorden zien. De uitgang
-<i>lijk</i>, Duitsch <i lang="de">lich</i>, vroeger <i>lîck</i>, steekt in ons woordje <i>gelijk</i>, Duitsch <i lang="de">gleich</i>, middelhoogduitsch <i>gelîch</i>, maar ook hierin steekt weder het zelfstandig naamwoord „lich” (lijk), dat oorspronkelijk
-lijf (lichaam) beteekent en nog voor een dood lichaam wordt gebruikt. Wat wij dus
-nu kortweg heerlijk noemen, moet in oude tijden zeer omslachtig worden uitgedrukt
-door aan te duiden, dat iemand of iets naar het „lijf” of naar het uiterlijk een heer,
-„een heer gelijk” scheen.
-</p>
-<p>Er blijft ons dus niets over dan de mogelijkheid, dat de menschen eens allen de voorwerpen
-en handelingen door de zelfde woorden aanduidden, en het is nu de vraag, of er in
-het wezen der dingen zelf iets lag, dat de menschen om zoo te zeggen dwong hen in
-de onderstelde oorspronkelijke taal juist met een bepaalden klank uit te drukken.
-Bij een groep van woorden, zooals „brommen” en „piepen” en de namen van de vogels
-koekoek en kievit schijnt deze onderstelling waarheid te bevatten, en men heeft wel
-eens geloofd, op die natuurtonen en de daaruit voortkomende toonschildering de geschiedenis
-der talen te kunnen gronden. Maar ofschoon het zeker is, dat vele woorden zoo zijn
-ontstaan, kan dit toch alleen het geval zijn geweest, waar sprake was van voorwerpen
-en handelingen die met een bepaald geluid in verband staan, en daar bovendien door
-bijna ieder individu het zelfde geluid verschillend wordt opgevat en weêrgegeven,
-kan ook de nabootsing er van niet als algemeene regel voor het ontstaan der taal gelden.
-</p>
-<p>Het is nu de vraag hoe de mensch er toe is gekomen om aan de overige voorwerpen en
-handelingen een naam ter onderscheiding te geven. Natuurlijk had hij op den laagsten
-trap zijner ontwikkeling, toen het zoeken naar voedsel slechts werd afgewisseld door
-slapen en rusten, de spraak alleen noodig, waar zij voor zijn levensbehoeften dienstig
-kon zijn, b.v. om mede te deelen wat hij met behulp van anderen wilde doen of laten,
-wat hem vreugde of wat hem angst veroorzaakte, en zoodra anderen de hiervoor door
-hem gebruikte geluiden in den zelfden zin opvatten en weder gebruikten, werden zij
-de namen der voorwerpen en handelingen, doch deze konden alleen gelden voor degenen
-die in <i>onmiddellijke</i> persoonlijke betrekking tot elkander stonden en leefden. Daar deze geluiden allen
-slechts werden veroorzaakt door <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>een zekeren graad van opgewondenheid, is deze natuurlijk ook van invloed geweest op
-de keuze er van, maar dit is geen bewijs voor een (natuurlijke) oorspronkelijke eenheid
-van woorden, daar nauwelijks twee menschen op de zelfde wijze uiting geven aan een
-gevoel van vreugde of angst. De keuze van de zelfde geluiden voor de zelfde zaken
-is dus het gevolg geweest van een overeenkomst tusschen de verschillende leden van
-eene kleine groep menschen of familie, en de rang van den spreker was daarop van veel
-invloed. Bevelen en zaken die de jacht betroffen, zullen door allen op de zelfde wijze
-uitgedrukt zijn als de vader, het hoofd der familie, dat gewend was te doen, daarentegen
-trad in den huiselijken kring de individualiteit der moeder meer op den voorgrond,
-en daar het kind in dien kring het eerst geluiden en begrippen met elkander leerde
-verbinden, heeft men deze wijze van overleveren met recht de „moedertaal” genoemd.
-Hierdoor wordt ook opgehelderd, dat de zelfde naam voor vader en moeder over bijna
-den geheelen aardbodem verspreid is. Deze naam wordt gevormd door de lettergrepen
-ma-ma, pa-pa, ba-ba, ab-ba, ta-ta, at-ta, na-na en dergelijke en is op soortgelijke
-wijze ontstaan, met dit verschil, dat hier het kind de naamgever was. De eerste klanken
-welke het kind onopzettelijk uitbracht, werden op de naaste omgeving toegepast, en
-dat deze over de geheele wereld de zelfde zijn, vindt zijn oorzaak in de onontwikkelde
-stemorganen van het kind, dat begint met opzet den adem door de even tevoren nog gesloten
-lippen uit te stooten en daardoor juist die geluiden voortbrengt. Dat het de zaak
-der omgeving was dezen kleinen woordenvoorraad over de naaste personen te verdeelen,
-bewijst de omstandigheid, dat bij sommige volken het woordje pa moeder en ma vader
-beteekent.
-</p>
-<p>Het groote gewicht der keus voor de ontwikkeling eener taal heeft ons C. Abel aangetoond
-bij het oud-Egyptisch, de oudste der ons bekende talen. De eerste pogingen tot vorming
-eener taal kunnen alleen tot het ontstaan eener familietaal hebben geleid. Zulke families
-breidden zich echter, vooral als zij een nomadische levenswijze hadden, meer en meer
-uit, en werden kleine volken en stammen. Splitste zulk een familie zich, dan behielden
-de afzonderlijke vertakkingen niet lang meer de zelfde taal, daar deze, hoewel in
-den beginne zeer arm, in den loop der tijden hoe langer hoe rijker werd. Zij hielden
-dan nog slechts eenige woorden uit de oorspronkelijke familietaal als gemeenschappelijk
-eigendom over. Nu zijn er twee wijzen waarop zulke families <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>volken en staten vormden. In het eene geval sloten de naastbij wonenden den vredebond,
-zooals in de kleine staten van Gothland en IJsland is geschied; in het andere onderwierp
-de eene familie de andere aan het vaderlijk gezag van haar hoofd, zooals geschiedde
-bij de Aziatische volken in de oudheid en bij de Russen in de Middeleeuwen. In Egypte
-vonden beide wellicht na elkander plaats. In de vroegste oudheid sloten misschien
-de families welke in naburige gouwen leefden, verbonden, terwijl zij bij den aanvang
-der geschiedenis onder het hoofd van ééne gouw vereenigd waren. Het onvermijdelijk
-gevolg was een onderlinge ruil van woorden en een nieuwe keuze uit den nu zoo oneindig
-veel grooter geworden woordenschat.
-</p>
-<p>Bezien wij nu de Egyptische taal in den oudsten ons bekenden vorm, d.i. na de vereeniging
-der families, eenigszins nader, dan geeft zij ons een schouwspel tegelijk van grooten
-rijkdom en diepe armoede te zien, wat alleen kan worden verklaard door de boven besproken
-wijze van taalvorming. Haar armoede bestaat hierin, dat haast elk woord een groote
-verscheidenheid van begrippen moet uitdrukken, haar rijkdom daarin, dat zij voor bijna
-iedere zaak een geheelen voorraad verschillende namen heeft. Uit een door C. Abel
-aangevoerd voorbeeld zien wij, dat het woord „áb” tegelijk beduidt: dansen, hart,
-kalk, muur, weggaan, verlangen, linkerhand en figuur. Voor het woord „zalven” daarentegen
-heeft het Egyptisch tien, voor andere voorwerpen en handelingen nog veel méér verschillende
-woorden, en terwijl voor alle genoemde Nederlandsche woorden nog verscheidene andere
-uitdrukkingen bestaan dan áb, heeft elk der tien Egyptische voor zalven nog een menigte
-andere beteekenissen daarbij. De verzekering dat het Oud-Egyptisch overrijk was aan
-synonymen en homonymen, maakt ons de zaak niet veel duidelijker. Maar wel wordt de
-zaak duidelijk, als wij de stelling aannemen, dat niet alle woorden met verschillende
-beteekenissen tegelijk in al die beteekenissen op de zelfde plaatsen zijn gebruikt,
-alsook dat niet overal het zelfde ding gelijktijdig zulk een groot aantal namen heeft
-gehad. Wij hebben hier dus een historisch voorbeeld van de ontwikkeling eener volkstaal
-uit oude familietalen.
-</p>
-<p>Bij de keuze van namen voor de begrippen heeft geen enkele familie zich aan de andere
-gestoord en ging ieder zijn eigen weg. Later kwam de zoo verkregen woordvoorraad in
-omloop bij het verkeer aan de gouwmaaltijden en greep een onderlinge ruil plaats;
-nog later had het zelfde proces op veel grooter schaal plaats, en zoo ontstond langzamerhand
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>een taal, waarbij men met elk woord veel kon uitdrukken en tevens het zelfde op velerlei
-wijzen kon zeggen, ofschoon in de praktijk zeker niemand dezen geheelen woordenschat
-in zijn macht had. Als wij nagaan, hoe moeielijk het moet zijn geweest zich in zulk
-een taal uit te drukken, bemerken wij tevens, hoe onvolkomen de menschelijke taal
-destijds nog moet zijn geweest, ofschoon zij toen ter tijde zelfs reeds werd geschreven.
-Voor den ingewijde laat het Egyptisch schrift geen twijfel over aan de uitspraak der
-woorden, maar dit was bij het overgroot aantal beteekenissen niet voldoende. Daarom
-voegde men achter elk woord nog een beeld, dat aanduidde in welke groep van begrippen
-men het bedoelde voorwerp moest zoeken. Teekende men b.v. achter het geschreven woordje
-áb een dier, dan werd er zonder twijfel een kalf mede bedoeld. Waar men nu zulke verklarende
-teekens (bij het schrift) gebruikte, moeten er ook bij het spreken noodig en voorhanden
-zijn geweest.
-</p>
-<p>Dikwijls brachten reeds de omstandigheden mede, dat geen nadere verklaring noodig
-was. Als b.v<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> de herder zijn meester iets mededeelde, wist deze in welken kring van denkbeelden
-hij de zaken moest zoeken, waarover de man met hem wilde spreken. Bovendien speelden
-de gebarentaal en de toon toen een groote rol bij het spreken, waarvan zij zelfs nu
-nog niet geheel afstand hebben gedaan, getuige den maatstaf welke het gebruik er van
-nog aangeeft voor de meerdere of mindere beschaving van een spreker. Het gesproken
-woord was toen om zoo te zeggen het signaal, dat aankondigde, dat er een mededeeling,
-in dit geval door een gebaar uitgedrukt, plaats had; later bevatte door toedoen van
-het telkens meer uitkiezen van woorden de uitroep zelf de mededeeling en werd het
-gebaar het er aan toegevoegde, verklarende teeken, totdat het eindelijk de taak der
-meest ontwikkelde talen werd, zich alleen in woorden uit te drukken. Ook de toon van
-spreken moet onder de verklarende teekens worden gerangschikt, welke rol hij nu nog
-in de Chineesche en Siameesche talen vervult, waar een woord dikwijls verschillende
-beteekenissen heeft, welke alleen van elkander worden onderscheiden door den toon
-waarop men het uitspreekt. De oorzaak dezer homonymie kan niet de eenlettergrepigheid
-der woorden zijn, daar de Thibetaansche taal ontzettend lange woorden bezit, welke
-in de schrijftaal op een dergelijke wijze worden behandeld, daar er namelijk als verklaringen
-een menigte letters aan de woorden voorafgaan, welke niet kunnen worden uitgesproken.
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
-<p>Intusschen bleef de Egyptische taal niet staan bij dezen onbegrensden rijkdom van
-woorden. Het eerst begon men zich natuurlijk te beperken in de keuze van uitdrukkingen
-voor zaken welke dikwijls in het openbaar verkeer werden genoemd. Zoo zullen de onderworpen
-stammen b.v. den koning niet den bij hen gebruikelijken naam hebben gegeven, maar
-dien, welke bij de heerschende partij in zwang was. Op de zelfde wijze werden ook
-onder de overige woorden meer en meer de meest geschikte en in omloop zijnde gekozen
-en geraakten de andere in vergetelheid. Toen men het Oud-Egyptisch begon te schrijven,
-was deze ontwikkeling der volkstaal reeds zoover gevorderd, dat sommige woorden geen
-homonymen meer waren en er nauwelijks meer synonymen voor bestonden. De schrijftaal
-welke tot heilige doeleinden werd gebruikt (de hiëroglyphen en het zoogenaamde hiëratische
-schrift), hield nog het meest aan het oude vast, maar in de spreektaal (en naar wij
-onderstellen, ook in het demotische schrift) werd zonder ophouden het zelfde proces
-voortgezet en leidde langzamerhand tot het ontstaan van het Koptisch, dat in een tijdsverloop
-van drie eeuwen zulke veranderingen heeft ondergaan, dat de woorden bijna evenals
-bij ons over de begrippen zijn verdeeld, en dat, waar een woord nog verschillende,
-ofschoon nu nog alleen verwante, beteekenissen heeft, deze toch aan de eene of andere
-kleine vormverandering gemakkelijk zijn te herkennen, ongeveer zooals bij ons graf,
-groeve, gracht, het zelfde woord zijn, maar in begrip en vorm een weinig verschillen.
-</p>
-<p>De wijze waarop tegenwoordig de talen verspreid zijn, wijst ons op een dergelijk ontwikkelingsproces
-als de Egyptische taal heeft doorloopen. Men kan de talen naar de verspreiding in
-twee hoofdgroepen verdeelen.
-</p>
-<p>Aan den eenen kant breidt zich een taal over een groote oppervlakte uit over verschillende
-volken en stammen. Zoo kan men b.v. dwars door Europa gaande, vijftig dagen lang zich
-alleen met Duitsch verstaanbaar maken, aan den anderen kant wisselt bij sommige volken
-de taal met elke dagreis, ofschoon zij tot een en het zelfde ras behooren.
-</p>
-<p>Bij de laatstgenoemden is zij nog veranderlijk en in wording, terwijl zij bij de eersten,
-vergelijkenderwijze gesproken, reeds voltooid is en een vasten vorm heeft aangenomen.
-</p>
-<p>Deze beide groepeeringen nu gaan hand aan hand met de verschillende wijze van organisatie
-der Europeanen en Aziaten aan de eene en der oorspronkelijke Amerikaansche stammen
-aan de andere zijde. <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>Bij de eersten heeft men geen ongeorganiseerde menschengroepen en bij gevolg geen
-ontluikende en weder verdwijnende familietalen, in Amerika echter „staat”, zooals
-Peschel zich uitdrukt, „de buitengewone verscheidenheid van talen in nauwen samenhang
-met de ongeregelde levenswijze der zwervende jagerstammen. Waar daarentegen ordelijke
-maatschappijen bestonden, zooals in het oude Peru, kon de heerschende Quechua-taal
-zich ook over meer dan 20 breedtegraden uitbreiden.” In Brazilië en Guiana echter,
-in de onmiddellijke nabijheid van den ouden Peruaanschen Staat, bestaat nu nog de
-grootst mogelijke spraakverwarring en wordt elke taal slechts door een enkel stammetje
-begrepen, waarin eerst aan de kusten door den invloed van zendelingen eenige verbetering
-is gebracht, zoodat nu ééne taal door verscheidene stammen wordt begrepen. Zulk een
-taal echter is nog altijd zeer bewegelijk en verandert dikwijls. Peschel voert aan,
-dat bij kleine stammen dikwijls het zelfde plaats grijpt als bij kinderen, die aan
-verschillende voorwerpen zelf gemakkelijk uit te spreken namen geven, welke het huisgezin
-overneemt, en zegt, dat (bij Braziliaansche jagers) dit kinderlijke aanwensel tot
-een gewoonte der volwassenen is geworden, waardoor de afzonderlijke stammen niet alleen
-door de spoedige ontwikkeling van dialecten onverstaanbaar worden voor hun vroegere
-taalverwanten, maar bij hen ook ieder uit eigenzinnigheid aan zijn eigen uitspraak
-vasthoudt. Een omstandigheid die veel bijdraagt tot de groote veranderlijkheid der
-taal, is het godsdienstige gebruik om den naam van een overledene niet meer te noemen.
-Zelfs de woorden waarin de zelfde letters voorkomen als in den naam van den overledene,
-mogen een tijdlang niet worden gebruikt. Zoodra een taal over een groote uitgestrektheid
-wordt gesproken, bepaalt zich dit tot een zeker tijdsverloop, gedurende ’t welk die
-woorden in zwang blijven bij de families welke niet tot den doode in betrekking stonden,
-om later weêr in het algemeen gebruik te worden opgenomen; is er echter alleen van
-een familietaal sprake, dan raken zij in vergetelheid en moeten er nieuwe voor in
-de plaats worden genomen.<a class="noteRef" id="xd31e6185src" href="#xd31e6185">5</a> Dit gebruik heerscht nu nog onder de Papoea’s op Nieuw-Guinea, de Nieuw-Hollanders,
-Tasmaniërs, de Masai’s en Zoeloe’s in Oost-Afrika, de Vuurlanders, Abiponers enz.
-Bij het laatstgenoemde volkje was het de taak der vrouwen nieuwe woorden uit te denken.
-<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p>
-<p>Na al het boven gezegde kunnen wij haast met zekerheid de slotsom trekken, dat van
-een algemeene oorspronkelijke taal, waaruit al de tegenwoordige talen zich zouden
-hebben ontwikkeld, geen sprake kan zijn, en tevens, dat de taal vorming geheel onafhankelijk
-is van de <span class="corr" id="xd31e6191" title="Bron: ontwikkekeling">ontwikkeling</span> en afbakening der rassen. Zoo bestaan b.v. de Grieken volgens Lippert den Semieten
-nader dan den Germanen, maar naar de indeeling in taalgroepen behooren zij tot de
-zelfde groep als de laatsten (Indo-Germaansche talen), en niet tot die der eersten.
-Over de taal beslist niet het verschil van ras, maar wel de meestal onbekende voorgeschiedenis
-der volken. Als ten tijde der afscheiding der Ariërs, Iraniërs, Kelten enz. het stamvolk
-der Indo-Germanen nog uit jagerstammen had bestaan, zouden de talen der genoemde volken
-niet kunnen wijzen op zulke aanzienlijke overblijfselen uit een gemeenschappelijke
-oude taal als nu het geval is. Daarentegen moeten de stamverwante Semieten zich van
-hen hebben afgescheiden op een tijdstip, dat de blanke rassen verkeerden in den zelfden
-toestand van verdeeling in verschillende kleine stammen als nu nog bij sommige Amerikaansche
-volken bestaat.
-</p>
-<p>Op den hoogsten trap harer ontwikkeling gelijkt de taal op een prachtig woud van hooge
-boomen, waar alle takken aan elkander sluiten en op uitstekende wijze overal schaduw
-en licht geregeld verdeeld zijn. Deze voorbeeldige toestand is echter slechts het
-gevolg van een zonder ophouden toegepaste uitdunning. In den beginne was hier de grond
-bedekt met een weelderigen plantengroei van alle denkbare soorten van lage gewassen.
-Iedere familie koos naar eigen goedvinden de vormen waardoor zij zich verstaanbaar
-wilde maken. Toen kwam de houtvester, hier de overeenkomst tusschen de verschillende
-groepen, die noodzakelijk was geworden door het zich telkens uitbreidende onderlinge
-verkeer. De houtvester koos in de chaotische verwarring de stammetjes uit, waarvan
-het zich liet aanzien, dat zij zich het best staande zouden houden en ontwikkelen,
-en hieuw de overige om. Hierdoor kregen de andere lucht en ruimte om zich uit te breiden
-en verstikten het weder ontkiemende onkruid in hun schaduw. Deze echter groeien ook
-niet allen gelijk op en staan nog veel te dicht op elkander, telkens moet de houtvester
-weder de zwaksten verwijderen. Zoo ontstond langzamerhand het bladerdak van het volmaakt
-schoone bosch. Op die wijze heeft de houtvester „verkeer” het kreupelbosch der vroegste
-wortelvorming der taal uitgedund en geschift en hebben de overgeblevene krachtige
-stammen hun takken op schijnbaar <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>hoogst regelmatige wijze over het geheele taalgebied uitgebreid. Zoo is de taal ontstaan.
-</p>
-<p>Wij kunnen deze vergelijking nog verder uitstrekken. In de eerste jaren eener boschontginning
-wordt het land meestal bedekt met een weelderige flora van struiken en kruiden, die
-weder verdwijnt naarmate de boomen die de ontginner er in heeft gezaaid of geplant,
-opgroeien, totdat eindelijk onder het ondoordringbare bladerdak van het bosch geen
-struiken of kruiden meer kunnen opkomen en de eenige aanwas in de takvorming der uitverkoren
-stammen bestaat. Het zelfde heeft plaats met de taal, die in den beginne voor elk
-nieuw begrip een nieuw geluidsbeeld gebruikte, al bestond dit soms maar alleen in
-het gebruik van een homonym met een ander accent en een ander gebaar. Dit aanhoudende
-ontstaan van nieuwe wortelwoorden hield echter langzamerhand bij onderlinge overeenkomst
-op, toen de taal vaster vormen aannam en de noodzakelijkheid ontstond om bij het uitdenken
-van een naam voor een nieuw voorwerp dezen te doen aansluiten aan een reeds voorhanden
-woord en hem zoo voor het algemeen begrijpelijk te maken, daar de taal op dezen trap
-harer ontwikkeling reeds niet meer uitsluitend door een kleinen kring van menschen
-maar door een geheel volk werd gebruikt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zoo ontstond de woordafleiding, doordat men òf het geraamte van het oude woord gebruikte
-met verandering van klinkers<a class="noteRef" id="xd31e6202src" href="#xd31e6202">6</a>, òf door de verbinding van woorden tot een samengesteld woord, waarvan de bestanddeelen
-later samengroeiden, de betrekking tusschen het oude en nieuwe begrip uitdrukte, zooals
-het geval was bij het vroeger genoemde heer-lijk en dergelijke woorden.<a class="noteRef" id="xd31e6219src" href="#xd31e6219">7</a> Zelfs in ééne en de zelfde taal volgde deze woordafleiding echter niet altijd de
-zelfde wetten. Soms verdrong ook een nieuw voorwerp het oude en nam den naam daarvan
-aan, evenals bij het ontstaan der nieuwe wapens en der nieuwe versierselen gebeurde.
-</p>
-<p>Tylor geeft ons eenige interessante voorbeelden van de veranderingen die de kennismaking
-met nieuwe voorwerpen in een taal teweegbrengt. <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>Zoo noemden de Hidatso’s aan de Missouri, die oorspronkelijk alleen steen als grondstof
-voor wapens kenden, later ijzer en koper, toen zij die leerden kennen, ook steen,
-maar onderscheidden hen als zwartsteen en roodsteen. Op Otaheite, waar weinig dieren
-zijn, was het zwijn het voornaamste dier, en de Sioux kenden evenals sommige andere
-Indianen alleen den hond als huisdier<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Toen nu de Europeanen het paard invoerden, noemden de bewoners van Otaheite het een
-mandragend zwijn en de Sioux een hond, met bijvoeging van een dergelijk kenmerk.
-</p>
-<p>Uit deze voorbeelden zien wij tevens hoe de taal begint namen voor abstracte begrippen
-te vormen, o.a. voor het begrip der soort. Hiervoor is reeds een zekere trap van ontwikkeling
-noodig, daar bij de vroegste talen alle dergelijke benamingen ontbreken. De Nieuw-Hollanders
-hebben voor alle boomen, vogels en visschen die zij kennen, een naam, maar zij missen
-een woord voor boom, vogel en visch in het algemeen. Een Roodhuidenstam kan zeer goed
-de verschillende soorten van Amerikaansche eiken van elkander onderscheiden, maar
-een woord voor het begrip „eik” in het algemeen kent hij niet.
-</p>
-<p>Het zou niet te verwonderen zijn geweest als de Otaheitiër, toen hij meer viervoetige
-dieren leerde kennen en zich zoodoende langzamerhand een begrip vormde van een „viervoetig
-huisdier” in het algemeen, daarvoor den naam „zwijn” gekozen en zoodoende de bestaande
-betrekking tusschen het woord en het begrip verschoven had.<a class="noteRef" id="xd31e6231src" href="#xd31e6231">8</a>
-</p>
-<p>Op de zelfde wijze gaat de taal te werk als zij op het gebied der „handeling” onderscheid
-begint te maken tusschen het concrete en het abstracte; de Huronen bijv. hadden geen
-woord voor „eten”, maar noemden deze handeling telkens anders, naarmate van de spijs
-die zij gebruikten. In de Bantoetalen in Afrika heeft het woord voor „weven” de beteekenis
-gekregen van „maken”, en het woord „bârâ”, dat in den bijbel wordt gebruikt voor het
-scheppen van hemel en aarde, beteekent eigenlijk „snijden” of „houwen”. Zoo zal ook
-ons woord „maken” vroeger wel een concrete beteekenis hebben gehad, die wij nu niet
-meer kennen.
-</p>
-<p>Terwijl wij dus zien dat de oorspronkelijke taal een algemeen goed <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>is, waarop uit den aard der zaak niemand een bijzonder bezitsrecht kan doen gelden,
-blijkt tevens, dat wij slechts tot op zekere hoogte kunnen vertrouwen op de kunst
-der etymologische woordafleiding. Op een zeker punt beginnen de algemeene stellingen
-waarop de etymologie berust, haar grond te verliezen, en verder dan de eenvoudige
-taalwortels hebben zij geen recht van bestaan meer. De Egyptische taal kan voor de
-keuze van 37 <span class="corr" id="xd31e6245" title="Bron: hieroglyphisch">hiëroglyphisch</span> vastgestelde woorden voor het begrip snijden, geen andere reden aanvoeren, dan dat
-elk geluidsbeeld op zich zelf beantwoordt aan ieder begrip waarmede deze of gene het
-wil verbinden; bij de keuze van 10 woorden daaruit, die weder verschillende begripsnuances
-uitdrukken, heeft het Koptisch zich laten leiden door het reeds genoemde proces van
-uitkiezing; waarvan de bijzonderheden niet verder kunnen worden nagegaan.
-</p>
-<p>Het schijnt ons toe, dat de in dit opstel uiteengezette theorie ongetwijfeld waarde
-bezit voor de verklaring van het ontstaan der spraak en taal, zoo niet om geheel de
-plaats der andere theorieën in te nemen, dan toch daarnevens. Die der klanknabootsing
-b.v. is volstrekt niet met deze in strijd, maar kan er meê samengaan.
-<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e6013">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6013src">1</a></span> Hoofdzakelijk naar „<span lang="de">Die Ursprache der Menschheit</span>” in „<span lang="de">Die Kulturgeschichte in einzelnen Hauptstücken</span>” door Julius Lippert, Leipzig, 1886.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6013src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6024">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6024src">2</a></span> Met uitzondering waarschijnlijk van sommige <i>door den mensch</i> onderwezen papegaaien (vergelijk aant. 8, blz. 152). Ook verstaan ongetwijfeld sommige
-huisdieren b.v. honden, sommige door hun meester gesproken woorden. Sir John Lubbock
-leerde zelfs zijn hond eenvoudige in letters op plankjes gedrukte woorden begrijpen
-(zie zijn <span lang="en">„Sense in Animals”, Londen, 1889</span>, blz. 277) en het gesprokene of gedrukte te <i>verstaan</i> vereischt een dergelijke verstandelijke verbinding tusschen geluid of teeken en voorwerp
-of denkbeeld als het spreken of schrijven zelf. In al deze gevallen ging echter de
-impulsie van den <i>mensch</i> uit. Kan het <i>blaffen</i>, dat den hond alleen in tammen staat eigen is, geen poging zijn om de menschelijke
-spraak, zoover de stemorganen het toelaten, na te bootsen?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6024src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6042">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6042src">3</a></span> Lippert spreekt van „jodeln”, een onvertaalbaar woord, dat echter onze meeste lezers
-wel zullen verstaan; het drukt een eigenaardige wijze van zingen uit, die bij vele
-Alpenbewoners, o.a. de Tyrolers in zwang is, en waarvan het eigenaardige in den overgang
-uit de borsttonen in de falsetstem bestaat. Het is een melodieuse uiting van levenslust,
-die door de zuivere Alpenlucht zoo gemakkelijk wordt opgewekt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6042src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6109">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6109src">4</a></span> De voorzetsels hadden waarschijnlijk eens in alle talen een plaatselijke beteekenis,
-althans in het Latijn worden <i>jegens</i>, <i>behalve</i>, <i>wegens</i>, <i>overeenkomstig</i>, <i>uit hoofde van</i> enz., kortom alle de zoo talrijke verbindingen en betrekkingen tusschen personen
-en zaken door voorzetsels uitgedrukt, die oorspronkelijk slechts plaatselijke verhoudingen,
-als: voor, achter, boven, tusschen enz. uitdrukten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6109src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6185">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6185src">5</a></span> Op Otaheite heette b.v. de nacht vroeger „Po” maar sedert koning Pomaré is gestorven,
-is ook het eerste woord uit de taal van het eiland verdwenen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6185src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6202">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6202src">6</a></span> Als b.v. in het Nederlandsch: <i>drank</i> (z. n.), <i>dronk</i> (z<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> n.), <i>drenk</i> (wortel van het werkwoord drenken), <i>drink</i> (wortel van het werkwoord drinken) waaraan zich het Engelsch <i lang="en">drunk</i> b. n. (beschonken) aansluit. Deze methode is zeer algemeen in de Semietische talen,
-en wordt ook bij onze ongelijkvloeiende en vele onregelmatige werkwoorden naast de
-volgende toegepast.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6202src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6219">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6219src">7</a></span> Hierdoor ontstaan eindelijk ook verbuigingen en vervoegingen door wijziging der uitgangen,
-en soms met voorvoeging van lettergrepen. De vervoeging onzer gelijkvloeiende werkwoorden
-behoort hiertoe.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6219src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6231">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6231src">8</a></span> Zoo heeft het Engelsche woord <i lang="en">deer</i> de beteekenis van hert, reeds zeer vroeg in Germanië het voornaamste jachtdier, en
-zal dit wellicht de oorspronkelijke beteekenis zijn, terwijl in het verwante Nederlandsch
-en Hoogduitsch <i>dier</i> en Thier tegenwoordig een dier, meer in ’t bijzonder een viervoetig dier, in het
-algemeen beteekenen. Een omgekeerde verschuiving zien wij als de boer onder „beesten”
-eenvoudig koeien verstaat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6231src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e347">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.—VERVOLG.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>—De eigenschappen van gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige
-leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is een sociaal dier.—De
-meer duurzame sociale instinkten overwinnen andere minder duurzame instinkten.—De
-sociale instinkten alleen worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven
-worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De belangrijkheid van het oordeel
-van de leden van ééne en de zelfde maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van
-zedelijke neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde
-feiten leiden.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik beaam ten volle het gevoelen van die schrijvers<a class="noteRef" id="xd31e6263src" href="#xd31e6263">1</a>, welke beweren, dat van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere dieren
-het zedelijk gevoel of geweten verreweg het belangrijkste is. Aan dit gevoel komt,
-zooals Mackintosh<a class="noteRef" id="xd31e6269src" href="#xd31e6269">2</a> opmerkt, van rechtswege de heerschappij toe over alle drijfveêren van de handelingen
-der menschen; het ligt opgesloten in dat korte, maar gebiedende woord <i>plicht</i>, een woord zoo vol van hooge beteekenis. Het is het edelste van alle kenmerken van
-den mensch; het brengt hem er toe om zonder een oogenblik te aarzelen zijn leven voor
-een medemensch te wagen, of om het na rijp beraad, alleen door zijn diep gevoel van
-recht gedreven, voor het eene of andere groote beginsel op te offeren. Immanuel Kant
-roept uit: „Plicht! wondervolle gedachte, die noch door vleierij, noch door eenige
-bedreiging, noch ook door u dwaselijk op te dringen, maar alleen door uw naakte wet
-aan de ziel te doen hooren, op den mensch inwerkt en zoo voor u zelve altijd eerbied,
-hoewel niet altijd gehoorzaamheid afdwingt; <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>gij, voor wien alle zinnelijke lusten verstommen, hoe sterk zij zich ook in het geheim
-mogen verzetten, wat is uw oorsprong?”<a class="noteRef" id="xd31e6279src" href="#xd31e6279">3</a>
-</p>
-<p>Dit groote vraagstuk is door vele schrijvers<a class="noteRef" id="xd31e6287src" href="#xd31e6287">4</a> van erkende bekwaamheid besproken en mijn eenige verontschuldiging, dat ook ik het
-waag het te bespreken, is, dat ik het hier onmogelijk onvermeld kan laten, en dat
-niemand, voor zoover ik weet, het nog uit een natuurhistorisch oogpunt heeft beschouwd.
-Daarom is die beschouwingswijze op zich zelve van eenig belang, als een proef om te
-zien, in hoeverre de studie der lagere diersoorten licht kan werpen op een der hoogste
-zielsvermogens van den mensch.
-</p>
-<p>De stelling komt mij in hooge mate waarschijnlijk voor, dat elk dier dat goed ontwikkelde
-sociale instinkten bezit<a class="noteRef" id="xd31e6295src" href="#xd31e6295">5</a>, ongetwijfeld zedelijk gevoel of een geweten zou verkrijgen, zoodra zijn verstandelijke
-vermogens even goed ontwikkeld of bijna even goed ontwikkeld waren geworden als die
-van den mensch. Want <i>eerstens</i> leiden de sociale instinkten een dier er toe om behagen te scheppen in het gezelschap
-zijner mededieren, om tot op zekere hoogte medegevoel met hen te hebben en hun verschillende
-diensten te bewijzen. Deze diensten kunnen van een beperkten en duidelijk instinktmatigen
-aard zijn, of er kan, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>zooals bij de meeste hoogere sociale dieren het geval is, slechts de wensch en de
-bereidvaardigheid bestaan om andere dieren op zekere algemeene wijzen te helpen. Deze
-gevoelens en diensten worden echter geenszins uitgestrekt tot alle dieren van de zelfde
-soort, maar alleen tot die welke tot de zelfde vereeniging behooren. <i>In de tweede plaats</i> zullen, zoodra de geestvermogens hoog ontwikkeld zijn, beelden van alle vroegere
-handelingen en beweegredenen onophoudelijk het brein van elk individu doorkruisen,
-en dat gevoel van onvoldaanheid, dat, zooals wij later zullen zien, het gevolg is
-van elk onbevredigd instinkt, zal even dikwijls ontstaan als men bemerkt dat het duurzame
-en steeds tegenwoordige instinkt heeft moeten onderdoen voor een ander instinkt, op
-dat oogenblik krachtiger, maar geen zeer levendigen indruk achterlatende. Het is duidelijk
-dat vele instinktmatige begeerten, b.v. van honger, uit haar aard slechts kort van
-duur zijn en na haar bevrediging niet gemakkelijk of levendig in het geheugen worden
-teruggeroepen. <i>In de derde plaats</i> zal, nadat het vermogen om te spreken is verkregen en de meeningen van de leden van
-een zelfde vereeniging duidelijk en juist kunnen worden uitgedrukt, het algemeene
-gevoelen over de wijze waarop elk lid moet handelen om het algemeen welzijn te bevorderen,
-natuurlijk voor een groot deel het richtsnoer der handelingen worden. De sociale instinkten
-zullen echter nog steeds den eersten stoot geven aan het handelen voor het algemeen
-welzijn, maar die stoot zal versterkt, bestuurd, ja soms van richting veranderd worden
-door de publieke opinie, waarvan de macht, zooals wij zullen zien, op instinktmatig
-medegevoel berust. <i>Eindelijk</i> zal niet alleen gehoorzaamheid aan de wenschen en het oordeel van het publiek, maar
-ook de individueele gewoonte ten laatste een zeer belangrijk aandeel verkrijgen in
-het besturen van het gedrag van elk lid; want de sociale instinkten of aandriften
-zullen evenals alle andere instinkten zeer versterkt worden door gewoonte. Deze verschillende
-ondergeschikte stellingen moeten nu besproken worden en sommigen er van zeer uitvoerig.
-</p>
-<p>Het zal goed zijn eerst de verklaring af te leggen, dat ik niet wil beweren, dat eenige
-strikt sociale diersoort, als haar verstandelijke vermogens even werkzaam en even
-hoog ontwikkeld waren als die van den mensch, ook juist het zelfde zedelijk gevoel
-zou verkrijgen als wij. Op de zelfde wijze als verscheidene dieren eenig schoonheidsgevoel
-bezitten, hoewel zij uiterst verschillende zaken bewonderen, zouden zij ook een gevoel
-van goed of kwaad kunnen bezitten, hoewel dat <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>hen aandreef om uiterst verschillende gedragslijnen te volgen. Indien, b.v., om een
-uiterste te noemen, de mensch onder volkomen de zelfde voorwaarden was opgevoed als
-de honigbijen, kan men nauwelijks betwijfelen, of onze ongehuwde vrouwen zouden het,
-evenals de werkbijen, voor een heiligen plicht houden, haar broeders te dooden, en
-moeders zouden haar vruchtbare dochters trachten te vermoorden, zonder dat iemand
-er over dacht om tusschenbeide te komen. <b>(<a href="#en4.1" id="en4.1src">1</a>)</b> Toch zou de bij, of eenig ander sociaal dier, in het door ons onderstelde geval eenig
-gevoel van goed of kwaad of een geweten verkrijgen. Elk individu toch zou zich bewust
-worden, dat het sommige sterkere en meer duurzame instinkten bezat, en andere, die
-minder sterk of duurzaam waren; zoodat er dikwijls een strijd zou ontstaan over de
-vraag, welke aandrift moest worden gevolgd; en als vroegere indrukken, gedurende hun
-onophoudelijk voor den geest kruisen, met elkander werden vergeleken, zou het zich
-voldaan of onvoldaan gevoelen. In dit geval zou een inwendige stem het dier zeggen,
-dat het beter zou zijn geweest de eene aandrift te volgen dan de andere. Die eerste
-aandrift te volgen zou <i>plicht</i> zijn geweest: die eerste <span class="corr" id="xd31e6335" title="Bron: aandriftt">aandrift</span> zou goed en de andere slecht zijn geweest; maar op deze woorden zal ik moeten terugkomen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Het gezellige leven.</i> Verscheidene diersoorten leven gezellig; soms leeft zelfs meer dan ééne soort gezellig
-te zamen, zooals met sommige Amerikaansche apen en met de vereenigde vluchten van
-roeken, kauwen en spreeuwen het geval is. De mensch toonde het zelfde gevoelen in
-zijn sterke liefde voor den hond, die de hond met belangstelling beantwoordt. Iedereen
-moet hebben opgemerkt, hoe ongelukkig paarden, honden, schapen enz. zijn, als zij
-van hun makkers worden gescheiden, en hoeveel genegenheid ten minste de beide eerste
-diersoorten voor elkander toonen als zij vereenigd zijn. Men kan merkwaardige bespiegelingen
-maken over de gevoelens van een hond, die met zijn meester of iemand van diens gezin
-uren lang rustig in de kamer blijft liggen, hoewel men zich volstrekt niet met hem
-bemoeit, doch droevig blaft en huilt, als men hem een oogenblik alleen laat. Wij zullen
-onze aandacht bepalen tot de hoogere sociale dieren, met uitsluiting van de insekten,
-hoewel deze elkander op vele belangrijke wijzen helpen. De meest algemeene dienst
-dien de hoogere dieren elkander bewijzen, is het waarschuwen voor gevaar door middel
-van de zintuigen van allen. Ieder jager weet, zooals Dr. Jaeger opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e6343src" href="#xd31e6343">6</a>, hoe <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>moeilijk het is dieren, die in een troep of kudde bijeen zijn, te naderen. Wilde paarden
-en rundvee geven, geloof ik, volstrekt geen bijzonder teeken om voor gevaar te waarschuwen,
-maar de houding van den eersten die een vijand ontdekt, waarschuwt de <span class="corr" id="xd31e6351" title="Bron: andere">anderen</span><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Konijnen waarschuwen voor gevaar door met hun achterpooten luid op den grond te stampen;
-schapen en gemzen doen het zelfde met de voorpooten en uiten daarbij tevens een fluitend
-geluid. Vele vogels en sommige zoogdieren zetten schildwachten uit, waarvoor, naar
-men zegt, bij de zeehonden gewoonlijk de wijfjes worden gebruikt.<a class="noteRef" id="xd31e6355src" href="#xd31e6355">7</a> De aanvoerder van een troep apen handelt als een schildwacht, maakt geluiden, zoowel
-om gevaar als om veiligheid uit te drukken.<a class="noteRef" id="xd31e6362src" href="#xd31e6362">8</a> Sociale dieren bewijzen elkander vele kleine diensten; paarden beknabbelen en koeien
-likken elkander op plaatsen die hen jeuken; apen luizen elkander, en Brehm getuigt,
-dat, <span class="corr" id="xd31e6368" title="Bron: wanueer">wanneer</span> een troep apen van een zekere soort (<i>Cercopithecus griseoviridis</i>) een dicht doornachtig kreupelbosch zijn doorgetrokken, elke aap op een tak gaat
-liggen, waarop een andere aap bij hem komt zitten, zijn haar zeer „conscientieus”
-doorzoekt, en elken doorn of stekel er uithaalt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Dieren bewijzen elkander ook belangrijke diensten; zoo jagen wolven en sommige andere
-roofdieren in troepen, en helpen elkander om hun slachtoffers aan te vallen. Pelikanen
-visschen gezamenlijk. De Hamadryas-bavianen keeren steenen om, om insekten te vinden,
-en als zij aan een bijzonder grooten steen komen, gaan er zoovelen van hen daaromheên
-staan, als de plaats toelaat, en daarna deelen zij den buit. Sociale dieren verdedigen
-elkander wederkeerig. De mannetjes van sommige herkauwende dieren begeven zich, als
-er gevaar is, in de voorhoede en verdedigen de kudde met hun horens. In een volgend
-hoofdstuk zal ik gevallen mededeelen van twee jonge stieren die gezamenlijk een ouden
-stier aanvielen, en van twee hengsten die te zamen beproefden een derden hengst van
-een troep merries weg te drijven. Brehm ontmoette in Abessinië een grooten troep bavianen
-die een vallei doortrokken; sommige hadden den berg aan de andere <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>zijde reeds beklommen en andere waren nog in de vallei; deze laatste werden door honden
-aangevallen, maar de oude mannetjes klommen dadelijk in allerijl de rotsen weder af
-en brulden zoo vreeselijk met open muil, dat de honden overhaast de vlucht namen.
-Zij werden aangehitst om den aanval te hervatten; maar in dien tusschentijd waren
-al de bavianen weder op de hoogte geklommen, uitgenomen één jong van omtrent zes maanden
-oud, dat, luid om hulp schreeuwende, op een rotsblok klom en werd omsingeld. Daarop
-klom één van de grootste mannetjes, een waar held, weder van den berg af, liep langzaam
-naar het jong toe, liefkoosde het, en nam het zegepralend mede, terwijl de honden
-te overbluft waren om aan te vallen. Ik kan geen weêrstand bieden aan den lust om
-nog een ander tooneel mede te deelen, dat door den zelfden natuuronderzoeker werd
-waargenomen; een arend greep een jongen Cercopithecus, die, omdat hij zich aan een
-tak vastklemde, niet opeens werd medegevoerd; hij schreeuwde luid om hulp, waarop
-de overige leden van den troep met groot misbaar tot ontzet aanrukten, den arend omringden
-en hem zooveel vederen uitrukten, dat hij niet langer dacht om zijn prooi, maar alleen
-hoe hij zou ontsnappen. Deze arend zal, zooals Brehm opmerkt, wel nooit meer een aap
-uit een troep hebben aangevallen.
-</p>
-<p>Het is zeker, dat sociale dieren die tot ééne vereeniging behooren, voor elkander
-een gevoel van liefde hebben, dat volwassen niet-sociale dieren niet bezitten. In
-hoever zij in de meeste gevallen medegevoel hebben voor elkanders verdrietelijkheden
-en genoegens, is twijfelachtiger, vooral ten opzichte van de laatste. De heer Buxton
-echter, die uitnemende gelegenheid tot waarneming bezat<a class="noteRef" id="xd31e6381src" href="#xd31e6381">9</a>, getuigt, dat zijn papegaaien, die te Norfolk in vrijen staat leefden, „een buitensporig
-belang” stelden in een paar met een nest, en dat, wanneer ook het wijfje het verliet,
-zij werd omringd door een troep, die afgrijselijke toejuichingen te harer eere uitgilden.
-Het is dikwijls moeilijk om te beoordeelen in hoeverre dieren eenig gevoel voor elkanders
-lijden hebben<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wie kan zeggen, wat koeien gevoelen, als zij een stervenden of dooden makker omringen
-en stijf aanstaren? Dat dieren soms volstrekt geen medelijden met elkander hebben,
-is maar al te zeker; want zij zullen een gewond dier uit hun kudde verdrijven, of
-doodsteken of plagen. Dit is bijna het zwartste feit in de natuurlijke geschiedenis,
-tenzij de verklaring, die men er van heeft gegeven, inderdaad de ware is, dat namelijk
-hun <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>instinkt of verstand hen aandrijft om een gekwetsten makker te verdrijven, uit vreeze
-dat roofdieren, de mensch niet uitgezonderd, zouden worden verlokt om de kudde te
-volgen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In dit geval is hun gedrag niet veel erger dan dat van de Noord-Amerikaansche Indianen,
-die hun zwakke stamgenooten in de prairiën achterlaten om daar te sterven, of dat
-van de Fidsji-eilanders, die hun ouders, als zij oud of ziek zijn geworden, levend
-begraven.<a class="noteRef" id="xd31e6393src" href="#xd31e6393">10</a>
-</p>
-<p>Vele dieren hebben echter ongetwijfeld medegevoel voor elkanders ongeluk of gevaar.
-Dit is zelfs bij vogels het geval; kapitein Stansbury<a class="noteRef" id="xd31e6403src" href="#xd31e6403">11</a> vond in een zoutmeer in Utah een ouden en geheel blinden pelikaan, die zeer vet was,
-en gedurende langen tijd door zijn metgezellen goed moest zijn gevoerd. De heer Blyth
-deelt mij mede, dat hij heeft gezien, dat Indische kraaien twee of drie hunner makkers,
-die blind waren, voedden; en ik heb een dergelijk geval gehoord van het gewone hoen.
-Wij kunnen deze handelingen, als wij willen, instinktmatig noemen, maar zulke gevallen
-zijn veel te zeldzaam voor de ontwikkeling van eenig bijzonder instinkt.<a class="noteRef" id="xd31e6412src" href="#xd31e6412">12</a> Ik heb zelf een hond gezien, die een vriendin van hem, een kat, die ziek in een mand
-lag, nooit voorbijging zonder haar eens of meermalen met zijn tong te likken, het
-zekerste bewijs van vriendschap bij een hond.
-</p>
-<p>Het gevoel, dat een moedigen hond er toe brengt om iedereen die zijn meester slaat,
-aan te vliegen, zooals hij ongetwijfeld zal doen, verdient den naam van medegevoel
-(sympathie). Ik zag iemand, die zich hield, alsof hij een dame wilde slaan, die een
-zeer vreesachtig hondje op haar schoot had, en deze proef was nog nooit genomen. Het
-kleine schepsel sprong dadelijk weg, maar, nadat de voorgewende slag was gegeven,
-was het wezenlijk aandoenlijk te zien, hoe lang het het gezicht van zijn meesteres
-likte, en haar trachtte te troosten. Brehm<a class="noteRef" id="xd31e6421src" href="#xd31e6421">13</a> zegt, dat, als hij een van de bavianen die hij in gevangen staat bezat, vervolgde
-om hem te straffen, de anderen dezen trachtten te beschermen. <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>Het moet in de bovenvermelde gevallen medegevoel zijn geweest, dat de bavianen en
-Cercopitheci er toe bracht om hun jonge kameraden tegen de honden en den arend te
-verdedigen. Ik wil nog slechts één enkel ander voorbeeld aanhalen, namelijk het medelijdend
-en heldhaftig gedrag van een kleinen Amerikaanschen aap. Verscheidene jaren geleden
-vertoonde een oppasser in den Londenschen dierentuin mij eenige diepe en nauwelijks
-genezen wonden in den nek, die hem door een kwaadaardigen baviaan waren toegebracht,
-terwijl hij op den grond knielde. Het Amerikaansche aapje, dat een warm vriend van
-zijn oppasser was, bevond zich in de zelfde kooi, en was verbazend verschrikt van
-den grooten baviaan. Zoodra het echter zag, dat zijn vriend, de oppasser, in gevaar
-verkeerde, snelde het te hulp, en door zijn gegil en zijn beten bracht het den baviaan
-zoo in de war, dat de man in staat was te ontsnappen, na, volgens de meening van den
-heelmeester die hem verzorgde, groot levensgevaar te hebben geloopen.
-</p>
-<p>Behalve liefde en medegevoel vertoonen dieren nog andere hoedanigheden die bij ons
-zedelijk zouden worden genoemd, en ik ben met Agassiz<a class="noteRef" id="xd31e6431src" href="#xd31e6431">14</a> eens, dat honden iets bezitten, dat zeer sterk op een geweten gelijkt. <b>(<a href="#en4.2" id="en4.2src">2</a>)</b> Zij bezitten ongetwijfeld eenig vermogen van zelfbeheersching, en dit schijnt niet
-geheel en al een gevolg van vrees te zijn. Zooals Braubach<a class="noteRef" id="xd31e6443src" href="#xd31e6443">15</a> opmerkt, zal een hond zich weêrhouden voedsel te stelen bij afwezigheid van zijn
-meester. Honden zijn lang beschouwd als het eigenlijke type van getrouwheid en gehoorzaamheid.
-Doch de olifant is eveneens zeer getrouw aan zijn kornak of oppasser, en beschouwt
-hem waarschijnlijk als den aanvoerder van de kudde. Dr. Hooker meldt mij, dat een
-olifant waarop hij in Indië reed, zoo diep in het slijk zonk, dat hij bleef vastzitten
-tot den volgenden dag, toen hij er door menschen met touwen werd uitgehaald. In dergelijke
-gevallen grijpen olifanten met hun snuit alle voorwerpen, dood of levend, om ze onder
-hun knieën te plaatsen om daardoor te voorkomen, dat zij dieper in het slijk zinken;
-en de kornak was vreeselijk bang, dat het dier Dr. Hooker zou grijpen en dooddrukken.
-Maar de kornak zelf liep, naar men Dr. Hooker verzekerde, volstrekt geen gevaar. Dit
-gedrag bij een voor een zwaar dier zoo vreeselijk ongeval, is een verwonderlijk bewijs
-van edele trouw.<a class="noteRef" id="xd31e6449src" href="#xd31e6449">16</a>
-<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p>
-<p>Alle dieren die in troepen leven, elkander verdedigen en hun vijanden gezamenlijk
-aanvallen, moeten tot op zekere hoogte elkander getrouw zijn, en die welke een aanvoerder
-volgen, moeten tot op zekere hoogte gehoorzaam zijn. Als de bavianen in Abessinië<a class="noteRef" id="xd31e6458src" href="#xd31e6458">17</a> een tuin plunderen, volgen zij zoo stil mogelijk hun aanvoerder, en als een onvoorzichtig
-jong dier gedruisch maakt, krijgt het van de anderen een oorveeg om het stilte en
-gehoorzaamheid te leeren; maar zoodra zij zeker zijn dat er geen gevaar is, toonen
-allen hun vreugde door een luid geschreeuw.
-</p>
-<p>De heer Galton, die uitstekend in de gelegenheid is geweest om de halfwilde runderen
-in Zuid-Afrika waar te nemen, zegt<a class="noteRef" id="xd31e6466src" href="#xd31e6466">18</a>, dat zij zelfs een zeer korte scheiding van de kudde niet kunnen verdragen. Zij zijn
-zeer slaafsch, volgen na wat de anderen doen en zoeken geen beter lot dan om te worden
-geleid door den eersten den besten stier die zelfvertrouwen genoeg heeft om de positie
-aan te nemen. De mannen die deze dieren vangen om er trekossen van te maken, geven
-vlijtig acht op die, welke door afzonderlijk te grazen bewijzen dat zij zelfvertrouwen
-bezitten, en deze dresseeren zij om deel uit te maken van het voorste span ossen.
-De heer Galton voegt er bij, dat dergelijke dieren zeldzaam en kostbaar zijn, en,
-als er vele werden geboren, zouden zij spoedig worden opgeruimd, daar de leeuwen altijd
-loeren op de individu’s, die zich van de kudde verwijderen.
-</p>
-<p>Wat de oorzaak aangaat, die sommige dieren aandrijft om gezellig te leven en elkander
-op vele wijzen te helpen, mogen wij aannemen, dat zij in de meeste gevallen worden
-aangedreven door het zelfde gevoel van voldoening of genoegen, dat zij ondervinden
-bij het volbrengen van andere instinktmatige handelingen; of door het zelfde gevoel
-van onvoldaanheid, als in andere gevallen, waarin instinktmatige handelingen worden
-verhinderd. Wij zien zulks in tallooze voorbeelden, en het wordt op treffende wijze
-aangetoond door de instinkten die onze huisdieren na hun temming hebben verkregen;
-zoo schept een jonge schaapherdershond er behagen in om een kudde schapen te drijven
-en om dezelve heên te loopen, maar niet om hen te plagen; een jonge voshond houdt
-veel van de vossenjacht, terwijl ik heb opgemerkt, dat sommige andere hondenrassen
-volstrekt geen acht op vossen slaan. Wat moet <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>het gevoel van inwendige voldoening sterk zijn bij een vogel, een wezen zoo vol bewegelijkheid,
-als hij den eenen dag voor en den anderen na zijn eieren zit uit te <span class="corr" id="xd31e6476" title="Bron: broeien">broeden</span><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Trekvogels gevoelen zich ongelukkig, als men hun belet weg te trekken, en wellicht
-hebben zij veel genoegen als zij hun langen tocht aanvangen. Het is echter moeilijk
-te gelooven, dat de arme gekortwiekte gans welke Audubon heeft beschreven, die, toen
-de tijd van trekken daar was, te voet vertrok voor haar reis van waarschijnlijk meer
-dan duizend mijlen, eenig genoegen in haar handeling zal hebben gehad.
-</p>
-<p>Eenige weinige instinkten zijn het gevolg van uitsluitend onaangename gewaarwordingen,
-zooals van vrees, die tot zelfbehoud leidt of meer in ’t bijzonder tegen bepaalde
-vijanden is gericht. Niemand kan, geloof ik, het gevoel van genoegen of van smart
-ontleden. In vele gevallen is het echter waarschijnlijk, dat instinkten voortdurend
-worden gevolgd alleen krachtens de overerving, zonder den prikkel van genoegen of
-smart. Als een jonge staande hond, voor de eerste maal wild ruikende, staan blijft,
-is het duidelijk, dat hij zulks onbewust doet. Als een eekhoorn in een kooi op de
-noten klopt, die hij niet kan eten, even alsof hij ze in den grond wilde begraven,
-kan men moeilijk aannemen, dat hij daartoe door genoegen of smart wordt aangedreven.
-De gewone meening, dat de mensch tot iedere handeling moet worden aangedreven door
-het ondervinden van eenig genoegen of eenige smart, zou daarom wel een dwaling kunnen
-zijn. Hoewel een gewoonte soms blindelings en onvoorwaardelijk moge worden gevolgd,
-onafhankelijk van eenig dadelijk gevoel van genoegen of smart, ondervindt men toch,
-als die gewoonte plotseling met geweld wordt tegengegaan, over het algemeen een onbestemd
-gevoel van onvoldaanheid; en dit is vooral het geval bij verstandelijk weinig ontwikkelde
-personen.
-</p>
-<p>Men heeft dikwijls beweerd, dat dieren eerst een gezellige levenswijze aannamen, en
-dat zij het, als een gevolg daarvan, onaangenaam vonden van elkander te scheiden en
-er behagen in schepten om bij elkander te zijn; het is echter waarschijnlijker, dat
-deze laatste gevoelens het eerst werden ontwikkeld, en dat, als een gevolg daarvan,
-de dieren voor welke het gezellige leven voordeelig was, er toe kwamen in gezelschap
-te leven. Op de zelfde wijze werden ongetwijfeld het gevoel van honger en de aangename
-gewaarwordingen bij het eten eerst verkregen om daardoor de dieren aan te drijven
-om te eten. Het gevoel van behagen in gezelschap is waarschijnlijk een uitbreiding
-van de ouderlijke of kinderlijke <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>liefde, en deze uitbreiding moet voornamelijk worden toegeschreven aan natuurlijke
-teeltkeus, maar waarschijnlijk gedeeltelijk alleen aan gewoonte. Want bij die dieren
-voor welke het voordeelig was gezellig te leven, ontsnapten de individu’s die het
-meest behagen schepten in gezelschap, ook het best aan allerlei gevaren; terwijl zij
-die het minst omzagen naar metgezellen en eenzaam leefden, in grooter getal omkwamen.
-Bespiegelingen te maken over den oorsprong van de ouderlijke en kinderlijke liefde,
-die de grondslag der sociale genegenheid schijnen te zijn, is een hopelooze zaak;
-maar wij mogen aannemen, dat zij voor een groot deel door natuurlijke teeltkeus zijn
-verkregen. <b>(<a href="#en4.3" id="en4.3src">3</a>)</b> Het is bijna zeker, dat ook het ongewone en tegenovergestelde gevoel van haat tusschen
-de naaste betrekkingen, zooals bij de werkbijen, die hun broeders de darren <b>(<a href="#en4.4" id="en4.4src">4</a>)</b>, en bij de bijenkoninginnen, die haar vruchtbare dochters ombrengen, op de zelfde
-wijze is verkregen; want in dit geval strekte de aandrift om haar naaste betrekkingen
-te dooden, in plaats van ze lief te hebben, aan het gemeenebest tot voordeel. Ouderliefde
-of een of ander gevoel dat de plaats daarvan inneemt, heeft zich ontwikkeld bij sommige
-dieren die uiterst laag in de reeks staan, bij voorbeeld bij zeesterren en spinnen.
-Zij bestaat somtijds ook alleen bij eenige weinige leden van een geheele groep van
-dieren, zooals in het geslacht (genus) Forficula of der Oorwormen.
-</p>
-<p>De hoogst belangrijke aandoening van medegevoel (sympathie) is zeer onderscheiden
-van die der liefde. Een moeder moge haar slapend en lijdelijk kind hartstochtelijk
-liefhebben, men kan moeielijk zeggen, dat zij er sympathie voor gevoelt. De liefde
-van een man voor zijn hond is onderscheiden van medegevoel, en evenzoo die van den
-hond voor zijn meester. Adam Smith beweerde indertijd, evenals de heer Bain onlangs,
-dat de grondslag van het medegevoel daarin is gelegen, dat wij ons vroegere aangename
-of onaangename toestanden levendig herinneren. Van daar „roept het gezicht van een
-ander persoon, die honger of koude lijdt of vermoeid is, die toestanden, waarvan zelfs
-de gedachte ons onaangenaam aandoet, in ons geheugen terug.” Wij worden daardoor aangedreven
-om het lijden van anderen te verzachten, opdat ook onze eigen onaangename aandoeningen
-zouden worden verzacht. Op de zelfde wijze komen wij er toe om in het genoegen dat
-anderen smaken, te deelen.<a class="noteRef" id="xd31e6499src" href="#xd31e6499">19</a> Ik kan echter niet inzien, hoe deze beschouwingswijze <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>het feit verklaart, dat ons medegevoel in oneindig hoogere mate wordt opgewekt door
-een bemind, dan door een onverschillig persoon. Het gezicht alleen van het lijden
-zou, onafhankelijk van liefde, voldoende zijn om levendige herinneringen en gedachtenverbindingen
-in ons op te wekken. De verklaring ligt wellicht daarin, dat bij alle dieren het medegevoel
-alleen wordt gevoeld voor alle leden der zelfde vereeniging, en dus voor bekende en
-meer of min beminde individu’s, maar niet voor alle individu’s van de zelfde soort.
-Dit feit is niet verwondelijker dan dat vele dieren slechts vrees gevoelen voor bijzondere
-vijanden. Soorten die niet gezellig (sociaal) zijn, zooals leeuwen en tijgers, voelen
-ongetwijfeld medegevoel voor het lijden van hun eigen jongen, maar niet voor dat van
-eenig ander dier. Bij den mensch bevorderen eigenbelang, ondervinding en zucht tot
-nabootsing, zooals de heer Bain heeft aangetoond, ongetwijfeld het medegevoel; want
-de hoop om op onze beurt goed te worden behandeld, drijft ons aan om anderen op sympathieke
-en vriendschappelijke wijze te behandelen; en het kan niet worden betwijfeld, dat
-het medegevoel door de gewoonte zeer wordt versterkt. Op hoe samengestelde wijze een
-gevoel ook moge zijn ontstaan, zal het toch, wanneer het van hoog belang is voor al
-die dieren welke elkander helpen en beschermen, door natuurlijke teeltkeus zijn vermeerderd;
-want die vereenigingen die het grootste aantal medegevoel bezittende leden bevatten,
-zullen het meest bloeien en de grootste nakomelingschap achterlaten.
-</p>
-<p>In vele gevallen is het volkomen onmogelijk om te beslissen, of sommige sociale instinkten
-zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, dan wel, of zij het indirecte gevolg zijn
-van andere instinkten en vermogens, zooals van medegevoel, rede en neiging tot nabootsing;
-of dat zij eindelijk eenvoudig het gevolg zijn van lang voortgezette gewoonten. Zulk
-een merkwaardig instinkt als dat om schildwachten uit te zetten om de vereeniging
-voor gevaar te waarschuwen, kan moeilijk het indirecte gevolg zijn geweest van eenig
-ander vermogen; het moet daarom rechtstreeks <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>zijn verkregen. Van den anderen kant is wellicht de gewoonte van de mannetjes van
-sommige sociale dieren om de vereeniging te verdedigen of gemeenschappelijk hun vijand
-of hun prooi aan te vallen, oorspronkelijk uit wederkeerig medegevoel ontstaan; maar
-eerst moeten moed en in de meeste gevallen ook kracht zijn verkregen, waarschijnlijk
-door natuurlijke teeltkeus.
-</p>
-<p>Van de verschillende instinkten en gewoonten zijn sommige veel sterker dan andere,
-dat wil zeggen, sommige geven òf meer genoegen wanneer men er gehoor aan geeft, en
-meer smart, wanneer men wordt verhinderd ze te volgen, òf, hetgeen waarschijnlijk
-even belangrijk is, zij worden door overerving standvastiger gevolgd zonder eenig
-bijzonder gevoel van genoegen of smart te veroorzaken. Wij zijn ons zelven bewust,
-dat sommige gewoonten moeilijker na te laten of te veranderen zijn dan andere. Van
-daar kan men bij dieren dikwijls een strijd tusschen verschillende instinkten of tusschen
-instinkt en eenige door gewoonte verkregen neiging waarnemen; b.v. als een hond op
-een haas toesnelt, of beschaamd tot zijn meester terugkeert; of tusschen de liefde
-van een teef voor haar jongen en die voor haar meester; want men kan soms opmerken,
-hoe zij ter sluiks naar hen toesluipt, alsof zij half beschaamd was dat zij niet met
-haar meester meêging. Het merkwaardigste voorbeeld echter, dat mij bekend is van de
-overwinning van het eene instinkt op het andere, is die van het trekinstinkt op het
-moederlijk instinkt. Het eerste is wonderlijk sterk; een opgesloten vogel zal, als
-de tijd van het trekken daar is, zijn borst tegen de traliën van zijn kooi slaan,
-totdat die naakt en bebloed is. Het drijft jonge zalmen aan om het zoete water te
-verlaten, waarin zij nog konden blijven leven, en zoo onwillekeurig een zelfmoord
-te begaan<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Iedereen weet hoe sterk het moederlijk instinkt is, dat zelfs aan vreesachtige vogels
-den moed geeft om aan groote gevaren het hoofd te bieden, hoewel met aarzeling en
-in weêrwil van het instinkt van zelfbehoud. Het trekinstinkt is echter zoo machtig,
-dat zwaluwen en gierzwaluwen dikwijls laat in den herfst hun teedere jongen verlaten,
-en hen zoo in hun nesten aan een ellendigen dood prijs geven.<a class="noteRef" id="xd31e6520src" href="#xd31e6520">20</a>
-<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p>
-<p>Wij kunnen begrijpen, hoe een instinktmatige aandrift, indien zij op de eene of andere
-wijze voordeeliger voor een soort was dan eenig ander tegenovergesteld instinkt, de
-machtigste van de twee gemaakt zou worden door natuurlijke teeltkeus; want van de
-individu’s bij welke het instinkt het sterkst was ontwikkeld, zouden meer blijven
-leven, dan van de andere. Of dit echter het geval is met het trekinstinkt in tegenoverstelling
-met het moederlijk instinkt, is hoogst twijfelachtig. De groote standvastigheid en
-voortdurende werking van het eerste op sommige tijden van het jaar gedurende den geheelen
-dag, geeft het wellicht voor een tijd een onbeperkte macht.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>De mensch is een sociaal dier.</i>—Bijna iedereen geeft toe, dat de mensch een sociaal wezen is. Wij zien dit uit zijn
-afkeer van de eenzaamheid en zijn verlangen naar gezelschap behalve dat van zijn eigen
-huisgezin. Sommige schrijvers onderstellen, dat de mensch oorspronkelijk in afzonderlijke
-huisgezinnen leefde; maar hoewel tegenwoordig afzonderlijke huisgezinnen, of slecht
-twee of drie te zamen, de eenzaamheden van sommige woeste landen doorkruisen, zijn
-zij, zoover ik kan nagaan, altijd bevriend met andere huisgezinnen die de zelfde streek
-bewonen. Dergelijke huisgezinnen houden somtijds vergaderingen en vereenigen zich
-tot hun gemeenschappelijke verdediging. Het is geen bewijs tegen de stelling dat de
-wilde mensch een sociaal dier is, dat de stammen die aangrenzende streken bewonen,
-bijna altijd in oorlog met elkander zijn; want de sociale instinkten strekken zich
-nooit uit tot al de individu’s van de zelfde soort. Te oordeelen naar de analogie
-van de meeste vierhandige zoogdieren, is het waarschijnlijk, dat de voormalige stamouders
-van den mensch eveneens sociale dieren waren; maar dit is voor ons niet van veel belang.
-Hoewel de mensch, zooals hij tegenwoordig is, slechts weinige bijzondere instinkten
-bezit, wellicht omdat hij er eenige heeft verloren, die zijn voormalige stamhouders
-bezaten, is dat nog geen reden, waarom hij niet een zekere mate van instinktmatige
-liefde en medegevoel voor zijn medemenschen behouden zou hebben. Wij zijn inderdaad
-ons zelven bewust, dat wij dergelijke sympathetische gevoelens bezitten<a class="noteRef" id="xd31e6553src" href="#xd31e6553">21</a>, maar dit bewustzijn leert ons nog <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>niet, of die gevoelens instinktmatig zijn en in lang vervlogen tijden op de zelfde
-wijze zijn ontstaan als bij de lagere dieren, dan of zij door ieder onzer gedurende
-zijn prille jeugd zijn verkregen. Daar de mensch een sociaal dier is, is het ook waarschijnlijk,
-dat hij de neiging om aan zijn makkers getrouw te zijn overerfde<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> want deze hoedanigheid bezitten de <span class="corr" id="xd31e6565" title="Bron: meesfe">meeste</span> sociale dieren. Hij moest op de zelfde wijze eenig vermogen om zich zelf te beheerschen
-en wellicht om gehoorzaam te zijn aan den aanvoerder der vereeniging bezitten. Hij
-moest door een <span class="corr" id="xd31e6568" title="Bron: overgeerfde">overgeërfde</span> neiging steeds bereid zijn om gezamenlijk met anderen zijn medemenschen te verdedigen
-en om hen te helpen op elke wijze die niet al te sterk inbreuk maakte op zijn eigen
-welvaart of zijn eigen sterke begeerten.
-</p>
-<p>De sociale dieren die geheel beneden op de ladder staan, worden bijna uitsluitend,
-en die welke hooger op de ladder staan, voor een groot deel door bijzondere instinkten
-geleid tot de hulp die zij aan leden der zelfde vereeniging geven; maar zij worden
-gedeeltelijk ook gedreven door wederkeerige liefde en medegevoel, waarschijnlijk door
-een zekere hoeveelheid rede geholpen. Hoewel de mensch, zooals zooeven is opgemerkt,
-geen bijzondere instinkten bezit om hem te leeren, hoe hij zijn medemenschen moet
-helpen, heeft hij toch de aandrift daartoe, en wordt met zijn verbeterde verstandelijke
-vermogens in dit opzicht voor een groot deel door rede en ondervinding geleid. Het
-instinktmatige medegevoel moet ook veroorzaken, dat hij hooge waarde toekent aan de
-goedkeuring zijner medemenschen; want, zooals de heer Bain duidelijk heeft aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e6573src" href="#xd31e6573">22</a>, het haken naar lof en de sterke zucht naar roem, en de nog sterker afkeer van minachting
-en schande, „hebben hun grond in de werking van het medegevoel.” <span class="corr" id="xd31e6579" title="Bron: Bij gevolg">Bijgevolg</span> moeten de wenschen, de goed- of afkeuring zijner medemenschen, uitgedrukt door gebaren
-en taal, grooten <span class="corr" id="xd31e6582" title="Bron: tnvloed">invloed</span> op den mensch uitoefenen. Aldus drijven de sociale instinkten, die door den mensch
-zijn verkregen toen hij nog zeer onbeschaafd was, en waarschijnlijk zelfs reeds door
-zijn voormalige op apen gelijkende voorouders, hem nog heden aan tot velen zijner
-beste handelingen; maar deze handelingen worden bepaald <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>door de uitgedrukte wenschen en het <span class="corr" id="xd31e6587" title="Bron: o ordeel">oordeel</span> zijner medemenschen, en ongelukkig nog meer door zijn eigen sterke zelfzuchtige begeerten.
-Maar zoodra de gevoelens van liefde en medegevoel en het vermogen van zelfbeheersching
-door de gewoonte worden versterkt, en zoodra het vermogen om te redeneeren zich meer
-ontwikkelt, zoodat de mensch de rechtvaardigheid van het oordeel zijner medemenschen
-kan beoordeelen, zal hij zich, onafhankelijk van elke vreugde of smart, tot een bepaalde
-gedragslijn aangedreven gevoelen. Dan kan hij zeggen: ik ben de opperste rechter van
-mijn eigen gedrag, en met de woorden van Kant: ik zal niet in mijn eigen persoon de
-waardigheid der menschheid schenden.
-</p>
-<p><i>De meer voortdurend werkende sociale instinkten overwinnen die welke minder voortdurend
-werken.</i>—Wij hebben echter tot dusverre het hoofdpunt nog niet beschouwd, waarvan het geheele
-vraagstuk van het zedelijk gevoel afhankelijk is. Waarom gevoelt iemand, dat het zijn
-plicht is liever aan de eene instinktmatige begeerte te gehoorzamen, dan aan de andere?
-Waarom heeft hij bitter berouw, als hij heeft <span class="corr" id="xd31e6593" title="Bron: toegegegeven">toegegeven</span> aan het sterke instinkt van zelfbehoud, en zijn leven niet heeft gewaagd om dat van
-een medemensch te redden; of waarom betreurt hij het, voedsel te hebben gestolen toen
-hij hevigen honger had?
-</p>
-<p>Het is in de eerste plaats duidelijk, dat bij den mensch de instinktmatige aandriften
-verschillende graden van kracht bezitten; een jonge en vreesachtige moeder zal, aangedreven
-door het moederlijk instinkt, zonder een oogenblik te aarzelen, het grootste gevaar
-loopen voor haar kind, maar niet voor iemand, die niets meer dan een medemensch is.
-Menig man of zelfs menige jongen, die nooit te voren zijn leven voor een ander waagde,
-maar wiens moed en medegevoel goed ontwikkeld waren, is zonder acht te slaan op het
-instinkt van zelfbehoud, oogenblikkelijk in het water gesprongen om een verdrinkend
-medemensch te redden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In dit geval werd hij door de zelfde instinktmatige oorzaak aangedreven, die het
-bovenvermelde (blz. 187) Amerikaansche aapje aanzette, om den grooten en gevreesden
-baviaan aan te vallen en daardoor zijn oppasser te redden. Dergelijke handelingen
-als de bovenvermelde schijnen eenvoudig daarvan het gevolg te zijn, dat de sociale
-en moederlijke instinkten krachtiger zijn dan elk ander instinkt of elke andere drijfveer;
-want zij worden te oogenblikkelijk volbracht, dan dat men ze zou kunnen toeschrijven
-aan nadenken of aan het gevoel van vreugde of smart, hoewel men zich onvoldaan zou
-gevoelen als men ze had nagelaten.
-<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p>
-<p>Ik weet, dat sommige personen volhouden, dat handelingen die, evenals de bovenvermelde,
-zonder nadenken worden volbracht, niet onder de heerschappij van het zedelijk gevoel
-staan en niet zedelijk kunnen worden genoemd. Zij beperken deze benaming tot handelingen
-die met overleg geschieden, nadat men tegenovergestelde begeerten heeft overwonnen,
-of tot handelingen die uit deze of gene prijzenswaardige beweegredenen worden volbracht.
-Het schijnt echter nauwelijks mogelijk een dergelijke scherpe afscheidingslijn te
-trekken, hoe wezenlijk het onderscheid ook moge zijn. Zoover het verheven beweegredenen
-betreft, vindt men vele voorbeelden opgeteekend van barbaren, ontbloot van elk gevoel
-van algemeene welwillendheid jegens het menschdom en volstrekt niet door godsdienstige
-drijfveêren geleid, die, gevangen genomen zijnde, na rijp overleg liever hun leven
-opofferden<a class="noteRef" id="xd31e6603src" href="#xd31e6603">23</a> dan hun makkers te verraden; en hun gedrag moet ongetwijfeld als zedelijk worden
-beschouwd. Zoover het overleg en de overwinning over tegenovergestelde drijfveêren
-betreft, kan men soms opmerken, hoe dieren aarzelen tusschen twee tegenovergestelde
-instinkten, b.v. of zij hun jongen, dan wel hun makkers in het gevaar zullen bijstaan;
-echter noemt men hun daden, hoewel ten bestwil van anderen gedaan, niet zedelijk.
-Daarenboven zal een handeling die herhaaldelijk door ons is volbracht, ten laatste
-zonder overleg of aarzeling worden gedaan, en kan dan moeilijk van een instinkt worden
-onderscheiden; voorzeker zal niemand desniettegenstaande beweren, dat een aldus verrichte
-handeling ophoudt zedelijk te zijn. Van den anderen kant gevoelen wij allen, dat een
-handeling niet als volmaakt kan worden beschouwd, of niet als op de meest edele wijze
-volbracht wordende, behalve wanneer zij uit inwendige aandrift wordt volvoerd, zonder
-overleg of moeite, op de zelfde wijze als door iemand wien de vereischte hoedanigheden
-aangeboren zijn. Hij die genoodzaakt is zijn vrees of gebrek aan medegevoel te overwinnen,
-vóór hij handelt, verdient echter in één opzicht meer achting dan de man wiens aangeboren
-neiging hem aandrijft tot een goede handeling, zonder dat het hem eenige moeite kost.
-Daar wij de drijfveêren niet kunnen onderscheiden, noemen wij alle handelingen van
-een bepaalde soort zedelijk, wanneer zij door een zedelijk wezen worden volbracht.
-Zedelijk noemen wij een wezen, dat het vermogen <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>bezit zijn vroegere handelingen of beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken
-en ze goed- of af te keuren. Wij hebben geen reden om te onderstellen, dat eenig lager
-dier dit vermogen bezit; wanneer dus een aap zich aan gevaar blootstelt om zijn makker
-te helpen, noemen wij zijn gedrag daarom nog niet zedelijk. In het geval van den mensch
-echter, die alleen met zekerheid onder de zedelijke wezens kan worden gerangschikt,
-noemt men handelingen van een bepaalde soort zedelijk, hetzij zij met overleg na een
-strijd met tegenovergestelde drijfveêren, of door de uitwerkselen van langzamerhand
-verkregen gewoonte of instinktmatig werden volbracht.
-</p>
-<p>Maar om weêr tot ons eigenlijke onderwerp terug te keeren, hoewel sommige instinkten
-machtiger dan andere zijn en dus tot overeenkomstige handelingen leiden, kan men echter
-niet volhouden, dat bij den mensch de sociale instinkten oorspronkelijk sterker zijn
-of door lang voortgezette gewoonte sterker zijn geworden dan b.v. de instinkten van
-zelfbehoud, honger, wellust, wraak, enz. Waarom heeft de mensch dan berouw, dat hij
-aan de eene natuurlijke aandrift gehoor heeft gegeven in plaats van aan de andere,
-zelfs al doet hij moeite om elk gevoel van berouw uit zijn binnenste te bannen, en
-waarom gevoelt hij ook, dat het zijn plicht is over zijn gedrag berouw te hebben?
-In dit opzicht verschilt de mensch zeer van de lagere dieren. Wij kunnen, echter,
-dunkt mij, met zekere mate van duidelijkheid de oorzaak van dit verschil inzien.
-</p>
-<p>De mensch kan wegens de groote werkzaamheid zijner geestvermogens zich niet aan het
-nadenken onttrekken; vroegere indrukken en beelden doorkruisen onophoudelijk met duidelijkheid
-zijn geest. Bij die dieren nu die voortdurend gezellig leven, zijn de sociale instinkten
-altijd tegenwoordig en onophoudelijk werkzaam. Dergelijke dieren zijn altijd bereid
-den kreet van gevaar te slaken om de vereeniging te verdedigen en om hun makkers volgens
-hun gewoonte te verdedigen; zij gevoelen ten allen tijde, zonder den prikkel van eenigen
-bijzonderen hartstocht of begeerlijkheid, een zekere mate van liefde en medegevoel
-voor hen; zij gevoelen zich ongelukkig als zij gedurende langen tijd van hen worden
-gescheiden, en altijd gelukkig om in hun gezelschap te zijn. Evenzoo gaat het met
-ons zelven. Een mensch die geen spoor van dergelijke gevoelens bezat, zou een onnatuurlijk
-monster zijn. Van den anderen kant zijn de begeerte om zijn honger te stillen, of
-sommige hartstochten b.v. wraak, van nature tijdelijk, en kunnen voor een tijd volkomen
-<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>worden bevredigd. Het is ook niet gemakkelijk, ja wellicht nauwlijks mogelijk, om
-met volkomen levendigheid het gevoel b.v. van honger voor den geest terug te roepen;
-en evenmin, zooals dikwijls is opgemerkt, dat van eenig lijden. Het instinkt van zelfbehoud
-wordt slechts gevoeld in tegenwoordigheid van het gevaar, en menig lafaard heeft zich
-voor dapper gehouden totdat hij zijn vijand van aangezicht tot aangezicht ontmoette.
-Het verlangen naar de eigendommen van anderen is wellicht een even aanhoudend werkende
-begeerte, als eenige die men kan noemen; maar zelfs in dit geval is de voldoening
-over het werkelijke bezit gewoonlijk een zwakker gevoel dan de begeerte er naar; menig
-dief die niet aan het stelen gewoon was, verwonderde zich er over, na te zijn geslaagd,
-dat hij de eene of andere zaak had gestolen.<a class="noteRef" id="xd31e6616src" href="#xd31e6616">24</a>
-</p>
-<p>Daar de mensch derhalve niet kan beletten dat oude indrukken voortdurend opnieuw zijn
-geest doorkruisen, zal hij zich aangedreven gevoelen om de zwakkere indrukken, b.v.
-vroegeren honger of botgevierde wraakzucht of ten koste van anderen vermeden gevaar
-te vergelijken met het instinkt van medegevoel en welwillendheid jegens zijn medemenschen,
-dat in zijn geest nog bestaat en voortdurend eenigermate werkzaam is. Hij zal dan
-in zijn verbeelding voelen dat een sterker instinkt heeft ondergedaan voor een dat
-nu vergelijkenderwijze zwak schijnt en dan zal onvermijdelijk dat gevoel van onvoldaanheid
-<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>hem bekruipen, waarmede de mensch evenals elk ander dier is begaafd, opdat zijn instinkten
-zouden worden gehoorzaamd. Het boven medegedeelde geval van de zwaluw geeft een voorbeeld,
-hoewel van omgekeerden aard, van de overwinning van een tijdelijk maar aanhoudend
-werkzaam instinkt over een ander instinkt, dat gewoonlijk alle andere beheerscht.
-In het daartoe dienende jaargetijde schijnen deze vogels den geheelen dag onophoudelijk
-te zijn vervuld met de begeerte om weg te trekken; hun gewoonten veranderen; zij worden
-rusteloos, zijn luidruchtig, en komen in zwermen bij elkander. Zoolang de moeder-vogel
-bezig is met het voeden of <span class="corr" id="xd31e6623" title="Bron: uitbroeien">uitbroeden</span> harer jongen, is het moederlijk instinkt waarschijnlijk sterker dan het trekinstinkt;
-het instinkt dat meer voortdurend werkzaam is, behaalt echter de overwinning, en ten
-laatste, op een oogenblik dat haar jongen niet in het gezicht zijn, vliegt zij weg
-en laat hen aan hun lot over. Welk een folterende wroeging zou zulk een vogel niet
-gevoelen, wanneer hij aan het einde zijner lange reis was gekomen en het trekinstinkt
-ophield te werken, als hij begaafd was met groote geesteswerkzaamheid, en niet kon
-beletten, dat onophoudelijk het beeld van zijn jongen, in het kille noorden van koude
-en honger omkomende, hem voor den geest kwam.
-</p>
-<p>Op het oogenblik der handeling zal de mensch zonder twijfel geneigd zijn om de sterkste
-aandrift te volgen; en hoewel deze hem nu en dan tot de edelste daden kan aansporen,
-zal zij hem gewoonlijk er toe leiden om zijn eigen begeerten bot te vieren ten koste
-van anderen. Als hij ze echter heeft botgevierd en de voorbijgegane en daardoor zwakkere
-indrukken tegenover de voortdurende werkzame sociale instinkten worden gesteld, zal
-de vergelding ongetwijfeld komen.
-</p>
-<p>Hij zal dan wroeging, berouw, spijt en schaamte gevoelen, welke laatste aandoening
-echter bijna uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van anderen. Hij zal bijgevolg
-meer of min vast besluiten om in de toekomst anders te handelen; en dit is geweten;
-want het geweten ziet in het verleden, en dient als een gids voor de toekomst.
-</p>
-<p>De aard en kracht van de gevoelens die wij spijt, schaamte, berouw of wroeging noemen,
-schijnt niet slechts af te hangen van de kracht van het geschonden instinkt, maar
-gedeeltelijk van de kracht der verzoeking, en dikwijls nog meer van het oordeel onzer
-medemenschen. In hoever ieder mensch waarde hecht aan de waardeering van anderen hangt
-af van de kracht van zijn aangeboren of verkregen medegevoel, <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>en van zijn eigen bekwaamheid om de verwijderde gevolgen van zijn handeling te beredeneeren.
-Er is nog een hoogst belangrijke, hoewel niet noodzakelijke factor: de eerbied of
-vrees voor de goden of geesten waarin iemand gelooft: en dit is vooral van toepassing
-in gevallen van wroeging. Verscheidene critici hebben de tegenwerping gemaakt, dat,
-hoewel eenige geringe spijt of berouw kon worden verklaard door de in dit hoofdstuk
-verdedigde meening, het onmogelijk is op die wijze een verklaring te geven van het
-gevoel van wroeging, dat de ziel doet sidderen. Maar ik kan aan deze tegenwerping
-slechts weinig gewicht hechten. Mijn critici geven geen bepaling van wat zij onder
-wroeging verstaan, en ik kan geen bepaling vinden, die meer insluit dan een overstelpend
-gevoel van berouw. Wroeging schijnt in de zelfde betrekking te staan tot berouw, als
-woede tot toorn, of foltering tot pijn. Het is ver van vreemd, dat een instinkt, zoo
-sterk en zoo algemeen bewonderd als moederliefde, als men er niet aan gehoorzaamt,
-tot de diepste ellende leidt, zoodra de indruk van de voormalige oorzaak der ongehoorzaamheid
-is verzwakt. Zelfs als een handeling met geen enkel bijzonder instinkt in strijd is,
-is het genoeg eenvoudig te weten, dat onze vrienden en gelijken ons er om verachten,
-om ons er ons diep ongelukkig over te doen gevoelen. Wie kan betwijfelen, dat de weigering
-om te duelleeren heeft veroorzaakt, dat vele mannen door de grootste schaamte werden
-gefolterd? Menig Hindoe, zegt men, is tot het diepst zijner ziel ontroerd geworden,
-omdat hij onrein voedsel had gegeten. Ziehier nog een geval van iets dat dunkt mij
-wroeging moet worden genoemd. Dr. Landor, een voormalig overheidspersoon in West-Australië,
-verhaalt<a class="noteRef" id="xd31e6632src" href="#xd31e6632">25</a>, dat een inboorling op zijn hoeve, die een zijner vrouwen had verloren, tot hem kwam
-en zeide, „dat hij naar een veraf wonenden stam wilde gaan om een vrouw met zijn speer
-te doorsteken, om te voldoen aan zijn gevoel van plicht jegens zijn overleden vrouw.”
-Ik zeide hem, dat, als hij dat deed, ik hem levenslang gevangen zou zetten. Hij bleef
-gedurende eenige maanden in de nabijheid der hoeve, maar werd uiterst mager en beklaagde
-zich dat hij kon slapen noch eten, dat de geest van zijn vrouw hem kwelde, omdat hij
-geen leven voor het hare had genomen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ik was onverbiddelijk en zeide, „dat niets hem zou redden als hij zulks deed.” Toch
-verdween de man, bleef meer dan een jaar weg en keerde toen in zeer opgeruimde stemming
-terug, en zijn andere vrouw vertelde <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>aan Dr. Landor dat haar man het <span class="corr" id="xd31e6645" title="Bron: even">leven</span> had genomen van een vrouw die tot een veraf wonenden stam behoorde; maar het bleek
-onmogelijk te zijn het wettig bewijs van de daad te verkrijgen. Het niet opvolgen
-van een gewoonte die door den stam voor heilig wordt gehouden, zal dus, naar het schijnt,
-de diepste gemoedsaandoeningen doen ontstaan—en dit geheel afgescheiden van de sociale
-instinkten, behalve in zoover als de gewoonte is gegrond op de publieke opinie in
-den stam. Hoe zoovele vreemde bijgeloovigheden door de geheele wereld heên zijn ontstaan,
-weten wij niet, en wij kunnen ook niet zeggen, hoe het komt, dat de laagste wilden
-van sommige wezenlijke en groote misdaden, zooals bloedschande, een afschuw hebben
-(hoewel die afschuw niet volkomen algemeen is). Het is zelfs twijfelachtig, of men
-in sommige stammen met grooter afschuw zou nederzien op bloedschande, dan op het huwelijk
-van een man met een vrouw die den zelfden naam droeg, hoewel zij geen bloedverwant
-van hem was. „Deze wet te schenden is een misdaad, waarvan de Nieuw-Hollanders den
-grootsten afschuw hebben, en zij komen daarin geheel en al overeen met sommige stammen
-van Noord-Amerika. Als in een van beide streken de vraag werd gesteld, wat slechter
-is, een meisje van een vreemden stam te dooden, of een meisje van zijn eigen stam
-te huwen, zou zonder aarzeling juist het omgekeerde antwoord worden gegeven, als wij
-zouden geven.”<a class="noteRef" id="xd31e6649src" href="#xd31e6649">26</a> Wij moeten daarom het geloof verwerpen, dat voor korten tijd door sommige schrijvers
-met aandrang is verdedigd, dat de afschuw van bloedschande wordt veroorzaakt, doordat
-wij een bijzonder door God in ons gelegd geweten bezitten. <b>(<a href="#en4.4">4</a>)</b> Over het geheel is het begrijpelijk, dat iemand die wordt gekweld door zulk een krachtige
-gemoedsaandoening als wroeging, al is die ontstaan gelijk boven is uiteengezet, er
-toe komt te handelen op een wijze die men hem heeft geleerd te gelooven dat als boetedoening
-kan dienen, zooals door zich zelf aan de justitie over te leveren.
-</p>
-<p>De door zijn geweten aangespoorde mensch zal door lange gewoonte een zoo volkomen
-zelfbeheersching verkrijgen, dat zijn begeerten en hartstochten ten laatste oogenblikkelijk
-onderdoen voor zijn sociale sympathieën, en dat er niet langer strijd tusschen hen
-zal zijn. De niet hongerige, of de niet wraakzuchtige mensch zal er niet aan denken
-voedsel te stelen of zijn wraak te volvoeren. Het is mogelijk, of, zooals <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>wij later zullen zien, zelfs waarschijnlijk, dat de gewoonte van zelfbeheersching,
-evenals andere gewoonten, kan worden overgeërfd. Zoo komt de mensch er ten laatste
-toe om uit verkregen of wellicht overgeërfde gewoonte te gevoelen, dat het het beste
-voor hem is om zijn meer voortdurend werkzame instinkten te volgen. Het gebiedende
-woord <i>plicht</i> schijnt alleen het bewustzijn te omvatten van het bestaan van een voortdurend werkzaam
-instinkt, hetzij aangeboren, hetzij gedeeltelijk verkregen, dat hem tot gids dient,
-hoewel het mogelijk is daaraan niet te gehoorzamen. Wij gebruiken het woord <i>plicht</i> nauwelijks in een overdrachtelijken zin, als wij zeggen, dat het de plicht is van
-jachthonden om te jagen, van staande honden om voor het wild te staan, van speurhonden
-om het op te sporen. Indien zij dit niet doen, verzaken zij hun plicht en handelen
-slecht.
-</p>
-<p>Indien eenige begeerte of instinkt, die tot een handeling leidt in strijd met het
-welzijn van anderen, iemand, als hij zich haar opnieuw voor den geest brengt, nog
-even sterk als of sterker dan zijn sociaal instinkt toeschijnt, zal hij geen snijdend
-berouw gevoelen, dat hij haar heeft gevolgd, maar hij zal zich bewust zijn, dat, als
-zijn gedrag aan zijn medemenschen bekend was, zij het zouden afkeuren; en weinigen
-zijn zoo ontbloot van medegevoel, om geen verdriet te gevoelen, wanneer dit het geval
-is. Indien hij zulk een medegevoel niet bezit, en als zijn begeerten die hem tot slechte
-daden aandrijven, tegelijkertijd sterk zijn, en als zij bij de herinnering er aan
-niet door de voortdurend werkende sociale instinkten worden overwonnen, dan is hij
-werkelijk een slecht mensch<a class="noteRef" id="xd31e6672src" href="#xd31e6672">27</a>; en de eenige beweegreden die hem nog bedwingt, is de vrees voor straf en de overtuiging,
-dat het op den langen duur het beste is voor zijn eigen zelfzuchtige belangen, als
-hij meer let op het welzijn van anderen dan op dat van zich zelf.
-</p>
-<p>Het is duidelijk, dat iedereen met een goed geweten zijn eigen begeerten bot kan vieren,
-als zij niet in strijd zijn met zijn sociale instinkten, dat is met het welzijn van
-anderen; maar om geheel vrij te zijn van zelfverwijt of ten minste van angst, is het
-bijna noodzakelijk voor hem om de afkeuring van zijn medemenschen, hetzij die rechtmatig
-is of niet, te vermijden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ook moet hij geen inbreuk maken op zijn vaste levensgewoonten, vooral indien deze
-door de rede worden gesteund; <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>want indien hij dit doet, zal hij zich zeker onvoldaan gevoelen. Hij moet eveneens
-de afkeuring vermijden van de één of meer goden, in welke hij krachtens zijn kennis
-of uit bijgeloof gelooft; maar in dit geval komt er dikwijls daarenboven nog de vrees
-voor goddelijke straf bij.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>De meer uitsluitend sociale deugden eerst afzonderlijk beschouwd.</i><span class="corr" id="xd31e6688" title="Bron: ">—</span>De hierboven uiteengezette beschouwingswijze omtrent den eersten oorsprong en aard
-van het zedelijk gevoel, dat ons zegt hoe het onze plicht is te handelen, en van het
-geweten, dat ons berispt als wij daaraan niet gehoorzamen, komt zeer goed overeen
-met hetgeen wij weten omtrent den vroegeren en onontwikkelden toestand van dit vermogen
-bij het menschelijk geslacht. De deugden die ten minste in het algemeen door onbeschaafde
-menschen moeten worden beoefend, willen zij zich tot een maatschappij kunnen vereenigen,
-zijn die, welke nog tegenwoordig voor de meest belangrijke worden gehouden. Zij worden
-echter uitsluitend beoefend ten opzichte van menschen van den zelfden stam, en de
-tegenover haar staande ondeugden worden niet als misdrijven beschouwd ten opzichte
-van menschen van andere stammen. Geen stam zou bijeen kunnen blijven, wanneer moord,
-diefstal en verraad algemeen waren; bijgevolg worden dergelijke misdrijven „gebrandmerkt
-met altoosdurende schande”<a class="noteRef" id="xd31e6691src" href="#xd31e6691">28</a>; maar wekken geenszins gelijke gevoelens op buiten deze grenzen. Een Noord-Amerikaansch
-Indiaan smaakt groote zelfvoldoening en wordt door anderen geëerd, als hij iemand
-van een anderen stam scalpeert; en een Dajak houwt het hoofd af van een persoon van
-een anderen stam, die hem volstrekt geen leed heeft gedaan, droogt het en bewaart
-het als een zegeteeken. Kindermoord is op de ruimste schaal over de wereld verspreid
-geweest<a class="noteRef" id="xd31e6703src" href="#xd31e6703">29</a> zonder te worden afgekeurd; want men meende, dat het dooden van kinderen, vooral
-van dochters, goed of ten minste niet slecht voor den stam was. Zelfmoord werd in
-vroegere tijden <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>niet algemeen voor een misdaad gehouden<a class="noteRef" id="xd31e6711src" href="#xd31e6711">30</a>, maar wegens den daarbij betoonden moed eerder voor een eervolle handeling; en hij
-wordt nog op groote schaal <span class="corr" id="xd31e6721" title="Bron: nitgeoefend">uitgeoefend</span> bij sommige halfbeschaafde volken; want het verlies van een enkel individu wordt
-door het volk niet gevoeld; hoe het echter ook te verklaren zij, is zelfmoord, naar
-Sir J. Lubbock mij mededeelt, bij de laagst ontwikkelde wilden zeldzaam. Men heeft
-opgeteekend, dat een Indische Thug er gemoedelijk zijn leedwezen over betuigde, dat
-hij niet zooveel vreemdelingen geworgd en bestolen had, als wijlen zijn vader. Op
-een laag standpunt van beschaving wordt het bestelen van vreemdelingen werkelijk algemeen
-voor eervol gehouden.
-</p>
-<p>De groote zonde der slavernij heeft bijna overal bestaan, en slaven zijn dikwijls
-op schandelijke wijze behandeld. Daar barbaren niets geven om de meening hunner vrouwen,
-behandelen zij deze gewoonlijk ook als vreemden. De meeste wilden zijn volkomen ongevoelig
-voor het lijden van vreemdelingen, ja, scheppen er zelfs behagen in om het te aanschouwen.
-Het is algemeen bekend, dat de vrouwen en kinderen der Noord-Amerikaansche Indianen
-hun behulpzaam zijn bij het martelen hunner vijanden. Sommige wilden scheppen een
-afgrijselijk behagen in wreedheid jegens dieren<a class="noteRef" id="xd31e6726src" href="#xd31e6726">31</a>, en menschelijkheid is een hun onbekende deugd. Desniettemin zijn gevoelens van medegevoel
-en welwillendheid, vooral gedurende ziekten, tusschen leden van den zelfden stam algemeen,
-en worden somtijds tot buiten de grenzen van den stam uitgestrekt. Mungo Park’s treffend
-verhaal van de welwillendheid die een negerin uit het binnenland hem betoonde, is
-algemeen bekend. Het zou mij gemakkelijk vallen vele voorbeelden te geven van de edele
-trouw van wilden jegens elkander, maar niet jegens vreemden; de algemeene ondervinding
-bevestigt het Spaansche spreekwoord: „Vertrouw nooit of nimmer een Indiaan.” Trouw
-is onbestaanbaar zonder oprechtheid; en deze fundamenteele <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>deugd is niet zeldzaam tusschen de leden van den zelfden stam; zoo hoorde Mungo Park,
-hoe de negerin haar jonge kinderen leerde de waarheid te beminnen. Dit is wederom
-een van die deugden die zich zoo diep in den geest wortelen, dat zij soms zelfs door
-wilden, ofschoon het hun veel moeite kost, jegens vreemden worden uitgeoefend; om
-onzen vijand voor te liegen is maar zelden voor zondig gehouden, zooals de geschiedenis
-der moderne diplomatie duidelijk bewijst. Zoodra een stam een erkend opperhoofd heeft,
-wordt ongehoorzaamheid een misdaad, en beschouwt men zelfs slaafsche onderwerping
-als een heilige deugd.
-</p>
-<p>Daar in onbeschaafde tijden niemand nuttig of getrouw voor zijn stam kan zijn zonder
-moed, wordt deze hoedanigheid algemeen het meest geacht; en hoewel in beschaafde landen
-een goed doch vreesachtig man soms veel nuttiger voor de maatschappij is dan een bijzonder
-dapper, eeren wij onwillekeurig dezen laatsten instinktmatig meer dan een lafaard,
-hoe welwillend deze ook zij. Van den anderen kant is voorzichtigheid, die geene betrekking
-heeft op de welvaart van anderen, hoewel een zeer nuttige deugd, nooit op hoogen prijs
-gesteld. Daar niemand de deugden die voor het welzijn van den stam noodig zijn, kan
-beoefenen zonder zelfopoffering, zelfbeheersching en geduld, heeft men aan deze hoedanigheden
-ten allen tijde een hooge en rechtmatige waarde gehecht. De Amerikaansche wilde onderwerpt
-zich zonder een zucht te slaken aan de afgrijselijkste martelingen om daardoor zijn
-kracht en moed te bewijzen en te versterken; en onwillekeurig bewonderen wij hem,
-of zelfs een Indischen Fakir die uit dwaze godsdienstige drijfveeren zich aan een
-wipgalg laat ophangen door middel van een in zijn vleesch gestoken haak.
-</p>
-<p>De andere deugden die op het individu betrekking hebben, en waarvan het niet zoo duidelijk
-is, dat zij invloed uitoefenen op het welzijn van den stam, al doen zij zulks in wezenlijkheid
-toch, zijn door de wilden nooit hooggeschat, hoewel beschaafde natiën ze thans op
-hoogen prijs stellen. De grootste onmatigheid is bij wilden geen ondeugd. Hun groote
-losbandigheid, om onnatuurlijke zonden niet te vermelden, is iets verbazends.<a class="noteRef" id="xd31e6737src" href="#xd31e6737">32</a> Zoodra echter het huwelijk, hetzij met meer dan ééne, hetzij slechts met ééne vrouw,
-in gebruik is, zal de ijverzucht leiden tot het inprenten van vrouwelijke deugd; en
-zoodra deze geëerd <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>is, zal zij zich ook meer en meer over de ongehuwde vrouwen beginnen te verbreiden.
-Hoe langzaam zij zich onder de mannelijke sekse verbreidt, zien wij nog tegenwoordig.
-Kuischheid eischt bijzonder veel zelfbeheersching, vandaar is zij geëerd geworden
-sedert een zeer lang geleden tijdperk van de zedelijke geschiedenis van den beschaafden
-mensch. Als een gevolg hiervan is de zinnelooze onthouding van het huwelijk sedert
-een ver verwijderd tijdperk als een deugd beschouwd.<a class="noteRef" id="xd31e6745src" href="#xd31e6745">33</a> De afkeer van onwelvoegelijkheid, die ons zoo natuurlijk schijnt, dat men hem voor
-aangeboren houdt, en die een zoo krachtige hulp aan de kuischheid verstrekt, is een
-moderne deugd, zooals Sir G. Staunton opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e6751src" href="#xd31e6751">34</a>, uitsluitend aan het beschaafde leven eigen. Dit wordt bewezen door de oude godsdienstige
-plechtigheden van vele volken, door de teekeningen op de muren van Pompeji en door
-de gewoonten van vele wilden.
-</p>
-<p>Wij hebben nu gezien, dat handelingen door wilden als goed of kwaad worden beschouwd,
-en waarschijnlijk door den oorspronkelijken mensch evenzoo werden beschouwd, alleen
-naar de wijze waarop zij een duidelijken invloed uitoefenen op de welvaart van den
-stam,—niet op die van de soort, noch op die van den mensch als individueel lid van
-den stam. Dit besluit komt goed overeen met het geloof, dat het zoogenaamde zedelijke
-gevoel oorspronkelijk uit de sociale instinkten is ontstaan; want beide hebben eerst
-uitsluitend op de geheele vereeniging betrekking. De voornaamste oorzaak van het,
-naar onze begrippen lage, zedelijke standpunt der wilden, is eerstens, de beperking
-van het medegevoel tot de leden van een zelfden stam. Ten tweede, onvoldoend vermogen
-van redeneering, zoodat de invloed van vele deugden, vooral van die welke op het individu
-betrekking hebben, op de welvaart van den stam niet wordt ingezien. Wilden bemerken
-de vele nadeelen niet, die voor den stam voortvloeien uit onmatigheid, zedeloosheid
-enz. In de derde plaats eindelijk, een zwak vermogen van zelfbeheersching; want dit
-vermogen is niet versterkt door lang voortgezette, wellicht overgeërfde gewoonte,
-onderwijs en <span class="corr" id="xd31e6759" title="Bron: godsdient">godsdienst</span>.
-</p>
-<p>Ik ben in bovenvermelde bijzonderheden omtrent de zedeloosheid der wilden<a class="noteRef" id="xd31e6764src" href="#xd31e6764">35</a> getreden, omdat sommige schrijvers in den laatsten tijd <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>een hoog denkbeeld hebben gegeven van hun zedelijken aard of de meeste hunner misdrijven
-aan verkeerd opgevatte welwillendheid hebben toegeschreven.<a class="noteRef" id="xd31e6772src" href="#xd31e6772">36</a> Deze schrijvers schijnen dit besluit daaruit te trekken, dat wilden, soms zelfs in
-hooge mate, die deugden bezitten, die dienstig of zelfs noodig zijn voor het bestaan
-van die vereeniging, welke men stam noemt, en dat zij die deugden bezitten, is aan
-geen twijfel onderhevig.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Slotopmerkingen.</i>—Wijsgeeren van de derivatieve<a class="noteRef" id="xd31e6783src" href="#xd31e6783">37</a> zedekundige school beweerden vroeger, dat de grond der zedelijkheid in een vorm van
-het eigenbelang, maar later, dat zij in het „beginsel van het grootste geluk” was
-gelegen. Het is echter juister om dit laatste beginsel den maatstaf, dan om het de
-beweegreden van het gedrag te noemen. Toch schrijven alle schrijvers wier werken ik
-heb geraadpleegd, met weinige uitzonderingen<a class="noteRef" id="xd31e6792src" href="#xd31e6792">38</a>, alsof er voor elke handeling een afzonderlijke beweegreden moest zijn en of deze
-gepaard moest gaan met eenig genoegen of ongenoegen. Maar de mensch schijnt dikwijls
-van zelf, dat is uit instinkt of lange gewoonte, zonder eenige bewustheid van genoegen
-te handelen, op de zelfde wijze als waarschijnlijk een mier of bij handelt, als zij
-blind haar instinkten volgt. Als onder uiterst gevaarlijke omstandigheden, zooals
-bij een brand, iemand zonder een oogenblik te aarzelen een zijner medemenschen tracht
-te redden, kan <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>hij moeilijk genoegen gevoelen; en nog minder heeft hij tijd om na te denken over
-de onvoldaanheid die hij, indien hij de poging niet deed, later wellicht zou gevoelen.
-Als hij naderhand over zijn gedrag nadacht, zou hij gevoelen, dat er een instinktmatige
-aandrift in hem lag, zeer verschillend van het zoeken naar genoegen of geluk; en dit
-schijnt het diep ingeplante sociale instinkt te zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>In het geval der lagere dieren schijnt het veel eigenaardiger om te zeggen dat hun
-sociale instinkten zijn ontwikkeld voor het algemeen welzijn, dan dat zij zulks zijn
-voor het algemeen geluk van de soort. De uitdrukking „algemeen welzijn” beteekent
-hier de middelen waardoor het grootst mogelijke aantal individu’s tot volle kracht
-en gezondheid en tot groote volmaking hunner vermogens kunnen worden gebracht, onder
-de omstandigheden waaraan zij zijn blootgesteld. Daar de sociale instinkten van den
-mensch en die van de lagere dieren zich ongetwijfeld langs den zelfden weg hebben
-ontwikkeld, zou het raadzaam wezen, als het werd bevonden mogelijk te zijn, om in
-beide gevallen de zelfde uitdrukking te gebruiken en als criterium van zedelijkheid
-liever het algemeen welzijn van de vereeniging dan het algemeen geluk te nemen; maar
-deze uitdrukking zou wellicht eenige beperking ten opzichte van politieke zedelijkheid
-vereischen.
-</p>
-<p>Als iemand zijn leven waagt om dat van een medemensch te redden, schijnt het juister
-om te zeggen, dat hij handelt voor het algemeen welzijn, dan dat hij handelt voor
-het algemeen geluk van de menschheid. Ongetwijfeld beteekenen welzijn en geluk voor
-het individu gewoonlijk het zelfde, en een tevredene en gelukkige stam zal meer bloeien
-dan een ontevredene en ongelukkige. Wij hebben gezien, dat zelfs in een vroeg tijdperk
-van de geschiedenis van den mensch, de uitdrukkelijke wenschen van de vereeniging
-van zelf een grooten invloed moeten hebben gehad op het geluk van elk lid; en daar
-allen wenschen naar geluk, zal het „beginsel van het grootste geluk” een zeer belangrijke
-bijkomende leiddraad en doelwit zijn geworden; terwijl echter de sociale instinkten
-met inbegrip van het medegevoel altijd de voornaamste aandrift en leiddraad gaven.
-Op deze wijze vervalt het verwijt van den grond van het edelste gedeelte onzer natuur
-in het lage beginsel van eigenbelang te zoeken; tenzij men de voldoening die elk dier
-gevoelt wanneer het de aan het zelve eigen instinkten volgt, en de onvoldaanheid die
-het gevoelt wanneer het die niet bevredigt, zelfzuchtig wil noemen.
-<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p>
-<p>De uitdrukking van de wenschen en het oordeel van de leden der zelfde vereeniging,
-eerst door woorden en daarna door geschreven taal, is, zooals hierboven is opgemerkt,
-een hoogst belangrijke bijkomende leiddraad van ons gedrag en helpt de sociale instinkten:
-soms is zij echter met deze in strijd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Van dit laatste is de <i>Wet van Eer</i> een goed voorbeeld, d.w.z. de wet van de meening onzer gelijken en niet van die van
-al onze landslieden. Het overtreden van deze wet, zelfs wanneer het bekend is dat
-de overtreding volkomen overeenstemt met ware zedelijkheid, heeft menigeen meer zieleangst
-gekost, dan een wezenlijke misdaad. Wij herkennen den zelfden invloed in het brandend
-schaamtegevoel dat de meesten onzer zelfs na verloop van jaren hebben gevoeld als
-hun de eene of andere toevallige overtreding van een nietigen maar vasten regel van
-etiquette opnieuw voor den geest kwam. Het oordeel der vereeniging zal gewoonlijk
-worden geleid door eenige ruwe ondervinding van hetgeen op den langen duur voor alle
-leden het beste is; maar dit oordeel zal niet zelden onjuist zijn wegens onwetendheid
-of wegens zwak vermogen van redeneeren. Vandaar zijn de vreemdste gewoonten en bijgeloovigheden,
-strijdig met het ware welzijn en het ware geluk van het menschdom, overal in de wereld
-almachtig geworden. Wij zien dit in het afgrijzen dat een Hindoe gevoelt als hij zijn
-kaste breekt, in de schaamte van een Mohammedaansche vrouw die haar gelaat ontbloot,
-en in tallooze voorbeelden. Het zou moeilijk zijn, de wroeging welke een Hindoe gevoelt
-als hij onrein voedsel heeft gegeten, te onderscheiden van die welke hij gevoelt als
-hij een diefstal heeft begaan, maar waarschijnlijk zou de eerste de sterkste zijn.
-</p>
-<p>Hoe zoovele ongerijmde regelen van gedrag en zoovele ongerijmde godsdienstige dogma’s
-zijn ontstaan, weten wij evenmin als waarom zij in alle deelen van de wereld zulk
-een diepen indruk op den menschelijken geest hebben gemaakt; maar het is merkwaardig,
-dat een geloof dat gedurende de prille jeugd, wanneer de hersenen gemakkelijk indrukken
-opnemen, onophoudelijk is ingeprent, bijna de natuur van een instinkt schijnt te verkrijgen,
-en het is het eigenlijke wezen van een instinkt, dat het onafhankelijk van de rede
-wordt gevolgd. Evenmin kunnen wij zeggen waarom zekere bewonderenswaardige deugden,
-zooals de waarheidsliefde, door sommige wilde stammen hooger worden geschat dan door
-andere<a class="noteRef" id="xd31e6824src" href="#xd31e6824">39</a>, noch ook waarom dergelijke verschillen zelfs tusschen beschaafde volken bestaan.
-Wetende hoe vast vele vreemde <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>gewoonten en bijgeloovigheden zijn ingeworteld, behoeven wij ons niet te verwonderen,
-dat de op het individu betrekking hebbende deugden ons nu zoo natuurlijk schijnen
-dat wij ze voor aangeboren houden, hoewel zij oudtijds door den mensch niet werden
-gewaardeerd.
-</p>
-<p>Niettegenstaande vele bronnen van twijfel kan de mensch over het algemeen zonder moeite
-de hoogere zedelijke regels van de lagere onderscheiden. De hoogere berusten op de
-sociale instinkten en hebben betrekking op de welvaart van anderen. Zij worden gesteund
-door de goedkeuring onzer medemenschen en door de rede. De lagere regels, hoewel sommige
-er van, die zelfopoffering vereischen, nauwelijks verdienen lagere te worden genaamd,
-hebben vooral betrekking op het individu en zijn hun oorsprong verschuldigd aan de
-publieke opinie, hoewel zij door ondervinding en beschaving zijn gerijpt; want zij
-worden door onbeschaafde stammen niet in acht genomen.
-</p>
-<p>Naarmate de mensch in beschaving vooruitgaat en kleine stammen zich tot grooter maatschappijen
-vereenigen, zal de meest eenvoudige rede elk individu doen gevoelen, dat hij zijn
-sociale instinkten en medegevoel behoort uit te breiden tot al de leden van de zelfde
-natie, al zijn zij hem ook persoonlijk onbekend. Dit punt eens bereikt zijnde, bestaat
-er nog slechts een kunstmatige slagboom tegen het uitbreiden van zijn medegevoel tot
-alle menschen, van welke natie of ras zij ook zijn. Indien echter dergelijke menschen
-door groote verschillen in uiterlijk of gewoonten van ons zijn gescheiden, bewijst
-de ondervinding ons ongelukkig, hoe lang het duurt voor wij hen als onze medemenschen
-beschouwen. Medegevoel tot voorbij de grenzen van den mensch, dat wil zeggen menschelijkheid
-jegens de lagere dieren, schijnt een der laatst verkregen zedelijke hoedanigheden
-te zijn. Zij schijnt door wilden alleen ten opzichte hunner geliefkoosde huisdieren
-te worden gevoeld. Hoe weinig de oude Romeinen haar kenden, blijkt uit hun afgrijselijke
-vertooningen van zwaardvechters en gevechten van wilde dieren in het amphitheater.
-Het denkbeeld van menschelijkheid zelf is, zoover ik kon waarnemen, nieuw voor de
-meeste Gaucho’s van de Pampa’s. Deze deugd, een der edelste waarmede de mensch is
-begaafd, schijnt als een bijkomende zaak te ontstaan, doordat ons medegevoel teederder
-en verder verspreid wordt, totdat het zich eindelijk over alle gevoel bezittende wezens
-uitbreidt. Zoodra deze deugd door eenige weinige menschen <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>wordt geëerd en uitgeoefend, verspreidt zij zich door leering en voorbeeld en soms
-ook door de publieke opinie onder het jongere geslacht.
-</p>
-<p>De hoogste trap van zedelijke ontwikkeling dien wij kunnen bereiken, is wanneer wij
-bemerken dat wij zelfs op onze gedachten toezicht moeten houden, en „dat de zonden,
-die het verleden zoo aangenaam voor ons maakten<a class="noteRef" id="xd31e6844src" href="#xd31e6844">40</a>, het voorwerp niet mogen zijn zelfs van onze meest verborgen gedachten.” Al wat den
-geest met de eene of andere slechte handeling gemeenzaam maakt, maakt het verrichten
-daarvan zooveel te gemakkelijker. Gelijk Marcus Aurelius reeds lang geleden zeide:
-„Zooals uwe gedachten gewoonlijk zijn, zoo zal ook het karakter van uw geest zijn;
-want de ziel wordt door de gedachten gekleurd.”<a class="noteRef" id="xd31e6850src" href="#xd31e6850">41</a>
-</p>
-<p>Onze groote wijsgeer Herbert Spencer heeft voor eenige jaren zijn zienswijze over
-het zedelijk gevoel bekend gemaakt. Hij zegt<a class="noteRef" id="xd31e6858src" href="#xd31e6858">42</a>: „Ik geloof, dat de ondervinding van hetgeen nuttig is, gedurende alle vervlogen
-menschengeslachten georganiseerd en bevestigd, overeenkomstige wijzigingen heeft voortgebracht,
-die door voortgaande overerving en opeenhooping in ons zekere vermogens van zedelijke
-<span class="corr" id="xd31e6864" title="Bron: intuitie">intuïtie</span> zijn geworden—zekere gemoedsaandoeningen, die aan goed en slecht gedrag beantwoorden
-en geen grondslag schijnen te hebben in de individueele opvatting van hetgeen nuttig
-is.” Het is, dunkt mij, op zich zelf in het minst niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame
-neigingen in meerdere of mindere mate worden overgeërfd; want ik heb, om de verschillende
-neigingen of gewoonten, door velen onzer huisdieren overgeërfd, niet te vermelden
-<b>(<a href="#en4.5" id="en4.5src">5</a>)</b>, van gevallen gehoord, waarin een aandrift tot stelen en een neiging om te liegen
-zich over families van den hoogsten stand bleek uit te breiden; en daar stelen bij
-de vermogende klassen zulk een zeldzame misdaad is, kunnen wij moeielijk door een
-toevalligen samenloop verklaren, dat de aandrift daartoe zich bij twee of drie leden
-der zelfde familie voordeed. Indien slechte neigingen worden overgeërfd, is het waarschijnlijk,
-dat zulks ook met goede het geval is. De verschillen die men gelooft dat in dit opzicht
-tusschen de onderscheidene menschenrassen bestaan, kunnen niet worden verklaard, tenzij
-wij het beginsel van de erfelijkheid der zedelijke neigingen aannemen. <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>Wij hebben echter tot dusver daaromtrent nog geen genoegzame zekerheid.
-</p>
-<p>Zelfs de gedeeltelijke erfelijkheid van deugdzame neigingen zou ons van ontzaglijk
-veel dienst zijn om de eerste aandrift daartoe direct van de sociale instinkten en
-indirect van de goedkeuring onzer medemenschen af te leiden. Wanneer wij voor het
-oogenblik aannemen dat deugdzame neigingen erfelijk zijn, is het waarschijnlijk, ten
-minste in zulke gevallen als kuischheid, matigheid, menschelijkheid jegens dieren
-enz., dat zij vooral in de organisatie van den geest worden geprent door gedurende
-verscheidene generaties in de zelfde familie voortgezette gewoonte, leering en voorbeeld,
-en slechts in zeer ondergeschikte mate of in het geheel niet, doordat de individu’s
-welke die deugden bezitten, het best zijn geslaagd in den strijd om het leven<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Mijn voornaamste reden om elke dergelijke erfelijkheid te betwijfelen is, dat zinnelooze
-gewoonten, bijgeloovigheden en smaken, zooals de afschuw van een Hindoe voor onrein
-voedsel, volgens het zelfde beginsel ook erfelijk behoorden te zijn. Hoewel dit op
-zich zelf wellicht niet onwaarschijnlijker is dan dat dieren door overerving smaak
-krijgen in sommige soorten van voedsel of vrees voor zekere vijanden, heb ik volstrekt
-geen bewijzen gevonden voor de erfelijkheid van bijgeloovige of zinnelooze gewoonten.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De sociale instinkten eindelijk, die zonder twijfel door den mensch, evenals door
-de lagere dieren, voor het welzijn der vereeniging werden verkregen, zullen hem van
-den beginne af eenige begeerte om zijn makkers te helpen en eenig medegevoel voor
-hen hebben ingeboezemd. Dergelijke aandrijvingen zullen hem in een zeer lang geleden
-tijd tot een ruwen regel ter onderscheiding van goed en kwaad hebben gediend. Maar
-naarmate de mensch trapsgewijze vooruitging in verstandelijke vermogens en daardoor
-in staat werd gesteld om de meer verwijderde gevolgen zijner daden te overzien; naarmate
-hij kennis genoeg verkreeg om verderfelijke gewoonten en bijgeloovigheden te verwerpen;
-naarmate hij meer en meer niet alleen op het welzijn, maar ook op het geluk zijner
-medemenschen lette; naarmate uit gewoonte, ten gevolge van een weldadige ondervinding,
-van leering en voorbeeld, zijn medegevoel teederder en in ruimer kring werd verspreid,
-zoodat het zich uitbreidde over menschen van alle rassen, over onnoozelen, verminkten
-en andere nuttelooze leden der maatschappij en eindelijk tot de lagere dieren—steeg
-ook het peil zijner zedelijkheid hoe langer hoe meer. Door zedekundigen <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>van de derivatieve school en door sommige <span class="corr" id="xd31e6885" title="Bron: intuitionisten">intuïtionisten</span> nu wordt aangenomen, dat het peil der zedelijkheid werkelijk sedert een lang verleden
-tijdvak van ’s menschen geschiedenis<a class="noteRef" id="xd31e6888src" href="#xd31e6888">43</a> is gerezen.
-</p>
-<p>Daar men soms een strijd kan opmerken tusschen de verschillende instinkten van de
-lagere dieren, is het niet te verwonderen dat ook bij den mensch soms strijd ontstaat
-tusschen zijn sociale instinkten en de daarvan afgeleide deugden en zijn lagere, hoewel
-op dat oogenblik sterkere driften en begeerten. Dit is, zooals de heer Galton heeft
-opgemerkt, des te minder te verwonderen, daar de mensch zich in een vergelijkenderwijs
-kort geleden tijdvak uit den staat van barbaarschheid heeft verheven.<a class="noteRef" id="xd31e6899src" href="#xd31e6899">44</a> Wanneer wij voor de eene of andere verzoeking zijn bezweken, gevoelen wij een soort
-van onvoldaanheid, overeenkomende met die, welke wij gevoelen als wij andere <span class="corr" id="xd31e6908" title="Bron: instincten">instinkten</span> onbevredigd hebben gelaten, die in dit geval geweten wordt genoemd; want wij kunnen
-niet verhinderen, dat beelden en indrukken van vroegere gebeurtenissen onophoudelijk
-onzen geest doorkruisen, en deze vergelijken wij in hun verzwakten toestand met de
-altijd tegenwoordige sociale instinkten of met gewoonten in onze prille jeugd verkregen
-en gedurende ons geheele leven versterkt, ja wellicht overgeërfd, zoodat zij ten laatste
-bijna even sterk als instinkten zijn geworden. Met het oog op volgende generaties
-is het niet te vreezen, dat de sociale instinkten zwakker zullen worden, en mogen
-wij verwachten, dat de deugdzame gewoonten sterker zullen worden, omdat zij wellicht
-door erfelijkheid worden bevestigd. In dit geval zal de strijd tusschen onze hoogere
-en lagere aandriften minder streng zijn en zal de deugd overwinnen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Besluit waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten leiden.</i>—Het kan niet worden betwijfeld, dat het verschil tusschen den geest van den laagsten
-mensch en het hoogste dier verbazend groot is. Een anthropomorphe aap zou, als hij
-een onpartijdig oordeel kon vellen over zijn eigen toestand, erkennen, dat, hoewel
-hij een behendig plan kon vormen om een tuin te plunderen, hoewel hij steenen gebruikte
-om mede te vechten of noten open te breken, de gedachte <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>om uit een steen een werktuig te vervaardigen, zijn bevatting verre te boven ging.
-Hij zou erkennen, dat hij nog minder een redeneering over bovennatuurkunde kon volgen
-of een meetkundig vraagstuk oplossen of over het bestaan van God nadenken, of een
-grootsch natuurtafereel bewonderen. Sommige apen zouden echter waarschijnlijk verklaren,
-dat zij de schoonheid van het gekleurde vel en den pels hunner echtgenooten bewonderden.
-Zij zouden erkennen, dat, hoewel zij door geluiden aan andere apen sommige hunner
-gewaarwordingen en hun meer eenvoudige behoeften kenbaar konden maken, het denkbeeld
-om bepaalde denkbeelden door bepaalde klanken uit te drukken nooit in hun geest was
-opgekomen. Zij zouden er wellicht op wijzen, dat zij bereid waren hun medeapen van
-de zelfde bende op vele wijzen te helpen, hun leven voor hen te wagen en voor hun
-weezen te zorgen, maar zij zouden genoodzaakt zijn te erkennen, dat belangelooze liefde
-voor alle levende schepselen, de edelste eigenschap van den mensch, hun bevatting
-ver te boven ging.
-</p>
-<p>Toch is het geestelijk verschil tusschen den mensch en de hoogere dieren, hoe groot
-het ook zij, zeker slechts een verschil in hoeveelheid en niet in hoedanigheid. <b>(<a href="#en4.6" id="en4.6src">6</a>)</b> Wij hebben gezien, dat de verschillende gemoedsaandoeningen en vermogens, zooals
-liefde, geheugen, oplettendheid, nieuwsgierigheid, nabootsing, rede enz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, waarop de mensch trotsch is, ook in wordenden of zelfs somtijds in goed ontwikkelden
-toestand bij de lagere dieren kunnen worden gevonden. Zij zijn ook vatbaar voor een
-zekere erfelijke verbetering, zooals wij zien in den huishond bij vergelijking met
-den wolf of jakhals. Indien wordt volgehouden, dat sommige vermogens, zooals zelfbewustzijn,
-het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen enz., uitsluitend aan den mensch
-eigen zijn, kan het wel zijn, dat deze toevallige uitvloeisels zijn van andere hoog
-ontwikkelde verstandelijke vermogens; en deze zijn op hun beurt voornamelijk het gevolg
-van het voortdurend gebruik van een hoog ontwikkelde taal. Op welken leeftijd komt
-het pasgeboren kind in het bezit van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen,
-of op welken leeftijd wordt het zelfbewust en begint het na te denken over zijn eigen
-bestaan? Wij kunnen die vraag niet beantwoorden en evenmin kunnen wij haar beantwoorden
-met betrekking tot de opklimmende reeks der organische wezens. Het half kunstmatige
-en half instinktmatige van de taal draagt nog den stempel van haar trapsgewijze ontwikkeling.
-Het veredelende geloof aan God is niet aan alle menschen <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>eigen, en het geloof aan de werking van geestelijke invloeden volgt op natuurlijke
-wijze uit zijn andere geestvermogens. Het zedelijk gevoel is wellicht het beste en
-hoogste kenmerk waardoor de mensch zich van de lagere dieren onderscheidt; maar ik
-behoef daarover niets meer te zeggen, daar ik zoo even nog heb trachten aan te toonen
-dat de sociale instinkten—het grondbeginsel van ’s menschen zedelijken aanleg<a class="noteRef" id="xd31e6931src" href="#xd31e6931">45</a>—met behulp van de werkzaamheid zijner verstandelijke vermogens en de uitwerkselen
-der gewoonte op natuurlijke wijze leiden tot den gulden regel: „Alle dingen dan, die
-gij wilt dat de menschen u souden doen, doet gij hun oock alsoo”; en dit is de hoeksteen
-der zedelijkheid.
-</p>
-<p>In een volgend hoofdstuk zal ik eenige weinige opmerkingen maken over de stappen en
-middelen waardoor de verschillende verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch
-zich waarschijnlijk trapsgewijze hebben ontwikkeld. Dat dit ten minste mogelijk is,
-kan niet wel worden ontkend, daar wij hun ontwikkeling dagelijks in elk kind aanschouwen
-en daar wij door onmerkbare overgangen van den geest van een volkomen idioot, lager
-staande dan het laagste dier, kunnen opklimmen tot dien van een Newton.
-</p>
-<div id="ch4n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e359">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en4.1" class="first">(<a href="#en4.1src">1</a>) Tegen het einde van den zomer, als de honigoogst begint op te houden en de mannelijke
-bijen aan hun bestemming (de voortplanting der soort) hebben voldaan, worden deze,
-die nu aan de bijenmaatschappij geen nut meer toebrengen, doch integendeel schadelijk
-voor haar zouden worden daar zij ten koste der overigen zouden moeten leven, door
-de werkbijen meêdoogenloos verjaagd en komen van gebrek om. Dat de werkbijen hen rechtstreeks
-zouden dooden, gelijk Darwin meent, schijnt op onjuiste waarnemingen te berusten.
-Daar al de bijen van een korf gewoonlijk kinderen zijn van ééne moeder, een koningin,
-zijn de mannelijke bijen gewoonlijk de broeders der werkbijen.<a class="noteRef" id="xd31e6945src" href="#xd31e6945">46</a> Wanneer in een korf een of meer jonge koninginnen worden geboren en er geen overbevolking,
-dus geen behoefte aan <i>zwermen</i> bestaat, worden zij door haar moeder, de koningin, gedood, zonder dat de werkbijen
-er zich tegen verzetten; want het zou nadeelig zijn voor de belangen <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>der bijenmaatschappij, als zich in éénen korf twee of meer koninginnen bevonden. Bestaat
-er overbevolking, dan tracht de oude koningin ook wel de jonge te dooden, maar de
-werkbijen verzetten zich daartegen; de jonge koningin blijft meesteres van den korf;
-de oude koningin verlaat dien met een gedeelte der bijen om elders een volkplanting
-te stichten, hetgeen men het <i>zwermen</i> der bijen noemt.
-</p>
-<p id="en4.2">(<a href="#en4.2src">2</a>) De zedelijke verantwoordelijkheid van sommige dieren schijnt minder twijfelachtig
-dan die van „intermittente krankzinnigen.” Indien het in de toekomst de plicht werd
-van een procureur-generaal, om een aap te vervolgen die zich aan den moord van een
-mensch had schuldig gemaakt, zou het volgende geval, ontleend aan Brehm’s „<span lang="de">Thierleben</span>”, een slecht precedent opleveren voor den advocaat die met zijn verdediging was belast.
-</p>
-<p>Eenige weinige jaren geleden kocht Dr. Schomburg, de directeur van den botanischen
-tuin te Adelaïde, Australië, een uitgezocht partijtje apen en <span class="corr" id="xd31e6964" title="Bron: kangaroe’s">kangoeroe’s</span> die hij een „gelukkig huisgezin” had kunnen noemen, als er niet een zeer boosaardige
-vrouwelijke Bhunder-baviaan bij was geweest. Ware zij niet de eenige vertegenwoordigster
-van haar soort geweest, dan zou hij haar hebben trachten kwijt te raken, want haar
-eenig levensdoel scheen te wezen om zich zoo onaangenaam mogelijk te maken. Eenzame
-opsluiting maakte haar wild en luidruchtig, maar in de algemeene kooi maakte zij de
-buideldieren waanzinnig van schrik, en scheen zich ’s avonds als haar jongere verwanten
-het waagden het slaaphok te betreden, te beschouwen, als van hooger hand verordineerd
-om hen met geweld daaruit te verjagen. Op zekeren dag viel zij haar eigen oppasser
-aan en verwondde hem, zonder eenige aanleiding zijnerzijds, op ergerlijke wijze aan
-zijn pols. Schomburg veroordeelde haar <span class="corr" id="xd31e6967" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> om te worden doodgeschoten. Den volgenden morgen naderde de onder-oppasser haar kooi
-met een geweer, dat dikwijls was gebruikt om de ratten dood te schieten die in het
-menageriegebouw zeer veelvuldig waren. De andere apen schenen een nieuwe <i>razzia</i> onder de ratten te verwachten, maar de Bhunder-baviaan wist wel beter. Zoodra zij
-het geweer zag, sprong zij plotseling in het slaaphok en trok de deur daarvan toe.
-Toen de oppasser die trachtte open te maken, gilde zij, alsof zij hoopte vrij te komen
-door krankzinnigheid voor te wenden. Om haar te beproeven, wachtte de oppasser tot
-den tijd van het ontbijt, maar de baviaan vertoonde zich niet. Zij bleef een vol uur
-in haar schuilhoek, totdat de baksjongen een extra<span class="corr" id="xd31e6972" title="Bron: -"> </span>tractatie bracht, bestaande uit in schijfjes gesneden pompoenen. Zij deed toen een
-sprong naar den emmer, waarin die zich bevonden. Op dat oogenblik deed de oppasser
-de deur van haar slaaphok op slot en ging zijn geweer halen. Zoodra de baviaan hem
-zag terugkomen, vlood zij naar haar schuilplaats, en deed, toen zij die gesloten vond,
-een wanhopige poging om zich door de tralies van de kooi heen te wringen en zoo te
-ontvluchten. De tralies bleken echter onbuigbaar, en na nog een wanhopigen ruk aan
-de deur van het slaaphok, wierp de baviaan zich in een hoek, sloot haar oogen en scheen
-van vrees te zijn gestorven, nog voor het geweerschot haar doodde.
-</p>
-<p id="en4.3">(<a href="#en4.3src">3</a>) Het is duidelijk, dat die individu’s welke door hun ouders in hooge mate worden
-bemind en beschermd, meer kans zullen hebben in den strijd des levens te overwinnen,
-meer kans zullen hebben om te blijven leven, dan de individu’s die door hun ouders
-slechts in geringe mate worden bemind en beschermd, en dat eveneens de kansen dezer
-laatste grooter zullen zijn, dan die der individu’s die door hun ouders volstrekt
-niet worden bemind en beschermd. Die individu’s welke de grootste kinderliefde bezitten,
-zullen dus hun soort het best kunnen voortplanten. Krachtens het beginsel der <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>erfelijkheid zullen ook hun kinderen zich doorgaans weêr onderscheiden door gehechtheid
-aan hun kroost, en ook van deze zullen ook weder zij de meeste kans hebben om een
-groote nakomelingschap achter te laten, welke die hoedanigheid in de hoogste mate
-bezitten. Verder is het waarschijnlijk, dat bij die individu’s bij welke de ouderliefde
-het meest is ontwikkeld, ook de kinderen de meeste gehechtheid aan hun ouders zullen
-verkrijgen. Op deze wijze kan de ontwikkeling der ouderlijke en kinderlijke liefde
-worden verklaard door de natuurlijke teeltkeus, daar die variëteiten, bij welke deze
-gevoelens het minst zijn ontwikkeld, in den strijd des levens zullen moeten onderdoen
-voor de andere.
-</p>
-<p id="en4.4">(<a href="#en4.4src">4</a>) „<i>De darren</i>” (blz. 190). Velen noemen de mannelijke bijen <i>hommels</i>. Dit is echter een geheel verkeerde uitdrukking; <i>hommels</i> is de naam van een met de honigbijen (<i>Apis</i> en <i>Melipona</i>) nauw verwant geslacht van sociale Vliesvleugelige Insekten, van het geslacht <i>Bombus</i> namelijk. De ware Nederlandsche naam der honigbijen is <i>darren</i> of <i>darries</i>. <span class="corr" id="xd31e7004" title="Bron: Blz.">Op blz.</span> 201 is het teeken (4) bij vergissing blijven staan. Men zie over de bloedschande:
-„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 141.
-</p>
-<p id="en4.5">(<a href="#en4.5src">5</a>) In het „Album der Natuur” 1876, blz. 22, deelt Prof. Harting een opmerkelijk geval
-mede van erfelijke genegenheid van een kat voor een hond, ontleend aan „<span lang="en">Nature</span>” 15 Juli 1875.
-</p>
-<p id="en4.6">(<a href="#en4.6src">6</a>) „<i>Het verschil in geestvermogens tusschen den mensch en de lagere dieren, hoe groot
-het ook zij, is ongetwijfeld slechts een verschil in hoeveelheid</i>” (quantitatief), „<i>en niet in hoedanigheid</i>” (qualitatief). Het komt ons voor, dat Darwin in dit en het vorige hoofdstuk de waarheid
-dezer stelling op de meest overtuigende wijze heeft bewezen. Reeds lang werd door
-de meeste mannen der wetenschap erkend, dat de theorie van Cartesius, die van alle
-dieren levende werktuigen maakte zonder denkvermogen en zonder bewustzijn, onjuist
-was, zoodat dan ook Quatrefages („<span lang="fr">l’Unité de l’Espèce Humaine</span>”), den mensch als afzonderlijk „Menschenrijk” van het Dierenrijk scheidende, dit
-niet doet op grond, dat slechts deze denkvermogen zou bezitten, maar op grond van
-het godsdienstig en zedelijk gevoel (<i>Religiositeit</i> en <i>Moraliteit</i>), dat de dieren volkomen zouden missen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wij hebben in Hoofdstuk III en IV van dit werk echter gezien, dat ook bij andere
-dieren wel degelijk de kiemen dier beide vermogens bestaan. Al wilde men dit echter
-niet erkennen, men zou toch moeten toegeven, dat het onmogelijk kan worden bewezen,
-dat deze beide vermogens bij alle dieren ontbreken, en evenmin, dat zij bij alle voormalige
-en tegenwoordige menschenrassen aanwezig waren en zijn. Wij hebben in aanteekening
-15, blz. 160, gezien, hoeveel vergeefsche moeite men zich dikwijls gegeven, welke
-belachelijke opmerkingen men dikwijls gemaakt heeft, om dit laatste te bewijzen. Maar
-zelfs al stellen wij voor een oogenblik, dat van het zedelijk en godsdienstig gevoel
-bij geen enkel dier zelfs de geringste kiem bestond, zou dan nog het bezit dier vermogens
-een genoegzamen grond opleveren om den mensch als afzonderlijk „Rijk” van de Dieren,
-als afzonderlijke Klasse of Onder-klasse van de Zoogdieren, of zelfs slechts als afzonderlijke
-Orde van de anatomisch en physiologisch zoo nauw met hem verwante apen (Primaten)
-te scheiden? Wij gelooven geenszins. Onder de hoogere planten zijn duidelijk zichtbare
-gevoels- en bewegingsverschijnselen even zeldzaam, als godsdienstig en zedelijk gevoel
-bij de hoogere dieren maar kunnen zijn; Linnaeus gaf zelfs als onderscheid tusschen
-het dieren- en plantenrijk op, „<i lang="la">Vegetabilia crescunt et vivunt; animalia crescunt, vivunt et sentiunt.</i>” En toch is, voor zoover ik weet, nog nooit een plantkundige op de zonderlinge gedachte
-gekomen om de <i>Kruidjes roer mij niet</i> (<i>Mimosa pudica</i>, <i>M. sensitiva</i> <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>en eenige aanverwante soorten), die zeer duidelijke verschijnselen van gevoel en beweging
-vertoonen, daarom als afzonderlijk „Kruidje roer mij niet’s Rijk” van het Plantenrijk,
-als afzonderlijke Klasse van de Tweezaadlobbige Planten (<i>Dicotyledones</i>), of zelfs als Onder-klasse van de Tweezaadlobbige Planten met een Veelbladige Bloemkroon
-(<i>Dialypetalae</i> of <i>Dicotyledones Polypetalae</i>), als Familie van de Peulvruchten (<i>Leguminosae</i>), of zelfs maar als geslacht van het geslacht <i>Mimosa</i>, waartoe zij op morphologische gronden moeten worden gebracht, af te scheiden. Even
-weinig of liever nog veel minder grond is er, voor den mensch een afzonderlijk Rijk,
-een afzonderlijke Klasse, Onder-klasse of zelfs Orde aan te nemen, zelfs al gaf men
-toe, dat alleen hij godsdienstig en zedelijk gevoel bezit. Hoeveel te minder dan,
-wanneer men bewezen ziet, dat het verschil in geestvermogens tusschen den mensch en
-de lagere dieren slechts quantitatief en niet qualitatief is!
-</p>
-<p>Wij kunnen ons het genoegen niet ontzeggen, onze aanteekeningen op dit Hoofdstuk met
-een aanhaling uit Carl Vogt’s „<span lang="de">Vorlesungen über den Menschen</span>” (Bd. I, blz. 295) te besluiten, waar hij, na Quatrefages ten opzichte van het godsdienstig
-gevoel te hebben weêrlegd (vergelijk aanteekening 16, blz. 161), omtrent het zedelijk
-gevoel het volgende in het midden brengt:
-</p>
-<p>„Wat nu de moraliteit, of het begrip van goed en kwaad aangaat, zal men niet willen
-beweren<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat dit bij den mensch iets absoluuts is. Het richt zich altijd naar den toestand
-der maatschappij, het is in één woord het resultaat van den socialen toestand. Terwijl
-het in de beschaafde wereld een met den dood strafbare misdaad is zijn ouden, verlamden
-vader om te brengen, zijn er Indiaansche stammen bij welke dit als een hoogst prijzenswaardige
-handeling van den zoon wordt beschouwd. Het begrip van goed en kwaad ontwikkelt zich
-dus uit de behoeften der maatschappij, uit de onderlinge betrekkingen tusschen de
-individu’s. Als dit echter waar is, is het ook even zeker, dat het begrip van goed
-of kwaad bij de diermaatschappijen evenzoo is ontwikkeld in verhouding tot de mate
-van sociale ontwikkeling, als bij de menschelijke maatschappijen. De eerste trap der
-maatschappij is het huisgezin; het begrip van goed en kwaad resumeert zich bij het
-kind in de gehoorzaamheid aan de ouders, in de vervulling der aan hetzelve opgelegde
-plichten, in de terechtwijzing, straf of liefkozing, welke hetzelve ten deel valt.
-Nu zie men eens een katten- of berenfamilie en lette op de gebaren der jongen, hun
-opvoeding door de ouden, en dan vrage men zich af, of men hier niet het beeld van
-een menschelijk huisgezin voor zich heeft, met al die uitingen van het begrip van
-goed en kwaad, welke men maar zou kunnen verlangen. Ik geef toe, dat het een kattenmoraal<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat het een berenmoraal is, die hier den kinderen wordt ingeprent en geleerd, maar
-het is toch een moraal, en het jonge katje dat niet luistert naar de roepstem zijner
-moeder, de tweejarige beer die niet behoorlijk voor zijn broertjes en zusjes zorgt,
-krijgen even goed knorren en oorvijgen, als de lieve menschenkinderen, als deze het
-grondbegrip der menschelijke en christelijke moraal, de kinderlijke gehoorzaamheid,
-niet betrachten.
-</p>
-<p>„Ten opzichte der dierenmaatschappijen echter veroorloof ik mij hier een plaats uit
-Dr. A.&nbsp;E. Brehm’s voortreffelijk werk, „<span lang="de">Illustrirtes Thierleben</span>”, over de apenmaatschappijen aan te halen:
-</p>
-<p>„„Dat lid eener troep dat de meeste ervaring bezit, wordt aanvoerder of leidaap. Deze
-waardigheid wordt hem echter niet door het „algemeen stemrecht” opgedragen, maar hem
-eerst na een zeer hardnekkigen kamp met andere mededingers toegekend. De langste tanden
-en sterkste armen beslissen. Wie er zich niet goedschiks aan wil onderwerpen, wordt
-door beten en <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>klappen geringeloord, totdat hij tot rede is gebracht. Den sterke komt de kroon toe,
-in zijn tanden ligt zijn wijsheid. Dit is echter ook zeer verklaarbaar: de oudste
-apen zijn steeds ook de sterkste en aan hen moeten ook goedschiks of kwaadschiks de
-jongere onervarene zich onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet onvoorwaardelijke
-gehoorzaamheid en wel in elk opzicht. Ridderlijke galanterie is hem niet eigen; stormenderhand
-verovert hij het loon der min. Het <i lang="la">jus primae noctis</i> geldt bij hem nog heden. Hij wordt stamvader van een volk, en zijn geslacht vermeerdert
-zich, evenals dat van Abraham, Izaäk en Jakob, „gelijk het zand der zee”. Geen vrouwelijk
-lid der troep mag zich aan een onnoozele minnarij met den eenen of anderen vlasbaard
-overgeven. Zijn oogen zijn scherp en zijn tucht is zeer streng; hij verstaat in liefdezaken
-geen gekscheren. Ook de apinnen die zich, of liever <i>hem</i>, vergeten, krijgen zooveel muilperen en worden zoo geplukhaard, dat haar de lust
-tot verboden omgang met andere helden van den troep zeker vergaat; nog erger gaat
-het met den apenjongeling die de wetten des harems van den op zijn recht trotschen
-Sultan overtreedt”.…
-</p>
-<p>.…„„Voor het overige oefent de leidaap zijn ambt met groote waardigheid uit<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Reeds de achting die hij geniet, geeft hem een zekere zekerheid en zelfstandigheid
-in zijn handelingen, die aan zijn ondergeschikten ontbreekt; hij wordt ook door deze
-op allerlei wijzen gevleid. Zoo ziet men, dat zelfs de apinnnen zich moeite geven
-om hem de hoogste gunst welke een aap kan betoonen of ontvangen, ten deel te doen
-worden. Zij beijveren zich namelijk om zijn haarkleed steeds zooveel mogelijk van
-lastige parasieten te zuiveren, en hij laat zich deze hulde welgevallen met de waardigheid
-van een Pacha wien zijn geliefde slavin de voetzolen kittelt. Daarentegen zorgt hij
-nu ook trouw voor de zekerheid zijner ondergeschikten en is daardoor in nog grooter
-onrust dan zij. Naar alle zijden heên wendt hij zijn blikken, geen wezen vertrouwt
-hij, en zoo ontdekt hij ook bijna altijd terechtertijd elk dreigend gevaar.”
-</p>
-<p>„Wij weten niet, of het verschil tusschen de moraliteit, die in deze apenmaatschappij
-geheel van den wil des stamhouders afhangt en die van een horde Nieuw-Hollanders,
-waar evenzeer de sterkste de wet maakt, groot genoeg kan schijnen, om het geheele
-onderscheid van een Rijk daarop te gronden. Het theoretische absolutisme kent immers
-volstrekt geen andere moraal, dan die des heerschers. Hij maakt de wet, hij schrijft
-het geloof voor, hij bepaalt de moraal,—wie anders handelt, anders denkt, dien heeft
-hij het recht te dooden of te straffen,—is de moraliteit van een absoluut despotisme
-theoretisch een andere dan die eener apenfamilie?
-</p>
-<p>„Ook deze onderscheidende categorie van Quatrefages is dus volkomen onhoudbaar.
-</p>
-<p>„De beide Fransche geleerden<a class="noteRef" id="xd31e7092src" href="#xd31e7092">47</a> hebben iets onmogelijks beproefd—om namelijk eigenschappen te vinden, die niet op
-een materiëelen grondslag rusten.
-</p>
-<p>„Waar de organisatie naar het zelfde type is gevormd, daar moeten ook de uit deze
-organisatie voortspruitende eigenschappen de zelfde grondeenheid vertoonen.
-</p>
-<p>„Eer ik echter van dit onderwerp afstap, wil ik hun die zich te vergeefs <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>aftobben om uit een of ander geestvermogen een bijzonderen troon voor den mensch op
-te richten, de volgende woorden van Wundt toeroepen: „De dieren zijn wezens, wier
-zelfbewustheid van die des menschen en slechts door den bereikten trap van volkomenheid
-verschilt. Tusschen mensch en dier bestaat geen wijdere kloof dan tusschen de dieren
-onderling. Alle bezielde organismen vormen een keten van gelijksoortige wezens, waarin
-nergens een gaping blijft. Een verouderde zieleleer met haar menigvuldige geestelijke
-vermogens en krachten mocht al grenslijnen trekken, hier dit, daar dat vermogen uitdeelen;—wij
-echter moeten, nadat het ons gelukt is te bewijzen, dat het gezamenlijke geestelijke
-leven slechts één groot geheel uitmaakt, ook toegeven, dat al wat bezield is, ook
-deel heeft aan dit geheel<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>””
-</p>
-<p>Men vergelijke overigens, zoo men nog niet overtuigd mocht zijn, Houzeau, „<span lang="fr"><span class="corr" id="xd31e7105" title="Bron: Etudes">Études</span> sur les facultés mentales des animaux comparées à celles de l’homme, Mons-Paris</span>”, 1872; Haeckel, E., „Ziel-cellen en cel-zielen”, uit „<span lang="de">Deutsche Rundschau</span>”, in „Wetensch. Bladen”, October 1878; Dr. L. Büchner, „Uit het Leven der Dieren,
-hun denken, willen, werken en gevoelen”, en Dr. L. Büchner, „Het leven der liefde
-in de dierenwereld.” De beide laatsten vertaald door R.&nbsp;E. de Haan, Directeur der
-R. Hoogere Burgerschool te Winterswijk, Nijmegen, Blomhert &amp; Timmerman, 1877 en 1880,
-thans D. Bolle, Rotterdam. Carus Sterne (Dr. E. Krause), „Dieren- en Menschenziel”,
-vertaald door P.&nbsp;F. Spaink, in de Dageraad van Juli 1884, Tito Vignoli. „<span lang="de">Das Fundamentalgesetz der Intelligenz im Thierreiche</span>”, Leipzig, Brockhaus, en „<span lang="de">Mythus und Wissenschaft</span>”, Leipzig 1879 en 1882. Volgens dezen laatste verschilt het geestelijk proces bij
-het hoogere dier alleen daarin van dat van den mensch, dat het dier nog niet de innerlijke
-beschouwing zijner beschouwingen heeft, d. w. z, dat hij niet wat wij zelfbewustzijn
-noemen van het bewustzijn kan onderscheiden. Men zie ook: „De zedekunde als wetenschap”,
-door H.&nbsp;A.&nbsp;F. de Vogel, Arnhem, H.&nbsp;W. v. Marle, 1880. Dr. Büchner’s door mij bewerkt
-boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888<a class="noteRef" id="xd31e7118src" href="#xd31e7118">48</a>, en R.&nbsp;E. de Haan in „Isis”, 1879, blz. 50 en 153.
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p>
-<p>Evenals de sociaal levende dieren zich in geestvermogens ver boven de eenzaam levende
-verheffen, zinkt omgekeerd de mensch die buiten de menschelijke maatschappij opgroeit,
-verstandelijk tot het peil van het dier terug, en kent noch godsdienst noch zedelijkheid.
-</p>
-<p>In den loop der tijden zijn in Europa, Indië en Noord-Amerika herhaaldelijk kinderen
-opgevangen, die ver van de maatschappij in uitgestrekte wildernissen of afgelegen
-wouden waren opgegroeid. In al die gevallen bleek het, dat die kinderen aan de dieren
-gelijk waren, en zelfs gewoonlijk door latere opvoeding niet konden leeren spreken,
-noch hun verstand verder ontwikkelden dan een getemd huisdier.
-</p>
-<p>Professor Raube te Leipzig verzamelde de levensgeschiedenissen van zestien dier „woudmenschen”
-in zijn boekske: <i lang="la">Homo sapiens ferus</i> (Leipzig, Denicke), en Dr. E. Dorn bespreekt nog andere gevallen in zijn artikel
-„<span lang="de">Wolfskinder</span>” in „<span lang="de">Ueber Land und Meer</span>”, 1890–1891, No. 5, aan welke beide bronnen wij het volgende ontleenen:
-</p>
-<p>In 1661 zagen jagers in Littauen te midden van een troep beren twee kleine wezens
-die een menschelijke gedaante bezaten. Het gelukte hun een daarvan te vangen niettegenstaande
-zijn tegenstand en geschreeuw. Het verdedigde zich evenals een beer met zijn nagels
-en tanden. Het bleek een kind te zijn van ongeveer negen jaar oud. Men bracht het
-naar Warschau voor den koning en de koningin van Polen. De adel en de geheele burgerij
-verdrong zich om het kind te zien. Het had een uiterst blanke huid, witte haren, aangename
-gelaatstrekken, een goedgevormd en krachtig lichaam en blauwe oogen. Het vertoonde
-echter geen spoor van verstand, kon niet spreken, was zeer wild en bezat alle neigingen
-van een dier. Men heeft het nooit kunnen leeren deze wildheid af te leggen, te spreken,
-zich te kleeden, zijn hoofd te bedekken of schoenen aan te doen. Het nam echter wèl
-de gewoonte aan om op twee beenen te loopen, en werd zoover getemd, dat het, evenals
-een hond, kwam als men het riep. Van tijd tot tijd vluchtte het naar het bosch, waar
-het boomschors met de nagels losscheurde en uitzoog. Het at gaarne vleesch, rauw zoowel
-als gekookt.
-</p>
-<p>In 1672 werd een jongen van omstreeks 16 jaar naar Amsterdam gebracht, die in Ierland
-als klein kind zijn ouders ontloopen en onder verwilderde schapen opgegroeid was.
-Hij was gezond en vlug van lichaam, had een laag, achteruitwijkend voorhoofd, blaatte
-als een schaap, lustte geen menschelijke spijzen en dranken, maar at gras en hooi.
-Alles wat men hem gaf, betastte, berook en besnuffelde hij, stak het in den mond en
-at het of wierp het weg, al naar het hem smaakte. Hij was wild en schuw en eerst na
-langen tijd gelukte het hem eenigermate te temmen. Hij had lang alle pogingen der
-jagers om hem te krijgen verijdeld, doch werd eindelijk in een net gevangen. Hij liep
-voorover, zijn tong was weinig bewegelijk.
-</p>
-<p>In 1725 werd in <span class="corr" id="xd31e7171" title="Bron: Hanover">Hannover</span> in een <span class="corr" id="xd31e7174" title="Bron: bo·ch">bosch</span> een knaap van omstreeks vijftien jaar gevangen. Hoewel hij uiterlijk op een menschelijk
-wezen geleek, stond hij, wat den geest aangaat, volkomen op den trap van een wild
-dier; hij liep of liever kroop op handen en voeten, at gras en mos en sliep op boomen.
-Na zijn gevangenneming toonde hij een grooten afkeer van kleederen en was niet te
-bewegen in een bed te gaan liggen. De kleederen die men hem aan trok, scheurde hij
-zich spoedig onder teekenen van de grootste verontwaardiging van het lijf en kroop,
-bij gebrek aan zijn gewone legerstede in de takken van een boom, naar den uitersten
-hoek der hem aangewezen verblijfplaats, om zich daar te slapen te leggen. Zijn lievelingsvoedsel
-bleven rauwe kruiden, vooral bladeren van kool en andere groenten, terwijl hij van
-al wat <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>gekookt of gestoofd was, voortdurend de grootste walging toonde. Hij had niet het
-geringste spoor van eenige gearticuleerde spraak, maar drukte veeleer zijn gedachten
-uit door geluiden die hij van de dieren had afgeluisterd.
-</p>
-<p>Ofschoon slechts 1,65 M. lang, was hij buitengewoon gespierd en sterk, daarbij vertoonde
-hij tot aan zijn dood (die op vermoedelijk ongeveer <span class="corr" id="xd31e7181" title="Bron: drie en-twintigjarigen">drie-en-twintigjarigen</span> leeftijd plaats greep) niet de geringste belangstelling in de vrouwelijke sekse.
-Zijn dierlijken aard legde hij slechts in zijn laatste levensjaren in zijn uiterlijk
-aanzien af; hij scheen zachter en goedaardiger; godsdienstige begrippen of het geloof
-aan een hooger wezen bleek het onmogelijk hem in te prenten.
-</p>
-<p>In 1731 kwam in het dorp Songi (bij Châlons) tegen schemeravond een meisje van 9 à
-10 jaar oud, door dorst geplaagd. Haar voeten waren naakt, haar lichaam met lompen
-bedekt, een uitgeholde pompoen diende haar tot muts. Zij droeg een houten knuppel
-in de hand. Iemand uit het dorp liet een dog op haar los. Zij bleef onversaagd staan
-en sloeg het dier met haar knuppel zoo heftig op den kop, dat het dood ter aarde stortte.
-Vol vreugde over deze overwinning wierp zij zich herhaaldelijk op het lichaam van
-den hond.
-</p>
-<p>Daarna beproefde zij een deur te openen. Toen haar dit niet gelukte, verliet zij het
-dorp, klom op het veld in een boom (waarin zij later buitengewoon behendig bleek te
-zijn) en sliep daar rustig in. Een vrouw lokte haar uit den boom en zij werd door
-de dorpelingen gevangen, die haar naar de keuken van zeker kasteel brachten. De kok
-was daar bezig een hoen klaar te maken. Zij ontrukte het hem en begon het dadelijk
-te eten. Een haar gegeven konijn at zij met vel en al op.
-</p>
-<p>Zij had een eigenaardigen glijdenden gang en was zoo vlug, dat zij hazen kon inhalen
-en vangen. Zij dook ook voortreffelijk en at rauwe visschen en kikkers.
-</p>
-<p>Het gelukte dit meisje, dat echter <i>reeds in den aanvang minder verwilderd was dan de eerst besproken kinderen</i>, daar het eenigszins gekleed en gewapend was, eenigszins te ontwikkelen. Zij leerde
-Fransch spreken en werd non. Het kostte haar groote moeite af te leeren het vleesch
-rauw te eten en bladeren, twijgen en wortels te nuttigen. Twee jaar na haar gevangenneming
-had zij nog groote neiging om, duikende, visschen te vangen.
-</p>
-<p>Een ander bij haar gevangenneming omstreeks twaalf- of dertienjarig meisje toonde,
-hoewel niet zonder geslachtsdrift, tot haar dood den grootsten afschuw voor alle mannen.
-Haar wilde temperament onttrok zich aan alle contrôle, daarbij legde zij een grooten
-trek naar bloed aan den dag en zoog dat aan levende dieren uit. Eens zag men haar
-als een otter in een meer duiken, met groote handigheid eenige visschen vangen en
-die dadelijk daarna aan den oever verslinden.
-</p>
-<p>Later leerde dit meisje spreken en was daardoor in staat eenige onbestemde mededeelingen
-omtrent haar leven in het bosch te doen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Aan het einde van haar leven, nadat zij zwaar ziek had gelegen, traden de sporen
-van haar vroegere dierlijke leven weder duidelijk te voorschijn.
-</p>
-<p>Een in de bosschen bij Cannes in Frankrijk gevangen knaap van omstreeks elf of twaalf
-jaar toonde bij zijn dierlijke natuur nog sporen van krankzinnigheid, die soms tot
-razernij oversloegen. Het gelukte met oneindige moeite, geduld en duizenden kunstgrepen
-hem twee of drie woorden te leeren. Ongelukkig ontbreekt het slot van zijn door zijn
-verpleger, een Fransch geneesheer, geschreven levensgeschiedenis.
-</p>
-<p>In 1889 werd volgens de dagbladen in België zulk een wilde knaap gevangen.
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p>
-<p>Nog belangwekkender dan bovenstaande gevallen, die allen op Europa betrekking hebben,
-is het volgende uit Indië, dat door den Engelschen resident aan het hof te Lucknow,
-kolonel Steeman, wordt medegedeeld.
-</p>
-<p>Op zekeren dag merkte een cavalerist op een verkenningstocht aan de oevers van de
-rivier de Goombee in de nabijheid van het dorpje Chandour, niet ver van Sultanpour
-(koninkrijk Oude), hoe op geringen afstand van hem een wolvin met haar jongen en—een
-knaap uit het bosch kwam, en zich naar het water begaf om te drinken. De knaap liep
-op handen en voeten. Nadat zij had gedronken, wilde de wolvenfamilie weder in het
-bosch gaan. De cavalerist trachtte haar toen den weg te versperren om den knaap te
-bemachtigen. Deze ging echter met de wolven en zich nauw bij de wolvin aansluitend
-op de vlucht. De cavalerist bleef echter de vluchtelingen zoo na op de hielen, dat
-hij hen in een hol zag verdwijnen.
-</p>
-<p>Met behulp van een aantal boeren uit het naburige dorp werd het hol in korten tijd
-opengegraven. Volgens het bijgeloof der Hindoes van die streek liet men de wolven
-ontvluchten, maar maakte zich meester van den zich heftig verzettenden knaap.
-</p>
-<p>Bij het transport naar het dorp beproefde de knaap, dien men had vastgebonden, herhaaldelijk
-zich los te rukken en in daartoe geschikte gaten, boschjes of holen te verdwijnen.
-De poging om hem tot spreken te brengen, werden van zijn kant slechts met knorren
-en brommen beantwoord.
-</p>
-<p>Men hield hem gedurende verscheidene dagen in het dorp. Zoodra hem een volwassen persoon
-naderde, zocht hij weg te sluipen, kwam echter een kind te dicht bij hem, dan trok
-hij met wild geknor op hetzelve los en trachtte het te bijten. Van gekookt voedsel
-toonde hij grooten afkeer; wierp men hem daarentegen rauw vleesch toe, dan greep hij
-dat begeerig, wierp het onder zijn handen op den grond en at het dan, evenals een
-hond<span class="corr" title="Bron: .">,</span> met blijkbaar genot en genoegen. Zoolang hij at, duldde hij geen menschelijk wezen
-in zijn nabijheid, doch aan honden veroorloofde hij zijn maal te deelen.
-</p>
-<p>Deze wilde knaap, die aan kapitein Nicholett werd overgegeven, overleefde zijn gevangenneming
-slechts drie jaar en stierf in Augustus 1850 te Sultanpour.
-</p>
-<p>Zijn groote vraatzucht was spreekwoordelijk geworden; men vertelde van hem, dat hij
-een half schaap in één maal opat en daarbij een groote schaal karnemelk in één teug
-opdronk<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hij was volkomen ongevoelig voor beleedigingen en slechts door voortdurend plagen
-toornig te maken; hij at alles wat hem werd toegeworpen, maar behield een bijzondere
-voorliefde voor rauw vleesch. Ook at hij rauwe beenderen die hij met evenveel gemak
-als het vleesch scheen te kauwen. Het zonderlingste was zijn liefhebberij voor kleine
-steentjes en aarde, die hij in betrekkelijk groote hoeveelheden verslond.
-</p>
-<p>Kleeding wilde hij zelfs bij het koudste weder niet aandoen. Wollen en met watten
-gevulde dekens, die men hem tot bescherming tegen de koude gaf, verscheurde hij in
-kleine stukjes, die hij bij zijn brood at. Hij was <span class="corr" id="xd31e7217" title="Bron: buigewoon">buitengewoon</span> morsig en van terugstootend karakter; men heeft hem nooit zien lachen. Den menschen
-vijandig, ging hij gaarne met honden en jakhalzen om. Doch ook zijn genegenheid voor
-deze was van een bijzonderen aard. Toen zijn eenige vriend, een groote hond, met welken
-hij samen at, werd doodgeschoten wegens al te groote vraatzucht, toonde hij niet de
-minste gemoedsbeweging.
-</p>
-<p>Een andere knaap, die in zijn derde levensjaar bij het twintig mijlen van Sultanpour
-gelegen dorp Chupra door een wolvin aan zijn moeder werd ontroofd, werd zeven jaar
-later in volkomen verdierlijkten toestand door twee <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>soldaten weder aan een wolfsfamilie ontroofd. Alle pogingen zijner moeder om den knaap
-weder uit zijn verdierlijkten toestand op te heffen, mislukten geheel. De arme vrouw
-zag zich genoodzaakt het menschdier aan de openbare liefdadigheid over te laten. De
-knaap hield zich over dag in het dorp op, maar ging ’s nachts geregeld in het naburige
-bosch slapen. Zijn voedsel bestond in rauw vleesch, hazen, vogels en allerlei soort
-van afval<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zijn dorst stilde hij door zijn gezicht vlak bij het water te brengen en dit dan
-op te zuigen. Zijn knieën en ellebogen waren door zijn gewoonte om alle vier ledematen
-bij het loopen te gebruiken, met een hoornachtige huid bedekt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Zijn lichaam stonk evenals dat der wolven. Hij verdween in 1850 bij zijn overbrenging
-van Sultanpour naar Lucknow en werd niet teruggezien.
-</p>
-<p>Wij gaan de geschiedenis van nog drie in Indië gevangen „wolfskinderen” voorbij, om
-nog even stil te staan bij het laatst bekend gewordene, zeer opmerkelijke geval.
-</p>
-<p>Een Hindoeknaap van omstreeks twaalf jaar, werd door twee soldaten evenals de beide
-vorigen in gezelschap van wolven aangetroffen en gevangen. Aan den zadelknop van zijn
-vanger vastgebonden, verscheurde hij diens kleederen, en hoewel men zijn handen had
-gebonden, gelukte het hem zijn overwinnaar gevaarlijk te bijten. Hij werd ter verpleging
-toevertrouwd aan den Rajah te Bondee, van wien hem Janoo, de bediende van een koopman
-uit Kasjmier, overnam. De knaap liep, hoewel hij, als hij er toe gedwongen werd, rechtop
-kon gaan, op handen en voeten. Onder de leiding van Janoo, die zijn beenen dagelijks
-met olie inwreef en masseerde, leerde hij spoedig als een menschelijk wezen loopen,
-maar de vosachtige stank die zijn lichaam eigen was, was niettegenstaande maanden
-lang voortgezette inwrijvingen met in water geweekt mosterdzaad niet te verwijderen;
-zelfs door onthouding van allen vleeschkost en uitsluitende voeding met rijst, peulvruchten
-en brood was daarin geen verbetering te brengen.
-</p>
-<p>Hij sliep onder een mangoboom, vastgebonden aan het veldbed van Janoo, die onder den
-zelfden boom zijn tent had opgeslagen. Op zekeren nacht bemerkte Janoo tot zijn schrik,
-dat twee wolven den slapenden knaap naderden en hem besnuffelden. Zij raakten hem
-aan, hij werd wakker, en zich opheffend, legde hij zijn handen op de koppen zijner
-bezoekers, die hem zijn aangezicht lekten. Zij sprongen om hem heên en hij wierp met
-stroo en bladeren naar hen. Janoo waande eerst zijn beschermeling verloren, maar overtuigde
-zich zeer spoedig, dat de wolven slechts met hem speelden. Hij zag het een tijd lang
-rustig aan, maar jaagde eindelijk de wolven weg. Deze kwamen echter reeds na korten
-tijd terug om het spel te hervatten. Den volgenden nacht kwamen drie, eenige nachten
-later zelfs vier van die ruwe speelkameraden. Zij kwamen in het geheel vijfmaal, zoodat
-ook Janoo eindelijk alle vrees voor hen verloor.
-</p>
-<p>Na den terugkeer van zijn principaal van een vrij langdurige reis was Janoo genoodzaakt
-drukke werkzaamheden te verrichten bij welke hij zijn pleegkind, dat hij met een touw
-aan zijn arm had bevestigd, als lastdrager zocht te gebruiken, door hem lasten op
-het hoofd te doen dragen. Bij elk boschje dat zij voorbij kwamen, beproefde de knaap
-zich van zijn last te bevrijden en in het boschje te ontvluchten. Door een behoorlijk
-pak slaag na elke dier pogingen, leerde hij dit echter langzamerhand af.
-</p>
-<p>De grootste moeilijkheid bestond daarin, hem aan het dragen van kleederen te gewennen
-daar hij die dikwijls verscheurde en geheel te gronde richtte, daar hij er zich evenals
-een dier mede schobde tegen muren, pilaren, boomen enz., zoodra zijn huid hem jeukte.
-Eenige maanden na de aankomst in <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>Lucknow werd Janoo door zijn heer voor eenige dagen voor zaken weggezonden. Bij zijn
-terugkeer was de knaap verdwenen en werd nimmer teruggezien.
-</p>
-<p>In Amerika heeft men herhaaldelijk in verschillende streken, ook in de laatste tientallen
-jaren, verwilderde kinderen gevangen, maar daaraan na bevrediging der nieuwsgierigheid
-verder geen nadere aandacht geschonken, zoodat zij spoedig weder vergeten waren en
-voor de wetenschap verloren gingen.
-<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e6263">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6263src">1</a></span> Zie b.v. over dit onderwerp Quatrefages, „<span lang="fr">Unité de l’Espèce Humaine</span>”, 1861, blz. 21, enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6263src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6269">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6269src">2</a></span> „<span lang="en">Dissertation on Ethical Philosophy</span>”, 1837, blz. 231, enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6269src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6279">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6279src">3</a></span> „<span lang="en">Metaphysics of Ethics</span>”, vertaald door J.&nbsp;W. Semple, Edinburg, 1836, blz. 136.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6279src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6287">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6287src">4</a></span> De heer Bain geeft een lijst („<span lang="en">Mental and Moral Science</span>”, 1836, blz. 543, 725) van zes-en-twintig Engelsche schrijvers die dit onderwerp
-hebben behandeld en wier namen aan elken lezer bekend zijn; bij deze moeten nog de
-naam van den heer Bain zelf en die van de heeren Lecky, Shadworth Hodgson, Sir J.
-Lubbock en nog meer anderen worden gevoegd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6287src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6295">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6295src">5</a></span> Nadat Sir B. Brodie („<span lang="en">Psychological Enquiries</span>”, 1855, blz. 192) heeft opgemerkt, dat de mensch een sociaal dier is, stelt hij de
-belangrijke vraag: „Behoort dit het twistpunt omtrent het bestaan van het zedelijk
-gevoel niet te beslissen?” Dergelijke denkbeelden zijn waarschijnlijk bij vele personen,
-evenals in lang verleden tijden bij Marcus Aurelius, opgekomen. De heer J.&nbsp;S. Mill
-spreekt in zijn beroemd werk, „<span lang="en">Utilitarianism</span>” (1864, blz. 46) van de aandrift tot het gezellige leven als van een „machtig natuurlijk
-gevoel” en als van „den grondslag der van het nuttigheidsbeginsel uitgaande zedeleer”;
-maar op de vorige bladzijde zegt hij: „indien mijn meening juist is, dat het zedelijk
-gevoel niet aangeboren, maar aangeleerd is, dan is het daarom nog niet minder natuurlijk.”
-Met beschroomdheid waag ik het, van een zoo diep denker in meening te verschillen,
-maar het kan moeielijk worden ontkend, dat de aandrift tot het gezellige leven bij
-de lagere dieren instinktmatig of aangeboren is; en waarom zou zij dat ook niet bij
-den mensch zijn? De heer Bain (zie b<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>v. „<span lang="en">The Emotions and the Will</span>”, 1865, blz. 481) en anderen gelooven, dat het zedelijk gevoel door elk individu
-gedurende zijn <span class="corr" id="xd31e6308" title="Bron: leveh">leven</span> wordt aangeleerd. Als men de algemeene ontwikkelingstheorie aanneemt, is dit minst
-genomen zeer onwaarschijnlijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6295src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6343">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6343src">6</a></span> „<span lang="de">Die Darwin’sche Theorie</span>”, blz. 101.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6343src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6355">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6355src">7</a></span> De heer R. Browne in „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc.</span>”, 1868, blz. 400.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6355src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6362">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6362src">8</a></span> Brehm, „<span lang="de">Thierleben</span>”, B. I, 1864, blz. 52, 79. Voor het verhaal van de apen die elkander doornen uittrekken,
-zie blz. 54. Wat de Hamadryas aangaat, die steenen omkeeren, dit feit wordt (blz.
-76) op autoriteit van Alvarez medegedeeld, wiens waarnemingen Brehm voor volkomen
-geloofwaardig houdt. Voor het geval van de oude mannetjes-bavianen die de honden aanvielen,
-zie blz. 79; voor dat van den arend, blz. 56.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6362src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6381">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6381src">9</a></span> „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist.</span>”, November 1868, blz. 382.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6381src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6393">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6393src">10</a></span> Sir J. Lubbock, „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 2nd. edit<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, blz. 447.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6393src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6403">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6403src">11</a></span> Aangehaald door den heer L.&nbsp;H. Morgan, „<span lang="en">The American Beaver</span>”, 1868, blz. 272. Kapitein Stansbury geeft ook een belangwekkend verhaal van de wijze,
-waarop een zeer jonge pelikaan<span class="corr" title="Bron: .">,</span> door een sterken stroom medegesleept, geleid, en in zijn pogingen om den oever te
-bereiken aangemoedigd werd door een zestal oude vogels.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6403src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6412">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6412src">12</a></span> Zooals de heer Bain zegt: „werkdadige hulp aan iemand die lijdt, ontspruit uit individueel
-medegevoel.” „<span lang="en">Mental and Moral Science</span>”, 1868, blz. 245.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6412src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6421">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6421src">13</a></span> „<span lang="de">Thierleben</span>”, B. I, blz. 85.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6421src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6431">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6431src">14</a></span> „<span lang="fr">De l’Espèce et de la Classe</span>”, 1869, blz. 97.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6431src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6443">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6443src">15</a></span> „<span lang="de">Die Darwin’sche Art-lehre</span>”, 1869, blz. 54.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6443src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6449">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6449src">16</a></span> Zie ook Hooker’s „<span lang="en">Himalayan Journals</span>”, vol. II, 1854, blz. 333.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6449src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6458">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6458src">17</a></span> Brehm, „<span lang="de">Thierleben</span>”, B. I, blz. 76.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6458src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6466">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6466src">18</a></span> Zie zijn uiterst belangwekkende verhandeling over „<span lang="en">Gregariousness in Cattle and in Man</span>”, „Macmillan’s Mag.”, Febr. 1871, blz. 353.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6466src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6499">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6499src">19</a></span> Zie het eerste en treffende hoofdstuk in Adam Smith’s „<span lang="en">Theory of Moral Sentiments</span>.” Insgelijks des heeren Bain’s „<span lang="en">Mental and Moral Science</span>”, <span class="pageNum" id="pb191n">[<a href="#pb191n">191</a>]</span>1868, blz. 244, en 275–282. De heer Bain beweert, dat „medegevoel indirect een bron
-van genoegen is voor hem die het ondervindt”; en hij brengt hierbij ook de wederkeerigheid
-in rekening. Hij merkt op, dat „de beweldadigde persoon, of anderen in zijn plaats,
-door hun wederkeerig medegevoel en goede diensten wellicht de geheele opoffering kunnen
-vergoeden.” Wanneer echter, zooals werkelijk het geval schijnt te zijn, medegevoel
-eigenlijk een instinkt is, zal de uitoefening daarvan rechtstreeks genoegen verschaffen,
-evenals de uitoefening van bijna elk ander instinkt doet, zooals wij hierboven reeds
-opmerkten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6499src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6520">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6520src">20</a></span> Dit feit werd volgens den weleerw. heer L. Jenyns (zie zijn uitgaaf van White’s „<span lang="en">Nat. Hist. of Selborne</span>”, 1853, blz. 204) het eerst vermeld door den beroemden Jenner in „<span lang="en">Phil. Transact.</span>”, 1824, en is sinds bevestigd door onderscheidene waarnemers, vooral door den heer
-Blackwall. Deze laatste zorgvuldige waarnemer onderzocht gedurende twee jaren laat
-in den herfst zes-en-dertig nesten; hij bevond, dat twaalf daarvan doode jonge vogels
-bevatten, <span class="pageNum" id="pb193n">[<a href="#pb193n">193</a>]</span>vijf bevatten eieren op het punt van uit te komen, en drie eieren die nog lang niet
-waren uitgebroed<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Vele vogels die nog niet oud genoeg zijn om lang achtereen te vliegen<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> worden insgelijks achtergelaten. Zie Blackwall, „<span lang="en">Researches in Zoology</span>”, 1834, blz. 108, 118. Voor nog meer bewijzen, hoewel die overbodig zijn, zie men
-Leroy, „<span lang="fr">Lettres Phil.</span>”, 1802<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> blz. 217.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6520src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6553">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6553src">21</a></span> Hume merkt op („<span lang="en">An Enquiry concerning the Principles of Morals</span>”, <span class="pageNum" id="pb195n">[<a href="#pb195n">195</a>]</span>uitgaaf van 1751, blz. 132): „Het schijnt noodzakelijk om te bekennen, dat het geluk
-en de ellende van anderen voor ons geen volkomen onverschillig schouwspel is, maar
-het gezicht van het eerste … ons heimelijke vreugde verschaft, terwijl de aanblik
-van de tweede … een zwaarmoedigen nevel voor onze verbeelding werpt”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6553src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6573">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6573src">22</a></span> „<span lang="en">Mental and Moral Science</span>”, 1868, blz. 254.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6573src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6603">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6603src">23</a></span> Ik heb één dergelijk geval medegedeeld, namelijk van drie Patagonische Indianen, die
-liever één voor één werden doodgeschoten dan de plannen hunner krijgsmakkers te verraden
-(„<span lang="en">Journal of Researches</span>”, 1845, blz. 103).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6603src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6616">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6616src">24</a></span> Vijandschap of haat schijnt ook een gevoel te zijn dat zeer moeilijk verdwijnt, moeilijker
-wellicht dan eenig ander dat kan worden genoemd. Nijd wordt bepaald als haat tegen
-een ander, omdat hij in het een of ander uitmunt of slaagt; en Baco zegt (Essay IX):
-„Van alle hartstochten is de nijd de lastigste en langdurigste.” Honden zijn zeer
-geneigd zoowel vreemde menschen als vreemde honden te haten, vooral indien zij dichtbij
-wonen, maar niet behooren tot het zelfde huisgezin, den zelfden stam of clan; dit
-gevoel schijnt dus aangeboren te zijn, en verdwijnt zeker uiterst moeilijk. Uit hetgeen
-wij van wilden hooren, zou men afleiden, dat ook bij deze iets van den zelfden aard
-bestaat. Indien dit zoo ware, zou het slechts een kleine stap voor iemand zijn om
-die gevoelens over te brengen op eenig lid van den zelfden stam, die hem had beleedigd
-of benadeeld en zijn vijand was geworden. Het is ook niet waarschijnlijk, dat het
-oorspronkelijke geweten iemand zou verwijten, dat hij zijn vijand schade had berokkend;
-eer zou het hem verwijten doen, als hij zich niet had gewroken. Kwaad met goed te
-vergelden, zijn vijand lief te hebben, is een zedelijke hoogte, waartoe men mag betwijfelen,
-of de sociale instinkten op zich zelven ooit zouden hebben geleid. Het was noodzakelijk
-dat deze instinkten, en tevens het medegevoel, zeer werden ontwikkeld en uitgebreid
-met behulp der rede, van het onderwijs en de liefde of vrees voor God, eer ooit aan
-zulk een gulden gebod kon worden gedacht of gehoorzaamd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6616src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6632">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6632src">25</a></span> „<span lang="en">Insanity in Relation to Law</span>”, <span class="corr" id="xd31e6637" title="Bron: Ontario, United States">London, Ontario</span>, 1871, blz. 14.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6632src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6649">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6649src">26</a></span> E.&nbsp;B. Tylor in „<span lang="en">Contemporary Review</span>”, April 1873, blz. 707.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6649src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6672">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6672src">27</a></span> Dr. Prosper Despine geeft in zijn „<span lang="fr">Psychologie Naturelle</span>”; tom. I, blz. 243, tom. II, blz. 169, verscheidene merkwaardige gevallen van de
-ergste misdadigers, die volstrekt geen geweten schijnen te hebben bezeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6672src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6691">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6691src">28</a></span> Zie een uitnemend artikel in de „<span lang="en">North British Review</span>”, 1867, blz. 395<span class="corr" id="xd31e6696" title="Bron: ,">.</span> Zie ook de artikelen van den heer W. Bagehot over <span lang="en">„The Importance of Obedience and Coherence to Primitive Man” in the „Fortnightly Review”</span>, 1867, blz. 529, en 1868, blz. 457 enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6691src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6703">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6703src">29</a></span> De uitgebreidste mededeeling die ik daarover heb gevonden, komt voor in Dr. Gerland’s
-werk „<span lang="de">Ueber das Aussterben der Naturvölker</span>”, 1868. Ik zal echter in een volgend hoofdstuk op den kindermoord terug moeten komen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6703src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6711">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6711src">30</a></span> Zie de zeer belangrijke bespreking van zelfmoord in Lecky’s „<span lang="en">History of European Morals</span>”, vol. I, 1869, blz. 223. Wat wilden aangaat, meldt de heer Winwood Reade mij, dat
-de negers van West-Afrika dikwijls zelfmoord begaan. Het is algemeen bekend, hoe algemeen
-die was onder de ongelukkige inboorlingen van Zuid-Amerika, na de verovering door
-de Spanjaarden. Voor Nieuw-Zeeland, zie de reis van de „Novara”, en voor de Aleutische
-eilanden, Müller, aangehaald door Houzeau, „<span lang="fr">Les Facultés Mentales</span>” enz. tome II, blz. 136.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6711src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6726">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6726src">31</a></span> Zie b.v. hetgeen de heer Hamilton over de Kaffers mededeelt „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, 1870, blz. XV.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6726src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6737">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6737src">32</a></span> De heer M’Lennan heeft („<span lang="en">Primitive Marriage</span>”, 1865, blz. 176) een groot aantal hierop betrekking hebbende feiten vermeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6737src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6745">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6745src">33</a></span> Lecky, „<span lang="en">History of European Morals</span>”, vol. I, 1869, blz. 109.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6745src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6751">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6751src">34</a></span> „<span lang="en">Embassy to China</span>”, vol. II, blz. 348.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6751src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6764">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6764src">35</a></span> Overvloedige bewijzen hiervan zijn te vinden in Hoofdstuk VII van Sir J. Lubbock’s
-„<span lang="en">Origin of Civilisation</span>”, 1870 (Ned. Vert. „De oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden,
-1876).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6764src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6772">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6772src">36</a></span> B. v. Lecky, „<span lang="en">Hist. European Morals</span>”, vol. I, blz. 124.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6772src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6783">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6783src">37</a></span> Deze uitdrukking wordt gebruikt in een uitnemend artikel in de „<span lang="en">Westminster Review</span>”, Oct. 1869, blz. 498. Over het „Beginsel van het grootste geluk”, zie J.&nbsp;S. Mill,
-„<span lang="en">Utilitarianism</span>”, blz. 17.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6783src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6792">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6792src">38</a></span> Mill erkent („<span lang="en">System of Logic</span>”, vol. II, blz. 422) op de duidelijkste wijze, dat handelingen kunnen worden volbracht
-uit gewoonte zonder het voorgevoel van genoegen. Ook de heer H. Sidgwick merkt in
-zijn „<span lang="en">Essay on Pleasure and Desire</span>” („<span lang="en">The Contemporary Review</span>”, April 1872, blz. 671) op: „Om kort te gaan, in tegenspraak met de leer, dat onze
-bewuste actieve aandriften altijd de strekking hebben om ons zelven aangename gewaarwordingen
-te bezorgen, houd ik vol, dat wij overal bij de bewuste wezens aandriften vinden die
-een strekking hebben buiten hen zelven gelegen, en zijn gericht op iets dat geen genoegen
-is; dat in vele gevallen de aandrift zoo onvereenigbaar is met het egoïsme, dat beide
-niet gemakkelijk gelijktijdig in ons bewustzijn kunnen bestaan.” Een duister gevoel,
-dat onze aandriften volstrekt niet altijd ontstaan uit het genoegen waarmede zij vergezeld
-gaan of waarop zij doen hopen, is volgens mijn overtuiging een der voornaamste oorzaken
-geweest van het aannemen der <span class="corr" id="xd31e6803" title="Bron: intuitieve">intuïtieve</span> theorie der zedelijkheid en van de verwerping van de utilitarische of „grootste geluk”
-theorie. Wat deze laatste theorie aangaat, zijn ongetwijfeld de maatstaf en de beweegreden
-van het gedrag dikwijls met elkander verward, maar zij hangen werkelijk tot op zekere
-hoogte innig met elkander samen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6792src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6824">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6824src">39</a></span> Goede voorbeelden hiervan geeft de heer Wallace in: „<span lang="en">Scientific Opinion</span>”, <span class="pageNum" id="pb210n">[<a href="#pb210n">210</a>]</span>15 Sept. 1869; en uitgebreider in zijn „<span lang="en">Contributions to the Theory of Natural Selection</span>”, 1870, blz. 353.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6824src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6844">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6844src">40</a></span> Tennyson, „<span lang="en">Idylls of the King</span>”, blz. 244.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6844src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6850">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6850src">41</a></span> „<span lang="en">The Thoughts of the Emperor M. Aurelius Antonius</span>”, Engelsche vertaling, 2de uitgaaf, 1869, blz. 112. Marcus Aurelius werd geboren
-in het jaar des Heeren 121.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6850src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6858">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6858src">42</a></span> Brief van den heer Mill in Bain’s „<span lang="en">Mental and Moral Science</span>”, 1868, blz. 722.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6858src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6888">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6888src">43</a></span> Een schrijver in de „<span lang="en">North British Review</span>” (Juli 1869, blz. 531) die zeer goed in staat is een gezond oordeel te vellen, drukt
-zich hierover sterk uit. De heer Lecky („<span lang="en">Hist. of Morals</span>”, vol. I, blz. 143) schijnt tot zekere hoogte dit gevoelen te deelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6888src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6899">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6899src">44</a></span> Zie zijn merkwaardig werk „<span lang="en">Hereditary Genius</span>”, 1869, blz. 349. De hertog van Argyll („<span lang="en">Primaeval Man</span>”, 1869, blz. 188) maakt eenige goede opmerkingen over den strijd tusschen goed en
-kwaad in ’s menschen natuur.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6899src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6931">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6931src">45</a></span> „<span lang="en">The Thoughts of Aurelius</span>” enz., blz. 139.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6931src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e6945">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e6945src">46</a></span> Wij zeggen met opzet „gewoonlijk.” Wanneer toch de oude koningin met een deel der
-bijen uit „zwermen” gaat, en een nieuwe koningin in den ouden korf heerscht, zullen,
-zoodra die jonge koningin op haar beurt moeder is geworden, de bijen in den ouden
-korf niet meer allen broeders en zusters van elkander zijn, maar er zullen er onder
-zijn die elkander als oom of tante en neef en nicht bestaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e6945src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7092">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7092src">47</a></span> Isidore Geoffroy St. Hilaire en Quatrefages. De eerste beweerde, tegen alle evidentie
-in, dat de mensch het eenige dier is, dat denkt: ook hij zocht daarenboven in het
-beginsel der moraliteit een qualitatief onderscheid tusschen mensch en dier.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7092src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7118">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7118src">48</a></span> Onder de oudere geschriften over dit onderwerp noemen wij:
-</p>
-<p lang="fr" class="footnote cont">„Histoire critique de l’âme des bêtes”, par mr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Guer. à Amsterdam, 1749.
-</p>
-<p class="footnote cont">D’Argensius (gelatiniseerd?), <span lang="fr">„Lettres cabbalistiques”, lib. IV, lettre 134</span>.
-</p>
-<p lang="fr" class="footnote cont">Bouiller, „Essai philosophique sur l’âme des bêtes”, 2 ed., Amsterdam 1737.
-</p>
-<p class="footnote cont">Reimarus, Hoogleeraar te Hamburg, „Algemeene Beschouwing van de driften der Dieren”,
-enz., uit het Hoogduitsch vertaald door J.&nbsp;W. van Haar, met een voorrede van Johan
-Lulofs, Hoogleeraar te Leiden, Leiden 1774.
-</p>
-<p class="footnote cont">„<span lang="de">Geschichte des menschlichen Verstandes</span>” (anoniem), Breslau (nuper 177.?).
-</p>
-<p class="footnote cont">’t Bovenstaande aangehaald in J.&nbsp;G.&nbsp;H. Feder, „<span lang="la">Homo natura non ferus, dissertatio philosophica</span>”, blz. 447 van „<span lang="la">Syntagma dissertationum ad philos. moralem pertinentium</span>”; Ed. M. Tydeman. Traj. ad Rh. 1777 4<sup>to</sup>.
-</p>
-<p class="footnote cont">J.&nbsp;H. Winkler, Prof. te Leipzig, „Philosophische Onderzoekingen over het bestaan en
-de natuur der ziel bij dieren.” In Nederl. Vert. 1765. „Dit Werkje vervat in zich
-datgene, waarover de Geleerde Heeren Martinus Schrok, Professor in de Philosophie
-te Groningen; Johan Lulofs, Professor te Leiden, in zijne Voorrede voor het werk van
-S. Reimarus, Professor te Hamburg; Adrianus Bradit, Predikant te Amsteldam; Bernardus
-Martinus, Predikant te Elspeet, en anderen, hunne Gevoelens de Geleerde Wereld hebben
-medegedeeld.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Een bibliographie over dit onderwerp gaf Dr. A. van der Linde in „Androcles, Tijdschrift
-aan de bescherming der dieren gewijd”, 1875 (afl. Mei?).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7118src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4s" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e367">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">Wallace over de hoogste geestvermogens van den Mensch,</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">DOOR
-</p>
-<p class="center">Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-</p>
-<p>In zijn werk „<span lang="en">Darwinism</span>”, Londen 1889, wijdt A.&nbsp;R. Wallace een hoofdstuk aan de „Afstamming van den Mensch.”
-Hij zegt daarin volkomen in te stemmen met Darwin’s besluit (in hoofdstuk VI van dit
-werk), dat de mensch in zijn lichamelijk maaksel wezenlijk met de hoogere zoogdieren
-overeenstemt, en dat de menschen en de anthropomorphe apen van dezen of genen gemeenschappelijken
-stamvader afstammen. De bewijzen daarvoor schijnen hem overstelpend en afdoende. Verder
-mag men volgens Wallace, ten minste voorloopig, aannemen, dat de wetten der variatie
-en natuurlijke teeltkeus, werkende door den strijd om het bestaan en de voortdurende
-behoefte om hoe langer hoe meer geschikt te worden voor zijn physische en biologische
-omgeving, de oorzaken zijn geweest, waardoor hij zijn eigenaardig lichamelijk maaksel
-en die groote, hoog-ontwikkelde hersenen verkreeg, die hem in staat hebben gesteld
-het geheele dieren- en plantenrijk aan zich te onderwerpen.
-</p>
-<p>Daarentegen schijnt het Wallace toe, dat, hoewel de rudimenten van de meeste, zoo
-niet van alle, verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch bij sommige dieren
-mogen worden aangetroffen, toch de ontwikkeling van sommige zijner hoogste geestvermogens
-niet door variatie, natuurlijke teeltkeus en den strijd om het leven kan worden verklaard,
-maar het gevolg moet zijn geweest van de inwerking eener geheel verschillende oorzaak.
-Als zoodanige geestvermogens noemt hij meer in het bijzonder:
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> De aanleg voor wiskunde. </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> De aanleg voor muziek en andere schoone kunsten. </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3.</span> De aanleg voor metaphysica. </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">4.</span> De aanleg voor boert en scherts. </li>
-</ul><p>
-<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p>
-<p>Al deze vermogens zijn bij wilden weinig of niet ontwikkeld. Boerten en schertsen
-doen zij bijna niet. Met metaphysische bespiegelingen houden zij zich niet veel op.
-Hun kunsten staan op zeer lagen trap, hun wiskunde beperkt zich tot tellen, dat soms
-niet verder dan drie schijnt te gaan. Er schijnt dus weinig tegen te zeggen te zijn,
-dat deze vermogens, in zoo ver zij zich bij de wilden openbaren door de beginselen
-van Darwin zijn te verklaren. Wallace zegt wel, dat inlandsche muziekkorpsen van wilde
-rassen <i>onder Europeesche leiding</i> onze beste moderne muziek op dragelijke wijze leeren spelen, en dus de <i>hoogere</i> muzikale vermogens bij die rassen in latenten toestand aanwezig schijnen te zijn,
-maar men zou o.i. evengoed kunnen beweren, dat die bij de zangvogels aanwezig zijn,
-omdat men sommigen daarvan aria’s uit opera’s kan leeren fluiten, of dat de papegaaien
-aanleg hebben voor de studie der doode talen, omdat Humboldt in Zuid Amerika een papegaai
-aantrof, die de taal van een uitgestorven Indianenstam sprak.
-</p>
-<p>Het bezwaar van Wallace betreft dus niet zoozeer de afstamming van den wilden mensch
-van het dier als de afstamming van den beschaafden mensch van den wilden. Zijn „hoogste
-vermogens”, waarvoor de inwerking eener bijzondere oorzaak zou zijn noodig geweest,
-vormen geen scherp verschil tusschen <i>dier</i> en <i>mensch</i> (de eenige quaestie, waarop het o<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>i. bij de bespreking van de afstamming van den mensch aankomt), maar wel tusschen
-den <i>wilden</i> mensch en den <i>beschaafden</i> mensch, die echter door tallooze overgangen zijn verbonden, en wier afstamming van
-gemeenschappelijke stamouders door niemand ooit is betwijfeld, of ten minste nooit
-op grond van hun verschil in beschavingstoestand voor onmogelijk, of voor slechts
-op bovennatuurlijke wijze verklaarbaar is gehouden.
-</p>
-<p>Laten wij echter de bewijsvoering van Wallace eenigszins meer in bijzonderheden nagaan.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>1. De aanleg voor wiskunde.
-</p>
-<p>Als wij aannemen, dat de voorhistorische en wilde mensch volstrekt geen aanleg voor
-wiskunde bezat, zou het hoogst moeilijk zijn te verklaren, hoe die aanleg ontstond.
-Nemen wij echter aan, dat hij de rudimenten van dien aanleg bezat, zooals het vermogen
-om tot tien te tellen, maar zonder het eenvoudigste rekenkunstige of wiskunstige vraagstuk
-te kunnen oplossen, hoe werd dan dit rudimentaire vermogen bij de moderne volken,
-die voor betrekkelijk korte eeuwen nog barbaren en wilden waren, zoo snel ontwikkeld
-tot een aanleg voor wiskunde als <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>die van een Newton, Gauss of La Place? De strijd om het leven van den wilde met de
-elementen, met de dierenwereld of met zijns gelijken kan daarop geen invloed hebben
-gehad, evenmin als de oorlogen der latere volken met elkander. De Grieken overwonnen
-de Perzen niet door hun meerdere kennis van wiskunde, maar door hun betere militaire
-geoefendheid, vaderlandsliefde en zelfopoffering. Tamerlan en Gengis-Khan veroverden
-Azië, maar geenszins omdat zij zelven of hun volgelingen meer kennis van wiskunde
-hadden dan de volken die zij overwonnen. De ingenieurskunst der Romeinen vereischte
-zeker eenige wiskundige kennis, maar deze verhinderde niet, dat zij den inval der
-barbaren, welke die wiskundige kennis niet bezaten, niet konden weêrstaan. Die barbaren,
-de Kelten, Germanen en Slaven, zijn, reeds vóór zij vorderingen in de wiskunde hadden
-gemaakt, gebleken in den grooten strijd tusschen de rassen, de geschiktsten te zijn
-om te overwinnen, en in dit opzicht de beschaafdste en wiskundig het meest ontwikkelde
-volken der oude wereld,—de Hindoes, Arabieren, Grieken en Romeinen te overtreffen.
-Wel hebben in de laatste eeuwen de afstammelingen dier barbaren, de Franschen, Duitschers,
-Engelschen, Nederlanders enz. zich in de wiskunde tot een vroeger ongekende hoogte
-ontwikkeld, maar hun voorspoed in en buiten Europa, als kolonisten en veroveraars,
-als individu’s of als natiën, kan volgens Wallace in geenen deele aan die ontwikkeling
-der wiskunde worden toegeschreven. Derhalve is de oorzaak dier ontwikkeling <i>niet</i> natuurlijke teeltkeus, maar een andere geheel verschillende.
-</p>
-<p>Wij kunnen geenszins toegeven, dat de ontwikkeling der wiskunde geen aandeel<span id="xd31e7305"></span> zou hebben in den voorspoed der moderne volken als veroveraars en kolonisten, als
-individu’s en als natiën. Die voorspoed toch is grootendeels het gevolg van hun betere
-krijgskunde en bewapening. En ieder weet, dat voor vestingbouwkunde en artilleriewetenschap,
-voor het uitvinden van nieuwe vuurwapenen en ontplofbare stoffen, wiskunde, werktuigkunde
-(die zich zonder wiskunde niet kan ontwikkelen) en scheikunde (die de beoefening van
-andere natuurwetenschappen onderstelt, voor welke wiskunde eveneens onmisbaar is)
-noodig zijn. Zonder vuurwapens geen succes tegenover de wilden, zelfs als individu,
-zonder werktuigkunde en natuurwetenschap geen vuurwapens, zonder wiskunde geen werktuigkunde
-en natuurwetenschap! De wiskunde, die de uitstekendste oefening voor het denkvermogen
-vormt, ontwikkelt daarenboven de hersenen, die het voornaamste werktuig zijn, waarmede
-<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>de mensch den strijd om het leven strijdt, en helpt hem daardoor krachtig bij het
-voeren van dien strijd, al moet de intellectueel meer ontwikkelde soms terugwijken
-voor meerdere physieke kracht en numerieke overmacht, gelijk in het geval der Romeinen
-en barbaren, waarbij daarenboven nog andere geheel verschillende oorzaken, zooals
-het innerlijke verval, ook in zedelijk opzicht, van het Romeinsche rijk bijdroegen
-om aan de barbaren de zege te verschaffen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>2. Muzikale en andere vermogens.
-</p>
-<p>Bij de wilden bestaat nauwelijks muziek in onzen zin, al scheppen zij ook behagen
-in den klank van trommen, bekkens, fluitjes enz. en al zingen zij ook eentonige liedjes.<a class="noteRef" id="xd31e7315src" href="#xd31e7315">1</a> De Egyptenaars worden voor de oudste beoefenaars der eigenlijke muziek gehouden;
-op hen volgden de Joden en Grieken, maar evenmin als de Romeinen hadden deze volken
-(volgens Wallace) eenig begrip van harmonie of van de wezenlijke gronden der moderne
-muziek. Sedert de vijftiende eeuw is de muziek zich eerst snel beginnen te ontwikkelen,
-maar voor den strijd om het leven is noch bij de oude volken, noch sedert de vijftiende
-eeuw de vooruitgang der muziek van eenige beteekenis geweest, en natuurlijke teeltkeus
-kan dus niet de oorzaak van dien vooruitgang zijn geweest.
-</p>
-<p>Darwin toont in het XIXde hoofdstuk van dit werk aan, dat de eerste ontwikkeling der
-muzikale vermogens waarschijnlijk met de seksueele teeltkeus in verband staat, zoodat
-het door Wallace bestreden gevoelen eigenlijk door niemand wordt verdedigd. Bij de
-latere ontwikkeling der muziek heeft ongetwijfeld de godsdienst een groote rol gespeeld.
-De krijgsmuziek eindelijk kan door den moed der krijgslieden aan te wakkeren wel degelijk
-hebben bijgedragen tot de overwinning, en dus tot het overleven der muzikaal het best
-begaafden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In allen gevalle vinden wij reeds in het dierenrijk de muzikale vermogens zeer ongelijk
-verdeeld, en is het de vraag of b.v. de zang van den nachtegaal niet even hoog staat
-boven het gekras van de (in het systeem eveneens onder de zangvogels gerangschikte)
-raaf als de beste moderne muziek boven het getrommel en de eentonige liederen der
-wilden, welke laatste zeker <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>in welluidendheid voor het gezang van den nachtegaal onderdoen.
-</p>
-<p>Wat de beeldende kunsten aangaat, de door de vóórhistorische menschen uit het Zuiden
-van Frankrijk vervaardigde teekeningen van dieren (mammouth, rendier enz.) worden
-ongetwijfeld in natuurlijkheid niet slechts, gelijk Wallace zegt, nauwelijks geëvenaard
-door die der hedendaagsche wilden, maar overtreffen zelfs menig kunstwerk uit den
-Oud Egyptischen tijd. De beeldhouwkunst bereikte haar toppunt in het Oude Griekenland,
-de schilderkunst in de dertiende tot de vijftiende eeuw in Italië. De bouwkunde, waarvan
-de eerste rudimenten, tot vroegen vóórhistorischen tijd opklimmen, daar de eenvoudigste
-hut immers reeds een gebouw is, schiep in Egypte en <span class="corr" id="xd31e7326" title="Bron: Assyro·Babylonië">Assyro-Babylonië</span> kolossale gedenkteekenen, maar bereikte in de oudheid, als schoone kunst beschouwd,
-haar toppunt eveneens in Griekenland, en in de Middeleeuwen in de gothische kerkgebouwen.
-</p>
-<p>Met den strijd om het leven en het overleven der geschiktsten staat die ontwikkeling
-der schoone kunsten echter in geen onmiddellijk verband. Griekenland’s ontwikkeling
-in de kunst belette niet, dat het door de in dat opzicht minder ontwikkelde Romeinen
-werd onderworpen, en de Engelschen, die stellig in begaafdheid voor de beeldhouwkunst
-voor de Italianen en Denen, voor de schilderkunst voor de Italianen, Spanjaarden,
-Franschen en Nederlanders, in de muziek voor de Duitschers en Italianen onderdoen,
-zijn toch de eerste koloniseerende natie der wereld geworden, en geen ras neemt tegenwoordig
-zoo sterk in aantal toe als juist het, wat de kunst aangaat, zoo middelmatig begaafde
-Angel-Saksische.
-</p>
-<p>De hooge ontwikkeling van den aanleg tot wiskunde als die voor de schoone kunsten
-schijnen het <i>resultaat</i> en <i>geenszins</i> een <i>oorzaak</i> van den socialen en intellectueelen vooruitgang te zijn. Dit willen wij Wallace toestemmen,
-ofschoon wij geenszins met hem medegaan in de nadere oorzaak welke hij voor die hooge
-ontwikkeling aanneemt, op welk punt wij straks terugkomen. Evenals een werktuig, met
-een bepaald doel gemaakt en verbeterd, daardoor dikwijls tevens voor andere, geheel
-verschillende doeleinden geschikter kan worden, een mes, gemaakt en geslepen om b.v.
-te snoeien, wordt door den vorm welken men aan het metaal heeft gegeven, en het slijpen
-tevens geschikter om andere voorwerpen dan takken te snijden, heeft de menschelijke
-geest, door den strijd om het bestaan voortdurend ontwikkeld, daarmede tegelijkertijd
-geschiktheid gekregen voor andere zaken, zooals kunst, die <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>veel bijdragen om het menschelijk leven te veraangenamen, maar in geen <i>rechtstreeksche</i> betrekking staan tot dien strijd om het bestaan, en waarvan men de eerste rudimenten
-reeds bij wilden, en wat de muziek en bouwkunst aangaat, ook in de dierenwereld aantreft.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><span class="sc">Wallace’s tweede bewijs, dat de aanleg voor de wiskunde en de schoone kunsten niet
-door natuurlijke teeltkeus zijn ontstaan.</span>
-</p>
-<p>Daar de natuurlijke teeltkeus de individu’s die een nuttig kenmerk bezitten, bewaart
-ten koste van het leven van die welke het niet of in geringe mate bezitten, is elk
-kenmerk, dat onder haar werking tot ontwikkeling is gekomen, vrij gelijkmatig over
-al de individu’s eener soort verdeeld. Als men de gemiddelde ontwikkeling van zulk
-een kenmerk op 100 stelt, zullen de variaties, gelijk Wallace in het derde hoofdstuk
-van zijn „<span lang="en">Darwinism</span>” heeft aangetoond, van 80 tot 120 (of iets meer als een zeer groot aantal individu’s
-wordt vergeleken) loopen, zoodat het bedrag der variatie omstreeks ⅕ tot ⅙ van de
-gemiddelde waarde is. Daarom bestaan ook alle vermogens, welke voor den mensch in
-zijn vroege ontwikkelingstrappen van hooge waarde zijn geweest,—zooals snel loopen,
-lichaamskracht, behendigheid in den wapenhandel, scherpte van zintuigen, vermogen
-om een spoor te volgen enz.,—bij alle wilden in eenigszins gelijkmatigen graad. Eveneens
-is het met de instinkten en verstandelijke eigenschappen van de dieren eener zelfde
-soort gesteld; elk winterkoninkje bouwt ongeveer een even goed nest, elke vos is nagenoeg
-even slim enz.
-</p>
-<p>Als vermogens die zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, uit den aard der zaak
-vrij gelijkmatig over alle individu’s eener soort moeten zijn verdeeld, kunnen wij
-omgekeerd besluiten, dat vermogens die zeer ongelijkmatig over de individu’s eener
-soort zijn verdeeld, niet kunnen zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
-</p>
-<p>De aanleg voor wiskunde en voor de schoone kunsten zijn zeer ongelijk verdeeld. Derhalve
-kan die aanleg niet zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
-</p>
-<p>Ten bewijze dat de aanleg voor wiskunde zelfs onder de beschaafde volken zeer ongelijkmatig
-is verdeeld, haalt Wallace de getuigenis van twee onderwijzers in de wiskunde aan
-Engelsche scholen aan, volgens <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>welke slechts één op de honderd jongens een bijzonderen aanleg voor de wiskunde heeft
-en het er ver in kan brengen, terwijl de groote meerderheid der bevolking er weinig
-of geen aanleg voor heeft en er niet het geringste belang in stelt. En als wij de
-grootte der variatie en aanleg voor wiskunde tusschen een wiskunstenaar van de eerste
-klasse en de meeste andere menschen wilden schatten, zou die aanleg volgens Wallace
-bij den eerste minstens honderd- en wellicht duizendmaal grooter zijn dan bij de laatsten.
-</p>
-<p>Wat den aanleg tot beeldende kunst betreft, is het resultaat het zelfde. Uit onderzoekingen,
-door Wallace op Engelsche scholen ingesteld, zou het aantal kinderen dat werkelijk
-aanleg heeft tot teekenen—dat afbeeldt wat het <i>ziet</i>, niet wat het <i>weet</i> dat de vorm der dingen is, dat van zelf in perspectief teekent, omdat het aldus is,
-dat het de voorwerpen ziet, dat in zijn teekeningen van zelf licht en schaduw aanbrengt
-en zich niet bepaalt tot omtrekken, dat herkenbare schetsen kan maken van al zijn
-bekenden—hoogstens een percent van het geheele aantal kinderen bedragen, en zou de
-aanleg tot teekenen bij een middelmatig artist minstens vijftig- of zelfs honderdmaal
-grooter zijn dan die van een gewone man of vrouw „die niet teekent en wiens pogingen
-om een of ander voorwerp af te beelden, eenvoudig belachelijk zijn.”
-</p>
-<p>Wat den aanleg voor muziek aangaat, deze is, in zijn lagere vormen, meer algemeen
-verspreid dan de beide vorige, en tegen één persoon die uit zich zelven, als het ware
-instinktmatig teekent, zijn er stellig vijf of tien die wat zingen of spelen zonder
-het te hebben geleerd. Een muziekmeester op een groote school verzekerde echter aan
-Wallace, dat slechts ongeveer één percent der menschen stellig muzikaal talent bezaten,
-en de muzikale aanleg van een groot componist zal die van een gewoon mensch stellig
-vele honderden en wellicht duizenden malen overtreffen.
-</p>
-<p>Derhalve moeten volgens Wallace de aanleg voor wiskunde, beeldende kunsten en muziek
-zijn verkregen door deze of gene oorzaak welke geheel van de natuurlijke teeltkeus
-verschilt.
-</p>
-<p>Het zelfde is volgens hem het geval met den aanleg voor metaphysica, welke ons in
-staat stelt afgetrokken begrippen te vormen, welke zoo verwijderd mogelijk van alle
-practische toepassing zijn, en de laatste oorzaken der dingen, den aard en de eigenschappen
-van stof, beweging en kracht, van ruimte en tijd, van oorzaak en gevolg, van wil en
-bewustzijn <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>te bespreken. Wilden houden volgens Wallace geen bespiegelingen over dergelijke afgetrokken
-en moeilijke vraagstukken, maar zoodra een volk beschaafd wordt en er een klasse van
-menschen ontstaat, die, hetzij als priesters of als wijsgeeren, niet in de noodzakelijkheid
-verkeeren te werken of een werkzaam aandeel aan den oorlog of het bestuur te nemen,
-vertoont zich plotseling die aanleg tot metaphysica, schoon zij, evenals de overige
-boven besproken vermogens, altijd tot een zeer klein gedeelte der bevolking beperkt
-blijft.
-</p>
-<p>Tot de zelfde klasse van vermogens behoort eindelijk ook de aanleg tot boert en scherts,
-het humoristische vermogen. Dit is het laatste dat Wallace in het bijzonder noemt,
-ofschoon hij blijkbaar schijnt te bedoelen, dat daarmede de opsomming dier vermogens
-nog niet volledig is.
-</p>
-<p>Ook Weismann bespreekt in zijn verhandeling over „Erfelijkheid” den oorsprong der
-„talenten” en komt, evenals Wallace, tot het besluit, dat zij niet door de natuurlijke
-teeltkeus kunnen zijn verkregen. „Die prae-disposities”, zegt hij, „welke wij talenten
-noemen, kunnen niet zijn ontstaan door natuurlijke teeltkeus, omdat het leven in geenen
-deele van het bezit daarvan afhankelijk is en er schijnt geen andere weg te bestaan
-om haar oorsprong te verklaren, dan door aan te nemen, dat de bekwaamheid in den loop
-van elk individueel leven verkregen, zich” (in den loop der generaties) „ophoopt.
-In dit geval schijnen wij dus op het eerste gezicht genoodzaakt te zijn de overerving
-van verworven kenmerken aan te nemen.” Weismann is echter van oordeel, dat de feiten
-deze meening niet steunen, en wijst er op, dat de aanleg voor wiskunde, beeldende
-kunst en muziek dikwijls plotseling verschijnt in een familie, waarvan de andere leden
-en voorouders zich in dit opzicht volstrekt niet onderscheidden, en dat zelfs, waar
-zulk een aanleg erfelijk is, hij dikwijls het sterkst optreedt in het begin of in
-het midden der reeks, en naar het einde daarvan niet toeneemt, gelijk men zou hebben
-mogen verwachten als hij met de overerving van verkregen bekwaamheid in verband stond.
-Na te hebben aangetoond, dat wiskundigen en kunstenaars van den eersten rang alleen
-optreden op een bijzonderen trap van menschelijke ontwikkeling, besluit hij als volgt:
-</p>
-<p>„Omtrent dit onderwerp wensch ik hier alleen bij te voegen, dat volgens mijn meening
-talenten niet het gevolg zijn van de ontwikkeling van deze of gene eigenschap van
-het verstand door voortdurende oefening, maar dat zij de uitdrukking en tot zekere
-hoogte het bijproduct <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>zijn van den menschelijken geest, die in alle richtingen zoo hoog ontwikkeld is.”
-</p>
-<p>Wallace, welke deze plaats van Weismann aanhaalt, is met diens verklaring van het
-vraagstuk in geenen deele tevreden. Hij meent, dat de bedoelde vermogens duidelijk
-wijzen op de aanwezigheid in den mensch van iets, dat hij niet aan zijn dierlijke
-voorouders heeft ontleend, en dat men het best zou kunnen aanduiden als <i>een wezen</i> van <i>geestelijken</i> aard of natuur, vatbaar om zich onder gunstige omstandigheden progressief te ontwikkelen,—dat
-zij verder duidelijk wijzen op een onzichtbaar heelal, een geestelijke wereld, waaraan
-deze stoffelijke wereld geheel ondergeschikt is.
-</p>
-<p>Zeker zullen velen onzer lezers hierin met voldoening de oude dualistische leer dat
-de mensch uit ziel en lichaam bestaat, terugvinden, en in Wallace’s verklaring een
-zinspeling meenen te zien op de dogma’s van den Christelijke godsdienst. Ten onrechte
-echter, want de juiste verklaring is dat de heer Wallace <i>spiritist</i> is. Als <i>hij</i> van de onzichtbare wereld der geesten (spirits) spreekt, bedoelt hij daarmede de
-klopgeesten die zich in dansende tafels enz. onder den invloed der mediums openbaren.
-Of het vermogen van boert of scherts onder den invloed der zoogenaamde „spotgeesten”
-is ontstaan, die, gelijk bekend is, bij de spiritistische openbaringen zulk een groote
-rol spelen, zegt hij echter niet! Gelijk men weet, zijn volgens spiritisten de klopgeesten
-zielen van afgestorvenen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Om na den dood als klopgeest te kunnen optreden, moet de ziel natuurlijk als zelfstandig
-geestelijk wezen reeds tijdens het leven van den mensch bestaan. Van waar nu de eerste
-geesten kwamen, die tijdens de mensch zich uit zijn dierlijke voorouders ontwikkelde,
-hem daarbij behulpzaam waren, blijft in ’t duister. Zielen van menschen kunnen die
-eerste geesten niet zijn geweest, want vóór de mensch zich had gevormd, bestonden
-er natuurlijk geen zielen van afgestorven menschen. Waren het dan de zielen van redelijke
-wezens die op andere wereldbollen hadden geleefd? Ook dit vraagpunt blijft in ’t duister!
-</p>
-<p>Dat Wallace, de zelfstandige mede-opsteller van Darwin’s theorie en een der scherpzinnigste
-natuuronderzoekers die ooit hebben geleefd, <i>spiritist</i> is, en wel spiritist met hart en ziel in de meest uitgestrekte beteekenis van dat
-woord, is boven elken twijfel verheven. Dat hij aan spookhuizen en de verschijning
-van spoken daarin, aan het verschijnen van geesten van afgestorvenen om hun bloedverwanten
-hun dood aan te kondigen, aan het dierlijk magnetisme <i>met inbegrip</i> van <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>helderzienheid (<i>clairvoyance</i>), aan odkracht enz. enz. gelooft, niet minder. Daarentegen is hij geen aanhanger
-der zoogenaamde reïncarnatieleer, (d.i. de leer der zielsverhuizing, der wedergeboorte
-in een nieuw menschelijk lichaam op aarde), maar neemt aan dat de menschelijke ziel
-zich na den dood in de geestenwereld tot het oneindige kan ontwikkelen, en er dus
-een zeer groot aantal geesten van verschillenden ontwikkelingsgraad bestaan, die de
-gaping tusschen mensch en God aanvullen. „De groote wet der <i>continuïteit</i> of van den samenhang van alles (als de laatste uitspraak der moderne wetenschap,
-welke in alle sferen der stof, der kracht en des geestes, zoover wij ze kunnen doorvorschen,
-absoluut schijnt te zijn) kan”, zegt Wallace aan het slot van het voorwoord van zijn
-werk „<span lang="en">The Scientific Aspect of the Supernatural</span>”, „onmogelijk ophouden te gelden, zoodra wij ons boven de enge sfeer van onzen gezichtseinder
-verheffen. Er kan geen oneindige afgrond bestaan tusschen den mensch en den grooten
-Geest van het Heelal; een dergelijke hypothese komt mij in de hoogste mate onwaarschijnlijk
-voor.”<a class="noteRef" id="xd31e7409src" href="#xd31e7409">2</a>
-</p>
-<p>Hoe geheel anders Darwin over het spiritisme dacht, blijkt uit het volgende uittreksel
-uit een brief, geschreven 18 Januari 1874, en betrekking hebbende op een spiritistische
-séance ten huize van zijn broeder Erasmus, 6 Queen Anne straat Londen, gehouden, met
-medewerking van een zeer bekend medium.
-</p>
-<p>„.….Laatst hadden wij op een achtermiddag veel pret; want George had een medium gehuurd,
-dat de stoelen, een fluit, een <span class="corr" id="xd31e7422" title="Bron: sche">schel</span>, een kandelaar en vuurvonken in mijn broeders eetvertrek rond liet springen op een
-wijze die iedereen in verbazing bracht en ademloos stil maakte. Het was in het duister,
-maar George en Hensleigh Wedgwood hielden voortdurend de handen en voeten van het
-medium aan weêrszijden vast. Ik vond het er zoo drukkend warm en vervelend, dat ik
-wegging, vóór al deze verbazende wonderen of goochelkunsten plaats hadden. Hoe de
-man bij mogelijkheid kon doen wat werd gedaan, gaat mijn begrip te boven. Ik kwam
-naar beneden en zag al de stoelen enz. <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>op de tafel staan, die over de hoofden van hen die er om heên zaten, opgelicht was
-geworden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>„De hemel zij ons genadig als wij aan zulken onzin<a class="noteRef" id="xd31e7431src" href="#xd31e7431">3</a> moeten gelooven. F. Galton was er bij en zegt dat het een goede séance was.….”
-</p>
-<p>Bedoelde séance gaf aanleiding, dat er een kleinere en met meer zorg ingerichte op
-touw werd gezet, waarbij Professor Huxley tegenwoordig was, die er aan Darwin rapport
-over uitbracht. Deze schreef daarop aan Huxley den volgenden brief:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first dateline">Down, 20 Januari 1874.
-</p>
-<p class="salute">„Waarde Huxley!
-</p>
-<p>„Het was zeer goed van U zulk een lang verslag voor mij te schrijven<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hoewel de séance U zoozeer verveelde, was zij, dunkt mij, de inspanning wel waard,
-daar de zelfde soort van zaken op alle séances worden gedaan, zelfs op die bij.….,
-en nu zouden voor mijn geest verbazend sterke bewijsgronden noodig zijn om iemand
-te doen gelooven dat het iets meer was dan bloote fopperij … Het doet mij genoegen
-als ik mij herinner, dat ik eergisteren aan mijn geheele huisgezin heb verklaard,
-dat hoe langer ik nadacht over hetgeen ik hoorde dat in Queen Anne straat was geschied,
-hoe meer ik overtuigd werd, dat het alles bedrog was .… mijn theorie was, dat [het
-medium] het zoo wist in te richten, dat de beide personen aan weêrszijden van hem
-elkanders handen vasthielden, in plaats van de zijne en hij daardoor vrij was om zijn
-kluchten uit te voeren. Ik ben zeer blijde, dat ik U mijn ukase uitvaardigde om er
-bij tegenwoordig te zijn.
-</p>
-<p class="signed">Uw toegenegen <br>Charles Darwin.”</p>
-</blockquote><p>
-<span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e7315">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7315src">1</a></span> Wij herinneren hier, dat er onder de oudheden uit de rendierperiode in het Zuiden
-van Frankrijk ook een zoogenaamde Pansfluit is gevonden, uit pijpen van verschillende
-lengte (en dus verschillende tonen gevende) samengesteld, een bewijs, dat de voorhistorische
-mensch aldaar wel degelijk verschillende modulaties met zijn instrument uitdrukte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7315src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7409">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7409src">2</a></span> Geschreven te Londen, Januari 1874. Een uittreksel van Wallace’s „<span lang="en">Scientific Aspect of the Supernatural</span>” (Het Bovennatuurlijke van een Wetenschappelijk Standpunt beschouwd) en een vrije
-bewerking van zijn verdediging van het hedendaagsche spiritisme („<span lang="en">Defence of modern Spiritualism</span>”) vindt men in het Nederlandsche werk „Een Nieuw Veld voor de Wetenschap”, ’s Gravenhage,
-Mensing en Visser, 1877. Geen lezer van dat werk zal in twijfel trekken, dat Wallace
-een volkomen overtuigd spiritist is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7409src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7431">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7431src">3</a></span> Eigenlijk staat er: <span lang="en">rubbish</span>, d.i. prullen, lorren. Deze brief en de volgende zijn ontleend aan „<span lang="en">Life and Letters</span>”, vol II, chapt. IX.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7431src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e378">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE
-EN BESCHAAFDE TIJDEN.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke teeltkeus.—Belangrijkheid
-van de nabootsing.—Sociale en zedelijke vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen
-van een zelfden stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken invloed
-uit.—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat verkeerden.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De onderwerpen die in dit hoofdstuk moeten worden besproken, zijn van het hoogste
-belang, maar worden door mij slechts hoogst onvolkomen stuksgewijze behandeld. De
-heer Wallace toont in een reeds vroeger aangehaalde verhandeling<a class="noteRef" id="xd31e7466src" href="#xd31e7466">1</a> aan, dat de mensch, nadat hij gedeeltelijk die verstandelijke en zedelijke vermogens
-had verkregen, welke hem van de lagere dieren onderscheiden, slechts weinig vatbaarheid
-moet hebben bezeten voor veranderingen in zijn lichamelijk maaksel door natuurlijke
-teeltkeus of andere middelen. Want de mensch is door zijn geestvermogens in staat
-„met een onveranderd lichaam in harmonie te blijven met het veranderd heelal.” Hij
-bezit een groot vermogen om zijn gewoonten te wijzigen naar de behoeften, door nieuwe
-levensvoorwaarden ontstaan<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hij vindt wapenen, werktuigen en verschillende listen uit, waarmede hij zich voedsel
-verschaft of zich verdedigt. Als hij naar een kouder klimaat verhuist, gebruikt hij
-kleederen, bouwt hutten en ontsteekt vuur; met behulp van het vuur kookt hij voedsel,
-dat anders onverteerbaar zou zijn. Zelfs in een lang vervlogen tijdperk maakte hij
-eenigszins gebruik van de verdeeling van den arbeid.
-</p>
-<p>Bij de lagere dieren moet daarentegen het maaksel van het lichaam worden gewijzigd,
-willen zij bij sterk veranderde levensvoorwaarden blijven bestaan. Zij moeten sterker
-worden of scherper tanden of klauwen verkrijgen om zich tegen hun vijanden te verdedigen;
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>of zij moeten in grootte afnemen om aan ontdekking en gevaar te ontkomen. Als zij
-naar een kouder klimaat verhuizen, moeten zij met een dikker pels worden bekleed of
-hun gestel moet veranderen. Wanneer zij dergelijke wijzigingen niet ondergaan, zullen
-zij ophouden te bestaan.
-</p>
-<p>Met de verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch is het, zooals de heer
-Wallace terecht heeft beweerd, geheel anders gesteld. Deze vermogens zijn variabel,
-en wij hebben alle reden om te gelooven, dat die variaties een neiging tot erfelijkheid
-hebben. Als zij daarom vroeger van hoog belang waren voor den oorspronkelijken mensch
-en zijn op apen gelijkende voorouders, moeten zij door natuurlijke teeltkeus meer
-volkomen gemaakt en vooruitgegaan zijn. Over de hooge belangrijkheid der verstandelijke
-vermogens kan geen twijfel bestaan; want de mensch heeft daaraan voornamelijk zijn
-verheven plaats op aarde te danken. Wij kunnen nagaan, dat in den ruwsten staat der
-maatschappij, de individu’s die het scherpzinnigst waren, die de beste wapenen en
-vallen uitvonden en gebruikten, en die het best in staat waren zich te verdedigen,
-het talrijkste kroost moesten voortbrengen. De stammen die de meeste aldus begaafde
-mannen bezaten, moesten in aantal toenemen en andere stammen verdringen. Het aantal
-menschen hangt oorspronkelijk van de hoeveelheid levensmiddelen af, en deze gedeeltelijk
-van de natuurlijke gesteldheid van het land, maar in veel grooter mate van de kunsten
-die daar worden beoefend. Als een stam vermeerdert en overwint, wordt hij verder nog
-dikwijls vermeerderd, doordat andere stammen met hem samensmelten.<a class="noteRef" id="xd31e7480src" href="#xd31e7480">2</a> De lichaamsgrootte en spierkracht van een stam zijn eveneens van belang voor zijn
-voorspoed, en deze hangen gedeeltelijk van den aard en de hoeveelheid voedsel af,
-die kan worden verkregen. In Europa werden de menschen van den bronstijd verdrongen
-door een machtiger ras, dat, te oordeelen naar de gevesten hunner zwaarden, grootere
-handen bezat<a class="noteRef" id="xd31e7486src" href="#xd31e7486">3</a>, maar de voorspoed van dit laatste was waarschijnlijk in veel hooger mate daaraan
-te danken, dat zij veel verder in de kunsten waren gevorderd.
-</p>
-<p>Al wat wij van wilde volksstammen weten, of af mogen leiden <span class="corr" id="xd31e7494" title="Bron: nit">uit</span> hun overleveringen en uit oude gedenkteekenen, waarvan de geschiedenis <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>door de tegenwoordige bewoners volkomen is vergeten, bewijst, dat sedert de vroegste
-tijden voorspoedige stammen andere stammen hebben verdrongen. Overblijfselen van uitgestorven
-of vergeten stammen zijn overal op aarde ontdekt, zoowel in beschaafde landen als
-in de woeste vlakten van Amerika en op de eenzame eilanden van den Stillen Oceaan.
-In den tegenwoordigen tijd verdringen de beschaafde volken overal de onbeschaafde,
-behalve waar het klimaat een doodelijken slagboom daartegen opwerpt, en zij slagen
-daarin voornamelijk, hoewel niet uitsluitend, door hun kunsten, die voortbrengselen
-zijn van het verstand. Het is daarom hoogst waarschijnlijk, dat bij het menschelijk
-geslacht de verstandelijke vermogens trapsgewijze volkomener zijn geworden door natuurlijke
-teeltkeus; en dit besluit is genoegzaam voor ons doel. Ongetwijfeld zou het zeer belangwekkend
-zijn geweest, om de ontwikkeling van elk afzonderlijk vermogen te schetsen van den
-toestand waarin het zich bij lagere dieren bevindt, af, tot dien waarin het bij den
-mensch bestaat, toe; maar ik bezit noch genoegzame bekwaamheid, noch <span class="corr" id="xd31e7499" title="Bron: genoegnoegzame">genoegzame</span> kennis om dit te beproeven.
-</p>
-<p>Het verdient opmerking, dat zoodra de voorouders van den mensch een gezellige levenswijze
-aannamen (en dit geschiedde waarschijnlijk in een zeer vroeg tijdperk), de vooruitgang
-der verstandelijke vermogens in hooge mate geholpen en gewijzigd moet zijn op een
-wijze, waarvan wij bij de lagere dieren slechts sporen zien, namelijk door het beginsel
-van nabootsing, verbonden met rede en ondervinding. Apen bezitten, evenals de laagste
-wilden, de aandrift tot nabootsing in zeer hooge mate; en het vroeger aangehaalde
-feit, dat na eenigen tijd geen dier op de zelfde plaats in de zelfde soort van val
-kan worden gevangen, bewijst alleen reeds, dat dieren door ondervinding leeren en
-elkanders omzichtigheid navolgen. Indien nu één man in een stam, die scherpzinniger
-dan de anderen was, eene nieuwe list of wapen, of andere middelen van aanval of verdediging
-uitvond, moest eenvoudig het eigenbelang zonder behulp van veel redeneering de andere
-leden van den stam aandrijven om hem na te volgen, en zoo moesten allen er voordeel
-uit trekken. De voortdurende uitoefening van een nieuwe kunst moest ook eenigermate
-het verstand versterken. Als de nieuwe uitvinding belangrijk was, moest de stam in
-aantal toenemen, zich uitbreiden en andere stammen verdringen. In een op die wijze
-talrijker geworden stam moest altijd meer kans bestaan op de geboorte van meer scherpzinnige
-en vindingrijke leden dan bij andere <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>stammen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Indien dergelijke mannen kinderen nalieten, die hun verstandelijke meerderheid erfden,
-moest de kans op de geboorte van nog vernuftiger leden iets grooter en in een zeer
-kleinen stam stellig grooter worden. Zelfs als zij geen kinderen achterlieten, bevatte
-de stam toch nog hun bloedverwanten; en de veefokkers verzekeren, dat men, door de
-bloedverwanten van een dier, dat bij het slachten goed was bevonden, uit te kiezen
-en met elkander voort te doen telen, het gewenschte kenmerk heeft verkregen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Laten wij thans overgaan tot de sociale en zedelijke vermogens. De oorspronkelijke
-<span class="corr" id="xd31e7512" title="Bron: mensehen">menschen</span> of de op apen gelijkende voorouders van den mensch moesten, om een gezellige levenswijze
-aan te nemen, eerst de zelfde instinktmatige gevoelens verkrijgen, die andere dieren
-aandrijven om in gezelschap te leven; en vertoonden ongetwijfeld de zelfde algemeene
-neigingen. Zij moeten zich onaangenaam aangedaan hebben gevoeld als zij van hun makkers,
-voor welke zij een zekere mate van genegenheid koesterden, werden gescheiden; zij
-moeten elkander voor gevaar gewaarschuwd en bij den aanval en de verdediging geholpen
-hebben. Dit alles sluit een zekere mate van sympathie, trouw en moed in zich. Dergelijke
-sociale hoedanigheden, wier hooge belangrijkheid voor de lagere dieren door niemand
-wordt betwist, werden ongetwijfeld door de voorouders van den mensch op gelijksoortige
-wijze verkregen, namelijk door natuurlijke teeltkeus, geholpen door overgeërfde gewoonte.
-Als twee stammen van oorspronkelijke menschen, die in hetzelfde land woonden, elkanders
-mededingers waren, en als een dier stammen (de overige omstandigheden de zelfde zijnde)
-een grooter aantal moedige, medegevoel bezittende en getrouwe leden bezat, die altijd
-bereid waren om elkander voor gevaar te waarschuwen, te helpen en te verdedigen, moest
-die stam ongetwijfeld het best slagen en de andere overwinnen. Dat men steeds bedenke,
-van hoe hoog belang bij de onophoudelijke oorlogen der wilden trouw en moed moeten
-zijn. Het voordeel, dat gedisciplineerde soldaten over ongedisciplineerde hebben,
-is voornamelijk het gevolg van het vertrouwen dat elk hunner op zijn makkers stelt.
-Gehoorzaamheid is, zooals de heer Bagehot zeer juist heeft aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e7515src" href="#xd31e7515">4</a>, van de hoogste waarde; want de een of andere vorm van <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>bestuur is beter dan in het geheel geen. Zelfzuchtige en twistzieke menschen zijn
-niet eensgezind, en zonder eendracht kan niets tot stand worden gebracht. Een stam
-die de bovengenoemde hoedanigheden in hooge mate bezat, moest zich uitbreiden en andere
-stammen overwinnen; maar in den loop der tijden moest hij, te oordeelen naar al wat
-wij van de geschiedenis van vroegere eeuwen weten, op zijn beurt onderdoen voor den
-eenen of anderen nog hooger begaafden stam. Zoo was er kans, dat de sociale en zedelijke
-hoedanigheden langzamerhand vooruitgingen en zich over de wereld verspreidden.
-</p>
-<p>Men zou echter kunnen vragen, hoe het kwam, dat binnen de grenzen van een zelfden
-stam een groot aantal leden voor het eerst met deze sociale en zedelijke hoedanigheden
-begaafd werden, en op welke wijze deze hoedanigheden hoe langer hoe uitnemender werden.
-Het is uiterst twijfelachtig, of de meer medegevoel bezittende en welwillende menschen,
-of zij die het getrouwst waren aan hun makkers, een grooter aantal kinderen moesten
-nalaten, dan de zelfzuchtige en verraderlijke leden van den zelfden stam. Hij die
-bereid was zijn leven op te offeren, zooals menig wilde is geweest, liever dan zijn
-makkers te verraden, moest dikwijls geen kinderen nalaten die zijn edele inborst konden
-erven. De dapperste mannen die altijd bereid waren om in den oorlog aan de spits te
-staan en vrijwillig hun leven voor anderen op te offeren, moesten gemiddeld in grooter
-getale omkomen dan andere menschen. Daarom schijnt het nauwelijks mogelijk (als men
-bedenkt, dat wij hier niet spreken van éénen stam, die een anderen overwint), dat
-het aantal der mannen, met dergelijke deugden begaafd, toegenomen, of dat die deugden
-zelf hooger ontwikkeld zouden zijn door natuurlijke teeltkeus, dat is, door het overleven
-van hen die ze in de hoogste mate bezaten.
-</p>
-<p>Hoewel de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vermeerdering van het aantal
-der dus begaafde menschen in den zelfden stam, te ingewikkeld zijn om dadelijk te
-worden nagegaan, kunnen wij echter eenige waarschijnlijke stappen aangeven. In de
-eerste plaats moest, zoodra de redeneerkracht en het vooruitziend vermogen der leden
-vooruitgingen, elk man spoedig door ondervinding leeren, dat hij, als hij zijn medemenschen
-hielp, gewoonlijk wederkeerig door hen werd geholpen. Door deze lage beweegreden verkreeg
-hij wellicht de gewoonte om zijn makkers te helpen, en de gewoonte om welwillende
-handelingen te volbrengen versterkt ongetwijfeld het medegevoel, dat den eersten <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>stoot aan welwillende handelingen geeft. Daarenboven hebben gewoonten die gedurende
-vele geslachten zijn gevolgd, een neiging tot erfelijkheid.
-</p>
-<p>Er is echter een ander en veel machtiger prikkel voor de ontwikkeling der sociale
-deugden, namelijk, de lof en de afkeuring onzer medemenschen. De begeerte naar lof
-en de vrees voor schande berusten oorspronkelijk, zooals wij reeds hebben gezien,
-op het instinkt van medegevoel; en dit instinkt werd ongetwijfeld, evenals alle andere
-sociale instinkten, oorspronkelijk verkregen door natuurlijke teeltkeus. In hoe vroeg
-een tijdperk de voorouders van den mensch in den loop van hun ontwikkeling voor het
-eerst vatbaar werden om gevoelig te zijn voor en te worden aangedreven door den lof
-en de afkeuring hunner medeschepselen, kunnen wij natuurlijk niet zeggen. Het schijnt
-echter, dat zelfs honden gevoelig zijn voor aanmoediging, lof en afkeuring. De ruwste
-wilden bezitten het gevoel van roem, zooals zij duidelijk toonen door de zegeteekenen
-hunner heldendaden te bewaren, door hun gewoonte van bovenmate te snoeven en zelfs
-door de groote zorg die zij aan hun uiterlijk aanzien en versierselen besteden; want,
-wanneer zij geen prijs stelden op de meening hunner makkers, zouden dergelijke gewoonten
-zinneloos zijn.
-</p>
-<p>Zij gevoelen ongetwijfeld schaamte, wanneer zij een hunner zedelijke regels overtreden;
-maar in hoe verre zij ook berouw ondervinden, is twijfelachtig. Ik was eerst verwonderd,
-dat ik mij niet kon herinneren ooit eenig voorbeeld van dit gevoel bij wilden te hebben
-opgeteekend gevonden, en Sir J. Lubbock getuigt<a class="noteRef" id="xd31e7538src" href="#xd31e7538">5</a>, dat ook hem daarvan geen voorbeeld bekend is. Als wij echter alle gevallen uit onzen
-geest verbannen die in romans en tooneelspelen en in bekentenissen, op het sterfbed
-aan priesters gedaan, worden medegedeeld, betwijfel ik, of velen van ons in den tegenwoordigen
-tijd getuige zijn geweest van een oprecht berouw; hoewel wij dikwijls schaamte en
-droefheid over geringe misdrijven hebben gezien. Berouw is een diep verborgen gevoel.
-Het is niet te gelooven, dat een wilde die liever zijn leven zou opofferen, dan zijn
-stam te verraden, of die zich liever gevangen wil geven, dan zijn woord te breken,
-geen berouw zou gevoelen in het binnenste van zijn ziel, hoewel hij het ook verborgen
-mocht houden, als hij een plicht had verzuimd, dien hij voor heilig hield.
-<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p>
-<p>Wij mogen daarom besluiten, dat in een zeer verwijderd tijdperk de lof of de afkeuring
-zijner makkers op den oorspronkelijken mensch invloed moet hebben uitgeoefend<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het is duidelijk, dat de leden van den stam een gedrag dat hun voorkwam voordeelig
-te zijn voor het algemeene welzijn, goedkeuren, en handelingen die daarmede in strijd
-waren, afkeuren moesten. Anderen goed te doen,—anderen te behandelen, zooals men zelf
-wenscht door hen te worden behandeld,—is de hoeksteen der zedelijkheid. Het is daarom
-nauwelijks mogelijk de belangrijkheid van de begeerte naar lof en de vrees voor afkeuring
-gedurende onbeschaafde tijden te hoog te schatten. Iemand die niet door eenig diep
-instinktmatig gevoel werd gedreven om zijn leven voor het welzijn van anderen op te
-offeren, maar toch tot dergelijke daden werd aangezet door de zucht naar roem, moest
-door zijn voorbeeld de zelfde zucht naar roem bij anderen opwekken en door oefening
-het edel gevoel van bewondering versterken. Hij deed zoo wellicht veel meer goed aan
-zijn stam, dan door kinderen te verwekken, die aanleg bezaten om zijn eigen verheven
-karakter te erven.
-</p>
-<p>Met vermeerderde ondervinding en rede, begrijpt de mensch de meer verwijderde gevolgen
-zijner handelingen, en de op het individu zelf betrekking hebbende deugden, zooals
-matigheid, kuischheid enz., die in vroege tijden, zooals wij hierboven zagen, zeer
-weinig in aanzien stonden, komen in hooge achting of worden zelfs voor heilig gehouden.
-Ik behoef echter niet te herhalen wat ik hierover in het derde hoofdstuk heb gezegd.
-Ten slotte bestaat onze zedelijke zin of geweten uit een zeer samengesteld gevoel,
-dat zijn eersten oorsprong vindt in de sociale instinkten, in hooge mate geleid door
-de goedkeuring onzer medemenschen, bestuurd door rede, eigenbelang, en in latere tijden
-door diepe godsdienstige gevoelens, bevestigd door onderwijs en gewoonte.
-</p>
-<p>Men moet niet uit het oog verliezen, dat, hoewel een groote zedelijke ontwikkeling
-ieder individu en diens kinderen slechts weinig of geen voordeel boven de andere menschen
-van den zelfden stam geeft, een algemeene vooruitgang in zedelijke ontwikkeling en
-een vermeerdering van het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen echter ongetwijfeld
-aan een stam een zeer groot voordeel boven andere zal geven. Het valt niet te betwijfelen,
-dat een stam die vele leden bevatte, welke, daar zij een groote mate van vaderlandslievenden
-geest, trouw, gehoorzaamheid, moed en medegevoel bezaten, altijd bereid waren elkander
-te helpen en zich voor het algemeen welzijn op te offeren, andere <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>stammen zou overwinnen, en dit zou natuurlijke teeltkeus zijn. Ten allen tijde en
-overal op aarde hebben stammen andere stammen verdrongen; en daar zedelijkheid een
-der elementen van hun slagen is, moet de zedelijke ontwikkeling en het aantal zedelijk
-hoog ontwikkelde menschen overal een neiging tot vergrooting en vermeerdering hebben.
-</p>
-<p>Het is echter zeer moeielijk zich eenig oordeel er over te vormen, waarom deze of
-gene bijzondere stam en niet een andere voorspoedig geweest en geklommen is op de
-ladder der beschaving<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Vele wilden zijn in den zelfden toestand als toen zij verscheidene eeuwen geleden
-werden ontdekt. Zooals de heer Bagehot heeft opgemerkt, zijn wij geneigd om vooruitgang
-als den normalen regel der menschelijke maatschappij te beschouwen; maar de geschiedenis
-spreekt dit tegen. De Ouden dachten daaraan zelfs niet; en evenmin doen dit tegenwoordig
-de volken in het Oosten. Volgens een andere groote autoriteit, den heer Maine<a class="noteRef" id="xd31e7558src" href="#xd31e7558">6</a>, „heeft het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht nooit eenige de minste
-begeerte aan den dag gelegd naar verbetering van zijn maatschappelijke instellingen.”
-Vooruitgang schijnt af te hangen van de samenwerking van vele gunstige omstandigheden,
-veel te ingewikkeld om ze geheel te doorgronden. Het is echter reeds dikwijls opgemerkt,
-dat een koud klimaat, omdat het tot nijverheid en de beoefening van verschillende
-kunsten leidt, daartoe zeer bevorderlijk of zelfs onmisbaar is geweest. De Eskimo’s
-zijn, door harde noodzakelijkheid gedrongen, in vele vernuftige uitvindingen geslaagd,
-maar hun klimaat was te streng voor voortdurenden vooruitgang. Een nomadische levenswijze,
-hetzij in uitgestrekte vlakten of in de dichte bosschen der tropische gewesten of
-langs de stranden der zee, is in elk geval daarvoor zeer nadeelig geweest. Toen ik
-de onbeschaafde bewoners van Vuurland waarnam, trof het mij, dat het bezit van eenig
-eigendom, een vaste woonplaats en de vereeniging van vele huisgezinnen onder één opperhoofd
-de onmisbare vereischten voor beschaving waren. Dergelijke gewoonten maken de bebouwing
-van den grond bijna noodzakelijk; en de eerste stappen tot den landbouw waren waarschijnlijk,
-zooals ik elders<a class="noteRef" id="xd31e7570src" href="#xd31e7570">7</a> heb aangetoond, het gevolg van een of ander toeval, zooals van het vallen van zaden
-van een vruchtboom op een hoop afval en het daardoor voortgebracht worden van een
-buitengewoon <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>schoone verscheidenheid. Het vraagstuk, hoe de wilden er toe zijn gebracht om hun
-eerste schreden op de baan der beschaving te zetten, is echter tegenwoordig nog veel
-te moeielijk om te worden opgelost.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>De natuurlijke teeltkeus heeft ook op beschaafde volken invloed.</i><span class="corr" id="xd31e7579" title="Bron: ">—</span>Tot dusver heb ik den vooruitgang van den mensch slechts beschouwd van een half-menschelijken
-staat tot den toestand waarin zich de tegenwoordige wilden bevinden. Het zal echter
-wellicht de moeite waard zijn om hier eenige opmerkingen over de werking der natuurlijke
-teeltkeus op beschaafde volken bij te voegen. Dit onderwerp is op uitnemende wijze
-besproken door den heer W.&nbsp;R. Greg<a class="noteRef" id="xd31e7582src" href="#xd31e7582">8</a> en vroeger door de heeren Wallace en Galton.<a class="noteRef" id="xd31e7604src" href="#xd31e7604">9</a> Mijn meeste opmerkingen zijn aan deze drie schrijvers ontleend. Bij wilden worden
-zij die zwak van lichaam of geest zijn, spoedig geëlimineerd; en de overlevenden bezitten
-gewoonlijk een krachtige gezondheid. Wij beschaafden doen daarentegen ons uiterste
-best om de eliminatie tegen te gaan; wij bouwen gestichten voor krankzinnigen, idioten,
-verminkten en zieken; wij maken armenwetten, en onze geneeskundigen doen hun uiterste
-best om ieders leven zoo lang mogelijk te rekken. Er bestaat reden om te gelooven,
-dat de koepokinenting duizenden in het leven heeft behouden, die vroeger door hun
-zwak gestel aan de kinderpokken zouden zijn bezweken. Op die wijze worden de zwakke
-leden der beschaafde maatschappijen in staat gesteld hun soort voort te planten. Niemand
-die acht heeft geslagen op de voortteling onzer huisdieren, zal betwijfelen, dat zulks
-hoogst nadeelig op het menschenras moet inwerken. Het is verwonderlijk hoe spoedig
-gemis aan zorg of verkeerd bestede zorg tot ontaarding van een huisdierras leiden;
-maar, behalve in het geval van den mensch, is niemand zoo onwetend, dat hij zijn slechtste
-dieren toelaat zich voort te planten.
-<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p>
-<p>De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven, is voornamelijk
-een <span class="corr" id="xd31e7619" title="Bron: bijk6mend">bijkomend</span> gevolg van het instinkt van medegevoel, dat oorspronkelijk werd verkregen als een
-deel der sociale instinkten, maar later op de vroeger aangetoonde wijze teederder
-en over een ruimer kring verspreid werd. Wij zouden dat medegevoel ook niet kunnen
-beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden genoodzaakt, zonder
-dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade door leed. De heelmeester mag zich
-harden, terwijl hij een operatie doet; want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn
-patiënt handelt; maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk veronachtzaamden,
-zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig voordeel te verkrijgen door een
-zeker en groot tegenwoordig kwaad. Wij moeten daarom zonder ons er over te beklagen
-dulden, dat de zwakken blijven leven en hun soort voortplanten; maar er schijnt ten
-minste één beletsel tegen de voortdurende werking daarvan te bestaan, namelijk dat
-de zwakkere en mindere leden van de maatschappij niet zoo gemakkelijk huwen als de
-gezonden; en dit beletsel zou onbepaald kunnen worden vergroot, zoo de zwakken naar
-lichaam en geest zich van het huwelijk onthielden, hoewel dit meer is te hopen dan
-te verwachten.
-</p>
-<p>In ieder land waar men er een groot staand leger op nahoudt, vallen de fraaiste jonge
-mannen in de loting of worden aangeworven. Zij zijn daardoor blootgesteld aan een
-vroegen dood gedurende den oorlog, worden dikwijls tot losbandigheid verleid en zijn
-verhinderd te trouwen gedurende den bloeitijd van het leven. De kortere en zwakkere
-mannen met slechte gestellen worden t’huis gelaten en hebben derhalve een veel betere
-kans om te huwen en hun soort voort te planten.<a class="noteRef" id="xd31e7624src" href="#xd31e7624">10</a>
-</p>
-<p>De mensch verzamelt eigendom en laat dien aan zijn kinderen na, zoodat de kinderen
-van de rijken een voordeel boven die der armen hebben in den wedstrijd van het leven,
-onafhankelijk van lichamelijke of geestelijke meerderheid. Van den anderen kant komen
-kinderen van ouders die kort leven en dus door elkander genomen slechter van gezondheid
-en zwakker zijn, spoediger in het bezit van hun eigendom dan andere kinderen, en zullen
-kans hebben vroeger te huwen en een grooter aantal kinderen na te laten om hun slechtere
-gestellen te <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>erven. Doch de erfelijkheid van eigendom is op zich zelf ver van een nadeel, want
-zonder de opeenstapeling van kapitaal zouden de kunsten niet kunnen vooruitgaan; en
-het is voornamelijk door de macht van deze laatsten, dat de beschaafde rassen zich
-hebben uitgebreid en zich tegenwoordig nog overal uitbreiden ten koste der lagere
-rassen. De gematigde opeenstapeling van het kapitaal heft ook de werking der natuurlijke
-teeltkeus volstrekt niet geheel op. Als een arm man rijk wordt, komen zijn kinderen
-in zaken en betrekkingen waarin strijd genoeg is; en waarin zij die flink zijn ontwikkeld
-naar lichaam en geest, het beste slagen. Het bestaan van een stand van menschen die
-goed onderwijs hebben genoten en niet behoeven te werken voor hun dagelijksch brood,
-is zoo belangrijk, dat het nimmer te hoog kan worden geschat, daar al het hooge intellectueele
-werk door hen wordt volvoerd en daar van dat werk de materiëele vooruitgang in alle
-zaken voornamelijk afhangt, om andere en grootere voordeelen hier niet te vermelden.
-Ongetwijfeld maakt zeer groote rijkdom de menschen dikwijls tot nuttelooze leegloopers;
-maar het aantal daarvan is nooit groot en er heeft hierbij een soort van eliminatie
-plaats, daar wij dagelijks rijke menschen zien, die tevens dwazen of losbollen zijn
-en hun geheele vermogen verkwisten.
-</p>
-<p>Het recht van eerstgeboorte met de bepaling van onvervreemdbaarheid van het erfgoed
-is een meer direct nadeel, hoewel het vroeger een groot voordeel moge zijn geweest,
-daar het aanleiding gaf tot het ontstaan van een heerschenden stand, en eenige vorm
-van staatsbestuur is beter dan in ’t geheel geen. De oudste zonen huwen gewoonlijk,
-hoe zwak zij naar lichaam en geest ook mogen zijn, terwijl de jongere zonen, al munten
-zij ook te dien opzichte uit, niet zoo algemeen huwen. Ook kunnen nietswaardige oudste
-zonen, waar de bepaling van onvervreemdbaarheid van het erfgoed bestaat, hun vermogen
-niet verkwisten. Maar hier zijn, evenals elders, de betrekkingen van het beschaafde
-leven zoo ingewikkeld, dat er sommige verevenende hinderpalen bestaan. De mannen,
-die door het recht van eerstgeboorte rijk zijn, zijn in staat om van generatie op
-generatie de schoonste en bekoorlijkste vrouwen uit te kiezen, en deze zullen gewoonlijk
-gezond van lichaam en werkzaam van geest zijn. De slechte gevolgen, welke die ook
-mogen zijn, van het voortdurend bewaard blijven van de zelfde lijn van afstamming
-zonder eenige teeltkeus worden daardoor tegengegaan, dat mannen van rang altijd hun
-rijkdom en macht wenschen te <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>vermeerderen, en dit brengen zij tot stand door met rijke erfdochters te huwen. Bij
-de dochters van ouders die slechts één enkel kind hebben verwekt, bestaat echter,
-zooals de heer Galton heeft aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e7638src" href="#xd31e7638">11</a>, een aanleg tot onvruchtbaarheid; en zoo sterven de adellijke familiën telkens in
-de rechte lijn uit en vloeit hun rijkdom in het eene of andere zijkanaal; maar ongelukkig
-wordt dit zijkanaal niet bepaald door bijzondere voortreffelijkheid in het eene of
-andere opzicht.
-</p>
-<p>Hoewel dus de beschaving op verschillende wijzen de werking der natuurlijke teeltkeus
-belemmert, begunstigt zij blijkbaar, door middel van de verbeterde voeding en de vrijwaring
-voor sommige soorten van nu en dan voorkomende ongevallen, de betere ontwikkeling
-van het lichaam. Men mag dit daaruit besluiten, dat, waar men ook beschaafde menschen
-en wilden in dit opzicht heeft vergeleken, men steeds heeft bevonden, dat de eersten
-meer lichaamskracht bezaten dan de laatsten. Zij schijnen ook even groote vermoeienissen
-en ontberingen te kunnen uitstaan, zooals door vele stoutmoedige tochten is bewezen.
-Zelfs de groote weelde der rijken kan niet zeer schadelijk zijn; want de vermoedelijke
-levensduur van onze aristocratie is op alle leeftijden en bij beide seksen slechts
-weinig korter dan bij gezonde Engelschen uit de lagere standen.<a class="noteRef" id="xd31e7647src" href="#xd31e7647">12</a>
-</p>
-<p>Wij zullen nu de verstandelijke vermogens alleen beschouwen. Indien in elken stand
-der maatschappij de leden waren verdeeld in twee even talrijke groepen, waarvan de
-eene de meest- en de andere de minstverstandigen bevatte, kan er slechts weinig twijfel
-bestaan, dat de eersten in alle beroepen het best zou slagen en een grooter aantal
-nakomelingen nalaten. Zelfs in de laagste kringen der maatschappij moeten kunde en
-bekwaamheid eenig voordeel opleveren, hoewel dat voordeel bij vele bedrijven, ten
-gevolge der groote verdeeling van den arbeid, zeer gering moge zijn. Daarom zal er
-bij beschaafde volken eenige kans bestaan, dat de verstandelijk meer ontwikkelden
-zoowel in aantal als in gehalte toenemen. Ik wil echter niet beweren, dat die kans
-langs andere wegen niet meer dan opgewogen wordt, b.v. door de vermeerdering van de
-zorgelooze en niet om de toekomst denkende menschen; maar zelfs aan dezen moet bekwaamheid
-eenig voordeel opleveren.
-<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span></p>
-<p>Men heeft dikwijls tegen beschouwingen als de voorgaande ingebracht, dat de uitnemendste
-mannen die ooit hebben geleefd, geen kinderen hebben nagelaten, die hun groot verstand
-konden erven. De heer Galton zegt<a class="noteRef" id="xd31e7658src" href="#xd31e7658">13</a>: „Ik betreur het, niet in staat te zijn de eenvoudige vraag op te lossen of, en in
-hoeverre, mannen en vrouwen die wonderen van genialiteit zijn, onvruchtbaar zijn.
-Ik heb echter aangetoond, dat uitstekende mannen zulks in geenen deele zijn.” Groote
-wetgevers, de grondvesters van weldadige godsdiensten, groote wijsgeeren en uitvinders
-hebben veel meer toegebracht tot den vooruitgang der menschheid door hun werken, dan
-door het nalaten eener talrijke nakomelingschap. In het geval van lichamelijke eigenschappen
-is het, gelijk ik in mijn „Ontstaan der Soorten” heb aangetoond, het voor de voortplanting
-uitgekozen worden van de een weinig beter begaafde, en de eliminatie van de een weinig,
-minder goed begaafde individu’s, en niet het bewaard blijven van sterksprekende en
-zeldzame afwijkingen die tot den vooruitgang eener soort leidt. Evenzoo zal het zijn
-gelegen met de verstandelijke vermogens; de iets meer ontwikkelde menschen zullen
-gemiddeld in elken stand van de maatschappij wat beter slagen dan de iets minder ontwikkelde,
-en de eersten zullen derhalve in aantal toenemen, als daartegen geen andere hinderpalen
-bestaan. Als bij een of ander volk het gehalte van de verstandelijke ontwikkeling
-en het aantal verstandige menschen is toegenomen, mogen wij, zooals de heer Galton
-heeft aangetoond, wegens de wet van afwijking van het gemiddelde verwachten, dat groote
-genieën iets veelvuldiger zullen verschijnen dan vroeger.
-</p>
-<p>Ten opzichte der zedelijke hoedanigheden gaat de eliminatie van de slechtst begaafden
-zelfs bij de meestbeschaafde volken steeds eenigermate voort. Misdadigers worden ter
-dood gebracht of gedurende langen tijd gevangen gezet, zoodat zij hun slechte eigenschappen
-niet vrijelijk kunnen voortplanten. Zwartgallige en krankzinnige menschen worden opgesloten
-of brengen zich zelven om het leven. Driftige en twistzieke menschen sterven dikwijls
-een gewelddadigen dood. Ongestadige menschen die volstrekt geen vast beroep willen
-uitoefenen,—en dit overblijfsel van barbaarschheid is een groote hinderpaal voor de
-beschaving<a class="noteRef" id="xd31e7670src" href="#xd31e7670">14</a>,—verhuizen naar nieuw aangelegde volkplantingen, en blijken daar nuttige pioniers
-te zijn. Onmatigheid werkt zoo verwoestend<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat de vermoedelijke levensduur van een dronkaard op den <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>ouderdom b.v. van 30 jaren, slechts 13​8⁄10 jaar is; terwijl die van Engelsche landbouwers
-op den zelfden leeftijd 40​59⁄100 jaar is.<a class="noteRef" id="xd31e7683src" href="#xd31e7683">15</a> Losbandige vrouwen krijgen weinig kinderen, en losbandige mannen huwen zelden; beiden
-lijden aan ziekten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Bij de teelt van huisdieren is de eliminatie van die individu’s welke in een of ander
-opzicht minder goed zijn, hoe gering hun getal ook moge zijn, in geenen deele een
-onbelangrijk element voor het succes. Vooral is zulks het geval met nadeelige kenmerken
-die neiging hebben om door atavisme opnieuw te verschijnen, zooals de zwarte kleur
-bij schapen; en bij den mensch zijn wellicht sommige zeer slechte neigingen die nu
-en dan, zonder dat men de oorzaak er van kan aangeven, in familiën verschijnen, niet
-anders dan atavismen, door terugkeer tot het type dier wilde voorouders, van welke
-wij niet door zeer vele generaties zijn gescheiden. <b>(<a href="#en5.1" id="en5.1src">1</a>)</b> Deze beschouwingswijze schijnt inderdaad te worden teruggevonden in de gewone uitdrukking,
-dat dergelijke menschen de zwarte schapen van de familie zijn.
-</p>
-<p>Wat de hooge zedelijke ontwikkeling van het algemeen en de vermeerdering van het aantal
-zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen aangaat, werkt de natuurlijke teeltkeus blijkbaar
-slechts in geringe mate op beschaafde volken, ofschoon de oorspronkelijke zedelijke
-instinkten in den beginne op die wijze werden verkregen. Ik heb echter, toen ik over
-de lagere rassen handelde, reeds genoeg gezegd over de oorzaken die tot den vooruitgang
-der zedelijkheid leiden, namelijk: de goedkeuring onzer medemenschen,—de versterking
-van ons medegevoel door de gewoonte,—voorbeeld en navolging,—rede,—ondervinding en
-zelfs eigenbelang,—onderwijs gedurende de jeugd en godsdienstige gevoelens.
-</p>
-<p>Op een hoogst belangrijken hinderpaal in beschaafde landen tegen een vermeerdering
-van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen is door de heeren Greg en Galton<a class="noteRef" id="xd31e7713src" href="#xd31e7713">16</a> met nadruk gewezen, op het feit namelijk, dat de zeer arme en zorgelooze lieden,
-die dikwijls door ondeugd verlaagd zijn, bijna altijd vroeg huwen, terwijl de <span class="corr" id="xd31e7725" title="Bron: voorzichtge">voorzichtige</span> <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>en spaarzame lieden, die gewoonlijk ook andere deugden bezitten, eerst op lateren
-leeftijd huwen, opdat zij in staat zouden zijn op voldoende wijze in het onderhoud
-van zich zelven en hun kinderen te voorzien. Zij die vroeg huwen, brengen niet slechts
-in een gegeven tijd een grooter aantal generaties voort, maar <span class="corr" id="xd31e7730" title="Bron: dr.">Dr.</span> Duncan<a class="noteRef" id="xd31e7733src" href="#xd31e7733">17</a> heeft aangetoond, dat zij ook een grooter aantal kinderen voortbrengen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Daarenboven zijn de kinderen die geboren worden uit moeders welke in den bloeitijd
-van het leven zijn, zwaarder en grooter, en daarom waarschijnlijk ook sterker, dan
-die welke in een ander tijdperk worden geboren. Derhalve bestaat er bij de zorgelooze,
-verlaagde en dikwijls slechte leden der maatschappij een streven naar sneller vermeerdering
-dan bij de voorzichtige, spaarzame en over het algemeen deugdzame leden. Of, zooals
-de heer Greg het geval stelt: „De zorgelooze, smerige, onverschillige Ier vermenigvuldigt
-als de konijnen; de spaarzame, om den dag van morgen denkende, zich zelf eerbiedigende,
-eerzuchtige Schot, met zijn strenge zeden, zijn geestelijk geloof, zijn scherpzinnig
-en ontwikkeld verstand, brengt zijn beste <span class="corr" id="xd31e7748" title="Bron: járen">jaren</span> in inspanning en ongehuwd door, huwt laat en laat weinig nakomelingen achter. Gegeven
-een land, oorspronkelijk bewoond door een duizendtal Saksers en een duizendtal Kelten,—dan
-zullen in een dozijn generaties <span class="corr" id="xd31e7751" title="Bron: vijf-zesde">vijf zesde</span> gedeelten van de bevolking Kelten zijn, maar vijf zesde gedeelten van den eigendom,
-de macht, het verstand zullen toebehooren aan het overblijvend één zesde, uit Saksers
-bestaande gedeelte der bevolking. In den eeuwigen „strijd om het bestaan”, zal het
-lagere en minder begaafde ras de bovenhand behouden,—en dat, niet krachtens zijn goede
-hoedanigheden, maar krachtens zijn gebreken.”
-</p>
-<p>Er zijn echter eenige hinderpalen tegen dit streven naar achteruitgang. Wij hebben
-gezien, dat onder dronkaards de gemiddelde sterfte zeer groot is, en uiterst losbandige
-lieden laten weinig kroost na. De armste klassen zijn in de steden opeengehoopt, en
-Dr. Stark<a class="noteRef" id="xd31e7756src" href="#xd31e7756">18</a> heeft uit een in Schotland gedurende tien jaren gehouden statistiek bewezen, dat
-op alle leeftijden de gemiddelde sterfte grooter is in de steden dan op het land,
-ja, „gedurende de vijf eerste levensjaren is de gemiddelde sterfte in de steden ongeveer
-dubbel zoo groot als op het land.” <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>Daar deze berekening zoowel de rijken als de armen omvat, zou ongetwijfeld meer dan
-het dubbele van het aantal geboorten noodig zijn om het aantal zeer arme bewoners
-in de steden in de zelfde verhouding te doen toenemen als die op het land.
-</p>
-<p>Voor vrouwen is het huwelijk op al te vroegen leeftijd hoogst schadelijk; want in
-Frankrijk heeft men bevonden, dat „jaarlijks van de gehuwde vrouwen onder de twintig
-jaar tweemaal meer sterven dan van het zelfde aantal ongehuwde.” Ook de sterfte van
-gehuwde mannen onder de twintig jaar is „uiterst groot”<a class="noteRef" id="xd31e7766src" href="#xd31e7766">19</a>, wat echter de oorzaak hiervan is, schijnt twijfelachtig. Als eindelijk de mannen
-die voorzichtig hun huwelijk uitstellen tot zij hun huisgezin behoorlijk kunnen onderhouden,
-vrouwen uitkiezen die in den bloeitijd des levens zijn, en dit doen zij dikwijls,
-zal de gemiddelde hoegrootheid der vermeerdering van de meer welvarende klasse slechts
-weinig afnemen.
-</p>
-<p>Uit een ontzaglijk aantal statistische gegevens, in het jaar 1853 verzameld, bleek,
-dat in Frankrijk de ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren in veel sterker
-verhouding sterven dan de gehuwde: van elke 1000 ongehuwde mannen op den leeftijd
-van 20 tot 30 jaren stierven b.v. jaarlijks 11,3, terwijl van de gehuwde slechts 6,5
-stierven.<a class="noteRef" id="xd31e7777src" href="#xd31e7777">20</a> Het is bewezen, dat een dergelijke wet gedurende de jaren <span class="corr" id="xd31e7780" title="Bron: 1683">1863</span> en 1864 steek hield bij de geheele bevolking van Schotland die boven de 20 jaar oud
-was: van elke duizend ongehuwde mannen op den leeftijd van 20–30 jaar stierven b.v.
-jaarlijks 14,97, en van de gehuwde slechts 7,24, dat is minder dan de helft.<a class="noteRef" id="xd31e7783src" href="#xd31e7783">21</a> Dr. Stark bemerkt naar aanleiding hiervan: „De ongehuwde staat werkt verwoestender
-op het leven dan de ongezondste bedrijven, of dan het verblijf in een ongezond huis
-of in een ongezonde streek waar men nooit de geringste poging heeft gedaan om den
-<span class="corr" id="xd31e7792" title="Bron: gezondsheidstoestand">gezondheidstoestand</span> te verbeteren. Hij meent dat de verminderde sterfte een rechtstreeksch gevolg is
-„van het huwelijk en van de meer geregelde levenswijze welke met <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>dien staat gepaard gaat.” Hij geeft echter toe, dat de onmatige, losbandige en misdadige
-klassen, wier gemiddelde levensduur kort is, gewoonlijk niet huwen; en men moet eveneens
-aannemen, dat menschen met een zwak gestel, slechte gezondheid, of eenig groot lichamelijk
-of geestelijk gebrek, dikwijls niet zullen willen of kunnen huwen. Dr. Stark schijnt
-tot het besluit te zijn gekomen, dat het huwelijk op zich zelf een hoofdoorzaak van
-een lang leven is, omdat hij vindt, dat hoogbejaarde gehuwde mannen in dit opzicht
-nog een aanmerkelijk voordeel hebben boven ongehuwde van den zelfden hoogen leeftijd;
-maar iedereen zal wel voorbeelden kennen van menschen, die wegens hun zwakke gezondheid
-in hun jeugd niet huwden en toch hoogbejaard zijn geworden, hoewel zij voortdurend
-zwak bleven en dus steeds slechts een kleinere kans hadden om te blijven leven. Er
-is een andere merkwaardige omstandigheid, die Dr. Stark’s besluit schijnt te bevestigen,
-namelijk, dat weduwnaars en weduwen in Frankrijk in vergelijking van gehuwde lieden
-aan een zeer groote sterfte onderhevig zijn; maar Dr. Farr schrijft dit toe aan armoede
-en slechte gewoonten, die het gevolg zijn van het vaneenscheuren van het huisgezin
-en van droefheid. Over het geheel mogen wij met Dr. Farr besluiten, dat de mindere
-sterfte van gehuwde dan van ongehuwde lieden, die een algemeene wet schijnt te zijn,
-„hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de voortdurende eliminatie van onvolmaakte typen,
-en door de met bekwaamheid geschiedende keuze van de uitnemendste individu’s van elke
-opeenvolgende generatie”, welke keuze alleen betrekking heeft op den gehuwden staat,
-en op alle lichamelijke, verstandelijke en zedelijke hoedanigheden acht slaat. Wij
-mogen daaruit afleiden, dat gezonde en deugdzame lieden die uit voorzichtigheid een
-tijd lang ongehuwd blijven, aan geen bijzonder hooge sterfte onderhevig zijn.
-</p>
-<p>Indien de verschillende hinderpalen in de beide laatste alinea’s opgenoemd, en wellicht
-andere die nog onbekend zijn, niet verhinderen, dat de zorgelooze, slechte en op andere
-wijzen mindere leden van de maatschappij zich sneller vermenigvuldigen dan de betere
-klasse van menschen, zal het volk achteruitgaan, zooals maar al te dikwijls in de
-wereldgeschiedenis is gebeurd. Wij moeten ons herinneren, dat de vooruitgang niet
-onveranderlijk regel is. Het is hoogst moeilijk te zeggen, waarom de eene beschaafde
-natie tot aanzien klimt, machtiger wordt en zich verder uitbreidt dan de andere; of
-waarom een zelfde natie op den eenen tijd sterker vooruitgaat dan op den anderen.
-Wij <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>kunnen alleen zeggen, dat dit afhangt van een vermeerdering van de bevolking in het
-algemeen, van het aantal mannen, met groote verstandelijke en zedelijke vermogens
-begaafd, zoowel als van de hoegrootheid dier vermogens. De lichamelijke eigenschappen,
-behalve in zoover een krachtig lichaam ook kracht aan den geest geeft, schijnen slechts
-weinig invloed te hebben.
-</p>
-<p>Verschillende schrijvers hebben beweerd, dat, daar groote verstandelijke vermogens
-voor een volk voordeelig zijn, de oude Grieken, die in verstand eenige graden hooger
-stonden dan eenig ras dat ooit heeft bestaan<a class="noteRef" id="xd31e7803src" href="#xd31e7803">22</a>, indien de natuurlijke teeltkeus wezenlijk zulk eene groote macht bezat, nog meer
-in aanzien gestegen en in getal toegenomen hadden moeten zijn en geheel Europa hebben
-bevolkt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hier hebben wij de stilzwijgende onderstelling, zoo dikwijls geschied ten opzichte
-van lichamelijke eigenschappen, dat er eenige aangeboren neiging bestaat tot voortdurende
-ontwikkeling van geest en lichaam. Elke soort van ontwikkeling hangt echter van den
-samenloop van vele gunstige omstandigheden af. De natuurlijke teeltkeus werkt slechts
-op een beproevende wijze. Individu’s en rassen kunnen zekere onbetwistbare voordeelen
-hebben verkregen, en toch zijn ondergegaan, omdat zij andere kenmerken misten. De
-Grieken kunnen zijn achteruitgegaan door gebrek aan samenhang tusschen de vele kleine
-staten, wegens de geringe grootte van hun geheele land, wegens de gewoonte om slaven
-te houden, of wegens zeer groote zinnelijkheid; want zij bezweken niet voor zij „tot
-in den grond waren ontzenuwd en bedorven.”<a class="noteRef" id="xd31e7811src" href="#xd31e7811">23</a> De volken van West-Europa, die nu hun vroegere wilde voorouders zoo verbazend overtreffen
-en aan de spits der beschaving staan, zijn weinig of niets van hun voortreffelijkheid
-verschuldigd aan rechtstreeksche overerving van de oude Grieken, hoewel zij veel hebben
-te danken aan de geschrevene werken van dit verwonderlijke volk.
-</p>
-<p>Wie kan met zekerheid zeggen, waarom de Spaansche natie, in een zeker tijdvak zoo
-machtig, door andere volken is voorbijgestreefd? De ontwaking der volken van Europa
-uit den slaap der middeleeuwen is nog moeielijker te verklaren. In dien vroegen tijd
-hadden, zooals de heer Galton heeft opgemerkt<a class="noteRef" id="xd31e7820src" href="#xd31e7820">24</a>, bijna alle mannen van edelen aard, zij <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>die zich toelegden op nadenken en geestbeschaving, geen ander toevluchtsoord dan in
-den boezem der kerk, die den ongehuwden staat eischte, en het kon moeielijk missen,
-of dit moest op elke opeenvolgende generatie een verderfelijken invloed uitoefenen.
-Gedurende het zelfde tijdvak koos de Heilige Inquisitie met de meeste zorg de meest
-vrijheidlievende en moedige mannen uit om hen te verbranden en gevangen te zetten.
-In Spanje alleen werden eenigen van de beste mannen,—zij die twijfelden en onderzochten,
-en zonder den twijfel kan geen vooruitgang bestaan,—gedurende drie eeuwen geëlimineerd
-in de verhouding van een duizendtal per jaar. Het kwaad dat de Katholieke kerk op
-die wijze heeft gesticht, hoewel ongetwijfeld in zekere, ja wellicht in groote mate
-opgewogen op andere wijze, is onberekenbaar; toch is Europa met ongeëvenaarde snelheid
-vooruitgegaan.
-</p>
-<p>De merkwaardige voorspoed van de Engelschen als kolonisten boven andere Europeesche
-natiën, waarvan een vergelijking tusschen de toeneming van het aantal Canadeezen van
-Engelsche en van Fransche afkomst een goed voorbeeld oplevert, is toegeschreven aan
-hun „koene en volhardende energie”; maar wie kan zeggen, hoe de Engelschen die energie
-verkregen.
-</p>
-<p>Er is blijkbaar veel waars in het geloof, dat de verwonderlijke vooruitgang der Vereenigde
-Staten, zoowel als het karakter van hun bewoners, het gevolg zijn van natuurlijke
-teeltkeus, daar de energiekste, rustelooste en moedigste mannen van alle deelen van
-Europa gedurende de tien of twaalf laatste generaties naar dat groote land verhuisd
-en daar het best geslaagd zijn.<a class="noteRef" id="xd31e7839src" href="#xd31e7839">25</a> Met het oog op een verre toekomst, geloof ik, dat de heer Zincke zich niet aan overdrijving
-schuldig maakt, wanneer hij zegt<a class="noteRef" id="xd31e7851src" href="#xd31e7851">26</a>: „Alle andere reeksen van gebeurtenissen,—zoowel die welke uitliepen op de geestbeschaving
-van Griekenland, als die welke het aanzijn gaven aan het Romeinsche Rijk,—schijnen
-alleen een doel en waarde te hebben als men ze beschouwt in verband met, of liever
-als ondergeschikt aan .… den grooten stroom der Anglo-Saksische emigratie naar het
-Westen.” Hoe duister ook het vraagstuk <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>van den vooruitgang der beschaving zij, wij kunnen toch ten minste begrijpen, dat
-een volk hetwelk gedurende een langdurig tijdperk het grootste aantal verstandelijk
-hoog ontwikkelde, energieke, dappere, vaderlandslievende en welwillende menschen voortbracht,
-over het algemeen de bovenhand moest behouden over minder begunstigde natiën.
-</p>
-<p>De natuurlijke teeltkeus is het gevolg van den strijd om het bestaan, en deze van
-een snelle vermeerdering. Het is onmogelijk de snelheid niet te betreuren, met welke
-het menschelijk geslacht naar vermeerdering streeft (of het verstandig is zulks te
-doen, is een andere vraag); want deze leidt bij wilde stammen tot kindermoord en vele
-andere misdaden, bij beschaafde natiën tot ellende, armoede, een ongehuwd leven en
-tot late huwelijken van hen die om den dag van morgen denken. Daar de mensch echter
-onderhevig is aan de zelfde physieke kwalen als de lagere dieren, heeft hij geen recht
-om te verwachten, dat hij vrij zal zijn van de kwalen die het gevolg zijn van den
-strijd om het bestaan. Als men nagaat, dat in vele deelen der wereld verbazend uitgestrekte
-en hoogst vruchtbare streken, die in staat zouden zijn talrijke gelukkige huisgezinnen
-te voeden, slechts door eenige weinige zwervende wilden worden bewoond, zou men kunnen
-beweren, dat de strijd om het bestaan niet hevig genoeg is geweest om den mensch tot
-zijn hoogste ontwikkeling te brengen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Te oordeelen naar al wat wij weten van den mensch en van de lagere dieren, is er
-altijd genoeg verscheidenheid geweest in de verstandelijke en zedelijke vermogens
-om ze voortdurend door natuurlijke teeltkeus vooruit te doen gaan. Ongetwijfeld vereischt
-een dergelijke vooruitgang een samenloop van vele gunstige omstandigheden; maar het
-mag worden betwijfeld, of zelfs de gunstigste wel voldoende zouden zijn geweest, zoo
-er geen neiging tot snelle vermeerdering bestaan en derhalve geen uiterst hevige strijd
-om het bestaan plaats gehad had. Naar hetgeen wij bijvoorbeeld in sommige deelen van
-Zuid-Amerika zien, schijnt het zelfs, dat een volk dat beschaafd mag worden genoemd,
-zooals de Spaansche kolonisten, kans loopt om vadsig te worden en achteruit te gaan,
-als de levensvoorwaarden zeer gemakkelijk zijn. Bij hoogst beschaafde natiën hangt
-de voortdurende vooruitgang in ondergeschikte mate van natuurlijke teeltkeus af; want
-dergelijke natiën verdringen elkander niet en roeien elkander niet uit, gelijk wilde
-stammen. Toch zullen de meer verstandige leden in de zelfde maatschappij op den langen
-duur beter slagen en talrijker kroost nalaten dan de minder verstandige, <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>en dit is een vorm van natuurlijke teeltkeus. De meer werkdadige oorzaken van vooruitgang
-schijnen te bestaan in een goede opvoeding gedurende de jeugd, als de hersenen vatbaar
-voor indrukken zijn, en in een hoogen trap van uitnemendheid, ingeprent door de bekwaamste
-en beste mannen, verlichamelijkt in de wetten, zeden en overleveringen van de natie,
-en versterkt door de publieke opinie. Men bedenke echter, dat deze versterking door
-de openbare meening afhankelijk is van de waarde die wij aan de goed- of afkeuring
-van anderen hechten, en die waardeering is gegrond op ons medegevoel, hetwelk wij
-moeilijk kunnen betwijfelen, dat oorspronkelijk is ontwikkeld door natuurlijke teeltkeus
-als een der meest belangrijke bestanddeelen van de sociale instinkten.<a class="noteRef" id="xd31e7865src" href="#xd31e7865">27</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Bewijzen dat alle beschaafde natiën eens in wilden staat verkeerden.</i> Daar wij de trappen moeten beschouwen, door welke een of ander half-menschelijk schepsel
-allengs is opgeklommen tot den rang van den mensch in zijn meest volkomen staat, kan
-dit onderwerp niet geheel onbemerkt worden voorbijgegaan.
-</p>
-<p>Het is echter op zoo volledige en bewonderenswaardige wijze behandeld door Sir J.
-Lubbock<a class="noteRef" id="xd31e7881src" href="#xd31e7881">28</a>, de heeren Tylor, M’Lennan en anderen, dat ik hier slechts een zeer kort overzicht
-behoef te geven van hun resultaten. De onlangs door den Hertog van Argyll<a class="noteRef" id="xd31e7890src" href="#xd31e7890">29</a> en vroeger door den Aartsbisschop <span class="corr" id="xd31e7896" title="Bron: Whateley">Whately</span> aangevoerde bewijsgronden ten gunste van het geloof, dat de mensch als een beschaafd
-wezen in de wereld kwam, en dat alle wilde stammen sinds dien tijd zijn achteruitgegaan,
-schijnen mij zwak in vergelijking van die, welke van de andere zijde worden aangevoerd.
-Vele natiën zijn ongetwijfeld in beschaving achteruitgegaan, en sommige wellicht tot
-de uiterste barbaarschheid vervallen, hoewel ik voor dit laatste geen enkel bewijs
-heb gevonden. De Vuurlanders werden waarschijnlijk door andere veroverende horden
-gedwongen om zich in hun ongastvrij land te vestigen, en kunnen ten gevolge daarvan
-nog een weinig lager zijn gezonken; maar men zou moeielijk kunnen bewijzen, dat zij
-tot grooter barbaarschheid zijn vervallen dan de Botocudo’s, die de schoonste gedeelten
-van Brazilië bewonen.
-<span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span></p>
-<p>De bewijzen dat alle beschaafde volken de afstammelingen van wilden zijn, berusten
-eerstens op duidelijke sporen van hun voormaligen onbeschaafden toestand in nog bestaande
-gewoonten, meeningen, spreekwijzen, enz.; en in de tweede plaats, op bewijzen dat
-wilden in staat zijn door eigen ontwikkeling eenige weinige schreden voorwaarts te
-doen op de baan der beschaving en zulks ook werkelijk hebben gedaan. De gronden voor
-de eerste bewering zijn hoogst merkwaardig, maar kunnen hier niet worden medegedeeld.
-Ik verwijs naar zulke gevallen als b.v. dat van de telkunst die, zooals de heer Tylor
-duidelijk aantoont door de woorden die op sommige plaatsen nog worden gebruikt, ontstond
-door eerst de vingers van de eene hand, daarna die van de andere, en eindelijk de
-teenen te tellen. Wij hebben daarvan nog sporen in ons eigen tientallig stelsel en
-in de Romeinsche cijfers, die na het getal V te hebben bereikt, wanneer ongetwijfeld
-de andere hand werd gebruikt, in VI, enz. overgaan. Evenzoo „gebruiken wij, als wij
-spreken van drie-<i>score</i> en tien, het twintigtallig stelsel, daar elk aldus in de gedachten gemaakt <i>score</i> staat voor 20—of „één mensch”, zooals een <span class="corr" id="xd31e7906" title="Bron: Mexikaan">Mexicaan</span> of Caraïbe het zou uitdrukken.”<a class="noteRef" id="xd31e7909src" href="#xd31e7909">30</a> <b>(<a href="#en5.2" id="en5.2src">2</a>)</b> Volgens een groote en toenemende school van taalkundigen draagt iedere taal de kenteekenen
-van haar langzame en trapsgewijze ontwikkeling. Het zelfde is het geval met de schrijfkunst,
-daar de letters rudimenten zijn van afbeeldingen van voorwerpen. Het is bijna niet
-mogelijk het werk van den heer M’Lennan te lezen<a class="noteRef" id="xd31e7925src" href="#xd31e7925">31</a>, en niet toe te geven, dat bijna alle beschaafde volken eenige sporen hebben behouden
-van zulk een ruwe gewoonte als het met geweld rooven der vrouwen. De zelfde schrijver
-vraagt, welke natie kan worden genoemd, die oorspronkelijk in monogamie leefde? Het
-oorspronkelijke denkbeeld van recht was insgelijks hoogst ruw, zooals blijkt uit de
-wet van den strijd en andere gewoonten, waarvan nog sporen bewaard zijn gebleven.
-Vele bestaande bijgeloovigheden zijn de overblijfselen van vroegere valsche godsdienstige
-meeningen. De hoogste vorm van godsdienst,<span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>—het groote denkbeeld van een God die de zonde haat en de rechtvaardigheid bemint,—was
-gedurende de oorspronkelijke tijden onbekend.
-</p>
-<p>Laten wij nu tot de tweede soort van bewijs overgaan: Sir John Lubbock heeft aangetoond,
-dat sommige wilden in de laatste tijden een weinig zijn vooruitgegaan in sommige van
-hun meer eenvoudige kunsten. Als men de uiterst merkwaardige mededeelingen nagaat,
-die hij doet omtrent de wapenen, werktuigen en kunsten, gebruikt of uitgeoefend door
-wilden in verschillende deelen der wereld, kan men niet betwijfelen, dat dit bijna
-allen zelfstandige ontdekkingen zijn geweest, behalve wellicht de kunst om vuur te
-maken.<a class="noteRef" id="xd31e7947src" href="#xd31e7947">32</a> De Australische boemerang <b>(<a href="#en5.3" id="en5.3src">3</a>)</b> is een goed voorbeeld van een dergelijke onafhankelijke ontdekking. Toen Otaheite
-pas was ontdekt, waren deszelfs bewoners in vele opzichten verder gevorderd dan die
-van de meeste andere eilanden van Polynesië. Er bestaan geen goede gronden om aan
-te nemen, dat de groote beschaving van de inboorlingen van Peru en Mexico was voortgevloeid
-uit een vreemde bron<a class="noteRef" id="xd31e7961src" href="#xd31e7961">33</a>; vele in die landen inheemsche planten werden daar verbouwd en ook enkele inheemsche
-dieren waren er getemd <b>(<a href="#en5.4" id="en5.4src">4</a>)</b><span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Wij moeten bedenken, dat, als de bemanning van een uit een of ander half beschaafd
-land komend schip naar de stranden van Amerika was gedreven, zij op de inboorlingen
-zeer weinig invloed zou hebben uitgeoefend, tenzij deze reeds eenigszins in beschaving
-waren gevorderd, te oordeelen ten minste naar den geringen invloed der meeste zendelingen.
-Wanneer wij een zeer oud tijdvak van de wereldgeschiedenis beschouwen, vinden wij,
-om Sir J. Lubbock’s welbekende uitdrukkingen te gebruiken, een palaeolithische en
-neolithische periode, en niemand zal beweren, dat de kunst om ruwe vuursteenen werktuigen
-te slijpen, uit vreemde landen was ingevoerd. In alle landen van Europa tot Griekenland
-toe, in Palaestina, Indië, Japan, Nieuw-Zeeland en Afrika, met insluiting van Egypte,
-zijn vuursteenen werktuigen in overvloed gevonden; en van het gebruik daarvan bestaat
-bij de tegenwoordige inwoners geen overlevering. Er bestaan ook indirecte bewijzen
-van het voormalig gebruik van dergelijke werktuigen bij de Chineezen <b>(<a href="#en5.5" id="en5.5src">5</a>)</b> en oude Joden. Het kan daarom moeielijk worden betwijfeld, dat de inwoners <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>van deze vele landen die bijna de geheele beschaafde wereld omsluiten, eens in wilden
-staat verkeerden. Om te gelooven, dat de mensch oorspronkelijk beschaafd was en later
-in zoovele landen tot de uiterste barbaarschheid verviel, moet men een beklagenswaardig
-laag denkbeeld koesteren van de menschelijke natuur. Het is blijkbaar een meer met
-de waarheid overeenkomstig en troostvoller denkbeeld, dat vooruitgang veel algemeener
-is geweest dan achteruitgang, dat de mensch, hoewel langzaam en met afgebroken schreden,
-is opgeklommen van een laag standpunt tot de hoogste ontwikkeling die hij nog in kennis,
-zedelijkheid en godsdienst heeft bereikt.
-</p>
-<div id="ch5n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e388">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en5.1" class="first">(<a href="#en5.1src">1</a>) Zeer belangwekkend is in het veel besproken, voor een drietal jaren in het Fransch
-vertaalde werk van Caesar Lombroso „<span lang="it">Homo Delinquante</span>” (de misdadige mensch) de min of meer nieuwe theorie van den <i>atavistischen oorsprong van de misdaad</i>. Volgens deze theorie zou de aanleg om misdadiger te worden een erfenis uit ouden
-tijd zijn, een verschijnsel dat vroeger deel uitmaakte van de organisatie en het karakter
-onzer voorouders en dat zich op noodlottige wijze bij sommigen hunner nakomelingen
-opnieuw vertoont door een soort van gril in de slecht verzekerde ontwikkeling van
-den mensch. Het atavisme is de bron van de misdaad, omdat alle levende wezens een
-neiging hebben om tot het oorspronkelijk type terug te keeren, en zoo plotseling zekere
-lang verloren kenmerken hunner voorouders te herkrijgen. Het atavisme staat in nauw
-verband met de erfelijkheid, maar onderscheidt er zich toch van. „Het is een erfelijkheid
-na zeer lange tusschenpoozen, waarvan de invloed, door nieuwere kenmerken lang verborgen,
-zich na eeuwen weder doet gevoelen.<span class="corr" id="xd31e7996" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Lombroso meent dus, dat handelingen die wij misdadig noemen, weleer gewone en normale
-handelingen zijn geweest, die van zelf uit het gestel van het menschelijk wezen voortvloeiden.
-De misdaad is volgens hem bij wilden de algemeene regel.
-</p>
-<p>Paintel voegt er in zijn „<span lang="fr">Théorie de la tutelle pénale</span>” bij: „Er is bij de wilden stammen niets dat op een voortdurend werkzaam geweten
-gelijkt.” De „verharde misdadiger” en onverbeterlijke recidivist is dus een vroeger
-type, door de wet van het atavisme opnieuw in het leven geroepen of gevormd, en dat
-men, om het te genezen, aan een speciale behandeling moet onderwerpen. Men versta
-wel, dat deze theorie niet van toepassing is op individu’s, wier wil onvoorziens door
-een samenloop van toevallige omstandigheden bezwijkt.
-</p>
-<p id="en5.2">(<a href="#en5.2src">2</a>) Het Engelsche woord „<i lang="en">score</i>” beteekent een twintigtal op de zelfde wijze als ons woord „<i>dozijn</i>” een twaalftal beteekent. Evenzoo beteekent in Friesland „<i>snees</i>” en in Drenthe „<i>stieg</i>” een twintigtal. In het Fransch vindt men vele sporen van het twintigtallig stelsel,
-b.v. <span lang="fr">soixante-dix, quatre-vingt, quatre-vingt-dix, six-vingts</span> (120, vroeger in gebruik) enz.
-</p>
-<p id="en5.3">(<a href="#en5.3src">3</a>) „<i>De Australische boemerang</i>”. Sir J. Lubbock, („<span lang="fr">l’Homme avant <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>l’Histoire</span>”, Fransche Vert. van Barbier, blz. 353) deelt omtrent dit merkwaardig wapen, dat
-uitsluitend aan Nieuw-Holland eigen is, o.a. het volgende mede: „Men noemt zoo een
-stok van gekromden vorm, gewoonlijk aan den eenen kant afgerond, aan den anderen plat,
-ongeveer 9 decimeter lang, 5 centimeter breed en 1,8 centimeter dik. Op het eerste
-gezicht gelijkt hij op een zeer grof gemaakten houten sabel. Hij wordt zoowel voor
-de jacht als voor den oorlog gebruikt. Men neemt hem aan het eene uiteinde in de rechterhand
-en werpt hem als een sikkel, hetzij in de lucht, van beneden naar boven, hetzij van
-boven naar beneden, zoodat hij den grond raakt op eenigen afstand van dengene, welke
-hem werpt. In het eerste geval vliegt hij voort met een draaiende beweging die een
-gevolg van zijn vorm is; na zich tot een groote hoogte in de lucht te hebben opgeheven,
-beschrijft hij plotseling een elliptische kromme lijn die hem terugbrengt tot het
-punt, van waar hij werd geworpen. Als men hem naar beneden op den grond werpt, springt
-hij in rechte lijn al ricochetteerende vooruit, totdat hij het voorwerp bereikt dat
-men wil treffen. De vreemdste kromme lijn wordt door dit wapen doorloopen, als men
-het onder een hoek, grooter dan 45°, in de lucht werpt; het komt dan zonder uitzondering
-aan de achterzijde terug, en de inboorling die het werpt, keert dan den rug, in plaats
-van het gelaat, naar den kant van het voorwerp dat hij wil treffen.<a class="noteRef" id="xd31e8034src" href="#xd31e8034">34</a> De heer Merry, die eenigen tijd in Nieuw-Holland doorbracht, verhaalt mij, dat hij
-eens, zich willende overtuigen van de behendigheid, waarmede men den boemerang kon
-gebruiken, een belooning van 8 pence uitloofde voor elke maal, dat de boemerang terug
-zou komen naar de plaats, van waar men hem zou hebben geworpen. Hij teekende in het
-zand een cirkel van 5 à 6 voet middellijn en, hoewel het wapen met veel kracht werd
-geworpen, gelukte het den inboorling om het vijf keeren van de twaalf in den cirkel
-te doen terugkomen.”
-</p>
-<p id="en5.4">(<a href="#en5.4src">4</a>) Het is een tamelijk algemeene dwaling, dat de inboorlingen van Amerika, tijdens
-de ontdekking, geen landbouw beoefenden en geen dieren hadden getemd. De landbouw
-bloeide echter in hooge mate bij de Peruanen, gelijk door mij in het aanhangsel op
-het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, II 509, uitvoerig is aangetoond,
-terwijl zij ook vee (de lama’s en alpaca’s) en pluimgedierte (de muskuseend) bezaten.
-Omtrent de cultuurplanten der Azteken zie men ib. I, 392. De Azteken bezaten ook „tamme
-kalkoenen en groote honden, in staat om met een stier te strijden, en die een lading
-van twee arroba’s (25 kilo) op een pakzadel droegen als zij op de jacht gingen.” Gomara,
-die kapelaan van Cortez was, spreekt op verschillende plaatsen van zijn werk<a class="noteRef" id="xd31e8045src" href="#xd31e8045">35</a> er van, dat de ten noorden van Mexico wonende volksstammen groote kudden tamme bisons
-bezaten, die hun kleeding, spijs en drank opleverden. Men kweekte in hun land den
-wijnstok, moerbeziënboom en rozenboom aan.(?) Andere Indianen in het noorden der tegenwoordige
-Vereenigde Staten en in Canada bedienden zich van tamme herten om hun sleden voort
-te trekken. (Brasseur de Bourbourg, „<span lang="fr">Recherches sur les Ruines de Palenqué</span>”, blz. XVIII, noot 8, 10). Omtrent den landbouw der Indianen van Noord-Amerika, zie
-men „Var. Huisd. en Cultuurpl.”, I, 363, 387. De Nonville schat de hoeveelheid maïs,
-door hem in vier dorpen der Seneca’s (in het zuiden der tegenwoordige Ver. Staten)
-vernield, op 2,400,000 hectoliters (Lubbock, „<span lang="fr">l’Homme avant l’Histoire</span>”, Fransche vert. van Barbier, blz. 231). In Wisconsin vindt men te midden der dichtste
-<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>schijnbaar oorspronkelijke wouden overal de sporen eener overoude maïscultuur (ibid.
-blz. 232).<a class="noteRef" id="xd31e8060src" href="#xd31e8060">36</a>
-</p>
-<p>Wanneer echter de Mexicaansche beschaving werkelijk uit geen vreemde bron kan worden
-afgeleid, hoe zijn dan de afbeeldingen van olifantachtige dieren te verklaren die
-men op de ruïnen van de overoude Mexicaansche stad Palinqué aantreft (vergelijk mijn
-stuk: „De Voorhistorische Mensch in Amerika”, Album der Natuur, 1870)? Stellen zij
-wellicht uitgestorven soorten voor?
-</p>
-<p id="en5.5">(<a href="#en5.5src">5</a>) In Griekenland heeft men in 1870 een menschelijke woning uit den steentijd onder
-een 20 meters dikke vulkanische tuflaag gevonden. („<span lang="de">Ergänzungsblätter zur Kenntnisz der Gegenwart</span>”, <span lang="de">Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts; erstes <span class="corr" id="xd31e8077" title="Bron: Februarhaft">Februarheft</span>, 1870</span>) In Indië zijn voor eenige jaren nabij Madras door de heeren King en Foote op een
-diepte van vijf meters een aantal zeer ruw bewerkte werktuigen gevonden, vervaardigd
-van een dichte half glasachtige kwartsiet, en zeer veel gelijkende op dergelijke werktuigen
-van vuursteen die men in Europa op zoovele plaatsen heeft gevonden („<span lang="en">Ann. and Mag. of Nat. Hist.</span>”, XIV, blz. 155). Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen zijn drie steenen
-beitels, op Java gevonden.
-</p>
-<p>In Egypte zijn tijdens de opening van het Suez-kanaal door de invités van den Khedive
-een overvloed van vuursteenen werktuigen op den Ghebel-el-Assassif, nabij de ruïnen
-van het oude Thebe, gevonden.
-</p>
-<p>Ook in China heeft volgens een mededeeling van den heer Chevreuil in de vergadering
-van de <i lang="fr">Académie des Sciences</i> van 13 Aug. 1866, vroeger een steenperiode bestaan. Hij bewijst uit een plaats uit
-het leven van Confucius door Amyot (Parijs, 1866), dat men aldaar ongeveer 1122 jaren
-voor Christus reeds ijzeren pijlpunten bezat, doch dat een overlevering van het voormalig
-gebruik van steenen pijlpunten gewaagde. De heer Stanislas Julien gaf hem (Chevreuil)
-een menigte plaatsen uit Chineesche werken op die onwederlegbaar bewijzen, dat ook
-in China in overoude tijden wapenen en werktuigen van steen werden gebruikt. Ook in
-Japan vond men voorhistorische steenen werktuigen.
-</p>
-<p>Omtrent een voormalige steenperiode in Amerika die in sommige afgelegen streken zelfs
-nog heden voortduurt, verwijs ik naar mijn stuk „de Voorhistorische Mensch in Amerika”,
-in het „Album der Natuur”, 1870.
-</p>
-<p>Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen vindt men een steenen beitel uit
-Suriname en verschillende steenen wapens (pijlspitsen enz.) uit N-Amerika.
-</p>
-<p>In Nieuw-Zeeland vond de heer Th. Tate in een hol op den Waiwo een ouden schedel-typus,
-ouder dan die der Maori’s, in gezelschap van beenderen van den uitgestorven Moa (<i>Dinornis giganteus</i>) en van steenen werktuigen („<span lang="en">Anthrop. Review</span>”, April 1867, blz. 244). Wij moeten hierbij echter opmerken, dat ook de Maori’s zelven,
-tijdens de ontdekking van Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen gebruikten, evenals ook
-op Nieuw-Holland en elders in Australië het geval was. Een zeeofficier liet mij een
-zeer fraaien steenen beitel zien, door hem uit Nieuw-Guinea medegebracht, en voegde
-er bij, dat daar verhaald werd, dat zulke steenen ontstonden als de bliksem in den
-grond sloeg, wat aan Europeesche folk-lore omtrent dergelijke beitels (donderbeitels)
-herinnert.
-<span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span></p>
-<p>De beitel gelijkt volkomen op de Europeesche uit de neolithische periode.
-</p>
-<p>Men vergelijke ook omtrent de voorhistorische bewoners van Europa enz. mijn werkje
-„De voorhistorische mensch in Europa”, ’s Gravenhage, Gebr. Belinfante, 1890; H. le
-Hon, „De mensch in de voorwereld”, bewerkt door H.&nbsp;M.&nbsp;C. van Oosterzee, Amsterdam,
-1869, Gebr. Koster<span class="corr" id="xd31e8104" title="Bron: ,">;</span> Sir John Lubbock, „De oorsprong der beschaving”, voor ons volk uit het Engelsch vertaald.
-Met eene aanbeveling van Jhr. B.&nbsp;H.&nbsp;C.&nbsp;K. van der Wijck, Hoogleeraar te Groningen,
-’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, en „De mensch voor de geschiedenis”, door Dr.
-T.&nbsp;C. Winkler, Leiden, P. van Santen, 1877 (thans Gebr. Cohen).
-<span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e7466">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7466src">1</a></span> „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Mei 1864, blz. CLVIII.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7466src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7480">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7480src">2</a></span> Na eenigen tijd beweren, zooals de heer Maine opmerkt („<span lang="en">Ancient Law</span>”, 1861, blz. 131), de leden van een stam, die met een anderen samengesmolten zijn,
-dat zij gezamenlijk van de zelfde voorouders afstammen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7480src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7486">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7486src">3</a></span> Morlot, „<span lang="fr">Soc. Vaud. Sc. Nat.</span>”, blz. 294.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7486src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7515">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7515src">4</a></span> Zie een merkwaardige reeks artikelen over „<span lang="en">Physics and Politics</span>” in de „<span lang="en">Fortnightly Review</span>”, Nov. 1867<span class="corr" id="xd31e7523" title="Bron: ,">;</span> 1 April, 1868; 1 Juli, 1869.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7515src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7538">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7538src">5</a></span> De heer Wallace geeft hiervan voorbeelden in zijn „<span lang="en">Contributions to the Theory of Natural Selection</span>”, 1870, blz. 354.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7538src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7558">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7558src">6</a></span> „<span lang="en">Ancient Law</span>”, 1861, blz<span class="corr" id="xd31e7563" title="Bron: ,">.</span> 22. Voor de opmerkingen van den heer Bagehot, „<span lang="en">Fortnightly Review</span>”, 1 April 1868, blz. 452.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7558src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7570">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7570src">7</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 360.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7570src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7582">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7582src">8</a></span> „<span lang="en">Frasers Magazine</span>”, Sept. 1868, blz. 353. Dit artikel schijnt veel personen te hebben getroffen en
-heeft aanleiding gegeven tot twee merkwaardige verhandelingen en een repliek in den
-„<span lang="en">Spectator</span>”, 3 en 17 Oct. 1868. Het is ook besproken in het „<span lang="en">Q. Journal of Science</span>”, 1869, blz. 152, door den heer Lawson Tait in het „<span lang="en">Dublin Q. Journal of Medical Science</span>”, Febr. 1869, en door den heer E. Ray Lankester in zijn „<span lang="en">Comparative Longevity</span>”, 1870, blz. 128. Dergelijke beschouwingen verschenen reeds vroeger in de „<span lang="en">Australasian</span>”, 13 Juli 1867. Ik heb aan verscheidenen dezer schrijvers denkbeelden ontleend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7582src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7604">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7604src">9</a></span> Voor den heer Wallace, zie „<span lang="en">Anthropolog. Review</span>”, op de vroeger aangehaalde plaats. De heer Galton in „<span lang="en">Macmillan’s Magazine</span>”, Aug. 1865, blz. 318; ook zijn groot werk, „<span lang="en">Hereditary Genius</span>”, 1870.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7604src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7624">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7624src">10</a></span> Prof. H. Fick („<span lang="de">Einfluss der Naturwissenschaft auf das Recht</span>”, Juni 1872) geeft eenige goede opmerkingen omtrent deze en andere dergelijke zaken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7624src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7638">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7638src">11</a></span> „<span lang="en">Hereditary Genius</span>”, 1870, blz. 132–140.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7638src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7647">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7647src">12</a></span> Zie de vijfde en zesde kolom van de uit goede bronnen geputte tabel in het werk van
-den heer E.&nbsp;R. Lankester, „<span lang="en">Comparative Longevity</span>,” 1870, blz. 115.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7647src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7658">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7658src">13</a></span> „<span lang="en"><span class="corr" id="xd31e7661" title="Bron: Heriditary">Hereditary</span> Genius</span>”, <span class="corr" id="xd31e7665" title="Niet in bron">1870, </span>blz. 330.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7658src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7670">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7670src">14</a></span> „<span lang="en"><span class="corr" id="xd31e7673" title="Bron: Heriditary">Hereditary</span> Genius</span>”, 1870, blz. 347.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7670src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7683">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7683src">15</a></span> E. Ray Lankester, „<span lang="en">Comparative Longevity</span>”, 1870, blz. 115. De opgave omtrent dronkaards is uit Nelson’s „<span lang="en">Vital Statistics</span>”. Ten opzichte van losbandigheid, zie <span class="corr" id="xd31e7691" title="Bron: dr.">Dr.</span> Farr, „<span lang="en">Influence of Marriage on Mortality</span>”, „<span lang="en">Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science</span>”, 1858.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7683src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7713">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7713src">16</a></span> „<span lang="en">Fraser’s Magazine</span>”, Sept. 1868, blz. 353. „<span lang="en">Macmillan’s Magazine</span>”, Aug. 1865, blz. 318. De weleerw. heer F.&nbsp;W. Farrar („<span lang="en">Fraser’s Mag.</span>”, Aug. 1870, blz. 264) beschouwt de zaak uit een ander oogpunt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7713src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7733src">17</a></span> „<span lang="en">On the Law of the Fertility of Women</span>” in „<span lang="en">Transact. Royal Soc.</span>” Edinburgh, vol. XXIV, blz. 287. Zie ook de opmerkingen van den heer Galton over
-het zelfde onderwerp „<span lang="en">Hereditary Genius</span>”, blz. 352–357.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7733src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7756">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7756src">18</a></span> „<span lang="en">Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc. in Scotland</span>”, 1867, blz. XXIX.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7756src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7766">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7766src">19</a></span> Deze aanhalingen zijn ontleend aan onze hoogste autoriteit in dergelijke vraagstukken,
-namelijk Dr. Farr in zijn verhandeling „<span lang="en">On the Influence of Marriage on the Mortality of the French People</span>”, voorgedragen voor de „<span lang="en">Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science</span>”, 1858.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7766src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7777">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7777src">20</a></span> Dr. Farr, ibid. De lager aangehaalde feiten zijn aan de zelfde treffende verhandeling
-ontleend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7777src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7783">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7783src">21</a></span> Ik heb het gemiddelde genomen van de gemiddelden over vijf jaren, gegeven in „<span lang="en">The Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc., in Scotland</span>”, 1853. De aanhaling van Dr. Stark is overgenomen uit een artikel in de „<span lang="en">Daily News</span>”, 17 Oct. 1868, dat Dr. Farr voor zeer zorgvuldig geschreven houdt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7783src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7803">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7803src">22</a></span> Zie het vernuftige en oorspronkelijke bewijs daarvan bij den heer Galton, „<span lang="en">Hereditary Genius</span>”, blz. 340–342.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7803src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7811">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7811src">23</a></span> De heer Greg, „<span lang="en">Fraser’s Magazine</span>”, Sept. 1868, blz. 157.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7811src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7820">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7820src">24</a></span> „<span lang="en">Hereditary Genius</span>”, 1870, blz. 357–359. De weleerw. heer F.&nbsp;H. Farrar („<span lang="en">Fraser’s Mag.</span>”, Aug. 1870, blz. 257) brengt bewijsgronden daartegen in. De heer Lyell heeft reeds vroeger („<span lang="en">Principles of Geology</span>”, vol. III, 1868, blz. 489) in een treffende passage de aandacht gevestigd op den
-slechten invloed der Heilige Inquisitie, daar zij door teeltkeus de algemeene verstandelijke
-ontwikkeling heeft doen achteruitgaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7820src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7839">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7839src">25</a></span> De heer Galton, „<span lang="en">Macmillan’s Magazine</span>”, Augustus 1865, blz. 325. Zie ook „<span lang="en">Nature</span>”, „<span lang="en">On Darwinism and National Life</span>”, Dec. 1869, blz. 184.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7839src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7851">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7851src">26</a></span> „<span lang="en">Last Winter in the United States</span>”, 1868, blz. 29.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7851src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7865">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7865src">27</a></span> Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer John Morley voor eenige goede kritische
-opmerkingen omtrent dit onderwerp; zie ook Broca, „<span lang="fr">Les Sélections</span>”, „<span lang="fr">Revue d’Anthropologie</span>”, 1872.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7865src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7881">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7881src">28</a></span> „<span lang="en">On the Origin of Civilisation</span>”, „<span lang="en">Proc. Ethnological Soc.</span>”, 26 Nov. 1867.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7881src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7890">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7890src">29</a></span> „<span lang="en">Primeval Man</span>”.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7890src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7909">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7909src">30</a></span> „<span lang="en">Royal Institution of Great Britain</span>”, 15 Maart 1867. Ook, „<span lang="en">Researches into the Early History of Mankind</span>”, 1865.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7909src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7925">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7925src">31</a></span> „<span lang="en">Primitive Marriage</span>”, 1865. Zie ook een uitnemend artikel, blijkbaar van dien zelfden schrijver, in de
-„<span lang="en">North British Review</span>”, Juli, 1869. Ook de heer L.&nbsp;H. Morgan, „<span lang="en">A Conjectural Solution of the Origin of the Class. System of Relationship</span>”, in „<span lang="en">Proc. American Acad. of Sciences</span>”, vol. VII, Febr. 1868. Prof. Schaaffhausen („<span lang="en">Anthropolog. Review</span>”, Oct. 1869, blz. 373) vestigt de aandacht op de „sporen van menschenoffers die men
-zoowel in Homerus als in het Oude Testament vindt.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7925src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7947">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7947src">32</a></span> Sir J. Lubbock, „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 2nd. edit. 1889, chap. XV en XVI <i>et passim</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7947src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e7961">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e7961src">33</a></span> Dr. F. Müller heeft hierover eenige goede opmerkingen gemaakt, in de <span lang="de">„Reise der Novara. Anthropolog. Theil”, Abtheil. III</span>, 1868, blz. 127.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e7961src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8034">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8034src">34</a></span> „<span lang="en">United States Explor. Exp.</span>”, vol. I, blz. 191.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8034src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8045">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8045src">35</a></span> Gomara, „<span lang="es">Hist. de las Indias</span>”, blz. 289.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8045src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8060">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8060src">36</a></span> Vergelijk ook Max Scheffer, „<span lang="de">Die Landwirthschaft der alt-Amerikanischen Kulturvölker</span>”, Leipzig 1883.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8060src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e397">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Plaats van den mensch in het dierenrijk.—Het natuurlijke stelsel berust op de afstamming.—Adaptieve
-kenmerken hebben geringe waarde.—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen
-den mensch en de apen.—Rang van den mensch in het natuurlijke stelsel.—Plaats van
-ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid van fossiele verbindingsleden.<span class="corr" id="xd31e8116" title="Bron: ">—</span>Lagere trappen in den stamboom van den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap,
-ten tweede uit het maaksel van zijn lichaam.—Voormalige tweeslachtigheid (<i>hermaphroditisme</i>) der Gewervelde Dieren.—Besluit.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen den mensch
-en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige natuuronderzoekers beweren,
-en hoewel niet valt te ontkennen, dat het verschil in geestvermogens <span class="corr" id="xd31e8123" title="Bron: tuschen">tusschen</span> hen verbazend groot is, bewijzen toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde
-feiten, naar het mij toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van
-den eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden zijn ontdekt.
-</p>
-<p>De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende variaties, die
-het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en worden beheerscht door en overgeërfd
-volgens de zelfde algemeene wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar
-een zoo snelle vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan
-een strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft het aanzijn
-gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van elkander verschillen, dat er
-natuuronderzoekers zijn, die ze als afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam
-is gebouwd volgens het zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt
-als <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en nuttelooze deelen
-behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren. Nu en dan verschijnen kenmerken
-opnieuw, die wij alle reden hebben om te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders
-werden bezeten. Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien
-van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen slechts misleidingen
-zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te nemen, noch te gelooven. Daarentegen
-worden deze verschijnselen begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch
-met andere zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en lageren
-vorm.
-</p>
-<p>Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke vermogens van
-den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de geheele organische wereld in
-drie rijken verdeeld, het Menschenrijk, het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus
-den mensch tot een afzonderlijk Rijk gebracht.<a class="noteRef" id="xd31e8132src" href="#xd31e8132">1</a> <b>(<a href="#en6.1" id="en6.1src">1</a>)</b> Geestvermogens kunnen door een natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd;
-maar hij kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de geestvermogens
-van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend in hoeveelheid van die der
-overige dieren verschillen. Een verschil in hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft
-ons nog geen recht om den mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht
-het best zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een schildluis
-(<i>Coccus</i>) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde klasse behooren, met elkander te
-vergelijken. Het verschil is hier grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard,
-dan tusschen den mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich,
-terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap uit, maar verandert
-nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt eieren, en dit is haar geheele geschiedenis.
-Daarentegen zou, zooals Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten
-en geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil echter
-eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen en verscheidene vereenigen
-zich tot het volbrengen van het zelfde werk of om met elkander te spelen. Zij herkennen
-hun medemieren na maandenlange afwezigheid. <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>Zij bouwen groote gebouwen, houden die schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten
-schildwachten uit. Zij maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. <b>(<a href="#en6.2" id="en6.2src">2</a>)</b> Zij verzamelen voedsel voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om
-binnen te komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en herstellen
-die later weder.<a class="noteRef" id="xd31e8155src" href="#xd31e8155">2</a> Zij trekken in geregelde benden ten strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor
-het algemeen welzijn. Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden slavenjachten.
-Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de eieren van hun bladluizen even
-goed als hun eigen eieren en poppen naar warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig
-zouden worden uitgebroed; tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Over het geheel is het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis
-verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot verschillende Klassen,
-laat staan tot verschillende Rijken te brengen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide in staande
-geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het geval met den mensch en
-de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden om aan te nemen, dat dergelijke gapingen
-in de reeks eenvoudig het gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.
-</p>
-<p>Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der hersenen, de
-reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. <b>(<a href="#en6.3" id="en6.3src">3</a>)</b> Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel de Buideldieren
-als de Snaveldieren (Monotremata) <b>(<a href="#en6.4" id="en6.4src">4</a>)</b>; zoodat hij evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere zoogdieren,
-als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze beschouwingswijze wordt,
-zoover mij bekend is, door geen enkel natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig
-oordeel te vellen, gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.
-</p>
-<p>Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie, gegrond op
-één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo verwonderlijk samengesteld
-en belangrijk als de hersenen,—of op de hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds
-zal blijken onvoldoende te zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de Vliesvleugelige Insekten (<i>Hymenoptera</i>) toe te passen, maar toen zij op die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten
-of instinkten, bleek dit een geheel <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>en al kunstmatige klassificatie te zijn.<a class="noteRef" id="xd31e8190src" href="#xd31e8190">3</a> Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het ook zij, zooals
-op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen; maar de natuuronderzoekers
-hebben reeds lang een diepe overtuiging gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat.
-Dit stelsel moet, naar men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat
-is, al de gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne groep
-te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van elken anderen vorm worden
-afgescheiden; als er echter tusschen die stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal
-dit ook het geval zijn met hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk
-een grootere groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de verschillende
-groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk daarvan heeft ondergaan—zal
-worden uitgedrukt door woorden, als Geslacht (<i>Genus</i>), Familie (<i>Familia</i>), Orde (<i>Ordo</i>) en Klasse (<i>Classis</i>). Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn opgeteekend,
-kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van gelijkenis tusschen de
-wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit doel zijn talrijke punten van gelijkenis
-veel belangrijker dan de hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige
-weinige punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en regelen
-van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij een gemeenschappelijken
-oorsprong hadden, niettegenstaande zij in eenige weinige woorden of regelen van zinbouw
-sterk van elkander afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis
-niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten (<i>adaptatie</i>): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld zijn gewijzigd voor het
-leven in het water, en toch zullen zij daardoor in het natuurlijke stelsel volstrekt
-niet nader tot elkander zijn gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat
-gelijkenissen in onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in
-deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde functie dienen,
-voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want zij kunnen moeilijk het gevolg
-zijn van geschiktwording (<i>adaptatie</i>) in een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming of van
-ware verwantschap.
-</p>
-<p>Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>of ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee organismen ver van
-elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel verschilt van het zelfde deel bij een
-andere verwante soort, heeft volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging
-ondergaan; bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop inwerkende
-oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere veranderingen van deze soort,
-en deze zouden, zoo zij voordeelig waren, behouden blijven en dus voortdurend worden
-vermeerderd. In vele gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld
-van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de soort niet
-voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig ander doel; maar bij den
-mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien, wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende
-ontwikkeling van de hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen
-plaats in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende ontwikkeling
-zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte overeenkomsten in andere minder
-belangrijke of volstrekt onbelangrijke punten.
-</p>
-<p>De meeste natuuronderzoekers die het geheele maaksel van den mensch met inbegrip zijner
-geestvermogens in aanmerking hebben genomen, hebben Blumenbach en Cuvier gevolgd,
-en den mensch in een afzonderlijke Orde geplaatst onder den titel van Tweehandigen
-(<i>Bimana</i>), en hem dus gelijkgesteld met de Orden der Vierhandigen (<i>Quadrumana</i>), der Verscheurende Dieren (<i>Carnivora</i>), enz. Voor korten tijd zijn velen onzer beste natuuronderzoekers teruggekeerd tot
-de beschouwingswijze die het eerst door Linnaeus, die zulk een opmerkelijke scherpzinnigheid
-bezat, is voorgestaan, en hebben den mensch met de apen in ééne Orde geplaatst onder
-den naam van Primaten. De juistheid van dit besluit zal worden toegegeven, als wij
-ons in de eerste plaats de zoo even gemaakte opmerkingen herinneren omtrent de vergelijkenderwijze
-geringe belangrijkheid voor de klassificatie van de groote ontwikkeling der hersenen
-bij den mensch, en ook bedenken, dat de sterk uitgesproken verschillen tusschen de
-schedels van den mensch en de apen (waaraan nog onlangs Bischoff, Aeby en anderen
-zooveel gewicht hechtten) blijkbaar slechts een gevolg is van de verschillende ontwikkeling
-hunner hersenen. In de eerste plaats moeten wij niet vergeten, dat de andere en belangrijker
-verschillen tusschen den mensch en de apen blijkbaar <i>adaptief</i> van aard zijn en hoofdzakelijk een gevolg van de rechtopgaande houding van den mensch;
-dit is bij voorbeeld het geval <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>met het maaksel van de hand, den voet en het bekken, de kromming van zijn ruggegraat
-en de stelling van zijn hoofd. De familie der zeehonden levert een goed voorbeeld
-van de geringe belangrijkheid der adaptieve kenmerken voor de klassificatie. Deze
-dieren verschillen van alle andere Verscheurende Dieren (<i>Carnivora</i>) in den vorm van hun lichaam en het maaksel hunner ledematen: en toch worden in alle
-stelsels, van dat van Cuvier af tot het nieuwste, dat van den heer Flower, toe<a class="noteRef" id="xd31e8228src" href="#xd31e8228">4</a>, de zeehonden als een eenvoudige Familie tot de Orde der Carnivora gebracht. Als
-de mensch niet zijn eigen klassificator was, zou het hem nooit zijn ingevallen een
-afzonderlijke Orde, om hem zelf op te nemen, te gronden.
-</p>
-<p>Het zou de grenzen van dit werk te <span class="corr" id="xd31e8238" title="Bron: buifen">buiten</span> en geheel en al mijn kennis te boven gaan, om de tallooze punten waardoor de mensch
-in zijn maaksel met de andere Primaten overeenkomt, zelfs maar alleen op te noemen.
-Onze groote ontleedkundige en wijsgeer, Prof. Huxley, heeft dit onderwerp uitvoerig
-behandeld<a class="noteRef" id="xd31e8241src" href="#xd31e8241">5</a>, en is tot het besluit gekomen, dat de mensch in alle punten van zijn maaksel minder
-van de hoogere apen verschilt dan deze laatste van de lagere leden der zelfde groep.
-Derhalve „heeft men geen recht om den mensch in een afzonderlijke Orde te plaatsen.”
-</p>
-<p>In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten aangevoerd om te
-toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere zoogdieren overeenkomt; en deze
-overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg van de groote gelijkheid in fijneren bouw
-en scheikundige samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten
-en aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den zelfden smaak
-hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze middelen, en ook verschillende
-geneesmiddelen gelijksoortige uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.
-</p>
-<p>Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch en de hoogere
-apen in systematische werken gewoonlijk niet worden opgeteekend, en daar zij, als
-zij talrijk zijn, duidelijk onze bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige
-dergelijke punten opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar
-de zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende gemoedsaandoeningen worden
-uitgedrukt door bijna gelijksoortige bewegingen van <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en rondom den mond. Eenige weinige
-uitdrukkingen zijn inderdaad bijna geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige
-soorten van apen en bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk
-de hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld worden. Bij
-den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de meeste apen; maar wij kunnen
-het begin van een arendsneusachtige bocht waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij
-den neusaap (<i>Semnopithecus nasicus</i>) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.
-</p>
-<p>Het gelaat van vele apen is versierd met een baard, met bakkebaarden of knevels. Het
-hoofdhaar wordt bij sommige soorten van slankapen (<i>Semnopithecus</i>) zeer lang<a class="noteRef" id="xd31e8264src" href="#xd31e8264">6</a>, en bij den muts-aap (<i>Macacus radiatus</i>) loopt het straalsgewijze van een punt op de kruin van het hoofd uit, met een scheiding
-in het midden, evenals bij den mensch. Men zegt gewoonlijk, dat het voorhoofd den
-mensch zijn edel en verstandig uiterlijk geeft, maar het dikke haar op den kop van
-den muts-aap eindigt aan de benedenzijde plotseling, en wordt door zulk kort en fijn
-haar of dons opgevolgd, dat op geringen afstand gezien, het voorhoofd, met uitzondering
-der wenkbrauwen, geheel naakt schijnt. Men heeft ten onrechte wel eens beweerd, dat
-geen enkele aap wenkbrauwen bezit. Bij de zooeven genoemde soort verschilt de graad
-van naaktheid bij verschillende individu’s, en Eschricht<a class="noteRef" id="xd31e8272src" href="#xd31e8272">7</a> verzekert, dat bij onze kinderen de afscheiding tusschen de behaarde schedelhuid
-en het naakte voorhoofd soms niet scherp begrensd is; zoodat wij hier een klein voorbeeld
-hebben van terugkeer tot het type van een voorvader (atavisme) bij wien het voorhoofd
-nog niet, zooals thans, geheel naakt was geworden.
-</p>
-<p>Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden eenigszins convergeert
-naar een punt van den elleboog. Deze merkwaardige <span class="corr" id="xd31e8283" title="Bron: rankschikking">rangschikking</span>, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla,
-chimpanzee, orang, sommige soorten van gibbons (<i>Hylobates</i>) en zelfs bij sommige Amerikaansche apen. Bij <i>Hylobates agilis</i> is echter het haar op de gewone wijze naar beneden of naar den pols toe gericht;
-en bij <i>H. <span class="corr" id="xd31e8292" title="Bron: Lar">lar</span></i> staat het bijna recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat
-<span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>deze laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden betwijfeld,
-dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en de richting daarvan op den
-rug dient om den regen te doen afdruipen; zelfs de dwarse haren aan de voorpooten
-van een hond kunnen daartoe dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer
-Wallace merkt op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen
-van den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient om den
-regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van dit dier is, gebogen
-en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn geklemd. Volgens Livingstone zit
-ook de gorilla „als het sterk regent, met zijn handen over zijn kop.”<a class="noteRef" id="xd31e8298src" href="#xd31e8298">8</a> Wij moeten echter bedenken, dat de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt
-bepaald door de richting van het haar, en niet de richting van het haar door de houding.
-Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang juist is, dan herinnert
-ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige wijze aan onzen vroegeren toestand;
-want niemand zal onderstellen, dat het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den
-regen, en in onze tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe
-ook niet geschikt. <b>(<a href="#en6.5" id="en6.5src">5</a>)</b>
-</p>
-<p>Het zou echter overijld zijn te veel gewicht te hechten aan het beginsel van adaptatie
-ten opzichte van de richting van het haar bij den mensch en zijn vroege voorouders;
-want het is onmogelijk de afbeeldingen die Eschricht geeft van de rangschikking van
-het haar bij den menschelijken foetus (welke de zelfde is als bij den volwassene)
-te bestudeeren, zonder dien uitnemenden waarnemer toe te geven, dat andere en meer
-ingewikkelde oorzaken in het spel zijn geweest. De punten, naar welke de haren convergeeren,
-schijnen eenigermate in betrekking te staan tot die punten van het embryo die zich
-gedurende de ontwikkeling het laatst hebben gesloten. Er schijnt ook eenige betrekking
-te bestaan tusschen de rangschikking der haren op de ledematen en den loop der mergslagaderen.<a class="noteRef" id="xd31e8312src" href="#xd31e8312">9</a>
-</p>
-<p>Men moet niet onderstellen, dat de punten van overeenkomst tusschen den mensch en
-sommige apen in de bovengenoemde en vele andere <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>opzichten—zooals in het bezit van een naakt voorhoofd, lange haarlokken op het hoofd,
-enz.—allen het gevolg zijn van onafgebroken overerving van een gemeenschappelijken
-voorvader welke die kenmerken bezat, of van een later atavisme. Het is waarschijnlijker,
-dat de oorzaak van vele dezer punten van overeenkomst moet worden gezocht in analoge
-variatie, die, zooals ik elders heb trachten aan te toonen<a class="noteRef" id="xd31e8334src" href="#xd31e8334">10</a>, het gevolg is van de inwerking van gelijksoortige, tot wijzigingen aanleiding gevende
-oorzaken, op organismen die van een zelfden stamvorm afstammen en een gelijksoortige
-lichaamsgesteldheid bezitten. Wat de overeenstemmende richting van het haar op de
-voorarmen van den mensch en van zekere apen aangaat, zoo moet dit kenmerk, daar het
-aan bijna al de anthropomorphen gemeen is, waarschijnlijk aan overerving worden toegeschreven;
-schoon zulks niet zeker is, want ook eenige zeer van hen verschillende Amerikaansche
-apen bezitten het eveneens. De zelfde opmerking is toepasselijk op den staarteloozen
-toestand van den mensch; want de staart ontbreekt bij al de anthropomorphen. Toch
-kan dit kenmerk niet met zekerheid aan overerving worden toegeschreven, daar de staart,
-hoewel niet ontbrekende, echter rudimentair is bij verscheidene andere apen uit de
-Oude Wereld en bij sommige uit de Nieuwe Wereld, en geheel ontbreekt bij verscheidene
-soorten van de verwante groep der Lemuriden.
-</p>
-<p>Hoewel de mensch, zooals wij nu hebben gezien, geen recht heeft om een afzonderlijke
-Orde voor zich zelf te vormen, mag hij wellicht aanspraak maken op den rang van een
-afzonderlijke Onder-orde of Familie. Prof. Huxley verdeelt in zijn laatste werk<a class="noteRef" id="xd31e8339src" href="#xd31e8339">11</a> de Primaten in drie Onder-orden; namelijk, de Anthropidae alleen uit den mensch bestaande,
-de Simiadae die alle soorten van ware apen bevat, en de Lemuridae, waarin de verschillende
-geslachten van half apen worden opgenomen. Voor zooverre het verschillen in zekere
-belangrijke punten van maaksel betreft, mag de mensch ongetwijfeld met recht aanspraak
-maken op den rang van een Onder-orde, en deze rang is te laag, als wij hoofdzakelijk
-op zijn geestvermogens letten. Uit een genealogisch oogpunt schijnt het echter, dat
-deze rang te hoog is, en dat de mensch eenvoudig een Familie of mogelijk zelfs slechts
-een Onder-familie behoort te vormen. Indien wij ons drie lijnen van afstamming <span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>voorstellen die van een gemeenschappelijke bron uitgaan, dan is het zeer goed te begrijpen,
-dat twee daarvan in den loop der eeuwen zoo weinig kunnen zijn veranderd, dat zij
-nog soorten van een zelfde geslacht blijven, hoewel de derde zoo sterk is gewijzigd,
-dat zij als een afzonderlijke Onder-familie, Familie of zelfs Orde moet worden beschouwd.
-In dit geval is het echter bijna zeker, dat de derde lijn door overerving nog talrijke
-kleine punten van overeenkomst met de beide andere lijnen zal behouden. Hier zou men
-dan stuiten op de tegenwoordig nog onoplosbare moeilijkheid, of wij in onze klassificaties
-meer gewicht behooren te hechten aan sterk sprekende verschillen in eenige weinige
-punten,—dat is aan de hoegrootheid der ondergane wijziging,—dan wel aan groote overeenkomst
-in talrijke onbelangrijke punten, die de lijnen van afstamming of den stamboom aanwijzen.
-Het eerste is het duidelijkste en wellicht het veiligste, hoewel het laatste het meest
-juiste schijnt te zijn, daar het een werkelijk natuurlijke klassificatie geeft.
-</p>
-<p>Om hierover een oordeel te kunnen vellen, moeten wij een kort overzicht geven van
-de klassificatie der Simiadae of Ware Apen. Deze familie wordt door bijna alle natuuronderzoekers
-verdeeld in de groep der <i>Simiae Catarrhinae</i> of Apen der Oude Wereld, die, zooals hun Latijnsche naam uitdrukt, allen zijn gekenmerkt
-door het bijzondere maaksel hunner neusgaten en door het bezit van vier valsche maaltanden
-in elke kaak, en in de groep der <i>Simiae Platyrrhinae</i> of Apen der Nieuwe Wereld (die uit twee zeer verschillende ondergroepen bestaat)
-die zich allen kenmerken door anders gevormde neusgaten en het bezit van zes valsche
-maaltanden in elke kaak. <b>(<a href="#en6.6" id="en6.6src">6</a>)</b> Nog enkele andere kleine verschillen zouden hier kunnen worden vermeld. Nu behoort
-de mensch, wat zijn tandstelsel, het maaksel zijner neusgaten en eenige andere kenmerken
-aangaat, ongetwijfeld tot de Catarrhinae of Apen der Oude Wereld; en in geen enkel
-<span class="corr" id="xd31e8359" title="Bron: opzicnt">opzicht</span> gelijkt hij meer op de Platyrrhinae, dan op de Catarrhinae, behalve in eenige weinige
-kenmerken van niet veel belang en van adaptieven aard. Het zou daarenboven tegen alle
-waarschijnlijkheid strijden, om te onderstellen, dat de eene of andere voormalige
-soort, tot de Apen der Nieuwe Wereld behoorende, zich gewijzigd en zoo een op den
-mensch gelijkend wezen met al de onderscheidende kenmerken van de Apen der Oude Wereld
-zou hebben voortgebracht, terwijl het tegelijkertijd al zijn eigen onderscheidende
-kenmerken had verloren. Het kan bijgevolg moeielijk worden betwijfeld, dat <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>de mensch is gesproten uit den stam van de Apen der Oude Wereld, en dat hij uit een
-genealogisch oogpunt tot de groep der Catarrhinae moet worden gebracht.<a class="noteRef" id="xd31e8365src" href="#xd31e8365">12</a>
-</p>
-<p>De anthropomorphe apen, namelijk de gorilla, de chimpanzee, de orang en de gibbons
-worden door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke onder-groep van de
-overige apen der Oude Wereld afgescheiden. Ik weet, dat Gratiolet, zich grondende
-op het maaksel der hersenen, het bestaan van deze onder-groep niet aanneemt; en ongetwijfeld
-vormt zij geen goed geheel; zoo is de orang, gelijk de heer St. <span class="corr" id="xd31e8376" title="Bron: Georges">George</span> Mivart opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e8379src" href="#xd31e8379">13</a>, „een der meest bijzondere en afwijkende vormen, die in de geheele Orde worden gevonden.”
-De overige, niet-anthropomorphe Apen der Oude Wereld worden door sommige natuuronderzoekers
-weder verdeeld in twee of drie kleinere onder-groepen, waarbij dan de Slankapen (<i><span class="corr" id="xd31e8386" title="Bron: Semnophithecus">Semnopithecus</span></i>) met hun eigenaardige in zakken verdeelde maag <b>(<a href="#en6.7" id="en6.7src">7</a>)</b> het type van één dier onder-groepen zijn. Het schijnt echter, volgens Gaudry’s wondervolle
-ontdekkingen in Attika, dat er gedurende de Miocene periode een vorm leefde die de
-Slankapen (Semnopithecus) met het geslacht Macacus verbond <b>(<a href="#en6.8" id="en6.8src">8</a>)</b>, en dit is waarschijnlijk een voorbeeld van de wijze, waarop de andere en hoogere<span id="xd31e8402"></span> groepen eens ineensmolten.
-</p>
-<p>Indien men aanneemt, dat de anthropomorphe apen een natuurlijke onder-groep vormen,
-dan mogen wij, daar de mensch met hen overeenkomt, niet alleen in die kenmerken welke
-hij met de geheele groep der Catarrhinae gemeen heeft, maar ook in andere bijzondere
-kenmerken, zooals in het gemis van een staart en van eeltplekken aan de billen en
-in algemeen uiterlijk, daaruit afleiden, dat een of ander voormalig lid van de onder-groep
-der anthropomorphen de stamvader was van het menschelijk geslacht. Het is niet waarschijnlijk,
-dat een lid van een der andere lagere onder-groepen door de wet der analoge variatie
-een op den mensch gelijkend schepsel zou hebben voortgebracht, dat in zoovele opzichten
-op de hoogere anthropomorphe apen geleek. Ongetwijfeld heeft de mensch, in vergelijking
-<span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>met zijn meeste verwanten buitengewoon groote wijzigingen ondergaan, hoofdzakelijk
-ten gevolge van de sterke ontwikkeling zijner hersenen en rechtopgaande houding; wij
-moeten echter nimmer vergeten, dat hij „slechts een der verschillende afwijkende vormen
-van de Primaten is.”<a class="noteRef" id="xd31e8408src" href="#xd31e8408">14</a>
-</p>
-<p>Ieder natuuronderzoeker die gelooft in het beginsel van ontwikkeling, zal toestemmen,
-dat de twee hoofdgroepen der Simiadae, namelijk de Catarrhinen en Platyrrhinen, met
-hun ondergroepen, alle uit een enkelen zeer ouden stamvader zijn voortgesproten. De
-vroege afstammelingen van dien stamvader moeten, vóór zij op eenigszins belangrijke
-wijze van elkander waren afgeweken, nog een enkele natuurlijke groep hebben gevormd;
-maar sommige van de soorten of beginnende geslachten moeten door hun uiteenloopende
-kenmerken reeds eenigszins de toekomstige onderscheidingsteekenen van de groepen der
-Catarrhinen en Platyrrhinen hebben vertoond. De leden van deze onderstelde oude groep
-moeten dus niet zoo gelijkvormig zijn geweest in hun tandstelsel en in het maaksel
-hunner neusgaten, als het de tegenwoordige Catarrhinen eenerzijds en de Platyrrhinen
-anderzijds zijn, maar zij moeten in dit opzicht hebben geleken op de verwante Lemuriden,
-die zeer van elkander afwijken in den vorm van hun snoet<a class="noteRef" id="xd31e8416src" href="#xd31e8416">15</a>, en op buitengewone wijze in hun tandstelsel.
-</p>
-<p>De Catarrhinen en Platyrrhinen komen in een menigte van kenmerken overeen, zooals
-daaruit blijkt, dat zij onbetwistbaar tot ééne en de zelfde Orde behooren. De vele
-gemeenschappelijke kenmerken die zij bezitten, kunnen moeielijk door zoovele verschillende
-soorten onafhankelijk van elkander zijn verkregen, zoodat deze kenmerken moeten zijn
-overgeërfd. Een voormalige vorm, die vele kenmerken met de Catarrhinen en Platyrrhinen
-gemeen had, andere in een tusschen hen <span class="corr" id="xd31e8427" title="Bron: inliggenden">in liggenden</span> toestand, en wellicht ook eenige weinige bezat, welke van die welke thans aan die
-beide groepen eigen zijn, verschilden, zou, als hij door een natuuronderzoeker werd
-gezien, door dezen zonder den minsten twijfel tot de apen worden gebracht. Daar nu
-de mensch uit een genealogisch oogpunt tot den stam der Catarrhinen of Apen der Oude
-Wereld behoort, moeten wij tot het besluit komen, hoezeer deze gevolgtrekking ook
-onzen trots moge kwetsen, dat onze vroege voorouders met recht aldus <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>zouden zijn genoemd.<a class="noteRef" id="xd31e8432src" href="#xd31e8432">16</a> Wij moeten echter niet in de dwaling vervallen van te onderstellen, dat de voormalige
-voorvader van den geheelen stam der apen, met insluiting van den mensch, identisch
-was met, of zelfs zeer sterk geleek op eenige bekende aapsoort. <b>(<a href="#en6.9" id="en6.9src">9</a>)</b>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.</i>—Wij worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het oorspronkelijk vaderland
-van den mensch was op dat tijdperk van de afstamming, toen onze voorouders uit den
-stam der Catarrhinen ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst
-klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië, noch eenig
-Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten van de geographische verspreiding
-der dieren. In elke groote streek van de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw
-verwant met de uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom waarschijnlijk,
-dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven aapsoorten, die nauw verwant waren
-met den gorilla en den chimpanzee; en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten
-van den mensch zijn, is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders
-het vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. <b>(<a href="#en6.10" id="en6.10src">10</a>)</b> Het is echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna zoo
-groot als de mensch, namelijk de <i>Dryopithecus</i> van Lartet, die nauw verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa
-gedurende de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft de
-aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er ruimschoots tijd geweest
-voor verhuizingen op de grootste schaal.
-</p>
-<p>In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn geweest, toen
-de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij waarschijnlijk een warm land, en dit
-zou het hem gemakkelijk hebben gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar
-de analogie te oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is,
-dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar dit is wellicht
-geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene periode <b>(<a href="#en6.11" id="en6.11src">11</a>)</b>; want de hoogere apen hadden zich reeds in de Opper-Miocene <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het bestaan van den Dryopithecus.
-Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen, hoe snel organismen, hetzij zij hoog of
-laag op de ladder staan, zich onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten
-echter, dat sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit
-hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige afstammelingen
-van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn veranderd, terwijl andere een weinig,
-en wederom andere in groote mate zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn
-gegaan, die in zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in vergelijking
-van de hoogere apen.
-</p>
-<p>De groote gaping in de organische reeks tusschen den mensch en zijn naaste verwanten,
-die door geen uitgestorven of levende soort kan worden aangevuld, is dikwerf aangemerkt
-als een ernstig bezwaar tegen het geloof dat de mensch van den eenen of anderen lageren
-vorm afstamt, maar dit bezwaar zal niet zeer gewichtig toeschijnen aan hen die, door
-algemeene redenen overtuigd, in het algemeene beginsel van ontwikkeling gelooven.
-Men ontmoet elk oogenblik gapingen in alle deelen van de reeks, sommige wijd en scherp
-begrensd, andere in verschillende mate minder sterk uitgesproken; zooals tusschen
-den orang en zijn naaste verwanten; tusschen <i>Tarsius</i> en de overige Lemuriden; tusschen den olifant, en in nog sterkere mate tusschen de
-Snaveldieren (<i>Ornithorhynchus</i> of <i>Echidna</i>) en de overige Zoogdieren. Al deze gapingen hangen echter alleen af van het aantal
-verwante vormen dat is uitgestorven. In een toekomstig tijdperk, niet zoo verwijderd,
-als men het bij eeuwen meet, zullen de beschaafde menschen bijna zeker de wilde rassen
-over de geheele wereld uitgeroeid en hun plaats ingenomen hebben. In het zelfde tijdperk
-zullen de anthropomorphe apen, zooals Professor Schaaffhausen heeft opgemerkt<a class="noteRef" id="xd31e8481src" href="#xd31e8481">17</a>, ongetwijfeld ook zijn uitgeroeid. De gaping zal dan nog wijder zijn geworden; want
-zij zal bestaan tusschen den mensch in een beschaafder staat, naar wij mogen hopen,
-dan de Kaukasiër, en den eenen of anderen aap, zoo laag ontwikkeld als de baviaan,
-in plaats van, zooals tegenwoordig, tusschen den neger of Nieuw-Hollander en den gorilla.
-</p>
-<p>Wat de afwezigheid van fossiele overblijfselen aangaat, die als verbindingsleden tusschen
-den mensch en zijn op apen gelijkende voorouders <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>zouden kunnen dienen, zal niemand veel gewicht daaraan hechten, die de verhandeling
-van Sir C. Lyell<a class="noteRef" id="xd31e8491src" href="#xd31e8491">18</a> heeft gelezen, waarin deze aantoont, dat bij al de klassen van Gewervelde Dieren
-de ontdekking van fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig heeft plaats
-gehad. Ook moeten wij niet vergeten, dat die streken, waar men de meeste kans heeft
-fossiele verbindingsleden tusschen den mensch en een of ander uitgestorven aapachtig
-schepsel te vinden, tot nog toe niet door geologen zijn doorzocht.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Lagere ontwikkelingstrappen in de geschiedenis van den mensch.</i> Wij hebben gezien, dat de mensch zich uit de Catarrhinen of de afdeeling der Simiadae
-die de Oude Wereld bewoont, schijnt te hebben ontwikkeld, nadat deze laatste zich
-van de afdeeling der Apen der Nieuwe Wereld had gescheiden. Wij zullen nu de meer
-verwijderde sporen van zijn stamboom trachten te volgen, en daarbij in de eerste plaats
-afgaan op de wederzijdsche verwantschappen tusschen de verschillende klassen en orden,
-waarbij wij eenige geringe hulp zullen ontvangen van de perioden, zoover die met zekerheid
-bekend zijn, waarin zij achtereenvolgens op aarde verschenen. De halfapen (<i>Lemuriden</i>) staan beneden de ware apen (<i>Simiadae</i>), doch zij zijn nauw met hen verwant; zij vormen een zeer onderscheiden familie der
-Primaten, of, volgens Haeckel, een afzonderlijke orde. Deze groep omvat zeer verschillende,
-ja, soms sterk van elkander afwijkende vormen, tusschen welke gapingen bestaan. Het
-is daarom waarschijnlijk, dat vele daartoe behoorende soorten zijn uitgestorven. De
-overblijvende leven meest op eilanden, namelijk op Madagascar en in Insulinde, waar
-zij niet blootgesteld waren aan een zoo sterke mededinging in den levensstrijd, als
-zij zulks op goed aaneenhangende vastelanden zouden zijn geweest. Deze groep omvat
-vormen die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling staan, en leidt ons dus,
-zooals Huxley opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e8511src" href="#xd31e8511">19</a>, „ongevoelig van de kroon en het toppunt der dierlijke schepping naar beneden tot
-wezens welke, naar het schijnt, nog slechts ééne schrede zijn verwijderd van de laagste,
-kleinste en verstandelijk het minst ontwikkelde der Placentale Zoogdieren.” Deze verschillende
-redenen maken het waarschijnlijk, dat de Simiadae zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld
-<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span>uit de voorouders der thans levende Lemuriden <b>(<a href="#en6.12" id="en6.12src">12</a>)</b>; en deze op hun beurt uit vormen die zeer laag stonden in de reeks der zoogdieren.
-</p>
-<p>De Buideldieren (<i>Marsupialia</i>) staan door vele belangrijke kenmerken beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen
-in een vroegere geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan
-tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale Zoogdieren zijn ontsproten
-uit de Implacentale of Buideldieren; echter niet uit vormen die zeer veel geleken
-op de thans levende Buideldieren, maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren
-<b>(<a href="#en6.13" id="en6.13src">13</a>)</b> (<i>Monotremata</i>) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde en nog lagere afdeeling
-in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden in onzen tijd alleen vertegenwoordigd
-door het vogelbekdier (<i>Ornithorhynchus</i>) en het Stekeldier (<i>Echidna</i>), en deze beide vormen mag men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel
-grootere groep, die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden
-zijn bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij ons door
-vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der Reptielen voeren.
-</p>
-<p>Bij onze pogingen om den stamboom der zoogdieren, en derhalve ook dien van den mensch,
-nog lager in de reeks te vervolgen, worden wij door hoe langer hoe grooter wordende
-duisternis omgeven. Hij die wenscht te zien wat scherpzinnigheid en kennis tot stand
-kunnen brengen, raadplege Prof. Haeckel’s werken.<a class="noteRef" id="xd31e8543src" href="#xd31e8543">20</a> Ik zal mij tevreden stellen met eenige weinige algemeene opmerkingen. Ieder aanhanger
-der ontwikkelingstheorie zal aannemen, dat de vijf groote klassen van Gewervelde Dieren,
-namelijk de Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen, allen gezamenlijk
-van een enkelen grondvorm afstammen want zij hebben vele gemeenschappelijke kenmerken,
-vooral gedurende den embryonalen staat. Daar de klasse der Visschen de laagst georganiseerde
-is en vroeger dan de andere op aarde verscheen, mogen wij besluiten, dat al de leden
-van het onder-rijk der Gewervelde <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>Dieren afstammen van een of ander op een visch gelijkend dier, minder hoog georganiseerd
-dan eenige visch die tot dusverre in de laagste formaties die bekend zijn, is gevonden.
-Het geloof dat dieren, zoo verschillend als een aap of olifant en een kolibri, een
-slang, een kikvorsch en een visch, enz., allen kunnen zijn voortgekomen uit de zelfde
-stamouders, zal monsterachtig schijnen aan hen, die geen acht hebben geslagen op de
-vorderingen, die de natuurlijke geschiedenis in de laatste jaren heeft gemaakt. Want
-dit geloof sluit in zich het voormalig bestaan van tusschenvormen, welke al die thans
-zoo uiterst ongelijke vormen nauw met elkander verbonden.
-</p>
-<p>Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog bestaan, welke
-dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde Dieren meer of minder nauw met
-elkander te verbinden. Wij hebben gezien, dat het vogelbekdier (<i>Ornithorhynchus</i>) een overgang vormt tot de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door
-den heer Cope en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs
-in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels in staan—welke
-laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven blijkbaar een wijdverspreid
-overblijfsel van een grootere groep) en uit de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen
-vogel uit het secundaire tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis
-gelijkende. <b>(<a href="#en6.14" id="en6.14src">14</a>)</b> Verder vertoonen volgens Prof. Owen<a class="noteRef" id="xd31e8569src" href="#xd31e8569">21</a> de Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten van verwantschap
-met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de Amphibieën. Deze laatste klasse
-(tot de hoogste afdeeling waarvan de kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar
-verwant met de Ganoïde Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de
-oudere geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een sterk gegeneraliseerd
-type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende punten van verwantschap met verscheidene
-andere groepen van organismen. De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren
-zoo nauw verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet eens
-waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden gebracht. De Lepidosiren
-en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen uitsterving bewaard gebleven, doordat
-zij onze rivieren bewoonden, die vluchthavens zijn en tot <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>de groote wateren van den oceaan in de zelfde betrekking staan, als eilanden tot de
-vastelanden.
-</p>
-<p>Eindelijk wijkt één enkel lid van de uitgebreide en zeer verschillend gevormde klasse
-der visschen, de Slakprik of Amphioxus, in maaksel zoozeer van alle andere visschen
-af, dat Haeckel volhoudt, dat het een afzonderlijke klasse van het onder-rijk der
-Gewervelde Dieren behoorde te vormen. Deze visch is merkwaardig wegens zijn negatieve
-kenmerken; men kan moeielijk zeggen, dat hij hersenen, of hart enz. bezit, zoodat
-hij door de oudere natuuronderzoekers onder de wormen werd gerangschikt. Vele jaren
-geleden merkte Prof. Goodsir op, dat de slakprik eenige punten van verwantschap vertoonde
-met de Zakpijpen (<i>Ascidiae</i>), ongewervelde, tweeslachtige (hermaphroditische) zeedieren, die voortdurend aan
-een steunsel zijn bevestigd. Zij gelijken nauwelijks op dieren en bestaan uit een
-eenvoudigen, harden, lederachtigen zak, met twee vooruitstekende openingen. Zij behooren
-tot de Molluscoïda van Huxley,—een lagere afdeeling van het groote onder-rijk der
-Weekdieren (<i>Mollusca</i>);—maar zij zijn sedert korten tijd door sommige natuuronderzoekers onder de Wormen
-(<i>Vermes</i>) geplaatst. Haar larven gelijken in vorm eenigszins op de maskers van kikvorschen<a class="noteRef" id="xd31e8585src" href="#xd31e8585">22</a>, en bezitten het vermogen om vrij rond te kunnen zwemmen. De heer <span class="corr" id="xd31e8591" title="Bron: Kowalevski">Kowalewski</span><a class="noteRef" id="xd31e8593src" href="#xd31e8593">23</a> heeft onlangs ontdekt, dat de larven der Zakpijpen (<i>Ascidiae</i>) verwant zijn met de Gewervelde Dieren in hun wijze van ontwikkeling, in de betrekkelijke
-ligging van het zenuwstelsel, en door het bezit van een deel, dat zeer veel gelijkt
-op de <i>chorda dorsalis</i> der Gewervelde Dieren. Het schijnt dus, als wij mogen afgaan op de embryologie, die
-altijd gebleken is de veilige gids te zijn voor de klassificatie, dat wij eindelijk
-een leiddraad hebben naar de bron waaruit de Gewervelde Dieren zijn gesproten.<a class="noteRef" id="xd31e8606src" href="#xd31e8606">24</a> Wij zouden dus <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>recht hebben om aan te nemen, dat er in een uiterst lang geleden tijdperk een groep
-van dieren bestond, die in vele opzichten op de larven der tegenwoordige Zakpijpen
-(<i>Ascidiae</i>) geleek, en zich in twee groote takken splitste,—waarvan de eene in ontwikkeling
-achteruitging en de tegenwoordige klasse der Zakpijpen (<i>Ascidiae</i>) voortbracht<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> terwijl de andere opsteeg tot de kroon en het toppunt van het Dierenrijk, door het
-aanzijn te geven aan de Gewervelde Dieren. <b>(<a href="#en6.15" id="en6.15src">15</a>)</b>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met behulp hunner
-wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij zullen nu den mensch beschouwen,
-zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders
-gedeeltelijk te beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet
-in nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire deelen die
-de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu en dan door atavisme bij
-hem vertoonen, en door behulp van de beginselen der morphologie en embryologie. De
-verschillende feiten waarop ik hier zinspeel, zijn in de <span class="corr" id="xd31e8639" title="Bron: vortge">vorige</span> hoofdstukken medegedeeld. De vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld
-eens geheel met haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren
-puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een staart, die
-de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en lichamen werden ook in beweging
-gebracht door vele spieren, die tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen,
-maar bij de apen normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen
-liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger tijdperk bezat
-het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum (blinden darm), dan tegenwoordig.
-Te oordeelen naar de plaatsing van den grooten teen bij den foetus, was de voet toen
-een grijporgaan; en onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen
-te leven en bewoonden een of ander <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>warm boschrijk land. De mannetjes bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als
-geduchte wapenen.
-</p>
-<p>In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de uitwerpselen door
-een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door een derde ooglid (<i>membrana nictitans</i>). In een nog vroeger tijdperk waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want
-de morphologie leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde zwemblaas
-bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De spleten in den hals van den
-menschelijken embryo toonen de plaats waar zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer
-in dit zelfde tijdvak vervulden de oernieren (<i>corpora Wolffiana</i>) de plaats der ware nieren. Het hart bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat
-en de wervelkolom werd vervangen door een ruggestreng (<i>chorda dorsalis</i>). Deze vroege voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken
-van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd zijn geweest,
-dan de Slakprik of Amphioxus.
-</p>
-<p>Er is een ander punt dat een nadere vermelding verdient. Het is lang bekend geweest,
-dat in het onder-rijk der Gewervelde Dieren de eene sekse rudimenten bezit van verschillende
-bijkomende deelen, behoorende tot het voortplantingsstelsel, die eigenlijk aan de
-andere sekse toekomen; en het is tegenwoordig uitgemaakt, dat op een zeer vroeg tijdstip
-van de embryonale ontwikkeling, beide seksen ware mannelijke en vrouwelijke geslachtsklieren
-hebben. Een uiterst ver verwijderde stamvorm van het geheele onder-rijk der Gewervelde
-Dieren schijnt dus tweeslachtig (hermaphroditisch) te zijn geweest<span class="corr" title="Niet in bron">.</span><a class="noteRef" id="xd31e8656src" href="#xd31e8656">25</a> Hier stuiten wij echter op een eigenaardige moeielijkheid. In de klasse der Zoogdieren
-bezitten de mannetjes in hun vesiculae prostaticae rudimenten van een baarmoeder met
-den daaraan verbonden doorgang; zij hebben ook rudimentaire tepels en sommige mannelijke
-buideldieren <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>vertoonen rudimenten van een buidel.<a class="noteRef" id="xd31e8670src" href="#xd31e8670">26</a> Andere dergelijke feiten zouden hierbij gevoegd kunnen worden. Moeten wij derhalve
-onderstellen, dat eenig uiterst oud zoogdier de organen bezat aan beide seksen eigen,
-dat <span id="xd31e8678"></span>nog hermaphrodiet bleef, nadat het de voornaamste kenmerken van zijn eigen klasse
-had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van de lagere klassen van het
-onder-rijk der Gewervelde Dieren? Dit is in de hoogste mate onwaarschijnlijk; want
-wij moeten afdalen tot de Visschen, de laagste van alle klassen der Gewervelde Dieren,
-eer wij eenige nog bestaande hermaphroditische vormen vinden.<a class="noteRef" id="xd31e8680src" href="#xd31e8680">27</a> Waarom mannelijke zoogdieren rudimenten van de bijkomende vrouwelijke organen, en
-vrouwelijke zoogdieren rudimenten van de mannelijke organen bezitten, kan wellicht
-worden verklaard door aan te nemen, dat toen de eene sekse trapsgewijze de aan haar
-eigen bijkomende organen verkreeg, sommige der achtereenvolgende trappen of wijzigingen
-op de andere sekse werden overgebracht<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wanneer wij de seksueele teeltkeus behandelen, zullen wij tallooze voorbeelden van
-dezen vorm van overbrenging ontmoeten,—zooals in het geval van de sporen, vederen
-en schitterende kleuren, door mannelijke vogels verkregen voor den strijd of tot versiering,
-maar op de wijfjes overgebracht in een rudimentairen of onvolmaakten toestand.
-</p>
-<p>Het feit, dat mannelijke zoogdieren borsten bezitten die, wat hun functie aangaat,
-onvolkomen zijn, is in sommige opzichten bijzonder merkwaardig. De Snaveldieren (<i>Monotremata</i>) bezitten wel melkafscheidende klieren met openingen, maar geen tepels; en daar deze
-dieren geheel onder aan de reeks der Zoogdieren staan, is het waarschijnlijk, dat
-de stamvormen dier klasse eveneens wel melkafscheidende klieren, doch geen tepels
-bezaten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Deze gevolgtrekking wordt <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>gesteund door hetgeen van de ontwikkelingswijze bekend is; want Professor Turner verzekert
-mij, op autoriteit van Kölliker en Langer, dat bij den embryo de melkafscheidende
-klieren duidelijk zijn afgeteekend, vóór er nog een spoor van tepels zichtbaar is;
-en wij moeten ons steeds herinneren, dat de opeenvolgende ontwikkeling der deelen
-bij het individu over het algemeen schijnt te vertegenwoordigen en in overeenstemming
-te zijn met de opeenvolgende ontwikkeling der wezens in de zelfde lijn van afstamming.
-<b>(<a href="#en6.18" id="en6.18src">18</a>)</b> De Buideldieren (<i>Marsupialia</i>) verschillen van de Snaveldieren (<i>Monotremata</i>) door het bezit van tepels; zoodat deze organen waarschijnlijk het eerst werden verkregen
-door de Buideldieren, nadat zij zich van de Snaveldieren hadden gescheiden en deze
-in ontwikkeling waren voorbijgestreefd, en daarna op de Placentale Zoogdieren werden
-overgebracht.<a class="noteRef" id="xd31e8713src" href="#xd31e8713">28</a> Niemand zal onderstellen, dat, nadat de Buideldieren ongeveer hun tegenwoordig maaksel
-hadden verkregen en daarom in een vrij laat tijdperk van de ontwikkeling van de reeks
-der Zoogdieren, eenige daartoe behoorende soort nog hermaphroditisch was gebleven.
-Wij schijnen dus genoodzaakt te zijn tot de voorgaande beschouwingswijze terug te
-keeren en te besluiten, dat de tepels zich het eerst hebben ontwikkeld bij de wijfjes
-van den eenen of anderen zeer ouden vorm van Buideldieren, en later overeenkomstig
-een gewone wet van erfelijkheid op de mannetjes werden overgebracht in een, wat hun
-functie aangaat, on volmaakten toestand.
-</p>
-<p>Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de stamouders van
-de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden hermaphroditen te zijn, beide seksen
-wellicht melk voortgebracht en de jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van
-de Buideldieren, dat beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal
-niet volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der Naaldvisschen
-of Zeenaalden (<i><span class="corr" id="xd31e8730" title="Bron: Syngnatns">Syngnatus</span></i>) de eieren der wijfjes in een door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak
-opnemen, ze uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden<a class="noteRef" id="xd31e8733src" href="#xd31e8733">29</a>;—dat sommige andere mannelijke <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>visschen de eieren in hun bekken of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige
-soorten van padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen winden
-en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes van sommige vogels
-den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en dat mannelijke duiven, even goed
-als de wijfjes, hun jongen met een in hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde
-vermoeden kwam echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke
-zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die andere bijkomende
-voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse vindt, hoewel zij eigenlijk aan
-de andere toebehooren. De melkklieren en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren
-bestaan, kunnen inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig
-niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden sympathetisch
-<b>(<a href="#en6.19" id="en6.19src">19</a>)</b> aangedaan onder den invloed van sommige ziekten, evenals de zelfde organen bij het
-wijfje. Bij de geboorte scheiden zij dikwijls eenige weinige droppels melk af, en
-er bestaan voorbeelden dat zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed
-ontwikkeld waren en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was
-ook het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt, die twee
-paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende een vroegere langdurige
-periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes behulpzaam waren in het voeden van hun
-jongen en dat naderhand door de eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen
-werden voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou onbruik dezer
-organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij ophielden werkzaam te zijn,
-en volgens twee welbekende beginselen van de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk
-overgaan op de mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere leeftijden
-zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij even goed ontwikkeld zouden
-zijn bij de jongen van beide seksen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span></p>
-<p><i>Besluit.</i>—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in de organische reeks,
-welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en deze berust op de hoegrootheid der
-differentiatie en specialisatie van de verschillende deelen van het zelfde wezen,
-als het, zooals ik geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame wijze geschikt
-zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun organen, wegens het voordeel,
-verkregen door de verdeeling van den physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende
-functies gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel schijnt
-soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig ander en geheel verschillend
-doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle deelen hoe langer hoe samengestelder geworden.
-Elk organisme zal echter in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van
-den stamvorm waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met deze
-beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische bewijzen wenden, dat
-de organisatie over de geheele wereld met langzame en afgebroken stappen is vooruitgegaan.
-In het groote onder-rijk der Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch.
-Men moet echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd worden
-verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte groepen hebben doen
-geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars van haar voorgangers, zijn niet
-altijd beter geschikt voor alle plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude
-vormen schijnen te zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar
-zij niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons dikwijls bij
-het opmaken van onze stamboomen door ons een goed denkbeeld te geven van voormalige
-verloren gegane bevolkingen. Wij moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om
-de bestaande leden van de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor
-volmaakte vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.
-</p>
-<p>De oudste stamvormen van het Onder-rijk der Gewervelde Dieren, waarvan wij in staat
-zijn een duister denkbeeld te verkrijgen, bestonden, naar het schijnt, in een groep
-van zeedieren<a class="noteRef" id="xd31e8768src" href="#xd31e8768">30</a>, op de larven der tegenwoordige <span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span>Zakpijpen (<i>Ascidiae</i>) gelijkende. Deze dieren gaven waarschijnlijk het aanzijn aan een groep Visschen,
-even laag georganiseerd als de Slakprik; en uit deze moeten zich de Ganoïden en andere
-op Lepidosiren gelijkende Visschen hebben ontwikkeld. Van zulk een visch zou een zeer
-kleine vooruitgang ons tot de Amphibieën leiden. Wij hebben gezien, dat er eens een
-innig verband heeft bestaan tusschen Vogels en Reptielen, en de Snaveldieren (<i>Monotremata</i>) verbinden nog heden in geringe mate de Zoogdieren met de Reptielen. Niemand kan
-echter op dit oogenblik zeggen, door welke afstammingslijn de drie hoogere verwante
-klassen, namelijk de Zoogdieren, Vogels en Reptielen, zijn ontstaan uit een der beide
-lagere klassen van Gewervelde Dieren, namelijk de Amphibieën en de Visschen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In de klasse der Zoogdieren zijn de stappen niet moeielijk te begrijpen, die van
-de oude Snaveldieren (<i>Monotremata</i>) tot de oude Buideldieren (<i>Marsupialia</i>) en van deze tot de voormalige stamouders der Placentale Zoogdieren leiden. Wij kunnen
-op die wijze opklimmen tot de Lemuriden, en deze worden door geen wijde tusschenruimte
-van de Ware Apen (<i>Simiadae</i>) gescheiden. De Ware Apen (<i>Simiadae</i>) vertakten zich toen in twee groote stammen, de Apen der Nieuwe Wereld en de Apen
-der Oude Wereld; en uit den laatsten kwam, in een lang geleden tijdperk, de Mensch,
-het wonder en de roem van het Heelal, voort. <b>(<a href="#en6.21" id="en6.21src">21</a>)</b>
-</p>
-<p>Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende lengte, maar,
-het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men heeft dikwijls opgemerkt dat
-de wereld juist zoo is ingericht, alsof zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van
-den mensch; en dit is in zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>aanzijn verschuldigd aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen
-sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze voorouders en
-bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons geenszins over hen te schamen. <b>(<a href="#en6.22" id="en6.22src">22</a>)</b> Het nederigste organisme staat een weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze
-voeten; en niemand kan met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren,
-zonder in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en eigenschappen.
-</p>
-<div id="ch6n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e410">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en6.1" class="first">(<a href="#en6.1src">1</a>) Vergelijk aanteekening 6, blz. 217.
-</p>
-<p id="en6.2">(<a href="#en6.2src">2</a>) „De geestelijke Hamlet Clark zegt, dat de Saüba van Rio de Janeiro, een soort zeer
-nauw verwant aan die waarvan wij spreken<a class="noteRef" id="xd31e8828src" href="#xd31e8828">31</a>, een tunnel heeft uitgegraven onder het bed der rivier Parahyba, op een plaats, waar
-zij zoo breed is als de Theems bij London-Bridge” (Snellen van Vollenhoven, „Gedaantewisseling
-en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz. 435).
-</p>
-<p>In Texas leeft een soort van mieren, die de zaden van een bepaalde grassoort op daartoe
-toebereiden grond zouden uitzaaien, oogsten en bewaren, en een deel van den oogst
-weêr tot <span class="corr" id="xd31e8835" title="Bron: uitzaaiïng">uitzaaiing</span> gebruiken, dus landbouw beoefenen. Volgens andere berichten zouden zij die „mierenrijst”,
-echter niet zaaien, maar eenvoudig alle andere planten op de plekken waar die groeit,
-vernielen, met andere woorden: wieden. Hierdoor kan de „mierenrijst” natuurlijk weliger
-groeien.
-</p>
-<p>Men vergelijke over de mieren ook „Ontstaan der Soorten”, 3e Ned. Uitgaaf, blz. 304,
-315, 353, 362, 366, 408; Büchner, Dr. L<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, „Uit het Leven der Dieren”, Nijmegen, 1877, en vooral Sir John Lubbock, „<span lang="en">Ants, Bees and Wasps. A Record of Observations on the Habits of the Social Hymenoptera</span>”, 9de Uitgaaf, deel uitmakende van de bekende „<span lang="en">International Scientific Series.</span>”
-</p>
-<p id="en6.3">(<a href="#en6.3src">3</a>) Deze vier Onder-klassen dragen den naam van <i>Archencephala</i>, <i>Gyrencephala</i>, <i>Lissencephala</i> en <i>Lyencephala</i>. De <i>Archencephala</i>, waartoe alleen de Mensch (Orde der <i>Bimana</i>) behoort, zouden zich van alle andere zoogdieren onderscheiden, doordat bij hen alleen
-de halfronden der groote hersenen zich van boven tot achter de kleine hersenen zouden
-uitstrekken, en zij alleen ook een <i>lobus posterior</i> en <i>hippocampus minor</i> zouden bezitten. Wij hebben er reeds in aanteekening 10, blz. 39, op gewezen, dat
-Owen hierin dwaalde en de hersenen der hoogere apen de zelfde kenmerken aanbieden.
-Tot de Onder-klasse <span class="corr" id="xd31e8870" title="Bron: den">der</span> <i>Gyrencephala</i>, bij welke de groote hersenen bijna altijd windingen bezitten en de groote hersenen
-de kleine nog steeds grootendeels bedekken, brengt Owen de Orden der <i>Quadrumana</i>, <i>Carnivora</i>, <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span><i>Artiodactyla</i><a class="noteRef" id="xd31e8882src" href="#xd31e8882">32</a>, <i>Perissodactyla</i><a class="noteRef" id="xd31e8886src" href="#xd31e8886">33</a>, <i>Proboscidea</i><a class="noteRef" id="xd31e8891src" href="#xd31e8891">34</a>, <i>Toxodontia</i><a class="noteRef" id="xd31e8895src" href="#xd31e8895">35</a>, <i>Sirenia</i> en <i>Cetacea</i>. Tot de <i>Lissencephala</i>, bij welke de groote hersenen gewoonlijk glad zijn of slechts weinig windingen vertoonen,
-en de <i>lobi olfactorii</i> van voren en de geheele massa der kleine hersenen van achteren onbedekt laten, brengt
-Owen de Orden der <i>Bruta</i><a class="noteRef" id="xd31e8912src" href="#xd31e8912">36</a>, <i>Insectivora</i> en <i>Rodentia</i>. De Onder-klasse der <i>Lyencephala</i> die zich door het gemis van het <i>corpus callosum</i> onderscheidt, bevat de Orden der <i>Marsupialia</i> en <i>Monotremata</i> (R. Owen, „<span lang="en">On the Characters, Principles of Division and Primary Groups of the Class Mammalia.</span>” <span lang="en">Read at the Linnean Society, Febr. 17th and 21st, 1857</span>).
-</p>
-<p id="en6.4">(<a href="#en6.4src">4</a>) Ik ben bewust, dat velen het woord Snaveldieren voor een Germanisme verklaren. Het
-is echter goed gevormd volgens de regels der Nederlandsche taal en m.i. fraaier dan
-vogelbekdier (dat vooral in samenstellingen als Eendvogelbekdier en Egelvogelbekdier
-afschuwelijk is). Den naam Vogelbekdier wensch ik alleen gegeven te zien aan <i>Ornithorhynchus</i> (waarvan het de letterlijke vertaling is) en die van <i>Snaveldieren</i> aan alle Monotremata. Voor Echidna sla ik den naam <i>Stekeldier</i> voor. <i>Gestekelde miereneter</i>, zooals Lubock hem noemt, kan aanleiding geven tot verwarring met de eigenlijke miereneters
-(<i>Myrmecophaga</i>) die tot een geheel andere Orde en zelfs Onder-klasse der Zoogdieren behooren.
-</p>
-<p id="en6.5">(<a href="#en6.5src">5</a>) Bij eenige buitengewoon behaarde individu’s van de Japansche Aino’s (gelijk bekend
-is, een buitengewoon harig volk) vond B.&nbsp;H. Chamberlain („<span lang="en">Memoirs of the Literature College of the University of Japan</span>”, 1886, afl. 1) dat de haren op het borstbeen, tusschen de schouders en billen juist
-zoodanig gericht waren als het nuttigst zou zijn om den regen af te doen druppelen.
-De daar groeiende haarbossen waren verscheidene Eng. duimen lang.
-</p>
-<p id="en6.6">(<a href="#en6.6src">6</a>) De beide ondergroepen, waaruit de groep der <i>Platyrrhinae</i> is samengesteld en die de namen van <i>Hesperopitheci</i> of <i>Cebidae</i> en van <i>Hemipitheci</i> of <i>Hapalidae</i> dragen, verschillen evenveel van elkander als de <i>Platyrrhinae</i> van de <i>Catarrhinae</i>.<a class="noteRef" id="xd31e8982src" href="#xd31e8982">37</a>
-</p>
-<p>Wij meenen daarom, dat het beter is de ware apen in drie hoofdgroepen van gelijke
-waarde te verdeelen: 1<sup>o</sup>. de <i><span class="corr" id="xd31e8995" title="Bron: Catharrhinae">Catarrhinae</span></i> of <i>Heopitheci</i> (Apen <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>der Oude Wereld); 2<sup>o</sup>. de <i>Cebidae</i> of <i>Hesperopitheci</i> (voor welke groep men ook den naam <i>Platyrrhinae</i> (in beperkten zin) zou kunnen behouden); 3<sup>o</sup>. de <i>Hemipitheci</i> of <i>Hapalidae</i> (Eekhoornapen). Deze laatste vertegenwoordigen o.i. de Nieuwe Wereld de Lemuriden
-der Oude Wereld. Deze indeeling komt met die van Mivart (blz. 274, noot) overeen maar
-wijkt o.i. belangrijk van de door Darwin (blz. 273) gegeven rangschikking af. De verschillen
-blijken uit de volgende tabel:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="small">
-<thead>
-<tr class="label center">
-<td rowspan="3" class="rowspan xd31e9024 xd31e9021 cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom"><i>Catarrhinae <br>of <br>Heopitheci</i> </td>
-<td colspan="2" class="colspan xd31e9024 xd31e9021 cellHeadRight cellHeadTop"><i>Platyrrhinae.</i> </td>
-</tr>
-<tr class="label center">
-<td colspan="2" class="colspan xd31e9024 xd31e9021 cellHeadRight">
-<div class="figure tbracewidth"><img src="images/tbrace.png" alt="Horizontal brace pointing up." width="388" height="18"></div> </td>
-</tr>
-<tr class="label center">
-<td class="xd31e9024 xd31e9021 cellHeadBottom"><i>Hesperopitheci</i> </td>
-<td class="xd31e9024 xd31e9021 cellHeadRight cellHeadBottom"><i>Hemipitheci</i>
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft">32 tanden. </td>
-<td class="xd31e9021">36 tanden. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">32 tanden. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft">4 valsche en 6 ware maaltanden in elke kaak. </td>
-<td class="xd31e9021">6 valsche en 6 ware maaltanden in elke kaak. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">6 valsche en 4 ware maaltanden in elke kaak. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft">Platte nagels. </td>
-<td class="xd31e9021">Platte nagels. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">Klauwvormige nagels met uitzondering van die van den duim der achterhanden. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft">Duim der voorhanden ontbreekt slechts zeer zelden en is van de vingers verwijderd.
-</td>
-<td class="xd31e9021">Duim der voorhanden ontbreekt bij velen en is, waar hij aanwezig is, van de vingers
-verwijderd. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">Duim der voorhanden ontbreekt nimmer en is niet van de vingers verwijderd. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft">Neusschot smal, neusgaten voor- en benedenwaarts gekeerd. </td>
-<td class="xd31e9021">Neusschot breed, neusgaten zijdelings gekeerd. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">Neusschot breed, neusgaten zijdelings gekeerd. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft"> </td>
-<td class="xd31e9021"> </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">Het voorhoofdsbeen zet zich bij vele tusschen de oogkassen boven de neusbeenderen
-voort en is aldaar bol verheven. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft">Sommige staartloos, nimmer een grijpstaart. </td>
-<td class="xd31e9021">Alle gestaart, bij vele een grijpstaart. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight">Alle gestaart, nimmer een grijpstaart. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e9021 cellLeft cellBottom">Bij de meesten eeltplekken aan de billen, bij velen wangzakken. </td>
-<td class="xd31e9021 cellBottom">Nimmer eeltplekken aan de billen, noch wangzakken. </td>
-<td class="xd31e9021 cellRight cellBottom">Nimmer eeltplekken aan de billen, noch wangzakken. </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Zoo wij in deze tabel van „voor-” en „achterhanden” spreken, hoewel wij in aanteekening
-14, blz. 41, hebben opgemerkt, dat de zoogenaamde achterhanden der apen eigenlijk
-ware voeten zijn, was zulks slechts om ons aan het eenmaal aangenomen spraakgebruik
-te houden.
-</p>
-<p>Wat de in de volgende alinea door Darwin aangestipte vraag aangaat, of de anthropomorphen
-als een afzonderlijke groep der <i>Catarrhinae</i> moeten worden beschouwd, willen wij nog het volgende opmerken:
-</p>
-<p>Haeckel verdeelt de Apen der Oude Wereld in twee ondergroepen: 1<sup>o</sup>. <i>Catarrhinae</i> met een staart (<i>Menocerca</i>) en 2<sup>o</sup>. <i>Catarrhinae</i> zonder staart (<i>Lipocerca</i>). De groep der <i>Lipocerca</i> omvat de Anthropomorphen en den Mensch, die der <i>Menocerca</i> de overige Apen der Oude Wereld. Deze laatste worden, al naar zij wangzakken bezitten
-of niet, in de beide families der <i>Ascoparea</i> en <i>Anasca</i> onderscheiden („<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”, 1ste uitgaaf, <span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span>blz. 570). R. Hartman, hoogleeraar aan de Universiteit te Berlijn, geeft in zijn werk:
-„<span lang="de">Die Menschenähnl. Affen</span>”, Leipzig, Brockhaus, 1883, blz. 268, de volgende indeeling van de Orden der Primaten
-en Lemuriden (hij scheidt deze laatste als afzonderlijke Orde af van die, welke den
-<i>mensch en</i> de ware apen omvat), met welke ik mij in hoofdzaak goed kan vereenigen, schoon ik
-Hapale als een derde zelfstandige Onder-familie van de eigenlijke apen (<i>Simiina</i>) beschouw.
-</p>
-<p class="center">1. Zoogdieren (<b>MAMMALIA</b>).
-</p>
-<p class="center">A. <b>Monodelphia</b> Blainv. (<b>Placentalia</b> Owen).
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Orde: PRIMATES L.
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Familie: <span class="sc">Primarii</span>.
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Onder-familie: <span class="ex"><i>Erecti</i></span> (<i>de Mensch, Homo sapiens</i>). </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Onder-familie: <span class="ex"><i>Anthropomorpha</i></span> L.
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber"><i>a</i>)</span> <i>Dasypoga</i> (d.i. <i>zonder</i> eeltplekken aan de billen).
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Geslacht: <i>Troglodytes</i>.
-<ul>
-<li>Soorten: <i>T. Gorilla</i> en <i>T. niger</i> (Chimpanzee) enz. </li>
-</ul> </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Geslacht: <i>Pithecus</i>.
-<ul>
-<li>Soort: <i>P. Satyrus</i> (Orang Oetan). </li>
-</ul> </li>
-</ul> </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber"><i>b</i>)</span> <i>Tylopoga</i> (d.i. <i>met</i> eeltplekken aan de billen).
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3.</span> Geslacht: <i>Hylobates</i>.
-<ul>
-<li>Soorten: de Gibbons. </li>
-</ul> </li>
-</ul> </li>
-</ul> </li>
-</ul> </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Familie: <span class="sc">Eigenlijke Apen</span> (<span class="sc">Simiina</span>).
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> Onder-familie: <span class="ex"><i>Catarrhina</i></span>.
-<ul>
-<li>Geslachten: <i>Semnopithecus</i>, enz. </li>
-</ul> </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Onder-familie: <i>Platyrrhina</i>.
-<ul>
-<li>Geslachten: <i>Mycetes</i>, <i>Cebus</i>, <i>Hapale</i> enz. </li>
-</ul> </li>
-</ul> </li>
-</ul> </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> Orde: PROSIMII (Halfapen of <span class="corr" id="xd31e9299" title="Bron: Lemuridne">Lemuridae</span>). </li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>De Lemuriden kunnen o.a. ook daarom niet met den mensch en de apen in de zelfde orde
-worden vereenigd, omdat zij van hen afwijken in den vorm der eivliezen en van de placenta,
-welke laatste bij hen, gelijk Milne Edwards („<span lang="en">Compt. rend.</span>”, T. LXXIII, blz. 422) heeft aangetoond, <i>klok</i>vormig is en veel meer nadert tot die der Carnivora, dan tot die van den mensch, de
-apen, vledermuizen, insectivoren en knaagdieren, wier gemeenschappelijke voorouders
-waarschijnlijk tot de Lemuriden behoorden. Ook de anatomische verschillen zijn daartoe
-te groot.
-</p>
-<p id="en6.7">(<a href="#en6.7src">7</a>) De maag der Slankapen bestaat uit drie deelen: het cardiale gedeelte, waarin de
-slokdarm uitmondt, bezit inwendig een gladde oppervlakte; het tweede gedeelte bestaat
-uit een dubbele rij zakjes; het derde of pylorusgedeelte is langwerpig van vorm, bezit
-nog eenige insnoeringen, evenals een karteldarm, doch wordt aan het einde van eenvoudiger
-maaksel.
-</p>
-<p id="en6.8">(<a href="#en6.8src">8</a>) <i>Mesopithecus penthelicus</i> Gaudry. In het maaksel van den kop geleek hij op Semnopithecus, in dat der ledematen
-op Macacus.
-</p>
-<p id="en6.9">(<a href="#en6.9src">9</a>) Onder al de verdraaide voorstellingen die de tegenstanders der ontwikkelingstheorie
-van de denkbeelden der Darwinisten gelieven te geven, is er wellicht geen belachelijker,
-dan dat de Darwinisten zouden beweren, dat de mensch uit een der thans levende aapsoorten
-zou zijn ontstaan. Tot hun verontschuldiging kan men bijbrengen, dat juist de hevigste
-tegenstanders meestal personen zijn, die de eerste beginselen missen van de kundigheden,
-noodig om de stellingen der Darwinisten te beoordeelen, en wier uitspraken daaromtrent
-slechts even zoo vele bewijzen zijn hunner onwetendheid. Daar de ontwikkelingstheorie
-berust op het denkbeeld, dat de thans levende hoogere diersoorten slechts gewijzigde
-afstammelingen zijn der uitgestorvene, <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>ligt het voor de hand, dat twee thans levende hoogere diersoorten nimmer in rechte
-lijn met elkander verwant kunnen zijn, maar dat hun verwantschap beter zou kunnen
-worden uitgedrukt door het woord „neef.” Niemand zal dus zoo dwaas zijn te beweren,
-dat de mensch van den gorilla, chimpanzee of orang afstamt, schoon deze dieren zeker
-tot onze naaste familie behooren. Het is dus zeer duidelijk, hoe onze vaderlandsche
-geleerden Schroeder van der Kolk en Vrolik hebben kunnen zeggen: „Wij kennen geen
-soort van apen die een directen overgang tot den mensch vormt. Wilde men met geweld
-den mensch van de apen afleiden, dan zou men zijn hoofd moeten zoeken bij die kleine
-apen, die zich om de Ouistiti’s en Rolapen groepeeren, zijn hand bij den Chimpanzee,
-zijn skelet bij den Siamang, zijn hersenen bij den Orang” („zijn voet bij den Gorilla”,
-voegt Vogt er bij). Zij hebben daardoor voldingend bewezen, dat de mensch niet in
-rechte lijn van die apen afstamt, iets dat eigenlijk niet behoefde te worden bewezen,
-daar niemand zulks beweert. Zij hebben daardoor echter ook voldingend bewezen, dat
-de mensch met al die apen nauw verwant is. Evenzoo nadert het Fransch in sommige opzichten
-tot het Italiaansch, in andere tot het Spaansch, wederom in andere tot het Roemenisch,
-terwijl het Spaansch wederom met het Portugeesch overeenkomt in punten, waarin het
-van het Fransch en Italiaansch afwijkt, enz. Dit bewijst, dat het Fransch geen dochtertaal
-is van een der genoemde talen, maar tevens, dat zij allen afstammelingen zijn van
-een zelfde oude, doode taal, het Latijn. De kinderen der verschillende menschenrassen
-gelijken meer op elkander, dan de volwassen individu’s, evenzoo gelijken de jongen
-der apen meer op onze kinderen en op elkander, dan de volwassen apen op ons en op
-elkander. Wij hebben hier dus een aantal convergeerende lijnen die elkander in een
-achter ons gelegen punt moeten snijden. De ontwikkelingsgeschiedenis van het individu
-toch geeft de ontwikkelingsphasen die het type heeft doorloopen, terug. Als dus de
-jonge apen meer op onze kinderen gelijken, dan de volwassen apen op ons, dan is er
-een tijd geweest dat de voorouders der tegenwoordige apen meer op onze voorouders
-geleken, dan de tegenwoordige apen op ons. Als er een tijdstip in de embryonale ontwikkeling
-is, waarop de embryo van een aap niet van een menschelijk embryo is te onderscheiden,
-dan is er ook een tijdstip geweest, waarop de voorouders der tegenwoordige apen de
-zelfde kenmerken hadden, tot de zelfde soort behoorden, als de onze. Iedere ontwikkelingsphase
-van het menschelijk type is op die wijze om zoo te zeggen pro memoria aangeteekend
-in de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu.
-</p>
-<p id="en6.10">(<a href="#en6.10src">10</a>) Haeckel ontwikkelde in de eerste uitgaven zijner „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”<span class="corr" id="xd31e9337" title="Bron: , "> (</span>1ste uitgaaf, blz. 619)<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> het denkbeeld, dat de oorspronkelijke bakermat van het menschelijk geslacht een thans
-onder den spiegel van den Indischen Oceaan verzonken vasteland zou zijn geweest, dat
-zich ten zuiden van het tegenwoordige Azië (en waarschijnlijk daarmede verbonden)
-eenerzijds tot Achter-Indië en Insulinde, anderzijds westelijk tot Madagascar en Zuid-oostelijk
-Afrika uitstrekte. Dit hypothetische vasteland is wegens de Lemuriden die sommige
-nog overgebleven deelen er van bewonen, door den Engelschman Sclater Lemuria genoemd.
-Deze hypothese moet als onjuist worden beschouwd. Er leven ook op het vasteland van
-Afrika Lemuriden en in Noord-Amerika zijn fossiele Lemuriden gevonden. Daarenboven
-is de Indische Oceaan grootendeels zeer diep, en het is in hooge mate <span class="corr" id="xd31e9342" title="Bron: onwaarwaarschijnlijk">onwaarschijnlijk</span>, dat daarin ooit een vasteland zou hebben gelegen. In zijn „<span lang="en">Darwinism</span>”, 2de uitgaaf, Londen 1889 geeft A.&nbsp;R. Wallace een wereldkaart, <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>waarop de lijn van 1000 vademen diepte is aangegeven, die, gelijk hij in het breede
-aantoont, bijna overal de uiterste grens aangeeft tot welke zich ooit het vasteland
-kan hebben uitgestrekt. Men vergelijke het nevensgaande kaartje, dat echter in tegenoverstelling
-van dat van Wallace ook de omstreken der polen bevat, en waarvan de projectie mij
-voor het beoogde doel beter en duidelijker schijnt dan de door Wallace gebruikte projectie.
-Op dit kaartje zijn al de gedeelten der zee, die minder dan duizend vademen diep zijn,
-wit geteekend. Het onderstelde Lemuria valt bijna overal <i>buiten</i> de lijn van 1000 vademen diepte en heeft derhalve nooit bestaan. In de eerste uitgaaf
-van de Nederlandsche vertaling maakte ik omtrent het oorspronkelijk vaderland van
-den mensch de volgende opmerking: „Het is even waarschijnlijk, dat het Aziatisch gewest
-van Insulinde, waar thans nog de Orang en de Gibbons leven, de oorspronkelijke bakermat
-van den mensch is, als West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla.
-Bedenken wij echter, dat alle volken van Afrika <i>dolichocephaal</i> zijn, en ook de Chimpanzee en Gorilla dit kenmerk vertoonen, terwijl het Maleische
-ras en <span class="corr" id="xd31e9355" title="Bron: v le">vele</span> andere Aziatische stammen <i>brachycephaal</i> zijn evenals de Orang en de Gibbons, bedenken wij verder, dat evenals ten Oosten
-van het vaderland van Chimpanzee en Gorilla een door Lemuriden bewoond eiland (Madagascar)
-ligt, ook het oostelijk deel van het Aziatisch gewest van Insulinde door een door
-Lemuriden bewoond eiland (Celebes) wordt ingenomen, ja, dat ook op Borneo, Sumatra
-en Java Lemuriden wonen, en dat de Lemuriden volgens Darwin en Haeckel de stam zijn,
-waaruit zich de ware apen en de mensch hebben ontwikkeld, dan rijst de vraag op, of
-de oorspronkelijke mensch niet op minstens twee afzonderlijke plaatsen is ontstaan:
-1o. In Zuid-west-Afrika uit met den Chimpanzee en Gorilla verwante vormen; dit menschenras
-zou de oorspronkelijke stamvorm der Negers, Kaffers en Hottentotten zijn, en 2o. In
-het Aziatische gewest van Insulinde uit met den Orang en de Gibbons verwante vormen;
-dit menschenras zou de oorspronkelijke stam der Aziatische volken zijn geweest.” Hierbij
-komt nog, dat de Chimpanzee en Gorilla zwart zijn als de Negers, de Orang bruin als
-de Maleiers.
-</p>
-<p>Sedert is echter door den Markies de Saporta een geheel nieuwe hypothese omtrent het
-oorspronkelijke vaderland van den mensch geopperd, die mij uiterst waarschijnlijk
-en ook uit een algemeen geologisch en palaeontologisch oogpunt hoogst belangrijk voorkomt.
-Ik heb haar daarom nader uiteengezet en uitgebreid in een artikel over „Het oorspronkelijk
-vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen in het palaeolithische tijdperk”,
-dat ik achter het eerste gedeelte van Darwin’s werk (tusschen Hoofdstuk VII en VIII)
-inlasch en waarnaar ik verder verwijs. Ik zal daar het kaartje ook verder bespreken.
-</p>
-<p id="en6.11">(<a href="#en6.11src">11</a>) De meening, dat de mensch niet reeds gedurende het zoogenaamde Diluvium (de Pleistocene
-vorming) bestond (dit laatste is een volkomen bewezen, niet meer te betwijfelen feit),
-maar dat zijn geslacht zelfs opklimt tot de oude tertaire tijden, wordt zeer gesteund
-door verscheidene overblijfselen van menschelijke nijverheid, of ten minste van stukken
-vuursteen die sporen van bewerking schijnen te vertoonen, welke men in verschillende
-tertaire lagen heeft gevonden.
-</p>
-<p>Zoo vond de Abt Bourgeois in het <i>Calcaire de la Beauce</i> in de gemeente Thénay, dicht bij Pont-Leroy, alwaar dit 4,80 meter dik is en uit
-afwisselende lagen mergel, leem en zoetwater-kalksteen bestaat, in de alleronderste,
-uit mergel bestaande laag eenige, en in de onmiddellijk daarop rustende gele of groenachtige
-leem talrijke bewerkte vuursteenen. Op het Calcaire de la <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>Beauce rusten in die gemeente de zoogenaamde <i lang="fr">Sables de l’Orléanais</i>; ook in deze vond hij zeer grof en onvolmaakt bewerkte vuursteenen en een bal („galet”),
-uit een kunstmatig, kool bevattend deeg vervaardigd, te zamen met beenderen van groote
-Olifantachtige Dieren en van Dinotherium. Deze <span lang="fr">Sables de l’Orléanais</span> behooren evenals de daarboven gelegen <i lang="fr">Faluns de la Tourraine</i>, die uit grijs, met zeeschelpen en zoogdierbeenderen vermengd zand bestaan, tot de
-Miocene vorming. Ook in de Faluns de la Tourraine vond de Abt Bourgeois bewerkte vuursteenen
-met de schelpen vermengd; zij vertoonen sporen van lang door het water te zijn heên
-en weêr gerold en zijn waarschijnlijk tijdens de vorming der Faluns door de zee uit
-de onderliggende lagen losgespoeld.
-</p>
-<p>Ook in de Miocene lagen van Lelles sur Cher (Loir-et-Cher) vonden de Abt Bourgeois
-en de heer Vibraye, en in die van Pouancé (Maine-et-Loire) de abt Delaunay sporen
-van den tertiairen mensch.
-</p>
-<p>In de <i>Sablonières de St. Prest</i> (Eure-et-Loir), die tot de Pliocene vorming behooren, zijn in 1863 beenderen van
-<i>Rhinoceros leptorhinus</i>, <i>Elephas meridionalis</i> en <i>Hippopotamus</i> gevonden, waarop de heer Desnoyers strepen of sporen van insnijdingen ontdekte, door
-’s menschen hand gemaakt, zeer duidelijk en regelmatig, volkomen overeenkomende met
-die welke zijn waargenomen op de fossiele beenderen van nieuwere zoogdiersoorten.
-De heer Issel vond dergelijke overblijfselen in de Pliocene vorming van Colle del
-Vento in Savoye. Omtrent menschelijke overblijfselen uit de oudere Pliocene-periode,
-in Italië in het Tiberdal gevonden, vergelijke men de mededeelingen van G. Marinoni,
-G.&nbsp;R. Gualterio en A. Issel in „<span lang="it">Atti della società Italiana die scienze naturali</span>”, 1868 (en beknopt in „<span lang="de">Neues Jahrb. f. Miner.</span>”, 1871, blz. 196). In Portugal werden bewerkte vuursteenen in tertiaire lagen van
-het dal van den Taag bij Lissabon door den geoloog Carlos Ribeira gevonden, en tijdens
-het internationale voorhistorische congres te Lissabon in 1880 en 1881 door verschillende
-Fransche, Engelsche en Duitsche geleerden van grooten naam die ook de vindplaatsen
-bezochten, als echt erkend.
-</p>
-<p>In zijn in den winter van 1868 te Rotterdam gehouden lezingen deelde Carl Vogt mede,
-dat men in het dal van den Manzanares in zekere laag een volledig skelet van <i>Elephas meridionalis</i> en in een daaronder gelegene en dus oudere laag overblijfselen van menschelijke kunstvlijt
-en zelfs menschenbeenderen had gevonden. <i>Elephas meridionalis</i> nu sterft reeds in de Pliocene vorming uit.
-</p>
-<p>Ook de in 1844 het eerst beschreven, in den vulkanischen tuf van den uitgebranden
-vulkaan van Denise nabij le Puy en Velay gevonden fossiele menschenbeenderen behooren
-wellicht tot het tertiaire tijdvak.
-</p>
-<p>Omtrent tertiaire menschenbeenderen en steenen voorwerpen uit Californië zie men de
-aanteekeningen op het volgende hoofdstuk.
-</p>
-<p>Het is mij wel eens ingevallen, of de in de Miocene vorming gevonden, uiterst ruw
-bewerkte vuursteenen en de door den heer <span class="corr" id="xd31e9410" title="Bron: Denoyers">Desnoyers</span> ontdekte insnijdingen wellicht afkomstig konden zijn, niet van menschen, maar van
-nog half-aapachtige voorouders van den mensch die reeds wat verder ontwikkeld waren
-dan de tegenwoordige apen, welke laatste, zooals men weet, steenen als werktuigen
-bezigen, zonder ze echter te bewerken. Er moeten tusschentrappen zijn geweest waarop
-de voorouders van den mensch verstandelijk vrij wat hooger ontwikkeld waren dan de
-Apen, doch nog steeds veel lager stonden, dan de ruwsten der tegenwoordige wilden.
-Het zelfde denkbeeld is, lang nadat deze opmerking in de eerste uitgaaf van dit werk
-verscheen, ook gemaakt door G. de Mortillet, die de tertiaire vuursteenwerktuigen
-<span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span>toeschrijft aan „<span lang="fr">le précurseur de l’homme</span>”, wellicht <i>Dryopithecus Fontani</i>. Men vergelijke o.a. „Isis”, 1878, blz. 317.<a class="noteRef" id="xd31e9420src" href="#xd31e9420">38</a> <i>Dryopithecus Fontani</i> is echter later gebleken geenszins nader met den mensch verwant te wezen dan de thans
-nog levende anthropomorphen, zoodat „<span lang="fr">le précurseur de l’homme</span>” blijkbaar een hooger ontwikkeld wezen dan Dryopithecus moet zijn geweest. Daar de
-tertiaire vuursteenen die men voor bewerkt houdt, sporen van de inwerking van het
-vuur vertoonen, zou deze voorganger van den mensch met het gebruik van het vuur bekend
-moeten zijn geweest, waarop ook de in de <i lang="fr">Sables de <span class="corr" id="xd31e9431" title="Bron: l’Orléaus">l’Orléans</span></i> gevonden, kool bevattende bal wijst. De tegenwoordige apen, zelfs de anthropomorphen,
-warmen zich wel bij het door den mensch ontstoken vuur, maar verstaan de kunst niet
-om het aan te houden door de toevoeging van nieuwe brandstof, of om het te maken.
-Het verhaal door Emin Pacha aan Stanley gedaan (zie „In Afrika’s donkere wildernissen”,
-Dl. I, blz. 494), dat de chimpanzees uit het woud van Msongwa ’s nachts fakkels gebruiken
-om hun weg te verlichten, als zij vruchten uit de aanplantingen komen stelen, houden
-wij voor een sprookje. Het verhaal komt wel in het Engelsche origineele werk („<span lang="en">In Darkest <span class="corr" id="xd31e9436" title="Bron: Afrika">Africa</span></span>”, vol. I, blz. 423) voor, maar ontbreekt, zonderling genoeg, in de Duitsche vertaling.
-</p>
-<p id="en6.12">(<a href="#en6.12src">12</a>) Prof. Cope beschreef in „<span lang="en">The Amer. Naturalist</span>” van Jan. 1882, blz. 73, onder den naam van <i>Anaptomorphus Homunculus</i> een lemuride, waarvan de schedel in de Eocene lagen van westelijk Noord-Amerika is
-gevonden, en die volgens hem meer nadert tot den hypothetischen lemuroïden voorvader
-van den mensch dan eenige tot dusver ontdekte soort. In zijn tandstelsel nadert dit
-dier eensdeels tot de Indri’s van Madagascar, van den anderen kant tot de echte apen
-en vooral tot den mensch. De hoektanden zijn zeer klein, de tanden vormen een onafgebroken
-reeks en staan verticaal. De groote hersenen hadden voor een Eoceen zoogdier een aanzienlijk
-volumen. De groote oogholten pleiten voor een nachtelijke levenswijze.
-</p>
-<p id="en6.13">(<a href="#en6.13src">13</a>) Een vijftal jaren geleden is het gebleken, dat de <i>Snaveldieren</i> eierleggende dieren zijn, en dus ook in dit opzicht van de overige zoogdieren afwijken
-en tot de reptielen en andere lagere klassen der gewervelde dieren naderen.
-</p>
-<p>In September 1884 werd dit, wat <i>Ornithorhynchus</i> aangaat, ontdekt door Caldwell te Sydney. Hij ontdekte tevens, dat het ei meroblastisch
-is, d.w.z. een dojerblaas bezit, en dus in zijn ontwikkeling groote overeenkomst heeft
-met dat der Reptielen, vooral der slangen en hagedissen, en niet met dat der Amphibieën.
-Het ei is uitwendig met een fijn net van dunne kalkvezeltjes bedekt en gelijkt het
-meest op dat van sommige slangen.
-</p>
-<p>Reeds in Augustus 1884 had een andere in Nieuw-Holland verblijfhoudende natuuronderzoeker,
-Dr. Wilhelm Haacke, bij <i>Echidna</i> in een zich tijdelijk bij het wijfje vormenden zak het met een perkamentachtige schaal
-bedekte ei van dit dier ontdekt. Hij maakte die ontdekking echter eerst in December,
-dus <i>na</i> Caldwell, publiek.
-</p>
-<p>Men vergelijke ook het stuk van Dr. D. Lubach, „Eierleggende Zoogdieren” in Alb. d.
-Natuur 1886.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p296width"><img src="images/p296.jpg" alt="Kaart van de Aarde met continentaal plat." width="720" height="369"></div><p>
-</p>
-<p>In 1886 werd door Miklucho-Macklay aangetoond, dat de lichaamstemperatuur van <i>Ornithorhynchus</i> 25,2 °C. en die van <i>Echidna</i> 28 °C. is. Bij de hoogere zoogdieren is die temperatuur veel hooger en gelijk of
-nagenoeg <span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span>gelijk aan die van den mensch. Ook in dit opzicht vormen dus de Snaveldieren een overgang
-tusschen de hoogere zoogdieren en de koudbloedige Reptielen en Amphibieën.
-</p>
-<p>Ofschoon de Snaveldieren geen eigenlijke tepels bezitten, bezitten zij echter wel
-zogklieren. Deze scheiden echter geen eigenlijk gezegde melk af. Het zijn gewijzigde
-zweetklieren, terwijl de zogklieren der overige zoogdieren vervormde talkklieren zijn.
-De gemeenschappelijke voorouders der zoogdieren brachten waarschijnlijk het vocht
-waarmede zij hun jongen voedden, voort uit een orgaan, dat zoowel uit veranderde zweetklieren
-als vervormde talkklieren bestond. Bij de typische zoogdieren kwamen de <i>laatste</i> tot bijna uitsluitende ontwikkeling, bij de snaveldieren de <i>eerste</i>. De typische zoogdieren stammen dus <i>niet</i> in rechte lijn van snaveldieren af, maar deze laatste vormen een zelfstandig ontwikkelden
-zijtak, die echter in organisatie veel dichter bij den oorspronkelijken stam staat
-dan de typische zoogdieren (Humboldt, Juni 1887, blz. 271).
-</p>
-<p id="en6.14">(<a href="#en6.14src">14</a>)<span id="xd31e9493"></span> Als overgangsvormen tusschen de reptielen en de <i>tegenwoordige</i> vogels zijn verder merkwaardig de vogels met tanden (<i>Odontornithes</i>), door Prof<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> O.&nbsp;C. Marsh in 1870–72 in de krijtformatie van Westelijk Kansas ontdekt. Men vergelijke
-Dr. T.&nbsp;C. Winkler, Vogels met Tanden, in „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 51, 67. Ook <i>Archaeopteryx</i> is later, nadat men er een tweede, beter bewaard skelet van had gevonden, gebleken
-tanden te hebben bezeten. Ofschoon het een gevederd en vliegend dier was, bleek <i>Archaeopteryx</i> echter in de meeste opzichten dichter bij de Reptielen dan bij de echte vogels te
-staan, wat met de <i>Odontornithes</i> geenszins het geval is.
-</p>
-<p id="en6.15">(<a href="#en6.15src">15</a>) Treffend zijn Tab. XII en XIII van de achtste uitgaaf van Haeckel’s „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”, die een vergelijking tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van <i>Ascidia</i> en <i>Amphioxus</i> bevatten. Bij de larven van <i>Ascidia</i> vindt men den aanleg eener <i>chorda dorsalis</i> met een centraal zenuwstelsel daarboven, het darmkanaal daaronder gelegen. Het centraal
-zenuwstelsel bestaat uit een langen draad, die zich aan het kopeinde tot een rond
-ganglion uitzet; in dien draad bevindt zich een holte, die zich tot in het ganglion
-voortzet. Met het ganglion hangen zintuigen te zamen, die gehoor- en gezichtswerktuigen
-schijnen te zijn, en de zelfde betrekkelijke ligging hebben als bij de embryo’s der
-Gewervelde Dieren (Kupffer, „<span lang="de">Die <span class="corr" id="xd31e9527" title="Bron: Stamverwantschaft">Stammverwandtschaft</span> zwischen Ascidiën und Wirbelthieren</span>”, Bonn, 1870). Bij de verdere ontwikkeling der Ascidiën verliezen de larven haar
-staart en daarmede tevens de <i>chorda dorsalis</i> en draadvormige zenuwstreng, zoodat dan de gelijkenis met Gewervelde Dieren geheel
-verloren gaat.
-</p>
-<p>Nu maakte echter Baehr, de beroemde embryoloog van St. Petersburg, er opmerkzaam op,
-dat daar volgens Haeckel’s biogenetische hoofdwet datgeen, wat het vroegst in de ontwikkeling
-optreedt, het erfdeel der vroegste voorouders is, zoo die hoofdwet juist was, niet
-de Gewervelde Dieren van Manteldieren (waartoe de Zakpijpen of Ascidiën behooren)
-moesten afstammen, maar omgekeerd de Manteldieren van Gewervelde Dieren, daar zij
-in hun vroegste jeugd de organisatie van Gewervelde Dieren bezaten.<a class="noteRef" id="xd31e9535src" href="#xd31e9535">39</a>
-<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p>
-<p>Over deze quaestie is in den jaargang 1873 van Isis een wetenschappelijke discussie
-gevoerd tusschen Dr. P.&nbsp;J.&nbsp;F. Vermeulen (destijds leeraar aan de Roomsch-Katholieke
-Hoogere Burgerschool te Rolduc) en schrijver dezes. Destijds heb ik er reeds op gewezen,
-dat wanneer met de Ascidiën verwante wezens als stamvorm der Gewervelde Dieren moesten
-worden opgegeven, vele gronden waren aan te voeren voor de meening, dat de Gewervelde
-Dieren afstamden van Gelede Dieren (waartoe ik ook de eigenlijke Ringwormen reken).
-Dit gevoelen werd spoedig daarop ook door anderen, die er echter geheel onbekend mede
-waren, dat ik het reeds vroeger had uitgesproken, verdedigd, en niet slechts theoretisch
-verder uitgewerkt, maar ook door waarnemingen gesteund.
-</p>
-<p>Dr. Dohrn te Napels, stichter en directeur van het <span class="corr" id="xd31e9563" title="Bron: Zoologisch">Zoölogisch</span> Station aldaar, wees er namelijk in een in 1875 verschenen geschrift („<span lang="de">Ueber den Princip des Functionswechsels</span>”, Leipzig, Engelmann) op, dat bij zeer laag staande visschen reeds punten van overeenkomst
-in anatomischen bouw met de Manteldieren worden gevonden, en stelde de vraag, in welk
-opzicht de levenswijze der Manteldieren met die van bedoelde visschen overeenkomt?
-Hij antwoordde daarop, dat zoowel de Manteldieren als die visschen een half of geheel
-parasitisch leven leiden of toch ten minste op den zeebodem vastgegroeide wezens zijn
-geworden. In deze levenswijze zocht nu Dohrn de oorzaak van de lage organisatie. Alle
-woekerdieren gaan, gelijk Dohrn aantoonde en ook algemeen bekend is (men vergelijke
-Vogt’s stuk over „Woekerdieren en aanverwant gespuis” in Isis 1875, blz. 197), ten
-gevolge hunner levenswijze in organisatie achteruit. Dikwijls zien wij, zegt Vogt
-(ib. blz. 203), „hoe het woekerdier in het binnenste van het lichaam van zijn gastheer
-aangekomen, langzamerhand een menigte van organen afwerpt, die het niet meer kan gebruiken
-en die door het niet meer gebruiken allengs verdwijnen; zintuigen en bewegingsorganen,
-organen van bloedsomloop en ademhaling, ja zelfs ten laatste de verteringsorganen,
-waarvan de nevenklieren afnemen, tot zelfs het darmkanaal verarmt, zich aan het achterste
-einde als een blinde zak sluit, en eindelijk zelfs geheel en al verdwijnt, om evenals
-de andere organen, voor het eenige stelsel plaats te maken, dat zich op kosten der
-andere ontwikkelt, namelijk het voortplantingsstelsel.” Woekerdieren onttrekken zich
-door hun levenswijze aan den voor de ontwikkeling der organen zoo noodzakelijken strijd
-om het bestaan, het gevolg daarvan is achteruitgang der organen. Dohrn voegde daarom
-bij Darwin’s beide beginselen, de <i>aanpassing</i> en de <i>erfelijkheid</i>, nog een derde, dat even krachtig op de organisatie terugwerkt, namelijk het <i>parasitisme</i> of woekerleven.
-</p>
-<p>Volgens deze beschouwing van Dohrn zouden derhalve de <i>Manteldieren</i> werkelijke, doch door parasitisme achteruitgaand ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn,
-die zich tot de overige Gewervelde Dieren ongeveer even zoo verhouden als de (eens
-tot de wormen gerekende) <i>Linguatulinen</i> (vergelijk Harting’s „Leerboek” III, 1, blz. 359) tot de overige Spinachtige Dieren.
-</p>
-<p>Dohrn onderscheidde echter nog een vierde beginsel, door hem „<span lang="de">Princip des Functionswechsels</span>” genoemd. Elk orgaan, zegt hij, bezit meer dan ééne functie, ééne daarvan is hoofdfunctie,
-de andere zijn nevenfuncties. Nu kan echter een nevenfunctie zoo op den voorgrond
-treden, dat zij de andere <span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>verdringt, en daardoor verkrijgt het orgaan een andere beteekenis in de huishouding
-van het lichaam en ondergaat tevens secundaire wijzigingen in zijn bouw. Zoodoende
-kan b.v. uit een oorspronkelijk eenvoudige maag een kliermaag en een spiermaag ontstaan.
-</p>
-<p>Deze beschouwingen verder uitwerkende, kwam Dohrn tot de hypothese: „<i>dat de mond der tegenwoordige Gewervelde Dieren vroeger op een geheel andere plaats,
-namelijk in de streek van de tegenwoordige vierde hersenholte (ventriculus quartus)
-heeft gelegen</i>, en dat onze tegenwoordige mond bij de stamouders der Gewervelde Dieren slechts een
-kieuwspleet is geweest.” Het spijsverteringskanaal zou destijds het tegenwoordige
-ruggemerg hebben doorboord, onze tegenwoordige buikzijde rugzijde zijn geweest en
-omgekeerd, het ruggemerg zou buikmerg zijn geweest, evenals bij de tegenwoordige Gelede
-Dieren, het verlengde merg en de hersenen zouden een slokdarmring hebben gevormd.
-Op deze wijze ontstaat een volkomen homologie tusschen het zenuwstelsel der Gewervelde
-Dieren en dat der Ringwormen. De plaatsverandering van den mond is geen grooter wonder
-dan die van het eene oog bij de tegenwoordige platvisschen, bij welker jongen de oogen
-symmetrisch liggen, evenals bij de andere Gewervelde Dieren, terwijl zij bij de ouden
-asymmetrisch, beide aan ééne zijde van het lichaam liggen. De uitwendig zichtbare
-geleding der Gelede Dieren wordt bij de tegenwoordige Gewervelde Dieren inwendig nog
-aangeduid in de wervelkolom, en is bij hun embryo nog duidelijker in de zoogenaamde
-<i>voorwervels</i>, die geenszins uitsluitend de beginsels van wervels, maar bovendien die van de rugzenuwknoopen
-en van het geheele zijdespierstelsel zijn.
-</p>
-<p>Dohrn kwam tot het resultaat, dat de Gewervelde Dieren afstammen van Gelede Wormen,
-op de tegenwoordige <i>Ringwormen</i> of <i>Anneliden</i> gelijkende.<a class="noteRef" id="xd31e9601src" href="#xd31e9601">40</a>
-</p>
-<p>Dit resultaat werd zeer gesteund, toen twee andere deskundigen, Professor Semper te
-Würzburg<a class="noteRef" id="xd31e9609src" href="#xd31e9609">41</a> en Balfour te Edinburg<a class="noteRef" id="xd31e9619src" href="#xd31e9619">42</a> die beiden de ontwikkeling der geslachtswerktuigen bij jonge haaien bestudeerden,
-ongeveer gelijktijdig ontdekten, dat de eerste aanleg van de eierstokken en testikels
-van deze dieren uit afzonderlijke stukken bestaat, waarvan elk met een der onderste
-wervelsegmenten overeenkomt. De algemeene vorm dezer organen herinnerde beide onderzoekers
-dadelijk aan dergelijke organen, die men sinds lang aan de geslachtsorganen der Ringwormen
-had opgemerkt en waaraan men den naam van segmentaalorganen of segmentaaltrechters
-had gegeven.
-</p>
-<p>Ook Leydig, Hatschek, Kleinenberg, Eisig en anderen hebben vervolgens de hypothese
-uitgesproken en met groot talent verdedigd, dat van alle ongewervelden de Ringwormen
-de meeste overeenkomst met de Gewervelde Dieren vertoonen, en dat zij en de Arthropoda
-(Schaaldieren, Spinnen, Insekten, Duizendpooten) afstammen van een oorspronkelijken
-diervorm, die in maaksel min of meer overeenkwam met <i>Polygordius</i>.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e9633" title="Bron: Gegenbauer">Gegenbaur</span> en Haeckel hebben zich echter nooit met dit denkbeeld kunnen vereenigen. Eerstgenoemde
-wijst op het centraalzenuwstelsel der Nemertinen (de hoogst bewerktuigde der zoogenaamde
-Platwormen), dat bestaat uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, waarvan twee
-zijdelingsche zenuwstammen <span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span>uitgaan, als een zeer oorspronkelijken toestand, waaruit, doordat die zenuwstammen
-bij sommige soorten hooger, bij andere lager gelegen zijn, door samensmelting aan
-de buikzijde de buikstreng en slokdarmring der Ringwormen en Arthropoda zou kunnen
-worden afgeleid. Harting („Leerboek der Dierkunde”, 1874) wees van den anderen kant
-op de mogelijkheid van een dergelijke rugwaartsche vereeniging, waaruit dan een ruggemerg
-kon ontstaan. Balfour en Hubrecht (destijds conservator aan ’s Rijks Museum te Leiden,
-thans Hoogleeraar in de Dierkunde te Utrecht) kozen aan die zijde partij, de eerste
-door in zijn „<span lang="en">Development of Elasmerobranch Fishes</span>”, blz. 171, zulk een ontwikkelingsgang nog eenmaal te schetsen, de laatste door de
-feiten te rangschikken, welke zich in het maaksel van sommige Nemertinen aan hem hadden
-doen kennen, en welke inderdaad ten duidelijkste aantoonden, dat de zijdelingsche
-zenuwstammen onmiskenbaar een neiging tot rugwaartsche verplaatsing vertoonen („Verhandelingen
-v. d. Kon. Akad.”, Amsterdam, 1880).
-</p>
-<p>In een verhandeling „Over de voorouderlijke stamvormen der Vertebraten”, in 1883 door
-de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam uitgegeven, ging Hubrecht echter
-verder, en voerde vele feiten aan tot staving der hypothese, „<i>dat de slurp der Nemertinen, die ontstaat als een voor instulping vatbaar orgaan,
-dit geheel afkomstig is zoowel phylo- als ontogenetisch</i> (d.i. zoowel in de ontwikkeling der soort als van het individu) <i>uit het epiblast, en die zijn weg neemt door het hersenganglion, homoloog is aan het
-rudimentaire orgaan, dat men in de geheele reeks der Vertebrata aantreft: de hypophysis
-cerebri</i>” (hersenslijmklier). „<i>De slurpscheede der <span class="corr" id="xd31e9649" title="Bron: Nemertiden">Nemertinen</span> is vergelijkbaar in ligging (en in ontwikkeling?) met de chorda dorsalis”</i> (ruggestreng) <i>„der Gewervelde Dieren.</i>” Verder toonde hij zich zeer geneigd van de darmuitstulpingen der Nemertinen als
-de voorloopers te beschouwen der coelomzakken, die dan weder met die van de Amphioxus-(slakprik-)larve
-vergelijkbaar zouden zijn.
-</p>
-<p>Hij wees er echter uitdrukkelijk op (hetgeen evenwel voor iemand die goed met Darwin’s
-theorie bekend is geen betoog behoefde), dat hij geenerlei directe verwantschap (in
-rechte lijn namelijk) tusschen hedendaagsche Nemertinen en Vertebrata beoogde, maar
-slechts trachtte aan te toonen, dat het algemeen <span class="corr" id="xd31e9657" title="Bron: bonwplan">bouwplan</span> eener Nemertine meer beantwoordt aan dat van een gewerveld dier dan b.v. dat van
-de Oer-ringwormen (Archi-Anneliden), en dat de schakel die Coelenteraten-voorouders
-met gewervelde afstammelingen verbindt, waarschijnlijk vormen heeft omvat, die in
-het bezit waren van twee zijdelingsche zenuwstammen, welke zich rugwaarts hebben vereenigd,
-en die een ektodermale slurp bezaten met functies welke later verdwenen of gewijzigd
-zijn, toen deze dieren langzamerhand uit het Plathelminthen- in het Chordaten-Type
-overgingen.
-</p>
-<p>Gelijktijdig met dezen overgang van het type der Coelenteraten (Maagzak- of Neteldieren,
-waartoe de Kwallen, de Polypen of Veelvoeten en de Sponzen behooren) naar dat der
-Chordata (Ruggestrengdieren) moeten ook volgens Hubrecht de hoogst belangrijke processen
-zijn ingetreden, die tot de vorming leidden van een lichaamsholte, afgescheiden van
-het oer-ingewand (archenteron). De ontwikkelingsgeschiedenis leert ons, dat zekere
-uitstulpingen van dit laatste, die aanvankelijk daarmede in open verbinding staan,
-later worden afgesnoerd en de zoogenaamde splanchnische en somatische lagen vormen,
-tusschen welke de lichaamsholte besloten is.
-</p>
-<p>De schitterende onderzoekingen van Lang over <i>Gunda segmentata</i> (een Platworm) en van Hatschek over de ontwikkeling van den slakprik <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>(Amphioxus) moeten hier in de eerste plaats tot richtsnoer strekken.
-</p>
-<p>Alles bijeengenomen kwam Hubrecht tot het resultaat, dat de stamouders der Gewervelde
-Dieren platwormen waren, die overeenstemming vertoonden met Gunda door het bezit van
-metameer geplaatste darmuitstulpingen, ja zelfs door een algemeene inwendige metamerie<a class="noteRef" id="xd31e9669src" href="#xd31e9669">43</a>, maar die daarentegen van Gunda verschilden in zoo belangrijke punten als de aanwezigheid
-van voorloopers, zoowel van de chorda als van de hypophysis. <i>Zoodanige platwormen</i>, voegt hij er bij, <i>moeten noodwendigerwijze meer overeenkomst hebben gehad met de thans levende Nemertinen
-dan met andere vormen, welke ook.</i>
-</p>
-<p>Wij verwijzen verder belangstellenden naar het oorspronkelijke.
-</p>
-<p>In het 93ste deel van de negende uitgaaf der „<span lang="en">Encyclopedia <span class="corr" id="xd31e9682" title="Bron: Brittannica">Britannica</span></span>”, in 1888 verschenen, komt een belangrijk artikel over <i>Vertebrata</i> voor van Prof. E. Ray Lankester, waarin het vraagstuk van de afstamming der Gewervelde
-Dieren in aansluiting met de denkbeelden van Hubrecht, een belangrijke schrede verder
-werd gebracht. Wij ontleenen daaraan het volgende.
-</p>
-<p>De onderscheidene kenmerken der Gewervelde Dieren zijn, dat zij allen, hetzij als
-volwassen dieren, hetzij gedurende een gedeelte hunner embryonale ontwikkeling, zijdelingsche
-openingen (<i>kieuwspleten</i>) bezitten, die uit de keel naar buiten loopen, dat zij allen een wervelkolom, of
-zoo niet, dan toch een ruggestreng (<i>chorda dorsalis</i>) bezitten, en dat het centraal-zenuwstelsel, dat steeds oorspronkelijk den vorm van
-een buis bezit, aan de rugzijde van het dier boven die wervelkolom of ruggestreng
-is gelegen. Bij alle Gewervelde Dieren in de oude beteekenis van het woord (Zoogdieren,
-Vogels, Reptielen, <span class="corr" id="xd31e9693" title="Bron: Amphibiën">Amphibieën</span> en Visschen, met uitzondering van <i>Amphioxus</i>) bedraagt het aantal kieuwspleten hoogstens acht, meest veel minder, bij Amphioxus
-veel meer (honderd of meer).
-</p>
-<p>Daar de larven der Ascidiën in alle drie deze kenmerken met de Gewervelde Dieren overeenkomen,
-stelde Ray Lankester reeds in 1877 voor ze onder de Gewervelde Dieren op te nemen,
-en met hen al de overige Manteldieren (<i>Tunicata</i>). Het geslacht <i>Appendicularia</i> (dat tot de laagst ontwikkelde Manteldieren behoort) behoudt levenslang een dergelijken
-staart als de larven der Ascidiën, en het spierstelsel van dien staart is duidelijk
-in segmenten verdeeld, evenals men bij de Gewervelde Dieren (in de oude beteekenis)
-waarneemt, waar die segmentatie beantwoordt aan de wervels (of liever aan de zoogenaamde
-<i>voorwervels</i> van den embryo).
-</p>
-<p>Balfour geeft er, daar de <i>Tunicata</i> geen wervels bezitten (<i>Amphioxus</i> en eenige lagere visschen trouwens evenmin), de voorkeur aan de Tunicata en de Gewervelde
-Dieren in een hoogere groep, door hem <i>Chordata</i> genoemd, te vereenigen. Dit is echter enkel een verschil in woorden. Feitelijk komt
-het op het zelfde neer dat Lankester wil.
-</p>
-<p>De vereeniging der Tunicata met de Gewervelde Dieren werd door verdere stappen gevolgd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In 1866 toonde <span class="corr" id="xd31e9718" title="Bron: Kowalewsky">Kowalewski</span> aan, dat de merkwaardige zeeworm <i>Balanoglossus</i> (er komen daarvan soorten voor in de golf van Napels en aan de Atlantische kusten
-van Amerika en van Bretagne) kieuwspleten bezit, met die der Manteldieren en Gewervelde
-Dieren overeenkomende. Latere onderzoekingen van Bateson bewezen, dat <i>Balanoglossus</i> in den embryonalen toestand een darmuitstulping bezit, die mogelijkerwijze met een
-korte ruggestreng vergelijkbaar is, en zijn centraal-zenuwstelsel gedeeltelijk buisvormig
-is, en wat plaatsing en wijze van oorspronkelijke ontwikkeling <span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span>aangaat, met dat van de Manteldieren en Gewervelde Dieren overeenstemt. Het is dus
-onmogelijk <i>Balanoglossus</i> een plaats naast de Manteldieren en Gewervelde Dieren te ontzeggen, en hij behoort
-in de zelfde hoofdgroep als deze te worden geplaatst. Wij zullen die hoofdgroep liever
-met Balfour <i>Chordata</i> dan met Lankester <i>Vertebrata</i> noemen. Onderzoekingen in den laatsten tijd door Harmer gedaan omtrent <i>Cephalodiscus</i>, zullen het noodig maken ook dien vorm en naar alle waarschijnlijkheid ook <i>Rhabdopleura</i>, nevens <i>Balanoglossus</i> onder de <i>Chordata</i> op te nemen.<a class="noteRef" id="xd31e9743src" href="#xd31e9743">44</a>
-</p>
-<p>Het Onder-rijk der <i>Chordata</i> vervalt dus in <i>vier</i> takken, waaraan R. Lankester de volgende namen geeft:
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> <span class="ex">Craniata</span> (Schedeldieren, de <i>Vertebrata</i> van Cuvier). </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> <span class="ex">Cephalochorda</span> (<i>Amphioxus</i>, de ruggestreng loopt door tot in het voorste gedeelte van het dier, dat met den
-kop der schedeldieren overeenstemt). </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3.</span> <span class="ex">Urochorda</span> (de Manteldieren (<i>Tunicata</i>); bij diegene waar de ruggestreng niet geheel door degeneratie is verloren gegaan,
-is zij tot het staartgedeelte van het dier beperkt). </li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">4.</span> <span class="ex">Hemichorda</span> (<i>Balanoglossus</i>, zeer korte ruggestreng bij den embryo) </li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>Wij zullen omtrent elk dier afdeelingen eenige opmerkingen maken, die met hun afstamming
-in verband staan.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>1. <span class="ex">Craniata.</span>
-</p>
-<p>J. Thacher te New-Haven stelde in 1877 een hypothese omtrent den oorsprong van de
-ledematen der Craniata, welke van die van Gegenbaur (vergelijk „Het Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten”, I, blz. 528) gedeeltelijk afwijkt, en van vele zijden
-met instemming werd begroet. Hij vergelijkt de parige en onparige vinnen der visschen
-en verklaart ze voor gelijksoortige organen. Uitsluitend onparige vinnen of liever
-zoomen bezitten de laagste Craniata (de lampreien) en de <i>Cephalochorda</i>. Eerst bij de haaien vindt men parige vinnen. Evenals de rug- en aarsvin uit mediane
-plooien of zoomen ontstaan, laat Thacher nu de parige vinnen uit parige zijdeplooien
-ontstaan, die bij den embryo der hoogere Craniata door de zoogenaamde Wolffsche lijsten
-worden vertegenwoordigd. Uit de talrijke kraakbeenige stralen waardoor de vinnen worden
-gesteund, en die oorspronkelijk alle evenwijdig loopen, ontstonden in den loop der
-palaeontologische ontwikkeling door versmeltingen en verdeelingen het skelet der borst-
-en buikvinnen en daaruit dat van de ledematen der hoogere gewervelde dieren. Balfour
-vond deze hypothese bij het onderzoek van haaiembryo’s bevestigd, en ook Dohrn sluit
-zich bij diens beschouwingen aan.
-<span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span></p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft fig09width"><img src="images/fig09.png" alt="Fig. 9." width="438" height="258"><p class="figureHead">Fig. 9.</p>
-<p class="first">A. Hypothetische oorspronkelijke visch met doorloopende zijdelingsche vinnen S S (parig
-rechts en links), samenvloeiende met de mediane onparige vin (An), waarvan het achter
-de aars gelegen gedeelte met S<sup>1</sup> en het ruggedeelte met D is aangegeven.
-</p>
-<p>B. Tegenwoordige visch, de betrekking aantoonende, waarin de afzonderlijke parige
-en onparige vinnen tot de oorspronkelijke hypothetische vinnen van de bovenste figuur
-staan. BrF linker borstvin (parig); BF linker buikvin (parig); AF onparige aarsvin;
-SF staartvin (onparig); RF en FF voorste en achterste onparige rugvinnen; An aars.
-(Naar Wiedersheim.) </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Lankester zegt t.a.p.: „De kieuwspleten der <i>Craniata</i> worden, als zij tot de ademhaling dienen, over het algemeen beschermd door een operculaire<a class="noteRef" id="xd31e9835src" href="#xd31e9835">45</a> plooi van den lichaamswand, die er overheên hangt, en homoloog is met den epipleuralen<a class="noteRef" id="xd31e9839src" href="#xd31e9839">46</a> plooi van <i>Amphioxus</i>, den kraag van <i>Balanoglossus</i> en wellicht met den wand der atriale kamer van de <i>Urochorda</i>. De uitbreiding van deze plooi langs de zijden van het middelste gedeelte van het
-lichaam (tusschen de keelstreek en de aars) verkreeg bij voorouders der <i>Craniata</i> de functie van een doorloopende rechter- en linker zijdelingsche vin (zie Fig. 9).
-Tegelijkertijd ontwikkelde zich een doorloopende onparige vin, over rug- en staartgedeelte
-tot den aars om het lichaam heên, welke overeenstemt met de rug-, staart- en aarsvinnen
-der bestaande visschen. Zoowel in de parige als in de onparige vinnen ontwikkelde
-zich een kraakbeenig geraamte, bestaande uit een overlangs loopende staaf, die een
-aantal stralen, evenals de tanden van een kam gerangschikt, steunde. De oorspronkelijke
-vorm van het vinskelet is in de onparige vinnen van sommige haaien bewaard gebleven;
-de oorspronkelijke zijdelingsche vin is in alle gevallen òf geheel verdwenen (lampreien)
-evenals haar verlenging aan den voorkant <span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span>(het operculum), òf zij is met de elementen van haar skelet geconcentreerd in twee
-streken en heeft aldus aan de borst- en buikvinnen, met haar respectieve gordels,
-het aanzijn gegeven.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>2<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <span class="ex">Cephalochorda.</span>
-</p>
-<p>In vele opzichten draagt <i>Amphioxus</i> (de slakprik), de eenige levende vertegenwoordiger der <i>Cephalochorda</i>, de sporen van af te stammen van een hooger georganiseerden vorm. Ook zijn levenswijze
-en de aard van zijn voedsel wijzen daarop. Toch stond die voorouderlijke vorm waarschijnlijk
-ver beneden alle levende Craniata. Er is geen reden om te onderstellen, dat deze voorouder
-een schedel of eigenlijk gezegde hersenen bezat. Wel bezat die voorvader waarschijnlijk
-parige oogen, gehoororganen (otocysten) en nieren (nephridia), welk alles <i>Amphioxus</i> mist, en was ook grooter dan deze laatste. De epipleurale plooien, die bij <i>Amphioxus</i> den kap van den bek, de opercula der kieuwen en de daarmede samenvloeiende buikvin
-vormen, waren waarschijnlijk minder ontwikkelde zijdelingsche lijsten, welke de kieuwspleten
-van voren en van achteren beschermden, en door hun golving en de verplaatsing van
-het lichaam in de ruimte hielpen tot stand brengen, terwijl de mediane (onparige)
-vin en haar stralen goed ontwikkeld en hoofdorgaan voor de verplaatsing waren.
-</p>
-<p><i>Amphioxus</i> en zijn larve zijn asymmetrisch gebouwd. Er is geen reden om aan te nemen, dat dit
-ook met den voorvader het geval was.
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig10width"><img src="images/fig10.png" alt="Fig. 10." width="190" height="587"><p class="figureHead">Fig. 10.</p>
-<p class="first"><i>Fritilaria (Appendicularia) furcata</i>, met den staart, die gewoonlijk recht naar beneden hangt en dan met het lichaam een
-rechten hoek maakt<span id="xd31e9889"></span>, zoodanig geteekend, dat de overeenkomst met de typische Gewervelde Dieren duidelijker
-is. <i>a.</i> Gehoorblaas (otocyst) in verbinding met de hersenen; <i>b.</i> reukholte; <i>c.</i> rugkap; <i>d.</i> zenuwbuis, die van de (dikkere) hersenen naar den staart loopt, waar zij één waren
-zenuwknoop vormt en een reeks kleinere verdikte plaatsen bezit, in aantal overeenstemmende
-met de „myotomen” of „myomeren” van den staart; <i>e.</i> maag; <i>f.</i> eierstok; <i>g.</i> zaadklier; <i>h.</i> notochorda (urochorda) of primitieve ruggestreng; <i>i.</i> zenuwbuis of myelon (primitief ruggemerg) in den staart; <i>k.</i> vijfde myomeer van den staart (de myomeren correspondeeren met de zoogenaamde voorwervels
-van de embryo’s der typische Gewervelde Dieren); <i>l.</i> aars; <i>m.</i> hart; <i>n.</i> kieuwspleet; <i>o<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></i> endostyl of hypobranchiaalgroef; <i>p.</i> mond. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>3. <span class="ex">Urochorda.</span>
-</p>
-<p>De <i>Urochorda</i> zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun ontwikkeling zoo weinig meer
-dan een voorbijgaand spoor van de organen der typische Gewervelde Dieren, dat wij
-niet kunnen hopen van hen veel positief <span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span>licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen verkrijgen. Alleen de kleine <i>Appendiculariae</i> (<i>Larvalia</i>) behouden levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde Dieren
-en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst, uiterst gedegenereerd
-(Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken omtrent de in meerdere of mindere mate
-hoogere organisatie van de voorouders der <i>Urochorda</i>, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders een even hooge organisatie als de <i>Craniata</i> hadden bereikt; van den anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop
-zij zich van de hoofd-afstammingslijn welke tot de <i>Craniata</i> leidt, scheidden, lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de <i>Cephalochorda</i> er zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van de chorda
-aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel der <i>Craniata</i> dan <i>Amphioxus</i> vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke
-grootte de <i>Urochorda</i> dichter bij de <i>Craniata</i> plaatst dan <i>Amphioxus</i>. De metamerische myomeren zijn bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken
-toch ook bij de <i>Urochorda</i> niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij deze in een rudimentairen
-vorm, welke bewijst, dat zij bij hun voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>4. <span class="ex">Hemichorda.</span>
-</p>
-<p>De <i>Hemichorda</i> (het geslacht <i>Balanoglossus</i>) zijn wormvormige dieren, met langen en van boven naar beneden eenigszins afgeplatten
-bouw. Voor den mond ligt een lange cylindervormige slurp, en achter den mond een kraag,
-waarvan de vrije zoom naar achteren gekeerd en homoloog is met de operculaire epipleurale
-plooien der <i>Cephalochorda</i> en <i>Craniata</i>. Deze homologie wordt aangetoond door een paar kraagporiën, die in de holte van den
-kraag uitmonden, gelijk de „bruine trechters” van <i>Amphioxus</i> in de epipleuraalholte van dat dier. Een slurpporie, die aan de linkerzijde in den
-vóór den mond gelegen slurpholte uitloopt (bij <i>B. Kupfferi</i> parig), komt juist overeen met een soortgelijk geplaatste porie, welke bij den jongen
-<i>Amphioxus</i> (volgens Hatschek, 15) naar het buisvormig orgaan leidt, dat uit de linkerkamer van
-de holte van den vóór den mond van dat dier gelegen lob komt. De geheele oppervlakte
-van het lichaam is met trilharen bedekt, gelijk bij de <i>Nemertinen</i> en <i>Echinodermen</i>, maar bij geen enkel der <i>Craniata</i>, <i>Urochorda</i> en <i>Hemichorda</i> het geval is. Op den kraag volgt een doorboorde streek—kieuwspleten, die van de buitenzijde
-van het lichaam naar de keel loopen. Bij den jongen vorm bestaat er gedurende zekeren
-tijd, evenals bij <i>Appendicularia</i> en de Ascidiënlarven, slechts één paar kieuwspleten, maar zij nemen later in aantal
-toe, naarmate het dier langer wordt. De notochorda (ruggestreng, <i>h</i> in Fig. 11) ontstaat bij het jonge dier aan het voorste einde van den hypoblast,
-en groeit naar voren, als een steunpunt voor de basis van den slurp. Zij is tot deze
-zeer kleine streek beperkt. De cerebro-spinale zenuwstreng ontstaat door een plaatvormige
-afscheiding van een vaste streng epiblast in de midden over den rug loopende lijn
-van het middelste derde gedeelte van het lichaam, daarna breidt hij zich door de invaginatie
-(<span class="corr" id="xd31e10004" title="Bron: samengroeiïng">samengroeiing</span>) van zijn beide zijden, als een buis, zoowel naar voren als naar achteren uit. Onder
-de opperhuid bestaat over het geheele lichaam een netwerk van zenuwdraden (en cellen?).
-Het stelsel van den bloedsomloop is eigenaardig, daar het bestaat uit een voorste
-hart (in den slurp) en een rugge- en buikvat, welke door een vlecht onderhuidsche
-vaten worden verbonden. Het spierstelsel van den lichaamswand is niet in achter elkander
-liggende myomeren verdeeld, maar van den anderen kant zijn de geslachtsdeelen (eierstokken
-of zaadklieren) zakvormig, en herhalen zich, evenals bij <i>Amphioxus</i>, <span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span>als een reeks over een groot gedeelte van de lengte van het lichaam. In de keelstreek
-komen de geslachtszakken in aantal met de kieuwspleten overeen. Er zijn geen nieren
-(tenzij de snuitporie en de kraagporiën als zoodanig moeten worden beschouwd); maar
-de bindweefselcellen der lichaamsholte <span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span>werken als uitscheidende organen, gelijk bij de <i>Echinodermata</i> en de <i>Urochorda</i>, en ook een lang klierachtig orgaan in den slurp, dat aan het uiteinde van de notochorda
-is vastgehecht, schijnt met deze functie in verband te staan. Niet het minst opmerkelijk
-bij de <i>Hemichorda</i> is de aard hunner larven. Geen andere <i>Chordata</i> bezitten larvenvormen welke wijzen op het maaksel hunner vroege voorouders uit den
-tijd toen deze nog geen ruggestreng (chorda) bezaten; hoe belangwekkend de Ascidiënlarven,
-de jonge Amphioxus en de embryo van den hondshaai (<i>Scyllium</i>) ook zijn, brengen zij ons niet buiten de wereld der chordadieren. Eenige soorten
-van <i>Balanoglossus</i> (<i>? B. minutus</i>) doorloopen echter een larvetoestand, waarin zij banden van trilharen bezitten, welke
-larven als <i>Tornaria</i> bekend zijn, en vroeger, voordat haar betrekking tot <i>Balanoglossus</i> was ontdekt, werden beschouwd als echinodermenlarven, met <i>Bipinnaria</i> verwant. Het is onmogelijk de <i>Tornaria</i>-larve van <i>Balanoglossus</i> niet als geheel overeenkomstig met de larven der <i>Echinodermata</i> te beschouwen, en daaruit volgt, dat er tusschen <i>Balanoglossus</i> en de <i>Echinodermata</i> de eene of andere verwijderde genetische betrekking moet bestaan, met andere woorden:
-dat het verre bloedverwanten zijn.
-</p>
-<div class="figure fig11width"><img src="images/fig11.png" alt="" width="418" height="625"><p class="first">Fig. 11) <i>Balanoglossus</i> (anatomie en ontwikkeling). (Gewijzigd naar Bateson). A. <i>Balanoglossus Kowalewskii</i>, Bateson; van de kust van Virginië, natuurlijke grootte; <i>a.</i> slurp; <i>b.</i> kraag; <i>c.</i> doorboorde streek; <i>d.</i> afgeplatte spijsverteringsstreek; <i>e.</i> cylindervormig achtereinde. B. Diagram van de rugzijde van het dier, sommige organen
-vertoonende alsof de lichaamswand doorschijnend was. C. Diagram van een verticale,
-van voren naar achteren loopende doorsnede. D. Diagram van de rugzijde om de vaten
-en zenuwen, bij doorvallend licht gezien, te toonen. E. Diagram van een dwarse doorsnede
-van den kraag. F. Larve van <i>B. Kowalewskii</i>; diagram van een horizontale doorsnede. G. Verticale overlangsche doorsnede van een
-andere <span class="pageNum" id="pb307f">[<a href="#pb307f">307</a>]</span>larve van het zelfde dier. De cursieve letters van B—G beteekenen: <i>a.</i> slurp; <i>b.</i> kraag; <i>f.</i> zenuwkleed van den slurp; <i>g.</i> met trilharen bekleede opening of porie van den slurp; <i>h.</i> notochorda (ruggestreng), beperkt tot een smalle strook gewijzigd weefsel, ontstaan
-uit een uitbreiding van de spijsverteringsbuis vóór den mond; <i>i.</i> aan de rugzijde daarvan gelegen zenuwplaat; <i>k.</i> opening (porie) van den kraag (rechts en links), de kraagholte juist beneden den
-kraag met de buitenwereld in verbinding brengende; <i>l.</i> voortzetting van de rugzenuwplaat als een zenuwstreng; <i>m.</i> keelgaten, (kieuwspleten); <i>n<sup>1</sup>.</i> slurpholte (primitieve voorste aarsholtezak); <i>n<sup>2</sup>.</i> kraagholte (rechter en linker achterste coelumzakken van den embryo); <i>o.</i> mond; <i>p.</i> zenuwscheede van den buikwand van het lichaam; <i>q.</i> slurpklier; <i>r.</i> verbindingen tusschen de rugzenuwplaat en de buitenzijde van den kraag; <i>s.</i> keelholte tegenover de doorboorde streek; <i>t.</i> hart of uitgezet gedeelte van het ruggevat in de slurpklier; <i>t<sup>1</sup>.</i> ruggevat; <i>u.</i> bloedvaten van den lichaamswand in doorsnede; <i>w.</i> parige zenuwen van de kraagstreek in dwarse doorsnede; <i>x.</i> perihaemaalholte, die het ruggevat in de kraagstreek omgeeft; <i>ij.</i> spijsverteringsstreek van het ingewandskanaal (bij den embryo); <i>z.</i> kern (mesoblast). H. Larve van een andere soort van <i>Balanoglossus</i>, bekend als de <i>Tornaria</i>-larve van Johannes Müller, en gelijkende op de larve van een <i>Echinoderma</i>. <i>aa.</i> Vóór den mond liggende trilhaarband van <i>Tornaria</i>; <i>bb.</i> achter den mond liggende dito; <i>cc.</i> dito aan het ondereinde des lichaams; <i>dd.</i> mond; <i>ee.</i> apicaalplaat (van <i>apex</i>, spits) en zintuig; <i>ff.</i> vaatstelsel en porie; <i>gg.</i> darmkanaal; <i>hh.</i> aars. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Wij zijn omtrent de <i>Hemichorda</i> eenigszins uitvoerig geweest en de op speciaal zoölogisch terrein minder thuis zijnde
-lezer zal veel in het door ons aan Lankester ontleende aantreffen, dat hem niet volkomen
-duidelijk is. Zonder tal van afbeeldingen en veel grooter uitvoerigheid dan het bestek
-van dit werk toelaat, was zulks echter onmogelijk te vermijden. Van den anderen kant
-zijn deze feiten, die, zoover ons bekend is, nog in geen enkel Nederlandsch werk zijn
-behandeld, voor de <span class="corr" id="xd31e10163" title="Bron: afstammigsleer">afstammingsleer</span> der Gewervelde Dieren (en dus ook van den mensch) zoo buitengewoon belangrijk, dat
-zij hier onmogelijk mochten worden gemist, en zullen door diegenen onzer lezers, welke
-meer op de hoogte der wetenschap zijn, ongetwijfeld met de meeste oplettendheid worden
-gelezen.
-</p>
-<p>Het schijnt, dat in <i>Balanoglossus</i> eindelijk een diervorm is gevonden, met <span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span>den stamvorm der Gewervelde Dieren nauw verwant, die, hoewel ongetwijfeld gewijzigd,
-zoodat hij voor zijn bijzondere leefwijze (hij graaft holen in het natte zeezand)
-geschikt werd, en wellicht in zekere mate gedegenereerd, echter niet afstamt van een
-veel hooger ontwikkelden voorvader. De met trilharen bekleede opperhuid<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> de lange, wormachtige vorm en het volkomen ontbreken van segmentatie in het spierstelsel
-van het lichaam, leiden ons naar vormen, op de <i>Nemertinen</i> gelijkende. De groote slurp van <i>Balanoglossus</i> mag wel worden vergeleken met het voor instulping vatbare orgaan, dat bij de <i>Nemertinen</i> een dergelijke plaats inneemt. De kraag is het eerste begin van een toestel dat bestemd
-was een groote belangrijkheid te verkrijgen bij de <i>Cephalochorda</i> en <i>Craniata</i>, en diende misschien bij de voorouders van <i>Balanoglossus</i> om een enkele kieuwspleet te beschermen, vóór het aantal dezer openingen was toegenomen.
-Als men, gelijk geoorloofd is, de nieren, alsmede de zijdelingsche en dorsale zenuwstammen
-aan de <i>Nemertinen</i> ontleent, vindt men, dat de <i>Balanoglossus</i> de hoopvolste hypothetische oplossing van den stamboom der Vertebrata geeft. Die
-stamboom, aan den wortel met de <i>Echinodermata</i> en de <i>Nemertinen</i> samenhangende, geeft hooger de drie zijtakken der <i>Hemichorda Cephalochorda</i> en <i>Urochorda</i> af. Ze wordt uitgedrukt door onderstaande (met eenigszins gewijzigde namen) aan Lankester
-ontleende figuur:
-</p>
-<div class="figure p308width"><img src="images/p308.png" alt="Vertebrata (Craniata). Urochorda (Tunicata). Cephalochorda (Amphioxus). Hemichorda (Balanoglossus). Chordata Platyhelmia (Nemertinen). Echinodermata." width="461" height="556"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p>
-<p id="en6.16">(<a href="#en6.16src">16</a>) De hier bedoelde <i>Serranus</i>soorten zijn de zoogenaamde zeebaarzen der Middellandsche Zee, <i>Serranus Scriba</i>, <i>S. Cabrilla</i> en <i>S. (Centropristis) Hepatus</i>. Ook bij den karper, kabeljauw, baars, melanurus, steur, snoek en wijting heeft men
-somwijlen hermaphroditische voorwerpen aangetroffen. Het hermaphroditisme van deze
-laatste soorten verschilt echter van dat der Serranussoorten in verschillende belangrijke
-opzichten, namelijk:
-</p>
-<p><i>a.</i> Bij de Serranussoorten ontwikkelt zich de hom tusschen de rokken der kuit, en elke
-helft der primitieve dubbele kiemklier zet zich tot beide organen om.
-</p>
-<p><i>b.</i> Bij de andere soorten vormen hom en kuit afzonderlijke lichamen, en ontwikkelen de
-beide helften der primitieve dubbele kiemklier zich rechts en links nimmer tot hom
-en kuit te gelijk.
-</p>
-<p>Hieruit volgt, dat <span class="corr" id="xd31e10246" title="Bron: hef">het</span> hermaphroditisme bij Serranus symmetrisch en tweezijdig (bilateraal), bij de andere
-soorten daarentegen asymmetrisch en hoogstens eenzijdig (unilateraal) is. Deze laatste
-komen dus overeen met de hermaphroditische voorwerpen die men soms bij zekere insektensoorten
-heeft waargenomen en bij welke de eene (b.v. de rechter-) helft mannelijk, de andere
-(b.v. de linker-) helft vrouwelijk was.
-</p>
-<p>Wanneer nu het hermaphroditisme bij Serranus niet normaal was, zou men mogen verwachten,
-dat het met dat abnormale hermaphroditisme van de andere vischsoorten en insekten
-zou overeenkomen. Dat het er echter op bovenvermelde wijze van verschilt, pleit sterk
-voor de meening, dat wij bij Serranus wel degelijk met een <i>normalen</i> toestand hebben te doen (Vergelijk Prof. H.&nbsp;J. Halbertsma in „Verslagen en Mededeelingen
-der Kon. Akad. v. Wet. Afd. Nat.” Deel XVI).
-</p>
-<p>Dat de aal (<i>Conger</i>) hermaphroditisch is, gelijk men vroeger wel heeft beweerd, is onjuist gebleken,
-daar voor eenige jaren (vergelijk Isis, 1881, blz. 88 en 125) de mannelijke alen zijn
-ontdekt, waarbij bleek, dat de gewone alen allen wijfjes zijn.
-</p>
-<p>De tot een geheel andere afdeeling der visschen behoorende slijmaal (<i>Myxine glutinosa</i>), een met de <span class="corr" id="xd31e10261" title="Bron: lampreiën">lampreien</span> verwante, zeer laag georganiseerde visch (behoorende tot de onder-klasse der Monorrhina),
-is echter volgens de jongste onderzoekingen hermaphroditisch, maar tevens (evenals
-verschillende planten, bij welke het stuifmeel rijpt vóór de stampers geslachtsrijp
-zijn) proteraudrisch, d.w.z. dat in de jeugd de mannelijke organen tot ontwikkeling
-komen, en deze op later leeftijd (zoodra hij 32 à 33 cM. lang is geworden) achteruitgaan
-en niet meer kunnen worden gebruikt, terwijl daarentegen de vrouwelijke organen, die
-in de jeugd zeer weinig ontwikkeld waren, dan tot volkomen ontwikkeling komen. Zulk
-een slijmaal is dus feitelijk in zijn jeugd een mannetje, op zijn ouden dag een wijfje!
-(„<span lang="no">Bergens Museum Aarberetning for 1887</span>.”) Zelfbevruchting is derhalve bij den slijmaal onmogelijk.
-</p>
-<p>Dr. P.&nbsp;P.&nbsp;C. Hoek heeft in 1809 in het Zoölogisch station van Dr. A. Dohrn te Napels
-onderzoekingen gedaan aangaande het hermaphroditisme bij visschen. Aan zijn verslag
-dienaangaande aan den minister van binnenlandsche zaken is het volgende ontleend:
-</p>
-<p>„Verschillende waarnemingen hebben aan het licht gebracht, dat in de klasse der visschen
-hermaphroditisme juist geen groote zeldzaamheid is. Dufossé (1856) stelde vast, dat
-Serranus Cabrilla steeds tweeslachtig is; Syrski (1876) toonde aan, dat niet alleen
-onder de Percidae, waartoe het geslacht Serranus behoort, maar ook onder de Sparidae
-visschen voorkomen, die regelmatig hermaphrodiet zijn en ook Brock (1878) wijdde,
-bij gelegenheid van zijn op de geslachtsorganen der visschen betrekking hebbende onderzoekingen,
-<span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span>zijn aandacht aan de zelfde aangelegenheid. Het kwam mij wenschelijk voor dat hermaphroditisme
-bij visschen van verschillende groepen aan een vernieuwd vergelijkend onderzoek te
-onderwerpen.
-</p>
-<p>„Voor zooverre zij in de Golf van Napels voorkomen, heb ik van alle repraesentanten
-der <i lang="la">Percidae</i> en <i lang="la">Sparidae</i> (beide families uit de afdeeling der stekelvinnige visschen) exemplaren onderzocht.
-Dit waren de volgende visschen:
-</p>
-<ul>
-<li><i lang="la">Percidae</i>: </li>
-<li><i lang="la">Apogon rex mulorum.</i> </li>
-<li><i lang="la">Centropristis hepatus.</i> </li>
-<li><i lang="la">Labrax lupus.</i> </li>
-<li><i lang="la">Polypiron cernium.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg">Serranus</span> cabrilla.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Serranus</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> scriba.</i>
-</li>
-<li><i lang="la">Sparidae</i>: </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg">Box</span> boops.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Box</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> salpa.</i> </li>
-<li><i lang="la">Chrysophrys auratus.</i> </li>
-<li><i lang="la">Charax puntazzo.</i> </li>
-<li><i lang="la">Cantarus lineatus.</i> </li>
-<li><i lang="la">Oblata melanura.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg">Pagellus</span> erythrinus.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Pagellus</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> mormyrus.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg">Sargus</span> annularis.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Sargus</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> Rondeletti.</i> </li>
-<li><i lang="la"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Sargus</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> Salviani.</i> </li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>„Bovendien werden <i lang="la">Smaris alcedo</i> (Fam. Pristipomini) en <i lang="la">Ophidium barbatum</i> (een weekvinnige visch uit de afdeeling der Anacanthini), beide visschen, bij welke
-Syrski eveneens verschijnselen van hermaphroditisme waarnam, in mijn onderzoekingen
-opgenomen.
-</p>
-<p>„Het resultaat nu van mijn waarnemingen is in ’t algemeen een bevestiging van hetgeen
-vroegere onderzoekers mededeelden: hermaphroditisme blijkt bij talrijke visschen een
-vrijwel standvastig voorkomend verschijnsel te zijn. De door mij onderzochte visschen
-waren echter geen van allen geslachtsrijp (daarvoor was het tijdens mijn verblijf
-te Napels nog te vroeg in den tijd); de physiologische zijde van het vraagstuk heb
-ik dan ook geheel buiten beschouwing gelaten en mij geheel tot beschouwing uit een
-morphologisch oogpunt bepaald.
-</p>
-<p>„Ik bespreek in deze voorloopige mededeeling alleen de door mij bij de twee bovengenoemde
-families (Percidae en Sparidae) verkregen resultaten. Al aanstonds verdient vermelding,
-dat het verschijnsel der tweeslachtigheid zich bij elke familie onder een eigen vorm
-vertoont. Tot de <i lang="la">Percidae</i> behooren de oudst bekende vormen van hermaphrodiete visschen: <i lang="la">Serranus cabrilla</i>, <i lang="la">S. scriba</i> en <i lang="la">Centropristis hepatus</i>. Terwijl de andere door mij onderzochte Percidae niet tweeslachtig bleken te zijn,
-waren de genoemde soorten het in alle door mij ontlede exemplaren en wel op die wijze,
-dat hun geslachtsklieren er als eierstokken uitzagen, dat zij echter niet uitsluitend
-eierstokken waren, daar de wand der klier aan de binnenvlakte niet overal met ovariaal-lamellen
-was bezet, maar in een bepaald, gewoonlijk naar de buikzijde van den visch toegekeerd
-gedeelte, een tweetal naar binnen groeiende <span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span>uitstulpingen of aanzwellingen ontwikkelden, die uit testiculair parenchym waren samengesteld.
-Steeds was echter het vrouwelijke deel van de geslachtsklier veel omvangrijker dan
-de mannelijke—men zou deze visschen dus kunnen beschouwen als wijfjes die tevens mannelijke
-voortplantingsproducten voortbrengen.
-</p>
-<p>„Bij de <i lang="la">Sparidae</i> komt hermaphroditisme nu veel algemeener voor dan bij de <i lang="la">Percidae</i>. In verreweg de meeste soorten dezer familie treft men naast éénslachtige ook tweeslachtige
-exemplaren aan en wel schijnt het dan de regel te zijn, dat de exemplaren òf vrouwelijk
-zijn òf hermaphrodiet. Soorten bij welke <i>alle</i> exemplaren hermaphrodiet zijn, schijnen echter in deze familie te ontbreken, ten
-minste ik trof in alle door mij onderzochte soorten ook exemplaren aan, die éénslachtig
-en wel vrouwelijk waren. Zoo ook bij <i lang="la">Chrysophrys auratus</i>—ofschoon Syrski voor deze soort vermeldt, dat zij constant hermaphrodiet is. De soorten,
-bij welke ik tweeslachtigheid constateerde, waren de volgende: <i lang="la">Box salpa</i>, <i lang="la">Charax puntazzo</i>, <i lang="la">Sargus Rondeletti</i>, <i lang="la">S. annularis</i>, <i lang="la">S. Salviani</i> en <i lang="la">Pagellus mormyrus</i>. Voegt men hier nu nog <i lang="la">Chrysophrys auratus</i> bij, van welke soort ik slechts een enkel exemplaar dat uitsluitend vrouwelijk was,
-heb kunnen onderzoeken, een soort die echter volgens Syrski en Brock beide onder de
-tweeslachtigen moet worden gerekend; neemt men dan nog in aanmerking dat ik toevalligerwijze
-van <i lang="la">Cantharus lineatus</i> alleen vrouwelijke exemplaren heb kunnen onderzoeken, dan blijven er van de in de
-Golf van Napels voorkomende Sparidae slechts drie soorten over (<i lang="la">Box boops</i>, <i lang="la">Oblata melanura</i> en <i lang="la">Pagellus erythrinus</i>), van welke kan worden vermoed dat zij niet tweeslachtig zullen zijn. Alleen bij
-deze drie soorten trof ik naast vrouwelijke exemplaren uitsluitend <i>zuiver mannelijke</i> aan: bij alle andere (en vermoedelijk ook bij <i lang="la">Cantharus lineatus</i>) komen, naast de vrouwelijke, <i>hermaphrodiete</i> exemplaren voor, terwijl ware mannetjes er schijnen te ontbreken of zeldzaam voor
-te komen.
-</p>
-<p>„In één opzicht echter valt er ook bij de mannelijke exemplaren van de drie genoemde
-soorten nog een overblijfsel van het oorspronkelijk hermaphroditisme te constateeren.
-Onderzoekt men de uitvoergangen van de geslachtsorganen bij een hermaphrodiet uit
-de groep der Sparidae, b.v. bij <i lang="la">Box salpa</i>, dan blijkt de oviduct een kanaal te zijn met een dikken wand, terwijl de vasa efferentia
-bestaan uit een systeem van met elkander communiceerende lacunen die hun verloop hebben
-door dien dikken wand van den oviduct. Terwijl nu bij de door mij onderzochte mannelijke
-exemplaren van <i lang="la">Box boops</i> en <i lang="la">Pagellus erythrinus</i> geen spoor van een eierstok is te bekennen, is de oviduct er nog aanwezig in den
-vorm van een aan beide zijden blind gesloten gang, waaromheên de vasa efferentia op
-de zelfde wijze zijn gerangschikt als dit bij de hermaphrodiete exemplaren van de
-verwante soorten het geval is. Vergis ik mij niet, dan levert het voorkomen van dezen
-rudimentairen oviduct bij exemplaren die overigens volstrekt niet tweeslachtig zijn,
-een krachtig bewijs ten voordeele van de opvatting, dat in de geheele familie der
-Sparidae het hermaphroditisme oorspronkelijk een algemeen voorkomend verschijnsel
-is.
-</p>
-<p>„Wat de geslachtsklieren aangaat, zoo vertoonen deze zich bij de hermaphrodiete Sparidae
-onder een anderen vorm dan bij de tweeslachtige Serranussoorten. Is het bij deze laatste
-als ’t ware een gedeelte van den eierstok, dat uit testiculair weefsel is opgebouwd,
-heeft er dus bij hen een zoo innige vergroeiing van de twee de verschillende geslachtsproducten
-voortbrengende klieren plaats gevonden, dat men slechts van een enkele kliermassa
-kan spreken, zoo bestaat elke geslachtsklier bij de tweeslachtige Sparidae uit twee
-<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span>slechts gedeeltelijk samenhangende kliermassa’s en wel uit een meer naar het mediane
-vlak van den visch toegekeerden eierstok en een meer naar buiten gelegen testis. Vermoedelijk
-vertoonen de Sparidae een toestand die meer met den oorspronkelijken overeenkomt dan
-dit met de hermaphrodiete Percidae (de Serranus- en Centropristis soorten) het geval
-is, en moet dus de toestand waarin de voortplantingsklieren dezer laatste zich bevinden,
-als een van jongere dagteekening worden beschouwd. Zeker is het, dat uit de door mij
-ingestelde onderzoekingen blijkt, dat we in het hermaphroditisme van de visschen niet
-hebben te zien een abnormaal in slechts enkele gevallen optredend verschijnsel, maar
-veeleer een toestand die voor de meeste leden van een vrij groote groep van deze dieren
-een volkomen normale is.”
-</p>
-<p id="en6.18">(<a href="#en6.18src">18</a>) De zwarte salamander van Zwitserland is levendbarend, en de jongen worden volkomen
-ontwikkeld (dus zonder kieuwen) geboren. Onder de vorschen is een soort (<i lang="la">Hylodes martinicensis</i>) op Guadeloupe, die wel is waar niet levendbarend is, maar bij welke de jongen toch
-al de larventoestanden binnen het ei doorloopen. Hier is dus embryo, wat bij de stamsoort
-larve was. Wellicht zouden ook deze embryo’s, uit het ei genomen, kunstmatig tot vorschen
-zijn op te kweeken, evenals het Mej. de Chauvin in Zwitserland is gelukt de embryo’s
-van den levendbarenden salamander buiten het moederlichaam tot salamanders op te kweeken,
-vergelijk „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederlandsche uitgaaf, blz. 629. De larven der
-salamanders en vorschen vertegenwoordigen in haar jongeren, pootloozen toestand de
-vischvormige stamsoort der amphibieën<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Dat de larve vaak den vroegeren volkomen toestand der soort vertegenwoordigt, blijkt
-uit de gevallen, waarin ook de larve in ouderen toestand, maar toch nog van kieuwen
-voorzien, het geslacht kan voortplanten (Axolotl).
-</p>
-<p>Ook bij insekten zijn voorbeelden bekend, dat zij zich in onvolkomen toestand (als
-maskers of zelfs poppen) voortplanten. Als dit zonder voorafgaande copulatie (parthenogenetisch)
-geschiedt, heeft von Baer („Mém. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, vol. XV, No. 8) daaraan
-den naam van <i lang="la">paedogenesis</i> gegeven.
-</p>
-<p id="en6.19">(<a href="#en6.19src">19</a>) „<i>Zij worden sympathetisch aangedaan door den invloed van sommige ziekten.</i>” Sympathetische aandoeningen van een orgaan noemt men ziekelijke verschijnselen die
-zich in dat orgaan voordoen, zonder dat eenige oorzaak van ziekte rechtstreeks op
-het zelve werkt, maar door de reactie van een ander oorspronkelijk beleedigd orgaan.
-Zoo veroorzaakt de aanwezigheid van ingewandswormen in het darmkanaal jeukte in den
-neus. Deze sympathie is dus pathologisch, hetgeen de correlatie (zie aanteekening
-6, blz. 37) physiologisch en teratologisch is.
-</p>
-<p id="en6.20">(<a href="#en6.20src">20</a>) Deze verklaring komt ons hoogst gewrongen voor. De voornaamste intermitteerende
-normale en abnormale processen zijn de nachtelijke slaap, de maandstonden en haar
-vervangende verschijnselen, de ademhaling, het kloppen van het hart, de intermitteerende
-koortsen. Dat men ’s nachts slaapt en over dag waakt, zal wel eensdeels aan onze levenswijze,
-die zich er naar regelt, dat het ’s nachts donker en over dag licht is, en anderzijds
-aan de overgeërfde gevolgen van de gewoonte bij tallooze geslachten van voorvaderen
-liggen. Daarenboven staat deze periodieke slaap, evenmin als de duur der in- en uitademingen,
-der hartkloppingen en van periodieke koortsen in eenig duidelijk verband met de schijngestalten
-en den omloopstijd der maan. Wat de menstruatie en de haar vervangende verschijnselen
-aangaat, zoo hebben wij er reeds in aanteekening 11, blz. 40 op gewezen, dat die bij
-verschillende individu’s een zeer verschillende lengte hebben. Wat <span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span>den duur der zwangerschap aangaat, deze is ook bij verschillende individu’s van een
-zelfde soort niet geheel gelijk en bij de verschillende zoogdiersoorten hoogst ongelijk.
-Ware nu de duur der zwangerschap te verklaren op de door Darwin aangegevene wijze,
-dan zouden alle zoogdieren den zelfden duur van zwangerschap moeten hebben; want zij
-stammen van éénen voorvader, het eerste zoogdier, af, die geen stranddier, maar slechts
-de zeer verwijderde afstammeling van een stranddier was, en zouden met dezen in duur
-van zwangerschap moeten overeenkomen. Daarenboven staat de duur der zwangerschap in
-zeer indirect verband met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Het zelfde
-gaat door bij het uitbroeden van vogeleieren. Wat intermitteerende koortsen aangaat,
-staat de intermittentie in verband met de levensperioden van de microbe die de malaria
-veroorzaakt, en die in den koortsvrijen tijd niet in volwassen toestand in het bloed
-des lijders voorkomt. Wij voor ons vinden, dat het geen nadere verklaring behoeft,
-dat een organisme om zich, uitgaande van het zelfde punt onder nagenoeg de zelfde
-omstandigheden tot nagenoeg de zelfde hoogte te ontwikkelen ook steeds nagenoeg den
-zelfden tijd noodig heeft; het spreekt daarom van zelf, dat de zwangerschap bij de
-zelfde zoogdiersoort steeds nagenoeg even lang duurt, en dat het evenzoo gaat bij
-het uitbroeden der eieren van een bepaalde vogelsoort. Daar wij nu den tijd meten
-door den omloop der hemellichamen, ontstaat er natuurlijk een schijnbaar verband tusschen
-deze en den duur der zwangerschap, der uitbroeding, enz. Wij meten echter den tijd
-ook door middel van uurwerken, en elke zwangerschap of broedtijd zal dus in duur eenigermate
-overeenstemmen met een zeker aantal omloopstijden van den wijzer onzer pendule, en
-toch zal niemand op het denkbeeld komen een wezenlijk verband tusschen deze beide
-verschijnselen te zoeken!
-</p>
-<p id="en6.21">(<a href="#en6.21src">21</a>) Haeckel geeft in zijn verhandeling „<span lang="de">Ueber die Entstehung und den Stammbaum des Menschengeschlechts</span>”, Berlin, 1870, in zijn „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”, en (verbeterd en vermeerderd) in zijn „<span lang="de">Anthropogenie</span>”<a class="noteRef" id="xd31e10517src" href="#xd31e10517">47</a> den geheelen dierlijken stamboom, dien de mensch volgens hem zou hebben gehad, op.
-Deze stamboom verschilt van den door Darwin aangenomenen slechts weinig, maar wordt
-nog veel verder dan de onderstelde, met de tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) verwante
-stamouders der Werveldieren voortgezet. Voor wij dezen stamboom mededeelen, moeten
-wij echter een overzicht van Haeckel’s indeeling der Gewervelde Dieren vooraf laten
-gaan. Haeckel verdeelt de Gewervelde Dieren in acht klassen volgens het volgende schema:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="small">
-<tr>
-<td colspan="6" class="colspan cellLeft cellTop vam">Schedellooze werveldieren </td>
-<td class="cellTop">1. </td>
-<td class="cellRight cellTop">Lancetdieren (<i lang="la">Acrania</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="7" class="rowspan cellLeft cellBottom vam">Schedeldieren (<i lang="la"><span class="corr" id="xd31e10539" title="Bron: Craniota">Craniata</span></i>). </td>
-<td rowspan="7" class="rowspan cellBottom lbrace10"> </td>
-<td colspan="4" class="colspan"><i lang="la"><span class="corr" id="xd31e10546" title="Bron: Craniota">Craniata</span></i> met enkelvoudig reukorgaan </td>
-<td>2. </td>
-<td class="cellRight">Rondmuilen (<i lang="la">Monorrhina</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="6" class="rowspan cellBottom vam"><i lang="la"><span class="corr" id="xd31e10559" title="Bron: Craniota">Craniata</span></i> met dubbel reukorgaan (<i lang="la">Amphirrhina</i>) </td>
-<td rowspan="6" class="rowspan cellBottom lbrace10"> </td>
-<td rowspan="3" class="rowspan vam">Amnionlooze (<i lang="la">Anamnia</i>) </td>
-<td rowspan="3" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td>3. </td>
-<td class="cellRight">Visschen (<i lang="la">Pisces</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>4. </td>
-<td class="cellRight"><i lang="la">Dipneusta.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>5. </td>
-<td class="cellRight"><i lang="la">Amphibia.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="3" class="rowspan cellBottom vam">Amniondieren (<i lang="la">Amniota</i>). </td>
-<td rowspan="3" class="rowspan cellBottom lbrace5"> </td>
-<td>6. </td>
-<td class="cellRight"><i lang="la">Reptilia.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>7. </td>
-<td class="cellRight">Vogels (<i lang="la">Aves</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellBottom">8. </td>
-<td class="cellRight cellBottom">Zoogdieren (<i lang="la">Mammalia</i>). </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>De klasse der <i lang="la">Acrania</i> of <i lang="la">Leptocardii</i> wordt in de hedendaagsche dierenwereld slechts door den slakprik (<i lang="la">Amphioxus</i>) vertegenwoordigd. De klasse <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>der <i lang="la">Monorrhina</i> omvat de <i>Cyclostomen</i>, die der <i lang="la">Dipneusta</i> de <i lang="la">Protopteri</i> (de geslachten <i>Lepidosiren</i>, <i lang="la">Protopterus</i> en <i lang="la">Ceratodus</i>). Voor de klasse der eigenlijke Visschen blijven dus nog over de onder-klassen der
-<i>Selachiërs</i>, <i>Ganoïden</i> en <i>Teleostiërs</i>.
-</p>
-<p>De stamboom van den mensch wordt nu door Haeckel ondersteld de volgende te zijn:
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>A. Eencellige voorouders der gezamenlijke Meercellige Dieren.</i>
-</p>
-<p><span class="ex">Protozoa.</span>
-</p>
-<p><i>Eerste trap</i>: <i>Moneren</i>, organismen van de eenvoudigst denkbare samenstelling, gelijk de nog heden levende
-Protamoeben, Protogenes, Bathybius enz., slechts uit een vormloos stukje levend oerslijm
-of protoplasma bestaande; de oudste Moneren, waaruit zich eerst later cellen ontwikkelden,
-kunnen volgens Haeckel slechts door <i lang="la">generatio spontanea</i> („<span lang="de">Urzeugung</span>”) uit anorganische verbindingen zijn ontstaan.<a class="noteRef" id="xd31e10689src" href="#xd31e10689">48</a>
-</p>
-<p><i>Tweede trap</i>: <i>Lobvoeten</i> of <i>Amoeben</i>, organismen van de morphologische <span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span>waarde eener eenvoudige cel zonder wand, derhalve slechts uit een vormloos stukje
-levend protoplasma en een daarin omsloten kern of nucleus gevormd. Waarschijnlijk
-verschilden deze eencellige oerdieren niet sterk van de tegenwoordige Amoeben, gelijk
-ook nog heden het menschelijk ei niet wezenlijk van een ingekapselde Amoebe verschilt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>B. Veelcellige voorouders der gezamenlijke Darmdieren.</i>
-</p>
-<p><span class="ex">Metazoa.</span>
-</p>
-<p><i>Derde trap</i>: <i>Synamoeben</i> of eenvoudige Amoebengroepen, gevormd uit een hoop gelijksoortige naakte cellen,
-evenals de tegenwoordige Labyrinthuleeën, of de moerbezievormige celkogel (<i lang="la">morula</i>) van het gekliefde ei.<a class="noteRef" id="xd31e10764src" href="#xd31e10764">49</a>
-</p>
-<p><i>Vierde trap</i>: <i>Trilhaarzwermers</i> of <i>Planaeaden</i>, gelijkende op de van trilharen voorziene larve of Planula van Amphioxus en vele
-Ongewervelde Dieren; veelcellige, rondachtige, holle lichamen, waarvan de oppervlakte
-met trilharen is bezet.<a class="noteRef" id="xd31e10781src" href="#xd31e10781">50</a>
-</p>
-<p><i>Vijfde trap</i>: <i>Oerdarmdieren</i> of <i>Gastraeaden</i>, holle lichamen, wier wand uit twee verschillende cellagen (huidblad of exoderm en
-darmblad of entoderm) bestaat, met een opening (oermond) aan het eene uiteinde. De
-binnenste <span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span>cellaag vormt den oerdarm. Zij geleken op de darm larve (Gastrula), die nog heden
-bij de meest verschillende dieren, zooals sponzen, polypen, koralen, medusa’s, wormen,
-weekdieren, manteldieren en den slakprik voorkomt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>C. Voorouders der gezamenlijke Gewervelde Dieren.</i>
-</p>
-<p><i>Zesde trap</i><span class="corr" id="xd31e10807" title="Bron: .">:</span> <i>Platwormen</i> of <i>Turbellariën</i>, of ten minste laag ontwikkelde wormen van een zeer eenvoudige samenstelling (<i lang="la">Archelminthes</i>), die zich uit de Gastraeaden ontwikkelden, en met welke onder de thans levende wormen
-de Turbellariën het naast verwant zijn. Tot deze behooren de Nemertinen die volgens
-Hubrecht en Ray Lankester ’t naast met de laatste voorouders der Gewervelde Dieren
-verwant zijn.
-</p>
-<p><i>Zevende trap</i>: <i>Weekwormen</i> of <i>Scoleciden</i> die den overgang vormden tusschen de Turbellariën van den zesden trap en de Himategen
-van den achtsten trap. Deze trap vervalt als men Ringwormen als de laatste voorouders
-der Gewervelde Dieren beschouwt. Volgens de beschouwingen van E. Ray Lankester wordt
-deze trap ingenomen door de <i lang="la">Hemichorda</i>, in de levende schepping vertegenwoordigd door het geslacht <i lang="la">Balanoglossus</i>.<a class="noteRef" id="xd31e10830src" href="#xd31e10830">51</a>
-</p>
-<p><i>Achtste trap</i>: <i>Zakwormen</i> of <i>Himategen</i> (<i lang="la">Urochorda</i> van Ray Lankester), in de thans levende dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd
-door de <i>Manteldieren</i> (<i lang="la">Tunicata</i>) en bijzonder de <i>Zakpijpen</i> (<i lang="la">Ascidiae</i>). De uitgestorven soorten van dezen trap, waarvan de Gewervelde Dieren afstammen,
-kwamen met deze laatste vooral overeen door de ontwikkeling van den aanleg van het
-ruggemerg en de daaronder gelegen ruggestreng (<i lang="la">chorda dorsalis</i>). Volgens Dohrn, Hubrecht, Ray Lankester enz. een gedegenereerde zijtak der Gewervelde
-Dieren en dus geen directe voorouders van den mensch.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>D. Gewervelde Voorouders der gezamenlijke Schedeldieren (<span class="corr" id="xd31e10896" title="Bron: Craniota">Craniata</span>).</i>
-</p>
-<p><i>Negende trap</i>: <i>Schedelloozen</i> of <i>Acraniën</i> (de <i lang="la">Cephalochorda</i> van Ray Lankester); Werveldieren zonder kop, zonder schedel en hersenen, zonder gecentraliseerd
-hart, zonder kaken, zonder beenderen; in de tegenwoordige dierenwereld in gedegenereerden
-vorm vertegenwoordigd door den slakprik of Amphioxus.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>E. Voorouders der gezamenlijke Amphirrhinen.</i>
-</p>
-<p><i>Tiende trap</i>: <i>Monorrhinen</i>; Werveldieren met kop, schedel en hersenen, met een gecentraliseerd hart; zonder
-sympathisch zenuwstelsel, zonder kaken, zonder beenderen; met enkelvoudig reukorgaan;
-gelijkende op de nog heden levende slijmalen (Myxinoïden) en lampreien (<i lang="la">Cyclostomata</i>).
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span></p>
-<p><i>F. Voorouders der gezamenlijke Amnionlooze en Amniondieren (Anamnia en Amniota).</i>
-</p>
-<p><i>Elfde trap</i>: <i>Oervisschen</i> of <i>Selachiërs</i>; Visschen die zeer nauw verwant waren met de nog heden levende haaien, met een zwemblaas
-en een dubbel reukorgaan, met twee paar ledematen (vinnen) en kaken.<a class="noteRef" id="xd31e10936src" href="#xd31e10936">52</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>G. Voorouders der gezamenlijke Amniondieren (Amniota).</i>
-</p>
-<p><i>Twaalfde trap</i>: <i>Dipneusten</i>; Werveldieren die het midden houden tusschen Visschen en Amphibieën, met kieuwen
-en longen; gelijkende op de nog heden levende <i>Lepidosiren</i>, <i>Protopterus</i> en <i>Ceratodus</i>.
-</p>
-<p><i>Dertiende trap</i>: <i>Sozobranchiën</i>; Amphibieën met blijvende kieuwen, gelijkende op den nog heden levenden <i>Proteus anguineus</i> uit de Adelsberger grot.
-</p>
-<p><i>Veertiende trap</i>: <i>Sozuren</i>; Amphibieën met op volwassen leeftijd verdwijnende kieuwen, gelijkende op de nog
-heden levende salamanders (<i>Triton</i> en <i>Salamandra</i>).
-</p>
-<p><i>Vijftiende trap</i>: <i>Oeramnioten</i> of <i>Protamniën</i>; middelvormen tusschen salamanders en hagedissen, die door het volkomen verlies der
-kieuwen en door de vorming van het <i>Amnion</i> de stamvaders der drie hoogere Klassen van Gewervelde Dieren (Reptielen, Vogels en
-Zoogdieren) of Amnioten werden.<a class="noteRef" id="xd31e11010src" href="#xd31e11010">53</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>H. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren.</i>
-</p>
-<p><i>Zestiende trap</i>: <i>Stamzuigers</i> of <i>Promammaliën</i>; de stamvormen der Zoogdierklasse, met welke onder de thans levende zoogdieren de
-Australische <span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span>Snaveldieren (<i>Ornithorhynchus</i> en <i>Echidna</i>)<a class="noteRef" id="xd31e11074src" href="#xd31e11074">54</a> het nauwst verwant zijn, met een cloaca, met buidelbeenderen. (Eierleggend, lichaamstemperatuur
-hooger dan bij de vorige, maar lager dan bij de volgende trappen. Geen tepels. Dr.
-H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.)
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>I. Voorouders der gezamenlijke Placentale Zoogdieren.</i>
-</p>
-<p><i>Zeventiende trap</i>: <i>Buideldieren</i> of <i>Marsupialia</i>; gelijkende op de nog heden levende kangoeroe’s en buidelratten, met buidelbeenderen,
-zonder cloaca; nog geen moederkoek (Placenta). (<span class="corr" id="xd31e11093" title="Bron: Levenbarend">Levendbarend</span>, ten gevolge van het ontbreken van een moederkoek worden de jongen in zeer onvolkomen
-toestand geboren en verblijven dan nog geruimen tijd, zich aan de tepels van het moederdier
-vastzuigende, in den buidel. Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.)
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>K. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren met schijfvormige moederkoek (Discoplacentalia).</i><a class="noteRef" id="xd31e11100src" href="#xd31e11100">55</a>
-</p>
-<p><i>Achttiende trap</i>: <i>Halfapen</i> of <i>Prosimiën</i>; gelijkende op de nog heden levende Lemuriden, zonder cloaca, zonder buidelbeenderen,
-met een moederkoek (Placenta).
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>L. Voorouders van den Mensch uit de Orde der Apen (Simiae).</i>
-</p>
-<p><i>Negentiende trap</i>: <i>Gestaarte Apen</i> of <i>Menocerken</i>; smalneuzige apen met 32 tanden en een staart, gelijkende op de nog heden levende
-Slankapen (<i>Semnopithecus</i> en <i>Colobus</i>)
-</p>
-<p><i>Twintigste trap</i>: <i>Menschapen</i> of <i>Anthropoïden</i>; smalneuzige apen zonder wangzakken en zonder staart, gelijkende op de nog heden
-levende Orang, Chimpanzee en Gorilla.
-</p>
-<p><i>Een-en-twintigste trap</i>: <i>Aapmenschen</i> of <i>Oermenschen</i>; gelijkende op de laagst ontwikkelde menschenrassen (Papoea’s, Hottentotten, Nieuw-Hollanders),
-maar nog zonder het bezit van de menschelijke spraak.
-</p>
-<p><i>Twee-en-twintigste trap</i>: <i>Menschen</i>, die zich als echte menschen door de vorming der menschelijke spraak en de daarmede
-verbonden hoogere ontwikkeling der hersenen boven de Oermenschen van den vorigen trap
-verhieven. De oudste overblijfselen van echte menschen uit het diluvium (Neanderdal,
-Eguisheim, la Naulette, Spy enz.) worden door Quatrefages, Hamy en de Mortillet gebracht
-tot een zelfde uitgestorven ras, waaraan de eersten den naam geven van ras van Cannstatt
-(naar een daar gevonden schedel uit dien tijd) en de laatste den naam van ras van
-Chelles, naar een plaatsje in Frankrijk, waar men sporen daarvan heeft gevonden.
-</p>
-<p>In zijn „<span lang="de">Anthropogenie</span>”, 3de uitgaaf, blz. 412, geeft Haeckel een tabel van de dierlijke voorouders van
-den mensch, die tevens het geologisch tijdvak aangeeft, waarin zij leefden, waarnaar
-wij de volgende (met inachtneming der in de noten medegedeelde opgaven in de 8ste
-uitgaaf der „<span lang="de">Nat. <span class="corr" id="xd31e11158" title="Bron: Schöpfugsgeschichte">Schöpfungsgeschichte</span></span>”) hebben bewerkt:
-<span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span> </p>
-<div class="table">
-<h4 class="tableCaption">STAMBOOM VAN DEN MENSCH.</h4>
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">Tijdvakken van de organische geschiedenis der aarde. </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadTop cellHeadBottom">Geologische perioden van de organische geschiedenis der aarde. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">Dierlijke voorouders van den mensch. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Levende naaste verwanten der dierlijke voorouders.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td rowspan="12" class="rowspan cellLeft vam">I. Het Archaeolithische of Primordiale tijdvak. </td>
-<td rowspan="12" class="rowspan lbrace26"> </td>
-<td rowspan="12" class="rowspan vam">1. <i>Laurentische periode.</i> <br>2. <i>Cambrische periode.</i> <br>3. <i>Silurische periode.</i> </td>
-<td rowspan="12" class="rowspan lbrace26"> </td>
-<td>1. Moneren (<i>Monera</i>). (?&nbsp;?) </td>
-<td class="cellRight"><i>Bathybius.</i> <br><i>Protamoeba.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>2. Eencellige oerdieren (oudste Amoeben of Lobvoeten). </td>
-<td class="cellRight">Eenvoudige Amoeben (<i>Autamoebae</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>3. Veelcellige oerdieren (<i>Synamoebia</i> of <i>Moraeada</i>). </td>
-<td class="cellRight"><i>Cystophrys.</i> <br><i>Labyrinthula.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>4. Trilhaarzwermers <span class="corr" id="xd31e11226" title="Niet in bron">(</span><i>Planaeada</i> of <i>Blastaeada</i>). </td>
-<td class="cellRight">Planula-larven. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>5. Oerdarmdieren <span class="corr" id="xd31e11236" title="Niet in bron">(</span><i>Gastraeada</i>). </td>
-<td class="cellRight">Gastrula-larven. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>6. Plat wormen (<i>Platoda</i>). </td>
-<td class="cellRight">Trilwormen (<i>Turbelleria</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>7. Snoerwormen. </td>
-<td class="cellRight"><i>Nemertina.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>8. Eikelwormen. </td>
-<td class="cellRight"><i>Balanoglossus</i>, <i>Cephalodiscus</i>, <i>Rhabdopleuza</i>. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>9. Oerchordadieren (<i>Prochordonia</i>). </td>
-<td class="cellRight">Copelata (<i>Appendicularia</i>), larven der Ascidiën. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>10. Schedelloozen (<i>Acrania</i>)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> </td>
-<td class="cellRight">Slakprikken (<i>Amphioxi</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>11. Rondmuilen (<i>Monorrhina</i>). </td>
-<td class="cellRight">Lampreien (<i>Petromyzontes</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>12. Oervisschen (<i>Selachii</i>). </td>
-<td class="cellRight">Haaien (<i>Squalacei</i>).
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft vam">II. Het Palaeolithische of Primaire tijdvak </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan vam">4. <i>Devonische periode.</i> <br>5. <i>Steenkoolperiode.</i> <br>6. <i>Permische periode.</i> </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td>13. <i>Ganoida.</i> </td>
-<td class="cellRight"><i>Lepidosteus</i>, <i>Polypterus</i>, <i>Amia</i>, <i>Spatularia</i><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>14. <i>Dipneusta.</i> </td>
-<td class="cellRight">Longvisschen (<i>Protoptera</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>15. <i>Stegocephala.</i> </td>
-<td class="cellRight"><i>Proteus anguineus.</i> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>16. <i>Salamandrina.</i> </td>
-<td class="cellRight">Watersalamander (<i>Triton</i>, <i>Salamander</i>). <span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span>
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft vam">III. Het Mesolithische of Secundaire tijdvak. </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan vam">7. <i>Triasperiode.</i> <br>8. <i>Juraperiode.</i> <br>9. <i>Krijtperiode.</i> </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td>17. Prosephelen of Oeramnioten (<i>Protamnia</i>). </td>
-<td class="cellRight"><i>Hatteria</i>. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>18. Zoogdier-reptielen (<i>Theriosauria</i>). </td>
-<td class="cellRight">Verwanten komen niet meer levend voor </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>19. Stamzuigers (<i>Promammalia</i>). </td>
-<td class="cellRight">Snaveldieren (<i>Monotremata</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>20. Buideldieren (<i>Marsupialia</i><span class="corr" id="xd31e11414" title="Bron: .)">).</span> </td>
-<td class="cellRight">Buidelratten (<i>Didelphyes</i>).
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft vam">IV. Het Coenolithische of Tertiaire tijdvak. </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan vam">10. <i>Eocene periode.</i> <br>11. <i>Miocene periode.</i> <br>12. <i>Pliocene periode.</i> </td>
-<td rowspan="4" class="rowspan lbrace5"> </td>
-<td>21. Halfapen (<i>Prosimiae</i>). </td>
-<td class="cellRight">Lori (<i>Stenops</i>), Maki (<i>Lemur</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>22. Gestaarte Apen (<i>Menocerken</i>). </td>
-<td class="cellRight">Neusapen. <br>Slankapen. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>23. Menschapen of Ongestaarte Apen (<i>Anthropoïden</i>). </td>
-<td class="cellRight">Gorilla, Chimpanzee, Orang, Gibbon. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>24. Aapmenschen of Spraaklooze Menschen. </td>
-<td class="cellRight">Doofstommen, Cretins en Microcephalen.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft cellBottom vam">V. Het Quartaire tijdvak. </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellBottom">13. <i>Diluvium.</i> <br>14. <i>Alluvium.</i> </td>
-<td class="cellBottom vam">25. Menschen (Ras van Cannstatt enz.) </td>
-<td class="cellRight cellBottom vam">Nieuw-Hollanders en Papoea’s. </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Dat niet alle volken het denkbeeld om van dieren af te stammen zoo vernederend vinden
-als vele Europeanen blijkt uit de volgende voorbeelden.
-</p>
-<p>Van zekeren stam van Madagascar wordt in het Fransche tijdschrift <span lang="fr">„le Tour du Monde”, 7 Oct. 1871, chronique</span> (op den blauwen omslag), een in verband met de theorie van Darwin omtrent het ontstaan
-van den mensch niet onaardige bijzonderheid verhaald, namelijk: „<span lang="fr">Les Betanismena, qui semblent être de la même origine que les Hovas, et dont la peau
-est d’un brun clair, affirment que leurs <span class="corr" id="xd31e11496" title="Bron: ancètres">ancêtres</span> sont issus des Babacoutes ou grands <i>lémures</i> de la forêt. Récemment un des personages de la cour ayant tué un de ces animaux fut
-dégradé en punition de son crime et dut solennellement enterrer la victime.</span>” Aan het tegenovergestelde uiteinde van het veronderstelde Lemuria, op het schiereiland
-Malakka, echter vindt men een dergelijke overlevering. Men leest toch in het „Tijdschrift
-voor Ind. Taal-, Land-, en Volkenkunde”, X, 4de Serie, I, Batavia, Lange &amp; Co, 1861,
-blz. 415 (<span lang="fr">„Notice sur les Mantras, Tribu sauvage de la Péninsule Malaise”, par Borie, Missionnaire
-apostolique</span>): „<span lang="fr">Je me rappelle avoir entendu plusieurs sauvages raconter fort sérieusement, qu’ils
-descendent tous de deux singes blancs, de deux <i>ounka puteh</i>. Les deux <i>ounka puteh</i>, ayant engendré leurs petits, se rendirent dans la plaine; ils s’y perfectionnèrent
-si bien, eux et leurs descendants, <span class="corr" id="xd31e11511" title="Bron: qu, ils">qu’ils</span> devinrent des hommes</span>”, etc.
-<span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span></p>
-<p>Ook bij de Thibetanen heerscht de overlevering, dat zij van apen afstammen; de Roodhuiden
-wanen zich met den dierenwereld verwant, en, naar ik meen, ook verschillende stammen
-van Insulinde, Australië en het vasteland van Afrika. Deze overleveringen van wilden
-en half-beschaafden bewijzen natuurlijk niets voor het stelsel van Darwin, maar zijn
-toch, in verband daarmede beschouwd, niet onaardig.
-</p>
-<p id="en6.22">(<a href="#en6.22src">22</a>) De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „<span lang="en">Origin of Species</span>”, Mme Clémence Royer, zegt in haar Werk „<span lang="fr">Origine de l’Homme et des Sociétés</span>”, Paris 1870, blz. 149, na een beschrijving te hebben gegeven van de voorstelling
-die zij zich maakt van den gemeenschappelijken stamvader der Primaten<a class="noteRef" id="xd31e11528src" href="#xd31e11528">56</a>, zeer schoon:
-</p>
-<p lang="fr">„En somme, pourquoi rougirions-nous d’un tel ancêtre? Si nous devons rougir de notre
-généalogie, rougissons plutôt de descendre des sauvages cannibales qui ont habité
-les cavernes de la Belgique et de la Ligurie, de ces races brutales qui faisaient
-de la guerre, de la rapine et du vol leurs moyens d’existence et leur gloire; de ces
-Gaulois qui arrosaient de sang humain les autels de leur dieux aussi féroces qu’eux-mêmes;
-de ces Francs, de ces barbares, qui, ne connaissant que le droit de leur épée, vinrent
-envahir et étouffer la civilisation gréco-latine, ajouter leurs vices à ses vices,
-et replonger le monde pour mille ans dans la barbarie à laquelle il commençait à échapper.
-Rougissons de compter parmi nos ayeux ces barons pillards du moyen âge, qui n’ètaient
-que des détrousseurs de grands chemins, libres et privilégiés pour commettre tous
-les crimes sans crainte de châtiment et irresponsables derrière les crénaux de leurs
-châteaux-forts; mais rougissons aussi d’être les petits-fils de ces Jacques Bonshommes
-qui, après avoir été longtemps pillés et pendus par leurs barons, ne surent user de
-leurs droits reconquis que pour piller et pendre à leur tour. Rougissons enfin d’appartenir
-à cette race chrétienne qui, sous prétexte de venger Dieu, a fait les croisades, les
-auto-da-fé, la Saint-Barthélemy, les dragonnades, qui a élevé des bûchers aux Vanini,
-aux Giordano Bruno, aux Jean Huss, aux Servet, emprisonné les Campanella, fait abjurer
-les Galilée; rougissons de nos pères eux-mêmes, qui n’ont pas su défendre, sans l’ensanglanter,
-la liberté qu’ils avaient reconquise; mais surtout rougissons de nous-mêmes, qui laissons
-périr, sans le faire fructitier, sans savoir même le conserver, l’accroître, l’héritage
-d’héroïsme et de grandes pensées, de victoires et de sacrifices, de vérités nouvelles
-et d’aspirations généreuses qu’au prix de leur vie ils nous ont légué.
-</p>
-<p lang="fr">„S’il est vrai que nous comptions des brutes pour ancêtres, que les progrès <span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>déjà accomplis par notre race nous donnent la mesure de ceux que nous pourrons accomplir
-encore, et que notre retour sur notre passé ne serve qu’à nous donner pour l’avenir
-de plus magnifiques espérances. Après tout, mieux vaudrait descendre, même en droite
-ligne, d’un orang inoffensif qui n’a jamais fait la guerre à qui ne l’attaquait pas,
-que d’être fils d’un Timour, d’un Gengis, d’un Attila, voire mème d’un Alexandre ou
-d’un César, enfin d’un de ces fléaux de l’humanité qui marquent tous leurs pas d’un
-sillon sanglant, ne comptent leurs jours que par leurs mensonges et ne fondent leurs
-empires éphémères que sur les débris frémissants de nations libres faites esclaves!”
-<span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e8132">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8132src">1</a></span> Isidore Geoffroy St. Hilaire geeft een uitgebreid overzicht van de plaats door verschillende
-natuuronderzoekers in hun klassificaties aan den mensch toegekend: „<span lang="fr">Hist. Nat. Gén.</span>” tome II, 1859, blz. 170–189.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8132src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8155">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8155src">2</a></span> Zie het zeer belangwekkende artikel, „<span lang="fr">l’Instinct chez les insectes</span>”, door den heer George Pouchet, „<span lang="fr">Revue des Deux Mondes</span>”, Febr. 1870, blz. 682.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8155src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8190">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8190src">3</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Classification of Insects</span>”, vol. II, 1840, blz. 87.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8190src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8228">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8228src">4</a></span> „<span lang="en">Proc. Zoolog<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Soc.</span>”, 1869, blz. 4.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8228src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8241">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8241src">5</a></span> „<span lang="en">Evidence as to <span class="corr" id="xd31e8245" title="Bron: Mans">Man’s</span> Place in Nature</span>”, 1863, blz. 70, <i>et passim</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8241src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8264">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8264src">6</a></span> Isid. Geoffroy, „<span lang="fr">Hist. Nat. Gén.</span>”, tome II, 1859, blz. 217.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8264src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8272">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8272src">7</a></span> „<span lang="de">Ueber die Richtung der Haare</span>” enz., Müllers „<span lang="de">Archiv für Anat. und Phys.</span>”, 1837, blz. 5.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8272src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8298">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8298src">8</a></span> Aangehaald door Reade, „<span lang="en">The African Sketchbook</span>”, vol. I, 1873, blz. 152.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8298src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8312">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8312src">9</a></span> Over het haar bij Hylobates, zie „<span lang="en">Nat. Hist. of Mammals</span>”, door C.&nbsp;L. Martin, 1841, blz. 415. Ook Isid. Geoffroy over de Amerikaansche en
-andere aapsoorten, „<span lang="fr">Hist. Nat. Gén.</span>”, vol. II, 1859, blz. 216, 243. Eschricht, ibid., blz. 46, 55, 61. Owen, „<span lang="en">Anat. of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 619<span class="corr" id="xd31e8323" title="Bron: ,">.</span> Wallace, „<span lang="en">Contributions to the Theory of Natural Selection</span>”, 1870, blz. 344.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8312src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8334">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8334src">10</a></span> „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederl. Uitgaaf, blz. 599. „Het Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 401–405.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8334src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8339">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8339src">11</a></span> „<span lang="en">An Introduction to the Classification of Animals</span>”, 1869, blz. 99.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8339src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8365">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8365src">12</a></span> Dit is ongeveer de zelfde klassificatie als die, welke voorloopig door den heer St.
-<span class="corr" id="xd31e8367" title="Bron: Georges">George</span> Mivart („<span lang="en">Transact. Philosoph. Soc.</span>”, 1867, blz. 300) is aangenomen, die, na de Lemuriden te hebben afgescheiden, de
-overige Primaten verdeelt in de Hominidae, de Simiadae (overeenkomende met de Catarrhinae),
-de Cebidae en de Hapalidae (welke beide laatste groepen met de Platyrrhinae overeenkomen).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8365src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8379">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8379src">13</a></span> „<span lang="en">Transact. Zoolog. Soc.</span>”, vol. VI, 1867, blz. 214.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8379src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8408">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8408src">14</a></span> De heer H.&nbsp;G. Mivart, „<span lang="en">Transact. Phil. Soc.</span>” 1867, blz. 410.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8408src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8416">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8416src">15</a></span> De heeren Murie en Mivart over de Lemuriden, „<span lang="en">Transact. Zoolog. Soc.</span><span class="corr" id="xd31e8420" title="Bron: „">”</span>, vol. VII, 1869, blz. 5.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8416src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8432">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8432src">16</a></span> Haeckel is tot het zelfde besluit gekomen. Zie „<span lang="de">Ueber die Entstehung des Menschengeschlechts</span>”, in Virchow’s „<span lang="de">Sammlung gemeinwissenschaftl. Vorträge</span>”, 1868, blz. 61. Ook zijn „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”, 1868, waarin hij zijn beschouwingen over den stamboom van den mensch uitvoerig
-uiteenzet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8432src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8481">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8481src">17</a></span> „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, April, 1867, blz. 236.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8481src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8491">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8491src">18</a></span> „<span lang="en"><span class="corr" id="xd31e8494" title="Bron: Eléments">Elements</span> of Geology</span>”, 1865, blz. 583–585. „<span lang="en">Antiquity of Man</span>”, 1863, blz. 145.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8491src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8511">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8511src">19</a></span> „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>”, blz. 105.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8511src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8543">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8543src">20</a></span> Uitvoerige tabellen zijn gegeven in zijn „<span lang="de">Generelle Morphologie</span>”, B. II, blz. CLIII, en 425<span id="xd31e8548"></span>; en meer bijzonder met betrekking tot den mensch in zijn „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”, 1868. Prof. Huxley zegt in zijn beschouwing van dit laatste werk („<span lang="en">The Academy</span>”, 1869, blz. 42), dat hij gelooft, dat het phylum of de lijnen van afstamming der
-gewervelde dieren door Haeckel op bewonderenswaardige wijze zijn behandeld, ofschoon
-hij in enkele punten een verschillende meening is toegedaan. Hij drukt ook den hoogen
-dunk uit dien hij van de waarde en de algemeene strekking en geest van het geheele
-werk koestert.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8543src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8569">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8569src">21</a></span> „<span lang="en">Palaeontology</span>”, 1860, blz. 199.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8569src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8585">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8585src">22</a></span> Ik had de voldoening op de Falklandseilanden, in April 1833, en dus eenige jaren vroeger
-dan eenig ander natuuronderzoeker, de jongen te zien zwemmen van een samengestelde
-Ascidia, nauw verwant met, doch blijkbaar tot een ander geslacht behoorende dan Synoicum.
-De staart was ongeveer vijfmaal zoo lang als de langwerpige kop, en eindigde in een
-zeer fijnen draad. Zij werd, volgens een door mij onder een loep gemaakte schets door
-dwarse ondoorschijnende tusschenschotten duidelijk in afdeelingen verdeeld, welke,
-naar ik vermoed, overeenkomen met de groote cellen die door <span class="corr" id="xd31e8587" title="Bron: Kowalevski">Kowalewski</span> zijn afgebeeld. Op een vroeger tijdstip van de ontwikkeling was de staart dicht om
-den kop der larve gerold.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8585src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8593">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8593src">23</a></span> „<span lang="fr">Mémoires de l’Acad. des Sciences de St. Pétersbourg</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> tome X, No. 15, 1866.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8593src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8606">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8606src">24</a></span> Ik ben echter verplicht hier bij te voegen, dat sommige bevoegde beoordeelaars de
-juistheid van dit besluit betwisten, b.v. de heer Giard, in <span class="pageNum" id="pb282n">[<a href="#pb282n">282</a>]</span>een reeks artikelen in zijn „<span lang="fr">Archives de Zoologie Expérimentale</span>” voor 1872. Toch merkt deze natuuronderzoeker op, blz. 281: „<span lang="fr">L’organisation de la larve ascidienne en dehors de toute hypothèse et de toute théorie,
-nous montre comment la nature peut produire la disposition fondamentale du type vertébré
-(l’existence d’une corde dorsale) chez un invertébré par la seule condition vitale
-de l’adaptation, et cette simple possibilité du passage supprime <span class="corr" id="xd31e8615" title="Bron: l’abime">l’abîme</span> entre les deux sous-règnes, encore bien qu’on ignore par où le passage s’est fait
-en réalité.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8606src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8656">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8656src">25</a></span> Dit is het besluit, waartoe een der hoogste autoriteiten in de vergelijkende ontleedkunde,
-namelijk Prof. <span class="corr" id="xd31e8658" title="Bron: Gegenbauer">Gegenbaur</span> in zijn: „<span lang="de">Grundzüge der Vergleich. Anat.</span>”, 1870, blz. 876 komt. Hij heeft dit vooral afgeleid uit zijn studiën over de Amphibieën;
-maar volgens de onderzoekingen van Waldeyer (aangehaald in „<span lang="en">Journal of Anat. and Phys.</span>”, 1869, blz. 161), schijnt het, dat de geslachtsdeelen zelfs van „de hoogere Gewervelde
-Dieren in den vroegsten toestand hermaphroditisch zijn.” Dergelijke beschouwingen
-zijn sinds lang door sommige schrijvers gemaakt, ofschoon zij tot voor korten tijd
-niet op een goeden grondslag berustten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8656src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8670">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8670src">26</a></span> Het mannetje van den buidelwolf (<i>Thylacinus</i>) levert hiervan het beste voorbeeld. Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 771.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8670src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8680">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8680src">27</a></span> Hermaphroditisme is waargenomen bij verscheidene soorten van Serranus, zoowel als
-bij sommige andere visschen, bij welke het òf normaal en symmetrisch, òf abnormaal
-en asymmetrisch is. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen heeft mij inlichtingen hieromtrent
-verstrekt, meer bijzonder omtrent eene verhandeling daarover van Prof. Halbertsma,
-in de Verslagen en Mededeelingen der Nederlandsche Kon. Akad. v. Wet. Dr. Günther
-betwijfelt de zaak, maar zij is tegenwoordig door te vele goede waarnemers opgemerkt
-om langer te worden betwist. Dr. M. Lessona heeft de waarheid onderzocht en bevestigd
-gevonden van de door Cavolini omtrent Serranus gedane waarnemingen. Prof. Ercolani
-heeft voor eenige jaren aangetoond („<span lang="it">Accad. delle scienze</span>”, Bologna, Dec. 28, 1871), dat de aal hermaphroditisch is. <b>(<a href="#en6.16" id="en6.16src">16</a>)</b>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8680src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8713">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8713src">28</a></span> Prof. Gegenbaur heeft aangetoond („<span lang="de">Jenaïsche Zeitschrift</span>”, Bd. VII blz. 212), dat bij de onderscheidene orden van Zoogdieren twee verschillende
-typen van tepels bestaan, maar dat het volkomen begrijpelijk is, hoe beide zich kunnen
-hebben ontwikkeld uit de tepels der Buideldieren, en die van de laatste uit die der
-Snaveldieren. <b>( 17 )</b> Zie ook<span id="xd31e8724"></span> een verhandeling van Dr. Max Huss, over de melkklieren, ibid. B. VIII, blz. 176.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8713src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8733src">29</a></span> De heer Lockwood (aangehaald in het „<span lang="en">Quart. Journal of Science</span>”, <span class="pageNum" id="pb286n">[<a href="#pb286n">286</a>]</span>April 1868, blz. 269) gelooft, wegens hetgeen hij heeft waargenomen omtrent de ontwikkeling
-van het Zeepaardje (<i>Hippocampus</i>), dat namelijk de wanden van den broedzak van het mannetje op deze of gene wijze
-voedsel geven. Over mannelijke visschen die de eieren in hun bek uitbroeden, zie een
-zeer belangwekkende verhandeling van Prof. Wyman in „<span lang="en">Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.</span>”, 15 Sept. 1857; ook Prof. Turner in „<span lang="en">Journal of Anat. and Phys.</span>”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Dr. Günther heeft eveneens dergelijke gevallen beschreven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8733src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8768">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8768src">30</a></span> Alle levensfuncties vertoonen een neiging om haar loop te voleindigen in vaste en
-terugkeerende perioden, en bij stranddieren zullen die perioden waarschijnlijk van
-de schijngestalten der maan afhankelijk zijn; want dergelijke dieren moeten op het
-droge gelaten of met diep water bedekt zijn, overvloedig of karig voedsel hebben gekregen,—gedurende
-tallooze geslachten, <span class="pageNum" id="pb288n">[<a href="#pb288n">288</a>]</span>op regelmatig terugkeerende, van de schijngestalten der maan afhankelijke tijden.
-Indien derhalve de Gewervelde dieren afstammen van stranddieren, met de tegenwoordig
-levende Zakpijpen (<i>Ascidiae</i>) verwant, wordt het geheimzinnige feit verklaarbaar, dat bij de hoogere en tegenwoordig
-het land bewonende Gewervelde Dieren, om andere klassen niet te vermelden, vele normale
-en abnormale levensprocessen hun loop voleindigen volgens perioden, die van de schijngestalten
-der maan afhankelijk zijn. Een terugkeerende periode zou, eens verkregen zijnde, als
-zij bij benadering den juisten tijd duurde, voor zoover wij er over kunnen oordeelen,
-niet aan verandering onderhevig zijn; bijgevolg zou zij dus overgaan gedurende een
-bijna onbeperkt aantal generaties. Indien deze gevolgtrekking kon worden bewezen steek
-te houden, zou zij merkwaardig zijn; want wij zouden dan zien, dat de tijd der zwangerschap
-van elk zoogdier en de tijd noodig voor het <span class="corr" id="xd31e8774" title="Bron: uitbroeien">uitbroeden</span> der eieren van elken vogel, en vele andere levensprocessen, nog het oorspronkelijke
-vaderland dezer dieren verrieden. <b>(<a href="#en6.20" id="en6.20src">20</a>)</b>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8768src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8828">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8828src">31</a></span> De gewone Braziliaansche Saüba-mier (<i>Oecodoma cephalotes</i>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8828src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8882">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8882src">32</a></span> Deze Orde omvat de Herkauwende Dieren, de Anoplotheria, de Varkens en Hippopotamus
-(de gehoefde dieren met een even aantal vingers).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8882src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8886">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8886src">33</a></span> Deze Orde omvat de Eenhoevigen, de Neushoorns, Tapiren, Palaeotheria, enz. (de gehoefde
-dieren met een oneven aantal vingers, met uitzondering der Olifantachtige Dieren).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8886src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8891">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8891src">34</a></span> De Olifantachtige Dieren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8891src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8895">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8895src">35</a></span> Deze Orde omvat slechts twee fossiele geslachten (<i>Toxodon</i> en <i>Nesodon</i>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8895src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8912">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8912src">36</a></span> Owen’s <i>Bruta</i> zijn de <i>Edentata</i> van andere schrijvers.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8912src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e8982">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e8982src">37</a></span> Men vindt Catarrhinae en Platyrrhinae in de Zoologische boeken meestal met ééne r
-gespeld. Volgens den stelligen regel der Grieksche taal moet echter de r in dergelijke
-samenstellingen, als er een korte klinker aan voorafgaat, worden verdubbeld. Eigenlijk
-zou men dus ook moeten schrijven <i>Ornithorrhynchus</i>, <i>R. tichorrhinus</i> enz. Wij hebben dit echter niet gedaan, daar die woorden slechts een enkele maal
-in dit werk voorkomen en in de soort- en geslachtnamen in de zoölogie en botanie toch
-allerwege de vreemdsoortigste samenstellingen en barbarismen worden aangetroffen.
-Bij de namen van de beide hoofdafdeelingen der apen die in dit werk en de aanteekeningen
-veelvuldig voorkomen en ten opzichte van het onderwerp van dit boek zoo gewichtig
-zijn, hebben wij gemeend ons aan den regel te moeten houden en de juiste spelling
-te moeten volgen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e8982src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9420">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9420src">38</a></span> De quaestie van den tertiairen mensch kan men uitvoeriger besproken vinden in Dr.
-Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9420src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9535">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9535src">39</a></span> Prof. <span class="corr" id="xd31e9537" title="Bron: Kupfer">Kupffer</span> te Kiel (zie o.a. „<span lang="de">Entwicklungsgeschichte der Ascidien</span>” in „<span lang="de">Archiv. f. mikroskop. Anatomie</span>”, Bd. VII) had destijds Kowalewski’s waarnemingen omtrent de stamverwantschap tusschen
-Zakpijpen en Gewervelde Dieren bevestigd en uitgebreid. Eveneens is zulks gedaan door
-Prof. A. Giard te Rijsel („<span lang="fr">Revue Scientifique</span>”, 11 Juillet 1874, „<span lang="fr">Compt. Rend.</span>”, 29 Juin 1874, blz. 1860), die bij sommige Ascidiënlarven (Molgula, Cynthia) uit
-<span class="pageNum" id="pb298n">[<a href="#pb298n">298</a>]</span>de chorda dorsalis ontspringende vinstralen waarnam. Ook Ussow verdedigde in „<span lang="de">Archiv. für Naturgeschichte</span>” 1875, blz. 1–8, de afstamming der Gewervelde Dieren van Ascidiën.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9535src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9601">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9601src">40</a></span> Zie ook Dohrn’s Geschrift „<span lang="de">Ueber den Ursprung der Wirbelthiere</span>”, Leipzig 1875.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9601src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9609">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9609src">41</a></span> „<span lang="de">Centralblatt für die medic. Wissenschaften</span>”, 1874, No. 35 en 52; „<span lang="de">Die Stammesverwandtschaft der Wirbelthiere und Wirbellosen, Arbeiten des zoot. Instituts
-in Würzburg</span>”, 1874, Bd. II, blz. 25<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9609src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9619">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9619src">42</a></span> „<span lang="en">Journal of <span class="corr" id="xd31e9623" title="Bron: Microsopical">Microscopical</span> Science</span>”, 1875.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9619src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9669">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9669src">43</a></span> Verdeeling in achter elkander gelegen, gelijkwaardige segmenten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9669src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9743">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9743src">44</a></span> De verdere gevolgen van deze opneming, vooral met het oog op de verwantschappen met
-de <i>Polyzoa</i> (Mosdieren) en <i>Gephyrea</i> (Brugdieren, Sipunculaceeën) openen, gelijk R. Lankester opmerkt, een wijd veld voor
-de bespiegeling en daarvan uitgaand embryologisch en anatomisch onderzoek. De <i>Gephyrea</i> zijn van den anderen kant onmiskenbaar met Echinodermata (Holothuriën) verwant, en
-ook de larvevorm van een der <i>Balanoglossus</i>-soorten gelijkt op die der <i>Echinodermata</i>. Blijkt hieruit een zekere verwijderde genetische betrekking tusschen deze en de
-<i>Vertebrata</i>, waarop Lankester, gelijk wij later zullen zien, vrij sterk wijst, zoo bedenke men,
-dat ten slotte door de <i>gastrula</i> alle <i>Metazoa</i> verwant zijn, en het er hier meer om te doen is sommige stammen van ongewervelden
-uit dat algemeene verband los te maken en hun nauwere verwantschap met de gewervelden
-aan te toonen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9743src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9835">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9835src">45</a></span> <i>Operculum</i> is de naam dien Agassiz geeft aan het toestel dat de kieuwen der visschen beschermt.
-Het wezenlijke kieuwdeksel wordt gesteund door vier beenplaten: het operculum, het
-prae-, sub- en interoperculum; het kieuwdekselvlies door beenstralen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9835src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e9839">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e9839src">46</a></span> Van <i>epi</i>, op, en <i>pleura</i>, zijde, dus zijdelingsche plooi. De epipleurale plooi, bij den jongen <i>Amphioxus</i> nog afwezig, ontstaat als parig orgaan langs de voorste helft ter weêrszijden van
-het lichaam, en groeit benedenwaarts. Zij vormt zijdelingsche overkappingen van de
-mondopening, alsmede een bedekking van de talrijke kieuwspleten, en haar beide deelen
-groeien in de mediaanlijn aan de buikzijde te zamen tot ééne onparige plooi, behalve
-op één punt, dat tot den <i>porus branchialis</i> wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e9839src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e10517">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e10517src">47</a></span> De in de laatste uitgaaf (1889) der „<span lang="de">Natürl. Schöpfungsgeschichte</span>” daarin aangebrachte veranderingen zullen wij in noten aangeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e10517src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e10689">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e10689src">48</a></span> Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen tal van organische
-verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere synthese hebben gevormd, dat zulks
-derhalve ook in de natuur onder den invloed der anorganische natuurkrachten heeft
-kunnen geschieden, en dat op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren
-kunnen zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit nog
-geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd, zou zich niet voeden,
-bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren volgens Haeckel doen; het zou, aan zich
-zelf overgelaten, verrotten en te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende
-proeven van Pasteur krachtig tegen het bestaan van de <i lang="la">generatio spontanea</i>, ten minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar merkt Haeckel
-op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane vorming van organismen in vloeistoffen
-die organische stoffen bevatten (<i lang="la">Plasmogenie</i>), terwijl de door hem bedoelde <i lang="la">generatio spontanea</i> betrekking heeft op de vorming van organismen in <i>anorganische vloeistoffen</i> (<i lang="la">Autogenie</i>); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens spontaan organismen vormen in vloeistoffen
-die in overvloed de verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer
-onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die verbindingen
-ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit, maar een <i>zeer</i> samengesteld mengsel van een <i>groot aantal</i> organische verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt niet
-te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde organisatie en bepaalde
-organen bezit, en alleen de onvolkomenheid onzer hulpmiddelen belet ons die in al
-haar fijnheid te leeren kennen. (Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”,
-Jena, 1889.)
-</p>
-<p class="footnote cont">De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar <i>niet</i> het protoplasma, maar de <i>kern</i> het oorspronkelijkste deel van de cel schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening,
-blz. 194 en 195, Deel II, van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en
-de kern voor de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit, behalve
-de physische en chemische, ook <i>historische</i> eigenschappen, zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische
-deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de Vries, gelijk
-wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” Deel II,
-blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van pangenen. Zij zijn <i>niet</i> identiek met de physico-chemische moleculen, maar daaruit opgebouwd en in de <i>kern</i> der <span class="pageNum" id="pb315n">[<a href="#pb315n">315</a>]</span>cellen opgehoopt. Die kern is voor het leven der cel <i>onmisbaar</i>; gaat zij te gronde, dan sterft de cel weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern
-intact blijft, dan gaat het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij
-het splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het normale leven,
-de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van Haeckel’s Moneren, d.i. <i>kernlooze</i> naakte cellen, komt ons dus, zoowel tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk
-voor. Zijn <i>Bathybius</i> is reeds gebleken <i>geen</i> levend wezen te zijn, maar slechts een neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje
-waarin men andere organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt
-ons zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i. geheel vervallen.
-Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren
-of Amoeben zijn, maar hoogstens veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes,
-wier grootte ver beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat
-en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn, dan de eenvoudigste
-ons bekende organismen. Die organische wezentjes zouden wellicht eeuwen noodig hebben,
-eer er zich vormen uit hadden ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig,
-en groot genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien en
-onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten, maar die langzamerhand
-in den loop der generaties verkrijgen, naarmate zij in <span class="corr" id="xd31e10734" title="Bron: groote">grootte</span> toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van eenvoudige pangenen hebben. Een
-dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten
-en Theorieën”, bewerkt door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf,
-blz. 279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische hypothese,
-volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte of van andere hemellichamen
-tot ons zouden zijn gekomen, ons causaliteitsgevoel volkomen bevredigt).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e10689src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e10764">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e10764src">49</a></span> Van daar wordt in de 8ste uitgaaf van <span id="xd31e10766"></span>Haeckel’s „<span lang="de">Natürl. Schöpfungsgeschichte</span>”, 1889, deze trap <i>Moraeaden</i> genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e10764src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e10781">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e10781src">50</a></span> Overeenkomende met den ontwikkelingstrap van het bevruchte ei, dien men <i>Blastala</i> noemt. Van daar heet deze trap in de 8ste uitgaaf der „<span lang="de">Natürl. Schöpfungsgeschichte</span>”, 1889, <i>Blastaeaden</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e10781src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e10830">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e10830src">51</a></span> De zevende en achtste trap worden dan ook in de 8ste uitgaaf der „<span lang="de">Natürl. Schöpfungsgeschichte</span>” vervangen door:
-</p>
-<p class="footnote cont">Zevende trap: <i>Nemertinen</i> of <i>Snoerwormen</i>.
-</p>
-<p class="footnote cont">Achtste trap: <i lang="la">Enteropneusta</i> of Eikelwormen (tot deze afdeeling behoort ook <i lang="la">Balanoglossus</i>).
-</p>
-<p class="footnote cont">Negende trap: <i lang="la">Prochordonia</i> of <i>Oerchordadieren</i>. De sedert lang uitgestorven gemeenschappelijke stamgroep der Manteldieren en Gewervelde
-Dieren.
-</p>
-<p class="footnote cont">De <i>Schedelloozen</i> of <i>Acraniën</i> worden nu de <i>tiende</i> trap enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e10830src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e10936">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e10936src">52</a></span> Tusschen dezen trap en den volgenden wordt in de 8ste uitgaaf der „<span lang="de">Natürl. Schöpfungsgeschichte</span>”, 1889, nog ingelascht een nieuwe trap, die der <i>Ganoïden</i> of Emailvisschen. Deze groep, die eens zeer talrijk was, wordt in de levende schepping
-nog slechts door weinige vormen (<i lang="la">Lepidosteus</i>, <i lang="la">Polypterus</i>, <i lang="la">Amia</i>, <i lang="la">Accipenser</i>, waartoe de steur behoort, en <i lang="la">Spatularia</i>) vertegenwoordigd. Een andere, nauw met de <i>Dipneusten</i> verwante groep van visschen, de <i>Crossopterygii</i>, zou wellicht bestanddeelen van de groep rechtstreeksche voorouders van den mensch
-bevatten. De <i>Dipneusten</i> worden nu de <i>veertiende</i> trap.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e10936src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11010">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11010src">53</a></span> De dertiende, veertiende en vijftiende trap komen in de 8ste uitgaaf der „<span lang="de">Natürl. Schöpfungsgeschichte</span>”, 1889, als vijftiende, zestiende en zeventiende trap voor onder nieuwe namen, namelijk:
-</p>
-<p class="footnote cont">Vijftiende trap: <i>Stegocephalen</i> of Amphibieën met blijvende kieuwen; onze oudste voorouders uit de klasse der Amphibieën
-zouden tot de Stegosauriërs hebben behoord, en waarschijnlijk uit de groepen der Archegosauriërs
-en Branchiosauriërs.
-</p>
-<p class="footnote cont">Zestiende trap: <i>Salamandrinen</i> of Gestaarte Amphibieën.
-</p>
-<p class="footnote cont">Zeventiende trap: <i>Proreptiliën</i> of <i>Protamniën</i>. Verwant met de fossiele <i>Protecosauriërs</i> en de levende <i>Hatteria</i>.
-</p>
-<p class="footnote cont">Nu volgt een nieuwe<span class="sic"></span>
-</p>
-<p class="footnote cont">Achttiende trap: <i>Zoogdier-reptielen</i> of <i>Theriosauriërs</i>. Van deze groep zijn verschillende fossiele leden bekend.
-</p>
-<p class="footnote cont">De <i>Stamzuigers</i> of <i>Promammaliën</i> (boven de zestiende trap) worden thans de negentiende trap, zoodat er in het geheel
-<i>vijf-en-twintig</i> trappen (in plaats van <i>twee-en-twintig</i>) worden genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11010src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11074">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11074src">54</a></span> Lang dacht men, dat zij tegenwoordig geheel tot Nieuw-Holland beperkt waren, wat voor
-<i>Ornithorhynchus</i> ook het geval schijnt te zijn. Van <i>Echidna</i> is echter tegenwoordig ook een op Nieuw-Guinea levende soort ontdekt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11074src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11100">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11100src">55</a></span> In de 8ste uitgaaf der „<span lang="de">Natürl<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Schöpfungsgeschichte</span>” 1889, worden de Half-Apen of Prosimiën slechts als de voorouders der Lemuriden,
-der ware Apen en van den Mensch beschouwd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11100src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11528">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11528src">56</a></span> Merkwaardig is het, dat zij daarbij (ibid., blz. 148) de zelfde opmerking maakt, die
-ook Darwin is ingevallen, omtrent het zoogen der jongen door het mannetje: „<span lang="fr">Cependant il prend grand soin de sa progéniture: si la mère lui donne la naissance,
-le mâle contribue avec elle á la nourrir, car ses mammelles sont encore lactifères.</span>”
-</p>
-<p class="footnote cont">Dr. E. Krause te Berlijn (Carus Sterne) komt in Humboldt, Juni 1888, blz. 236, met
-heftigheid op tegen de onderstelling dat bij de zoogdieren ooit de mannetjes de jongen
-zouden hebben gezoogd. „Met het zelfde recht”, zegt hij, „als men uit de tepels van
-den man besluit, dat zijn stamvorm de jongen mede heeft gezoogd, zou men uit zijn
-rudimentaire baarmoeder (de <i>recula prostatica</i>) kunnen besluiten, dat vroeger niet de vrouwen, maar de mannen de kinderen ter wereld
-hebben gebracht; want dit orgaan behoort geheel en al tot de zelfde categorie van
-organen die door overerving van de eene sekse op de andere zijn overgebracht, als
-de borstklieren.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11528src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6b" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e420">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Stellingen betreffende de Ontwikkelings-Hypothese en de Afstamming van het Menschelijk
-Geslacht.<a class="noteRef" id="xd31e11552src" href="#xd31e11552">1</a></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">DOOR <br><b>Dr. P. HARTING</b>, <br>in leven Hoogleeraar te Utrecht.
-</p>
-<p>A. <i>Algemeene Stellingen.</i>
-</p>
-<p>1. De organische schepping maakt een onafgebroken geheel uit, van het eerste verschijnen
-van levende wezens op aarde af tot aan den tegenwoordigen tijd toe.
-</p>
-<p>2. De vormen, waarin zich het leven opvolgend heeft geopenbaard, zijn steeds in overeenstemming
-geweest met de levensvoorwaarden en deze met de levensomstandigheden.
-</p>
-<p>3. De levensvormen zijn het product van twee factoren: van de erfelijkheid der eigenschappen,
-die bewarend, en van het het zich voegen (adapteeren) naar de levensomstandigheden,
-dat veranderend werkt.<a class="noteRef" id="xd31e11580src" href="#xd31e11580">2</a>
-<span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span></p>
-<p>4. Met en ten gevolge van de allengs voortgaande veranderingen waarvan de oppervlakte
-der aarde het tooneel is geweest, en van de ontwikkeling van de organische wereld
-zelve, heeft er een voortdurende differentieering der levensomstandigheden plaats
-gegrepen, waarmede een differentieering der levensvormen gelijken tred heeft gehouden.
-</p>
-<p>5. Gedurende het bestaan van het organische leven op aarde zijn de levensvormen allengs
-samengestelder geworden in dien zin: dat zich bij de lagere en eenvoudiger vormen
-hoogere en samengestelder hebben gevoegd, die in het bezit waren van organen en organenstelsels,
-welke bij de vroeger geleefd hebbende vormen niet of in minder ontwikkelden toestand
-bestonden.
-</p>
-<p>6. De ontwikkeling der organische vormen is echter niet een in alle richtingen progressieve
-geweest; zij is in bepaalde gevallen weder regressief geworden, zoowel ten aanzien
-der bijzondere levensvormen als ten aanzien der organen. Van laatstgenoemde kunnen,
-als gevolg van het beginsel der erfelijkheid, bij latere generaties nog zeer langen
-tijd sporen (rudimenten) overblijven, ook dan wanneer deze geenerlei voor het leven
-nuttige beteekenis meer hebben. Deze kunnen worden beschouwd als herinneringsteekens
-aan vroegere toestanden, waarin die deelen wel een nuttige beteekenis hadden.
-</p>
-<p>7. De tijd, gedurende welken de aarde door levende wezens bewoond is geweest, is onberekenbaar
-lang en volkomen toereikend voor de voorstelling, dat de nakomelingen van oorspronkelijk
-gelijke vormen,—door zeer kleine, bij de individu’s optredende verschillen, maar die,
-zich erfelijk voortplantende en zich accumuleerende gedurende een reeks van opeenvolgende
-generaties, allengs grooter werden,—eindelijk zoozeer van elkander verschillen, dat
-zij tot onderscheidene Soorten, Geslachten, Families, Orden, en zelfs Klassen worden
-gebracht.
-</p>
-<p>8. Een onderlinge vergelijking der levensvormen leert, dat zij de verwezenlijking
-zijn van grondplannen, met tallooze kleinere en grootere wijzigingen in de bijzonderheden
-der uitvoering, zonder dat daardoor het grondplan ophoudt herkenbaar te zijn. Deze
-gelijkheid van het plan van bewerktuiging van overigens door gedaante en levenswijze
-zeer uiteenloopende wezens, wijst met waarschijnlijkheid op een gemeenschappelijken
-oorsprong.
-</p>
-<p>9. De ontwikkeling der individu’s, welke binnen een kort tijdsbestek plaats grijpt,
-levert tot op zekere hoogte een getrouw beeld van de opeenvolging der verschillende
-levensvormen in de zeer lange tijdsruimte, <span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span>welke is verstreken sedert de aarde de woonplaats van levende wezens is geworden.
-Elke individueele levensvorm doorloopt gedurende zijn ontwikkeling een reeks van toestanden,
-welke voor andere, op een lageren trap staande levensvormen, blijvende zijn. Ook de
-ontwikkeling van het individu gedurende het vruchtleven is deels progressief, deels
-regressief. Organen die gedurende een zekeren toestand der vrucht een nuttige beteekenis
-hadden, verdwijnen weder of laten slechts sporen achter.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>B. <i>Bijzondere Stellingen met betrekking tot den Oorsprong van het Menschelijk Geslacht.</i>
-</p>
-<p>10. De beschaving is niet van één maar van verscheidene middelpunten uitgegaan. Alleen
-de Indo-Germaansche beschaving heeft haar bron in de hooglanden van Midden-Azië. Er
-bestaat derhalve geen enkele reden om daar, met uitsluiting van andere gedeelten der
-aarde, de plaats van oorsprong van het menschelijk geslacht te zoeken.
-</p>
-<p>11. De ouderdom van het menschelijk geslacht is zeer veel grooter dan men vroeger
-heeft gemeend. Zelfs de geschiedkundige oorkonden, afkomstig uit een tijd, toen de
-beschaving van sommige volken reeds een vrij hoogen trap had bereikt, reiken eenige
-duizenden jaren verder.
-</p>
-<p>12. Een menigte van feiten duidt aan, dat aan dien geschiedkundigen tijd een veel
-langere tijdruimte is voorafgegaan, gedurende welke Europa reeds werd bewoond door
-wilde volksstammen die in leefwijze overeenstemden met andere nog heden ten dage levende
-volken, welke op een zeer lagen trap van beschaving staan. Het is derhalve hoogst
-waarschijnlijk, dat overal aan den toestand van beschaving een wilde toestand is voorafgegaan
-en dat de beschaving, hoewel zij in den loop der tijden en bij bepaalde volken ook
-van elders kan zijn ingevoerd, toch eenmaal door allengsche zelfstandige ontwikkeling
-is ontstaan.
-</p>
-<p>13. De oudste menschelijke bewoners van Europa leefden gelijktijdig met verscheidene
-thans uitgestorven soorten van dieren, in een tijd, toen de gedaante van dit werelddeel
-en de verdeeling van land en water daarin aanmerkelijk verschilden van de tegenwoordige.
-</p>
-<p>14. Het is niet waarschijnlijk, dat ergens in Europa de plaats van oorsprong van het
-menschelijk geslacht is geweest, maar dit werelddeel is waarschijnlijk eerst door
-menschen bevolkt geworden, nadat deze elders de eerste trappen van beschaving hadden
-bereikt. Vermoedelijk <span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span>was de eerste woonplaats, die tevens de plaats van oorsprong was, tusschen of nabij
-de keerkringen gelegen, of althans in een streek, waarvan het klimaat met dat der
-hedendaagsche keerkringslanden <span class="corr" id="xd31e11610" title="Bron: oveenkwam">overeenkwam</span>.<a class="noteRef" id="xd31e11613src" href="#xd31e11613">3</a> Die plaats van oorsprong is waarschijnlijk in het Oostelijk halfrond te zoeken.
-</p>
-<p>15. De schepping van het menschelijk geslacht kan vergeleken worden met de schepping
-van elken individueelen mensch. De veranderingen die bij den laatsten, gedurende de
-vorming der vrucht, in den loop van weinige maanden plaats grijpen, geven een beeld
-van de veranderingen die, na verloop van millioenen jaren, met het ontstaan van den
-menschelijken vorm, zooals wij dien kennen, zijn geëindigd.
-</p>
-<p>In zijn allereersten toestand is elk mensch een slechts even zichtbaar protoplasmaklompje,
-zonder waarneembare differentieering van bijzondere deelen of organen, het naast overeenkomende
-met de op den laagsten trap staande, zelfstandige levende en zich voortplantende organische
-wezens, Amoeben en verwante vormen.
-</p>
-<p>Wanneer de differentieering een zekeren trap heeft bereikt, stemt de embryo van een
-mensch het naast overeen met de larve eener <span class="corr" id="xd31e11622" title="Bron: Ascidie">Ascidië</span>.<a class="noteRef" id="xd31e11625src" href="#xd31e11625">4</a>
-</p>
-<p>Bij voortgaande differentieering van organen, verkrijgt de embryo een maaksel, dat,
-in meer ontwikkelden, blijvenden vorm, bij de Visschen wordt teruggevonden.
-</p>
-<p>Daarop volgt een toestand, welke voor sommige <span class="corr" id="xd31e11634" title="Bron: Reptilieën">Reptiliën</span> de blijvende is.
-</p>
-<p>Ook dan, wanneer zich reeds duidelijk de Zoogdieren-typus begint te openbaren, doorloopt
-de vrucht van den mensch toch nog toestanden, die bij andere, lagere zoogdieren blijvend
-vertegenwoordigd zijn.
-</p>
-<p>In een zeker levenstijdperk vertoont de vrucht van een mensch geenerlei in het oog
-loopend verschil van de vrucht van een dier uit de Orde der <i>Quadrumana</i>. Eerst in de laatste maanden der ontwikkeling treden de eigenaardigheden in het maaksel,
-waardoor het menschelijk <span class="pageNum" id="pb327">[<a href="#pb327">327</a>]</span>lichaam van dat der <i>Quadrumana</i> verschilt, duidelijker en duidelijker <span class="corr" id="xd31e11646" title="Bron: teevoorschijn">te voorschijn</span>.
-</p>
-<p>16. De verschillen in het lichamelijk maaksel der <i>Quadrumana</i> en dat van den mensch zijn geen volstrekte maar betrekkelijke. Zij bepalen zich tot
-een ongelijkmatige ontwikkeling der zelfde in morphologisch opzicht geheel overeenstemmende
-organen. In het lichaam van den mensch wordt geen enkel deel gevonden, waarvan het
-homologon niet ook bij een of meer aapsoorten voorkomt. Verscheidene eigenaardigheden
-van het maaksel heeft de mensch alleen met de hoogere aapsoorten gemeen.
-</p>
-<p>17. Toch is dit betrekkelijk verschil tusschen zelfs de laagste thans levende menschenrassen
-en de op den hoogsten trap staande <i>Quadrumana</i>, de Anthropomorphen, zeer aanmerkelijk en grooter dan dat tusschen de verschillende
-soorten dezer Orde, ofschoon minder groot dan dat tusschen haar op den hoogsten en
-haar op den laagsten trap staande soorten, die echter door nog levende tusschenvormen
-zijn verbonden.
-</p>
-<p>Een zeer diepe, alhoewel niet onpeilbare kloof scheidt dus, in de thans bestaande
-wereldorde, den mensch van de hem het naastbij komende dieren.<a class="noteRef" id="xd31e11659src" href="#xd31e11659">5</a>
-</p>
-<p>18. Het vroeger gekoesterde vermoeden, dat in de eene of andere, nog onbekende streek
-der aarde menschen zouden worden aangetroffen die nog meer dan de reeds bekende met
-sommige soorten van apen zouden overeenstemmen, heeft zich niet alleen geenszins bevestigd,
-maar bij de thans bestaande zeer uitgebreide kennis van de bewoners der aarde, waarvan
-bijna geen plekje meer door reiziger onbezocht is gebleven, mag men wel als zeker
-stellen, dat zulke tusschenvormen als volk nergens bestaan.
-</p>
-<p>19. Er worden echter van tijd tot tijd, zonder dat men daarvoor bepaalde oorzaken
-kan opgeven, onder verschillende rassen, ook de hoogste, menschen geboren (microcephalen),
-die in eenige opzichten, vooral door de geringe ontwikkeling van de hersenen en van
-de schedeldoos <span class="pageNum" id="pb328">[<a href="#pb328">328</a>]</span>en door een daarmede gepaard gaanden lagen trap der intellectueele vermogens, tot
-de hoogste <i>Quadrumana</i> naderen. Hun toestand is het gevolg van het blijven staan der vrucht op een ontwikkelingstrap
-die voor den normalen mensch een voorbijgaande is.
-</p>
-<p>20. Onder de <i>Quadrumana</i> is er geen enkele soort, die gezegd kan worden onder alle den mensch het meest nabij
-te komen. De verschillen van en overeenkomsten met den mensch zijn over verscheidene
-soorten verdeeld. Er bestaat derhalve ook geen enkele grond om in een der heden ten
-dage levende aapsoorten den nog levenden vertegenwoordiger te zien van den oorspronkelijken
-mensch.
-</p>
-<p>21. Daarentegen bestaan er vele gronden die het waarschijnlijk maken, dat de mensch
-en de soorten van de Orde der <i>Quadrumana</i> uit een gemeenschappelijken stam zijn ontsproten, waarvan een sterk divergeerende
-tak tot het menschelijk geslacht is geworden. Deze differentieering moet dan echter
-in een onberekenbaar lang verleden tijd hebben plaats gegrepen.
-<span class="pageNum" id="pb329">[<a href="#pb329">329</a>]</span> </p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e11552">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11552src">1</a></span> Ik geloof de Nederlandsche lezers van Darwin’s „Afstamming van den Mensch” geen ondienst
-te doen door aan dit Hoofdstuk als bijlage toe te voegen de stellingen, door den toenmaligen
-nestor van Nederlands <span class="corr" id="xd31e11555" title="Bron: dierkunkundigen">dierkundigen</span> in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Nat. Afd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, zitting van 25 Februari 1871, bij gelegenheid, dat hij de eerste uitgaaf van mijn
-bewerking van Ch<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Darwin’s „Afstamming van den Mensch” aan die Akademie aanbood, voorgedragen, en waarin
-de toenmalige stand van het vraagstuk in korte, duidelijke, algemeene trekken wordt
-weêrgegeven. Zijn Hoog Geleerde was zoo welwillend mij te veroorloven, die stellingen
-in mijne bewerking van Darwin’s boek over te drukken.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11552src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11580">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11580src">2</a></span> Dit moet niet zoo worden verstaan dat de door de levensomstandigheden rechtstreeks
-ontstane veranderingen erfelijk zijn, maar dat door de natuur steeds die variaties
-in den levensstrijd worden begunstigd, welke het geschiktst zijn voor de levensomstandigheden.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11580src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11613">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11613src">3</a></span> Deze volzin bevat een denkbeeld, dat geheel in strijd is met latere theorieën hieromtrent.
-Zie mijn opstel over het oorspronkelijk vaderland van den mensch, achter Hoofdstuk
-VII geplaatst.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11613src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11625">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11625src">4</a></span> Wij verwijzen naar aant. 15, blz. 297, waar de verwantschap tusschen den mensch en
-de Ascidiën, in verband met latere denkbeelden, uitvoerig wordt besproken. De Ascidiën
-zijn een gedegenereerde zijtak der Chordadieren, maar behooren niet tot de hoofdafstammingslijn
-der Gewervelde Dieren.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11625src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11659">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11659src">5</a></span> Dit is ongetwijfeld waar, wanneer men de geestvermogens in rekening brengt. Laat men
-deze echter buiten rekening, stelt men zich op zuiver anatomisch en zoölogisch standpunt,
-dan schijnt het mij niet twijfelachtig, dat b.v. de kloven tusschen de Catarrhinen,
-de eigenlijke Platyrrhinen of Hesperopitheci en de Hapaliden, en vooral tusschen de
-Ware Apen en de Lemuriden of Prosimiae (welke groepen allen door <i>geen</i> levende tusschenvormen zijn verbonden) grooter zijn, dan die tusschen de hoogste
-vormen der Catarrhinen en den mensch.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11659src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e432">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">OVER DE MENSCHENRASSEN.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">De aard en waarde van soortkenmerken. Toepassing op de menschenrassen.—Bewijsgronden
-voor en tegen het rangschikken der zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten
-(<i>Sub-species</i>).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst
-in lichaam en geest tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van
-den mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras stamt niet af
-van een enkel paar.—Het uitsterven van rassen.—Het ontstaan van rassen.—De uitwerkselen
-van kruising.—Geringe invloed van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de
-natuurlijke teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele teeltkeus.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde menschenrassen te beschrijven;
-maar te onderzoeken, welke de waarde der tusschen dezelve bestaande verschillen is
-uit het oogpunt der klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen,
-of twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als verscheidenheden,
-worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende overwegingen, te weten: de hoegrootheid
-van het verschil tusschen hen; of die verschillen op weinige of op vele punten van
-het maaksel betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt belangrijk,
-en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der kenmerken wordt door de
-natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en gezocht. Zoodra kan worden aangetoond,
-of het waarschijnlijk is, dat de vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak
-onveranderd zijn gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten
-te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen twee vormen, als
-men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt algemeen beschouwd als een beslissend
-bewijs, dat het twee afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven
-in een zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt gewoonlijk
-<span class="pageNum" id="pb330">[<a href="#pb330">330</a>]</span>beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate van wederkeerige onvruchtbaarheid,
-of bij dieren van een zekeren afkeer om met elkander te paren.
-</p>
-<p>Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het volkomen ontbreken
-in een goed doorzochte streek van verscheidenheden die twee nauw verwante vormen met
-elkander verbinden, waarschijnlijk het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk
-verschil; en dit is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid
-van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder daarom nog
-tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te brengen. De geographische verspreiding
-is dikwijls onbewust en soms ook met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk
-beschouwt men vormen die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de
-meeste andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als verschillende soorten;
-maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om geographische rassen van zoogenaamde goede
-of ware soorten te onderscheiden.
-</p>
-<p>Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den mensch toepassen,
-hen in den zelfden geest beschouwende als een natuuronderzoeker dit elk ander dier
-zou doen. Wat de hoegrootheid van het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten
-wij eenigszins in rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij
-wat is verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten. Hoewel in
-Indië, zooals Elphinstone opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e11701src" href="#xd31e11701">1</a>, een pas aangekomen Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet
-van elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst ongelijk; en
-de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien tusschen de verschillende Europeesche
-volken. <b>(<a href="#en7.1" id="en7.1src">1</a>)</b> Zelfs de het meest van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen <span class="corr" id="xd31e11713" title="Bron: uiigezonderd">uitgezonderd</span>, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori zou onderstellen. Dit wordt
-goed bewezen door de Fransche photogrammen van menschen, tot verschillende rassen
-behoorende, in de „<span lang="fr">Collection Anthropologique du Muséum</span>”, waarvan de meesten, gelijk vele personen, aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt,
-voor Europeanen zouden kunnen doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als
-men ze levend zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk
-<span class="pageNum" id="pb331">[<a href="#pb331">331</a>]</span>eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de gelaatstrekken en
-de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel uitoefenen.
-</p>
-<p>Het valt echter niet te betwijfelen, dat de verschillende rassen, als men ze zorgvuldig
-vergelijkt en meet, veel van elkander verschillen,—zooals in den aard van het haar
-<b>(<a href="#en7.2" id="en7.2src">2</a>)</b>, de betrekkelijke verhoudingen van alle deelen van het lichaam<a class="noteRef" id="xd31e11729src" href="#xd31e11729">2</a>, de grootte der longen, den vorm en de grootte van den schedel en zelfs in de hersenwindingen.<a class="noteRef" id="xd31e11741src" href="#xd31e11741">3</a> <b>(<a href="#en7.3" id="en7.3src">3</a>)</b> Het zou echter een eindelooze taak zijn om de punten, waarin hun maaksel verschilt,
-op te noemen. De rassen verschillen ook in gestel, in geschiktheid tot het wonen onder
-een bepaald klimaat, en in vatbaarheid voor verschillende ziekten. Hun geestelijke
-kenmerken zijn ook zeer onderscheiden, zooals vooral blijkt uit den aard hunner <span class="corr" id="xd31e11753" title="Bron: gemoedsaanningen">gemoedsaandoeningen</span>, maar gedeeltelijk ook uit hun verstandelijke vermogens. Iedereen, die de gelegenheid
-tot vergelijking heeft gehad, moet getroffen zijn door het kontrast tusschen de stilzwijgende,
-ja, zelfs norsche inboorlingen van Zuid-Amerika en de luchthartige, babbelachtige
-negers. Ongeveer het zelfde kontrast bestaat er tusschen de Maleiers en Papoea’s<a class="noteRef" id="xd31e11757src" href="#xd31e11757">4</a>, die onder de zelfde physische voorwaarden leven, en slechts door enge zeearmen van
-elkander worden gescheiden.
-</p>
-<p>Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten gunste der
-meening, dat de <span class="corr" id="xd31e11765" title="Bron: menschenrassnn">menschenrassen</span> als afzonderlijke soorten behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen
-pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens had gezien,
-een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met elkander moest vergelijken, zou
-hij dadelijk <span class="corr" id="xd31e11768" title="Bron: bespenren">bespeuren</span>, dat zij in een menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang,
-van elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij ingericht waren
-om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij een weinig in lichaamsgestel
-en geestelijken aanleg verschilden. <span class="pageNum" id="pb332">[<a href="#pb332">332</a>]</span>Indien men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde landen
-konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij even goede soorten waren,
-als vele waaraan hij gewoon was geweest bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit
-zou zeer worden versterkt, zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende
-vele eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar volkomen
-gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000 jaar hadden geleefd.<a class="noteRef" id="xd31e11773src" href="#xd31e11773">5</a> Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr. Lund<a class="noteRef" id="xd31e11790src" href="#xd31e11790">6</a>, hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van Brazilië gevonden, begraven
-in gezelschap van die van vele uitgestorven zoogdieren, tot het zelfde type behoorden
-als die welke thans over het geheele Amerikaansche vasteland heerscht. <b>(<a href="#en7.5" id="en7.5src">5</a>)</b>
-</p>
-<p>Onze natuuronderzoeker zou dan wellicht overgaan tot de geographische verspreiding,
-en hij zou dan waarschijnlijk verklaren, dat vormen die niet slechts in uiterlijk
-verschilden, maar pasten voor de heetste en vochtigste of droogste landen, zoowel
-als voor de poolstreken, soortelijk verschillend moesten zijn. Hij zou zich kunnen
-beroepen op het feit, dat in de groep welke het nauwst met den mensch verwant is,
-namelijk de apen, geen enkele soort een lage temperatuur of eenige aanmerkelijke klimaatsverandering
-kan weêrstaan en dat men er nimmer in is geslaagd om die soorten welke den mensch
-het meest nabijkomen, <span class="pageNum" id="pb333">[<a href="#pb333">333</a>]</span>zelfs in het gematigde klimaat van Europa tot hun volwassen leeftijd toe in leven
-te houden. Het feit, dat het eerst door Agassiz is opgemerkt<a class="noteRef" id="xd31e11807src" href="#xd31e11807">7</a>, dat de verschillende menschenrassen over de wereld zijn verspreid in de zelfde zoölogische
-gewesten als die welke door ontwijfelbaar verschillende soorten en geslachten van
-zoogdieren worden bewoond, zou een diepen indruk op hem maken. Dit is kennelijk het
-geval met de Nieuw-Hollandsche, Mongoolsche en Neger-rassen; op minder sterk sprekende
-wijze met de Hottentotten, maar duidelijk met de Papoea’s en de Maleiers, die, zooals
-de heer Wallace heeft <span class="corr" id="xd31e11816" title="Bron: aangetoont">aangetoond</span>, ongeveer door de zelfde lijn worden gescheiden, welke het Indische zoölogische gewest
-van Insulinde van het Australische scheidt. <b>(<a href="#en7.6" id="en7.6src">6</a>)</b> De inboorlingen van Amerika zijn over dat geheele vasteland verspreid en dit schijnt
-eerst tegen bovenvermelden regel te strijden; want de meeste voortbrengselen van de
-zuidelijke en de noordelijke helft verschillen zeer; eenige weinige levende vormen,
-zooals de buidelratten of opossums, gaan echter van de eene in de andere over, evenals
-vroeger sommige reusachtige Tandelooze Dieren (Edentata) deden. De Eskimo’s strekken
-zich, evenals andere pooldieren, rondom over de geheele poolstreek uit. <b>(<a href="#en7.7" id="en7.7src">7</a>)</b> Men moet bedenken, dat de zoogdiervormen die de verschillende zoölogische gewesten
-bewonen, niet in de zelfde mate van elkander verschillen, zoodat het moeielijk als
-een tegenstrijdigheid kan worden beschouwd dat de Neger meer en de inboorlingen van
-Amerika veel minder van de andere menschenrassen verschillen dan de zoogdieren der
-zelfde vastelanden van die van de andere gewesten. Men mag er bijvoegen, dat de mensch
-oorspronkelijk geen enkel oceanisch eiland schijnt te hebben bewoond; en in dit opzicht
-gelijkt hij op de andere leden van zijn klasse.
-</p>
-<p>Om te bepalen of de verscheidenheden van een of ander huisdier als soortelijk verschillend
-moeten worden gerangschikt, dat is, of eene of meer daarvan van een afzonderlijke
-wilde soort afstammen, zou elk natuuronderzoeker veel gewicht hechten aan het feit,
-zoo dit was bewezen, dat hun uitwendige parasieten soortelijk verschilden. Des te
-meer gewicht zou aan dit feit worden gehecht, daar het geheel exceptioneel zou zijn;
-want de heer Denny heeft mij medegedeeld, dat de verschillende rassen van honden,
-en evenzoo die van kippen en van duiven, in Engeland door de zelfde soorten van luizen
-(Pediculi) worden <span class="pageNum" id="pb334">[<a href="#pb334">334</a>]</span>geplaagd. Nu heeft de heer A. Murray zorgvuldig de luizen onderzocht in verschillende
-landen op de verschillende menschenrassen verzameld<a class="noteRef" id="xd31e11835src" href="#xd31e11835">8</a>; en bevonden, dat zij niet slechts in kleur, maar ook in het maaksel hunner klauwen
-en ledematen verschilden. In elk geval, waarin talrijke voorwerpen werden verkregen,
-waren de verschillen standvastig (constant). De scheepsdokter van een walvischvaarder
-in den Stillen Oceaan verzekerde mij, dat, wanneer de luizen, waarvan sommige Sandwich-eilanders
-aan boord krioelden, op de lichamen van de Engelsche matrozen verdwaalden, zij binnen
-den tijd van drie of vier dagen stierven. Deze luizen waren donkerder gekleurd dan
-en schenen verschillend van die der inboorlingen van Chili in Zuid Amerika, waarvan
-hij mij voorwerpen gaf. Deze schenen op haar beurt grooter en veel zachter dan Europeesche
-luizen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De heer Murray verschafte zich vier soorten uit Afrika, namelijk van de Negers van
-de Oost- en Westkust, van de Hottentotten en de Kaffers; twee soorten van de inboorlingen
-van Nieuw-Holland, en twee uit <span class="corr" id="xd31e11843" title="Bron: Zuid Amerika">Zuid-Amerika</span>. In deze laatste gevallen mag men veronderstellen, dat de luizen afkomstig waren
-van inboorlingen die verschillende streken bewoonden. Bij insekten beschouwt men geringe
-afwijkingen van maaksel, als zij standvastig (constant) zijn, algemeen als soortkenmerken;
-en het feit, dat de menschenrassen worden geplaagd door parasieten die soortelijk
-van elkander verschillen, kan men gerust doen gelden als een uitnemend bewijs, dat
-die rassen zelven als afzonderlijke soorten moeten worden gerangschikt.
-</p>
-<p>Wanneer onze onderstelde natuuronderzoeker zoover met zijn onderzoek was gevorderd,
-zou hij vervolgens onderzoeken, of de menschenrassen, als zij zich met elkander kruisten,
-in meerdere of mindere mate onvruchtbaar waren. Hij zou dan het werk<a class="noteRef" id="xd31e11848src" href="#xd31e11848">9</a> van een behoedzaam en wijsgeerig waarnemer, Professor Broca, kunnen raadplegen, en
-zou daarin goede bewijzen vinden, dat sommige rassen volkomen vruchtbaar met elkander
-waren, maar ook bewijzen van tegenovergestelden aard ten opzichte van andere rassen.
-Zoo heeft men verzekerd, dat de vrouwelijke inboorlingen van Nieuw-Holland en van
-Diemensland zelden kinderen voortbrengen bij Europeesche mannen; het is tegenwoordig
-echter gebleken, dat de bewijzen hiervoor bijna volstrekt geen waarde hebben. De bastaarden
-worden door de zwarten van onvermengd bloed gedood, en onlangs is een verhaal publiek
-gemaakt van elf bastaarden, tegelijkertijd <span class="pageNum" id="pb335">[<a href="#pb335">335</a>]</span>vermoord en verbrand en wier overblijfselen door de politie werden gevonden.<a class="noteRef" id="xd31e11856src" href="#xd31e11856">10</a> <b>(<a href="#en7.8" id="en7.8src">8</a>)</b> Men heeft ook wel beweerd, dat mulatten, als zij met elkander huwen, weinig kinderen
-voortbrachten; Dr. Bachman van Charleston<a class="noteRef" id="xd31e11871src" href="#xd31e11871">11</a> verzekert daarentegen ten stelligste, dat hij mulattenfamilies heeft gekend, die
-gedurende verscheidene generaties onderling waren gehuwd, en voortdurend gemiddeld
-even vruchtbaar waren als zuivere blanken of zuivere zwarten. Onderzoekingen, weleer
-hieromtrent door Sir C. Lyell ingesteld, leidden hem, naar hij verzekert, tot het
-zelfde besluit. In de Vereenigde Staten omvatte de volkstelling voor het jaar 1854,
-volgens Dr. Bachman, 405 751 mulatten; en dit getal schijnt, alle omstandigheden in
-aanmerking genomen, klein; maar dit kan wellicht gedeeltelijk worden toegeschreven
-aan hun lage en onregelmatige plaats in de maatschappij en aan de losbandige levenswijze
-der vrouwen. De mulatten moeten zich voortdurend in zekere mate in de negers oplossen,
-en dit moet leiden tot een schijnbare vermindering van het aantal der eersten. In
-een werk dat vertrouwen verdient<a class="noteRef" id="xd31e11878src" href="#xd31e11878">12</a>, wordt van de mindere levenskracht der mulatten als van een bekend feit gesproken;
-maar dit is iets geheel anders dan hun verminderde vruchtbaarheid en kan moeilijk
-worden beschouwd als een bewijs voor het soortelijk verschil der stamrassen. Ongetwijfeld
-zijn zoowel dierlijke als plantaardige bastaarden, wanneer zij zijn voortgebracht
-door uiterst verschillende soorten, onderhevig aan een vroegen dood; maar de ouders
-van mulatten kunnen niet tot de categorie van uiterst verschillende soorten worden
-gebracht. Het gewone muildier, zoo bekend wegens zijn lang leven en kracht, en echter
-zoo onvruchtbaar, toont, hoe weinig noodzakelijk verband er bij bastaarden bestaat
-tusschen verminderde vruchtbaarheid en levenskracht; andere soortgelijke gevallen
-zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
-<span class="pageNum" id="pb336">[<a href="#pb336">336</a>]</span></p>
-<p>Zelfs wanneer het later zou worden bewezen, dat alle menschenrassen volkomen vruchtbaar
-met elkander waren, zou hij, die wegens andere redenen er toe overhelde om ze als
-verschillende soorten te beschouwen, terecht kunnen aanvoeren, dat vruchtbaarheid
-en onvruchtbaarheid geen veilige kenteekenen van soortelijk verschil waren. Wij weten,
-dat veranderde levensvoorwaarden of huwelijken tusschen bloedverwanten gemakkelijk
-op deze hoedanigheden inwerken en dat zij worden beheerscht door zeer samengestelde
-wetten, bij voorbeeld die van ongelijke vruchtbaarheid van wederkeerige kruisingen
-tusschen de twee zelfde soorten. Bij vormen, die ontwijfelbaar als verschillende soorten
-moeten worden gerangschikt, bestaat er een volledige reeks van die welke bij kruising
-volkomen onvruchtbaar zijn, tot die welke bijna volkomen of volkomen vruchtbaar zijn.
-De graden van onvruchtbaarheid vallen niet volkomen samen met de graden van verschil
-in uiterlijk maaksel en levenswijze. De mensch mag in vele opzichten worden vergeleken
-met die dieren welke sinds langen tijd zijn getemd, en men kan een menigte bewijzen
-bijbrengen ten gunste van de leer van Pallas<a class="noteRef" id="xd31e11891src" href="#xd31e11891">13</a>, dat de temming een neiging <span class="pageNum" id="pb337">[<a href="#pb337">337</a>]</span>doet geboren worden tot opheffing der onvruchtbaarheid, die zoo algemeen wordt waargenomen
-bij de kruising van soorten in den natuurstaat. Uithoofde dezer verschillende overwegingen
-zou men terecht kunnen aanvoeren, dat de volkomen onvruchtbaarheid bij de kruisingen
-tusschen de verschillende menschenrassen, als zij was bewezen, ons nog niet volkomen
-zou beletten om ze als verschillende soorten te beschouwen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Onafhankelijk van de vruchtbaarheid, heeft men soms gemeend, dat de aard van het kroost
-dat uit een kruising ontstaat, bewijzen leverde, of de stamvormen als soorten of als
-verscheidenheden moesten worden gerangschikt; maar na die bewijzen zorgvuldig te hebben
-bestudeerd, ben ik tot het besluit gekomen, dat dergelijke algemeene regels geen vertrouwen
-verdienen. Het gewone resultaat van een kruising is het voortbrengen van een gemengden
-of tusschenliggenden vorm, maar in sommige gevallen gelijken sommige nakomelingen
-zeer op den éénen ouderlijken vorm, en andere op den anderen. Dit is vooral het geval,
-wanneer de ouders verschillen in kenmerken, die eerst als plotselinge variaties of
-monstruositeiten zijn verschenen.<a class="noteRef" id="xd31e11908src" href="#xd31e11908">14</a> Ik wijs hierop omdat Dr. Rohlfs mij mededeelt dat hij in Afrika dikwijls heeft gezien
-dat de kinderen uit een kruising van negers met andere rassen, hetzij volkomen zwart
-of geheel blank of enkele malen zwart en wit gevlekt waren. Daarentegen is het algemeen
-bekend, dat in Amerika de mulatten tusschen die der stamrassen in liggende kenmerken
-vertoonen.
-</p>
-<p>Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen gerechtigd zou mogen
-gevoelen om aan de menschenrassen den rang van afzonderlijke soorten toe te kennen;
-want hij heeft bevonden, dat zij zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel
-en gesteldheid, waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende
-zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De verbazende <span class="pageNum" id="pb338">[<a href="#pb338">338</a>]</span>verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is in de klasse der zoogdieren,
-zoo de mensch als een enkele soort wordt beschouwd, zal ook eenigermate invloed op
-zijn besluit hebben gehad. Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende
-zoogenaamde rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere ongetwijfeld
-soortelijk van elkander verschillende zoogdieren. Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen,
-dat de wederzijdsche vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen,
-en zelfs als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat zij
-tot een enkele soort behoorden.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Laten wij thans de zaak uit een tegenovergesteld oogpunt beschouwen. Als onze onderstelde
-natuuronderzoeker onderzocht, of de vormen van den mensch evenals gewone soorten onverbasterd
-naast elkander bleven voortbestaan, als zij in een en het zelfde land in groot aantal
-dooreengemengd leefden, zou hij dadelijk ontdekken, dat dit geenszins het geval is.
-In Brazilië zou hij een hoogst talrijke bastaardbevolking van Negers en Portugeezen
-zien; in Chili en andere deelen van Zuid-Amerika zou hij zien, dat de geheele bevolking
-bestond uit Indianen en Spanjaarden in verschillende graden met elkander gekruist.<a class="noteRef" id="xd31e11919src" href="#xd31e11919">15</a> In vele deelen van het zelfde vasteland zou hij de meest samengestelde kruisingen
-tusschen Negers, Indianen en Europeanen ontmoeten, en dergelijke driedubbele kruisingen
-leveren, naar het Plantenrijk te oordeelen, het sterkste bewijs voor de wederkeerige
-vruchtbaarheid der stamvormen. Op één eiland in den Stillen Oceaan zou hij een kleine
-bevolking van gemengd Polynesisch en Engelsch bloed aantreffen <b>(<a href="#en7.10" id="en7.10src">10</a>)</b>; en in den Fidji-archipel een bevolking van in alle graden met elkander gekruiste
-Polynesiërs en Negrito’s. Vele overeenkomstige gevallen zouden hierbij kunnen worden
-gevoegd, bij voorbeeld, in Zuid-Afrika. Derhalve zijn de menschenrassen niet verschillend
-genoeg om zonder vermenging naast elkander te blijven bestaan; en dit is het, dat
-in alle gewone gevallen het gebruikelijke bewijs levert van soortelijk verschil.
-</p>
-<p>Onze natuuronderzoeker zou ook zeer in de war geraken, als hij bemerkte, <span class="pageNum" id="pb339">[<a href="#pb339">339</a>]</span>dat de onderscheidene kenmerken van elk menschenras in hooge mate variabel waren.
-Dit treft iedereen, als hij voor het eerst de negerslaven in Brazilië ziet, die uit
-alle deelen van Afrika zijn ingevoerd. De zelfde opmerking houdt steek bij de Polynesiërs
-en bij vele andere rassen. Het mag worden betwijfeld, of er één kenmerk zou kunnen
-worden opgenoemd, dat voor een ras onderscheidend en tevens standvastig (constant)
-is. Wilden, zelfs binnen de grenzen van éénen en den zelfden stam, zijn lang zoo eenvormig
-van kenmerken niet, als dikwijls is gezegd. Hottentotsche vrouwen vertoonen eenige
-kenmerken welke sterker zijn uitgedrukt dan die van eenig ander ras, en toch is het
-bekend, dat deze niet standvastig voorkomen. <b>(<a href="#en7.11" id="en7.11src">11</a>)</b> Bij de onderscheidene Amerikaansche stammen bestaan aanmerkelijke verschillen in
-kleur en behaardheid; evenals zulks bij de Afrikaansche Negers met de kleur tot op
-zekere hoogte, en met den vorm der gelaatstrekken in hooge mate het geval is. In den
-vorm van den schedel heerscht bij sommige rassen zeer veel verscheidenheid<a class="noteRef" id="xd31e11941src" href="#xd31e11941">16</a>; en evenzoo is het met elk ander kenmerk. Nu hebben alle natuuronderzoekers door
-duur gekochte ondervinding geleerd, hoe overijld het is soorten te bepalen met behulp
-van onstandvastige kenmerken.
-</p>
-<p>De gewichtigste van alle bewijsgronden tegen het beschouwen van de menschenrassen
-als verschillende soorten, is echter, dat zij trapsgewijze, in vele gevallen, voor
-zoover wij kunnen oordeelen, onafhankelijk van hun onderlinge kruising, door trapsgewijze
-overgangen worden verbonden. De mensch is zorgvuldiger bestudeerd, dan eenig ander
-organisch wezen; en toch heerscht onder bevoegde rechters het grootste verschil van
-gevoelen, of hij als ééne soort of ras moet worden beschouwd, of als twee (Virey)
-<b>(<a href="#en7.12" id="en7.12src">12</a>)</b>, als drie (Jacquinot), als vier (Kant), vijf (Blumenbach), zes (Buffon), zeven (Hunter),
-acht (Agassiz), elf (Pickering), vijftien (Bory St. Vincent), zestien (Desmoulins),
-twee-en-twintig (Morton), zestig (Crawfurd), of als drie-en-zestig, volgens Burke<a class="noteRef" id="xd31e11955src" href="#xd31e11955">17</a> <b>(<a href="#en7.13" id="en7.13src">13</a>)</b>. Dit verschillend oordeel bewijst niet, dat de rassen niet als soorten moeten <span class="pageNum" id="pb340">[<a href="#pb340">340</a>]</span>worden gerangschikt, maar het bewijst, dat zij in elkander overgaan, en dat het nauwelijks
-mogelijk is duidelijke onderscheidende kenmerken tusschen hen te vinden.
-</p>
-<p>Ieder natuuronderzoeker die het ongeluk heeft gehad om de beschrijving te ondernemen
-van een groep organismen die zeer veel verscheidenheid vertoonen, heeft gevallen ontmoet
-(ik spreek bij ondervinding) volkomen gelijk aan dat van den mensch; en, indien hij
-voorzichtig van aard is, zal hij ten laatste al de vormen die in elkander overgaan,
-tot een enkele soort vereenigen; want hij zal tot zich zelf zeggen, dat hij geen recht
-heeft om namen te geven aan voorwerpen die hij niet kan bepalen. Gevallen van deze
-soort komen voor in de orde waartoe de mensch behoort, namelijk bij zekere geslachten
-van apen; terwijl bij andere geslachten, zooals bij de Meerkatten (<i>Cercopithecus</i>), de meeste soorten met zekerheid kunnen worden bepaald. Bij het Amerikaansche geslacht
-<i>Cebus</i> worden de verschillende vormen door sommige natuuronderzoekers als soorten, door
-andere eenvoudig als geographische rassen beschouwd. Indien men nu talrijke voorwerpen
-van Cebus uit alle deelen van Zuid-Amerika bijeenverzamelde, en dan bevond, dat die
-vormen welke tegenwoordig als soortelijk verschillend worden beschouwd, door langzame
-overgangen met elkander waren verbonden, zouden zij door de meeste natuuronderzoekers
-eenvoudig als verscheidenheden of rassen worden beschouwd en zoo heeft het grootste
-gedeelte der natuuronderzoekers ten opzichte der menschenrassen gehandeld. Toch moet
-men bekennen, dat er vormen zijn, ten minste in het Plantenrijk<a class="noteRef" id="xd31e11978src" href="#xd31e11978">18</a>, die wij niet kunnen vermijden soorten te noemen, doch die, onafhankelijk van bastaardvorming,
-door tallooze overgangsvormen zijn verbonden.
-</p>
-<p>Sommige natuuronderzoekers hebben in den laatsten tijd de uitdrukking „onder-soort
-(sub-species)” gebruikt om vormen aan te duiden, die vele kenmerken van ware soorten
-bezitten, maar toch nauwelijks op zulk een hoogen rang aanspraak kunnen maken. Indien
-wij nu nadenken over de boven vermelde gewichtige gronden om de menschenrassen tot
-de waardigheid van soorten te verheffen, en aan den anderen kant aan de onoverkomelijke
-moeielijkheden om hen te bepalen, zou de uitdrukking „onder-soorten (sub-species)”
-hier zeer gepast kunnen worden <span class="pageNum" id="pb341">[<a href="#pb341">341</a>]</span>gebruikt. Door de lange gewoonte zal echter de uitdrukking „ras” wellicht altijd in
-gebruik blijven. De keus der uitdrukkingen is slechts in zoover van belang, als het
-hoogst wenschelijk is om zooveel mogelijk altijd de zelfde uitdrukkingen te gebruiken
-voor de zelfde graden van verschil. Ongelukkig is dit zelden mogelijk; want in ééne
-en de zelfde familie bevatten de grootere geslachten gewoonlijk nauw verwante vormen
-die slechts met veel moeite van elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de kleinere
-geslachten vormen bevatten, die duidelijk verschillen; toch moeten allen als soorten
-worden gerangschikt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Evenzoo gelijken ook de soorten in één en het zelfde groote geslacht in geenen deele
-in de zelfde mate op elkander; in de meeste gevallen kunnen integendeel sommige van
-haar in kleine groepen rondom andere soorten worden geschikt, evenals wachters om
-planeten.<a class="noteRef" id="xd31e11990src" href="#xd31e11990">19</a>
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten bestaat, hebben
-de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten en de polygenisten, zijn verdeeld,
-in de laatste jaren veel geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet
-aannemen, moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen, hetzij
-als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens („<span lang="en">entities</span>”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten worden gerangschikt,
-uit de analogie van andere organische wezens welke gewoonlijk als zoodanig worden
-beschouwd. Het is echter hopeloos om te trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen,
-zoolang niet de eene of andere bepaling van de uitdrukking „soort (<span lang="en">species</span>)” algemeen is aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten, waaromtrent
-men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals een scheppingshandeling.
-Wij zouden even goed kunnen beproeven om zonder eenige bepaling te beslissen, of een
-zeker aantal huizen een dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch
-voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele nauw verwante
-zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in <span class="corr" id="xd31e12003" title="Bron: Noord Amerika">Noord-Amerika</span> en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als geographische rassen moeten worden
-beschouwd, en evenzoo gaat het met de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand
-van het naaste vasteland gelegen eilanden.
-</p>
-<p>Die natuuronderzoekers daarentegen, welke het beginsel van ontwikkeling aannemen,
-en dit wordt tegenwoordig door de meeste opkomende <span class="pageNum" id="pb342">[<a href="#pb342">342</a>]</span>mannen aangenomen, zullen volstrekt niet betwijfelen, dat alle menschenrassen uit
-een enkelen oorspronkelijken stam zijn gesproten, hetzij zij het, om de hoegrootheid
-van het verschil tusschen die rassen aan te geven, gepast oordeelen ze afzonderlijke
-soorten te noemen of niet.<a class="noteRef" id="xd31e12010src" href="#xd31e12010">20</a> Bij onze huisdieren is de vraag, of de verschillende rassen uit ééne of uit meer
-soorten zijn ontstaan, van een anderen aard. Hoewel al die rassen, even goed als de
-natuurlijke soorten van het zelfde geslacht, ongetwijfeld uit eenen en den zelfden
-oorspronkelijken stam zijn gesproten, blijft het toch een gepast onderwerp ter bespreking,
-of, bij voorbeeld, al de tamme rassen van den hond hun tegenwoordige verschillen hebben
-verkregen sedert deze of gene enkele soort door den mensch werd getemd en aangefokt,
-dan wel of zij sommige hunner kenmerken zijn verschuldigd aan overerving van verschillende
-soorten, die reeds in den natuurstaat waren gewijzigd.
-</p>
-<p>Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit hun gemeenschappelijken
-stamvader in verschillende richtingen begonnen te ontwikkelen, zullen zij slechts
-weinig van elkander hebben verschild en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg
-zullen zij toen, voor zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak
-op den rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande zoogenaamde
-rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige natuuronderzoekers wellicht
-als verschillende soorten zijn gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien
-hun punten van verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan tegenwoordig
-en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.
-</p>
-<p>Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege voorouders van
-den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken vertoonden, totdat zij meer ongelijk
-aan elkander werden dan eenige der bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals
-Vogt<a class="noteRef" id="xd31e12020src" href="#xd31e12020">21</a> heeft vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het zelfde doel
-de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt uitkiest, veroorzaakt hij soms,
-voor zoover het algemeen uiterlijk aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken.
-Dit is het geval, zooals von Nathusius<a class="noteRef" id="xd31e12026src" href="#xd31e12026">22</a> heeft aangetoond, met de verbeterde varkensrassen, <span class="pageNum" id="pb343">[<a href="#pb343">343</a>]</span>die van twee verschillende soorten afstammen, en op minder goed uitgesproken wijze
-met de verbeterde veerassen. Een groot ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de
-anthropomorphe apen geen natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog
-ontwikkelde gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde
-macacus, en de <span class="corr" id="xd31e12042" title="Bron: gorrilla">gorilla</span> een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken
-berust, juist mocht zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie)
-ten minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken zeker
-in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle gelijkenissen die op analogie
-berusten, zooals die van een walvisch op een visch, kunnen inderdaad worden gezegd
-gevallen van toenadering (convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt
-voor oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze (adaptatie) berustende
-gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst
-in vele punten van het maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van
-wezens die eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt alleen
-door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te verwonderen, dat ongelijksoortige
-zelfstandigheden somtijds den zelfden vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten
-wij bedenken, dat de vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen
-afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke het gevolg
-zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die geheel zou kunnen doorgronden,—van
-den aard der wijzigingen die behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende
-physische toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede
-elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op zich zelf
-een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze voorouders waarvan de vormen
-op hun beurt allen door even samengestelde betrekkingen werden bepaald. Het schijnt
-geheel ongeloofelijk, dat twee organismen, indien zij werkelijk verschilden, later
-zoo sterk tot elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen gelijkheid
-van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het bovenvermelde geval van de tot
-elkander naderende (convergeerende) varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog
-duidelijke bewijzen van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere
-beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen, <span class="pageNum" id="pb344">[<a href="#pb344">344</a>]</span>zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of meer verschillende
-soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van elkander verschilden, als de orang
-van den gorilla, kan men nauwelijks betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het
-maaksel van sommige beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals
-hij nu bestaat. <b>(<a href="#en7.14" id="en7.14src">14</a>)</b>
-</p>
-<p>Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur, haar, schedelvorm,
-evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen, zoo vindt men toch, als men hun
-geheele organisatie beschouwt, dat zij in een menigte punten zeer sterk op elkander
-gelijken. Vele dezer punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat
-het uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende soorten
-of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen<span class="corr" id="xd31e12056" title="Bron: ,">.</span> De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de talrijke
-punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen de meest verschillende
-menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de negers en de Europeanen verschillen
-in <span class="corr" id="xd31e12059" title="Bron: geestgesteldheid">geestesgesteldheid</span> evenveel van elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij
-telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was, hoevele kleine
-karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun geest op den onzen geleek, en
-evenzoo ging het mij met een volbloed neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken
-voet kwam.
-</p>
-<p>Het kan nauwelijks missen, of de groote gelijkheid in smaak, neigingen en gewoonten
-tusschen menschen van alle rassen moet een diepen indruk maken op ieder die de belangwekkende
-werken van den heer Tylor en Sir J. Lubbock leest.<a class="noteRef" id="xd31e12064src" href="#xd31e12064">23</a> Die gelijkheid blijkt uit het behagen dat zij allen scheppen in dansen, ruwe muziek,
-schouwspelen, schilderen, tatoeëeren en zich op andere wijzen op te schikken,—uit
-hun wederkeerig begrijpen van gebarentaal—en, gelijk ik in staat zal zijn in een volgende
-verhandeling aan te toonen, uit de gelijkheid van de uitdrukking hunner gelaatstrekken
-en het voortbrengen van de zelfde ongearticuleerde kreten, als zij door verschillende
-gemoedsaandoeningen worden geprikkeld. Deze overeenkomst, of liever gelijkheid, is
-treffend, als men haar tegenoverstelt aan de verschillende uitdrukking die men bij
-onderscheidene soorten van apen kan waarnemen. Er bestaan goede bewijzen, dat de kunst
-om <span class="pageNum" id="pb345">[<a href="#pb345">345</a>]</span>met boog en pijlen te schieten, niet van eenigen gemeenschappelijken stamvader van
-het menschelijk geslacht aan de nakomelingschap is overgeleverd; toch zijn de steenen
-pijlpunten, van de verst van elkander verwijderde streken der wereld aangevoerd en
-in de langst geleden tijdperken vervaardigd, zooals Nilsson heeft aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e12075src" href="#xd31e12075">24</a>, bijna geheel aan elkander gelijk, en dit feit kan alleen worden verklaard door de
-gelijksoortigheid van de uitvindende of verstandelijke vermogens der verschillende
-rassen. De zelfde opmerking is door de oudheidkundigen<a class="noteRef" id="xd31e12081src" href="#xd31e12081">25</a> gemaakt ten opzichte van zekere ver verbreide versierselen, zooals zigzaglijnen enz.
-en ten opzichte van verschillende eenvoudige geloofspunten en gewoonten, zooals die
-om de dooden onder megalithische gedenkteekenen te begraven. <b>(<a href="#en7.15" id="en7.15src">15</a>)</b> Ik herinner mij in Zuid-Amerika<a class="noteRef" id="xd31e12100src" href="#xd31e12100">26</a> te hebben opgemerkt, dat de mensch daar, evenals in zoovele andere deelen der wereld,
-gewoonlijk de toppen van hooge heuvels heeft uitgekozen om daarop steenhoopen op te
-werpen, hetzij om de gedachtenis te bewaren van de eene of andere opmerkelijke gebeurtenis,
-of om zijn dooden te begraven.
-</p>
-<p>Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke kleine bijzonderheden
-en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of meer rassen van tamme dieren of
-tusschen nauw-verwante natuurlijke vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond,
-dat zij alle van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was
-en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden gebracht. De zelfde
-bewijsgrond kan met veel kracht op de menschenrassen worden toegepast.
-</p>
-<p>Daar het <span class="corr" id="xd31e12109" title="Bron: ouwaarschijnlijk">onwaarschijnlijk</span> is, dat de talrijke onbelangrijke punten van gelijkenis tusschen de verschillende
-menschenrassen in lichamelijk maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op
-overeenkomst in gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen,
-moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten. Wij verkrijgen
-aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van den mensch, voor hij zich stap
-voor stap over de oppervlakte der aarde had verspreid. De verspreiding van den mensch
-over streken die door <span class="pageNum" id="pb346">[<a href="#pb346">346</a>]</span>groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke aanmerkelijke uiteenwijking
-(divergentie) in kenmerken van de verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds
-het zelfde ras in verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval.
-<b>(<a href="#en7.16" id="en7.16src"><span class="corr" id="xd31e12117" title="Bron: 17">16</span></a>)</b> Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans door de wilden
-in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de mensch niet kan hebben gekend
-toen hij het eerst verhuisde uit zijn oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd,
-zouden zij nimmer zijn vergeten.<a class="noteRef" id="xd31e12121src" href="#xd31e12121">27</a> Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die slechts de ontwikkeling van een
-mespunt, en de knots, die slechts een lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven.<span class="corr" id="xd31e12127" title="Niet in bron">”</span> Hij neemt echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was ontdekt;
-want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan de oude holbewoners
-van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe kano’s of vlotten te maken, eveneens
-bekend, maar, daar de mensch reeds in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin
-de verdeeling van land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij
-ook in staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden. Sir J.
-Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze vroegste voorouders
-„tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking nemende, dat zoovele thans bestaande
-rassen het niet verder kunnen brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk
-de verstandelijke en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer
-zijn geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de oorspronkelijke
-mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend voorspoedig kunnen zijn geweest, als
-door zijn vroege en verre verspreiding wordt bewezen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige taalkundigen
-afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te verspreiden, nog geen sprekend
-dier was; men mag echter vermoeden, dat wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne
-dergene die thans worden gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch
-in <span class="corr" id="xd31e12134" title="Bron: atere">latere</span> hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het gebruik van
-eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig, of het verstand van den
-mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die zijn heerschende stelling in een vroeg
-tijdperk medebracht.
-<span class="pageNum" id="pb347">[<a href="#pb347">347</a>]</span></p>
-<p>Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de ruwste soort bezat,
-en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was, den naam van mensch verdiende,
-hangt af van de bepaling die wij gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande
-van een of ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat,
-zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de uitdrukking
-„mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter een zaak van zeer weinig
-belang. Evenzoo is het een bijna onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen
-aldus worden genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de laatste
-uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen wij besluiten, dat, als
-de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer
-zal duren, de strijd tusschen monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten
-dood zal sterven.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan, namelijk, of, zooals
-somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van den mensch uit één enkel paar stamouders
-is gesproten. Bij onze huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit
-een enkel paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een enkel
-aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de zelfde wijze varieeren,
-met elkander te doen paren, maar onze meeste rassen zijn gevormd, niet met voordacht
-uit een enkel uitgekozen paar, maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s,
-die, hoewel in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden. Indien
-men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of zwaarder gebouwde paarden,
-en in een ander land aan lichter gebouwde en vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn,
-dat in den loop der tijden twee verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht,
-zonder dat het eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van
-de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die wijze gevormd,
-en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der natuurlijke soorten. Wij weten
-ook, dat de paarden die naar de Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende
-generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het wild de Pampa’s
-hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben gekregen; en dergelijke veranderingen
-worden klaarblijkelijk niet daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, <span class="pageNum" id="pb348">[<a href="#pb348">348</a>]</span>dat al de individu’s aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp
-wellicht van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen dezer
-gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van vele individu’s, die
-in verschillende mate, maar allen over het algemeen op de zelfde wijze varieerden,
-en wij mogen besluiten, dat de menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan,
-en de wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan verschillende levensvoorwaarden,
-of het indirecte gevolg van den eenen of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit
-laatste onderwerp zullen wij echter spoedig terugkomen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Over het Uitsterven der Menschenrassen.</i>—Het gedeeltelijk en geheel uitsterven van vele rassen en onder-rassen van den mensch
-zijn bekende historische feiten. Humboldt zag in Zuid-Amerika een papegaai, die het
-eenige levende schepsel was, dat de taal van een te gronde geganen stam nog kon spreken.
-Oude gedenkteekenen en steenen werktuigen, in alle deelen der wereld gevonden, van
-welke geen overlevering door de tegenwoordige bewoners wordt bewaard, wijzen op veel
-uitsterving. Enkele kleine en verstrooide stammen, overblijfselen van voormalige rassen,
-leven nog in afgelegen en gewoonlijk bergachtige streken. In Europa stonden al de
-oude rassen volgens Schaaffhausen<a class="noteRef" id="xd31e12151src" href="#xd31e12151">28</a> „lager op de ladder, dan de minst beschaafde der thans levende wilden”; zij moeten
-daarom tot op zekere hoogte van alle bestaande rassen hebben verschild. De overblijfselen
-van Les Eyzies, door Professor Broca beschreven<a class="noteRef" id="xd31e12157src" href="#xd31e12157">29</a>, wijzen, hoewel zij ongelukkig aan een enkele familie schijnen te hebben toebehoord,
-op een ras dat op de vreemdsoortigste wijze lage of aapachtige en hooge kenmerken
-in zich vereenigde en „geheel verschilde van alle andere en nieuwere rassen die wij
-kennen.” Het verschilde derhalve van het quaternaire ras uit de holen van België.
-</p>
-<p>Ongunstige physische voorwaarden schijnen slechts weinig invloed op het uitsterven
-der rassen te hebben uitgeoefend.<a class="noteRef" id="xd31e12171src" href="#xd31e12171">30</a> De mensch heeft lang in de uiterste streken van het Noorden geleefd zonder hout om
-zijn kano’s en andere benoodigdheden mede te maken, en alleen met <span class="pageNum" id="pb349">[<a href="#pb349">349</a>]</span>traan om te branden en hem warmte te geven, maar meer bijzonder om de sneeuw te smelten.
-In het zuidelijk uiteinde van Amerika blijven de Vuurlanders in het leven zonder de
-bescherming van kleederen of van eenig gebouw dat waard is een hut te worden genoemd.
-In Zuid-Afrika doorkruisen de inboorlingen de dorste vlakten, waarop de gevaarlijkste
-dieren in overvloed voorkomen. De mensch kan den doodelijken invloed van den Terai
-aan den voet van het Himalayagebergte en van de verpeste stranden van tropisch Afrika
-weêrstaan.
-</p>
-<p>Het uitsterven is hoofdzakelijk het gevolg van den wedstrijd tusschen stam en stam,
-tusschen ras en ras. Er zijn altijd verschillende hinderpalen in het spel, in een
-vorig hoofdstuk opgesomd, die dienen om het getal van elken wilden stam te beperken,—zooals
-periodieke hongersnooden, het wegtrekken der ouders en de daarop volgende dood van
-de kinderen, het langdurige zoogen, het stelen van vrouwen, oorlogen, ongevallen,
-ziekten, losbandigheid, vooral kindermoord, en wellicht verminderde vruchtbaarheid
-ten gevolge van minder voedzaam voedsel en vele vermoeienissen. Indien door de eene
-of andere oorzaak ééne dier hinderpalen gedeeltelijk wordt weggenomen, al is het slechts
-voor een klein gedeelte, zal de aldus begunstigde stam kans hebben om aan te groeien,
-en als van twee naburige stammen de eene talrijker en machtiger wordt dan de andere,
-is de strijd spoedig beslist door oorlog, moord en menscheneterij, slavernij en opslorping.
-Als een zwakker stam zelfs op die wijze niet plotseling wordt weggevaagd, gaat hij,
-indien hij eens begint af te nemen, gewoonlijk daarmede voort, totdat hij is uitgestorven.<a class="noteRef" id="xd31e12181src" href="#xd31e12181">31</a>
-</p>
-<p>Als beschaafde volken in aanraking komen met barbaren, is de strijd kort, behalve
-wanneer een doodelijk klimaat het ras der inboorlingen helpt. Van de oorzaken welke
-tot de overwinning der beschaafde natiën leiden, zijn sommige duidelijk en andere
-zeer duister. Wij kunnen begrijpen, dat de bebouwing van het land op vele wijzen noodlottig
-voor de wilden zal zijn; want zij kunnen of willen hun gewoonten niet veranderen.
-Nieuwe ziekten en ondeugden zijn hoogst verderfelijk; en het schijnt, dat bij elk
-volk een nieuwe ziekte vele sterfgevallen veroorzaakt, totdat zij die de meeste vatbaarheid
-voor haar doodelijken invloed bezaten, allengs zijn uitgeroeid<a class="noteRef" id="xd31e12187src" href="#xd31e12187">32</a>, en zoo zal het ook gaan met <span class="pageNum" id="pb350">[<a href="#pb350">350</a>]</span>de nadeelige uitwerkselen van geestrijke dranken zoowel als met den onbedwingbaar
-sterken smaak dien zoovele wilden daarvoor toonen. Het schijnt verder, hoe geheimzinnig
-het feit ook zij, dat de eerste ontmoeting tusschen verschillende en van elkander
-gescheiden volken ziekten doet ontstaan.<a class="noteRef" id="xd31e12195src" href="#xd31e12195">33</a> De heer Sproat die in Vancouver’s Eiland nauwkeurig acht gaf op het onderwerp der
-uitsterving, gelooft, dat de veranderde levensgewoonten die altijd het gevolg zijn
-van de aankomst van Europeanen, veel ongesteldheid veroorzaken. Hij hecht ook groot
-gewicht aan zulk een geringe oorzaak, als dat de inboorlingen „door het nieuwe leven
-rondom hen verbijsterd en neerslachtig worden; zij verliezen de beweeggronden die
-hen tot handelen aanzetten, en krijgen geen nieuwe in de plaats.”<a class="noteRef" id="xd31e12201src" href="#xd31e12201">34</a>
-</p>
-<p>De graad van beschaving schijnt een hoogst gewichtig element van het succes van natiën
-die in wedstrijd komen. Weinige eeuwen geleden vreesde Europa de invallen van Oostersche
-barbaren, tegenwoordig zou een dergelijke vrees belachelijk zijn. Het is een nog opmerkenswaardiger
-feit, zooals de heer Bagehot<a class="noteRef" id="xd31e12209src" href="#xd31e12209">35</a> heeft opgemerkt, dat de wilden vroeger niet wegsmolten voor de klassieke volken,
-zooals zij tegenwoordig voor de hedendaagsche beschaafde volken doen; hadden zij dat
-gedaan, dan zouden de oude zedekundigen over die gebeurtenis hebben gemijmerd; maar
-in geen enkelen schrijver van dat tijdvak vindt men klachten over het uitsterven der
-barbaren. <b>(<a href="#en7.17" id="en7.17src">17</a>)</b> De grootste van alle oorzaken van het uitsterven schijnt in vele gevallen een vermindering
-van de vruchtbaarheid en ziekten, vooral onder de kinderen, te zijn, ontstaande uit
-veranderde levensvoorwaarden, niettegenstaande die voorwaarden op zich zelven soms
-niet nadeelig zijn. Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer H. H<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Howorth, omdat deze mijn aandacht op dit onderwerp heeft gevestigd, en mij inlichtingen
-daaromtrent heeft verschaft. Ik heb de volgende voorbeelden verzameld.
-</p>
-<p>Toen Tasmania (Van Diemen’s Land) pas werd gekoloniseerd, werd het aantal inboorlingen
-ruwweg geschat door sommigen op 7000, door anderen op 20000. Dit aantal werd spoedig
-veel kleiner, voornamelijk door het <span class="pageNum" id="pb351">[<a href="#pb351">351</a>]</span>vechten met de Engelschen en met elkander. Toen na de beruchte jacht door al de kolonisten,
-de overblijvende inboorlingen zich aan de regeering overgaven, bestonden zij slechts
-uit 120 individu’s<a class="noteRef" id="xd31e12230src" href="#xd31e12230">36</a> die in 1832 naar Flinders Eiland werden overgebracht. Dit eiland, tusschen Tasmania
-en Nieuw-Holland gelegen, is veertig mijlen lang en van twaalf tot achttien mijlen
-breed; het schijnt er gezond en de inboorlingen werden goed behandeld. Toch leed hun
-gezondheid zeer veel. In 1834 bestonden zij (Bonwick, blz. 250) uit zeven-en-veertig
-volwassen mannen, acht-en-veertig volwassen vrouwen en zestien kinderen, of te zamen
-uit 111 zielen. In 1835 bleven er nog maar 100 over. Daar zij bij voortduring snel
-in aantal verminderden en zelven dachten dat zij elders niet zoo snel zouden uitsterven,
-werden zij in 1847 naar Oyster-Cove in zuidelijk Tasmania overgebracht. Daar bestonden
-zij toen (20 Dec. 1847) uit veertien mannen, twee-en-twintig vrouwen en tien kinderen.<a class="noteRef" id="xd31e12236src" href="#xd31e12236">37</a> De verandering van woonplaats deed echter geen goed. Ziekte en dood vervolgden hen
-bij voortduring, en in 1864 waren er nog slechts één man (die in 1869 stierf) en drie
-eenigszins bejaarde vrouwen over. De onvruchtbaarheid der vrouwen is een feit zelfs
-nog merkwaardiger dan haar vatbaarheid voor ziekte en dood. Ten tijde, dat er nog
-slechts negen vrouwen te Oyster-Cove leefden, verhaalden deze aan den heer Bonwick,
-dat slechts twee van haar ooit kinderen hadden gehad, en deze beiden samen hadden
-slechts drie kinderen voortgebracht.
-</p>
-<p>Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt Dr. Story op,
-dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te beschaven. „Als men hen aan
-zich zelven had overgelaten, hen had laten omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen
-niet had gestoord, zouden zij meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer
-sterfte zijn geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op:
-„De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan voor een groot
-deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun levenswijze, maar meer nog
-van hun verbanning uit het hoofdland van Van Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte
-neêrslachtigheid” (Bonwick, blz. 388, 390).
-</p>
-<p>Dergelijke feiten zijn ook opgemerkt in twee zeer verschillende gedeelten <span class="pageNum" id="pb352">[<a href="#pb352">352</a>]</span>van Nieuw-Holland. De beroemde onderzoekingsreiziger Gregory verhaalde den heer Bonwick,
-dat in Queensland „de vermindering van geboorten reeds door de zwarten werd gevoeld,
-zelfs in de nieuwst gekoloniseerde streken, en dat zij zouden beginnen te verdwijnen.”
-Van 13 inboorlingen van Shark’s Baai, die Murchison River bezochten, stierven twaalf
-binnen drie maanden aan de tering.<a class="noteRef" id="xd31e12247src" href="#xd31e12247">38</a>
-</p>
-<p>Het verminderen der Maori’s op Nieuw-Zeeland is zorgvuldig onderzocht door den heer
-Fenton in een bewonderenswaardig rapport waaraan al de volgende opgaven op een enkele
-uitzondering na zijn ontleend.<a class="noteRef" id="xd31e12258src" href="#xd31e12258">39</a> Dat hun aantal sedert 1830 is afgenomen, wordt door iedereen toegegeven, met inbegrip
-der inboorlingen zelven, en die vermindering gaat aanhoudend voort. Hoewel het tot
-hiertoe onmogelijk is gebleken een werkelijke volkstelling onder de inboorlingen te
-houden, werd hun aantal in vele districten door daar wonende personen geschat. Het
-resultaat schijnt vertrouwen te verdienen en toont aan, dat gedurende de veertien
-jaren vóór 1858 de vermindering 19,42 perc. was. Sommigen van de stammen die aldus
-zorgvuldig werden onderzocht, leefden meer dan 100 mijlen van elkander, sommigen op
-de kust, andere in het binnenland; en hun middelen van bestaan en gewoonten verschilden
-tot op zekere hoogte (blz. 28). Het geheele aantal in 1858 was, naar men meende, 53700
-en in 1874, na verloop van een tweede veertiental jaren, werd een nieuwe telling gedaan
-en werd het aantal opgegeven als 36359, dus een vermindering van 32,29 perc.!<a class="noteRef" id="xd31e12264src" href="#xd31e12264">40</a>
-</p>
-<p>Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft aangetoond van de
-verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk pleegt te verklaren, zooals nieuwe
-ziekten, de losbandigheid der vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op
-zwaarwichtige gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de onvruchtbaarheid
-der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de kleine kinderen (blz. 31, 34).
-Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz. 33), dat er in 1844 één onvolwassene was op
-elke 2,57 volwassenen, terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28
-volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een verdere <span class="pageNum" id="pb353">[<a href="#pb353">353</a>]</span>oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der beide seksen aan; want
-er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op dit laatste punt, dat misschien het
-gevolg van een geheel andere oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen.
-De heer Fenton stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de vermeerdering
-in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat verschillen, terwijl hun
-bewoners tegenwoordig bijna geheel op de zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven
-hun achteruitgang tot op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding
-en de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal, wanneer wij
-den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de vruchtbaarheid nagaan, zien, dat
-zij waarschijnlijk gelijk hebben. De vermindering begon tusschen de jaren 1830 en
-1840, en de heer Fenton toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr
-eetbaar te maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote schaal
-in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een verandering in levenswijze begon
-te komen onder de inboorlingen, zelfs toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen
-was bevolkt. Toen ik in 1835 de „<span lang="en">Bay of Islands</span>” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der inboorlingen reeds groote wijzigingen
-ondergaan; zij kweekten aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden
-die voor Engelsche manufacturen en tabak.
-</p>
-<p>Uit vele opgaven in de levensbeschrijving van Bisschop Patterson<a class="noteRef" id="xd31e12279src" href="#xd31e12279">41</a> blijkt, dat de Melanesiërs van de Nieuwe Hebriden en naburige archipels, in buitengewone
-mate in hun gezondheid leden en in groot aantal stierven, toen zij naar Nieuw-Zeeland,
-het eiland Norfolk en andere gezonde plaatsen werden overgebracht, om tot zendelingen
-te worden opgeleid.
-</p>
-<p>De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even bekend als die
-in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat waren er over te oordeelen,
-wordt het aantal inboorlingen, ten tijde dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op
-300000 geschat. Volgens een oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds
-142050. In 1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een nauwkeurige
-volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende opgaven kunnen verkrijgen:
-<span class="pageNum" id="pb354">[<a href="#pb354">354</a>]</span></p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="xd31e12296 xd31e12289 cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">JAREN. </td>
-<td colspan="3" class="colspan xd31e12296 xd31e12289 cellHeadTop cellHeadBottom">INLANDSCHE BEVOLKING.
-<p class="first">(Uitgezonderd gedurende 1832 en 1836, toen de weinige vreemdelingen die op de eilanden
-waren, er bij werden opgenomen.) </p>
-</td>
-<td colspan="3" class="colspan xd31e12296 xd31e12289 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Jaarlijksche vermindering in percenten, onderstellende, dat die gelijkmatig is geweest
-tusschen twee opeenvolgende volkstellingen, daar deze tellingen met onregelmatige
-tusschenruimten werden gehouden.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft">1832 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 130313 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 4,46 </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft">1836 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 108579 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 2,47 </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft">1853 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 71019 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 0,81 </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft">1860 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 67084 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 2,18 </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft">1866 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 58765 </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> </td>
-<td class="xd31e12289"> 2,17 </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight"> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd31e12289 cellLeft cellBottom">1872 </td>
-<td class="xd31e12289 cellBottom"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellBottom"> 51531 </td>
-<td class="xd31e12289 cellBottom"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellBottom"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellBottom"> </td>
-<td class="xd31e12289 cellRight cellBottom"> </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Wij zien hieruit, dat in het verloop van veertig jaren, tusschen 1832 en 1872, de
-bevolking niet minder dan acht-en-zestig percent is afgenomen! Dit is door de meeste
-schrijvers toegeschreven aan de ongebondenheid der vrouwen, aan vroegere bloedige
-oorlogen, aan den harden arbeid aan overwonnen stammen opgelegd, en aan nieuw ingevoerde
-ziekten, die bij verschillende gelegenheden uiterst veel slachtoffers hebben gemaakt.
-Zonder twijfel hebben deze en andere dergelijke oorzaken krachtdadig gewerkt, en kunnen
-zij wellicht de buitengewoon sterke vermindering tusschen 1832 en 1836 verklaren;
-maar de krachtigst werkende van alle oorzaken schijnt de afneming der vruchtbaarheid
-te zijn. Volgens Dr. Ruschenberger, van de Marine der Vereenigde Staten, die deze
-eilanden tusschen 1835 en 1837 bezocht, hadden in één district van Hawaii, slechts
-<span class="corr" id="xd31e12473" title="Bron: vijf en-twintig">vijf-en-twintig</span> mannen van 1884, en in een ander district slechts tien van 637 een huisgezin met
-drie of meer kinderen. Van tachtig gehuwde vrouwen hadden slechts negen-en-dertig
-ooit een kind gebaard; en „het officiëele rapport geeft een gemiddelde van een <span class="pageNum" id="pb355">[<a href="#pb355">355</a>]</span>half kind op elk gehuwd paar in het geheele eiland.” Dit is bijna volkomen het zelfde
-gemiddelde als bij de Tasmaniërs te Oyster Cove. Jarves die zijn „Geschiedenis der
-Hawaii-eilanden” in 1843 uitgaf, zegt, „huisgezinnen die drie kinderen hebben, zijn
-vrij van alle belastingen; die welke er meer hebben, worden beloond door landschenkingen
-en andere aanmoedigingen.” Dit ongeëvenaarde besluit van de regeering toont goed aan,
-hoe onvruchtbaar het ras was geworden. De weleerw. heer A. Bishop getuigde in den
-„Hawaiischen Spectator” in 1839, dat een groot gedeelte der kinderen vroegtijdig sterven,
-en Bisschop Staley meldt mij, dat dit nog het geval is, juist als in Nieuw-Zeeland.
-Dit is toegeschreven aan het veronachtzamen der kinderen door de vrouwen, maar het
-is waarschijnlijk grootendeels het gevolg van aangeboren zwakheid van gestel der kinderen,
-die in betrekking staat met de verminderde vruchtbaarheid hunner ouders. Er is daarenboven
-nog een punt van overeenkomst met Nieuw-Zeeland in het feit, dat er veel meer jongens
-dan meisjes worden geboren; de volkstelling van 1872 geeft 31650 mannen tegen 25247
-vrouwen van allerlei leeftijd, dat is 125.36 mannen op elke 100 vrouwen, terwijl in
-alle beschaafde landen de vrouwen talrijker zijn dan de mannen. Ongetwijfeld kan de
-ongebondenheid der vrouwen gedeeltelijk haar geringe vruchtbaarheid verklaren; maar
-de verandering in haar levenswijze is een veel waarschijnlijker oorzaak, die tevens
-rekenschap kan geven van de toeneming der sterfte, voornamelijk onder de kinderen.
-De eilanden werden in 1779 door Cook, in 1794 door Vancouver, en later dikwijls door
-walvischvaarders bezocht. In 1819 kwamen er zendelingen, en bevonden, dat de afgodendienst
-reeds was afgeschaft en meer andere veranderingen door den Koning waren gemaakt. Na
-dezen tijd had een snelle verandering in de geheele levenswijze der inboorlingen plaats,
-en werden zij spoedig „de meest beschaafde eilandbewoners van den Stillen Oceaan.”
-Een van mijn zegslieden, de heer Coan, die op de eilanden werd geboren, merkt op,
-dat de inboorlingen een grooter verandering in hun levenswijze hadden ondergaan in
-den loop van vijftig jaren, dan de Engelschen gedurende een duizendtal jaren. Volgens
-inlichtingen ontvangen van Bisschop Staley, schijnt het, dat er nooit veel verandering
-is gekomen in de voedingsmiddelen der arme klassen, hoewel vele nieuwe soorten van
-vruchten zijn ingevoerd, en het suikerriet in algemeen gebruik is. Ten gevolge van
-hun hartstocht om de Europeanen na te volgen, veranderden zij echter hun wijze van
-zich te kleeden reeds vroeg, en werd het gebruik <span class="pageNum" id="pb356">[<a href="#pb356">356</a>]</span>van alcoholische dranken zeer algemeen. Hoewel deze veranderingen niet groot schijnen,
-kan ik wel gelooven, in aanmerking genomen wat omtrent dieren bekend is, dat zij voldoende
-konden zijn om de vruchtbaarheid van de inboorlingen te verminderen.<a class="noteRef" id="xd31e12480src" href="#xd31e12480">42</a>
-</p>
-<p>Eindelijk getuigt de heer Macnamara<a class="noteRef" id="xd31e12497src" href="#xd31e12497">43</a>, dat de laag staande en ontaarde bewoners der Andaman-eilanden, in het oostelijk
-gedeelte van de golf van Bengalen, „bij uitnemendheid gevoelig zijn voor elke verandering
-van klimaat; als men hen wegvoert uit de eilanden die zij bewonen, sterven zij bijna
-altijd en dat onafhankelijk van het voedsel en van uitwendige invloeden.” Hij getuigt
-verder, dat de bewoners van de vallei van Nepaul, die in den zomer uiterst heet is,
-en ook de verschillende bergstammen van Engelsch-Indië, aan dyssenterie en koorts
-lijden, als zij in het vlakke land komen, en sterven, als zij het geheele jaar daar
-trachten door te brengen.
-</p>
-<p>Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig zijn om veel in
-hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van levensvoorwaarden of leefwijze
-worden onderworpen, en niet uitsluitend, als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht.
-<span class="corr" id="xd31e12506" title="Bron: Evenvoudige">Eenvoudige</span> veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te zijn, schijnen
-de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene gevallen zijn vooral de kinderen
-vatbaar om daardoor te lijden. Men heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls
-gezegd, dat de mensch ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten
-en andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen. De mensch
-schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als zijn naaste verwanten,
-de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn blijven leven, als zij uit hun geboorteland
-werden verwijderd.
-</p>
-<p>Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden, <span class="pageNum" id="pb357">[<a href="#pb357">357</a>]</span>gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en, naar het schijnt,
-ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan hun vatbaarheid voor ziekte en
-dood; want zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere
-oorzaken welke er naar streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger
-of later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in sommige
-gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen (gelijk tot voor korten
-tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring
-in geenen deele voldoende is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij
-de Tasmaniërs.
-</p>
-<p>In de boven aangehaalde verhandeling geeft de heer Macnamara redenen op om te gelooven,
-dat de bewoners van streken waar moeraskoortsen heerschen, neiging hebben onvruchtbaar
-te worden; maar dit kan in vele der bovengenoemde gevallen niet van toepassing zijn.
-Sommige schrijvers hebben de onderstelling uitgesproken, dat de inboorlingen van eilanden
-in gezondheid en vruchtbaarheid achteruitgaan wegens het lang voortgezette huwen van
-nauw met elkander verwante personen; maar in de bovengenoemde gevallen viel de onvruchtbaarheid
-te nauwkeurig samen met de aankomst der Europeanen, dan dat wij met deze verklaring
-zouden kunnen instemmen. Ook hebben wij tot dusver volstrekt geen reden om te gelooven,
-dat de mensch in hooge mate gevoelig is voor de slechte gevolgen van huwelijken tusschen
-nauwverwante personen, vooral in landen zoo groot als Nieuw-Zeeland en den Sandwich-archipel
-met zijn verschillende eilanden. Daarentegen is het bekend, dat de tegenwoordige bewoners
-van Norfolk allen neven of elkander <span class="corr" id="xd31e12515" title="Bron: nabestaande">naaste</span> bloedverwanten zijn, gelijk ook het geval is met de Toda’s in Indië en de bewoners
-van sommige eilanden bewesten Schotland; en toch schijnen zij niet in hun vruchtbaarheid
-te hebben geleden.<a class="noteRef" id="xd31e12518src" href="#xd31e12518">44</a>
-</p>
-<p>Tot een veel meer waarschijnlijke onderstelling wordt men geleid door de analogie
-der lagere dieren. Het kan worden bewezen, dat het voortplantingsstelsel (ofschoon
-wij niet weten waarom) in buitengewone mate gevoelig is voor verandering in de levensvoorwaarden;
-en deze gevoeligheid leidt zoowel tot heilzame als tot slechte resultaten. Een groote
-<span class="pageNum" id="pb358">[<a href="#pb358">358</a>]</span>verzameling feiten omtrent dit onderwerp is medegedeeld in hoofdstuk XVIII van deel
-II van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik kan hier slechts een
-zeer kort uittreksel daarvan geven; ieder die in dit onderwerp belang stelt, kan bovengenoemd
-werk raadplegen. Zeer geringe veranderingen vermeerderen de gezondheid, kracht en
-vruchtbaarheid van bijna alle organische wezens, terwijl men weet, dat andere veranderingen
-een groot aantal dieren onvruchtbaar maken. Een van de meest bekende gevallen is,
-dat tamme olifanten zich in Engelsch-Indië niet voortplanten, hoewel zij zich dikwijls
-voortplanten in Ava, waar men de wijfjes tot op zekere hoogte toestaat in de bosschen
-rond te zwerven, en zij dus onder meer natuurlijke voorwaarden leven. Het geval van
-onderscheiden Amerikaansche apen waarvan beide seksen langen tijd bij elkander gevangen
-werden gehouden in hun eigen vaderland, en die zich toch zelden of nooit hebben voortgeplant,
-is een meer geschikt voorbeeld, wegens hun verwantschap met den mensch. Het is opmerkelijk,
-hoe gering een verandering in de levensvoorwaarden dikwijls onvruchtbaarheid veroorzaakt
-bij een wild dier, wanneer het gevangen wordt; en dit is des te vreemder, omdat al
-onze huisdieren vruchtbaarder zijn dan zij in den natuurstaat waren, en sommige van
-hen kunnen de meest onnatuurlijke levensvoorwaarden weêrstaan, zonder dat hun vruchtbaarheid
-vermindert.<a class="noteRef" id="xd31e12531src" href="#xd31e12531">45</a> Sommige groepen van dieren zijn er veel meer dan andere aan onderhevig om door gevangenschap
-te worden aangedaan; en over het algemeen worden alle soorten van de zelfde groep
-op de zelfde wijze aangedaan. Soms wordt echter een enkele soort van een groep daardoor
-onvruchtbaar gemaakt, terwijl de andere zulks niet worden; van den anderen kant behoudt
-soms een enkele soort haar vruchtbaarheid, terwijl de meeste andere zich niet voortplanten.
-Van sommige soorten paren de mannetjes nooit met de wijfjes, als zij zijn opgesloten,
-of als men hun in hun vaderland veroorlooft bijna, maar niet geheel en al vrij te
-leven; andere paren onder die omstandigheden dikwijls maar brengen nooit jongen voort;
-nog weêr andere brengen wel jongen voort, maar minder dan in den natuurstaat; en als
-toepasselijk op bovenvermelde gevallen bij den mensch, is het van belang op te merken,
-dat die jongen meestal zwak en ziekelijk of misvormd zijn, en dikwijls op jeugdigen
-leeftijd sterven.
-<span class="pageNum" id="pb359">[<a href="#pb359">359</a>]</span></p>
-<p>Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het voortplantingsstelsel
-voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij doorgaat bij onze naaste verwanten,
-de Vierhandige Zoogdieren, kan ik moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk
-is op den mensch in zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of
-andere ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen, worden
-zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in gezondheid, op de zelfde
-wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant en jachtluipaard van Indië, vele apen
-in Amerika, en een groote menigte dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke
-levensvoorwaarden worden onttrokken.
-</p>
-<p>Wij kunnen inzien hoe het komt, dat in het bijzonder inboorlingen die lang eilanden
-hebben bewoond en lang aan bijna volkomen gelijke levensvoorwaarden moeten zijn onderworpen
-geweest, zullen worden aangedaan door elke verandering in hun levenswijze, gelijk
-het geval schijnt te zijn. Beschaafde rassen kunnen zeker allerlei soort van veranderingen
-veel beter weêrstaan dan wilden, en in dit opzicht gelijken zij op tamme dieren; want,
-hoewel deze laatste soms in hun gezondheid lijden (bij voorbeeld Europeesche honden
-in Indië), worden zij toch zelden onvruchtbaar gemaakt, hoewel daarvan toch enkele
-voorbeelden zijn opgeteekend.<a class="noteRef" id="xd31e12538src" href="#xd31e12538">46</a> Het niet aangedaan worden van beschaafde rassen en tamme dieren wordt waarschijnlijk
-veroorzaakt, omdat zij in meerdere mate onderworpen zijn geweest en daarom wat meer
-zijn gewend aan verschillende en afwisselende levensvoorwaarden dan de meeste wilde
-dieren, en omdat zij in vroeger tijd uit andere landen overgebracht of van het eene
-land naar het andere medegevoerd zijn, en dat verschillende families of onder-rassen
-met elkander zijn gekruist. Het schijnt, dat een kruising met beschaafde rassen dadelijk
-een inlandsch ras beveiligt tegen de kwade gevolgen van de verandering van levensvoorwaarden.
-Zoo vermeerderde de gekruiste nakomelingschap van Tahitiërs en Engelschen, die zich
-op het eiland Pitcairn hadden gevestigd, zoo snel, dat het eiland spoedig overbevolkt
-was en in Juni 1856 werden zij naar het eiland Norfolk overgebracht. Zij bestonden
-toen uit 60 gehuwde personen en 134 kinderen, een totaal van 194 uitmakende. Hier
-vermeerderden zij eveneens zoo snel, dat, hoewel zestien van hen in 1859 naar het
-eiland Pitcairn terugkeerden, zij in <span class="pageNum" id="pb360">[<a href="#pb360">360</a>]</span>Januari 1868 300 zielen telden, waaronder juist evenveel mannen als vrouwen. Welk
-een tegenstelling vormt dit geval met de Tasmaniërs; de Norfolk-eilanders <i>vermeerderden</i> in slechts twaalf en een half jaar van 194 tot 300, terwijl de Tasmaniërs in vijftien
-jaar van 120 tot 46 afnamen, van welk laatste getal slechts tien kinderen waren.<a class="noteRef" id="xd31e12545src" href="#xd31e12545">47</a>
-</p>
-<p>Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872 de inboorlingen
-van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af, terwijl de half-bloedigen, die
-men voor gezonder houdt, met 847 vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste
-getal de kinderen van de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de
-eerste generatie omvat.
-</p>
-<p>De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot inboorlingen
-die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten gevolge van de immigratie van
-blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en slechte gezondheid zouden waarschijnlijk
-volgen, indien wilden door de eene of andere oorzaak, zooals een inval van een <span class="corr" id="xd31e12564" title="Bron: veroverden">veroverenden</span> stam, werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te veranderen.
-Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste hinderpaal tegen het temmen
-van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat zij, toen zij voor het eerst werden gevangen,
-het vermogen bezaten om zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal
-voor wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te blijven leven
-en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de onvruchtbaarheid ten gevolge
-van verandering in de levensvoorwaarden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving der menschenrassen
-een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien dat zij van vele oorzaken afhangen
-en op verschillende plaatsen en in verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde
-moeielijke vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere dieren
-oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in Zuid-Amerika verdween om
-spoedig daarna in de zelfde streken door tallooze kudden van Spaansche paarden te
-worden vervangen. De Nieuw-Zeelander <span class="pageNum" id="pb361">[<a href="#pb361">361</a>]</span>schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij vergelijkt zijn toekomstig lot met
-dat van de inlandsche rat, die door de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid,
-hoewel groot in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken
-wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn, zoolang wij voortdurend
-bedenken, dat de vermeerdering van elke soort en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan
-door verschillende hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal
-of oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker in aantal
-zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden een grooten afkeer hebben
-van elke verandering van gewoonten, waardoor nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden
-opgewogen, zal de afneming van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden,
-terwijl het einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van vermeerderende
-veroverende stammen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Over het Ontstaan der Menschenrassen.</i>—Wij mogen vooropzetten, dat, wanneer wij het zelfde ras, hoewel in afzonderlijke
-stammen verdeeld, over een groote oppervlakte, zooals over Amerika, verspreid vinden,
-wij hun gemeenschappelijke gelijkenis mogen toeschrijven aan afstamming van een gemeenschappelijken
-stamvorm. In sommige gevallen heeft de kruising van rassen die reeds verschillend
-waren, aanleiding gegeven tot de vorming van nieuwe rassen. Het vreemde feit, dat
-Europeanen en Hindoe’s, die tot den zelfden Arischen stam behooren en een taal spreken,
-die in den grond der zaak de zelfde is, sterk in uiterlijk verschillen, terwijl de
-Europeanen slechts weinig verschillen van de Joden die tot den Semietischen stam behooren
-en een geheel andere taal spreken, is door Broca<a class="noteRef" id="xd31e12578src" href="#xd31e12578">48</a> daaraan toegeschreven, dat de takken der Ariërs zich gedurende hun verre verspreiding
-op groote schaal met onderscheidene stammen van inboorlingen hebben gekruist. Als
-twee stammen die in elkanders onmiddellijke nabijheid wonen, zich met elkander kruisen,
-is het eerste gevolg daarvan een ongelijksoortig (heterogeen) mengsel: zoo zegt de
-heer Hunter, de Santali’s of heuvelstammen van Indië beschrijvende, dat men honderden
-onmerkbare overgangen kan waarnemen „van de zwarte, gedrongen gebouwde bergstammen
-af tot den grooten olijfkleurigen Brahmaan, met zijn verstandig aangezicht, kalmen
-blik en <span class="pageNum" id="pb362">[<a href="#pb362">362</a>]</span>hoog maar smal hoofd, toe”, zoodat het bij gerechtshoven noodig is aan de getuigen
-te vragen, of zij Santali’s of Hindoe’s zijn.<a class="noteRef" id="xd31e12591src" href="#xd31e12591">49</a> Of een ongelijksoortig (heterogeen) volk, zooals de bewoners van sommige Polynesische
-eilanden, gevormd door de kruising van twee verschillende rassen, waarvan weinig of
-geen zuivere leden overbleven, ooit gelijksoortig (homogeen) zou worden, is door geen
-directe bewijzen bekend. Daar echter bij onze huisdieren een gekruist ras zeker in
-den loop van weinige geslachten door een zorgvuldige teeltkeus<a class="noteRef" id="xd31e12597src" href="#xd31e12597">50</a> standvastig en eenvormig kan worden gemaakt, mogen wij hieruit afleiden, dat de vrije
-en verlengde kruising van een ongelijksoortig (heterogeen) mengsel gedurende vele
-generaties de plaats der teeltkeus zou vervangen, en elke neiging tot atavisme overwinnen,
-zoodat een gekruist ras ten laatste gelijksoortig (homogeen) zou worden, al deelde
-het ook niet in gelijke mate in de kenmerken der beide stamrassen.
-</p>
-<p>Van alle verschillen tusschen de menschenrassen loopt de kleur der huid het meest
-in het oog en is ook een der meest kenmerkende. Men dacht vroeger, dat men verschillen
-van deze soort kon verklaren door langdurige blootstelling aan verschillende luchtstreken
-(klimaten); maar Pallas was de eerste die aantoonde, dat deze meening niet houdbaar
-is, en hij is door bijna alle anthropologen gevolgd.<a class="noteRef" id="xd31e12605src" href="#xd31e12605">51</a> Deze meening is hoofdzakelijk daarom verworpen, omdat de geographische verspreiding
-der verschillend gekleurde rassen, van welke de meeste lang hun tegenwoordige woonplaatsen
-moeten hebben bewoond, niet samenvalt met overeenkomstige verschillen van klimaat.
-Er moet ook gewicht worden gehecht aan zulke gevallen, als die der Nederlandsche familiën,
-welke, zooals wij van een uitnemende autoriteit hooren<a class="noteRef" id="xd31e12620src" href="#xd31e12620">52</a>, na een verblijf van drie eeuwen in Zuid Afrika niet de minste verandering in kleur
-hebben ondergaan. Het eenvormig uiterlijk in verschillende deelen der wereld van Heidens
-(Zigeuners) en Joden, hoewel de eenvormigheid dezer laatsten wat overdreven is geworden<a class="noteRef" id="xd31e12626src" href="#xd31e12626">53</a>, is eveneens een bewijs voor het <span class="pageNum" id="pb363">[<a href="#pb363">363</a>]</span>zelfde. Men heeft ondersteld, dat een zeer vochtige of zeer droge dampkring meer invloed
-had op de wijziging der huidskleur, dan de hitte alleen; maar daar d’Orbigny in Zuid-Amerika
-en Livingstone in Afrika ten opzichte van vochtigheid en droogte tot lijnrecht tegenovergestelde
-besluiten zijn gekomen, moet elk besluit daaromtrent als hoogst twijfelachtig worden
-beschouwd.<a class="noteRef" id="xd31e12634src" href="#xd31e12634">54</a>
-</p>
-<p>Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de kleur van de
-huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt met een volstrekt beveiligd
-zijn voor de werking van zekere plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere
-woekerdieren (parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere donkergekleurde
-rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen, doordat gedurende een lange reeks
-van geslachten de donkerste individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van
-hun geboorteland waren ontsnapt.
-</p>
-<p>Ik vond later, dat het zelfde denkbeeld reeds lang te voren bij Dr. Wells was opgekomen.<a class="noteRef" id="xd31e12650src" href="#xd31e12650">55</a> Dat negers en zelfs mulatten bijna volkomen bevrijd blijven van de gele koorts, die
-in tropisch Amerika zoo groote verwoestingen aanricht, is reeds lang bekend geweest.<a class="noteRef" id="xd31e12656src" href="#xd31e12656">56</a> Zij blijven ook grootendeels vrij van de noodlottige tusschenpoozende (intermitteerende)
-koortsen, die langs minstens 2600 mijlen van de kusten van Afrika heerschen en jaarlijks
-een vijfde gedeelte der blanke kolonisten doen sterven, terwijl een ander vijfde gedeelte
-met geknakte gezondheid naar het vaderland moet terugkeeren.<a class="noteRef" id="xd31e12665src" href="#xd31e12665">57</a> Deze vrijdom van den neger schijnt gedeeltelijk aangeboren en van de eene of andere
-onbekende bijzonderheid van het gestel afhankelijk, en gedeeltelijk het gevolg van
-acclimatisatie te zijn. Pouchet<a class="noteRef" id="xd31e12671src" href="#xd31e12671">58</a> getuigt, dat de negerregimenten, van den Onderkoning van Egypte voor den <span class="corr" id="xd31e12677" title="Bron: Mexikaanschen">Mexicaanschen</span> oorlog geleend, die in de nabijheid <span class="pageNum" id="pb364">[<a href="#pb364">364</a>]</span>van Soedan waren aangeworven, bijna even goed aan de gele koorts ontsnapten als de
-negers die oorspronkelijk uit verschillende deelen van Afrika waren aangevoerd en
-aan het klimaat der West-Indiën gewend. Dat acclimatisatie in het spel komt, wordt
-aangetoond door verschillende gevallen waarin negers, na eenigen tijd in een kouder
-klimaat te hebben doorgebracht, tot op zekere hoogte vatbaar voor tropische koortsen
-zijn geworden.<a class="noteRef" id="xd31e12683src" href="#xd31e12683">59</a> De aard van het klimaat waarin de blanke rassen lang hebben geleefd, heeft eveneens
-eenigen invloed op hen; want gedurende de verschrikkelijke epidemie van gele koorts
-in Demerary in het jaar 1837, vond Dr. Blair, dat de sterfte der landverhuizers evenredig
-was aan de breedte van het land van waar zij waren gekomen. Bij den neger onderstelt
-de vrijdom, voor zoover hij het gevolg van acclimatisatie is, blootstelling aan het
-klimaat gedurende een verbazende lengte van tijd; want de inboorlingen van tropisch
-Amerika, die daar sedert onheugelijke tijden hebben gewoond, zijn niet gevrijwaard
-voor de gele koorts, en de weleerw. heer B. Tristram getuigt, dat er in Noord-Afrika
-streken zijn, welke de inboorlingen jaarlijks genoodzaakt zijn te verlaten, hoewel
-de negers er veilig kunnen blijven. <b>(<a href="#en7.19" id="en7.19src">19</a>)</b>
-</p>
-<p>Dat de vrijdom van den neger eenigermate samenhangt met de kleur van zijn huid, is
-een bloote onderstelling; hij kan ook samenhangen met een of ander verschil in zijn
-bloed, zenuwstelsel of andere weefsels. Toch scheen mij wegens de feiten waarop hierboven
-is gedoeld, en wegens het verband dat er schijnt te bestaan tusschen de gelaatskleur
-en den aanleg voor tering, deze onderstelling niet onwaarschijnlijk. Ik trachtte mij
-daarom te vergewissen, maar met weinig succes<a class="noteRef" id="xd31e12703src" href="#xd31e12703">60</a>, in <span class="pageNum" id="pb365">[<a href="#pb365">365</a>]</span>hoever zij steek hield. Wijlen Dr. Daniell, die lang op de westkust van Afrika had
-gewoond, zeide mij, dat hij volstrekt niet aan een dergelijke betrekking geloofde<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hij was zelf buitengewoon blond en had het klimaat verwonderlijk goed weêrstaan.
-Toen hij het eerst als een jongen op de kust kwam, had een oud en ondervindingrijk
-negerhoofd uit zijn uiterlijk voorspeld, dat dit het geval zou zijn. Dr. Nicholson,
-van Antigua, schreef mij, na op dit onderwerp te hebben acht gegeven, dat hij niet
-dacht, dat donker gekleurde Europeanen beter aan de gele koorts ontsnapten, dan diegenen
-welke licht gekleurd waren. De heer J.&nbsp;M. Harris ontkent volstrekt, dat Europeanen
-met donker haar een heet klimaat beter weêrstaan dan andere menschen; de ondervinding
-heeft hem integendeel geleerd om bij het uitkiezen van manschappen voor den dienst
-op de Afrikaansche kust, diegenen uit te zoeken, welke rood haar hebben.<a class="noteRef" id="xd31e12712src" href="#xd31e12712">61</a> Zoover derhalve uit deze kleine aanwijzingen valt op te maken, schijnt er geen grond
-te zijn voor de onderstelling, die door onderscheidene schrijvers is gemaakt, dat
-de kleur der zwarte rassen daarvan het gevolg zou zijn, dat de donkerste individu’s
-telkens in grooter getal in leven bleven gedurende hun blootstelling <span class="pageNum" id="pb366">[<a href="#pb366">366</a>]</span>aan de koorts-voortbrengende miasmen van hun geboortelanden.
-</p>
-<p>Dr. Sharpe merkt op<a class="noteRef" id="xd31e12728src" href="#xd31e12728">62</a>, dat een tropische zon, die een blanke huid brandt en er blaren op doet ontstaan,
-een zwarte volstrekt niet benadeelt; en, gelijk hij er bijvoegt, dit komt niet omdat
-het individu er aan gewend is; want kinderen van zes of acht maanden worden naakt
-overal heêngedragen, en worden niet aangedaan. Een arts heeft mij verzekerd, dat eenige
-jaren geleden, elken zomer, maar niet gedurende den winter, op zijn handen lichtbruine
-plekken ontstonden, gelijkende op sproeten, hoewel grooter, en dat deze plekken niet
-werden aangedaan door het branden van de zon, terwijl de blanke deelen van zijn huid
-bij verschillende gelegenheden zeer ontstoken en met blaren bedekt werden. Ook bij
-de lagere dieren bestaat er een constitutioneel verschil in vatbaarheid voor de werking
-van de zon tusschen de deelen die met wit haar zijn bedekt, en andere deelen.<a class="noteRef" id="xd31e12734src" href="#xd31e12734">63</a> Of de beschutting van de huid tegen het branden der zon van genoegzaam belang is
-om te doen onderstellen, dat een donkere tint door den mensch trapsgewijze door natuurlijke
-teeltkeus is verkregen, kan ik niet beoordeelen. Indien dit zoo ware, zouden wij moeten
-aannemen, dat de inboorlingen van tropisch Amerika daar gedurende veel korter tijd
-hebben geleefd dan de negers in Afrika, of de Papoea’s in de zuidelijke gedeelten
-van den Maleischen archipel, juist gelijk de lichter gekleurde Hindoe’s gedurende
-korter tijd in Engelsch Indië hebben gewoond, dan de donkerder inboorlingen van de
-centrale en zuidelijke gedeelten van dat schiereiland.
-</p>
-<p>Hoewel wij ons met onze tegenwoordige kennis van de sterk sprekende verschillen in
-kleur tusschen de menschenrassen geen rekenschap kunnen geven, noch door samenhang
-met constitutioneele bijzonderheden, noch door directe werking van het klimaat, zoo
-moeten wij toch deze laatste niet geheel buiten rekening laten; want er zijn goede
-redenen om te gelooven, dat daardoor eenige overgeërfd wordende uitwerking wordt voortgebracht.<a class="noteRef" id="xd31e12739src" href="#xd31e12739">64</a> Wij hebben in ons vierde hoofdstuk gezien, dat de <span class="pageNum" id="pb367">[<a href="#pb367">367</a>]</span>levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel en over het algemeen de aangenaamheden
-des levens, op de zelfde wijze terugwerken op het maaksel van ons lichaam, en dat
-de gevolgen daarvan erfelijk zijn. Door den vereenigden invloed van het klimaat en
-de veranderde levenswijze ondergaan Europeesche kolonisten in de Vereenigde Staten,
-naar men algemeen aanneemt, een geringe, maar buitengewoon snelle verandering van
-uiterlijk. Er zijn ook een aanzienlijk aantal bewijzen, dat in de Zuidelijke Staten
-de huisslaven van de derde generatie in uiterlijk merkbaar van de veldslaven verschilden.<a class="noteRef" id="xd31e12753src" href="#xd31e12753">65</a>
-</p>
-<p>Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de wereld zijn verspreid,
-moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van hun kenmerkende verschillen geen rekenschap
-kan geven door de directe werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat
-zij daaraan gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s
-leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed, en zijn blootgesteld
-aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch verschillen zij niet uitermate veel
-van de bewoners van zuidelijk China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna
-naakt zijn blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De ongekleede Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije
-stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van het binnenland
-en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch gelijken deze stammen zoozeer
-op elkander, dat de Vuurlanders aan boord van de „Beagle” door sommige Brazilianen
-voor Botocudo’s werden aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch
-Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de tegenovergestelde
-kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een ongeveer gelijksoortig klimaat
-zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde levenswijze leiden.
-</p>
-<p>Wij kunnen ons van de verschillen tusschen de menschenrassen ook geen rekenschap geven,
-behalve tot op een volkomen onbeteekenende hoogte, door middel van de <span class="corr" id="xd31e12770" title="Bron: overgeëerfde">overgeërfde</span> gevolgen van vermeerderd of verminderd gebruik van deelen. Menschen die gewoonlijk
-in kano’s leven, kunnen wat korter beenen, zij die hooge streken bewonen, wat <span class="pageNum" id="pb368">[<a href="#pb368">368</a>]</span>grooter borstkassen hebben verkregen; en bij hen die sommige zintuigen voortdurend
-gebruiken, kunnen de holten waarin deze zijn geplaatst, een weinig <span class="corr" id="xd31e12775" title="Bron: een">in</span> grootte toegenomen, en hun gelaatstrekken derhalve een weinig gewijzigd zijn. Bij
-beschaafde volken hebben de afneming van de grootte der kaken wegens vermindering
-van het gebruik, de gewoonten van verschillende spieren in beweging te brengen om
-verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken en de toeneming in grootte van de
-hersenen ten gevolge van grootere verstandelijke werkzaamheid, allen te zamen een
-aanmerkelijke uitwerking gehad op hun algemeen uiterlijk aanzien in vergelijking met
-wilden.<a class="noteRef" id="xd31e12778src" href="#xd31e12778">66</a> Het is ook mogelijk, dat toeneming in lichaamsgrootte zonder overeenkomstige vermeerdering
-van de grootte der hersenen aan sommige rassen (te oordeelen naar de vroeger gemelde
-gevallen van konijnen) een langwerpigen schedel van het dolichocephale type heeft
-gegeven.
-</p>
-<p>Eindelijk zal <span class="corr" id="xd31e12786" title="Bron: bijn">bijna</span> zeker het nog weinig begrepen beginsel van correlatie in werking zijn gekomen, zooals
-in het geval van groote ontwikkeling der spieren en sterk vooruitstekende wenkbrauwbogen.
-Het is niet onwaarschijnlijk, dat de aard van het haar, die bij de onderscheidene
-rassen veel verschilt, in de eene of andere soort van correlatie staat met het maaksel
-der huid; want tusschen de kleur van het haar en die van het vel bestaat zeker correlatie,
-evenals tusschen de kleur en den aard van het haar bij de Mandanen.<a class="noteRef" id="xd31e12789src" href="#xd31e12789">67</a> De kleur der huid en de door dezelve ontwikkelde geur staan eveneens op de eene of
-andere wijze met elkander in verband. Bij de schapenrassen staan het aantal haren
-binnen een gegeven ruimte en het aantal afscheidende poriën in eenige betrekking tot
-elkander.<a class="noteRef" id="xd31e12795src" href="#xd31e12795">68</a> Indien wij mogen oordeelen naar de analogie onzer huisdieren, behooren vele wijzigingen
-in maaksel bij den mensch waarschijnlijk te worden verklaard door het beginsel van
-correlatie van groei.
-</p>
-<p>Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen <span class="pageNum" id="pb369">[<a href="#pb369">369</a>]</span>tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven door de <span class="corr" id="xd31e12808" title="Bron: rechtreeksche">rechtstreeksche</span> werking der levensvoorwaarden, noch door de uitwerkselen van het voortdurend gebruik
-van deelen, noch door het beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om
-te onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch bij uitnemendheid
-eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een lange reeks van jaren zijn bewaard
-gebleven en vermeerderd. Hier stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat
-alleen voordeelige wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er
-over kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin dwalen) strekt
-geen van de uitwendige verschillen tusschen de menschenrassen hun tot eenig direct
-of bijzonder voordeel. De verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten
-natuurlijk van deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens
-kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De vroeger vermelde
-variabiliteit van al de kenmerkende verschillen tusschen de rassen toont eveneens
-aan, dat deze verschillen niet van veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk
-geweest, dan zouden zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard,
-of geëlimineerd zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen, welke door de natuuronderzoekers
-proteïsch of polymorphisch worden genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar
-het schijnt ten gevolge daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren
-en bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.
-</p>
-<p>Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap van de verschillen
-tusschen de menschenrassen te geven; er blijft echter nog één belangrijke invloed
-over, namelijk die der Seksueele Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt
-te hebben ingewerkt als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele
-teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de rassen. Er blijft
-een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze onwetendheid slechts kunnen
-zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend worden geboren, bij voorbeeld, met een
-weinig ronder of smaller hoofden en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke
-geringe verschillen wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt,
-indien de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige wijze bleven
-werken en door lang voortgezette kruisingen werden geholpen. Dergelijke variaties
-behooren tot de voorloopige <span class="pageNum" id="pb370">[<a href="#pb370">370</a>]</span>afdeeling waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een betere
-uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin, dat de uitwerkselen
-der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond;
-maar het kan worden bewezen, dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch
-niet was gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren, zoowel
-hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan worden bewezen, dat
-de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm
-enz, van zulk een aard zijn, als men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van
-de inwerking der seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste
-wijs te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te beschouwen;
-ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan gewijd. Aan het einde zal ik
-tot den mensch terugkeeren, en, na beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever
-hij door seksueele teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken
-van dit Eerste Gedeelte geven.
-</p>
-<div id="ch7n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e447">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en7.1" class="first">(<a href="#en7.1src">1</a>) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij, zoodra ik den voet
-te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren even groote individueele verschillen
-vertoonden als de Europeanen. Ook de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental
-Hôtel te Suez kon ik dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch
-gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche studenten, die te
-gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook zeer ongelijk. Evenzoo de negers,
-en Chineezen en roodhuiden die ik in 1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke
-<span class="corr" id="xd31e12824" title="Bron: ondervindiug">ondervinding</span> is dus in strijd met de hier gemaakte opmerkingen.
-</p>
-<p id="en7.2">(<a href="#en7.2src">2</a>) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen <span class="asc">WOLHARIGE MENSCHEN</span> (<i>Homines Ulotriches</i>) en <span class="asc">SLUIKHARIGE MENSCHEN</span> (<i>Homines Lissotriches</i>). De eersten worden nog verdeeld in <i>Homines lophocomi</i>, wier wolachtig kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten)
-en <i>Homines eriocomi</i>, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele schedelhuid is verspreid (b.v.
-de Kaffers en Negers). De laatsten onderscheidt men in <i>Homines euthycomi</i>, wier haren noch krullen noch lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen)
-en <i>Homines euplocami</i>, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de Kaukasiërs). Deze verschillen
-in den aard van het haar zijn voor de vergelijkende anthropologie, voor de studie
-der menschenrassen, van het hoogste gewicht.
-</p>
-<p id="en7.3">(<a href="#en7.3src">3</a>) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden waardoor zij van
-die van andere menschenrassen afwijken („<span lang="de">Medizinische Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte</span>”, 1887, blz. 121).
-<span class="pageNum" id="pb371">[<a href="#pb371">371</a>]</span></p>
-<p id="en7.4">(<a href="#en7.4src">4</a>) Door mijn Egyptische reis in den winter van 1869–70 ben ik in de gelegenheid hieromtrent
-eenige zelfstandige opmerkingen te maken. In een der grotten van Beni Hassan, die
-volgens <span class="corr" id="xd31e12865" title="Bron: Mariëtte">Mariette</span> van ongeveer 3000 jaren vóór Chr. dagteekenen (in het graf van Noem-Hotep, gouverneur
-van de provincie Sah onder den Pharao Amenehemha II) ziet men een muurschildering
-waarop de overledene rechtopstaande afgebeeld is; voor hem staan personen, die men
-aan hun sterk geprononceerden arendsneus en zwarten puntigen baard dadelijk voor Semieten
-herkent, en volgens <span class="corr" id="xd31e12868" title="Bron: Mariëtte">Mariette</span> ook Semieten zijn.<a class="noteRef" id="xd31e12871src" href="#xd31e12871">69</a> In de beroemde <i>salle hypostyle</i> van den tempel van Karnak, waarvan de oudste opschriften volgens <span class="corr" id="xd31e12880" title="Bron: Mariëtte">Mariette</span> uit den tijd van Seti I(1450 j. v. Chr.) dagteekenen, vindt men hoogst merkwaardige
-bas-reliefs, waarop genoemde koning zijn veldtochten in Westelijk Azië tegen de Armeniërs,
-de Assyriërs<span class="corr" title="Bron: .">,</span> de Schasoe en de Kharo heeft afgebeeld, terwijl andere de veldtochten van den Pharao
-Sesak tegen Palaestina voorstellen. Op die bas-reliefs zijn de nationale typen der
-overwonnenen zeer goed teruggegeven; de Assyriërs gelijken zeer op de afbeeldingen
-uit Niniveh; in de Schasoe (volgens <span class="corr" id="xd31e12886" title="Bron: Mariëtte">Mariette</span> een soort van woestijn-Arabieren of Bedoeïnen) is het Semietische type zeer goed
-te herkennen. Aan den hoofdingang van het paleis van Rhamses III (dat een gedeelte
-uitmaakt van den zoogenaamden tempel van Medinet-Aboe te Thebe) vindt men bas-reliefs,
-die den koning voorstellen, de krijgsgevangenen, door hem in zijn vele oorlogen gemaakt,
-aan de goden aanbiedende; elk dier krijgsgevangenen, waaronder ik o.a. zeer goed te
-herkennen Negers en Semieten opmerkte, vertoont het type van zijn ras met merkwaardige
-getrouwheid, en daar de namen er in hiëroglyphen zijn bijgeschreven, heeft men hier
-volgens <span class="corr" id="xd31e12889" title="Bron: Mariëtte">Mariette</span> de merkwaardigste van alle bekende bijdragen tot de ethnologie van Westelijk Azië,
-Libye en Soedan in de XIIIde eeuw v. Chr.
-</p>
-<p>Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude Egyptenaren voorstellen,
-op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae boven den eersten waterval van den Nijl
-toe, zeer duidelijk het zelfde bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking
-van Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd blijven
-van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën (zooals Mr. Snellen
-van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze
-der Insekten”, „Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A.&nbsp;C. Kruseman, 1870) als
-een bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten, dat ook
-de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten, Negers) afzonderlijke
-scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven
-kan niemand bewijzen, dat het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige
-kever of scarabaeus <span id="xd31e12894"></span><i>Ateuchus sacer</i>) werkelijk <i>volkomen</i> onveranderd is gebleven.<a class="noteRef" id="xd31e12899src" href="#xd31e12899">70</a> <span class="pageNum" id="pb372">[<a href="#pb372">372</a>]</span>Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier grootste roem dikwijls bestaat
-in het vinden van ééne of meer <i>nieuwe</i> soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd, verloopen
-sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van de eeuwigheid, die even
-goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de grootste ontwikkeling is in overvloed
-verloopen, al ging die ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten
-onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat het meeste
-dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is, waarop het is geschreven.”
-</p>
-<p>In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11, een paar afbeeldingen
-van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van een Nubiër<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten, allen naar afbeeldingen op
-Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6, vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit
-Lachish (II Kon. XVIII, 14; Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het
-paleis van den Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr.
-Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en aarzelen daaruit te
-besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor Christus, er even zoo hebben uitgezien,
-als thans.”
-</p>
-<p>Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad om, als zij
-voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus, Maria en de Apostelen,
-of Mozes en andere Joodsche personen uit het Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken
-van Egyptenaars of Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen
-in hun schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver Indo-Germaansche
-gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij, als de „<span lang="fr">Vierge au Singe</span>” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf aangaat een meesterstuk, waarop Maria
-afgebeeld is als een Duitsche vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina
-niet voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den achtergrond
-een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!
-</p>
-<p id="en7.5">(<a href="#en7.5src">5</a>) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed onderzocht, welke
-het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo vond men nabij Nieuw-Orleans in
-het Mississippi-delta bij diepe boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen,
-waarin boomen van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120 jaarringen
-op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar oud zou wezen. In het
-vierde dier bosschen vond men onder de wortels van een cypres een menschenschedel,
-waarvan de ouderdom door Dowler op 57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde
-den typischen vorm van het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij
-Altaville in Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op
-een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van neushoorns en andere
-uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier lagen vulkanische asch van verschillende
-dikte, die met zandlagen afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie
-met rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van een Digger-Indiaan”
-(J.&nbsp;D. Whitney, in „<span lang="en">A Human Skull, discovered in California</span>”, <span id="xd31e12923"></span><span lang="en">Anthrop. Review N°. 20</span>, blz. 119). Ook bij dezen schedel, de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden,
-vindt men dus het type van het Amerikaansche ras terug!
-</p>
-<p>Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> Maart 1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is <span class="pageNum" id="pb373">[<a href="#pb373">373</a>]</span>opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den mensch in het
-tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.
-</p>
-<p>In 1889 vond men in Butte County (Californië) bij de bewerking der mijnen aldaar in
-pliocene grintlagen steenen mortieren, die blijkbaar producten van menschelijke kunstvlijt
-zijn. Zij zijn uitgehold in blokken metamorphisch gesteente, de uitholling is gemiddeld
-24 c.M. lang, 18 c.M. breed en 16 c.M. diep. Deze mortieren geven een nieuw bewijs
-voor het bestaan van den mensch in Californië in het tertiaire tijdvak. Sedert zij
-werden gevonden, heeft de 60 mijlen van Cherokee verwijderde vulkaan Lassens Peak
-het door het water aangespoelde zand met lavastroomen bedekt en opgehouden te werken.
-De Sacramento, San Joaquin en andere rivieren bestonden nog niet toen de mensch deze
-mortieren bewerkte. Dalen van 600 M. diep zijn sedert in het basalt uitgehold. Beenderen
-van den mastodon werden in de nabijheid dezer steenen mortieren gevonden.<a class="noteRef" id="xd31e12935src" href="#xd31e12935">71</a>
-</p>
-<p>Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker Lund den 21sten
-Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas Geraes, in Brazilië, te samen
-met de overblijfselen van uitgestorven diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft
-gevonden, is het echter eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche
-roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de volgende resultaten,
-die hij in de zitting van de Fransche <span lang="fr"><span class="corr" id="xd31e12972" title="Bron: Academie">Académie</span> des Sciences</span> van den 28sten November 1881 mededeelde:
-</p>
-<p>1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met zoogdieren samengeleefd,
-die in de fauna van den tegenwoordigen tijd ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die
-Lund in de holen van Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze rendierperiode,
-doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in het tijdperk van den mammouth.
-3. Van alle fossiele Europeanen onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa
-door een reeks van kenmerken, waarvan het meest in het <span class="pageNum" id="pb374">[<a href="#pb374">374</a>]</span>oogvallende de vereeniging der dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië,
-zoowel als in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de
-vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht hebben Lacerda
-en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging van het Lagoa-Santa-type
-beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog worden bepaald, en tevens of men onder
-de Lagoa Santa gevonden overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden,
-maar ten minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook deel
-aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer of minder duidelijk
-voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In Peru en Bolivia toont dit type
-zijn tegenwoordigheid menigmaal even duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit
-element een minder algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend.
-10. Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van Zuid-Amerika dan
-Peru en Brazilië.
-</p>
-<p>In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een uitvoerige beschrijving
-van bovengenoemde beenderen uit de holen van Lagoa-Santa gegeven.<a class="noteRef" id="xd31e12982src" href="#xd31e12982">72</a> De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol afkomstig; er werden daar echter geen
-dierenbeenderen er bij gevonden, door welke een bepaald besluit zou kunnen worden
-gemaakt omtrent de geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig
-waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij. De beenderen
-zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en meer of min met ijzerconglomeraten
-<span class="corr" id="xd31e12988" title="Bron: geincrusteerd">geïncrusteerd</span>. Hun kleur varieert van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer
-krachtig ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde holen,
-waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden, vertoonen een opmerkelijke
-gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en tevens lang met afgeronde schedelwelving.
-Het gelaat is van middelbare grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar
-veeleer van pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten
-zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening gelegen deelen
-der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De doorsnede van den schedel, van
-jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot, de basis van den jukboog breed, de boven de
-tepelvormige uitsteeksels van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk
-ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij zijn dolichocephaal,
-een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens hun beschadigden toestand onmogelijk.
-</p>
-<p>Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke overeenstemming tusschen
-deze schedels en die der tegenwoordige Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de
-Quatrefages, dat er in Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan,
-dat zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland uitstrekte,
-en zich met brachycephale elementen heeft vermengd, ontvangt door hen een sterken
-steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa aan een op lagen trap staand ras behoorden,
-wordt ook bewezen door het bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen
-(onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot <i>één</i> been), verder door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het opperarmbeen,
-door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der „ruwe lijn” (<i>linea aspera</i>) en de aanwezigheid van een derden trochanter <span class="pageNum" id="pb375">[<a href="#pb375">375</a>]</span>aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke zijdelingsche afplatting
-(<span class="corr" id="xd31e12999" title="Bron: platytcnemie">platycnemie</span>) der scheenbeenderen.
-</p>
-<p>In nauwe betrekking tot de quaestie van de oorspronkelijke bevolking van Amerika staan
-ook Soren Hanssen’s onderzoekingen omtrent de inboorlingen van Groenland.<a class="noteRef" id="xd31e13004src" href="#xd31e13004">73</a> Tijdens een verblijf aldaar mat hij 1200 individu’s en vond, dat zij onderling verschilden.
-Terwijl de Eskimogroep aan den Angmasalikfjord (Oostkust van Groenland) uit krachtige,
-intelligente en energieke menschen bestaat, die 1,647 meter lang zijn, op de hoogte
-van de borst een omtrek van 93,7 c.M. hebben, een zelfstandige beschaving en verrassende
-kunstvaardigheid bezitten, schijnen andere Eskimostammen, die onder minder gunstige
-omstandigheden leven,—zooals bovenal het grootste gedeelte van stammen aan de westkust
-van Groenland,—gedegenereerd. Tegenwoordig zijn de Eskimo’s van de Indianen in het
-zuiden en de Mongolen in het westen scherp gescheiden; hun uitbreiding moet echter
-vroeger veel grooter zijn geweest dan thans<a class="noteRef" id="xd31e13010src" href="#xd31e13010">74</a>; zij moeten volgens Soren Hanssen als laatste overblijfsel van een oorspronkelijk
-Amerikaansch ras worden beschouwd, waarvan de voorvaders met de tegenwoordige Papoea’s
-verwant waren. Dit oorspronkelijke ras verspreidde zich over geheel Amerika, en nog
-thans bestaan er enkele onvermengde overblijfselen van. Dit is de oorzaak van de verrassende
-gelijkenis tusschen de Eskimo’s en enkele Indianenstammen (o.a. van Zuid-Amerika).
-Dit oorspronkelijke Amerikaansche ras heeft later voor een ander ras moeten wijken,
-dat allengs naar het zuiden doordrong en zich met de oudere bevolking vermengde, uit
-welke vermenging de roodhuiden ontstonden, die in hun uiterlijk en oorsprong veel
-minder één zijn dan men gewoonlijk aanneemt. Door dit gemengde ras werden de Eskimo’s
-naar het noorden gedrongen, hoewel ook zij eenigszins met het ingedrongen ras zijn
-vermengd.
-</p>
-<p>De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de Vereenigde Staten gevonden
-vuursteenwerktuigen toe aan het ras van Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig
-in Europa en in Amerika als oudste bevolking optrad.
-</p>
-<p id="en7.6">(<a href="#en7.6src">6</a>) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het Land van den Orang-oetan
-en den Paradijs-vogel”, door A.&nbsp;R. Wallace, Ned. vert. van Prof. P.&nbsp;J. Veth, 1870.
-De grenslijn tusschen de beide menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die
-tusschen de zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring
-van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras voor de zeevaart
-en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat werd gesteld zich over een deel
-van het aangrenzend gebied te verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te
-verdringen.
-<span class="pageNum" id="pb376">[<a href="#pb376">376</a>]</span></p>
-<p>Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij gelegenheid der
-koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene redevoering, getiteld: „<span lang="de">Wissenschaftliche Aufgaben, welche der geologischen Erforschung des Indischen Archipels
-gestellt sind</span>”, waarin hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de
-grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische gewest van Insulinde
-met de oorspronkelijke grens tusschen het Aziatische en Australische vasteland samenvalt.
-</p>
-<p>Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur 1886, blz.
-299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit, dat het als hoogstwaarschijnlijk
-kan worden aangenomen:
-</p>
-<p>1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet worden beschouwd;
-dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den Indischen Archipel loopende reeks
-vulkanen samenvalt.
-</p>
-<p>2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van genoemde grenslijn
-gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet oorspronkelijk bewoonden, doch er zich
-eerst later over hebben verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het
-Aziatische continent hoe langer hoe grooter werd.
-</p>
-<p>Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de beide menschenrassen
-iets oostelijker ligt dan die tusschen de zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger
-wijze, namelijk doordat de strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare
-Papoea’s lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.
-</p>
-<p>De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van Azië door die
-van het kleine vasteland van Australië is echter in strijd met wat wij in Amerika,
-Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit
-het grootere vasteland (Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!
-</p>
-<p id="en7.7">(<a href="#en7.7src">7</a>) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika voorkomen, is dit
-alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der noordelijke poolstreken van Azië
-en Europa de Kamschadalen, Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken,
-Samojeden, Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken worden
-echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als takken van het Mongoolsche
-ras beschouwd. In taalkundig opzicht schijnen van al de genoemde volken alleen de
-Kamschadalen en Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.
-</p>
-<p id="en7.8">(<a href="#en7.8src">8</a>) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10, vinden wij in een
-artikel van Karl Andree, „<span lang="de">Zur Kennzeichnung der Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen</span>”, het volgende over de bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders
-opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers bekend werk over
-het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige voortbrengselen van den omgang
-in de struiken”, die slechts zelden bij den stam der zwarten eenigen tijd in het leven
-blijven. Dikwijls neemt de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel
-te baat om het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind,
-dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een vroegtijdigen dood. Al
-beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden
-der Nieuw-Hollandsche mulatten een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door
-de zwarten onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden.
-Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg, vond onder hen
-geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van Nieuw-Holland <span class="pageNum" id="pb377">[<a href="#pb377">377</a>]</span>zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de zendeling Schmidt in Queensland
-weet, „dat het een regel was, die dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson
-en andere voorsprekers der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip
-volkomen het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij de
-Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort, heeft men, wel is
-waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven gelaten en zulk een geel voortbrengsel
-wel eens met een zekeren trots, of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de
-blanken getoond. „<span lang="en">That my picaninny,—<span class="corr" id="xd31e13049" title="Bron: jou">you</span> gib it sixpence?</span>” zeide een zwarte lachend tot den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen,
-getuigt echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd laat
-leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.
-</p>
-<p>„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig omtrent hun
-bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld; maar Bonwick wederlegt
-hem met feiten.
-</p>
-<p>„De heer G.&nbsp;A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee, werd officiëel
-verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten waren vermoord en dat men elk
-hunner op een afzonderlijk vuur tot asch had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen
-plaats, zag de overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken
-van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in zijn district
-de halfbloed-<i>meisjes</i> somtijds in leven laat, doch de jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden
-slechts geduld, om als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging
-hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te worden prijsgegeven.”
-</p>
-<p>In het eerste <span class="corr" id="xd31e13060" title="Bron: nommer">nummer</span> van de „<span lang="en">Memoirs of the <span class="corr" id="xd31e13065" title="Bron: Litterature">Literature</span> of the Imperial University of Japan</span>”, komt een belangrijke verhandeling voor van R.&nbsp;H. Chamberlain over de Aino’s, de
-oorspronkelijke bevolking van Japan, die thans nog op het eiland Jesso voorkomt en
-buitengewoon harig is. Bij vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en
-de bastaarden sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het
-menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.
-</p>
-<p id="en7.9">(<a href="#en7.9src">9</a>) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het Varieeren der
-Huisdieren en Cultuurplanten.”
-</p>
-<p id="en7.10">(<a href="#en7.10src">10</a>) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790 werd bevolkt door
-een deel der oproerige bemanning van het Engelsche schip de „<span lang="en">Bounty</span>”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden gevoegd. Bij hun aankomst
-waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten gevolge van twisten tusschen de Engelschen
-en de Tahitiërs stierven al deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young
-genaamd, en eenige vrouwen uit Tahiti, een <span class="corr" id="xd31e13082" title="Bron: geweldadigen">gewelddadigen</span> dood. Van deze weinige overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het
-eiland Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere bijzonderheden
-mededeelt.
-</p>
-<p id="en7.11">(<a href="#en7.11src">11</a>) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo zijn de kleine
-schaamlippen (<i>nymphae</i>) bij de Hottentotsche vrouwen aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe)
-en vormen het bekende <i>tablier</i>. Verder ontbreekt bij haar het <i>frenulum</i>, zoodat elke groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door
-een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze inrichting, die derhalve
-bij een der laagste menschenrassen normaal voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche
-pasgeboren kinderen (als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”,
-Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 <span class="pageNum" id="pb378">[<a href="#pb378">378</a>]</span>en 150. Ook onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar
-zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich bij haar,
-vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen ontwikkelen. Zie Virey, „<span lang="fr">Histoire Naturelle du Genre Humain</span>”, tome I, pl. 2.
-</p>
-<p>Over deze zoogenaamde steatopygie van de vrouwen der Hottentotten en Bosjesmannen
-hebben J. Deniker en P. Topinard<a class="noteRef" id="xd31e13104src" href="#xd31e13104">75</a> onderzoekingen ingesteld bij gelegenheid, dat er vertegenwoordigers dier beide rassen
-in den acclimatatietuin te Parijs te zien waren. Volgens Deniker komt de steatopygie
-bij alle Hottentotsche vrouwen voor, maar in verschillende graden van ontwikkeling.
-De vetafzetting begint geregeld eerst aan het bovenste achterste gedeelte der billen,
-daarop strekt zij zich verder over de zijdelingsche gedeelten en naar onderen, en
-ook over de aan de trochanters van het dijbeen grenzende streek uit. Verderop ontwikkelt
-zich fibreus weefsel, dat aan het vetkussen van het onderste gedeelte der billen ten
-steun strekt. De steatopygie blijft in den regel zelfs bestaan, als het individu overigens
-vermagert. Bij Kaffervrouwen komt de steatopygie evenmin voor als bij blanke vrouwen;
-bij de eersten bedraagt het uitsteken der billen slechts 3,6% der geheele lichaamslengte
-(bij Europeesche vrouwen 3,4%), en bij twee vrouwen van Bosjesmannen daarentegen 8,5%,
-bij ééne <span class="corr" id="xd31e13116" title="Bron: Hottensche">Hottentotsche</span> vrouw zelfs 10%. Evenals Deniker beschouwt Topinard de steatopygie als een monsterachtigen
-vergrooting der billen, die niet slechts massiever en van grooteren omvang dan gewoonlijk
-zijn, maar ook den indruk maken, alsof zij naar boven omgebogen waren. Zij vormen
-van boven een horizontaal vlak, waarop groote voorwerpen gemakkelijk kunnen liggen.
-Naar onderen eindigen de steatopyge billen plotseling met een huidplooi. Bij enkele
-Hottentotsche vrouwen strekt zich de hypertrophie en vetontwikkeling over de geheele
-beenen uit tot aan de enkels, waar zij met een ringvormige opzwelling eindigen. Zulk
-een persoon ziet er dan uit alsof zij een wijde, geplooide broek aan had. Volgens
-Topinard is het niet onwaarschijnlijk, dat de steatopygie bij de vrouwen der Hottentotten
-en Bosjesmannen door seksueele teeltkeus is ontstaan, daar de mannen bij die volken
-een voorliefde voor vrouwen met sterk ontwikkelde billen hebben, terwijl deze laatsten
-door melkdiëet en volstrekte rust de vetontwikkeling trachten te bevorderen.
-</p>
-<p>Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over Deniker’s en Topinand’s
-onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie
-door de gewoonte der bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen,
-of daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke verworven eigenschap
-hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat zich in ééne generatie bij vrouwen
-van ander ras, die aldus de kinderen droegen, steatopygie zou ontwikkelen.
-</p>
-<p>Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen zou volgens
-Topinard geen verband bestaan.
-</p>
-<p>Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte bijzonderheid van de
-vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten beschreven. Vóór, buiten en iets boven den
-trochanter vindt men bij haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand
-in de aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen aanmerkelijk vergroot.
-De geheele aesthetische <span class="pageNum" id="pb379">[<a href="#pb379">379</a>]</span>indruk dien de vorm eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen
-Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste breedte bezit, is
-bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het gedeelte tusschen de taille en
-het benedenste gedeelte der dijen het breedst. Toch bezitten die vrouwen een even
-smal bekken als de vrouwen der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige
-vorm door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.
-</p>
-<p id="en7.12">(<a href="#en7.12src">12</a>) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die zes rassen omvatten.
-De eerste soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt,
-bestaat uit: 1o. het blanke ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken
-en Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras (Maleiers)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 75°–80° onderscheidt, bestaat
-uit: 1o. het zwarte ras (Negers, Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten,
-Papoea’s). Het is dus eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch
-twee soorten <i>of</i> rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „<span lang="fr">Histoire Naturelle du Genre Humain</span>”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.
-</p>
-<p id="en7.13">(<a href="#en7.13src">13</a>) De nieuwste ons bekende indeeling is die van <span class="corr" id="xd31e13143" title="Bron: Haëckel">Haeckel</span> („<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>”). Haeckel neemt de volgende twaalf hoofdrassen of menschensoorten aan: 1o. het Papoearas
-(<i>Homo Papua</i>); 2o. het Hottentotsche ras (<i>Homo Hottentotus</i>); 3o. het Kafferras (<i>Homo Cafer</i>); 4o. het Negerras (<i>Homo niger</i>); 5o. het Maleische ras (<i>Homo Malayus</i>), de eigenlijke <span class="corr" id="xd31e13160" title="Bron: Maleiërs">Maleiers</span> en Sundanesiërs omvattende; 6o. het Mongoolsche ras (<i>Homo mongolicus</i><span class="corr" id="xd31e13164" title="Niet in bron">)</span>; 7o. het Poolras (<i>Homo arcticus</i>), de Eskimo’s en de bewoners van Noord-oostelijk Azië (niet die van Noordwestelijk
-Azië en Noord-Europa) omvattende; 8o. het Amerikaansche ras (<i lang="la">Homo Americanus</i>), de oorspronkelijke inwoners van Amerika, met uitzondering der Eskimo’s, omvattende;
-9o. het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras (<i lang="la">Homo australis</i>)<a class="noteRef" id="xd31e13175src" href="#xd31e13175">76</a>; 10o. het Dravida-ras (<i>Homo Dravida</i>), gevormd door de niet-Arische oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië (Dekhanvolken)
-en Ceylon; 11o. Het Nubische ras (<i>Homo Nuba</i>), gevormd door de eigenlijke Nubiërs, die de landen aan den Boven-Nijl (Dongola,
-Schangalla, Barabra, Kordofan) bewonen, en door de Foela’s of Fellata’s (ook Peul,
-Poehl, Poelar, Foehl, Foelbe, Foelan, Fallah, Fellan of Fellatin genaamd), die een
-breede strook land ten zuiden van de westelijke Sahara bewonen, roodbruin van kleur
-zijn en volstrekt niet met de negers moeten worden verward; 12o. het Middellandsche
-ras (<i>Homo mediterraneus</i>), overeenkomende met het Kaukasische ras van andere schrijvers, en uit de Ariërs
-of Indo-Germanen, de Semieten, de oude Egyptenaren (Kopten), de Basken, de Berbers
-(Kabylen, Guanchen), en de eigenlijke Kaukasische volken (Daghestaners, Circassiërs,
-Mingreliërs en Georgiërs) bestaande. Op blz. 749 van de achtste uitgaaf van Haeckel’s
-„<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>” vindt men het volgende
-<span class="pageNum" id="pb380">[<a href="#pb380">380</a>]</span>
-</p>
-<p>SYSTEMATISCH OVERZICHT DER 12 MENSCHENSOORTEN.
-</p>
-<p>N.B. De kolom A geeft bij benadering het aantal individu’s in millioenen aan; de kolom
-B geeft het phyletische ontwikkelingsstadium der soort aan; Pr beteekent: voortgaande
-uitbreiding, Co: ongeveer gelijkblijven, Re: achteruitgang en uitsterving. De kolom
-C geeft de verhouding der oorspronkelijke taalstammen aan; Mn (Monoglottonisch) beteekent
-een enkelen oorspronkelijken taalstam; Pl (Polyglottonisch) meer dan éénen oorspronkelijken
-taalstam.
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">Tribus. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">Menschensoort. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">A. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">B. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">C. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Vaderland.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td rowspan="2" class="rowspan cellLeft"><span class="asc">LOPHOCOMI</span> (omtrent 2 millioenen). </td>
-<td>1. <i>Papoea’s.</i> </td>
-<td>2 </td>
-<td>Re </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Nieuw-Guinea en Melanesië, Philippijnsche eilanden, Malakka. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>2. <i>Hottentotten.</i> </td>
-<td>​1⁄20 </td>
-<td>Re </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Zuidpunt van Afrika (Kaapland).
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="2" class="rowspan cellLeft"><span class="asc">ERIOCOMI</span> (omtrent 150 millioenen). </td>
-<td>3. <i>Kaffers.</i> </td>
-<td>20 </td>
-<td>Pr </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Zuid-Afrika (tusschen 30° Zuiderbreedte en 5° Noorderbreedte). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>4. <i>Negers.</i> </td>
-<td>130 </td>
-<td>Pr </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Midden-Afrika (tusschen den aequator en 30° Noorderbreedte).
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="5" class="rowspan cellLeft"><span class="asc">EUTHYCOMI</span> (bijna 600 millioenen). </td>
-<td>5. <i><span class="corr" id="xd31e13276" title="Bron: Maleiërs">Maleiers</span>.</i> </td>
-<td>30 </td>
-<td>Co </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Malakka, Sundanesië, Polynesië, Madagascar. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>6. <i>Mongolen.</i> </td>
-<td>550 </td>
-<td>Pr </td>
-<td>Mn? </td>
-<td class="cellRight">Het grootste deel van Azië en noordelijk Europa. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>7. <i>Poolmenschen.</i> </td>
-<td>​1⁄25 </td>
-<td>Co </td>
-<td>Pl? </td>
-<td class="cellRight">Noord-oostelijk Azië en het Noorden van Amerika. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>8. <i>Amerikanen.</i> </td>
-<td>12 </td>
-<td>Re </td>
-<td>Mn? </td>
-<td class="cellRight">Geheel Amerika met uitzondering van het noordelijk gedeelte. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>9. <i>Australiërs.</i> </td>
-<td>​1⁄12 </td>
-<td> </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Australië (Nieuw-Holland).
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="3" class="rowspan cellLeft"><span class="asc">EUPLOCAMI</span> (bijna 600 millioenen). </td>
-<td>10. <i>Dravida’s.</i> </td>
-<td>34 </td>
-<td>Co </td>
-<td>Mn </td>
-<td class="cellRight">Zuid-Azië (Voor-Indië en Ceylon). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>11. <i>Nubiërs.</i> </td>
-<td>10 </td>
-<td>Co </td>
-<td>Mn? </td>
-<td class="cellRight">Midden-Afrika (Nubië en Foelaland). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td>12. <i>Middellanders.</i> </td>
-<td>550 </td>
-<td>Pr </td>
-<td>Pl </td>
-<td class="cellRight">In alle werelddeelen, eerst uit Zuid-Azië(?) naar Noord-Afrika en Zuid-Europa getrokken.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"> </td>
-<td class="cellBottom">13. <i>Bastaarden tusschen de soorten.</i> </td>
-<td class="cellBottom">11 </td>
-<td class="cellBottom">Pr </td>
-<td class="cellBottom">Pl </td>
-<td class="cellRight cellBottom">In alle werelddeelen, doch hoofdzakelijk in Amerika en Azië. </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb381">[<a href="#pb381">381</a>]</span></p>
-<p>Verder vindt men op blz. 727 van de achtste uitgaaf der „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>” den volgenden
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p381width">
-<p class="figureHead">STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.</p><img src="images/p381.png" alt="STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN." width="541" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb382">[<a href="#pb382">382</a>]</span></p>
-<p>Op blz. 751 van de achtste uitgaaf der „<span lang="de">Natürliche Schöpfungsgeschichte</span>” vindt men den volgenden
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p382width">
-<p class="figureHead">STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.</p><img src="images/p382.png" alt="STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS." width="527" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb383">[<a href="#pb383">383</a>]</span></p>
-<p>Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde Haeckel, nader
-verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke Hoogduitschers.
-</p>
-<p>Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden stamboom te geven,
-daar in een boek over de afstamming van den mensch en in een hoofdstuk over de menschenrassen
-wel iets over de lijnen van afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden
-verwacht, en Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet aanroert.
-Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld later enkele wijzigingen
-zullende ondergaan, op het standpunt der tegenwoordige wetenschap <span class="corr" id="xd31e13427" title="Bron: ovel">over</span> het algemeen (met <span class="corr" id="xd31e13430" title="Bron: uitzonderiag">uitzondering</span> o<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>a. van de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en juistheid
-zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!
-</p>
-<p id="en7.14">(<a href="#en7.14src">14</a>) Zeer verschillend is het maaksel van den larynx echter bij den neger en den blanke.
-Bij den blanke liggen de stembanden en de <i>ventriculi Morgagnii</i> horizontaal, bij den neger bijna verticaal; bij den laatste bezit de larynx daarenboven
-twee kraakbeenderen (<i>cartilagines Wrisbergianae</i>), die bij den blanke niet of ten minste slechts als hooge uitzondering en dan nog
-veel minder ontwikkeld dan bij den neger, voorkomen.<a class="noteRef" id="xd31e13444src" href="#xd31e13444">77</a> Zie: G. Duncan Gibb, „<span lang="en">Essential points of difference between the Larynx of the Negro and that of the White
-Man</span>”, „<span lang="en">Memoirs read before the Anthropological Society of London</span>”, vol. II, 1865, 66. Londen, 1866. Men kan zich ternauwernood bij twee nauw verwante
-soorten homologe deelen voorstellen, die meer van elkander verschillen dan de larynx
-van een neger en die van een blanke, door middel van den keelspiegel gezien! Ten bewijze
-lasschen wij hier een viertal afbeeldingen in (Fig. 12, 13, 14, 15.)
-</p>
-<div class="figure fig12width"><img src="images/fig12.png" alt="Fig. 12." width="218" height="164"><p class="figureHead">Fig. 12.</p>
-<p class="first">Strottenhoofd (<i>larynx</i>) van een blanke met den keelspiegel (<i>laryngoskoop</i>) gezien. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig13width"><img src="images/fig13.png" alt="Fig. 13." width="225" height="238"><p class="figureHead">Fig. 13.</p>
-<p class="first">Strottenhoofd (<i>larynx</i>) van den neger met den keelspiegel (<i>laryngoskoop</i>) gezien.
-</p>
-<p><i>a.</i> Stembanden; <i>b.</i> Bekervormige kraakbeenderen (<i>cartilagines arytaenoideæ</i>); <i>c.</i> Wigvormige kraakbeenderen (<i>cartilagines Wrisbergianae</i>); <i>d.</i> Strotklepje (<i>epiglottis</i>); <i>e.</i> Ingang in de zijdelingsche holten van het strottenhoofd (<i><span class="corr" id="xd31e13497" title="Bron: venriculi">ventriculi</span> Morgagnii</i>). </p>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb384">[<a href="#pb384">384</a>]</span>
-</p>
-<div class="figure fig14width"><img src="images/fig14.png" alt="Fig. 14." width="208" height="397"><p class="figureHead">Fig. 14.</p>
-<p class="first">Frontale doorsnede van het strottenhoofd (<i>larynx</i>) van een blanke. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig15width"><img src="images/fig15.png" alt="Fig. 15." width="202" height="394"><p class="figureHead">Fig. 15.</p>
-<p class="first">Frontale doorsnede van het strottenhoofd (<i>larynx</i>) van een neger.
-</p>
-<p><i>a.</i> Stembanden; <i>b.</i> Zijdelingsche holten van het strottenhoofd (<i>ventriculi Morgagnii</i>). </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Chudzinsky („<span lang="fr">Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines</span>” in <span lang="fr">„Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III</span>, T. 2, blz. 158) heeft vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen
-gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey gemiddeld 9600
-m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den dikken darm komen), bedroeg
-die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M. De dunne darm<span id="xd31e13533"></span> van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den blanke, de dikke darm iets
-korter. De dikte van de lever (van voren naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld
-200 m.M., bij den neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de
-lever bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan 260 m.M.
-De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den neger 1266 gram. Gemiddeld
-is de lengte van de milt bij den blanke (volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky)
-<span class="pageNum" id="pb385">[<a href="#pb385">385</a>]</span>98 m.M., haar dikte, bij den blanke 82, bij <span class="corr" id="xd31e13537" title="Bron: deu">den</span> neger 60 m.M., haar gewicht bij den blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren
-zijn bij den blanke grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn
-veel kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is de linker
-nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn bijnieren zijn grooter dan die
-van den blanke. In menige bijzonderheid van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar
-tot de anthropomorphen en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang
-dan bij den blanke.
-</p>
-<p id="en7.15">(<a href="#en7.15src">15</a>) „<i>Megalithische monumenten.</i>” Onder dezen algemeenen naam omvat men de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen
-die men in Frankrijk <i>Dolmen</i>, <i>Menhir</i> en <i>Cromlech</i>, in Duitschland <i lang="de">Hünengräber</i>, in onze provincie Drenthe <i>Hunebedden</i> en <i>Steenen Grafkelders</i> noemt.
-</p>
-<p>De Dolmen (<span lang="de">Hünengräber</span>, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die overeind in den grond zijn geplaatst,
-en een meestal ovale ruimte insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken
-overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de zelfde wijze vervaardigden
-gang; vele zijn van boven open, andere worden omringd door een of meer concentrische
-cirkels van rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir noemt
-en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te Carnac in Bretagne)
-worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de overblijfselen die men er onder
-aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn
-eveneens uit ruwe, ongehouwen steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot
-tempels schijnen te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland
-wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (<span lang="fr">grottes aux fées</span> der Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.
-</p>
-<p>De <i>Megalithische monumenten</i> (waaraan de Franschen verkeerdelijk den naam van <i><span lang="fr">Monuments Celtiques</span></i><a class="noteRef" id="xd31e13576src" href="#xd31e13576">78</a> geven) zijn in de Oude Wereld over een zeer groote uitgestrektheid verspreid. Men
-vindt ze in de Krim, Koerland, Pruisen, Mecklenburg, Denemarken, Zuid-Zweden, Westphalen,
-Oldenburg, Nederland, in Engeland, aan den Ticino in Italië, in Spanje, in Portugal,
-in de Barbarijsche Staten (vooral ook in Algerië en Tunis) en Palaestina, langs de
-kusten der Roode Zee en van de Perzische Golf tot in Britsch-Indië toe. Noch in de
-Nieuwe Wereld, noch in het Noorden en Oosten van Azië, noch in Centraal- en Zuid-Afrika,
-noch in Australië vindt men daarentegen, voor zoover ons bekend is, eigenlijke megalithische
-monumenten. Een steenhoop op den top van een heuvel opgeworpen, zooals Darwin in Zuid-Amerika
-heeft aangetroffen, verdient geenszins dien naam.
-</p>
-<p>De megalithische monumenten dagteekenen in de verschillende landen der Oude Wereld,
-waar men ze aantreft, uit zeer verschillende, meestal voorhistorische tijden. Men
-heeft toch in de dolmen verschillende werktuigen aangetroffen. In het noorden van
-Duitschland, in het zuiden van Skandinavië, in Denemarken en Drenthe zijn deze van
-steen, hoe verder men naar het zuiden van Europa komt, hoe menigvuldiger men naast
-de steenen ook bronzen werktuigen aantreft. In Algerië is het brons regel, de steen
-uitzondering. In Britsch-Indië vindt men, volgens een mededeeling door J. Hooker,
-president van de „<span lang="en">British Association for the Advancement of Science</span>” aan die <span class="pageNum" id="pb386">[<a href="#pb386">386</a>]</span>vereeniging op haar vergadering van 1868 te Norwich gedaan, een halfwild Mongoloïdisch
-volk dat den naam van Khasia’s draagt, en dat nog heden ten dage dergelijke megalithische
-monumenten bouwt. Zij doen zulks het geheele jaar door behalve gedurende den regentijd.
-Dr. Thomson zag bij hen een pas gebouwden dolmen, waarvan de deksteen bijna 10 meter
-lang, meer dan 4½ meter breed en meer dan 6 decimeter dik was. Om dergelijke zeer
-zware steenblokken te verplaatsen, gebruiken zij slechts hefboomen en touwen (hetgeen
-de onderstellingen van velen onzer oudheidkundigen, b.v. van Picardt, over de wijze
-waarop de Drenthsche hunebedden zouden zijn gebouwd, overbodig maakt).<a class="noteRef" id="xd31e13586src" href="#xd31e13586">79</a> Hun doel met het oprichten dier gedenkteekenen is een graf aan te duiden, of wel
-de plaats waar de eene of andere gewichtige gebeurtenis plaats greep. In den naam
-dien zij aan die monumenten geven, komt meestal de wortel men voor, die <i>men</i> in het Fransche Dolmen en Menhir terugvindt, doch in die laatste taal geen beteekenis
-heeft. In de taal der Khasia’s beteekent <i>men</i> steen.<a class="noteRef" id="xd31e13594src" href="#xd31e13594">80</a>
-</p>
-<p>Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als de aard der
-werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die gedenkteekenen zelven, maar vooral
-de medegedeelde taalkundige bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk,
-dat zij, althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en dat
-men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht door verschillende
-volken die gelijksoortige uitvindende of verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk,
-het zoogenaamde Volk der Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der
-Oostzee te zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een gedeelte
-over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn overgestoken, terwijl het
-grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika
-en trokken vervolgens langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar
-Indië, in welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er bestaat
-reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der Dolmen gedurende den steentijd
-noordwaarts Skandinavië is ingetrokken, en zich in den bronstijd tot Stokholm, in
-den ijzertijd tot Drontheim heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke
-richting van de kusten der Oostzee naar de Krim.
-<span class="pageNum" id="pb387">[<a href="#pb387">387</a>]</span></p>
-<p id="en7.16">(<a href="#en7.16src">16</a>) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika,
-de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische ras, waartoe ook het grootste deel der
-bewoners van Europa en een groot deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren
-tot het zelfde ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië
-en worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het Mongoolsche ras beschouwd.
-Rassen die in historischen tijd naar andere continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs
-en Negers in Amerika, de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk
-niet in aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken verspreidt
-en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort blijft leven, kan het niet
-wel anders, of elk dier afdeelingen moet na eenigen tijd van de andere gaan verschillen,
-en wel na langen tijd zoo sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen
-ontstaan. Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich nu
-reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan onderscheidt, niettegenstaande
-zijn voorouders eerst sedert hoogstens twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd
-en de landverhuizing onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde
-Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen zullen echter
-steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij juist over verschillende,
-door wijde zeeën gescheiden werelddeelen verschillende rassen verspreid, die zulk
-een familietrek hebben, b.v. de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen,
-de Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de Papoea’s. Hieruit
-blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen van rassen reeds aanmerkelijk
-van elkander verschilden, voor zich nog de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en
-waarschijnlijk ook reeds voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen
-hadden verspreid.
-</p>
-<p id="en7.17">(<a href="#en7.17src">17</a>) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de Grieken en Romeinen
-in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna allen) tot het Kaukasische of blanke
-ras, dat meer en meer blijkt in den strijd om het bestaan de overwinning over alle
-andere rassen weg te dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken
-vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de Angel-Saksers geweken,
-niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het grootste gedeelte van Frankrijk in
-de macht der Engelschen was; evenmin hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs),
-of de Franschen (Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer
-men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke grenzen van de op
-den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men zien, dat die grenzen nagenoeg
-samenvallen met de zuidelijke en westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen
-en de Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië verdwenen voor
-de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig voor de blanken terugwijken
-en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders
-en Polynesiërs, de Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de <span class="corr" id="xd31e13623" title="Bron: Maleiërs">Maleiers</span>, noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs); met de oorspronkelijke
-Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen
-echter noch de Grieken, noch de Romeinen ooit in aanraking.
-</p>
-<p>Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen wel terugwijken
-voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische, maar geenszins of veel minder
-door het Spaansche ras, niettegenstaande de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker
-hebben bejegend dan de Angel-Saksers.
-<span class="pageNum" id="pb388">[<a href="#pb388">388</a>]</span></p>
-<p>Dat de voorouders van het blanke ras (en dus ook van de Graeco-Romeinen) werkelijk
-op de oorspronkelijke wilde, niet tot het blanke ras behoorende bevolking van Europa
-den zelfden invloed uitoefenen, als de tegenwoordige blanken op de wilden van Amerika
-en Nieuw-Holland, blijkt uit het spoorloos verdwijnen van de Australoïde<a class="noteRef" id="xd31e13632src" href="#xd31e13632">81</a>, Negroïde<a class="noteRef" id="xd31e13635src" href="#xd31e13635">82</a> en Mongoloïde<a class="noteRef" id="xd31e13638src" href="#xd31e13638">83</a> stammen die voor de aankomst der blanken, in den steentijd, Centraal- en Zuid-Europa
-bevolkten, en van wier voormalig bestaan slechts de ruwe voortbrengselen hunner kunstvlijt
-en enkele bewaard gebleven schedels getuigen.
-</p>
-<p id="en7.18">(<a href="#en7.18src">18</a>) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. &amp; Cultuurpl.”, Deel II, blz.
-82.
-</p>
-<p id="en7.19">(<a href="#en7.19src">19</a>) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van het recruteeren
-van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar gedane onderzoekingen hebben
-bewezen, dat van elke 1000 personen van blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte
-huidskleur) gemiddeld 385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd,
-terwijl van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere huidskleur)
-gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze statistiek zekere gebreken bezit,
-meent De Candolle er toch uit te mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk
-opzicht boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en wêerstandsvermogen
-tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder meent De Candolle te hebben ontdekt,
-dat de vrouwen van blond ras in Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette
-bevolking leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de
-vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen altijd donkere
-oogen bezit.
-</p>
-<p>Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000 personen bij de
-blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen (negers en bastaarden van negers
-en blanken) 17,3 en bij de Indianen 23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche
-levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een hoogere premie
-dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te bewijzen, dat de grootere
-sterfte bij de kleurlingen <i>niet</i> <span class="corr" id="xd31e13655" title="Bron: hetgevolg">het gevolg</span> is van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun leven verzekeren,
-behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse, welke in de gunstigste omstandigheden
-verkeeren—maar in het ras ligt. (Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „<span lang="de">Zeitschrift für Ethnologie</span>”, 1888.)
-<span class="pageNum" id="pb389">[<a href="#pb389">389</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e11701">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11701src">1</a></span> „<span lang="en">History of India</span>”, 1841, vol. I, blz. 323. Pater Ripa maakt volkomen de zelfde opmerking ten opzichte
-van de Chineezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11701src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11729">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11729src">2</a></span> Een zeer groot aantal metingen van blanken, zwarten en Indianen worden medegedeeld
-in de „<span lang="en">Investigations in the Military and Anthropolog. <span class="corr" id="xd31e11733" title="Bron: Statistic">Statistics</span> of American Soldiers</span>”, door B. Gould, 1859, blz. 228–358; over de grootte der longen, blz. 471. Zie ook
-de talrijke en belangrijke tabellen, door Dr. Weisbach, van de waarnemingen van Dr.
-Scherzer en Dr. Schwarz in de „<span lang="de">Reise der Novara; Anthropolog. Theil</span>”, 1867.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11729src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11741">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11741src">3</a></span> Zie, bij voorbeeld, de mededeeling van den heer Marshall over de hersenen van een
-vrouwelijke Bosjesman, in „<span lang="en">Phil. Transact.</span>” 1864, blz. 519.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11741src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11757">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11757src">4</a></span> Wallace, „<span lang="en">The Malay Archipelago</span>”, vol. II, blz. 178.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11757src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11773">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11773src">5</a></span> Ten opzichte der beelden in de beroemde Egyptische grotten van Aboe Simbel, zegt de
-heer Pouchet („<span lang="en">The Plurality of the Human Races</span>”, Eng. vert. 1864, blz. 50), dat hij ver was van herkenbare afbeeldingen te vinden
-van de twaalf of meer volken welke sommige schrijvers beweren te kunnen herkennen.
-Zelfs sommigen van de meest sterk geteekende rassen kunnen niet tot thans levende
-worden teruggebracht met die mate van eenstemmigheid, die men zou mogen verwachten
-na hetgeen over dit onderwerp is geschreven. Zoo getuigen de heeren Nott en Gliddon
-(„<span lang="en">Types of Mankind</span>”, blz. 148), dat Rhamses II, of de Groote, prachtige Europeesche gelaatstrekken heeft,
-terwijl Knox, een ander krachtig voorstander van het soortelijk verschil der menschenrassen,
-(„<span lang="en">Races of Man</span>”, 1850, blz. 201), van den jongen Memnon sprekende (de zelfde persoon als Rhamses
-II, naar de heer Birch mij verzekert), er zeer sterk op drukt, dat hij in uiterlijk
-voorkomen gelijkt op de Antwerpsche Joden. Toen wij in het Britsch Museum met twee
-bevoegde rechters, die aan die inrichting waren geplaatst, het standbeeld van Amenophis
-III beschouwden, waren wij het allen daarover eens, dat de vorm van zijn gelaat zeer
-met dien van een neger overeenkwam. De heeren Nott en Gliddon (ibid., blz. 146, fig.
-53) beschrijven hem echter als: „een bastaard, doch zonder inmenging van negerbloed.”
-<b>(<a href="#en7.4" id="en7.4src">4</a>)</b>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11773src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11790">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11790src">6</a></span> Aangehaald door Nott en Gliddon, „<span lang="en">Types of Mankind</span>”, 1854, blz. 439, Zij bekrachtigen dit ook met bewijzen; maar C. Vogt meent, dat
-dit punt nog nader onderzoek vereischt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11790src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11807">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11807src">7</a></span> „<span lang="en">Diversity of Origin of the Human Races</span>”, in de „<span lang="en">Christian Examiner</span>”, Juli 1850.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11807src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11835">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11835src">8</a></span> „<span lang="en">Transact. R. Soc. of Edinburg</span>”, vol. XXII, 1861, blz. 567.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11835src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11848">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11848src">9</a></span> „<span lang="en">On the Phenomena of Hybridity in the Genus Homo</span>”, Eng. vert. 1864.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11848src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11856">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11856src">10</a></span> Zie den belangwekkenden brief van den heer T.&nbsp;A. Murray in de „<span lang="en">Anthropolog. Review</span>”, April, 1868, blz. LIII. In dezen brief wordt de juistheid der bewering van Graaf
-Strzelecki, dat Nieuw-Hollandsche vrouwen die kinderen hebben voortgebracht bij blanke
-mannen, daarna onvruchtbaar zijn met haar eigen ras, ontkend. De heer A. de Quatrefages
-heeft („<span lang="fr">Revue des Cours Scientifiques</span>”, Maart 1869, blz. 239) ook vele bewijzen verzameld, dat Nieuw-Hollanders en Europeanen
-niet onvruchtbaar zijn, als zij zich met elkander kruisen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11856src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11871">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11871src">11</a></span> „<span lang="en">An Examination of Prof. Agassiz’s Sketch of the Nat. Provinces of the Animal World</span>”, Charleston, 1855, blz. 44.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11871src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11878">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11878src">12</a></span> „<span lang="en">Military and Anthopolog<span class="corr" id="xd31e11882" title="Bron: ,">.</span> Statistics of American Soldiers</span>” door B.&nbsp;A. Gould, 1869, blz. 319.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11878src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11891">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11891src">13</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 371, 224, Deel II,
-blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de onvruchtbaarheid van soorten bij
-kruising geen afzonderlijk verkregen hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid
-van sommige boomen om op elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen
-afhangt. De aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het bijzonder
-op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig maaksel of gewone verschillen
-in gestel betrekking. Eén belangrijk element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste
-soorten ligt blijkbaar daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden;
-want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen invloed hebben op
-het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden om aan te nemen (zooals vroeger
-is opgemerkt), dat de afwisselende levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen
-geboren worden tot opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de
-kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz. 185–191, en „Ontstaan
-der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid
-van gekruiste soorten niet is verkregen door natuurlijke teeltkeus <b>(<a href="#en7.9" id="en7.9src">9</a>)</b>; wij kunnen inzien, dat het, wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt,
-nauwelijks mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden blijven
-of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want als de onvruchtbaarheid
-vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder nakomelingen worden geboren, die zich
-kunnen voortplanten, en ten laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote
-tusschenruimten worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van onvruchtbaarheid.
-Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij geslachten van planten, die talrijke
-soorten bevatten, een reeks kan worden <span class="pageNum" id="pb337n">[<a href="#pb337n">337</a>]</span>gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden voortbrengen, tot
-soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar op welke toch het stuifmeel van
-de andere soorten nog invloed uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk
-onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben opgehouden zaden te
-geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat het toppunt van onvruchtbaarheid,
-waarbij alleen de kiem wordt aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen.
-Dit toppunt, en ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige
-gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het voortplantingsstelsel
-der soorten die worden gekruist.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11891src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11908">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11908src">14</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 75–78.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11908src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11919">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11919src">15</a></span> De heer Quatrefages heeft („<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Jan. 1869, blz. 22) een belangwekkende mededeeling gedaan over het succes en de
-energie van de Paulista’s in Brazilië, die een gekruist ras van Indianen en Portugeezen
-zijn met inmenging van het bloed van andere rassen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11919src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11941">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11941src">16</a></span> Bij voorbeeld bij de inboorlingen van Amerika en Nieuw-Holland. Prof Huxley zegt („<span lang="en">Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.</span>”, 1868, blz. 105), dat „de schedels van vele Zuid-Duitschers en Zwitsers even kort
-en breed zijn als die der Tartaren” enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11941src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11955">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11955src">17</a></span> Zie een goede beschouwing hierover bij Waitz, „<span lang="en">Introduct. to Anthropology</span>”, Eng. translat. 1863, blz. 198–208, 227. Ik heb eenige der bovenvermelde mededeelingen
-ontleend aan H. Tuttle’s „<span lang="en">Origin and Antiquity of Physical Man</span>”, Boston, 1866, blz. 35.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11955src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11978">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11978src">18</a></span> Prof. Nägeli heeft verschillende treffende gevallen zorgvuldig beschreven in zijn
-„<span lang="de">Botanische Mittheilungen</span>”, Bd. II, 1866, blz. 291–369. Prof. Asa Gray heeft overeenkomstige opmerkingen gemaakt
-omtrent sommige tusschenvormen bij de Saâmgesteldbloemige Planten (Compositae) van
-Noord-Amerika.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11978src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e11990">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e11990src">19</a></span> „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 101.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e11990src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12010">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12010src">20</a></span> Zie hierover Prof. Huxley in de „<span lang="en">Fortnightly Review</span>”, 1865, blz. 275.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12010src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12020">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12020src">21</a></span> „<span lang="en">Lectures on Man</span>”, Eng. vert. 1863, blz. 468.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12020src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12026">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12026src">22</a></span> „<span lang="de">Die Racen des Schweines</span>”, 1860, blz. 46. „<span lang="de">Vorstudiën für Geschichte<span id="xd31e12033"></span>, enz. Schweineschädel</span>”, 1864, blz. 104. Ten opzichte van het vee, de Quatrefages, „<span lang="fr">Unité de l’Espèce Humaine</span>”, 1861, blz. 119.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12026src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12064">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12064src">23</a></span> Tylor’s „<span lang="en">Early History of Mankind</span>”, 1865; omtrent het bewijs ten opzichte van gebarentaal, zie blz. 54, Lubbock’s „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 2nd edit. 1869.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12064src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12075">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12075src">24</a></span> „<span lang="en">The Primitive Inhabitants of Scandinavia</span>”, Eng. vert., uitgegeven door Sir J. Lubbock, 1868, blz. 104.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12075src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12081">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12081src">25</a></span> Hodder W. Westropp, „<span lang="en">On Cromlechs</span>”, enz., „<span lang="en">Journal of Ethnological Soc.</span>”, aangehaald in „<span lang="en">Scientific Opinion</span>”, 2 Juni 1862, blz. 3.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12081src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12100">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12100src">26</a></span> „<span lang="en">Journal of Researches: Voyage of the „Beagle”</span>”, blz. 46.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12100src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12121">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12121src">27</a></span> „<span lang="en">Prehistoric Times</span>”, 1869, blz. 574.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12121src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12151">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12151src">28</a></span> Vertaling in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Oct. 1866, blz. 431.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12151src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12157">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12157src">29</a></span> „<span lang="en">Transact. Internat. <span class="corr" id="xd31e12161" title="Bron: Congres">Congress</span> of Prehistoric Arch.</span>”, 1866, blz. 172–175. Zie ook Broca (vertaling) in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Oct. 1886, blz. 410.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12157src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12171">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12171src">30</a></span> Dr. Gerland, „<span lang="de">Ueber das Aussterben der Naturvölker</span>”, 1868, blz. 82.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12171src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12181">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12181src">31</a></span> Gerland (ibid. blz. 12) geeft feiten tot ondersteuning van deze bewering.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12181src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12187">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12187src">32</a></span> Zie opmerkingen hierover in Sir H. Holland’s „<span lang="en">Medical Notes and Reflections</span>”, 1839, blz. 390.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12187src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12195">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12195src">33</a></span> Ik heb („<span lang="en">Journal of Researches, Voyage of the „Beagle”</span>”, blz. 435) een aanmerkelijk aantal gevallen verzameld, die op dit onderwerp betrekking
-hebben. Zie ook Gerland, ibid. blz. 8. Poeppig spreekt van den „voor wilden vergiftigen
-adem der beschaving”.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12195src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12201">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12201src">34</a></span> Sproat, „<span lang="en">Scenes and Studies of Savage Life</span>”, 1868, blz. 284.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12201src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12209">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12209src">35</a></span> Bagehot, „<span lang="en">Physics and Politics</span>”, „<span lang="en">Fortnightly Review</span>”, 1 April, 1868, blz. 455.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12209src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12230">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12230src">36</a></span> Alle hier gegeven bijzonderheden zijn ontleend aan „<span lang="en">The last of the Tasmanians</span>” door J. Bonwick, 1870.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12230src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12236">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12236src">37</a></span> Volgens een mededeeling van den gouverneur van Tasmania, Sir W. Denison, „<span lang="en">Varieties of Vice Regal Life</span>”, 1870, vol. I, blz. 67.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12236src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12247">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12247src">38</a></span> Voor deze gevallen, zie Bonwick’s „<span lang="en">Daily Life of the Tasmanians</span>”, 1870, blz. 90; en de „<span lang="en">Last of the Tasmanians</span>”, 1870, blz. 386.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12247src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12258">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12258src">39</a></span> „<span lang="en">Observations on the Aboriginal Inhabitants of New-Zealand</span>” uitgegeven door de Regeering, 1859.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12258src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12264">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12264src">40</a></span> „<span lang="en">New-Zealand</span>”, door Alex. Kennedy, 1873, blz. 47.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12264src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12279">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12279src">41</a></span> „<span lang="en">Life of J.&nbsp;C. Patterson</span>”, door C.&nbsp;M. Younge, 1874; zie meer in het bijzonder vol. I, blz. 530.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12279src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12480">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12480src">42</a></span> De bovenstaande opgaven zijn hoofdzakelijk ontleend aan de werken: Jarves, „<span lang="en">History of the Hawaiian Islands</span>”, 1843, blz. 400–407. Cheever, „<span lang="en">Life in the Sandwich Islands</span>”, 1851, blz. 277. Ruschenberger wordt aangehaald door Bonwick, „<span lang="en">Last of the Tasmanians</span>”, 1870, blz. 378. Bishop wordt aangehaald door Sir E. Belcher, „<span lang="en">Voyage Round the World</span>”, 1843, vol. I, blz. 272. Ik ben de resultaten van de volkstelling der verschillende
-jaren verschuldigd aan de vriendelijkheid van den heer Coan, door tusschenkomst van
-Dr. Youmans van New-York; en in de meeste gevallen heb ik de cijfers van Youmans vergeleken
-met die, welke in verschillende der bovengenoemde werken werden medegedeeld. Ik sloeg
-de volkstelling van 1850 over, daar ik zag, dat er twee zeer verschillende getallen
-werden opgegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12480src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12497">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12497src">43</a></span> „<span lang="en">The Indian Medical Gazette</span>”, Nov., 1871, blz. 40.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12497src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12518">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12518src">44</a></span> Over de nauwe verwantschap tusschen de Norfolk-eilanders, zie Sir W. Denison, „<span lang="en">Variaties of Vice-Regal Life</span>”, vol. I, 1870, blz. 410. Voor de Toda’s, zie Kolonel Marshall’s werk, 1873, blz.
-110. Voor de eilanden bewesten Schotland, Dr. Mitchell, „<span lang="en">Edinburgh Medical Journal</span>”, Maart tot Juni, 1865.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12518src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12531">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12531src">45</a></span> Voor bewijzen hiervan, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel II, blz. 100, 147–166.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12531src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12538">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12538src">46</a></span> „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 162.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12538src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12545">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12545src">47</a></span> Deze bijzonderheden zijn ontleend aan „<span lang="en">The Mutineers of the „Bounty”</span>”, door Lady Belcher, 1870; en aan „<span lang="en">Pitcairn Island</span>”, tot het drukken waarvan het <span class="corr" id="xd31e12553" title="Bron: Huis der Gemeenten"><span lang="en">House of Commons</span></span> den 29sten Mei last gaf. De daarop volgende opgaven omtrent de Sandwich-eilanden
-zijn uit de „<span lang="en">Honolulu Gazette</span>” en van den heer Coan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12545src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12578">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12578src">48</a></span> „<span lang="en">On Anthropology</span>”, Eng. vertaling, „<span lang="en">Anthropolog<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Review</span>”, Jan. 1868, blz. 38.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12578src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12591">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12591src">49</a></span> „<span lang="en">The Annals of Rural Bengal</span>”, 1868, blz. 134.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12591src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12597">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12597src">50</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 67–73 (<a href="#en7.18" id="en7.18src">18</a>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12597src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12605">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12605src">51</a></span> Pallas, „<span lang="fr">Act. Acad. St. Petersburgh</span>”, 1870, part II, blz. 69. Hij werd gevolgd door Rudolphi in zijn „<span lang="de">Beiträge zur Anthropologie</span>”, 1812. Een uitnemend overzicht der bewijzen wordt gegeven door Godron, „<span lang="fr">De l’Espèce</span>”, 1859<span class="corr" title="Bron: .">,</span> vol. II, blz. 146 enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12605src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12620">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12620src">52</a></span> Sir Andrew Smith, aangehaald bij Knox, „<span lang="en">Races of Man</span>”, 1850, blz. 473.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12620src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12626">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12626src">53</a></span> Zie hierover Quatrefages, „<span lang="fr">Revue des Cours Scientifiques</span>”, Oct. 17, 1868, blz. 731.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12626src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12634">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12634src">54</a></span> Livingstone’s „<span lang="en">Travels and Researches in S. Africa</span>”, 1857, blz. 338, 329. D’Orbigny, aangehaald bij Godron, „<span lang="fr">De l’Espèce</span>”, vol II, <span class="corr" id="xd31e12642" title="Bron: bl.">blz.</span> 266.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12634src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12650">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12650src">55</a></span> Zie een verhandeling, voorgedragen in de Royal Soc. in 1813 en in zijn „<span lang="en">Essays</span>” uitgegeven. Ik heb een overzicht van de beschouwingen van Dr. Wells gegeven in de
-„Historische Schets” (blz. XVI) die bij mijn „Ontstaan der Soorten” behoort (zie „Ontstaan
-der Soorten”, 3de Ned. Uitg., blz. 28). Verschillende voorbeelden van het verband
-tusschen kleur en bijzonderheden van gestel zijn gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 389–391.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12650src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12656">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12656src">56</a></span> Zie b.v. Nott en <span class="corr" id="xd31e12658" title="Bron: Giddon">Gliddon</span>, „<span lang="en">Types of Mankind</span>”, blz. 68.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12656src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12665">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12665src">57</a></span> Majoor Tulloch in een verhandeling, voorgedragen voor de „<span lang="en">Statistical Society</span>”, 20 April 1848, en uitgegeven in het „Athenaeum”, 1840, blz. 353.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12665src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12671">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12671src">58</a></span> „<span lang="en">The Plurality of the Human Races</span>”, Eng. vertaling, 1864, blz. 60.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12671src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12683">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12683src">59</a></span> Quatrefages, „<span lang="fr">Unité de l’Espèce Humaine</span>”, 1861, blz. 205. Waitz, „<span lang="en">Introduct. to Anthropology</span>”, vertaling vol. I, 1863, blz. 124. Livingstone geeft overeenkomstige gevallen in
-zijn „<span lang="en">Travels</span>.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12683src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12703">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12703src">60</a></span> In de lente van het jaar 1862 kreeg ik verlof van den Directeur-Generaal van het Geneeskundig
-Departement van het Leger, om aan de Officieren van Gezondheid van de verschillende
-regimenten die voor den dienst in het buitenland waren bestemd, een oningevulde tabel
-te zenden met bijvoeging der volgende opmerking, maar ik kreeg er geen terug: „Daar
-bij onze huisdieren verschillende sterk sprekende voorbeelden zijn opgeteekend van
-een samenhang tusschen de kleur der huidaanhangsels en het gestel; en daar het bekend
-is, dat er een beperkte mate van betrekking bestaat tusschen de kleur der menschenrassen
-en het door hen bewoond klimaat, schijnt het volgend onderzoek der overweging waardig.
-Of er namelijk bij Europeanen eenige betrekking bestaat tusschen de kleur van het
-haar en hun vatbaarheid voor de ziekten van tropische landen. Indien de Officieren
-van Gezondheid van de verschillende regimenten, als zij in ongezonde tropische streken
-verblijf houden, zoo goed wilden zijn, eerst, als maatstaf van vergelijking, te <span class="pageNum" id="pb365n">[<a href="#pb365n">365</a>]</span>tellen, hoevele manschappen bij de militaire macht, waarvan de zieken afkomstig zijn,
-donker en licht gekleurd haar en haar van tusschenbeide liggende of twijfelachtige
-kleur hadden, en indien dan een dergelijke aanteekening werd gehouden door de zelfde
-heeren geneeskundigen van al de manschappen die aan moeraskoortsen en gele koorts
-of aan dissenterie leden, zou het spoedig blijken, nadat eenige duizenden gevallen
-in tabel waren gebracht, of er eenig verband bestaat tusschen de kleur van het haar
-en de constitutioneele vatbaarheid voor tropische ziekten. Wellicht zou geen dergelijke
-betrekking worden ontdekt, maar het onderzoek is wel waard om te worden ingesteld.
-In geval het eene of andere positieve resultaat werd verkregen, zou zulks eenig praktisch
-nut kunnen hebben bij het uitkiezen van manschappen voor den eenen of anderen bijzonderen
-dienst. Theoretisch zou het resultaat van hoog belang zijn, daar het een der oorzaken
-zou aanwijzen, waardoor een menschenras dat sinds zeer langen tijd een ongezond tropisch
-klimaat bewoonde, donker gekleurd zou kunnen zijn geworden, doordat de individu’s
-met donkere haren of donkere huid gedurende een langer opeenvolging van generaties
-beter zouden zijn bewaard gebleven.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12703src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12712">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12712src">61</a></span> „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Jan. 1866, blz. XXI. Dr. Sharpe zegt ook ten opzichte van Indië („<span lang="en">Man a Special Creation</span>”, 1873, blz. 118), dat door sommige officieren is opgemerkt, „dat Europeanen met
-licht haar en blozende aangezichten minder hebben te lijden van ziekten der tropische
-gewesten dan personen met donker haar en bleeke gelaatskleur; en zoover ik weet, schijnen
-er goede gronden voor deze opmerking te zijn.” Daarentegen is de heer Heddle, van
-Sierra Leone, „onder wien meer klerken zijn gestorven dan onder eenig ander”, door
-het klimaat der westkust van Afrika (W. Reade, „<span lang="en">African Sketch Book</span>”, vol. II, blz. 522), van een juist tegenovergestelde meening, evenals ook Kapitein
-Burton.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12712src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12728">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12728src">62</a></span> „<span lang="en">Man a Special Creation</span>”, 1873, blz. 119.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12728src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12734">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12734src">63</a></span> „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 242 v.v., 389–391.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12734src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12739">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12739src">64</a></span> Zie, bij voorbeeld, Quatrefages (<span class="corr" id="xd31e12741" title="Niet in bron">„</span><span lang="fr">Revue des Cours Scientifiques</span>”, 10 Oct. 1868, blz. 724) over de gevolgen van een verblijf in Abessinië en Arabië
-en andere dergelijke gevallen. Dr. Rolle („<span lang="de">Der Mensch, seine Abstammung</span>”, enz. 1865, blz. 99) deelt op autoriteit van Khanikof mede, dat het grootste gedeelte
-der in Georgië gevestigde Duitsche familiën in den loop van twee generaties donker
-haar en donkere oogen hebben verkregen. De heer D. Forbes deelt <span class="pageNum" id="pb367n">[<a href="#pb367n">367</a>]</span>mij mede, dat de Quichua’s der Andes zeer in kleur verschillen, al naar de ligging
-der valleien die zij bewonen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12739src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12753">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12753src">65</a></span> Harlan, „<span lang="en">Medical <span class="corr" id="xd31e12757" title="Bron: Rescarches">Researches</span></span>”, blz. 532. Quatrefages („<span lang="fr">Unité de l’Espèce Humaine</span>”, 1861, blz. 128) heeft vele bewijzen daarvoor bijeengezameld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12753src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12778">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12778src">66</a></span> Zie Prof. Schaaffhausen, Eng. vertaling, in „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, Oct. 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12778src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12789">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12789src">67</a></span> De heer Catlin getuigt („<span lang="en">N. American Indians</span>”, 3de edit. 1842, vol. I, blz. 49) dat bij den geheelen stam der Mandanen ongeveer
-één van elke tien of twaalf leden van alle leeftijden en beide seksen glanzig zilverachtig
-grijs haar had, hetgeen erfelijk was. Dit haar nu was even grof en hard als paardenhaar,
-terwijl het haar van andere kleuren fijn en zacht was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12789src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12795">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12795src">68</a></span> Over den geur der huid, Godron, „<span lang="fr">Sur l’Espèce</span>”, tom. II, blz. 217. Over de poriën der huid, Dr. Wilckens, „<span lang="de">Die Aufgaben der landwirth. Zootechnik</span>”, 1869, blz. 7.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12795src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12871">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12871src">69</a></span> Deze personen zijn vergezeld van hun kudden, die uit ezels, antilopen en steenbokken
-bestaan; 3000 jaren v. Chr. bestonden dus de kudden grootendeels uit diersoorten die
-thans niet in getemden toestand voorkomen of niet meer in kudden worden gehouden,
-terwijl schapen, geiten, runderen, paarden en kameelen ontbraken, dat thans de voornaamste
-tamme dieren uit <span class="corr" id="xd31e12873" title="Bron: Egype">Egypte</span> zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12871src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12899">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12899src">70</a></span> Ofschoon dit a priori hoogst waarschijnlijk is, daar de omstandigheden waaronder het
-dier leefde, sedert de oudste dynastieën wel degelijk geheel dezelfde zijn gebleven!
-Ieder die Egypte, vooral Opper-Egypte, heeft bezocht, in welke laatste streek het
-bouwland slechts een smalle strook vormt tusschen twee woestijnen, die nimmer bebouwd
-zijn geweest, en geheel in het klimaat dier woestijnen deelt, zal zulks toegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12899src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12935">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12935src">71</a></span> Men vergelijke S.&nbsp;B. Sketchley, „<span lang="en">On the Occurrence of Stone Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)</span>”, in „<span lang="en">Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland</span>”, 1889, blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de Mortillet
-eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij zouden liever spreken van
-een pliolithische, miolithische en eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen
-in pliocene of eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.
-</p>
-<p class="footnote cont">Omtrent de in onze aanteekening 22, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 43, vermelde indeeling der voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd
-(in 1836 in de wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op
-grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen), wenschen wij
-hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van verschillende zijden in twijfel
-is getrokken, of zelfs ontkend, dat men van een bepaalden <i>bronstijd</i> mag spreken, en beweerd, dat de kennis van het ijzer ouder was dan die van het brons.
-Men vergelijke: R. Andree, „<span lang="de">Die Metalle bei den Naturvölkern</span>”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „<span lang="de">Die Geschichte des Eisens</span>”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg, „<span lang="de">Die <span class="corr" id="xd31e12958" title="Bron: Anfange">Anfänge</span> der Bronzecultur</span>”, Berlin, 1885; Dr. A.&nbsp;J.&nbsp;C. Snijders, „De oorsprong der menschelijke nijverheid”
-(<i>Slot</i>), in den „Tijdspiegel” van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen
-dezen en den steentijd te plaatsen <i>kopertijd</i> echter ook Prof. R.&nbsp;S. Tjaden Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12935src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e12982">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e12982src">72</a></span> „<span lang="fr">Revue d’Anthropologie</span>”, 1889, blz. 75.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e12982src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13004">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13004src">73</a></span> „<span lang="de">Archiv für Anthropologie</span>”, 1889, blz. 375.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13004src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13010">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13010src">74</a></span> Omstreeks 1000 n. Chr. vonden de Noormannen aan den Atlantischen Oceaan in het tegenwoordige
-Canada en de noordelijke Vereenigde Staten de zoogenaamde „Skraelinger”, naar de beschrijving
-stellig Eskimo’s. Na het terugvinden van Amerika door Columbus vonden de Franschen
-en Engelschen in die zelfde streken Roodhuiden, die dus tusschen 1000 en 1500 de Eskimo’s
-daar moeten hebben verdrongen.
-</p>
-<p class="footnote cont">Soren Hanssen onderstelt, dat de Eskimo’s over den Stillen Oceaan, de stamouders der
-Roodhuiden over de Behringstraat Amerika zijn binnengedrongen. Met deze stellingen
-kan ik mij, om later te vermelden redenen, volstrekt niet vereenigen, vooral met de
-eerste niet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13010src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13104">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13104src">75</a></span> „<span lang="fr">Les Hottentots au Jardin d’Acclimatation</span>”, en „<span lang="fr">La Stéatopygie des Hottentots</span>”, beide in de „<span lang="fr">Revue d’Anthropologie</span>”, 1889, blz. 15 en 194.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13104src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13175">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13175src">76</a></span> Deze wordt wegens den aard van zijn haar door Haeckel als nauwer met de Dravida’s,
-Nubiërs en zelfs Middellanders verwant beschouwd dan met de wolharige Papoea’s, Hottentotten,
-Kaffers en Negers. Wij zouden eer geneigd zijn hem als nauw verwant met deze laatsten,
-vooral met de Papoea’s te beschouwen en achten de geaardheid van het haar alleen niet
-zulk een belangrijk kenmerk als de kleur, schedelvorm, schedelgrootte enz te zamen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13175src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13444">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13444src">77</a></span> In het laatste geval zijn zij wellicht te verklaren als terugslag (atavisme) <span class="pageNum" id="pb384n">[<a href="#pb384n">384</a>]</span>tot het type van een voorvader van het blanke ras, en zijn gelijk te stellen met de
-in Hoofdstuk II van dit werk vermelde aapachtige afwijkingen van het spierstelsel.
-Op het merkwaardige feit van de <i>algemeene</i> dolichocephalie der oorspronkelijke Afrikanen en der Afrikaansche anthropomorphen,
-in tegenoverstelling van de brachycephalie der <span class="corr" id="xd31e13450" title="Bron: Maleiërs">Maleiers</span> en Mongolen en der Aziatische anthropomorphen is reeds vroeger, aant. 10, blz. 294,
-gewezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13444src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13576">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13576src">78</a></span> Zij komen in grooten getale voor in landen waar nimmer Kelten hebben gewoond, en de
-Fransche zijn zeker ouder dan de Keltische tijd. Zie mijn artikel: „Wie waren de stichters
-der Drenthsche hunebedden?” in den „Nieuwen Drenthschen Volksalmanak”, jaargang 1886.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13576src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13586">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13586src">79</a></span> Men vergelijke over de wijze, waarop de hunebedden zijn gebouwd, ook het slot van
-mijn artikel: „Hunebedden in Noordwest-Duitschland” in „Nieuwe Drenthsche Volksalmanak”,
-1891, blz. 152.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13586src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13594">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13594src">80</a></span> De overste Yole, die in 1844, en de botanist J. Hooker, die in 1866 deze Khasia’s
-bezocht, vermelden beiden ook hun megalithische monumenten. Het woord <i>men</i> komt menigmaal in den naam hunner dorpen voor, evenzeer als dit het geval is in Bretagne,
-Wales en Cornwallis. <i>Mensmaï</i> duidt in het Khasiaansch een eed of zweersteen aan; <i>menflong</i> een begraasden steen; <i>memloe</i> een zoutsteen. De Khasia’s bewonen een deel der bergstreken die ten oosten van de
-<span class="corr" id="xd31e13605" title="Bron: Bramapoetra">Brahmapoetra</span> liggen. Zij zijn nimmer in gemeenschap met de Hindoe’s geweest en behooren tot de
-vóór-Arische bewoners van Indië. Zij hebben zeer geringe en verwarde godsdienstige
-begrippen en staan op een zeer lagen trap van ontwikkeling. Hun uit steen en bamboes
-samengestelde hutten zijn even armoedig als zij zelven zijn.
-</p>
-<p class="footnote cont">Witkamp vermeldt in zijn Geschiedenis der XVII Nederlanden deze Khasia’s en schat
-den ouderdom onzer hunebedden op minstens 2500 jaren, mogelijk zelfs op 30, 35 of
-meer eeuwen. Naar mijn gevoelen zijn zij echter waarschijnlijk nog veel ouder, hetgeen
-daarmede samenhangt, dat Witkamp het Volk der Dolmen uit Indië naar Europa laat trekken,
-juist omgekeerd als ik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13594src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13632">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13632src">81</a></span> Schedels van Engis, Neanderthal, Eguisheim, Gibraltar enz. (ras van Chelles, oudste
-steentijd).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13632src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13635">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13635src">82</a></span> Schedel van Florence (oudste steentijd).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13635src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13638">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13638src">83</a></span> Schedels van Eyzies, Cro Magnon, Furfooz enz. (middelste steentijd); Borreby enz.
-(jongste steentijd).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13638src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7a" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e455">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VERHANDELING</h2>
-<h2 class="sub">over de punten van overeenkomst en van verschil in het maaksel en de ontwikkeling
-der hersenen bij den mensch en de apen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">DOOR
-</p>
-<p class="center">Professor HUXLEY, F.&nbsp;R. S.
-</p>
-<p>Het verschil van gevoelen omtrent den aard en de hoegrootheid der verschillen in het
-maaksel der hersenen bij den mensch en de apen, dat omstreeks vijftien jaar geleden
-begon, is nog niet beslist, hoewel de punten waarover wordt getwist, tegenwoordig
-geheel en al andere zijn dan vroeger. Oorspronkelijk werd beweerd, en telkens opnieuw
-beweerd, dat de hersenen van alle apen, zelfs van de hoogste, van die van den mensch
-verschilden door het ontbreken van zulke in het oog loopende deelen als de achterste
-kwabben van de halfronden der groote hersenen met den achtersten horen van de zijdelingsche
-holte en den <i lang="la">hippocampus minor</i>, in deze kwabben gelegen, die bij den mensch zoo duidelijk zijn.
-</p>
-<p>Maar de waarheid is, dat de drie deelen in quaestie in apenhersenen even goed of zelfs
-beter ontwikkeld zijn dan in menschenhersenen; en geen stelling der vergelijkende
-ontleedkunde rust tegenwoordig op steviger grondslag dan die, dat de goede ontwikkeling
-dezer deelen een kenmerk van al de <i>Primaten</i> (met uitzondering der <i>Lemuriden</i>) is. Daarenboven zijn alle ontleedkundigen welke in de laatste jaren hun aandacht
-hebben gewijd aan de rangschikking der ingewikkelde sleuven (sulci) en windingen (gyri),
-die zich op de oppervlakte van de halfronden der groote hersenen bij den mensch en
-de hoogere apen vertoonen, het daarover eens dat zij bij de eerste volgens volkomen
-het zelfde patroon zijn gevormd als bij de tweede. Iedere hoofdwinding en sleuf van
-de hersenen van een chimpanzee wordt duidelijk vertegenwoordigd bij die van den mensch,
-zoodat de terminologie die op de eerste wordt <span class="pageNum" id="pb390">[<a href="#pb390">390</a>]</span>toegepast, ook bij de tweede aan het doel beantwoordt. Op dit punt is er geen verschil
-van gevoelen. Eenige jaren geleden gaf Professor Bischoff een verhandeling<a class="noteRef" id="xd31e13684src" href="#xd31e13684">1</a> uit over de hersenwindingen bij den mensch en de apen, en daar het doel van mijn
-geleerden collega zeker niet was om de waardij van de verschillen in dit opzicht tusschen
-den mensch en de apen te verkleinen, ben ik blijde hem te kunnen aanhalen.
-</p>
-<p>„Dat de apen, en vooral de orang, chimpanzee en gorilla, in hun bewerktuiging zeer
-tot den mensch naderen en veel meer met dezen overeenkomen dan met eenig ander dier,
-is een welbekend, door niemand betwist feit. Als men de zaak alleen uit het oogpunt
-van bewerktuiging beschouwt, zou niemand waarschijnlijk ooit de meening van Linnaeus
-hebben bestreden, dat de mensch eenvoudig als een bijzondere soort aan het hoofd der
-zoogdieren en van deze apen behoorde te worden geplaatst. Beide vertoonen in al hun
-organen zulk een nauwe verwantschap, dat het meest nauwkeurig ontleedkundig onderzoek
-noodig is om die verschillen aan te toonen, welke werkelijk bestaan. Evenzoo is het
-met de hersenen. De hersenen van den mensch, den orang, den chimpanzee, den gorilla
-komen elkander, niettegenstaande al de belangrijke verschillen welke zij vertoonen,
-zeer nabij” (l.c., blz. 101).
-</p>
-<p>Er is derhalve geen verschil van gevoelen meer omtrent de overeenkomst in fundamenteele
-kenmerken tusschen de hersenen van den aap en van den mensch, noch omtrent de verwonderlijk
-sterke overeenkomst tusschen die van den chimpanzee, orang en mensch, zelfs in de
-bijzonderheden van de rangschikking der windingen en sleuven van de halfronden der
-groote hersenen. Evenmin is er, wat de verschillen tusschen de hersenen van de hoogere
-apen en die van den mensch aangaat, eenige ernstige quaestie omtrent den aard en de
-grootte van die verschillen. Men neemt aan, dat de halfronden der groote hersenen
-bij den mensch, zoowel volstrekt als betrekkelijk, grooter zijn dan bij den orang
-en chimpanzee; dat de voorhoofdskwabben bij hem minder worden uitgehold door het naar
-boven uitsteken van het dak der oogkassen; dat de windingen en sleuven bij hem minder
-regelmatig gerangschikt zijn en een grooter aantal secundaire plooiingen vertoonen.
-En men neemt aan, dat de fissura temporo-occipitalis of perpendicularis externa, die
-gewoonlijk bij apenhersenen zoo sterk is ontwikkeld, bij den mensch <span class="pageNum" id="pb391">[<a href="#pb391">391</a>]</span>in den regel slechts zwak is aangegeven. Het is echter duidelijk, dat geen van deze
-verschillen een scherpe scheiding vormt tusschen menschen- en apenhersenen. Ten opzichte
-van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet, bij menschelijke hersenen, merkt
-Professor Turner b.v. op:<a class="noteRef" id="xd31e13698src" href="#xd31e13698">2</a>
-</p>
-<p>„Bij sommige hersenen vertoont zij zich eenvoudig als een inkerving van den rand van
-het halfrond, maar bij andere strekt zij zich over eenigen afstand min of meer schuins
-naar buiten uit. Ik zag haar aan het rechterhalfrond van de hersenen eener vrouw meer
-dan vijf centimeter naar buiten loopen; en bij een ander persoon strekte zij zich,
-ook aan het rechterhalfrond, over een lengte van een centimeter naar buiten uit en
-liep daarna naar beneden tot aan den ondersten rand van de buitenste oppervlakte van
-het halfrond. De onduidelijkheid van deze spleet bij de meeste menschelijke hersenen,
-in vergelijking met haar opmerkelijke duidelijkheid bij de hersenen van de meeste
-vierhandige zoogdieren, is het gevolg van de aanwezigheid, bij de eerste, van zekere
-aan de oppervlakte gelegen, goed uitgedrukte, secundaire windingen, welke haar overbruggen
-en de parietaalkwab met de occipitaalkwab verbinden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hoe dichter de eerste van deze overbruggende windingen bij de overlangsche spleet
-ligt, des te korter is de fissura parieto-occipitalis externa.” (l.c. blz. 17.)
-</p>
-<p>De onduidelijkheid van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet is dus geen
-standvastig kenmerk van de hersenen van den mensch. Van den anderen kant is de volkomen
-ontwikkeling daarvan geenszins een standvastig kenmerk van de hersenen der hoogere
-apen. Want bij den chimpanzee is het over een kleinere of grootere uitgestrektheid
-bedekken van de fissura perpendicularis externa door „overbruggende windingen”, aan
-den eenen of aan den anderen kant, herhaaldelijk waargenomen door Prof. Rolleston,
-de heeren Marshall, Broca en Professor Turner. Aan het slot van een speciaal over
-dit onderwerp geschreven verhandeling<a class="noteRef" id="xd31e13710src" href="#xd31e13710">3</a>, schrijft deze laatste:
-</p>
-<p>„De drie zooeven beschreven specimina van de hersenen van een chimpanzee bewijzen,
-dat het algemeene besluit dat Gratiolet heeft trachten te trekken, dat de volkomen
-afwezigheid van de eerste verbindende <span class="pageNum" id="pb392">[<a href="#pb392">392</a>]</span>winding en het verborgen liggen van de tweede, essentiëel karakteristieke kenmerken
-van de hersenen van dit dier zijn, in geenen deele algemeen doorgaat. Slechts bij
-één der specimina volgden de hersenen de wet welke Gratiolet heeft <span class="corr" id="xd31e13720" title="Bron: uitgesprokken">uitgesproken</span>. Wat de tegenwoordigheid van de bovenste overbruggende winding aangaat, ben ik geneigd
-om te denken, dat zij, ten minste in één halfrond, heeft bestaan bij de meeste hersenen
-van dit dier, welke tot den tegenwoordigen tijd toe zijn afgebeeld of beschreven.
-Het komt blijkbaar zeldzaam voor, dat de tweede overbruggende winding aan de oppervlakte
-ligt, en is tot dusver, naar ik geloof, nog alleen gezien bij de hersenen (<i>A</i>), welke in deze verhandeling worden besproken. Van de asymmetrische rangschikking
-van de windingen der beide halfronden, waarop vroegere waarnemers in hun beschrijvingen
-hebben gewezen, geven deze specimina ook goede voorbeelden.” (blz. 8, 9.)
-</p>
-<p>Zelfs als de aanwezigheid van de fissura temporo-occipitalis of perpendicularis externa
-een onderscheid tusschen de hoogere apen en den mensch was, zou de waarde van zulk
-een onderscheidend kenmerk zeer twijfelachtig worden gemaakt door het maaksel der
-hersenen bij de Platyrrhine apen. Terwijl de fissura temporo-occipitalis bij de Catarrhinen
-of apen der oude wereld een der meest standvastige groeven is, ontbreekt zij bij de
-kleinere Platyrrhinen, is rudimentair bij Pithecia<a class="noteRef" id="xd31e13728src" href="#xd31e13728">4</a>, en min of meer uitgewischt door overbruggende windingen bij Ateles.
-</p>
-<p>Een kenmerk dat binnen de grenzen van een enkele groep zoo varieert, kan voor de systematiek
-geen groote waarde bezitten.
-</p>
-<p>Het staat verder vast, dat de graad van asymmetrie van de windingen der beide helften
-der menschelijke hersenen aan vele individueele variaties onderhevig is; en dat bij
-alle individu’s van het ras der Bosjesmannen, die zijn onderzocht, de windingen en
-groeven veel minder ingewikkeld en meer symmetrisch zijn dan bij Europeesche hersenen,
-terwijl bij sommige individu’s van den chimpanzee haar ingewikkeldheid en asymmetrie
-opmerkelijk wordt. Dit is bijzonder het geval bij de door Broca afgebeelde hersenen
-van een jongen mannelijken chimpanzee. („<span lang="fr">L’Ordre des Primates</span>”, blz. 165, fig. 11.)
-</p>
-<p>Ook staat het vast, wat het vraagstuk der volstrekte grootte aangaat, dat het verschil
-tusschen de grootste en de kleinste gezonde menschelijke hersenen grooter is dan het
-verschil tusschen de kleinste gezonde <span class="pageNum" id="pb393">[<a href="#pb393">393</a>]</span>menschelijke hersenen en de grootste chimpanzee’s of orang’s hersenen.
-</p>
-<p>Er is daarenboven één kenmerk, waarin de hersenen van den orang en chimpanzee gelijken
-op die van den mensch, maar waarin zij verschillen van die der lagere apen, namelijk
-in de aanwezigheid van twee mergheuvels (corpora candicantia)—terwijl de <i>Cynomorpha</i> er slechts één bezitten.
-</p>
-<p>Op grond van deze feiten aarzel ik niet in dit jaar 1874 de stelling te herhalen en
-met aandrang vol te houden, die ik in 1863<a class="noteRef" id="xd31e13754src" href="#xd31e13754">5</a> uitsprak:
-</p>
-<p>„Het is daarom duidelijk, dat de mensch, wat het maaksel der hersenen aangaat, minder
-verschilt van den chimpanzee of orang, dan deze van de lagere apen, en dat het verschil
-tusschen de hersenen van den chimpanzee en van den mensch bijna onbeteekenend is in
-vergelijking van dat tusschen de hersenen van een chimpanzee en die van een halfaap.”
-</p>
-<p>In de door mij aangehaalde verhandeling ontkent Professor Bischoff de waarheid van
-het tweede gedeelte van deze uitspraak niet, maar hij maakt eerst de niets ter zake
-afdoende opmerking, dat het niet vreemd is, zoo de hersenen van den orang en van een
-halfaap zeer van elkander verschillen, en verzekert in de tweede plaats: „Indien wij
-achtereenvolgens de hersenen van een mensch met die van een orang, deze met die van
-een chimpanzee, deze met die van een gorilla vergelijken, en, zoo voortgaande, met
-die van een <i>Hylobates</i>, <i>Semnopithecus</i>, <i>Cynocephalus</i>, <i>Cercopithecus</i>, <i>Macacus</i>, <i>Cebus</i>, <i>Callithrix</i>, <i>Lemur</i>, <i>Stenops</i>, <i>Hapale</i>, zullen wij geen grooter, of zelfs geen even groote gaping in de mate van ontwikkeling
-der windingen ontmoeten, dan die welke wij vinden tusschen de hersenen van een mensch
-en die van een orang of chimpanzee.”
-</p>
-<p>Ik zou hierop willen antwoorden, dat deze verzekering, hetzij waar of valsch, volstrekt
-niets heeft te maken met de in „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>” uitgesproken stelling, welke betrekking heeft, niet slechts op de ontwikkeling der
-windingen, maar op het geheele maaksel der hersenen. Indien Professor Bischoff zich
-de moeite had gegeven blz. 96 van het werk dat hij critiseert, op te slaan, zou hij
-de volgende zinsnede hebben gevonden: „En het is een opmerkelijke omstandigheid, dat,
-hoewel er een gaping <i>bestaat</i> in het maaksel der hersenen in de reeks van vormen der Primaten, die gaping niet
-ligt tusschen den mensch en de anthropomorphe apen, maar tusschen de lagere en laagste
-apen, <span class="pageNum" id="pb394">[<a href="#pb394">394</a>]</span>tusschen de apen der Oude en Nieuwe Wereld en de halfapen. Bij elken halfaap die tot
-dusver onderzocht is, zijn feitelijk de kleine hersenen van boven af gedeeltelijk
-zichtbaar, en is de achterste kwab, met de daarin gelegen posterius cornu en hippocampus
-minor min of meer rudimentair. Bij elk zijdeaapje, elken Amerikaanschen aap, aap der
-Oude Wereld, baviaan of anthropomorphen aap worden daarentegen de kleine hersenen
-van achteren geheel en al verborgen door de kwabben der groote hersenen, en allen
-bezitten een groot posterius cornu en een wel ontwikkelden hippocampus minor.”
-</p>
-<p>Deze uitspraak stemde volkomen nauwkeurig overeen met hetgeen bekend was, toen zij
-werd gedaan; en het komt mij voor, dat zij alleen schijnbaar verzwakt is door de latere
-ontdekking van de betrekkelijk geringe ontwikkeling der achterste kwabben bij den
-siamang en den brulaap. Niettegenstaande de exceptioneele kortheid van de achterste
-lobben bij deze beide soorten zal niemand beweren, dat haar hersenen in het minst
-naderen tot die der halfapen. En indien wij, in plaats van <i>Hapale</i> uit zijn natuurlijke plaats te verdringen, gelijk Professor Bischoff op onverklaarbare
-wijze doet, de reeks van dieren die hij heeft verkozen te vermelden, schrijven als
-volgt: <i>Homo</i>, <i>Pithecus</i>, <i>Troglodytes</i>, <i>Hylobates</i>, <i>Semnopithecus</i>, <i>Cynocephalus</i>, <i>Cercopithecus</i>, <i>Macacus</i>, <i>Cebus</i>, <i>Callithrix</i>, <i>Hapale</i>, <i>Lemur</i>, <i>Stenops</i>, durf ik opnieuw verzekeren, dat de groote gaping in deze reeks ligt tusschen <i>Hapale</i> en <i>Lemur</i> en dat deze gaping aanmerkelijk grooter is dan die tusschen eenig ander tweetal van
-termen van die reeks. Professor Bischoff is onbekend met het feit, dat lang voor hij
-schreef, Gratiolet voorgesteld had de halfapen van de andere Primaten te scheiden,
-en wel juist op grond van het verschillend maaksel hunner hersenen; en dat <span class="corr" id="xd31e13829" title="Bron: Profossor">Professor</span> Flower de volgende opmerkingen had gemaakt bij het beschrijven der hersenen van de
-Javaansche lori’s<a class="noteRef" id="xd31e13833src" href="#xd31e13833">6</a>:
-</p>
-<p>„En het is bijzonder opmerkelijk dat er in de ontwikkeling der achterste kwabben geen
-toenadering is tot de korte halfronden bezittende hersenen der halfapen, bij die apen
-welke men gewoonlijk onderstelt, dat in andere opzichten tot deze familie naderen,
-namelijk de lagere leden van de groep der Platyrrhinen.”
-</p>
-<p>Wat het maaksel der volwassen hersenen betreft, bevestigen de zeer aanmerkelijke uitbreidingen
-van onze kennis, welke de onderzoekingen <span class="pageNum" id="pb395">[<a href="#pb395">395</a>]</span>van zoovele geleerden gedurende het laatste tiental jaren ten gevolge hebben gehad,
-ten volle de uitspraak die ik in 1863 deed. Maar men heeft gezegd, dat al gaf men
-de gelijkenis toe tusschen de volwassen hersenen van een mensch en van een aap, zij
-toch in wezenlijkheid zeer verschillend zijn, omdat zij fundamenteele verschillen
-vertoonen in de wijze waarop zij zich ontwikkelen. Niemand zou meer bereid zijn dan
-ik om de bewijskracht van dit argument toe te geven, als er werkelijk dergelijke verschillen
-in de ontwikkeling bestonden. Maar ik ontken dat zij bestaan. Integendeel, er bestaat
-een fundamenteele overeenstemming in de ontwikkeling der hersenen bij den mensch en
-bij de apen.
-</p>
-<p>Gratiolet was de eerste die beweerde, dat er een fundamenteel verschil tusschen de
-ontwikkeling der hersenen van de apen en van den mensch bestaat—namelijk hierin, dat
-bij de apen de sleuven die het eerst verschijnen, gelegen zijn op het achterste gedeelte
-van de halfronden der groote hersenen, terwijl bij den menschelijken foetus de sleuven
-het eerst zichtbaar worden op de voorhoofdskwabben.<a class="noteRef" id="xd31e13847src" href="#xd31e13847">7</a>
-</p>
-<p>Deze algemeene uitspraak is gegrond op twee waarnemingen, de eene op een gibbon die
-op het punt stond te worden geboren, bij welken de achterste windingen „goed ontwikkeld”,
-die van de voorhoofdskwabben daarentegen „nauwelijks aangegeven” waren<a class="noteRef" id="xd31e13855src" href="#xd31e13855">8</a> (l.c. <span class="corr" id="xd31e13881" title="Bron: bldz.">blz.</span> 39), en de <span class="pageNum" id="pb396">[<a href="#pb396">396</a>]</span>andere op een menschelijken foetus in de 22ste of 23ste week van de zwangerschap,
-bij welken Gratiolet opteekent, dat de insula onbedekt was, maar dat toch „<span lang="fr">des incisures sèment le lobe antérieur, une scissure peu profonde indique la séparation
-du lobe occipital, <span class="corr" id="xd31e13888" title="Bron: tres">très</span> réduit d’ailleurs dès cette époque. Le reste de la surface cérébrale est encore absolument
-lisse.</span>”
-</p>
-<p>Drie afbeeldingen van deze laatste hersenen worden gegeven op plaat II, fig. 1, 2,
-3 van het aangehaalde werk, vertoonende de halfronden van boven, op zijde en van onderen
-gezien, maar geen daarvan beeldt af, hoe zij er op de binnenvlakte uitzien<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het is opmerkenswaardig, dat de figuren volstrekt niet overeenkomen met Gratiolet’s
-beschrijving, in zoover als de fissura antero-temporalis op de achterste helft van
-de buitenzijde van het halfrond meer ontwikkeld is dan een der op de voorste helft
-onduidelijk aangegeven groeven. Als de figuur nauwkeurig is, rechtvaardigt zij in
-geenen deele het besluit van Gratiolet: „<span lang="fr">Il y a donc entre ces cerveaux (die van een Callitrix en van een gibbon), et celui
-du foetus humain une différence fondamentale<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Chez celui-ci, longtemps avant que les plis temporaux apparaissent, les plis frontaux
-<i>essayent</i> d’exister.</span>”
-</p>
-<p>Sinds Gratiolet’s tijd is echter de ontwikkeling van de windingen en groeven het voorwerp
-van hernieuwd onderzoek geweest, door Schmidt, Bischoff, Pansch<a class="noteRef" id="xd31e13905src" href="#xd31e13905">9</a> en meer in het bijzonder door Ecker<a class="noteRef" id="xd31e13908src" href="#xd31e13908">10</a>, wiens werk niet slechts de laatste, maar ook verreweg de volledigste verhandeling
-over dit onderwerp is.<a class="noteRef" id="xd31e13914src" href="#xd31e13914">11</a>
-</p>
-<p>De eindresultaten van hun onderzoekingen zijn, kort opgesomd, de volgende:
-</p>
-<p>1. Bij den menschelijken foetus wordt de Sylvische spleet gevormd in den loop van
-de derde maand der zwangerschap. In deze en in de vierde maand zijn de halfronden
-glad en rond (met uitzondering van de Sylvische spleet) en steken zij achterwaarts
-tot ver voorbij de kleine hersenen uit.
-</p>
-<p>2. De eigenlijke zoogenaamde sleuven (sulci) beginnen te verschijnen <span class="pageNum" id="pb397">[<a href="#pb397">397</a>]</span>in de tusschenruimte tusschen het einde van de vierde en het begin van de zesde maand
-van het leven van den foetus, maar Ecker wijst er met nadruk op, dat, niet slechts
-in den tijd maar ook in volgorde, hun verschijnen onderhevig is aan aanmerkelijke
-individueele variaties. In geen geval zijn, hetzij de frontale, hetzij de temporale,
-de vroegste.
-</p>
-<p>De eerste welke verschijnt, ligt feitelijk op het binnenvlak van het halfrond (van
-daar zag Gratiolet, die dit vlak bij zijn foetus niet schijnt te hebben onderzocht,
-haar ongetwijfeld over het hoofd) en is òf de perpendicularis internus (occipito-parietalis),
-òf de sulcus calcarinus, welke beide sleuven dicht bij elkander liggen en soms ineenloopen.
-In den regel is de occipito-parietalis er het eerst.
-</p>
-<p>3. In het laatste gedeelte van dit tijdvak ontwikkelt zich een andere sleuf, de „posterio-parietalis”
-of „fissura Rolandi”<a class="noteRef" id="xd31e13928src" href="#xd31e13928">12</a>, en deze wordt, in den loop der zesde maand, gevolgd door de andere voornaamste sleuven
-van de voorhoofds-, wandbeen-, slaapbeen- en achterhoofdskwabben. Er is echter geen
-duidelijk bewijs dat ééne daarvan constant vóór de andere verschijnt, en het is opmerkelijk,
-dat in de hersenen, in het tijdperk door Ecker beschreven en afgebeeld (1. c. blz.
-212–13, Taf. II, fig. 1, 2, 3, 4), de sulcus antero-temporalis (<i lang="fr">scissure parallèlle</i>), zoo kenmerkend voor apen-hersenen, even goed, zoo niet beter ontwikkeld is dan
-de fissura Rolandi, en veel sterker uitgedrukt is dan de eigenlijke voorhoofds-sleuven.
-</p>
-<p>De feiten nemende, voor zoover op het oogenblik bekend, schijnt het mij toe, dat de
-volgorde waarin de sleuven en windingen in de hersenen van den menschelijken foetus
-verschijnen, in volkomen overeenstemming is met de ontwikkelingstheorie in het algemeen,
-en met de meening, dat de mensch zich heeft ontwikkeld uit den eenen of anderen op
-een aap gelijkenden vorm; hoewel er geen twijfel kan bestaan, dat die vorm in vele
-opzichten verschilde van alle thans levende leden van de groep der Primaten.
-</p>
-<p>Von Baer leerde ons, een halve eeuw geleden, dat verwante dieren in den loop hunner
-ontwikkeling eerst de kenmerken aannamen van de groote groepen waartoe zij behooren,
-en daarna trapsgewijze die kenmerken verkregen, welke hen beperken binnen de grenzen
-van hun familie, geslacht (genus) en soort; en hij bewees tegelijkertijd, dat geen
-<span class="pageNum" id="pb398">[<a href="#pb398">398</a>]</span>ontwikkelingstrap van een hooger dier geheel en al gelijk is aan den volwassen toestand
-van eenig lager dier. Het is volkomen juist te zeggen, dat een kikvorsch den toestand
-van visch doorloopt, in zoo ver als de kikvorschlarve in een tijdperk van haar leven
-de kenmerken van een visch bezit, en, als zij zich niet verder ontwikkelde, onder
-de visschen zou moeten worden gerangschikt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Maar het is eveneens waar, dat een kikvorschlarve zeer van alle bekende visschen
-verschilt.
-</p>
-<p>Op gelijke wijze kan men met waarheid zeggen, dat de hersenen van een menschelijken
-foetus in de vijfde maand niet slechts de hersenen van een aap, maar zelfs dat zij
-de hersenen van een aap uit de familie der zijdeapen (<i>Arctopitheci</i>) zijn; want de halfronden, met hun groote, achterste kwabben en met geen andere sleuven
-dan die van Sylvius en den sulcus calcarinus, vertoonen de kenmerken die men in de
-groep der Primaten alleen bij de familie der zijdeapen (<i>Arctopitheci</i>) vindt. Maar het is eveneens waar, gelijk Gratiolet opmerkt, dat zij door haar wijd
-openstaande Sylvische spleet van de hersenen van alle thans levende zijdeapen (<i>Arctopitheci</i>) verschillen. Ongetwijfeld gelijken zij veel meer op de hersenen van een ver in ontwikkeling
-gevorderden foetus van een zijdeaap. Wij weten echter <span class="corr" id="xd31e13950" title="Bron: níets">niets</span> hoegenaamd van de ontwikkelingsgeschiedenis der hersenen bij de zijdeapen. Bij de
-eigenlijke <i>Platyrrhini</i> is de eenige waarneming welke mij bekend is, die van Pansch, die in de hersenen van
-den foetus van een <i>Cebus Apella</i> behalve de Sylvische spleet en een diepen sulcus calcarinus, slechts een zeer ondiepe
-fissura antero-temporalis (<i>scissure parallèlle</i> van Gratiolet)<a class="noteRef" id="xd31e13960src" href="#xd31e13960">13</a> vertoonde.
-</p>
-<p>Nu levert dit feit, samengenomen met de omstandigheid, dat de sulcus antero-temporalis
-aanwezig is bij zulke <i>Platyrrhini</i> als de saimiri, die slechts sporen van groeven op de buitenste voorste helft van
-de halfronden der groote hersenen vertoont of bij wien die sleuven soms zelfs geheel
-en al ontbreken, ongetwijfeld zoover als het gaat een goeden bewijsgrond ten gunste
-van de hypothese van Gratiolet, dat de achterste sleuven in de hersenen der <i>Platyrrhini</i> vóór de voorste verschijnen. Maar hieruit volgt in geenen deele, dat wij den regel,
-die steek mag houden voor de <i>Platyrrhini</i>, nu ook tot de <i>Catarrhini</i> mogen uitbreiden. Wij bezitten volstrekt geen gegevens omtrent de ontwikkeling der
-hersenen bij de <i>Cynomorpha</i>; en, wat de <i>Anthropomorpha</i> aangaat, niets <span class="pageNum" id="pb399">[<a href="#pb399">399</a>]</span>als de beschrijving van de hersenen van een gibbon kort voor de geboorte, waarvan
-ik reeds melding heb gemaakt. Op het oogenblik is er geen schaduw van bewijs, dat
-de sleuven van de hersenen van een chimpanzee of orang niet in de zelfde volgorde
-verschijnen als bij den mensch.
-</p>
-<p>Gratiolet begint zijn voorbericht met het aphorisme: „<span lang="fr">Il est dangereux dans les sciences de conclure trop vite.</span>” Ik vrees, dat hij dit gezonde beginsel had vergeten, toen hij in zijn werk zelf
-aan de bespreking van de verschillen tusschen den mensch en de apen was gekomen. Ongetwijfeld
-zou de uitstekende schrijver van een der merkwaardigste bijdragen tot het juiste begrip
-der zoogdierhersenen, die ooit zijn gedaan, de eerste zijn geweest om het onvoldoende
-zijner gegevens toe te stemmen, als hij maar lang genoeg had geleefd om met den vooruitgang
-van het onderzoek zijn voordeel te doen. Het ongeluk is, dat van zijn besluiten door
-personen, onbevoegd om een oordeel te vellen over de grondslagen waarop zij steunden,
-gebruik is gemaakt als bewijsgronden ten gunste van het obscurantisme.<a class="noteRef" id="xd31e13985src" href="#xd31e13985">14</a>
-</p>
-<p>Het is echter belangrijk op te merken dat, hetzij Gratiolet gelijk of ongelijk had
-in zijn hypothese omtrent de betrekkelijke volgorde in het verschijnen der sulci temporales
-en frontales, het feit blijft bestaan, dat, vóór de sulci temporales of frontales
-verschijnen, de hersenen van den menschelijken foetus kenmerken vertoonen, die alleen
-bij de laagste groep der Primaten (de <i>Lemuriden</i> er buiten gelaten) worden gevonden, en dat dit juist is, wat wij zouden verwachten
-het geval te zijn, indien de mensch was ontstaan door trapsgewijze wijziging van den
-zelfden vorm waaruit de andere Primaten zijn gesproten. <b>(<a href="#en7a.1" id="en7a.1src">1</a>)</b>
-</p>
-<div id="ch7an" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e465">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENING.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en7a.1" class="first">(<a href="#en7a.1src">1</a>) Men sla ook Broca’s vergelijkende waarnemingen na over de geestvermogens en de organisatie
-der hersenen bij apen en menschen (<span lang="de">„Kosmos” 1879, Heft 7</span>; <span lang="fr">„Revue internationale des sciences”, Juillet 1879</span>, blz. 91; „Isis” 1879, blz. 347). De bovenstaande verhandeling van Huxley is door
-Darwin zelf achter Hoofdstuk VII van de 2e Eng. uitgaaf van zijn werk over de „Afst.
-v. d. Mensch” ingelascht.
-<span class="pageNum" id="pb400">[<a href="#pb400">400</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e13684">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13684src">1</a></span> „<span lang="de">Die Grosshirn-Windungen des Menschen</span>.” „<span lang="de">Abhandlungen der K. Bayerischen Akademie</span>”, Bd. X, 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13684src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13698">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13698src">2</a></span> „<span lang="en">Convolutions of The Human Cerebrum Topographically Considered</span>” 1866, blz. 12.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13698src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13710">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13710src">3</a></span> Aanteekeningen meer bijzonder over de overbruggende windingen in de, hersenen van
-den chimpanzee, „<span lang="en">Proceedings of the Royal Society of Edinburgh</span>”, 1865–66.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13710src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13728">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13728src">4</a></span> Flower, „<span lang="en">On the Anatomy of <i>Pithecia Monachus</i></span>”, „<span lang="en">Proceedings of the Zoological Society</span>”, 1862.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13728src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13754">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13754src">5</a></span> „<span lang="en">Man’s Place in Nature</span>”, blz. 102.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13754src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13833">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13833src">6</a></span> „<span lang="en">Transactions of the Zoological Society</span>”, vol. V, 1862.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13833src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13847">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13847src">7</a></span> „<span lang="fr">Chez tous les singes les plis postérieurs se développent les premiers; les plis antérieurs
-se développent plus tard; aussi la vertébre occipitale et la pariétale sont elles
-relativement très grandes chez le foetus. L’Homme présente une exception remarquable
-quant à l’époque de l’apparition des plis frontaux, qui sont les premiers indiqués;
-mais le développement général du lobe frontal, envisagé seulement par rapport à son
-volume, suit les mêmes lois que dans les singes.” Gratiolet, „Mémoire sur les plis
-cérébraux de l’Homme et des Primates</span>”, blz. 39, Tab. IV, fig. 3.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13847src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13855">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13855src">8</a></span> Gratiolet’s woorden zijn (l.c. blz. 39): „<span lang="fr">Dans le foetus dont il s’agit les plis cérébraux postérieurs sont bien développés,
-<span class="corr" id="xd31e13859" title="Bron: tandisque">tandis que</span> les plis du lobe frontal sont à peine indiqués.</span>” De plaat (Pl. IV, fig. 3) vertoont echter de groef van Rolando en een der voorhoofdsgroeven
-duidelijk genoeg. Desniettemin schrijft de heer Alix, in zijn „<span lang="fr">Notice sur les travaux anthropologiques de Gratiolet</span>” („<span lang="fr">Mém. de la Société d’Antropologie de Paris</span>”, 1868, blz. 32), als volgt: „<span lang="fr">Gratiolet a eu entre les mains le cerveau d’un foetus de Gibbon, singe éminemment
-supérieur et tellement rapproché de l’orang, que des naturalistes très compétents
-l’ont rangé parmi les anthropoïdes. M. Huxley, par exemple, n’hésite pas sur ce point.
-Eh bien, c’est sur le cerveau d’un foetus de Gibbon que Gratiolet a vu <i>les circonvolutions du lobe temporo-sphenoïdal déjà développées, lorsqu’il n’existe
-pas encore des plis sur le lobe frontal</i>. Il était donc bien autorisé à dire, que chez l’homme les <span class="corr" id="xd31e13873" title="Bron: cironvolutions">circonvolutions</span> apparaissent d’ α en ω, <span class="corr" id="xd31e13876" title="Bron: tandisque">tandis que</span> chez les singes elles se développent d’ ω en α.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13855src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13905" lang="de">
-<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13905src">9</a></span> „Ueber die typische Anordnung der Furchen und Windungen auf den Grosshirnhemisphären
-des Menschen und der Affen.” „Archiv. für Anthropologie”, III, 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13905src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13908" lang="de">
-<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13908src">10</a></span> „Zur <span class="corr" id="xd31e13910" title="Bron: Entwicklungsgestichte">Entwicklungsgeschichte</span> der Furchen und Windungen der Grosshirn-Hemisphären im Foetus des Menschen.” „Archiv.
-für Anthropologie”, III, 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13908src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13914">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13914src">11</a></span> Later verscheen daarover nog een werk van Ad. Pansch, Berlijn 1879.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13914src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13928">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13928src">12</a></span> Sulcus centralis. Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13928src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13960">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13960src">13</a></span> Fissura temporalis superior. Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13960src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e13985">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e13985src">14</a></span> Bij voorbeeld de abt Lecomte <span class="corr" id="xd31e13987" title="Bron: n">in</span> zijn vreeselijk pamflet „<span lang="fr">le Darwinisme et l’Origine de l’Homme</span>,” 1873.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e13985src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7b" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e473">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen in het
-Palaeolithische Tijdvak,<a class="noteRef" id="xd31e14022src" href="#xd31e14022">1</a></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">DOOR
-</p>
-<p class="center">Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
-</p>
-<p>De geschiedenis, gegrond op documenten en gedenkteekenen waarvan de belangrijkheid
-en oudheid vaststaat, en op overleveringen die men op begrijpelijke wijze kan verklaren,
-klimt op tot de grondvesting van het Egyptische rijk door Menes, volgens Mariette
-in het jaar 5004 vóór het begin onzer jaartelling. Op dit tijdstip hadden de Egyptenaars
-een georganiseerde maatschappij, een goed ontwikkelde beschaving en groote steden.
-Het is niet al te gewaagd om, als wij tot den oorsprong hunner beschaving willen opklimmen,
-daar nog omtrent even vele jaren bij te voegen, en Plato’s verzekering aan te nemen,
-dat het Egyptische volk in zijn tijd tienduizend jaar bestond.<a class="noteRef" id="xd31e14041src" href="#xd31e14041">2</a>
-</p>
-<p>Daaraan—twaalfduizend jaar geleden—gingen de vóórhistorische tijden vooraf, die zich
-tot een veel ouder verleden uitstrekken. Is het mogelijk om zonder schriftelijke gegevens,
-zelfs zonder een op gissingen gegronde chronologie, een raming te maken van den duur
-<span class="pageNum" id="pb401">[<a href="#pb401">401</a>]</span>van die tijden? Al wat wij daartoe hebben, zijn sporen welke de voorhistorische mensch
-in de natuur heeft nagelaten, welke door haar onophoudelijke werking die sporen onder
-opeenhoopingen van verschillende lagen bedekt, en ons zoo een soort van betrekkelijke
-tijdrekenkunde gegeven heeft. De wetenschap houdt het tegenwoordig voor zeker, dat
-de mensch gedurende het geheele zoogenaamde Quaternaire Tijdvak (het Diluvium) heeft
-bestaan, en wanneer wij den duur van dat tijdvak kunnen berekenen, zullen wij in staat
-zijn om voor den ouderdom van het menschelijk geslacht bij benadering een minimum
-vast te stellen. Dit is hetgeen de Mortillet tracht te doen bij het formuleeren van
-zijn besluiten in zijn boek over de „Voorhistorische Oudheid van den Mensch.”<a class="noteRef" id="xd31e14048src" href="#xd31e14048">3</a> Heeft de mensch echter ook reeds gedurende een deel van het Tertiaire Tijdvak bestaan,
-dan klimt hij tot een nog verbazend veel hooger ouderdom op.
-</p>
-<p>Ook de vergelijkende taalkunde bevestigt de hooge oudheid van het menschelijk geslacht.
-Zoo klimt de Arische taalstam, <span class="corr" id="xd31e14053" title="Niet in bron">(</span>gelijk wij reeds in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
-270, mededeelden) in zijn oorspronkelijke eenheid volgens de geestrijke onderzoekingen
-van Boltz (vergelijk Aug. Boltz, „<span lang="de">Die Sprache und ihr Leben</span>”, 1868) tot een oudheid van wel 50,000 jaar op! Naast het volk, dat 50,000 jaar geleden
-deze oorspronkelijke taal sprak, leefden natuurlijk destijds vele andere volken, die
-de moedertalen van de andere tegenwoordig bestaande familiën van talen spraken; want
-de Arische taalstam is slechts één uit vele!
-</p>
-<p>De jaarringen van boomen, die op bouwvallen in Amerika groeiden, de ouderdom van verschillende
-achtereenvolgend op de zelfde plaats gegroeide bosschen, die daar, boven elkander
-liggende, menschelijke overblijfselen bedekten, de vormingssnelheid van rivierdelta’s
-en aanslibbingen, de dikte van veenlagen enz. zijn de grondslagen geweest van partiëele
-en ongetwijfeld onvoldoende berekeningen, krachtens welke men o.a. aan het tijdperk
-van den geslepen steen van Robenhausen (Zwitsersch paaldorp) een ouderdom van vijf-
-of zesduizend jaar<a class="noteRef" id="xd31e14060src" href="#xd31e14060">4</a> toekent, en meer dan dertienduizend jaar aanneemt als de tijd noodig voor de afzetting
-van het Nijlslib dat een gebakken steen bedekte, welke onder <span class="pageNum" id="pb402">[<a href="#pb402">402</a>]</span>een standbeeld van Rhamses werd gevonden. De druipsteen van de grot van Kent in Engeland,
-in welke men op verschillende diepten Romeinsche oudheden en overblijfselen uit het
-palaeolithische tijdvak heeft gevonden, zijn de grondslag geweest van berekeningen,
-die tot resultaat gaven, dat laatstgenoemde overblijfselen meer dan tweehonderdvijftigduizend
-jaar oud waren.<a class="noteRef" id="xd31e14067src" href="#xd31e14067">5</a> Men ging bij die berekening uit van de onderstelling, dat de vorming van dien druipsteen
-nooit sneller geschied was dan tegenwoordig. Andere berekeningen hebben een meer algemeene
-strekking. De schommelingen van den bodem gedurende het Quaternaire Tijdvak, waardoor
-in Europa en het bekken der Middellandsche Zee aanzienlijke veranderingen in de verdeeling
-van land en water plaats hadden, vereischten, naar de geologen meenen, niet minder
-dan zeventigduizend jaar.<a class="noteRef" id="xd31e14070src" href="#xd31e14070">6</a> Nog een ander en verwonderlijk verschijnsel, de uitbreiding van het bergijs der Alpen,
-waardoor groote rotsblokken over afstanden van zeventig of zelfs honderd <span class="corr" id="xd31e14073" title="Bron: vijf-en zeventig">vijf-en-zeventig</span> mijlen werden vervoerd, vereischte een verbazende lengte van tijd. De snelste verplaatsing
-van dergelijke blokken door het bergijs is niet meer dan zestig meter in een jaar;
-doch in het Quaternaire Tijdvak, toen de hellingen nog op verre na zoo steil niet
-waren als tegenwoordig, ging de verplaatsing volgens de Mortillet vijfmaal langzamer,
-en elk zwerfblok moet meer dan twintigduizend jaar noodig hebben gehad voor zijn verplaatsing
-van den Mont Blanc naar de Beneden-Rhône. Wij mogen er bijvoegen, dat een verbazend
-groot aantal blokken aldus werden vervoerd om de eindmoraine te vormen. Bij den tijd
-gedurende welken die gletschers zich uitbreidden, moet nog gevoegd worden de tijd
-welken zij noodig hadden om tot hun tegenwoordige grootte samen te slinken, welke
-nagenoeg even lang zal zijn geweest als de eerste. De tijdperken van de uitbreiding
-en het zich weder samentrekken der gletschers <span class="pageNum" id="pb403">[<a href="#pb403">403</a>]</span>werden verder voorafgegaan door een prae-glaciale periode, en al de berekeningen te
-zamen geven de Mortillet aanleiding om een totaal van 100000 jaar aan te nemen om
-den geheelen duur van het Quaternaire Tijdvak uit te drukken, gedurende hetwelk wij
-zeker zijn, dat de mensch op den bodem van Europa leefde.<a class="noteRef" id="xd31e14079src" href="#xd31e14079">7</a>
-</p>
-<p>Dit tijdvak, hoe lang het ook schijnt, is zeer kort in vergelijking van de tienduizenden
-eeuwen van geologische ontwikkeling, die er aan voorafgingen, <span class="pageNum" id="pb404">[<a href="#pb404">404</a>]</span>en vertegenwoordigt alleen de laatste en kortste der geologische perioden. De vraag
-ontstaat: Hoe is het menschelijk geslacht in staat geweest zich over de geheele oppervlakte
-der aarde te verspreiden? Zijn op de verschillende vastelanden onafhankelijk van elkander
-menschen ontstaan, of heeft het geheele menschdom een gemeenschappelijke bakermat,
-een zelfde oorspronkelijk vaderland gehad? Op dit punt verschillen de geleerden van
-gevoelen; zoo beweert Karl Vogt, dat de menschen op verschillende plaatsen ontstonden,
-terwijl Quatrefages en Darwin, naar wij meenen terecht, volhouden dat het menschdom
-uit een enkelen oorspronkelijken stam is ontstaan. Het blijft in elk geval een feit,
-dat de mensch, de zelfde in al de wezenlijke kenmerken van de soort, zich heeft verspreid
-over al de bewoonbare plaatsen van den aardbol, en dat niet in de laatste eeuwen,
-toen hij was voorzien van al de hulpbronnen, welke ondervinding, uitvindend vernuft
-en wetenschap tot zijn beschikking stelden, maar in overoude tijden, toen hij nog
-onwetend en onbeschaafd was. Zwak en bijna naakt, nog pas in het bezit van het vuur
-en eenige weinige ruwe wapenen om zich mede te verdedigen en voedsel te verschaffen,
-veroverde toen niettemin het menschelijk geslacht de aarde en verspreidde zich van
-de Noordpoolstreken tot Vuurland, van het land der Samojeden tot Van Diemensland,
-van de Noordkaap tot de kaap De Goede Hoop. Van dezen oorspronkelijken uittocht, even
-zeker als hij onbegrijpelijk is, moeten wij een verklaring of ten minste een waarschijnlijke
-voorstelling geven, en dat in een eeuw, waarin de beschaafde mensch slechts na de
-verwonderlijkste ontdekkingen, met behulp van de krachtigste toepassingen der werktuigkunde
-op de scheepvaart, door de stoutste en meest avontuurlijke ontdekkingsreizen, zich
-hoogstens kan vleien, dat hij even ver is doorgedrongen als de oorspronkelijke mensch
-trok in een tijd die zoo ver van ons is verwijderd, dat zij met alle berekeningen
-spot.
-</p>
-<p>Wij moeten nadrukkelijk op dit punt wijzen; want het brengt een hinderpaal aan het
-licht, welke zij die hebben beproefd het verband op te sporen tusschen ver van elkander
-wonende rassen en den weg te bepalen, gevolgd door stammen, welke nu door oceanen
-en uitgebreide landstreken zijn gescheiden, tot dusver onoverkomelijk hebben gevonden;
-want indien de menschheid één is,—waarvoor wij meenen, dat door Darwin in Hoofdstuk
-VII van dit werk de meest overtuigende bewijsgronden zijn aangevoerd,—moeten wij aannemen,
-dat haar verhuizingen oorspronkelijk van een enkel punt zijn uitgegaan. Bij deze verhuizingen
-is de mensch gegaan <span class="pageNum" id="pb405">[<a href="#pb405">405</a>]</span>waarheên hij slechts kon, en heeft op elke plaats waar hij zich vestigde, eigenaardige
-kenmerken verkregen, die hem verschillend maakten van de op andere plaatsen gevestigde
-menschen. Van daar de verschillen tusschen de menschenrassen. Sommige van deze plaatsen
-schijnen bijzonder gunstig te zijn geweest voor zijn vooruitgang en werden middelpunten
-van beschaving. Het aantal dier middelpunten is echter zeer klein en hun geographische
-ligging zeer opmerkelijk.
-</p>
-<p>De vastelanden vormen drie hoofdgroepen, in den vorm waarvan ééne eigenaardigheid
-iedereen moet treffen, die met aandacht een wereldkaart beschouwt. Hij zal opmerken,
-dat zij in het Noorden zoozeer zijn uitgebreid, dat zij elkander in die richting aanraken
-of slechts door nauwe zeearmen zijn gescheiden, en dat zij binnen den Noordpoolcirkel
-een zee omsluiten vol groote eilanden. Naar het Zuiden gaande vinden wij, dat de drie
-vastelanden Noord-Amerika, Europa en Azië, die zoo dicht bij elkander liggen, plaats
-maken voor drie aanhangsels: Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw Holland (met de omliggende
-continentale eilanden), welke op hun beurt langzamerhand smaller worden, tot zij slinken
-tot eenvoudige punten in een grenzenloozen oceaan, lang voor zij den Zuidpoolcirkel
-bereiken.<a class="noteRef" id="xd31e14156src" href="#xd31e14156">8</a> Binnen dezen cirkel is de verdeeling van land en zee juist omgekeerd als in het Noorden;
-rondom de Zuidpool strekt zich een landmassa uit te midden van een uitgestrekten oceaan.
-</p>
-<p>Indien wij de vastelanden nauwkeuriger beschouwen, zullen wij vinden, dat de beschaving
-in elk daarvan ontstond onder gelijksoortige geographische voorwaarden, namelijk nabij
-of iets ten Noorden van den Kreeftskeerkring tusschen 20° en 35° N.B. Het oostelijkste
-van deze middelpunten van beschaving is China, nabij de Japansche zee. Het westelijkste,
-en naar het schijnt jongste, lag aan de stranden van de golf van Mexico<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Deze laatste beschaving was bezig toe te nemen en haar gebied uit te breiden, toen
-de Europeanen Amerika ontdekten, en was geheel onafhankelijk van die der Oude Wereld
-door zelfstandige ontwikkeling ontstaan; maar zwak en betrekkelijk nieuw<a class="noteRef" id="xd31e14163src" href="#xd31e14163">9</a>, was zij niet in staat om weêrstand te bieden aan den plotselingen inval van een
-sterker ras.
-<span class="pageNum" id="pb406">[<a href="#pb406">406</a>]</span></p>
-<p>Omstreeks het midden van de ruimte, aan de uiterste punten waarvan China en Mexico
-zijn gelegen, moeten twee andere middelpunten van beschaving worden geplaatst, ouder
-dan Mexico en wellicht ook dan China<a class="noteRef" id="xd31e14170src" href="#xd31e14170">10</a>, doch ongeveer op de zelfde breedte gelegen, Egypte in het Nijldal en nabij de Roode
-Zee, en Mesopotamië nabij de Perzische Golf. Zoo had elk vasteland zijn eigen middelpunt
-van beschaving, behalve Azië, dat er twee had—het eene in het uiterste Oosten, het
-andere nabij de lijn welke het met Europa verbindt<a class="noteRef" id="xd31e14183src" href="#xd31e14183">11</a><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Deze bijzondere groepeering van de <span class="pageNum" id="pb407">[<a href="#pb407">407</a>]</span>voornaamste middelpunten van beschaving in zulk een betrekkelijke nabuurschap vormt
-het belangrijkste palaeoëthnische feit dat wij kennen. De Nijl en de Syrische zee
-in het Westen, Opper-Armenië en de Kaspische zee in het Noorden, het Hindoe-Koh-gebergte
-en de Indus in het Oosten, en de Roode zee in het Zuiden begrenzen de streek, waar
-Kushieten, Semieten en Ariërs, de eersten landbouwers, werklieden en stedenstichters,
-de tweeden een herdersvolk en de derden bergbewoners en later landverhuizers en veroveraars,
-elkander ontmoetten, in wrijving met elkander kwamen en zich vermengden, beurtelings
-veroveraars en veroverden, de kunsten en het gebruik der metalen uitvonden, betere
-wapenen leerden vervaardigen en zich hiërarchisch organiseerden, hun ideaal trachtten
-te bereiken door den godsdienst, en door de schrijfkunst in het bezit kwamen van het
-machtigste werktuig, waarover het menschelijk verstand beschikt. Met hen begint de
-geschiedenis en een onafgebroken keten van maatschappelijke inrichtingen, die zich
-tot onze dagen uitstrekt. De groei der beschaving in deze middelpunten laat echter
-de verspreiding der menschheid over de geheele aarde, welke in veel vroegeren tijd
-plaats vond, nog onverklaard.
-</p>
-<p>De verspreiding van den mensch over Europa en Azië levert geen zeer groote moeielijkheden
-op; want ten gevolge van de groote breedte waarover beide vastelanden samenhangen,
-is Europa eigenlijk slechts <span class="pageNum" id="pb408">[<a href="#pb408">408</a>]</span>een stuk van Azië. De moeielijkheden zijn echter verbazend groot, als wij Amerika
-beschouwen, dat wij van het eene eind tot het andere bezet vinden door rassen, wier
-eenheid de beste waarnemers heeft getroffen. Niet alleen verhief zich daarenboven
-de Amerikaansche mensch op den bodem der Nieuwe Wereld tot een oorspronkelijke en
-betrekkelijk hooge beschaving; maar hij heeft, vooral in het Noorden, onmiskenbare
-sporen achtergelaten van zijn tegenwoordigheid in de meest verwijderde tijden. Om
-niet te spreken van de in Californië gevonden overblijfselen van den tertiairen mensch
-(vergelijk aanteekening 5, blz. 372), heeft men in de Delaware-vallei te Trenton (New-Jersey)
-en nabij Guanajuato in Mexico werktuigen gevonden, die zoo onmiskenbaar tot het palaeolithische
-tijdperk behooren, dat geen vergissing mogelijk is, hun vindplaats onder in de aanslibbingen
-uit het Quaternaire Tijdvak, tezamen met overblijfselen van olifanten en mastodonten
-bewijzen, evenals de door Lund in de holen van Lagoa Santa gevonden menschenschedels,
-het bestaan van een ras, gelijktijdig met dat, waarvan de vuursteenwerktuigen uit
-de Somme-vallei afkomstig zijn en dat in beschavingstoestand en ongetwijfeld ook in
-levenswijze en in vele lichamelijke kenmerken met dit laatste overeenkwam. Van waar
-kan dit oorspronkelijke Amerikaansche ras, de broeder van dat hetwelk in dien zelfden
-tijd in Europa leefde, zijn gekomen, tenzij wij onderstellen dat er een rechtstreeksche
-landverbinding tusschen beide vastelanden was? De moeielijkheden, die dergelijke menschen
-zouden hebben ondervonden als zij hadden beproefd den Atlantischen Oceaan over te
-steken, en de zekerheid, welke ons peilingen geven, van de oudheid van dien oceaan
-maken het echter volstrekt onmogelijk om aan te nemen dat hij destijds niet bestond
-of dat één der beide vastelanden van uit het andere werd ontdekt door dezen of genen
-onbekenden Columbus, welke hem een honderdduizendtal jaren vóór den historischen Columbus
-overstak.
-</p>
-<p>Wij staan dus tegenover het vraagstuk, dat zich altijd aan ons voordoet en waarvan
-de oplossing ons altijd ontgaat, van den oorsprong van den Amerikaanschen mensch.
-Blijkbaar kan het niet worden opgelost door een toevallige kolonisatie door Aziatische
-landverhuizers of door een troep schipbreukelingen te hulp te roepen; maar moeten
-wij er rekening bij houden met oorspronkelijke bevolkingen die zich, evenals in Europa,
-in achtereenvolgende golvingen verspreidden, en getuigen van de voortdurende aanwezigheid
-van den mensch, wiens trapsgewijze ontwikkeling en verspreiding in Amerika op de zelfde
-wijze plaats had <span class="pageNum" id="pb409">[<a href="#pb409">409</a>]</span>als in de Oude Wereld.<a class="noteRef" id="xd31e14211src" href="#xd31e14211">12</a> De onderstelling van een landverhuizing uit Azië over de Aleutische eilanden naar
-Alaska<a class="noteRef" id="xd31e14220src" href="#xd31e14220">13</a> zou aanneembaar zijn, maar de zekerheid van het bestaan van een bevolking van inboorlingen
-in Amerika in het Quaternaire Tijdvak, brengt die in elk geval terug tot den rang
-van een secundair feit. Het zelfde is het geval met de betrekkingen—die wel is waar
-in tegenspraak met elkander en daarom verdacht zijn—welke sommigen hebben meenen te
-vinden tusschen de gedenkteekenen, standbeelden en hiëroglyphen van Centraal-Amerika
-en die van Egypte en Boeddhistisch Azië. Deze analogieën steunen op onvoldoende bewijzen
-en moeten daarenboven vallen voor twee overwegingen van het hoogste gewicht: in de
-eerste plaats de zekerheid, dat de mensch in Amerika gelijktijdig met de groote dieren
-van het Quaternaire Tijdvak heeft geleefd; en in de tweede plaats, de betrekkelijke
-eenvormigheid van het koperkleurige ras, dat zoo gelijk is over het geheele vasteland
-heên, met uitzondering van het gedeelte dat door de Eskimo’s wordt bewoond. De moeilijkheid
-ontspruit uit het feit dat de monogenisten, een enkele geboorteplaats en een enkel
-uitgangspunt voor het geheele menschelijke geslacht aannemende en geen van beide in
-de Nieuwe Wereld plaatsende, altijd hebben ondersteld, dat Amerika was gekoloniseerd
-door landverhuizers uit Europa of Azië, die de richting van de parallelcirkels waren
-gevolgd. Landverhuizing in deze richting (van Oost naar West of omgekeerd) vindt dadelijk
-een hinderpaal in de oceanen, die hoe langer hoe breeder worden, naarmate wij zuidelijker
-komen. <i>Die hinderpaal verdwijnt echter, als wij het denkbeeld van een verhuizing in de richting
-der parallelcirkels opgeven en onderstellen, dat zij heeft plaats gehad in de richting
-der meridianen van het Noorden naar het Zuiden.</i> Bij verhuizingen in die richting stuiten wij op volstrekt geen hinderpalen; en de
-betrekkelijke gelijkvormigheid van de Amerikanen van het eene uiteinde van hun vasteland
-tot het andere, zou nooit verwondering <span class="pageNum" id="pb410">[<a href="#pb410">410</a>]</span>hebben gewekt, als wij niet bevooroordeeld waren geweest door het denkbeeld, dat zij
-in een betrekkelijk laten tijd derwaarts waren verhuisd.
-</p>
-<p>Wij moeten in verband hiermede opmerken, dat de uiterste zuidpunten der drie vastelanden
-worden bewoond door rassen die ongetwijfeld oorspronkelijk ergens elders vandaan kwamen,
-en die zoowel in Vuurland als aan de Kaap de Goede Hoop en in Van Diemens Land tot
-de minst ontwikkelde van het menschelijke geslacht worden gerekend. Die rassen, welke
-door andere derwaarts werden opgedrongen, hebben den zichtbaren stempel bewaard van
-de betrekkelijk lage ontwikkeling van den stam waaruit zij lang geleden sproten. Wij
-moeten toch aannemen, dat deze drie takken—Vuurlanders, Bosjesmannen en Tasmaniërs—zoo
-weinig verheven in hun physieke, intellectueele en moreele eigenschappen, alleen zoo
-ver voortgetrokken zijn en zich alleen in zoo afgelegen oorden hebben gevestigd, omdat
-de beide laatste voor zich uit landstreken vonden die nog geheel onbewoond waren,
-terwijl de Vuurlanders hoogstens door een met de Papoea’s verwante bevolking werden
-voorafgegaan, welke laatste echter geheel te gronde ging of door het roode ras werd
-geabsorbeerd.<a class="noteRef" id="xd31e14229src" href="#xd31e14229">14</a> Als pioniers voor het overige gedeelte van het menschelijk <span class="pageNum" id="pb411">[<a href="#pb411">411</a>]</span>geslacht hebben zij stap voor stap de uiterste grenzen van het bewoonbare land bereikt.
-Zij moeten ten minste tijdelijk ook noordelijker gelegen landen hebben bewoond, maar
-zij konden gene weerstand bieden aan den aandrang der sterkere rassen en konden niet
-tot onzen tijd blijven bestaan, dan door zich terug te trekken op een klein gebied
-in het meest afgelegen gedeelte van hun vroegere woonplaats. Er is niets verwonderlijks
-in het feit dat Quatrefages en Hamy bij het beschrijven van het oudste Europeesche
-ras waarvan wij schedels bezitten, dat van <span class="corr" id="xd31e14249" title="Bron: Canstatt">Cannstatt</span><a class="noteRef" id="xd31e14251src" href="#xd31e14251">15</a>, hebben gevonden, dat het alleen overeenkomst bezat met die van deze zelfde bewoners
-van het uiterste Zuiden—de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs.
-</p>
-<p>Men zal zien, dat wij geneigd zijn de rondom de Noordpool gelegen landstreken als
-de waarschijnlijke bakermat der oorspronkelijke menschheid te beschouwen. Van daar
-alleen kan zij, als van een middelpunt uitgestraald zijn om zich tegelijkertijd over
-verschillende vastelanden te verspreiden en achtereenvolgende landverhuizingen naar
-het Zuiden te veroorzaken. Deze theorie komt het best overeen met den weg, langs welken
-de menschenrassen waarschijnlijk hunne tegenwoordige woonplaatsen hebben bereikt.
-Er blijft over aan te toonen, dat zij evenzeer in overeenstemming is met de meest
-authentieke en nieuwste geologische <span class="pageNum" id="pb412">[<a href="#pb412">412</a>]</span>gegevens, en dat zij behalve op den mensch ook toepasselijk is op de planten en dieren
-welke hem vergezellen en bij voortduring in het nauwste verband met hem zijn gebleven
-in de gematigde luchtstreken welke later de zetel zijner beschaving werden. De algemeene
-wetten der geologie begunstigen deze onderstelling opmerkelijk. Om haar waarschijnlijk
-te maken, hebben wij slechts twee hoofdpunten vast te stellen, die door geen geoloog
-ernstig zullen worden betwist. Vooreerst dat de poolstreken, welke met groote boomen
-waren bedekt, eens een gematigder klimaat bezaten dan dat van het tegenwoordige Midden-Europa
-en tot den 80° toe bewoonbaar en vruchtbaar waren minstens tot het midden van het
-Tertiaire Tijdvak toe, een langzame en voortdurende afkoeling ondergingen. Van toen
-af maakte de afkoeling snelle vorderingen, totdat het ijs uitsluitend meester werd
-van het nabij de polen gelegen land. Onder dergelijke omstandigheden moest de mensch,
-zoo die daar leefde, even goed als de dieren en planten wegtrekken of omkomen—stap
-voor stap verhuizen of zich tot een dagelijks onzekerder wordend bestaan teruggebracht
-zien.
-</p>
-<p>Het tweede punt is de betrekkelijke stabiliteit van de bestaande vastelanden en hun
-ligging rondom een zee welke de Noordpool omsluit; terwijl de andere pool wordt ingenomen
-door land, omringd door een onmetelijken oceaan. Het belang van de Noordpool ten opzichte
-van het ontstaan van dieren en planten en hun verhuizingen en de onbeduidendheid van
-de Zuidpoolstreken in dit opzicht volgen uit die groepeering. De hoofdzaak is, dat
-er niets grilligs is in die verdeeling van land en zee, en dat er, zoo niet altijd,
-ten minste sedert een zeer oud tijdvak, zich altijd landen hebben verheven, die een
-aanmerkelijk gedeelte van het Noordelijk Halfrond besloegen, en rondom de Poolzee
-een gordel van min of meer samenhangende landen en eilanden vormden. Dit is werkelijk,
-wat de geologie leert. De veranderingen, dalingen tot onder en verheffingen tot boven
-den zeespiegel zijn altijd slechts gedeeltelijk en achtereenvolgend geweest, terwijl
-de hoofdmassa’s der vastelanden sedert de oudste tijden betrekkelijk slechts weinig
-van gedaante zijn veranderd. Er zijn, zoolang er land bestaat, ook altijd een Europa,
-een Azië, een Amerika en Poollanden, geweest.<a class="noteRef" id="xd31e14260src" href="#xd31e14260">16</a> Wij weten zeker dat er altijd om de Noordpool uitgestrekte grondgebieden bestaan
-<span class="pageNum" id="pb413">[<a href="#pb413">413</a>]</span>hebben; al zijn het geen vastelanden geweest; dat die langen tijd het verblijf waren
-van de zelfde planten als het overige gedeelte van den aardbol, en dat sedert het
-einde van het Jura-tijdvak, het klimaat, dat daar eerst schier even warm was als elders,
-langzamerhand trapsgewijze kouder is geworden. De daling van de temperatuur openbaarde
-zich eerst zeer langzaam, en was in het Tertiaire Tijdvak nog lang zoo ver niet voortgeschreden
-als tegenwoordig; want de boomen, toenmaals in Groenland groeiende,—de sequoia’s,
-magnolia’s en platanen,—bereiken nu in Zuid-Europa hun volle ontwikkeling en passen
-niet voor het klimaat van Midden-Europa.<a class="noteRef" id="xd31e14271src" href="#xd31e14271">17</a> We zijn dus verzekerd, dat er om de Noordpool vroeger een gordel van landen met een
-rijken plantengroei heeft bestaan. Het voortdurend bestaan eener Poolzee is niettemin
-bevestigd door versteeningen in alle gedeelten dier streek gevonden. De omstreken
-van de Noordpool waren lang bewoonbaar, en werden bewoond door den mensch, in een
-tijd niet ver van dien, waarop de eerste sporen van zijn nijverheid zich tegelijkertijd
-in Europa en in Amerika begonnen te vertoonen. Zich van de Poollanden begevende naar
-die welke aan den poolcirkel grenzen, en van de laatste naar Azië, Europa en Amerika,
-zou de mensch slechts den zelfden weg gevolgd hebben, als een heir van planten en
-dieren, hetzij vóór hem of ter zelfder tijd met hem, en onder de prikkel der zelfde
-omstandigheden.<a class="noteRef" id="xd31e14282src" href="#xd31e14282">18</a> <span class="pageNum" id="pb414">[<a href="#pb414">414</a>]</span>Door de hulp van verhuizingen van uit de nabijheid der Noordpool kunnen wij in ’t
-algemeen het verschijnsel verklaren, dat soorten verspreid of in verschillende afzonderlijke
-deelen gescheiden zijn, een verschijnsel overeenstemmende met dat hetwelk de menschen
-van de Oude en die van de Nieuwe Wereld vertoonen, wanneer men ze met elkander vergelijkt.
-</p>
-<p>Wanneer wij de hier uiteengezette opvatting vergelijken met de aanwijzingen, door
-de fossielen geleverd, dan ontdekken wij talrijke voorbeelden van afscheiding, in
-welke verwante, dikwijls nauwelijks van <span class="pageNum" id="pb415">[<a href="#pb415">415</a>]</span>elkander te onderscheiden vormen, terzelfdertijd in verschillende streken zijn verspreid,
-over ver van elkander verwijderde punten van het Noordelijk Halfrond, zonder eenige
-duidelijke verbinding langs de parallelcirkels, waardoor hun blijkbare overeenkomst
-zou kunnen worden verklaard. Europa getuigt door vele fossielen op onloochenbare wijze,
-dat het eertijds een heirleger van plantentypen en vormen had, die nu tot Amerika
-beperkt zijn, en die het alleen uit het uiterste Noorden kan ontvangen hebben. Het
-heeft bij voorbeeld magnolia’s, tulpenboomen, sassefras, ahornboomen en populieren
-bezeten, in alle opzichten vergelijkbaar met die welke tegenwoordig in de Vereenigde
-Staten groeien. De twee plataansoorten, die van het westelijk halfrond en die van
-Klein-Azië, waaraan wij een uitgestorven fossielen Europeeschen plataan mogen toevoegen,
-geven een voorbeeld van het zelfde verschijnsel van verspreiding. Europa was in het
-Tertiaire Tijdvak getuige van den groei van een ginko, gelijkende op die van Noordelijk
-China (<i>Ginko biloba</i> of <i>Salisburia japonica</i>). Het had sequoia’s en een kale cypres, overeenkomende met de boomen van dien naam,
-welke nu in Californië en Louisiana groeien. De beuk schijnt in de streken rondom
-de Noordpool gegroeid te hebben, vóór hij was doorgedrongen en zich had uitgebreid
-in de zuidelijker gedeelten van het Noordelijk Halfrond. Zonder twijfel is dit ook
-het geval geweest met de hemlock-spar (<i>Tsuga canadensis</i>), van welke duidelijke overblijfselen zijn gevonden in Grinnell-land op meer dan
-82° breedte, en uit een veel vroegeren tijd afkomstig dan die waarin hij in Canada
-begon te groeien. De goed vastgestelde tegenwoordigheid in beide vastelanden van vele
-dieren die eigen zijn aan het Noordelijk Halfrond, moet worden toegeschreven aan landverhuizingen,
-zoo niet van de pool, dan ten minste uit landen in de nabijheid van den poolcirkel
-gelegen. Dit is duidelijk in het geval van het rendier, den bison, en het hert; maar
-het moet even waar zijn ten opzichte van dieren uit oudere tijden<span class="corr" title="Bron: .">,</span> en hoewel wij daarvan geen andere rechtstreeksche bewijzen hebben dan den overvloed
-van overblijfselen van mammouthen in Opper-Siberië, gaat deze wet ontegenzeggelijk
-ook voor de olifanten en mastodons door: wij bedoelen hier de soorten van deze beide
-geslachten, welke zich van het Noorden naar het Zuiden voortplantten, en die in Amerika
-en Europa de metgezellen van den oorspronkelijken mensch waren. De verbinding van
-de vastelandmassa’s met hun gordel van nauwelijks gescheiden landen rondom en binnen
-den Poolcirkel geeft den sleutel tot al deze verschijnselen.
-<span class="pageNum" id="pb416">[<a href="#pb416">416</a>]</span></p>
-<p>Volgens de denkbeelden van de transformistische school was de oorspronkelijke mensch
-een anthropomorphe aap, in lichamelijk opzicht volkomener geworden, wat zijn opgerichte
-houding en het gaan op twee voeten betrof, en in verstandelijk opzicht door het grooter
-worden en de ontwikkeling van zijn schedel en hersenen, waarmede het ontstaan van
-het vermogen om gearticuleerd te spreken gepaard ging<span class="corr" title="Niet in bron">.</span><a class="noteRef" id="xd31e14338src" href="#xd31e14338">19</a> In overeenstemming nu met onze theorie vinden wij, dat ook de apen, en zelfs de anthropomorphen
-vroeger in veel noordelijker streken gevonden werden dan tegenwoordig. Als voorbeelden
-halen wij aan den <i>Mesopithecus Pentelici</i>, door Gaudry<a class="noteRef" id="xd31e14343src" href="#xd31e14343">20</a> te Pikermi in Griekenland fossiel gevonden, den <i>Dryopithecus</i> van St. Gaudens, een anthropomorphen aap, aan welken Gaudry vroeger geneigd was de
-zeer ruw bewerkte vuursteenen toe te schrijven, welke de abt Bourgeois te Thénay in
-tertiairen kalksteen (Calcaire de la Beauce) vond.<a class="noteRef" id="xd31e14351src" href="#xd31e14351">21</a> Verder den <i>Pliopithecus</i> van Sansan (Gers), die op een gibbon gelijkt<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> enz. Om tegenwoordig de het naast met <i>Pliopithecus</i> en <i>Dryopithecus</i> uit Midden-Europa verwante diervormen te vinden, moet men den Kreeftskeerkring overschrijden
-en tot 12° noorderbreedte reizen, of meer dan dertig graden zuidelijker dan de plaatsen,
-waar deze fossielen zijn gevonden. Indien de zelfde afstand (in omgekeerde richting)
-bestond tusschen de plaatsen, waar men deze fossiele apen heeft gevonden en het oorspronkelijk
-vaderland van den mensch, dan zou dit laatste op de breedte van Groenland, d.i. op
-70° of 75° hebben gelegen. Deze onderstelling wordt gesteund door het feit, dat ook
-tegenwoordig de streken, waar de mensch de hoogste ontwikkeling bereikt, noordelijker
-liggen en koeler klimaat bezitten dan die waar anthropomorphe apen leven, en dat de
-oudste middelpunten van beschaving, allen, gelijk wij hebben gezien, tusschen 20°
-en 35° N.B. <span class="pageNum" id="pb417">[<a href="#pb417">417</a>]</span>gelegen, in gemiddelde temperatuur overeenstemmen met dat gedeelte van het toenmalige
-Groenland. De overvloed van ruwe vuursteenwerktuigen in de nabij elkander gelegen
-valleien van de Somme en de Seine bewijst, dat daar oudtijds een klimaat enz. heerschte,
-bij uitstek geschikt voor de vermenigvuldiging van den mensch. De flora van dien tijd,
-waarvan nabij Fontainebleau fossiele overblijfselen zijn gevonden, bewijst dat dit
-klimaat overeenkwam met dat, ’t welk men tegenwoordig in het Zuiden van Frankrijk
-nabij den 42sten breedtegraad aantreft. Om nu, van dezen 42sten breedtegraad uitgaande,
-de bijna tropische streken te bereiken, waar palmen, kamferboomen en zuidelijke laurieren
-te zamen groeien, moeten wij twaalf of vijftien graden zuidelijker gaan, waar wij
-de zelfde klimatologische toestanden aantreffen, die in Midden-Europa bestonden, toen
-het de woonplaats van anthropomorphe apen was. Maar toen er palmen groeiden in de
-nabijheid van Praag en kamferboomen in de nabijheid van Dantzig, kan de mensch, als
-hij destijds bestond, zonder bezwaar hebben geleefd in de streken onder den Noordpoolcirkel
-of nog verder Noordwaarts, en zou van daar uit even gemakkelijk Noord-Amerika als
-Europa hebben kunnen bereiken, welke hij bestemd was te bevolken. De mensch heeft
-zich uit zijn stamvorm ontwikkeld in een gematigd klimaat, en zoo hij tegenwoordig
-ook in de warmste landen leeft, bewijst dit eenvoudig dat hij het vermogen bezat zich
-naar de omstandigheden te schikken (zich te adapteeren aan de levensvoorwaarden),
-maar hij bloeit het meest en komt tot zijn hoogste ontwikkeling in de gematigde luchtstreek,
-terwijl de <span class="corr" id="xd31e14372" title="Bron: tegenwoor-woordige">tegenwoordige</span> anthropomorphen echte tropenkinderen zijn en in de gematigde luchtstreek slechts
-kort blijven leven.
-</p>
-<p>Het besluit, waartoe wij komen, is dus, dat in het begin van het Tertiaire Tijdvak
-de Noordpoolstreken grootendeels uit land bestonden<a class="noteRef" id="xd31e14377src" href="#xd31e14377">22</a>, dat een tropisch klimaat bezat en waar de anthropomorphe stamvorm <span class="pageNum" id="pb418">[<a href="#pb418">418</a>]</span>van den mensch leefde. Toen in den loop van de Miocene en Pliocene periode dit klimaat
-allengs meer gematigd werd, stierven de anthropomorphen daar gedeeltelijk uit, omdat
-zij het kouder klimaat niet konden verdragen, gedeeltelijk verhuisden zij naar het
-Zuiden, waarbij zij zich natuurlijk wijzigden, gedeeltelijk adapteerden zij zich aan
-de omstandigheden en werden tot menschen. In de Pliocene periode (of reeds vroeger)
-leefde derhalve de mensch (met vele andere thans naar zuidelijker breedten verhuisde
-dieren en planten) in de Noordpoolstreken, die een gematigd klimaat bezaten. Bij het
-invallen van het ijstijdperk werden de Poolstreken voor hem onbewoonbaar<a class="noteRef" id="xd31e14388src" href="#xd31e14388">23</a> en verspreidde hij zich (tegelijk met die dieren en planten) in alle richtingen naar
-het Zuiden over de gematigde luchtstreken van Europa, Azië en Noord-Amerika, terwijl
-de tropische vegetatie en de dierenwereld, welke die streken in het Tertiaire Tijdvak
-bezaten, tegelijkertijd ondergingen of naar het Zuiden werden teruggedrongen. Hierbij
-konden in de Nieuwe Wereld meer plantentypen behouden blijven dan in de Oude, omdat
-in deze laatste de vaak van het Oosten naar het Westen loopende bergketenen en zeearmen
-dikwijls onoverkomelijke hinderpalen voor de verhuizing der planten naar het Zuiden
-opleverden, hetgeen in de Nieuwe Wereld veel minder het geval was, omdat de voornaamste
-bergketenen daar van het Noorden naar het Zuiden loopen. Voor de dieren vormden echter
-de bergketenen der Oude Wereld, wegens de snelheid waarmede zij zich kunnen verplaatsen,
-veel minder onoverkomelijke hinderpalen dan voor de planten.
-</p>
-<p>Over het geheel moeten noodwendig de Poollanden ook in de oudste tijdvakken de plaatsen
-zijn geweest, waar de landdieren ontstonden en waar zij later de grootste wijzigingen
-ondergingen, waardoor nieuwe soorten en typen ontstonden, die zich naar den equator
-toe verspreidden. De polen moeten, zelfs toen de aarde nog gloeiend vloeibaar was,
-reeds <span class="pageNum" id="pb419">[<a href="#pb419">419</a>]</span>kouder zijn geweest dan de equator; want aan den equator bestond aardwarmte + tropische
-zonnewarmte, aan de polen aardwarmte + polaire zonnewarmte; dit ging vroeger evenzeer
-door als tegenwoordig, al waren zoowel aardwarmte als zonnewarmte ook absoluut grooter
-dan thans. Aan de polen moet de aardschors zijn begonnen zich te vormen, daar moeten
-reeds voor planten en dieren bewoonbare streken zijn ontstaan toen de equator nog
-te warm was om organisch leven mogelijk te maken. Daar zijn de eerste planten en dieren
-ontstaan en van daar hebben zij zich naar den equator verspreid, naarmate de afkoeling
-voortschreed. Daar ontstonden door de afkoeling voortdurend nieuwe levensvoorwaarden,
-die nog nergens elders op aarde voorkwamen, naar welke de soorten <span class="corr" id="xd31e14401" title="Bron: ztch">zich</span> moesten wijzigen of ondergaan, tenzij zij emigreerden en meer naar den equator toe
-haar oude levensvoorwaarden voor een groot deel terugvonden. Daar is ook eindelijk
-de ijskorst begonnen zich te vormen, die waarschijnlijk na tal van eeuwen de geheele
-aarde zal bedekken en een einde maken aan alle organisch leven op aarde! De tropen
-zijn in palaeontologischen zin achter-, de poolstreken vooruit in vergelijking van
-de gematigde luchtstreek. De tropen geven ons een beeld uit het verleden der aarde,
-de poolstreken schilderen ons haar toekomst!
-</p>
-<p>Aan de Zuidpool moet derhalve in de vroegste tijden een geheel van die aan de Noordpool
-verschillende dieren- en plantenwereld zijn ontstaan, die zich echter, zoover het
-landbewoners waren, niet verder kon uitbreiden dan het Zuidpoolland, en toen dit door
-het ijs werd bedekt, volkomen moet zijn ondergegaan.<a class="noteRef" id="xd31e14406src" href="#xd31e14406">24</a> <b>(<a href="#en7b.2" id="en7b.2src">2</a>)</b> De Noordpooltypen konden zich daarentegen, zoodra de afkoeling het toeliet, over
-al de andere vastelanden, zelfs Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland uitbreiden,
-daar zij landverbindingen (of hoogstens nauwe zeearmen) op hun verhuizingen ontmoetten.
-De <i>zee</i>dieren en planten konden zich natuurlijk van uit <i>beide</i> polen gemakkelijk door den geheelen oceaan verspreiden, voor zoover en waar de temperatuur
-zulks toeliet. Zoo verklaart zich, dat de dieren- en plantenwereld op het land rondom
-de Noordpool en in de Noordelijke gematigde luchtstreek zoo eenvormig, <span class="pageNum" id="pb420">[<a href="#pb420">420</a>]</span>zich hoe langer hoe meer differentieert naarmate men zuidelijker komt, dat die verschillen
-in de Zuidelijke gematigde luchtstreek het grootste zijn, en dat evenals men vertegenwoordigers
-der oudste menschenrassen (door gedwongen verhuizing derwaarts gekomen) aan de zuidpunten
-der vastelanden vindt, men daar ook de laatste Mohicanen van overal elders geheel
-of bijna geheel verdwenen dierentypen aantreft. Wij wijzen op de Edentata en Luiaards
-van Zuid-Amerika, op de Edentata en de aan het Tertiaire Tijdvak herinnerende fauna
-van Zuid-Afrika, op de Buideldieren, Snaveldieren, Ceratodus enz. van <span class="corr" id="xd31e14422" title="Bron: Nieuw Holland">Nieuw-Holland</span>, dat in zijn fauna aan het Secundaire Tijdvak van Europa herinnert!
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>II.
-</p>
-<p>Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de mensch, uitgaande van een oorspronkelijk
-vaderland, waarvan de juiste plaats niet te bepalen is, maar dat om vele redenen moet
-worden geacht waarschijnlijk in het hooge Noorden te hebben gelegen, zich straalsgewijze
-in verschillende richtingen heeft verspreid; dat zijn verhuizingen over het algemeen
-plaats hadden van het Noorden naar het Zuiden en dat zij rassen hebben doen ontstaan,
-waarvan de oudste het verste naar het Zuiden trokken en het minst ontwikkeld waren.
-De hoogere rassen waren die, welke, later verhuizende en zich vestigende in streken
-met bijzonder gunstig klimaat, langzamerhand zijn opgeklommen tot hetgeen wij beschaving
-noemen.
-</p>
-<p>De Mortillet heeft zich met dit onderwerp beziggehouden, en overtuigd, dat de bestaande
-menschheid slechts een resultante en de laatste term is van een reeks achtereenvolgende
-transformaties, onderscheidt hij verschillende menschensoorten: de tertiaire mensch,
-de quaternaire mensch, de tegenwoordige mensch. De mensch van het oudste gedeelte
-van het Quaternaire Tijdvak, waarvan in het Neanderdal, te Denise<a class="noteRef" id="xd31e14432src" href="#xd31e14432">25</a>, te Cannstatt, Spy enz. overblijfselen zijn gevonden, schijnt hem zoo verschillend
-van de tegenwoordige menschen, dat hij er hem niet slechts van scheidt, maar zelfs
-voor de tijden, voorafgaande aan het Quaternaire Tijdvak, een bijzondere soort van
-menschen of pseudo-menschen onderscheidt.<a class="noteRef" id="xd31e14435src" href="#xd31e14435">26</a> Dit waren, gelijk hij het uitdrukt, „voorloopers van den <span class="pageNum" id="pb421">[<a href="#pb421">421</a>]</span>mensch”, waaraan hij den veelbeteekenenden naam van <i>anthropopithecus</i> of „mensch-aap” geeft, omdat hij gelooft, dat zij in de reeks der wezens aan den
-mensch voorafgingen, en een type vormden, dat het midden hield tusschen de tegenwoordig
-levende anthropomorphe apen en den mensch. Wij moeten ze ons voorstellen als wezens,
-die hoog genoeg stonden boven den gorilla en den chimpanzee om vuursteen ruw te kunnen
-bewerken<a class="noteRef" id="xd31e14463src" href="#xd31e14463">27</a> en het vuur te gebruiken, doch niet in staat waren om zich uit zich zelven boven
-dien trap van verstandelijke ontwikkeling te verheffen en een wezenlijk mensch te
-worden, als een ras dus, dat tot de Bosjesmannen en Tasmaniërs ongeveer in de zelfde
-verhouding stond als deze tot ons. Deze hypothese is door ons, onafhankelijk van de
-Mortillet, reeds vroeger uitgesproken (zie aanteekening 11, blz. 295). Wij stellen
-ons die menschapen echter voor als nauw verwant met den stam waaruit de eigenlijke
-mensch zich heeft ontwikkeld, of wellicht zelfs identiek met dien stam, zoodat wij
-hun den aanleg tot hoogere ontwikkeling geenszins ontzeggen (gelijk de Mortillet wel
-schijnt te doen) en houden hen dan zelfs voor een onmisbaren schakel in den stamboom
-van den mensch. Zulk een vorm <i>moet</i> eens hebben bestaan. Zelfs al vond men nimmer overblijfselen van hem of van zijn
-werktuigen of wapenen, vloeit zulks met logische noodzakelijkheid uit Darwin’s theorie
-van de afstamming van den mensch voort! Een geheel verschillende vraag is of die vorm
-in Frankrijk en Portugal voorkwam en reeds in de miocene periode met de anthropomorphen
-van St. Gaudens leefde.
-</p>
-<p>Wij worden er zoodoende toe geleid om te onderzoeken of de vuursteenen, door den abt
-Bourgeois te Thénay verzameld, en die welke later in Portugal zijn verzameld, wezenlijk
-bewerkt zijn, dan wel of het eenvoudig splinters en natuurlijke brokstukken zijn,
-die men bij vergissing voor met voordacht vervaardigde werktuigen heeft aangezien.
-Thénay, waar de oudste dezer vuursteenen zijn ontdekt, behoort tot de onderste miocene
-formatie welke lager ligt dan die van Sansan, waarin men de overblijfselen van anthropomorphen
-heeft gevonden, van welke wij hebben gesproken. Het bestaan (op die breedte natuurlijk)
-van den rhinoceros te dier tijde is nog twijfelachtig, de mastodons waren nog <span class="pageNum" id="pb422">[<a href="#pb422">422</a>]</span>niet verschenen, de olifanten waren nog ver weg, de hipparions, de voorloopers van
-het paard, zouden niet dan lang daarna verschijnen. De buideldieren waren verdwenen
-en de verscheurende dieren werden alleen vertegenwoordigd door typen die het midden
-hielden tusschen tegenwoordig levende geslachten. Geen der diervormen welke den mensch
-op zijn vroegste tochten zouden vergezellen, en die hij zou moeten bestrijden, of
-aan zich onderwerpen, had zich nog vertoond. En toch zou de mensch moeten worden geplaatst
-in deze hem vreemde omgeving, in die wereld, welke als het ware nog slechts de embryo
-was van de tegenwoordige, en zou hij alleen soortelijk niet veranderd zijn! <i>A priori</i> bestaat dus weinig waarschijnlijkheid, dat destijds echte menschen hebben geleefd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Maar hun voorganger dan, soortelijk van den tegenwoordigen mensch verschillende en
-op een lageren trap staande dan hij? Om van diens bestaan in Frankrijk en <span class="corr" id="xd31e14477" title="Bron: Pertugal">Portugal</span> tijdens de miocene periode volkomen overtuigd te worden, zouden meer bewijzen noodig
-zijn, dan men ons heeft geleverd,—eenige weinige vuursteenen, die wellicht met voordacht
-bewerkt zijn, te midden van vele duizenden andere! Het is iets, maar niet genoeg,
-met het oog op de menigte onwaarschijnlijkheden die ons weêrhouden vertrouwen te stellen
-in dergelijke aanwijzingen. Gaudry wijst er ook op, dat wanneer men de gerolde en
-zoogenaamd bewerkte vuursteenen uit den miocenen kalksteen van Thénay in groot aantal
-naast elkander legt, de grens tusschen beide soorten moeilijk is aan te wijzen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>De tertiaire bewerkte vuursteenen welke men in Portugal heeft gevonden, komen uit
-een ongetwijfeld tertiaire zoetwatervorming uit de miocene periode. De Portugeesche
-flora van dien tijd werd gekenmerkt door de aanwezigheid van olmen, populieren, kaneelboomen,
-saponaria’s en tamarinden, welke bewijzen, dat er in Europa een zacht en gelijkmatig
-klimaat heerschte, waarin de mensch zeer gunstige voorwaarden voor zijn ontwikkeling
-zou hebben gevonden. Wanneer wij echter beproeven te bewijzen, dat hij daar toenmaals
-bestond, kunnen wij niets aanvoeren dan een laag zandsteen, waarin stukken kiezel
-voorkomen, gedeeltelijk gebroken, die onderworpen is geweest aan latere afspoelingen
-en atmospherische invloeden, die de tallooze kiezelsplinters verklaren, waarmede de
-grond bedekt is, en waaruit die, welke men meent dat sporen van bewerking vertoonen,
-na lang zoeken zijn uitgezift. Cazalis de Foudouce, die lid was van het Praehistorisch
-Congres te Lissabon in 1880—iemand van erkende bevoegdheid omtrent dergelijke <span class="pageNum" id="pb423">[<a href="#pb423">423</a>]</span>zaken—bezocht de miocene beddingen van Monte Redondo, en rechtvaardigt zijn ongeneigdheid
-om een bepaalde opinie uit te spreken over het al- of niet bewerkt zijn van de zeer
-weinige vuursteenen, welke het mogelijk is te vergelijken met die uit de zoogenaamde
-Moustier periode (waaromtrent later), door te wijzen op de ontblootingen, verschuivingen
-en verwoestingen, welke de lagen hebben ondergaan. Het is niet onmogelijk, dat de
-steenen door den mensch of zijn voorlooper bewerkt zijn. Een daarvan schijnt gevonden
-te zijn in een laag, die sedert haar vorming onaangeroerd was gebleven; maar, al geeft
-men dit toe, is het dan niet beter te wachten dan zulk een groot vraagstuk maar kortweg
-in eens en zonder rechtstreeksch bewijs te beslissen? De Mortillet zelf bevestigt
-niets rechtstreeks dan de echtheid der vuursteenwerktuigen. Hij voegt er bij, dat
-hun geringe grootte hem doet gelooven, dat de wezens welke ze maakten, geen wezenlijke
-menschen kunnen zijn geweest. Den twijfel, dien hij terecht oppert omtrent de makers,
-breiden wij uit tot de werktuigen, en wachten op de resultaten van toekomstige ontdekkingen,
-vóór wij het vraagstuk als opgelost beschouwen. Blijkt dan echter met zekerheid, dat
-in de miocene lagen van Zuid-Europa bewerkte vuursteenen voorkomen, dan houden wij
-het er stellig voor, dat zij afkomstig zijn van wezens, hooger staande dan de anthropomorphen,
-maar lager dan de echte mensch en soortelijk van dezen verschillende, en dat deze
-wezens verwant (of wellicht identiek) waren met de soort, waaruit de echte mensch
-zich ontwikkeld heeft.
-</p>
-<p>Het wordt nog moeielijker de miocene, zoogenaamde bewerkte steenen te beschouwen als
-bewijzen van het bestaan van den echten mensch in Zuid-Europa gedurende het Tertiaire
-Tijdvak, als wij zien, hoe helder licht de te Chelles (bij Parijs) gevonden overblijfselen
-op den mensch van de volgende periode werpen, welke de Mortillet „<i lang="fr">période Chelléenne</i>” noemt, en die de oudste uit het Quaternaire Tijdvak is. De mensch bezat in die periode
-een blijkbare nijverheid—primitief wel is waar; want zij bestaat alleen in het vervaardigen
-van een enkele soort van werktuigen, maar deze zijn toch door hun vorm en grootte
-zoo duidelijk kunstproducten, dat zelfs de meest bevooroordeelde geest geen oogenblik
-kan betwijfelen, dat zij van één en het zelfde ras afkomstig zijn. De te Chelles gevonden
-bewerkte vuursteenen zijn zelfs karakteristieker dan die van St. Acheul, waar dergelijke
-in zoo groot aantal zijn gevonden. De <i>Elephas antiquus</i> van Falconer, de waarschijnlijke stamvorm van den Afrikaanschen olifant en de voorganger
-van den mammouth in Europa, wordt <span class="pageNum" id="pb424">[<a href="#pb424">424</a>]</span>uitsluitend te Chelles te zamen met door den mensch vervaardigde werktuigen gevonden,
-terwijl te St. Acheul de mammouth veelvuldiger wordt gevonden, hoezeer de andere soort
-niet ontbreekt. De mensch uit de „periode van Chelles” zag dus twee soorten van olifanten
-voor elkander plaats maken. Waarschijnlijk veranderde ook langzamerhand het klimaat
-en werd het kouder, zonder echter de levenswijze en nijverheid van den <span class="corr" id="xd31e14495" title="Bron: menskh">mensch</span> te veranderen. Op den duur bleef echter de werking van de physiologische en biologische
-gebeurtenissen waarvan Europa het tooneel werd, invloed op den quaternairen mensch
-uitoefenen en het ras van Chelles, overgaande in dat van Moustier, veranderde langzamerhand
-zijn levenswijze en leerde andere werktuigen vervaardigen. Deze ontwikkeling behoeft
-volstrekt niet plotseling in haar werk te zijn gegaan, daar zij het gevolg was van
-de eischen van een zeer langzaam kouder wordend klimaat. In den beginne waren de dieren,
-planten en klimaat die van het tegenwoordige Noord-Afrika, en waren de levensomstandigheden
-voor den mensch uitstekend. De mensch van Chelles leefde in de open lucht, wellicht
-in hutten van licht vlechtwerk, maar woonde niet in holen en was niet gewoon zijn
-dooden te begraven. Deze feiten verklaren den overvloed van werktuigen uit dien tijd
-in aanslibbingen, het ontbreken daarvan in de holen, waarin de mensch in de volgende
-perioden een schuilplaats zocht, en de zeer groote zeldzaamheid van menschenbeenderen.
-Het groote aantal werktuigen, in verschillende deelen van Frankrijk gevonden, geven
-den indruk van een werkzame en dichte bevolking, wier vreedzame uitbreiding gedurende
-vele eeuwen door geen ongelukkige gebeurtenissen werd verhinderd. Door het vinden
-van geheel gelijksoortige steenen werktuigen (behalve dat de steensoort natuurlijk
-verschilt, al naar de petrographische gesteldheid der vindplaatsen) heeft men sporen
-van dit zelfde menschenras teruggevonden in België, Engeland, Moravië, Duitschland,
-Spanje Portugal, Italië, Barbarije, Egypte, en zelfs aan de Kaap de Goede Hoop en
-in Noord-Amerika in de Delaware vallei (New-Jersey) en 4000 kilometers westelijker
-in het bekken van Bridger (Wyoming op 40° à 44° N.B.<span class="corr" id="xd31e14498" title="Niet in bron">).</span>
-</p>
-<p>Het menschenras van Chelles is dus, even voor het klimaat van het ijstijdperk zich
-in Europa begon te doen gevoelen, van uit het Noorden tegelijkertijd Europa en Noord-Amerika
-binnengetrokken en in beide tot de zelfde breedte doorgedrongen.<a class="noteRef" id="xd31e14502src" href="#xd31e14502">28</a> De Noordzee was destijds nog droog land en Engeland met Europa verbonden.
-<span class="pageNum" id="pb425">[<a href="#pb425">425</a>]</span></p>
-<p>De amandelvormige werktuigen uit de „periode van Chelles” mogen, volgens de Mortillet,
-geenszins als eigenlijke bijlen worden beschouwd. Ongeschikt om aan een steel te worden
-bevestigd, hield men ze in de hand vast, waarin ze juist pasten en waarvan het gewicht
-er door werd vergroot, terwijl de punt er uit te voorschijn kwam; de Mortillet geeft
-ze daarom den naam van „<span lang="fr">coup de poing.</span>” Zij konden, al naar de omstandigheden, worden gebruikt als wapen (een soort van
-dolk) of als universaal-instrument, dat onvolkomen onze bijl, mes, beitel, zaag, boor
-enz. verving. Het hoofdwapen van het ras was waarschijnlijk een knots, waarvan alle
-sporen natuurlijk zijn verdwenen.
-</p>
-<p>De langzame ontwikkeling van de verdeeling van den arbeid schijnt plaats te hebben
-gehad in de volgende periode, die van Moustier, welke zich aan die van Chelles nauw
-aansluit, doch in welke de werktuigen, hoewel minder zorgvuldig afgewerkt, toch getuigen
-van meer bekwaamheid, een snellere bewerking en een meer op nuttigheid lettenden geest.
-De werktuigen van deze periode zijn verschillender van vorm en meer tot bijzondere
-doeleinden ingericht<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het klimaat was strenger geworden; de gletschers hadden bijna hun grootste uitgebreidheid
-bereikt; en de mensch uit de „<i>periode van Moustier</i>” was genoodzaakt een schuilplaats te zoeken in holen, waarin de overblijfselen van
-zijn nijverheid even veelvuldig worden aangetroffen als daarbuiten. In andere opzichten
-schijnt het ras en de periode van Moustier eenvoudig een voortzetting te zijn geweest
-van die van Chelles. Alleen ondervond de mensch, onder den drang van nieuwe noodzakelijkheden,
-behoeften welke hij vóór dien tijd niet had gekend. Hij moest arbeidzamer worden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De groote dieren waren in aantal toegenomen, hij moest zich voor zijn verdediging
-wapenen en werd een jager.
-</p>
-<p>Daar men zich geen moeite gaf om aan de dooden een blijvend graf te verschaffen, kunnen
-wij niet verwachten vele beenderen van deze <span class="pageNum" id="pb426">[<a href="#pb426">426</a>]</span>oudste rassen te vinden. Mogelijk plaatsten zij de lijken op boomen, of in op palen
-gebouwde hutten, gelijk sommige Indiaansche stammen heden nog doen, en dat zou een
-reden te meer zijn, waarom hun overblijfselen zijn verdwenen. De twijfelachtige overblijfselen
-van geraamten daargelaten, vindt de Mortillet slechts eenige weinige beenderen, die
-geacht kunnen worden van den mensch uit de periode van Chelles afkomstig te zijn.
-Zij behooren allen tot het ras, dat de Quatrefages en Hamy op zuiver anatomische gronden,
-als een bijzonder uitgestorven menschenras beschreven, en waaraan zij den naam van
-„ras van Cannstatt” hebben gegeven, naar den schedel, daar ter plaatse met olifantsbeenderen
-te zamen gevonden in 1790. Deze schedel, de schedel van Eguisheim bij Colmar, de beenderen
-van Spy, van Denise, de Neanderdalschedel, die van Gibraltar, de kaak van la Naulette,
-die uit het Schipkahol, zijn schier al wat wij er van bezitten, en wij moeten erkennen
-dat zulks zeer weinig is. Genoeg echter om ons het ras in algemeene trekken voor te
-stellen en aan te toonen, dat het lager stond dan de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders
-en Tasmaniërs, ja volgens de Mortillet meer beneden hen dan deze beneden de Europeanen
-staan. De Mortillet gelooft, dat het ras van Cannstatt oploopend, ruw en strijdlustig
-was, en gaat zoover van het het bezit van een gearticuleerde spraak te ontzeggen.
-Dit is alles wat wij met eenige zekerheid weten van de oudste bewoners van Europa
-en van hun geschiedenis. Het gelijktijdig optreden van het ras van Cannstatt of Chelles
-in een zoo groot aantal zoo ver uiteengelegen streken, doet het denkbeeld oprijzen,
-dat het, ten minste oorspronkelijk, niet een bijzonder ras, maar den gemeenschappelijk
-stamvorm van alle latere rassen vertegenwoordigde, die zich op verschillende manieren
-zou wijzigen, toen hij zich op verschillende plaatsen vestigde, waar hij aan uiterst
-verschillende levensvoorwaarden zou zijn onderworpen. „Zijn bloed ging dus over in
-alle latere rassen en kan zich”, zegt de Mortillet, „zelfs in den tegenwoordigen tijd
-door het verschijnen van atavismen openbaren.” Het ras van Cannstatt was dus het origineel
-van hetgeen volgde<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Steeds meer zuidwaarts voorttrekkende, heeft het de aarde bevolkt en is in allerlei
-locale rassen en stammen verdeeld geworden.<a class="noteRef" id="xd31e14540src" href="#xd31e14540">29</a> De periode van Moustier vertegenwoordigt in Europa het tweede bedrijf, en de perioden,
-volgende <span class="pageNum" id="pb427">[<a href="#pb427">427</a>]</span>op die van Moustier, welke de Mortillet (naar plaatsen, waar in Frankrijk typische
-overblijfselen daaruit zijn gevonden) die van de Solutré<a class="noteRef" id="xd31e14567src" href="#xd31e14567">30</a> en van la Madeleine<a class="noteRef" id="xd31e14574src" href="#xd31e14574">31</a> heeft genoemd, stemmen overeen met de tijden, waarin de mensch, zich op bepaalde
-plaatsen gevestigd hebbende, zich langzamerhand wijzigde, en in verschillende opzichten
-de specifieke kenmerken verkreeg, waardoor die rassen zich onderscheidden, hoedanigheden
-ontwikkelde, even verschillend als zijn woonplaatsen, en achtereenvolgens bleef staan
-op allerlei verschillende sporten van de ladder welke hij bestemd was te beklimmen,
-maar die hem alleen kon leiden tot de volle uitoefening zijner edelste vermogens op
-voorwaarde dat hij tot haar hoogste sport zou doorklimmen.
-</p>
-<p>„<i>De periode van Solutré</i><span class="corr" id="xd31e14580" title="Niet in bron">”</span> is slechts een kort overgangstijdperk, dat ons snel tot die van <i>la Madeleine</i> brengt, en schijnt meer een locale, dan een algemeene ontwikkeling te hebben vertegenwoordigd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Beide perioden zijn de uitdrukking van de steeds toenemende koude van het ijstijdperk,
-gedurende hetwelk de groote dikhuidige dieren langzamerhand verdwenen door de toenemende
-ruwheid van het klimaat, en het rendier en het paard zich vermenigvuldigden en de
-plaats daarvan innamen. Het rendier trok uit het Noorden naar Midden-Europa, schoon
-het de zuidelijke deelen daarvan niet bereikte, in talrijke verscheidenheden, die
-echter alle met de nog bestaande rendieren van Lapland verwant waren. Van het paard
-zijn minstens twintigduizend, mogelijk veertigduizend geraamten te Solutré gevonden.
-Geen van beide dieren was toen getemd, en de hond was nog onbekend. De mensch bemachtigde
-de dieren op de jacht, hetzij door hen te dooden, hetzij door hen gebonden mede naar
-zijn woonplaats te voeren. De mammouth was een <span class="pageNum" id="pb428">[<a href="#pb428">428</a>]</span>soort van legendair wezen geworden, in het diepste der wouden verscholen, een voorwerp
-van nieuwsgierigheid, veelvuldig genoeg om ivoor op te leveren en den mensch van dien
-tijd te prikkelen om afbeeldingen van hem te maken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Feitelijk had de mensch uit die periode groote vorderingen in beschaving gemaakt.
-De verdeeling van den industrieelen arbeid was tot stand gekomen. De bewerking van
-den vuursteen was tot groote volkomenheid en fijnheid gebracht en een nieuwe tak van
-nijverheid was er aan toegevoegd, namelijk het bewerken van been, ivoor en rendierhoorn.
-Men maakte verschillende soorten van werktuigen uit bepaalde grondstoffen, de Saporta
-vermeldt punten van werpspietsen en pieken, die hij heeft gezien, welke aan beide
-zijden zeer kunstig waren bewerkt en bestemd om aan houten staven te worden bevestigd;
-ook de schrappers zijn uitstekend geschikt voor het gebruik waartoe zij uitsluitend
-waren bestemd. Van been werden naalden, harpoenen en tot sieraad bestemde voorwerpen,
-zooals beeldhouwwerk, vervaardigd en teekeningen er op gegraveerd. Het rendier, de
-holenbeer en mammouth werden afgebeeld, alsmede de mensch zelf. Deze schijnt altijd
-naakt te zijn voorgesteld. Op een afbeelding van een vrouw, uit deze periode afkomstig,
-ziet het lichaam er uit alsof het met haar was bedekt; wellicht stelt dit echter kleederen
-van dierenhuid voor. Een der afbeeldingen stelt een loopenden man voor met een knots
-over zijn schouders. De mensch wijzigde zich ook al naar de plaats die hij bewoonde,
-en de mensch van la Madeleine levert ons in Europa een der vroegste voorbeelden daarvan
-op. Het ras van Solutré, wiens lanspunten zoo fraai zijn afgewerkt, en het jongere
-en meer artistieke ras uit de holen van Périgord, wiens eenvoudige teekeningen en
-primitieve beeldhouwwerken wij bewonderen, vertoonen ons de eerste pogingen van dien
-geest van initiatief, die, na bij sommigen van hen tot ontwikkeling te zijn gekomen,
-hen leidde tot uitvindingen op stoffelijk gebied en tot ideale concepties, en door
-deze kwam de mensch allengs tot die hoogere ontwikkeling welke wij beschaving noemen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Gelijk de Mortillet aantoont, waren de menschen van la Madeleine jagers, actief, vernuftig
-en vatbaar om levendige gemoedsindrukken te ontvangen van de omringende natuur. Zij
-hadden een tehuis, vreugde en zorgen, vierden jachtfeesten en wisten zich te vermaken
-met het vervaardigen van primitieve beeldhouwwerken teekeningen en versierselen. Zij
-hadden verschil van stand en opperhoofden; want zij bezaten eereteekenen en commandostokken.
-Maar dit was alles. Zij <span class="pageNum" id="pb429">[<a href="#pb429">429</a>]</span>kenden den landbouw niet, bezaten geen huisdieren, en begroeven hun dooden niet: indien
-zij de eene of andere bijzondere handelwijze omtrent hen in acht namen, plaatsten
-zij hen op boomen of in hutten op palen in de open lucht; en dit is waarschijnlijk
-de reden, dat men zoo weinig overblijfselen van hun skeletten vindt.
-</p>
-<p>Is het mogelijk zich een denkbeeld te maken van het lichamelijk voorkomen en de osteologische
-eigenaardigheden van den mensch van la Madeleine? Men dacht, dat de talrijke menschenbeenderen,
-te Cro-Magnon gevonden met voortbrengselen van kunstvlijt uit de periode van la Madeleine,
-van het kunstlievende ras van Périgord afkomstig waren; doch de Mortillet bestrijdt
-dit en tracht aan te toonen, dat de plaatsen waar men die overblijfselen vond, te
-huis behooren in een volgende periode, die van <i>Robenhausen</i> (waarmede het <i>Neolithische Tijdvak</i> begint). Hij beweert het zelfde omtrent de te Furfooz, te Aurignac, te Mentone gevonden
-schedels en geraamten. De menschenbeenderen van Eyzies (zie aant. 25 blz. 49) zijn
-echter waarschijnlijk van dit ras afkomstig.
-</p>
-<p>Volgens de Mortillet was het Europeesche ras van la Madeleine slechts een voortzetting
-van dat van Chelles en Moustier. Vermengingen door immigratie en het gelijktijdig
-bestaan van onderscheidene rassen, verschillend van schedelvorm, vonden volgens hem
-in Midden-Europa eerst plaats na het einde van het Quaternaire Tijdvak, toen de mammouth
-geheel was uitgestorven en het rendier zich weder naar het Noorden had teruggetrokken.
-Toen brak de tijd aan, waarin het klimaat zich weder verbeterde, de gletschers zich
-tot den voet der bergen terugtrokken en de verdeeling van land en zee in West-Europa
-meer en meer de zelfde werd als tegenwoordig: het <i>Neolithische Tijdvak</i> begon. Dit was een tijdvak van voortdurende ontwikkeling en werkzaamheid, waarin
-de vooruitgang ons langzamerhand, stap voor stap, brengt tot de uitvinding der metalen
-en de morgenschemering der geschiedenis. Dat Neolithische Tijdvak duurde echter zeer
-lang en wordt in vele kleinere perioden verdeeld. Het duurde nog zeer vele eeuwen
-vóór men de metalen ontdekte, en tot zoolang was steen nog steeds de eenige grondstof
-voor eigenlijk gezegde werktuigen; men sleep en polijstte echter den steen. Eenige
-weinige kunsten en bedrijven, die het noodzakelijke uitgangspunt zijn van elke maatschappij,
-begonnen te worden uitgeoefend; daaronder de temming van nuttige dieren, te beginnen
-met den hond, de veeteelt dus; later de landbouw, dus de cultuur van enkele voedselopleverende
-planten; de kunst om aardewerk <span class="pageNum" id="pb430">[<a href="#pb430">430</a>]</span>te maken (<span class="ex">waarvan</span> de beginselen echter reeds tot het Palaeolithisch Tijdvak opklimmen), en eindelijk
-het bijeenwonen der menschen in dorpen, met het oog op gemakkelijker verdediging en
-op het nakomen van godsdienstvoorschriften. Overblijfselen uit dit tijdvak worden
-in alle werelddeelen en door geheel Europa, van Skandinavië tot Zwitserland, en van
-het hart van Frankrijk tot het Zuiden van Italië toe gevonden. Ook deze te bespreken
-en onze schets van de oorspronkelijke geschiedenis van den mensch tot den bronstijd
-toe voort te zetten, ligt buiten ons bestek. Het was het tijdvak der kjökkenmöddinger,
-der paaldorpen en der hunebedden (dolmen), en in hetzelve begon de mensch in Europa
-de kinderschoenen te ontwassen. Ofschoon hij (ten minste in ons werelddeel) onbekend
-was met de metalen en slechts in het bezit van een rudimentairen landbouw en nijverheid,
-ofschoon zijn voedsel nog schaarsch was en zijn leven door vele gevaren werd bedreigd,
-was hij reeds begonnen gerst en tarwe te zaaien, weefde hij van vlas ruwe kleederen,
-maakte hij aardewerk en bakte dat in het vuur, en bouwde hij wezenlijke gedenkteekenen
-voor zijn dooden, kunstmatige voorstellingen van grotten, vervaardigd door ruwe steenblokken
-opeen te stapelen. Godsdienstige gebruiken, een soort van weelde in de voorwerpen
-van dagelijksch gebruik, genees- en heelkundige practijken, zooals het trepaneeren,
-kwamen in zwang. Wij gevoelen, dat wij hier de morgenschemering aanschouwen van groote
-uitvindingen en reusachtige inspanning, die den weleer uiterst engen kring der kennis
-en van de kunstvlijt meer en meer zouden verruimen.
-</p>
-<div id="ch7bn" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e484">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en7b.1" class="first">(<a href="#en7b.1src">1</a>) Wij zouden, liever dan hier aan Salomo’s Ophir te denken, geneigd zijn de ruïnen
-in Zuid-Afrika toe te schrijven aan het in de oudheid beroemde volk, dat bij de Grieken
-onder den naam van Macrobiërs bekend was. Herodotus (III, 17–25) verhaalt, dat eigenlijk
-tegen hen de tocht van Cambyses gericht was, die, volgens sommige berichten (Dion.
-p. 38), tot Meroë zou zijn doorgedrongen, en in elk geval tot ver bezuiden de grens
-van Egypte kwam. Volgens Herodotus woonden deze Macrobiërs aan de <i>zuidelijke</i> zee (d.i. den Indischen Oceaan) aan het <i>uiterste</i> einde der aarde, en had Cambyses, toen hij den tocht opgaf, nog niet het <i>vijfde</i> deel van den weg naar hen afgelegd. Een eenvoudige meting op de kaart kan bewijzen,
-dat Herodotus vrij nauwkeurig wist, hoever Afrika’s zuidkust van Egypte verwijderd
-was, en dat de Macrobiërs, als wij zijn bericht streng opvatten, nabij de Kaapkolonie
-moeten hebben gewoond.<a class="noteRef" id="xd31e14626src" href="#xd31e14626">32</a> De Macrobiërs bezaten volgens Herodotus <span class="pageNum" id="pb431">[<a href="#pb431">431</a>]</span>een stad, voor de overblijfselen waarvan ik de ruïnen van Zimbalye houd; het goud
-was onder hen het algemeenste metaal, zoodat zelfs de boeien der gevangenen in de
-gevangenis daaruit bestonden (dit stemt overeen met de goudrijkheid van Transvaal
-en Matabeleland en de sporen van overoude ontginningen van goudmijnen aldaar). Zij
-kenden echter het brood niet en voedden zich met vleesch, hetgeen overeenstemt met
-het feit, dat ook de Kaffers en hun verwanten en de Hottentotten herdersvolken zijn,
-en ook met den grooten rijkdom van Zuid-Afrika (nog heden) aan grof wild (vele soorten
-van antilopen), dat een uitstekend voedsel oplevert. Macrobiërs, een naam van hun
-ondersteld lang (makros) leven (bios) afgeleid, kan echter de wezenlijke naam van
-dit volk evenmin zijn geweest als Kaffer (kafir = ongeloovige) die van de Kaffers,
-of Bantu’s (Bantu = mensch) die van de Bantuvolken is. In elk geval meenen wij te
-hebben aangetoond, dat er wel degelijk historische berichten zijn omtrent het bestaan
-van een beschaafd, stedenbouwend, goudmijnenontginnend volk in Zuid-Afrika, eenige
-eeuwen vóór het begin onzer jaartelling.
-</p>
-<p id="en7b.2">(<a href="#en7b.2src">2</a>) Als men nagaat, dat als de zeespiegel 1000 vademen daalde, het Zuidpoolland (waarvan
-wij ten stelligste het bestaan aannemen, schoon de kustlijn op het kaartje gedeeltelijk
-hypothetisch is) door juist zulke nauwe straten van Zuid-Amerika en Nieuw-Holland
-zou zijn gescheiden als Madagascar van Afrika en Nieuw-Zeeland van Nieuw-Holland<a class="noteRef" id="xd31e14651src" href="#xd31e14651">33</a>; als men verder bedenkt, dat in zeer ouden tijd Madagascar ongetwijfeld met Afrika<a class="noteRef" id="xd31e14660src" href="#xd31e14660">34</a> en Nieuw-Zeeland met Nieuw-Holland samenhing, is de onderstelling niet gewaagd, dat
-wellicht Zuid-Amerika eens met het Zuidpoolland en dit met Nieuw-Holland en over den
-Indischen Archipel met Azië samenhing; in welk geval natuurlijk, als die samenhang
-viel in den tijd dat het Zuidpoolland een warm of gematigd klimaat bezat, organismen
-van daar wel degelijk in Zuid-Amerika en Nieuw-Holland <span class="pageNum" id="pb432">[<a href="#pb432">432</a>]</span>en uit het laatste in Azië<a class="noteRef" id="xd31e14666src" href="#xd31e14666">35</a> konden komen. Den evenaar konden zij echter ook dan niet overkomen vóór deze genoeg
-was afgekoeld om organisch leven toe te laten. Dan zouden zij echter, nadat de evenaar
-tot dien graad was afgekoeld, met de in de grootere vastelanden van het Noordelijk
-Halfrond ontstane organismen in concurrentie zijn gekomen, en daardoor waarschijnlijk
-op de zelfde wijze zijn verdrongen als de fauna en flora van Nieuw-Holland en <span class="corr" id="xd31e14670" title="Bron: Nieuw Zeeland">Nieuw-Zeeland</span> tegenwoordig terugwijkt voor de Europeesche.
-</p>
-<p>Als men de duizend vademenlijn beschouwt als de eigenlijke grens van het vasteland,
-ziet men hoe het vasteland op aarde een bijna gesloten kring om den wereldbol maakt,
-die over beide polen loopt<a class="noteRef" id="xd31e14675src" href="#xd31e14675">36</a> en krijgen wij een bijna even regelmatige verdeeling der continenten als op de planeet
-Mars, waar deze den bol echter in den vorm van een slechts een flauwen hoek met den
-evenaar makenden ring omgeven, zoodat de evenaar zelf, daar deze ring breed is, overal
-door land, met enkele nauwe straten er door, wordt bedekt. Die regelmatigheid wordt
-nog grooter als wij ons Afrika door de zee bedekt denken, daar zich dan aan weerszijden
-van den over de polen loopenden ring van continenten twee, gelijk men met één oogopslag
-ziet<a class="noteRef" id="xd31e14678src" href="#xd31e14678">37</a>, nagenoeg even groote Oceanen uitstrekken
-</p>
-<p>Er is gegronde reden om de lijn van 1000 vademen ongeveer als de eigenlijke grens
-der continenten aan te nemen. Buiten deze lijn wordt de Oceaan spoedig veel dieper,
-zoodat men buiten die lijn bijna overal diepten van 2000 tot 3000 vademen aantreft.
-</p>
-<p>Hoe volslagen ontoereikend de gesteentemassa’s van het vasteland zouden zijn om die
-ontzettende diepten te vullen, blijkt hieruit, dat het vasteland (dat daarenboven
-slechts 7⁄25 of iets meer dan ¼ van de oppervlakte van den Oceaan beslaat) gemiddeld
-volgens Krümmel slechts 440 M., volgens von Tillo 693 M. boven den zeespiegel uitsteekt.<a class="noteRef" id="xd31e14740src" href="#xd31e14740">38</a> Werd een deel van het diepe gedeelte<a class="noteRef" id="xd31e14747src" href="#xd31e14747">39</a> <span class="pageNum" id="pb433">[<a href="#pb433">433</a>]</span>van den Oceaan door rijzing droog, dan zoude, daar de vaste bestanddeelen der geheele
-aarde niet toenemen, een even groot volumen, dus een zeer veel grootere oppervlakte
-van het vasteland moeten dalen, en om een eenigszins aanzienlijk gedeelte van den
-diepen Oceaan droog te doen worden, zou bijna het geheele vasteland beneden den zeespiegel
-moeten zinken. Alles tenzij men mocht willen aannemen, dat bij de rijzing van een
-gedeelte van den bodem des diepen Oceaans een ander deel van dien bodem zonk tot veel
-grooter diepte dan thans ergens wordt aangetroffen<a class="noteRef" id="xd31e14752src" href="#xd31e14752">40</a>, wat zeer onwaarschijnlijk is. Hierin ligt één bewijs, dat de continenten over het
-geheel vaste trekken in het wezen der aarde zijn, die zich nimmer buiten beperkte
-grenzen, ten ruwe door de lijn van 1000 vademen aangegeven, hebben uitgebreid<a class="noteRef" id="xd31e14755src" href="#xd31e14755">41</a> en ook over het geheel nimmer gedeeltelijk door zeeën van meer dan 1000 vademen diep
-zijn bedekt geweest. Waar men op ’t vasteland dikke uit zeewater afgezette formaties
-aantreft, heeft men te denken aan <i>langdurige</i> daling van den bodem eener <i>ondiepe</i> zee die door de zich daarin afzettende bezinksels ook voortdurend ondiep bleef. Een
-tweede bewijs ligt daarin, dat uit diepzeepeilingen blijkt dat de bodem der zeer diepe
-deelen des Oceaans in aard van dien van het vasteland en der ondiepe zeeën afwijkt
-en bestaat uit eigenaardige slijkformaties (geheel bestaande uit overblijfselen van
-in zee levende organismen, zonder eenige inmenging van slib of zand) en brokstukken
-van gesteenten, waaronder men overal vele van vulkanischen aard, en ook een goed herkenbaar,
-uit de wereldruimte afkomstig (meteorisch) gedeelte onderscheidt, welk laatste natuurlijk
-op ’t vasteland evengoed neêrvalt, maar daar zeer spoedig door de verweering geheel
-onkenbaar wordt.<a class="noteRef" id="xd31e14767src" href="#xd31e14767">42</a>
-</p>
-<p>De projectie in twee halfronden, waarvan de polen het midden innemen, is daarom <i>veel beter voor ons doel</i> dan de door Wallace („<span lang="en">Darwinism</span>”, blz. 348) gevolgde Mercatorprojectie, omdat daaruit ten duidelijkste blijkt, dat
-de vroegere samenhang tusschen Amerika en Europa-Azië niet slechts bestond in tijdelijke
-landbruggen, nu eens over de Behringstraat, dan weder over IJsland en Groenland, maar
-dat beide vastelanden oudtijds één geheel uitmaakten, waarover de passage even ruim
-en vrij was als thans b.v. tusschen Canada en de Vereenigde Staten of tusschen Rusland,
-Polen en Duitschland. In de tweede plaats omdat er ten duidelijkste uit blijkt wat
-de beteekenis is der vreemdsoortige verlengstukken van minder dan 1000 vademen diep,
-die Wallace bezuiden Van Diemens Land en ten zuiden en zuidwesten van Kaap Hoorn teekent;
-op onze kaart blijken zij de verbinding te zijn tusschen Zuid-Amerika en Nieuw-Holland,
-<i>over het Zuidpoolland heên</i>, en noodzakelijke schakels in de rangschikking van het vasteland in een over beide
-polen loopenden ring, met twee nagenoeg gelijke oceanen aan weêrszijden, welke merkwaardige
-symmetrie wij meenen, dat vroeger nog nimmer door iemand is opgemerkt.
-<span class="pageNum" id="pb434">[<a href="#pb434">434</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e14022">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14022src">1</a></span> Vrij bewerkt naar een opstel van den markies G. de Saporta, „<span lang="fr">Un Essai de Synthèse Paléoethnique</span>”, voorkomende in de „<span lang="fr">Revue des deux Mondes</span>” van 1 Mei 1883. Deze belangrijke studie werpt een geheel nieuw en verrassend licht
-op het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de verspreiding der menschenrassen,
-om welke reden wij een vrije bewerking met menigvuldige uitbreidingen daarvan als
-aanhangsel aan het eerste gedeelte van Darwin’s „Afstamming v. d<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Mensch” toevoegen.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">Dr. H.&nbsp;H.&nbsp;H. v. Z.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14022src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14041">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14041src">2</a></span> In het jaar 450 v. Chr. vertoonde de Egyptische priester aan Herodotus aan de buitenzijde
-van den grooten tempel te Thebe de 345 houten beelden der voormalige opperpriesters,
-welke gedurende even zoovele menschenleeftijden van vader op zoon te Thebe hadden
-geheerscht (Herod. II, 143). Stellen wij een menschenleeftijd op 30 jaar, dan geeft
-dit reeds meer dan 10000 jaren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14041src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14048" lang="fr">
-<p class="footnote" lang="fr"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14048src">3</a></span> „La préhistorique antiquité de l’homme”, par M. Gabriel de Mortillet; „Musée préhistorique”
-par M.M. Gabriel et Adrien de Mortillet; Paris 1883 et 1881.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14048src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14060">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14060src">4</a></span> Andere berekeningen klimmen tot 11000 jaar! Er liggen te Robenhausen drie paaldorpen
-<i>boven</i> elkander in het veen bedolven!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14060src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14067">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14067src">5</a></span> Deze berekening geeft waarschijnlijk een te hooge uitkomst, daar nieuwere waarnemingen
-hebben bewezen, dat druipsteen zich veel sneller kan vormen dan men vroeger aannam
-en niets ons waarborgt, dat die druipsteen zich steeds met eenparige snelheid heeft
-verdikt (zie „Alb. d. Nat.”, 1888. Wet. Bijblad, blz. 31). Ging de druipsteenvorming
-echter vóór den Romeinschen tijd tienmaal sneller dan daarna, wat onwaarschijnlijk
-is, dan komen wij nog tot een minimum van vijf-en-twintigduizend jaar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14067src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14070">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14070src">6</a></span> Als men de nieuwere theorie van O. Torell aanneemt, waren die veranderingen in Noord-
-en Centraal-Europa echter veel minder groot dan men vroeger meende, wat natuurlijk
-ook op den berekenden tijd invloed moet oefenen. Vergelijk mijn stuk „Het diluvium
-der Nederlandsch-Noordduitsche vlakte” in „Isis”, 1881, blz. 97.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14070src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14079">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14079src">7</a></span> Tot veel matiger berekening (ofschoon altijd nog ver over de vroeger door de theologen
-op grond van den bijbel aangenomen oudheid van het menschdom) leidt de theorie van
-den bekenden sterrekundige R. Falb, volgens welke geregeld perioden van grootere koude
-en grootere warmte, elk van 10500 jaren elkander zouden afwisselen (R. Falb, „<span lang="de">Das Wetter und der Mond</span>”, Wien 1887). In vroegere geologische tijdvakken dan het diluvium, tijdvakken, waarin
-èn de zon èn de aarde warmer waren dan tegenwoordig, behoeven de maxima van koude
-zich niet gekenmerkt te hebben door vorst en gletschers, maar toch waren zij kouder
-dan de minima. De voorlaatste ijsperiode kenmerkte zich daarentegen door buitengewoon
-sterke uitbreiding der gletschers. Zij valt in het zoogenaamde diluvium.
-</p>
-<p class="footnote cont">Deze theorie geeft voor de maxima en minima van koude (alleen de laatste en eerstvolgende
-duizendtallen van jaren in aanmerking nemende) de volgende jaren.
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Minimum </td>
-<td class="xd31e14089 cellTop">19850 </td>
-<td class="cellRight cellTop">jaren v. Chr. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Maximum </td>
-<td class="xd31e14089">14600 </td>
-<td class="cellRight">jaren v. Chr. (voorlaatste ijstijd, <i>groote ijstijd</i>). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Minimum </td>
-<td class="xd31e14089"> 9350 </td>
-<td class="cellRight">jaren v. Chr. (interglaciaire periode). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Maximum </td>
-<td class="xd31e14089"> 4100 </td>
-<td class="cellRight">jaren v. Chr. (laatste ijstijd). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Minimum </td>
-<td class="xd31e14089"> 1150 </td>
-<td class="cellRight">jaren <i>na</i> Chr. (midden der tegenwoordige interglaciaire periode). </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Maximum </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"> 6400 </td>
-<td class="cellRight cellBottom">jaren <i>na</i> Chr. (eerstvolgende ijstijd.) </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">Nemen wij dus aan (gelijk nader zal worden uiteengezet) dat de poolgewesten de bakermat
-van het menschdom zijn geweest en het daaruit door het kouder worden van het klimaat
-naar het Zuiden is verhuisd, dan zou, als Falb’s theorie juist was, die verhuizing
-tusschen 19850 en 14600 jaren v. Chr. begonnen zijn. In 14600 was dan zelfs Scandinavië
-voor den mensch onbewoonbaar en begint in Centraal- en Zuid-Europa de palaeolithische
-periode. Het rendiertijdperk in Europa kunnen wij dan omstreeks 9350 j. v. Chr. plaatsen.
-Omstreeks 4100 v. Chr. begint in Europa de neolithische periode of het tijdperk van
-den geslepen steen (dit komt dus vrij goed uit met den op geheel andere gronden berekenden
-ouderdom van het paaldorp te Robenhausen, zie blz. 401). In dien tijd zullen door
-de groote atmosferische neêrslagen vele tegenwoordige woestijnen in Azië en Afrika
-vruchtbaar zijn geweest; in Centraal-Europa was toen om de zelfde reden groote uitbreiding
-der gletschers en groote waterrijkdom der rivieren. Dat het in Europa in den Romeinschen
-tijd niet zoo warm was als in de 12e eeuw, maar dat daarentegen na de 13de eeuw het
-klimaat van Europa <span class="corr" id="xd31e14142" title="Bron: voorturend">voortdurend</span> kouder is geworden, wordt door vele oude berichten aangetoond (vergelijk Prof. v.
-Hall, in „Alb. d. Natuur”, 1861, blz. 27), en dat ook in de laatste tientallen jaren
-de daling der gemiddelde jaarlijksche temperatuur zeer merkbaar voortgaat, is een
-feit, waarop nog onlangs door C. Flammarion is gewezen, alles geheel in overeenstemming
-met Falb’s minimum, 1150 na Chr.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14079src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14156">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14156src">8</a></span> Van Diemens Land moet worden beschouwd als de zuidpunt van Nieuw-Holland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14156src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14163">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14163src">9</a></span> Ofschoon de Azteken nog slechts kort beschaafd waren, waren zij door andere volken
-voorafgegaan, wier beschaving zij overnamen. Men kan de oudheid der Mexicaansche beschaving
-vóór Cortez’ tijd, van haar eerste begin af, gerust op een paar duizend jaar stellen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14163src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14170">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14170src">10</a></span> A.&nbsp;H. Sayce, een der <i>hoogste</i> autoriteiten in Europa op dit gebied, zegt („<span lang="en">Nature</span>” en daaruit vertaald in „Isis”, 1876, blz. 84), dat de Babyloniërs tusschen 4000
-en 3000 jaren vóór het begin onzer jaartelling Mesopotamië binnentrokken en daarna
-veroverden, maar er reeds een beschaafd volk (de zoogenaamde Akkadiërs) gevestigd
-vonden. De stellig historische tijd van China begint met de dynastie Hia (van 2207–1767
-v. Chr.), hun half-mythische tijd met den keizer Fo-hi, die tusschen 3468–2952 v.
-Chr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> zou hebben geregeerd, of volgens Prof. G. Schlegel te Leiden 2852 v. Chr. Deze noemt
-(„<span lang="fr">Uranographie Chinoise</span>”, Leiden, Brill, 1875, blz. 754) nog vijf oudere keizers op. Volgens dezen laatste
-is de Chineesche beschaving echter nog veel ouder, en zouden de Chineezen vóór ongeveer
-19000 jaren de sterrenbeelden hebben uitgevonden (ib. blz. 704) en toen ongeveer even
-beschaafd zijn geweest als de tegenwoordige wilde bewoners der Zuidzee-eilanden, van
-de binnenlanden van Afrika, Sumatra en Borneo, en onder keizer Yao (2357 v. Chr.)
-even beschaafd als de Egyptenaars van dien tijd (ib. blz. 749 en 773).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14170src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14183">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14183src">11</a></span> Ook Voor-Indië in het Noorden waarvan zich reeds zeer vroeg een zelfstandig middelpunt
-van beschaving vormde, verdient hier te worden genoemd. In Amerika vinden wij nabij
-den Steenbokskeerkring Peru als een tweede middelpunt van beschaving. Wèl lag dit
-dichter bij de linie, maar wegens de grootere hoogte boven den zeespiegel in dergelijk
-klimaat als Mexico. Het uitgangspunt der Peruaansche beschaving lag waarschijnlijk
-aan het meer Titicaca op 16° Z.B. De Peruaansche beschaving, die ook op dergelijke
-wijze onderging als de Mexicaansche, schijnt van deze laatste geheel onafhankelijk
-te zijn ontstaan. Beide volken kenden elkander in de vijftiende eeuw niet. Toch vertoonen
-hun oudheden onmiskenbare sporen van gelijkenis. In Zuid-Afrika ontdekte Karl Mauch
-in 1871 de grootsche ruïnen van Zimbalye. Er moeten zich in die streek nog verscheidene
-andere bouwvallen bevinden. Hun oorsprong ligt geheel in het duister. Geheel ten onrechte
-heeft men ze met Salomo’s Ophir in verband gebracht. Uit Ophir kwamen zoowel apen
-als pauwen, en Indië is het eenige land, waar deze beide diervormen naast elkander
-voorkomen. <b>(<a href="#en7b.1" id="en7b.1src">2</a>)</b> De ruïnen van Zimbalye liggen op den 20sten graad Zuiderbreedte, 32 graden Oosterlengte
-van Greenwich, ongeveer 50 mijlen ten Westen van Sofala, niet ver van de rivier Sabia,
-die de wateren van het Matoppogebergte naar Sofala afvoert. Hier staat op een 400
-voet hoogen granietklomp nog een geweldig groot stuk ruïne, dat deels uit de rotsen
-gehouwen, deels met muren opgebouwd is. Het is met zigzagvormige voorwerken omgeven,
-die het als vesting kenmerken. Dicht daarbij ziet men op eene gneisplaat nog eene
-„rondeau”, dat door voorwerken met de vesting verbonden is. In het midden staat een
-ronde toren, die door een dubbelen muur omsloten wordt. In puin gevallen vertrekken
-en gangen <span class="pageNum" id="pb407n">[<a href="#pb407n">407</a>]</span>laten den vroegeren vorm nog raden. Mauch vernam van een ouden priester, dat de toren
-„het huis van de koningin” heette. Iedere drie of vier jaar gaat het volk daar naar
-toe om te offeren. Door den Portugees de Barros (zestiende eeuw) wordt medegedeeld,
-dat hier een gedeelte van den hofstaat van den koning van Monomotapa heeft gewoond.
-De ruïnen van Zimbalye zijn echter ongetwijfeld veel ouder dan den tijd der Arabieren
-en Portugeezen, en schijnen te bewijzen, dat eens ook in Afrika onder den Steenbokskeerkring
-een zelfstandig, geheel ondergegaan middelpunt van beschaving lag. Ruïnen in de Kalahari-woestijn,
-waarvan wij voor eenige jaren een afbeelding in het Fransche Tijdschrift „<span lang="fr">Le Tour du Monde</span>” zagen, bevestigen dit gevoelen<span class="corr" id="xd31e14196" title="Bron: ,">.</span> Zoo ook een soort van schriftteekens (zie de afbeelding bij J.&nbsp;C. Voigt, „Een belangrijke
-ontdekking” in „Eigen Haard” 1890, No. 1, blz. 15), die men in een voorhistorische
-mijnschacht in Transvaal heeft gevonden. Met Egyptische hiëroglyphen hebben deze niets
-te maken; wèl zijn er teekens bij, die aan onze letters X, Y en O en aan de Grieksche
-letter π herinneren, maar dit zal wel een louter toeval zijn. Men vindt in het aangehaalde
-stuk nog verschillende bijzonderheden omtrent de ruïnen van Zimbalye en een bezoek
-daaraan in den zomer van 1889 door zekeren Posselt uit Transvaal gebracht. Deze middelpunten
-van beschaving op het Zuidelijk Halfrond zijn echter zonder invloed op de ontwikkeling
-van het menschdom als geheel gebleven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14183src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14211">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14211src">12</a></span> Markies de Nadaillac bespreekt deze quaestie uitvoerig in zijn „<span lang="fr">Amérique préhistorique</span>”, Paris 1883. Hoever echter enkele wilde stammen zich ook over uitgestrekte zeeën
-hebben verplaatst, bewijzen de landverhuizingen der Polynesiërs, die legenden daaromtrent
-hebben bewaard, welke men kan vinden in Waitz, „<span lang="de">Anthropologie der Naturvölker.</span>” Zij kwamen uit den Maleischen Archipel (waarheên zij oorspronkelijk waarschijnlijk
-uit Achter-Indië verhuisd waren) naar den Samoa-archipel en verspreidden zich van
-dezen uit over de Sandwich-eilanden, Tahiti en Nieuw-Zeeland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14211src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14220">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14220src">13</a></span> Zie Otto Kuntze, „De oudheid van Amerika’s oorspronkelijke bevolking bewezen door
-haar cultuurplanten” in „Isis”, 1878, blz. 331.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14220src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14229">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14229src">14</a></span> De Bosjesmannen zijn eenerzijds verwant met de dwergstammen, die men als overblijfselen
-van de oudste bevolking van Centraal-Afrika kan beschouwen, anderzijds met de Hottentotten.
-De Hottentotten naderen, vooral door den aard van hun haar (vergelijk aanteekening
-2, blz. 370), tot de Papoea’s, waartoe ook de Tasmaniërs behooren. Dat ook in Zuid-Amerika
-eens een met de Papoea’s verwant volk leefde, heeft het nader onderzoek der schedels
-van Lagoa-Santa bewezen (vergelijk aanteekening 5, blz. 374). Deze met de Papoea’s
-en Hottentotten verwante menschen zijn in Zuid-Amerika door de Roodhuiden verdrongen,
-wier laagst ontwikkelde stammen (de Vuurlanders) thans het uiterste Zuiden van dat
-werelddeel bewonen. Alles wijst er dus op dat een zelfde ras van menschen met wolachtig,
-in bosjes groeiend kroeshaar, de eerste bevolking was, die zich van uit de bakermat
-van het menschdom over de verschillende vastelanden verspreidde. Wellicht was dit
-het uitgestorven ras van Cannstatt, dat ook in Amerika schijnt te zijn doorgedrongen.
-De tweede bevolking waren in de Oude Wereld donkergekleurde menschen, gedeeltelijk
-met wolachtig, gelijkmatig over de schedelhuid verspreid kroeshaar (gelijk de Kaffers
-en Negers), gedeeltelijk sluikharig gelijk de Nieuw-Hollanders, en ook tot deze kan
-het ras van Cannstatt hebben behoord, dat wellicht ook de stam zoowel van deze rassen
-als van het eerstgenoemde, met de Papoea’s en Hottentotten verwante ras was<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Daarop volgen in de Oude Wereld de Dravida’s en Nubiërs (in de beteekenis die Haeckel
-(zie blz. 379) aan die woorden geeft; ook den naam Nieuw-Hollanders gebruiken wij
-hier om een bepaald ras aan te duiden, en geenszins in den zin van inboorlingen van
-Nieuw-Holland, schoon deze tot dat ras behooren), en de <span class="corr" id="xd31e14233" title="Bron: Maleiërs">Maleiers</span>. Op deze laatsten volgen weldra de Mongolen, die zich van uit het Noorden <span class="pageNum" id="pb411n">[<a href="#pb411n">411</a>]</span>van Azië Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts (ook over een groot deel van Europa)
-verspreiden (de Dravida’s worden teruggedrongen naar Voor-Indië, de Maleiers naar
-Malakka en den Maleischen archipel en waarschijnlijk ook over Formosa naar de Philippijnsche
-eilanden) en in Amerika de Roodhuiden en Eskimo’s. De Roodhuiden der Vereenigde Staten
-bezitten overleveringen die wijzen op een herkomst uit een koud land, waar veel ijs
-en sneeuw voorkwamen. (Zie „<span lang="en">Historical and Statistical Information, respecting <span class="corr" id="xd31e14240" title="Bron: het">the</span> history, conditions and prospects of the Indian Tribes of the United States, collected
-and prepared under the direction of the bureau of Indian Affairs, by H.&nbsp;R. Schoolcraft,
-published by authority of the Congress</span>”, Philadelphia 1851.) Ook de Azteken waren volgens hun historische overleveringen
-uit <i>noordelijker</i> streken naar Mexico verhuisd, streken waar het sterk sneeuwde en de zomer slechts
-zes weken duurde! Eindelijk komt in de Oude Wereld het blanke ras, dat zich het eerst
-in het Noorden van Europa vertoonde, en over geheel Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië
-uitspreidt, de Mongolen worden teruggedrongen naar Centraal- en Oost Azië, de Dravida’s
-naar het Zuiden van Voor-Indië, de Nubiërs naar Nubië en Soedan. Elk der achtereenvolgende
-golven van landverhuizing dringt de vroegere naar het Zuiden terug of roeit ze geheel
-of grootendeels uit of absorbeert ze, en elke opeenvolgende golf bestaat gewoonlijk
-uit een lichter gekleurd en meer ontwikkelbaar ras. Al deze golvingen hadden plaats
-van het Noorden naar het Zuiden. Vermenging op groote schaal en wijziging gedurende
-de verhuizingen zelve, ten gevolge der veranderde levensvoorwaarden, konden daarbij
-natuurlijk niet uitblijven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14229src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14251">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14251src">15</a></span> Zie blz. 40.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14251src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14260">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14260src">16</a></span> Vergelijk „<span lang="fr">Traité de géologie</span>” par A. de Lapparent, Paris 1883, blz. 1245–1248; Voorts: Lowthian Green, <span lang="en">„Vestiges of the molten Globe”, London, 1875</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14260src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14271">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14271src">17</a></span> Tegen het midden van het Secundaire Tijdvak zijn waarschijnlijk de boomen met afvallend
-loof in de Noordpoolstreken ontstaan (tegen het einde van dat Tijdvak vindt men hun
-overblijfselen in de gematigde luchtstreek). Het afvallen van het loof is voornamelijk
-een adaptatie aan den maandenlangen <i>nacht</i> der poolstreken, en <i>niet</i> (of ten minste in veel mindere mate) aan den <i>winter</i>, daar ook ’s winters het bladgroen in het <i>zonlicht</i> zijn functies kan uitoefenen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14271src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14282">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14282src">18</a></span> Evenzoo zagen wij in aant. 15, blz. 385, dat het Volk der Dolmen zich waarschijnlijk
-in Europa van het Noorden naar het Zuiden, en van Europa via Noord-Afrika naar Indië
-heeft verplaatst. Ook de Ariërs zijn volgens de jongste onderzoekingen een volk dat
-oorspronkelijk in <i>Noord</i>-Europa woonde (zie „Kosmos” 1884, Bd. II<span class="corr" title="Bron: .">,</span> Heft 1, blz. 65 en Prof. S.&nbsp;A. Naber in de Gids van Juli 1884, <span class="corr" id="xd31e14289" title="Niet in bron">„</span><span lang="de">Penka, die Herkunft der Ariër</span><span class="corr" id="xd31e14292" title="Niet in bron">”</span>, Wien 1887), en dus van daar naar Midden- en Zuid-Europa, en Perzië en Indië (en
-niet omgekeerd) is getrokken. De Oude Perzen hadden overleveringen, dat zij kwamen
-uit een land, waaruit zij door het strenger worden van den winter verjaagd waren en
-waar de winter tien en de zomer slechts twee maanden duurde. Dat oorspronkelijk vaderland
-der Mongoolsche volken in <i>Noord</i>-Azië te zoeken is, is bekend. De oude Egyptenaars waren volgens Mariette over de
-landengte van Suez naar Egypte getrokken en kwamen dus ook uit <i>noordelijker</i> streken. Zeer merkwaardig is het, dat ook in latere en zelfs in historische tijden
-verreweg de meeste veroveringen die blijvende ethnologische <span class="corr" id="xd31e14299" title="Bron: veranderiagen">veranderingen</span> <span class="pageNum" id="pb414n">[<a href="#pb414n">414</a>]</span>hebben ten gevolge gehad, zich van het Noorden naar het Zuiden bewogen. Zoo hebben
-de Belgische Kelten, van uit het Noorden komende, de Kymrische Kelten tot over de
-Seine, en de Germanen, uit het Noorden komende, de Belgische Kelten over den Rijn
-teruggedrongen, de Kymrische Kelten verdrongen in Spanje de zuidelijker wonende Iberiërs,
-de Romeinen overwonnen zuidelijker wonende Carthagers en koloniseerden Noordwest-Afrika,
-de Germanen (Gothen, Franken enz.) drongen bij de volksverhuizing van uit het Noorden
-het Romeinsche rijk binnen en verdrongen zuidelijker wonende Romaansche volken, de
-Turken kwamen uit Noord-Azië, toen zij hun eerste invallen in Centraal-Azië en later
-in het nog zuidelijker Klein-Azië, Balkan-schiereiland, Egypte en Noord-Afrika deden.
-Van uit het noordelijker gelegen Malakka drongen de Maleiers den Indischen Archipel
-binnen en drongen de oorspronkelijke zwarte, met de Nieuw-Hollanders verwante bevolking
-terug. In het jaarverslag van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia
-over 1890, door den voorzitter <span class="corr" id="xd31e14304" title="Bron: dr.">Dr.</span> Van der Stok uitgebracht, leest men o.a. omtrent de op regeeringskosten gedane opgravingen
-van <span class="corr" id="xd31e14307" title="Bron: dr.">Dr.</span> E. Dubois in Kediri op Java, dat in de grotten van de afdeeling Ngrowo deelen van
-menschengeraamten werden gevonden, die, evenals een vroeger aan genoemde vereeniging
-toegezonden schedel, de kenmerken vertoonen van het Australische (Nieuw-Hollandsche)
-ras. Blijkbaar hebben dus op Java de Maleiers de Nieuw-Hollanders verdrongen, evenals
-deze waarschijnlijk vroeger zelve de voorouders der Papoea’s Westwaarts van uit den
-Maleischen Archipel naar Nieuw-Guinea en omliggende eilanden en van uit Nieuw-Holland
-naar Van Diemen’s Land drongen. De Moorsch-Arabische bewoners van Noord-Afrika breiden
-zich allengs over Centraal-Afrika uit, Spaansch-Amerika ligt zuidelijker dan Spanje,
-de Vereenigde Staten en de meest bevolkte gedeelten van Canada zuidelijker dan Engeland
-of Frankrijk, Nieuw-Holland, Nieuw-Zeeland, de Kaaplanden, Suriname enz. zuidelijker
-dan Engeland of Nederland, enz. enz. Van volks- of landverhuizingen van het Zuiden
-naar het Noorden met blijvend gevolg zal men daarentegen in de geheele geschiedenis
-nauwelijks een enkel voorbeeld kunnen aanwijzen. De Noorsche kolonisatie van Groenland
-ging te gronde en de tegenwoordige bezittingen der Denen aldaar worden door Eskimo’s,
-niet door een Deensche bevolking (uitgezonderd de ambtenaren), bewoond. De Moorsche
-verovering van Spanje, die hier nog het best zou kunnen worden aangehaald, eindigde
-daarmede dat de Mooren eindelijk toch weêr naar het Zuiden en ten slotte naar <span class="corr" id="xd31e14310" title="Bron: Atrika">Afrika</span> werden teruggedrongen. De geheele geschiedenis is „<span lang="de">im Ganzen und Groszen</span>” beschouwd, een terugdringen en overstroomen van zuidelijke volken door oorspronkelijk
-meer noordelijk wonende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14282src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14338">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14338src">19</a></span> Van hier af tot aan II is grootendeels niet ontleend aan den Markies de Saporta, maar
-(gelijk ook veel van het voorgaande) bijna geheel door mij geschreven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14338src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14343">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14343src">20</a></span> A. Gaudry, „<span lang="fr">Les enchaînements du monde animal</span>”, Paris, 1878.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14343src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14351">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14351src">21</a></span> Lartet maakte uit het in 1856 gevonden onderkaaksfragment op, dat deze aap minder
-vooruitspringend aangezicht dan andere apen zou hebben gehad, dat hij door de afgeronde
-knobbels der kiezen op de Nieuw-Hollanders zou hebben geleken, en dat de „kies van
-verstand” bij hem evenals bij den mensch na den hoektand zou zijn verschenen, zoodat
-hij in al die opzichten nader bij den mensch zou hebben gestaan dan een der thans
-levende anthropomorphen. Uit een tweede, later ter zelfder plaatse gevonden onderkaak
-van een ander individu van <i>Dryopithecus</i> leidt Gaudry thans echter af<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat deze den <i>laagsten</i> trap onder de anthropomorphen bekleedde en dus ongetwijfeld niet de bewerker der
-bedoelde steenen is geweest.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14351src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14377">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14377src">22</a></span> De fjorden en nauwe straten, die thans de pooleilanden onderling en van de vastelanden
-scheiden, zijn waarschijnlijk allen sedert het begin van het Quaternaire Tijdvak door
-ijswerking ontstaan. De Barendszee tusschen Noorwegen, Spitsbergen, Nova-Zembla en
-Frans-Josephsland was ongetwijfeld in een geologisch kort geleden tijd vast land,
-dat zich, wie weet hoever, naar het Noorden uitstrekte. Er bestond dus oudtijds in
-de Noordpoolstreken nog veel meer land dan tegenwoordig, en de Oude en de Nieuwe Wereld
-maakten destijds, <i>over de Pool heên</i>, een nagenoeg onafgebroken geheel uit. Als men een wereldkaart beschouwt, zoo geteekend,
-dat de Noordpool het middelpunt daarvan vormt, en zich de Poolzee voorstelt als nagenoeg
-geheel door land ingenomen, zal men zien, dat Azië, Europa en Noord-Amerika een nagenoeg
-samenhangenden driehoek vormen, waarvan Malakka, Arabië en <span class="pageNum" id="pb418n">[<a href="#pb418n">418</a>]</span>Mexico de hoeken vormen en dat b.v. de Oostkust van Noord-Amerika (van Noord naar
-Zuid) in het verlengde valt van de Westkust van de Roode Zee (van Zuid naar Noord)!
-Men vergelijke het wereldkaartje, blz. 294<span id="xd31e14383"></span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14377src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14388">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14388src">23</a></span> Reeds vroeger kunnen ook overbevolking en oorlogen tusschen stammen tot verhuizingen
-aanleiding hebben gegeven. In 1886 is door de Quatrefages in de zitting der Parijsche
-<span lang="fr">Académie des Sciences</span> van 6 October en in een zitting van het Parijsche Aardrijkskundig Genootschap in
-December 1887 een dergelijk gevoelen uitgesproken. Hij houdt het uiterste Noord-Oosten
-van Azië voor de wieg van het menschdom in het tertiaire tijdvak en laat den mensch
-door de koude gedwongen naar lagere breedten trekken. Het laatstgenoemd denkbeeld
-was door hem ook reeds in 1877 in zijn boek „<span lang="fr">l’Espèce humaine</span>” uitgesproken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14388src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14406">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14406src">24</a></span> Vandaar zouden palaeontologische nasporingen op het Zuidpoolland, zoo zij mogelijk
-waren, buitengewoon belangrijke resultaten beloven! Zoolang de equator te warm was
-om organisch leven toe te laten, maar de polen daartoe genoeg waren afgekoeld, waren
-de dieren en planten van het Noordelijk en Zuidelijk halfrond elkander even vreemd
-alsof zij verschillende planeten bewoonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14406src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14432">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14432src">25</a></span> Onder de lava van een der uitgebrande vulkanen van Auvergne.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14432src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14435">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14435src">26</a></span> Quatrefages houdt het er voor dat dit ras tot het Tertiaire Tijdvak opklimt („<span lang="en">Nature</span>”, 1887, blz. 23). Prof. Fraipont („<span lang="fr">Bull. de l’Acad. royale de Belgique</span>”), aangehaald door A.&nbsp;H. Keane („<span lang="en">Nature</span>”, 1887, blz. 565), brengt het daarentegen tot de zoogenaamde Moustier periode (zie
-onder, blz. 426) en voor jonger dan de „<span lang="fr">période Chelléenne</span>” (zie onder, blz. 423), en dus ook <span class="pageNum" id="pb421n">[<a href="#pb421n">421</a>]</span>dan het nog oudere tertiaire tijdvak. De mensch van „<span lang="fr">la période Chelléenne</span>” en van het Tertiaire Tijdvak zou dus nog dierlijker ontwikkeld zijn geweest dan
-het ras van <span class="corr" id="xd31e14455" title="Bron: Canstatt">Cannstatt</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14435src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14463">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14463src">27</a></span> Zij zouden dit hebben gedaan door hem in het vuur te laten springen en de voor het
-doel geschikte splinters uit te zoeken, en niet door er stukjes af te slaan, gelijk
-de quaternaire menschen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14463src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14502">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14502src">28</a></span> Volgens professor J. Kollmann te Bazel (vergelijk: „Het Varieeren der <span class="pageNum" id="pb425n">[<a href="#pb425n">425</a>]</span>Huisdieren en Cultuurplanten<span class="corr" id="xd31e14506" title="Niet in bron">”</span>, Deel II, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 82) zou ook het <i>blonde</i> menschen-type Europa van uit het <i>Noorden</i> zijn binnengetrokken, wat geheel in overeenstemming met onze hypothese is. Het moet
-dus uit het centrale Noordpoolgebied of uit het uiterste Noordoosten van Azië over
-het centrale Noordpoolgebied naar Europa zijn gekomen. Het brunette type zou daarentegen
-uit het Zuiden, dus uit Noord-Afrika Europa zijn binnengedrongen, hetgeen als een
-soort <i>terugvloeiing</i> naar het Noorden zou kunnen worden beschouwd door den drang van uit het Noord-Oosten
-van uit Azië Afrika binnenstroomende stammen. In dit geval zou men zelfs kunnen onderstellen,
-dat het brunette type, na in het Zuiden brunet <i>geworden</i> te zijn, door nieuwe verhuizingen uit Azië naar zijn vroegere, meer noordelijke woonplaats
-in Europa werd teruggedrongen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14502src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14540">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14540src">29</a></span> Dit is slechts schijnbaar in strijd met de in noot 1, blz. 410, gegeven schets van
-de waarschijnlijke wijze van verspreiding der menschenrassen (die wij daar volgens
-het systeem van Haeckel noemden). Al stond ’t ras van <span class="corr" id="xd31e14542" title="Bron: Canstatt">Cannstatt</span> beneden de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, zoo kunnen deze toch voor
-de minst veranderde afstammelingen daarvan gelden. <span class="pageNum" id="pb427n">[<a href="#pb427n">427</a>]</span>En al staan de hoogere menschenrassen nog meer boven het ras van <span class="corr" id="xd31e14547" title="Bron: Canstatt">Cannstatt</span>, zoo zullen toch de oorspronkelijke <i>stamvormen</i> dier rassen niet zoo hoog hebben gestaan en onderling meer gelijkvormig zijn geweest
-dan de tegenwoordige rassen. Het leidt geen twijfel of <i>alle</i> tegenwoordige rassen stammen <i>oorspronkelijk</i> van een enkel ras af, dat lager stond dan zij allen, en dit kan zeer goed het ras
-van Cannstatt zijn geweest. In elk geval bedoelt de noot 1, blz. 410, alleen een schematisch
-overzicht te geven van de wijze waarop de <i>tegenwoordige</i> hoofdrassen elkander zijn opgevolgd en elkander zuidwaarts hebben teruggedrongen,
-en geenszins, dat de voorouders dier <span class="corr" id="xd31e14559" title="Bron: rassan">rassen</span>, toen zij hun verhuizingen begonnen, reeds geheel de tegenwoordige kenmerken dier
-rassen bezaten en zich niet, door zich naar nieuwe levensvoorwaarden te voegen, in
-nieuwe locale rassen hebben gesplitst<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In een beschouwing, gelijk in deze verhandeling wordt gegeven, moet noodzakelijk
-op het tegenwoordig standpunt onzer kennis, veel onbestemds blijven!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14540src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14567" lang="fr">
-<p class="footnote" lang="fr"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14567src">30</a></span> Département <span class="corr" id="xd31e14569" title="Bron: Saone">Saône</span> et Loire.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14567src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14574">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14574src">31</a></span> Arrondissement Sarlat (Dordogne).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14574src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14626">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14626src">32</a></span> In de pyramidengraven van Sakara in Egypte vond men een afbeelding van een vrouw die
-sterke steatopygie vertoont (zie blz. 378). Ofschoon <span class="pageNum" id="pb431n">[<a href="#pb431n">431</a>]</span>Dr. H. Ploss (<span lang="de">„Das Weib”, 3e Auft., Leipzig, 1891</span>), die er een houtsneê naar geeft, het verklaarde voor een <i>Arabische</i> vorstin van <i>Aethiopisch</i> ras uit de 18de eeuw voor Chr., houden wij het er voor, daar steatopygie in onzen
-tijd <i>alleen</i> bij de Hottentotten en hun naaste verwanten in <i>Zuid</i>-Afrika voorkomt, dat deze afbeelding bewijst, dat òf laatstgenoemde volken zich in
-de 18de eeuw v. Chr. veel noordelijker uitstrekten dan thans, òf dat de Egyptenaars
-destijds eenigszins met het uiterste Zuiden van Afrika bekend waren. De gelaatsvorm
-der afbeelding is volstrekt niet Arabisch, noch Egyptisch, maar bevestigt veeleer
-laatstgenoemde onderstelling.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14626src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14651">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14651src">33</a></span> Men zie het wereldkaartje, blz. 294, waarop het land <i>geel</i>, de deelen van den Oceaan, die minder dan 1000 vademen diep zijn, <i>wit</i>, en de meer dan 1000 vademen diepe gedeelten van den Oceaan <i>blauw</i> zijn geteekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14651src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14660">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14660src">34</a></span> Madagascar bewaart ons nog een voorbeeld van de fauna van Afrika, voordat daar de
-groote dikhuidige, herkauwende en verscheurende dieren en de ware apen waren, die
-waarschijnlijk uit het Europeesch-Aziatisch vasteland kwamen. Het Atlasgebergte hing
-toen met Europa samen, en de Sahara, Egypte en Tripoli waren door de zee bedekt. Dat
-in een tijd toen in Europa-Azië al de genoemde diervormen reeds voorkwamen (zij het
-in andere soorten dan de tegenwoordige), in Afrika (met uitzondering der natuurhistorisch
-tot Europa behoorende Atlaslanden) nog slechts Lemuriden voorkwamen, maakt het uiterst
-onwaarschijnlijk, dat Afrika het oorspronkelijk vaderland van den mensch zou zijn.
-</p>
-<p class="footnote cont">De uitgestorven reuzenvogels van Nieuw-Zeeland wijzen op een vroegeren samenhang,
-ook van die eilandengroep met een groot vasteland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14660src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14666">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14666src">35</a></span> Of uit Zuid-Amerika over het Zuidpoolland in Nieuw-Holland en Azië en vice-versa.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14666src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14675">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14675src">36</a></span> De Noordelijke IJszee is zoover bekend, allerwege ondiep, en er is geen reden om aan
-te nemen, dat die naar de pool toe dieper wordt (wel om aan te nemen dat daar nog
-onbekend land ligt). Wij hebben het geheele centrale Noordpoolgebied daarom op het
-kaartje wit geteekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14675src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14678">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14678src">37</a></span> Berekening bevestigt dit.
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">De Atlant. Oceaan </td>
-<td class="cellTop"><span class="seg">is groot</span> </td>
-<td class="cellTop">1,610 </td>
-<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">millioen □ geographische mijlen.</span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De Ind. Oceaan </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">is</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">groot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>1,340 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">millioen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">□</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">geographische</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">mijlen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Afrika </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">is</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">groot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>0,545 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">millioen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">□</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">geographische</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">mijlen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft cellBottom xd31e14722"> Samen </td>
-<td class="cellBottom">3,495 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">millioen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">□</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">geographische</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">mijlen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">De Stille Oceaan is groot 3,190 millioen □ geographische mijlen.
-</p>
-<p class="footnote cont">Men houde hierbij in het oog, dat geologisch kort geleden een zeer aanzienlijk deel
-van Afrika (de Sahara, Tripoli en Egypte) stellig een deel des Oceaans was. Stelt
-men dit op ⅓ van Afrika, dus 0,181 millioen geographische mijlen, dan heeft men 1,610
-+ 1,340 + 0,181 = 3,131 millioen geographische mijlen, en komen wij <i>nog</i> dichter bij de grootte van den Stillen Oceaan dan bij onze eerste onderstelling Zuid-
-en Centraal-Afrika blijven dan als een groot driehoekig eiland in het middelpunt van
-den ring midden in den Indo-Atlantischen Oceaan liggen!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14678src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14740">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14740src">38</a></span> Volgens Wallace is de gemiddelde hoogte van het land 2250 Eng<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> voet, de gemiddelde diepte van den Oceaan 14,640 Eng. voet, het volumen van het droge
-land 23,450,000 kub. mijlen, het volumen van het water van den Oceaan 323,800,000
-kub. mijlen, zoodat, als al de vaste stof der aarde tot een bol was <span class="pageNum" id="pb433n">[<a href="#pb433n">433</a>]</span>vereenigd, deze door een Oceaan van omstreeks twee mijlen diep bedekt zou zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14740src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14747">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14747src">39</a></span> Hiermede bedoelen wij dieper dan 1000 vademen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14747src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14752">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14752src">40</a></span> Deze mogelijkheid wordt door Wallace niet besproken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14752src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14755">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14755src">41</a></span> Derhalve hebben landen als Lemurië, Atlantis en ’t onderstelde vasteland waarvan de
-eilanden van Polynesië de overblijfselen zouden zijn, <i>nimmer</i> bestaan. Wel kan Nieuw-Holland over Nieuw-Guinea en den Oost-Indischen Archipel met
-Azië hebben samengehangen, en hangt het daarmede door een <i>onderzeesch</i> plateau nog heden aldus samen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14755src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14767">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14767src">42</a></span> De beide bewijzen zijn in hoofdzaak ontleend aan Wallace („<span lang="en">Darwinism</span>”, Hoofdstuk XII).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14767src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="pt2" class="div0 last-child part">
-<h2 class="label">TWEEDE GEDEELTE.</h2>
-<h2 class="main">DE SEKSUEELE TEELTKEUS.</h2>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e499">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat van mannetjes.—Veelwijverij.—Het
-mannetje alleen wordt gewoonlijk door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid
-van het mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje uitgeoefend.—Vergelijking
-tusschen de seksueele en de natuurlijke teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen
-leeftijd, in overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de sekse.—Betrekking
-tusschen de verschillende vormen van erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en
-de jongen door de seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de verhouding
-tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele dierenrijk.—Over de beperking
-van het aantal individu’s van elke sekse door natuurlijke teeltkeus.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bij dieren die gescheiden seksen hebben, verschillen de mannetjes blijkbaar van de
-wijfjes in hun voortplantingsorganen; en deze vormen de primaire seksueele kenmerken.
-De seksen verschillen echter dikwijls in hetgeen Hunter secundaire seksueele kenmerken
-heeft genoemd, dat is in kenmerken die niet rechtstreeks in verband staan met de voortplantingshandeling;
-zoo bezit b.v. het mannetje soms zekere zintuigen die het wijfje geheel mist, of zij
-zijn bij hem hooger ontwikkeld, opdat hij haar gemakkelijk zou kunnen vinden of bereiken;
-of het mannetje heeft bijzondere grijpwerktuigen om het wijfje stevig vast te houden.
-Deze laatste organen van oneindig verschillende soorten vormen den overgang tot, en
-kunnen soms bijna niet worden onderscheiden van die welke gewoonlijk als primaire
-worden beschouwd, zooals de samengestelde aanhangsels aan het uiteinde (<i>apex</i>) van het achterlijf bij mannelijke insekten. Tenzij wij toch den term „primair” tot
-de geslachtsklieren beperken, is het, voorzoover er grijpwerktuigen in betrokken <span class="pageNum" id="pb435">[<a href="#pb435">435</a>]</span>zijn, moeielijk te beslissen, welke primair en welke secundair behooren te worden
-genoemd.
-</p>
-<p>Het wijfje verschilt dikwijls van het mannetje door het bezit van organen voor de
-voeding of bescherming harer jongen, zooals de melkklieren der Zoogdieren en de buidels
-der Buideldieren. Het mannetje verschilt ook in eenige weinige gevallen van het wijfje
-door het bezit van dergelijke organen, zooals die welke tot opneming der eieren dienen,
-bij de mannetjes van sommige Visschen, en die welke zich bij de mannetjes van sommige
-kikvorschen tijdelijk ontwikkelen. De wijfjes der bijen hebben een bijzonderen toestel
-om stuifmeel te verzamelen en weg te dragen, en hun larven en de vereeniging waartoe
-zij behooren, te verdedigen. Bij de wijfjes van vele Insekten is de eierlegger op
-de meest ingewikkelde wijze veranderd om de eieren veilig te plaatsen. Talrijke dergelijke
-gevallen zouden kunnen worden opgenoemd, maar zij gaan ons hier niet aan<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Er zijn echter andere seksueele verschillen die volstrekt niet in verband staan met
-de primaire organen, en die ons meer in het bijzonder aangaan,—zooals grootere lichaamsgestalte,
-kracht en strijdlustigheid van het mannetje, zijn aanvallende wapenen of verdedigingsmiddelen
-tegen zijn mededingers, de kleuren en verschillende versierselen waarmede hij prijkt,
-zijn vermogen om te zingen, en andere dergelijke kenmerken.
-</p>
-<p>Behalve door bovengenoemde primaire en secundaire verschillen wijken het mannetje
-en het wijfje soms van elkander af door inrichtingen die met een verschillende levenswijze
-in verband staan; en in het geheel niet, of slechts indirect, betrekking hebben op
-hun voortplantingshandelingen. Zoo zuigen de wijfjes der Steekmuggen en Dazen (<i>Culicidae</i> en <i>Tabanidae</i>) het bloed van andere dieren uit, terwijl de mannetjes op bloemen leven en aan hun
-mond geen bovenkaken bezitten.<a class="noteRef" id="xd31e14809src" href="#xd31e14809">1</a> Bij sommige soorten van Nachtvlinders en Schaaldieren (b.v. <i>Tanais</i>) hebben alleen de mannetjes onvolkomen, gesloten monden en kunnen zich niet voeden.
-De complementaire mannetjes van sommige Mosselkreeften (<i>Cirrhipedia</i>) leven gelijk woekerplanten hetzij op den vrouwelijken, of op den hermaphroditischen
-(tweeslachtigen) vorm, en bezitten geen mond, noch tot grijpen geschikte ledematen.
-In deze gevallen is het het mannetje dat gewijzigd is en zekere belangrijke organen
-heeft verloren, die de andere leden der zelfde groep bezitten. In andere <span class="pageNum" id="pb436">[<a href="#pb436">436</a>]</span>gevallen is het het wijfje dat dergelijke deelen heeft verloren; zoo bezit bij voorbeeld
-het wijfje van den glimworm geen vleugels, en het zelfde is het geval met de wijfjes
-van vele nachtvlinders waarvan vele haar poppehulsel nooit verlaten. De wijfjes van
-vele parasitische Schaaldieren hebben haar zwempooten verloren. Bij sommige Snuitkevers
-(<i>Curculionidae</i>) is er tusschen het mannetje en het wijfje een groot verschil in de lengte van den
-snuit (<i>rostrum</i>)<a class="noteRef" id="xd31e14826src" href="#xd31e14826">2</a>; de beteekenis van deze en vele dergelijke verschillen begrijpt men echter volstrekt
-niet. Verschillen in maaksel tusschen de twee seksen, die betrekking hebben op een
-verschillende levenswijze, zijn over het algemeen tot de lagere dieren beperkt; bij
-eenige weinige vogels echter verschilt de snavel van het mannetje van dien van het
-wijfje. Ongetwijfeld staan in de meeste dezer gevallen, maar blijkbaar niet in alle,
-de verschillen indirect in verband met de voortplanting der soort; zoo zal een wijfje
-dat een menigte eieren moet voeden, meer voedsel dan het mannetje en derhalve ook
-bijzondere middelen noodig hebben om zich dat te verschaffen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Een mannelijk dier dat slechts zeer korten tijd leeft, zal zonder schade door onbruik
-zijn organen om zich voedsel te verschaffen kunnen verliezen, maar het moet zijn bewegingsorganen
-behouden om het wijfje te kunnen bereiken. Het wijfje kan daarentegen veilig haar
-organen om te vliegen, te zwemmen of te loopen verliezen, als zij langzamerhand gewoonten
-heeft aangenomen, die dergelijke vermogens nutteloos maken.
-</p>
-<p>Wij hebben hier echter slechts te maken met die soort van teeltkeus welke ik seksueele
-teeltkeus heb genoemd. Deze hangt af van het voordeel dat zekere individu’s boven
-andere individu’s van de zelfde sekse en soort hebben, uitsluitend met betrekking
-tot de voortplanting. Als de beide seksen in maaksel verschillen met betrekking tot
-haar verschillende levenswijze, gelijk in de <span class="corr" id="xd31e14836" title="Bron: boververmelde">bovenvermelde</span> gevallen, zijn zij ongetwijfeld door natuurlijke teeltkeus gewijzigd, vergezeld van
-tot ééne en de zelfde sekse beperkte erfelijkheid. Evenzoo behooren ook de primaire
-seksueele organen en die welke dienen om de jongen te voeden en te beschermen, tot
-deze zelfde afdeeling; want die individu’s welke zich het best voortplanten of hun
-kroost het best voeden, moeten, <i>caeteris paribus</i>, het grootste aantal nakomelingen nalaten om hun meerdere voortreffelijkheid te erven,
-terwijl zij die <span class="pageNum" id="pb437">[<a href="#pb437">437</a>]</span>zich slecht voortplanten of hun kroost slecht voeden, weinig nakomelingen moeten nalaten
-om hun zwakkere vermogens te erven. Als het mannetje het wijfje moet gaan opzoeken,
-heeft hij tot dit doel zintuigen en bewegingsorganen noodig; maar indien deze organen
-noodig zijn voor andere levensdoeleinden, zooals gewoonlijk het geval is, zullen zij
-door natuurlijke teeltkeus ontwikkeld zijn geworden. Als het mannetje het wijfje heeft
-gevonden, heeft hij somtijds volstrekt grijporganen noodig om haar vast te houden;
-zoo meldt mij Dr. Wallace, dat de mannetjes van sommige nachtvlinders niet met de
-wijfjes kunnen paren, als hun voeten (<i>tarsi</i>) zijn gebroken. Bij de mannetjes van vele zeeschaaldieren zijn de pooten en sprieten
-in buitengewone mate gewijzigd om het wijfje te kunnen vasthouden; wij mogen daarom
-vermoeden, dat deze dieren, daar zij door de golven van de open zee worden voortgespoeld,
-deze organen volstrekt noodig hebben om hun soort te kunnen voortplanten, en als dit
-zoo is, zal de ontwikkeling daarvan het gevolg zijn geweest van gewone of natuurlijke
-teeltkeus.
-</p>
-<p>Sommige dieren die zeer laag op de ladder staan, zijn tot het zelfde doel gewijzigd;
-zoo is bij de mannetjes van zekere ingewandswormen, als zij volwassen zijn, de onderste
-oppervlakte van het achterste gedeelte van het lichaam ruw gelijk een rasp, en dit
-kronkelen zij om de wijfjes en houden ze zoo bestendig vast.<a class="noteRef" id="xd31e14847src" href="#xd31e14847">3</a>
-</p>
-<p>Als beide seksen volkomen de zelfde levenswijze leiden en het mannetje hooger ontwikkelde
-zintuigen of bewegingswerktuigen heeft dan het wijfje, dan kan het zijn, dat deze
-in hun volkomen staat voor het mannetje onmisbaar zijn om het wijfje te vinden; maar
-in verreweg de meeste gevallen dienen zij alleen om aan het eene mannetje een voordeel
-boven het andere te geven; want de minder goed begaafde mannetjes zouden er, als er
-hun tijd voor werd gegeven, in slagen om met de wijfjes te paren, en zij zouden, naar
-het maaksel van het wijfje <span class="pageNum" id="pb438">[<a href="#pb438">438</a>]</span>te oordeelen, in alle andere opzichten even goed geschikt zijn voor hun gewone levenswijze.
-In dergelijke gevallen moet er seksueele teeltkeus in het spel zijn gekomen; want
-de mannetjes hebben hun tegenwoordig maaksel verkregen, niet omdat zij beter geschikt
-waren om in den strijd om het bestaan te blijven leven, maar omdat zij een voordeel
-boven andere mannetjes hadden verworven, en dat voordeel alleen op hun mannelijke
-nakomelingschap hebben overgeplant. Het was de belangrijkheid van deze onderscheiding,
-die mij aanleiding gaf om dezen vorm van teeltkeus de Seksueele Teeltkeus te noemen.
-Indien de voornaamste dienst, aan het mannetje door zijn grijporganen bewezen, is
-om te voorkomen, dat het wijfje ontsnapt voor de aankomst van andere mannetjes, of
-als hij door deze wordt aangevallen, zullen deze organen evenzoo volkomener zijn gemaakt
-door seksueele teeltkeus, dat is door het voordeel door zekere bepaalde mannetjes
-over hun mededingers verkregen. In de meeste gevallen is het echter nauwelijks mogelijk
-de gevolgen der natuurlijke en die der seksueele teeltkeus van elkander te onderscheiden.
-Geheele hoofdstukken zouden gemakkelijk kunnen worden gevuld met bijzonderheden omtrent
-de verschillen tusschen de seksen in haar zintuigen, bewegings- en grijporganen. Daar
-deze deelen echter niet belangwekkender zijn dan andere, die voor de gewone doeleinden
-van het leven zijn ingericht, zal ik er bijna niet van spreken, en erbij elke klasse
-slechts eenige voorbeelden van geven.
-</p>
-<p>Er zijn vele andere organen en instinkten die door seksueele teeltkeus moeten zijn
-ontwikkeld—zooals de aanvallende wapenen en verdedigingsmiddelen welke de mannetjes
-bezitten om met hun mededingers te vechten en hen weg te jagen—hun moed en strijdlustigheid—hun
-versierselen van velerlei soort—hun organen om vocale muziek voort te brengen—en hun
-riekende stoffen afscheidende klieren; want de meeste dezer laatste organen dienen
-om het wijfje aan te lokken of op te wekken. Dat deze kenmerken het gevolg zijn van
-seksueele en niet van gewone teeltkeus, is duidelijk, daar ongewapende, onversierde
-of niet aantrekkelijke mannetjes even voorspoedig zouden zijn in den strijd om het
-leven en het nalaten van een talrijk kroost, indien er geen beter begaafde mannetjes
-bestonden. Wij mogen besluiten, dat dit het geval zou zijn; want de wijfjes, die ongewapend
-en onversierd zijn, zijn in staat te blijven leven en haar soort voort te planten.
-Secundaire seksueele kenmerken van de zoo even vermelde soort zullen in de volgende
-hoofdstukken uitvoerig worden besproken, omdat zij in vele opzichten belangwekkend
-<span class="pageNum" id="pb439">[<a href="#pb439">439</a>]</span>zijn, maar vooral ook omdat zij afhangen van den wil, de keus en de mededinging der
-individu’s van een der beide seksen. Als wij twee mannetjes om het bezit van het wijfje
-zien vechten, of verscheidene mannetjes met hun prachtig gevederte zien pronken en
-de vreemdste vertooningen zien uitvoeren voor een vergaderde menigte van wijfjes,
-kunnen wij niet twijfelen, dat zij, hoezeer door instinkt geleid, weten wat zij in
-hun schild voeren, en met bewustheid hun geestelijke en lichamelijke vermogens oefenen.
-</p>
-<p>Op de zelfde wijs als de mensch het ras van zijn vechthanen kan verbeteren door voor
-de voortteling die vogels uit te kiezen, welke in de hanengevechten overwinnaars zijn,
-schijnt het, dat ook in de natuur de sterkste en krachtigste mannetjes, of zij die
-met de beste wapens waren voorzien, de bovenhand hebben behouden en aanleiding gegeven
-tot de verbetering van het natuurlijke ras of de soort. Door herhaalde doodelijke
-gevechten, zou een geringe mate van variabiliteit, als zij eenig voordeel verschafte,
-hoe gering dan ook, voldoende zijn voor het werk der seksueele teeltkeus; en het is
-zeker, dat secundaire seksueele kenmerken bij uitnemendheid variabel zijn. Op de zelfde
-wijze als de mensch, overeenkomstig zijn smaak, schoonheid kan geven aan zijn mannelijk
-pluimgedierte,—aan de Bantamhoenders een nieuw en sierlijk gevederte, een opgerichte
-en bijzondere houding,—schijnen in den natuurstaat de wijfjes, door gedurende langen
-tijd de meest aantrekkelijke mannetjes voor de voortteling uit te kiezen, de schoonheid
-dezer laatste te hebben verhoogd. Ongetwijfeld onderstelt dit bij het wijfje vermogens
-van onderscheiding en smaak, die eerst uiterst onwaarschijnlijk zullen voorkomen;
-maar ik hoop later aan te toonen, dat dit geenszins het geval is.
-</p>
-<p>Wegens onze onwetendheid op verscheidene punten, is de juiste wijze waarop de seksueele
-teeltkeus werkt, tot op zekere hoogte onzeker. Indien echter de natuuronderzoekers
-die reeds aan de veranderlijkheid der soorten gelooven, de volgende hoofdstukken lezen,
-zullen zij mij, geloof ik, toegeven, dat de seksueele teeltkeus een belangrijke rol
-in de geschiedenis van de organische wereld heeft gespeeld. Het is zeker, dat bij
-bijna alle dieren de mannetjes met elkander vechten om het bezit van het wijfje. Dit
-feit is zoo bekend, dat het overtollig zou zijn daarvan voorbeelden te geven. Vandaar
-konden de wijfjes, ondersteld dat haar verstandelijke vermogens voldoende waren om
-een keus te doen, uit meerdere mannetjes één voor de voortteling uitkiezen. In <span class="pageNum" id="pb440">[<a href="#pb440">440</a>]</span>talrijke gevallen schijnt het echter, alsof het er bijzonder op was aangelegd, dat
-er een strijd tusschen vele mannetjes zou zijn. Zoo komen bij de trekvogels de mannetjes
-over het algemeen vroeger in de streek waar zij <span class="corr" id="xd31e14867" title="Bron: broeien">broeden</span>, dan de wijfjes, zoodat vele mannetjes gereed zijn om om elk wijfje te vechten. De
-vogelaars verzekeren, dat dit steeds het geval is met den nachtegaal en den zwartkop,
-zooals mij de heer Jenner Weir meldt, die deze getuigenis ten opzichte van den laatsten
-vogel bevestigt.
-</p>
-<p>De heer Swaysland van Brighton, die gedurende de laatste veertig jaar gewoon was onze
-trekvogels bij hun eerste aankomst te vangen, schrijft mij, dat hem geen enkele soort
-bekend is, van welke de wijfjes vroeger aankomen dan de mannetjes. Gedurende ééne
-lente schoot hij negen-en-dertig mannetjes van Ray’s kwikstaart (<i>Budytes Raii</i>), voordat hij een enkel wijfje zag. De heer Gould heeft zich, naar hij mij meldt,
-door ontleding overtuigd, dat de mannelijke snippen vroeger in dit land aankomen,
-dan de vrouwelijke. In het geval van visch zijn, als de zalm onze rivieren opzwemt,
-de mannetjes in grooten getale voor de voortplanting gereed, vóór de wijfjes zulks
-zijn. Evenzoo schijnt het bij kikvorschen en padden te zijn. In de geheele groote
-klasse der Insekten komen de mannetjes bijna altijd vroeger uit de pop dan de wijfjes,
-zoodat zij over het algemeen een tijd lang rondvliegen, voordat er een enkel wijfje
-te zien is.<a class="noteRef" id="xd31e14874src" href="#xd31e14874">4</a> De oorzaak van dit verschil tusschen de mannetjes en de wijfjes in hun tijden van
-aankomst en rijpheid is duidelijk genoeg. Die mannetjes welke jaarlijks het eerst
-naar eenig land verhuisden, of in de lente het eerst voor de paring gereed waren,
-of het vurigst waren, moesten het talrijkste kroost nalaten en dit moest de neiging
-hebben om dergelijke instinkten en gestel te erven. Over het geheel kan er geen twijfel
-bestaan, dat er bij bijna alle dieren bij welke de seksen gescheiden zijn, tusschen
-de mannetjes een voortdurend terugkeerende strijd om het bezit der wijfjes plaats
-heeft.
-</p>
-<p>Onze moeielijkheid ten opzichte der seksueele teeltkeus is, te begrijpen hoe het komt,
-dat de mannetjes die andere mannetjes overwinnen, of <span class="pageNum" id="pb441">[<a href="#pb441">441</a>]</span>die welke het aantrekkelijkst voor de wijfjes blijken te zijn, een talrijker kroost
-nalaten om hun voortreffelijkheid te erven, dan de overwonnen en minder talrijke mannetjes.
-Wanneer dit niet het gevolg was, zouden de kenmerken die aan sommige mannetjes een
-voordeel over andere gaven, door de seksueele teeltkeus niet volkomener gemaakt en
-vermeerderd kunnen worden. Als de seksen volkomen even talrijk zijn, zullen de slechtst-begaafde
-mannetjes ten laatste (behalve bij dieren die veelwijvig zijn) wijfjes vinden, en
-evenvele nakomelingen, die even geschikt zijn voor hun algemeene levenswijze, nalaten,
-als de bestbegaafde mannetjes.
-</p>
-<p>Uit onderscheidene feiten en overwegingen leidde ik vroeger af, dat bij de meeste
-dieren die goed ontwikkelde secundaire seksueele kenmerken bezitten, de mannetjes
-de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen; en dit houdt in eenige weinige gevallen
-steek. Indien de mannetjes tot de wijfjes stonden als twee tot één of als drie tot
-twee, of zelfs in een nog iets lager verhouding, zou de geheele zaak eenvoudig zijn;
-want de beter gewapende of meer aantrekkelijke mannetjes zouden het talrijkste kroost
-nalaten. Maar na, zoover zulks mogelijk is, de getalsverhouding tusschen de beide
-seksen te hebben onderzocht, geloof ik niet, dat er gewoonlijk eenige groote ongelijkheid
-in aantal bestaat. In de meeste gevallen schijnt de seksueele teeltkeus op de volgende
-wijze te hebben gewerkt.
-</p>
-<p>Laat ons de eene of andere soort nemen, een vogel bij voorbeeld, en de wijfjes die
-in een landstreek wonen, in twee gelijke afdeelingen verdeelen, waarvan de eene uit
-de krachtiger en beter gevoede individu’s en de andere uit de minder krachtige en
-minder gezonde bestaat. Er kan weinig twijfel bestaan, of de eerste zullen in de lente
-vroeger gereed zijn om te paren dan de andere, en dit is ook de meening van den heer
-Jenner Weir die gedurende vele jaren de gewoonten der vogels nauwkeurig heeft nagegaan.
-Er kan ook geen twijfel bestaan, dat de krachtigste, gezondste en best gevoede wijfjes
-er in zullen slagen om gemiddeld het grootste aantal jongen voort te brengen. De mannetjes
-zijn, zooals wij hebben gezien, over het algemeen vroeger gereed om te paren dan de
-wijfjes; van de mannetjes zullen de sterkste en in sommige gevallen de best gewapende
-de zwakkere wegjagen, en de eerste zullen zich dus vereenigen met de sterkste en best
-gevoede wijfjes, daar deze het eerst voor de paring gereed zijn. Dergelijke krachtige
-paren zullen zeker een grooter aantal jongen voortbrengen <span class="pageNum" id="pb442">[<a href="#pb442">442</a>]</span>dan de achterlijke wijfjes, die genoodzaakt zullen zijn, ondersteld dat de beide seksen
-even talrijk waren, om zich met de overwonnen en minder krachtige mannetjes te verbinden,
-en dit is al wat wordt vereischt om, in den loop van opeenvolgende generaties, de
-grootte, de kracht en den moed van de mannetjes te vermeerderen, of hun wapenen te
-verbeteren.
-</p>
-<p>In een menigte gevallen komen echter de mannetjes die andere mannetjes overwinnen,
-niet in het bezit der wijfjes, tenzij deze laatste hen kiezen. De vrijage der dieren
-is in geenen deele een zoo eenvoudige en korte zaak als men wellicht zou denken. De
-wijfjes worden het meest opgewekt door, of paren bij voorkeur met de fraaist versierde
-mannetjes, of die welke de beste zangers zijn, of de schoonste vertooningen uitvoeren;
-het is echter blijkbaar waarschijnlijk, zooals in sommige gevallen ook werkelijk is
-waargenomen, dat zij tegelijkertijd aan de krachtigste en vurigste mannetjes de voorkeur
-zullen geven.<a class="noteRef" id="xd31e14888src" href="#xd31e14888">5</a> De krachtigste wijfjes, die het eerst voor de paring gereed zijn, zullen dus de keus
-tusschen vele mannetjes hebben; en al mogen zij niet altijd de sterkste en best gewapende
-kiezen, zullen zij toch die kiezen, welke sterk en goed gewapend en in andere opzichten
-het meest aantrekkelijk zijn. Zulke vroege paren zullen in het voortbrengen van jongen
-aan de vrouwelijke zijde het zelfde voordeel hebben als boven is verklaard, en aan
-de mannelijke zijde bijna het zelfde voordeel. En dit schijnt, gedurende een lange
-reeks van generaties voldoende voortgezet, voldoende te zijn geweest om niet alleen
-de kracht en het strijdvermogen der mannetjes, maar eveneens hun verschillende versierselen
-en andere aantrekkelijkheden te vermeerderen.
-</p>
-<p>In het omgekeerde en veel zeldzamer geval, dat de mannetjes bijzondere wijfjes voor
-de voortteling uitkiezen, is het duidelijk, dat zij die het krachtigst waren en anderen
-hebben overwonnen, de vrijste keus zullen hebben, en het is bijna zeker, dat zij krachtige
-en tegelijk aantrekkelijke wijfjes zullen uitkiezen. Dergelijke paren zullen een voordeel
-hebben in het voortbrengen van jongen, vooral als het mannetje het vermogen bezit
-om het wijfje gedurende den paartijd te verdedigen, zooals bij sommige hoogere dieren
-geschiedt, of om haar te helpen in <span class="pageNum" id="pb443">[<a href="#pb443">443</a>]</span>de zorg voor de jongen. De zelfde beginselen zouden toepasselijk zijn, indien beide
-seksen wederkeerig de voorkeur gaven aan zekere individu’s van de andere sekse en
-deze voor de voortteling uitkozen, ondersteld dat zij niet slechts de aantrekkelijkste,
-maar tevens de sterkste individu’s kozen.
-</p>
-<p><i>Getalsverhouding tusschen de beide Seksen.</i>—Ik heb opgemerkt, dat de seksueele teeltkeus een eenvoudige zaak zou zijn, als de
-mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen. Vandaar kwam ik er toe om,
-zoover ik kon, de verhoudingen tusschen de seksen van zoovele dieren als mogelijk
-was, te onderzoeken, maar de bronnen zijn beperkt. Ik zal hier slechts een kort uittreksel
-van den uitslag geven en de bijzonderheden als een bijvoegsel mededeelen, om den loop
-van mijn bewijsvoering niet af te breken. Alleen tamme dieren geven gelegenheid om
-zekerheid te verkrijgen omtrent de getalsverhouding bij de geboorte, maar men heeft
-geen aanteekeningen met dit bepaalde doel gemaakt. Langs indirecten weg heb ik echter
-een aanmerkelijke hoeveelheid statistieke gegevens verzameld, waaruit blijkt, dat
-bij de geboorte het aantal jongen van elke sekse nagenoeg gelijk is. Zoo zijn bij
-renpaarden 25560 geboorten gedurende een-en-twintig jaren opgeteekend, en de mannelijke
-geboorten stonden tot de vrouwelijke als 99.7:100. Bij windhonden is de ongelijkheid
-grooter dan bij eenig ander dier; want gedurende twaalf jaren stonden bij 6878 geboorten
-de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 110.1:100. Het is echter eenigermate
-twijfelachtig, of men hieruit veilig mag afleiden, dat in den natuurstaat de zelfde
-verhoudingsgetallen doorgaan als in den tammen staat; want kleine en onbekende verschillen
-in de levensvoorwaarden hebben tot op zekere hoogte invloed op de verhouding tusschen
-de seksen. Zoo staan bij den mensch de mannelijke geboorten in Engeland als 104.5,
-in Rusland als 108.9 en bij de Lijflandsche Joden als 120 tot 100 vrouwelijke. Op
-deze verhouding oefenen ook de wettigheid of onwettigheid der geboorten een geheimzinnigen
-invloed uit.
-</p>
-<p>Voor ons tegenwoordig doel hebben wij te maken met de verhouding tusschen de seksen,
-niet bij de geboorte, maar op volwassen leeftijd, en dit doet een ander element van
-twijfel ontstaan; want het is een goed bewezen feit, dat bij den mensch voor of gedurende
-de geboorte en in de eerste dagen der kindsheid veel meer jongens dan meisjes sterven.
-Wij weten zeker, dat het evenzoo met mannelijke lammeren is, en <span class="pageNum" id="pb444">[<a href="#pb444">444</a>]</span>wellicht is het ook zoo met de mannetjes van andere dieren. De mannetjes van sommige
-dieren dooden elkander in het gevecht, of drijven elkander rond, totdat zij zeer vermagerd
-zijn. Zij moeten ook, terwijl zij rondzwerven om vurig de wijfjes op te sporen, dikwijls
-aan onderscheidene gevaren blootgesteld zijn. Bij vele soorten van visschen zijn de
-mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, en men gelooft, dat zij dikwijls door deze
-laatste of door andere visschen worden verslonden. Bij sommige vogels schijnen de
-wijfjes in sterker verhouding te sterven dan de mannetjes; zij zijn ook blootgesteld
-om bij het <span class="corr" id="xd31e14902" title="Bron: broeien">broeden</span>, of terwijl zij voor haar jongen zorgen, te worden omgebracht. Bij insekten zijn
-de vrouwelijke larven dikwijls grooter dan de mannelijke, en zullen bij gevolg meer
-kans hebben om te worden verslonden; in sommige gevallen zijn de wijfjes minder levendig
-en minder vlug in haar bewegingen dan de mannetjes, en zullen derhalve niet zoo goed
-in staat zijn om aan gevaar te ontsnappen. Vandaar moeten wij bij dieren in den natuurstaat,
-om te oordeelen over de verhouding tusschen de seksen in volwassen toestand, op bloote
-schatting afgaan; en dit verdient slechts weinig vertrouwen, behalve wanneer de ongelijkheid
-zeer aanmerkelijk is. Toch mogen wij, voor zoover wij er een oordeel over kunnen vormen,
-uit de als bijvoegsel medegedeelde feiten besluiten, dat bij eenige weinige Zoogdieren,
-bij vele Vogels en bij sommige Visschen en Insekten de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk
-in aantal overtreffen.
-</p>
-<p>De verhouding tusschen de seksen wisselt gedurende opeenvolgende jaren eenigszins
-af; zoo varieerden op elke 100 wijfjes die geboren werden, bij renpaarden de mannetjes
-van 107.1 in het eene jaar tot <span class="corr" id="xd31e14907" title="Bron: 92,6">92.6</span> in een ander jaar, en bij windhonden van 119.3 tot 95.3. Waren echter grooter getallen
-opgeteekend over een grooter oppervlakte dan Engeland, dan zouden deze afwisselingen
-waarschijnlijk zijn verdwenen, en zoo als zij zijn, zouden zij moeielijk voldoende
-wezen om in den natuurstaat tot de werking van den invloed der seksueele teeltkeus
-aanleiding te geven. Toch schijnen bij eenige weinige wilde dieren de verhoudingen,
-zooals in het bijvoegsel is aangetoond, hetzij gedurende verschillende jaargetijden
-of in verschillende streken in genoegzame mate af te wisselen om tot de werking daarvan
-aanleiding te geven. Want men moet bedenken, dat elk voordeel gedurende zekere jaren
-of in zekere streken behaald door die mannetjes welke in staat waren andere mannetjes
-te overwinnen of het aantrekkelijkst voor de wijfjes waren, waarschijnlijk op de jongen
-overgedragen <span class="pageNum" id="pb445">[<a href="#pb445">445</a>]</span>en later niet geëlimineerd zou worden. Gedurende de volgende jaargetijden, als wegens
-de gelijkheid der seksen elk mannetje in staat was zich overal een wijfje te verschaffen,
-zouden de vroeger voortgebrachte sterkere of meer aantrekkelijke mannetjes nog een
-minstens even goede kans hebben om nakomelingen na te laten als de minder sterke of
-minder aantrekkelijke.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Veelwijverij.</i>—De gewoonte der veelwijverij (polygamie) leidt tot de zelfde uitwerkselen die zouden
-volgen uit een werkelijke ongelijkheid in het aantal der seksen; want als elk mannetje
-zich van twee of meer wijfjes meester maakt, zullen vele mannetjes niet in staat zijn
-te paren, en deze laatste zullen gewis de zwakkere en minder aantrekkelijke individu’s
-zijn. Vele zoogdieren en eenige weinige vogels leven in veelwijverij; bij tot de lagere
-klassen behoorende dieren vond ik geen bewijzen van deze gewoonte. De verstandelijke
-vermogens van dergelijke dieren zijn wellicht niet voldoende om hen er toe te brengen
-een harem van wijfjes te verzamelen en te beschermen. Dat er eenige betrekking bestaat
-tusschen veelwijverij en de ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken, schijnt
-bijna zeker, en dit ondersteunt de meening, dat een overwicht in getal van de mannetjes
-uiterst gunstig zou zijn voor de werking der seksueele teeltkeus. Toch vertoonen vele
-dieren, vooral vogels, die met slechts een enkel wijfje leven, sterk uitgesproken
-secundaire seksueele kenmerken, terwijl eenige weinige dieren die in veelwijverij
-leven, dergelijke kenmerken niet bezitten.
-</p>
-<p>Wij zullen eerst kortelijk de Klasse der Zoogdieren doorloopen en dan tot de Vogels
-overgaan. De gorilla schijnt in veelwijverij te leven, en het mannetje verschilt aanmerkelijk
-van het wijfje; evenzoo is het met sommige bavianen, die in kudden leven, welke tweemaal
-zooveel volwassen wijfjes als mannetjes bevatten. In Zuid-Amerika vertoont <i>Mycetes Caraya</i> goed uitgedrukte seksueele kenmerken in zijn kleur, baard en stemorganen en het mannetje
-leeft gewoonlijk met twee of drie wijfjes; het mannetje van <i>Cebus capucinus</i> verschilt een weinig van het wijfje en schijnt in veelwijverij te leven.<a class="noteRef" id="xd31e14924src" href="#xd31e14924">6</a> Weinig is in dit opzicht bekend omtrent de meeste andere apen; maar sommige soorten
-leven met slechts één wijfje (zijn monogaam). De Herkauwende Dieren zijn bij uitnemendheid
-in veelwijverij levende dieren en zij vertoonen <span class="pageNum" id="pb446">[<a href="#pb446">446</a>]</span>veelvuldiger seksueele verschillen dan bijna eenige andere groep van zoogdieren, vooral
-in hun wapens, maar eveneens in andere kenmerken. De meeste soorten van herten, hoornvee
-en schapen leven in veelwijverij; en ook de meeste antilopen, hoewel sommige dezer
-laatste met slechts één wijfje leven. Sir Andrew Smith zegt, van de antilopen van
-Zuid-Afrika sprekende, dat er in kudden van ongeveer een dozijn zelden meer dan één
-volwassen mannetje was. De Aziatische <i>Antilope Saïga</i> schijnt van alle dieren der wereld de veelwijverij het sterkst uit te oefenen; want
-Pallas<a class="noteRef" id="xd31e14941src" href="#xd31e14941">7</a> verzekert, dat het mannetje alle mededingers verjaagt en een kudde van ongeveer een
-honderdtal individu’s, uit wijfjes en jongen bestaande, bijeenverzamelt: het wijfje
-bezit geen horens en heeft zachter haar, maar verschilt overigens niet veel van het
-mannetje. Het wilde paard leeft, zoowel op de Falklands-eilanden als in de Westelijke
-Staten van Noord-Amerika, in veelwijverij, maar, behalve door zijn aanzienlijker grootte
-en de verhoudingen van zijn lichaam, verschilt de hengst slechts weinig van de merrie.
-Het mannetje van het wilde zwijn vertoont in zijn slagtanden en sommige andere punten
-goed uitgedrukte seksueele kenmerken; in Europa en in Indië leidt het, behalve gedurende
-den paartijd, een eenzaam leven; maar gedurende dien tijd leeft het in Indië met verscheidene
-wijfjes, naar Sir W. Elliot, die veel ondervinding had in het waarnemen van dit dier,
-gelooft; of dit ook in Europa doorgaat, is twijfelachtig, maar wordt door sommige
-getuigenissen gesteund. De volwassen mannelijke Indische olifant brengt, evenals het
-wilde zwijn, een groot deel van zijn tijd in eenzaamheid door; maar als hij zich met
-andere vereenigt, „is het”, volgens Dr. Campbell, „zeldzaam om meer dan één mannetje
-bij een geheele kudde wijfjes te vinden.” De grootere mannetjes verjagen de kleinere
-en zwakkere. Het mannetje verschilt van het wijfje door zijn verbazende slagtanden
-en aanzienlijke lichaamsgrootte, kracht en taaiheid; in deze laatste opzichten is
-het verschil zoo groot, dat men de gevangen mannetjes twintig percent meer waard schat
-dan de wijfjes.<a class="noteRef" id="xd31e14953src" href="#xd31e14953">8</a> Bij de andere Dikhuidige Dieren verschillen <span class="pageNum" id="pb447">[<a href="#pb447">447</a>]</span>de seksen zeer weinig of in het geheel niet, en zij leven, voor zoover ons bekend
-is, niet in veelwijverij. Ook heb ik nooit gehoord, dat eenige soort in de orden der
-Vledermuizen (<i>Cheiroptera</i>), Tandelooze Dieren (<i>Edentata</i>), Knaagdieren en Insekteneters (<i>Insectivora</i>) in veelwijverij leefde, behalve wellicht de gewone rat, van welke, naar sommige
-rattenvangers verzekeren, de mannetjes met verscheidene wijfjes leven. Toch verschillen
-de beide seksen van sommige luiaards (<i>Edentata</i>) in den aard en kleur van het haar van zekere vlekken op hun schouders.<a class="noteRef" id="xd31e14973src" href="#xd31e14973">9</a> En vele soorten van vledermuizen (<i>Cheiroptera</i>) vertoonen goed uitgedrukte seksueele verschillen, vooral doordat de mannetjes geur
-verspreidende klieren en zakken bezitten en lichter van kleur zijn.<a class="noteRef" id="xd31e14981src" href="#xd31e14981">10</a> In de groote orde der Knaagdieren verschillen de seksen, zoover ik kan nagaan, zelden,
-en als zij zulks doen, is het slechts door een eenigszins andere kleur van den pels.
-</p>
-<p>De leeuw leeft in Zuid-Afrika, naar ik van Sir Andrew Smith hoor, somwijlen met een
-enkel wijfje, maar gewoonlijk met meer dan één, en werd in één geval met niet minder
-dan vijf wijfjes gevonden, zoodat hij in veelwijverij leeft. Hij is, zoover ik kan
-ontdekken, het eenige in veelwijverij levende dier uit de geheele groep der Landroofdieren,
-en tevens het eenige dat goed uitgedrukte seksueele kenmerken bezit. Indien wij ons
-echter tot de Zeeroofdieren wenden, is het een geheel ander geval; want vele soorten
-van zeehonden bieden, gelijk wij zullen zien, buitengewoon groote seksueele verschillen
-aan, en zijn bij uitnemendheid in veelwijverij levende dieren. Zoo bezit de mannelijke
-zeeolifant van den zuidelijken oceaan, volgens Péron, altijd verscheidene wijfjes,
-en men zegt dat de zeeleeuw van Forster altijd door twintig tot dertig wijfjes wordt
-omringd. In het Noorden wordt de Stellersche zeebeer zelfs door een nog grooter aantal
-wijfjes vergezeld.
-</p>
-<p>Wat de Vogels aangaat, leven vele soorten van welke de seksen veel van elkander verschillen,
-gewis slechts met één wijfje. In Groot-Brittannië zien wij bij voorbeeld goed uitgedrukte
-seksueele kenmerken bij de wilde eend die met een enkel wijfje paart, bij de gewone
-merel of zwarte lijster, en bij den goudvink, die, naar men zegt, levenslang met het
-zelfde wijfje paart. Evenzoo is het, gelijk de heer Wallace mij mededeelt, met de
-Snatervogels (<i>Cotingidae</i>) van Zuid-Amerika en <span class="pageNum" id="pb448">[<a href="#pb448">448</a>]</span>talrijke andere vogels. Bij verscheidene groepen was ik niet in staat te ontdekken,
-of de soorten al dan niet in veelwijverij leven. Lesson zegt, dat de paradijsvogels,
-die zoo opmerkelijk zijn wegens hun seksueele verschillen, in veelwijverij leven;
-doch de heer Wallace betwijfelt, of hij daarvoor bewijzen genoeg had. De heer Salvin
-meldt mij, dat hij aanleiding heeft gevonden om te gelooven, dat de kolibri’s in veelwijverij
-leven. Het schijnt zeker te zijn, dat de mannelijke weduwvogel, opmerkelijk wegens
-zijn staartvederen, in veelwijverij leeft.<a class="noteRef" id="xd31e14995src" href="#xd31e14995">11</a> De heer Jenner Weir en anderen hebben mij verzekerd, dat niet zelden drie spreeuwen
-het zelfde nest bezoeken, maar of dit een geval van veelwijverij (polygamie) of van
-veelmannerij (polyandrie) is, is niet uitgemaakt.
-</p>
-<p>De Hoenderachtige Vogels (<i>Gallinaceae</i>) vertoonen bijna even sterk uitgedrukte seksueele verschillen als de paradijsvogels
-of kolibri’s, en vele soorten daarvan leven, zooals algemeen bekend is, in veelwijverij,
-terwijl andere uitsluitend met een enkel wijfje leven. Welk een verschil tusschen
-de seksen bij den in veelwijverij levenden pauw of fazant, en de met een enkel wijfje
-levende parelhoenders en patrijzen! Vele dergelijke gevallen zouden kunnen worden
-vermeld, gelijk in de afdeeling der Ruigpoothoenders, in welke de in veelwijverij
-levende groote auerhaan en korhaan zeer van de wijfjes verschillen, terwijl bij de
-met een enkel wijfje levende roode Schotsche boschhoenders en sneeuwhoenders de seksen
-slechts weinig verschillen. Onder de Loopvogels (<i>Cursores</i>) <b>(<a href="#en8.1" id="en8.1src">1</a>)</b> vertoont geen groot getal soorten sterk uitgedrukte seksueele kenmerken, behalve
-de trapganzen, en men zegt, dat de groote trapgans (<i>Otis tarda</i>) in veelwijverij leeft. Bij de Steltloopers (<i>Grallatores</i>) verschillen de seksen bij zeer weinige soorten; maar de kemphaan (<i>Machetes pugnax</i>) maakt hierop een sterke uitzondering, en Montagu gelooft, dat deze soort in veelwijverij
-leeft. Het schijnt dus, dat er bij vogels dikwijls een nauw verband bestaat tusschen
-veelwijverij en de ontwikkeling van sterk uitgedrukte seksueele verschillen. Toen
-ik in den Londenschen Dierentuin aan den heer Burlett, die zulk een groote ondervinding
-omtrent vogels heeft, vroeg, of de mannelijke tragopan (een der Hoenderachtige Vogels)
-in veelwijverij leeft, was ik getroffen door zijn antwoord: „Ik weet het niet, maar
-ik denk van ja, wegens zijn prachtige kleuren.”
-<span class="pageNum" id="pb449">[<a href="#pb449">449</a>]</span></p>
-<p>Het verdient opmerking, dat het instinkt om met een enkel wijfje te paren, gedurende
-de temming gemakkelijk wordt verloren. De wilde eend leeft uitsluitend met één wijfje,
-de tamme eend oefent in hooge mate de veelwijverij uit. De weleerw. heer W.&nbsp;D. Fox
-meldt mij, dat van sommige half getemde wilde eenden, die men in een grooten vijver
-in zijn nabuurschap hield, zoovele woerden door den boschwachter werden doodgeschoten,
-dat er slechts één voor elke zeven of acht wijfjes overbleef; toch werden ongewoon
-groote broedsels van jongen voortgebracht. Het parelhoen leeft uitsluitend met één
-wijfje, doch de heer Fox heeft bemerkt, dat hij met zijn vogels het voorspoedigst
-is, als hij één haan op twee of drie hennen houdt.<a class="noteRef" id="xd31e15028src" href="#xd31e15028">12</a> De kanarievogels leven in den natuurstaat paarsgewijze, maar de fokkers van vogels
-zetten met goed gevolg één mannetje bij vier of vijf wijfjes; het eerste wijfje wordt
-echter, naar men den heer Fox verzekerde, alleen als wettige vrouw beschouwd, zij
-en haar jongen alleen worden door het mannetje gevoed, de andere worden als bijwijven
-behandeld. Ik heb deze gevallen opgeteekend, omdat daardoor eenigermate waarschijnlijk
-wordt gemaakt, dat eenwijvige soorten in den natuurstaat gemakkelijk hetzij tijdelijk
-of blijvend de gewoonte van veelwijverij zouden kunnen aannemen.
-</p>
-<p>Wat de Reptielen en Visschen aangaat, is er te weinig van hun gewoonten bekend om
-ons in staat te stellen over hun huwelijkstoestanden te spreken. Men zegt echter,
-dat de stekelbaars (Gasterosteus) in veelwijverij leeft<a class="noteRef" id="xd31e15036src" href="#xd31e15036">13</a>, en het mannetje verschilt gedurende den rijtijd in ’t oog loopend van het wijfje.
-</p>
-<p>Laten wij thans nog eens de middelen opsommen door welke, voorzoover wij kunnen beoordeelen,
-de seksueele teeltkeus tot de ontwikkeling der secundaire seksueele kenmerken heeft
-geleid. Wij hebben aangetoond, dat het grootste aantal krachtige jongen zal worden
-voortgebracht door de paring van de sterkste en best gewapende mannetjes, die andere
-mannetjes hebben overwonnen, met de sterkste en best gevoede wijfjes, die in de lente
-het eerst voor de voortplanting gereed zijn. Dergelijke wijfjes zullen, als zij de
-aantrekkelijkste en terzelfdertijd krachtigste mannetjes uitkiezen, een grooter aantal
-jongen voortbrengen dan de achterlijke wijfjes, die met de minder krachtige en <span class="pageNum" id="pb450">[<a href="#pb450">450</a>]</span>minder aantrekkelijke mannetjes moeten paren. Evenzoo zal het gaan, als de krachtigste
-wijfjes uitkiezen; en dit zal vooral doorgaan, indien het mannetje het wijfje verdedigt
-en haar helpt om aan de jongen voedsel te verschaffen. Het aldus door de krachtigste
-paren verkregen voordeel in het voortbrengen van een grooter aantal nakomelingen is
-waarschijnlijk voldoende geweest om de seksueele teeltkeus invloed te doen uitoefenen.
-Een groot overwicht in getal van de mannetjes over de wijfjes zou echter nog krachtiger
-hebben gewerkt; hetzij dat dit overwicht slechts toevallig en plaatselijk, of blijvend
-was geweest, hetzij het bij de geboorte reeds bestond, of dat het eerst later door
-de grootere sterfte der wijfjes intrad; of dat het eindelijk een indirect gevolg was
-van de gewoonte der veelwijverij.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Het Mannetje over het algemeen meer gewijzigd dan het Wijfje.</i>—Door het geheele Dierenrijk heên is het, wanneer de seksen in uiterlijk aanzien van
-elkander verschillen, op weinige uitzonderingen na steeds het mannetje dat voornamelijk
-is gewijzigd; want het wijfje blijft meer gelijk aan de jongen van haar eigen soort
-en aan de andere leden van de zelfde groep. De oorzaak daarvan schijnt hierin te liggen,
-dat de mannetjes van bijna alle dieren sterker hartstochten hebben dan de wijfjes.
-Vandaar komt het, dat het de mannetjes zijn, die te zamen vechten en zich beijveren
-voor de wijfjes met hun bekoorlijkheden te pronken, en diegene welke overwinnaars
-zijn, planten hun voortreffelijkheid op hun mannelijke nakomelingen over. Waarom de
-mannetjes hun kenmerken niet op beide seksen overplanten, zal later worden overwogen.
-Dat de mannetjes van alle Zoogdieren met vurigheid de wijfjes vervolgen, is iedereen
-bekend. Evenzoo is het met de Vogels; maar vele mannelijke vogels vervolgen de wijfjes
-niet zoozeer, dan dat zij in haar tegenwoordigheid met hun gevederte pronken, vreemdsoortige
-vertooningen uitvoeren en hun zang aanheffen. Bij de weinige Visschen die zijn waargenomen,
-schijnt het mannetje veel vuriger te zijn dan het wijfje; evenzoo is het met de Alligators
-en waarschijnlijk ook met de Vorschen (<i>Batrachii</i>) gelegen. Door de geheele verbazend groote klasse der Insekten is het, gelijk Kirby
-opmerkt, „de wet, dat het mannetje het wijfje moet zoeken.” Bij de Spinnen en Schaaldieren
-zijn, naar ik van twee groote autoriteiten, de heeren Blackwall en C. Spence Bate
-hoor, de mannetjes bedrijviger en leiden een meer zwervende levenswijze dan de wijfjes.
-Als bij de Insekten en de Schaaldieren zintuigen of <span class="pageNum" id="pb451">[<a href="#pb451">451</a>]</span>bewegingswerktuigen bij de eene sekse aanwezig zijn, doch bij de andere ontbreken,
-of als zij, zooals dikwijls het geval is, bij de eene hooger ontwikkeld zijn dan bij
-de andere, is het bijna altijd het mannetje, voorzoover ik kan nagaan, dat die organen
-heeft behouden, of ze in den meest ontwikkelden toestand bezit, en dit bewijst, dat
-het mannetje bij de vrijage der seksen het bedrijvigste lid is.<a class="noteRef" id="xd31e15055src" href="#xd31e15055">14</a>
-</p>
-<p>Het wijfje daarentegen is, op zeer zeldzame uitzonderingen na, minder vurig dan het
-mannetje. Gelijk de beroemde Hunter<a class="noteRef" id="xd31e15063src" href="#xd31e15063">15</a> lang geleden opmerkte, „is het over het algemeen noodig, dat haar het hof wordt gemaakt”:
-zij is ingetogen en men kan dikwijls zien, hoe zij gedurende langen tijd haar best
-doet om aan het mannetje te ontsnappen. Iedereen die op de gewoonten van dieren heeft
-gelet, zal zich voorbeelden daarvan kunnen herinneren. Naar onderscheidene, later
-te vermelden feiten en naar de uitwerkselen die men veilig aan seksueele teeltkeus
-kan toeschrijven, te oordeelen, oefent het wijfje, hoewel vergelijkenderwijze lijdelijk,
-over het algemeen eenige keus uit, en geeft aan het eene mannetje de voorkeur boven
-het andere. Of wellicht geeft zij, gelijk de schijn ons dikwijls zou doen gelooven,
-de voorkeur niet aan het mannetje dat haar het meest aantrekt, maar aan dat hetwelk
-haar het minst tegenstaat. De uitoefening van eenige keus van den kant van het wijfje
-schijnt een bijna even algemeene wet als de vurigheid van het mannetje.
-</p>
-<p>Wij komen er nu van zelf toe om te onderzoeken, waarom het mannetje in zoo vele en
-zoo sterk verschillende gevallen vuriger is geworden dan het wijfje, zoodat hij haar
-zoekt en bij de vrijage de bedrijvigste rol speelt. Er zou geen voordeel en zelfs
-eenig krachtverlies in zijn gelegen, als beide seksen elkander wederkeerig moesten
-zoeken; maar waarom moet het altijd het mannetje zijn dat zoekt? Bij planten moeten
-de eitjes na de bevruchting een tijd lang worden gevoed; vandaar <span class="pageNum" id="pb452">[<a href="#pb452">452</a>]</span>moet het stuifmeel noodzakelijk naar de vrouwelijke organen gevoerd en door de tusschenkomst
-van insekten of van den wind of door de spontane bewegingen der meeldraden, en bij
-de Algen enz. door het bewegingsvermogen der antherozoïden op den stempel worden gebracht
-<b>(<a href="#en8.2" id="en8.2src">2</a>)</b>. Bij laag georganiseerde dieren die voortdurend op de zelfde plaats bevestigd blijven
-en gescheiden seksen bezitten, wordt steeds het mannelijk element naar het vrouwelijke
-gebracht, en wij kunnen de reden daarvan inzien; want de eieren kunnen, zelfs als
-zij vóór de bevruchting worden losgemaakt en geen latere voeding en bescherming vereischen,
-wegens hun betrekkelijk aanzienlijker grootte minder gemakkelijk worden verplaatst
-dan het mannelijk element. Vandaar komen de planten<a class="noteRef" id="xd31e15079src" href="#xd31e15079">16</a> en vele lagere dieren in dit opzicht overeen. Daar de mannetjes van vastzittende
-dieren er dus toe zijn gekomen om hun bevruchtend element uit te werpen, is het natuurlijk,
-dat eenige hunner nakomelingen, die hooger klommen op de ladder en het vermogen verkregen
-om van plaats te veranderen, de zelfde gewoonte moesten behouden en dicht tot het
-wijfje moesten naderen, opdat het bevruchtende element het gevaar niet zou loopen
-van een langen weg door het zeewater af te leggen. Bij eenige weinige der lagere dieren
-zijn alleen de wijfjes vastzittend en bij deze moet het mannetje haar zoeken. Wat
-de vormen aangaat, wier voorouders geen vastzittende dieren waren, is het moeilijk
-te begrijpen, waarom het altijd de mannetjes moesten zijn, die de gewoonte verkregen
-om naar de wijfjes toe te komen, in plaats dat deze laatste naar hen toe kwamen. In
-alle gevallen echter zou het, opdat de mannetjes met goed gevolg zouden zoeken, noodzakelijk
-zijn, dat zij met sterke hartstochten waren begiftigd; en het verkrijgen van dergelijke
-hartstochten moest daaruit volgen, dat de vurigste mannetjes meer nakomelingen nalieten
-dan de minder vurige.
-</p>
-<p>De groote vurigheid van het mannetje heeft aldus indirect geleid tot de veelvuldiger
-ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken bij het mannetje dan bij het wijfje.
-De ontwikkeling van dergelijke kenmerken zal echter, indien het besluit te vertrouwen
-is, waartoe ik door het bestudeeren der tamme dieren ben gekomen, zeer zijn bevorderd,
-doordat het mannetje meer aanleg tot variatie heeft dan het wijfje. <span class="pageNum" id="pb453">[<a href="#pb453">453</a>]</span>Von Nathusius, die zeer groote ondervinding hieromtrent had, is van de zelfde meening.<a class="noteRef" id="xd31e15092src" href="#xd31e15092">17</a> Ik weet, hoe moeilijk het is een dergelijk besluit te verificeeren. Eenige geringe
-bewijzen daarvoor kunnen echter worden verkregen door de vergelijking der beide seksen
-van den mensch, daar de mensch zorgvuldiger is bestudeerd dan eenig ander dier. Gedurende
-de Novara-expeditie<a class="noteRef" id="xd31e15098src" href="#xd31e15098">18</a> werd een groot aantal metingen van onderscheidene lichaamsdeelen bij verschillende
-rassen gedaan, en in bijna ieder geval vond men, dat de mannen een grootere verscheidenheid
-vertoonden dan de vrouwen; op dit onderwerp zal ik echter in een volgend hoofdstuk
-moeten terugkomen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De heer J. Wood<a class="noteRef" id="xd31e15106src" href="#xd31e15106">19</a>, die zorgvuldig de variaties in het spierstelsel bij den mensch heeft nagegaan, heeft
-met cursieve letters zijn besluit doen drukken, dat „het grootste aantal abnormale
-vormen bij een enkel persoon bij de mannen wordt gevonden.” Hij had te voren opgemerkt,
-dat „bij elkander gerekend op een aantal van 102 personen de afwijkingen door het
-bezit van overtallige deelen werden bevonden de helft veelvuldiger te zijn bij mannen
-dan bij vrouwen, hetgeen een sterke tegenstelling vormt met het te voren beschreven
-veelvuldiger voorkomen van afwijkingen door het ontbreken van deelen bij vrouwen.”
-Prof. Macalister merkt eveneens op<a class="noteRef" id="xd31e15115src" href="#xd31e15115">20</a>, dat variaties in het spierstelsel, „waarschijnlijk algemeener bij mannen dan bij
-vrouwen voorkomen.” Zekere spieren die bij den mensch in normalen toestand niet aanwezig
-zijn, komen ook veelvuldiger bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse tot ontwikkeling,
-hoewel men zegt, dat uitzonderingen op dezen regel voorkomen. Dr. Burt Wilder<a class="noteRef" id="xd31e15121src" href="#xd31e15121">21</a> heeft een tabel gemaakt van 152 gevallen van individu’s met overtallige vingers,
-van welke 86 mannen en 39, of de helft minder, vrouwen waren; van de overige 27 was
-de sekse niet bekend. Men zie echter niet voorbij, dat vrouwen veelvuldiger een dergelijke
-misvorming zullen trachten te verbergen dan mannen. Ook verzekert Prof. L. Meyer,
-dat de ooren van den man verschillender van vorm zijn dan die van de vrouw.<a class="noteRef" id="xd31e15127src" href="#xd31e15127">22</a> Eindelijk <span class="pageNum" id="pb454">[<a href="#pb454">454</a>]</span>is de temperatuur bij den man meer variabel dan bij de vrouw.<a class="noteRef" id="xd31e15135src" href="#xd31e15135">23</a>
-</p>
-<p>De oorzaak waarom de algemeene variabiliteit bij de mannelijke sekse grooter is dan
-bij de vrouwelijke, is onbekend, uitgezonderd in zoover als secundaire seksueele kenmerken
-uiterst variabel en gewoonlijk tot de mannetjes beperkt zijn; en, gelijk wij nu zullen
-zien, is dit feit tot op zekere hoogte begrijpelijk. Door de werking der seksueele
-teeltkeus zijn de mannelijke dieren in zeer vele gevallen zeer verschillend van hun
-wijfjes gemaakt; maar, onafhankelijk van teeltkeus, hebben de beide seksen, omdat
-ze constitutioneel verschillen, een neiging om op eenigszins verschillende wijze te
-varieeren. Het wijfje moet veel organische stof besteden tot de vorming van haar eieren,
-terwijl het mannetje veel kracht besteedt in de woedende gevechten met zijn medeminnaars,
-in het rondloopen om het wijfje te zoeken, het gebruiken van zijn stem, het afscheiden
-van welriekende stoffen enz.; en dit verbruik heeft over het algemeen geheel en al
-plaats gedurende een korten tijd van het jaar. De grootere kracht van het mannetje
-gedurende het jaargetijde der liefde schijnt dikwijls zijn kleuren levendiger te maken,
-onafhankelijk van eenig verschil van beteekenis met het wijfje.<a class="noteRef" id="xd31e15144src" href="#xd31e15144">24</a> Bij den mensch, en zelfs bij dieren die zoo laag op de ladder staan als de Schubvleugelige
-Insekten (Lepidoptera), is de temperatuur van het mannetje hooger dan die van het
-wijfje, hetgeen in het geval van den mensch gepaard gaat met een langzamer pols.<a class="noteRef" id="xd31e15153src" href="#xd31e15153">25</a> Over het geheel is het gebruik van stof en kracht door de beide seksen waarschijnlijk
-ongeveer gelijk, hoewel het geschiedt op zeer verschillende wijzen.
-</p>
-<p>Wegens bovengenoemde oorzaken kan het moeilijk anders, of de beide seksen moeten een
-weinig in gestel (constitutie) verschillen, ten <span class="pageNum" id="pb455">[<a href="#pb455">455</a>]</span>minste gedurende den paartijd; en, hoewel zij aan volkomen de zelfde levensvoorwaarden
-mogen zijn onderworpen, zullen zij een neiging hebben op verschillende wijze te varieeren.
-Indien dergelijke variaties voor geen van beide seksen nuttig zijn, zullen zij niet
-worden opeengehoopt of vermeerderd door seksueele of natuurlijke teeltkeus. Desniettemin
-kunnen zij blijvend worden, indien de oorzaak waarvan zij het gevolg zijn, bestendig
-blijft werken; en in overeenstemming met een veelvuldig voorkomenden vorm van erfelijkheid
-kunnen zij worden overgeërfd alleen door die sekse bij welke zij het eerst zijn verschenen.
-In dit geval zullen de seksen bestendige, maar toch onbelangrijke verschillen in hun
-kenmerken gaan vertoonen. De heer Allen toont bij voorbeeld aan, dat bij een groot
-aantal vogels die de noordelijke en zuidelijke Vereenigde Staten bewonen, de voorwerpen
-uit het Zuiden donkerder gekleurd zijn dan die uit het Noorden; en dit schijnt een
-rechtstreeksch gevolg te zijn van het verschil in temperatuur, licht enz., tusschen
-die beide streken. Nu schijnen in eenige weinige gevallen de beide seksen van een
-zelfde soort verschillend te zijn aangedaan, bij <i>Ageloeus phoeniceus</i> zijn bij de mannetjes de kleuren in het Zuiden veel sterker geworden; terwijl bij
-<i>Cardinalis virginianus</i> zulks juist bij de wijfjes heeft plaats gehad; bij <i>Quiscalus major</i> zijn de wijfjes uiterst variabel van tint geworden, terwijl de mannetjes nagenoeg
-eenvormig bleven.<a class="noteRef" id="xd31e15169src" href="#xd31e15169">26</a>
-</p>
-<p>Bij onderscheidene Klassen van dieren komen eenige weinige exceptioneele gevallen
-voor, waarin niet het mannetje, maar het wijfje goed uitgedrukte secundaire seksueele
-kenmerken, zooals levendiger kleuren, grooter gestalte, sterkte of strijdlustigheid,
-bezit. Bij vogels heeft er, zooals wij later zullen zien, dikwijls een volkomen omkeering
-in de gewoonlijk aan elke sekse eigen kenmerken plaats gehad, daar de wijfjes het
-vurigst bij de vrijage zijn geworden en de mannetjes daarbij vergelijkenderwijze lijdelijk
-blijven, doch blijkbaar, voor zoover wij zulks uit de uitwerkselen mogen afleiden,
-de aantrekkelijkste wijfjes hebben uitgezocht. Zekere vrouwelijke vogels hebben op
-die wijze fraaier kleuren en andere versierselen gekregen, zijn sterker en strijdlustiger
-dan het mannetje geworden, terwijl deze kenmerken alleen op de vrouwelijke nakomelingen
-worden overgeplant.
-</p>
-<p>Men zou kunnen onderstellen, dat in sommige gevallen een dubbel proces van teeltkeus
-heeft plaats gehad, daar de mannetjes de aantrekkelijkste <span class="pageNum" id="pb456">[<a href="#pb456">456</a>]</span>wijfjes, en deze laatste de aantrekkelijkste mannetjes uitkozen. Hoewel dit proces
-zou kunnen leiden tot wijziging van beide seksen, zou het de eene sekse niet verschillend
-maken van de andere, wanneer hun schoonheidsgevoel ten minste niet verschilde, maar
-deze onderstelling is te onwaarschijnlijk in het geval van eenig dier, uitgezonderd
-den mensch, om overweging te verdienen. Er zijn echter vele dieren bij welke de seksen
-op elkander gelijken en beide met de zelfde versierselen zijn voorzien, welke de analogie
-ons zou doen besluiten om aan de werking der seksueele teeltkeus toe te schrijven.
-In dergelijke gevallen zou het een zeer aannemelijke onderstelling schijnen, dat er
-een dubbel of wederkeerig proces van seksueele teeltkeus heeft plaats gehad, de sterkste
-en vroegst ontwikkelde wijfjes de aantrekkelijkste en krachtigste mannetjes hebben
-uitgekozen, en deze laatste alle wijfjes behalve de aantrekkelijkste hebben versmaad.
-Bij al wat wij van de gewoonten der dieren weten, is deze onderstelling echter niet
-zeer waarschijnlijk, daar het mannetje over het algemeen vurig met elk wijfje verlangt
-te paren. Het is waarschijnlijker, dat de aan beide seksen gemeen zijnde versierselen
-door ééne sekse, over het algemeen het mannetje, werden verkregen, en daarna op beide
-seksen werden overgeplant. Indien nochtans gedurende een lang tijdperk de mannetjes
-van de eene of andere soort de wijfjes sterk in aantal hadden overtroffen, en daarna
-gedurende een ander lang tijdperk onder verschillende omstandigheden het omgekeerde
-was geschied, zou er gemakkelijk een dubbel, maar niet gelijktijdig proces van seksueele
-teeltkeus plaats kunnen hebben gehad, waardoor de beide seksen zeer verschillend zouden
-kunnen zijn gemaakt.
-</p>
-<p>Wij zullen later zien, dat er vele dieren bestaan, bij welke geen van beide seksen
-prachtig gekleurd of van bijzondere versierselen is voorzien, en toch de leden van
-beide seksen, of van een enkele sekse waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn
-gewijzigd. De afwezigheid van levendige kleuren of andere versierselen kan het gevolg
-daarvan zijn, dat zich nooit afwijkingen van de goede soort hebben voorgedaan, of
-dat de dieren zelf de voorkeur geven aan eenvoudige kleuren, zooals effen zwart of
-wit. Donkere kleuren zijn dikwijls door natuurlijke teeltkeus ter wille van de bescherming
-verkregen, en het verkrijgen van levendige kleuren door seksueele teeltkeus kan door
-het daardoor geloopen gevaar zijn tegengehouden. In andere gevallen hebben de mannetjes
-waarschijnlijk gedurende lange eeuwen met elkander gestreden, door ruwe kracht of
-door het pronken met hun bekoorlijkheden of door beide <span class="pageNum" id="pb457">[<a href="#pb457">457</a>]</span>middelen tegelijk, en toch zal er geen uitwerking zijn voortgebracht, tenzij door
-de voorspoedigste mannetjes een grooter nakomelingschap werd nagelaten om hun meerdere
-voortreffelijkheid te erven, dan door de minder voorspoedige mannetjes, en dit hangt,
-gelijk vroeger is aangetoond, van verschillende ingewikkelde omstandigheden af.
-</p>
-<p>De seksueele teeltkeus werkt op minder strenge wijs dan de natuurlijke. Deze laatste
-brengt haar uitwerkselen voort door het leven of den dood op alle leeftijden van de
-meerder of minder voorspoedige individu’s. Nochtans is niet zelden de dood het gevolg
-van de gevechten tusschen mededingende mannetjes. Over het algemeen echter slaagt
-het minder voorspoedige mannetje er alleen niet in om een wijfje te verkrijgen, of
-verkrijgt eerst later in het jaargetijde een achterlijk en minder sterk wijfje, of,
-als hij in veelwijverij leeft, verkrijgt hij minder wijfjes, zoodat hij minder of
-zwakker of in het geheel geen nakomelingen achterlaat. Wat bijzonderheden van maaksel
-aangaat, die door gewone of natuurlijke teeltkeus zijn verkregen, is er in de meeste
-gevallen, zoolang de levensvoorwaarden de zelfde blijven, een grens voor de hoegrootheid
-der voordeelige wijziging met betrekking tot het eene of andere doel; maar wat bijzonderheden
-van maaksel aangaat, die geschikt zijn om het eene mannetje overwinnaar van het andere
-te maken, hetzij in het gevecht of in het bekoren van het wijfje, is er geen bepaalde
-grens voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging, zoodat, zoolang zich geschikte
-variaties voordoen, de seksueele teeltkeus zal voortgaan te werken. Deze omstandigheid
-kan wellicht gedeeltelijk rekenschap geven van de veelvuldige en buitengewoon groote
-variabiliteit der secundaire seksueele kenmerken. Toch zal de natuurlijke teeltkeus
-veroorzaken, dat de overwinnende mannetjes geen dergelijke kenmerken kunnen verkrijgen,
-die voor hen in eenigszins groote mate nadeelig zouden zijn, hetzij omdat zij hun
-levenskrachten te veel uitputten, of hen aan het eene of andere groote gevaar blootstellen.
-De ontwikkeling van zekere deelen—bij voorbeeld van de horens van sommige soorten
-van herten—is echter tot een verwonderlijk uiterste gedreven; en in sommige gevallen
-tot een uiterste dat, voor zoover de algemeene levensvoorwaarden aangaat, eenigszins
-nadeelig voor het mannetje moet zijn. Wij leeren hieruit, dat de voordeelen die begunstigde
-mannetjes hebben verkregen door andere mannetjes in het gevecht of in de vrijage te
-overwinnen, op den langen duur grooter zijn geweest, dan die welke voortvloeiden uit
-iets betere <span class="pageNum" id="pb458">[<a href="#pb458">458</a>]</span>geschiktheid voor de uitwendige levensvoorwaarden. Wij zullen later zien, en dit zou
-men nimmer vooruit hebben kunnen vermoeden, dat het vermogen om het wijfje te bekoren
-in eenige weinige gevallen belangrijker is geweest dan dat om andere mannetjes in
-het gevecht te overwinnen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>WETTEN DER ERFELIJKHEID.
-</p>
-<p>Om te begrijpen hoe de seksueele teeltkeus gewerkt en in den loop der eeuwen in het
-oog loopende uitwerkselen op vele dieren van vele klassen heeft gehad, is het noodzakelijk,
-dat men zich steeds de wetten der erfelijkheid, voor zoover die bekend zijn, herinnert.
-Onder de uitdrukking „erfelijkheid” worden hier twee elementen omvat, namelijk de
-overplanting en de ontwikkeling van kenmerken, maar daar deze gewoonlijk te zamen
-gaan, wordt het onderscheid er tusschen dikwijls over het hoofd gezien. Wij zien dat
-onderscheid bij die kenmerken welke door de vroegste levensjaren heên worden overgeplant,
-maar zich slechts ontwikkelen op volwassen leeftijd of gedurende den ouderdom. Wij
-zien het zelfde onderscheid duidelijker bij secundaire seksueele kenmerken; want deze
-worden door beide seksen heên overgeplant, hoewel zij slechts bij de eene zijn ontwikkeld.
-Dat zij bij beide seksen aanwezig zijn, blijkt, wanneer twee soorten die sterk uitgesproken
-seksueele kenmerken bezitten, worden gekruist; want elk plant de kenmerken van zijn
-eigen mannetje en wijfje over op het bastaardkroost van de zelfde sekse. Het zelfde
-feit is eveneens duidelijk als kenmerken die aan het mannetje eigen zijn, nu en dan
-bij het wijfje tot ontwikkeling komen, wanneer dit oud of ziek wordt. Evenzoo komen
-nu en dan kenmerken voor, alsof zij van het mannetje op het wijfje overgeplant waren,
-zooals bij voorbeeld bij sommige hoenderrassen, bij welke geregeld sporen bij de jonge
-en gezonde wijfjes voorkomen; maar in waarheid zijn zij dan <span class="corr" id="xd31e15190" title="Bron: eeuvoudig">eenvoudig</span> bij het wijfje tot ontwikkeling gekomen; want bij elk ras wordt elke bijzonderheid
-in het maaksel van de spoor door het wijfje op haar mannelijke nakomelingen overgeplant.
-In alle gevallen van atavisme worden kenmerken overgeplant door twee, drie of vele
-generaties heên en komen daarna onder zekere onbekende gunstige omstandigheden tot
-ontwikkeling. Dit belangrijk onderscheid tusschen overplanting en ontwikkeling zal
-het gemakkelijkst <span class="pageNum" id="pb459">[<a href="#pb459">459</a>]</span>worden onthouden met behulp van de hypothese der pangenesis, hetzij die al of niet
-als waar <span class="corr" id="xd31e15195" title="Bron: worde">wordt</span> aangenomen. Volgens deze hypothese werpt elke eenheid of cel van het lichaam kiemen
-of onontwikkelde atomen af, die op de nakomelingen van beide seksen worden overgeplant
-en zich door zelfverdeeling vermenigvuldigen. Zij kunnen <span class="corr" id="xd31e15198" title="Bron: gedunen">gedurende</span> de vroegste levensjaren of gedurende opeenvolgende generaties onontwikkeld blijven,
-daar hun ontwikkeling tot eenheden of cellen, gelijk aan die waaruit zij ontstonden,
-afhangt van hun verwantschap tot, en vereeniging met andere eenheden of cellen, die
-zich te voren in de behoorlijke orde van groei hebben ontwikkeld.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Overerving op overeenkomstige Levenstijdperken.</i>—De neiging hiertoe is goed bewezen. Als een nieuw kenmerk bij een dier verschijnt
-terwijl het jong is, zal het, hetzij het levenslang blijft voortbestaan of slechts
-een tijd lang in stand blijft, als algemeene regel op den zelfden leeftijd en op de
-zelfde wijze bij de nakomelingen van het dier opnieuw verschijnen. Indien daarentegen
-een nieuw kenmerk op volwassen leeftijd of zelfs gedurende den ouderdom verschijnt,
-zal het bij de nakomelingen op den zelfden gevorderden leeftijd opnieuw verschijnen.
-Wanneer afwijkingen van dezen regel voorkomen, zullen de overgeplante kenmerken veel
-veelvuldiger verschijnen vóór, dan na den overeenkomstigen leeftijd. Daar ik dit onderwerp
-in een ander werk<a class="noteRef" id="xd31e15206src" href="#xd31e15206">27</a> uitvoerig genoeg heb besproken, zal ik hier slechts een of twee voorbeelden geven,
-om de zaak in het geheugen van den lezer terug te roepen. Bij verscheidene Hoenderrassen
-verschillen de kuikens terwijl zij nog met dons zijn bedekt, de jonge vogels in hun
-eerste ware gevederte en in het gevederte dat zij op volwassen leeftijd bezitten,
-zeer sterk van elkander en ook van hun gemeenschappelijken stamvorm, den <i>Gallus bankiva</i>; en deze kenmerken worden door elk ras getrouw op hun nakomelingen in het overeenkomstige
-levenstijdperk overgeplant. De kuikens van de Hamburger Pellen hebben, bij voorbeeld,
-terwijl zij nog met dons zijn bedekt, eenige weinige donkere vlekken op kop en romp,
-maar zijn niet overlangs gestreept, zooals vele andere rassen; in hun eerste ware
-gevederte „zijn zij fraai gepenseeld”, dat is, elke veder is geteekend met talrijke
-donkere dwarsstrepen; in hun tweede gevederte <span class="pageNum" id="pb460">[<a href="#pb460">460</a>]</span>echter vertoonen alle vederen aan de punt een ronde donkere vlek.<a class="noteRef" id="xd31e15213src" href="#xd31e15213">28</a> Er hebben zich bij dit ras op drie verschillende leeftijden variaties voorgedaan
-en zijn op die zelfde leeftijden overgeplant. De Duif biedt een merkwaardiger geval
-aan, daar de oorspronkelijke stamsoort bij het klimmen harer jaren volstrekt geen
-verandering in haar gevederte ondergaat, behalve dat op volwassen leeftijd de borst
-meer iriseerend wordt, en er toch rassen zijn, die hun kenmerkende kleuren niet verkrijgen,
-voor zij twee-, drie- of <span class="corr" id="xd31e15219" title="Bron: viermaal">viermaai</span> hebben geruid; en deze wijzigingen van het gevederte worden geregeld overgeplant.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Overerving op overeenkomstige Tijden van het Jaar.</i><span class="corr" id="xd31e15227" title="Bron: ">—</span>Bij dieren in den natuurstaat komen tallooze voorbeelden voor van kenmerken die periodiek
-op verschillende tijden van het jaar verschijnen. Wij zien dit aan de horens van het
-hert en aan den pels der pooldieren, die gedurende den winter dik en wit wordt. Talrijke
-vogels krijgen alleen gedurende den paartijd levendige kleuren en andere versierselen.
-Ik kan op dezen vorm van erfelijkheid slechts weinig licht werpen door bij tamme dieren
-waargenomen feiten. Pallas<a class="noteRef" id="xd31e15230src" href="#xd31e15230">29</a> vermeldt, dat in Siberië het hoornvee en de paarden gedurende den winter periodiek
-lichter worden gekleurd en ik heb een dergelijke merkbare kleurverandering waargenomen
-bij zekere hitten in Engeland. Hoewel ik niet weet of deze neiging om gedurende verschillende
-tijden van het jaar een verschillende kleur van haar aan te nemen, erfelijk is, is
-dit toch waarschijnlijk; want alle verschillen van kleur zijn bij het paard in hooge
-mate erfelijk. Deze vorm van overerving, die tot één jaargetijde is beperkt, is daarenboven
-niet merkwaardiger dan overerving die tot een zekeren leeftijd of sekse is beperkt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Beperking der Overerving door de Sekse.</i>—De gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen is de meest gewone vorm van
-erfelijkheid, ten minste bij die dieren welke geen sterk uitgedrukte seksueele <span class="pageNum" id="pb461">[<a href="#pb461">461</a>]</span>verschillen vertoonen, en inderdaad ook bij vele andere. Niet zelden echter worden
-kenmerken uitsluitend overgebracht op die sekse bij welke zij het eerst ontstonden.
-Tal van bewijzen hiervoor zijn opgesomd in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren
-en Cultuurplanten”; ik wil er hier echter eenige weinige voorbeelden van geven. Er
-zijn rassen van schapen of geiten, bij welke de horens van het mannetje in gedaante
-sterk afwijken van die van het wijfje; en deze gedurende de temming verkregen verschillen
-worden geregeld op de zelfde sekse overgeplant. Bij driekleurige katten zijn, als
-algemeene regel, slechts de wijfjes aldus gekleurd, terwijl de katers roestbruin zijn.
-Bij de meeste hoenderrassen worden de aan elke sekse eigen kenmerken alleen op die
-zelfde sekse overgeplant. Zoo algemeen is deze vorm van overplanting, dat het een
-anomalie is, wanneer wij bij sommige rassen afwijkingen gelijkelijk op beide seksen
-zien overgaan. Er zijn ook zekere onder-rassen van hoenders, bij welke de mannetjes
-nauwelijks van elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de wijfjes aanmerkelijk
-in kleur verschillen. Bij de duif verschillen de seksen van de stamsoort in geen enkel
-uitwendig kenmerk; desniettemin is bij sommige tamme rassen het mannetje anders gekleurd
-dan het wijfje.<a class="noteRef" id="xd31e15243src" href="#xd31e15243">30</a> De wrattige huid van den Engelschen Carrier en de krop van den kropper zijn bij het
-mannetje hooger ontwikkeld dan bij het wijfje, en hoewel deze kenmerken door lang
-voortgezette teeltkeus van den mensch zijn verkregen, is het verschil tusschen de
-seksen geheel te danken aan den vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden;
-want het is ontstaan, niet volgens, maar eer in tegenspraak met de begeerte van den
-fokker.
-</p>
-<p>De meeste onzer tamme rassen zijn gevormd door de opeenhooping van vele kleine variaties;
-en daar sommige achtereenvolgende wijzigingen alleen op ééne sekse zijn overgeplant
-en andere op beide seksen, vinden wij onder verschillende rassen van een zelfde soort
-alle overgangen tusschen groote seksueele ongelijkheid en volkomen gelijkheid. Hiervan
-zijn reeds voorbeelden gegeven bij de rassen van hoenders en duiven, en in den natuurstaat
-komen overeenkomstige gevallen dikwijls voor. Bij tamme dieren (maar, of dit ook in
-den <span class="pageNum" id="pb462">[<a href="#pb462">462</a>]</span>natuurstaat wel plaats grijpt, durf ik niet zeggen) kan de eene sekse de haar eigen
-kenmerken verliezen en daardoor tot op zekere hoogte op de andere sekse gaan gelijken;
-zoo hebben, bij voorbeeld, de mannetjes van sommige hoenderrassen hun hanenvederen
-en kammen verloren. Omgekeerd kunnen ook de verschillen tusschen de seksen in tammen
-staat worden vermeerderd, zooals bij het merino-schaap, bij hetwelk de ooien haar
-horens hebben verloren. Verder kunnen kenmerken die aan de eene sekse eigen zijn,
-plotseling bij de andere verschijnen, gelijk bij die onder-rassen van hoenders, bij
-welke de hennen, terwijl ze jong zijn, sporen verkrijgen, of zooals bij sommige onder-rassen
-van Kuifhoenders, bij welke de wijfjes, gelijk er reden is om te gelooven, oorspronkelijk
-een kam verkregen en dien daarna op de mannetjes overbrachten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Al deze gevallen kunnen worden begrepen door de hypothese der pangenesis; want zij
-zijn daarvan afhankelijk, dat de kiemen van zekere eenheden (cellen) van het lichaam
-door den invloed der temming bij de eene sekse slapend (latent) worden; of, wanneer
-zij gewoonlijk slapend (latent) zijn, tot ontwikkeling komen.
-</p>
-<p>Er is ééne moeielijke vraag die het gepast zal zijn tot een volgend hoofdstuk uit
-te stellen; namelijk, of een kenmerk dat eerst bij beide seksen was ontwikkeld, door
-teeltkeus in zijn ontwikkeling alleen tot ééne sekse kan worden beperkt. Indien bij
-voorbeeld een duivenfokker opmerkte, dat sommige van zijn duiven (bij welke soort
-de kenmerken gewoonlijk in gelijke mate op beide seksen worden overgeplant) door een
-bleekblauwe kleur van de overige afweken, zou hij dan door lang voortgezette teeltkeus
-een ras kunnen vormen, bij hetwelk alleen de mannetjes die kleur vertoonden, terwijl
-de wijfjes onveranderd bleven? Ik zal hier alleen zeggen, dat dit, hoewel misschien
-niet onmogelijk, uiterst moeielijk zou zijn; want het natuurlijk gevolg van het fokken
-uit bleekblauwe mannetjes zou wezen om den geheelen stam, de eene sekse zoowel als
-de andere, die kleur te doen verkrijgen. Als zich echter variaties vertoonden, die
-de vereischte kleur bezaten, en deze van den beginne af in haar ontwikkeling tot de
-mannelijke sekse waren beperkt, zou het in het minst niet moeielijk zijn om een ras
-te vormen, dat door de verschillende kleur der beide seksen was gekenmerkt, zooals
-inderdaad is geschied met een Belgisch ras, bij hetwelk alleen de mannetjes zwarte
-strepen vertoonen. Op dergelijke wijze zou het, indien zich de eene of andere variatie
-voordeed in een vrouwelijke <span class="pageNum" id="pb463">[<a href="#pb463">463</a>]</span>duif, die van den beginne af in haar ontwikkeling tot die sekse was beperkt, gemakkelijk
-zijn om een ras te vormen, bij hetwelk alleen de wijfjes dat kenmerk vertoonden; maar
-als de variatie oorspronkelijk niet op die wijze was beperkt, zou zulks een zeer moeielijk,
-wellicht onmogelijk werk zijn.<a class="noteRef" id="xd31e15266src" href="#xd31e15266">31</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Over de Betrekking tusschen het tijdperk van Ontwikkeling van een Kenmerk en de overplanting
-daarvan op ééne sekse of op beide seksen.</i><span class="corr" id="xd31e15280" title="Bron: ">—</span>Waarom zekere kenmerken door beide seksen en andere kenmerken slechts door ééne sekse
-worden overgeërfd, namelijk door die sekse bij welke het kenmerk het eerst verscheen,
-is in de meeste gevallen volkomen onbekend. Wij kunnen zelfs niet gissen, waarom bij
-zekere onder-rassen van duiven zwarte strepen, hoewel zij door het wijfje heên worden
-overgeplant, alleen bij het mannetje tot ontwikkeling komen, terwijl elk ander kenmerk
-in gelijke mate op beide seksen wordt overgebracht. Evenmin, waarom bij katten de
-driekleurigheid, op zeldzame uitzonderingen na, alleen bij het wijfje tot ontwikkeling
-komt. Geheel de zelfde kenmerken, zooals ontbrekende of overtallige vingers, kleurenblindheid
-enz., kunnen bij den mensch in de eene familie alleen door de mannen, en in de andere
-familie alleen door de vrouwen worden overgeërfd, hoewel zij in beide gevallen even
-goed door de tegenovergestelde als door de zelfde sekse op haar nakomelingen worden
-overgebracht.<a class="noteRef" id="xd31e15283src" href="#xd31e15283">32</a> Hoewel wij derhalve onwetend zijn, gaan twee regels door, namelijk dat variaties
-die zich bij ééne der beide seksen eerst op een laat levenstijdperk vertoonen, een
-neiging bezitten om alleen bij die zelfde sekse tot ontwikkeling te komen, terwijl
-variaties die reeds vroeg in het leven bij ééne der beide seksen voor het eerst verschijnen,
-een neiging bezitten om bij beide seksen tot ontwikkeling te komen. Ik <span class="pageNum" id="pb464">[<a href="#pb464">464</a>]</span>ben echter ver van te onderstellen, dat dit de eenige bepalende oorzaak is. Daar ik
-elders dit onderwerp nog niet heb besproken, en het een belangrijke beteekenis heeft
-voor de seksueele teeltkeus, moet ik hier in tamelijk uitvoerige en eenigszins ingewikkelde
-bijzonderheden treden.
-</p>
-<p>Het is op zich zelf waarschijnlijk, dat een op vroegen leeftijd verschijnend kenmerk
-een neiging moet hebben om door beide seksen gelijkelijk te worden overgeërfd; want
-de seksen verschillen niet veel in gestel, voordat zij het vermogen om zich voort
-te planten hebben verkregen. Aan den anderen kant zullen, nadat dit vermogen is verkregen,
-en de seksen er toe zijn gekomen om in gestel te verschillen, de kiemen (als ik nogmaals
-de taal der pangenesis mag spreken) die door elk afwijkend deel bij de eene sekse
-worden afgeworpen, wel veel meer de geschikte verwantschappen bezitten om zich met
-de weefsels der zelfde sekse te vereenigen en zoo tot ontwikkeling te komen, dan om
-zich met die van de tegenovergestelde sekse te vereenigen.
-</p>
-<p>Ik werd er het eerst toe gebracht om te vermoeden, dat er een betrekking van dezen
-aard bestaat, door het feit, dat wanneer ook en op welke wijze ook het volwassen mannetje
-er toe is gekomen om van het volwassen <span class="corr" id="xd31e15291" title="Bron: wijjfe">wijfje</span> te verschillen, het op de zelfde wijze van de jongen van beide seksen verschilt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De algemeenheid van dit feit is zeer opmerkelijk; het gaat door bij alle Zoogdieren,
-Vogels, Amphibieën en Visschen, ook bij vele Schaaldieren (<i>Crustacea</i>), Spinnen en bij eenige weinige Insekten, namelijk bij sommige Rechtvleugeligen (<i>Orthophtera</i>) en Waternimfen (<i>Libellulae</i>). In al deze gevallen moeten de variaties, door de opeenhooping waarvan het mannetje
-de hem eigen mannelijke kenmerken heeft verkregen, zich hebben vertoond in een eenigszins
-laat levenstijdperk; anders zouden de jonge mannetjes gelijksoortige kenmerken hebben
-verkregen; en overeenkomstig onzen regel worden zij alleen overgeplant op en ontwikkeld
-bij de volkomen mannetjes. Als daarentegen het volwassen mannetje veel op de jongen
-van beide seksen gelijkt (deze laatste komen op zeldzame uitzonderingen na met elkander
-overeen), gelijkt het over het algemeen ook op het volwassen wijfje; en in de meeste
-van deze gevallen ontstonden de variaties door welke de jongen en ouden hun tegenwoordige
-kenmerken verkregen, waarschijnlijk overeenkomstig onzen regel gedurende de jeugd.
-Er bestaat hier echter reden van twijfel, daar somtijds kenmerken op de jongen worden
-overgeplant op vroegeren <span class="pageNum" id="pb465">[<a href="#pb465">465</a>]</span>leeftijd dan dien waarop zij zich het eerst bij de ouders vertoonden, zoodat de ouders
-wellicht zijn afgeweken toen zij volwassen waren, en hun kenmerken op hun kroost hebben
-overgeplant toen dat nog jong was. Er zijn daarenboven vele dieren bij welke de twee
-seksen sterk op elkander gelijken en beide toch van de jongen verschillen; hier moeten
-de kenmerken der volwassenen op lateren leeftijd zijn verkregen, en toch worden deze
-kenmerken, schijnbaar in tegenspraak met onzen regel, op beide seksen overgeplant.
-Wij moeten echter de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid niet voorbijzien,
-dat opeenvolgende variaties van den zelfden aard bij blootstelling aan gelijksoortige
-voorwaarden zich bij beide seksen tegelijkertijd vertoonden in een vrij laat levenstijdperk;
-en in dit geval zouden de variaties op de jongen van beiderlei seksen worden overgeplant
-in een overeenkomstig laat levenstijdperk, en zou er geen wezenlijke tegenspraak bestaan
-met onzen regel, dat variaties die zich in een laat levenstijdperk vertoonen, uitsluitend
-worden overgeplant op de sekse bij welke zij het eerst verschenen. Deze laatste regel
-schijnt meer algemeen door te gaan dan de tweede regel, namelijk dat variaties die
-zich bij ééne der beide seksen in een vroeg levenstijdperk vertoonen, een neiging
-bezitten om op beide seksen te worden overgeplant. Daar het klaarblijkelijk onmogelijk
-was, zelfs bij schatting te bepalen, in hoe groot een aantal gevallen deze beide regels
-door het geheele dierenrijk heên doorgaan, kwam het mij in den zin eenige treffende
-of beslissende voorbeelden te onderzoeken, en mij op den uitslag te verlaten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Een uitnemend geval voor het onderzoek wordt opgeleverd door de familie der Herten.
-Bij alle soorten, ééne enkele uitgezonderd, zijn de horens alleen bij het mannetje
-ontwikkeld, hoewel zeker door het wijfje heên overgeplant, en vatbaar om nu en dan
-abnormaal bij haar te worden ontwikkeld. Bij het rendier daarentegen is het wijfje
-van horens voorzien, zoodat bij deze soort volgens onzen regel de horens vroeg in
-het leven behooren te verschijnen, lang voor de seksen volwassen geworden en er toe
-gekomen zijn om veel in gestel van elkander te verschillen. Bij alle andere soorten
-van herten behooren de horens in een laat levenstijdperk te verschijnen, hetgeen er
-toe leidt, dat zij alleen tot ontwikkeling komen bij die sekse bij welke zij onder
-de voorouders der geheele familie het eerst verschenen. Bij zeven soorten nu, tot
-verschillende afdeelingen van de familie behoorende en verschillende landen bewonende,
-vind ik, dat de horens het eerst verschijnen <span class="pageNum" id="pb466">[<a href="#pb466">466</a>]</span>op tijdperken, afwisselende van negen maanden na de geboorte bij den reebok tot tien
-of twaalf of zelfs meer maanden bij de herten van de zes andere grootere soorten.<a class="noteRef" id="xd31e15311src" href="#xd31e15311">33</a> Bij het rendier echter is het een geheel ander geval; want, naar ik van Prof. Nilsson
-hoor, die zoo vriendelijk was voor mij een bijzonder onderzoek in Lapland in te stellen,
-verschijnen de horens bij de jonge dieren binnen vier of vijf weken na de geboorte
-en tegelijkertijd bij beide seksen. Wij <span class="corr" id="xd31e15334" title="Bron: hebben hebben">hebben</span> hier dus een deel, dat bij een enkele soort der familie op een buitengewoon vroegen
-leeftijd tot ontwikkeling komt, en ook alleen bij die ééne soort aan beide seksen
-gemeen is.
-</p>
-<p>Bij verscheidene soorten van Antilopen zijn alleen de mannetjes van horens voorzien,
-terwijl bij de meeste beide seksen horens hebben. Ten opzichte van het tijdperk van
-ontwikkeling meldt mij de heer Blyth, dat er in den Londenschen dierentuin tegelijkertijd
-een jonge koedoe (<i>Antilope strepsiceros</i>), bij welke soort alleen de mannetjes gehorend zijn, en de jongen van een verwante
-soort leefden, namelijk van de eland-antilope (<i>Ant. oreas</i>), bij welke beide seksen gehorend zijn. In volkomen overeenstemming met onzen regel
-nu, waren bij den jongen mannelijken koedoe, hoewel hij reeds tien maanden oud was,
-de horens opmerkelijk klein, in vergelijking met de grootte die zij ten laatste bereiken;
-terwijl bij den jongen mannelijken eland, hoewel nog slechts drie maanden oud, de
-horens reeds veel grooter dan bij den koedoe waren. Het is ook opmerkenswaardig, dat
-bij de antilope met gevorkte horens<a class="noteRef" id="xd31e15343src" href="#xd31e15343">34</a>, bij welke soort de horens, hoewel bij beide seksen aanwezig, bij het wijfje bijna
-rudimentair zijn, zij niet verschijnen voor vijf of zes maanden na de geboorte. Bij
-de schapen, de geiten en het hoornvee, waarbij de horens, bij beide seksen goed ontwikkeld,
-hoewel niet volkomen even groot zijn, kan men ze bij de geboorte of spoedig daarna
-voelen of zelfs zien.<a class="noteRef" id="xd31e15349src" href="#xd31e15349">35</a> Onze regel gaat echter mank bij sommige onder-rassen <span class="pageNum" id="pb467">[<a href="#pb467">467</a>]</span>van schapen, b.v. merino’s, bij welke alleen de mannetjes gehorend zijn; want na onderzoek<a class="noteRef" id="xd31e15360src" href="#xd31e15360">36</a> kan ik niet bevinden, dat de horens bij dit ras in een later tijdperk van het leven
-tot ontwikkeling komen dan bij gewone schapen, bij welke beide seksen gehorend zijn.
-Bij het tamme schaap is echter de aanwezigheid of afwezigheid van horens geen zeer
-standvastig kenmerk, daar een zeker aantal ooien van merino-schapen kleine horens
-dragen en enkele rammen ongehorend zijn, terwijl bij gewone schapen nu en dan ongehorende
-ooien worden voortgebracht. <b>(<a href="#en8.3" id="en8.3src">3</a>)</b>
-</p>
-<p>Dr. W. Marshall heeft voor eenige jaren een bijzondere studie gemaakt van de uitwassen
-die op de koppen van vogels zoo algemeen zijn<a class="noteRef" id="xd31e15371src" href="#xd31e15371">37</a>, en hij komt tot het volgende besluit: bij die soorten waarbij zij tot de mannetjes
-beperkt zijn, komen zij laat in het leven tot ontwikkeling, terwijl zij bij die soorten
-bij welke zij aan beide seksen gemeen zijn, op zeer jeugdigen leeftijd tot ontwikkeling
-komen. Dit is zeker een treffende bevestiging van mijn beide wetten der erfelijkheid.
-</p>
-<p>Bij de meeste soorten van de prachtige familie der Fazanten verschillen de mannetjes
-in het oog vallend van de wijfjes en verkrijgen zij hun versierselen in een vrij laat
-tijdperk van het leven. De geoorde fazant (<i lang="la">Crossoptilon auritum</i>) maakt hierop echter een merkwaardige uitzondering, want beide seksen bezitten de
-schoone staartvederen, de groote vederbossen op de ooren en het fluweelachtige karmozijn
-op den kop; en ik bevind na onderzoek in den Londenschen dierentuin, dat al deze kenmerken
-zich, overeenkomstig onzen regel, zeer vroeg in het leven vertoonen. Het volwassen
-mannetje kan echter door één kenmerk van het volwassen wijfje worden onderscheiden,
-namelijk door de aanwezigheid van sporen en overeenkomstig onzen regel beginnen <span class="pageNum" id="pb468">[<a href="#pb468">468</a>]</span>deze zich, naar de heer <span class="corr" id="xd31e15387" title="Bron: Barlett">Bartlett</span> mij mededeelt, niet te ontwikkelen voor den leeftijd van zes maanden, en zelfs op
-dien leeftijd kan men te dien opzichte nauwelijks onderscheid tusschen de beide seksen
-zien.<a class="noteRef" id="xd31e15390src" href="#xd31e15390">38</a> De pauw en de pauwin verschillen in het oog loopend van elkander in bijna elk deel
-van hun gevederte, behalve in de sierlijke kuif, die aan beide seksen gemeen is; en
-deze ontwikkelt zich op zeer jongen leeftijd, lang voor de andere versierselen, die
-tot het mannetje zijn beperkt. De wilde eend levert een overeenkomstig geval op; want
-de fraaie, groene spiegelvlek op de vleugels is aan beide seksen gemeen, hoewel zij
-bij het wijfje doffer en iets kleiner is, en zij ontwikkelt zich op jongen leeftijd,
-terwijl de gekrulde staartvederen en andere blonder aan het mannetje eigen versierselen
-zich later ontwikkelen.<a class="noteRef" id="xd31e15397src" href="#xd31e15397">39</a> Men zou vele gevallen kunnen opnoemen, die tusschen de beide uitersten van groote
-overeenkomst en sterke ongelijkheid van de seksen, zooals die van den geoorden fazant
-en den pauw, inliggen, en in welke de kenmerken in de orde van hun ontwikkeling onze
-beide regels volgen.
-</p>
-<p>Daar de meeste Insekten in volwassen toestand uit de pop te voorschijn komen, is het
-twijfelachtig of het tijdperk van ontwikkeling de overplanting hunner kenmerken op
-ééne of op beide seksen bepaalt. <span class="pageNum" id="pb469">[<a href="#pb469">469</a>]</span>Wij weten echter niet, of, bij voorbeeld, de gekleurde schubben van twee soorten van
-kapellen, bij de eene waarvan de seksen in kleur verschillen, terwijl zij bij de andere
-gelijk gekleurd zijn, op den zelfden betrekkelijken leeftijd <span class="corr" id="xd31e15409" title="Bron: iu">in</span> de pop worden gevormd. Wij weten ook niet, of al de schubben zich tegelijkertijd
-ontwikkelen op de vleugels van de zelfde soort van kapel, bij welke zekere gekleurde
-teekeningen tot de eene sekse beperkt, en andere teekeningen aan beide seksen gemeen
-zijn. Een verschil van dezen aard in het tijdperk van ontwikkeling is niet zoo onwaarschijnlijk
-als het op het eerste gezicht wel schijnt; want bij de Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) die zich tot volkomen insekten ontwikkelen, niet door een enkele gedaanteverwisseling,
-maar door opeenvolgende vervellingen, gelijken de jonge mannetjes van eenige soorten
-eerst op de wijfjes en verkrijgen hun onderscheidende mannelijke kenmerken eerst bij
-een latere vervelling. Volkomen overeenkomstige gevallen komen voor gedurende de opeenvolgende
-vervellingen van zekere mannelijke Schaaldieren (<i>Crustacea</i>).
-</p>
-<p>Wij hebben tot dusverre de overplanting van kenmerken, met betrekking tot het tijdperk
-hunner ontwikkeling, alleen beschouwd hij soorten in den natuurstaat; wij zullen nu
-tot tamme dieren overgaan en eerst monstruositeiten en ziekten beschouwen. De aanwezigheid
-van overtallige vingers en het ontbreken van zekere kootjes moet in een vroeg embryonaal
-tijdperk worden bepaald—de neiging tot overmatige bloeding is op zijn minst aangeboren
-(congenitaal) en evenzoo is het waarschijnlijk met kleurenblindheid,—toch zijn deze
-en andere dergelijke bijzonderheden dikwijls in haar overplanting tot ééne sekse beperkt,
-zoodat de regel, dat kenmerken die zich op een vroeg tijdperk ontwikkelen, neiging
-bezitten om op beide seksen te worden overgeplant, hier volstrekt niet doorgaat. Deze
-regel schijnt echter, gelijk vroeger is opgemerkt, lang zoo algemeen niet steek te
-houden als de omgekeerde stelling, namelijk dat kenmerken die zich bij ééne sekse
-laat in het leven vertoonen, in hun overplanting tot die zelfde sekse zijn beperkt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Uit het feit, dat de bovengenoemde abnormale bijzonderheden zich uitsluitend bij
-ééne sekse vertoonen, lang voor de seksueele functies in werking treden, mogen wij
-afleiden dat er op uiterst jeugdigen leeftijd reeds een zekere mate van verschil tusschen
-de seksen moet bestaan<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ten opzichte van tot ééne sekse beperkte ziekten weten wij te weinig van het tijdperk
-waarop zij ontstaan, om daaruit met eenige zekerheid gevolgtrekkingen te kunnen <span class="pageNum" id="pb470">[<a href="#pb470">470</a>]</span>maken. De jicht schijnt echter aan onzen regel te gehoorzamen; want zij wordt gewoonlijk
-veroorzaakt door onmatigheid na de vroege jeugd en wordt door den vader op veel sterker
-uitgedrukte wijze op zijn zonen dan op zijn dochters overgeplant.
-</p>
-<p>Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee verschillen de mannetjes
-van hun respectieve wijfjes in den vorm of de ontwikkeling van hun horens, voorhoofd,
-manen, kossem, staart en bult op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen
-zich overeenkomstig onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen
-de seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen hertenhond,
-het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is; en, zooals wij in een volgend
-hoofdstuk zullen zien, begint het mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven
-in grootte toe te nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn
-meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt overgebracht. De
-driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de vrouwelijke katten is beperkt,
-is bij de geboorte volkomen te onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Er is een duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die
-strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij worden bij elke
-opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk
-in overeenstemming met onzen regel is. Bij den Engelschen <span class="corr" id="xd31e15429" title="Bron: Carriër">Carrier</span> en Kropper heeft de volkomen ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat
-in het leven plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in volkomen
-ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De volgende gevallen behooren
-wellicht tot de klasse, waarop vroeger is gezinspeeld, bij welke beide seksen op de
-zelfde wijze hebben gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun
-nieuwe kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben overgeplant;
-en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet met onzen regel. Zoo zijn
-er onder-rassen van duiven door Neumeister beschreven<a class="noteRef" id="xd31e15432src" href="#xd31e15432">40</a>, bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee- of driemaal te hebben geruid,
-zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet; hoewel deze veranderingen vrij laat in het
-leven plaats hebben, zijn zij toch aan beide seksen gemeen. <span class="pageNum" id="pb471">[<a href="#pb471">471</a>]</span>Ééne variëteit van den kanarievogel, namelijk de „<span lang="en">London Prize</span>”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.
-</p>
-<p>Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken door ééne sekse
-of door beide seksen over het algemeen te worden bepaald door het tijdperk waarop
-die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo verschilt het volwassen mannetje bij al de vele
-rassen waarbij hij sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort
-afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen kenmerken op een vrij
-laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij de meeste rassen daarentegen bij welke
-de seksen op elkander gelijken, zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als
-hun ouders, en dit maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal
-op jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit bij alle
-zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van beiderlei sekse op elkander
-gelijken; en men kan niet beweren, dat er in een zwart of wit gevederte iets bijzonders
-is, dat tot de overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele
-natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de wijfjes geheel
-anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige onder-rassen van het hoen,
-waarbij de vederen met overdwarse zwarte strepen geteekend zijn, zijn beide seksen
-en de kuikens op bijna de zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het
-Bantam-hoen is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen zwarte
-punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt. Hamburger Pellen maken
-echter een gedeeltelijke uitzondering; want de beide seksen, hoewel niet geheel gelijk,
-gelijken veel meer op elkander dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch
-verkrijgen zij hun eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben
-duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere kenmerken dan de
-kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde stamsoort en van de meeste tamme
-rassen bezitten een redelijk wel ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche
-hoen ontwikkelt deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge
-daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de Vechthoenders ontwikkelt
-zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk jongen leeftijd, waarvan merkwaardige
-bewijzen kunnen worden gegeven; en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant,
-zoodat de hennen, wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen
-in <span class="pageNum" id="pb472">[<a href="#pb472">472</a>]</span>afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders ontwikkelt zich het
-beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de
-kuikens uit het ei zijn gekomen, en de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel
-in het eerst langzaam<a class="noteRef" id="xd31e15450src" href="#xd31e15450">41</a>; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den schedel en een ontzaglijke
-kuif de volwassenen van beiderlei sekse.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij vele natuurlijke
-soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk van de ontwikkeling hunner kenmerken
-en de wijze van overplanting daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen
-groei der horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in vergelijking
-van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke alleen het mannetje horens
-draagt—ten eerste besluiten, dat ééne oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen
-door ééne sekse overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op
-laten leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder werkzame
-oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling
-dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer de seksen slechts weinig in gestel verschillen.
-Het schijnt echter, dat er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende
-een vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in dien tijd
-ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Overzicht en Slotopmerkingen.</i>—Uit de voorgaande bespreking van de verschillende wetten van de erfelijkheid zien
-wij, dat kenmerken dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen
-bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde jaargetijde,
-waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders hebben vertoond. Deze wetten
-zijn echter, wegens onbekende oorzaken, zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende
-trappen in de wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende
-wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden <span class="pageNum" id="pb473">[<a href="#pb473">473</a>]</span>overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op één leeftijd,
-en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der erfelijkheid zijn uiterst
-ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken die de variabiliteit teweegbrengen en besturen.
-De aldus veroorzaakte variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus,
-die op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van de vurigheid
-in de liefde, van den moed en de mededinging der mannetjes, en van de waarnemingsvermogens,
-den smaak en den wil van het wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke
-teeltkeus worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het kan daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide worden
-aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate ingewikkeld zijn.
-</p>
-<p>Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de zelfde sekse
-op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze
-onveranderd. Als zij zich laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den
-zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd. Variaties
-kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne sekse of bij beide vertoonen
-en op beide seksen op alle leeftijden worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s
-der soort op gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal
-men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den leeftijd heeft
-bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten. Wegens de groote vurigheid
-van het mannetje heeft zij over het algemeen op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt.
-De mannetjes zijn op die wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden,
-of met organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar op
-te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten verschillen, is het ook,
-gelijk wij hebben gezien, een uiterst algemeene wet<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate van het jonge mannetje verschilt;
-en wij mogen uit dit feit besluiten, dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen
-mannetje is gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan
-op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of vele der variaties
-zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen de jonge mannetjes in meerdere
-of mindere mate <span class="pageNum" id="pb474">[<a href="#pb474">474</a>]</span>deelen in de kenmerken der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen
-de oude en de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld bij
-vogels.
-</p>
-<p>Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging hebben bezeten
-om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op jongen leeftijd geen nut zou
-hebben aangebracht, maar werkelijk schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in
-het verkrijgen van levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben
-doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun ontwikkeling veel levenskracht
-zouden hebben verbruikt. Als variaties van deze soort zich bij de jonge mannetjes
-voordeden, zullen zij bijna zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd.
-Bij de volwassen en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het voordeel,
-door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun medeminnaars verworven, dikwijls
-meer dan opgewogen hebben tegen het blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.
-</p>
-<p>Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een meerderheid gaven
-over andere mannetjes in het gevecht, of in het vinden, vasthouden of bekoren van
-de andere sekse, als zij toevallig bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst
-zouden zijn, zullen zij bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wij hebben voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard
-spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als zij niet zorgvuldig
-voor de voortplanting worden uitgezocht<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Derhalve zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij eens
-bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te gaan; en de wijfjes
-zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd worden gelaten, behalve in zoover
-zij van de mannetjes door overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden
-en haar nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse overbrachten,
-zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes voordeelig waren, door de seksueele
-teeltkeus worden bewaard, hoewel zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval
-zouden beide seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze
-meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.
-</p>
-<p>Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne sekse werden overgeplant,
-hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit, en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus,
-in verband <span class="pageNum" id="pb475">[<a href="#pb475">475</a>]</span>met de voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een onverklaarbaar
-feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus,
-in verband met de gewone levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen
-dikwijls verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of aan
-gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna andere voorbeelden
-van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze soort tusschen de beide seksen bestaan,
-voornamelijk bij de lagere dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam.
-Wij moeten echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het algemeen
-de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de mannetjes varieerden
-op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te verschaffen enz. vermeerderde en
-dergelijke variaties alleen op hun mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden
-deze een organisatie verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter
-waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel hadden en aan
-de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of later op de zelfde wijze zouden
-varieeren; en zoodra dit gebeurde, zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus
-bij beide seksen gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander
-gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die door de seksueele
-teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der beide seksen met betrekking tot
-de voortplantingsfuncties zijn niet de zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen
-die voor de eene sekse nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige
-wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij deze laatste
-bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.
-</p>
-<p>In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire seksueele kenmerken
-bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval de in dit hoofdstuk uiteengezette
-beginselen trachten toe te passen. De laagste klassen zullen ons slechts zeer korten
-tijd bezig houden; maar de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig
-worden behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde redenen,
-mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden te geven van de tallooze
-inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje het wijfje vindt, of als hij haar heeft
-gevonden, vasthoudt. Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor
-het mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of opwekt,
-<span class="pageNum" id="pb476">[<a href="#pb476">476</a>]</span>uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de meest belangwekkende zijn.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Bijvoegsel over de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse bij
-tot verschillende klassen behoorende dieren.</i>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan de verhouding
-tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door het geheele dierenrijk heên,
-zal ik hier die bouwstoffen daartoe mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen,
-hoewel zij uiterst onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden
-van werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de verhoudingen op
-groote schaal alleen in het geval van den mensch met zekerheid bekend zijn, wil ik
-die eerst geven, als maatstaf van vergelijking.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>De Mensch.</i>—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866) jaarlijks gemiddeld 707120
-kinderen levend geboren, in de verhouding van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In
-1857 stonden echter de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland
-gerekend, als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten beschouwende,
-was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000 kinderen worden geboren), de
-<i>gemiddelde</i> verhouding van de mannelijke tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele
-tijdperk der bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales (waar
-jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van 106.2 tot 100 bereikte;
-een kleiner district nemende namelijk Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld
-739 geboorten plaats grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke
-als 114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district was het gemiddelde
-van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de
-zelfde verhouding als over geheel Engeland.<a class="noteRef" id="xd31e15509src" href="#xd31e15509">42</a> De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken eenigermate gewijzigd; zoo getuigt
-Prof. Faye, „dat er in sommige districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van
-tien jaren een voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken
-het tegenovergestelde verschijnsel <span class="pageNum" id="pb477">[<a href="#pb477">477</a>]</span>voordeed.” In Frankrijk stonden <span class="corr" id="xd31e15517" title="Bron: geduren">gedurende</span> <span class="corr" id="xd31e15520" title="Bron: vier-en veertig">vier-en-veertig</span> jaren de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende
-dit tijdvak is het in één departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat
-de vrouwelijke geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de
-gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100.<a class="noteRef" id="xd31e15524src" href="#xd31e15524">43</a> Te Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100.<a class="noteRef" id="xd31e15534src" href="#xd31e15534">44</a> Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks zeventig millioen
-geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen is bij blanke kinderen, aan
-de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal jongens zoo gering, dat gedurende een reeks
-van jaren van 90 tot 99 jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is <span class="corr" id="xd31e15540" title="Bron: en">een</span> vreemd feit, dat bij de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke
-stellig hooger is dan bij de Christenen <b>(<a href="#en8.4" id="en8.4src">4</a>)</b>; zoo is in Pruisen de verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120
-tot 100; terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding vertoonen
-als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 100<a class="noteRef" id="xd31e15549src" href="#xd31e15549">45</a><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het is een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder verschillende omstandigheden
-en luchtstreken, in Napels, Pruisen, Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat
-van de mannelijke over de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan
-wanneer zij wettig zijn.
-</p>
-<p>In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en andere schrijvers,
-„een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien de dood beide seksen in gelijke
-verhouding trof in de baarmoeder en gedurende de geboorte. Het is echter een feit,
-dat in onderscheidene landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren
-jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste levensjaren meer
-jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij voorbeeld gedurende het eerste levensjaar
-126 jongens tegen 100 meisjes,<span class="pageNum" id="pb478">[<a href="#pb478">478</a>]</span>—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is.<a class="noteRef" id="xd31e15560src" href="#xd31e15560">46</a> Dr. Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens veelvuldiger
-gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds vroeger gezien, dat de
-mannelijke sekse meer variabel van maaksel is dan de vrouwelijke, en variaties in
-belangrijke organen zullen over het algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het
-lichaam, en vooral van het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke
-is, is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te worden
-beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen onder de jongens talrijker
-en hebben, gelijk een hoogst bevoegd beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt<a class="noteRef" id="xd31e15569src" href="#xd31e15569">47</a>, jongens dikwijls nog eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten
-gevolge van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de geboorte
-als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan verschillende gevaren zijn
-blootgesteld en meer neiging tot landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van
-ouds bewoonde landen waar statistieke opteekeningen zijn gedaan<a class="noteRef" id="xd31e15580src" href="#xd31e15580">48</a>, aanmerkelijk talrijker dan de mannen. <b>(<a href="#en8.5" id="en8.5src">5</a>)</b>
-</p>
-<p>Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in verschillende landen
-onder verschillende toestanden en klimaten, in Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland,
-Frankrijk, Engeland en de Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten
-over de vrouwelijke <span class="pageNum" id="pb479">[<a href="#pb479">479</a>]</span>kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn.<a class="noteRef" id="xd31e15596src" href="#xd31e15596">49</a> Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende wijzen verklaard, zooals
-omdat de moeders over het algemeen jong zijn, dat het grootendeels de eerste kinderen
-zijn die zij krijgen, enz. Doch wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere
-afmeting van hun hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders
-van onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan andere
-vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar zwangerschap te verbergen
-door zich sterk te rijgen, harden arbeid, wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten
-naar verhouding meer lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken,
-waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren kinderen kleiner
-is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de meeste dieren is de oorzaak dat
-het volwassen mannetje grooter dan het wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere
-mannetjes de zwakkere hebben overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje,
-en ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten minste van
-eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo hebben wij hier het merkwaardige
-feit, dat wij de grootere sterfte onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen,
-vooral onder de onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen toeschrijven.
-</p>
-<p>Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders de sekse der
-kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart<a class="noteRef" id="xd31e15607src" href="#xd31e15607">50</a> heeft zijns inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en zekere
-tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor daartoe is. Evenzoo
-dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting de daarbij werkzame oorzaak was;
-doch onlangs gedane waarnemingen strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld,
-dat bij den mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van
-een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell<a class="noteRef" id="xd31e15615src" href="#xd31e15615">51</a> gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt tot het besluit,
-dat de verhouding tusschen <span class="pageNum" id="pb480">[<a href="#pb480">480</a>]</span>mannelijke en vrouwelijke geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen.
-<b>(<a href="#en8.6" id="en8.6src">6</a>)</b> Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam) gemaakt als onze
-Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien, dat hun mannelijk en vrouwelijk
-kroost in aantal bijna geheel gelijk is.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Paarden.</i>—De heer Tegetmeier is zoo vriendelijk geweest uit de „<span lang="en">Racing Calendar</span>” voor mij een tabel te maken van de geboorten van renpaarden gedurende een tijdvak
-van één-en-twintig jaren, namelijk van 1846 tot 1867; waarbij 1849 is overgeslagen,
-daar dat jaar het bedrag er van niet publiek is gemaakt. Het totaal aantal geboorten
-is 25,560<a class="noteRef" id="xd31e15637src" href="#xd31e15637">52</a> geweest, bestaande uit 12763 hengstveulens en 12797 merrieveulens, of in de verhouding
-van 99.7 hengstveulens tegen 100 merrieveulens. Daar deze getallen tamelijk groot
-zijn, en daar zij zijn getrokken uit alle deelen van Engeland, gedurende verscheidene
-jaren, mogen wij met veel vertrouwen besluiten, dat bij het tamme paard, of ten minste
-bij het renpaard, de beide seksen in bijna gelijk aantal worden voortgebracht. De
-afwisselingen in de verhoudingen gedurende opeenvolgende jaren naderen zeer tot die
-welke bij den mensch plaats grijpen, als men een klein en dun bevolkt gebied beschouwt;
-zoo stonden in 1856 de hengstveulens tot de merrieveulens als 107.1, en in 1867 als
-slechts 92.6 tot 100. Op de tabellen van het bedrag der geboorten wisselen de verhoudingen
-volgens vaste tijdperken af; want de hengstveulens overtroffen de merrieveulens in
-aantal gedurende zes achtereenvolgende jaren; en de merrieveulens overtroffen de hengstveulens
-in aantal gedurende twee tijdperken, elk van vier jaren; dit is echter wellicht slechts
-toevallig; ik kan ten minste niets van dezen aard ontdekken bij den mensch in de tienjarige
-tabel in het „<span lang="en">Registrar’s Report</span>” voor 1866. Ik mag er bijvoegen, dat zekere merries, en dit is ook het geval bij
-zekere koeien en vrouwen, een neiging bezitten om meer jongen van de eene sekse voort
-te brengen dan van de andere; de heer <span class="pageNum" id="pb481">[<a href="#pb481">481</a>]</span>Wright van Yeldersley House meldt mij, dat ééne van zijn Arabische merries, hoewel
-zeven malen door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens wierp.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Honden.</i>—Gedurende een tijdvak van twaalf jaren, van 1857 tot 1868, zijn de geboorteopgaven
-van een aanzienlijk aantal windhonden, door geheel Engeland heên, aan de „<span lang="en">Field</span>” courant gezonden; en ik ben wederom aan den heer Tegetmeier zorgvuldig bewerkte
-tabellen van den uitslag verschuldigd. De opgeteekende geboorten waren ten getale
-van 6878, bestaande uit 3605 reuen en 3273 teven, dat is in verhouding van 110.1 reuen
-tegen 100 teven. De grootste afwisselingen hadden in 1864 plaats, toen de verhouding
-als 95.3 reuen, en in 1867, toen zij als 116.3 reuen tegen 100 teven was. De bovenvermelde
-gemiddelde verhouding 110.1 tot 100 is waarschijnlijk bijna nauwkeurig in het geval
-van den windhond; maar of zij steek zou houden bij andere tamme rassen, is eenigermate
-twijfelachtig. De heer Cupples heeft onderzoek gedaan bij onderscheidene groote hondenfokkers
-en vindt, dat allen zonder uitzondering gelooven, dat er teven in overmaat worden
-geboren; hij oppert de meening, dat dit geloof wellicht kan zijn ontstaan, doordat
-teven minder waarde hebben, en doordat de daardoor teweeggebrachte teleurstelling
-een sterkeren indruk op den geest maakt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Schapen.</i>—De sekse der schapen wordt door de landbouwers niet onderzocht, dan verscheidene
-maanden na de geboorte, op het tijdstip, dat de rammen worden gesneden (gecastreerd);
-zoodat de hier volgende getallen niet de verhoudingen bij de geboorte geven. Ik vind
-daarenboven, dat verscheidene groote veefokkers in Schotland, die jaarlijks eenige
-duizenden schapen aanfokken, vast overtuigd zijn, dat er gedurende de eerste een of
-twee jaar meer rammen dan ooien sterven; de verhouding der rammen zou dus bij de geboorte
-iets grooter zijn, dan op den leeftijd der snijding (castratie). Dit is een merkwaardiger
-overeenkomst met hetgeen, zooals wij hebben gezien, bij den mensch gebeurt, en beide
-gevallen hangen waarschijnlijk van de eene of andere gemeenschappelijke oorzaak af.
-Ik heb opgaven ontvangen van vier heeren in Engeland, die gedurende de laatste tien
-of zestien jaar laaglandsche schapen, voornamelijk Leicester-schapen, hebben aangefokt;
-het gezamenlijk bedrag der geboorten klimt tot 8965, bestaande uit 4407 rammen en
-4558 ooien, dat is in de verhouding van 96.7 rammen tot 100 ooien. Ten opzichten van
-Cheviot- en zwartsnoetige schapen, in Schotland aangefokt, ontving ik opgaven van
-zes <span class="pageNum" id="pb482">[<a href="#pb482">482</a>]</span>fokkers, twee daarvan op groote schaal, voornamelijk voor de jaren 1867–1869, maar
-sommige opgaven klommen op tot 1862. Het totale opgeteekende aantal klimt tot 50685,
-bestaande uit 25071 rammen en 25614 ooien, dat is in de verhouding van 97.9 rammen
-tot 100 ooien. Indien wij de Engelsche en Schotsche opgaven te zamen nemen, klimt
-het totale aantal tot 59650, bestaande uit 29478 rammen en 30172 ooien, of als 97.7
-tot 100, zoodat het zeker is, dat bij schapen op den leeftijd der snijding (castratie)
-de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen; maar of dit ook zou doorgaan bij de
-geboorte, is twijfelachtig, ten gevolge van het meer onderhevig zijn der mannetjes
-aan een vroegen dood.<a class="noteRef" id="xd31e15660src" href="#xd31e15660">53</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Hoornvee.</i>—Hieromtrent ontving ik opgaven van negen heeren van 982 geboorten, te weinig om vertrouwen
-te verdienen; deze bestonden uit 477 stierkalveren en 505 koekalveren, d.i. in de
-verhouding van 94.4 stierkalveren tot 100 koekalveren. De weleerw. heer W.&nbsp;D. Fox
-meldt mij, dat in 1867 van 34 kalveren die op ééne hoeve in Derbyshire werden geboren,
-slechts één een stier was.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Varkens.</i>—De heer Harrison Weir schrijft mij, dat hij bij verscheidene varkensfokkers onderzoek
-heeft gedaan, en de meesten daarvan schatten, dat de geboorten van beeren tot die
-van zeugen ongeveer staan als 7 tot 6.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Konijnen.</i>—De zelfde heer heeft voor vele jaren konijnen gefokt en heeft opgeteekend, dat er
-een veel grooter aantal rekels dan voedsters worden geboren.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Zoogdieren in den natuurstaat<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></i>—Omtrent deze heb ik slechts zeer weinig kunnen te weten komen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Omtrent de <i>gewone</i> Rat heb ik tegenstrijdige mededeelingen ontvangen. De heer R. Elliot van Laighwood
-meldt mij, dat een rattenvanger hem heeft verzekerd, dat hij altijd een groote overmaat
-van mannetjes had gevonden, zelfs bij de jongen in het nest. Ten gevolge daarvan onderzocht
-de heer Elliot zelf later eenige honderden oude ratten en vond die mededeeling bevestigd.
-</p>
-<p>De heer F. Buckland heeft een groot aantal witte ratten aangefokt, <span class="pageNum" id="pb483">[<a href="#pb483">483</a>]</span>en ook hij gelooft, dat de mannetjes de wijfjes verreweg in aantal overtreffen. Wat
-<i>Mollen</i> aangaat, wordt gezegd, dat „de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes”<a class="noteRef" id="xd31e15696src" href="#xd31e15696">54</a>; en daar het vangen van deze dieren een bijzonder beroep is, kan men deze getuigenis
-wellicht vertrouwen. Sir A. Smith merkt, een antilope van Zuid-Afrika<a class="noteRef" id="xd31e15702src" href="#xd31e15702">55</a> (<i>Kobus ellipsiprymnus</i>) beschrijvende, op, dat bij de kudden van deze en andere soorten de mannetjes gering
-in aantal zijn in vergelijking van de wijfjes; de inboorlingen gelooven, dat zij in
-die verhouding worden geboren; anderen gelooven, dat de jongere mannetjes uit de kudden
-worden verdreven, en Sir A. Smith zegt, dat, hoewel hij zelf nooit kudden heeft gezien
-die alleen uit jonge mannetjes bestonden, anderen hem verzekeren, dat dit wel voorkomt.
-Waarschijnlijk zullen de jonge mannetjes, als zij uit de kudde worden verdreven, zeer
-zijn blootgesteld om de prooi te worden van de vele roofdieren van dat land.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>VOGELS.
-</p>
-<p>Omtrent <i>Hoenders</i> heb ik slechts ééne opgaaf ontvangen, namelijk dat van 1001 kuikens van een aan sterke
-familieparing onderworpen familie Cochinchina-hoenders, gedurende acht jaren door
-den heer Stretch opgekweekt, 487 hanen en 514 hennen bleken te zijn, zoodat de verhouding
-94.7 tot 100 was. Omtrent tamme <i>Duiven</i> bestaan er goede bewijzen, dat er mannetjes in overmaat worden geboren, of dat zij
-langer leven; want deze vogels leven zonder uitzondering paarsgewijze, en afzonderlijke
-mannetjes kunnen, naar de heer Tegetmeier mij meldt, altijd goedkooper worden gekocht
-dan wijfjes. Gewoonlijk bestaan de beide vogels, opgekweekt uit de twee in het zelfde
-nest gelegde eieren, uit een mannetje en een wijfje; doch de heer Harrison Weir, die
-zulk een groot duivenfokker was, zegt, dat hij dikwijls twee doffers heeft opgekweekt
-uit het zelfde nest, en zelden twee vrouwelijke duiven; daarenboven is het wijfje
-de zwakste van de twee, en aan grootere sterfte onderhevig.
-</p>
-<p>Wat <i>Vogels in den natuurstaat</i> aangaat, zijn de heer Gould en anderen<a class="noteRef" id="xd31e15724src" href="#xd31e15724">56</a> overtuigd, dat de mannetjes over het algemeen het talrijkst zijn; <span class="pageNum" id="pb484">[<a href="#pb484">484</a>]</span>en daar de jonge mannetjes van vele soorten op de wijfjes gelijken, zouden deze laatste
-natuurlijk het talrijkst schijnen. Een groot aantal <i>Fazanten</i> worden door den heer Baker van Leadenhall aangekweekt uit door wilde vogels gelegde
-eieren, en hij meldt den heer Jenner Weir, dat er gewoonlijk vier of vijf hanen tegen
-ééne hen worden voortgebracht. Een ondervindingrijk waarnemer merkt op<a class="noteRef" id="xd31e15734src" href="#xd31e15734">57</a>, dat in Scandinavië de broedsels van het <i>Auerhoen</i> en het <i>Korhoen</i> meer hanen dan hennen bevatten; en dat bij de „Dal-ripa” (een soort van <i>Sneeuwhoen</i>) <b>(<a href="#en8.7" id="en8.7src">7</a>)</b> meer hanen dan hennen op de „lek” of plaatsen waar zij elkander het hof maken, tegenwoordig
-zijn; maar deze laatste omstandigheid wordt door sommige waarnemers verklaard doordat
-een grooter aantal hennen door het ongedierte worden gedood. Uit verschillende door
-White van Seborne<a class="noteRef" id="xd31e15753src" href="#xd31e15753">58</a> medegedeelde feiten schijnt het duidelijk, dat in het zuiden van Engeland bij de
-<i>Patrijzen</i> een groote overmaat van mannetjes moet bestaan; en men heeft mij verzekerd, dat dit
-ook in Schotland het geval was. Toen de heer Weir onderzoek deed bij de kooplieden,
-die in zekere tijden van het jaar een groot aantal <i>Kemphanen</i> (<i>Machetes pugnax</i>) ontvangen, verhaalde men hem, dat de mannetjes verreweg het talrijkst zijn. De zelfde
-natuuronderzoeker heeft ook voor mij een onderzoek ingesteld bij de vogelvangers,
-die jaarlijks een verbazend groot aantal verschillende kleine vogels levend vangen
-voor de Londensche markt, en een oud en geloofwaardig man antwoordde hem zonder aarzeling,
-dat er bij den gewonen <i>Vink</i> een groote overmaat van <span class="corr" id="xd31e15768" title="Bron: manmetjes">mannetjes</span> bestond; hij dacht, dat er wel 2 mannetjes tegen 1 wijfje, of minstens 5 mannetjes
-tegen drie wijfjes waren.<a class="noteRef" id="xd31e15771src" href="#xd31e15771">59</a> Ook bij de <i>Merel</i> of <i>Zwarte Lijster</i> beweerde hij, dat de mannetjes verreweg het talrijkst waren, als men ze met strikken
-of des nachts met netten ving. Deze getuigenissen verdienen blijkbaar vertrouwen,
-daar de zelfde man zeide, dat de seksen ongeveer even talrijk zijn bij den <i>Leeuwerik</i>, het <i>Barmsijsje</i> (<i>Linaria montana</i>) en den <i>Distelvink</i>. Hij is daarentegen zeker, dat er bij het gewone <i>Kneutje</i> een groote overmaat van wijfjes is, <span class="pageNum" id="pb485">[<a href="#pb485">485</a>]</span>ofschoon ongelijk in verschillende jaren; in eenige jaren heeft hij gevonden, dat
-de wijfjes tot de mannetjes stonden als vier tot een. Men bedenke echter steeds, dat
-het voornaamste jaargetijde om vogels te vangen niet voor September begint, zoodat
-bij sommige soorten gedeeltelijke verhuizingen kunnen zijn begonnen, en de vluchten
-op dien tijd dikwijls alleen uit wijfjes bestaan. De heer Salvin vestigde zijn aandacht
-bijzonder op de sekse van de <i>Kolibri’s</i> in Midden-Amerika, en hij is overtuigd, dat er bij de meeste soorten een overmaat
-van mannetjes is; zoo verschafte hij zich in één jaar 204 voorwerpen, tot 10 soorten
-behoorende, en daarvan waren 166 mannetjes en 38 wijfjes. Bij twee andere soorten
-was er een overmaat van wijfjes, doch de verhoudingen wisselden blijkbaar af; hetzij
-in verschillende jaargetijden of op verschillende plaatsen; want bij ééne gelegenheid
-stonden de mannetjes van <i>Campylopterus hemileucurus</i> tot de wijfjes als vijf tot twee, en bij een andere gelegenheid<a class="noteRef" id="xd31e15796src" href="#xd31e15796">60</a> was de verhouding juist omgekeerd. In verband met dit laatste punt kan ik er bijvoegen,
-dat de heer Powys bevond dat op Corfu en in Epirus de beide seksen van den vink afzonderlijk
-leven, „en de wijfjes verreweg het talrijkst zijn”; terwijl de heer Tristram bevond,
-dat in Palaestina „de vluchten mannelijke vinken die van vrouwelijke verreweg in aantal
-schijnen te overtreffen.”<a class="noteRef" id="xd31e15799src" href="#xd31e15799">61</a> Evenzoo zegt de heer G. Taylor<a class="noteRef" id="xd31e15802src" href="#xd31e15802">62</a> omtrent <i>Quiscalus major</i>, dat er in Florida „zeer weinig wijfjes waren, in verhouding tot de mannetjes”, terwijl
-in Honduras de verhouding omgekeerd was, en de soort daar in veelwijverij (polygamie)
-leefde.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>VISSCHEN.
-</p>
-<p>Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de verhoudingsgetallen der
-seksen door ze in volwassen of bijna volwassen staat te vangen; en het is zeer moeilijk
-tot eenig juist besluit te komen.<a class="noteRef" id="xd31e15813src" href="#xd31e15813">63</a> <span class="pageNum" id="pb486">[<a href="#pb486">486</a>]</span>Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing voor mannetjes worden gehouden,
-zooals de heer Günther mij opmerkte ten opzichte van de forel. Bij sommige soorten
-gelooft men, dat de mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht.
-Bij vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een groot aantal
-mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de wijfjes werden gevangen. De
-heer Carbonnier<a class="noteRef" id="xd31e15821src" href="#xd31e15821">64</a>, die bijzonder acht heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (<i>Esox Lucius</i>) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe grootte, door de grootere
-wijfjes worden verslonden; en hij gelooft, dat de mannetjes van bijna alle visschen
-wegens de zelfde oorzaak aan grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch
-schijnen in de weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn waargenomen,
-de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo zegt de heer R. Buist, de
-superintendent van de Stormontfieldsche proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die
-het eerst aan land werden gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer
-dan 60 mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote wanverhouding
-tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den aanvang ten minste tien mannetjes
-tegen <span class="corr" id="xd31e15829" title="Bron: éen">één</span> wijfje.” Later werden genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er
-bij: „wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij voortdurend
-met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.”<a class="noteRef" id="xd31e15833src" href="#xd31e15833">65</a> Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel rekenschap geven,
-doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan de wijfjes; maar of men haar
-daardoor geheel kan verklaren, is zeer twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent
-de forel op, „dat het een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker
-zijn dan de wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde het
-zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen één wijfje gevangen
-vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes,
-òf de laatste zoeken zich liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te
-vluchten. Hij voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken
-een <span class="corr" id="xd31e15842" title="Bron: voldoend">voldoende</span> <span class="pageNum" id="pb487">[<a href="#pb487">487</a>]</span>aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen.<a class="noteRef" id="xd31e15847src" href="#xd31e15847">66</a> De heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord Portsmouth’s
-park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.
-</p>
-<p>Bij de Karpervisschen (<i>Cyprinidae</i>) schijnen de mannetjes ook in overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden
-van deze familie, namelijk de karper, de zeelt, de brasem en <i>Leuciscus phoxinus</i>, schijnen geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij (polyandrie)
-te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje steeds door twee mannetjes vergezeld,
-één aan elke zijde, en in het geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit
-feit is zoo wel bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver
-twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke zeelten op twee
-wijfjes te nemen. Van <i>Leuciscus phoxinus</i> getuigt een uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de
-mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje onder de mannetjes
-komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een mannetje dicht op haar; en als deze een
-tijd lang in die positie zijn geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen.<a class="noteRef" id="xd31e15861src" href="#xd31e15861">67</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>INSEKTEN.
-</p>
-<p>In deze Klasse leveren alleen de Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) de middelen op om over de verhoudingsgetallen van de seksen te oordeelen; want zij
-zijn met bijzondere zorg door vele goede waarnemers verzameld en op groote schaal
-uit het ei of den rupsentoestand opgekweekt. Ik had gehoopt, dat sommige kweekers
-van zijdewormen nauwkeurige opteekeningen zouden hebben gehouden; maar na naar Frankrijk
-en Italië geschreven en onderscheidene verhandelingen geraadpleegd te hebben, kan
-ik niet vinden, dat dit ooit is gedaan. De algemeene opinie schijnt te zijn, dat de
-seksen ongeveer even talrijk zijn; maar in Italië zijn, naar ik van Prof. Canestrini
-hoor, vele kweekers overtuigd, dat er wijfjes in overmaat worden voortgebracht. De
-zelfde natuuronderzoeker <span class="pageNum" id="pb488">[<a href="#pb488">488</a>]</span>meldt mij echter, dat bij de twee groote jaarlijksche broedsels van den Ailanthus-zijdeworm
-(<i>Bombyx Cynthia</i>) de mannetjes verreweg de overhand hebben in het eerste, terwijl in het tweede de
-seksen nagenoeg even talrijk zijn, of de wijfjes eenigszins de overhand hebben.
-</p>
-<p>Ten opzichte van Kapellen in den natuurstaat zijn verscheidene waarnemers zeer getroffen
-geweest door de schijnbaar verbazend groote overmaat van mannetjes.<a class="noteRef" id="xd31e15883src" href="#xd31e15883">68</a> Zoo zegt de heer Bates<a class="noteRef" id="xd31e15889src" href="#xd31e15889">69</a>, van de soorten sprekende, niet minder dan ongeveer honderd in getal, die den Boven-Amazonenstroom
-bewonen, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, zelfs in de verhouding
-van honderd tot één. In Noord-Amerika schat Edwards die groote ondervinding had, dat
-bij het geslacht <i>Papilio</i> de mannetjes tot de wijfjes staan als vier tot één; en de heer Walsh welke mij die
-getuigenis mededeelde, zegt, dat dit bij <i>P. Turnus</i> met zekerheid het geval is. In Zuid-Afrika vond de heer R. Trimen de mannetjes in
-overmaat bij 19 soorten<a class="noteRef" id="xd31e15899src" href="#xd31e15899">70</a>, en bij één daarvan, die op open plaatsen rondvliegt, schat hij, dat het aantal mannetjes
-tot dat der wijfjes staat als vijftig tot één. Van een andere soort, waarvan de mannetjes
-op sommige plaatsen talrijk zijn<span class="corr" title="Bron: .">,</span> verzamelde hij gedurende zeven jaar slechts vijf wijfjes. De heer Maillard getuigt,
-dat op het eiland Bourbon de mannetjes van ééne soort van <i>Papilio</i> twintigmaal talrijker zijn dan de wijfjes.<a class="noteRef" id="xd31e15911src" href="#xd31e15911">71</a> De heer Trimen meldt mij, dat het, zoover hij zelf gezien of van anderen gehoord
-heeft, een zeldzaamheid is, als de wijfjes van de eene of andere soort van kapel de
-mannetjes in aantal overtreffen, doch dat dit wellicht het geval is met drie Zuid-Afrikaansche
-soorten. De heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e15917src" href="#xd31e15917">72</a> getuigt, dat de wijfjes van <i lang="la">Ornithoptera Croesus</i> in Insulinde algemeener zijn en gemakkelijker worden gevangen dan de mannetjes; maar
-dit is een zeldzame soort van kapel. Ik mag hier bijvoegen, dat, volgens Guenée, van
-<i>Hyperethra</i>, een geslacht van nachtvlinders, van vier tot vijf wijfjes in verzamelingen uit Indië
-worden gezonden tegen één mannetje.
-<span class="pageNum" id="pb489">[<a href="#pb489">489</a>]</span></p>
-<p>Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in de Engelsche
-Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht<a class="noteRef" id="xd31e15933src" href="#xd31e15933">73</a>, nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal worden gevangen dan de wijfjes;
-maar dit feit werd door onderscheidene waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde
-levenswijze van het wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de
-pop komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste Schubvleugeligen
-(<i>Lepidoptera</i>) en ook met andere insekten. Zoo gaan, gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes
-van den tammen <i>Bombyx Yama-Maju</i> in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde daarvan verloren, wegens
-gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om mede te <span class="corr" id="xd31e15945" title="Bron: parem">paren</span>.<a class="noteRef" id="xd31e15949src" href="#xd31e15949">74</a> Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen, dat deze oorzaken voldoende zijn
-om de groote overmaat van mannetjes in de bovenvermelde gevallen bij kapellen die
-in haar vaderland uiterst gemeen zijn, te verklaren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De heer Stainton, die gedurende vele jaren zooveel studie van de kleinere nachtvlinders
-heeft gemaakt, meldt mij nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt
-verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de wijfjes, maar
-dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups opkweekte, overtuigd is, dat de
-wijfjes het talrijkst zijn. Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De
-heer Doubleday echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en
-overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer mannetjes dan wijfjes
-hebben opgekweekt.
-</p>
-<p>Behalve de meer bedrijvige levenswijze der mannetjes, hun vroeger uit de pop komen
-en hun veelvuldiger bezoeken van open plaatsen kunnen wellicht nog andere oorzaken
-worden aangegeven voor een schijnbaar of werkelijk verschil in de getalsverhouding
-van de seksen bij de Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), als zij in den toestand van volkomen insekt gevangen, en als zij uit de eieren
-of rupsen opgekweekt worden. Vele kweekers van zijdewormen in Italië gelooven, naar
-ik van Professor Canestrini hoor, dat de vrouwelijke rupsen meer van de voor korten
-tijd gewoed hebbende ziekte te lijden hadden dan de mannelijke; en Dr. Staudinger
-meldt mij, dat er bij het opkweeken van vlinders <span class="pageNum" id="pb490">[<a href="#pb490">490</a>]</span>meer wijfjes in de pop sterven dan mannetjes. Bij vele soorten is de vrouwelijke rups
-grooter dan de mannelijke, en een verzamelaar zal natuurlijk de schoonste voorwerpen
-kiezen en zoo onbewust een grooter aantal wijfjes verzamelen. Drie verzamelaars hebben
-mij gezegd, dat dit hun gewoonte was; maar Dr. Wallace is zeker, dat de meeste verzamelaars
-al de voorwerpen nemen die zij kunnen vinden, van de meer zeldzame soorten, die alleen
-de moeite van het opkweeken waard zijn. Als vogels door rupsen zijn omringd, zullen
-zij waarschijnlijk de grootste kiezen; en Professor Canestrini meldt mij, dat sommige
-kweekers in <span class="corr" id="xd31e15963" title="Bron: Italie">Italië</span> gelooven, hoewel zij geen voldoende bewijzen hebben, dat bij het eerste broedsel
-van den Ailanthus-zijdeworm de wespen een grooter aantal van de vrouwelijke dan van
-de mannelijke rupsen vernielen. Dr. Wallace merkt verder op, dat vrouwelijke rupsen,
-omdat zij grooter dan de mannelijke zijn, meer tijd voor haar ontwikkeling behoeven
-en meer voedsel en vocht verbruiken, en dus gedurende langer tijd moeten zijn blootgesteld
-aan gevaar van sluipwespen, vogels enz., en in tijden van schaarschte in grooter aantal
-moeten sterven. Het schijnt daarom zeer mogelijk, dat in den natuurstaat minder vrouwelijke
-dan mannelijke Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) tot vollen wasdom komen; en voor ons bijzondere doel hebben wij te maken met de
-getallen op volwassen leeftijd, als de seksen gereed zijn om haar soort voort te planten.
-</p>
-<p>De wijze waarop de mannetjes van zekere nachtvlinders in buitengewoon grooten getale
-samenkomen rondom een enkel wijfje, wijst blijkbaar op een groote overmaat van mannetjes,
-hoewel dit feit wellicht kan worden verklaard doordat de mannetjes vroeger uit de
-pop te voorschijn komen. De heer Stainton meldt mij, dat men soms van twaalf tot twintig
-mannetjes verzameld kan zien rondom een enkel wijfje van <i>Elachista rufocinerea</i>. Het is welbekend, dat, indien een maagdelijke <i>Lasiocampa quercus</i> of <i>Saturnia carpini</i> in een kooi wordt tentoongesteld, een groot aantal mannetjes zich rondom haar verzamelen,
-en als zij in een kamer is opgesloten, zelfs door den schoorsteen naar haar toe komen
-vliegen. De heer Doubleday gelooft, dat hij van vijftig tot een honderdtal mannetjes
-van deze beide soorten in den loop van een enkelen dag door een opgesloten wijfje
-aangelokt heeft gezien. De heer Trimen stelde op het eiland Wight een doos ten toon,
-waarin den vorigen dag een wijfje van de <i>Lasiocampa</i> was opgesloten geweest, en weldra trachtten vijf mannetjes daarin te komen. Toen
-de heer Verreaux <span class="pageNum" id="pb491">[<a href="#pb491">491</a>]</span>in Nieuw-Holland een doos in zijn zak had, waarin zich het wijfje van een kleine <i>Bombyx</i>-soort bevond, werd hij door een menigte mannetjes gevolgd, zoodat ongeveer 200 met
-hem het huis binnenkwamen.<a class="noteRef" id="xd31e15983src" href="#xd31e15983">75</a>
-</p>
-<p>De heer Doubleday heeft mijn aandacht gevestigd op Dr. Staudinger’s lijst van Schubvleugeligen
-(<i>Lepidoptera</i>)<a class="noteRef" id="xd31e15993src" href="#xd31e15993">76</a>, waarop de prijs voorkomt van de mannetjes en wijfjes van 300 soorten of goed uitgedrukte
-verscheidenheden van dagvlinders (<i>Rhopalocera</i>). De prijzen voor beide seksen van de zeer algemeene soorten zijn natuurlijk de zelfde,
-maar bij 113 der meer zeldzame soorten verschillen zij, en daarbij is het mannetje,
-op ééne uitzondering na, het goedkoopst. Bij de 113 soorten staat de prijs van het
-mannetje tot dien van het wijfje gemiddeld als 100 tot 149; en deze prijs schijnt
-aan te toonen, dat omgekeerd de mannetjes de wijfjes in de zelfde verhouding in aantal
-overtreffen. Ongeveer 2000 soorten of verscheidenheden van avond- en nachtvlinders
-(<i>Heterocera</i>) zijn gecatalogiseerd, waarbij die met vleugellooze wijfjes hier worden uitgesloten
-wegens de verschillende levenswijze der seksen; van 2000 soorten verschillen 141 in
-prijs volgens de sekse, daar van 130 de mannetjes goedkooper en slechts van 11 de
-mannetjes duurder zijn dan de wijfjes. De prijs van de mannetjes der 130 soorten staat
-gemiddeld tot dien van de wijfjes als 100 tot 143. Ten opzichte van de kapellen op
-deze prijslijst denkt de heer Doubleday (en niemand in Engeland heeft meer ondervinding
-gehad), dat er niets in de levenswijze der soorten is, dat rekenschap kan geven van
-het verschil in prijs tusschen de beide seksen, en dat men het alleen kan verklaren,
-doordat zijn verzamelaars een grooter aantal mannetjes dan wijfjes vangen en derhalve
-de eerste lager in prijs zijn. Ten opzichte van uit de rups opgekweekte voorwerpen
-gelooft Dr. Staudinger, gelijk vroeger is vermeld<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat in gevangen staat een grooter aantal van de wijfjes dan van de mannetjes in de
-pop sterven. Hij voegt er bij, dat bij zekere soorten de eene sekse gedurende zekere
-jaren de overhand schijnt te hebben boven de mannetjes.
-</p>
-<p>Van rechtstreeksche waarnemingen omtrent de sekse van Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), gekweekt hetzij uit het ei of uit de rups, heb ik alleen de volgende weinige opgaven
-ontvangen:
-<span class="pageNum" id="pb492">[<a href="#pb492">492</a>]</span></p>
-<p></p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom"> </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadTop cellHeadBottom">Mannetjes </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Wijfjes
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De weleerw. Heer J. Hellius<a class="noteRef" id="xd31e16023src" href="#xd31e16023">77</a> van Exeter kweekte in 1886 volkomen insekten van 73 soorten, die bestonden uit
-</td>
-<td class="xd31e14089">153 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">137 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De heer Albert Jones van Eltham kweekte in 1868 volkomen insekten van 9 soorten, die
-bestonden uit </td>
-<td class="xd31e14089">159 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">126 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">In 1869 kweekte hij volkomen insekten van 4 soorten, bestaande uit </td>
-<td class="xd31e14089">114 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">112 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De heer Buckler van Emsworth, Hants, kweekte in 1869 volkomen insekten van 74 soorten,
-bestaande uit </td>
-<td class="xd31e14089">180 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">169 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Dr. Wallace van Colchester kweekte uit één broedsel van Bombyx Cynthia </td>
-<td class="xd31e14089">52 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">48 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Dr. Wallace kweekte in 1869 uit poppen van Bombyx Pernyi, hem uit China gezonden,
-</td>
-<td class="xd31e14089">224 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">123 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Dr. Wallace kweekte in 1868 en 1869 uit twee partijen poppen van Bombyx Yama-Maju
-</td>
-<td class="xd31e14089">52 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">46
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom xd31e14722">Totaal </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"><span class="sum">934 </span></td>
-<td class="xd31e14089 cellRight cellBottom"><span class="sum">761 </span></td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Bij deze zeven partijen poppen en eieren werd dus een overmaat van mannetjes voortgebracht.
-Te zamen genomen is de verhouding van de mannetjes tot de wijfjes als 122.7 tot 100.
-De getallen zijn echter nauwelijks groot genoeg om vertrouwen te verdienen.
-</p>
-<p>Over het geheel leid ik uit de bovenvermelde verschillende bewijsgronden, die allen
-in de zelfde richting wijzen, af, dat bij de meeste soorten van Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) de mannetjes in den toestand van volkomen insekt over het algemeen de wijfjes in
-aantal overtreffen, welke dan ook de verhouding moge zijn bij hun eerste uitkomen
-uit het ei.
-</p>
-<p>Met betrekking tot de andere orden van Insekten heb ik slechts zeer weinige betrouwbare
-mededeelingen kunnen verzamelen. Bij het vliegend hert (<i>Lucanus Cervus</i>) „schijnen de mannetjes veel talrijker te zijn dan de wijfjes”; maar wanneer zich,
-gelijk Cornelius in 1867 opmerkte, <span class="pageNum" id="pb493">[<a href="#pb493">493</a>]</span>een ongewoon aantal van deze kevers in één gedeelte van Duitschland vertoonde, schenen
-de wijfjes de mannetjes in aantal te overtreffen in de verhouding van zes tot één.
-Bij een der Springkevers (<i>Elateridae</i>) zegt men, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, en men vindt er dikwijls
-twee of drie met één wijfje vereenigd<a class="noteRef" id="xd31e16094src" href="#xd31e16094">78</a>, zoodat hier veelmannigheid (polyandrie) schijnt te heerschen. Bij <i><span class="corr" id="xd31e16104" title="Bron: Siagoninm">Siagonium</span></i> (tot de Kortschilden, <i>Staphylinidae</i>, behoorende), waarbij de mannetjes van horens voorzien zijn, „zijn de wijfjes verreweg
-talrijker dan de andere sekse.” De heer Janson getuigde in de Engelsche Entomologische
-Vereeniging, dat de wijfjes van den zich met boomschors voedenden <i>Tomicus villosus</i> zoo algemeen zijn, dat zij een plaag zijn, terwijl de mannetjes zoo zeldzaam zijn,
-dat men ze nauwelijks kent.
-</p>
-<p>In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige gevallen blijkbaar
-ten gevolge van maagdelijke voortplanting (parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt,
-of zijn uiterst zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (<i>Cynipidae</i>).<a class="noteRef" id="xd31e16116src" href="#xd31e16116">79</a> Bij alle aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal talrijker,
-dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het geval met de gal-appelbewonende
-<i>Cecidomyidae</i> (Tweevleugeligen, <i>Diptera</i>). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (<i>Tenthredinae</i>) heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei grootte opgekweekt,
-maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen; daarentegen zegt Curtis<a class="noteRef" id="xd31e16132src" href="#xd31e16132">80</a>, dat bij zekere door hem opgekweekte soort (<i>Athalia</i>) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één; terwijl juist het omgekeerde
-het geval was bij de volkomen insekten van de zelfde soort, die in het open veld werden
-gevangen. In de familie der Bijen verzamelde Herman Müller<a class="noteRef" id="xd31e16140src" href="#xd31e16140">81</a> een groot aantal voorwerpen van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen
-op, en telde de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes
-zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en bij wederom
-andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de meeste gevallen komen echter
-de mannetjes <span class="pageNum" id="pb494">[<a href="#pb494">494</a>]</span>vroeger uit de pop dan de wijfjes, zoodat zij in het begin van den <span class="corr" id="xd31e16148" title="Bron: broeitijd">broedtijd</span> feitelijk de meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal
-van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer onderscheiden
-was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten deze waarnemingen met eenige
-omzichtigheid worden ontvangen, daar de eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid
-ontsnapt dan de andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt,
-dat de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende soorten van
-bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der seksen: Körte<a class="noteRef" id="xd31e16154src" href="#xd31e16154">82</a> zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes
-stonden als vijf tot zes. Omtrent de Netvleugeligen (<i>Neuroptera</i>) getuigt de heer Walsh, dat bij vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften
-(<i>Ephemerina</i>) een groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht <i>Hetaerina</i> zijn de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige soorten
-van het geslacht <i>Gomphus</i> zijn de mannetjes even talrijk als de wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de
-wijfjes minstens tweemaal of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige
-Europeesche soorten van Houtluizen (<i>Psocus</i>) kan men duizenden wijfjes verzamelen zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere
-soorten van het zelfde geslacht beide seksen algemeen voorkomen.<a class="noteRef" id="xd31e16171src" href="#xd31e16171">83</a> In Engeland heeft de heer MacLachlan honderden wijfjes van <i lang="la">Apatania muliebris</i> gevangen, maar het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van <i>Boreus hyemalis</i> zijn hier slechts vier of vijf mannetjes gezien.<a class="noteRef" id="xd31e16185src" href="#xd31e16185">84</a> Bij de meesten dezer soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen,
-<i>Tenthredinae</i>) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich zonder bevruchting kunnen
-voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare
-verschil in de getalsverhouding der beide seksen.
-</p>
-<p>Omtrent de andere klassen der Gelede Dieren (<i>Articulata</i>) heb ik nog minder mededeelingen kunnen verzamelen. Omtrent Spinnen schrijft mij
-de heer Blackwall, die gedurende vele jaren een studie van deze klasse heeft gemaakt,
-dat de mannetjes wegens hun meer zwervende levenswijze <span class="pageNum" id="pb495">[<a href="#pb495">495</a>]</span>meer algemeen worden gezien en daarom het talrijkst schijnen te zijn. Dit is werkelijk
-het geval met eenige weinige soorten; maar hij vermeldt onderscheidene soorten in
-zes geslachten, bij welke de wijfjes veel talrijker dan de mannetjes schijnen te zijn.<a class="noteRef" id="xd31e16201src" href="#xd31e16201">85</a> De geringe grootte der mannetjes in vergelijking met de wijfjes, die dikwijls tot
-een uitersten graad is gedreven, en hun zeer verschillend uiterlijk, kunnen wellicht
-in sommige gevallen hun zeldzaamheid in verzamelingen verklaren.<a class="noteRef" id="xd31e16207src" href="#xd31e16207">86</a>
-</p>
-<p>Sommige der lagere Schaaldieren (<i>Crustacea</i>) bezitten het vermogen hun soort zonder bevruchting (aseksueel) voort te planten,
-en dit kan de uiterste zeldzaamheid der mannetjes verklaren. Bij sommige andere vormen
-(zooals bij <i>Tanais</i> en <i>Cypris</i>) is er, naar Fritz Müller mij meldt, reden om te gelooven, dat het mannetje veel
-korter leeft dan het wijfje, hetgeen, ondersteld dat de beide seksen oorspronkelijk
-even talrijk waren, de zeldzaamheid der mannetjes zou verklaren. Daarentegen heeft
-deze zelfde natuuronderzoeker op de stranden van Brazilië zonder uitzondering meer
-mannetjes dan wijfjes van de <i>Diastylidae</i> en van <i>Cypridina</i> (Watervlooien) gevangen; zoo waren er op 63 voorwerpen van een soort van dit laatste
-geslacht, op den zelfden dag gevangen, 57 mannetjes. Bij een der hoogere Braziliaansche
-krabben, namelijk een <i>Gelasimus</i>, vond Fritz Müller de mannetjes talrijker dan de wijfjes. Het omgekeerde schijnt
-het geval te zijn, volgens de uitgebreide ondervinding van den heer C<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Spence Bate, met zes gewone Britsche krabben, waarvan hij mij de namen heeft gegeven.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>De verhouding der seksen met betrekking tot de natuurlijke teeltkeus.</i>
-</p>
-<p>Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door teeltkeus indirect
-invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen
-hebben een geneigdheid gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse
-dan van de andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij voorbeeld
-koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds, dat volgens den heer Wright
-van Yeldersley House, een zijner <span class="pageNum" id="pb496">[<a href="#pb496">496</a>]</span>Arabische merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens
-voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb, zou de analogie leiden tot
-het geloof, dat de neiging om bij voorkeur jongen van een bepaalde sekse voort te
-brengen, kan worden overgeërfd gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld
-die om tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid heeft
-de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te bewijzen dat dit plaats
-heeft bij sommige families van korthoornige runderen. Kolonel Marshall<a class="noteRef" id="xd31e16240src" href="#xd31e16240">87</a> heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam
-in Engelsch Indië, bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit
-is een verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier huwelijken
-veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd onveranderlijk de meeste
-vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze gewoonte is nu sedert aanmerkelijken
-tijd afgeschaft. Bij de in de laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker
-dan de meisjes in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit
-op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie huisgezinnen nemen
-om het gemiddelde van den geheelen stam voor te stellen; stel dat ééne moeder zes
-dochters en geen zoon voortbrengt; dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl
-de derde moeder drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens
-de gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De tweede behoudt
-haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er ééne, alsook haar drie zoons.
-Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen negen zoons en drie dochters, die hun geslacht
-verder voortplanten. Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen
-waarin de geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen grootendeels
-tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur meisjes voort te brengen.
-Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij voorkeur jongens voort te brengen met elke
-generatie, totdat wij eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons
-dan dochters hebben.”
-</p>
-<p>Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord, schijnt bijna
-zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om bij voorkeur kinderen van
-een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk is. Daar echter de bovengenoemde getallen
-zoo uiterst <span class="pageNum" id="pb497">[<a href="#pb497">497</a>]</span>weinige zijn, heb ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen
-ik heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht vermeldenswaardig.
-De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord gepleegd, en de heer Fenton<a class="noteRef" id="xd31e16250src" href="#xd31e16250">88</a> getuigt, dat hij „voorbeelden heeft ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven
-harer kinderen, en wel meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn
-er over te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren bijna geheel
-heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men aannemen, dat 1835 het jaar is,
-waarin het geheel in onbruik is geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals
-bij de Toda’s, aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt
-op (blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze vreemde toestand
-van wanverhouding tusschen de beide seksen is begonnen, niet met zekerheid kan worden
-bepaald, is het volkomen duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende
-de jaren 1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd voortgebracht,
-en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De volgende opgaven zijn ontleend
-aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar de getallen niet groot zijn en de volkstelling
-niet nauwkeurig was, kan men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in
-dit en het volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een overmaat
-van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen, voornamelijk ten gevolge van
-de grootere sterfte van de mannelijke sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van
-allerlei ongevallen in hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking
-van Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is in
-de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit zelfde jaar werden in sommige
-beperkte districten de getallen met veel zorg nagegaan, en waren hier de mannen van
-allerlei leeftijd 753 en de vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2
-mannen op 100 vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858
-bevond, dat in het zelfde district het aantal <i>onvolwassen</i> mannen 178 en het aantal <i>onvolwassen</i> vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van 125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen,
-dat in 1844, op welken tijd het dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden,
-de <i>onvolwassen</i> mannen in een district 281 en de <i>onvolwassen</i> vrouwen slechts <span class="pageNum" id="pb498">[<a href="#pb498">498</a>]</span>194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op 100 vrouwen.
-</p>
-<p>Op de Sandwich-eilanden overtreffen de mannen de vrouwen in aantal. Kindermoord werd
-daar vroeger op schrikbarende wijze gepleegd, maar was in geenen deele tot vrouwelijke
-kinderen beperkt, gelijk wordt aangetoond door den heer Ellis<a class="noteRef" id="xd31e16269src" href="#xd31e16269">89</a> en mij is medegedeeld door bisschop Staley en den weleerw. heer Coan. Toch merkt
-een ander naar het schijnt geloofwaardig schrijver, de heer Jarves<a class="noteRef" id="xd31e16275src" href="#xd31e16275">90</a>, wiens waarnemingen zich over den geheelen archipel uitstrekken, op:—„Men vindt zeer
-vele vrouwen die bekennen van drie tot zes of acht harer kinderen te hebben gedood”;
-en hij voegt er bij: „Meisjes worden veelvuldiger gedood dan jongens, omdat men ze
-als minder nuttig beschouwt dan deze.” Wegens hetgeen men weet dat in andere deelen
-der wereld geschiedt, is dit waarschijnlijk juist, maar moet toch met veel omzichtigheid
-worden ontvangen. Het gebruik van kindermoord hield omstreeks het jaar 1819 op, toen
-de afgodendienst werd afgeschaft en zendelingen zich op de eilanden nederzetten. Een
-zorgvuldige telling in 1839 van de volwassen en belastingschuldige mannen en vrouwen
-op het eiland Kauai en in één district van Oahu (Jarves, blz. 404), geeft 4723 mannen
-en 3776 vrouwen; dat is in de verhouding van 125.08 tot 100. Terzelfdertijd was het
-aantal mannen beneden veertien jaar op Kauai en beneden achttien op Oahu 1797, en
-dat van de vrouwen van den zelfden leeftijd 1429; en hier hebben wij de verhouding
-van 125.75 mannen op 100 vrouwen.
-</p>
-<p>Bij een volkstelling van al de eilanden in 1850<a class="noteRef" id="xd31e16283src" href="#xd31e16283">91</a>, bedroeg het aantal mannen van allerlei leeftijd 36272, dat der vrouwen 33128, zoodat
-de verhouding was 109,49 tot 100. Het aantal mannen beneden zeventien jaar bedroeg
-10773, en dat der vrouwen beneden den zelfden leeftijd 9593, zoodat de verhouding
-was 112.3 tot 100. Volgens de volkstelling van 1872 staat het aantal mannen van allerlei
-leeftijd (met inbegrip van die van gekruist ras) tot dat der vrouwen als 125.36 tot
-100. Men bedenke, dat al deze opgaven omtrent de Sandwich-eilanden de verhouding tusschen
-het aantal levende mannen en vrouwen aangeven; en te oordeelen naar wat de statistiek
-in alle beschaafde landen leert, zou <span class="pageNum" id="pb499">[<a href="#pb499">499</a>]</span>het aantal mannen in verhouding nog veel grooter zijn geweest, als de getallen op
-de geboorten betrekking hadden gehad.<a class="noteRef" id="xd31e16291src" href="#xd31e16291">92</a>
-</p>
-<p>Uit de verschillende bovenstaande gevallen kunnen wij eenigen grond ontleenen om te
-gelooven, dat kindermoord, uitgeoefend op de bovenvermelde wijze, een neiging doet
-ontstaan tot het vormen van een ras waarbij bij voorkeur mannelijke kinderen worden
-geboren; maar ik ben ver van te onderstellen, dat dit gebruik in het geval van den
-mensch of de eene of andere dergelijke handelwijze bij andere soorten de eenige determineerende
-oorzaak van de overmaat der mannelijke sekse is geweest. Er kan de eene of andere
-onbekende wet zijn, die tot dit resultaat leidt bij in aantal afnemende rassen die
-reeds eenigszins onvruchtbaar zijn. Behalve de verschillende oorzaken waarop vroeger,
-<span class="pageNum" id="pb500">[<a href="#pb500">500</a>]</span>is gezinspeeld, zouden de meer gemakkelijke baring bij wilden en het bij gevolg minder
-beschadigd worden van hun mannelijke kinderen een geneigdheid doen ontstaan om het
-aantal levendgeboren jongens in verhouding van dat der meisjes grooter te maken. Er
-schijnt echter geen noodzakelijk verband te bestaan tusschen het wilde leven en een
-gemarkeerde overmaat van mannen; dat is, wanneer wij mogen oordeelen naar de verhouding
-bij het weinig talrijke kroost der voor korte jaren nog bestaande Tasmaniërs en het
-gekruiste kroost der Tahitiërs dat nu Norfolk-eiland bewoont.
-</p>
-<p>Daar de mannetjes en wijfjes van vele dieren eenigszins in leefwijze verschillen en
-in verschillende mate aan gevaar zijn blootgesteld, is het waarschijnlijk, dat in
-vele gevallen gemiddeld meer individu’s van de eene dan van de andere sekse worden
-gedood. Doch zoover ik de ingewikkelde oorzaken kan nasporen, zou een niet stelselmatige,
-hoewel groote vernieling van een van beide seksen niet de geneigdheid hebben het sekse-voortbrengend
-vermogen van de soort te wijzigen. Bij strikt sociale dieren, zooals mieren of bijen,
-welke een in vergelijking van de mannetjes grooter aantal onvruchtbare en vruchtbare
-wijfjes voortbrengen en voor welke zulks van overwegend belang is, kunnen wij inzien,
-dat die maatschappijen het meest zullen bloeien, welke wijfjes bevatten die een sterken
-erfelijken aanleg hebben om hoe langer hoe grooter overmaat van wijfjes voort te brengen;
-en in dergelijke gevallen zou de aanleg van de beide seksen in ongelijk aantal voort
-te brengen langzamerhand door natuurlijke teeltkeus kunnen zijn ontstaan. Bij dieren
-die in kudden of troepen leven, waarbij de mannetjes voor het front komen en de kudde
-verdedigen, gelijk bij de bisons van Noord-Amerika en sommige bavianen, is het begrijpelijk,
-dat de aanleg om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, door natuurlijke teeltkeus
-zou kunnen zijn ontstaan; want de individu’s van de kudden die het best werden verdedigd,
-zouden de talrijkste nakomelingschap nalaten. In het geval van den mensch onderstelt
-men, dat het voordeel om een overmaat van mannen in den stam te hebben, een der hoofdoorzaken
-is van het gebruik om vrouwelijke kinderen te dooden.
-</p>
-<p>In geen geval zou, zoover wij kunnen inzien, een erfelijke aanleg om beide seksen
-in gelijk aantal of een der seksen in overmaat voort te brengen, voor sommige individu’s
-meer dan voor andere een rechtstreeksch voordeel of nadeel zijn; een individu met
-den aanleg om meer mannetjes dan wijfjes voort te brengen, zou bij voorbeeld niet
-<span class="pageNum" id="pb501">[<a href="#pb501">501</a>]</span>beter slagen in den strijd om het leven dan een individu met den tegenovergestelden
-aanleg; en daarom zou zulk een aanleg niet door natuurlijke teeltkeus kunnen worden
-verkregen. Er zijn echter sommige dieren, bij voorbeeld visschen en mosselkreeften
-(<i>Cirrhipedia</i>), bij welke twee of meer mannetjes noodig schijnen te zijn bij de bevruchting van
-het wijfje, en in overeenstemming daarmede zijn de mannetjes veel talrijker; maar
-het is in geenen deele duidelijk hoe deze aanleg om bij voorkeur mannetjes voort te
-brengen, kan zijn verkregen. Ik dacht vroeger, dat, wanneer de aanleg om de beide
-seksen in gelijk aantal voort te brengen voordeelig voor de soort was, hij door natuurlijke
-teeltkeus zou ontstaan, maar ik zie nu in, dat het geheele vraagstuk zoo ingewikkeld
-is, dat het veiliger is de oplossing er van aan de toekomst over te laten.
-</p>
-<div id="ch8n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e511">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en8.1" class="first">(<a href="#en8.1src">1</a>) Onder den naam „<span class="ex">Loopvogels</span>” vat Harting („Leerboek van de Grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 435) een aantal vogels samen, welke alle kleine vleugels hebben, die hun volstrekt
-niet als eigenlijke vliegwerktuigen kunnen dienen: de Walgvogels (<i>Didus</i>), Vleugelloozen (<i>Apterygii</i>) en Struisachtige Vogels (<i>Struthionidae</i>). Binnen deze grenzen behooren de Trapganzen (<i>Otis</i>) niet tot de Loopvogels (<i>Cursores</i>), maar moeten hetzij tot de Moerasvogels (<i>Grallatores</i>) of tot de Hoenderachtige Vogels (<i>Gallinaceae</i>) worden gebracht.
-</p>
-<p id="en8.2">(<a href="#en8.2src">2</a>) Het zal bijna overbodig zijn hier op te merken, dat de Wieren (<i>Algae</i>), daar zij tot de Bloemlooze Gewassen (<i>Cryptogamae</i>) behooren, noch stuifmeel (<i>pollen</i>) noch stempel (<i>stigma</i>) bezitten, en dat dus bij de Wieren het stuifmeel onmogelijk op den stempel kan worden
-overgebracht „door het voortbewegend vermogen der Antherozoïden.” De <i>Zwermsporen</i> welke vele, doch niet alle Wieren bezitten, en die, nadat zij zich van haar moederplant
-hebben losgemaakt, met <span class="corr" id="xd31e16357" title="Bron: behulp van behulp van">behulp van</span> bewegelijke wimpers of draden (<i>trilharen</i>), gedurende eenigen tijd in de rondte zwemmen, staan ongetwijfeld met de voortplanting
-in verband, doch of zij in functie met het stuifmeel der Bloemdragende Gewassen (<i>Phanerogamae</i>) overeenkomen, is minstens twijfelachtig, daar men bij vele zoetwaterwieren heeft
-waargenomen, dat zij voor kieming vatbaar zijn. Anders is het gelegen met de eigenaardige,
-levendig zich bewegende <i>Zwermdraden</i>, waarvan alle bebladerde Bloemlooze Planten en de Krans-Wieren (<i>Characeae</i>) zijn voorzien. Zij gelijken zeer op de zaaddraden (<i>Spermatozoïden</i>) der Dieren en stemmen ook met deze in functie overeen; zij vormen het <i>mannelijk</i> element der bebladerde Bloemlooze Planten en Krans-Wieren en hun inwerking op het
-<i>vrouwelijk</i> element (de archegoniën) is onmisbaar voor de vorming van nieuwe individu’s. In de
-stuifmeelbuizen der Bloemdragende Gewassen, die zich uit het stuifmeel <span class="pageNum" id="pb502">[<a href="#pb502">502</a>]</span>ontwikkelen, als dit op den stempel is overgebracht, vindt men vóór de bevruchting
-cellen die na de bevruchting zijn verdwenen; men beschouwt deze als rudimentaire spermatozoïden,
-waardoor de overeenkomst met de hoogere Bloemlooze Gewassen en Dieren volkomen wordt.
-Bij allen smelt een mannelijke kern met een vrouwelijke kern samen tot vorming van
-een nieuw individu, hetgeen Strassburger bij de Phanerogamen rechtstreeks waarnam.
-</p>
-<p id="en8.3">(<a href="#en8.3src">3</a>) Wij hebben steeds gemeend, dat bij het gewone tamme schaap de wijfjes <i>in den regel</i> geen horens bezaten. Zoo merkt ook wijlen Prof. H. Schlegel („De dieren van Nederland;
-Zoogdieren”, Haarlem, A.&nbsp;C. Kruseman 1862, blz. 120) op, dat de Moeflons vooral ook
-daardoor veel overeenkomst hebben met ons tam schaap, dat de wijfjes niet of slechts
-bij uitzondering in enkele gevallen en op hoogen leeftijd van horens zijn voorzien.
-</p>
-<p id="en8.4">(<a href="#en8.4src">4</a>) Niet alleen in het betrekkelijk aantal mannelijke geboorten, maar ook in alle andere
-levensverhoudingen wijken de Joden van de volken, te midden waarvan zij leven, af.
-Zoo vermeldt Dr. Lubach („Album der Natuur”, 1868, blz. 293), dat van 1822 tot 1840
-in Pruisen van de Joodsche bevolking 2161 op de 100,000 overleden tegen 2961 op de
-niet-Joodsche. Deze sterfte was over de verschillende leeftijden verdeeld als volgt:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td colspan="5" class="colspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">
-</td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadTop cellHeadBottom">Pruisen. </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Joden. </td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td colspan="5" class="colspan cellLeft">Doodgeborenen
-</td>
-<td class="xd31e14089"> 143 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 89 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="5" class="colspan cellLeft">Voor het einde van het 1ste jaar
-</td>
-<td class="xd31e14089"> 697 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 459 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg">Van</span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 1 </td>
-<td><span class="seg">tot</span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 5 </td>
-<td><span class="seg">jaren</span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 477 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 386 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 5 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">14 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 202 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 151 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">14 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">25 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 155 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 123 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">25 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">45 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 334 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 231 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">45 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">70 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 614 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 392 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">70 </td>
-<td colspan="3" class="colspan">en daarenboven </td>
-<td class="xd31e14089"> 339 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 330
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="5" class="colspan cellLeft cellBottom">
-</td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"><span class="sum"> <span class="corr" id="xd31e16542" title="Bron: 2963">2961 </span> </span></td>
-<td class="xd31e14089 cellRight cellBottom"><span class="sum">2161 </span></td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>In Algerië was, volgens Crebrassa (aangehaald door Lubach, ibid.) de gemiddelde sterfteverhouding
-van 1844 tot 1849 onder de Joden 33.4 op de 1000 inwoners tegen 57.2 onder de Europeeërs.
-In de stad Algiers met de voorsteden waren in 1856 onder de Europeeërs 1553 sterfgevallen
-op 1234 geboorten, onder de Mohammedanen 514 sterfgevallen op 331 geboorten, onder
-de Joden 187 sterfgevallen op 211 geboorten.
-</p>
-<p>In de stad Frankfort sterft, volgens Dr. de Neufville (aangehaald door Dr. Lubach,
-ibid.):
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"> </td>
-<td colspan="3" class="colspan xd31e14089 cellTop">Bij de Christenen. </td>
-<td colspan="3" class="colspan cellRight cellTop">Bij de Joden. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">¼ <span class="seg">der bevolking boven</span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 6 </td>
-<td>jaren </td>
-<td class="xd31e14089">11 <span class="seg">m.,</span> </td>
-<td><span class="seg">boven</span> </td>
-<td class="xd31e14089">28 jaren </td>
-<td class="cellRight">3 m., </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">½ <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">der</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">bevolking</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">boven</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">36 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089"> 6 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">m.,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">boven</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089">53 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellRight">1 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">m.,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">¾ <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">der</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">bevolking</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">boven</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom">59 </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom">10 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">m.,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">boven</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom">71 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaren</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellRight cellBottom">0 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">m.,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>In Nederland, Pruisen, Rijn-Beieren, Zwitserland, België en Algiers is (volgens Dr.
-Lubach, ibid.) bij de Joden de jaarlijksche toeneming der bevolking grooter dan bij
-hun landgenooten en staat tot die der geheele bevolking:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"><span class="seg">In</span> Nederland als </td>
-<td class="cellRight cellTop">2 : 1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">In</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> Pruisen en Rijn-Beieren als </td>
-<td class="cellRight">3 : 1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">In</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> Zwitserland als </td>
-<td class="cellRight">4 : 1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">In</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> Algiers als </td>
-<td class="cellRight cellBottom">7 : 1 </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Dr. Texeira de Mattos komt in zijn <i>Verslag omtrent den ziektetoestand der stad Amsterdam in 1862, in verband met den
-geneeskundigen armendienst</i>, Amsterdam, 1865<a class="noteRef" id="xd31e16688src" href="#xd31e16688">93</a>, tot de volgende op een 7-jarig (1856–1862) onderzoek steunende resultaten.
-<span class="pageNum" id="pb503">[<a href="#pb503">503</a>]</span></p>
-<p>1. Het aantal levendgeborenen is bij de Israelieten grooter, het aantal levenloos
-aangegevene kinderen waarschijnlijk kleiner, doch stellig niet grooter dan bij de
-overige bevolking.
-</p>
-<p>2. Het valt zeer te betwijfelen, of de <i>kindersterfte</i> in het 2de, 3de en 4de levensjaar onder de Israelieten wel ongunstiger is dan onder
-de Christenen.
-</p>
-<p>3. Na den leeftijd van 4 jaren onderscheiden zich de Israelieten boven hun overige
-stadgenooten door een kleinere sterfte in elk levenstijdperk, bovenal in den leeftijd
-van 20–60 jaren.
-</p>
-<p>4. De buurten die grootendeels door Israelieten worden bewoond, onderscheiden zich
-allen door een gunstige sterfteverhouding, die <i>niet</i> alleen uit de gunstige plaatselijke gesteldheid, uit de locale omstandigheden dier
-buurten kan worden verklaard.
-</p>
-<p>5. De totale sterfte bedraagt bij de Israelieten 2.06 perc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, tegen 2.87 perc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> bij de overige bevolking.
-</p>
-<p id="en8.5">(<a href="#en8.5src">5</a>) In het „<span lang="it">Archivo per l’Anthropologia e la Etnologia, publicato dal Prof. Paolo Mantegazza e
-dal Prof. Felice Pinzi</span>”, Firenze, 1871, vol. I, blz. 66, vindt men een verhandeling van Prof. G. Boccardo,
-getiteld: „<span lang="it">Intorno alle cause determinante i numeri proporzionali dei due sesse nelle Statistiche
-delle Nascite</span>”, waaraan wij de volgende stellingen en cijfers ontleenen.
-</p>
-<p>Het aantal jongens die elk jaar worden geboren, is grooter dan het aantal meisjes
-die in het zelfde tijdvak worden geboren, en desniettemin maken de vrouwen, overal
-en ten allen tijde, een talrijker gedeelte van de bevolking uit, dan de mannen.<a class="noteRef" id="xd31e16733src" href="#xd31e16733">94</a>
-</p>
-<p>Dit feit gaat zoo algemeen door, dat het den naam van een wezenlijke sociale natuurwet
-verdient. De schijnbare tegenstrijdigheid die er in is gelegen, wordt opgeheven door
-de volgende feiten:
-</p>
-<p>1. De jongens worden geboren in grooter aantal dan de meisjes (in de verhouding van
-106 tot 100).
-</p>
-<p>2. In de eerste levensjaren is de sterfte grooter bij de jongens dan bij de meisjes.
-</p>
-<p>3. Omstreeks het 15de jaar zijn de beide seksen ongeveer gelijk in aantal, <span class="pageNum" id="pb504">[<a href="#pb504">504</a>]</span>of, met andere woorden, de grootere sterfte bij de mannelijke sekse neutraliseert
-op dien leeftijd het overwicht in getal der mannelijke geboorten.
-</p>
-<p>4. Na het 15de jaar beginnen de vrouwen de mannen in aantal te overtreffen en de numerische
-meerderheid der vrouwelijke sekse gaat voort, doch volgens een variabele wet, in de
-volgende jaren, zoodat gemiddeld:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"><span class="seg">van het</span> </td>
-<td class="cellTop">15de </td>
-<td class="cellTop"><span class="seg">tot het</span> </td>
-<td class="cellTop">20ste </td>
-<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">jaar het verschil is</span> 1⁄54​. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>20ste </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>30ste </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">verschil</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">is</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg">omstreeks</span> ⅓. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>30ste </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>40ste </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">verschil</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">is</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">omstreeks</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> ⅕. </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">40ste </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">tot</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">50ste </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">het</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">verschil</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">is</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">omstreeks</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> ¼. </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>5. De numerische ongelijkheid der beide seksen wordt hoe langer hoe kleiner en eindigt
-met geheel op te houden van het 50ste tot het 70ste jaar.
-</p>
-<p>6. Van het 70ste tot het 80ste jaar hernemen de vrouwen de overhand met omstreeks
-⅛.
-</p>
-<p>7. Boven het 80ste jaar is de numerische meerderheid van de vrouwelijke sekse omstreeks
-½.
-</p>
-<p>De numerische meerderheid van de mannelijke boven de vrouwelijke geboorten is een
-algemeen (universeel) feit.
-</p>
-<p>Veertien millioen van 1817 tot 1830 in Frankrijk opgeteekende geboorten gaven als
-gemiddelde verhouding 106.38 mannelijke tot 100 vrouwelijke.<a class="noteRef" id="xd31e16905src" href="#xd31e16905">95</a>
-</p>
-<p>Kapitein Bickes verzamelde meer dan zeventig millioen opteekeningen van geboorten
-in de voornaamste landen van Europa, en leidde er uit af<a class="noteRef" id="xd31e16913src" href="#xd31e16913">96</a>, dat op elke 100 vrouwelijke geboorten, in Rusland 108.91, in de provincie Milaan
-107.61, in Mecklenburg 107.07, in Frankrijk 106.55, in België en Nederland 106.44,
-in Brandenburg en Pommeren 106.27, in het Koninkrijk der beide Siciliën 106.18, in
-Oostenrijk 106.10, in Pruisen 105.94, in Westfalen en de Rijnprovincie 105.86, in
-Wurtemberg 105.69, in Boheme 105.38, in Groot-Brittannië 104.75, in Zweden 104.62
-en gemiddeld in geheel Europa 106 mannelijke geboorten plaats hebben.
-</p>
-<p>Gegevens die op latere en meer nauwkeurige waarnemingen berusten, vindt men in de
-(door Prof. G. Boccardo aangehaalde) <span lang="it">„<span lang="it">Statistica del Regno d’Italia</span>”, „<span lang="it">Movimento dello Stato civile nell’ anno 1868</span>”</span>, blz. XXXV. Men vindt aldaar opgegeven, dat op elke 100 vrouwelijke geboorten in
-Italië 106.1, in Spanje 106.8<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> in Griekenland 106.3, in Hannover 106.2<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> in Denemarken 106.2, in Oostenrijk 106.1, in Portugal 106, in Saksen 105.8, in Nederland
-105.4, in Beieren 105.3, in Frankrijk 105.3, in België 105.2, in Noorwegen 105.2,
-in Engeland 104<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>9, in Rusland 104.9, in Pruisen 104.8, en in Zweden 104.7 mannelijke geboorten plaats
-hebben.
-</p>
-<p>In sinds korte eeuwen gekoloniseerde landen gaat het echter anders; zoo werden aan
-de Kaap de Goede Hoop op 100 blanke meisjes in 1813 97, in 1814 95, in 1815 99, in
-1816 90, in 1817 99, in 1818 98, in 1819 99 en in 1820 98 blanke jongens geboren<a class="noteRef" id="xd31e16938src" href="#xd31e16938">97</a><span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Omtrent het verschil tusschen het betrekkelijk aantal der seksen bij wettige en onwettige
-geboorten geven de aanteekeningen van Bickes en andere statistici de volgende verhoudingen:
-<span class="pageNum" id="pb505">[<a href="#pb505">505</a>]</span>
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop"> </td>
-<td colspan="2" class="colspan xd31e14089 cellHeadRight cellHeadTop">Aantal jongens, geboren op 100 meisjes, </td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadBottom"> </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadBottom">wettig. </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadRight cellHeadBottom">onwettig.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Frankrijk </td>
-<td class="xd31e14089">106.69 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">104.78 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Keizerrijk Oostenrijk </td>
-<td class="xd31e14089">106.15 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">104.32 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Koninkrijk Pruisen </td>
-<td class="xd31e14089">106.17 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">102.89 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zweden </td>
-<td class="xd31e14089">104.73 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">103.12 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Wurtemberg </td>
-<td class="xd31e14089">105.97 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">103.54 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Boheme </td>
-<td class="xd31e14089">105.65 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">100.44 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Provincie Milaan </td>
-<td class="xd31e14089">107.79 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">102.30 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Oost-Pruisen en Posen </td>
-<td class="xd31e14089">105.81 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">103.60 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Brandenburg en Pommeren </td>
-<td class="xd31e14089">106.65 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">102.42 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Silezië en Saksen </td>
-<td class="xd31e14089">106.30 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">103.27 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Westfalen en Rijnprovincie </td>
-<td class="xd31e14089">106.07 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">101.55
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">
-<hr class="tb">
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Parijs </td>
-<td class="xd31e14089">103.82 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">103.42 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Amsterdam </td>
-<td class="xd31e14089">105.00 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">108.83 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Livorno </td>
-<td class="xd31e14089">104.68 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 93.21 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Frankfort aan de Main </td>
-<td class="xd31e14089">102.83 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">107.84 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Leipzig </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom">106.16 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight cellBottom">105.94 </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>In een brief aan Sir D. Brewster levert de uitnemende Engelsche mathematicus en staathuishoudkundige
-<span class="corr" id="xd31e17085" title="Bron: Dot">Dr.</span> Babbage de volgende gegevens<a class="noteRef" id="xd31e17088src" href="#xd31e17088">98</a>:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">LANDEN <span class="asc">EN</span> PLAATSEN. </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadTop cellHeadBottom">Wettige mannelijke geboorten op 100 vrouwelijke. </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadTop cellHeadBottom">Geheel aantal opgeteekende geboorten. </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadTop cellHeadBottom">Onwettige mannelijke geboorten op 100 vrouwelijke. </td>
-<td class="xd31e14089 cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Geheel aantal opgeteekende geboorten.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Frankrijk </td>
-<td class="xd31e14089">106.57 </td>
-<td class="xd31e14089">9656135 </td>
-<td class="xd31e14089">104.84 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">673047 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Napels </td>
-<td class="xd31e14089">104.52 </td>
-<td class="xd31e14089">1059055 </td>
-<td class="xd31e14089">103.67 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 51309 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Pruisen </td>
-<td class="xd31e14089">106.09 </td>
-<td class="xd31e14089">3672251 </td>
-<td class="xd31e14089">102.78 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight">212804 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Westfalen </td>
-<td class="xd31e14089">104.71 </td>
-<td class="xd31e14089"> 151169 </td>
-<td class="xd31e14089">100.39 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 19950 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Montpellier </td>
-<td class="xd31e14089">107.07 </td>
-<td class="xd31e14089"> 25064 </td>
-<td class="xd31e14089">100.81 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight"> 2735
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Gemiddeld </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom">105.75 </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"> </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom">102<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>50 </td>
-<td class="xd31e14089 cellRight cellBottom"> </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Omtrent de verhouding tusschen de beide seksen in Nederland bij de geboorte en op
-verschillende leeftijden vindt men uitnemende gegevens in de door Mr. M.&nbsp;M. von Baumhauer
-bewerkte hoofdstukken II tot XIII van Deel II der „Algemeene Statistiek van Nederland”,
-uitgegeven door de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland, Leiden bij A.&nbsp;W. Sijthoff,
-1871. De onderstaande cijfers zijn allen daaruit overgenomen of uit de daar gegevene
-berekend.<a class="noteRef" id="xd31e17186src" href="#xd31e17186">99</a>
-</p>
-<p>Ook in Nederland gaf elk der vier algemeene volkstellingen, in 1829, 1839, 1849 en
-1859 gehouden, een grooter aantal personen van het vrouwelijke dan van het mannelijke
-geslacht. In onderstaanden staat vindt men voor elke <span class="pageNum" id="pb506">[<a href="#pb506">506</a>]</span>provincie naar de uitkomsten dier vier tellingen, met onderscheiding der feitelijke
-en werkelijke bevolking voor de laatste<a class="noteRef" id="xd31e17193src" href="#xd31e17193">100</a>, het getal vrouwen op 100 mannen voor de gemeenten waarvan de werkelijke bevolking
-meer, en voor die waarvan zij minder dan 10,000 zielen bedroeg:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="tbl520.1">
-<thead>
-<tr class="label">
-<td rowspan="2" class="rowspan xd31e12296 cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom vam"><span class="corr" id="xd31e17242" title="Bron: PROVINCIEN">PROVINCIËN</span>. </td>
-<td colspan="10" class="colspan xd31e12296 xd31e17208 cellHeadTop alignDecimalNotNumber">Gemeenten boven 10,000 zielen. </td>
-<td colspan="10" class="colspan xd31e12296 xd31e17208 cellHeadTop alignDecimalNotNumber">Gemeenten beneden 10,000 zielen. </td>
-<td colspan="10" class="colspan xd31e12296 xd31e17208 cellHeadRight cellHeadTop alignDecimalNotNumber">De Provincie. </td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="xd31e17208 cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1829</td>
-<td class="xd31e17208 cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1839</td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1849</td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Feit. </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Werk. </td>
-<td class="xd31e17208 cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1829</td>
-<td class="xd31e17208 cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1839</td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1849</td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Feit. </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Werk. </td>
-<td class="xd31e17208 cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1829</td>
-<td class="xd31e17208 cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1839</td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1849</td>
-<td class="cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Feit. </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadRight cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Werk.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Noord-Brabant </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">106</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">107</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">106</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.9</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Gelderland </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">105</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.7</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zuid-Holland </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">119</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">118</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">119</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">117</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">117</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">110</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Noord-Holland </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">120</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">119</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">116</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">117</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">115</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">113</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">112</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">110</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">110</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zeeland </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">114</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">108</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">108</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">109</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">107</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Utrecht </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">112</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">110</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">119</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">115</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">115</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">105</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Friesland </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Overijsel </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">105</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">112</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">110</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">106</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">105</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">95</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">95</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">95</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Groningen </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">114</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">112</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">117</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">117</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">114</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.8</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Drenthe </td>
-<td colspan="2" class="colspan xd31e17208 alignDecimalNotNumber"> — </td>
-<td colspan="2" class="colspan alignDecimalNotNumber"> — </td>
-<td colspan="2" class="colspan alignDecimalNotNumber"> — </td>
-<td colspan="2" class="colspan alignDecimalNotNumber"> — </td>
-<td colspan="2" class="colspan alignDecimalNotNumber"> — </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">95</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">94</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">93</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.4</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">95</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">94</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">93</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.9</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Limburg </td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">102</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">88</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">107</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">107</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">96</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalIntegerPart">101</td>
-<td class="xd31e17208 alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.3</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">98</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">97</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart">.9</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Het Rijk </td>
-<td class="xd31e17208 cellBottom alignDecimalIntegerPart">114</td>
-<td class="xd31e17208 cellBottom alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">112</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.6</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">114</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">114</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">112</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.9</td>
-<td class="xd31e17208 cellBottom alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="xd31e17208 cellBottom alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">100</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.7</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">99</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.1</td>
-<td class="xd31e17208 cellBottom alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="xd31e17208 cellBottom alignDecimalFractionPart">.5</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.2</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">104</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart">.8</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">103</td>
-<td class="cellRight cellBottom alignDecimalFractionPart">.1</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>De overmaat van vrouwen is dus bij ons te lande het grootst in de gemeenten van meer
-dan 10,000 zielen. In de provinciën waar weinig of geen sterk bevolkte gemeenten voorkomen
-en het platteland de overhand heeft (Gelderland, Overijsel, Drenthe, Limburg), hebben
-zelfs de mannen de meerderheid. In de grootste gemeenten is daarentegen de overmaat
-van vrouwen het grootst, zooals blijkt uit den volgenden staat:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td rowspan="2" class="rowspan xd31e12296 cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom vam">GEMEENTEN. </td>
-<td colspan="4" class="colspan xd31e12296 xd31e18051 cellHeadTop">Overmaat der vrouwen. </td>
-<td colspan="8" class="colspan xd31e12296 xd31e18055 cellHeadRight cellHeadTop alignDecimalNotNumber">Aantal vrouwen op 100 mannen. </td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="xd31e12296 xd31e18051 cellHeadBottom">1829 </td>
-<td class="xd31e12296 xd31e14089 cellHeadBottom">1839 </td>
-<td class="xd31e12296 xd31e14089 cellHeadBottom">1849 </td>
-<td class="xd31e12296 xd31e14089 cellHeadBottom">1859 Werk. </td>
-<td class="xd31e12296 xd31e18055 cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1829</td>
-<td class="xd31e12296 xd31e18055 cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="xd31e12296 cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1839</td>
-<td class="xd31e12296 cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="xd31e12296 cellHeadBottom alignDecimalIntegerPart">1849</td>
-<td class="xd31e12296 cellHeadBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td colspan="2" class="colspan xd31e12296 cellHeadRight cellHeadBottom alignDecimalNotNumber">1859 Werk.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Amsterdam </td>
-<td class="xd31e18051">21700 </td>
-<td class="xd31e14089">20653 </td>
-<td class="xd31e14089">20323 </td>
-<td class="xd31e14089">20684 </td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalIntegerPart">124</td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">121.7</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">120</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">118.6</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Rotterdam </td>
-<td class="xd31e18051"> 7761 </td>
-<td class="xd31e14089"> 8480 </td>
-<td class="xd31e14089"> 8673 </td>
-<td class="xd31e14089"> 9738 </td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalIntegerPart">124.1</td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">124.4</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">121.3</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">120.2</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">’s Gravenhage </td>
-<td class="xd31e18051"> 4835 </td>
-<td class="xd31e14089"> 5236 </td>
-<td class="xd31e14089"> 6445 </td>
-<td class="xd31e14089"> 7244 </td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalIntegerPart">118.9</td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">118</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">119.6</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">120.4</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Utrecht </td>
-<td class="xd31e18051"> 2627 </td>
-<td class="xd31e14089"> 2811 </td>
-<td class="xd31e14089"> 4037 </td>
-<td class="xd31e14089"> 4008 </td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalIntegerPart">114.3</td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">112.3</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">118.5</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">116.4</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Leiden </td>
-<td class="xd31e18051"> 2302 </td>
-<td class="xd31e14089"> 2252 </td>
-<td class="xd31e14089"> 3063 </td>
-<td class="xd31e14089"> 2352 </td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalIntegerPart">112.9</td>
-<td class="xd31e18055 alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">112.8</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">118.7</td>
-<td class="alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="alignDecimalIntegerPart">113.5</td>
-<td class="cellRight alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Groningen </td>
-<td class="xd31e18051 cellBottom"> 2022 </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"> 1954 </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"> 2706 </td>
-<td class="xd31e14089 cellBottom"> 2447 </td>
-<td class="xd31e18055 cellBottom alignDecimalIntegerPart">115.6</td>
-<td class="xd31e18055 cellBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">112.4</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">117.5</td>
-<td class="cellBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-<td class="cellBottom alignDecimalIntegerPart">114.7</td>
-<td class="cellRight cellBottom alignDecimalFractionPart"></td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>De overmaat van vrouwen is niet slechts betrekkelijk het grootst in de <i>meest</i>-, maar tevens het kleinst in de <i>minst</i>-bevolkte gemeenten. Bij de volkstellingen van 1859 werden er op 100 mannen aangetroffen
-in de gemeenten van 10000 tot 6001 zielen, 106; in die van 6000 tot 3001 zielen, 99.4;
-in die van 3000 zielen en minder 98<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>4 vrouwen. Een der oorzaken <span class="pageNum" id="pb507">[<a href="#pb507">507</a>]</span>hiervan is, dat zoovele vrouwen van het platteland naar de grootere gemeenten gaan
-om daar dienstboden te worden.
-</p>
-<p>Wanneer men de levenstijdperken in aanmerking neemt, was de verhouding tusschen het
-aantal individu’s van de mannelijke en de vrouwelijke sekse in Nederland als volgt:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td colspan="2" rowspan="2" class="rowspan colspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">LEVENSTIJDPERKEN. </td>
-<td colspan="3" class="colspan cellHeadTop">1 Januari 1830. </td>
-<td colspan="3" class="colspan cellHeadRight cellHeadTop">1 Januari 1840. </td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal mannen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal vrouwen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Aantal vrouwen op 100 mannen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal mannen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal vrouwen. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadBottom">Aantal vrouwen op 100 mannen.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> 0–1 </td>
-<td><span class="seg">jaar</span> </td>
-<td> 33646 </td>
-<td> 31824 </td>
-<td> 97.5 </td>
-<td> 37055 </td>
-<td> 36488 </td>
-<td class="cellRight"> 98.4 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> 1–6 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 172093 </td>
-<td> 167995 </td>
-<td> 97.6 </td>
-<td> 187843 </td>
-<td> 169423 </td>
-<td class="cellRight"> 90.1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> 6–12 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 178970 </td>
-<td> 174810 </td>
-<td> 93.8 </td>
-<td> 183861 </td>
-<td> 178981 </td>
-<td class="cellRight"> 97.3 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">12–16 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 106909 </td>
-<td> 104976 </td>
-<td> 98.1 </td>
-<td> 122400 </td>
-<td> 119057 </td>
-<td class="cellRight"> 97.1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">16–20 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 90924 </td>
-<td> 93918 </td>
-<td> 103.2 </td>
-<td> 110319 </td>
-<td> 111907 </td>
-<td class="cellRight"> 101.4 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">20–30 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 206372 </td>
-<td> 218689 </td>
-<td> 105.9 </td>
-<td> 228941 </td>
-<td> 241011 </td>
-<td class="cellRight"> 105.2 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">30–50 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 289064 </td>
-<td> 318995 </td>
-<td> 110.3 </td>
-<td> 328422 </td>
-<td> 350147 </td>
-<td class="cellRight"> 106.6 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">50–75 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 176521 </td>
-<td> 199952 </td>
-<td> 113.2 </td>
-<td> 183316 </td>
-<td> 213201 </td>
-<td class="cellRight"> 116.3 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">75–90 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 17335 </td>
-<td> 21588 </td>
-<td> 124.5 </td>
-<td> 17889 </td>
-<td> 22866 </td>
-<td class="cellRight"> 127.8 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft">90 en hooger. </td>
-<td> 414 </td>
-<td> 628 </td>
-<td> 151.6 </td>
-<td> 419 </td>
-<td> 636 </td>
-<td class="cellRight"> 151.7 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft">Van onbekenden ouderdom </td>
-<td> 5758 </td>
-<td> 917 </td>
-<td> — </td>
-<td> 539 </td>
-<td> 50 </td>
-<td class="cellRight"> —
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft cellBottom"> Totaal </td>
-<td class="cellBottom">1278006 </td>
-<td class="cellBottom">1335292 </td>
-<td class="cellBottom"> 104.4 </td>
-<td class="cellBottom">1401004 </td>
-<td class="cellBottom">1459555 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"> 104.1 </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td colspan="2" rowspan="2" class="rowspan colspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">LEVENSTIJDPERKEN. </td>
-<td colspan="3" class="colspan cellHeadTop">19 November 1849. </td>
-<td colspan="3" class="colspan cellHeadRight cellHeadTop">31 December 1859. Werkelijke bevolking. </td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal mannen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal vrouwen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Aantal vrouwen op 100 mannen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal mannen. </td>
-<td class="cellHeadBottom">Geheel aantal vrouwen. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadBottom">Aantal vrouwen op 100 mannen.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> 0–1 </td>
-<td>jaar </td>
-<td> 40344 </td>
-<td> 39062 </td>
-<td> 96.8 </td>
-<td> 49032 </td>
-<td> 48215 </td>
-<td class="cellRight"> 98.3 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> 1–6 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 169423 </td>
-<td> 167199 </td>
-<td> 98<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>6 </td>
-<td> 188829 </td>
-<td> 186554 </td>
-<td class="cellRight"> 98.7 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> 6–12 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 209676 </td>
-<td> 203345 </td>
-<td> 98.2 </td>
-<td> 212331 </td>
-<td> 208205 </td>
-<td class="cellRight"> 98<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">12–16 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 127906 </td>
-<td> 125417 </td>
-<td> 98 </td>
-<td> 124474 </td>
-<td> 121888 </td>
-<td class="cellRight"> 97.9 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">16–20 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 192619 </td>
-<td> 194950 </td>
-<td> 101.2 </td>
-<td> 220407 </td>
-<td> 220824 </td>
-<td class="cellRight"> 100<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">20–30 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 181492 </td>
-<td> 188021 </td>
-<td> 103.5 </td>
-<td> 181832 </td>
-<td> 189331 </td>
-<td class="cellRight"> 104.1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">30–50 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 358750 </td>
-<td> 376813 </td>
-<td> 105 </td>
-<td> 406331 </td>
-<td> 420575 </td>
-<td class="cellRight"> 103.4 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">50–75 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 202769 </td>
-<td> 238956 </td>
-<td> 117<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>8 </td>
-<td> 228181 </td>
-<td> 261244 </td>
-<td class="cellRight"> 110.1 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">75–90 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 17995 </td>
-<td> 23594 </td>
-<td> 121.1 </td>
-<td> 16634 </td>
-<td> 22054 </td>
-<td class="cellRight"> 132.5 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft">90 en hooger </td>
-<td> 402 </td>
-<td> 614 </td>
-<td> 152.7 </td>
-<td> 330 </td>
-<td> 505 </td>
-<td class="cellRight"> 153 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft">Van onbekenden ouderdom </td>
-<td> 135 </td>
-<td> 97 </td>
-<td> — </td>
-<td> 647 </td>
-<td> 698 </td>
-<td class="cellRight"> —
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="colspan cellLeft cellBottom"> Totaal </td>
-<td class="cellBottom">1498811 </td>
-<td class="cellBottom">1558068 </td>
-<td class="cellBottom"> 104.0 </td>
-<td class="cellBottom">1629035 </td>
-<td class="cellBottom">1680093 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"> 103.1 </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb508">[<a href="#pb508">508</a>]</span></p>
-<p>Voor Nederland moeten dus de regels 4 tot 7 van Prof. Boccardo (blz. 504) eenigszins
-worden gewijzigd, daar de vrouwelijke sekse na het 15de jaar voortdurend talrijker
-is dan de mannelijke, en deze overmaat met den leeftijd hoe langer hoe meer toeneemt,
-zoodat tusschen het 50ste en 70ste jaar dan ook geen periode van numerische gelijkheid
-intreedt.
-</p>
-<p>Overigens is de verhouding in de verschillende provinciën van ons vaderland eenigszins
-verschillend. Zoo waren er bij de volkstelling van 1859 in Zuid-Holland van elk levensjaar
-meer vrouwen dan mannen en in Drenthe van elk levensjaar beneden 90 jaren meer mannen
-dan vrouwen.
-</p>
-<p>Het aantal geboren jongens overtreft dat der meisjes in elk jaar en in elke provincie.
-Gedurende het 25-jarig tijdperk 1840–64 werden op 100 meisjes in Zeeland 105.9, in
-Zuid-Holland 106, in Gelderland 106.3, in Groningen 106.4, in Friesland 106.8, in
-Noord-Holland 106.9, in Drenthe 107, in Utrecht 107.1, in Overijsel 107.2, in Noord-Brabant
-107.4, in Limburg 107.4, en gemiddeld over het geheele Rijk 106.6 jongens geboren.
-</p>
-<p>Daar krachtens een <span class="corr" id="xd31e18738" title="Bron: circutaire">circulaire</span> van den minister van justitie van 13 Mei 1839 alle kinderen, overleden vóór de aangifte,
-als levenloos aangegeven in de sterfte-registers worden ingeschreven, zonder dat het
-blijkt of zij al dan niet na de geboorte hebben geleefd, is het onmogelijk de in Nederland
-geborenen in <i>levend-</i> en <i>doodgeborenen</i>, maar wel in <i>levend-</i> en <i>levenloos aangegevenen</i> te splitsen. Wanneer men bij beide categoriën de verhouding tusschen de seksen nagaat,
-vindt men dat er in verhouding tot het geheele aantal meer jongens dan meisjes levenloos
-worden aangegeven, hetgeen overeenkomt met den door Darwin op blz. 477 aangehaalden
-regel. Dit blijkt uit den volgenden staat, waarin voor elke sekse wordt aangegeven
-op hoeveel geborenen één levenloos aangegevene komt.
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td rowspan="2" class="rowspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom vam"> </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadTop"> </td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadRight cellHeadTop"> </td>
-</tr>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadBottom"><b>1840/64</b> </td>
-<td class="cellHeadBottom"><b>1865</b> </td>
-<td class="cellHeadBottom"><b>1840/64</b> </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadBottom"><b>1865</b>
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Drenthe </td>
-<td> 22 </td>
-<td> 19.51 </td>
-<td> 27.58 </td>
-<td class="cellRight"> 20.03 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Friesland </td>
-<td> 21.53 </td>
-<td> 18.13 </td>
-<td> 27.52 </td>
-<td class="cellRight"> 22.43 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Limburg </td>
-<td> 20.46 </td>
-<td> 22.32 </td>
-<td> 25.06 </td>
-<td class="cellRight"> 21.99 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Groningen </td>
-<td> 19.57 </td>
-<td> 18.37 </td>
-<td> 23.32 </td>
-<td class="cellRight"> 22.81 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Utrecht </td>
-<td> 19.11 </td>
-<td> 20.34 </td>
-<td> 21.82 </td>
-<td class="cellRight"> 20.31 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Noord-Brabant </td>
-<td> 18.25 </td>
-<td> 15.10 </td>
-<td> 22.01 </td>
-<td class="cellRight"> 18.73 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Noord-Holland </td>
-<td> 18.18 </td>
-<td> 18.32 </td>
-<td> 22.12 </td>
-<td class="cellRight"> 22.19 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zuid-Holland </td>
-<td> 18.05 </td>
-<td> 18.85 </td>
-<td> 21.71 </td>
-<td class="cellRight"> 21.89 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Overijsel </td>
-<td> 17.28 </td>
-<td> 16.35 </td>
-<td> 20.01 </td>
-<td class="cellRight"> 20.13 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Gelderland </td>
-<td> 17.15 </td>
-<td> 15.25 </td>
-<td> 20.37 </td>
-<td class="cellRight"> 19.76 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zeeland </td>
-<td> 16.44 </td>
-<td> 14.56 </td>
-<td> 20.27 </td>
-<td class="cellRight"> 16.93
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Het Rijk </td>
-<td class="cellBottom"> 18.41 </td>
-<td class="cellBottom"> 17.50 </td>
-<td class="cellBottom"> 22.18 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"> 20.80 </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Ook het door Darwin op blz. 477, 478, 479 vermelde feit, dat de overmaat van de mannelijke
-geboorten over de vrouwelijke kleiner is, wanneer zij wettig dan wanneer zij onwettig
-zijn, gaat in Nederland in den regel door, zooals blijkt uit den volgenden staat,
-die de gemiddelde getallen over het vijf-en-twintigjarig tijdperk 1840/64 geeft.
-<span class="pageNum" id="pb509">[<a href="#pb509">509</a>]</span></p>
-<p></p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">PROVINCIËN. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">Aantal wettig geboren jongens op 100 wettig geboren meisjes. </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Aantal onwettig geboren jongens op 100 onwettig geboren meisjes.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Noord-Brabant </td>
-<td> 107.4 </td>
-<td class="cellRight"> 107.7 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Gelderland </td>
-<td> 106.3 </td>
-<td class="cellRight"> 105.3 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zuid-Holland </td>
-<td> 106.1 </td>
-<td class="cellRight"> 104.4 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Noord-Holland </td>
-<td> 106.9 </td>
-<td class="cellRight"> 106.2 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Zeeland </td>
-<td> 106 </td>
-<td class="cellRight"> 103.7 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Utrecht </td>
-<td> 107.3 </td>
-<td class="cellRight"> 103.4 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Friesland </td>
-<td> 106.9 </td>
-<td class="cellRight"> 101.7 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Overijsel </td>
-<td> 107.3 </td>
-<td class="cellRight"> 106.2 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Groningen </td>
-<td> 106.6 </td>
-<td class="cellRight"> 103.8 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Drenthe </td>
-<td> 107 </td>
-<td class="cellRight"> 106 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Limburg </td>
-<td> 107.6 </td>
-<td class="cellRight"> 102.2
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"> Het Rijk </td>
-<td class="cellBottom"> 106.7 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"> 104.8 </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Voor uitvoeriger bijzonderheden omtrent de verhouding tusschen het aantal individu’s
-van beide seksen in Nederland verwijzen wij naar de aangehaalde hoofdstukken van de
-„Algemeene Statistiek van Nederland.” De drie na 1859 gehouden volkstellingen behoeven
-wij hier niet in bijzonderheden na te gaan. Zij bevestigen de algemeene resultaten,
-waartoe wij boven uit de vier volkstellingen van 1829, 1839, 1849 en 1859 kwamen.
-</p>
-<p id="en8.6">(<a href="#en8.6src">6</a>) Omtrent de oorzaken die bepalen tot welke sekse een kind zal behooren, merkt Prof.
-Dr. E H. Kisch te Praag in „Humboldt”, Aug. 1888 („<span lang="de">Zur Geschlechtsentstehung beim Menschen</span>”) o.a. op (omtrent de gronden waarop zijn stellingen berusten, zie men het oorspronkelijke):
-</p>
-<p>1. Als de <i>man</i> minstens <i>tien jaar ouder</i> is dan de vrouw en deze 20 tot 25 jaar oud is, ontstaan zeer <i>aanmerkelijk</i> meer jongens dan meisjes. Deze overmaat van jongens is ook nog groot als de man minstens
-tien jaar ouder dan de vrouw en deze meer dan 26 jaar oud is. Daarentegen ontstaan
-minder jongens dan meisjes, zelfs als de man ouder is dan de vrouw, als deze minder
-dan 20 jaar oud is. Het grootst is de overmaat van meisjes als de man en de vrouw
-even oud zijn. Als de vrouw ouder dan de man is, ontstaat een matige overmaat van
-jongens.
-</p>
-<p>2. Uit een door Düsing omtrent de geboorten in Noorwegen, Elzas-Lotharingen en te
-Berlijn opgemaakte statistiek blijkt, dat bij gelijken leeftijd der moeder oude en
-jonge mannen meer jongens verwekken dan bij mannen van middelbaren leeftijd het geval
-is.
-</p>
-<p>3. Behalve den leeftijd der ouders is ook hun doorvoedheid van invloed. De voeding
-der ouders schijnt van invloed te zijn op de hoedanigheid der seksueele stoffen (ei
-en sperma). Physiologisch wordt aangenomen, dat een <i>zeer gunstige toestand van ei en sperma tot het ontstaan van meisjes leidt</i>. Het ei, zoodra het in de baarmoeder is getreden, en het sperma na de ejaculatie
-gaan, zoolang zij niet met elkander in aanraking zijn gekomen, den dood tegemoet.
-Hoe langer dus die aanraking op zich laat wachten, hoe meer zij verkwijnen. Daardoor
-hangt de sekse af van het tijdstip waarop het ei na zijn intrede in de baarmoeder
-wordt bevrucht, zoodat uit het spoedig bevruchte ei een meisje, uit het laat (minstens
-acht dagen na de <span class="pageNum" id="pb510">[<a href="#pb510">510</a>]</span>menstruatie) bevruchte een jongen ontstaat. Echter kan de uitstekende hoedanigheid
-van het sperma ook in het laatste geval een meisje en de slechte hoedanigheid van
-het sperma ook in het eerste geval een jongen doen ontstaan.
-</p>
-<p>4. Volgens E. Fürst te Weenen ontstaat als de conceptie vier of vijf dagen na het
-<i>einde</i> der menstruatie plaats heeft, een overmaat van jongens; heeft zij later plaats, een
-overmaat van meisjes. Dit resultaat leidt Fürst af uit een statistiek van de dagen
-der conceptie en bevalling van 292 gevallen uit de Braunsche kliniek te Weenen. Het
-komt niet goed met 3 overeen.
-</p>
-<p>5. Bij zwakke menstruatie is er een grooter overmaat van jongens dan bij overvloedige
-menstruatie (Düsing).
-</p>
-<p>6. Uit de statistiek der Pruisische stoeterijen blijkt volgens Düsing, dat, als de
-hengst dikwijls dekt, meer hengstveulens worden geboren dan wanneer hij weinig dekt.
-Fouquet kwam tot het zelfde resultaat bij stieren. Een stier die dikwijls springt,
-verwekt overmaat van stierkalveren; bij kudden bij welke veel stieren worden gehouden,
-ontstaat een overmaat van koekalveren.
-</p>
-<p>In „Humboldt”, Oct. 1888, deelt W.&nbsp;O. Focke mede, dat volgens het „<span lang="de">1. Supplement zu den Veröffentlichungen des Statistischen Amtes der Stadt Berlin</span>” aldaar in 1886 op 40000 wettig geborenen de volgende verhoudingen plaats hadden:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Van </td>
-<td class="cellTop">19<span class="seg">-jarige vaders ontstonden</span> </td>
-<td class="cellTop"> 3 <span class="seg">mannelijke,</span> </td>
-<td class="cellTop"> 0 </td>
-<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">vrouwelijke kinderen.</span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>20<span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 20 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">mannelijke,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 2 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwelijke</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">kinderen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>21<span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 73 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">mannelijke,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 16 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwelijke</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">kinderen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>22<span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>213 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">mannelijke,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 51 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwelijke</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">kinderen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>23<span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>394 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">mannelijke,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>194 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwelijke</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">kinderen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">24<span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">603 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">mannelijke,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">379 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwelijke</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">kinderen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>enz.
-</p>
-<p>Door vaders onder 24 jaar werden bij moeders onder 18 jaar 10 jongens en geen enkel
-meisje verwekt. Van vaders en moeders onder 21 jaren stamden eveneens 10 jongens en
-geen enkel meisje af.
-</p>
-<p>De jongste gehuwde moeders waren 16 jaren oud, maar onder de ongehuwde waren eenigen
-nog jonger. Buiten echt werden geboren:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"><span class="seg">Van moeders</span> onder </td>
-<td class="cellTop">15 </td>
-<td class="cellTop">jaar </td>
-<td class="cellTop"> </td>
-<td class="cellTop"> 2 </td>
-<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">meisjes.</span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">moeders</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg">van</span> </td>
-<td>15 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 3 <span class="seg">jongens,</span> </td>
-<td> 6 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">meisjes.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">moeders</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>16 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>27 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jongens,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>26 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">meisjes.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">moeders</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">17 </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">62 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jongens,</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">62 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">meisjes.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>enz.
-</p>
-<p>Bij jeugdigen leeftijd des vaders (22–26 jaar) en hoogeren leeftijd der moeders (33–43
-jaar) werden 88 jongens en 28 meisjes verwekt.
-</p>
-<p id="en8.7">(<a href="#en8.7src">7</a>) De wetenschappelijke naam van den „Dal-ripa” is <i>Lagopus subalpina</i>.
-<span class="pageNum" id="pb511">[<a href="#pb511">511</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e14809">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14809src">1</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol II 1840, blz. 541. De later vermelde mededeelingen omtrent Tanais, ben ik aan
-Fritz Müller verschuldigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14809src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14826">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14826src">2</a></span> Kirby en Spence, „<span lang="en">Introduction to Entomology</span>”, vol. III, 1826, blz. 309.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14826src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14847">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14847src">3</a></span> Dr. Perrier („<span lang="fr">Revue Scientifique</span>”, Febr. 1873, blz. 865) voert dit geval aan als een afdoend argument tegen de seksueele
-teeltkeus, onderstellende, dat ik alle verschillen tusschen de beide seksen aan seksueele
-teeltkeus toeschrijf. Deze bekende natuuronderzoeker heeft dus, evenals zoovele andere
-Franschen, de moeite niet genomen om zelfs de eerste beginselen der seksueele teeltkeus
-te begrijpen. Een Engelsch natuuronderzoeker wijst er op, dat de grijporganen van
-sommige mannelijke dieren niet door de keus van het wijfje kunnen zijn ontwikkeld.
-Had ik deze opmerking niet ontmoet, dan zou ik het voor onmogelijk hebben gehouden,
-dat iemand die dit hoofdstuk had gelezen, zich zou hebben verbeeld, dat ik volhield,
-dat de keus van het wijfje iets te maken had met de ontwikkeling der grijporganen
-bij het mannetje.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14847src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14874">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14874src">4</a></span> Zelfs bij die planten, bij welke de seksen zijn gescheiden, zijn de mannelijke bloemen
-gewoonlijk vroeger rijp, dan de vrouwelijke. Vele tweeslachtige (hermaphroditische)
-planten zijn, zooals het eerst door C.&nbsp;K. Sprengel is aangetoond, dichogaam, d.i.
-hun mannelijke en vrouwelijke organen zijn niet tegelijkertijd gereed, zoodat zij
-zich zelf niet kunnen bevruchten. Nu is bij zulke planten het stuifmeel gewoonlijk
-vroeger rijp dan de stempel, hoewel eenige soorten, bij welke de vrouwelijke organen
-vroeger rijp worden dan de mannelijke, hierop een uitzondering maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14874src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14888">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14888src">5</a></span> Ik heb hieromtrent mededeelingen ontvangen, waarvan ik later gewag zal maken ten opzichte
-van hoenders. Zelfs bij vogels, zooals duiven, die zich voor hun geheele leven paren,
-verlaat, gelijk ik van den heer Jenner Weir hoor, het wijfje haar levensgezel, wanneer
-deze gekwetst of ziekelijk wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14888src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14924">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14924src">6</a></span> Over den gorilla, Savage en Wyman, „<span lang="en">Boston Journal of Nat. Hist.</span>” vol. V, 1845–47, blz. 423. Over Cynocephalus, Brehm, „<span lang="de">Illustr. Thierleben</span>”, Bd. I, 1864, blz. 77. Over Mycetes, Rengger, „<span lang="de">Naturgesch.: Saügethiere von Paraguay</span>”, 1830, blz. 14, 20. Over Cebus, Brehm, ibid., blz. 108.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14924src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14941">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14941src">7</a></span> Pallas, „<span lang="it">Spicilegia Zoolog.</span>”, Fasc. XII, 1777, blz. 29. Sir Andrew Smith, „<span lang="en">Illustration of the Zoölogy of S. Africa</span>”, 1849, pl. 29, over den Kobus. Owen geeft in zijn „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>” (vol. III, blz. 633) een tabel, waarop bij elke soort van antilope is opgeteekend,
-of zij paarsgewijze of in kudden leeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14941src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14953">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14953src">8</a></span> Dr. Campbell in „<span lang="en">Proc. Zoölog. Soc.</span>”, 1869, blz. 138. Zie ook een belangwekkende verhandeling van Luitenant Johnstone
-in „<span lang="en">Proc. Asiatic Soc. of Bengal</span>”, Mei 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14953src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14973">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14973src">9</a></span> Dr. Gray, in „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist.</span>”, 1871, blz. 302.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14973src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14981">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14981src">10</a></span> Zie Dr. Dobson’s uitnemende verhandeling, in „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, 1873, blz. 241.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14981src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e14995">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e14995src">11</a></span> „<span lang="en">The Ibis</span>”, vol.<span class="corr" id="xd31e15000" title="Niet in bron"> III</span>, 1861, blz. 133, over den Progne-Weduwvogel. Zie ook over Vidua axillaris, ibid.,
-vol. II, 1860, blz. 211. Over de veelwijverij van den grooten auerhaan en groote trapgans,
-zie L. Lloyd, „<span lang="en">Game Birds of Sweden</span>”, 1867, blz. 19 en 182. Montagu en Selby spreken van den korhaan als veelwijvig en
-van den rooden Schotschen boschhaan als eenwijvig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e14995src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15028">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15028src">12</a></span> De weleerw. heer Dixon zegt echter nadrukkelijk („<span lang="en">Ornamental Poultry</span>”, 1848, blz. 76), dat de eieren van het parelhoen onvruchtbaar zijn, als men meer
-dan één wijfje met een zelfde mannetje houdt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15028src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15036">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15036src">13</a></span> Kirby en Spence, „<span lang="en">Introduction to Entomology</span>”, vol. III, 1826, blz. 324.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15036src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15055">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15055src">14</a></span> Een parasietisch Vliesvleugelig Insekt (Westwood, „<span lang="en">Modern Classification of Insects</span>”, vol. II, blz. 160) vormt een uitzondering op den regel, daar het mannetje rudimentaire
-vleugels heeft en de cel waarin hij is geboren, nooit verlaat, terwijl het wijfje
-goed ontwikkelde vleugels bezit. Audouin gelooft, dat de wijfjes worden bevrucht door
-de mannetjes die met haar in de zelfde cel worden geboren, maar het is waarschijnlijker,
-dat de wijfjes andere cellen bezoeken en dus een paring tusschen zeer nauwe bloedverwanten
-vermijden. Wij zullen later in verschillende klassen eenige weinige exceptioneele
-gevallen ontmoeten, waarin het wijfje, en niet het mannetje, de andere sekse opzoekt
-en haar het hof maakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15055src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15063">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15063src">15</a></span> <span class="corr" id="xd31e15064" title="Niet in bron">„</span><span lang="en">Essays and Observations</span>”, uitgegeven door Owen, vol. I, 1861, blz. 194.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15063src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15079">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15079src">16</a></span> Prof. Sachs („<span lang="de">Lehrbuch der Botanik</span>”, 1870, blz. 633) merkt, van de mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen sprekende,
-op: „<span lang="de">Verhält sich die eine bei der Vereinigung activ .… die andere erscheint bei der Vereinigung
-passiv.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15079src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15092">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15092src">17</a></span> „<span lang="de">Vorträge über Viehzucht</span>”, 1872, blz. 63.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15092src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15098">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15098src">18</a></span> „<span lang="de">Reise der Novara: Anthropologischer Theil</span>”, 1167, blz. 216–269. De resultaten werden berekend door Dr. Weisbach uit metingen
-van Dr. K. Scherzer en Dr. Schwarz. Over de grootere neiging tot variabiliteit van
-de mannetjes van tamme dieren, zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-Deel II, blz. 54, 55.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15098src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15106">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15106src">19</a></span> „<span lang="en"><span class="corr" id="xd31e15109" title="Bron: Prooceedings">Proceedings</span> Royal Soc.</span>”, vol. XVI, Juli, No. 3, 1868, blz. 519 en 521.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15106src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15115">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15115src">20</a></span> „<span lang="en">Proc. Royal Irish Academy</span>”, vol. X, 1868, blz. 123.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15115src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15121">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15121src">21</a></span> „<span lang="en">Massachusetts Medical Soc.</span>”, vol. II, No. 3, 1868, blz. 9.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15121src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15127">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15127src">22</a></span> „<span lang="de">Archiv für Path. Anat. und Phys.</span>”, 1871, blz. 448.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15127src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15135">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15135src">23</a></span> De besluiten waartoe voor eenige jaren Dr. J. Stockton Hough is gekomen ten opzichte
-van de temperatuur van den man, worden medegedeeld in de „<span lang="en">Pop. Science Review</span>”, 1 Jan. 1874, blz. 97.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15135src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15144">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15144src">24</a></span> Prof. Mantegazza is geneigd te gelooven („<span lang="it">Lettera a Carlo Darwin</span>”, „<span lang="it">Archivio per l’Anthropologia</span>”, 1871, blz. 306), dat de levendige kleuren waardoor zoovele mannelijke dieren zich
-onderscheiden, worden veroorzaakt door de tegenwoordigheid en het door hen bewaren
-der zaadvloeistof; maar dit kan moeilijk het geval zijn; want vele mannelijke vogels,
-bij voorbeeld jonge fazanten, worden levendig gekleurd in den herfst van hun eerste
-levensjaar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15144src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15153">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15153src">25</a></span> Voor den mensch, zie Dr. J. Stockton Hough, wiens besluiten worden medegedeeld in
-de „<span lang="en">Pop. Science Review</span>”, 1874, blz. 97. Zie omtrent Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) Girard’s mededeelingen,
-medegedeeld in „The Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15153src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15169">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15169src">26</a></span> „Mammals and Birds of E. Florida”, blz. 234, 280, 295.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15169src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15206">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15206src">27</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 54, 55. In op één
-na het laatste hoofdstuk wordt de hypothese der pangenesis uitvoerig verklaard.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15206src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15213">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15213src">28</a></span> Deze feiten worden medegedeeld op de gewichtige autoriteit van een groot hoenderfokker,
-den heer Teebay in Tegetmeier’s „<span lang="en">Poultry Book</span>”, 1868, blz. 158. Over de kenmerken van kuikens van verschillende rassen, en over
-de duivenrassen, waarop boven wordt gedoeld, zie „Varieeren der Huisdieren” enz.,
-Deel I, blz. 288, Deel II, blz. 57.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15213src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15230">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15230src">29</a></span> „<span lang="la">Novae Species Quadrupedum e Glirium ordine</span>”, 1778, blz. 7. Over de overplanting van de kleur door het paard, zie „Varieeren
-der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 67. Ook Deel II, blz. 52, voor de
-algemeene bespreking van de beperking der overerving door de sekse.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15230src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15243">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15243src">30</a></span> Dr. Chapuis, „<span lang="fr">Le Pigeon Voyageur belge</span>”, 1865, blz. 87. Boitard en Corbié, „<span lang="fr">Les Pigeons de Volière</span>” enz., 1824, blz. 173. Zie ook omtrent dergelijke verschillen tusschen zekere rassen
-te Modena, „<span lang="it">Le variazioni dei Columbi domestici</span>”, del Paolo Bonizzi, 1873.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15243src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15266">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15266src">31</a></span> Sedert het verschijnen van de eerste uitgaaf van dit werk heeft het mij groote voldoening
-geschonken de volgende opmerkingen te vinden („<span lang="en">The Field</span>”, Sept. 1872) van zulk een ondervindingrijk fokker als de heer Tegetmeier. Na eenige
-merkwaardige gevallen bij duiven te hebben beschreven, van het overplanten der kleur
-door de eene sekse alleen, en de vorming van een onder-ras met dat kenmerk, <span class="corr" id="xd31e15271" title="Bron: z.egt">zegt</span> hij: „Het is merkwaardig dat de heer Darwin het denkbeeld heeft geopperd, dat het
-mogelijk was om de seksueele kleuren van vogels door voortgezette kunstmatige teeltkeus
-te wijzigen. Toen hij dit deed, was hij onbekend met de feiten die ik thans heb medegedeeld;
-maar het is opmerkelijk hoe nauwkeurig hij de juiste methode aangaf, die men daarbij
-moest volgen.<span class="corr" id="xd31e15274" title="Niet in bron">”</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15266src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15283">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15283src">32</a></span> Ik verwijs daaromtrent naar mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel
-II, blz. 52.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15283src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15311">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15311src">33</a></span> Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples, die omtrent den reebok en het
-edelhert van Schotland een onderzoek voor mij deed bij den heer Robertson, de ondervindingrijke
-opperhoutvester van den markies van Breadalbane. Wat het damhert aangaat, ben ik den
-heer Eyton en anderen inlichtingen verschuldigd. Omtrent den eland (<i>Cervus alces</i>) van Noord-Amerika, zie „<span lang="en">Land and Water</span>”, 1868, blz. 221 en 254; en omtrent <i>Cervus virginianus</i> en <i>strongyloceros</i> van het zelfde werelddeel, zie J.&nbsp;D. Caton in „<span lang="en"><span class="corr" id="xd31e15323" title="Bron: Ottowa">Ottawa</span> Acad. of Nat. Sc.</span>”, 1868, blz. 13. Omtrent <i>Cervus Eldi</i> van Pegu, zie Luit. Beavan, „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc.</span>”, 1867, blz. 762.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15311src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15343">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15343src">34</a></span> Antilocapra americana, Owen, „<span lang="en">Anatomy of Vertebrates</span>”, vol. III, blz. 627.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15343src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15349">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15349src">35</a></span> Men heeft mij verzekerd, dat men de horens van de schapen in Noord-Wallis altijd kan
-voelen, en dat zij soms bij de geboorte zelfs 2½ c.M. <span class="pageNum" id="pb467n">[<a href="#pb467n">467</a>]</span>lang zijn. Omtrent hoornvee zegt Youatt („<span lang="en">Cattle</span>”, 1834, blz. 277), dat het uitsteeksel van het voorhoofdsbeen bij de geboorte door
-de huid dringt, en dat de hoornachtige zelfstandigheid zich spoedig daarover vormt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15349src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15360">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15360src">36</a></span> Ik ben grooten dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus, die bij de hoogste autoriteiten
-een onderzoek voor mij deed omtrent de merino-schapen van Saksen. Aan de kust van
-Guinea in Afrika is er een ras van schapen bij hetwelk, evenals bij de merino’s, alleen
-de mannetjes horens dragen; en de heer Winwood Reade meldt mij, dat in het eenige
-waargenomen geval een jonge ram, die den 10den Februari was geboren, het eerst horens
-vertoonde op den 6den Maart, zoodat in dit geval de ontwikkeling der horens in een
-later tijdperk van het leven plaats had, in overeenkomst met onzen regel, dan bij
-het schaap van Wales, bij hetwelk beide seksen gehorend zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15360src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15371">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15371src">37</a></span> „<span lang="de">Ueber die knöchernen Schädelhöcker der Vögel</span>” in het „<span lang="de">Niederländisches Archiv für Zoologie</span>”, Bd. 1, Heft 2, 1872.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15371src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15390">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15390src">38</a></span> Bij den gewonen pauw (<i>Pavo cristatus</i>) bezit alleen het mannetje sporen, terwijl zich bij den Javaanschen pauw (<i>Pavo muticus</i>) het ongewone geval voordoet, dat beide seksen van sporen voorzien zijn. Ik verwachtte
-daarom stellig, dat zij zich bij laatstgenoemde soort op jonger leeftijd zouden ontwikkelen
-dan bij den gewonen pauw; maar de heer Hegt, van Amsterdam, meldt mij, dat tusschen
-jonge vogels van het vorige jaar, tot beide soorten behoorende, vergeleken op den
-23sten April 1869, geen verschil in de ontwikkeling der sporen bestond. De sporen
-werden toen nog slechts door kleine knobbels of verhevenheden gevormd. Ik onderstel,
-dat ik bericht zou hebben ontvangen, indien later eenig verschil in de mate van ontwikkeling
-was waargenomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15390src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15397">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15397src">39</a></span> Bij sommige andere soorten van de familie der Eenden verschilt de spiegelvlek bij
-de twee seksen in grootere mate; maar ik ben niet in staat geweest te ontdekken, of
-de volkomen ontwikkeling daarvan bij de mannetjes van dergelijke soorten op later
-leeftijd plaats grijpt dan bij de gewone eend, zooals volgens onzen regel zou moeten
-geschieden. Bij den verwanten <i>Mergus cucullatus</i> hebben wij echter een geval van dien aard; de beide seksen verschillen in het oog
-vallend in algemeen gevederte, en in aanmerkelijke mate in de spiegelvlek, die bij
-het mannetje zuiver wit en bij het wijfje grijsachtig wit is. Nu gelijken de jonge
-mannetjes eerst in alle opzichten op het wijfje en hebben een grijsachtig witte spiegelvlek;
-maar deze wordt zuiver wit op een jongeren leeftijd dan dien waarop het volwassen
-mannetje zijn andere sterker uitgedrukte verschillen in gevederte verkrijgt: zie Audubon,
-„<span lang="en">Ornithological Biography</span>”, vol. III, 1835, blz. 249–250.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15397src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15432">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15432src">40</a></span> „<span lang="de">Das Ganze der Taubenzucht</span>”, 1837, blz. 21, 24. Omtrent het geval der gestreepte duiven, zie Dr. Chapuis, „<span lang="fr">Le Pigeon Voyageur belge</span>”, 1865, blz. 87.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15432src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15450">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15450src">41</a></span> Voor uitvoerige bijzonderheden en aanhalingen omtrent al deze punten ten opzichte
-van de verschillende hoenderrassen, zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-Deel I, blz. 261 v.v. Wat de hoogere dieren aangaat, zijn de seksueele verschillen
-die ten gevolge der temming zijn ontstaan, in het zelfde werk bij elke soort beschreven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15450src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15509">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15509src">42</a></span> „<span lang="en">Twenty-ninth Annual Report of the Registrar-General for 1886</span>”. In dit verslag (p. XII) wordt een bijzondere tienjarige tabel gegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15509src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15524">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15524src">43</a></span> Omtrent Noorwegen en Zweden, zie een uittreksel van de onderzoekingen van Dr. Faye
-in <span class="corr" id="xd31e15526" title="Niet in bron">„</span><span lang="en">British and Foreign Medico-Chirurg. Review</span>”, April, 1867, blz. 343, 345. Omtrent Frankrijk, het „<span lang="fr">Annuaire pour l’An 1867</span>”, blz. 213.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15524src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15534">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15534src">44</a></span> Voor Philadelphia zie Dr. Stockton Hough, „<span lang="en">Social Science Assoc.</span>”, 1874. Voor de Kaap de Goede Hoop, Quetelet, aangehaald door Dr. H. Hartogh Heys
-van Zouteveen in de Nederlandsche vertaling van dit werk, in wiens vijfde aanteekening
-op dit hoofdstuk vele opgaven zijn bijeengebracht omtrent de getalsverhouding tusschen
-de seksen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15534src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15549">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15549src">45</a></span> Ten opzichte der Joden, zie den heer Thury, „<span lang="fr">La Loi de Production des Sexes</span>”, 1863, blz. 25.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15549src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15560">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15560src">46</a></span> „<span lang="en">British and Foreign Medico-Chirurg. Review</span>”, April, 1867, blz. 343. Dr. Stark merkt ook op („<span lang="en">Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc, in Scotland</span>”, 1867, blz. XXVIII): „Deze voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat
-op elken leeftijd de mannen in Schotland meer kans hebben om te sterven dan de vrouwen,
-en dat hun gemiddelde sterfte grooter is dan die van deze laatste. Het feit echter,
-dat deze bijzonderheid het sterkst is ontwikkeld in dat kinderlijk tijdperk van het
-leven, waarin de kleeding, het voedsel en de behandeling van beide seksen het zelfde
-zijn, schijnt te bewijzen, dat de grootere gemiddelde sterfte der mannen een aangeboren,
-natuurlijke en constitutioneele, alleen door de sekse veroorzaakte bijzonderheid is.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15560src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15569">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15569src">47</a></span> „<span lang="en">West-Riding Lunatic Asylum Reports</span>”, vol. I, 1871, blz. 8. Sir J. Simpson heeft bewezen, dat het hoofd van de jongens
-bij de geboorte in omtrek ruim 9 millimeter en in dwarse doorsnede ruim 3 millimeter
-grooter is dan dat van de meisjes. Quetelet heeft bewezen, dat de meisjes kleiner
-geboren worden dan de jongens; zie Dr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Duncan, „<span lang="en">Fecundity, Fertility, Sterility</span>”, 1871, blz. 382.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15569src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15580">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15580src">48</a></span> Bij de wilde Guarani’s van Paraguay staat volgens den nauwkeurigen Azara („<span lang="fr">Voyages dans l’Amérique mérid.</span>”, tome II, 1809, blz. 60, 179) het aantal vrouwen tot dat der mannen als 14 tot 13.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15580src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15596">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15596src">49</a></span> Babbage „<span lang="en">Edinburgh Journal of Science</span>”, 1829, vol. I, blz. 88; ook blz. 90, omtrent doodgeboren kinderen. Over onwettige
-kinderen in Engeland, zie „<span lang="en">Report of Registrar-General</span>” voor 1866, blz. XV.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15596src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15607">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15607src">50</a></span> Leuckart in Wagner, „<span lang="de"><span class="corr" id="xd31e15610" title="Bron: Handwörterbüch">Handwörterbuch</span> der Phys.</span>”, Bd. IV, 1853, blz. 774.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15607src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15615">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15615src">51</a></span> „<span lang="en">Anthropological Review</span>”, April, 1870, blz. CVIII.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15615src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15637">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15637src">52</a></span> Gedurende de laatste elf jaren is er aanteekening gehouden van het aantal merries
-die onvruchtbaar bleken te zijn of haar veulens te vroeg baarden, en dit verdient
-opmerking, daar het bewijst hoe onvruchtbaar deze sterk gevoede en vrij dicht in de
-familie met elkander gepaarde dieren zijn geworden, zoodat bijna een derde gedeelte
-van de merries geen levende veulens voortbrachten. Zoo werden in 1886 809 hengstveulens
-en 816 merrieveulens geboren en 743 merries brachten geen jongen voort. In 1867 werden
-836 hengstveulens en 902 merrieveulens geboren, 794 merries bleven onvruchtbaar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15637src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15660">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15660src">53</a></span> Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples die mij de boven vermelde opgaven
-uit Schotland, zoowel als sommige van de volgende omtrent hoornvee heeft verschaft.
-De heer R. Elliot van Laighwood vestigde het eerst mijn aandacht op den vroegtijdigen
-dood der mannetjes—een mededeeling later door den heer Aitchison en anderen bevestigd.
-Aan dezen laatsten heer en aan den heer Payan heb ik de uitgebreidste opgaven omtrent
-schapen te danken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15660src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15696">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15696src">54</a></span> Bell, „<span lang="en">History of British Quadrupeds</span>”, blz. 100.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15696src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15702">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15702src">55</a></span> „<span lang="en">Illustrations of the Zoology of S. Africa</span>”, 1849, blz. 29.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15702src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15724">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15724src">56</a></span> Brehm („<span lang="de">Illust. Thierleben</span>”, Bd. IV, blz. 990) komt tot het zelfde besluit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15724src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15734">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15734src">57</a></span> Op autoriteit van L. Lloyd, „<span lang="en">Game Birds of Sweden</span>”, 1867, blz. 12, 132.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15734src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15753">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15753src">58</a></span> „<span lang="en">Nat Hist. of Selborne</span>”, brief XXIX, uitgaaf van 1825, vol. I, blz. 139.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15753src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15771">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15771src">59</a></span> De heer Jenner Weir ontving overeenkomstige mededeelingen, toen hij gedurende het
-volgende jaar onderzoek deed. Om het aantal gevangen vinken aan te toonen, kan ik
-vermelden, dat er in 1869 een wedstrijd tusschen twee deskundigen was; en de eene
-man ving op éénen dag 62, de andere 40 mannelijke vinken. Het grootste aantal dat
-ooit door éénen man op een enkelen dag is gevangen, bedroeg 70.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15771src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15796">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15796src">60</a></span> „Ibis”, vol. II, blz. 260, aangehaald in Gould’s „Trochilidae”, 1861, blz. 25. Wat
-de overige verhoudingsgetallen aangaat, ben ik aan den heer Salvin een tabel van zijn
-resultaten verschuldigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15796src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15799">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15799src">61</a></span> „Ibis”, 1860, blz. 137, en 1867, blz. 369.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15799src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15802">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15802src">62</a></span> „Ibis”, 1862, blz. 137.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15802src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15813">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15813src">63</a></span> Leuckart haalt Bloch aan (Wagner „<span lang="de">Handwörterbuch der Phys.</span>” Bd. IV, 1835, blz. 775), die zegt, dat er bij de visschen tweemaal zooveel mannetjes
-als wijfjes zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15813src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15821">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15821src">64</a></span> Aangehaald in de „<span lang="en">Farmer</span>”, 18 Maart, 1869, blz. 369.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15821src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15833">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15833src">65</a></span> „<span lang="en">The Stormontfield Piscicultural Experiments</span>”, 1866, blz. 33. De „<span lang="en">Field</span>” Courant, 29 Juni, 1867.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15833src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15847">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15847src">66</a></span> „<span lang="en">Land and Water</span>”, 1862, blz. 41.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15847src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15861">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15861src">67</a></span> Yarrel, „<span lang="en">Hist. British Fishes</span>”, vol. I, 1836, blz. 307; over Cyprinus carpio, blz. 331; over Tinca vulgaris, blz.
-331; over Abramis brama, blz. 336. Zie omtrent Leuciscus phoxinus, „<span lang="en">Loudon’s Mag. of Nat. Hist.</span>”, vol. V, 1832, blz. 682.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15861src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15883">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15883src">68</a></span> Leuckart haalt Meinecke aan (Wagner, „<span lang="de">Handwörterbuch der Phys.</span>”, Bd. IV, 1853, blz. 775), die zegt, dat bij de Kapellen de mannetjes drie- of viermaal
-talrijker zijn dan de wijfjes.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15883src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15889">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15889src">69</a></span> „<span lang="en">The Naturalist on the Amazons</span>”, vol. II, 1863, blz. 228, 347.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15889src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15899">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15899src">70</a></span> Vier van deze gevallen worden door den heer Trimen medegedeeld in zijn „<span lang="la">Rhopalocera Africae Australis</span>.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15899src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15911">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15911src">71</a></span> Aangehaald door Trimen, „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, vol. V, part IV, 1806, blz. 330.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15911src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15917">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15917src">72</a></span> „<span lang="en">Transact. Linn. Soc.</span>”, vol. XXV, blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15917src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15933">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15933src">73</a></span> „<span lang="en">Proc. Entomolog. Soc.</span>”, 17 Febr. 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15933src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15949">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15949src">74</a></span> Aangehaald door Dr. Wallace in „<span lang="en">Proc. Ent. Soc.</span>”, 3rd. Series, vol. V, 1867, blz. 487.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15949src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15983">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15983src">75</a></span> Blanchard, „<span lang="fr">Metamorphoses, Moeurs des insectes</span>”, 1868, blz. 225–226.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15983src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e15993">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e15993src">76</a></span> „Lepidopteren-Doubletten Liste”, Berlin, No. X, 1866.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e15993src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16023">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16023src">77</a></span> Deze natuuronderzoeker is zoo vriendelijk geweest mij eenige opgaven omtrent vroegere
-jaren te zenden, gedurende welke de wijfjes de overhand schenen te hebben; maar zoovele
-daarvan waren slechts schattingen, dat het mij niet mogelijk was er een tabel van
-te maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16023src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16094">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16094src">78</a></span> Günthers „<span lang="en">Record of Zoological Literature</span>”, 1867, blz. 260. Over de overmaat van wijfjes bij Lucanus, ibid., blz. 250. Over
-de mannetjes van Lucanus in Engeland, Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. I, blz. 187. Over Siagonium, ibid., blz. 172.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16094src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16116">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16116src">79</a></span> Walsh, in „<span lang="en">The American Entomologist</span>”, vol. I, 1869, blz. 103. F. Smith, „<span lang="en">Record of Zoological Literature</span>”, 1867, blz. 328.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16116src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16132">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16132src">80</a></span> „<span lang="en">Farm Insects</span>”, blz. 45–46.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16132src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16140">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16140src">81</a></span> <span class="corr" id="xd31e16141" title="Niet in bron">„</span><span lang="de">Anwendung der Darwinschen Lehre. Verh. d. n. V. Jahrg. XXIV.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16140src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16154">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16154src">82</a></span> „<span lang="de">Die Strich-, Zug- oder Wanderheuschrecke</span>”, 1828, blz. 20.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16154src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16171">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16171src">83</a></span> „<span lang="en">Observations in N. American Neuroptera</span>”, door H. Hagen en B.&nbsp;D. Walsh, „<span lang="en">Proc. Ent. Soc. Philadelphia</span>”, October 1863, blz. 168, 223, 239.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16171src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16185">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16185src">84</a></span> „<span lang="en">Proc. Ent<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Soc. London</span>”, 17 Febr. 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16185src" title="Ga terug naar noot 84 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16201">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16201src">85</a></span> Een andere groote autoriteit in deze klasse, Prof. Thorel van Upsala („<span lang="en">On European Spiders</span>”, 1869–70, part I, blz. 205) spreekt, alsof vrouwelijke spinnen over het algemeen
-meer voorkwamen dan mannelijke.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16201src" title="Ga terug naar noot 85 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16207">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16207src">86</a></span> Zie over dit onderwerp den heer Pickart-Cambridge, aangehaald in „<span lang="en">Quarterly Journal of Science</span>”, 1868, blz. 429.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16207src" title="Ga terug naar noot 86 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16240">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16240src">87</a></span> „<span lang="en">The Todas</span>”, 1878, blz. 100, 111, 194, 196.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16240src" title="Ga terug naar noot 87 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16250">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16250src">88</a></span> „<span lang="en">Aboriginal Inhabitants of New-Zealand; Government Report</span>”, 1859, blz. 36.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16250src" title="Ga terug naar noot 88 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16269">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16269src">89</a></span> „<span lang="en">Narrative of a Tour through Hawaii</span>”, 1826, blz. 298.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16269src" title="Ga terug naar noot 89 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16275">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16275src">90</a></span> „<span lang="en">History of the Sandwich-Islands</span>”, 1843, blz. 93.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16275src" title="Ga terug naar noot 90 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16283">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16283src">91</a></span> Dit wordt medegedeeld in des weleerw. heeren H.&nbsp;T. Cheever’s „<span lang="en">Life in the Sandwich-Islands</span>”, 1851, blz. 277.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16283src" title="Ga terug naar noot 91 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16291">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16291src">92</a></span> Dr. Coulter zegt („<span lang="en">Journal R. Geograph. Soc.</span>” 1835, vol. V, blz. 67), den toestand van Californië omstreeks het jaar 1830 beschrijvende,
-dat de inboorlingen die door de Spaansche zendelingen waren bekeerd, bijna allen zijn
-omgekomen of omkomen, hoewel zij goed behandeld en niet uit hun geboorteland verdreven
-worden, en men hen belet alcoholische dranken te gebruiken. Hij schrijft dit voor
-een groot deel toe aan het ontwijfelbare feit, dat de mannen de vrouwen aanmerkelijk
-in aantal overtreffen, maar hij weet niet, of dit komt, omdat er minder meisjes worden
-geboren, of omdat meer meisjes in haar prille jeugd sterven. Het laatste is volgens
-alle analogie zeer onwaarschijnlijk. Hij voegt er bij, dat „eigenlijk gezegde kindermoord
-niet algemeen is, ofschoon men zeer dikwijls zijn toevlucht neemt tot abortie.” Indien
-Dr. Coulter gelijk heeft omtrent kindermoord, kan dit geval niet tot ondersteuning
-van kolonel Marshall’s meening worden aangehaald<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wegens de snelle afneming van de bekeerde inboorlingen mogen wij vermoeden, dat,
-evenals in de vroeger medegedeelde gevallen, hun vruchtbaarheid is verminderd wegens
-verandering der levensvoorwaarden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p class="footnote cont">Ik had gehoopt eenig licht te verkrijgen omtrent dit onderwerp uit het fokken van
-honden, in zoover als bij de meeste rassen, uitgezonderd misschien bij windhonden,
-meer jonge teven dan reuen worden gedood, gelijk bij de kinderen der Toda’s. De heer
-Cupples verzekert mij, dat dit gewoonlijk geschiedt bij de Schotsche hertenhonden.
-Ongelukkig weet ik niets omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen bij eenig
-ras, met uitzondering der windhonden, en bij deze laatste staat het aantal reuen dat
-wordt geboren, tot het aantal teven als 110.1 tot 100. Nu schijnt het volgens navraag
-bij vele fokkers gedaan, dat de teven in sommige opzichten hooger worden geschat,
-hoewel zij in andere opzichten lastig zijn; en het blijkt niet, dat de jonggeboren
-teven van de beste hondenrassen die worden gefokt, stelselmatig in grooter aantal
-worden gedood dan de reuen, hoewel dit soms in beperkte mate plaats grijpt. Ik ben
-daarom niet in staat te beslissen, of wij volgens de bovenvermelde beginselen de overmaat
-van mannelijke geboorten bij windhonden kunnen verklaren. Van den anderen kant hebben
-wij gezien, dat bij paarden, runderen en schapen, die te kostbaar zijn om de jongen
-van een van beide seksen te dooden, als er eenig verschil is, de vrouwelijke sekse
-eenigszins talrijker is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16291src" title="Ga terug naar noot 92 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16688">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16688src">93</a></span> Behalve dit werk worden door Dr. Lubach nog aangehaald: Boudin, <span class="pageNum" id="pb503n">[<a href="#pb503n">503</a>]</span>„<span lang="fr">Géographie médicale</span>” en „<span lang="fr">Du non-cosmopolitisme des races humaines</span>”, Nott, „<span lang="fr">Acclimatation</span>” en Dr. S. Coronel, „Iets over het verschil in levensverhoudingen tusschen Joden
-en Christenen” in „Schat der Gezondheid”, jaargang VII, blz. 372 v.v.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16688src" title="Ga terug naar noot 93 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16733src">94</a></span> Dit laatste gaat niet door voor Servië, ofschoon daar het aantal vrouwen in verhouding
-tot de mannen jaarlijks toeneemt en dus in een nabijzijnde toekomst de wet ook voor
-Servië door zal gaan. Volgens Dr. Hugo Bach (in een artikel over „De bevolking van
-het koninkrijk Servië<span class="corr" id="xd31e16736" title="Niet in bron">”</span>, voorkomende in het Oostenrijksche „<span lang="de">Statistische Monatschrift</span>”), kwamen daar op elke duizend mannen:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">1859 </td>
-<td class="cellTop"><span class="seg">voor</span> </td>
-<td class="cellTop">938 </td>
-<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">vrouwen.</span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">1863 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">voor</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>939 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">1866 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">voor</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>941 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">1874 </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">voor</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>946 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">1884 </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">voor</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">958 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">vrouwen.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">In de landen van Europa waar de beschaving geene vorderingen maakt, en bij de natuurvolken
-zou men tot nog toe in den regel een overwicht van de mannelijke bevolking hebben
-opgemerkt; het tegenovergestelde verschijnsel treedt in de beschaafde landen aan den
-dag, ofschoon er toch meer jongens dan meisjes worden geboren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16733src" title="Ga terug naar noot 94 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16905">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16905src">95</a></span> „<span lang="fr">Annuaire du Bureau des Longitudes</span>”, 1834, aangehaald door Prof. G. Boccardo.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16905src" title="Ga terug naar noot 95 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16913">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16913src">96</a></span> „<span lang="fr">Mémorial Encyclopédique</span>”, 1832, Mei, aangehaald door Prof. G. Boccardo.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16913src" title="Ga terug naar noot 96 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e16938">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e16938src">97</a></span> Quetelet, „<span lang="fr">Physique Sociale</span>”, vol. I, blz. 168 v.v., aangehaald door Prof. G. Boccardo die het verschil aan de
-Kaap aan de breedte toeschrijft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e16938src" title="Ga terug naar noot 97 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e17088">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e17088src">98</a></span> Aangehaald door Quetelet (volgens Boccardo; zie ook Brewster’s <span lang="en">„Journal of Sciences”, New Series, No. I</span>).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e17088src" title="Ga terug naar noot 98 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e17186">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e17186src">99</a></span> Wij meenen omtrent Nederland, het vaderland van al onze lezers, wel eenigszins uitvoeriger
-te mogen zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e17186src" title="Ga terug naar noot 99 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e17193">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e17193src">100</a></span> Men onderscheidt: wettelijke, feitelijke en werkelijke bevolking. De <i>wettelijke</i> bevolking is de bevolking in de registers ingeschreven of de wettig gedomicilieerde
-bevolking (Artt. 74–80 Burg<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wetb<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>); de <i>feitelijke</i> bevolking wordt uit de wettelijke afgeleid door aftrekking der tijdelijk afwezigen
-en bijvoeging der tijdelijk aanwezigen. Onder <i>werkelijke</i> bevolking verstaat men de hoegrootheid der bevolking, wanneer tot grondslag wordt
-genomen, niet de woonplaats of het domicilie in den zin van het Burgerlijk Wetboek,
-maar de werkelijke woonplaats of de plaats, waar men gewoon is verblijf te houden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e17193src" title="Ga terug naar noot 100 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e520">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende kleuren.—Weekdieren
-(<i>Mollusca</i>).—Ringwormen (<i>Annelida</i>).—Schaaldieren (<i>Crustacea</i>); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer ontwikkeld; dimorphisme; kleur;
-de kenmerken niet verkregen, dan op volwassen leeftijd.—Spinnen (<i>Arachnoïdea</i>); haar seksueele kleuren; sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (<i>Myriapoda</i>).</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bij de laagste klassen zijn de beide seksen niet zelden in één en het zelfde individu
-vereenigd, en kunnen daarom geen secundaire seksueele kenmerken worden ontwikkeld.
-In vele gevallen, waarin de twee seksen zijn gescheiden, zijn beide bestendig aan
-een of ander steunsel vastgehecht, en de eene kan de andere niet zoeken of om haar
-bezit kampen. Daarenboven is het bijna zeker, dat deze dieren te onvolmaakte zinnen
-en veel te laag ontwikkelde geestvermogens hebben om ijverzuchtig op elkander te zijn
-of om elkanders schoonheid of andere bekoorlijkheden op prijs te stellen
-</p>
-<p>Vandaar komen in deze klassen, zooals de Vormlooze Dieren (<i>Protozoa</i>) <b>(<a href="#en9.1" id="en9.1src">1</a>)</b>, de Neteldieren (<i>Coelenterata</i>), de Stekelhuidigen (<i>Echinodermata</i>), de Weekwormen (<i>Scolecida</i>) enz. geen ware secundaire seksueele kenmerken voor, en dit feit komt overeen met
-het geloof, dat die kenmerken bij de hoogere klassen zijn verkregen door seksueele
-teeltkeus, welke afhangt van den wil<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> de begeerten en de keus der beide seksen. Toch bestaan er hierop eenige weinige schijnbare
-uitzonderingen; zoo verschillen, naar ik van Dr. Baird hoorde, de mannetjes van sommige
-Ingewandswormen (<i>Entozoa</i>) een weinig in kleur van de wijfjes; maar wij hebben geen reden om te onderstellen,
-dat die verschillen door seksueele teeltkeus zijn vermeerderd.
-</p>
-<p>Vele der lagere dieren, hetzij hermaphrodieten of met gescheiden <span class="pageNum" id="pb512">[<a href="#pb512">512</a>]</span>geslachten, prijken met de schitterendste kleuren, of zijn op bevallige wijze geschakeerd
-en gestreept. Dit is het geval met vele Koralen en Zeeanemonen (<i>Actiniae</i>), met sommige Schijfkwallen (<i>Medusae</i>, <i>Porpita</i> enz.), met sommige Platwormen (<i>Planariae</i>), Zakpijpen (<i>Ascidiae</i>), talrijke Zeesterren, Zeeklitten (<i>Echini</i>) enz.; maar wij mogen besluiten om de reeds opgegeven redenen, namelijk de vereeniging
-van de beide seksen bij sommige dezer dieren, den bestendig vastzittenden toestand
-van anderen, en de laag ontwikkelde geestvermogens van allen, dat deze kleuren niet
-dienen als middel om de andere sekse aan te trekken en niet zijn verkregen ten gevolge
-van seksueele teeltkeus. Met de hoogere dieren is het een geheel ander geval; want,
-wanneer bij deze de eene sekse veel schitterender of opzichtiger gekleurd is dan de
-andere, en er geen onderscheid is tusschen de gewoonten der beide seksen, dat dit
-verschil verklaart, hebben wij reden om aan den invloed der seksueele teeltkeus te
-gelooven; en dit geloof wordt sterk bevestigd, wanneer de meer versierde individu’s,
-dat bijna altijd de mannetjes zijn, met hun bekoorlijkheden voor de andere sekse pronken.
-Wij mogen dit besluit ook tot beide seksen uitstrekken, wanneer zij de zelfde kleuren
-bezitten, en die kleuren duidelijk overeenkomen met die, welke bij zekere soorten
-van de zelfde groep alleen aan ééne der seksen eigen is. Hoe moeten wij ons dan rekenschap
-geven van de schoone en zelfs prachtige kleuren van sommige dieren in de laagste klassen?
-Het schijnt zeer twijfelachtig, of dergelijke kleuren gewoonlijk tot bescherming dienen;
-maar wij kunnen uiterst gemakkelijk dwalen ten opzichte van kenmerken van allerlei
-aard met betrekking tot bescherming, zooals iedereen zal toegeven, die de uitnemende
-verhandelingen van den heer Wallace heeft gelezen. Het zou bij voorbeeld niemand dadelijk
-invallen, dat de volkomen doorzichtigheid der Medusen of Schijfkwallen hun als beschermend
-middel de grootste diensten bewees, maar wanneer Haeckel ons herinnert, dat niet slechts
-de Medusen, maar ook vele drijvende weekdieren, schaaldieren en zelfs kleine zeevisschen
-dit zelfde glasachtige maaksel bezitten <b>(<a href="#en9.2" id="en9.2src">2</a>)</b>, dan kunnen wij moeilijk betwijfelen, dat zij daardoor ontsnappen aan de opmerkzaamheid
-van zeevogels en andere vijanden.
-</p>
-<p>Niettegenstaande onze onwetendheid, in hoever de kleur in vele gevallen tot bescherming
-dient, komt het mij voor de waarschijnlijkste meening ten opzichte der prachtige tinten
-van vele der laagste dieren te zijn, dat hun kleuren het rechtstreeksche gevolg zijn,
-hetzij van de scheikundige <span class="pageNum" id="pb513">[<a href="#pb513">513</a>]</span>samenstelling of van de fijnere structuur van hun weefsels, onafhankelijk van elk
-daaruit ontspruitend voordeel. Geen kleur is wellicht schooner dan die van slagaderlijk
-bloed; maar er is geen reden om te onderstellen, dat de kleur van het bloed op zich
-zelve in eenig opzicht voordeelig is; en hoewel zij de schoonheid der wangen van een
-meisje vermeerdert, zal niemand willen beweren, dat zij tot dit doel is verkregen.
-Evenzoo is bij vele dieren, vooral bij de lagere, de gal rijk gekleurd; de heer Hancock
-deelt mij bij voorbeeld mede, dat de buitengewone schoonheid der <i>Eolidae</i> (naakte zeeslakken) vooral daarvan het gevolg is, dat men de galklieren door de doorschijnende
-huid heên ziet; van deze schoonheid hebben deze dieren waarschijnlijk geen dienst.
-<b>(<a href="#en9.3" id="en9.3src">3</a>)</b> De tinten der afvallende bladeren in een Amerikaansch bosch worden door iedereen
-als prachtig beschreven, en toch onderstelt niemand, dat deze tinten aan de boomen
-in het minst voordeelig zijn. Wanneer men bedenkt, hoevele zelfstandigheden die in
-hooge mate met natuurlijke organische stoffen overeenkomen, en die de prachtigste
-kleuren bezitten, in den laatsten tijd door de scheikundigen zijn gevormd, zou het
-een vreemd verschijnsel zijn geweest, indien eveneens gekleurde stoffen niet dikwijls,
-onafhankelijk van een daardoor te bereiken nuttig doel, in het samengestelde laboratorium
-der levende organismen waren ontstaan.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Het Onder-Rijk der Weekdieren</i> (<i>Mollusca</i>).—In deze groote afdeeling (in haar wijdste beteekenis genomen) van het Dierenrijk
-komen secundaire seksueele kenmerken, zooals die waarover wij hier handelen, voor
-zoover ik kan nagaan, nooit voor. Dit kon men ook niet verwachten bij de drie laagste
-klassen, namelijk de Zakpijpen (Ascidiae), de Mosdieren (<i>Polyzoa</i>) en Armpootigen (<i>Brachiopoda</i>), die te zamen de <i>Molluscoïda</i> van Huxley uitmaken; want de meeste dezer dieren zijn bestendig aan een steunsel
-bevestigd of hebben beide seksen in één en het zelfde individu vereenigd. Bij de Plaatkieuwigen
-(<i>Lamellibranchiata</i>) is hermaphroditisme niet zeldzaam. Bij de in rang onmiddellijk boven hen staande
-Buikpootigen (<i>Gasteropoda</i>) zijn de seksen bij sommige soorten vereenigd en bij andere gescheiden. In dit laatste
-geval bezitten de mannetjes echter nooit bijzondere organen om de wijfjes te vinden,
-vast te houden of te bekoren, of om met andere mannetjes te vechten. Het eenige uitwendige
-verschil tusschen de beide seksen bestaat, naar de heer Gwyn Jeffreys mij mededeelt,
-in een eenigszins <span class="pageNum" id="pb514">[<a href="#pb514">514</a>]</span>anderen vorm van de schelp; zoo is bij voorbeeld de schelp van de mannelijke alikruik
-(<i>Littorina littorea</i>) nauwer en heeft een langer spiraal dan die van het wijfje. Men mag echter vermoeden,
-dat dergelijke verschillen in rechtstreeksch verband staan met de voortplantingshandeling
-of met de ontwikkeling van de eieren.
-</p>
-<p>Hoewel de Buikpootigen zich vrij kunnen bewegen en onvolkomen oogen bezitten, schijnen
-zij geen genoeg ontwikkelde geestvermogens te bezitten, dan dat de leden van de zelfde
-seksen als medeminnaars samen zouden strijden en zoo secundaire seksueele kenmerken
-verkrijgen. Bij de het land bewonende Longslakken (<i>Pulmonata</i>) wordt de paring door een vrijage voorafgegaan; want deze dieren, hoewel hermaphrodieten,
-worden door hun maaksel genoodzaakt met elkander te paren. Agassiz merkt op<a class="noteRef" id="xd31e19381src" href="#xd31e19381">1</a>: „<span lang="fr">Quiconque a eu l’occasion d’observer les amours des limaçons, ne saurait mettre en
-doute la séduction déployée dans les mouvements et les allures, qui préparent et accomplissent
-le double embrassement de ces hermaphrodites.</span>” Deze dieren schijnen ook vatbaar te zijn voor een zekere mate van bestendige genegenheid;
-een nauwkeurig waarnemer, de heer Lonsdale, deelt mij mede, dat hij een paar wijngaardslakken
-(<i lang="la">Helix pomatia</i>), waarvan de eene zwak was, in een kleinen en slecht voorzienen tuin zette. Na korten
-tijd verdween het sterke en gezonde individu en het slijmige spoor, dat het had achtergelaten,
-bewees, dat het over den muur naar een naburigen wel voorzienen tuin was gekropen.
-De heer Lonsdale besloot hieruit, dat het zijn ziekelijken makker had verlaten, maar
-na een afwezigheid van vier-en-twintig uren keerde het terug en deelde blijkbaar den
-uitslag van zijn voorspoedige ontdekkingsreis mede; want beide kropen toen langs het
-zelfde spoor weg en verdwenen over den muur.
-</p>
-<p>Zelfs in de hoogste klasse der Weekdieren, namelijk die der Koppootigen (<i>Cephalopoda</i>), waarin de seksen gescheiden zijn, komen, voor zoover ik kan ontdekken, geen secundaire
-seksueele kenmerken van die soort welke wij hier beschouwen, voor. Dit is een verwonderlijk
-feit, daar deze dieren hoog ontwikkelde zintuigen en aanmerkelijke geestvermogens
-bezitten, zooals iedereen zal toestemmen, die hun kunstige <span class="corr" id="xd31e19397" title="Bron: pogingen">popingen</span> om hun vijanden te ontsnappen heeft waargenomen.<a class="noteRef" id="xd31e19400src" href="#xd31e19400">2</a> Sommige Koppootigen onderscheiden zich echter door één buitengewoon <span class="corr" id="xd31e19406" title="Bron: keumerk">kenmerk</span>, dat namelijk het mannelijk element zich in een der armen of <span class="pageNum" id="pb515">[<a href="#pb515">515</a>]</span>voelers verzamelt, die daarna wordt afgeworpen, en, zich met zijn zuignappen aan het
-wijfje klemmende, voor een tijd een zelfstandig leven leidt. De afgeworpen arm gelijkt
-zoo volkomen op een afzonderlijk dier, dat hij door Cuvier als een parasietische worm
-is beschreven onder den naam van <i lang="la">Hectocotylus</i>. Dit verwonderlijke orgaan kan echter eer als een primair dan als een secundair seksueel
-kenmerk worden beschouwd. <b>(<a href="#en9.4" id="en9.4src">4</a>)</b>
-</p>
-<p>Hoewel bij de Weekdieren de seksueele teeltkeus niet in het spel schijnt te zijn gekomen,
-zijn toch vele horens en schelpen, zooals spiraalhorens (<i>Voluta</i>), kegelhorens (<i>Conus</i>), pelgrimschelpen enz., fraai gekleurd en schoon van vorm. De kleuren schijnen in
-de meeste gevallen niet tot bescherming te dienen; zij zijn waarschijnlijk, evenals
-bij de laagste klassen, het rechtstreeksche gevolg van den aard der weefsels, terwijl
-de vorm van de schelp van haar wijze van groei afhangt. De hoeveelheid licht schijnt
-tot zekere hoogte van invloed te zijn; want hoewel, zooals herhaaldelijk door den
-heer Gwyn Jeffreys is getuigd, de horens en schelpen van sommige op groote diepte
-levende soorten levendige kleuren vertoonen, zien wij toch over het algemeen, dat
-de ondervlakten en de door den mantel bedekte deelen minder hoog gekleurd zijn, dan
-de bovenvlakten en de aan het licht blootgestelde deelen.<a class="noteRef" id="xd31e19427src" href="#xd31e19427">3</a> In sommige gevallen, zooals bij horens en schelpen wier bezitters tusschen koralen
-of helder gekleurde zeewieren leven, dienen de levendige kleuren wellicht tot bescherming.<a class="noteRef" id="xd31e19433src" href="#xd31e19433">4</a> Vele Naaktkieuwigen (<i>Nudibranchia</i>), of Zeeslakken, zijn echter even schoon gekleurd als eenige horen of schelp, zooals
-men kan zien in het prachtige werk van de heeren Alder en Hancock; en volgens de inlichting
-die de heer Hancock zoo vriendelijk was mij te geven, is het uiterst twijfelachtig,
-of deze kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige soorten is dit wellicht het geval,
-zooals bij een, die op het groene loof van wieren (<i>Algae</i>) leeft en zelf helder groen is. Maar vele helder groene, witte of op andere wijze
-opzichtig gekleurde soorten zoeken zich niet te <span class="pageNum" id="pb516">[<a href="#pb516">516</a>]</span>verbergen, terwijl daarentegen sommige even opzichtige, evenals andere dof gekleurde
-soorten onder steenen en in donkere schuilhoeken leven. Bij deze Naaktkieuwigen staat
-derhalve de kleur blijkbaar volstrekt niet in een nauw verband met den aard hunner
-woonplaats.
-</p>
-<p>Hoewel deze naakte Zeeslakken hermaphrodieten zijn, paren zij toch met elkander, evenals
-de Landslakken, van welke laatsten vele uiterst fraaie horens hebben. Het is denkbaar,
-dat twee hermaphrodieten, door elkanders groote schoonheid aangetrokken, zich vermengen
-en kroost nalaten, dat de grootere schoonheid hunner ouders zou overerven. Bij zulke
-laag georganiseerde wezens is dit echter uiterst onwaarschijnlijk. <b>(<a href="#en9.5" id="en9.5src">5</a>)</b> Het is ook volstrekt niet duidelijk, waarom het kroost van de schoonere hermaphrodieten
-eenig voordeel waardoor het in aantal toenam, zou hebben boven het kroost der minder
-schoone, wanneer ten minste schoonheid en kracht niet gewoonlijk gepaard gingen. Wij
-hebben hier niet een aantal mannetjes die vroeger tot volkomen seksueele ontwikkeling
-komen dan de wijfjes, en waarvan de schoonste door de sterkste wijfjes worden uitgekozen.
-Indien echter schitterende kleuren voor een <span class="corr" id="xd31e19455" title="Bron: hermaphrodietisch">hermaphroditisch</span> dier voordeelig waren met betrekking tot zijn algemeene levenswijze, dan zouden inderdaad
-de levendiger gekleurde individu’s het best slagen en in aantal toenemen; maar dit
-zou een geval van natuurlijke en niet van seksueele teeltkeus zijn.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Het Onder-Rijk der Wormen</i> (<i>Vermes</i>): Klasse der <i>Ringwormen</i> (<i>Annelida</i>).—Hoewel in deze klasse de seksen (wanneer zij gescheiden zijn) somtijds van elkander
-verschillen in zoo belangrijke kenmerken, dat zij wel eens tot verschillende geslachten
-of zelfs families zijn gebracht, schijnen die verschillen echter niet van zoodanigen
-aard te zijn, dat zij veilig aan seksueele teeltkeus kunnen worden toegeschreven.
-Deze dieren zijn dikwijls fraai gekleurd; doch, daar de beide seksen in dit opzicht
-niet verschillen, zijn zij hier voor ons niet van veel belang. Zelfs de Snoerwormen
-(<i>Nemertina</i>) wedijveren, hoewel zoo laag georganiseerd, „in schoonheid en verscheidenheid van
-kleuren met elke andere groep ongewervelde dieren”; Dr. McIntosh<a class="noteRef" id="xd31e19471src" href="#xd31e19471">5</a> kan echter toch niet ontdekken, dat deze kleuren eenig nut hebben. De vastzittende
-ringwormen worden volgens Quatrefages<a class="noteRef" id="xd31e19478src" href="#xd31e19478">6</a> na den voortplantingstijd <span class="pageNum" id="pb517">[<a href="#pb517">517</a>]</span>doffer gekleurd, en ik onderstel, dat dit aan hun te dier tijde minder krachtigen
-toestand mag worden toegeschreven. Al deze wormachtige dieren staan blijkbaar te laag
-op de ladder, dan dat de individu’s van ééne der beide seksen eenige voorkeur zouden
-betoonen bij het zoeken naar een individu van de andere sekse om zich mede voort te
-planten, of dat de individu’s van een zelfde sekse als medeminnaars met elkander zouden
-strijden.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Het Onder-Rijk der Gelede Dieren</i> (<i>Arthrozoa</i>): Klasse der <i>Schaaldieren</i> (<i>Crustacea</i>).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst ontwijfelbare secundaire seksueele
-kenmerken, die dikwijls buitengewoon ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten
-der Schaaldieren slechts zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele
-deelen die slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij
-de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte, en bezitten
-alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen, terwijl de wijfjes deze organen
-missen en haar lichaam dikwijls slechts uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone
-verschillen tusschen de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar
-hoogst verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij verschillende
-Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende, zijn de voorste sprieten voorzien
-van bijzondere draadvormige lichamen, die men voor reukorganen houdt, en deze zijn
-veel talrijker bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder
-eenige buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat zouden
-zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de vermeerdering van het aantal
-reukdraden waarschijnlijk een gevolg van de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes
-die er het grootste getal van bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden
-en hun geslacht voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische
-soort van <i>Tanais</i> beschreven, bij welke het mannetje door twee verschillende vormen wordt vertegenwoordigd,
-tusschen welke geen overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het
-mannetje een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer knijpers
-(<i>chelae</i>), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz Müller oppert het denkbeeld, dat
-deze verschillen tusschen de beide mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan,
-doordat bij sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en <span class="pageNum" id="pb518">[<a href="#pb518">518</a>]</span>grootte der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in staat waren
-het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best in staat waren haar vast
-te houden als zij haar hadden gevonden, het grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten,
-die hun respectieve voordeelen erfden.<a class="noteRef" id="xd31e19507src" href="#xd31e19507">7</a>
-</p>
-<div class="figure floatRight fig16width"><img src="images/fig16.png" alt="Fig. 16.&#xA;&#xA; " width="192" height="436"><p class="figureHead">Fig. 16.
-</p>
-<p class="first"><i>Labidocera Darwinii</i>, naar Lubbock.
-</p>
-<p><i>a.</i> Een gedeelte van den rechter voorsten spriet van het mannetje, een grijporgaan vormende.
-</p>
-<p><i>b.</i> Achterste paar borstpooten van het mannetje.
-</p>
-<p><i>c.</i> Dito van het wijfje. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Bij sommige der lagere Schaaldieren verschilt de rechter voorste spriet zeer in maaksel
-van den linker, welke laatste evenals die van het wijfje uit leedjes bestaat, die
-naar het einde toe dunner worden. De gewijzigde spriet van het mannetje is in het
-midden òf opgezwollen òf met een hoek omgebogen òf in een bevallig en soms verwonderlijk
-samengesteld grijporgaan (Fig. 16) veranderd.<a class="noteRef" id="xd31e19536src" href="#xd31e19536">8</a> Het dient, naar ik van Sir J. Lubbock hoor, om het wijfje vast te houden, en voor
-het zelfde doel is één der beide achterpooten (<i>b</i>) aan de zelfde zijde van het lichaam in een knijper veranderd. In een andere familie
-vertoonen de onderste of achterste sprieten alleen bij de mannetjes „een merkwaardigen
-zigzag-vorm<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>”
-</p>
-<div class="figure fig17width"><img src="images/fig17.png" alt="Fig. 17." width="414" height="248"><p class="figureHead">Fig. 17.</p>
-<p class="first">Voorste gedeelte van het lichaam van <i>Calianassa</i> (naar Milne Edwards), om het ongelijke en verschillende maaksel van den rechter en
-linker knijper van het mannetje te doen zien.
-</p>
-<p>N.B. De graveur heeft bij vergissing de teekening omgekeerd en den linker knijper
-het grootst gemaakt. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig18width"><img src="images/fig18.png" alt="Fig. 18." width="177" height="211"><p class="figureHead">Fig. 18.</p>
-<p class="first">Fig. 18: Tweede poot van het mannetje van <i>Orchestia Tucuratinga</i> (naar Fritz Müller). </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatRight fig19width"><img src="images/fig19.png" alt="Fig. 19." width="126" height="148"><p class="figureHead">Fig. 19.</p>
-<p class="first">Fig. 19. Dito van het wijfje. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers (<i>chelae</i>) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het wijfje. Bij vele soorten
-zijn de knijpers aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam van ongelijke grootte;
-die aan de rechterzijde is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk,
-hoewel niet altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het
-mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook in maaksel
-(Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het wijfje gelijkt. Welk voordeel
-wordt verkregen <span class="pageNum" id="pb519">[<a href="#pb519">519</a>]</span>door <span class="corr" id="xd31e19582" title="Bron: un">hun</span> ongelijkheid in grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en
-door hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en waarom
-beide, als zij even <span class="pageNum" id="pb520">[<a href="#pb520">520</a>]</span>groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel grooter zijn dan bij het wijfje, is niet
-bekend. De knijpers zijn dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer
-Spence Bate hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den
-mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben (<i>Palaemon</i>) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam.<a class="noteRef" id="xd31e19590src" href="#xd31e19590">9</a> Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot met zijn knijpers
-het mannetje helpt bij het gevecht met zijn medeminnaars; maar dit gebruik verklaart
-hun ongelijke grootte aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje
-niet. Bij een soort van strandkrab (<i>Gelasimus</i>) leven, volgens een door Milne Edwards aangehaalde mededeeling<a class="noteRef" id="xd31e19598src" href="#xd31e19598">10</a>, het mannetje en het wijfje in het zelfde hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar
-het bewijst, dat zij paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het
-hol met een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze hier indirect
-als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun voornaamste doel is echter waarschijnlijk
-om het wijfje te grijpen en vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de
-zoetwatergarnalen (<i>Gammarus</i>) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone strandkrab (<i>Carcinus maenas</i>) paren de beide seksen echter, naar de heer Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk
-nadat het wijfje is verveld en haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht,
-dat zij zou worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje werd
-gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en medegedragen, vóór zij vervelt,
-kan het dan zonder gevaar geschieden.
-</p>
-<div class="figure fig20width"><img src="images/fig20.png" alt="Fig. 20. Orchestia Darwinii (naar Fritz Müller)." width="458" height="192"><p class="figureHead">Fig. 20. <i>Orchestia Darwinii</i> (naar Fritz Müller).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig21width"><img src="images/fig21.png" alt="Fig. 21." width="423" height="218"><p class="figureHead">Fig. 21.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig22width"><img src="images/fig22.png" alt="Fig. 22." width="385" height="168"><p class="figureHead">Fig. 22.</p>
-<p class="first">Fig. 21 en 22. De verschillend gevormde knijpers van de beide mannelijke vormen van
-<i>O. Darwinii</i> (naar Fritz Müller). </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Fritz Müller verhaalt, dat sommige soorten van <i>Melito</i> zich van alle andere Vlookreeften (<i>Amphipoda</i>) onderscheiden, doordat bij de wijfjes de „heupplaatjes van het voorlaatste paar
-pooten tot haakvormige aanhangsels zijn verlengd, welke aanhangsels de mannetjes grijpen
-met de knijpers van het eerste paar.” De ontwikkeling dezer haakvormige aanhangsels
-werd waarschijnlijk veroorzaakt, doordat die wijfjes welke gedurende de voortplantingshandeling
-het stevigst vast konden worden <span class="pageNum" id="pb521">[<a href="#pb521">521</a>]</span>gegrepen, de grootste nakomelingschap nalieten. Fritz Müller beschrijft nog een andere
-soort van Braziliaansche vlookreeft (<i>Orchestia Darwinii</i>, fig. 20, 21, 22), die een dergelijk dimorphisme als <i>Tanais</i> vertoont; want er bestaan daarvan twee mannelijke vormen, die in den bouw hunner
-knijpers verschillen.<a class="noteRef" id="xd31e19638src" href="#xd31e19638">11</a> Daar knijpers van ééne dier beide vormen zeker voldoende zouden zijn geweest om het
-wijfje vast te houden, <span class="pageNum" id="pb522">[<a href="#pb522">522</a>]</span>want beide worden tegenwoordig voor dat doel gebruikt, zijn de beide mannelijke vormen
-waarschijnlijk ontstaan, doordat sommige individu’s op de eene, andere op de andere
-wijze afweken; terwijl beide vormen het een of ander bijzonder, maar bijna even groot
-voordeel trokken uit hun verschillend gevormde organen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Het is niet bekend, of de Schaaldieren met elkander strijden om het bezit der wijfjes,
-maar dit is waarschijnlijk het geval; want bij de meeste dieren waarvan het mannetje
-grooter is dan het wijfje, schijnt het zijn grootere gestalte te hebben verkregen,
-doordat gedurende vele geslachten de grootere mannetjes de kleinere hebben overwonnen.
-Nu deelt mij de heer Spence Bate mede, dat bij de meeste orden der Schaaldieren, in
-het bijzonder bij de hoogste, die der Krabben (<i>Brachyura</i>) het mannetje grooter is dan het wijfje; de parasietische geslachten, waarbij de
-beide seksen een verschillende levenswijze volgen, en de meeste <i>Entomostraca</i> maken hierop echter een uitzondering. De knijpers van de meeste Schaaldieren zijn
-uitnemend voor den strijd geschikte wapenen. Zoo zag een zoon van den heer Bate een
-duivelskrab (<i>Portunus puber</i>) met een strandkrab (<i>Carcinus maenas</i>) vechten, waarbij de laatste spoedig op den rug geworpen en alle leden van zijn lichaam
-afgescheurd werden. Toen Fritz Müller verscheidene mannetjes van een Braziliaansche
-strandkrab (<i>Gelasimus</i>), een soort die ontzaglijke knijpers bezit, bij elkander in een glazen vat plaatste,
-doodden en verminkten zij elkander. De heer Bate zette een groote mannelijke strandkrab
-(<i>Carcinus <span class="corr" id="xd31e19663" title="Bron: moenas">maenas</span></i>) in een pot met water, die door een wijfje dat met een kleiner mannetje gepaard was,
-werd bewoond; dit laatste werd spoedig onteigend; „als zij echter vochten”, voegt
-de heer Bate er bij „dan kostte de overwinning geen bloed; want ik zag geen wonden.”
-De zelfde natuuronderzoeker scheidde een mannelijke vlookreeft (<i>Gammarus marinus</i>), zoo gewoon op onze stranden, van zijn wijfje, en zette beide, elk afzonderlijk,
-in één vat met vele individu’s van de zelfde soort. Het aldus van haar mannetje gescheiden
-wijfje paarde met haar makkers. Na eenigen tijd werd het mannetje weder in het zelfde
-vat gebracht, en na een tijd lang te hebben rondgezwommen, begaf hij zich te midden
-der overigen en voerde zonder eenig gevecht eensklaps zijn wijfje mede. Dit feit bewijst,
-dat bij de Vlookreeften (<i>Amphipoda</i>), een orde die laag op de ladder staat, de mannetjes en wijfjes elkander herkennen
-en wederkeerig aan elkander gehecht zijn.
-</p>
-<p>De geestvermogens der Schaaldieren zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld <span class="pageNum" id="pb523">[<a href="#pb523">523</a>]</span>dan men wellicht zou hebben verwacht. Ieder die heeft beproefd een der op vele kusten
-van tropische landen zoo menigvuldige strandkrabben te vangen, zal hebben bemerkt,
-hoe voorzichtig en waakzaam zij zijn. Op koraaleilanden vindt men een groote krabsoort
-(<i>Birgus latro</i>), die op den bodem van een diep hol een dik bed maakt van door haar bijeen verzamelde
-vezels van de kokosnoot. Zij voedt zich met de afgevallen vruchten der kokospalmen,
-pelt er de vezels van het omkleedsel vezel voor vezel van af, en begint daarbij altijd
-aan dat einde, waar de drie oogvormige diepten zijn gelegen. Daarna doorboort zij
-ééne dier diepten door er met haar groote voorste knijpers op te kloppen, en haalt
-eindelijk, al ronddraaiende, de taaie witte zelfstandigheid die binnen in de vrucht
-zit, met haar smalle achterste knijpers er uit. Deze handelingen zijn echter waarschijnlijk
-instinktmatig, zoodat zij even goed door een jong als door een oud dier worden volbracht.
-Het volgende geval kan echter niet zoo worden beschouwd: een geloofwaardig natuuronderzoeker,
-de heer Gardner<a class="noteRef" id="xd31e19676src" href="#xd31e19676">12</a>, nam een strandkrab (<i>Gelasimus</i>) waar, terwijl zij haar hol maakte, en wierp er eenige schelpen naar toe. Een daarvan
-rolde in het hol, terwijl drie andere schelpen op weinige duimen van den ingang bleven
-liggen In ongeveer vijf minuten bracht de krab de naar binnen gevallen schelp weêr
-naar buiten en droeg haar ongeveer een voet ver weg; toen zag zij de drie andere schelpen
-liggen, en blijkbaar bedenkende, dat zij er ook in zouden kunnen rollen, droeg zij
-ze naar de plaats, waar zij de eerste had gelegd. Het zou, dunkt mij, moeielijk zijn
-deze handelingen te onderscheiden van een die door den mensch met behulp zijner rede
-wordt volbracht.
-</p>
-<p>Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen behooren, zoo
-dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence Bate hiervan geen enkel sterk
-sprekend voorbeeld bij de Britsche Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter
-het wijfje eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit verschil
-voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun verschillende levenswijze,
-zooals doordat het mannetje meer rondloopt en derhalve meer aan het licht blootgesteld
-is. Bij een merkwaardige krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd
-de beide seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het mannetje
-minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de soorten <span class="pageNum" id="pb524">[<a href="#pb524">524</a>]</span>die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar het mislukte hem voortdurend,
-behalve bij een enkele soort van steurkrab (<i>Squilla</i>, waarschijnlijk <i>Squilla stylifera</i>), van welke het mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige
-aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en de roode deelen
-bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het mannetje.”<a class="noteRef" id="xd31e19697src" href="#xd31e19697">13</a> In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele teeltkeus in het spel is geweest.
-Bij <i>Saphirina</i> (een den oceaan bewonend geslacht van <i>Entomostraca</i>, en daarom laag op de ladder) zijn de mannetjes voorzien van kleine schilden of op
-cellen gelijkende lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken
-bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen.<a class="noteRef" id="xd31e19709src" href="#xd31e19709">14</a> Het zou echter zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend
-dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche soort van strandkrab
-(<i>Gelasimus</i>) is, naar Fritz Müller mij mededeelt, het geheele lichaam bijna effen grijsachtig
-bruin. Bij het mannetje is het achterste deel van het kop-borststuk (<i>cephalothorax</i>) zuiver wit, en het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is
-merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te veranderen,—waarbij
-het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het groen „veel van zijn schoonheid verliest.”
-De mannetjes zijn blijkbaar veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid
-opmerking, dat zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn.
-Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner knijpers. Bij sommige
-soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij alle, leven de seksen paarsgewijze en
-bewonen het zelfde hol. Het zijn ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op
-deze verschillende gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje
-zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te wekken.
-</p>
-<p>Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van <i>Gelasimus</i> zijn opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor de voortplanting
-geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele merkwaardige verschillen in maaksel
-tusschen de beide seksen in de geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen
-later zien, dat de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren (<i>Vertebrata</i>) doorgaat, <span class="pageNum" id="pb525">[<a href="#pb525">525</a>]</span>en in alle gevallen is het bij uitnemendheid kenmerkend voor alle eigenschappen die
-door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Fritz Müller<a class="noteRef" id="xd31e19727src" href="#xd31e19727">15</a> geeft eenige sterk sprekende voorbeelden van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje
-van de zeevloo (<i>Orchestia</i>) zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van het wijfje,
-niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong is, gelijken zijn tangen
-op die van het wijfje. Evenzoo bezit het mannetje van <i>Brachyscelus</i>, gelijk alle andere Vlookreeften (<i>Amphipoda</i>), een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer buitengewone omstandigheid,
-ontbreken zij, en eveneens bij het mannetje, voordat het volwassen is. <b>(<a href="#en9.6" id="en9.6src">6</a>)</b>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Klasse der Arachnida</i> (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder, maar soms ook lichter dan de wijfjes,
-zooals men kan zien in het prachtige werk van den heer Blackwall.<a class="noteRef" id="xd31e19751src" href="#xd31e19751">16</a> Bij sommige soorten verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo
-is het wijfje van <i>Sparassus smaragdulus</i> dof groen, terwijl het achterlijf van het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche
-strepen van rijk rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (<i>Thomisus</i>) gelijken de seksen nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo
-zijn bij <i>Thomisus citreus</i> de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of groen, terwijl de voorste pooten
-van het mannetje roodachtig bruin zijn; bij <i>T. floricolens</i> zijn de pooten van het wijfje bleekgroen, terwijl die van het mannetje zeer in het
-oog loopende ringen van verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen
-zouden kunnen worden gegeven uit de geslachten <i>Epeira</i>, <i>Nephila</i>, <i>Philodromus</i>, <i>Theridion</i>, <i>Linyphia</i>, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der beide seksen het meest afwijkt
-van de gewone kleur van het geslacht waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall
-denkt, dat het over het algemeen het mannetje is. Canestrini<a class="noteRef" id="xd31e19776src" href="#xd31e19776">17</a> merkt op, dat in zekere geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk,
-doch bij de wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de seksen
-in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide ondergaan dikwijls groote
-veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende ververvellingen, <span class="pageNum" id="pb526">[<a href="#pb526">526</a>]</span>vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van den bovengenoemden <i>Sparassus</i> eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn bijzondere kleuren pas, als het omstreeks
-volwassen is. Spinnen bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk
-algemeen bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar eieren,
-die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De mannetjes zoeken vurig naar
-de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten.
-De zelfde schrijver zegt, dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten
-is waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de mannetjes
-die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt en ten laatste na veel
-aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op deze verschillende gronden mogen wij
-met eenig vertrouwen aannemen, dat de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen
-de seksen van sommige soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de
-beste soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen, hier ontbreekt.
-Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij het mannetje van sommige soorten,
-bijvoorbeeld van <i lang="la">Theridion lineatum</i>, schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver niet zeer
-bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit af uit het feit, dat
-de mannetjes van sommige soorten twee vormen vertoonen, die van elkander verschillen
-in de grootte en lengte der kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen
-van dimorphische schaaldieren.
-</p>
-<p>Het mannetje is over het algemeen veel kleiner dan het wijfje, somtijds in buitengewone
-mate<a class="noteRef" id="xd31e19796src" href="#xd31e19796">18</a>, en hij is genoodzaakt uiterst voorzichtig te zijn als hij haar het hof maakt, daar
-het wijfje dikwijls haar preutschheid tot een gevaarlijke hoogte opvoert. De Geer
-zag een mannetje dat midden in zijn voorbereidende liefkoozingen door het voorwerp
-zijner liefde gegrepen, in spinrag gewikkeld en daarna verslonden werd<span id="xd31e19809"></span>, een gezicht dat hem, zooals hij er bijvoegt, „met afschuw en verontwaardiging vervulde.”<a class="noteRef" id="xd31e19811src" href="#xd31e19811">19</a>
-<span class="pageNum" id="pb527">[<a href="#pb527">527</a>]</span></p>
-<p>De weleerw. heer O.&nbsp;P. Cambridge<a class="noteRef" id="xd31e19820src" href="#xd31e19820">20</a> verklaart op de volgende wijze de uiterste kleinheid van het mannetje in het geslacht
-<i>Nephila</i>. „De heer Vinson geeft een levendige beschrijving van de vlugge manier waarop het
-uiterst kleine mannetje aan de bloeddorstigheid van het wijfje ontsnapt, door weg
-te glijden en verstoppertje te spelen op haar lichaam en reusachtige ledematen; bij
-zulk een vervolging is het duidelijk, dat de kleinste mannetjes de grootste kans hebben
-van te ontsnappen, terwijl de grootere spoedig slachtoffers van het wijfje zouden
-worden; en op die wijze moest allengs door natuurlijke teeltkeus de grootte van de
-mannetjes afnemen, totdat zij ten laatste de geringste grootte verkregen, die nog
-vereenigbaar was met de uitoefening van hun voortplantingsfuncties,—feitelijk waarschijnlijk
-tot de grootte die zij nu bezitten, d.i. zoo klein, dat zij een soort van parasiet
-op het wijfje zijn, en hetzij beneden haar aandacht, of te vlug en te klein, dan dat
-zij ze zonder groote moeite kan vangen.”
-</p>
-<p>Westring heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de mannetjes van verscheidene
-soorten van <i>Theridion</i><a class="noteRef" id="xd31e19831src" href="#xd31e19831">21</a> het vermogen bezitten om een sjirpend (striduleerend) geluid voort te brengen (gelijk
-dat hetwelk vele kevers en andere insekten maken, maar zwakker), terwijl de wijfjes
-geheel stom zijn. Het daartoe dienend orgaan is een getande lijst aan het grondvlak
-van het achterlijf, waartegen het harde achterste deel van het borststuk wordt gewreven,
-en van dit deel kon bij de wijfjes geen spoor worden ontdekt. Het verdient opmerking,
-dat verscheidene schrijvers waaronder de welbekende araneoloog Walckenaer, hebben
-verklaard, dat spinnen door muziek worden aangetrokken.<a class="noteRef" id="xd31e19837src" href="#xd31e19837">22</a> Uit de analogie met de Rechtvleugelige en Gelijkvleugelige Insekten (<i>Orthoptera</i> en <i>Homoptera</i>), die in het volgende hoofdstuk moeten worden beschreven, mogen wij bijna met zekerheid
-opmaken, dat dit geluid, zooals Westwood opmerkt, dient, hetzij om het wijfje te roepen
-of om haar op te wekken, en dit is het eerste mij bekende voorbeeld, bij het opklimmen
-op de ladder van het dierenrijk, van geluiden die met dit doel worden gemaakt. <b>(<a href="#en9.7" id="en9.7src">7</a>)</b>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb528">[<a href="#pb528">528</a>]</span></p>
-<p><i>Klasse der Myriapoda</i> (<i>Duizendpooten</i>).—In geen der beide orden van deze klasse, die de eigenlijke duizendpooten en millioenpooten
-omvat, kan ik eenig sterksprekend voorbeeld vinden van dergelijke seksueele verschillen
-als die welke ons hier meer in het bijzonder aangaan. Bij <i>Glomeris limbata</i> echter, en wellicht bij eenige weinige andere soorten, verschillen de mannetjes eenigszins
-van de wijfjes in kleur; maar deze <i>Glomeris</i> is een zeer veranderlijke soort. Bij de mannetjes van de <i>Diplopoda</i> zijn de pooten die tot een der voorste segmenten van het lichaam, of tot het achterste
-segment behooren, vervormd in grijporganen, welke dienen om het wijfje te vatten.
-Bij sommige soorten van <i>Julus</i> zijn de voeten (<i>tarsi</i>) van het mannetje met het zelfde doel van vliezige zuigers voorzien. Een veel ongewoner
-geval is het, zooals wij zullen zien als wij de Insekten behandelen, dat het bij <i>Lithobius</i> het wijfje is, dat aan het einde van het lichaam grijpwerktuigen heeft om het mannetje
-te vatten.<a class="noteRef" id="xd31e19872src" href="#xd31e19872">23</a>
-</p>
-<div id="ch9n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e537">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en9.1" class="first">(<a href="#en9.1src">1</a>) De Protozoa, en volgens de meeste hedendaagsche dierkundigen ook de Coelenterata
-(waarmede zij dan ook de Sponzen vereenigen) en Echinodermata, zijn <i>Onder-Rijken</i>, en geen <i>Klassen</i>. De afdeeling der Weekwormen (<i>Scolecida</i>), die ook op een hoogeren rang dan dien van klasse, schoon geenszins op een zoo hoogen
-rang als dien van onder-rijk, aanspraak zou kunnen maken, omvat volgens Haeckel alle
-Wormen, met uitzondering der Ringwormen (<i>Annelida</i>) en van de, door vele dierkundigen met de Crustaceeën vereenigd wordende Raderdieren
-(<i>Rotatoria</i>). De naam Ringwormen wordt dan beperkt tot die vormen welke door Harting („Leerboek”,
-III, 1, blz. 507) tot de orde der Borstelwormen (<i>Chaetophora st. Setigera</i>) worden gebracht.
-</p>
-<p id="en9.2">(<a href="#en9.2src">2</a>) Tot deze „pelagische Fauna der Glasdieren”, zooals Haeckel ze noemt, behooren: uit
-de klasse der Visschen, de familie der Helmichthyoïdeï (<i>Leptocephalus</i>, <i>Oxystomus</i>, <i>Tilurus</i>, <i>Leptocephalichthys</i>, <i>Helmichthys</i>); uit de klasse der Cephalopoden, de familie der Loligopsidae (<i>Loligopsis</i>, <i>Taonius</i>), uit die der Gasteropoden, de familie der Phyllirhoïdae (<i>Phyllirhoë</i>, <i>Acura</i>) en bijna alle Pteropoden en Heteropoden; uit die der Tunicata, de beide orden der
-Thaliacea en Luciae; uit de klasse der Schaaldieren, menigvuldige soorten uit alle
-orden, vooral uit die der Copepoden en Amphipoden; uit het rijk der Wormen, de geslachten
-<i>Alciope</i> en <i>Sagitta</i> en vele larven; uit het onder-rijk der Echinodermata, de zwemmende larven; uit dat
-der Coelenterata, de geheele klasse der Rib- of Kamkwallen (Ctenophora), verder de
-Schijf- of Schermkwallen (Discomedusae) en de Siphonophoren.
-</p>
-<p id="en9.3">(<a href="#en9.3src">3</a>) Ongetwijfeld zal niemand willen beweren, dat de schoone kleur van <span class="pageNum" id="pb529">[<a href="#pb529">529</a>]</span>het slagaderlijk bloed is verkregen om de schoonheid van een meisje te verhoogen.
-Schrijft men echter de verschillen tusschen de menschenrassen aan seksueele teeltkeus
-toe, dan ligt het voor de hand, dat bij die rassen bij welke de huid der wangen doorschijnend
-genoeg is om de kleur van het slagaderlijk bloed door te laten, die doorschijnendheid
-waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus is. De zelfde redeneering zou men
-op de Eoliden kunnen toepassen, en veronderstellen, dat niet de schoone kleur der
-galklieren, maar de doorschijnendheid der huid, welke toelaat, dat die kleuren uitwendig
-waarneembaar zijn, het gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn. Zeer waarschijnlijk
-vinden wij echter deze onderstelling niet.
-</p>
-<p id="en9.4">(<a href="#en9.4src">4</a>) Bij Argonauta bezit alleen het wijfje de verbreede eindplaten aan twee der vangarmen
-en de daardoor afgescheiden wordende schelp. Deze schijnen ons een goed voorbeeld
-van een secundair seksueel kenmerk bij Cephalopoden.
-</p>
-<p id="en9.5">(<a href="#en9.5src">5</a>) Wanneer dit niet zoo onwaarschijnlijk was, kon men op deze wijze wellicht de vorming
-der zonderlinge zoogenaamde <i>liefdepijlen</i> (Harting, „Leerboek”, Deel III, Afd. 1, blz. 816) bij sommige Gasteropoden verklaren.
-</p>
-<p id="en9.6">(<a href="#en9.6src">6</a>) Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat bij verschillende dieren de mannetjes
-eigenaardige bewegingen, als het ware dansen uitvoeren, als zij aan de wijfjes het
-hof maken. In „Eigen Haard”, 11 Mei 1889, no. 19, vinden wij een referaat van een
-stuk van den heer Morgan uit de „<span lang="en">Popular Science Monthly</span>”, waaruit blijkt, dat ook een soort van krab (<i>Platyonychus ocellatus</i>) zulks doet. Als het mannetje van deze krab aan het wijfje het hof maakt, gaat hij
-recht op staan op het derde en vierde paar pooten, trekt het achterste paar tegen
-zijn lichaam aan, slaat zijn scharen en oogen naar boven, en gaat om zijn as staan
-draaien. Nu en dan staakt hij die draaiende beweging om zich naar links en rechts
-te buigen of zich wat vooruit of achteruit te bewegen. Dit gaat zoo door tot vermoeidheid
-hem dwingt er mede op te houden. Zoodra echter het wijfje hem nadert, begint hij weêr
-van voren af aan en gedraagt zich „als een dronken man.” Nu en dan tracht hij met
-zijn lange scharen het wijfje te „omhelzen, maar op zoodanige wijze, dat men er aan
-twijfelt, of het zijn doel is haar door overreding en niet door geweld voor zich te
-winnen, dan wel of ontzag voor de scharen van zijn dame hem zich zoo betamelijk doet
-gedragen.”
-</p>
-<p id="en9.7">(<a href="#en9.7src">7</a>) Het is bekend, dat de spinnen een uitnemend gehoor en veel smaak voor muziek bezitten.
-Pélisson merkte in zijn gevangenis een spin op, die dagelijks voor den dag kwam, wanneer
-men in de gevangenis op den doedelzak speelde. Walckenaer verhaalt, dat een dame bij
-het bespelen van haar harp een spin opmerkte, die aan den zolder juist boven haar
-zat<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zij verplaatste zich herhaaldelijk, doch werd telkens door de spin gevolgd.<a class="noteRef" id="xd31e19963src" href="#xd31e19963">24</a> Grétry zag, wanneer hij op de piano speelde, telkens een spin naderen, die zich op
-de piano zette en zich verwijderde, wanneer Grétry met spelen ophield. Van Beethoven
-wordt een dergelijke opmerking verhaald. Ik heb zelf waargenomen, hoe bij het spelen
-van een trio in een kamer een spin te voorschijn kwam, hoe langer hoe nader kwam en
-zich eindelijk plaatste op de hand van den persoon die violoncel speelde. Dit alles
-versterkt in geen geringe mate het geloof, dat de muzikale geluiden welke sommige
-mannelijke spinnen voortbrengen, dienen om het wijfje te bekoren en aan te lokken.
-Volgens sommigen voelen de spinnen wel de trillingen <span class="pageNum" id="pb530">[<a href="#pb530">530</a>]</span>der geluidgevende lichamen, maar hooren het geluid niet. Dit verklaart moeilijk het
-geval van de spin die zich op de hand van den cellist plaatste, daar zoo’n week deel
-wel niet gevoelig zal trillen. In elk geval werd de spin gelokt, ’t zij dan door de
-trilling of door het geluid.
-</p>
-<p>Wood Mason nam te Bombay waar, dat twee groote schorpioenen, welke tegen elkander
-werden opgehitst, een geluid maakten, gelijkende op dat hetwelk men hoort als men
-over een stuk zijde schrapt of met de nagels over een stijven tandenborstel strijkt.
-Het geluidmakend orgaan bleek te bestaan uit een schrapper en een rasp. De schrapper
-is bezet met stevige, kegelvormige en gebogen tandjes en ligt aan de platte buitenvlakte
-van het grondlid der voelerpooten. De rasp vertoont talrijke regelmatige, dicht bij
-elkander geplaatste paddestoelvormige knobbeltjes en ligt op het aan het grondlid
-der voelerpooten beantwoordende lid van het eerste paar pooten. („<span lang="en">Nature</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> 25 Oct. 1876, blz. 565.)
-<span class="pageNum" id="pb531">[<a href="#pb531">531</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e19381">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19381src">1</a></span> „<span lang="fr">De l’Espèce et de la Class.</span>” enz., 1869, blz. 106.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19381src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19400">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19400src">2</a></span> Zie b.v. mijn mededeeling in „<span lang="en">Journal of Researches</span>”, 1845, blz. 7.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19400src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19427">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19427src">3</a></span> Ik heb („<span lang="en">Geolog. Observations on Volcanic Islands</span>”, 1844, blz. 53) een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van den invloed van het licht
-op de kleuren van een loofvormige korst, door de branding op de rotsachtige kusten
-van Ascension afgezet, en door de oplossing van fijngewreven zeeschelpen gevormd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19427src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19433">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19433src">4</a></span> Dr. Morse heeft voor eenige jaren dit onderwerp besproken in zijn verhandeling over
-„<span lang="en">Adaptive Colouring of Mollusca</span>”, „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XIV, April 1871.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19433src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19471">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19471src">5</a></span> Zie zijn fraaie monografie over „<span lang="en">British Annelids</span>”, deel I, 1873, blz, 3.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19471src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19478">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19478src">6</a></span> Zie Perrier, „<span lang="fr">l’Origine de l’Homme d’après Darwin</span>”, „<span lang="fr">Revue scientifique</span>”, Feb. 1873, blz. 866.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19478src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19507">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19507src">7</a></span> In „<span lang="en">Facts and Arguments for Darwin</span>”, Eng. Vert., 1869, blz. 20, is het bovenvermeld onderzoek over de reukdraden te
-vinden. Sars (aangehaald in „<span lang="en">Nature</span>”, 1870, blz. 455) heeft een dergelijk geval beschreven bij een Noorweegsch schaaldier,
-<i lang="la">Pontoporeia affinis</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19507src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19536">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19536src">8</a></span> Zie Sir J<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Lubbock in „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist.</span>”, vol. XI, 1853, <span class="pageNum" id="pb519n">[<a href="#pb519n">519</a>]</span>pl. I en X; en vol. XII (1853), pl. VII. Zie ook Lubbock in „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, vol. VI, nieuwe serie, 1856–1858, blz. 8. Ten opzichte van de lager aangehaalde
-zigzagvormige sprieten, zie Fritz Müller, „<span lang="en">Facts and Arguments for Darwin</span>”, 1869, blz. 40, onderste noot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19536src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19590">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19590src">9</a></span> Zie een verhandeling met platen van den heer C. Spence Bate in „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc.</span>”, 1868, blz. 363, en over de nomenclatuur van het geslacht, ibid., blz. 585. Ik ben
-den heer Spence Bate grooten dank verschuldigd voor bijna al de bovengaande mededeelingen
-ten opzichte der knijpers bij de hoogere Schaaldieren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19590src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19598">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19598src">10</a></span> „<span lang="fr">Hist. Nat. des Crust.</span>”, tome II, 1837, blz. 50.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19598src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19638">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19638src">11</a></span> Fritz Müller, „<span lang="en">Facts and Arguments for Darwin</span>”, 1869, blz. 25–28.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19638src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19676">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19676src">12</a></span> „<span lang="en">Travels in the Interior of Brazil</span>”, 1846, blz. 111. Ik heb in mijn „<span lang="en">Journal of Researches</span>”, blz. 463, de levenswijze van den <i>Birgus</i> medegedeeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19676src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19697">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19697src">13</a></span> De heer Ch. Fraser, in „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, 1869, blz. 3. De mededeeling omtrent Dr. Power ben ik aan den heer Bate verschuldigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19697src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19709">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19709src">14</a></span> Claus: „<span lang="de">Die freilebenden Copepoden</span>”, 1863, blz. 35.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19709src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19727">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19727src">15</a></span> <span class="corr" id="xd31e19728" title="Niet in bron">„</span><span lang="en">Facts and Arguments</span>” enz., blz. 79.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19727src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19751">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19751src">16</a></span> „<span lang="en">A History of the Spiders of Great Britain</span>”, 1862. Omtrent de volgende feiten, zie blz. 102, 77, 88.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19751src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19776">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19776src">17</a></span> Deze schrijver heeft vóór eenige jaren een belangrijk stuk geschreven over „<span lang="it">Caratteri sessuali secondarii degli Arachnidi</span>”, in de „<span lang="it">Atti della Soc. Veneto-Trentina di Sc. Nat.</span>”, Padova, vol. I, fasc. 3, 1873.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19776src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19796">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19796src">18</a></span> Aug. Vinson („<span lang="fr">Aranéides des Iles de la Réunion</span>”, pl. VI, fig. 1 en 2) geeft een goed voorbeeld van de geringe grootte van het mannetje
-bij <i>Epeira nigra</i>. Bij deze soort, moet ik er bijvoegen, is het mannetje bruin, en het wijfje zwart
-met roode banden op de pooten. Andere nog sterker voorbeelden van ongelijke grootte
-der beide seksen zijn opgeteekend in „<span lang="en">Quarterly Journal of Science</span>”, 1868, Juli, blz. 429<span id="xd31e19806"></span>; maar ik heb de oorspronkelijke verhandelingen niet gelezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19796src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19811">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19811src">19</a></span> Kirby en Spence. „<span lang="en">Introduction to Entomology</span>”, vol. I, 1818, blz. 280.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19811src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19820">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19820src">20</a></span> „<span lang="en">Proc. Zoolog. Soc.</span>”, 1871, blz. 621.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19820src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19831">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19831src">21</a></span> Theridion (Asagenas, Sund.) serratipes, 4 punctatum en guttatum: zie Westring, in
-Kroyer, „<span lang="da">Naturhist. Tidskrift</span>”, vol. IV, 1842–43, blz. 349. Zie ook, voor andere soorten, „Araneae Suecicae”, blz.
-184.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19831src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19837">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19837src">22</a></span> Dr. Hartogh Heys van Zouteveen heeft in zijn Nederlandsche vertaling van dit werk
-(zie aant. 7 op dit hoofdstuk) verscheidene gevallen hiervan bijeengebracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19837src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19872">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19872src">23</a></span> Walckenaer en P. Gervais, „<span lang="fr">Hist. Nat. des Insectes Aptères</span>”, tome IV, 1847, blz. 17, 19, 68.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19872src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e19963">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e19963src">24</a></span> Darwin noemt Walckenaer in de eerste uitgaaf van dit werk niet en ontleende zijn opmerking
-omtrent Walckenaer aan deze aanteekening, die reeds in de eerste uitgaaf van dit werk
-iets korter voorkomt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e19963src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e547">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">SECUNDAIRE SEKSUEELE <span class="corr" id="xd31e19982" title="Bron: KENMEKEN">KENMERKEN</span> BIJ DE INSEKTEN.</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—Verschillen tusschen
-de seksen, waarvan de beteekenis niet wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen
-de seksen.—Springstaarten (<i>Thysanura</i>).—Tweevleugeligen (<i>Diptera</i>).—Halfvleugeligen (<i>Hemiptera</i>).—Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen
-(<i>Orthoptera</i>); de muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid;
-kleuren.—Netvleugeligen (<i>Neuroptera</i>); seksueele kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (<i>Hymenoptera</i>); strijdlustigheid en kleuren.—Schildvleugeligen (<i>Celeoptera</i>); kleuren; sommige bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken;
-gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen soms in haar
-bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in de gekamde en schoon gevederde
-sprieten van de mannetjes van vele soorten. Bij een der Haften (<i>Ephemerae</i>), namelijk <i>Chloëon</i>, heeft het mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist.<a class="noteRef" id="xd31e20011src" href="#xd31e20011">1</a> De bijoogjes (<i>ocelli</i>) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere insekten, zooals bij de Mutillen,
-bij welke zij ook vleugelloos zijn. Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen
-waardoor het eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen, hetzij
-in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust, versierselen of muziek.
-Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje in staat stellen het wijfje te grijpen,
-behoeven wij hier daarom slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen
-aan de spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen<a class="noteRef" id="xd31e20022src" href="#xd31e20022">2</a> moeten worden beschouwd, <span class="pageNum" id="pb532">[<a href="#pb532">532</a>]</span>„is het verwonderlijk”, zooals de heer B.&nbsp;D. Walsh<a class="noteRef" id="xd31e20044src" href="#xd31e20044">3</a> heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de natuur voorkomen, die slechts
-tot het schijnbaar onbeteekenende doel dienen om het mannetje in staat te stellen
-het wijfje stevig vast te grijpen.” De bovenkaken (<i>mandibulae</i>) worden daartoe somtijds gebruikt; zoo heeft het mannetje van <i>Corydalis cornutus</i> (een Netvleugelig Insekt, eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend
-groote kromme kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad
-in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te beschadigen.<a class="noteRef" id="xd31e20054src" href="#xd31e20054">4</a> Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (<i>Lucanus Elaphus</i>) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het wijfje, tot het zelfde
-doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij een der Graafwespen (<i>Ammophila</i>) gelijken de bovenkaken der beide seksen nauwkeurig op elkander, maar worden tot
-zeer verschillende doeleinden gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood
-opmerkt, „uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun sikkelvormige
-kaken”<a class="noteRef" id="xd31e20062src" href="#xd31e20062">5</a>, terwijl de wijfjes deze organen gebruiken om in het zand te graven en haar nesten
-te maken.
-</p>
-<div class="figure fig23width"><img src="images/fig23.png" alt="Fig. 23. Mannetje van Crabo cribrarius." width="208" height="179"><p class="figureHead">Fig. 23. Mannetje van <i>Crabo cribrarius</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig24width"><img src="images/fig24.png" alt="Fig. 24. Wijfje van Crabo cribrarius." width="225" height="191"><p class="figureHead">Fig. 24. Wijfje van <i>Crabo cribrarius</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatRight fig25width"><img src="images/fig25.png" alt="Fig. 25. Mannetje van Taphroderes distortus (zeer vergroot)." width="122" height="331"><p class="figureHead">Fig. 25. Mannetje van <i>Taphroderes distortus</i> (zeer vergroot).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatRight fig26width"><img src="images/fig26.png" alt="Fig. 26. Wijfje van Taphroderes distortus (zeer vergroot)." width="105" height="211"><p class="figureHead">Fig. 26. Wijfje van <i>Taphroderes distortus</i> (zeer vergroot).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De voeten (<i>tarsi</i>) der voorpooten zijn bij de mannetjes van vele kevers uitgezet of met breede haarkussens
-voorzien en bij vele geslachten van Waterroofkevers zijn zij gewapend met een ronden
-platten zuiger, opdat het mannetje zich aan het glibberige lichaam van het wijfje
-zou kunnen vasthechten. Het is een veel meer ongewone omstandigheid, dat bij de wijfjes
-van sommige Waterroofkevers (<i>Dytiscus</i>) de dekschilden (<i>elytra</i>) diepe groeven <span class="pageNum" id="pb533">[<a href="#pb533">533</a>]</span>bezitten en dat zij bij Acilius sulcatus dik met haren zijn bezet, om het <span class="corr" id="xd31e20102" title="Bron: mannetjete">mannetje te</span> helpen. Bij de wijfjes van sommige andere Waterroofkevers (<i>Hydroporus</i>) vertoonen de dekschilden met het zelfde doel verdiepte stippels.<a class="noteRef" id="xd31e20108src" href="#xd31e20108">6</a> Bij het mannetje van <i>Crabro cribrarius</i> (Fig. 23) is de scheen (<i>tibia</i>) tot een breede hoornachtige plaat uitgezet met kleine vliezige vlekken, die er een
-vreemd aanzien aan geven, gelijk aan dat van een zeef.<a class="noteRef" id="xd31e20123src" href="#xd31e20123">7</a> Bij het mannetje van <i>Penthe</i> (een kevergeslacht) zijn eenige weinige van de middelste leedjes der sprieten (<i>antennae</i>) uitgezet en aan de ondervlakte van haarkussens voorzien, volkomen gelijkende op
-die aan de voeten der Loopkevers (<i>Carabidae</i>), „en blijkbaar tot het zelfde doel dienende.” Bij de mannetjes der Waternimfen,
-„zijn de aanhangsels aan het uiteinde van den staart gewijzigd volgens <span class="pageNum" id="pb534">[<a href="#pb534">534</a>]</span>een bijna oneindige verscheidenheid van merkwaardige modellen om hen in staat te stellen
-den hals van het wijfje te vatten.” Eindelijk zijn bij de mannetjes van vele insekten
-de pooten van bijzondere stekels, knobbels en sporen voorzien, of de geheele poot
-is gebogen of verdikt; dit is echter in geenen deele altijd een seksueel kenmerk,
-of één paar of alle drie de paren zijn verlengd, somtijds in buitensporige mate.<a class="noteRef" id="xd31e20143src" href="#xd31e20143">8</a>
-</p>
-<p>In al de orden vertoonen de seksen van vele soorten verschillen waarvan men de beteekenis
-niet begrijpt. Eén merkwaardig geval is dat van een kever (fig. 25, 26) bij het mannetje
-waarvan de linker bovenkaak veel grooter is dan de rechter, zoodat de mond zeer misvormd
-is. Bij een anderen Loopkever, den <i>Eurygnathus</i>, hebben wij, voor zoover de heer Wollaston weet, het eenige geval, waarin het wijfje,
-hoewel in veranderlijke verhouding, een veel breeder en grooter kop bezit dan het
-mannetje. Een aantal dergelijke gevallen zouden hier kunnen worden opgenoemd. Zij
-zijn veelvuldig bij de Schubvleugelige Insekten (<i>Lepidoptera</i>); een der meest buitengewone is, dat bij vele Dagvlinders de voorpooten min of meer
-geatrophieerd zijn, zoodat de schenen (<i>tibiae</i>) en voeten (<i>tarsi</i>) in eenvoudige rudimentaire knobbels zijn overgegaan. Ook het beloop der vleugeladeren
-verschilt dikwijls bij de twee seksen<a class="noteRef" id="xd31e20159src" href="#xd31e20159">9</a>, en soms verschilt ook de vorm van den omtrek der vleugels aanmerkelijk, zooals bij
-den <i>Aricoris epitus</i>, die mij in het Britsch Museum door den heer A. Butler werd getoond. De mannetjes
-van sommige Zuid-Amerikaansche Dagvlinders hebben bosjes haar op de randen der vleugels
-en horenachtige uitwassen op de oppervlakte van het achterste paar.<a class="noteRef" id="xd31e20172src" href="#xd31e20172">10</a> Bij verscheidene Britsche Dagvlinders zijn, zooals de heer Wonfor heeft aangetoond,
-alleen de mannetjes gedeeltelijk met bijzondere schubben bekleed<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <b>(<a href="#en10.1" id="en10.1src">1</a>)</b>
-</p>
-<p>Over het nut van het heldere licht van het wijfje van den glimworm is veel geredeneerd.
-Het mannetje is zwak lichtgevend, evenals de larven en zelfs de eieren. Sommige schrijvers
-hebben ondersteld dat het licht dient om vijanden te verschrikken, andere om het mannetje
-den <span class="pageNum" id="pb535">[<a href="#pb535">535</a>]</span>weg naar het wijfje te wijzen. De heer Belt<a class="noteRef" id="xd31e20193src" href="#xd31e20193">11</a> schijnt eindelijk het raadsel te hebben opgelost; hij heeft ontdekt, dat al de Lampyridae
-welke hij heeft onderzocht, in hooge mate walgelijk van smaak zijn voor insektenetende
-zoogdieren en vogels. Het is daarom in overeenstemming met de onderstelling van den
-heer Bates, die later zal worden uiteengezet, dat vele insekten de Lampyridae nauwkeurig
-nabootsen, zoodat ze voor deze zullen worden aangezien en zoo aan den dood ontsnappen.
-Hij gelooft verder, dat het voor de lichtgevende soorten voordeelig is, dat zij dadelijk
-als oneetbaar worden herkend. Waarschijnlijk kan de zelfde verklaring worden uitgebreid
-tot de Springkevers (<i>Elater</i>), van welke beide seksen in hooge mate lichtgevend zijn. Het is niet bekend, waarom
-de vleugels van den vrouwelijken glimworm niet tot ontwikkeling zijn gekomen; maar
-in haar tegenwoordigen toestand gelijkt zij zeer veel op een larve, en, daar vele
-dieren zoo gretig op larven azen, kunnen wij begrijpen, waarom zij zooveel lichtgevender
-en opzichtiger dan het mannetje is geworden, en waarom de larven zelf ook lichtgevend
-zijn.
-</p>
-<p><i>Verschil in grootte tusschen de Seksen.</i>—Bij Insekten van alle soorten zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner dan de wijfjes<a class="noteRef" id="xd31e20207src" href="#xd31e20207">12</a>; en dit verschil kan soms zelfs in den larventoestand worden opgemerkt. Zoo aanmerkelijk
-is het verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke cocons van den zijdeworm (<i>Bombyx mori</i>), dat zij in Frankrijk door een bijzondere wijze van wegen van elkander worden gescheiden.<a class="noteRef" id="xd31e20214src" href="#xd31e20214">13</a>
-</p>
-<p>In de lagere klassen van het Dierenrijk schijnt de meerdere grootte van de wijfjes
-algemeen daarvan af te hangen, dat zij een verbazend groot aantal eieren voortbrengen;
-en dit gaat tot op zekere hoogte wellicht ook bij de Insekten door. Dr. Wallace heeft
-echter een veel waarschijnlijker verklaring voorgesteld. Hij vindt na zorgvuldig acht
-te hebben gegeven op de ontwikkeling van de rupsen van <i>Bombyx Cynthia</i> en <i>Yama-Maju</i>, en vooral van eenige dwerg-rupsen, opgekweekt uit een tweede broedsel met onnatuurlijk
-voedsel, „dat naar verhouding dat de individueele nachtvlinder fraaier is, ook de
-voor haar gedaanteverwisseling noodige tijd langer is; en dit is de reden, dat het
-wijfje, hetwelk zwaarder en grooter is, omdat zij haar talrijke eieren moet dragen,
-zal worden voorafgegaan door het mannetje, dat kleiner <span class="pageNum" id="pb536">[<a href="#pb536">536</a>]</span>is en minder noodig heeft om rijp te worden.”<a class="noteRef" id="xd31e20228src" href="#xd31e20228">14</a> Daar nu de meeste Insekten een kort leven hebben en daar zij aan vele gevaren zijn
-blootgesteld, zal het blijkbaar voordeelig voor het wijfje zijn om zoo spoedig mogelijk
-te worden bevrucht. Dit doel zal worden bereikt, als de mannetjes, doordat zij het
-eerst rijp worden, bij de komst der wijfjes in grooten getale gereed zijn, en dit
-zal op zijn beurt, zooals de heer A<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> R. Wallace heeft opgemerkt<a class="noteRef" id="xd31e20237src" href="#xd31e20237">15</a>, op natuurlijke wijze het gevolg zijn van de natuurlijke teeltkeus; want de kleinste
-mannetjes zullen het eerst rijp zijn, en dus een grooter aantal nakomelingen nalaten,
-die de mindere grootte hunner voorvaderen zullen overerven, terwijl de grootere mannetjes,
-omdat zij later rijp worden, minder nakomelingen zullen nalaten.
-</p>
-<p>Er zijn echter uitzonderingen op den regel, dat de mannetjes der Insekten kleiner
-zijn dan de wijfjes, en van sommige dezer uitzonderingen kan men de oorzaak begrijpen.
-Lichaamsgrootte en kracht zullen een voordeel zijn voor de mannetjes die om het bezit
-der wijfjes vechten; en in deze gevallen, zooals bij het Vliegend Hert (<i lang="la">Lucanus</i>), zijn de mannetjes grooter dan de wijfjes. Er zijn echter andere kevers, die, voor
-zoover men weet, niet met elkander vechten, bij welke toch de mannetjes grooter zijn
-dan de wijfjes; en wij begrijpen de beteekenis van dit feit niet; in sommige dezer
-gevallen echter, zooals bij de groote <i lang="la">Dynastes</i> en <i lang="la">Megasoma</i>, kunnen wij ten minste inzien, dat er geen noodzakelijkheid bestond, dat de mannetjes
-kleiner waren dan de wijfjes, opdat zij vroeger rijp zouden zijn dan deze; want deze
-kevers hebben geen kort leven, en er blijft dus tijd genoeg over voor de paring der
-seksen. Zoo zijn ook de mannetjes der Waternimfen (<i lang="la">Libellulidae</i>) soms aanmerkelijk grooter en nooit kleiner dan de wijfjes<a class="noteRef" id="xd31e20257src" href="#xd31e20257">16</a>; en de heer MacLachlan gelooft, dat zij gewoonlijk met de wijfjes paren, voor er
-één of twee weken zijn voorbijgegaan, en voor zij de aan de mannetjes eigen kleuren
-hebben verkregen. Het merkwaardigste geval echter, dat ons toont, hoe ingewikkeld
-en gemakkelijk voorbij te zien de oorzaken dikwijls zijn, waarvan een zoo onbeduidend
-kenmerk, als een verschil in grootte tusschen de seksen, afhangt, leveren ons de Angeldragende
-Vliesvleugelige Insekten (<i lang="la">Hymenoptera aculeata</i>); want de heer F. Smith deelt mij mede, dat in bijna geheel die groote groep <span class="pageNum" id="pb537">[<a href="#pb537">537</a>]</span>de mannetjes, in overeenstemming met den algemeenen regel, kleiner dan de wijfjes
-zijn en ongeveer een week vroeger dan deze uit de pop te voorschijn komen; onder de
-Bijen zijn echter de mannetjes van de honigbij (<i lang="la">Apis mellifica</i>), van <i lang="la">Anthidium manicatum</i> en <i lang="la">Anthophora acervorum</i>, en onder de Graafwespen (<i lang="la">Fossores</i>) de mannetjes van <i lang="la">Methoca ichneumonides</i>, grooter dan de wijfjes. De verklaring van deze afwijking is, dat bij deze soorten
-bij de paring het vliegen in de open lucht volstrekt noodzakelijk is, en de mannetjes
-veel kracht en een groote lichaamsgestalte noodig hebben om de wijfjes door de lucht
-met zich te dragen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De toeneming der lichaamsgrootte is hier verkregen in tegenspraak met de gewone betrekking
-tusschen de grootte en den duur van het ontwikkelingstijdperk; want hoewel de mannetjes
-grooter zijn, komen zij vroeger uit de pop dan de kleinere wijfjes.
-</p>
-<p>Wij zullen nu een overzicht geven van de verschillende orden, en daarbij die feiten
-uitkiezen, welke ons hier meer bijzonder aangaan. De Schubvleugelige Insekten (<i lang="la">Lepidoptera</i>) of Vlinders zullen voor een afzonderlijk hoofdstuk bewaard blijven.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Orde der Springstaarten</i> (<i lang="la">Thysanura</i>).—De leden dezer orde zijn voor hun klasse laag georganiseerd. Het zijn vleugellooze,
-dof gekleurde, kleine insekten, met leelijke, bijna misvormde koppen en <span class="corr" id="xd31e20298" title="Bron: licchamen">lichamen</span>. De seksen verschillen niet van elkander; maar zij bieden ons één belangwekkend feit
-aan, waardoor wordt aangetoond dat de mannetjes zelfs op een laag gedeelte van de
-ladder van het dierenrijk vlijtig het hof aan de wijfjes maken. Bij de beschrijving
-van <i lang="la">Smynthurus luteus</i> zegt Sir J. Lubbock<a class="noteRef" id="xd31e20304src" href="#xd31e20304">17</a>: „Het is zeer vermakelijk deze kleine schepsels met elkander te zien koketteeren.
-Het mannetje, dat veel kleiner dan het wijfje is, loopt rondom haar, en zij stooten
-elkander, met het aangezicht naar elkander toestaande, en achterwaarts en voorwaarts
-gaande als twee speelsche lammeren. Dan houdt het wijfje zich, alsof zij weg wil loopen,
-en het mannetje loopt haar achterna, terwijl uit zijn uiterlijk op vreemdsoortige
-wijze zijn toorn blijkt, haalt haar in en gaat weder tegenover haar staan; dan draait
-zij op preutsche wijze rond maar hij, vlugger en levendiger, loopt ook snel rond,
-en schijnt haar met zijn sprieten te slaan; daarop staan zij een tijd lang tegenover
-elkander, spelen met hun sprieten en schijnen geheel en al in elkander verdiept te
-zijn.”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb538">[<a href="#pb538">538</a>]</span></p>
-<p><i>Orde der Tweevleugeligen</i> (<i>Diptera</i>).—De seksen verschillen weinig in kleur. Het grootste aan den heer F. Walker bekende
-verschil is in het geslacht <i lang="la">Bibio</i>, waarin de mannetjes zwartachtig of geheel zwart, en de wijfjes donker bruinachtig
-oranje zijn. Het geslacht <i>Elaphomyia</i>, door den heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e20324src" href="#xd31e20324">18</a> in Nieuw Guinea ontdekt, is zeer opmerkelijk, daar de mannetjes horens bezitten,
-waarvan de wijfjes geen spoor vertoonen. De horens ontspringen onder de oogen en gelijken
-merkwaardig veel op die van herten, daar zij hetzij van puntige of van afgeplatte
-vertakkingen zijn voorzien. Zij evenaren bij een der soorten het geheele lichaam in
-lengte. Men zou kunnen denken, dat zij dienden om mede te vechten maar daar zij bij
-ééne soort van een prachtige met zwart omzoomde rozeroode kleur zijn, met een bleeke
-streep in het midden, en daar al deze insekten er zeer fraai uitzien, is het wellicht
-waarschijnlijker, dat deze horens tot sieraad dienen. Dat de mannetjes van sommige
-Tweevleugeligen met elkander vechten, is zeker; want Prof. Westwood<a class="noteRef" id="xd31e20330src" href="#xd31e20330">19</a> heeft dit meermalen bij sommige soorten van <i>Tipula</i> of Langbeenige Muggen gezien. De mannetjes van andere Tweevleugeligen schijnen te
-trachten de wijfjes door hun muziek te winnen. H. Müller<a class="noteRef" id="xd31e20339src" href="#xd31e20339">20</a> bespiedde een tijd lang twee mannetjes van <i lang="la">Eristalis</i>, die aan een wijfje het hof maakten; zij zweefden boven haar en vlogen heên en weêr,
-tegelijkertijd een hoog gonzend geluid voortbrengende. Muggen en muskieten (<i lang="la">Culicidae</i>) schijnen elkander ook door gegons aan te trekken, en Prof. Mayer heeft voor eenige
-jaren aangetoond, dat de haren op de sprieten van het mannetje eenstemmig trillen
-met de noten van een stemvork, binnen de grenzen van de geluiden die door het wijfje
-worden voortgebracht. <b>(<a href="#en10.2" id="en10.2src">2</a>)</b> De lange haren trillen sympathetisch met de lage, en de korte met de hooge tonen.
-Landois verzekert ook, dat hij herhaaldelijk een geheelen zwerm muggen naar zich toe
-heeft doen vliegen door een bijzondere noot te zingen. De verstandelijke vermogens
-der Tweevleugeligen zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan die der meeste andere
-orden van Insekten<a class="noteRef" id="xd31e20363src" href="#xd31e20363">21</a>, in overeenstemming met hun hoog ontwikkeld zenuwstelsel.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-<span class="pageNum" id="pb539">[<a href="#pb539">539</a>]</span></p>
-<p><i>Orde der Halfvleugeligen</i> (<i>Hemiptera</i>).—De heer J.&nbsp;W. Douglas die een bijzondere studie van de Britsche soorten heeft gemaakt,
-is zoo vriendelijk geweest mij het een en ander mede te deelen omtrent haar seksueele
-verschillen. De mannetjes van sommige soorten bezitten vleugels, terwijl de wijfjes
-vleugelloos zijn; de seksen verschillen in den vorm van het lichaam en van de voorste
-vleugels (<i>elytra</i>), in de tweede geledingen van haar sprieten en in haar voeten (<i>tarsi</i>); maar daar de beteekenis dezer verschillen volkomen onbekend is, kunnen wij ze hier
-stilzwijgend voorbijgaan. De wijfjes zijn over het algemeen grooter en sterker dan
-de mannetjes. Bij de Britsche en, voor zoover de heer Douglas weet, ook bij de uitlandsche
-soorten, verschillen de seksen gewoonlijk niet veel in kleur; bij ongeveer zes Britsche
-soorten is echter het mannetje aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en bij omstreeks
-vier andere soorten is het wijfje donkerder dan het mannetje. Van sommige soorten
-zijn beide seksen fraai gekleurd; en, daar deze insekten uiterst erg stinken, kunnen
-hun opzichtige kleuren aan insektenetende dieren tot een teeken dienen, dat zij oneetbaar
-zijn. In eenige weinige gevallen schijnen hun kleuren rechtstreeks beschermend te
-zijn; zoo meldt mij Prof. Hoffman, dat hij een kleine bleekroode en groene soort nauwlijks
-kon onderscheiden van de knoppen op de stammen van de limmetjesboomen welke dit insekt
-veelvuldig bezoekt.
-</p>
-<p>Eenige soorten van Roofwantsen (<i>Reduvidae</i>) maken een sjirpend (striduleerend) geluid, dat bij <i>Pirates stridulus</i>, naar men zegt<a class="noteRef" id="xd31e20388src" href="#xd31e20388">22</a>, wordt voortgebracht door de beweging van den hals in de holte van het voorste segment
-van het borststuk (<i>prothorax</i>). Volgens Westring maakt ook <i>Reduvius personatus</i> een piepend geluid<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het is mij echter niet mogen gelukken, eenige bijzonderheden omtrent deze insekten
-te vernemen; en ik heb ook geen reden om te onderstellen, dat er in dit opzicht verschil
-tusschen de beide seksen bestaat.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Orde der Gelijkvleugeligen</i> (<i>Homoptera</i>) <b>(<a href="#en10.3" id="en10.3src">3</a>)</b>.—Ieder die in een woud tusschen de keerkringen heeft gewandeld, moet verbaasd zijn
-geweest over het geraas dat de mannetjes der Cicaden maakten. De wijfjes zijn stom,
-zooals de Grieksche dichter Xenarchus zegt: „Gelukkig leven de Cicaden, daar zij sprakelooze
-vrouwen hebben.” Het daardoor veroorzaakte rumoer kon duidelijk worden gehoord aan
-boord van de <span class="pageNum" id="pb540">[<a href="#pb540">540</a>]</span>„Beagle”, toen deze op een vierde mijl afstands van de kust van Brazilië voor anker
-lag; en kapitein Hancock zegt, dat het op een afstand van een mijl kan worden gehoord.
-De Grieken sloten weleer de Cicaden ter wille van haar zang in kooien op, en de Chineezen
-doen zulks nog heden, zoodat hij in de ooren van sommige menschen aangenaam moet klinken.<a class="noteRef" id="xd31e20416src" href="#xd31e20416">23</a> <b>(<a href="#en10.4" id="en10.4src">4</a>)</b> De <i>Cicadidae</i> zingen gewoonlijk over dag, de Lantaarndragers (<i>Fulgoridae</i>) schijnen nachtzangers te zijn. Volgens Landois<a class="noteRef" id="xd31e20435src" href="#xd31e20435">24</a>, die dit onderwerp onlangs heeft bestudeerd<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> wordt het geluid voortgebracht door de trilling van de randen der spleten van de
-stigmata, die in beweging worden gebracht door een uit de luchtbuizen (<i>tracheae</i>) voortkomenden luchtstroom. Doch deze meening is vóór eenige jaren betwist. Dr. Powell
-schijnt te hebben bewezen<a class="noteRef" id="xd31e20445src" href="#xd31e20445">25</a>, dat het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een vlies, dat door een
-bijzondere spier in werking wordt gebracht. Bij het levende insekt kan men, als het
-sjirpt, dit vlies zien trillen, en bij het doode insekt wordt het juiste geluid gehoord,
-wanneer aan de spier, als zij een weinig is gedroogd en verhard, met de punt van een
-speld wordt getrokken. Bij het wijfje is de muzikale toestel aanwezig, maar veel minder
-ontwikkeld dan bij het mannetje en wordt nimmer gebruikt om geluid voort te brengen.
-<b>(<a href="#en10.5" id="en10.5src">5</a>)</b>
-</p>
-<p>Ten opzichte van het doel der muziek zegt Dr. Hartman, van de <i lang="la">Cicada septemdecim</i> der Vereenigde Staten sprekende<a class="noteRef" id="xd31e20463src" href="#xd31e20463">26</a>: „Het gezang wordt nu (6den en 7den Juni 1851) in alle richtingen gehoord. Ik geloof
-dat het de liefdesverklaringen der mannetjes zijn. In een dicht jong kastanjeboschje
-van ongeveer manshoogte staande, waar honderden Cicaden mij omgaven, nam ik waar,
-dat de wijfjes zich rondom de zingende mannetjes plaatsen.” Hij voegt erbij: „In dit
-jaargetijde (Aug. 1868) bracht een dwergpereboom in mijn tuin omstreeks vijftig larven
-van <i lang="la">Cicada pruinosa</i> voort; en ik merkte meermalen op, hoe de wijfjes naar een mannetje toegingen, als
-hij zijn schelle tonen voortbracht.” Fritz Müller schrijft mij uit Zuid-Brazilië,
-dat hij dikwijls naar een muzikalen wedstrijd tusschen twee of drie mannetjes van
-Cicaden heeft <span class="pageNum" id="pb541">[<a href="#pb541">541</a>]</span>geluisterd, die een bijzonder krachtige stem hadden en op aanmerkelijken afstand van
-elkander zaten. Zoodra het eerste zijn zang had geëindigd, begon onmiddellijk het
-tweede; wanneer dit gereed was, begon een ander, en zoo vervolgens. Daar er veel wedijver
-tusschen de mannetjes bestaat, is het waarschijnlijk, dat de wijfjes hen niet slechts
-ontdekken door de voortgebrachte tonen, maar dat zij ook, evenals de wijfjes van vogels,
-worden opgewekt of aangelokt door het mannetje dat de aantrekkelijkste stem heeft.
-</p>
-<p>Ik heb geen goed uitgedrukte gevallen van tot versiering dienende verschillen tusschen
-de seksen van de Gelijkvleugeligen gevonden. De heer Douglas meldt mij, dat er drie
-Britsche soorten zijn, bij welke het mannetje zwart of met zwarte banden geteekend
-is, terwijl de wijfjes bleek gekleurd of donker zijn. <b>(<a href="#en10.6" id="en10.6src">6</a>)</b>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Orde der Rechtvleugeligen</i> (<i>Orthoptera</i>).—In de drie families van springende insekten, die tot deze orde behooren, namelijk
-de Krekels (<i>Achetidae</i>), de Sabelsprinkhanen (<i>Locustidae</i>) en de Veldsprinkhanen (<i>Acridiidae</i>), munten de mannetjes uit door hun muzikale vermogens. Het door sommige Sabelsprinkhanen
-voortgebracht gesjirp is zoo sterk, dat het gedurende den nacht op een mijl afstands
-kan worden gehoord<a class="noteRef" id="xd31e20497src" href="#xd31e20497">27</a>, en dat hetwelk door sommige soorten wordt voortgebracht, is niet wanluidend zelfs
-voor menschelijke ooren, zoodat de Indianen aan den Amazonenstroom hen in gevlochten
-kooien bewaren. Alle waarnemers zijn het er over eens, dat de tonen dienen om de wijfjes
-hetzij te roepen of op te wekken. Men heeft echter opgemerkt<a class="noteRef" id="xd31e20505src" href="#xd31e20505">28</a>, dat het mannetje van den Russischen Treksprinkhaan (een der Veldsprinkhanen), als
-hij met het wijfje gepaard is, van toorn en ijverzucht sjirpt, wanneer een ander mannetje
-nadert. Als de huiskrekel ’s nachts wordt overvallen, gebruikt hij zijn stem om zijn
-makkers te waarschuwen.<a class="noteRef" id="xd31e20511src" href="#xd31e20511">29</a> Een der Sabelsprinkhanen, <i lang="la">Platyphyllum concavum</i>, die door de Noord-Amerikanen „<span lang="en">Katy-did</span>” wordt genoemd, klimt, volgens de beschrijving<a class="noteRef" id="xd31e20523src" href="#xd31e20523">30</a>, op de bovenste takken van een boom, en begint des avonds zijn luidruchtig gesnap,
-terwijl de tonen zijner mededingers uit de naburige boomen voortkomen, en de bosschen
-weêrgalmen den geheelen nacht door van den kreet van „<span lang="en">Katy-did-she-did</span>.” De heer Bates zegt van <span class="pageNum" id="pb542">[<a href="#pb542">542</a>]</span>den Europeeschen zwarten veldkrekel (een der Achetidae): „men heeft opgemerkt, dat
-het mannetje zich ’s avonds aan den ingang van zijn hol plaatst, en sjirpt tot er
-een wijfje nadert; dan worden de luide tonen vervangen door een meer gesmoord geluid,
-terwijl de gelukkige muzikant de gezellin die hij heeft verworven, met zijn sprieten
-liefkoost.”<a class="noteRef" id="xd31e20535src" href="#xd31e20535">31</a> Door met een penneschacht over een vijl te strijken, slaagde Dr. Scudder er in een
-dezer insekten zoo ver te brengen, dat het hem beantwoordde.<a class="noteRef" id="xd31e20544src" href="#xd31e20544">32</a> Bij beide seksen is door von Siebold een merkwaardig gehoorwerktuig gevonden, dat
-in de voorpooten is gelegen.<a class="noteRef" id="xd31e20550src" href="#xd31e20550">33</a>
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig27width"><img src="images/fig27.png" alt="Fig. 27." width="160" height="239"><p class="figureHead">Fig. 27.</p>
-<p class="first">Fig. 27. <i lang="la">Gryllus campestris</i> (volgens Landois). Bovenste oppervlakte van een voorvleugel met de uitstekende gladde
-ader, waarover de tanden (<i>st.</i> Fig. 28) worden gewreven. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig28width"><img src="images/fig28.png" alt="Fig. 28." width="106" height="228"><p class="figureHead">Fig. 28.</p>
-<p class="first">Fig. 28. Onderzijde van een deel van de vleugelader, zeer vergroot, om de tanden te
-toonen. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Bij de drie Families worden de geluiden op verschillende wijze voortgebracht. Bij
-de mannetjes der Krekels (<i lang="la">Achetidae</i>) hebben beide voorvleugels den zelfden toestel; en deze bestaat bij den zwarten veldkrekel
-(<i lang="la">Gryllus campestris</i>, Fig. 24, 25), volgens de beschrijving van Landois<a class="noteRef" id="xd31e20578src" href="#xd31e20578">34</a> uit 131 tot 138 scherpe, dwarse ruggen of tanden (<i>st</i>), aan de onderzijde van een der aderen van den voorvleugel. Deze getande ader wordt
-snel gestreken over een gladde, harde, uitstekende ader van den tegenovergestelden
-vleugel. Eerst wordt de eene vleugel over den anderen gewreven en daarna wordt de
-beweging omgekeerd. Beide vleugels worden tegelijkertijd een weinig opgelicht om de
-resonantie te vermeerderen. Bij sommige soorten zijn de voorvleugels van het mannetje
-voorzien van een plaatje dat er als talk uitziet.<a class="noteRef" id="xd31e20586src" href="#xd31e20586">35</a> Ik heb hier een teekening gegeven (Fig. 29) van de onderzijde van de ader bij een
-<span class="pageNum" id="pb543">[<a href="#pb543">543</a>]</span>andere soort van krekel, namelijk den huiskrekel (<i lang="la">Gryllus domesticus</i>).
-</p>
-<div class="figure floatRight fig29width"><img src="images/fig29.png" alt="Fig. 29." width="93" height="176"><p class="figureHead">Fig. 29.</p>
-<p class="first">Tanden aan de ader van <i>Gryllus domesticus</i> (naar Landois). </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Wat het <span class="corr" id="xd31e20607" title="Bron: onstaan">ontstaan</span> dezer tanden aangaat, heeft Dr. Gruber<a class="noteRef" id="xd31e20610src" href="#xd31e20610">36</a> aangetoond, dat zij ontwikkeld zijn met behulp der teeltkeus uit de kleine schubben
-en haren waarmede de vleugels en het lichaam bedekt zijn, en ik kwam tot het zelfde
-besluit ten opzichte van die der Schildvleugeligen (<i lang="la">Coleoptera</i>). Doch Dr. Gruber toont verder aan, dat hun ontwikkeling gedeeltelijk een rechtstreeksch
-gevolg is geweest van de wrijving van den eenen vleugel over den anderen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<div class="figure fig30width"><img src="images/fig30.png" alt="Fig. 31. Fig. 30. Fig. 32." width="579" height="446"><p class="figureHead">Fig. 31. Fig. 30. Fig<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 32.</p>
-<p class="first">Fig. 30. <i>Chorocoelus Tanana</i> (naar Bates). Fig. 31 en 32. Tegenovergestelde muziektoestellen der beide voorvleugels.
-</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Bij de Sabelsprinkhanen (<i>Locustidae</i>) verschillen de tegenovergestelde voorvleugels in maaksel (Fig. 30, 31, 32), en kunnen
-niet, gelijk in de vorige familie, op omgekeerde wijze worden gebruikt. De linkervleugel,
-die als <span class="pageNum" id="pb544">[<a href="#pb544">544</a>]</span>de strijkstok van de viool werkt, ligt over den rechtervleugel die de viool zelf voorstelt.
-Een der aderen (<i>a</i>, Fig. 31) aan de ondervlakte van den eersten is fijn gezaagd en wordt gestreken over
-de vooruitstekende aderen aan de onderste oppervlakte van den tegenovergestelden of
-rechtervleugel. Bij onze Britsche <i>Phasgonura viridissima</i> scheen het mij toe, dat de gezaagde ader wordt gewreven tegen den afgeronden achterhoek
-van den tegenovergestelden vleugel, waarvan de rand verdikt, bruin gekleurd en zeer
-scherp is. Aan den rechtervleugel, maar niet aan den linker-, is een klein plaatje,
-zoo doorzichtig als talk, door aderen omgeven en spiegel (speculum) genaamd. Bij <i>Ephippiger vitium</i> een lid van de zelfde familie, <span class="corr" id="xd31e20647" title="Bron: bebben">hebben</span> wij een merkwaardige ondergeschikte wijziging; want bij dezen zijn de voorvleugels
-sterk in grootte afgenomen, maar „het achterste gedeelte van het voorborststuk (<i>prothorax</i>) verheft zich als een soort van koepeldak over de voorvleugels en deze inrichting
-dient waarschijnlijk tot versterking van het geluid.”<a class="noteRef" id="xd31e20652src" href="#xd31e20652">37</a> <b>(<a href="#en10.7" id="en10.7src">7</a>)</b>
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig33width"><img src="images/fig33.png" alt="Fig. 33." width="179" height="162"><p class="figureHead">Fig. 33.</p>
-<p class="first">Achterpoot van <i lang="la">Stenobothrus pratorum</i>; <i>r</i> de zijtandjes, waardoor het sjirpend geluid wordt voortgebracht. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Wij zien derhalve, dat het muziekinstrument meer is gedifferentieerd en gespecialiseerd
-bij de Sabelsprinkhanen, waartoe ik geloof, dat de krachtigste muzikanten van de orde
-behooren, dan bij de Krekels, bij welke beide voorvleugels het zelfde maaksel hebben
-en tot de zelfde functie dienen.<a class="noteRef" id="xd31e20678src" href="#xd31e20678">38</a> Landois ontdekte echter bij een der Sabelsprinkhanen, namelijk bij <i>Decticus</i>, een korte en smalle rij kleine tanden, bloote rudimenten, op de ondervlakte van
-den rechtervoorvleugel, die onder den anderen ligt en nooit als strijkstok wordt gebruikt.
-Ik nam het zelfde rudimentaire deel waar aan de onderzijde van den rechtervoorvleugel
-bij <i lang="la">Phasgonura viridissima</i>. Wij mogen hieruit gerust afleiden, dat de Sabelsprinkhanen afstammen van een vorm,
-bij welken, evenals bij de hedendaagsche Krekels, beide voorvleugels aan de ondervlakte
-gezaagde aderen bezaten en beide even goed als strijkstok konden worden gebruikt,
-maar dat bij de Sabelsprinkhanen de beide voorvleugels trapsgewijze zijn gedifferentieerd
-en volkomener gemaakt, volgens het beginsel van verdeeling van den arbeid, de eene
-om uitsluitend de rol van strijkstok, de andere om die van viool te vervullen. Op
-welke wijze <span class="pageNum" id="pb545">[<a href="#pb545">545</a>]</span>de eenvoudiger inrichting bij de Krekels ontstond, weten wij niet; het is echter waarschijnlijk,
-dat de basale deelen der voorvleugels elkander vroeger evenals tegenwoordig overdekten,
-en dat de wrijving der aderen een knarsend geluid voortbracht, zooals ik zie, dat
-nu het geval met de voorvleugels is.<a class="noteRef" id="xd31e20688src" href="#xd31e20688">39</a> Een dergelijk knarsend geluid, nu en dan eens bij toeval door de mannetjes gemaakt,
-kan, als het hen, al was het maar nog zoo weinig, diende als een loktoon voor de wijfjes,
-gemakkelijk door de seksueele teeltkeus zijn versterkt, doordat gepaste wijzigingen
-in de ruwheid der aderen voortdurend behouden bleven.
-</p>
-<div class="figure floatRight fig34width"><img src="images/fig34.png" alt="Fig. 34." width="250" height="76"><p class="figureHead">Fig. 34.</p>
-<p class="first">Tandjes op het dijbeen van <i lang="la">Stenobothrus pratorum</i>, sterk vergroot (naar Landois). </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig35width"><img src="images/fig35.png" alt="Fig. 35." width="360" height="261"><p class="figureHead">Fig. 35.</p>
-<p class="first">Mannetje van <i lang="la">Pneumora</i> (naar een voorwerp op het Britsch Museum). </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure floatRight fig36width"><img src="images/fig36.png" alt="Fig. 36.&#xA;&#xA; " width="191" height="276"><p class="figureHead">Fig. 36.
-</p>
-<p class="first">Wijfje van <i lang="la">Pneumora</i> (naar een voorwerp op het Britsch Museum). </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Bij de derde en laatste familie, namelijk de <i>Acridiidae</i> of Veldsprinkhanen, wordt het gesjirp op een geheel verschillende wijze voortgebracht,
-en is, volgens Dr. Scudder, niet zoo schril, als bij de voorgaande families. De binnenvlakte
-van de dij (Fig. 33) is voorzien van een overlangsche rij kleine, sierlijke, lancetvormige,
-veerkrachtige tandjes, van 85 tot 93 in getal<a class="noteRef" id="xd31e20724src" href="#xd31e20724">40</a> (Fig. 34); en deze worden over de scherpe, <span class="pageNum" id="pb546">[<a href="#pb546">546</a>]</span>uitstekende aderen der voorvleugels gestreken, welke daardoor in trilling geraken
-en geluid geven. Harris<a class="noteRef" id="xd31e20729src" href="#xd31e20729">41</a> zegt, dat wanneer een der mannetjes begint te sjirpen, hij eerst „de scheen van den
-achterpoot onder de dij brengt, waar zij in een daartoe bestemde groeve wordt opgenomen,
-en dan den poot snel op en neder trekt. Hij speelt niet op beide zijn violen te gelijk,
-maar afwisselend eerst op de eene en dan op de andere.” <b>(<a href="#en10.8" id="en10.8src">8</a>)</b> Bij vele soorten is het grondvlak van het achterlijf uitgehold tot een groote holte,
-die, naar men gelooft, als klankbodem werkt. Bij <i>Pneumora</i> (Fig. 35 en 36), een Zuid-Afrikaansch geslacht tot de zelfde familie behoorende,
-ontmoeten wij een nieuwe en opmerkelijke wijziging: bij de mannetjes steekt namelijk
-een smalle scherpe rug aan beide zijden van het achterlijf uit, waartegen de dijen
-der achterpooten worden gewreven.<a class="noteRef" id="xd31e20744src" href="#xd31e20744">42</a> Daar het mannetje vleugels bezit, hoewel het wijfje vleugelloos is, is het opmerkelijk,
-dat de dijen niet op de gewone wijze tegen de voorvleugels worden gewreven; maar dit
-moet wellicht worden verklaard door de ongewoon geringe grootte der achterpooten.
-Ik ben niet in de gelegenheid geweest om de binnenste oppervlakte der dijen te onderzoeken,
-die, naar de analogie te oordeelen, fijn gezaagd zou zijn. De <i>Pneumora</i>-soorten zijn ter wille van haar sjirpvermogen sterker gewijzigd, dan eenig ander
-Rechtvleugelig Insekt; want bij het mannetje is het geheele lichaam in een muziekinstrument
-veranderd, als een groote doorzichtige blaas, door lucht uitgezet, om daardoor de
-resonantie te vermeerderen. <b>(<a href="#en10.9" id="en10.9src">9</a>)</b> De heer Trimen deelt nog mede, dat aan de Kaap de Goede Hoop deze insekten gedurende
-den nacht een verwonderlijk geraas maken.
-</p>
-<p>Er is ééne uitzondering op den regel, dat de wijfjes in deze drie families geen bruikbaar
-muziekinstrument bezitten; want bij <i>Ephippiger</i> (een der Sabelsprinkhanen) zegt men<a class="noteRef" id="xd31e20762src" href="#xd31e20762">43</a>, dat beide seksen daarvan voorzien zijn. Dit geval kan worden vergeleken bij dat
-van het rendier, de eenige soort van hert bij welke beide seksen horens bezitten.
-Hoewel de wijfjes der Rechtvleugeligen dus bijna zonder uitzondering stom zijn, vond
-Landois<a class="noteRef" id="xd31e20765src" href="#xd31e20765">44</a> toch rudimenten van sjirporganen aan de dijen der vrouwelijke Veldsprinkhanen, en
-dergelijke rudimenten aan het ondervlak der voorvleugels van de vrouwelijke Krekels;
-maar hij slaagde er <span class="pageNum" id="pb547">[<a href="#pb547">547</a>]</span>niet in om dergelijke rudimenten te vinden bij de wijfjes van <i>Decticus</i>, een der Sabelsprinkhanen. Bij de Gelijkvleugeligen bezitten de stomme wijfjes der
-Cicaden het eigenaardige muziekinstrument in onontwikkelden staat; en wij zullen later
-in andere afdeelingen van het dierenrijk tallooze voorbeelden ontmoeten van deelen
-die aan het mannetje eigen zijn, doch in rudimentairen toestand ook bij het wijfje
-worden gevonden. Dergelijke gevallen schijnen op het eerste gezicht aan te toonen,
-dat de beide seksen oorspronkelijk op de zelfde wijze gebouwd waren, doch dat zekere
-organen later door de wijfjes verloren werden. Het is echter een meer waarschijnlijke
-meening, zooals vroeger is verklaard, dat bedoelde organen door de mannetjes werden
-verkregen en gedeeltelijk op de wijfjes overgebracht.
-</p>
-<p>Landois heeft een ander belangwekkend feit waargenomen, namelijk dat bij de wijfjes
-der Veldsprinkhanen de sjirptandjes op de dijen levenslang in den zelfden toestand
-blijven, waarin zij bij beide seksen in den larvenstaat het eerst verschijnen. Bij
-de mannetjes daarentegen komen zij tot volkomen ontwikkeling en verkrijgen zij hun
-volkomen inrichting bij de laatste vervelling, als het insekt volwassen en voor de
-voortplanting gereed is.
-</p>
-<p>Uit de hier vermelde feiten zien wij, dat de middelen waardoor de mannetjes hun geluiden
-voortbrengen, bij de Rechtvleugeligen van zeer onderscheiden aard zijn, en dat zij
-geheel verschillen van die welke bij de Gelijkvleugeligen worden gebruikt.<a class="noteRef" id="xd31e20775src" href="#xd31e20775">45</a> Maar in het geheele dierenrijk vinden wij onophoudelijk, dat het zelfde doel door
-de meest verschillende middelen wordt bereikt, hetgeen daardoor wordt veroorzaakt,
-dat de geheele organisatie in den loop der eeuwen veelvuldige veranderingen ondergaat;
-en daar eerst het eene, daarna het andere deel wordt gewijzigd, wordt uit verschillende
-veranderingen voordeel getrokken tot het zelfde algemeene doel. De verscheidenheid
-der middelen om geluid voort te brengen bij de drie families der Rechtvleugeligen
-en bij de Gelijkvleugeligen vervult onzen geest met de hooge belangrijkheid van deze
-organen voor de mannetjes, ten einde de wijfjes te roepen of aan te lokken. Wij behoeven
-ons niet te verwonderen over de groote verandering welke de Rechtvleugeligen in dit
-opzicht <span class="pageNum" id="pb548">[<a href="#pb548">548</a>]</span>hebben ondergaan, daar wij tegenwoordig door Dr. Scudder’s merkwaardige ontdekking<a class="noteRef" id="xd31e20787src" href="#xd31e20787">46</a> weten, dat daarvoor meer dan overvloedig tijd is geweest. Deze natuuronderzoeker
-heeft onlangs een fossiel insekt gevonden in de Devonische vorming van Nieuw-Brunswijk,
-dat voorzien is van „het welbekende tympanum of sjirp-orgaan der mannelijke Sabelsprinkhanen.”
-Dit insekt, hoewel in de meeste opzichten met de Netvleugeligen (<i>Neuroptera</i>) verwant, schijnt, zooals met zeer oude vormen zoo dikwijls het geval is, de beide
-orden der Netvleugeligen en Rechtvleugeligen te verbinden, die nu algemeen als geheel
-onderscheiden worden gerangschikt.
-</p>
-<p>Ik heb weinig meer over de Rechtvleugeligen te zeggen. Sommige soorten zijn zeer strijdlustig;
-als twee mannelijke zwarte Veldkrekels (<i>Gryllus campestris</i>) bij elkander worden opgesloten, vechten zij, totdat de eene den anderen doodt, en
-de <i>Mantis</i> soorten (Roofsprinkhanen) manoeuvreeren volgens de beschrijving met hun zwaardvormige
-voorpooten als huzaren met sabels. De Chineezen bewaren deze insekten in kleine bamboezen
-kooien en laten ze met elkander vechten evenals vechthanen.<a class="noteRef" id="xd31e20805src" href="#xd31e20805">47</a> Wat de kleur aangaat, munten sommige uitlandsche (exotische) sprinkhanen uit, wier
-achtervleugels met rood, blauw en zwart versierd zijn; maar daar in deze geheele orde
-de beide seksen zelden veel in kleur verschillen, is het twijfelachtig, of zij deze
-fraaie kleuren aan seksueele teeltkeus verschuldigd zijn. Opzichtige kleuren kunnen
-voor deze insekten nuttig zijn als een bescherming, volgens het beginsel, dat in het
-volgende hoofdstuk zal worden verklaard, door hun vijanden te waarschuwen, dat zij
-oneetbaar zijn. Zoo heeft men waargenomen<a class="noteRef" id="xd31e20811src" href="#xd31e20811">48</a>, dat een Indische fraai gekleurde sprinkhaan standvastig werd weggeworpen, als men
-hem aan vogels en hagedissen aanbood. Er zijn echter in deze orde enkele gevallen
-van seksueele kleurverschillen bekend. Het mannetje van een Amerikaanschen krekel<a class="noteRef" id="xd31e20817src" href="#xd31e20817">49</a> wordt beschreven als ivoorwit, terwijl het wijfje afwisselt van bijna wit tot geelachtig
-groen of zwartachtig. De heer Walsh deelt mij mede, dat het volwassen mannetje van
-<i>Spectrum femoratum</i>, een der Spookinsekten of Wandelende Bladeren (<i>Phasmidae</i>), „van een glanzend bruinachtig gele kleur <span class="pageNum" id="pb549">[<a href="#pb549">549</a>]</span>is, terwijl de volwassen wijfjes dof ondoorschijnend aschachtig bruin en de jongen
-van beide seksen groen zijn. Eindelijk kan ik vermelden, dat het mannetje van ééne
-merkwaardige soort van krekel<a class="noteRef" id="xd31e20833src" href="#xd31e20833">50</a> voorzien is van een „lang vliesachtig aanhangsel, dat als een sluier over het gelaat
-valt”; of dit echter tot een sieraad dient, is niet bekend.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Orde der Netvleugeligen (Neuroptera).</i>—Hierover behoeft weinig te worden gezegd, behalve ten opzichte der kleur. Bij de
-Haften (<i>Ephemeridae</i>) verschillen de donkere kleuren dikwijls bij de seksen een weinig<a class="noteRef" id="xd31e20846src" href="#xd31e20846">51</a>; maar het is niet waarschijnlijk, dat de mannetjes daardoor aantrekkelijker voor
-de wijfjes worden gemaakt. De Waternimfen (<i>Libellulidae</i>) zijn versierd met prachtige groene, blauwe, gele en vermiljoenkleurige metaalglanzende
-tinten; en de seksen verschillen dikwijls. Zoo zijn de mannetjes van sommige <i>Agrionidae</i>, gelijk Prof. Westwood opmerkt<a class="noteRef" id="xd31e20856src" href="#xd31e20856">52</a>, „van een rijk blauw met zwarte vleugels, terwijl de wijfjes schoon groen met ongekleurde
-vleugels zijn.” Bij <i>Agrion Ramburii</i> zijn deze kleuren echter bij beide seksen juist omgekeerd.<a class="noteRef" id="xd31e20865src" href="#xd31e20865">53</a> Bij het uitgebreide Noord-Amerikaansche geslacht <i>Hetaerina</i> hebben alleen de mannetjes een fraaie karmijnroode vlek op het begin van elken vleugel.
-Bij <i>Anax junius</i> is het gronddeel van het achterlijf bij het mannetje levendig ultramarijnblauw en
-bij het wijfje grasgroen. Bij het verwante geslacht <i>Gomphus</i> en bij sommige andere geslachten verschillen de seksen daarentegen slechts weinig
-in kleur. In het geheele dierenrijk komen vele dergelijke gevallen voor, waarin de
-seksen van nauw verwante vormen hetzij grootelijks, of zeer weinig, of in het geheel
-niet verschillen. Hoewel bij vele Waternimfen zulk een groot verschil in kleur tusschen
-de seksen bestaat, is het dikwijls moeielijk te zeggen, welke de schitterendste is,
-en bij ééne soort van <i>Agrion</i> is de gewone kleuring der seksen juist omgekeerd, zooals wij daareven hebben gezien.
-Het is niet waarschijnlijk, dat in eenig geval haar kleuren tot bescherming zijn verkregen.
-Zooals de heer <span class="corr" id="xd31e20877" title="Bron: Mac Lachlan">MacLachlan</span><span class="corr" title="Niet in bron">,</span> die deze familie nauwkeurig heeft bestudeerd, mij schrijft, zijn de Waternimfen—de
-tyrannen der insektenwereld—van alle insekten het minst vatbaar om door vogels <span class="pageNum" id="pb550">[<a href="#pb550">550</a>]</span>of andere vijanden te worden aangevallen. Hij gelooft, dat haar schitterende kleuren
-dienen om de andere sekse aan te lokken. Het verdient met betrekking hiertoe opmerking,
-dat de Waternimfen door bijzondere kleuren schijnen te worden aangetrokken; de heer
-Patterson<a class="noteRef" id="xd31e20883src" href="#xd31e20883">54</a> nam waar, dat die soorten van <i>Agrionidae</i>, wier mannetjes blauw zijn, zich in grooten getale op den blauwen dobber van een
-vischlijn neerzetten; terwijl twee andere soorten door blinkende witte kleuren werden
-aangetrokken.
-</p>
-<p>Het is een belangwekkend, het eerst door Schelver opgemerkt feit, dat de mannetjes
-bij verscheidene geslachten, tot twee onder-families behoorende, als zij pas uit het
-larvenhulsel voortkomen, juist zoo zijn gekleurd als de wijfjes; maar dat hun lichamen
-binnen korten tijd een opzichtige melkachtige blauwe tint aannemen, die het gevolg
-is van de uitzweeting van een soort van in aether en <span class="corr" id="xd31e20893" title="Bron: alkohol">alcohol</span> oplosbare olie. De heer MacLachlan gelooft, dat deze kleursverandering bij <i lang="la">Libellula depressa</i> geen plaats grijpt voor ongeveer veertien dagen na de gedaanteverwisseling, als de
-seksen gereed zijn om te paren.
-</p>
-<p>Sommige soorten van <i>Neurothemis</i> vertoonen volgens Brauer<a class="noteRef" id="xd31e20903src" href="#xd31e20903">55</a> een merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij sommige
-wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere wijfjes „zeer rijk aan aderen
-is, evenals bij de mannetjes van de zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel
-volgens de Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote rijkdom
-aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar het, evenals
-elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent voorhanden is, komt het nu en dan
-ook bij deze tot ontwikkeling. Wij hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de
-beide seksen van vele dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te
-gelijken, namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij dit
-bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de wijfjes; bij dit
-bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge en volkomen overbrenging tot
-stand. De heer MacLachlan deelt mij een ander geval van dimorphisme mede, dat bij
-verscheidene soorten van <i>Agrion</i> plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt van een oranjekleur,
-en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is waarschijnlijk <span class="pageNum" id="pb551">[<a href="#pb551">551</a>]</span>een geval van atavisme; want wanneer bij de ware Waternimfen (<i>Libellulae</i>) de seksen in kleur verschillen, zijn de wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als
-men onderstelt dat <i>Agrion</i> afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de kenmerkende seksueele
-kleuren der typische Waternimfen (<i>Libellulae</i>) bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die richting af te
-wijken, alleen bij de wijfjes bestond.
-</p>
-<p>Hoewel deze Waternimfen zulke groote, sterke en wreedaardige insekten zijn, heeft
-de heer MacLachlan nooit waargenomen, dat de mannetjes met elkander vochten, behalve,
-naar hij gelooft, bij sommige der kleinere <i>Agrion</i>-soorten. Bij een andere zeer verschillende groep in deze orde, namelijk bij de Termieten
-of Witte Mieren, kan men soms in den zwermtijd de seksen elkander achterna zien zitten,
-„het mannetje achter het wijfje, somtijds twee mannetjes één wijfje najagende en met
-groote vurigheid wedijverende, wie den prijs zal winnen.”<a class="noteRef" id="xd31e20926src" href="#xd31e20926">56</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera).</i>—Bij de beschrijving der levenswijze van een Graafwesp (<i>Cerceris</i>), merkt de heer Fabre<a class="noteRef" id="xd31e20939src" href="#xd31e20939">57</a>, die onovertreffelijke waarnemer, op, dat „veelvuldig gevechten plaats grijpen tusschen
-de mannetjes om het bezit van het eene of andere bijzondere wijfje, dat schijnbaar,
-alsof zij er niet in was betrokken, naar den strijd om de oppermacht zit te kijken,
-en, als de overwinning is beslist, bedaard wegvliegt in gezelschap van den overwinnaar.”
-Westwood<a class="noteRef" id="xd31e20948src" href="#xd31e20948">58</a> zegt, dat de mannetjes van een der Bladwespen (<i>Tenthredinidae</i>) „te zamen vechtende met toegeklemde bovenkaken zijn gevonden.” Daar de heer Fabre
-zegt, dat de mannetjes van <i>Cerceris</i> een bijzonder wijfje trachten te verkrijgen, is het goed ons te herinneren, dat insekten,
-tot deze orde behoorende, het vermogen bezitten om elkander na lange tusschenruimten
-van tijd te herkennen, en zeer aan elkander zijn gehecht. Pierre Huber, wiens nauwkeurigheid
-niemand betwijfelt, scheidde bijvoorbeeld eenige mieren, en toen zij na een tusschenruimte
-van eenige maanden andere ontmoetten, die vroeger tot de zelfde vereeniging hadden
-behoord, herkenden zij elkander wederkeerig en liefkoosden elkander met haar sprieten.
-Waren zij vreemdelingen geweest, <span class="pageNum" id="pb552">[<a href="#pb552">552</a>]</span>dan zouden zij te zamen hebben gevochten. Als daarentegen twee vereenigingen elkander
-slag leveren, vallen de mieren van de eene partij elkander soms in de algemeene verwarring
-aan; maar spoedig bemerken zij haar dwaling en dan liefkoost de eene mier de andere.<a class="noteRef" id="xd31e20961src" href="#xd31e20961">59</a>
-</p>
-<p>In deze orde zijn geringe verschillen in kleur volgens de sekse gemeen; maar in ’t
-oog loopende verschillen zijn zeldzaam, behalve in de familie der Bijen; echter zijn
-beide seksen van zekere groepen zoo schitterend gekleurd,—bijvoorbeeld die van de
-Goudwespen (<i>Chrysis</i>) bij welke vermiljoen en metaalglanzend groen de overhand hebben,—dat wij in verzoeking
-komen om zulks voor een gevolg der seksueele teeltkeus te houden. Bij de Sluipwespen
-(<i>Ichneumonidae</i>) zijn volgens den heer Walsh<a class="noteRef" id="xd31e20974src" href="#xd31e20974">60</a> de mannetjes bijna algemeen lichter gekleurd dan de wijfjes. Bij de Bladwespen (<i>Tenthredinidae</i>) daarentegen zijn de mannetjes over het algemeen donkerder dan de wijfjes. Bij de
-Houtwespen (<i>Siricidae</i>) verschillen de seksen dikwijls; zoo heeft het mannetje van <i>Sirex juvencus</i> oranje banden over het lichaam, terwijl het wijfje donker purperkleurig is; maar
-het is moeielijk te zeggen, welke sekse het meest versierd is. Bij de <i>Tremex columbae</i> is het wijfje veel levendiger gekleurd dan het mannetje. Bij de Mieren zijn, naar
-de heer F. Smith mij mededeelde, de mannetjes van verscheidene soorten zwart, terwijl
-de wijfjes bruinachtig zijn. In de familie der Bijen, vooral bij de eenzaam levende
-soorten, verschillen, naar ik van den zelfden uitnemenden insektenkenner hoor, de
-seksen dikwijls in kleur. De mannetjes zijn over het algemeen het levendigst gekleurd,
-en bij <i>Bombus</i>, zoowel als bij <i>Apathus</i>, veel veranderlijker van kleur dan de wijfjes. Bij <i>Anthophora retusa</i> is het mannetje van een rijk roodachtig bruin, terwijl het wijfje geheel zwart is;
-evenzoo zijn de wijfjes van onderscheidene soorten van <i>Xylocopa</i> zwart, terwijl de mannetjes helder geel zijn.
-</p>
-<p>Daarentegen zijn bij sommige soorten, gelijk <i>Andraena fulva</i>, de wijfjes veel levendiger gekleurd dan de mannetjes. Dergelijke verschillen in
-kleur kunnen moeilijk alleen worden verklaard, doordat de mannetjes, zonder verdedigingsmiddelen
-zijn en dus bescherming noodig hebben, terwijl de wijfjes goed worden verdedigd door
-haar angels. H. Müller<a class="noteRef" id="xd31e21001src" href="#xd31e21001">61</a>, <span class="pageNum" id="pb553">[<a href="#pb553">553</a>]</span>die een bijzondere studie heeft gemaakt van bijen, schrijft deze verschillen in kleur
-voornamelijk aan seksueele teeltkeus toe. Dat bijen een scherp waarnemingsvermogen
-voor kleuren hebben, is zeker. Hij zegt, dat de mannetjes de wijfjes hartstochtelijk
-zoeken en om haar bezit vechten; en hij verklaart door dergelijke gevechten, hoe de
-bovenkaken van de mannetjes bij sommige soorten grooter zijn dan die van de wijfjes.
-In sommige gevallen zijn de mannetjes veel talrijker dan de wijfjes, hetzij vroeg
-in het voorjaar, of op alle tijden en plaatsen, of locaal. Bij sommige soorten schijnen
-de schoonste mannetjes door de wijfjes, en bij andere de schoonste wijfjes door de
-mannetjes te zijn uitgezocht. Bij gevolg verschillen in zekere geslachten (Müller,
-blz. 42) de mannetjes van de verschillende soorten zeer in uiterlijk, terwijl de wijfjes
-bijna niet van elkander zijn te onderscheiden; bij andere geslachten heeft het tegendeel
-plaats. H. Müller gelooft (blz. 82), dat de door de eene sekse door seksueele teeltkeus
-verkregen kenmerken dikwijls in verschillende mate op de andere sekse zijn overgegaan,
-juist gelijk de toestel om stuifmeel te verzamelen van het wijfje dikwijls op het
-mannetje is overgegaan, voor wien hij volstrekt nutteloos is.<a class="noteRef" id="xd31e21009src" href="#xd31e21009">62</a> Bij een Nieuw-Hollandsche bij (<i>Lestis bombylans</i>) is het wijfje van een uiterst schitterend staalblauw, soms met levendig groene <span class="pageNum" id="pb554">[<a href="#pb554">554</a>]</span>schakeeringen, terwijl het mannetje van een heldere bronskleur en rijk met roodachtig
-dons begroeid is. Daar in deze groep de wijfjes in haar angels uitnemende verdedigende
-wapenen bezitten, is het niet waarschijnlijk, dat zij in kleur van de mannetjes zijn
-begonnen te verschillen ter wille van de bescherming.
-</p>
-<p><i>Mutilla Europea</i> maakt een sjirpend geluid; en volgens Goureau<a class="noteRef" id="xd31e21026src" href="#xd31e21026">63</a> hebben beide seksen dit vermogen. Hij schrijft het geluid toe aan de wrijving van
-den derden en de daarvoorgaande ringen (<i>segmenten</i>) van het achterlijf, en ik heb waargenomen, dat de oppervlakte daarvan met fijne,
-gelijkmiddelpuntige (concentrische) richeltjes is bezet; maar dit is ook het geval
-met den uitstekenden kraag van het borststuk, waaraan de kop door een geleding is
-verbonden; en deze kraag geeft, als men hem met de punt van een naald bekrast, juist
-het zelfde geluid. Het is nog al vreemd, dat beide seksen het vermogen om te sjirpen
-zouden bezitten, daar het mannetje gevleugeld en het wijfje vleugelloos is. Het is
-bekend, dat Bijen sommige gemoedsaandoeningen, b.v. toorn, uitdrukken door den toon
-van hun gebrom, gelijk ook sommige <span class="corr" id="xd31e21034" title="Bron: Tweevleuvleugelige">Tweevleugelige</span> Insekten doen <b>(<a href="#en10.10" id="en10.10src">10</a>)</b>; ik heb echter geen melding van die geluiden gemaakt, daar zij in volstrekt geen
-verband met de vrijage staan.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Orde der Schildvleugeligen</i> (<i>Coleoptera</i>).—Vele kevers zijn zoodanig gekleurd, dat zij gelijken op de oppervlakten die zij
-gewoonlijk bezoeken<span class="corr" id="xd31e21050" title="Bron: ,">.</span> Andere soorten zijn met prachtige metallieke kleuren versierd,—bij voorbeeld, vele
-Loopkevers (<i>Carabidae</i>), die op den grond leven en het vermogen bezitten om zich te verdedigen door de afscheiding
-van een scherpe bijtende stof,—de prachtige Diamantkevers, die door een uiterst harde
-huid worden beschermd,—vele soorten van Goudhaantjes (<i>Chrysomela</i>), zooals <i>Chrysomela cerealis</i>, een groote, fraai met verschillende kleuren gestreepte soort die in Groot-Brittannië
-tot den naakten top van Snowdon beperkt zijn,—en een menigte andere soorten. Deze
-prachtige kleuren, die dikwijls in strepen, vlekken, kruisen en volgens andere sierlijke
-modellen gerangschikt zijn, kunnen moeielijk voordeelig zijn voor de bescherming,
-behalve in het geval van sommige zich met bloemen voedende soorten; en wij kunnen
-niet gelooven, dat zij doelloos zijn. Daarom rijst bij ons het vermoeden, dat zij
-strekken om de andere sekse te bekoren; maar wij hebben daarvan geen bewijzen; want
-de seksen verschillen zelden in kleur. Blinde kevers, die <span class="pageNum" id="pb555">[<a href="#pb555">555</a>]</span>elkanders schoon natuurlijk niet kunnen zien, prijken, naar ik van den heer Waterhouse
-jun. hoor, nimmer met schitterende kleuren, hoewel zij dikwijls glanzende bekleedselen
-hebben; maar de reden van hun donkere kleur is wellicht, dat blinde insekten holen
-en andere duistere plaatsen bewonen.
-</p>
-<div class="figure fig37width"><img src="images/fig37.png" alt="Fig. 37. Mannetje van Chalcosoma atlas (verkleind)." width="349" height="177"><p class="figureHead">Fig. 37. Mannetje van <i>Chalcosoma atlas</i> (verkleind).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig38width"><img src="images/fig38.png" alt="Fig. 38. Wijfje van Chalcosoma atlas (natuurl. grootte)." width="239" height="174"><p class="figureHead">Fig. 38. Wijfje van <i>Chalcosoma atlas</i> (natuurl. grootte).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig39width"><img src="images/fig39.png" alt="Fig. 39. Mannetje van Copris Isidis." width="294" height="162"><p class="figureHead">Fig. 39. Mannetje van <i>Copris Isidis</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig40width"><img src="images/fig40.png" alt="Fig. 40. Wijfje van Copris Isidis." width="220" height="164"><p class="figureHead">Fig. 40. Wijfje van <i>Copris Isidis</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Sommige Boktorren (<i>Longicornia</i>) echter, vooral zekere <i>Prionidae</i>, bieden een uitzondering aan op den gewonen regel, dat de seksen van kevers niet
-in kleur verschillen. De meeste dezer insekten zijn groot en prachtig gekleurd. De
-mannetjes van het geslacht <i>Pyrodes</i><a class="noteRef" id="xd31e21093src" href="#xd31e21093">64</a> zijn, gelijk ik in de verzameling van den heer Bates zag, over het geheel rooder,
-maar iets doffer dan de wijfjes, welke laatste meer of minder prachtig goudgroen zijn
-gekleurd. Bij het geslacht <i>Esmeralda</i> verschillen <span class="pageNum" id="pb556">[<a href="#pb556">556</a>]</span>de seksen zoozeer in kleur, dat zij als verschillende soorten zijn gerangschikt; bij
-ééne soort zijn beiden van een prachtig glinsterend groen; maar het mannetje heeft
-een rood borststuk (<i>thorax</i>). <span class="pageNum" id="pb557">[<a href="#pb557">557</a>]</span>Over het geheel zijn, zoover ik er over kan oordeelen, de wijfjes van die <i>Prionidae</i> bij welke de seksen verschillen, rijker gekleurd dan de mannetjes; en dit stemt niet
-overeen met den algemeenen regel ten opzichte van de kleur, wanneer deze door seksueele
-teeltkeus is verkregen.
-</p>
-<div class="figure fig41width"><img src="images/fig41.png" alt="Fig. 41. Mannetje van Phanaeus faunus." width="260" height="169"><p class="figureHead">Fig. 41. Mannetje van <i>Phanaeus faunus</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig42width"><img src="images/fig42.png" alt="Fig. 42. Wijfje van Phanaeus faunus." width="196" height="163"><p class="figureHead">Fig. 42. Wijfje van <i>Phanaeus faunus</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig43width"><img src="images/fig43.png" alt="Fig. 43. Mannetje van Dipelicus cantori." width="304" height="155"><p class="figureHead">Fig. 43. Mannetje van <i>Dipelicus cantori</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig44width"><img src="images/fig44.png" alt="Fig. 44. Wijfje van Dipelicus cantori." width="196" height="140"><p class="figureHead">Fig. 44. Wijfje van <i><span class="corr" id="xd31e21154" title="Bron: Depelicus">Dipelicus</span> cantori</i>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig45width"><img src="images/fig45.png" alt="Fig. 45. Mannetje van Onthophagus rangifer, vergroot." width="201" height="147"><p class="figureHead">Fig. 45. Mannetje van <i>Onthophagus rangifer</i>, vergroot.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig46width" id="fig46"><img src="images/fig46.png" alt="Fig. 46. Wijfje van Onthophagus rangifer, vergroot." width="141" height="136"><p class="figureHead">Fig. 46. Wijfje van <i>Onthophagus rangifer</i>, vergroot.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Een zeer merkwaardig onderscheid tusschen de seksen van vele kevers wordt opgeleverd
-door de groote horens, die op den kop, het borststuk of het schildje (<i>clypeus</i>) der mannetjes en in eenige weinige gevallen op de ondervlakte van hun lichaam zijn
-ingeplant. Deze horens gelijken in de groote familie der Bladsprietigen (<i>Lamellicornia</i>) op die van verschillende viervoetige dieren, zooals herten, neushoorns, enz., en
-zijn verwonderlijk zoowel door hun grootte als door de verscheidenheid hunner vormen.
-In plaats van hen te beschrijven heb ik afbeeldingen gegeven van de mannetjes en wijfjes
-der merkwaardigste vormen (Fig. 37–46). De wijfjes vertoonen gewoonlijk rudimenten
-van horens in den vorm van kleine knobbels of ribbetjes; maar sommige bezitten zelfs
-die rudimenten niet. Daarentegen zijn de horens bij het wijfje bijna even goed ontwikkeld
-als bij het mannetje bij <i>Phanaeus lancifer</i>, en slechts een weinig minder ontwikkeld bij de wijfjes van sommige andere soorten
-van het zelfde geslacht en van <i>Copris</i>. Bij de verschillende onderafdeelingen der familie bestaat er, naar de heer Bates
-mij mededeelt, geen verhouding tusschen de verschillen in het maaksel der horens en
-de meer belangrijke en kenmerkende verschillen; zoo zijn er in de zelfde natuurlijke
-afdeeling van het geslacht <i>Onthophagus</i>-soorten die een enkelen <span class="corr" id="xd31e21184" title="Bron: horen">hoorn</span>, en andere die twee verschillende horens op den kop hebben.
-</p>
-<p>In bijna alle gevallen zijn de horens opmerkelijk wegens hun bovenmatige variabiliteit,
-zoodat een trapsgewijze reeks kan worden gevormd van de hoogst ontwikkelde mannetjes
-tot andere, die zoo weinig ontaard zijn, dat zij slechts even van de wijfjes te onderscheiden
-zijn. De heer Walsh<a class="noteRef" id="xd31e21189src" href="#xd31e21189">65</a> bevond, dat bij <i><span class="corr" id="xd31e21196" title="Bron: Planaeus">Phanaeus</span> carnifex</i> de horens bij sommige mannetjes driemaal zoo lang waren als bij andere. De heer Bates
-dacht, na meer dan honderd mannetjes van <i>Onthophagus rangifer</i> (Fig. 44) te hebben onderzocht, dat hij eindelijk een soort had ontdekt, bij welke
-de horens niet variabel waren; maar een nader onderzoek bewees het tegendeel.
-<span class="pageNum" id="pb558">[<a href="#pb558">558</a>]</span></p>
-<p>De buitengewone grootte der horens en hun zeer verschillend maaksel bij nauw verwante
-vormen bewijzen, <span class="corr" id="xd31e21205" title="Bron: daf">dat</span> zij met het eene of andere belangrijke doel zijn gevormd; maar hun bovenmatige variabiliteit
-bij de mannetjes van de zelfde soort voert tot het besluit, dat dit doel niet van
-een bepaalden aard kan zijn. De horens vertoonen geen teekenen van afslijting, alsof
-zij voor het eene of andere gewone werk werden gebruikt. Sommige schrijvers onderstellen<a class="noteRef" id="xd31e21208src" href="#xd31e21208">66</a>, dat de mannetjes, daar zij veel meer rondtrekken dan de wijfjes, horens noodig hebben
-om zich tegen hun vijanden te verdedigen; in vele gevallen schijnen echter de horens
-niet goed voor de verdediging geschikt te zijn, daar zij niet scherp zijn. De meest
-voor de hand liggende onderstelling is, dat zij door de mannetjes worden gebruikt
-om te vechten; maar men heeft nooit waargenomen, dat zij vochten; ook kon de heer
-Bates na een zorgvuldig onderzoek van vele soorten, in hun verminkten of gebroken
-toestand geen voldoende bewijzen vinden, dat zij <span class="corr" id="xd31e21214" title="Bron: daurvoor">daarvoor</span> waren gebruikt. Als de mannetjes gewoon waren met elkander te vechten, zou hun grootte
-waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn toegenomen, zoodat zij die bij het wijfje
-zou hebben overtroffen; de heer Bates vindt echter, na de beide seksen bij meer dan
-honderd soorten van Mesttorren (<i>Copridae</i>) met elkander te hebben vergeleken, bij goed ontwikkelde individu’s in dit opzicht
-volstrekt geen merkbaar verschil. Er is bovendien één kever, tot de zelfde groote
-afdeeling der <span class="corr" id="xd31e21219" title="Bron: Blandsprietigen">Bladsprietigen</span> (<i>Lamellicornia</i>) behoorende, van welke men weet, dat de mannetjes met elkander vechten; maar zij
-zijn niet van horens voorzien, hoewel hun bovenkaken veel grooter zijn dan die van
-het wijfje.
-</p>
-<p>Het besluit, dat het best in overeenstemming is met het feit, dat de horens zoo verbazend
-en toch niet standvastig ontwikkeld zijn,—zooals door hun uitermate groote variabiliteit
-bij de zelfde soort wordt bewezen,—is, dat zij als versierselen zijn verkregen. Deze
-meening zal eerst uiterst onwaarschijnlijk voorkomen; maar wij zullen later zien,
-dat zich bij vele dieren die veel hooger op de ladder staan, namelijk Visschen, Amphibieën,
-Reptielen en Vogels, verschillende soorten van knobbels, horens en kammen blijkbaar
-met het zelfde doel hebben ontwikkeld.
-</p>
-<div class="figure fig47width"><img src="images/fig47.png" alt="Fig. 47." width="142" height="173"><p class="figureHead">Fig. 47.</p>
-<p class="first">Mannetje van <i>Onitis furcifer</i>, van de onderzijde gezien. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig48width"><img src="images/fig48.png" alt="Fig. 48." width="157" height="131"><p class="figureHead">Fig. 48.</p>
-<p class="first">Mannetje van <i>Onitis furcifer</i>, van ter zijde gezien. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig49width"><img src="images/fig49.png" alt="Fig. 49." width="171" height="148"><p class="figureHead">Fig. 49.</p>
-<p class="first">Wijfje van <i><span class="corr" id="xd31e21246" title="Bron: Ornitis">Onitis</span> furcifer</i> van terzijde gezien. <i>a</i>. Rudiment van een <span class="corr" id="xd31e21252" title="Bron: horen">hoorn</span> op den kop. <i>b</i>. Spoor van een <span class="corr" id="xd31e21257" title="Bron: horen">hoorn</span> of kam op het borststuk. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De mannetjes van <i>Onitis furcifer</i> (Fig. <a href="#fig46">46</a>) bezitten aan de dijen hunner voorpooten vreemdsoortige uitsteeksels en aan de ondervlakte
-<span class="pageNum" id="pb559">[<a href="#pb559">559</a>]</span>van het borststuk een groote vork of een paar horens. Deze plaatsing schijnt uiterst
-slecht geschikt om met deze uitsteeksels te pronken, en wellicht dienen zij werkelijk
-voor het eene of andere bijzondere doel, maar tot dusverre kan men er het gebruik
-niet van bepalen. Het is een zeer merkwaardig feit, dat, hoewel de mannetjes zelfs
-geen spoor van horens op de bovenvlakte van het lichaam <span class="corr" id="xd31e21270" title="Bron: vortoonen">vertoonen</span> (Fig. 48), bij de wijfjes toch een rudiment van een enkelen <span class="corr" id="xd31e21273" title="Bron: horen">hoorn</span> op den kop (Fig. 49, <i>a</i>) en een dergelijk van een kam (<i>b</i>) op het borststuk duidelijk zichtbaar zijn. Dat de kleine kam op het borststuk van
-het wijfje een rudiment is van een aan het mannetje eigen uitsteeksel, hoewel dit
-geheel ontbreekt bij het mannetje van deze bijzondere soort, is duidelijk; want het
-wijfje van <i>Bubas bison</i>, (die zeer nauw met <i>Onitis</i> verwant is) heeft een dergelijken kleinen kam op het borststuk, terwijl het mannetje
-op de zelfde plaats een groot uitsteeksel heeft. Zoo kan er ook geen twijfel zijn,
-of de kleine punt (<i>a</i>) op den kop van het wijfje van <i>Onitis furcifer</i> en op dien van de wijfjes van twee of drie verwante soorten is een rudimentaire vertegenwoordiger
-van den <span class="corr" id="xd31e21290" title="Bron: horen">hoorn</span> op den kop, zooals die van <i>Phanaeus</i> (Fig. 41, 42), welke aan de mannetjes van zoovele Bladsprietige Kevers (<i>Lamellicornia</i>) gemeen is. De mannetjes van eenige nog geen namen ontvangen hebbende torren in het
-Britsch Museum, die men tegenwoordig gelooft, dat tot het geslacht <i>Onitis</i> behooren, zijn van een dergelijken <span class="corr" id="xd31e21299" title="Bron: horen">hoorn</span> voorzien. De opmerkelijke aard van dit geval zal het best door een voorbeeld worden
-begrepen: de Herkauwende Zoogdieren vormen een evenwijdige reeks met de Bladsprietige
-Kevers (<i>Lamellicornia</i>), daar bij sommige de wijfjes horens bezitten, die even groot zijn als die van het
-mannetje, terwijl de wijfjes <span class="pageNum" id="pb560">[<a href="#pb560">560</a>]</span>van andere veel kleiner horens hebben of de horens bij haar slechts in rudimentairen
-toestand bestaan (ofschoon dit bij de Herkauwende Zoogdieren even zeldzaam, als bij
-de Bladsprietige Kevers algemeen is), en zij eindelijk bij wederom andere in het geheel
-geen horens hebben. Als nu een nieuwe soort van hert of schaap werd ontdekt, bij welke
-het wijfje duidelijk rudimenten van horens bezat, terwijl de kop van het mannetje
-volkomen glad was, zouden wij een met dat van <i>Onitis furcifer</i> overeenkomend geval hebben.
-</p>
-<p>In dit geval is het oude geloof, dat rudimentaire deelen zijn geschapen om het plan
-(schema) der natuur volledig te maken, zoover van steek te houden, dat alle gewone
-regels geheel overtreden schijnen. De meest waarschijnlijke meening komt mij voor
-te zijn, dat de eene of andere vroegere voorvader van <i>Onitis</i>, evenals andere Bladsprietige Kevers (<i>Lamellicornia</i>), horens op den kop en het borststuk verkreeg en ze daarop, evenals bij zoovele nog
-levende soorten, op het wijfje overbracht, door hetwelk zij sinds dien tijd steeds
-zijn behouden. Het later verlies van de horens door het mannetje kan wellicht het
-gevolg zijn geweest van het beginsel van compensatie wegens de ontwikkeling der uitsteeksels
-op de onderste oppervlakte, terwijl die invloed zich bij het wijfje niet doet gelden,
-daar zij deze uitsteeksels niet bezit en bij gevolg de rudimenten van horens op de
-bovenste oppervlakte heeft behouden. Hoewel deze meening wordt gesteund door het geval
-van Bledius, dat dadelijk zal worden medegedeeld, zoo verschillen toch de uitsteeksels
-op de onderste oppervlakte zeer in maaksel en ontwikkeling bij de verschillende soorten
-van <i>Onitis</i> en zijn bij sommige zelfs rudimentair; desniettemin <span class="corr" id="xd31e21317" title="Bron: vertoent">vertoont</span> de bovenste oppervlakte bij al deze soorten geen spoor van horens. Daar secundaire
-seksueele kenmerken zoo bij uitnemendheid variabel zijn, is het mogelijk dat de uitsteeksels
-op de onderste oppervlakte eerst door den eenen of anderen voorvader van <i>Onitis</i> zijn verkregen en hun invloed door compensatie hebben doen gelden, en daarna in zekere
-gevallen volkomen verloren zijn gegaan.
-</p>
-<p>Al de tot dusverre vermelde gevallen hebben betrekking op Bladsprietige Kevers (<i>Lamellicornia</i>); ook de mannetjes van eenige weinige andere Kevers, tot twee zeer verschillende
-groepen, namelijk de Snuitkevers (<i>Curculionidae</i>) en Kortschilden (<i>Staphylinidae</i>) behoorende, zijn echter van horens voorzien,—bij de eerste op de benedenste oppervlakte
-van het lichaam<a class="noteRef" id="xd31e21331src" href="#xd31e21331">67</a>, bij de laatste op de bovenste oppervlakte <span class="pageNum" id="pb561">[<a href="#pb561">561</a>]</span>van den kop en het borststuk. Bij de Kortschilden (<i>Staphylinidae</i>) zijn de horens bij de mannetjes van eene en de zelfde soort buitengewoon veranderlijk,
-juist zooals wij bij de Bladsprietigen (<i>Lamellicornia</i><span class="corr" id="xd31e21340" title="Niet in bron">)</span> hebben gezien. Bij <i>Siagonium</i> hebben wij een geval van dimorphisme: want de mannetjes kunnen in twee afdeelingen
-worden verdeeld, die sterk in lichaamsgrootte en in de ontwikkeling hunner horens
-verschillen, zonder eenige tusschenbeidenstaande overgangsvormen. Bij eene soort van
-<i>Bledius</i> (Fig. 50 en 51), die ook tot de Kortschilden (<i>Staphylinidae</i>) behoort, kunnen, gelijk Professor Westwood getuigt, mannelijke voorwerpen op een
-en de zelfde plaats worden gevonden, „bij welke de middelste <span class="corr" id="xd31e21349" title="Bron: horen">hoorn</span> van het borststuk zeer groot is, maar de horens op den kop geheel rudimentair zijn,
-en andere bij welke de <span class="corr" id="xd31e21352" title="Bron: horen">hoorn</span> op het borststuk veel korter is, terwijl de uitsteeksels op den kop lang zijn.”<a class="noteRef" id="xd31e21355src" href="#xd31e21355">68</a> Hier hebben wij dus blijkbaar een voorbeeld van compensatie van groei, dat licht
-werpt op het juist vermelde merkwaardige geval van het verlies der bovenste horens
-bij <i>Onitis furcifer</i>.
-</p>
-<div class="figure fig50width"><img src="images/fig50.png" alt="Fig. 50. Mannetje van Bledius taurus (vergroot)." width="246" height="90"><p class="figureHead">Fig. 50. Mannetje van <i>Bledius taurus</i> (vergroot).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig51width"><img src="images/fig51.png" alt="Fig. 51. Wijfje van Bledius taurus (vergroot)." width="190" height="89"><p class="figureHead">Fig. 51. Wijfje van <i>Bledius taurus</i> (vergroot).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig52width"><img src="images/fig52.png" alt="Fig. 52. Mannetje van Chiasognathus Grantii (verkleind)." width="189" height="466"><p class="figureHead">Fig. 52. Mannetje van <i>Chiasognathus Grantii</i> (verkleind).</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig53width"><img src="images/fig53.png" alt="Fig. 53. Wijfje van Chiasognathus Grantii (verkleind)." width="157" height="190"><p class="figureHead">Fig. 53. Wijfje van <i>Chiasognathus Grantii</i> (verkleind).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p><i>Gevechten.</i>—Sommige mannelijke kevers die slecht voor het gevecht schijnen ingericht, voeren
-desniettemin strijd om het bezit van de wijfjes. De heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e21395src" href="#xd31e21395">69</a> zag twee mannetjes van <i>Leptorhynchus angustatus</i>, een lijnvormigen kever met zeer verlengden snuit (<i>rostrum</i>), „om een wijfje vechten, dat in de onmiddellijke nabijheid met boren bezig was.
-Zij stooten elkander met hun snuiten en krabden en sloegen elkander blijkbaar met
-de grootste woede.” Het kleinste mannetje „liep echter spoedig weg en erkende zich
-overwonnen.” In eenige weinige gevallen zijn de mannetjes goed geschikt om te vechten
-door het <span class="pageNum" id="pb562">[<a href="#pb562">562</a>]</span>bezit van groote getande bovenkaken (<i>mandibula</i>), veel grooter dan die der wijfjes. Dit is het geval met het gewone Vliegende Hert
-(<i>Lucanus cervus</i>), waarvan de mannetjes ongeveer een week vroeger uit de pop te voorschijn komen dan
-de andere sekse, zoodat men er dikwijls verscheidene het zelfde wijfje kan zien vervolgen.
-Toen de heer A.&nbsp;H. Davis<a class="noteRef" id="xd31e21412src" href="#xd31e21412">70</a> twee mannetjes met één wijfje in een doos opsloot, kneep het grootste mannetje het
-kleinste met kracht totdat het zijn aanspraken liet varen. Een vriend meldt mij, dat
-hij, toen hij een jongen was, de mannetjes dikwijls bij elkander zette om hen te zien
-vechten, en opmerkte, dat zij veel stoutmoediger en woester zijn dan de wijfjes, evenals
-men algemeen weet, dat bij de hoogere dieren het geval is. De mannetjes pakten zijn
-vinger en knepen daarin als hij hun dien voorhield, maar de wijfjes niet. Bij vele
-<i>Lucanidae</i>, zoowel als bij den bovenvermelden <i>Lepidorhynchus</i> zijn de mannetjes grooter en krachtiger insekten dan de wijfjes. De beide seksen
-van <i>Lethrus cephalotes</i> (een der Bladsprietige Kevers) bewonen het zelfde hol: en het mannetje heeft grooter
-bovenkaken dan het wijfje. Indien gedurende den paartijd een vreemd mannetje in het
-hol beproeft te komen, wordt hij aangevallen; het wijfje blijft hierbij niet lijdelijk,
-maar sluit de opening van het hol en moedigt haar metgezel aan door hem voortdurend
-van achteren te stooten. Het gevecht eindigt niet voor de aanvaller is gedood of <span class="pageNum" id="pb563">[<a href="#pb563">563</a>]</span>op de vlucht gaat.<a class="noteRef" id="xd31e21429src" href="#xd31e21429">71</a> De beide seksen van een anderen Bladsprietigen Kever, <i>Ateuchus cicatricosus</i>, leven paarsgewijze en schijnen zeer aan elkander te zijn gehecht; het mannetje spoort
-het wijfje aan om de ballen van mest te rollen, waarin de eieren worden gelegd; en
-als men haar wegneemt, wordt hij zeer onrustig. Als het mannetje wordt weggenomen,
-houdt het wijfje geheel en al met werken op en zou, gelijk de heer Brulerie<a class="noteRef" id="xd31e21437src" href="#xd31e21437">72</a> gelooft, op de zelfde plaats blijven tot zij stierf.
-</p>
-<p>De groote bovenkaken der mannelijke Lucaniden zijn uiterst veranderlijk, zoowel in
-grootte als in maaksel en gelijken in dit opzicht op de horens op den kop en het borststuk
-van vele mannelijke Bladsprietige Kevers (<i>Lamellicornia</i>) en Kortschilden (<i>Staphylinidae</i>). Men kan een volkomen reeks vormen van de best voorziene tot de slechtst voorziene
-of ontaarde mannetjes. Hoewel de bovenkaken van het gewone Vliegende Hert en waarschijnlijk
-die van vele andere soorten werkelijk bij het gevecht als wapens worden gebruikt,
-is het twijfelachtig of men zich aldus rekenschap kan geven van haar aanzienlijke
-grootte. Wij hebben gezien, dat zij bij den Noord-Amerikaanschen <i>Lucanus elaphus</i> worden gebruikt om het wijfje te grijpen. Daar zij zoo sterk in het oog vallen en
-zoo sierlijk zijn vertakt, is het vermoeden soms bij mij opgekomen, of zij aan de
-mannetjes wellicht tot sieraad zouden kunnen dienen, op de zelfde wijze als de horens
-op den kop en het borststuk van de verschillende hierboven beschreven soorten. Het
-mannetje van <i>Chiasognathus Grantii</i> (Fig. 52) uit Zuid Chili,—een prachtigen kever, die tot de zelfde familie behoort,—heeft
-verbazend ontwikkelde bovenkaken; hij is stoutmoedig en strijdlustig; als hij aan
-de eene of andere zijde wordt bedreigd, draait hij zich om, opent zijn groote kaken
-en sjirpt tegelijkertijd op luidruchtige wijze; de bovenkaken waren echter niet sterk
-genoeg om mij zoo krachtig in den vinger te knijpen, dat het mij werkelijk pijn deed.
-</p>
-<p>De seksueele teeltkeus die het bezit van aanmerkelijke waarnemende vermogens en van
-hevige hartstochten veronderstelt, schijnt op de Bladsprietige Kevers meer invloed
-te hebben uitgeoefend, dan op eenige andere Familie van Schildvleugelige Insekten
-(<i>Coleoptera</i>). Bij sommige <span class="pageNum" id="pb564">[<a href="#pb564">564</a>]</span>soorten zijn de mannetjes voorzien van wapens om te vechten; sommige leven paarsgewijze
-en toonen genegenheid voor elkander; vele bezitten het vermogen om te sjirpen, als
-zij worden geprikkeld; vele zijn voorzien van de meest buitengewone horens, die klaarblijkelijk
-tot versiering dienen; sommige die dagdieren zijn, bezitten de prachtigste kleuren;
-en eindelijk, vele van de grootste kevers der wereld behooren tot deze Familie welke
-door Linnaeus en Fabricius aan het hoofd van de Orde der Schildvleugeligen (<i>Coleoptera</i>) werd geplaatst.<a class="noteRef" id="xd31e21464src" href="#xd31e21464">73</a>
-</p>
-<p><i>Sjirporganen.</i>—Kevers, tot vele en zeer verschillende Families behoorende, bezitten deze organen.
-Het geluid kan somtijds op den afstand van verscheidene voeten of zelfs ellen worden
-gehoord<a class="noteRef" id="xd31e21473src" href="#xd31e21473">74</a>, maar kan niet met dat hetwelk de Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) voortbrengen, worden vergeleken. Het deel dat de rasp kan worden genoemd, bestaat
-gewoonlijk uit een smalle, eenigszins bolle oppervlakte waarover zeer fijne, evenwijdige
-ribbetjes loopen, soms zoo fijn, dat zij iriseerende kleuren doen ontstaan, en die
-er onder het microscoop zeer sierlijk uitzien. In sommige gevallen, b.v. bij <i>Typhaeus</i>, kan men duidelijk zien, dat uiterst kleine, borstelachtige, op schubben gelijkende
-uitsteeksels die de geheele omringende oppervlakte volgens nagenoeg evenwijdige lijnen
-bedekken, de ribbetjes van de rasp vormen, door samen te vloeien en recht en tegelijkertijd
-uitstekend en glad te worden. Een harde rug op eenig nabij gelegen deel van het lichaam,
-die in sommige gevallen bijzonder voor dat doel is gewijzigd, dient als schrapper
-voor de rasp. De schrapper wordt snel over de rasp, of omgekeerd de rasp over den
-schrapper bewogen.
-</p>
-<div class="figure fig54width"><img src="images/fig54.png" alt="Fig. 54." width="148" height="165"><p class="figureHead">Fig. 54.</p>
-<p class="first">Fig. 54. Een deel van de rasp van <i>Necrophorus</i>, zeer vergroot. </p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig55width"><img src="images/fig55.png" alt="Fig. 55." width="177" height="164"><p class="figureHead">Fig. 55.</p>
-<p class="first">Fig. 55. <i>Necrophorus</i> (naar Landois); <i>r</i> de twee raspen. </p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Deze organen zijn op uiterst verschillende plaatsen gelegen. Bij de Doodgravers (<i>Necrophorus</i>) staan twee evenwijdige raspen (<i>r</i>, fig. 55) op de rugvlakte van den vijfden ring van het achterlijf, terwijl dwars
-over elke rasp, volgens de beschrijving van Landois<a class="noteRef" id="xd31e21507src" href="#xd31e21507">75</a>, 126 tot 140 fijne ribbetjes loopen. Deze ribbetjes worden geschrapt door de achterranden
-der dekschilden, waarvan een klein deel buiten den algemeenen omtrek uitsteekt. Bij
-vele <i>Crioceridae</i> en bij <i>Clythra 4 punctata</i>, één der Bladkevers (<i>Chrysomelidae</i>), en bij sommige Zwartlijven (<i>Tenebrionidae</i>), enz.<a class="noteRef" id="xd31e21522src" href="#xd31e21522">76</a>, <span class="pageNum" id="pb565">[<a href="#pb565">565</a>]</span>is de rasp aan den bovenkant van de spits (<i>apex</i>) van het achterlijf op het pygidium of propygidium gelegen, en wordt, evenals boven,
-met de dekschilden geschrapt. Bij <i>Heterocerus</i>, die tot een andere familie behoort, zijn de raspen op de zijden van den eersten
-ring van het achterlijf geplaatst en worden met op de dijen gelegen ruggen geschrapt.<a class="noteRef" id="xd31e21543src" href="#xd31e21543">77</a> Bij sommige Snuitkevers (<i>Curculionidae</i>) en Loopkevers (<i>Carabidae</i>)<a class="noteRef" id="xd31e21553src" href="#xd31e21553">78</a> liggen de deelen juist omgekeerd; want de raspen bevinden zich op de ondervlakten
-der dekschilden, dicht bij hun spitsen, of langs hun buitenranden, en de randen van
-de ringen van het achterlijf dienen als schrappers. Bij <i>Pelobius hermanni</i>, een der waterroofkevers (<i>Dytiscidae</i>), loopt een sterke rug evenwijdig aan en dicht bij de binnenranden der dekschilden,
-en dwars over den rug loopen ribbetjes, in het middelste gedeelte grof, maar aan de
-beide einden, voornamelijk aan het boveneinde, hoe langer hoe fijner wordende; als
-dit insekt onder water of in de lucht wordt gehouden, maakt het een sjirpend geluid,
-door den uitersten hoornachtigen rand van het achterlijf over de rasp te schrappen.
-Bij een groot aantal Boktorren (<i>Longicornia</i>) bevinden zich de organen op <span class="pageNum" id="pb566">[<a href="#pb566">566</a>]</span>een geheel andere plaats, daar de rasp op het middenborststuk (<i>mesothorax</i>) ligt, dat tegen het voorborststuk (<i>prothorax</i>) wordt geschrapt; Landois telde 238 zeer fijne ribbetjes op de rasp van <i>Cerambyx heros</i>.
-</p>
-<p>Vele Bladsprietigen (<i><span class="corr" id="xd31e21583" title="Bron: Lammellicornia">Lamellicornia</span></i>) bezitten het vermogen om te sjirpen zeer luid, zoodat, toen de heer F. Smidt een
-voorwerp van <i>Trox sabulosus</i> ving, een boschwachter die er bij stond, dacht, dat hij een muis had gevangen; ik
-slaagde er echter niet in om de sjirporganen bij dezen kever te ontdekken. Bij <i>Geotrupes</i> en <i>Typhaeus</i> loopt een smalle rug (<i>r</i>, Fig. 56) schuins over de heup (<i>coxa</i>) van elken achterpoot, die bij <i>Geotrupes stercorarius</i> 84 ribben heeft, die worden geschrapt met een bijzonder uitstekend deel van een der
-ringen van het achterlijf. Bij de nauw verwante <i>Copris lunaris</i> loopt een uiterst smalle fijne rasp langs de binnenranden der dekschilden en een
-andere korte rasp dicht bij den grond van den buitenrand; maar bij sommige andere
-mesttorren (<i>Coprini</i>) is de rasp, volgens Leconte<a class="noteRef" id="xd31e21603src" href="#xd31e21603">79</a>, op de rugvlakte van het achterlijf gelegen. Bij <i>Oryctes</i> ligt zij op het propygidium en bij sommige andere houteters (<i>Dynastini</i>), volgens den zelfden insektenkenner, op de ondervlakte der dekschilden. Eindelijk
-vermeldt Westring, dat bij <i>Omaloplia brunnea</i> de rasp op het prosternum en de schrapper op het metasternum is geplaatst, zoodat
-deze deelen derhalve aan de onderste oppervlakte van het lichaam zijn geplaatst, in
-plaats van aan de bovenste, zooals bij de Boktorren (<i>Longicornia</i>).
-</p>
-<div class="figure floatLeft fig56width"><img src="images/fig56.png" alt="Fig. 56. Achterpoot van Geotrupus stercorarius (naar Landois); r rasp; c heup (coxa); f dij (femur); t scheen (tibia); tr voet (tarsus)." width="123" height="266"><p class="figureHead">Fig. 56. Achterpoot van <i>Geotrupus <span class="corr" id="xd31e21623" title="Bron: stercorairus">stercorarius</span></i> (naar Landois); <i>r</i> rasp; c heup (coxa); <i>f</i> dij (femur); <i>t</i> scheen (tibia); <i>tr</i> voet (tarsus).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Wij zien dus, dat de sjirporganen bij de verschillende families van Schildvleugeligen
-een verwonderlijke verscheidenheid vertoonen in hun plaatsing, maar weinig in hun
-maaksel. In ééne en de zelfde familie zijn sommigen van deze organen voorzien, terwijl
-anderen ze geheel missen. Deze verscheidenheid is te begrijpen, als wij veronderstellen,
-dat oorspronkelijk verscheidene soorten een schokkend en sissend geluid maakten door
-de harde en ruwe gedeelten van hun lichaam, die elkander <span class="pageNum" id="pb567">[<a href="#pb567">567</a>]</span>aanraakten, tegen elkander te wrijven, en dat, daar het zoo voortgebrachte geluid
-op de eene of andere wijze nuttig was, de ruwe oppervlakten zich allengs tot regelmatige
-sjirporganen ontwikkelden. Sommige kevers brengen tegenwoordig, wanneer zij zich bewegen,
-hetzij opzettelijk of onopzettelijk, een schokkend geluid voort, zonder eenig bepaald
-daarvoor bestemd orgaan te bezitten. De heer Wallace meldt mij, dat <i>Euchirus longimanus</i> (een Bladsprietige Kever, waarvan het mannetje verwonderlijk lange porten bezit)
-„als hij zich beweegt, een laag sissend geluid voortbrengt door het uitzetten en samentrekken
-van het achterlijf, en dat hij, als hij wordt aangevat, een krassend geluid voortbrengt
-door zijn achterpooten tegen de randen van zijn dekschilden te wrijven.” Het sissende
-geluid wordt blijkbaar veroorzaakt doordat een smalle rasp tegen den binnenrand van
-elk dekschild wordt gewreven: en ik kon ook het krassende geluid doen ontstaan door
-de op sagrijnleder gelijkende binnenste oppervlakte van de dij tegen den korreligen
-rand van het overeenkomstige dekschild te wrijven; maar ik kon hier volstrekt geen
-eigenlijke rasp ontdekken, en het is niet waarschijnlijk, dat ik die over het hoofd
-zou hebben gezien bij zulk een groot insekt. Nadat ik <i>Cychrus</i> heb onderzocht, en gelezen wat Westring in zijn beide verhandelingen over dien kever
-schreef, schijnt het mij zeer twijfelachtig, of hij een ware rasp bezit, hoewel hij
-het vermogen heeft om een geluid voort te brengen.
-</p>
-<p>Wegens de analogie met de Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) en Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>) verwachtte ik te vinden, dat de sjirporganen bij de Schildvleugeligen (<i>Coleoptera</i>) naar de sekse verschilden; maar Landois die verscheidene soorten zorgvuldig onderzocht,
-nam geen dergelijk verschil waar; evenmin deed zulks Westring, noch de heer G.&nbsp;R.
-Crotch bij het prepareeren der verschillende soorten die hij zoo vriendelijk was mij
-ter onderzoeking te zenden. Een of ander gering seksueel verschil zou echter moeilijk
-zijn te ontdekken, de groote variabiliteit dezer organen in aanmerking genomen. Zoo
-was bij het eerste voorwerp van <i>Necrophorus humator</i> en van <i>Pelobius</i>, dat ik onderzocht, de rasp aanmerkelijk grooter bij het mannetje dan bij het wijfje;
-maar bij volgende voorwerpen niet. Bij <i>Geotrupes stercorarius</i> scheen de rasp mij dikker, ondoorschijnender en meer uitstekend bij drie mannetjes
-dan bij het zelfde aantal wijfjes; mijn zoon, de heer F. Darwin, verzamelde daarom,
-om te ontdekken, of de seksen ten opzichte van haar sjirpvermogen verschillen, 57
-levende voorwerpen welke hij in twee <span class="pageNum" id="pb568">[<a href="#pb568">568</a>]</span>afdeelingen verdeelde, al naar zij, als zij op de zelfde wijze werden vastgehouden,
-een sterker of zwakker geluid voortbrachten. Daarna onderzocht hij hun seksen, maar
-vond, dat in beide afdeelingen de mannetjes ongeveer geheel in de zelfde verhouding
-als de wijfjes waren. De heer F. Smith heeft talrijke levende voorwerpen van <i>Mononychus pseudacori</i> (die tot de Snuitkevers, <i>Curculionidae</i>, behoort) bezeten en is overtuigd, dat beide seksen sjirpen, en, naar het schijnt,
-in gelijke mate.
-</p>
-<p>Desniettemin is het sjirpvermogen bij eenige weinige Schildvleugeligen ongetwijfeld
-een seksueel kenmerk. De heer Crotch heeft ontdekt, dat alleen de mannetjes van twee
-soorten van <i>Heliopathes</i> (tot de Zwartlijven, <i>Tenebrionidae</i>, behoorende) sjirporganen bezitten. Ik onderzocht vijf mannetjes van <i>H. gibbus</i>, en bij deze allen was er een goed ontwikkelde rasp, gedeeltelijk in tweeën verdeeld,
-op de rugvlakte van den laatsten ring van het achterlijf; terwijl bij het zelfde aantal
-wijfjes zelfs geen spoor van een rasp bestond en het vlies van dit segment doorschijnend
-en veel dunner dan bij het mannetje was. Bij <i>H. crilratostriatus</i> heeft het mannetje een soortgelijke rasp, behalve, dat zij niet gedeeltelijk in tweeën
-is gedeeld, en het wijfje mist dit orgaan geheel; maar daarenboven heeft het mannetje
-aan de randen der dekschilden, nabij de spitsen daarvan, aan elke zijde van den naad
-drie of vier korte overlangsche ruggen die door uiterst fijne ribbetjes worden gekruist,
-evenwijdig aan en gelijkende op die van de rasp van het achterlijf; of deze ruggen
-dienen als een afzonderlijke rasp, of als een schrapper voor de rasp van het achterlijf,
-kon ik niet beslissen; het wijfje toont geen spoor van, dit laatste deel.
-</p>
-<p>Bij drie soorten van het tot de Bladsprietige Kevers behoorende geslacht <i>Oryctes</i> hebben wij ook een bijna overeenkomstig geval. Bij de wijfjes van <i>O. gryphus</i> en <i>nasicornis</i> zijn de ribben op de rasp van het propygidium minder samenhangend en minder duidelijk
-dan bij de mannetjes; het voornaamste verschil is echter, dat men ziet, dat de geheele
-bovenste oppervlakte van dezen ring, als men haar in het daartoe geschikte licht beschouwt,
-met haren is bezet, die bij de mannetjes ontbreken of door een uiterst fijn dons worden
-vervangen. Wij moeten hier opmerken, dat bij alle Schildvleugeligen het werkzame deel
-van de rasp onbehaard is. Bij <i>O. senegalensis</i> is het verschil tusschen de seksen sterker uitgedrukt, en dit wordt het best gezien,
-als men den bedoelden ring schoonmaakt en bij doorvallend licht beschouwt. Bij het
-<span class="pageNum" id="pb569">[<a href="#pb569">569</a>]</span>wijfje is de geheele oppervlakte bedekt met kleine, afzonderlijke, met stekels bezette
-kammen, terwijl bij het mannetje deze kammen, naarmate zij de spits naderen, hoe langer
-hoe meer samenvloeien, regelmatig en naakt worden; zoodat drie vierden van den ring
-met uiterst fijne evenwijdige ribbetjes zijn bedekt, die bij het wijfje geheel ontbreken.
-Bij de wijfjes van alle drie deze soorten van <i>Oryctes</i> kan men, als men het achterlijf van een geweekt voorwerp beurtelings naar achteren
-en naar voren duwt, een zwak krassend of sjirpend geluid voortbrengen.
-</p>
-<p>In geval van <i>Heliopathes</i> en <i>Oryctes</i> kan er nauwelijks eenige twijfel bestaan, dat de mannetjes sjirpen, om de wijfjes
-te lokken of op te wekken; maar bij de meeste kevers dient het gesjirp vermoedelijk
-beide seksen tot wederkeerigen loktoon. Deze meening wordt niet onwaarschijnlijk gemaakt,
-doordat kevers sjirpen bij verschillende gemoedsaandoeningen; wij weten, dat vogels
-hun stem voor vele doeleinden gebruiken, behalve dat om voor hun gezellin te zingen.
-De groote Chiasogathus sjirpt van toorn of uit wantrouwen; vele soorten doen het zelfde
-uit smart of vrees, als men ze zoo vasthoudt, dat zij niet kunnen ontsnappen; de heeren
-Wollaston en Crotch waren in staat om op de Kanarische eilanden door tegen holle boomstammen
-te kloppen, de aanwezigheid van kevers, tot het geslacht Acalles behoorende, aan hun
-gesjirp te ontdekken. Het mannetje van Ateuchus, eindelijk, sjirpt om het wijfje bij
-haar werk aan te moedigen en van smart, als men haar wegneemt.<a class="noteRef" id="xd31e21696src" href="#xd31e21696">80</a> Sommige natuuronderzoekers gelooven, dat de kevers dit geluid maken om hun vijanden
-te verschrikken; maar ik kan niet denken, dat viervoetige dieren of vogels die in
-staat zijn de grootere keversoorten met uiterst harde huidpantsers te verslinden,
-zouden worden verschrikt door zulk een zwak knarsend geluid. Het geloof, dat het gesjirp
-tot een seksueele lokstem dient, wordt gesteund door het welbekende feit, dat de Doodskloppertjes
-(<i>Anobium tesselatum</i>) op elkanders getik, of, zooals ik zelf heb waargenomen, op een kunstmatig voortgebracht
-kloppend geluid antwoorden: en de heer Doubleday<a class="noteRef" id="xd31e21704src" href="#xd31e21704">81</a> meldt mij, dat hij twee- of <span class="pageNum" id="pb570">[<a href="#pb570">570</a>]</span>driemaal een tikkend wijfje heeft waargenomen, en haar na verloop van een uur of twee
-met een mannetje verbonden en bij ééne gelegenheid door onderscheidene mannetjes omringd
-vond. Eindelijk schijnt het waarschijnlijk, dat de beide seksen van vele soorten van
-kevers eerst in staat waren elkander te vinden door het zwakke schokkende geluid,
-voortgebracht door het tegen elkander wrijven der nabij elkander gelegen deelen hunner
-harde lichamen, en dat, dewijl de mannetjes en de wijfjes, die het sterkste geluid
-maakten, het best slaagden om gezellen van de andere sekse te vinden, de oneffenheden
-op verschillende deelen van hun lichaam zich allengs door de seksueele teeltkeus tot
-sjirporganen ontwikkelden.
-</p>
-<div id="ch10n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e574">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en10.1" class="first">(<a href="#en10.1src">1</a>) In een brief aan Darwin, gedateerd 19 October 1877, en gepubliceerd in „<span lang="en">Nature</span>” vol. XVII, 1877, blz. 78, zegt Fritz Müller naar aanleiding dezer plaats over het
-verschillend beloop der aderen op de vleugels van vlinders van verschillende sekse:
-„In alle gevallen die ik ken, staat dit verschil in verband met de ontwikkeling van
-vlekken uit eigenaardig gevormde schubben, haarbosjes of andere inrichtingen bij het
-mannetje, welke geuren van zich geven, die ongetwijfeld het wijfje aangenaam zijn,
-en zijn zij waarschijnlijk daardoor ontstaan. Dit is het geval bij de geslachten <i>Mechanitis</i>, <i>Dircenna</i>, bij eenige soorten van <i>Thecla</i> enz.” (Vergelijk aant. 2 op Hoofdstuk XI.)
-</p>
-<p id="en10.2">(<a href="#en10.2src">2</a>) Zie omtrent Mayer’s proeven: „<span lang="en">Amer. Journ. of Science and Arts</span>”, 1874, blz. 94. Volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen aangehaalde verhandeling)
-zou het geluid bij de Diptera worden voortgebracht door uitstrooming van lucht uit
-de in bromtoestellen veranderde voorste en achterste stigmata van het <span class="corr" id="xd31e21743" title="Bron: borsstuk">borststuk</span>. Dicht onder de stigma-opening ligt een ring, de bromring, die van dunne als stembanden
-werkende chitineplaatjes is voorzien, welke door de door tracheeën aangevoerde lucht
-in trilling geraken. Het geluid der Diptera kan dus evenzeer een eigenlijke <i>stem</i> worden genoemd als dat der Homoptera (blz. 444). Volgens J. Perez („<span lang="fr">Compt. rend.</span>” T. LXXXVII, blz. 378) wordt het brommen der Tweevleugeligen en het zachte en weeke
-geluid dat sommige Schubvleugeligen en Netvleugeligen bij het vliegen maken, veroorzaakt
-door trillingen, waarvan de vleugelgewrichten de zitplaatsen zijn, terwijl het min
-of meer wordt gewijzigd door de wrijving der vleugels tegen de lucht. Naar aanleiding
-van de mededeelingen van Perez, schrijft Jousset de Bellesme („<span lang="fr">Compt. rend.</span>” T. LXXXVII, blz. 659), dat alle insecten die, vliegende, meer dan 80 vleugeltrillingen
-per seconde maken, <span class="pageNum" id="pb571">[<a href="#pb571">571</a>]</span>geluid geven, mits de vleugeloppervlakte groot genoeg is. Zoo ontstaat het <i>lage</i> geluid in het gebrom der Tweevleugeligen en Vliesvleugeligen. In dat gebrom is echter
-ook een <i>hoog</i> geluid en dit laatste is een gevolg van trillingen van den thorax, die worden veroorzaakt
-doordat de vliegspieren zich niet inplanten aan de vleugels zelven, maar aan gedeelten
-van den thorax, die de vleugels dragen.
-</p>
-<p>Men zie overigens omtrent de door insekten voortgebrachte geluiden Dr. R. Horst, „De
-Stemwerktuigen der Insekten” (met afbeeldingen), in „Alb. d. Nat.” 1881, blz. 45.
-</p>
-<p id="en10.3">(<a href="#en10.3src">3</a>) De Homoptera worden door de meeste dierkundigen niet als een zelfstandige orde,
-maar slechts als een onderafdeeling van de orde der Hemiptera beschouwd.
-</p>
-<p id="en10.4">(<a href="#en10.4src">4</a>) Volgens Pape („<span lang="de">Handwörterbuch der Griechischen Sprache</span>”, Bd. II, blz. 108, kolom 1, regel 3 v. b.) zou men in Spanje nog heden de Cicaden
-in kooitjes bewaren ter wille van hun gezang.
-</p>
-<p>Dat de oude Grieken het gezang der Cicaden bewonderden, blijkt uit onderscheidene
-plaatsen der oude schrijvers. Zoo weet Homerus (Ilias III, 146–154) de welsprekendheid
-van de oudsten des Trojaanschen volks (de demogeronten) niet beter te verheerlijken,
-dan door ze bij Cicaden te vergelijken<span class="corr" id="xd31e21777" title="Bron: :">;</span> Plato (Phaedr. 230, C) prijst den toon van het koor der Cicaden; Hesiodus (Opera
-et Dies, 583) vermeldt de liefelijkheid van hun gezang; Anakreon wijdt daaraan de
-43ste zijner oden.
-</p>
-<p>Strabo verhaalt (Libr. VI, cap. 1, § 9) het volgende: „De rivier Halex doorboort een
-rots, tusschen Rhegium en Locri Epizephyrii gelegen. De Cicaden op het grondgebied
-der Locriërs geven geluid; de andere zijn stom.<a class="noteRef" id="xd31e21782src" href="#xd31e21782">82</a> Dit schijnt daarvandaan te komen, dat de landstreek aan den kant van Rhegium zeer
-in de schaduw ligt en de Cicaden daar vochtig bedauwd blijven, terwijl die aan den
-kant van Locri zeer aan de zon zijn blootgesteld en een hoornachtige huid hebben,
-zoodat zij een behoorlijk geluid kunnen geven.”
-</p>
-<p>„Te Locri werd een standbeeld getoond van Eunomos den citherspeler, dat een Cicade
-op de cither had zitten. Timaeus verhaalt daaromtrent, dat Eunomos van Locri en Ariston
-van Rhegium eens met elkander wedijverden in het citherspelen bij gelegenheid van
-de Pythische spelen; dat Ariston de hulp van de Delphiërs inriep, omdat zijn voorouders
-priesters van den Delphischen god waren geweest, en omdat van Delphi een volkplanting”
-(naar Rhegium?) „was gezonden; dat, toen Eunomos zeide, dat zij in muziekwedstrijden
-volstrekt geen stem hadden, daar de <i>Cicaden, de welluidendste (!) der dieren</i>, bij hen stom waren, Ariston desniettemin uitmuntte en veel hoop had de overwinning
-te behalen; maar dat Eunomos toch overwinnaar bleef en het bovengenoemde standbeeld
-in zijn vaderstad Locri oprichtte, nadat tijdens den wedstrijd, toen een van zijn
-snaren was gesprongen, een Cicade op de cither was gaan zitten en den ontbrekenden
-toon had aangevuld.”
-</p>
-<p>Bekend is ook de sage van Tithonus die door zijn gemalin Eos (of Hemera, <span class="pageNum" id="pb572">[<a href="#pb572">572</a>]</span>zie Hellanici Fragm., 142, Schol. Homer. II. I, 151) in een Cicade was veranderd,
-uit medelijden voor zijn hulpeloozen ouderdom; hij had namelijk op haar verzoek van
-Zeus de onsterfelijkheid verkregen, doch zij had vergeten daarbij tevens een eeuwige
-jeugd voor hem te vragen (zie hierover ook <i>Erasmi Adagia</i>, in voce <i>longaevitas</i>).
-</p>
-<p>Volgens een andere Grieksche sage waren de Cicaden vroeger menschen geweest, uit het
-slijk der aarde voortgekomen<a class="noteRef" id="xd31e21799src" href="#xd31e21799">83</a>, zij hadden van de Muzen de muziek geleerd en oefenden zelven die kunst met zooveel
-ijver, dat zij er eten en drinken voor vergaten en den hongerdood stierven. De dankbare
-Muzen deden ze als Cicaden herleven en schonken hun het vermogen om zonder voedsel
-te kunnen leven, opdat zij zich ongestoord aan de kunst zouden kunnen wijden.
-</p>
-<p>De Romeinen dweepten niet met het gezang der Cicaden. Dit blijkt o.a. uit een paar
-plaatsen van Virgilius (Ecl. II, 13 en Georg. III, 328), waar hij zingt:
-</p>
-<div lang="la" class="lgouter">
-<p class="line">At mecum raucis, tua dum vestigia lustro, </p>
-<p class="line"><i>Sole sub ardenti resonant arbusta cicadis</i>. </p>
-</div>
-<p class="first">en:
-</p>
-<div lang="la" class="lgouter">
-<p class="line"><i>Et cantu querulae rumpent arbusta cicadae.</i> </p>
-</div>
-<p id="en10.5" class="first">(<a href="#en10.5src">5</a>) Het stemorgaan der Cicaden wordt zeer uitvoerig beschreven en is experimenteel onderzocht
-door Prof. G. Carlet te Grenoble („<span lang="fr">Revue Scientifique</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> 1 Dec. 1877, waar hij ook een vergroote afbeelding heeft gegeven). Elke twijfel schijnt
-opgeheven, dat het in hoofdzaak bestaat uit een vlies, dat door de snelle beweging
-van een daaraan ingeplante spier in trilling wordt gebracht.
-</p>
-<p id="en10.6">(<a href="#en10.6src">6</a>) Wellicht behoort onder de secundaire seksueele kenmerken bij de Homoptera melding
-te worden gemaakt van het lichtend vermogen dat, volgens sommigen, de soorten van
-de familie der Lantaarndragers zouden bezitten. De eerste die daarvan melding heeft
-gemaakt en het zelf zou hebben waargenomen, was Mejuffrouw Maria Sibylla Merian. Daar
-later echter het bestaan van dit lichtend vermogen door andere natuuronderzoekers
-welke die dieren in hun vaderland waarnamen, niet alleen niet werd bevestigd, maar
-zelfs formeel tegengesproken, kwamen de meeste dierkundigen tot de overtuiging, dat
-het bericht van Mejuffrouw Merian op een dwaling moest berusten, totdat voor eenige
-jaren de heer J. Smith eenige waarnemingen omtrent den Chineeschen Lantaarndrager
-(<i>Fulgora candelaria</i>) publiek maakte; hij beweert, dat dit dier van Mei tot in Augustus niet zeldzaam
-is, en dat in die maanden de spits van de lantaarn (het blazige, vooruitstekende deel
-van den kop) een blauw of groenachtig licht verspreidt, dat bij het wijfje sterker
-is dan bij het mannetje en na de paring geheel verdwijnt.<a class="noteRef" id="xd31e21834src" href="#xd31e21834">84</a> Deze laatste omstandigheid zou kunnen verklaren, hoe zoovele waarnemers hebben kunnen
-volhouden, dat het lichtgevend vermogen een sprookje was; ook onze gewone mannelijke
-Glimworm intusschen geeft dikwijls geen licht.
-</p>
-<p>Tot de Orde of Onder-Orde der Homoptera behoort ook de zeer merkwaardige <span class="pageNum" id="pb573">[<a href="#pb573">573</a>]</span>familie der Membraciden, bij welke groep het voorborststuk (prothorax) allerlei grillige
-fantastisch gevormde uitsteeksels vertoont, welke aan deze insekten een allerzonderlingst
-uiterlijk geven. Daar het mij niet onwaarschijnlijk voorkwam, dat deze uitsteeksels
-door seksueele teeltkeus waren ontstaan, richtte ik tot wijlen onzen kundigen entomoloog
-Mr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> S.&nbsp;C. Snellen van Vollenhoven, de vraag, of er in de grootte en den vorm dezer uitsteeksels
-eenig verschil tusschen de seksen bestond. Hij antwoordde mij, dat hij zulks niet
-geloofde.
-</p>
-<p>Desniettemin kunnen deze uitsteeksels die bij nauw verwante soorten zeer sterk verschillen,
-zeer wel door seksueele teeltkeus zijn ontstaan, hetzij dan dat de aldus oorspronkelijk
-door de eene sekse verkregen kenmerken later op de andere werden overgeplant, of dat
-beide seksen door wederkeerige teeltkeus tegelijkertijd in deze richting werden veranderd.
-</p>
-<p id="en10.7">(<a href="#en10.7src">7</a>) Het grootste en sterkste muziekinstrument bezit een soort van Sabelsprinkhaan van
-Java en Borneo, <i>Macrolyristes</i> genaamd.
-</p>
-<p>Dat de door de mannetjes der Sabelsprinkhanen met hun instrument<a class="noteRef" id="xd31e21856src" href="#xd31e21856">85</a> voortgebrachte muziek werkelijk dient tot seksueele lokstem en dat het wijfje werkelijk
-een keus tusschen verschillende mannetjes doet en niet met het eerste het beste paart,
-blijkt o.a. overtuigend uit een waarneming van wijlen onzen kundigen entomoloog Mr.
-S.&nbsp;C. Snellen van Vollenhoven, die hij in zijn uitnemend, reeds meer aangehaald werk
-„Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz. 87, in zijn gewonen
-onderhoudenden stijl met de volgende woorden mededeelt:
-</p>
-<p>„Ik herinner mij, dat ik eens kwam op een glooienden grond met een vergezicht dat
-mij uitlokte om er lang naar te zien,—dat mij uitlokte om te gaan liggen om er naar
-te blijven zien”.….
-</p>
-<p>.…. „Terwijl ik daar lag roerloos als een doode op de ademhaling na, hoor ik een licht
-geritsel aan mijn zijde, een <i>hrr</i>, <i>hrr</i>, zeer flauw, maar kenbaar geslaakt om attentie te trekken. Ik zie naar dien kant,
-doch bespeur niets; korten tijd daarna wordt het geluid herhaald, ik zoek nauwlettender
-met de oogen, en op de zelfde oogenblik springt mij een kleine sprinkhaan op den arm.
-Het spreekt van zelf, dat ik het diertje niet verontrustte, noch wegjoeg, maar in
-<span class="corr" id="xd31e21874" title="Bron: afwachling">afwachting</span> bleef wien zijn roepstem gold. Hij sjirpte weder, en het was mij of zijn geluid helderder
-was; misschien maakten wij beiden de zelfde opmerking, want nu barstte zijn muzikaal
-talent eerst recht los, en met intervallen van eenige seconden sjirpte hij wat hij
-kon. Gelukkig niet te vergeefs; zijn roepstem was gehoord. Evenals men op de oude
-platen der bijbelsche prentenboeken bij de offerande van Abraham altijd een ramskop
-tusschen de struiken afgebeeld ziet, zoo verscheen mij op kleinen afstand tusschen
-de grassprietjes een andere sprinkhaankop. Het duurde eenigen tijd eer deze tweede
-sprinkhaan behoedzaam durfde naderen, doch langzamerhand legde het diertje alle vrees
-af en kwam<span class="corr" id="xd31e21877" title="Bron: ;">,</span> gelokt door de liefelijke tonen, nader en nader, toen ik in de verte, als het hoorngeluid
-van <span class="ex">Hernani</span>, een tweede <i>hrr</i>, <i>hrr</i> hoorde weêrklinken. De tweede <span class="pageNum" id="pb574">[<a href="#pb574">574</a>]</span>sprinkhaan bleef staan en luisterde; de minnaar riep haar met aandrang, met gevoel,
-maar de medeminnaar sprong dichterbij en sjirpte weder. Deze laatste kreet besliste
-de zaak; het bleek dat dit de toon niet was, waarmede men vrouwenharten verovert,
-want de geliefde wendde zich tot den eersten zanger, en beide—eensgezind—sprongen
-op en over mij heên om in het gras een offerande te brengen aan moeder Isis, de alles
-onderhoudende.”
-</p>
-<p>Zoo schreef Mr. S.&nbsp;C. Snellen van Vollenhoven, tegenstander der Darwinistische beginselen,
-in 1870, vóór Darwin’s boek over seksueele teeltkeus was uitgekomen. In 1871, na het
-verschijnen van dit boek, op de zomervergadering der Nederlandsche Entomologische
-Vereeniging, ontkende hij daarentegen, nadat ik een discussie over het Darwinisme
-had uitgelokt, dat, zelfs bij de hoogere dieren, laat staan bij de lagere, het wijfje
-een keus deed tusschen verschillende mannetjes; „integendeel”, zeide hij, „het wijfje
-paart niet dan na daartoe formeel te zijn genoodzaakt, maar neemt dan ook het eerste
-het beste mannetje aan!” Het is niet onaardig op te merken, hoe zelfs de tegenstanders
-van Darwin’s leer huns ondanks bouwstoffen verzamelen, die haar de zegepraal helpen
-verzekeren.
-</p>
-<p id="en10.8">(<a href="#en10.8src">8</a>) Volgens Goureau zouden er soorten van Veldsprinkhanen zijn, die wel de dijen tegen
-de randen der vleugels wrijven, doch daarbij geen geluid voortbrengen. Waarschijnlijk
-wordt er wel degelijk een toon voortgebracht, doch is deze te hoog om door het menschelijk
-oor te kunnen worden waargenomen.<a class="noteRef" id="xd31e21896src" href="#xd31e21896">86</a> Vele menschen kunnen zelfs het voor anderen zoo vervelende krieken van den Huiskrekel
-volstrekt niet waarnemen.
-</p>
-<p id="en10.9">(<a href="#en10.9src">9</a>) De Nederlandsche bewoners van de Kaapkolonie noemen dit dier daarom <i>Blaasop</i><span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p id="en10.10">(<a href="#en10.10src">10</a>) Het komt mij voor, dat men het ontstaan van het stemorgaan der Diptera even goed
-kan verklaren door seksueele teeltkeus als in het geval van Kevers bij welke beide
-seksen sjirpen (blz. 467 v.v.)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Gaat bij de Diptera en sommige andere insekten die verklaring niet door, dan wordt
-het mijns inziens ook minder waarschijnlijk, dat zij in andere gevallen de juiste
-is. Hebben de Diptera en sommige andere insekten het vermogen om geluid voort te brengen,
-verkregen zonder de inwerking der seksueele teeltkeus, dan zou het vreemd zijn, dat
-zij de eenigen waren, en dan is het ook onnoodig bij Kevers, bij welke beide seksen
-sjirpen, dat beginsel ter verklaring te hulp te roepen. Het ligt overigens voor de
-hand, dat ook bij de Diptera die individu’s van beiderlei sekse, die eenigermate het
-vermogen bezaten om geluid voort te brengen, elkander gemakkelijker konden vinden
-dan andere, derhalve grooter kans hadden om nakomelingschap na te laten dan deze,
-en op die nakomelingschap het vermogen om geluid voort te brengen overplantten, terwijl
-die nakomelingen welke het vermogen om geluid voort te brengen, in de sterkste mate
-bezaten, op hun beurt de kans hadden zich het sterkst te vermenigvuldigen. Ik geloof
-dus, dat wij ook in dit geval de werking der seksueele teeltkeus moeten aannemen,
-doch, zoo wij dit niet willen, ook geen recht hebben haar in andere gevallen waarin
-beide seksen sjirpen, aan te nemen.
-<span class="pageNum" id="pb575">[<a href="#pb575">575</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e20011">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20011src">1</a></span> Sir J. Lubbock, „<span lang="en">Transact. Linnean Soc.</span>”, vol. XXV, 1866, blz. 484. Ten opzichte der Mutillen zie Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. II, blz. 213.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20011src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20022">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20022src">2</a></span> Deze organen van het mannetje verschillen dikwijls bij nauw verwante soorten, en leveren
-uitnemende soortskenmerken op. Hun belangrijkheid ten <span class="pageNum" id="pb532n">[<a href="#pb532n">532</a>]</span>opzichte hunner functie heeft men echter, volgens een opmerking die de heer R. MacLachlan
-mij maakte, waarschijnlijk te hoog geschat. Men heeft beweerd, dat kleine verschillen
-in deze organen voldoende zouden zijn om de kruising tusschen goed uitgedrukte verscheidenheden
-of beginnende soorten te voorkomen, en derhalve haar ontwikkeling bevorderen. Dat
-dit moeielijk het geval kan zijn, mogen wij afleiden uit vele gevallen, die zijn opgeteekend
-van verschillende soorten, die in copulatie met elkander zijn waargenomen. (Zie b.v.
-Bronn, „<span lang="de">Geschichte der Natur</span>”, Bd. II, 1843, blz. 164, en Westwood, „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, vol. III, 1842, blz. 195). De heer MacLachlan deelt mij mede, (zie „<span lang="de">Stett. Ent. Zeitung</span>”, 1867, blz. 155), dat, toen verschillende soorten van Kokerjuffers (<i>Phryganidae</i>), die sterk uitgesproken verschillen van deze soort vertoonen, door Dr. Aug. Meyer
-bij elkander werden opgesloten, <i>zij met elkander paarden</i>, en dat één paar vruchtbare eieren voortbracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20022src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20044">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20044src">3</a></span> „<span lang="en">The Practical Entomologist</span>”, Philadelphia, vol. II, Mei 1867, blz. 88.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20044src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20054">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20054src">4</a></span> De heer Walsh, ibid., blz. 107.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20054src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20062">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20062src">5</a></span> „<span lang="en">Modern Classification of Insects</span>”, vol. II, 1840, blz. 106, 205. De heer Walsh, die mijn aandacht vestigde op dit
-dubbel gebruik der kaken, zegt, dat hij het feit herhaaldelijk heeft waargenomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20062src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20108">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20108src">6</a></span> Wij hebben hier een merkwaardig en onverklaarbaar geval van dimorphisme; want sommige
-van de wijfjes van vier Europeesche soorten van Dytiscus hebben gladde dekschilden;
-en er zijn geen overgangen tusschen gegroefde of van verdiepte stippels voorziene
-en geheel gladde dekschilden waargenomen. Zie Dr. H. Schaum, aangehaald in de „<span lang="en">Zoologist</span>”, vol. V–VI, 1847–48, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 1896. Evenzoo Kirby en Spence, „<span lang="en">Introduction to Entomology</span>”, vol. III, 1826, blz. 305.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20108src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20123">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20123src">7</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class.</span>”, vol. II, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 193. De volgende mededeelingen omtrent Penthe en andere, tusschen aanhalingstekens
-geplaatst, zijn ontleend aan den heer Walsh, „<span lang="en">Practical Entomologist</span>”, Philadelphia, vol. II, blz. 88.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20123src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20143">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20143src">8</a></span> Kirby en Spence, „<span lang="en">Introduction</span>”, enz., vol. III, blz. 332–336.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20143src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20159">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20159src">9</a></span> E. Doubleday, „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, vol. I, 1848, blz. 379. Ik kan er bijvoegen, dat bij sommige Vliesvleugelige Insekten
-(Hymenoptera) het beloop der aderen op de vleugels bij de twee seksen verschilt (zie
-Shuckard, „<span lang="en">Fossorial Hymenop.</span>”, 1837, blz. 39–43).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20159src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20172">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20172src">10</a></span> H.&nbsp;W. Bates, in „<span lang="en">Journal of Proc. Linn. Soc.</span>”, vol VI, 1862, blz. 74. De waarnemingen van den heer Wonfor worden aangehaald in
-„<span lang="en">Popular Science Review</span>”, 1868, blz. 343.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20172src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20193">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20193src">11</a></span> „<span lang="en">The Naturalist in Nicaragua</span>”, 1874, blz. 316–320. Over het lichten der eieren, zie „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist.</span>”, 1871, Nov., blz. 372.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20193src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20207">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20207src">12</a></span> <span lang="en">Kirby and Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III</span>, blz. 209.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20207src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20214">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20214src">13</a></span> Robinet, „<span lang="fr">Vers à Soie</span>”, 1848, blz. 207.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20214src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20228">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20228src">14</a></span> „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, 3rd series, vol. V, blz. 386.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20228src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20237">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20237src">15</a></span> „<span lang="en">Journal of Proc. Ent. Soc.</span>”, 4 Febr. 1867, blz. LXXI.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20237src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20257">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20257src">16</a></span> Voor deze en andere mededeelingen omtrent de grootte der seksen, zie Kirby en Spence,
-ibid., vol. III, blz. 300; over den levensduur der Insekten, ibid., blz. 444.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20257src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20304">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20304src">17</a></span> „<span lang="en">Transact. Linnean Soc.</span>”, vol. XXVI, 1868, blz. 296.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20304src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20324">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20324src">18</a></span> „<span lang="en">The Malay Archipelago</span>”, vol. II, 1869, blz. 313.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20324src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20330">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20330src">19</a></span> „<span lang="en">Modern Classification of Insects</span>”, vol. II, 1840, blz. 526.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20330src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20339">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20339src">20</a></span> „<span lang="de">Anwendung</span>” enz. „<span lang="de">Verh. d. n. V. Jahrg.</span>”, XXIV, blz. 80. Mayer, in „<span lang="en">American Naturalist</span>”, 1874, blz. 236.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20339src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20363">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20363src">21</a></span> Zie het hoogst belangwekkende werk van den heer B.&nbsp;F. Laune, „<span lang="en">On the Anatomy of the Blow-Fly, Musea vomitoria</span>”, 1870, blz. 14.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20363src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20388">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20388src">22</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. II, blz. 473.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20388src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20416">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20416src">23</a></span> Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Westwood’s „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. II, 1840, blz. 422. Zie ook, over de Fulgoridae, Kirby and Spence, „Introduct.”,
-vol. II, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 401.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20416src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20435">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20435src">24</a></span> „<span lang="de">Zeitschrift für wissenschaft. Zoolog.</span>”, Bd. XVII, 1867, blz. 152–158.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20435src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20445">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20445src">25</a></span> „<span lang="en">Transact. New-Zeeland Institute</span>”, vol. V, 1873, blz. 286.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20445src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20463">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20463src">26</a></span> Ik ben het volgende verschuldigd aan den heer Walsh, die mij dit uittreksel van een
-„<span lang="en">Journal of the Doings of <span lang="la">Cicada septemdecim</span></span>” door Dr. Hartman, heeft gezonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20463src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20497">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20497src">27</a></span> L. Guilding, „<span lang="en">Transact. Linn. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, vol. XV, blz. 154.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20497src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20505">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20505src">28</a></span> Köppen, aangehaald in de „<span lang="en">Zoological Record</span>” voor 1867, blz. 460.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20505src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20511">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20511src">29</a></span> Gilbert White, „<span lang="en">Nat. Hist. of Selborne</span>”, vol. II, 1825, blz. 252.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20511src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20523">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20523src">30</a></span> Harris, „<span lang="en">Insects of New England</span>”, 1842, blz. 128.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20523src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20535">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20535src">31</a></span> „<span lang="en">The Naturalist on the Amazons</span>”, vol. 1, blz. 252. De heer Bates bespreekt op zeer belangwekkende wijze de overgangen
-tusschen de muziekinstrumenten der drie families. Zie ook Westwood, „<span lang="en">Modern Class.</span>”, vol. II, blz. 445 en 453.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20535src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20544">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20544src">32</a></span> „<span lang="en">Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.</span>”, vol. XI, April 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20544src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20550">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20550src">33</a></span> „<span lang="fr">Nouveau Manuel d’Anat. Comp.</span>” (Fransche vertaling), tome I, 1850, blz. 567.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20550src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20578">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20578src">34</a></span> „<span lang="de">Zeitschrift für Wissenschaft. Zoolog.</span>”, Bd. XVII, 1867, blz. 117.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20578src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20586">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20586src">35</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. I, blz. 440.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20586src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20610">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20610src">36</a></span> „<span lang="de">Ueber den Ton-apparat der Locustiden, ein Beitrag zum Darwinismus</span>”, „<span lang="de">Zeitschr. f. wiss. Zoölog.</span>”, Bd. XXII, 1872, blz. 100.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20610src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20652">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20652src">37</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. I, blz. 453<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20652src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20678">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20678src">38</a></span> Landois, ibid., blz. 121, 122.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20678src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20688">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20688src">39</a></span> De heer Walsh deelt mij mede, dat hij heeft opgemerkt, dat het wijfje van <i lang="la">Platyphyllum concavum</i>, als men het vangt, een zwak knarsend geluid maakt door haar boven vleugels tegen
-elkander te wrijven.<span id="xd31e20693"></span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20688src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20724">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20724src">40</a></span> Landois, ibid., blz. 117.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20724src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20729">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20729src">41</a></span> „<span lang="en">Insects of New England</span>”, 1842, blz. 133.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20729src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20744">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20744src">42</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Classification</span>”, vol. I, blz. 462.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20744src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20762">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20762src">43</a></span> Westwood, ibid., vol. I, blz. 453.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20762src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20765">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20765src">44</a></span> Landois, ibid., blz. 115, 116, 120, 122.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20765src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20775">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20775src">45</a></span> Landois heeft eenige jaren geleden bij sommige Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) rudimentaire organen gevonden, die zeer sterk gelijken op de geluidvoortbrengende
-organen der Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>) en dit is een verwonderlijke zaak. Zie „<span lang="de">Zeitschr. für wissensch. Zoölog.</span>”, B. XXII, Heft 3, 1871, blz. 348.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20775src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20787">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20787src">46</a></span> „<span lang="en">Transact. Ent. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, 3rd. series, vol. II („<span lang="en">Journal of Proceedings</span>”), blz. 117.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20787src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20805">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20805src">47</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. I, blz. 427; voor de Krekels blz. 445.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20805src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20811">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20811src">48</a></span> De heer Ch. Horne in „<span lang="en">Proc. Ent. Soc.</span>”, 3 Mei, 1869, blz. XII.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20811src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20817">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20817src">49</a></span> De <i lang="la">Oecanthus nivalis</i>. Harris, „<span lang="en">Insects of New England</span>”, 1842, blz. 124.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20817src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20833">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20833src">50</a></span> Platyblemnus: Westwood, „<span lang="en">Modern Class.</span>”, vol. I, blz. 447.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20833src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20846">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20846src">51</a></span> B.&nbsp;D. Walsh, de Pseudo-Neuroptera van Illinois, in „<span lang="en">Proc. Ent. Soc. of Philadelphia</span>”, 1862, blz. 361.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20846src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20856">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20856src">52</a></span> „<span lang="en">Modern Class.</span>”, vol. II, blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20856src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20865">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20865src">53</a></span> Walsh, ibid., blz. 381. Ik ben de volgende feiten over Hetaerina, Anax en Gomphus
-aan dezen natuuronderzoeker verschuldigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20865src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20883">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20883src">54</a></span> „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, vol. I, 1836, blz. LXXXI.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20883src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20903">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20903src">55</a></span> Zie uittreksel in de „<span lang="en">Zoological Record</span>” voor 1867, blz. 450.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20903src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20926">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20926src">56</a></span> Kirby en Spence, „<span lang="en">Introduction to Entomology</span>”, vol. II, 1818, blz. 35.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20926src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20939">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20939src">57</a></span> Zie een belangwekkend artikel, „<span lang="en">The Writings of Fabre</span>”, in „<span lang="en">Nat. Hist. Review</span>”, April, 1862, blz. 122.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20939src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20948">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20948src">58</a></span> „<span lang="en">Journal of Proc. of Entomolog. Soc.</span>”, Sept. 1863, blz. 169.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20948src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20961">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20961src">59</a></span> P. Huber, „<span lang="fr">Recherches sur les Moeurs des Fourmis</span>”, 1810, blz. 150, 165.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20961src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e20974">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e20974src">60</a></span> „<span lang="en">Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia</span>”, 1866, blz. 238–239.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e20974src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21001">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21001src">61</a></span> „<span lang="de">Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen</span>”, Verh. d. n. Jahrg. XXIX.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21001src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21009">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21009src">62</a></span> De heer Perrier maakt in zijn artikel „<span lang="fr">La Sélection sexuelle d’après Darwin</span>” („<span lang="fr">Revue Scientifique</span>”, Febr. 1873, blz. 868), zonder naar het schijnt veel over de zaak te hebben nagedacht,
-de tegenwerping, dat, daar men weet, dat de mannetjes van sociale bijen voortkomen
-uit onbevruchte eieren, zij geen nieuwe kenmerken op hun mannelijke nakomelingschap
-kunnen overbrengen. Dit is een buitengewone tegenwerping. Een vrouwelijke bij, bevrucht
-door een mannetje dat een of ander kenmerk bezat, waardoor de vereeniging der seksen
-gemakkelijker werd gemaakt, of dat hem aantrekkelijker voor het wijfje maakte, zal
-eieren leggen, waaruit alleen wijfjes zullen voortkomen; maar deze jonge wijfjes zullen
-het volgende jaar mannetjes voortbrengen; en zal men nu beweren, dat dergelijke mannetjes
-de kenmerken van hun grootvaders niet kunnen erven? Om een geval te nemen met gewone
-dieren, dat zoo dicht mogelijk daarbij komt: indien een wijfje van eenig wit viervoetig
-dier of vogel werd gekruist met een mannetje van zwart ras, en hun mannelijke en vrouwelijke
-jongen met elkander werden gepaard, zal men dan beweren, dat de kleinkinderen niet
-een aanleg tot zwartheid van hun grootvaders zouden kunnen erven? Het verkrijgen van
-nieuwe kenmerken door de onvruchtbare werkbijen is een veel moeielijker geval, maar
-ik heb in mijn „Ontstaan der Soorten” trachten aan te toonen, op welke wijze deze
-onvruchtbare wezens worden onderworpen aan de macht der natuurlijke teeltkeus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21009src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21026">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21026src">63</a></span> Aangehaald bij Westwood, „<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. II, blz. 214.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21026src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21093">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21093src">64</a></span> <i>Pyrodes pulcherrimus</i>, bij welke de seksen in ’t oog loopend verschillen, is door den heer Bates beschreven
-in „<span lang="en">Transact. Ent. Soc<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”, 1862, blz. 50. Ik zal eenige weinige andere gevallen opnoemen, waarin ik van een
-verschil in kleur tusschen de seksen van kevers hoorde. Kirby en Spence („<span lang="en">Introduct. to Entomology</span>”, vol. III, blz. 301) vermelden een Cantharis, Meloe, Rhagium en de <i>Leptura testacea</i>; het mannetje van deze laatste is bruinachtig van kleur, met een zwart borststuk
-en het wijfje over het geheele lichaam dof <span class="pageNum" id="pb556n">[<a href="#pb556n">556</a>]</span>rood. Deze twee laatste kevers behooren tot de familie der Boktorren (Longicornia).
-De heeren R. Trimen en Waterhouse jun. geven mij bericht omtrent twee Bladsprietige
-Kevers (Lamellicornia), namelijk een Peritrichia en Trichius, het mannetje van den
-laatsten is donkerder gekleurd dan het wijfje. Bij <i>Tillus elongatus</i> is het mannetje zwart en het wijfje, naar men meent, altijd van een donker blauwe
-kleur met een rood borststuk (<i>thorax</i>). Ook het <span class="corr" id="xd31e21112" title="Bron: mnnnetje">mannetje</span> van <i>Orsodacna atra</i> is, naar ik van den heer Walsh hoor, zwart, terwijl het wijfje (de zoogenaamde <i>O. ruficollis</i>) een roodachtig bruin borststuk heeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21093src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21189">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21189src">65</a></span> „<span lang="en">Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia</span>”, 1864, blz. 228.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21189src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21208">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21208src">66</a></span> Kirby en Spence, „<span lang="en">Introduct. Entomolog.</span>”, vol. III, blz. 300.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21208src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21331">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21331src">67</a></span> Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 329.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21331src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21355">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21355src">68</a></span> „<span lang="en">Modern Classification of Insects</span>”, vol. I, blz. 172. Op de zelfde bladzijde vindt men een beschrijving van <i>Siagonium</i>. Op het Britsch Museum merkte ik één mannelijk voorwerp van <i>Siagonium</i> in een tusschenbeidenstaanden toestand op, zoodat het dimorphisme niet streng doorgaat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21355src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21395">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21395src">69</a></span> „<span lang="en">The Malay Archipelago</span>”, vol. II, 1869, blz. 276.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21395src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21412">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21412src">70</a></span> „<span lang="en">Entomological Magazine</span>”, vol. II, 1833, blz. 82. Zie ook omtrent de <span class="pageNum" id="pb563n">[<a href="#pb563n">563</a>]</span>gevechten van deze soort, Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 314; en Westwood,
-ibid., vol. I, blz. 187.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21412src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21429">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21429src">71</a></span> Aangehaald door Fischer, in „<span lang="fr">Dict. Class. d’Hist. Nat.</span>”, tome X, blz. 324.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21429src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21437">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21437src">72</a></span> „<span lang="fr">Ann. Soc. Entomolog. France</span>”, 1866, aangehaald in „<span lang="en">Journal of Travel</span>”, door A. Murray, 1868, blz. 135.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21437src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21464">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21464src">73</a></span> Westwood, „<span lang="en">Modern Class.</span>”, I, blz. 184.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21464src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21473">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21473src">74</a></span> Wollaston, over eenige muziekmakende Snuitkevers (<i>Curculionidae</i>), „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist.</span>”, vol. VI, 1860, blz. 14.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21473src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21507">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21507src">75</a></span> „<span lang="de">Zeitschrift für wiss. Zoolog.</span>”, Bd. XVII, 1867, blz. 127.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21507src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21522">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21522src">76</a></span> Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer G.&nbsp;R. Crotch, zoowel wegens de toezending
-van talrijke geprepareerde voorwerpen van verschillende <span class="pageNum" id="pb565n">[<a href="#pb565n">565</a>]</span>torren, tot deze drie Families en andere behoorende, als wegens belangrijke inlichtingen
-van allerlei soort. Hij gelooft, dat het sjirpvermogen bij <i>Clythra</i> nog nooit te voren was waargenomen. Ik ben ook veel dank verschuldigd aan den heer
-E.&nbsp;W. Janson voor inlichtingen en voorwerpen. Ik mag hierbij voegen, dat mijn zoon,
-de heer F. Darwin, heeft ontdekt, dat <i>Dermestes murinus</i> sjirpt, maar hij zocht te vergeefs het daartoe dienende orgaan. <i>Scolytus</i> is onlangs door den heer Algen als een sjirpend insekt beschreven in het „<span lang="en">Edinburgh Monthly Magazine</span>”, 1869, Nov., 130.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21522src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21543">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21543src">77</a></span> Schiödte, vertaald in „<span lang="en">Annals and Mag. of Nat. Hist.</span>”, vol. XX, 1867, blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21543src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21553">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21553src">78</a></span> Westring heeft (Kroyer, „<span lang="da">Naturhist. Tidskrift</span>”, Bd. II. 1848–1849, blz. 334) de sjirporganen zoowel bij deze twee, als bij andere
-Families beschreven. Van de Loopkevers (<i>Carabidae</i>) heb ik <i>Elaphrus uliginosus</i> en <i>Blethisa multipunctata</i> onderzocht, mij door den heer Crotch toegezonden. Bij Blethisa worden de dwarse ruggen
-op den gerimpelden rand van den ring van het achterlijf, voor zoover ik kon beoordeelen,
-niet gebruikt om de raspen op de dekschilden te schrappen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21553src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21603">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21603src">79</a></span> Ik ben aan den heer Walsh, van Illinois, dank verschuldigd voor de toezending van
-uittreksels uit Leconte’s „<span lang="en">Introduction of Entomology</span>”, blz. 101, 143.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21603src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21696">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21696src">80</a></span> De heer P. de la Brulerie, aangehaald in „<span lang="en">Journal of Travel</span>”, A. Murray, vol. I, 1868, blz. 135.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21696src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21704">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21704src">81</a></span> De heer Doubleday meldt mij, dat „het geluid wordt voortgebracht, doordat het insekt
-zich zoo hoog, als het kan, op zijn pooten verheft, en dan zijn borststuk vijf of
-zes malen in snelle opeenvolging tegen de zelfstandigheid slaat, waarop het zit.”
-Voor mededeelingen aangaande dit onderwerp, zie Landois, „<span lang="de">Zeitschrift für wissens<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zoolog.</span>”, Bd. XVII, blz. 131. Olivier <span class="pageNum" id="pb570n">[<a href="#pb570n">570</a>]</span>(aangehaald bij Kirby en Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 325) zegt, dat het wijfje
-van <i>Pimelia striata</i> een vrij sterk geluid voortbrengt door met haar achterlijf tegen de eene of andere
-harde zelfstandigheid te kloppen, „en dat het mannetje, aan dezen loktoon gehoor gevende,
-haar spoedig volgt, waarop zij paren.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21704src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21782">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21782src">82</a></span> De sage zegt, dat Hercules, aan den Rhegiaanschen oever der rivier willende uitrusten,
-zoo werd gehinderd door het gesjirp der Cicaden, dat hij Zeus bad ze te doen verstommen.
-Zijn bede werd verhoord; aan den Rhegiaanschen oever werd na dien tijd nooit weêr
-het geluid van een Cicade vernomen, terwijl de Locrische oever van hun eentonig gesjirp
-bleef weêrgalmen. Deze fabel bewijst, dat er toch ook wel Grieken waren, die minder
-bewondering voor het gezang der Cicaden gevoelden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21782src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21799">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21799src">83</a></span> Vandaar hadden de Atheners van goeden huize gouden Cicaden op het voorhoofd, of op
-de kruin van het hoofd in de haren gevlochten, of op het gevest van het zwaard, als
-zinnebeeld, dat zij <i>autochthonen</i> waren (Thucyd. I, 6; Scholiast op Aristophan.; Nubes vs. 984; Athenaeus XII, 512,
-6; Virgilius, Ciris, 126).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21799src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21834">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21834src">84</a></span> „<span lang="en">Proc. Ent. Soc. of Lond.</span>”, 1864, blz. 13.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21834src" title="Ga terug naar noot 84 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21856">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21856src">85</a></span> Wij spreken hier van <i>Sabelsprinkhanen</i>, daar wij onderstellen, dat de hieronder medegedeelde waarneming van Mr. S.&nbsp;C. Snellen
-van Vollenhoven betrekking heeft op een der tot die familie behoorende soorten. Wanneer
-wij ons hierin vergissen en de bedoelde soort een der Veldsprinkhanen is, dan blijft
-onze redeneering toch volkomen in haar geheel; men heeft hier dan slechts te lezen
-<i>Veldsprinkhanen</i>, en het hier opgemerkte bij <span class="corr" id="xd31e21862" title="Bron: aanteekeding">aanteekening</span> 7 in plaats van bij aanteekening 6 te voegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21856src" title="Ga terug naar noot 85 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21896">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21896src">86</a></span> De grenzen der waarneembare tonen zijn bij alle menschen niet geheel de zelfde. Helmholtz
-neemt aan, dat gemiddeld de laagste waarneembare toon overeenstemt met 16 trillingen
-per seconde, de hoogste waarneembare toon met 38000 trillingen per seconde. Elke toon
-die derhalve met minder dan 16 of meer dan 38000 trillingen per seconde overeenstemt,
-maakt geen indruk op ons gehoorwerktuig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21896src" title="Ga terug naar noot 86 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e583">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ<span id="xd31e21921"></span> DE INSEKTEN, VERVOLG—ORDE DER SCHUBVLEUGELIGEN (<i>Lepidoptera</i>).</h2>
-<div class="argument">
-<p class="first">Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan beide seksen gemeen
-of het schitterendst bij de mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de
-rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming geschikt
-zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—Oorzaken
-van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke Dagvlinders
-die fraaier gekleurd zijn dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht
-en slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der Insekten.—Vergelijking
-tusschen Vogels en Insekten.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In deze groote Orde is het belangrijkste punt voor ons het verschil in kleur tusschen
-de seksen van ééne en de zelfde soort. Bijna het geheele volgende hoofdstuk zal aan
-dit onderwerp zijn gewijd; maar ik zal eerst eenige weinige opmerkingen maken over
-een of twee andere punten. Men kan dikwijls zien hoe verscheidene mannetjes rondom
-het zelfde wijfje vliegen en haar vervolgen. Hun vrijage schijnt een langdurige zaak
-te zijn; want ik heb dikwijls mannetjes bespied, die rondom een wijfje fladderen,
-totdat het mij eindelijk verveelde, zonder het eind van de vrijage te zien. Hoewel
-Dagvlinders zulke zwakke en broze schepsels zijn, zijn ze toch strijdlustig, en men
-heeft een Irisvlinder<a class="noteRef" id="xd31e21929src" href="#xd31e21929">1</a> gevangen, bij welken de punten van de vleugels in een gevecht met een ander mannetje
-waren gebroken. De heer Collingwood zegt, sprekende van de veelvuldige gevechten tusschen
-de kapellen van Borneo: „Zij dwarrelen met de grootste snelheid om elkander heên en
-schijnen met de grootste verwoedheid te zijn bezield.”
-<span class="pageNum" id="pb576">[<a href="#pb576">576</a>]</span></p>
-<p>Er is een geval bekend van een Dagvlinder, namelijk <i>Ageronia feronia</i>, die een geluid maakt, gelijkende op dat hetwelk wordt voortgebracht door een tandrad
-dat onder een springhaak doorloopt en dat op den afstand van verscheiden ellen kan
-worden gehoord. Te Rio <span class="corr" id="xd31e21944" title="Niet in bron">de </span>Janeiro werd dit geluid alleen door mij opgemerkt, als twee dergelijke kapellen elkander
-in onregelmatige vlucht nazaten, zoodat het waarschijnlijk alleen wordt gemaakt gedurende
-de vrijage van de seksen; maar ik verzuimde op dit punt nauwkeurig acht te slaan.<a class="noteRef" id="xd31e21946src" href="#xd31e21946">2</a>
-</p>
-<p>Ook sommige nachtvlinders brengen geluiden voort; bij voorbeeld de mannetjes van <i>Thecophora fovea</i>. Bij twee gelegenheden hoorde de heer F. Buchanan White<a class="noteRef" id="xd31e21959src" href="#xd31e21959">3</a> een scherp, kort geluid, voortgebracht door het mannetje van <i>Hylophila prasinana</i>, en dat hij gelooft, dat evenals bij <i>Cicada</i> door een veerkrachtig vlies, van een spier voorzien, wordt voortgebracht. Hij haalt
-ook Guenée aan om te bewijzen, dat <i>Senita</i> een geluid voortbrengt, dat op het tikken van een horloge gelijkt, naar het schijnt
-met behulp van twee groote trommelvormige blazen, in de borststreek gelegen<span id="xd31e21972"></span>; en deze „zijn veel ontwikkelder bij het mannetje dan bij het wijfje.” Vandaar schijnen
-de geluidvoortbrengende organen bij de Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) in eenige betrekking te staan met de seksueele functies<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ik heb geen melding gemaakt van het welbekende geluid dat de doodshoofduil voortbrengt;
-want dit wordt over het algemeen gehoord kort nadat de uil uit de pop is gekomen.
-<b>(<a href="#en11.1" id="en11.1src">1</a>)</b>
-</p>
-<p>Girard heeft altijd opgemerkt, dat de muskusgeur, welke door twee soorten van pijlstaart-vlinders
-(<i>Sphinx</i>) wordt voortgebracht, alleen aan de mannetjes eigen is<a class="noteRef" id="xd31e21988src" href="#xd31e21988">4</a>; en bij de hoogere dieren zullen wij talrijke gevallen ontmoeten, waarin alleen de
-mannetjes een bijzonderen geur hebben. <b>(<a href="#en11.2" id="en11.2src">2</a>)</b>
-</p>
-<p>Iedereen heeft de buitengewone schoonheid van vele Dagvlinders en van sommige Nachtvlinders
-bewonderd; en wij worden er toe gebracht om te vragen, hoe zij deze schoonheid hebben
-verkregen? Zijn hun kleuren en de zooveel verscheidenheid vertoonende teekeningen
-op hun vleugels eenvoudig het gevolg van de physische toestanden waaraan deze insekten
-zijn blootgesteld geweest, zonder dat daardoor eenig voordeel <span class="pageNum" id="pb577">[<a href="#pb577">577</a>]</span>is verkregen? Of hebben opeenvolgende veranderingen zich opeengehoopt, en zijn zij
-ontstaan, hetzij ter bescherming, hetzij met een of ander onbekend doel, of opdat
-de eene sekse aantrekkelijker zou worden gemaakt voor de andere? En wat beteekent
-het daarenboven, dat bij sommige soorten de kleuren van de mannetjes zeer veel van
-die der wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen op de zelfde
-wijze zijn gekleurd? Voor wij beproeven om een antwoord op deze vragen te geven, moeten
-wij eenige feiten mededeelen.
-</p>
-<p>Bij de meeste van onze Engelsche Dagvlinders, zoowel bij die welke schoon zijn, gelijk
-de Nommerkapel, de Dagpauwoog en de Distelvink (<i>Vanessae</i>) als bij die welke effen zijn gekleurd, zooals de Zandoogjes (<i>Hipparchia</i>), gelijken de beide seksen op elkander. Dit is ook het geval bij de prachtige Heliconiden
-en Danaïden der Keerkringslanden. Bij sommige andere groepen uit de verzengde luchtstreek
-echter, en bij sommige onzer Engelsche kapellen, zooals den Irisvlinder, den Peterselievlinder
-enz. (<i>Apatura Iris</i> en <i>Antocharis cardamines</i>), verschillen de seksen hetzij zeer sterk, hetzij een weinig in kleur. Geen taal
-is in staat om de pracht der mannetjes van sommige soorten uit de verzengde luchtstreek
-te beschrijven. Zelfs in één en het zelfde geslacht vinden wij dikwijls soorten, bij
-welke de seksen buitengewoon sterk van elkander verschillen, terwijl zij bij andere
-zeer sterk op elkander gelijken. Zoo verhaalt mij de heer Bates, aan wien ik zeer
-ben verplicht, daar hij mij de meeste der volgende feiten mededeelde, en zoo goed
-was dit geheele hoofdstuk na te zien, dat hij in het Zuid-Amerikaansche geslacht <i>Epicalia</i> twaalf soorten kent, waarvan beide seksen de zelfde plaatsen bezoeken (en dit is
-met kapellen niet altijd het geval), en waarop daarom de uitwendige toestanden geen
-verschillenden invloed kunnen hebben uitgeoefend.<a class="noteRef" id="xd31e22017src" href="#xd31e22017">5</a> Bij negen dezer soorten behooren de mannetjes tot de schitterendste van alle vlinders
-en verschillen zoo sterk van de vergelijkenderwijze dof gekleurde wijfjes, dat zij
-vroeger tot verschillende geslachten werden gebracht. De wijfjes dezer negen soorten
-gelijken op elkander in de algemeene type van hun kleuring en gelijken eveneens op
-beide seksen in verscheidene verwante geslachten welke in verschillende deelen der
-wereld worden <span class="pageNum" id="pb578">[<a href="#pb578">578</a>]</span>gevonden. Wij mogen daaruit in overeenstemming met de afstammingstheorie afleiden,
-dat deze negen soorten, en waarschijnlijk al de andere van het geslacht, afstammen
-van éénen stamvorm, die op ongeveer de zelfde wijze was gekleurd. Bij de tiende soort
-behoudt het wijfje nog de zelfde algemeene kleuring, maar het mannetje gelijkt op
-haar, zoodat hij op veel minder fraaie en afwisselende wijze is gekleurd, dan de mannetjes
-der vorige soorten. Bij de elfde en twaalfde soort wijken de wijfjes af van de type
-van kleuring, die gewoonlijk in dit geslacht aan haar sekse eigen is; want zij zijn
-sierlijk gekleurd op ongeveer de zelfde wijze als de mannetjes, maar in iets mindere
-mate. Vandaar schijnt het, dat bij deze beide soorten dus de schitterende kleuren
-der mannetjes op de wijfjes zijn overgebracht; terwijl het mannetje der tiende soort
-de effen kleuren van het wijfje en van den stamvorm van het geslacht hetzij behouden,
-hetzij teruggekregen heeft; in beide gevallen zijn dus de seksen, hoewel op tegenovergestelde
-wijze, aan elkander gelijk gemaakt. Bij het verwante geslacht <i>Eubagis</i> zijn beide seksen van sommige soorten effen gekleurd en gelijken zeer op elkander,
-terwijl bij de meeste soorten de mannetjes met fraaie metallieke kleuren met zeer
-veel verscheidenheid zijn gekleurd, en veel van de wijfjes verschillen. De wijfjes
-behouden in dit geheele geslacht, wat haar kleuring aangaat, de zelfde algemeene type,
-zoodat zij gewoonlijk veel meer op elkander dan op de mannetjes van haar eigen soort
-gelijken.
-</p>
-<p>In het geslacht <i>Papilio</i> zijn al de soorten van de <i>Aeneas</i>groep opmerkelijk wegens haar opzichtige en sterk tegen elkander afstekende kleuren,
-en zij geven een voorbeeld van de veelvuldig voorkomende neiging tot langzame overgangen
-in de hoegrootheid van het verschil tusschen de seksen. Bij eenige weinige soorten,
-bij voorbeeld bij <i>P. Ascanius</i>, zijn de mannetjes en wijfjes gelijk; bij andere zijn de mannetjes een weinig of
-zeer veel prachtiger gekleurd dan de wijfjes. Het met onze Schoenlappers (<i>Vanessae</i>) verwante geslacht <i>Junonia</i> biedt een bijna overeenkomstig geval aan; want hoewel de seksen der meeste soorten
-op elkander gelijken en geen rijke kleuren bezitten, zoo is toch bij zekere soorten,
-zooals bij <i>J. oenone</i>, het mannetje iets levendiger gekleurd dan het wijfje, en bij eenige weinige (bij
-voorbeeld <i lang="la">J. andremiaja</i>) is het mannetje zoo verschillend van het wijfje, dat hij bij vergissing voor een
-andere soort zou kunnen worden gehouden.
-</p>
-<p>Op een ander treffend geval werd in het Britsch Museum mijn aandacht <span class="pageNum" id="pb579">[<a href="#pb579">579</a>]</span>gevestigd door den heer A. Butler, namelijk op een der Page’s (<i>Theclae</i>) uit tropisch Amerika, bij welken beide seksen bijna gelijk en verwonderlijk schitterend
-zijn gekleurd; bij een anderen is het mannetje op overeenkomstige prachtige wijze
-gekleurd, terwijl bij het wijfje de geheele bovenste oppervlakte dof effen bruin is<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Onze gewone kleine Engelsche blauwe kapellen van het geslacht <i>Lycaena</i> geven een bijna even goed, hoewel minder treffend voorbeeld van de onderscheidene
-verschillen in kleur tusschen de beide seksen, als de bovengenoemde exotische geslachten.
-Bij <i>Lycaena agestis</i> hebben beide seksen vleugels van een bruine kleur, omzoomd met kleine oogvormige
-oranje vlekjes, en zijn derhalve gelijk. Bij <i>L. aegon</i> zijn de vleugels van het mannetje fraai blauw, met zwart omzoomd, terwijl de vleugels
-van het wijfje bruin en evenzoo omzoomd zijn, en zeer op die van <i>L. agestis</i> gelijken. Bij <i>L. arion</i> eindelijk zijn beide seksen van een blauwe kleur en bijna gelijk, hoewel bij het
-wijfje de randen der vleugels iets donkerder, met effener zwarte vlekken zijn, en
-bij een helderblauwe Indische soort gelijken de beide seksen nog meer op elkander.
-</p>
-<p>Ik heb de voorgaande gevallen eenigszins uitvoerig behandeld om aan te toonen, in
-de eerste plaats, dat, wanneer de seksen der kapellen verschillen, de algemeene regel
-is, dat het mannetje fraaier is en het meest afwijkt van de gewone type van kleuring
-van de groep waartoe de soort behoort. Vandaar gelijken in de meeste groepen de wijfjes
-van de onderscheidene soorten veel meer op elkander, dan de mannetjes. In sommige
-exceptioneele gevallen waarop ik later zal wijzen zijn echter de wijfjes schitterender
-gekleurd dan de mannetjes. In de tweede plaats zijn deze gevallen behandeld om helder
-voor den geest te brengen, dat in één en het zelfde geslacht de beide seksen dikwijls
-allerlei overgangen vertoonen tusschen geen verschil in kleur en een zoo groot verschil,
-dat het lang duurde, voor beide door de insektenkenners in het zelfde geslacht werden
-geplaatst. In de derde plaats hebben wij gezien, dat, wanneer de seksen veel op elkander
-gelijken, dit waarschijnlijk een gevolg daarvan is, dat het mannetje, hetzij zijn
-kleuren op het wijfje heeft overgebracht, of dat het de oorspronkelijke kleuren van
-het geslacht waartoe de soort behoort, hetzij heeft behouden of herkregen. Het verdient
-opmerking, dat in die groepen bij welke de seksen eenig verschil in kleur vertoonen,
-de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte op de mannetjes gelijken, zoodat, als de
-mannetjes buitengewoon schoon zijn, de wijfjes bijna zonder uitzondering <span class="pageNum" id="pb580">[<a href="#pb580">580</a>]</span>een zekere mate van schoonheid vertoonen. Wegens de talrijke gevallen van overgang
-in de hoegrootheid van het verschil tusschen de seksen, en wegens het heerschen van
-de zelfde algemeene type van kleuring door een geheele zelfde groep heên, mogen wij
-besluiten, dat de oorzaken, welke zij dan ook mogen zijn geweest, die de schitterende
-kleuren bij sommige soorten alleen van de mannetjes en bij andere soorten van beide
-seksen in meer of minder gelijken graad hebben bepaald, over het algemeen de zelfde
-zijn geweest.
-</p>
-<p>Daar zoo vele prachtige kapellen de tropische gewesten bewonen, heeft men dikwijls
-verondersteld, dat zij haar kleuren aan de groote hitte en vochtigheid van die streken
-zijn verschuldigd; maar de heer Bates<a class="noteRef" id="xd31e22076src" href="#xd31e22076">6</a> heeft door de vergelijking van onderscheidene nauw verwante insektengroepen van de
-gematigde en verzengde luchtstreek aangetoond, dat deze meening niet houdbaar is,
-en het bewijs wordt onwederlegbaar, wanneer schitterend gekleurde mannetjes en effen
-gekleurde wijfjes van de zelfde soort de zelfde landstreek bewonen, zich met het zelfde
-voedsel voeden en volkomen de zelfde levenswijze leiden. Zelfs als de seksen op elkander
-gelijken, kunnen wij moeielijk gelooven, dat haar prachtige en fraai geschikte kleuren
-het doelloos gevolg van den aard harer weefsels en van de werking der omringende omstandigheden
-zijn.
-</p>
-<p>Bij dieren van alle soorten is, wanneer ook de kleur voor eenig bijzonder doel is
-gewijzigd, dit, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, steeds geschied, hetzij
-tot bescherming, of om de andere sekse aan te trekken. Bij vele soorten van kapellen
-zijn de bovenste oppervlakten der vleugels donker gekleurd, en dit dient naar alle
-waarschijnlijkheid om aan de opmerkzaamheid en aan gevaar te ontsnappen. Kapellen
-moeten echter, vooral wanneer zij rusten, aan de aanvallen harer vijanden zijn blootgesteld,
-en bijna alle soorten richten, wanneer zij rusten, haar vleugels rechtop, zoodat alleen
-de ondervlakten kunnen worden gezien. Vandaar is het deze zijde die in vele gevallen
-blijkbaar zoodanig is gekleurd, dat zij de oppervlakten nabootst, waarop deze insekten
-gewoonlijk rusten. Dr. Rössler was, geloof ik, de eerste die de gelijkenis der gesloten
-vleugels van zekere Schoenlappers (<i>Vanessae</i>) en andere kapellen op de schors van boomen opmerkte. Vele overeenkomstige en treffende
-gevallen zouden kunnen worden medegedeeld. Het meest belangwekkende is dat hetwelk
-de heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e22086src" href="#xd31e22086">7</a> <span class="pageNum" id="pb581">[<a href="#pb581">581</a>]</span>vermeldt van een in Indië en op Sumatra algemeen voorkomende kapel (<i>Kallima</i>), die als door een tooverslag verdwijnt, als zij zich op een struik nederzet; want
-zij verbergt haar kop en sprieten tusschen haar gesloten vleugels, en deze kunnen
-in vorm, kleur en aderbeloop niet worden onderscheiden van een verlept blad met zijn
-bladsteel. In sommige andere gevallen zijn de ondervlakten der vleugels schitterend
-gekleurd en dienen toch tot bescherming; zoo zijn bij de Bramenpage (<i>Thecla rubi</i>) de vleugels, als zij zijn gesloten, smaragdgroen en gelijken op de jonge bladeren
-van de braamstruik waarop men dezen vlinder in de lente dikwijls kan zien zitten.
-</p>
-<p>Hoewel de donkere tinten van de boven- en ondervlakten van vele kapellen ongetwijfeld
-dienen om haar te verbergen, kunnen wij deze beschouwingswijze bij geen mogelijkheid
-toepassen op de schitterende en in ’t oog vallende kleuren van vele soorten, zooals
-van onze Nommerkapel en Dagpauwoog (<i>Vanessae</i>), onze witte Koolvlinders (<i>Pieris</i>) of den grooten Venkelvlinder (<i>Papilio</i>), die de open vlakten bezoekt;—want deze kapellen worden daardoor voor elk levend
-wezen zichtbaar gemaakt. Bij deze soorten gelijken de beide seksen op elkander; maar
-bij den gewonen Citroenvlinder (<i>Gonopteryx rhamni</i>) is het mannetje levendig geel gekleurd, terwijl het wijfje veel bleeker is; en bij
-den Peterselievlinder (<i>Anthocharis cardamines</i>) hebben alleen de mannetjes helderoranje punten aan hun vleugels. In deze gevallen
-zijn de mannetjes en de wijfjes even opzichtig, en het is niet geloofbaar, dat hun
-verschil in kleur in eenige betrekking tot gewone bescherming staat. Desniettemin
-is het mogelijk, dat de opzichtige kleuren van vele soorten haar op indirecte wijze
-voordeelig kunnen zijn, zooals later zal worden verklaard, door te maken, dat haar
-vijanden dadelijk zien, dat zij oneetbaar zijn. Zelfs in dit geval volgt hier nog
-niet met zekerheid uit, dat haar levendige kleuren en fraaie teekeningen voor dit
-bepaalde doel werden verkregen. In sommige andere merkwaardige gevallen is schoonheid
-verkregen tot bescherming door de nabootsing van andere schoone soorten die de zelfde
-streek bewonen en tegen een aanval zijn beveiligd, omdat zij langs den eenen of anderen
-weg haar vijanden schade kunnen berokkenen.
-</p>
-<p>Het wijfje van den bovenvermelden Peterselievlinder en van een Amerikaansche soort
-(<i>Anth<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> genutia</i>) vertoonen ons waarschijnlijk, gelijk <span class="pageNum" id="pb582">[<a href="#pb582">582</a>]</span>de heer Walsh mij deed opmerken, de oorspronkelijke kleuren van de stamsoort van het
-geslacht; want beide seksen van vier of vijf, in zeer ver uiteengelegen streken levende
-soorten zijn bijna op de zelfde wijze gekleurd. Wij mogen hieruit afleiden, gelijk
-in verscheidene vroegere gevallen, dat het de mannetjes van <i>Anth. cardamines</i> en <i>genutia</i> zijn, die van de gewone type van kleuring van hun geslacht zijn afgeweken. Bij <i>Anth. sara</i> uit Californië zijn de oranje punten ook bij het wijfje tot gedeeltelijke ontwikkeling
-gekomen; want haar vleugels bezitten roodachtig oranje punten, maar bleeker dan die
-van het mannetje en ook in enkele andere opzichten eenigszins verschillend. Bij een
-verwanten Indischen vorm, den <i>Iphias glaucippe</i>, zijn de oranje punten bij beide seksen geheel ontwikkeld. Bij dezen <i>Iphias</i> gelijkt de ondervlakte der vleugels, gelijk de heer A. Butler mij aanwees, verwonderlijk
-veel op een bleek gekleurd blad; en bij onzen Engelschen Peterselievlinder gelijkt
-de ondervlakte op de bloemhoofdjes van de wilde peterselie waarop men hem ’s nachts
-kan zien gaan rusten.<a class="noteRef" id="xd31e22137src" href="#xd31e22137">8</a> Het zelfde redeneerend vermogen dat ons aandrijft om te gelooven, dat de ondervlakten
-hier zijn gekleurd ter wille van de bescherming, brengt ons er toe om te ontkennen,
-dat de punten der vleugels met dit zelfde doel oranjekleurig zijn gemaakt, vooral
-daar dit kenmerk tot de mannetjes beperkt is.
-</p>
-<p>Laten wij nu tot de Nachtvlinders overgaan: de meeste van deze blijven gedurende den
-geheelen of het grootste gedeelte van den dag bewegingloos met neêrgeslagen vleugels
-zitten; en de bovenste oppervlakten van hun vleugels zijn dikwijls, gelijk de heer
-Wallace<a class="noteRef" id="xd31e22145src" href="#xd31e22145">9</a> heeft opgemerkt, op bewonderenswaardige wijze geschakeerd en gekleurd om aan de ontdekking
-te ontsnappen. Bij de meeste Spinners (<i>Bombycidae</i>) en Uilen (<i>Noctuïdae</i>) overdekken en verbergen, wanneer zij rusten, de voorvleugels de achtervleugels,
-zoodat deze laatsten zonder veel gevaar levendig zouden kunnen zijn gekleurd; en zij
-zijn bij vele soorten van beide families aldus gekleurd. Gedurende het vliegen moeten
-nachtvlinders dikwijls in staat zijn om hun vijanden te ontsnappen; desniettemin moeten,
-daar hun achtervleugels dan geheel <span class="corr" id="xd31e22155" title="Bron: zichbaar">zichtbaar</span> zijn, hun levendige kleuren ten koste van eenig gevaar zijn verkregen. Het volgende
-feit bewijst echter, hoe voorzichtig wij <span class="pageNum" id="pb583">[<a href="#pb583">583</a>]</span>moeten zijn met hieromtrent besluiten te trekken. De soorten van het geslacht <i>Triphaena</i> vliegen dikwijls over dag of in den vroegen avond rond en vallen dan door de gele
-kleur harer ondervleugels zeer in het oog. Men zou natuurlijk denken, dat dit een
-bron van gevaar was; maar de heer J. Jenner Weir gelooft, dat dit haar werkelijk dient
-tot een middel om te ontsnappen; want de vogels treffen gewoonlijk deze levendig gekleurde
-en broze oppervlakte in plaats van het lichaam. De heer Weir bracht bij voorbeeld
-een prachtig voorwerp van den Hooivlinder (<i>Triphaena pronuba</i>) in zijn vogelhuis; het werd dadelijk door een roodborstje vervolgd; maar daar de
-oplettendheid van den vogel zich richtte op de gekleurde vleugels, werd de uil niet
-gevangen dan na ongeveer vijftig vergeefsche pogingen, en werden herhaaldelijk kleine
-stukjes van de vleugels afgebroken. Hij deed de zelfde proef in de open lucht met
-een Zoombandvlinder (<i>Triphaena fimbria</i>) en een zwaluw; maar de aanzienlijke grootte van dezen uil verhinderde waarschijnlijk,
-dat hij werd gevangen<a class="noteRef" id="xd31e22167src" href="#xd31e22167">10</a><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Wij worden hierdoor herinnerd aan een mededeeling van den heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e22174src" href="#xd31e22174">11</a>, namelijk dat in de Braziliaansche bosschen en in Insulinde vele algemeen voorkomende
-en zeer fraaie vlinders slechte vliegers zijn, hoewel zij van bijzonder groote vleugels
-zijn voorzien, en dat zij „dikwijls worden gevangen met doorboorde en gebroken vleugels,
-alsof zij door vogels waren gegrepen, maar aan deze ontsnapt; indien de vleugels veel
-kleiner waren geweest in verhouding tot het lichaam, schijnt het waarschijnlijk, dat
-het insekt veelvuldiger in een voor het leven noodzakelijk deel zou zijn getroffen
-of doorboord, en zoo kan de vermeerderde grootte der vleugels op indirecte wijze voordeelig
-zijn geweest.”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Pronkerij.</i>— De levendige kleuren van de Kapellen en van sommige Nachtvlinders zijn bijzonder
-ingericht om er mede te pronken, hetzij zij daarenboven tot bescherming mogen dienen
-of niet. Levendige kleuren zouden gedurende den nacht niet zichtbaar zijn; en er kan
-geen twijfel bestaan, dat de Nachtvlinders, over het geheel genomen, minder levendig
-zijn gekleurd dan de Kapellen die allen dagdieren zijn. De Nachtvlinders van zekere
-families, zooals de <i>Zygaenidae</i><span class="corr" title="Niet in bron">,</span> verscheidene Onrusten (<i>Sphingidae</i>), <i>Uraniidae</i>, sommige Beerrupsvlinders (<i>Arctiidae</i><span class="corr" id="xd31e22194" title="Niet in bron">)</span> en Nachtpauwoogen (<i>Saturniidae</i>) vliegen gedurende den dag of in <span class="pageNum" id="pb584">[<a href="#pb584">584</a>]</span>den vroegen avond rond en vele van deze zijn uiterst fraai en veel <span class="corr" id="xd31e22201" title="Bron: lediger">levendiger</span> gekleurd dan die soorten, welke een uitsluitend nachtelijke levenswijze hebben. Eenige
-weinige exceptioneele gevallen van levendig gekleurde nachtelijke soorten zijn echter
-opgeteekend.<a class="noteRef" id="xd31e22204src" href="#xd31e22204">12</a>
-</p>
-<p>Er zijn bewijzen van een andere soort, wat het pronken aangaat. Zooals boven is opgemerkt,
-houden kapellen, als zij rusten, de vleugels omhoog, en slaan ze, terwijl zij zich
-in de zon koesteren, beurtelings open en dicht; op die wijze stellen zij beide oppervlakten
-ten volle aan het gezicht bloot; en hoewel de ondervlakte dikwijls tot bescherming
-donker is gekleurd, is zij bij vele soorten toch even hoog en dikwijls op geheel andere
-wijze gekleurd dan de bovenvlakte. Bij eenige tropische soorten is zelfs de ondervlakte
-schitterender gekleurd dan de bovenvlakte.<a class="noteRef" id="xd31e22217src" href="#xd31e22217">13</a> Bij een Engelsche Parelmoêrkapel, de <i>Argynnis aglaia</i>, is alleen de ondervlakte versierd met blinkende zilveren schijven. Als algemeene
-regel is echter de bovenvlakte die waarschijnlijk het meest aan het gezicht is blootgesteld,
-op schitterende wijze gekleurd en vertoont meer verscheidenheid van kleuren dan de
-ondervlakte. Vandaar biedt de ondervlakte gewoonlijk aan de insektenkenners de bruikbaarste
-kenmerken aan om de verwantschappen der verschillende soorten te ontdekken. Fritz
-Müller meldt nog, dat bij zijn huis in Zuid-Brazilië drie soorten van <i>Gastnia</i> voorkomen; bij twee daarvan zijn de achtervleugels donker en worden altijd door de
-voorvleugels bedekt, als deze vlinders in rust zijn; maar de derde soort heeft zwarte
-ondervleugels, fraai gevlekt met rood en wit, en deze worden altijd volkomen uitgestrekt
-en vertoond, wanneer de kapel in rust is. Andere soortgelijke gevallen zouden hierbij
-kunnen worden gevoegd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Als wij ons nu wenden tot de verbazend groote groep der Nachtvlinders die gewoonlijk
-de ondervlakte hunner vleugels niet volkomen aan het gezicht blootstellen, dan is
-die zijde, naar ik van den heer Stainton hoor, zeer zelden levendiger of zelfs even
-levendig gekleurd, als de bovenzijde. Er bestaan echter eenige, hetzij wezenlijke
-of schijnbare <span class="pageNum" id="pb585">[<a href="#pb585">585</a>]</span>uitzonderingen op den regel, zooals die van <i>Hypopyra</i> die door den heer Wormald is beschreven.<a class="noteRef" id="xd31e22239src" href="#xd31e22239">14</a> De heer R. Trimen meldt mij, dat in Guinée’s groot werk drie nachtvlinders zijn afgebeeld,
-bij welke de ondervlakte het schitterendst is. Bij de Australische <i>Gastrophora</i> is bij voorbeeld de bovenvlakte van den voorvleugel grijsachtig okerkleurig, terwijl
-de ondervlakte versierd is met een kobaltblauwe oogvlek (<i>ocellus</i>), op een zwarten grond geplaatst, die door oranjegeel, en dit laatste door blauwachtig
-wit wordt omringd. De levenswijze van deze drie nachtvlinders is echter onbekend,
-zoodat geen verklaring van den ongewonen stijl, volgens welken zij gekleurd zijn,
-kan worden gegeven. De heer Trimen meldt mij ook, dat de ondervlakten der vleugels
-bij zekere andere Spanners (<i>Geometrae</i>)<a class="noteRef" id="xd31e22252src" href="#xd31e22252">15</a> en vierdeelige <i>Noctuae</i>, hetzij meer geschakeerd of levendiger gekleurd zijn dan de bovenvlakten; maar sommige
-dezer soorten hebben de gewoonte „om haar vleugels geheel rechtstandig boven den rug
-te houden en geruimen tijd in die houding te blijven zitten”, aldus de ondervlakte
-aan het gezicht blootstellende. Andere soorten hebben de gewoonte, als zij op den
-grond of op het gras zitten, nu en dan plotseling hun vleugels een weinig op te lichten.
-Daarom is het feit, dat bij zekere nachtvlinders de ondervlakte der vleugels levendiger
-is gekleurd dan de bovenvlakte, niet zulk een onregelmatigheid als men op het eerste
-gezicht zou zeggen. De Nachtpauwoogen (<i>Saturniidae</i>) omvatten eenige der schoonste van alle nachtvlinders, daar hun vleugels, evenals
-bij onzen Britschen grooten Nachtpauwoog, met fraaie oogvlekken (<i>ocelli</i>) versierd zijn; en de heer T.&nbsp;W. Wood<a class="noteRef" id="xd31e22268src" href="#xd31e22268">16</a> merkt op, dat zij in sommige hunner bewegingen op kapellen gelijken; <span class="corr" id="xd31e22275" title="Niet in bron">„</span>bij voorbeeld in het zachte op en neêr bewegen van de vleugels, als ware het om er
-mede te pronken, hetgeen meer een kenmerk van Dagvlinders is.”
-</p>
-<p>Het is een vreemd feit, dat er geen Britsche Nachtvlinders, en zoover ik na kan gaan,
-ook bijna geen uitlandsche soorten zijn, die aan schitterende kleuren een verschil
-in kleur tusschen de seksen paren, hoewel dit met vele schitterende Kapellen het <span class="corr" id="xd31e22279" title="Bron: gev al">geval</span> is. Het mannetje van éénen Amerikaanschen nachtvlinder, <i>Saturnia Io</i>, heeft echter volgens de beschrijving diepgele voorvleugels, op sierlijke wijze met
-purperachtig <span class="pageNum" id="pb586">[<a href="#pb586">586</a>]</span>roode vlekken geteekend, terwijl de vleugels van het wijfje purperbruin en met grijze
-strepen zijn beteekend.<a class="noteRef" id="xd31e22286src" href="#xd31e22286">17</a> De Britsche nachtvlinders bij welke de seksen in kleur verschillen, zijn allen bruin
-of bijna wit, of zij vertoonen verschillende dofgele of bijna witte tinten. Bij onderscheidene
-soorten zijn de mannetjes veel donkerder dan de wijfjes<a class="noteRef" id="xd31e22292src" href="#xd31e22292">18</a>, en deze behooren tot soorten die omstreeks den namiddag vliegen. Bij vele geslachten
-zijn daarentegen, gelijk de heer Stainton mij meldt, de achtervleugels van het mannetje
-witter dan die van het wijfje, van welk feit <i>Agrotis exclamationis</i> een goed voorbeeld oplevert. De mannetjes worden daardoor gemakkelijker zichtbaar
-gemaakt dan de wijfjes, als zij gedurende de schemering rondvliegen. Bij <i>Hepialus humuli</i> is het verschil sterker uitgedrukt, daar de mannetjes wit en de wijfjes geel met
-donkerder vlekken zijn. Het is moeielijk te gissen, welke de beteekenis kan zijn van
-deze verschillen tusschen de seksen in donkerheid of lichtheid van kleur; maar wij
-kunnen moeilijk onderstellen, dat zij alleen het gevolg zijn van variabiliteit met
-seksueel beperkte erfelijkheid, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Wegens het boven medegedeelde is het onmogelijk aan te nemen, dat de schitterende
-kleuren der Kapellen en van eenige weinige Nachtvlinders gewoonlijk ter wille der
-bescherming zijn verkregen. Wij hebben gezien, dat de kleuren en sierlijke teekeningen
-op hun vleugels zijn ingericht en worden gebruikt om er mede te pronken. Daardoor
-ben ik er toe gekomen om te onderstellen, dat de wijfjes over het algemeen de voorkeur
-geven aan, of het meest worden opgewekt door de schitterendste mannetjes; want bij
-elke andere onderstelling zouden de mannetjes, voor zoover wij kunnen nagaan, zonder
-eenig <span class="pageNum" id="pb587">[<a href="#pb587">587</a>]</span>doel zijn versierd. Wij weten dat de Mieren en sommige Bladsprietige Kevers vatbaar
-zijn om gehechtheid voor elkander te gevoelen, en dat mieren haar makkers na een tusschenruimte
-van verscheidene maanden herkennen. In het afgetrokkene beschouwd, is het daarom niet
-onwaarschijnlijk, dat de Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), die waarschijnlijk bijna of volkomen even hoog op de ladder staan als deze insekten,
-voldoende geestvermogens hebben om levendige kleuren te bewonderen. Zij ontdekken
-gewis bloemen aan haar kleur, en, zooals ik elders heb aangetoond, hebben de planten
-die uitsluitend door den wind worden bevrucht, nimmer opzichtig gekleurde bloemkronen.
-Men kan den Meêkrapvlinder dikwijls van op een afstand op een tros bloemen te midden
-van het groen gebladerte zien neêrschieten; en een vriend heeft mij verzekerd, dat
-deze vlinders herhaaldelijk op bloemen afkwamen, die op den muur van een kamer in
-het Zuiden van Frankrijk waren geschilderd. De gewone Witjeskapel vliegt, gelijk ik
-van den heer Doubleday hoor, dikwijls op een op den grond liggend stukje papier af,
-het ongewijfeld voor een voorwerp van haar eigen soort houdende. De heer <span class="corr" id="xd31e22333" title="Bron: Collingswood">Collingwood</span> zegt<a class="noteRef" id="xd31e22336src" href="#xd31e22336">19</a>, sprekende over de moeilijkheid om zekere kapellen in Insulinde te vangen, „dat een
-dood voorwerp, op een in ’t oog vallend takje vastgestoken, dikwijls een insekt van
-de zelfde soort in zijn overijlde vlucht doet stilhouden, en het naar beneden lokt,
-zoodat het gemakkelijk met het netje kan worden bereikt, vooral als het van de tegenovergestelde
-sekse is.”
-</p>
-<p>De vrijage der Kapellen is een langdurige zaak. De mannetjes vechten dikwijls met
-elkander uit minnenijd; en men kan soms vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen
-of omgeven. Indien dus het wijfje niet aan het eene mannetje de voorkeur geeft boven
-het andere, moet de paring aan het bloote toeval zijn overgelaten en dit komt mij
-niet waarschijnlijk voor. Indien daarentegen de wijfjes gewoonlijk, of zelfs slechts
-nu en dan, aan de schoonste mannetjes de voorkeur geven, zullen de kleuren dezer laatste
-trapsgewijze fraaier gemaakt en overgeplant zijn op beide seksen of op ééne sekse,
-al naar de wet van erfelijkheid, die de overhand behield. De werking der seksueele
-teeltkeus zal veel gemakkelijker zijn gemaakt, indien de besluiten waartoe wij door
-vele bewijsgronden in het bijvoegsel op het negende hoofdstuk kwamen, kunnen worden
-vertrouwd; namelijk dat de mannetjes van <span class="pageNum" id="pb588">[<a href="#pb588">588</a>]</span>vele Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), ten minste in den toestand van volkomen insekt, de wijfjes aanmerkelijk in aantal
-overtreffen.
-</p>
-<p>Er zijn echter eenige feiten die in strijd zijn met het geloof, dat vrouwelijke kapellen
-aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven; zoo kan men, naar mij door onderscheidene
-waarnemers werd verzekerd, dikwijls ongeschonden wijfjes met ontredderde verflenste
-of vuile mannetjes gepaard zien; het kon echter moeilijk missen, of deze omstandigheid
-moest dikwijls daarvan het gevolg zijn, dat de mannetjes vroeger uit de pop komen
-dan de wijfjes. Bij de Nachtvlinders tot de familie der Spinners (<i>Bombycidae</i>) behoorende, paren de seksen onmiddellijk, nadat zij den staat van volkomen insekt
-hebben bereikt; want zij kunnen zich dan niet voeden ten gevolge van den rudimentairen
-toestand van hun monden. De wijfjes liggen, zooals onderscheidene insektenkenners
-mij deden opmerken, bijna in een toestand van verdooving en schijnen geen de minste
-verkiezing te toonen ten opzichte der mannetjes waarmede zij paren. Dit is het geval
-met den gewonen Zijdeworm (<i>Bombyx mori</i>), naar mij door sommige kweekers van het Vasteland en uit Engeland is gezegd. Dr.
-Wallace die zulk een verbazende ondervinding heeft in het aankweeken van den Ailanthus
-Zijdeworm (<i>Bombyx cynthia</i>), is overtuigd, dat de wijfjes geen verkiezing of voorkeur toonen. Hij heeft meer
-dan 300 dezer vlinders levend bijeen gehad en vond dikwijls de krachtigste wijfjes
-met slecht ontwikkelde mannetjes gepaard. Het omgekeerde schijnt zelden voor te komen;
-want, naar hij gelooft, gaan de krachtigste mannetjes de zwakke wijfjes voorbij, daar
-zij worden aangetrokken door die welke de meeste levenskracht vertoonen. Desniettemin
-zijn de Spinners (<i>Bombycidae</i>), hoewel donker gekleurd, dikwijls in onze oogen schoon wegens hun sierlijke en gevlekte
-schakeeringen.
-</p>
-<p>Ik heb tot dusver alleen gesproken van de soorten bij welke de mannetjes levendiger
-zijn gekleurd dan de wijfjes, en ik heb haar schoonheid daaraan toegeschreven, dat
-de wijfjes gedurende vele geslachten (generaties) de aantrekkelijkste mannetjes hebben
-uitgekozen en met deze hebben gepaard. Doch ook het omgekeerde geval komt voor, hoewel
-zeldzaam, waarin de wijfjes schitterender dan de mannetjes zijn; en dan hebben, naar
-mijn meening, de mannetjes de schoonste wijfjes voor de voortteling uitgezocht en
-daardoor haar schoonheid langzamerhand grooter doen worden. Wij weten niet, waarom
-bij verschillende klassen van dieren de mannetjes de fraaiste wijfjes hebben uitgezocht,
-<span class="pageNum" id="pb589">[<a href="#pb589">589</a>]</span>in plaats van gaafweg het eerste wijfje het beste aan te nemen, gelijk de algemeene
-regel in het dierenrijk schijnt te zijn; maar indien, in tegenstelling van wat over
-het algemeen bij de Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) plaats grijpt, de wijfjes veel talrijker dan de mannetjes waren, zouden deze laatsten
-waarschijnlijk de fraaiste wijfjes uitkiezen. De heer Butler vertoonde mij verschillende
-soorten van <i>Callidryas</i> in het Britsch Museum, bij sommige waarvan de wijfjes de mannetjes in schoonheid
-evenaarden, terwijl zij hen bij andere ver daarin overtroffen, want alleen de wijfjes
-hadden bij deze laatsten de randen van haar vleugels overgoten met scharlakenrood
-en oranje en gevlekt met zwart. De minder opgesmukte mannetjes van deze soorten gelijken
-zeer veel op elkander, een bewijs, dat hier de wijfjes zijn gewijzigd; terwijl in
-die gevallen waarin de mannetjes het meest zijn versierd, deze gewijzigd zijn, daar
-de wijfjes zeer veel op elkander zijn blijven gelijken.
-</p>
-<p>In Engeland hebben wij eenige soortgelijke gevallen, hoewel niet zoo sterk sprekend.
-De wijfjes alleen hebben bij twee soorten van <i>Thecla</i> een heldere purperen of oranjevlek op haar voorvleugels. Bij <i>Hipparchis</i> verschillen de seksen niet veel; doch bij <i>H. janira</i> heeft alleen het wijfje een opzichtige lichtbruine vlek op haar vleugels; en de wijfjes
-van sommige andere soorten zijn levendiger gekleurd dan haar mannetjes. Verder hebben
-de wijfjes van <i>Colias edusa</i> en <i>hyale</i> „oranje of gele vlekken op de zwarte randstreek van haar vleugels, die bij de mannetjes
-slechts door smalle strepen worden vertegenwoordigd”; en bij <i>Pieris</i> zijn het de wijfjes die „versierd zijn met zwarte vlekken op de voorvleugels, en
-deze zijn slechts gedeeltelijk tegenwoordig bij de mannetjes.” Nu weet men, dat de
-mannetjes van vele dagvlinders de wijfjes bij hun bruiloftsvlucht dragen; maar bij
-de zoo even genoemde soorten dragen integendeel de wijfjes de mannetjes, zoodat de
-rol die de beide seksen spelen, is omgekeerd, evenals haar betrekkelijke schoonheid.
-Door het geheele dierenrijk heên nemen de mannetjes het meest actief deel aan de vrijage,
-en schijnt hun schoonheid te zijn vermeerderd, doordat de wijfjes de aantrekkelijkste
-individu’s hebben aangenomen maar bij deze kapellen nemen de wijfjes het meest actief
-deel aan de slotplechtigheid van het huwelijk, zoodat wij mogen besluiten, dat zij
-zulks ook aan de vrijage doen; en in dit geval kunnen wij begrijpen, hoe het komt,
-dat zij de schoonsten zijn geworden. De heer Meldola, aan wien bovenstaande opgaven
-zijn ontleend, zegt in zijn besluit: „Hoewel ik niet ben overtuigd van de werking
-der seksueele <span class="pageNum" id="pb590">[<a href="#pb590">590</a>]</span>teeltkeus in het voortbrengen van kleuren bij de insekten, kan echter niet worden
-ontkend, dat deze feiten de beschouwingen van den heer Darwin op treffende wijze bevestigen.”<a class="noteRef" id="xd31e22384src" href="#xd31e22384">20</a>
-</p>
-<p>Daar de seksueele teeltkeus aanvankelijk op het voorkomen van variabiliteit berust,
-moeten eenige weinige woorden over dit onderwerp hier worden bijgevoegd. Ten opzichte
-van de kleur is er geen moeilijkheid, daar een groot aantal zeer veel verscheidenheid
-vertoonende Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) zouden kunnen worden opgenoemd. Eén goed voorbeeld zal voldoende zijn. De heer Bates
-toonde mij een reeks voorwerpen van <i>Papilio Sesostris</i> en <i>childrenae</i>; bij dezen laatste verschilden de mannetjes zeer in de grootte van de fraaie op email
-gelijkende groene vlek op de voorvleugels, en in de grootte der witte vlek en die
-van de prachtige karmozijnen streep op de achtervleugels, zoodat er een groote tegenstelling
-was tusschen de meest en de minst versierde mannetjes<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het mannetje van <i>Papilio Sesostris</i>, hoewel een fraai insekt, is zulks veel minder dan <i>P. childrenae</i>; het verschilt ook een weinig in de grootte van de groene vlek op de voorvleugels
-en door een slechts nu en dan voorkomende karmozijnen streep op de achtervleugels,
-die, naar het schijnt, aan zijn eigen wijfje is ontleend; want de wijfjes van deze
-en van vele soorten van de <i>Aeneas</i>groep bezitten deze karmozijnen streep. Vandaar was er tusschen de levendigst gekleurde
-voorwerpen van <i>P. Sesostris</i> en de minst levendig gekleurde van <i>P. childrenae</i> slechts een kleine tusschenruimte; en het was duidelijk, dat het<span class="corr" title="Bron: .">,</span> voor zoover bloot de verscheidenheid aangaat, niet moeilijk zou zijn de schoonheid
-van elk dier twee soorten door middel der teeltkeus te vermeerderen. De verscheidenheid
-is hier bijna alleen tot de mannelijke sekse beperkt; maar de heeren Wallace en Bates
-hebben aangetoond<a class="noteRef" id="xd31e22420src" href="#xd31e22420">21</a>, dat er onder de wijfjes van sommige andere soorten uiterst veel verscheidenheid
-heerscht, terwijl de mannetjes bijna gelijk aan elkander zijn. Daar ik vroeger <i>Hepialus humuli</i> <span class="pageNum" id="pb591">[<a href="#pb591">591</a>]</span>heb vermeld als een der beste voorbeelden in Groot-Brittannië van een verschil tusschen
-de seksen van Nachtvlinders, is het wellicht de moeite waard hier bij te voegen<a class="noteRef" id="xd31e22436src" href="#xd31e22436">22</a>, dat men op de Shetlandsche eilanden dikwijls mannetjes vindt, die zeer veel op de
-wijfjes gelijken. In een volgend hoofdstuk zal ik gelegenheid hebben om aan te toonen,
-dat de oogvlekken (<i>ocelli</i>), die op de vleugels van vele Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) zoo algemeen zijn, aan een groote mate van verscheidenheid onderhevig zijn<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Over het geheel schijnt het waarschijnlijk, hoewel vele ernstige tegenwerpingen hiertegen
-kunnen worden aangevoerd, dat de meeste soorten van Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), die schitterend gekleurd zijn, haar kleuren aan seksueele teeltkeus zijn verschuldigd,
-behalve in zekere gevallen die thans moeten worden vermeld, waarin opzichtige kleuren
-voordeelig zijn tot bescherming. Wegens de vurigheid van het mannetje, door het geheele
-dierenrijk heên, is hij over het algemeen bereid elk wijfje aan te nemen, en is het
-het wijfje dat gewoonlijk een keus doet. Vandaar moet het mannetje, als de seksueele
-teeltkeus heeft gewerkt, wanneer de seksen verschillen, het schitterendst zijn gekleurd;
-en dit is ongetwijfeld de algemeene regel. Als de seksen schitterend zijn gekleurd
-en op elkander gelijken, schijnen de door de mannetjes verkregen kenmerken op beide
-seksen te zijn overgeplant. Zal echter deze verklaring van de gelijkheid of ongelijkheid
-in kleur tusschen de seksen voldoende zijn?
-</p>
-<p>Het is bekend, dat de mannetjes en de wijfjes van de zelfde soort van kapel zich in
-onderscheidene gevallen op verschillende plaatsen ophouden, en dat alsdan de eersten
-zich gewoonlijk in den zonneschijn koesteren, terwijl de laatsten donkere bosschen
-bezoeken.<a class="noteRef" id="xd31e22457src" href="#xd31e22457">23</a> Het is daarom mogelijk, dat de verschillende levensvoorwaarden rechtstreeks op beide
-seksen hebben gewerkt; doch dit is niet waarschijnlijk<a class="noteRef" id="xd31e22468src" href="#xd31e22468">24</a>, daar zij als volkomen insekt gedurende een zeer kort tijdperk aan verschillende
-levensvoorwaarden, en de larven van beide aan de zelfde voorwaarden zijn blootgesteld.
-De heer Wallace gelooft, dat de minder schitterende <span class="pageNum" id="pb592">[<a href="#pb592">592</a>]</span>kleuren van het wijfje in alle of in bijna alle gevallen bijzonder ter wille van de
-bescherming zijn verkregen. Daarentegen schijnt het mij waarschijnlijker, dat alleen
-de mannetjes in verreweg de meeste gevallen hun levendige kleuren door seksueele teeltkeus
-hebben verkregen, terwijl de wijfjes slechts weinig zijn gewijzigd. Bij gevolg moeten
-de wijfjes van verschillende doch verwante soorten, veel meer op elkander gelijken
-dan de mannetjes van die zelfde soorten; dit is de algemeene regel. De wijfjes vertoonen
-ons dus bij benadering de oorspronkelijke kleuring van den stamvorm van de groep waartoe
-zij behooren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zij zijn echter bijna altijd tot op zekere hoogte gewijzigd, doordat eenige der opeenvolgende
-trappen van variatie, door de opeenhooping (accumulatie) waarvan de mannetjes fraai
-werden gemaakt, ook op haar zijn overgeplant. De mannetjes en de wijfjes van verwante,
-ofschoon verschillende soorten zullen ook over het algemeen gedurende hun <span class="corr" id="xd31e22475" title="Bron: langdudurigen">langdurigen</span> larventoestand aan verschillende levensvoorwaarden zijn blootgesteld geweest, en
-kunnen daardoor wellicht indirect zijn aangedaan; hoewel bij de mannetjes eenige geringe
-aldus veroorzaakte kleurverandering dikwijls geheel zal zijn gemaskeerd door de door
-seksueele teeltkeus verkregen schitterende kleuren. Als wij over de Vogels handelen,
-zal ik het geheele vraagstuk moeten bespreken, of de kleurverschillen tusschen mannetjes
-en wijfjes door deze laatsten gedeeltelijk bijzonder tot bescherming zijn verkregen,
-zoodat ik hier alleen onvermijdelijke bijzonderheden wil mededeelen.
-</p>
-<p>In alle gevallen waarin de meer gewone vorm van gelijke overerving door beide seksen
-de overhand heeft behouden, moet het voor de voortteling uitkiezen van levendig gekleurde
-mannetjes een streven doen geboren worden om de wijfjes levendig te kleuren, en het
-uitkiezen van dof gekleurde wijfjes een streven om de mannetjes dof te maken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hadden beide processen tegelijkertijd plaats, dan zouden zij er naar streven om elkander
-te neutraliseeren. Zoover ik kan nagaan, zou het uiterst moeielijk zijn om door teeltkeus
-den eenen vorm van overerving in den anderen te veranderen. Als echter voor de voortteling
-opeenvolgende wijzigingen werden uitgekozen, die van het begin af in haar overplanting
-tot ééne sekse waren beperkt, zou het in het minst niet moeilijk zijn om alleen aan
-de mannetjes schitterende, en tegelijkertijd of later alleen aan de wijfjes doffe
-kleuren te geven. Op deze laatste wijze kunnen, zooals ik volkomen toegeef, vrouwelijke
-kapellen en nachtvlinders ter wille van de bescherming kleuren hebben verkregen, die
-<span class="pageNum" id="pb593">[<a href="#pb593">593</a>]</span>haar voor het oog verborgen, en zeer verschillend van haar mannetjes hebben gemaakt.
-</p>
-<p>De heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e22486src" href="#xd31e22486">25</a> heeft met veel kracht zijn meening verdedigd, dat, als de seksen verschillen, het
-wijfje bijzonder is gewijzigd ter wille der bescherming, en dat dit is veroorzaakt,
-doordat de eene vorm van overerving, namelijk de overplanting van kenmerken op beide
-seksen, door de werking der natuurlijke teeltkeus in den anderen vorm, namelijk overplanting
-op ééne sekse, is veranderd. Ik was eerst sterk geneigd om de waarheid dezer meening
-aan te nemen; maar hoe meer ik de verschillende Klassen door het geheele dierenrijk
-heên bestudeerde, hoe minder waarschijnlijk zij mij scheen. De heer Wallace voert
-aan, dat beide seksen van de <i>Heliconidae</i>, <i>Danaidae</i>, <i>Acraeidae</i> even schitterend zijn, omdat beide door haar walgelijken stank tegen de aanvallen
-van vogels en andere vijanden zijn beveiligd; maar dat in andere groepen die dezen
-vrijdom niet bezitten, de wijfjes niet in ’t oog vallende kleuren hebben verkregen,
-omdat zij meer bescherming noodig hadden dan de mannetjes. Dit veronderstelde verschil
-in het „noodig hebben van bescherming van beide seksen” is vrij bedriegelijk en vereischt
-eenige bespreking. Het is duidelijk, dat levendig gekleurde individu’s, hetzij het
-mannetjes of wijfjes waren, evenzeer de oplettendheid hunner vijanden tot zich moesten
-trekken en donker gekleurde individu’s daaraan evenzeer moesten ontsnappen. Wij hebben
-hier echter te maken met de uitwerkselen van de vernietiging of het bewaard blijven
-van zekere individu’s van ééne der beide seksen op den aard van het ras. Bij insekten
-kan, nadat het mannetje het wijfje heeft bevrucht en dit laatste haar eieren gelegd,
-de grootere of mindere veiligheid voor gevaar van ééne der beide seksen bij geen mogelijkheid
-eenige uitwerking op hun nakomelingen hebben. Voor de seksen die haar eigen functies
-hadden volbracht, zou, indien zij in even groot getal bestonden en allen paarden (alle
-andere omstandigheden de zelfde blijvende), het bewaard blijven der mannetjes voor
-het bestaan der soort en voor den aard der nakomelingen even belangrijk zijn als het
-bewaard blijven der wijfjes. Bij de meeste dieren kan echter het mannetje, gelijk
-men weet, dat met den tammen zijdeworm het geval is, twee of drie wijfjes bevruchten,
-zoodat de vernieling der mannetjes niet zoo schadelijk voor <span class="pageNum" id="pb594">[<a href="#pb594">594</a>]</span>de soort zou zijn als die der wijfjes. Dr. Wallace gelooft nochtans, dat bij nachtvlinders
-de nakomelingschap, door de tweede of derde bevruchting voortgebracht, aanleg tot
-zwakte heeft en dus een minder goede kans zou hebben om te blijven leven. Wanneer
-de mannetjes in veel grooter aantal bestaan dan de wijfjes, zouden ongetwijfeld vele
-mannetjes zonder nadeel voor de soort kunnen worden vernield; maar ik kan niet inzien,
-dat het in ongelijk aantal bestaan der seksen invloed zou hebben op de gevolgen der
-gewone teeltkeus ten opzichte van de bescherming; want waarschijnlijk zouden de opzichtigste
-individu’s, hetzij dit mannetjes of wijfjes waren, in de zelfde verhouding worden
-vernield. Indien nochtans de mannetjes een grootere verscheidenheid in kleur vertoonden,
-zou het resultaat anders zijn; maar het is onnoodig, dat wij hier zulke ingewikkelde
-bijzonderheden nagaan. Over het geheel kan ik niet begrijpen, hoe een ongelijkheid
-in aantal van beide seksen op eenigszins merkbare wijze invloed zou kunnen hebben
-op de uitwerkselen van de gewone teeltkeus ten opzichte van de kenmerken der jongen.
-</p>
-<p>De heer Wallace wijst er met aandrang op, dat de vrouwelijke vlinders eenige dagen
-noodig hebben om haar bevruchte eieren te leggen en daarvoor een geschikte plaats
-te zoeken; gedurende dit tijdperk (waarin het leven der mannetjes van geen belang
-is) zouden de levendigst gekleurde wijfjes aan gevaar zijn blootgesteld en kans hebben
-om te worden vernield. De meer dof gekleurde wijfjes daarentegen zouden blijven leven
-en zoo, naar men mag vermoeden, een merkbaren invloed hebben op de kenmerken der soort,—hetzij
-van beide seksen of van ééne sekse, al naar den vorm van erfelijkheid, die de overhand
-behield. Men moet echter niet uit het oog verliezen, dat de mannetjes eenige dagen
-vroeger uit de pop komen dan de wijfjes en gedurende dit tijdperk waarin de nog niet
-geboren wijfjes veilig zijn, zouden de levendiger gekleurde mannetjes aan gevaar zijn
-blootgesteld; zoodat ten slotte beide seksen gedurende een ongeveer even lange tijdruimte
-aan gevaar zouden zijn blootgesteld en de eliminatie van opzichtige kleuren op de
-eene sekse niet veel meer in zou werken dan op de andere.
-</p>
-<p>Het is een belangrijker overwegingspunt, dat vrouwelijke vlinders, gelijk de heer
-Wallace opmerkt en gelijk aan ieder verzamelaar bekend is, over het algemeen langzamer
-vliegen, dan de mannetjes. Bij gevolg zouden de laatsten, als zij wegens hun opzichtige
-kleuren aan grooter <span class="pageNum" id="pb595">[<a href="#pb595">595</a>]</span>gevaar waren blootgesteld, in staat kunnen zijn om aan hun vijanden te ontsnappen,
-terwijl de eveneens gekleurde wijfjes zouden worden vernield, en zoo zouden de wijfjes
-den meesten invloed hebben op het wijzigen van de kleur hunner nakomelingen.
-</p>
-<p>Er is nog één ander overwegingspunt: schitterende kleuren zijn, voorzoover de seksueele
-teeltkeus aangaat, gewoonlijk aan wijfjes van geen dienst, zoodat, indien deze laatsten
-in levendigheid van kleur verschilden en de overplanting van die verschillen tot ééne
-sekse was beperkt, het eenvoudig van het toeval zou afhangen, of de levendigheid van
-kleur der wijfjes zou toenemen; en dit zou een neiging doen geboren worden om door
-de geheele Orde heên het aantal soorten met levendig gekleurde wijfjes minder te maken
-in verhouding tot de soorten welke levendig gekleurde mannetjes bezaten. Daar levendige
-kleuren worden verondersteld voor de mannetjes van veel dienst te zijn in den wedstrijd
-der liefde, zouden van den anderen kant de levendig gekleurde mannetjes (zooals wij
-in het hoofdstuk over Vogels zullen zien), hoewel aan iets grooter gevaar blootgesteld,
-toch gemiddeld een talrijker kroost voortbrengen dan de dof gekleurde mannetjes. In
-dit geval zouden, indien de variaties in haar overplanting tot de mannelijke sekse
-waren beperkt, alleen de mannetjes fraaier kleuren verkrijgen; indien echter een dergelijke
-beperking niet plaats greep, zou het bewaard blijven en de toeneming van dergelijke
-variaties daarvan afhangen, of er meer kwaad werd berokkend aan de soort door het
-verkrijgen van opzichtige kleuren door de wijfjes, dan goed aan de mannetjes, doordat
-zekere individu’s de zegepraal over hun mededingers behaalden.
-</p>
-<p>Daar het nauwelijks kan worden betwijfeld, dat beide seksen van vele dag- en nachtvlinders
-doffe kleuren hebben verkregen ter wille van de bescherming, kan het wellicht even
-zoo zijn gegaan met de wijfjes alleen van sommige soorten, waarin opeenvolgende variaties
-in de richting der doffe kleur eerst bij de vrouwelijke sekse verschenen en in haar
-overplanting van den beginne af tot die zelfde sekse bleven beperkt. Had een dergelijke
-beperking niet plaats, dan moesten beide seksen doffe kleuren hebben verkregen. Wij
-zullen zoo dadelijk zien, als wij over nabootsing („<span lang="en">mimickry</span>”) handelen, dat bij sommige kapellen alleen de wijfjes uiterst fraai zijn gemaakt
-ter wille van de bescherming, zonder dat een enkele der opvolgende beschermende variaties
-op het mannetje is overgeplant, voor wien zij bij geen mogelijkheid in het minst schadelijk
-zouden kunnen zijn geweest, zoodat zij <span class="pageNum" id="pb596">[<a href="#pb596">596</a>]</span>niet door de natuurlijke teeltkeus zouden kunnen zijn geëlimineerd. Of het bij elke
-bijzondere soort bij welke de seksen in kleur verschillen, het wijfje is geweest,
-dat bijzonder is gewijzigd ter wille van de bescherming; dan wel of het het mannetje
-is geweest, dat bijzonder is gewijzigd om daardoor aantrekkelijk te worden voor de
-wijfjes, terwijl deze laatsten haar oorspronkelijke kleur hebben behouden, alleen
-in geringe mate veranderd door de inwerkingen waarop vroeger is gezinspeeld; dan wel
-eindelijk, of beide seksen zijn gewijzigd, het wijfje tot bescherming, het mannetje
-om aantrekkelijker voor het wijfje te worden, kan alleen voorgoed worden beslist,
-als wij de geschiedenis van het leven van elke soort kennen.
-</p>
-<p>Zonder stellige bewijzen ben ik niet geneigd om aan te nemen, dat bij een menigte
-soorten gedurende langen tijd een dubbel proces van teeltkeus heeft gewerkt, waardoor
-de mannetjes schitterender werden, omdat zij daardoor de zegepraal behaalden over
-hun vijanden en de wijfjes doffer kleuren verkregen, omdat zij daardoor aan hun vijanden
-ontsnapten. Wij kunnen als voorbeeld den gewonen Citroenvlinder (<i>Gonopteryx</i>) noemen, die vroeg in de lente vóór elke andere soort verschijnt. Het mannetje van
-deze soort is veel levendiger geel gekleurd dan het wijfje, ofschoon dit laatste bijna
-evenzeer in het oog valt; en in dit geval schijnt het niet waarschijnlijk, dat zij
-haar bleeke kleuren verkreeg met het bijzondere doel om haar te beschermen, hoewel
-het waarschijnlijk is, dat het mannetje zijn levendige kleur verkreeg om aantrekkelijker
-voor haar te worden. Het wijfje van den Peterselievlinder (<i>Antocharis cardamines</i>) bezit aan haar vleugels de fraaie oranje punten niet, waarmede het mannetje is versierd;
-bij gevolg gelijkt zij zeer veel op de Witjeskapellen (<i>Pieris</i>) die in onze tuinen zoo algemeen zijn; wij hebben echter geen bewijzen, dat deze
-gelijkenis voordeelig voor haar is. Daar zij gelijkt op beide seksen van verscheidene
-soorten van het zelfde geslacht, die verschillende deelen der wereld bewonen, is het
-integendeel waarschijnlijker, dat zij eenvoudig haar oorspronkelijke kleuren grootendeels
-heeft behouden.
-</p>
-<p>Verschillende feiten ondersteunen dit besluit, dat het bij de meeste schitterend gekleurde
-vlinders het mannetje is, dat is gewijzigd, en dat de beide seksen er toe zijn gekomen
-om van elkander te verschillen of op elkander te gelijken, al naar den vorm van erfelijkheid,
-die de overhand behield. De erfelijkheid wordt door zoovele onbekende wetten of voorwaarden
-beheerscht, dat zij ons zeer grillig in haar <span class="corr" id="xd31e22530" title="Bron: werkkring">werking</span> <span class="pageNum" id="pb597">[<a href="#pb597">597</a>]</span>schijnen te zijn<a class="noteRef" id="xd31e22535src" href="#xd31e22535">26</a>, en wij kunnen in zoo verre begrijpen, hoe het komt, dat bij nauwverwante soorten
-de seksen van sommige verbazend verschillen, terwijl die van andere de zelfde kleur
-bezitten. Daar de opeenvolgende trappen van het proces van variatie allen noodzakelijk
-door het wijfje heên worden overgeplant, zou een grooter of kleiner aantal daarvan
-gemakkelijk ook bij haar tot ontwikkeling kunnen komen, en op die wijze kunnen wij
-de veelvuldige overgangen begrijpen tusschen een uitermate groot verschil en volstrekt
-geen verschil tusschen de seksen bij de soorten van ééne en de zelfde groep. Deze
-gevallen van overgang zijn veel te algemeen om de veronderstelling te begunstigen,
-dat wij hier de wijfjes juist bezig zien met het proces van overgang te ondergaan
-en haar levendige kleuren ter wille der bescherming te verliezen; want wij hebben
-alle reden om te besluiten, dat op elk gegeven tijdstip het grootste aantal soorten
-in een blijvenden toestand verkeeren. Ten opzichte van de verschillen tusschen de
-wijfjes van de soorten van één en het zelfde geslacht of ééne en de zelfde familie,
-kunnen wij opmerken, dat zij, ten minste gedeeltelijk, daarvan afhangen, dat de wijfjes
-deelen in de kleuren van haar respectieve mannetjes. Hiervan geven die groepen een
-goed voorbeeld, bij welke de mannetjes in buitengewone mate zijn versierd; want bij
-deze groepen deelen de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte in de pracht van haar
-mannelijke gezellen. Eindelijk vinden wij steeds, zooals reeds is opgemerkt, dat de
-wijfjes van bijna alle soorten van één en het zelfde geslacht, of zelfs van ééne en
-de zelfde familie, veel meer in kleur op elkander gelijken dan de mannetjes, en dit
-bewijst, dat de mannetjes een grootere mate van wijziging hebben ondergaan dan de
-wijfjes.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Nabootsing („<span lang="en">Mimickry</span>”)<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></i>—Dit beginsel werd het eerst duidelijk gemaakt in een bewonderenswaardige verhandeling
-van den heer Bates<a class="noteRef" id="xd31e22550src" href="#xd31e22550">27</a> die daardoor een stroom van licht op menig duister vraagstuk wierp. Men had reeds
-vroeger opgemerkt, dat zekere kapellen in Zuid-Amerika, tot geheel verschillende families
-behoorende, zoo volkomen op de <i>Heliconidae</i> geleken in elke streep en schakeering harer kleuren, dat zij daarvan slechts door
-een geoefend insektenkenner konden worden onderscheiden. Daar de <i>Heliconidae</i> op haar gewone wijze zijn <span class="pageNum" id="pb598">[<a href="#pb598">598</a>]</span>gekleurd, terwijl de andere afwijken van de gewone kleuring der groepen waartoe zij
-behooren, is het duidelijk, dat deze laatsten de nabootsers en de <i>Heliconidae</i> de nagebootsten zijn. De heer Bates merkte verder op, dat de nabootsende soorten
-vergelijkenderwijze zeldzaam zijn, terwijl de nagebootste in grooten getale rondvliegen,
-en dat beide met elkander dooreengemengd leven. Uit het feit, dat de <i>Heliconidae</i> opzichtige en fraai gekleurde insekten en toch zoo talrijk in individu’s en soorten
-zijn, besloot hij, dat zij tegen de aanvallen der vogels moesten worden beschermd
-door de eene of andere afscheiding of stank, en deze onderstelling is nu door een
-groot aantal merkwaardige bewijzen bevestigd.<a class="noteRef" id="xd31e22567src" href="#xd31e22567">28</a> Uit deze overwegingen leidde de heer Bates af, dat de kapellen die de beschermde
-soorten nabootsen, haar tegenwoordig verwonderlijk bedriegelijk uiterlijk hebben verkregen
-door afwijking en natuurlijke teeltkeus, opdat zij voor de beschermde soorten zouden
-worden gehouden en daardoor zouden ontsnappen aan het gevaar van te worden verslonden.
-Geen verklaring wordt hier beproefd van de schitterende kleuren der nagebootste, maar
-alleen van die der nabootsende kapellen. Wij moeten ons van de kleuren der eersten
-rekenschap geven op de zelfde algemeene wijze als in de vroeger in dit hoofdstuk besproken
-gevallen. Sinds de uitgaaf van de verhandeling van den heer Bates zijn gelijksoortige
-en even treffende gevallen door den heer Wallace<a class="noteRef" id="xd31e22575src" href="#xd31e22575">29</a> in Insulinde, door den heer Trimen in Zuid Afrika en door den heer Riley in de Vereenigde
-Staten waargenomen.
-</p>
-<p>Daar sommige schrijvers<a class="noteRef" id="xd31e22596src" href="#xd31e22596">30</a> veel moeite hebben gehad om te begrijpen, hoe de eerste stappen van het proces van
-nabootsing („<span lang="en">mimickry</span>”) door natuurlijke teeltkeus tot stand konden zijn gekomen, zal het wellicht <span class="pageNum" id="pb599">[<a href="#pb599">599</a>]</span>goed zijn op te merken, dat het proces waarschijnlijk nimmer is begonnen met vormen
-die zeer veel in kleur verschilden. Bij twee soorten echter, die tamelijk op elkander
-geleken, kan de grootst mogelijke gelijkenis gemakkelijk op die wijze zijn verkregen,
-indien zij voor één van beide vormen voordeelig was; en, indien de nagebootste vorm
-daarna allengs door seksueele teeltkeus of door eenige andere oorzaak werd gewijzigd,
-moest de nabootsende vorm hem op dat zelfde spoor volgen en aldus tot bijna elke hoogte
-worden gewijzigd, zoodat hij ten laatste een uiterlijk of kleuring verkreeg, geheel
-verschillende van dat der andere leden van de groep waartoe hij behoorde. Daar uiterst
-geringe variaties in kleur in vele gevallen niet voldoende zouden zijn om een soort
-zoo gelijk aan een andere beschermde soort te maken dat zij behouden bleef, moet ik
-er aan herinneren, dat vele soorten van Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>) vatbaar zijn voor aanmerkelijke en plotselinge variaties in kleur. Eenige weinige
-voorbeelden daarvan zijn in dit hoofdstuk gegeven; men zou echter goed doen over dit
-punt zoowel de oorspronkelijke verhandeling van den heer Bates over nabootsing („<span lang="en">mimickry</span>”), als de verhandelingen van den heer Wallace te raadplegen.
-</p>
-<p>Bij verscheidene soorten zijn de seksen gelijk en bootsen de beide seksen van een
-andere soort na. Doch de heer Trimen deelt in de reeds aangehaalde verhandeling drie
-gevallen mede, waarin de seksen van den nagebootsten vorm van elkander in kleur verschillen,
-en de seksen van den nabootsenden vorm op dezelfde wijze van elkander verschillen.
-Onderscheidene gevallen zijn ook opgeteekend, waar alleen de wijfjes schitterend gekleurde
-en beschermde soorten nabootsen, terwijl de mannetjes „het normale uiterlijk van hun
-naaste verwanten” hebben behouden. Het is hier duidelijk, dat de opeenvolgende variaties
-waardoor het wijfje is gewijzigd, op haar alleen zijn overgeplant. Het is echter waarschijnlijk,
-dat sommige van de vele opeenvolgende variaties ook op de mannetjes zouden zijn overgebracht
-en zich ook bij deze zouden hebben ontwikkeld, als dergelijke mannetjes niet waren
-geëlimineerd, omdat zij daardoor minder aantrekkelijk voor de wijfjes werden gemaakt;
-zoodat alleen die variaties bewaard bleven, die van den beginne af in haar overerving
-stipt tot de vrouwelijke sekse waren beperkt. Wij hebben een voorbeeld tot opheldering
-van deze opmerkingen in een mededeeling van den heer Belt<a class="noteRef" id="xd31e22620src" href="#xd31e22620">31</a>, dat de mannetjes <span class="pageNum" id="pb600">[<a href="#pb600">600</a>]</span>van sommige Leptaliden, die beschermende soorten nabootsen, toch op verborgen wijze
-eenige hunner oorspronkelijke kenmerken bewaren. Zoo is bij de mannetjes „de bovenhelft
-van den ondervleugel zuiver wit van kleur, terwijl het geheele overige gedeelte van
-de vleugels zwarte, roode en gele strepen en vlekken vertoont, evenals bij de soorten
-die zij nabootsen. De wijfjes hebben deze witte vlek niet, en de mannetjes verbergen
-haar gewoonlijk door haar met den bovenvleugel te bedekken, zoodat ik niet kan begrijpen,
-dat zij van eenig ander nut voor hen zou zijn dan als een aantrekkingsmiddel bij de
-vrijage, waarbij zij haar aan de wijfjes vertoonen en daardoor van de diepgewortelde
-voorkeur partij trekken, welke deze gevoelen voor de normale kleur van de groep waartoe
-de Leptaliden behooren.<span class="corr" id="xd31e22628" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Levendige Kleuren van Rupsen.</i>—Terwijl ik nadacht over de schoonheid van vele kapellen, viel het mij in, dat sommige
-rupsen prachtig zijn gekleurd, en daar hier de seksueele teeltkeus bij geen mogelijkheid
-kan hebben gewerkt, scheen het overijld om de schoonheid der volkomen insekten aan
-de werking daarvan toe te schrijven, tenzij de levendige kleuren van hun larven op
-de eene of andere wijze konden worden verklaard. In de eerste plaats kan worden opgemerkt,
-dat de kleuren van rupsen volstrekt niet in nauw verband staan met die van het volkomen
-insekt. In de tweede plaats dienen hun levendige kleuren op geen enkele gewone wijze
-tot bescherming. Als een voorbeeld hiervan deelt de heer Bates mij mede, dat de meest
-opzichtige rups welke hij ooit zag, een Pijlstaartrups (<i>Sphinx</i>), leefde op de groote groene bladeren van een boom in de open Llano’s van Zuid-Amerika;
-zij was ongeveer een decimeter lang en bezat zwarte of gele dwarsbanden, terwijl de
-kop, pooten en staart helder rood waren. Daardoor viel zij elk mensch die op vele
-ellen afstands voorbijging, en waarschijnlijk elk voorbijkomend levend schepsel in
-het oog.
-</p>
-<p>Ik wendde mij toen tot den heer Wallace die een aangeboren vernuft bezit om moeilijkheden
-op te lossen. Na eenig nadenken antwoordde deze mij: „De meeste rupsen hebben bescherming
-noodig, zooals daaruit mag worden afgeleid, dat vele soorten van doornen en prikkelende
-haren zijn voorzien, of groen gekleurd, gelijk de bladeren waarmede zij zich voeden,
-of merkwaardig veel gelijken op de twijgen der boomen waarop zij leven.” Ik kan hier
-als een ander voorbeeld van bescherming bijvoegen, dat er een rups van een nachtvlinder
-is, gelijk de heer <span class="pageNum" id="pb601">[<a href="#pb601">601</a>]</span>J. Mansel Weale mij mededeelde, die op de mimosa’s van Zuid-Afrika leeft, en zich
-een verblijfplaats vervaardigt, die volstrekt niet van de omringende doornen kan worden
-onderscheiden. Op grond van dergelijke overwegingen hield de heer Wallace het voor
-waarschijnlijk, dat opzichtig gekleurde rupsen werden beschermd, doordat zij een walgelijken
-smaak hadden; maar daar haar huid uiterst teeder is, en haar ingewanden gemakkelijk
-uitpuilen uit een wond, zou een geringe pik van den snavel van een vogel bijna even
-noodlottig voor haar zijn, alsof zij verslonden waren geworden. Daarom zou, gelijk
-de heer Wallace opmerkt, „een walgelijke smaak alleen onvoldoende zijn om een rups
-te beschermen, tenzij eenig uiterlijk teeken aan het dier dat haar wilde verslinden,
-aantoonde, dat zijn prooi een wansmakelijk gerecht was.” Onder deze omstandigheden
-zou het in hooge mate voordeelig voor een rups zijn om oogenblikkelijk en met zekerheid
-door alle vogels en andere dieren als oneetbaar te worden herkend. Zoo zouden de levendigste
-kleuren nuttig zijn, en zouden kunnen zijn verkregen door variatie en het in leven
-blijven der gemakkelijkst herkenbare individu’s.
-</p>
-<p>Deze veronderstelling schijnt op het eerste gezicht zeer stout, maar toen zij aan
-het oordeel der Engelsche Entomologische Vereeniging werd onderworpen<a class="noteRef" id="xd31e22643src" href="#xd31e22643">32</a>, werd zij door onderscheidene mededeelingen bevestigd; en de heer Jenner Weir die
-een groot aantal vogels in een vogelhuis (volière) houdt, heeft, naar hij mij meldt,
-talrijke proeven genomen en vindt geen uitzondering op den regel, dat al de rupsen
-die een nachtelijke levenswijze hebben, zich schuil houden en een zachte huid bezitten,
-allen die groen van kleur zijn, en allen die twijgen nabootsen, gretig door zijn vogels
-worden verslonden<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De harige en doornige soorten worden onveranderlijk weggeworpen, en evenzoo ging
-het met vier opzichtig gekleurde soorten. Als de vogels een rups wegwierpen, toonden
-zij duidelijk door hun koppen te schudden en hun bekken schoon te maken, dat zij van
-den smaak walgden.<a class="noteRef" id="xd31e22651src" href="#xd31e22651">33</a> Drie opzichtige soorten van rupsen werden ook door den heer A. Butler aan eenige
-hagedissen en kikvorschen gegeven, en werden weggeworpen, hoewel andere <span class="pageNum" id="pb602">[<a href="#pb602">602</a>]</span>soorten gretig werden gegeten. De waarschijnlijke waarheid van de meening van den
-heer Wallace wordt dus bevestigd, dat namelijk zekere rupsen opzichtig zijn gemaakt
-voor haar eigen bestwil, opdat zij gemakkelijk door haar vijanden zouden kunnen worden
-herkend, ongeveer volgens het zelfde beginsel, als zekere vergiften door de apothekers
-worden gekleurd ten bestwil van den mensch.
-</p>
-<p>Wij kunnen echter tegenwoordig de sierlijke verscheidenheid van de kleuren van vele
-rupsen niet op die wijze verklaren; maar elke soort die in een of ander vroeger tijdperk
-een dof gevlekt of gestreept uiterlijk had verkregen, hetzij in nabootsing van omringende
-voorwerpen of door de rechtstreeksche werking van het klimaat enz, zou bijna zeker
-niet eenvormig van kleur worden, als haar kleuren sterk en levendig werden; want,
-als het eenvoudig was te doen om een rups opzichtig te maken, zou er geen teeltkeus
-in de eene of andere bepaalde richting zijn.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Overzicht en Slotopmerkingen aangaande de Insekten.</i>—Laten wij thans een terugblik slaan op de verschillende Orden. Wij hebben gezien,
-dat de seksen dikwijls in onderscheidene kenmerken verschillen, waarvan de beteekenis
-niet wordt begrepen. De seksen verschillen ook dikwijls in haar zintuigen of bewegingswerktuigen,
-opdat de mannetjes de wijfjes spoedig zouden kunnen ontdekken of bereiken, en nog
-veelvuldiger, doordat de mannetjes allerlei werktuigen hebben om het wijfje vast te
-houden als zij haar hebben gevonden. Wij hebben hier echter met dergelijke seksueele
-verschillen niet veel te maken.
-</p>
-<p>In bijna alle Orden weet men, dat de mannetjes van sommige soorten, zelfs van zwakke
-en teedere, zeer strijdlustig zijn; en eenige weinige zijn van bijzondere wapenen
-voorzien om met hun medeminnaars te vechten. De wet van den strijd geldt echter bij
-de Insekten lang zoo algemeen niet als bij de hoogere dieren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Daardoor komt het waarschijnlijk, dat de mannetjes zelden grooter en sterker zijn
-geworden dan de wijfjes. Zij zijn daarentegen gewoonlijk kleiner, opdat zij zich in
-korten tijd zouden kunnen ontwikkelen, zoodat zij in grooten getale gereed zijn, als
-de wijfjes uit de pop komen.
-</p>
-<p>In twee families van de Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>) bezitten alleen de mannetjes in werkzamen staat werktuigen die men stemorganen zou
-kunnen noemen; en in drie families van de Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) bezitten alleen de mannetjes sjirporganen. In beide gevallen <span class="pageNum" id="pb603">[<a href="#pb603">603</a>]</span>worden deze organen gedurende den paartijd onophoudelijk gebruikt, niet alleen om
-de wijfjes te lokken, maar ook om haar in den wedstrijd met andere mannetjes te bekoren
-of op te wekken. Niemand die de werking der natuurlijke teeltkeus aanneemt, zal betwisten,
-dat deze muziekinstrumenten door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In vier andere
-Orden bezitten de leden van de eene sekse, of meer algemeen van beide seksen organen
-om verschillende geluiden voort te brengen, die alleen als loktonen schijnen te dienen.
-Zelfs wanneer beide seksen daarvan zijn voorzien, moeten zij die in staat zijn het
-luidste of langst aanhoudende geluid te maken, eerder gezellen krijgen dan zij die
-minder luidruchtig zijn, zoodat hun organen waarschijnlijk door seksueele teeltkeus
-zijn verkregen. Het is leerzaam om na te denken over de verwonderlijke verscheidenheid
-der middelen om geluid voort te brengen, welke alleen de mannetjes of beide seksen
-in niet minder dan zes Orden bezitten, en welke door ten minste één insekt in een
-uiterst lang geleden geologisch tijdvak werden bezeten. Wij leeren daaruit, hoe werkzaam
-de seksueele teeltkeus is geweest in het veroorzaken van verschillende wijzigingen
-van maaksel, die soms, zooals bij de Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>), belangrijk van aard zijn.
-</p>
-<p>Wegens in het vorige hoofdstuk vermelde reden is het waarschijnlijk, dat de groote
-horens van de mannetjes van vele Bladsprietigen (<i>Lamellicornia</i>) en sommige andere Kevers als een sieraad zijn verkregen. Evenzoo is het wellicht
-ook met zekere andere tot de mannelijke sekse beperkte bijzonderheden. Wegens de geringe
-grootte der insekten zijn wij geneigd hun uiterlijk aanzien laag te schatten. Als
-wij ons een mannelijke <i>Chalcosoma</i> (Fig. 57) konden voorstellen, met zijn maliënkolder van gepolijst brons, tot de grootte
-van een paard of zelfs slechts van een hond vergroot, zou het een der indrukwekkendste
-dieren van de wereld zijn.
-</p>
-<div class="figure fig57width"><img src="images/fig57.png" alt="Fig. 57. Mannetje van Chalcosoma (verkleind)." width="349" height="180"><p class="figureHead">Fig. 57. Mannetje van <i>Chalcosoma</i> (verkleind).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De kleuring der insekten is een ingewikkeld en duister onderwerp. Als het mannetje
-weinig van het wijfje verschilt en geen van beide schitterend gekleurd zijn, is het
-waarschijnlijk, dat de beide seksen op een <span class="pageNum" id="pb604">[<a href="#pb604">604</a>]</span>eenigszins verschillende wijze hebben gevarieerd en de variaties op de zelfde sekse
-zijn overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel is verkregen of nadeel geleden.
-Als het mannetje schitterend is gekleurd en in ’t oog loopend van het wijfje verschilt,
-zooals bij sommige Waternimfen en vele Kapellen, is het waarschijnlijk, dat hij alleen
-is gewijzigd en dat hij zijn kleuren aan seksueele teeltkeus is verschuldigd, terwijl
-het wijfje een oorspronkelijke of zeer oude type van kleuring heeft behouden, eenigermate
-gewijzigd door vroeger verklaarde oorzaken, en dus, ten minste in de meeste gevallen,
-niet donker is gekleurd ter wille van de bescherming. Maar soms is ook alleen het
-wijfje schitterend gekleurd, zoodanig, dat het andere in de zelfde streek wonende
-beschermde soorten nabootst. Als de seksen op elkander gelijken, en beide donker gekleurd
-zijn, is er geen twijfel, dat zij in een menigte gevallen die kleur ter wille van
-de bescherming hebben verkregen. Evenzoo is het in sommige gevallen, als beide levendig
-gekleurd zijn en zij daardoor op hen omringende voorwerpen, zooals bloemen, of op
-andere beschermde soorten gelijken, of op indirecte wijze haar vijanden doen weten,
-dat zij oneetbaar zijn. In vele andere gevallen waarin de seksen op elkander gelijken
-en schitterend gekleurd zijn, vooral wanneer de kleuren geschikt zijn om er mede te
-pronken, mogen wij besluiten, dat zij door de mannelijke sekse als een aantrekkelijkheid
-zijn verkregen en op beide seksen overgeplant. Wij worden meer in het bijzonder tot
-dit besluit gebracht, als de zelfde type van kleur door een geheele groep heên heerscht,
-en wij vinden, dat de mannetjes van sommige soorten zeer in kleur van de wijfjes verschillen,
-terwijl bij andere soorten beide seksen geheel gelijk zijn en tusschenliggende overgangen
-deze uiterste toestanden verbinden.
-</p>
-<p>Op de zelfde wijze als levendige kleuren dikwijls gedeeltelijk van de mannetjes op
-de wijfjes zijn overgeplant, is het ook soms gegaan met de buitengewone horens van
-vele Bladsprietigen (<i>Lamellicornia</i>) en sommige andere kevers. Evenzoo zijn ook de stem- of instrumentale organen die
-aan de mannetjes der Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>) en Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) eigen zijn, gewoonlijk in een rudimentairen of zelfs in een bijna volkomen toestand
-op de wijfjes overgeplant, en toch niet volkomen genoeg om tot het voortbrengen van
-geluid te worden gebezigd. Het is ook een belangwekkend feit, daar het op seksueele
-teeltkeus wijst, dat de sjirporganen van sommige mannelijke Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) niet tot volkomen ontwikkeling komen <span class="pageNum" id="pb605">[<a href="#pb605">605</a>]</span>voor de laatste vervelling, en dat de kleuren van de mannetjes van sommige Waternimfen
-niet tot volkomen ontwikkeling komen, dan korten tijd nadat zij uit de pop zijn gekomen
-en als zij gereed zijn voor de paring.
-</p>
-<p>De seksueele teeltkeus sluit in zich, dat aan de aantrekkelijkste individu’s door
-de andere sekse de voorkeur wordt gegeven; en daar bij de insekten, wanneer de seksen
-verschillen, met zeldzame uitzonderingen het mannetje het meest is versierd en het
-meest afwijkt van de type waartoe de soort behoort, moeten wij veronderstellen, dat
-de wijfjes gewoonlijk of somtijds aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven, en
-dat deze op die wijze hun schoonheid hebben verkregen. Dat in de meeste of alle Orden
-de wijfjes het vermogen bezitten om eenig bijzonder mannetje van de hand te wijzen,
-mogen wij veilig afleiden uit de vele vreemdsoortige dwangwerktuigen welke de mannetjes
-bezitten om het wijfje te grijpen, zooals groote kaken, zuigkussentjes, doornen, verlengde
-pooten enz.; want deze dwangwerktuigen bewijzen, dat er aan de handeling eenige moeite
-is verbonden. In het geval van vereenigingen tusschen verschillende soorten, waarvan
-vele voorbeelden zijn opgeteekend, moet het wijfje daarin hebben toegestemd. Te oordeelen
-naar hetgeen wij weten van de waarnemingsvermogens en de neigingen van verschillende
-insekten, is er a priori volstrekt geen onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de seksueele
-teeltkeus sterk heeft gewerkt; maar wij bezitten daarvan tot dusver nog geen rechtstreeksche
-bewijzen, en sommige feiten pleiten tegen dit geloof. Desniettemin kunnen wij, als
-wij vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen, moeielijk gelooven, dat de paring
-aan het blinde toeval is overgelaten,—dat het wijfje geen keus uitoefent en dat de
-prachtige kleuren of andere versierselen waarmede het mannetje prijkt, geen invloed
-op haar uitoefenen.
-</p>
-<p>Als wij aannemen, dat de wijfjes van de Gelijkvleugeligen (<i>Homoptera</i>) en Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>) de door hun mannelijke gezellen voortgebrachte muzikale tonen op prijs stellen,
-en dat de verschillende tot dit doel bestemde instrumenten door seksueele teeltkeus
-volkomener zijn gemaakt, is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat de wijfjes van andere
-insekten schoonheid van vorm of kleur op prijs stellen, en dat bijgevolg dergelijke
-kenmerken op die wijze door de mannetjes zijn verkregen. Maar wegens de omstandigheid,
-dat de kleur zoo variabel is, en omdat zij dikwijls ter wille van de bescherming is
-gewijzigd, is het uiterst moeielijk te beslissen in hoe sterk een verhouding van gevallen
-<span class="pageNum" id="pb606">[<a href="#pb606">606</a>]</span>de seksueele teeltkeus in het spel geweest. Dit is meer in het bijzonder moeielijk
-in die Orden, zooals de Rechtvleugeligen (<i>Orthoptera</i>), Vliesvleugeligen (<i>Hymenoptera</i>) en Schildvleugeligen (<i>Coleoptera</i>), in welke de beide seksen zelden veel in kleur verschillen; want wij zijn dan beroofd
-van ons beste bewijs voor eenige betrekking tusschen de voortplanting der soort en
-de kleur<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Onder de Schildvleugeligen (<i>Coleoptera</i>) is het echter, zooals vroeger is opgemerkt, in de groote groep der Bladsprietige
-Kevers (<i>Lamellicornia</i>), door sommige schrijvers aan het hoofd van de Orde geplaatst, en waarin wij somtijds
-een wederkeerige gehechtheid tusschen de seksen waarnemen, dat wij de mannetjes van
-sommige soorten in het bezit van bijzondere wapens voor den strijd om de wijfjes,
-andere van verwonderlijke horens, vele van sjirporganen voorzien en andere met prachtige
-metallieke kleuren versierd vinden. Het schijnt daarom waarschijnlijk, dat al deze
-kenmerken door het zelfde middel, namelijk seksueele teeltkeus, zijn verkregen.
-</p>
-<p>Als wij de vogels behandelen, zullen wij zien, dat zij in hun secundaire seksueele
-kenmerken de grootste analogie met de Insekten vertoonen. Zoo zijn vele mannelijke
-vogels in hooge mate strijdlustig en sommigen zijn van bijzondere wapenen voorzien
-om met hun medeminnaars te vechten. Zij bezitten organen die gedurende den paartijd
-worden gebruikt om vocale en instrumentale muziek voort te brengen. Zij zijn dikwijls
-versierd met kammen, horens, vleeschlappen en vederen van den meest verschillenden
-aard en prijken met schoone kleuren, hetwelk alles klaarblijkelijk dient om er mede
-te pronken. Wij zullen zien, dat, evenals bij de insekten, in sommige groepen beide
-seksen even schoon zijn, en beide gelijkelijk versierselen bezitten, die anders gewoonlijk
-tot de mannelijke sekse zijn beperkt. In andere groepen zijn beide seksen even dof
-gekleurd en onversierd. Eindelijk zijn in eenige weinige van den regel afwijkende
-gevallen de wijfjes fraaier dan de mannetjes. Wij zullen dikwijls in ééne en dezelfde
-groep van vogels allerlei overgangen vinden van volstrekt geen verschil tusschen de
-seksen tot een uiterst groot verschil toe. In het laatste geval zullen wij zien, dat
-de wijfjes evenals vrouwelijke insekten dikwijls min of meer duidelijke sporen bezitten
-van de kenmerken die eigenlijk aan de mannetjes toebehooren. De overeenkomst in al
-deze opzichten tusschen Vogels en Insekten is inderdaad merkwaardig groot. Elke verklaring
-die bij de eene Klasse toepasselijk is, is zulks waarschijnlijk ook bij de andere,
-en die verklaring is, zooals wij later zullen trachten aan te toonen, bijna zeker
-Seksueele Teeltkeus.
-<span class="pageNum" id="pb607">[<a href="#pb607">607</a>]</span> </p>
-<div id="ch11n" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e597">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en11.1" class="first">(<a href="#en11.1src">1</a>) De Doodshoofd-uil (<i>Acherontia atropos</i>) maakt een eigenaardig piepend geluid dat volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen
-aangehaalde verhandeling) door het wrijven van de voelers (palpi) tegen den zuiger
-wordt voortgebracht. Deze voelers bezitten aan de onbehaarde binnenzijde zeer fijne
-ribbetjes.<a class="noteRef" id="xd31e22744src" href="#xd31e22744">34</a>
-</p>
-<p>De heeren Mr. S.&nbsp;C. Snellen van Vollenhoven, Dr. M.&nbsp;C. Verloren en R.&nbsp;T. Maitland
-antwoordden op mijn vraag, of er ten opzichte van dit geluidgevend vermogen ook eenig
-verschil tusschen de seksen van <i>A. atropos</i> werd waargenomen, dat zij zulks niet geloofden. Dit neemt niet weg, dat ik het toch
-zeer mogelijk acht, dat het vermogen om geluid voort te brengen, door <i>A. atropos</i> is verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus op de zelfde wijze waarop Darwin
-zulks verklaart bij torren van welke de beide seksen sjirpen.<a class="noteRef" id="xd31e22775src" href="#xd31e22775">35</a>
-</p>
-<p>Ook bij andere <i>Sphingidae</i> vond Landois ribbetjes op de palpen, en wel in veel grooter aantal met betrekking
-tot de oppervlakte die zij innemen, zooals blijkt uit het volgende staatje:
-<span class="pageNum" id="pb608">[<a href="#pb608">608</a>]</span>
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<thead>
-<tr class="label">
-<td class="cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">SOORTEN. </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">Lengte der wrijfplaat (in millimeters). </td>
-<td class="cellHeadTop cellHeadBottom">Breedte der wrijfplaat (in millimeters). </td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">Aantal ribbetjes.
-</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><i>A. atropos</i> </td>
-<td>2 </td>
-<td>0.75 </td>
-<td class="cellRight">35 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><i>Sphinx convolvuli</i> </td>
-<td>2 </td>
-<td>1 </td>
-<td class="cellRight">92 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><i>S. ligustri</i> </td>
-<td>1.1 </td>
-<td>0.38 </td>
-<td class="cellRight">30 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><i>Deilephila elpenor</i> </td>
-<td>1.16 </td>
-<td>0.41 </td>
-<td class="cellRight">36 </td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><i>Sphinx pinastri</i> </td>
-<td class="cellBottom">1.33 </td>
-<td class="cellBottom">0.5 </td>
-<td class="cellRight cellBottom">39 </td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Daar nu bij gelijke wrijvingssnelheid een grooter aantal ribbetjes op een even lang
-gedeelte van de wrijfplaat noodzakelijk moet overeenkomen met een grooter aantal trillingen,
-dus met een hoogeren toon, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat al deze vlinders
-geluiden voortbrengen, doch dat wij slechts dat van <i>A. atropos</i> hooren, omdat die der andere te hoog zijn om door onze ooren te kunnen worden waargenomen.
-Wanneer wij verder aannemen, dat het geluidgevend vermogen door <i>A. atropos</i> is verkregen ten gevolge van de werking der seksueele teeltkeus, dan valt dit ook
-voor het overige niet te betwijfelen. Op die wijze komen wij er toe te bepalen op
-welke wijze deze laatsten een vermogen hebben verkregen, van welks bestaan wij ons
-door directe waarnemingen niet kunnen overtuigen.
-</p>
-<p>Men kan nog verder gaan. Reuter („<span lang="de">Zool. Anz.</span>”, blz. 288, 17 Sept. 1888) onderzocht eenige honderden soorten van vlinders uit Finland,
-en vond bij <i>allen</i> zulk een onbehaarde plek aan de binnenzijde der voelers als Landois bij de Sphingiden
-had gevonden, en die plek schijnt voor de <i>geheele</i> orde der Schubvleugeligen typisch te zijn. Bij <i>bijna alle</i> onderzochte vlinders vond Reuter de door Landois ontdekte ribbetjes, bij vele soorten
-wel is waar vrij onduidelijk en onvolkomen, maar bij slechts weinige geheel ontbrekende.
-Steeds was de ligging zoo, dat de met een verhoogde lijst voorziene basis van den
-zuiger er gemakkelijk kon worden tegenaan gedrukt. Bij <i>alle</i> vlinders komt derhalve zulk een sjirporgaan of een rudiment daarvan voor. Naast de
-ribbetjes vond Reuter een eigenaardig zintuig, over de functie waarvan hij geen zeker
-besluit meende te kunnen trekken. Het bestaat uit een kegelvormig met een ringvlies
-omgeven orgaan<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> waarin zich haarvormige deeltjes bevinden, die met zenuwen in verbinding staan. De
-analogie hiervan met sommige deelen van ons eigen inwendig oor doet schrijver dezes
-vermoeden, dat wij hier wel met een gehoororgaan zullen hebben te doen.
-</p>
-<p>Bij de dagvlinders waren zoowel de ribbetjes op de wrijfplaat als het zintuig aanmerkelijk
-grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hetgeen o.i. duidelijk bewijst, dat die
-deelen met de seksueele teeltkeus in verband staan.
-</p>
-<p>Romanes, Mr. Sachlan, Buchanan White en Cunningham hebben in „<span lang="en">Nature</span>”, Jan. en Febr. 1877, blz. 177, 293, verscheidene mededeelingen gedaan omtrent geluidgevende
-vlinders. Verscheidene soorten van <i>Vanessa</i> maken een dergelijk geluid als <i>Ageronia feronia</i>, ofschoon zwakker, en het geluid wordt voortgebracht door een als een vijl getanden
-ader van den bovenvleugel, die strijkt over een uitpuilenden ader aan den ondervleugel,
-terwijl er bovendien daar ook een schubloos plekje is, door een lijstje omsloten.
-Ook in de geslachten <i>Euprepia</i> en <i>Chelonia</i> komen geluidgevende vlinders <span class="pageNum" id="pb609">[<a href="#pb609">609</a>]</span>voor. Bij <i>Chelonia pudica</i> wordt het geluid voortgebracht door een soortgelijk orgaan als bij <i>Setina</i>, en gelijkt op het tikken van een horloge.
-</p>
-<p><i lang="la">Dionychopus niveus</i> Mén. bezit volgens Dönitz (<span class="corr" id="xd31e22894" title="Niet in bron">„</span><span lang="de">Berl. Entomol. Zeitschrift</span><span class="corr" id="xd31e22897" title="Niet in bron">”</span>, 1887, Heft 1) een eigenaardig stemorgaan. Aan de bovenzijde van den achtervleugel
-en aan de onderzijde van den voorvleugel, daar waar de vleugels elkander bedekken,
-bevinden zich namelijk omstreeks 2 m.m. lange en 1 m.m. breede uit sterk gechitiniseerde
-dorens bestaande borstels. Door het tegen elkander wrijven daarvan brengt de vlinder
-een sjirpend geluid voort. Bij de Spinners (<i>Bombycidae</i>) zou de stemtoestel meestal aan de borst liggen en bestaan uit een over een holte
-gespannen vlies dat waarschijnlijk door wrijving met de achterpooten in trilling wordt
-gebracht.
-</p>
-<p id="en11.2">(<a href="#en11.2src">2</a>) Wij zullen in Hoofdstuk XII, XIII en XVIII zien, dat Darwin den muskusachtigen geur
-welken de krokodillen, de Australische muskuseend (<i>Bizura lobata</i>) en vele zoogdieren verspreiden, met hun seksueele functiën in verband brengt, en
-de ontwikkeling der klieren waardoor de riekende stof wordt afgescheiden, ten minste
-bij sommige dezer dieren, door seksueele teeltkeus verklaart. Het bevreemdt mij, dat
-in dit hoofdstuk alleen, en dan nog maar ter loops, wordt gerept van den geur dien
-twee pijlstaartvlinders verspreiden, daar het zelfde bij zeer vele andere vlinders
-is opgemerkt.
-</p>
-<p>Fritz Müller („<span lang="de">Ausland</span>”, 7 Oct. 1878) doet omtrent den geur van mannelijke vlinders eenige mededeelingen.
-(Vergelijk ook boven aant. 1).
-</p>
-<p>De schubben welke op de vleugels der vlinders als dakpannen over elkander liggen,
-vertoonen, gelijk men weet, bij de mannetjes dikwijls kleinere of grootere onregelmatigheden
-door <i>tusschenschubben</i>.
-</p>
-<p>Deze tusschenschubben zijn volgens F. Müller’s waarnemingen de zetel van den eigenaardigen
-geur welken bijna alle mannelijke vlinders in meerdere of mindere mate bezitten. Deze
-waarnemingen zijn later door verschillende andere natuuronderzoekers bevestigd.
-</p>
-<p>Slechts die soorten welke tusschenschubben bezitten, verspreiden geur, en deze geur
-is vooral bij de door aanmerkelijke grootte uitmuntende Zuid-Amerikaansche soorten
-sterk, en werkt op den mensch dikwijls als de geur eener welriekende bloem. Daarbij
-is aangetoond, dat het steeds slechts aangename geuren, zooals vanille, muskus, jasmijn,
-citroen enz. zijn.
-</p>
-<p>Gelijk sinds lang bekend is, kenmerken zich ook onder de Europeesche vlinders <i>Charaxes jasius</i>, <i>Sphinx ligustri</i> en <i>Sphinx convolvuli</i>, vooral de laatste, door een muskusgeur, <i>Papilio Machaon</i> door een venkelgeur.
-</p>
-<p>De bedoelde geurschubben komen in den meest verschillenden vorm en op de meest verschillende
-plaatsen bij de dieren voor. Nu eens liggen zij in grootere of kleinere hoedanigheid
-tusschen de vleugelschubben verspreid, dan weder zijn zij in de nabijheid van den
-kop op één punt gelocaliseerd. Hier liggen zij aan de zijde van het lichaam in een
-soort van knobbel verborgen, ginds omhult ze aan den rand van den vleugel een soort
-van omslag die zich slechts bij het uitspreiden der vleugels opent; zelfs aan de pooten
-heeft men ze waargenomen. Zij zijn evenzoo verschillend van vorm, schildvormig, gestrekt,
-rondachtig, lancetvormig, gewonden enz., doch van boven eindigt de schub bijna altijd
-in een bos fijne haartjes, aan wier punten, evenals bij uitzweetende hars of oliën,
-kleine <span class="corr" id="xd31e22932" title="Bron: bollettjes">bolletjes</span> hangen. Kanaalachtige strengen loopen van den klierachtigen wortel der schubben naar
-de haartjes.
-</p>
-<p>Bij <i>Hepiolus Humuli</i> ontbreekt volgens <i>Bertkau</i> („Humboldt<span class="corr" id="xd31e22941" title="Niet in bron">”</span>, Mai 1885) het derde paar pooten en wordt vervangen door een peervormige plaat, uit
-welker verdiepte oppervlakte een dicht penseel van geelachtige borstels oprijst. <span class="pageNum" id="pb610">[<a href="#pb610">610</a>]</span>In het binnenste van dezen rudimentairen poot ziet men reeds bij zwakke vergrooting
-groote van kernen voorziene kliercellen door de huid heên schijnen. Zij hebben den
-vorm eener flesch waarvan de hals uitmondt in een huidporie waaruit de met een kanaal
-doorboorde gele borstels ontspringen. Deze klieren scheiden een zwak aromatisch riekende
-aetherische olie af, die geelachtig groen van kleur is en droppelsgewijs aan de spits
-der borstels te voorschijn komt. Ter beschutting van dezen toestel bezit het dier
-aan weêrszijden van den eersten ring van het achterlijf een dunhuidig zakje waarin
-het steeds zijn vervormde achterste pooten tracht te verbergen.
-</p>
-<p>Vraagt men naar den oorsprong van den geur der mannelijke vlinders en houdt men daarbij
-in het oog, dat het uitstroomen van den geur van den wil van het dier afhankelijk
-is, gelijk verschillende proeven onweêrlegbaar hebben bewezen, dan leidt ons dit ook
-hier tot de seksueele teeltkeus. Men kan aannemen, dat het mannetje zich door zijn
-geur aan het wijfje aangenaam wil maken, het koketteert daarmede als het ware, en
-het wijfje geeft van den anderen kant de voorkeur aan het mannetje dat het aangenaamst
-riekt. Aan het wijfje ontbreekt de geur, daar deze haar schadelijk is, omdat daardoor
-slechts vijanden zouden worden gelokt.
-</p>
-<p>In zijn „<span lang="de">Studien über Descendenztheorie</span>” toont Professor Weissman iets dergelijks bij de ontwikkeling van de kleuren der
-vlinders. Bovengenoemde onderstelling wint nog meer aan waarschijnlijkheid, als men
-de soorten van één geslacht met betrekking daartoe nauwkeuriger onderzoekt. Het gebeurt
-vaak, dat niet bij alle soorten de mannelijke vlinders de geurschubben en den geur
-bezitten, en de soorten bij welke zij ontbreken, behooren dan ook ten opzichte van
-de kleur en teekening der vleugels tot de meest ontwikkelde van het geslacht. Dit
-is b.v. het geval bij de „blauwtjes.”
-</p>
-<p>Eerst langzamerhand is hun oorspronkelijk bruine kleur door teeltkeus in blauw overgegaan;
-er zijn zelfs soorten welke eerstgenoemde kleur nog bezitten. Juist bij deze ontbreken
-nu ook de geurschubben.
-</p>
-<p>De Schubvleugeligen zijn overigens niet de eenige Orde van Insekten, die welriekende
-soorten bevat. Ook onderscheidene Schildvleugeligen verspreiden een aangenamen geur;
-zoo riekt <i>Aromia moschata</i> naar Oostersche rozenolie, <i>Velleius dilatatus</i> naar muskus, <i>Staphylinus olens</i> naar renetappels of aether nitricus; <i>Cicindela campestris</i> en <i>hybrida</i> verspreiden eveneens een welriekenden geur, naar dien van rozen zweemende en ook
-eenigszins overeenstemmende met dien der producten welke men somtijds verkrijgt, als
-men essentia terebinthinae met mengsels van zwavel- en salpeterzuur behandelt. Wanneer
-men nu den geur van sommige vlinders voor een gevolg van seksueele teeltkeus houdt,
-zal men er van zelf toe komen om dit ook bij bovengenoemde Kevers aan te nemen. Moeilijker
-schijnt, oppervlakkig beschouwd, deze verklaring toe te passen op een aantal soorten
-van Mieren die een sterken muskusgeur verspreiden, vooral als men haar nesten omwoelt;
-want de meeste individu’s zijn hier geslachtloozen of zoogenaamde arbeiders. Men kan
-echter aannemen, dat die geur, oorspronkelijk door de mannelijke mieren door seksueele
-teeltkeus verkregen zijnde, later ook op hun niet mannelijke nakomelingschap is overgebracht.
-Evenzoo kan men aannemen, dat bij insekten bij welke beide seksen rieken, de geur
-oorspronkelijk tot ééne sekse was beperkt, maar later, doordat de wet van gelijke
-overerving op beide seksen de overhand kreeg boven die van seksueel beperkte erfelijkheid,
-de oorspronkelijk tot ééne sekse beperkte geur ook op de nakomelingschap van de andere
-sekse werd overgeplant.
-</p>
-<p>Wat den stank aangaat, dien vele insekten (b.v. wantsen) verspreiden, <span class="pageNum" id="pb611">[<a href="#pb611">611</a>]</span>zoo zal deze in de meeste gevallen wel, als een beschermingsmiddel, door seksueele
-teeltkeus zijn verkregen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> In sommige gevallen kan hij echter ook een seksueele aantrekkelijkheid uitmaken en
-zich derhalve door seksueele teeltkeus hebben ontwikkeld; want wij moeten niet vergeten,
-dat het aangename of onaangename van een geur zeer subjectief is, zoodat iets dat
-wij een stank noemen, op een anders georganiseerd wezen een welriekenden indruk kan
-maken. Vele insekten worden b.v. aangetrokken door den reuk van rottend vleesch, faecalia,
-enz. Zelfs onder menschen zijn er individu’s die welriekend noemen hetgeen anderen
-voorkomt stinkend te zijn, en bij voorbeeld gaarne <i>Asa foetida</i> ruiken. Het is immers met andere zintuigen evenzoo. Wat den een heerlijk smaakt,
-lust de ander niet. De muziek waarin wilde volksstammen behagen scheppen, schijnt
-ons wanluidend; een schilderij die een Chinees fraai zal vinden, komt ons zeer leelijk
-voor; de Abessiniër vindt een stuk rauw vleesch, uit het levende rund gesneden, het
-heerlijkste gerecht, terwijl wij het liever gebraden, en uit een geslacht dier gesneden,
-eten. Hoe mogelijk is het derhalve, dat geuren die wij stank noemen, sommige insekten
-aangenaam aandoen!
-<span class="pageNum" id="pb612">[<a href="#pb612">612</a>]</span> </p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e21929">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21929src">1</a></span> <i>Apatura Iris</i>: „<span lang="en">The Entomologist’s Weekly Intelligencer</span>”, 1859, blz. 139. Voor de kapellen van Borneo zie C. Collingwood, „<span lang="en">Rambles of a Naturalist</span>”, 1868, blz. 183.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21929src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21946">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21946src">2</a></span> Zie mijn „<span lang="en">Journal of Researches</span>”, 1845, blz. 33. De heer Doubleday („<span lang="en">Proc. Ent. Soc.</span>”, 3 Maart, 1845, blz. 123) heeft een bijzonderen vliezigen zak ontdekt aan de basis
-der voorvleugels, die waarschijnlijk met de voortbrenging van het geluid in verband
-staat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21946src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21959">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21959src">3</a></span> „<span lang="en">The Scottish Naturalist</span>”, Juli 1872, blz. 213.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21959src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e21988">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e21988src">4</a></span> „<span lang="en">Zoölogical Record</span>”, 1869, blz. 347.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e21988src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22017">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22017src">5</a></span> Zie ook de verhandeling van den heer Bates in „<span lang="en">Proc. Ent. Soc. of Philadelphia</span>”, 1855, blz. 206. Ook den heer Wallace over het zelfde onderwerp, ten opzichte van
-<i>Diadema</i>, in „<span lang="en">Transact. Entomolog. Soc. of London</span>”, 1869, blz. 278.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22017src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22076">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22076src">6</a></span> „<span lang="en">The Naturalist on the Amazons</span>”, vol. I, 1863, blz. 19.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22076src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22086">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22086src">7</a></span> Zie het belangwekkende artikel in de „<span lang="en">Westminster Review</span>”, Juli, 1867, <span class="pageNum" id="pb581n">[<a href="#pb581n">581</a>]</span>blz. 10. Een houtsnede, <i>Kallima</i> voorstellende, is door den heer Wallace gegeven in „<span lang="en">Hardwicke’s Science Gossip</span>”, Sept. 1867, blz. 196.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22086src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22137">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22137src">8</a></span> Zie de belangwekkende waarnemingen van den heer T.&nbsp;W. Wood, „<span lang="en">The Student</span>”, Sept. 1868, blz. 81.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22137src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22145">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22145src">9</a></span> De heer Wallace in „<span lang="en">Hardwicke’s Science Gossip</span>”, Sept. 1867, blz. 193.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22145src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22167">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22167src">10</a></span> Zie hierover ook de verhandeling van den heer Weir in „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, 1869, blz. 23.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22167src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22174">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22174src">11</a></span> „<span lang="en">Westminster Review</span>”, Juli 1867, blz. 16.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22174src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22204">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22204src">12</a></span> Bij voorbeeld, <i>Lithosia</i>; Prof. Westwood („<span lang="en">Modern Class. of Insects</span>”, vol. II, blz. 390) schijnt over dit geval verwonderd. Over de betrekkelijke kleuren
-van Dag- en Nachtvlinders, zie ibid., blz. 333 en 392; ook Harris, „<span lang="en">Treatise on the Insects of New England</span>”, 1842, blz. 315.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22204src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22217">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22217src">13</a></span> Dergelijke verschillen tusschen de boven- en ondervlakten der vleugels van verschillende
-soorten van <i>Papilio</i> kan men zien op de fraaie platen bij de verhandeling van den heer Wallace over de
-<i>Papilionidae</i> van Insulinde in „<span lang="en">Transact. Linn. Soc.</span>”, vol. XXV, part I, 1865.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22217src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22239">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22239src">14</a></span> „<span lang="en">Proc. Ent. Soc.</span>”, 2 Maart, 1868.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22239src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22252">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22252src">15</a></span> Zie ook een mededeeling omtrent het Amerikaansche geslacht <i>Erateina</i> (een der <i>Geometrae</i>) in „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, new series, vol. V, pl. XV en XIV.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22252src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22268">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22268src">16</a></span> „<span lang="en">Proc. Ent. Soc. of London</span>”, 6 Juli, 1868, blz. XXVII.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22268src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22286">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22286src">17</a></span> Harris, „<span lang="en">Treatise</span>” enz., uitgegeven door Flint, 1862, blz. 395.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22286src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22292">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22292src">18</a></span> Ik merk bij voorbeeld in de insektenverzameling van mijn zoon op, dat de mannetjes
-bij <i>Lasiocampa quercus</i>, <i>Odonestis potatoria</i>, <i>Hypogymna dispar</i>, <i>Dasychira pudibunda</i> en <i>Cycnia mendica</i> veel donkerder zijn dan de wijfjes. Bij deze laatste soort is het verschil in kleur
-tusschen de beide seksen sterk sprekend; en de heer Wallace meldt mij, dat wij hier
-naar hij gelooft, een voorbeeld hebben van tot ééne sekse beperkte beschermende nabootsing
-(„<span lang="en">mimickry</span>”), zooals later uitvoeriger zal worden verklaard. Het witte wijfje van de <i>Cycnia</i> gelijkt op de zeer algemeene <i>Spilosoma menthastri</i>, van welke beide seksen wit zijn; en de heer Stainton nam waar, dat deze laatste
-nachtvlinder met de grootste walging werd weggeworpen door een geheel broedsel jonge
-kalkoenen die andere nachtvlinders gaarne aten; zoodat, als <i>Cycnia</i> door de Britsche vogels gewoonlijk voor <i>Spilosoma</i> werd aangezien, zij zou <span class="corr" id="xd31e22316" title="Bron: ontnapepen">ontsnappen</span> aan het gevaar van te worden verslonden, en op die wijze zou haar bedriegelijke witte
-kleur haar in hooge mate voordeelig zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22292src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22336">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22336src">19</a></span> „<span lang="en">Rambles of a Naturalist in the Chinese Seas</span>”, 1868, blz. 132.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22336src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22384">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22384src">20</a></span> „<span lang="en">Nature</span>”, 27 April 1871, blz. 508. De heer Meldola haalt Donzel aan, in „<span lang="fr">Soc. ent. de France</span>”, 1837, blz. 77, over het vliegen der kapellen bij het paren. Zie ook den heer G.
-Fraser in „<span lang="en">Nature</span>”, 20 April 1871, blz. 489, over de seksueele verschillen van verschillende Britsche
-kapellen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22384src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22420">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22420src">21</a></span> Wallace, over de <i>Papilionidae</i> van Insulinde, in „<span lang="en">Transact. Linn. Soc.</span>”, vol. XXV, 1865, blz. 8, 36. Een treffend geval van een zeldzame verscheidenheid
-die juist tusschen twee andere goed uitgedrukte verscheidenheden van wijfjes in staat,
-wordt door den heer Wallace vermeld. Zie ook den heer Bates, in „<span lang="en">Proc. Entomolog. Soc.</span>”, 19 Nov. 1866, blz. XL.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22420src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22436">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22436src">22</a></span> De heer R. MacLachlan, „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, vol. II, part 6th., 3rd series; 1866, blz. 459.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22436src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22457">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22457src">23</a></span> H<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> W. Bates, „<span lang="en">The Naturalist on the Amazons</span>”, vol. II, 1863, blz. 228, A.&nbsp;R. Wallace, in „<span lang="en">Transact. Linn. Soc.</span>”, vol. XXV, 1865, blz. 10.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22457src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22468">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22468src">24</a></span> Zie over dit geheele onderwerp, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
-Ned. vert., deel II, hoofdstuk XXIII.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22468src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22486">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22486src">25</a></span> A.&nbsp;R. Wallace in „<span lang="en">Journal of Travel</span>”, vol. I, 1868, blz. 88. „<span lang="en">Westminster Review</span>”, Juli, 1867, blz. 37. Zie ook de heeren Wallace en Bates in „<span lang="en">Proc. Ent. Soc.</span>”, 19 Nov. 1866, blz. XXXIX.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22486src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22535">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22535src">26</a></span> „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> Ned. vert., deel I, hoofdstuk XII, blz. 513.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22535src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22550">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22550src">27</a></span> „<span lang="en">Transact. Linn. Soc.</span>”, vol. XXIII, 1862, blz. 495.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22550src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22567">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22567src">28</a></span> „<span lang="en">Proc. Ent. Soc.</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> Dec. 1866, blz. XLV.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22567src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22575">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22575src">29</a></span> „<span lang="en">Transact. Linn. Soc.</span>”, vol. XXV, 1865, blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 1; ook „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, vol. IV (3rd series), 1867, blz. 301. Trimen, „<span lang="en">Linn. Transact.</span>”, vol XXVI, 1869, blz. 497. Riley, „<span lang="en">Third Annual Report on the Noxious Insects of Missouri</span>”, 1871, blz. 163–168. Deze laatste verhandeling is belangrijk, omdat de heer Riley
-daarin alle tegenwerpingen bespreekt, die tegen de theorie van den heer Bates zijn
-gemaakt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22575src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22596">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22596src">30</a></span> <span id="xd31e22597"></span>Zie een vernuftig artikel, getiteld, „<span lang="en">Difficulties of the Theory of Natural Selection</span>”, in de „<span lang="en">Month</span>”, 1869. Het is vreemd, dat de schrijver veronderstelt, dat ik de variaties in kleur
-van de Schubvleugeligen (<i>Lepidoptera</i>), waardoor zekere soorten tot verschillende familie’s behoorende, er toe zijn gekomen
-om op elkander te gelijken, aan terugkeer tot de type van een gemeenschappelijken
-stamvader (atavisme) toeschrijf; er is echter niet meer reden om deze variaties aan
-atavisme toe te schrijven, dan in het geval van elke gewone variatie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22596src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22620">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22620src">31</a></span> „<span lang="en">The Naturalist in Nicaragua</span>”, 1874, blz. 385.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22620src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22643">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22643src">32</a></span> „<span lang="en">Proc. Entomolog. Soc.</span>”, 3 Dec. 1866, blz. XIV en 4 Maart 1867, blz. LXXX.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22643src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22651">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22651src">33</a></span> Zie de verhandeling van den heer J. Jenner Weir over insekten en insektenetende vogels,
-in „<span lang="en">Transact. Ent. Soc.</span>”, 1869, blz. 21; ook de verhandeling van den heer Butler, ibid., blz. 27.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22651src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22744">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22744src">34</a></span> Ik schreef reeds in de eerste uitgaaf dezer bewerking van de Afstamming van den Mensch,
-dat ik niet volkomen overtuigd was<span class="corr" title="Bron: .">,</span> dat het geluid van <i>A. atropos</i> werkelijk op de door Landois aangegeven wijze wordt voortgebracht; want Dr. M.&nbsp;C.
-Verloren heeft mij verzekerd, ook de pop, ja zelfs de rups van dezen vlinder een gelijksoortig,
-ofschoon zwakker geluid dan het volkomen insekt te hebben hooren voortbrengen. Is
-de door Landois gegeven verklaring onjuist, dan vervallen natuurlijk de gevolgtrekkingen
-omtrent andere <i>Sphingidae</i> die ribbetjes op de palpen bezitten.
-</p>
-<p class="footnote cont">De heer R.&nbsp;T. Maitland zeide mij reeds in 1873, dat het geluidgevend orgaan van <i>A. atropos</i> de kropsgewijs gedilateerde oesophagus is; hij vond daarenboven, dat het geheele
-achterlijf (abdomen) met lucht gevuld en door een spiraalsgewijs gedraaid vlies als
-het ware in verschillende compartimenten verdeeld is; hij kon echter geen gemeenschap
-tusschen deze luchtreservoirs en den oesophagus ontdekken.
-</p>
-<p class="footnote cont">In zijn „<span lang="de">Thierstimmen</span>” (Freiburg i/B., 1874) geeft Landois zelf ook een andere verklaring en zegt: „De
-doodshoofdvlinder heeft een stijf met lucht gevulde zuigblaas welke dicht vóór de
-eigenlijke maag ligt, het voorste gedeelte van het achterlijf inneemt en in het einde
-der spijsbuis uitmondt. Dit orgaan speelt wellicht een rol bij het opzuigen van honig
-en ander vloeibaar voedsel. De beide helften van de roltong sluiten van voren niet
-volkomen tegen elkander, maar laten een fijne spleet tusschen zich open. De toon ontstaat,
-doordat de lucht uit de zuigbuis door deze spleet wordt gedreven. Men kan zulks bewijzen
-door een dooden, maar nog niet verstijfden doodshoofdvlinder door den zuiger lucht
-in te blazen, waardoor het achterlijf opzwelt; drukt men dan op het achterlijf, dan
-houdt de toon aan, zoo lang men drukt.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Swinton vond in de mondholte van dezen vlinder, na den zuiger ver naar beneden te
-hebben gedrukt, een neêrhangend vlies dat bij het klinken van den toon sterk trilde,
-evenals de stembanden der hoogere dieren.
-</p>
-<p class="footnote cont">Volgens deze laatste verklaringen kan men dus zeggen, dat de doodshoofdvlinder niet
-alleen sjirpt, maar een <i>werkelijke</i> stem, evenals de hoogere dieren, bezit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22744src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e22775">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e22775src">35</a></span> Dr. M.&nbsp;C. Verloren deed mij echter terecht opmerken, dat deze verklaring niet gemakkelijk
-is overeen te brengen met het feit, dat <i>A. atropos</i> alleen geluid geeft als men haar aanraakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e22775src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11s" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e607">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING <span class="sc">OP</span> HOOFDSTUK XI.</h2>
-<h2 class="main"><span class="asc">DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, DOOR</span> <span class="sc">C. Darwin</span>.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first center">(Vertaald uit <i>Nature</i>, vol. XXI, 1880, blz. 237.)
-</p>
-<p>Dr. Schulte te Fürstenwalde heeft mij opmerkzaam gemaakt op de schoone kleuren welke
-op alle vier de vleugels van een vlinder, de <i>Diadema bolina</i>, te voorschijn komen, als men hem van een bepaald punt uit beschouwt. De beide seksen
-van dezen vlinder verschillen aanmerkelijk van kleur. De vleugels van het mannetje
-zijn, als men het van een achter het dier gelegen punt uit beziet, zwart met zes zuiver
-witte vlekken en bieden een bevalligen aanblik, maar beschouwd van een vóór het dier
-gelegen standpunt, in welke positie het mannetje als het het wijfje nadert, door dit
-wordt gezien, vertoonen de witte vlekken zich met een kring van schoon blauw omgeven.
-De heer Butler liet mij in het Britsch museum een soortgelijk maar nog in ’t oogvallender
-verschijnsel zien bij een vlinder uit het geslacht <i>Apature</i>, waarbij de seksen ook in kleur verschillen en bij het mannetje de prachtigste blauwe
-en groene tinten alleen voor een persoon die vóór hetzelve is geplaatst, zichtbaar
-zijn. Verder vertoonen bij verscheidene soorten van <i>Ornithoptera</i> de achtervleugels van het mannetje een schoone goudgele kleur, maar alleen als zij
-van voren worden beschouwd; dit geldt ook voor <i>O. magellanus</i>, maar hier hebben wij, gelijk mij de heer Butler toonde, een gedeeltelijke uitzondering,
-want de kleuren gaan, als men ze van achteren beschouwt, van goudgeel in een bleek,
-iriseerend blauw over. Of deze laatste kleur de eene of andere bijzondere beteekenis
-heeft, zou alleen kunnen worden uitgemaakt door iemand die het gedrag van het mannetje
-kon waarnemen in het land waar dit in de natuur voorkomt. Dagvlinders sluiten, als
-zij stilzitten, hun vleugels <span class="pageNum" id="pb613">[<a href="#pb613">613</a>]</span>tegen elkander aan; de ondervlakten welke dikwijls donker zijn gekleurd, kunnen dan
-alleen worden gezien, en dit dient, gelijk algemeen wordt aangenomen, tot bescherming.
-Als echter de mannetjes de wijfjes het hof maken, doen zij de vleugels afwisselend
-dalen en weêr oprijzen, en het schijnt een natuurlijk besluit, dat zij op die wijze
-handelen om de wijfjes te behagen of op te wekken. Door de boven beschreven gevallen
-wordt dit besluit nog waarschijnlijker gemaakt, doordat de schoonheid van het mannetje
-door het wijfje alleen volkomen wordt gezien, als dit haar nadert. Wij worden daardoor
-herinnerd aan de verschillende manieren waarop de mannetjes van vele vogels, b.v.
-de pauw, de Argusfazant enz., de wijfjes uitlokken en met hun verwonderlijk fraai
-gevederte zoodanig dat het op het voordeeligst uitkomt, voor hun niet versierde vriendinnen
-te pronken. <b>(<a href="#en11s.1" id="en11s.1src">1</a>)</b>
-</p>
-<p>Deze beschouwing geeft mij aanleiding er eenige opmerkingen aan toe te voegen over
-de vraag, in hoever bij het eerste verkrijgen van zekere instinkten, met inbegrip
-van seksueele pronkerijen, noodzakelijk bewustzijn in het spel komt; want daar alle
-mannetjes van de zelfde soort zich op de zelfde wijze gedragen, als zij aan de wijfjes
-het hof maken, mogen wij daaruit het gevolg trekken, dat het pronken tegenwoordig
-instinktmatig is geworden. De meeste natuuronderzoekers schijnen te gelooven, dat
-elk instinkt eerst met bewustzijn werd ontwikkeld, maar dat schijnt mij in vele gevallen
-een onjuist besluit te zijn, hoewel het in andere juist is. Vogels die op verschillende
-wijzen worden opgewekt, nemen zonderlinge posities aan en zetten hun vederen op; en
-als het opzetten der vederen bij een bijzondere soort voordeelig was voor een mannetje
-dat aan een wijfje het hof maakte, zoo komt het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk
-voor, dat deze voordeelige eigenschap door zijn nakomelingen werd overgeërfd; wij
-weten, dat bij den mensch dikwijls leelijke aanwensels en onbewust aangenomen nieuwe
-gebaren erfelijk zijn. <b>(<a href="#en11s.2" id="en11s.2src">2</a>)</b> Wij kunnen een ander geval beschouwen (waarop, naar ik meen, reeds door iemand de
-aandacht werd gevestigd), namelijk dat van jonge, op den grond levende vogels die
-zelfs onmiddellijk na het uit het ei komen neêrhurken en zich verbergen, als zij in
-gevaar zijn; hier schijnt het nauwelijks mogelijk, dat deze gewoonte dadelijk na de
-geboorte en zonder bewustzijn kan zijn verkregen. Wanneer echter die jonge vogels
-welke, wanneer zij schrikten, bewegingloos bleven zitten, veelvuldiger voor roofdieren
-bewaard bleven dan die welke trachtten te ontvluchten, dan kan de gewoonte van het
-neêrhurken <span class="pageNum" id="pb614">[<a href="#pb614">614</a>]</span>door de jonge vogels zonder eenig bewustzijn hoegenaamd zijn verkregen. Deze redeneering
-kan met bijzondere kracht worden toegepast op zoodanige jonge loop- en watervogels,
-wier ouden zich zelven niet verbergen, als zij in gevaar komen. Van den anderen kant
-vliegt een patrijshen, als er gevaar bestaat, een kort eind van haar jongen dicht
-ineengedoken weg en laat die achter, vliegt dan op de aan bijna iedereen bekende manier,
-alsof het was verlamd, maar toch anders dan een werkelijk gewonde vogel dicht over
-den grond langs: zij maakt zich zelve in het oog vallend. Nu is het echter meer dan
-twijfelachtig, of er ooit een vogel heeft bestaan, die verstand genoeg bezat om te
-denken, dat hij een hond of anderen vijand van zijn jongen kon weglokken, als hij
-het gedrag van een verwonden vogel nabootste. Want dit veronderstelt, dat hij zulk
-een gedrag bij een verwonden kameraad had waargenomen en wist, dat het een vijand
-tot vervolging zou aansporen. Vele natuuronderzoekers nemen tegenwoordig bijvoorbeeld
-aan, dat het slot van een tweeschalig schelpdier door het behouden blijven en overerven
-van kleine nuttige wijzigingen (variaties) is ontstaan, daar de individu’s met een
-iets beter ingerichte schelp in grooter aantal behouden bleven, dan die met een minder
-goed ingerichte; waarom zouden niet voordeelige wijzigingen in de overgeërfde handelingen
-van een patrijs op de zelfde wijze bewaard zijn gebleven, zonder dat het dier er bij
-dacht of een bewust doel had, even goed als in het geval van het schelpdier, waarbij
-het slot der schalen onafhankelijk van het bewustzijn is gewijzigd en verbeterd?
-</p>
-<div id="ch11sn" class="div2 last-child section"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e616">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">AANTEEKENINGEN.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p id="en11s.1" class="first">(<a href="#en11s.1src">1</a>) Zie Deel II, hoofdstuk XIII, XIV en XV van het onderhavige werk. Wat Darwin hier
-van vogels zegt, had in dit werk beter achter die hoofdstukken gestaan, maar wij wilden
-het niet scheiden van hetgeen daaraan over kapellen voorafgaat, omdat het daarmede
-in het oorspronkelijk stuk in „<i lang="en">Nature</i>” door Darwin zelf tot één geheel is verbonden.
-</p>
-<p id="en11s.2">(<a href="#en11s.2src">2</a>) Vergelijk: C. Darwin, „Het uitdrukken der Gemoedsaandoeningen bij den Mensch en
-de Dieren”.
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure spineswidth"><img src="images/spines.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="275" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&nbsp;
-</p>
-<p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e60" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e60" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>De Afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Charles Darwin (1809–1882)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/27063124/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Bijdrager:</b></td>
-<td>Pieter Harting (1812–1885)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/59863057/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Vertaler:</b></td>
-<td>Hermanus Hartogh Heijs van Zouteveen (1841–1891)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/31961178/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Bijdrager:</b></td>
-<td>Thomas Henry Huxley (1825–1895)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/66511085/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Vertaler:</b></td>
-<td>Tiberius Cornelius Winkler (1822–1897)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/283154563/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td>
-<td>2022-09-19 19:02:48 UTC</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1890</td>
-<td></td>
-</tr> </table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<p>Aanhalingstekens zijn genormaliseerd tot „…”. De bron gebruikte naast deze ook »…«
-of een vermenging van beide vormen.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-06-10 Begonnen. </li>
-</ul>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="28 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="258 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e766">9</a></td>
-<td class="width40 bottom">wetensnhap</td>
-<td class="width40 bottom">wetenschap</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e799">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">pnnten</td>
-<td class="width40 bottom">punten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e809">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">heeft </td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e814">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">verhandeiing</td>
-<td class="width40 bottom">verhandeling</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e817">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">drekken</td>
-<td class="width40 bottom">drukken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e888">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">anatomiqes</td>
-<td class="width40 bottom">anatomiques</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1036">17</a></td>
-<td class="width40 bottom">getuinissen</td>
-<td class="width40 bottom">getuigenissen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1049">17</a></td>
-<td class="width40 bottom">coceyx</td>
-<td class="width40 bottom">coccyx</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1091">17</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4758">136</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6967">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">onmiddelijk</td>
-<td class="width40 bottom">onmiddellijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1156">19</a></td>
-<td class="width40 bottom">Edinburg</td>
-<td class="width40 bottom">Edinburgh</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1197">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1866">39</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3248">83</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3372">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5394">153</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8402">274</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8724">285</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1206">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">beslnit</td>
-<td class="width40 bottom">besluit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1258">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="width40 bottom">is</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1263">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">verschiliend</td>
-<td class="width40 bottom">verschillend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1390">28</a></td>
-<td class="width40 bottom">kaola</td>
-<td class="width40 bottom">koala</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1400">28</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4441">122</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12741">366</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14289">413</a>, <a class="pageref" href="#xd31e15064">451</a>, <a class="pageref" href="#xd31e15526">477</a>, <a class="pageref" href="#xd31e16141">493</a>, <a class="pageref" href="#xd31e19728">525</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22275">585</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22894">609</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1421">28</a></td>
-<td class="width40 bottom">opperarmbeeen</td>
-<td class="width40 bottom">opperarmbeen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1472">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pruner Bey</td>
-<td class="width40 bottom">Pruner-Bey</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1488">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">dan </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1492">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">ataart</td>
-<td class="width40 bottom">staart</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1526">30</a></td>
-<td class="width40 bottom">verschnldigd</td>
-<td class="width40 bottom">verschuldigd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1529">30</a></td>
-<td class="width40 bottom">ondekking</td>
-<td class="width40 bottom">ontdekking</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1606">33</a></td>
-<td class="width40 bottom">verschilende</td>
-<td class="width40 bottom">verschillende</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1631">34</a></td>
-<td class="width40 bottom">iudividu</td>
-<td class="width40 bottom">individu</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1644">34</a>, <a class="pageref" href="#xd31e9693">301</a></td>
-<td class="width40 bottom">Amphibiën</td>
-<td class="width40 bottom">Amphibieën</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1705">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">augenähnliche</td>
-<td class="width40 bottom">augenähnlichen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1756">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">mastodou</td>
-<td class="width40 bottom">mastodon</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1761">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">is</td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1764">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">tertaire</td>
-<td class="width40 bottom">tertiaire</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1777">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">oorprong</td>
-<td class="width40 bottom">oorsprong</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1782">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">ober</td>
-<td class="width40 bottom">oder</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1785">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">mensshlichen</td>
-<td class="width40 bottom">menschlichen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1800">38</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ook</td>
-<td class="width40 bottom">ook</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1826">38</a></td>
-<td class="width40 bottom">waargenonen</td>
-<td class="width40 bottom">waargenomen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1863">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">yan</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1892">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">uit</td>
-<td class="width40 bottom">dit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1898">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">ngredi</td>
-<td class="width40 bottom">ingredi</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1911">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dee</td>
-<td class="width40 bottom">Deel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1921">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">van </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1982">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">Denicker</td>
-<td class="width40 bottom">Deniker</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2170">45</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kenntnisz</td>
-<td class="width40 bottom">Kenntniß</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="26 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2365">50</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3677">103</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12033">342</a>, <a class="pageref" href="#xd31e19809">526</a>, <a class="pageref" href="#xd31e20693">545</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21972">576</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2451">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">Peterburg</td>
-<td class="width40 bottom">Petersburg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2479">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">Consequenses</td>
-<td class="width40 bottom">Consequences</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2563">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">varatie</td>
-<td class="width40 bottom">variatie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2566">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">vvarieeren</td>
-<td class="width40 bottom">varieeren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2581">57</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5576">157</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6696">203</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7563">244</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8323">271</a>, <a class="pageref" href="#xd31e11882">335</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12056">344</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14196">407</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21050">554</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2627">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">weet, dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen onbruik,
-of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">141</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2634">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">weet, dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen onbruik,
-of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het</td>
-<td class="bottom">141</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2703">61</a></td>
-<td class="width40 bottom">overwacht</td>
-<td class="width40 bottom">onverwacht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2740">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">Blumen, bach</td>
-<td class="width40 bottom">Blumenbach</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2765">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">uisteken</td>
-<td class="width40 bottom">uitsteken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2783">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6688">203</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7579">245</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8116">264</a>, <a class="pageref" href="#xd31e15227">460</a>, <a class="pageref" href="#xd31e15280">463</a></td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="width40 bottom">—</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2840">66</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gunther</td>
-<td class="width40 bottom">Günther</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2880">68</a></td>
-<td class="width40 bottom">1367</td>
-<td class="width40 bottom">1867</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2890">68</a></td>
-<td class="width40 bottom">sopra</td>
-<td class="width40 bottom">Sopra</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2963">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">aannneemt</td>
-<td class="width40 bottom">aanneemt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3185">80</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4955">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3387">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ved.</td>
-<td class="width40 bottom">Ned.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3390">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">vanden</td>
-<td class="width40 bottom">van den</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3426">90</a></td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="width40 bottom">–</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3452">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">nauwlijks</td>
-<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3462">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sketelons</td>
-<td class="width40 bottom">Skeletons</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3496">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">uiterste</td>
-<td class="width40 bottom">uiterst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3501">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">ds</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3505">92</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7691">250</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7730">251</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14304">414</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14307">414</a></td>
-<td class="width40 bottom">dr.</td>
-<td class="width40 bottom">Dr.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3520">94</a></td>
-<td class="width40 bottom">wo rden</td>
-<td class="width40 bottom">worden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3563">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">toetand</td>
-<td class="width40 bottom">toestand</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3596">99</a></td>
-<td class="width40 bottom">déese</td>
-<td class="width40 bottom">déesse</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3619">100</a></td>
-<td class="width40 bottom">tubercolose</td>
-<td class="width40 bottom">tuberculose</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3630">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">onbevoordeeld</td>
-<td class="width40 bottom">onbevooroordeeld</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3643">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">Madagaskar</td>
-<td class="width40 bottom">Madagascar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3661">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">heên</td>
-<td class="width40 bottom">heen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3670">102</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5310">152</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5633">158</a>, <a class="pageref" href="#xd31e6063">166</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7996">260</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12127">346</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14292">413</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14506">425</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14580">427</a>, <a class="pageref" href="#xd31e15274">463</a>, <a class="pageref" href="#xd31e16736">503</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22628">600</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22897">609</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22941">609</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3680">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">erkenden</td>
-<td class="width40 bottom">herkenden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3692">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> niet</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3694">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrouweu</td>
-<td class="width40 bottom">vrouwen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3699">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">knoflookextraxt</td>
-<td class="width40 bottom">knoflookextract</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3717">104</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3741">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hanzemann</td>
-<td class="width40 bottom">Hansemann</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3726">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">Verhandelingen</td>
-<td class="width40 bottom">Verhandlungen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3734">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">bezit</td>
-<td class="width40 bottom">bezat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3737">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="width40 bottom">hadden</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3753">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">Outleedk.</td>
-<td class="width40 bottom">Ontleedk.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3775">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">toonen</td>
-<td class="width40 bottom">teenen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3840">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">Audaman-eilanders</td>
-<td class="width40 bottom">Andaman-eilanders</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3866">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">VOLKSTAM</td>
-<td class="width40 bottom">VOLKSSTAM</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3870">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">Volum</td>
-<td class="width40 bottom">Volume</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3941">107</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4068">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mexikanen</td>
-<td class="width40 bottom">Mexicanen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4117">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">mel</td>
-<td class="width40 bottom">met</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4124">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">word</td>
-<td class="width40 bottom">wordt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4137">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">Belge</td>
-<td class="width40 bottom">Belgique</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4154">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">vermeldt</td>
-<td class="width40 bottom">vermeld</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4179">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">ker</td>
-<td class="width40 bottom">der</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4370">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">slamg</td>
-<td class="width40 bottom">slang</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4477">124</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorheeld</td>
-<td class="width40 bottom">voorbeeld</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4614">130</a></td>
-<td class="width40 bottom">Saügethiere</td>
-<td class="width40 bottom">Säugethiere</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4715">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">,,</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4718">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">el</td>
-<td class="width40 bottom">Deel</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4781">137</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21877">573</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4784">137</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7523">240</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8104">263</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4798">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">wijziziging</td>
-<td class="width40 bottom">wijziging</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4830">138</a></td>
-<td class="width40 bottom">zender</td>
-<td class="width40 bottom">zonder</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4904">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">gebrniken</td>
-<td class="width40 bottom">gebruiken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4907">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">wazrschijnlijk</td>
-<td class="width40 bottom">waarschijnlijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4983">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">hehben</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5007">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">nuttteloos</td>
-<td class="width40 bottom">nutteloos</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5010">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">nemên</td>
-<td class="width40 bottom">nemen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5054">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">M’ Lennan</td>
-<td class="width40 bottom">M’Lennan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5061">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5160">149</a></td>
-<td class="width40 bottom">Fitz Roy</td>
-<td class="width40 bottom">FitzRoy</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5284">152</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5363">153</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5486">155</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5495">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">””</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5359">153</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5367">153</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5403">154</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5490">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">„„</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5378">153</a>, <a class="pageref" href="#xd31e10766">315</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12923">372</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22597">598</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5513">156</a></td>
-<td class="width40 bottom">gedaaa</td>
-<td class="width40 bottom">gedaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5619">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">teekenis</td>
-<td class="width40 bottom">beteekenis</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5648">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">bet</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5683">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">hd.</td>
-<td class="width40 bottom">h.d.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5766">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">hieroglyphische</td>
-<td class="width40 bottom">hiëroglyphische</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5792">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">afstmamelingen</td>
-<td class="width40 bottom">afstammelingen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5833">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">prieelvogel</td>
-<td class="width40 bottom">priëelvogel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5882">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">trace</td>
-<td class="width40 bottom">tracé</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5885">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">étres</td>
-<td class="width40 bottom">êtres</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5888">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">peut-ètre</td>
-<td class="width40 bottom">peut-être</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5893">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">peut ètre</td>
-<td class="width40 bottom">peut-être</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5922">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">), </td>
-<td class="width40 bottom">, (</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5929">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">nauurvolken</td>
-<td class="width40 bottom">natuurvolken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6086">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">bizondere</td>
-<td class="width40 bottom">bijzondere</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6191">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontwikkekeling</td>
-<td class="width40 bottom">ontwikkeling</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6245">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">hieroglyphisch</td>
-<td class="width40 bottom">hiëroglyphisch</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6308">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">leveh</td>
-<td class="width40 bottom">leven</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6335">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">aandriftt</td>
-<td class="width40 bottom">aandrift</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6351">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">andere</td>
-<td class="width40 bottom">anderen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6368">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">wanueer</td>
-<td class="width40 bottom">wanneer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6476">189</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14867">440</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14902">444</a></td>
-<td class="width40 bottom">broeien</td>
-<td class="width40 bottom">broeden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6565">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">meesfe</td>
-<td class="width40 bottom">meeste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6568">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">overgeerfde</td>
-<td class="width40 bottom">overgeërfde</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6579">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bij gevolg</td>
-<td class="width40 bottom">Bijgevolg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6582">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">tnvloed</td>
-<td class="width40 bottom">invloed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6587">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">o ordeel</td>
-<td class="width40 bottom">oordeel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6593">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">toegegegeven</td>
-<td class="width40 bottom">toegegeven</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6623">199</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8774">288</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitbroeien</td>
-<td class="width40 bottom">uitbroeden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6637">200</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ontario, United States</td>
-<td class="width40 bottom">London, Ontario</td>
-<td class="bottom">17</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6645">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">even</td>
-<td class="width40 bottom">leven</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6721">204</a></td>
-<td class="width40 bottom">nitgeoefend</td>
-<td class="width40 bottom">uitgeoefend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6759">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">godsdient</td>
-<td class="width40 bottom">godsdienst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6803">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">intuitieve</td>
-<td class="width40 bottom">intuïtieve</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6864">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">intuitie</td>
-<td class="width40 bottom">intuïtie</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6885">213</a></td>
-<td class="width40 bottom">intuitionisten</td>
-<td class="width40 bottom">intuïtionisten</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6908">213</a></td>
-<td class="width40 bottom">instincten</td>
-<td class="width40 bottom">instinkten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6964">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">kangaroe’s</td>
-<td class="width40 bottom">kangoeroe’s</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6972">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7004">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">Blz.</td>
-<td class="width40 bottom">Op blz.</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7105">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">Etudes</td>
-<td class="width40 bottom">Études</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7171">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hanover</td>
-<td class="width40 bottom">Hannover</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7174">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">bo·ch</td>
-<td class="width40 bottom">bosch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7181">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">drie en-twintigjarigen</td>
-<td class="width40 bottom">drie-en-twintigjarigen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7217">223</a></td>
-<td class="width40 bottom">buigewoon</td>
-<td class="width40 bottom">buitengewoon</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7305">228</a>, <a class="pageref" href="#xd31e9493">297</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21921">575</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7326">230</a></td>
-<td class="width40 bottom">Assyro·Babylonië</td>
-<td class="width40 bottom">Assyro-Babylonië</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7422">235</a></td>
-<td class="width40 bottom">sche</td>
-<td class="width40 bottom">schel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7494">238</a></td>
-<td class="width40 bottom">nit</td>
-<td class="width40 bottom">uit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7499">239</a></td>
-<td class="width40 bottom">genoegnoegzame</td>
-<td class="width40 bottom">genoegzame</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7512">240</a></td>
-<td class="width40 bottom">mensehen</td>
-<td class="width40 bottom">menschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7619">246</a></td>
-<td class="width40 bottom">bijk6mend</td>
-<td class="width40 bottom">bijkomend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7661">249</a>, <a class="pageref" href="#xd31e7673">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">Heriditary</td>
-<td class="width40 bottom">Hereditary</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7665">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">1870, </td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7725">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorzichtge</td>
-<td class="width40 bottom">voorzichtige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7748">251</a></td>
-<td class="width40 bottom">járen</td>
-<td class="width40 bottom">jaren</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7751">251</a></td>
-<td class="width40 bottom">vijf-zesde</td>
-<td class="width40 bottom">vijf zesde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7780">252</a></td>
-<td class="width40 bottom">1683</td>
-<td class="width40 bottom">1863</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7792">252</a></td>
-<td class="width40 bottom">gezondsheidstoestand</td>
-<td class="width40 bottom">gezondheidstoestand</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7896">257</a></td>
-<td class="width40 bottom">Whateley</td>
-<td class="width40 bottom">Whately</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e7906">258</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mexikaan</td>
-<td class="width40 bottom">Mexicaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8077">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">Februarhaft</td>
-<td class="width40 bottom">Februarheft</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8123">264</a></td>
-<td class="width40 bottom">tuschen</td>
-<td class="width40 bottom">tusschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8238">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">buifen</td>
-<td class="width40 bottom">buiten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8245">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mans</td>
-<td class="width40 bottom">Man’s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8283">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">rankschikking</td>
-<td class="width40 bottom">rangschikking</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8292">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lar</td>
-<td class="width40 bottom">lar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8359">273</a></td>
-<td class="width40 bottom">opzicnt</td>
-<td class="width40 bottom">opzicht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8367">274</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8376">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">Georges</td>
-<td class="width40 bottom">George</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8386">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">Semnophithecus</td>
-<td class="width40 bottom">Semnopithecus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8420">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8427">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">inliggenden</td>
-<td class="width40 bottom">in liggenden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8494">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">Eléments</td>
-<td class="width40 bottom">Elements</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8548">279</a>, <a class="pageref" href="#xd31e9889">304</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14383">418</a>, <a class="pageref" href="#xd31e19806">526</a></td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8587">281</a>, <a class="pageref" href="#xd31e8591">281</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kowalevski</td>
-<td class="width40 bottom">Kowalewski</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8615">282</a></td>
-<td class="width40 bottom">l’abime</td>
-<td class="width40 bottom">l’abîme</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8639">282</a></td>
-<td class="width40 bottom">vortge</td>
-<td class="width40 bottom">vorige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8658">283</a>, <a class="pageref" href="#xd31e9633">299</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gegenbauer</td>
-<td class="width40 bottom">Gegenbaur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8678">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">is </td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8730">285</a></td>
-<td class="width40 bottom">Syngnatns</td>
-<td class="width40 bottom">Syngnatus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8835">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitzaaiïng</td>
-<td class="width40 bottom">uitzaaiing</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8870">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">den</td>
-<td class="width40 bottom">der</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e8995">290</a></td>
-<td class="width40 bottom">Catharrhinae</td>
-<td class="width40 bottom">Catarrhinae</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9299">292</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lemuridne</td>
-<td class="width40 bottom">Lemuridae</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9337">293</a></td>
-<td class="width40 bottom">, </td>
-<td class="width40 bottom"> (</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9342">293</a></td>
-<td class="width40 bottom">onwaarwaarschijnlijk</td>
-<td class="width40 bottom">onwaarschijnlijk</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9355">294</a></td>
-<td class="width40 bottom">v le</td>
-<td class="width40 bottom">vele</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9410">295</a></td>
-<td class="width40 bottom">Denoyers</td>
-<td class="width40 bottom">Desnoyers</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9431">296</a></td>
-<td class="width40 bottom">l’Orléaus</td>
-<td class="width40 bottom">l’Orléans</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9436">296</a></td>
-<td class="width40 bottom">Afrika</td>
-<td class="width40 bottom">Africa</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9527">297</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stamverwantschaft</td>
-<td class="width40 bottom">Stammverwandtschaft</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9537">297</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kupfer</td>
-<td class="width40 bottom">Kupffer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9563">298</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zoologisch</td>
-<td class="width40 bottom">Zoölogisch</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9623">299</a></td>
-<td class="width40 bottom">Microsopical</td>
-<td class="width40 bottom">Microscopical</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9649">300</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nemertiden</td>
-<td class="width40 bottom">Nemertinen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9657">300</a></td>
-<td class="width40 bottom">bonwplan</td>
-<td class="width40 bottom">bouwplan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9682">301</a></td>
-<td class="width40 bottom">Brittannica</td>
-<td class="width40 bottom">Britannica</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e9718">301</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kowalewsky</td>
-<td class="width40 bottom">Kowalewski</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10004">305</a></td>
-<td class="width40 bottom">samengroeiïng</td>
-<td class="width40 bottom">samengroeiing</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10163">307</a></td>
-<td class="width40 bottom">afstammigsleer</td>
-<td class="width40 bottom">afstammingsleer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10246">309</a></td>
-<td class="width40 bottom">hef</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10261">309</a></td>
-<td class="width40 bottom">lampreiën</td>
-<td class="width40 bottom">lampreien</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10539">313</a>, <a class="pageref" href="#xd31e10546">313</a>, <a class="pageref" href="#xd31e10559">313</a>, <a class="pageref" href="#xd31e10896">316</a></td>
-<td class="width40 bottom">Craniota</td>
-<td class="width40 bottom">Craniata</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10734">315</a></td>
-<td class="width40 bottom">groote</td>
-<td class="width40 bottom">grootte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e10807">316</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11093">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">Levenbarend</td>
-<td class="width40 bottom">Levendbarend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11158">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">Schöpfugsgeschichte</td>
-<td class="width40 bottom">Schöpfungsgeschichte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11226">319</a>, <a class="pageref" href="#xd31e11236">319</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14053">401</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">(</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11414">320</a></td>
-<td class="width40 bottom">.)</td>
-<td class="width40 bottom">).</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11496">320</a></td>
-<td class="width40 bottom">ancètres</td>
-<td class="width40 bottom">ancêtres</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11511">320</a></td>
-<td class="width40 bottom">qu, ils</td>
-<td class="width40 bottom">qu’ils</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11555">323</a></td>
-<td class="width40 bottom">dierkunkundigen</td>
-<td class="width40 bottom">dierkundigen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11610">326</a></td>
-<td class="width40 bottom">oveenkwam</td>
-<td class="width40 bottom">overeenkwam</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11622">326</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ascidie</td>
-<td class="width40 bottom">Ascidië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11634">326</a></td>
-<td class="width40 bottom">Reptilieën</td>
-<td class="width40 bottom">Reptiliën</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11646">327</a></td>
-<td class="width40 bottom">teevoorschijn</td>
-<td class="width40 bottom">te voorschijn</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11713">330</a></td>
-<td class="width40 bottom">uiigezonderd</td>
-<td class="width40 bottom">uitgezonderd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11733">331</a></td>
-<td class="width40 bottom">Statistic</td>
-<td class="width40 bottom">Statistics</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11753">331</a></td>
-<td class="width40 bottom">gemoedsaanningen</td>
-<td class="width40 bottom">gemoedsaandoeningen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11765">331</a></td>
-<td class="width40 bottom">menschenrassnn</td>
-<td class="width40 bottom">menschenrassen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11768">331</a></td>
-<td class="width40 bottom">bespenren</td>
-<td class="width40 bottom">bespeuren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11816">333</a></td>
-<td class="width40 bottom">aangetoont</td>
-<td class="width40 bottom">aangetoond</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e11843">334</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zuid Amerika</td>
-<td class="width40 bottom">Zuid-Amerika</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12003">341</a></td>
-<td class="width40 bottom">Noord Amerika</td>
-<td class="width40 bottom">Noord-Amerika</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12042">343</a></td>
-<td class="width40 bottom">gorrilla</td>
-<td class="width40 bottom">gorilla</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12059">344</a></td>
-<td class="width40 bottom">geestgesteldheid</td>
-<td class="width40 bottom">geestesgesteldheid</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12109">345</a></td>
-<td class="width40 bottom">ouwaarschijnlijk</td>
-<td class="width40 bottom">onwaarschijnlijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12117">346</a></td>
-<td class="width40 bottom">17</td>
-<td class="width40 bottom">16</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12134">346</a></td>
-<td class="width40 bottom">atere</td>
-<td class="width40 bottom">latere</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12161">348</a></td>
-<td class="width40 bottom">Congres</td>
-<td class="width40 bottom">Congress</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12473">354</a></td>
-<td class="width40 bottom">vijf en-twintig</td>
-<td class="width40 bottom">vijf-en-twintig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12506">356</a></td>
-<td class="width40 bottom">Evenvoudige</td>
-<td class="width40 bottom">Eenvoudige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12515">357</a></td>
-<td class="width40 bottom">nabestaande</td>
-<td class="width40 bottom">naaste</td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12553">360</a></td>
-<td class="width40 bottom">Huis der Gemeenten</td>
-<td class="width40 bottom"><span lang="en">House of Commons</span></td>
-<td class="bottom">13</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12564">360</a></td>
-<td class="width40 bottom">veroverden</td>
-<td class="width40 bottom">veroverenden</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12642">363</a></td>
-<td class="width40 bottom">bl.</td>
-<td class="width40 bottom">blz.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12658">363</a></td>
-<td class="width40 bottom">Giddon</td>
-<td class="width40 bottom">Gliddon</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12677">363</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mexikaanschen</td>
-<td class="width40 bottom">Mexicaanschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12757">367</a></td>
-<td class="width40 bottom">Rescarches</td>
-<td class="width40 bottom">Researches</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12770">367</a></td>
-<td class="width40 bottom">overgeëerfde</td>
-<td class="width40 bottom">overgeërfde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12775">368</a></td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12786">368</a></td>
-<td class="width40 bottom">bijn</td>
-<td class="width40 bottom">bijna</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12808">369</a></td>
-<td class="width40 bottom">rechtreeksche</td>
-<td class="width40 bottom">rechtstreeksche</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12824">370</a></td>
-<td class="width40 bottom">ondervindiug</td>
-<td class="width40 bottom">ondervinding</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12865">371</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12868">371</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12880">371</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12886">371</a>, <a class="pageref" href="#xd31e12889">371</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mariëtte</td>
-<td class="width40 bottom">Mariette</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12873">371</a></td>
-<td class="width40 bottom">Egype</td>
-<td class="width40 bottom">Egypte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12894">371</a></td>
-<td class="width40 bottom">(</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12958">373</a></td>
-<td class="width40 bottom">Anfange</td>
-<td class="width40 bottom">Anfänge</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12972">373</a></td>
-<td class="width40 bottom">Academie</td>
-<td class="width40 bottom">Académie</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12988">374</a></td>
-<td class="width40 bottom">geincrusteerd</td>
-<td class="width40 bottom">geïncrusteerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e12999">375</a></td>
-<td class="width40 bottom">platytcnemie</td>
-<td class="width40 bottom">platycnemie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13049">377</a></td>
-<td class="width40 bottom">jou</td>
-<td class="width40 bottom">you</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13060">377</a></td>
-<td class="width40 bottom">nommer</td>
-<td class="width40 bottom">nummer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13065">377</a></td>
-<td class="width40 bottom">Litterature</td>
-<td class="width40 bottom">Literature</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13082">377</a></td>
-<td class="width40 bottom">geweldadigen</td>
-<td class="width40 bottom">gewelddadigen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13116">378</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hottensche</td>
-<td class="width40 bottom">Hottentotsche</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13143">379</a></td>
-<td class="width40 bottom">Haëckel</td>
-<td class="width40 bottom">Haeckel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13160">379</a>, <a class="pageref" href="#xd31e13276">380</a>, <a class="pageref" href="#xd31e13450">384</a>, <a class="pageref" href="#xd31e13623">387</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14233">410</a></td>
-<td class="width40 bottom">Maleiërs</td>
-<td class="width40 bottom">Maleiers</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13164">379</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21340">561</a>, <a class="pageref" href="#xd31e22194">583</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13427">383</a></td>
-<td class="width40 bottom">ovel</td>
-<td class="width40 bottom">over</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13430">383</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitzonderiag</td>
-<td class="width40 bottom">uitzondering</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13497">384</a></td>
-<td class="width40 bottom">venriculi</td>
-<td class="width40 bottom">ventriculi</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13533">384</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13537">385</a></td>
-<td class="width40 bottom">deu</td>
-<td class="width40 bottom">den</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13605">386</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bramapoetra</td>
-<td class="width40 bottom">Brahmapoetra</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13655">388</a></td>
-<td class="width40 bottom">hetgevolg</td>
-<td class="width40 bottom">het gevolg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13720">392</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitgesprokken</td>
-<td class="width40 bottom">uitgesproken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13829">394</a></td>
-<td class="width40 bottom">Profossor</td>
-<td class="width40 bottom">Professor</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13859">395</a>, <a class="pageref" href="#xd31e13876">395</a></td>
-<td class="width40 bottom">tandisque</td>
-<td class="width40 bottom">tandis que</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13873">395</a></td>
-<td class="width40 bottom">cironvolutions</td>
-<td class="width40 bottom">circonvolutions</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13881">395</a></td>
-<td class="width40 bottom">bldz.</td>
-<td class="width40 bottom">blz.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13888">396</a></td>
-<td class="width40 bottom">tres</td>
-<td class="width40 bottom">très</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13910">396</a></td>
-<td class="width40 bottom">Entwicklungsgestichte</td>
-<td class="width40 bottom">Entwicklungsgeschichte</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13950">398</a></td>
-<td class="width40 bottom">níets</td>
-<td class="width40 bottom">niets</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e13987">399</a></td>
-<td class="width40 bottom">n</td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14073">402</a></td>
-<td class="width40 bottom">vijf-en zeventig</td>
-<td class="width40 bottom">vijf-en-zeventig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14142">403</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorturend</td>
-<td class="width40 bottom">voortdurend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14240">411</a></td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="width40 bottom">the</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14249">411</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14455">421</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14542">426</a>, <a class="pageref" href="#xd31e14547">427</a></td>
-<td class="width40 bottom">Canstatt</td>
-<td class="width40 bottom">Cannstatt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14299">413</a></td>
-<td class="width40 bottom">veranderiagen</td>
-<td class="width40 bottom">veranderingen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14310">414</a></td>
-<td class="width40 bottom">Atrika</td>
-<td class="width40 bottom">Afrika</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14372">417</a></td>
-<td class="width40 bottom">tegenwoor-woordige</td>
-<td class="width40 bottom">tegenwoordige</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14401">419</a></td>
-<td class="width40 bottom">ztch</td>
-<td class="width40 bottom">zich</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14422">420</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nieuw Holland</td>
-<td class="width40 bottom">Nieuw-Holland</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14477">422</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pertugal</td>
-<td class="width40 bottom">Portugal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14495">424</a></td>
-<td class="width40 bottom">menskh</td>
-<td class="width40 bottom">mensch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14498">424</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">).</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14559">427</a></td>
-<td class="width40 bottom">rassan</td>
-<td class="width40 bottom">rassen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14569">427</a></td>
-<td class="width40 bottom">Saone</td>
-<td class="width40 bottom">Saône</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14670">432</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nieuw Zeeland</td>
-<td class="width40 bottom">Nieuw-Zeeland</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14836">436</a></td>
-<td class="width40 bottom">boververmelde</td>
-<td class="width40 bottom">bovenvermelde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e14907">444</a></td>
-<td class="width40 bottom">92,6</td>
-<td class="width40 bottom">92.6</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15000">448</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> III</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15109">453</a></td>
-<td class="width40 bottom">Prooceedings</td>
-<td class="width40 bottom">Proceedings</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15190">458</a></td>
-<td class="width40 bottom">eeuvoudig</td>
-<td class="width40 bottom">eenvoudig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15195">459</a></td>
-<td class="width40 bottom">worde</td>
-<td class="width40 bottom">wordt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15198">459</a></td>
-<td class="width40 bottom">gedunen</td>
-<td class="width40 bottom">gedurende</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15219">460</a></td>
-<td class="width40 bottom">viermaal</td>
-<td class="width40 bottom">viermaai</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15271">463</a></td>
-<td class="width40 bottom">z.egt</td>
-<td class="width40 bottom">zegt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15291">464</a></td>
-<td class="width40 bottom">wijjfe</td>
-<td class="width40 bottom">wijfje</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15323">466</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ottowa</td>
-<td class="width40 bottom">Ottawa</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15334">466</a></td>
-<td class="width40 bottom">hebben hebben</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">7</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15387">468</a></td>
-<td class="width40 bottom">Barlett</td>
-<td class="width40 bottom">Bartlett</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15409">469</a></td>
-<td class="width40 bottom">iu</td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15429">470</a></td>
-<td class="width40 bottom">Carriër</td>
-<td class="width40 bottom">Carrier</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15517">477</a></td>
-<td class="width40 bottom">geduren</td>
-<td class="width40 bottom">gedurende</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15520">477</a></td>
-<td class="width40 bottom">vier-en veertig</td>
-<td class="width40 bottom">vier-en-veertig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15540">477</a></td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15610">479</a></td>
-<td class="width40 bottom">Handwörterbüch</td>
-<td class="width40 bottom">Handwörterbuch</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15768">484</a></td>
-<td class="width40 bottom">manmetjes</td>
-<td class="width40 bottom">mannetjes</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15829">486</a></td>
-<td class="width40 bottom">éen</td>
-<td class="width40 bottom">één</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15842">486</a></td>
-<td class="width40 bottom">voldoend</td>
-<td class="width40 bottom">voldoende</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15945">489</a></td>
-<td class="width40 bottom">parem</td>
-<td class="width40 bottom">paren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e15963">490</a></td>
-<td class="width40 bottom">Italie</td>
-<td class="width40 bottom">Italië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e16104">493</a></td>
-<td class="width40 bottom">Siagoninm</td>
-<td class="width40 bottom">Siagonium</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e16148">494</a></td>
-<td class="width40 bottom">broeitijd</td>
-<td class="width40 bottom">broedtijd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e16357">501</a></td>
-<td class="width40 bottom">behulp van behulp van</td>
-<td class="width40 bottom">behulp van</td>
-<td class="bottom">11</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e16542">502</a></td>
-<td class="width40 bottom">2963</td>
-<td class="width40 bottom">2961 </td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e17085">505</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dot</td>
-<td class="width40 bottom">Dr.</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e17242">506</a></td>
-<td class="width40 bottom">PROVINCIEN</td>
-<td class="width40 bottom">PROVINCIËN</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e18738">508</a></td>
-<td class="width40 bottom">circutaire</td>
-<td class="width40 bottom">circulaire</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e19397">514</a></td>
-<td class="width40 bottom">pogingen</td>
-<td class="width40 bottom">popingen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e19406">514</a></td>
-<td class="width40 bottom">keumerk</td>
-<td class="width40 bottom">kenmerk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e19455">516</a></td>
-<td class="width40 bottom">hermaphrodietisch</td>
-<td class="width40 bottom">hermaphroditisch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e19582">519</a></td>
-<td class="width40 bottom">un</td>
-<td class="width40 bottom">hun</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e19663">522</a></td>
-<td class="width40 bottom">moenas</td>
-<td class="width40 bottom">maenas</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e19982">531</a></td>
-<td class="width40 bottom">KENMEKEN</td>
-<td class="width40 bottom">KENMERKEN</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e20102">533</a></td>
-<td class="width40 bottom">mannetjete</td>
-<td class="width40 bottom">mannetje te</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e20298">537</a></td>
-<td class="width40 bottom">licchamen</td>
-<td class="width40 bottom">lichamen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e20607">543</a></td>
-<td class="width40 bottom">onstaan</td>
-<td class="width40 bottom">ontstaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e20647">544</a></td>
-<td class="width40 bottom">bebben</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e20877">549</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mac Lachlan</td>
-<td class="width40 bottom">MacLachlan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e20893">550</a></td>
-<td class="width40 bottom">alkohol</td>
-<td class="width40 bottom">alcohol</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21034">554</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tweevleuvleugelige</td>
-<td class="width40 bottom">Tweevleugelige</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21112">556</a></td>
-<td class="width40 bottom">mnnnetje</td>
-<td class="width40 bottom">mannetje</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21154">557</a></td>
-<td class="width40 bottom">Depelicus</td>
-<td class="width40 bottom">Dipelicus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21184">557</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21252">558</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21257">558</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21273">559</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21290">559</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21299">559</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21349">561</a>, <a class="pageref" href="#xd31e21352">561</a></td>
-<td class="width40 bottom">horen</td>
-<td class="width40 bottom">hoorn</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21196">557</a></td>
-<td class="width40 bottom">Planaeus</td>
-<td class="width40 bottom">Phanaeus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21205">558</a></td>
-<td class="width40 bottom">daf</td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21214">558</a></td>
-<td class="width40 bottom">daurvoor</td>
-<td class="width40 bottom">daarvoor</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21219">558</a></td>
-<td class="width40 bottom">Blandsprietigen</td>
-<td class="width40 bottom">Bladsprietigen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21246">558</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ornitis</td>
-<td class="width40 bottom">Onitis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21270">559</a></td>
-<td class="width40 bottom">vortoonen</td>
-<td class="width40 bottom">vertoonen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21317">560</a></td>
-<td class="width40 bottom">vertoent</td>
-<td class="width40 bottom">vertoont</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21583">566</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lammellicornia</td>
-<td class="width40 bottom">Lamellicornia</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21623">566</a></td>
-<td class="width40 bottom">stercorairus</td>
-<td class="width40 bottom">stercorarius</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21743">570</a></td>
-<td class="width40 bottom">borsstuk</td>
-<td class="width40 bottom">borststuk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21777">571</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21862">573</a></td>
-<td class="width40 bottom">aanteekeding</td>
-<td class="width40 bottom">aanteekening</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21874">573</a></td>
-<td class="width40 bottom">afwachling</td>
-<td class="width40 bottom">afwachting</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e21944">576</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">de </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22155">582</a></td>
-<td class="width40 bottom">zichbaar</td>
-<td class="width40 bottom">zichtbaar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22201">584</a></td>
-<td class="width40 bottom">lediger</td>
-<td class="width40 bottom">levendiger</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22279">585</a></td>
-<td class="width40 bottom">gev al</td>
-<td class="width40 bottom">geval</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22316">586</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontnapepen</td>
-<td class="width40 bottom">ontsnappen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22333">587</a></td>
-<td class="width40 bottom">Collingswood</td>
-<td class="width40 bottom">Collingwood</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22475">592</a></td>
-<td class="width40 bottom">langdudurigen</td>
-<td class="width40 bottom">langdurigen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22530">596</a></td>
-<td class="width40 bottom">werkkring</td>
-<td class="width40 bottom">werking</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e22932">609</a></td>
-<td class="width40 bottom">bollettjes</td>
-<td class="width40 bottom">bolletjes</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationTable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">eng.</td>
-<td class="bottom">Engelsch</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">fr.</td>
-<td class="bottom">Fransch</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">h.d.</td>
-<td class="bottom">Hoog-Duitsch</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">m.n.l.</td>
-<td class="bottom">Middelnederlandsch</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">t.a.p.</td>
-<td class="bottom">ter aangehaalde plaatse</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS (DEEL 1 VAN 2)</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/69013-h/images/fig01.png b/old/69013-h/images/fig01.png
deleted file mode 100644
index 86107a4..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig01.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig02.png b/old/69013-h/images/fig02.png
deleted file mode 100644
index 0c57a9d..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig02.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig03.png b/old/69013-h/images/fig03.png
deleted file mode 100644
index af0cae9..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig03.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig04.png b/old/69013-h/images/fig04.png
deleted file mode 100644
index 9a90055..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig04.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig05.png b/old/69013-h/images/fig05.png
deleted file mode 100644
index cfd7362..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig05.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig06.png b/old/69013-h/images/fig06.png
deleted file mode 100644
index 4373ace..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig06.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig07.png b/old/69013-h/images/fig07.png
deleted file mode 100644
index e839d55..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig07.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig08.png b/old/69013-h/images/fig08.png
deleted file mode 100644
index 3e59c4f..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig08.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig09.png b/old/69013-h/images/fig09.png
deleted file mode 100644
index 2417549..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig09.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig10.png b/old/69013-h/images/fig10.png
deleted file mode 100644
index a9d5553..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig10.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig11.png b/old/69013-h/images/fig11.png
deleted file mode 100644
index d9cac0b..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig11.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig12.png b/old/69013-h/images/fig12.png
deleted file mode 100644
index efbd93a..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig12.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig13.png b/old/69013-h/images/fig13.png
deleted file mode 100644
index d56ad5c..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig13.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig14.png b/old/69013-h/images/fig14.png
deleted file mode 100644
index 0ba98d5..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig14.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig15.png b/old/69013-h/images/fig15.png
deleted file mode 100644
index 9fbc74b..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig15.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig16.png b/old/69013-h/images/fig16.png
deleted file mode 100644
index 353a5dd..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig16.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig17.png b/old/69013-h/images/fig17.png
deleted file mode 100644
index cde305a..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig17.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig18.png b/old/69013-h/images/fig18.png
deleted file mode 100644
index 6dc36cc..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig18.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig19.png b/old/69013-h/images/fig19.png
deleted file mode 100644
index 5915195..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig19.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig20.png b/old/69013-h/images/fig20.png
deleted file mode 100644
index ed02cb8..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig20.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig21.png b/old/69013-h/images/fig21.png
deleted file mode 100644
index 320f66e..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig21.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig22.png b/old/69013-h/images/fig22.png
deleted file mode 100644
index 8b54897..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig22.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig23.png b/old/69013-h/images/fig23.png
deleted file mode 100644
index 370dc5d..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig23.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig24.png b/old/69013-h/images/fig24.png
deleted file mode 100644
index 91ac0ab..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig24.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig25.png b/old/69013-h/images/fig25.png
deleted file mode 100644
index 84756d8..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig25.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig26.png b/old/69013-h/images/fig26.png
deleted file mode 100644
index a80b30f..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig26.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig27.png b/old/69013-h/images/fig27.png
deleted file mode 100644
index c982585..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig27.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig28.png b/old/69013-h/images/fig28.png
deleted file mode 100644
index a755861..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig28.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig29.png b/old/69013-h/images/fig29.png
deleted file mode 100644
index 1321313..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig29.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig30.png b/old/69013-h/images/fig30.png
deleted file mode 100644
index 4c91b00..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig30.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig33.png b/old/69013-h/images/fig33.png
deleted file mode 100644
index f9271aa..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig33.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig34.png b/old/69013-h/images/fig34.png
deleted file mode 100644
index e2c1e99..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig34.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig35.png b/old/69013-h/images/fig35.png
deleted file mode 100644
index 6ed97bd..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig35.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig36.png b/old/69013-h/images/fig36.png
deleted file mode 100644
index f2b4e4c..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig36.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig37.png b/old/69013-h/images/fig37.png
deleted file mode 100644
index ca67a77..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig37.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig38.png b/old/69013-h/images/fig38.png
deleted file mode 100644
index 11bb2b7..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig38.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig39.png b/old/69013-h/images/fig39.png
deleted file mode 100644
index cc0c8a5..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig39.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig40.png b/old/69013-h/images/fig40.png
deleted file mode 100644
index 0220fe4..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig40.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig41.png b/old/69013-h/images/fig41.png
deleted file mode 100644
index fdb8f40..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig41.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig42.png b/old/69013-h/images/fig42.png
deleted file mode 100644
index 8b352e1..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig42.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig43.png b/old/69013-h/images/fig43.png
deleted file mode 100644
index c8683fe..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig43.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig44.png b/old/69013-h/images/fig44.png
deleted file mode 100644
index 29fc782..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig44.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig45.png b/old/69013-h/images/fig45.png
deleted file mode 100644
index 9c52201..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig45.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig46.png b/old/69013-h/images/fig46.png
deleted file mode 100644
index 2f8f7bb..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig46.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig47.png b/old/69013-h/images/fig47.png
deleted file mode 100644
index ed924d2..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig47.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig48.png b/old/69013-h/images/fig48.png
deleted file mode 100644
index eb0235d..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig48.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig49.png b/old/69013-h/images/fig49.png
deleted file mode 100644
index 8a1fb4d..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig49.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig50.png b/old/69013-h/images/fig50.png
deleted file mode 100644
index e14f03e..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig50.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig51.png b/old/69013-h/images/fig51.png
deleted file mode 100644
index 1321630..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig51.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig52.png b/old/69013-h/images/fig52.png
deleted file mode 100644
index 191f8cd..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig52.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig53.png b/old/69013-h/images/fig53.png
deleted file mode 100644
index 3927aba..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig53.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig54.png b/old/69013-h/images/fig54.png
deleted file mode 100644
index e46a655..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig54.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig55.png b/old/69013-h/images/fig55.png
deleted file mode 100644
index d315729..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig55.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig56.png b/old/69013-h/images/fig56.png
deleted file mode 100644
index 69ad24d..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig56.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/fig57.png b/old/69013-h/images/fig57.png
deleted file mode 100644
index ae1eb04..0000000
--- a/old/69013-h/images/fig57.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/front.jpg b/old/69013-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index ce1a675..0000000
--- a/old/69013-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace10.png b/old/69013-h/images/lbrace10.png
deleted file mode 100644
index bbce4df..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace10.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace26.png b/old/69013-h/images/lbrace26.png
deleted file mode 100644
index fd8f6fd..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace26.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace3.png b/old/69013-h/images/lbrace3.png
deleted file mode 100644
index 0e8e638..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace4.png b/old/69013-h/images/lbrace4.png
deleted file mode 100644
index 3c1071e..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace4.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace5.png b/old/69013-h/images/lbrace5.png
deleted file mode 100644
index b117518..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace5.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace6.png b/old/69013-h/images/lbrace6.png
deleted file mode 100644
index e38eb4a..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace6.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace7.png b/old/69013-h/images/lbrace7.png
deleted file mode 100644
index 5530de2..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace7.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/lbrace8.png b/old/69013-h/images/lbrace8.png
deleted file mode 100644
index 571be33..0000000
--- a/old/69013-h/images/lbrace8.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/p296.jpg b/old/69013-h/images/p296.jpg
deleted file mode 100644
index 1181aca..0000000
--- a/old/69013-h/images/p296.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/p308.png b/old/69013-h/images/p308.png
deleted file mode 100644
index dfde456..0000000
--- a/old/69013-h/images/p308.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/p381.png b/old/69013-h/images/p381.png
deleted file mode 100644
index af94626..0000000
--- a/old/69013-h/images/p381.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/p382.png b/old/69013-h/images/p382.png
deleted file mode 100644
index aaee2a1..0000000
--- a/old/69013-h/images/p382.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/series-title.png b/old/69013-h/images/series-title.png
deleted file mode 100644
index 0850dbb..0000000
--- a/old/69013-h/images/series-title.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/spines.jpg b/old/69013-h/images/spines.jpg
deleted file mode 100644
index c62a0a0..0000000
--- a/old/69013-h/images/spines.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/tbrace.png b/old/69013-h/images/tbrace.png
deleted file mode 100644
index c5cadb6..0000000
--- a/old/69013-h/images/tbrace.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/69013-h/images/titlepage.png b/old/69013-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 6efb9da..0000000
--- a/old/69013-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ